Kamervraag 2021Z01048

De zaak van dhr. Singh

Ingediend 20 januari 2021
Beantwoord 17 februari 2021 (na 28 dagen)
Indieners Martijn van Helvert (CDA), Michiel van Nispen (SP), Sjoerd Sjoerdsma (D66)
Beantwoord door Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD)
Onderwerpen criminaliteit openbare orde en veiligheid
Bron vraag https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2021Z01048.html
Bron antwoord https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20202021-1735.html
  • Vraag 1
    Herinnert u zich de aangenomen motie van het lid Van Nispen c.s. waarin de regering wordt verzocht zich maximaal in te spannen om de heer Singh op korte termijn naar Nederland over te laten brengen, verzoeken tot overbrenging te honoreren en hiertoe zo nodig de procedure tot overdracht van de tenuitvoerlegging te starten?1

    Ja.

  • Vraag 2
    Kunt u een update geven over de gezondheidssituatie van dhr. Singh? Klopt het dat hij corona heeft?

    Volgens de Amerikaanse autoriteiten is de heer Singh (betrokkene) besmet geweest met COVID-19. Hij heeft op dit moment geen actieve COVID-infectie meer. Hij is op 19 januari 2021 vanuit de medische afdeling van de California Medical Facility in Vacaville terug overgebracht naar zijn reguliere cel. Zijn reguliere cel bevindt zich ook in de California Medical Facility, volgens de District Attorney (DA) een instelling met toegang tot goede gezondheidszorg.

  • Vraag 3
    Bent u bereid om, ondanks al uw procesmatige en inhoudelijke bezwaren, uit humanitair oogpunt zo snel mogelijk bij de Verenigde Staten een verzoek te doen om de procedure tot overdracht van de tenuitvoerlegging te starten, zodat dhr. Singh zijn resterende leven in Nederland kan doorbrengen?

    In mijn brief aan uw Kamer d.d. 21 september 2020, in reactie op de motie van het lid Van Nispen c.s., heb ik aangegeven waarom ik geen ruimte zie voor een verzoek aan de Amerikaanse autoriteiten tot overdracht van de tenuitvoerlegging van zijn straf aan Nederland (een Wots-verzoek).2 De bezwaren daartegen gelden onverkort. Daarbij is de Wots niet bedoeld als humanitair instrument. De humanitaire situatie waar betrokkene zich in bevindt (lange detentie, ouderdom en een zwakke gezondheid) maakt dit niet anders. In dezelfde brief heb ik daarom uiteengezet dat ik betrokkene, in overleg met het juridisch team van betrokkene, vanuit een humanitair oogpunt diplomatiek zou ondersteunen bij een gratieverzoek, mits er met de vrijlating die daarin wordt verzocht geen maatschappelijke risico’s zijn gemoeid. Vervolgens is het gratieverzoek door het juridische team van de betrokkene ingediend en zijn er vanuit mijn ministerie stappen gezet om het gratieverzoek bij de Amerikaanse autoriteiten actief te ondersteunen.

  • Vraag 4
    Welke maximale inspanningen heeft u, naar aanleiding van de aangenomen motie, de afgelopen zeven maanden verricht om dhr. Singh naar Nederland te halen?

    De volgende stappen zijn naar aanleiding van de motie ondernomen:

  • Vraag 5
    Klopt het dat de gratieverzoeken tot nu toe niks hebben opgeleverd, omdat er vanuit de Verenigde Staten bezwaren zijn tegen een onmiddellijke invrijheidstelling van dhr. Singh? Zo ja, waarom blijft u dan vasthouden aan de gratieprocedure?

    Zoals toegelicht in antwoord 3 zie ik geen ruimte voor overbrenging in het kader van de Wots. Daarom is er met het juridisch team van betrokkene afgesproken dat zij een verzoek tot gratie in zouden dienen en ik dit zou ondersteunen. Alle stappen, zoals genoemd in antwoord 4, zijn er op gericht om het gratieverzoek te ondersteunen.
    Hoewel eerdere verzoeken tot vrijlating inderdaad zijn afgewezen zijn de omstandigheden bij het lopende verzoek anders en kunnen ze anders worden beoordeeld dan bij eerdere gratieverzoeken. Zo heeft betrokkene na zijn laatste Parole Hearing in 2018 gewerkt aan zijn rehabilitatie. Dat blijkt onder meer uit de certificaten van opleidingen en trainingen die hij heeft gevolgd. De gouverneur beslist dan vervolgens over zijn gratiëring.

  • Vraag 6
    Bent u bekend met het feit dat eerdere gratieverzoeken niet tot het gewenste resultaat hebben geleid? Zo ja, waarom blijft u dan vasthouden aan de gratieprocedure?

    Zie antwoord vraag 5.

  • Vraag 7
    Bent u ervan op de hoogte dat bij een levenslange gevangenisstraf de voortgezette tenuitvoerlegging kan worden toegepast (op basis van artikelen 9 t/m 11 van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, hierna VOGP), waardoor er voor dhr. Singh nog voldoende strafrestant overblijft en hij dus niet op vrije voeten komt bij aankomst in Nederland? Zo ja, waarom hanteert u de procedure van de voortgezette tenuitvoerlegging niet?

    Nederland heeft in 2014 beargumenteerd waarom ze voor de VS een omzettingsprocedure hanteert en geen voortzettingsprocedure. De argumenten hiervoor gelden onverkort.3 Daarbij geldt dat de hierna genoemde bezwaren met betrekking tot het strafrestant zowel gelden voor de omzettingsprocedure als de voortzettingsprocedure.
    Voorop gesteld, het is niet aan de Minister om te bepalen of er strafrestant is. Dat is aan de rechter op het moment dat er een Wots-verzoek is ontvangen. In het kader van een eventueel Wots-verzoek aan of vanuit de VS is wel een inschatting gemaakt van een eventueel strafrestant. Hierbij is er van uitgegaan dat in de VS een tijdelijke straf van 56 jaar to life met de mogelijkheid van parole (vervroegde invrijheidsstelling) is opgelegd. In de VS bestaat er ook de mogelijkheid dat er een gevangenisstraf zonder mogelijkheid van parole wordt opgelegd. In Nederland is de langste tijdelijke gevangenisstraf dertig jaar. Betrokkene heeft in de VS inmiddels 36 jaar van zijn straf ondergaan. In casu zou dat betekenen dat betrokkene, wegens het ontbreken van een strafrestant, direct op vrije voeten gesteld zou worden. Het strafrestant is nodig om de gedetineerde voor te bereiden op zijn terugkeer in de maatschappij. Nu hier geen sprake is van een strafrestant ligt dit niet in lijn met doelen van de Wots, waaronder de kans tot resocialisatie. De straf omzetten naar een levenslange gevangenisstraf is vermoedelijk strafverzwarend, omdat in Nederland de levenslange gevangenisstraf (in tegenstelling tot een tijdelijke gevangenisstraf) een onbepaalde duur heeft en niet de mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidstelling kent.
    Overigens geldt dat alvorens een rechter kijkt naar de vraag of er sprake is van een strafrestant eerst wordt gekeken naar de binding met Nederland. In mijn brief van 21 september jl. heb ik hierover aangegeven dat, op grond van de eerdere inschatting door IOS4 en het standpunt van de Ombudsman, ik van mening ben dat vaststaat dat betrokkene niet voldoet aan het criterium binding als geformuleerd in het Beleidskader.

  • Vraag 8
    Welke concrete aanwijzingen heeft u dat de Verenigde Staten het VOGP met Nederland zou opzeggen indien een WOTS-verzoek (Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen) van dhr. Singh door Nederland wordt ingewilligd?

    In mijn brief van 21 september jl. heb ik aangegeven dat bij het afwijken van beleid de kans bestaat dat sommige landen het vertrouwen in de Nederlandse staat verliezen als we ons niet aan de doelen van de Wots/VOGP houden. Dit kan tot gevolg hebben dat zij niet langer bereid zijn samen te werken op dit gebied en een overdracht te doen voor de tenuitvoerlegging van strafvonnissen. Het vertrouwen tussen landen is van essentieel belang voor de goede werking van onder andere het VOGP. Nederland hecht hieraan dan ook een groot belang.

  • Vraag 9
    Bent u het met ons eens dat, gezien de unieke situatie van dhr. Singh, van ongewenst precedentwerking geen sprake kan zijn? Zo nee, over hoeveel soortgelijke zaken hebben we het?

    Nee, zoals in mijn brief van 21 september jl. beschreven ben ik van mening dat er wel degelijk sprake zal zijn van precedentwerking. Op de voor de Wots relevante criteria is de zaak van betrokkene namelijk niet uniek. Zoals ik in mijn brief van 21 september jl. heb aangeven zijn er tussen 2016 tot en met 2019 in totaal 302 verzoeken afgewezen vanwege het ontbreken van binding en/of strafrestant.

  • Vraag 10
    Bent u het met ons eens dat bij de nadere invulling in de nationale wetgeving voor de WOTS de menselijke maat uit het oog is verloren en het beleidskader wellicht moet worden herzien om, in zaken zoals die van dhr. Singh, slagvaardiger te werk te kunnen gaan?

    Nee. Zoals ik in het antwoord op vraag 3 uiteen heb gezet is het inzetten van de Wots uit humanitaire overwegingen niet geschikt. In overleg met het juridisch team van betrokkene heb ik aangegeven het gratieverzoek vanuit een humanitair oogpunt diplomatiek te ondersteunen. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4 neem ik hier verschillende stappen toe.

  • Vraag 11
    Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?

    Nee, dat is niet gelukt. De beantwoording nam meer tijd in beslag dan de gevraagde drie weken.

  • Mededeling - 10 februari 2021

    Hierbij deel ik u mede dat de schriftelijke vragen van de leden Van Helvert (CDA), Sjoerdsma (D66) en Van Nispen (SP), van uw Kamer aan de Minister voor Rechtsbescherming over de zaak van dhr. Singh (ingezonden 20 januari 2021) niet binnen de gebruikelijke termijn kunnen worden beantwoord, aangezien nog niet alle benodigde informatie is ontvangen. Ik streef ernaar de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.


Kamervraag document nummer: kv-tk-2021Z01048
Volledige titel: De zaak van dhr. Singh
Kamerantwoord document nummer: ah-tk-20202021-1735
Volledige titel: Antwoord op vragen van de leden Van Helvert, Sjoerdsma en Van Nispen over de zaak van dhr. Singh