Kamervraag 2018Z00601

De uitzending ‘2Doc: liever dood dan vermist’

Ingediend 18 januari 2018
Beantwoord 16 februari 2018 (na 29 dagen)
Indiener Wybren van Haga (VVD)
Beantwoord door Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66)
Onderwerpen bestuur gemeenten
Bron vraag https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2018Z00601.html
Bron antwoord https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20172018-1199.html
  • Vraag 1
    Heeft u kennisgenomen van de documentaire «2 Doc: liever dood dan vermist»?1

    Ja.

  • Vraag 2
    Onderschrijft u de problemen die in deze uitzending worden beschreven?

    De geschetste situatie is ons bekend. Net als de nabestaanden die in de uitzending aan bod komen en zoals namens het kabinet onlangs aan uw Kamer is geschreven in verband met de verdwijning van gezonken oorlogsschepen in de Javazee2, vinden ook wij dat omgekomen militairen een respectvolle laatste rustplaats verdienen. De emotie die nabestaanden erbij hebben als zij het gevoel hebben dat dat niet het geval is, begrijpen wij. Omdat het niet realistisch is alle vliegtuigwrakken te bergen, zal in veel gevallen niet meer mogelijk zijn dan het betonen van piëteit met de gevallenen en nabestaanden door de vliegtuigwrakken als oorlogsgraf met een in het recht beschermde status als plek van herinnering onberoerd te laten. Willen nabestaanden een verzoek indienen om tot berging over te gaan, dan kan dit bij de gemeente waar het wrak zich bevindt worden ingediend. Gemeenten zijn bevoegd hier besluiten over te nemen.

  • Vraag 3
    Bent u het eens met de in de documentaire opgeworpen stelling dat de huidige Circulaire Vliegtuigberging in combinatie met de huidige kostenverdeling, namelijk 30% voor de betreffende gemeente en 70% voor het Rijk leidt tot een onbevredigende situatie waarbij verzoeken van nabestaanden vaak niet worden gehonoreerd door de gemeente? Zo nee, waarom niet?

    Per brief van 23 december 2016 (Kamerstuk 32 156, nr. 78) heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) gemeld dat het Ministerie van Defensie dossieronderzoek heeft gedaan bij een steekproef van gemeenten die in het verleden met een (verzoek van nabestaanden tot) berging van een vliegtuigwrak uit de Tweede Wereldoorlog te maken hebben gehad en een bergingsadvies hebben aangevraagd. Daarnaast is door het Ministerie van BZK onder deze groep gemeenten een enquête afgenomen om de beelden uit het dossieronderzoek te verifiëren en te onderbouwen. Uit dit onderzoek en de enquête komt een wisselend beeld naar voren. Voor een kleine minderheid waren de kosten (mede) aanleiding om van berging af te zien. Voor gemeenten die wel tot berging overgaan, wegen argumenten als piëteit met nabestaanden en waarborging van de veiligheid het zwaarst. De circulaire Vliegtuigberging schetst de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de verschillende overheden en andere betrokkenen bij het bergen van vliegtuigwrakken en stoffelijke resten uit de Tweede Wereldoorlog en de opsporing en ruiming van hierbij eventueel aanwezige explosieven.

  • Vraag 4
    Hoe kan het dat er op dit moment in gemeenten op een verschillende manier wordt omgegaan met het bergen van oorlogswrakken?

    In de circulaire Vliegtuigberging schetst de Minister van Defensie de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de verschillende overheden. De beslissingsbevoegdheid voor het al dan niet laten uitvoeren van bergingen van wrakken en/of stoffelijke resten berust bij het gemeentebestuur. Hiermee hebben gemeentebesturen een zekere vrijheid om deze afweging te maken. Dit verklaart de mogelijkheid dat gemeenten op een verschillende manier omgaan met het bergen van oorlogswrakken.

  • Vraag 5
    Waarom is de bevoegdheid om te oordelen over het al dan niet bergen van een oorlogswrak bij de gemeentes neergelegd?

    In of rond oorlogswrakken is praktisch altijd sprake van de (verdenking van) aanwezigheid van explosieven. Op dat moment is sprake van een veiligheidskwestie. De Gemeentewet bepaalt dat de handhaving van de openbare orde en veiligheid een primaire verantwoordelijkheid is van de burgemeester. Derhalve is de bevoegdheid om te oordelen over het al dan niet bergen van een oorlogswrak bij gemeenten neergelegd.

  • Vraag 6
    Vindt u niet dat sommige gemeentes onevenredig financieel getroffen worden omdat er in sommige veel wrakken liggen en in sommige gemeentes geen wrakken?

    Op basis van eerder dossieronderzoek en een enquête is er onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de kosten een stelselmatige belemmering vormen om tot berging over te gaan (Kamerstuk 32 156, nr. 78). Het al dan niet bergen is een lokale afweging. Gemeenten kunnen bij berging in aanmerking komen voor een bijdrage uit het gemeentefonds van 70%, ongeacht het aantal wrakken waarvan sprake is. Wij beseffen dat er zich desondanks situaties kunnen voordoen waarin de financiering van de berging van een vliegtuigwrak uit de Tweede Wereldoorlog met daarin (vermoedelijk) stoffelijke resten een obstakel vormt. In die gevallen zal het Rijk binnen de financieringsregeling van het gemeentefonds een eventueel verzoek tot een aanvullende bijdrage welwillend bezien, mits sprake is van een berging van een vliegtuigwrak waarin zich (vermoedelijk) stoffelijke resten bevinden. Hoofdregel blijft dat vliegtuigwrakken die zich onder de grond dan wel op de rivier- of zeebodem bevinden door de rijksoverheid conform internationale verdragen worden beschouwd als oorlogsgraf en daarom in beginsel onberoerd worden gelaten.

  • Vraag 7
    Bent u bereid om het oordeel over het wel of niet bergen van een oorlogswrak weg te halen bij de gemeentes en neer te leggen bij het Rijk? Zo nee, waarom niet?

    Wij achten gemeenten goed in staat een afweging te kunnen maken hieromtrent. Wel wil het Rijk een bijdrage leveren aan de harmonisering van het gemeentelijk beleid. In dat verband heeft het Rijk een werkgroep in het leven geroepen gericht op het ontwikkelen van een afwegingskader op basis waarvan gemeenten kunnen beslissen of zij overgaan tot berging.

  • Vraag 8
    Bent u het eens met de in de documentaire genoemde schatting dat er maximaal nog slechts 30 tot 50 bergbare vliegtuigen zijn?

    Dat aantal is gebaseerd op onderzoek van de Studiegroep Luchtoorlog 1939–1945. Wij hebben geen reden om dat aantal in twijfel te trekken.

  • Vraag 9
    Vindt u ook niet dat het wenselijk is om deze resterende vliegtuigen te bergen en de omgekomen bemanningsleden een fatsoenlijke begrafenis te geven, zodat de nabestaanden afscheid kunnen nemen van hun familieleden?

    Uiteraard is piëteit ten aanzien van de nabestaanden van groot belang. Daar waar door nabestaanden de wens tot berging kenbaar wordt gemaakt, zou het betrokken gemeentebestuur dit zwaar mee moeten laten wegen.

  • Vraag 10
    Deelt u de mening van de Nationale ombudsman dat er meer eenduidigheid moet komen bij het bergingsproces van oorlogswrakken?

    Wij delen die mening. Daarom heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een werkgroep gevraagd met een advies te komen over de wijze waarop een kenniscentrum en een afwegingskader voor gemeenten gestalte kunnen krijgen. Uw Kamer is hierover eerder geïnformeerd (zie Kamerstuk 32 156, nr. 83).

  • Vraag 11
    Deelt u de mening van de Nationale ombudsman dat nabestaanden niet afhankelijk zouden moeten zijn van de locatie waar een oorlogswrak zich bevindt en van de beslissing of er al dan niet wordt overgegaan tot het bergen van het wrak?

    In de beslissing om al dan niet over te gaan tot het bergen van een wrak speelt de wens van nabestaanden een belangrijke rol. Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met veiligheidsaspecten. Zoals gezegd blijft de hoofdregel gelden dat vliegtuigwrakken die zich onder de grond dan wel op de rivier- of zeebodem bevinden door de rijksoverheid conform internationale verdragen worden beschouwd als oorlogsgraf en daarom in beginsel onberoerd gelaten.
    Desalniettemin hechten wij eraan te benadrukken dat een gemeentebestuur een eventueel verzoek van nabestaanden tot berging zwaar mee zou moeten laten wegen.

  • Vraag 12
    Bent u bereid het huidige proces rondom het bergen van oorlogswrakken en de omgekomen bemanningsleden te verbeteren? Zo ja, hoe en op welke termijn?

    Het Rijk is bereid een bijdrage te leveren aan het harmoniseren van het gemeentelijk beleid. Over concrete voorstellen hiervoor heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uw Kamer eerder geïnformeerd (zie Kamerstuk 32 156, nrs. 78 en 32 156, nr. 83.


Kamervraag document nummer: kv-tk-2018Z00601
Volledige titel: De uitzending ‘2Doc: liever dood dan vermist’
Kamerantwoord document nummer: ah-tk-20172018-1199
Volledige titel: Antwoord op vragen van het lid Van Haga over de uitzending ‘2Doc: liever dood dan vermist’