Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 13 juli 2026

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, VVD, D66, CDA en JA21. Graag beantwoord ik de vragen die door de verschillende fracties zijn gesteld. In deze nota zijn de vragen en opmerkingen uit het verslag integraal opgenomen in cursieve tekst en de beantwoording daarvan in niet-cursieve tekst. De vragen zijn genummerd, waarnaar in voorkomende gevallen naar andere antwoorden is verwezen. Gelijkluidende of in elkaars verlengde liggende vragen zijn soms gezamenlijk beantwoord.

I ALGEMEEN DEEL

1. Inleiding

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de Uitvoeringswet gigabitinfrastructuurverordening. Deze leden hebben nog wel de volgende opmerkingen.

1.

De leden van de VVD-fractie vragen welke impact deze wet heeft op het Nederlandse onderzoek dat nog loopt naar de opstelpunten.

Antwoord

De landelijke mobiele operators (MNO’s) verenigd in Monet hebben onderzoek laten uitvoeren door Dialogic naar de schaarste van antenne-opstelpunten.1 Dit onderzoek is inmiddels afgerond, en hierop is gereflecteerd middels een Kamerbrief.2 In de Kamerbrief wordt ook verwezen naar de gigabitinfrastructuurverordening en de nieuwe mogelijkheden voor de MNO’s om antennes op overheidsgebouwen te plaatsen. De verordening verplicht overheidsinstanties namelijk om mee te werken aan redelijke verzoeken van MNO’s om antenne-installaties te plaatsen op hun objecten. Dit gaat verder dan de rijksgedragslijn3 en geldt ook voor andere overheden (zoals gemeenten). Ik zal de praktische uitwerking van de verordening in de komende jaren volgen, om te zien of deze in Nederland inderdaad het effect heeft zoals de verordening beoogt.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de Uitvoeringswet voor de Gigabitinfrastructuurverordening (GIA). Zij steunen de richting van de GIA en hebben enkele vragen, suggesties en opmerkingen. Deze leden benadrukken dat Nederland een bijzondere positie heeft als EU-lidstaat met een sterke digitale connectiviteit. Volgens hen moet Nederland optimaal gebruikmaken van de ruimte in de verordening voor lidstaten om nadere voorwaarden te stellen om deze positie te versterken.

De leden van de CDA-fractie zijn voorstander van het versterken van de digitale infrastructuur in Nederland, om zo bij te dragen aan een concurrerende en toekomstbestendige economie. Het rapport Wennink benadrukt dat een sterke (digitale) infrastructuur een van de belangrijke randvoorwaarden is voor het Nederlandse verdienvermogen. Deze leden onderschrijven dan ook het belang van maatregelen die het gezamenlijke gebruik van bestaande fysieke infrastructuur bevorderen en de uitrol van nieuwe fysieke infrastructuur efficiënter maken. Hierdoor kunnen elektronische communicatienetwerken sneller, doelmatiger en tegen lagere kosten worden uitgerold, hetgeen ten goede komt aan zowel inwoners als bedrijven. Wel hebben zij nog een aantal vragen over dit wetsvoorstel.

2.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering inzichtelijk heeft in hoeverre de voorgestelde maatregelen daadwerkelijk bijdragen aan het verminderen van de schaarste aan antenne-opstelpunten. Verwacht de regering dat met de verruimde mogelijkheden voor toegang tot en medegebruik van fysieke infrastructuur en versnelde vergunningverlening er voldoende nieuwe opstelpunten beschikbaar komen om aan de toekomstige vraag naar mobiele connectiviteit te voldoen? Op welke analyses of prognoses is deze verwachting gebaseerd?

Antwoord

De verordening brengt extra mogelijkheden om antennes op overheidsgebouwen te plaatsen, wat de beschikbaarheid van antenne-opstelpunten mogelijk vergroot. Aanvullend verken ik dit jaar de volgende maatregelen:

  • 1. Het ophogen van de grens voor vergunningsvrije plaatsing van antenne-installaties van 5 naar 7 meter;

  • 2. Het vernieuwen van het Antenneconvenant en daarbij betrekken van extra deelnemers.

De verwachting is dat deze maatregelen bijdragen aan voldoende nieuwe opstelpunten om aan de toekomstige vraag te voldoen, zoals eerder becijferd door Dialogic.4 Daarnaast heb ik Monet opgeroepen om de relevante cijfers over antenneplaatsing te blijven monitoren, om gezamenlijk de vinger aan de pols te houden hoe antenneplaatsing in de komende jaren zal verlopen.

De leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel tot uitvoering van de gigabitinfrastructuurverordening. Deze leden onderschrijven het belang van snelle en betrouwbare digitale infrastructuur voor burgers, bedrijven en overheden. Tegelijkertijd achten zij het van belang dat de versnelling van de uitrol van elektronische communicatienetwerken gepaard gaat met voldoende aandacht voor uitvoerbaarheid, lokale belangen, cyberveiligheid en de bescherming van vitale infrastructuur. Zij hebben daarom nog enkele vragen aan de regering.

3.

De leden van de JA21-fractie merken op dat de verordening primair is gericht op de uitrol van elektronische communicatienetwerken op land. Tegelijkertijd vormt internationale connectiviteit een essentieel onderdeel van de digitale infrastructuur van Nederland, Europa en de Europese Unie. Deze leden vragen de regering in hoeverre bij de uitvoering van de Gigabitinfrastructuurverordening ook aandacht wordt besteed aan de weerbaarheid van de bredere digitale infrastructuur. Kan de regering toelichten hoe zij de huidige staat en toekomstige capaciteit van deze verbindingen beoordeelt? Acht de regering de bestaande infrastructuur bovendien toereikend om de groeiende vraag naar dataverkeer als gevolg van de verdere uitrol van gigabitnetwerken op te vangen?

4.

Kan de regering voorts toelichten in hoeverre de effectiviteit van investeringen in nationale gigabitnetwerken mede afhankelijk is van de capaciteit en weerbaarheid van internationale verbindingen, waaronder zeekabels?

Antwoord

De leden van de JA21-fractie merken terecht op dat internationale connectiviteit, waaronder zeekabels, een essentieel onderdeel is van de digitale infrastructuur van Nederland en Europa. Dit valt weliswaar buiten de reikwijdte van de Uitvoeringswet gigabitinfrastructuurverordening, maar dat neemt niet weg dat het kabinet actief inzet op het aanlanden van nieuwe zeekabels met de Zeekabel Coalitie. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat Nederland nieuwe zeekabelinfrastructuur nodig heeft: zowel het vervangen van bestaande zeekabels die aan het einde van de levensduur raken als investeren in extra capaciteit om aan het groeiende dataverkeer te kunnen voldoen is nodig.1 Daarbij is het van belang de weerbaarheid van deze infrastructuur verder te versterken met routediversiteit en redundantie, bijvoorbeeld met de beoogde Arctische route naar Azië. Ook in Europees verband wordt ingezet op versterking van de zeekabel-infrastructuur met het Europees Actieplan Kabelveiligheid, de Connecting Europe Facility (CEF) en de Cable Projects of European Interest die prioriteit krijgen bij CEF-subsidies. De Tweede Kamer heeft het belang van nieuwe zeekabelaanlandingen onderstreept met diverse moties. Ook heeft de Kamer het amendement Dassen c.s. (36 915 XIII, nr. 7) aangenomen dat 18 miljoen vrijmaakt voor het zeebodemonderzoek voor de beoogde Nederlandse aanlanding van de pan-Arctische zeekabel. Ik zal de Kamer informeren over de vervolgstappen uitvoering daarvan; uiterlijk voor Prinsjesdag over de beoogde pan-Arctische zeekabel en, in afwachting van het Europese onderzoek naar internationale connectiviteit van het Caribisch gebied, uiterlijk begin 2027 over de beoogde trans-Atlantische zeekabel.

2. Inhoud van de verordening op hoofdlijnen

5.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben verduidelijkende vragen over de GIA. Ten eerste vragen zij hoe Nederland de beschikbare beleidsruimte benut heeft. Kan de regering in algemene zin duiden hoe zij besloten heeft welke ruimte wel en niet te benutten om aanvullende nationale regels te implementeren? Welke afweging is hier aan vooraf gegaan, en zijn er – naast de in de memorie van toelichting beschreven keuzes – nog andere aanvullingen die de regering heeft overwogen om op te nemen?

Antwoord

Bij de GIA is sprake van een verordening. Dat betekent dat er in beginsel niet of nauwelijks ruimte is voor lidstaten om eigen beleid te voeren. Alleen waar de verordening zelf aangeeft dat er nationale keuzes mogen worden gemaakt is er een (beperkte) ruimte voor nationale invulling. Het uitgangspunt daarbij is dat er in beginsel geen aanvullende verplichtingen worden opgelegd (lastenluwe implementatie). De verordening biedt lidstaten de mogelijkheid om af te zien van het in de verordening opgenomen beginsel dat een vergunning bij overschrijding van de beslistermijn geacht wordt te zijn toegekend (lex silencio positivo). Van deze mogelijkheid heeft de regering gebruik gemaakt. In de antwoorden op vragen hierover van de diverse fracties wordt ingegaan op de beweegredenen. Verder geeft de verordening lidstaten de opdracht om aan te geven wanneer de aanleg van VHC-netwerken vergunningsvrij is. Dit wordt uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur. Ook maakt de verordening het mogelijk om in bepaalde gevallen uit de verordening voortvloeiende verplichtingen niet van toepassing te laten zijn. Ook hiervan wordt door de regering gebruik gemaakt. Uitwerking van de uitzonderingen zal eveneens plaatsvinden bij algemene maatregel van bestuur. Voorts geeft de verordening in bepaalde gevallen de mogelijkheid voor lidstaten om nadere regels te stellen. Van deze mogelijkheden wordt zo beperkt mogelijk gebruik gemaakt vanuit de gedachte dat dergelijke regels zouden kunnen leiden tot een nationale kop.

6.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben begrip voor de ruimte om per algemene maatregelen van bestuur nadere regels te stellen. Wel vragen zij om de Kamer tijdig te informeren over het ontwikkelen van deze maatregelen, waarbij duidelijk wordt hoe en met wie ze worden opgesteld. Voor goed controleerbare wetgeving achten deze leden dit noodzakelijk. Hoe gaat de regering de Kamer blijvend op de hoogte houden van deze ontwikkelingen? Gaat de regering de Kamer actief betrekken?

Antwoord

Uitgangspunt bij gedelegeerde wetgeving, zoals een algemene maatregel van bestuur, is dat deze niet wordt opgesteld met (directe) betrokkenheid van de Tweede en Eerste Kamer. Dat geldt ook voor de algemene maatregel van bestuur ter uitwerking van de GIA. Bij het opstellen van de algemene maatregel van bestuur wordt overleg gevoerd met en inbreng gevraagd van de diverse belanghebbenden, zoals diverse onderdelen van de rijksoverheid, gemeenten, en (vertegenwoordigers van) netwerkexploitanten. Verder zal de ontwerpversie van de algemene maatregel van bestuur via internet openbaar worden geconsulteerd en gericht worden geconsulteerd onder decentrale overheden (op grond van artikel 4 Code Interbestuurlijke Verhoudingen) en zal de ontwerpversie door de toekomstige toezichthouder worden getoetst op uitvoerbaarheid. Daarna zal de algemene maatregel van bestuur voor advies worden voorgelegd aan de Raad van State.

7.

Ten tweede vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zich af wat onder «alle redelijke verzoeken» wordt verstaan. Uiteraard begrijpen zij dat de brede formulering bewust ruimte laat. Tegelijkertijd stellen zij voor om zoveel mogelijk onduidelijkheden weg te nemen voordat de uitvoeringswet in werking treedt. Kan de regering in heldere taal schetsen hoe wordt bepaald wat als «redelijk verzoek» kwalificeert? Welke rol heeft de ACM daarin en welke voorwaarden kan de (mede)wetgever daaraan stellen? Zij stellen dezelfde vraag over de gevraagde «redelijke en billijke voorwaarden». Volstaat het ACM-besluit uit juli 2024 als definitie?

Antwoord

Het begrip «redelijke verzoeken» is opgenomen in de tekst van artikel 3, eerste lid, van de verordening. Het is de bedoeling dat de partij die om toegang tot fysieke infrastructuur verzoekt samen met de partij die eigenaar is van, of zeggenschap heeft over, de fysieke infrastructuur bepaalt wat in het concrete geval redelijk is. Als partijen daar niet uitkomen dan kan het dan ontstane geschil aan de ACM ter beoordeling worden voorgelegd. Het oordeel van ACM kan op zijn beurt – als een van de partijen dat wenst – weer aan de rechter worden voorgelegd. De verordening biedt geen ruimte om in nationale regelgeving nader uit te werken wat onder redelijke verzoeken moet worden verstaan. Dat lijkt de regering overigens ook niet wenselijk. De kracht van een open norm als deze is juist dat de omstandigheden van het geval een grote rol spelen bij wat redelijk is in dat geval of niet. Dit is ook de reden dat de regering niet kan schetsen wat (in zijn algemeenheid) redelijk is of niet. Overigens zijn dergelijke normen in het recht niet nieuw en hebben zij in de praktijk hun nut bewezen. Voor wat betreft het door de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie genoemde ACM-besluit uit juli 2024 veronderstelt de regering dat hier gedoeld wordt op het besluit van ACM in het geschil tussen Vodafone en AEGON over het medegebruik van een antenne-opstelpunt. Hoewel dit geschil is beslecht op basis van de Telecommunicatiewet en niet op basis van de verordening, is het besluit ook bij de interpretatie van de verordening relevant. Immers een van de aspecten van het besluit is dat de ACM hier in een concreet geval invulling geeft aan de in de Telecommunicatiewet opgenomen norm dat een netwerkexploitant in moet stemmen met redelijke verzoeken van aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken tot medegebruik van (= toegang tot) zijn fysieke infrastructuur. In wezen is dit dezelfde norm als die is opgenomen in de verordening. ACM geeft in het besluit aan welke elementen zij in het voorliggende geval relevant acht om tot een oordeel te komen over de redelijkheid van het verzoek om toegang tot fysieke infrastructuur. Hoewel daarbij naar de opvatting van de regering door ACM geen definitie van wat redelijk is wordt gegeven, biedt het besluit wel inzicht hoe de ACM op dit punt tot een besluit komt. Hierdoor ontstaat meer houvast hoe in de praktijk moet worden gekomen tot het oordeel of een verzoek al dan niet redelijk is. Ten slotte heeft de Europese Commissie in de zomer van 2025 een openbare raadpleging onder belanghebbenden uitgevoerd en kan zij op basis van deze uitkomsten bepalen om in nauwe samenwerking met de Berec (de koepel van Europese toezichthouders) richtsnoeren te verstrekken over de toepassing van artikel 3 in de GIA over toegang tot fysieke infrastructuur.

8.

Ten derde hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen over de reikwijdte van de aanbieders die onder de verordening vallen. Zij vragen de regering om een beeldend overzicht te geven van Nederlandse organisaties en ondernemingen die onder de verordening toegang moeten verlenen aan redelijke verzoeken van telecompartijen. Zijn er organisaties en ondernemingen, bijvoorbeeld met meerdere functies, waarbij nog niet duidelijk is of zij hier onder vallen? Zo ja, kan de regering schetsen in welke gevallen dit zo is? Wat doet zij om deze duidelijkheid zo snel mogelijk wel te verschaffen?

Antwoord

De verordening bepaalt op welke entiteiten de verplichtingen uit de verordening van toepassing zijn. Dat zijn netwerkexploitanten en overheidsorganisaties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur. In artikel 2 van de verordening is gedefinieerd wat onder een netwerkexploitant, een overheidsorganisatie en fysieke infrastructuur moet worden verstaan. In het algemeen is op basis van die definities volgens de regering wel duidelijk welke organisaties onder de werking van de verordening vallen. Dit neemt niet weg dat er gevallen zullen zijn waarin dit niet zo is. In dat geval is het niet zozeer aan de regering om te bepalen of een organisatie al dan niet onder de regels van de verordening valt. Het is in eerste instantie de partij zelf die zal moet bekijken of hij onder de werking van de verordening valt. In tweede instantie is het aan de toezichthouder om hier een oordeel over te hebben. Uiteraard kan dit oordeel aan de rechter worden voorgelegd. Verder is het inderdaad mogelijk dat een onderneming meerdere functies heeft. Van belang daarbij is of een van die functies de onderneming een netwerkexploitant maakt in de zin van de verordening. Dat is het geval als de onderneming, naast de andere functies die de onderneming heeft, ook een aanbieder van een openbaar netwerk, een openbare elektronische communicatiedienst of een aanbieder van een bijbehorende faciliteit is. Of als de onderneming fysieke infrastructuur heeft die tot doel heeft diensten te leveren op het gebied van de productie, het transport of de distributie van gas, elektriciteit, verwarming of water, met inbegrip van de afvoer of verwerking van afval- en rioolwater en drainagesystemen, dan wel heeft de onderneming fysieke infrastructuur die tot doel heeft diensten te leveren op het gebied van vervoer, met inbegrip van vervoer via spoorwegen, wegen, waaronder stadswegen, tunnels, havens en luchthavens. De toegang die in dat geval moet worden verleend heeft alleen betrekking op de fysieke infrastructuur die gebruikt wordt voor de functie die ertoe leidt dat de entiteit onder de werking van de verordening valt. Verder kan het voorkomen dat een entiteit zowel overheidsinstantie is als netwerkexploitant. Hierbij kan, bijvoorbeeld, worden gedacht aan ProRail dat door de publieke taak die het heeft (het zorgen voor spoorwegen in Nederland) kwalificeert als publiekrechtelijke instantie en daarmee als overheidsinstantie en tevens, door het aanbieden van fysieke infrastructuur die tot doel heeft het leveren van diensten op het gebied van vervoer, kwalificeert als netwerkexploitant. In dat geval is de verordening zondermeer van toepassing op een dergelijke entiteit.

9.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben in het bijzonder aandacht voor gemeenten. Deze leden wijzen er op dat veel gemeentelijk vastgoed wordt gebruikt of verhuurd voor maatschappelijke doelen zoals ontmoeting, onderwijs, sport en recreatie. Is het volledig duidelijk of ál het gemeentelijk vastgoed onder de GIA valt? Kan de regering voorbeelden geven van soorten gemeentelijke gebouwen die hieronder vallen? Deze leden geven aan dat maatschappelijke functies niet beperkt, of in ieder geval minimaal beperkt, moeten worden door de uitbreiding van het mobiele netwerk. Heeft de regering met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gesproken ter voorbereiding van deze wet, en kan de regering bevestigen dat gemeenten voldoende voorbereid en uitgerust zijn op de implementatie van de verordening?

Antwoord

De hoofdregel uit de verordening is dat netwerkexploitanten en overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur moeten voldoen aan alle redelijke verzoeken van exploitanten om toegang tot die fysieke infrastructuur ten behoeve van de uitrol van VHC-netwerken. Dit betekent dat al het gemeentelijk vastgoed dat onder de definitie van fysieke infrastructuur uit de verordening valt en waar de gemeente eigenaar van is of zeggenschap over heeft, onder de reikwijdte van de verordening valt. Het gemeentehuis, wijkcentra, bibliotheken en sportaccommodaties zijn voorbeelden van gemeentelijk vastgoed die onder de reikwijdte van de verordening vallen, mits de gemeente eigenaar is van of zeggenschap heeft over het vastgoed. Overigens bevat de verordening mogelijkheden om de toegang tot specifieke infrastructuur te weigeren, bijvoorbeeld vanwege technische ongeschiktheid van de infrastructuur of om bepaalde veiligheidsredenen, in reactie op de opmerking van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat de maatschappelijk functies niet beperkt of minimaal beperkt moeten worden. De vraag van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of de regering met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft gesproken ter voorbereiding van de uitvoeringswet, kan bevestigend worden beantwoord. Daarnaast is ook gesproken met het Gemeentelijk Platform Kabels en Leidingen (GPKL), waarbij deze partij via o.a. kennisdeling over de verordening zijn achterban informeert over de werking van de verordening.

10.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering om in heldere taal uit te leggen wat de GIA verandert aan de rechten van huurders en verhuurders ten opzichte van aanbieders van telecommunicatie. De alinea die dit beschrijft vinden zij onvoldoende duidelijk. Wat verandert in de praktijk voor huurders, verhuurders en woningcorporaties door deze verordening? Hoe raakt de verordening aan het instemmingsrecht van bewoners? Kunnen bewoners in het geval dat zij hinder ondervinden aan het aansluiten van een netwerk, compensatie vragen? Is het bijvoorbeeld mogelijk dat er als tegenprestatie voor het gebruiken van een huurwoning voor telecommunicatie-infrastructuur, er ook snelle internetaansluitingen voor een gunstige prijs worden gerealiseerd voor bewoners? Aan wie is het om dergelijke afspraken te maken?

Antwoord

De in de verordening opgenomen verplichting om te voldoen aan redelijke verzoeken om toegang tot fysieke infrastructuur geldt voor netwerkexploitanten en overheidsinstanties. In het algemeen vallen particuliere verhuurders dus niet onder de werking van de verordening. Zoals al aangegeven in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is de regering van opvatting dat woningbouwcorporaties niet zijn te beschouwen als overheidsinstantie zoals bedoeld in de verordening. Dit betekent dat ook voor woningbouwcorporaties geldt dat deze niet onder de werking van de verordening vallen. De verordening heeft volgens de regering dan ook geen gevolgen voor de rechten van verhuurders en huurders. De afspraken gemaakt tussen de Rijksoverheid, de VNG en de telecommunicatieaanbieders in het antenneconvenant blijven van kracht. In die afspraken is vastgelegd dat de bewoners instemmingsrecht hebben bij het plaatsen van (vergunningsvrije) antennes. Over compensatie bij eventuele hinder zijn geen afspraken gemaakt. Dit betekent dat het civiele recht van toepassing is en dat eventueel juridische actie kan worden ondernomen op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek). Ook ten aanzien van eventuele «tegenprestaties» jegens huurders geldt dat daarover geen afspraken zijn opgenomen in het convenant. Dat betekent niet dat hierover in een concreet geval geen afspraken kunnen worden gemaakt met de telecompartij die de antenne plaatst. Het initiatief voor dergelijke afspraken zou kunnen komen van de eigenaar/verhuurder van de woningen. Hij is immers degene met wie de telecompartij onderhandelt over de plaatsing.

11.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de verordening de Europese Commissie toestaat om nadere richtsnoeren vast te stellen voor toegang tot infrastructuur. Deze leden vragen welke belanghebbenden hierbij worden geraadpleegd.

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 7.

12.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden de waarborgen voor de veiligheid van overheidsgebouwen onvoldoende duidelijk. De regering schrijft dat op grond van veiligheid, toegang tot overheidsgebouwen aan aanbieders geweigerd mag worden. Het is echter niet duidelijk hoe deze weigering onderbouwd moet worden. Zij vragen de regering om duidelijk uit te leggen bij wie de bewijslast ligt. Hoe moeten overheden onderbouwen dat de veiligheid, integriteit of vertrouwelijkheid van infrastructuur in het geding komt bij een verzoek tot toegang? Hoeveel tijd is er om deze weigering te onderbouwen? Hoe kan een aanbieder hiertegen in bezwaar gaan? Deze leden benadrukken dat gevoelige informatie over infrastructuur goed beveiligd dient te worden, en stellen voor om op dit punt zeer terughoudend te zijn. Zij horen graag van de regering hoe zij dit betracht. Hiertoe achten zij het noodzakelijk dat de Autoriteit Consument & Markt voldoende capaciteit heeft om de handhavingsverzoeken te behandelen.

Antwoord

In beginsel zal de partij die toegang weigert aannemelijk moeten maken dat het verlenen van toegang een gevaar oplevert voor de veiligheid. Ook zal aannemelijk moeten worden gemaakt dat het gevaar niet tot een acceptabel niveau kan worden beperkt door specifieke (proportionele) maatregelen te nemen of af te spreken. Opgemerkt wordt dat «aannemelijk maken» een minder zware lading heeft dan bewijzen: het gaat er niet om dat onomstotelijk vast komt te staan dat er gevaar is voor de veiligheid maar dat er aannemelijke risico’s zijn. De onderbouwing van dergelijke risico’s hangt sterk af van de omstandigheden van het geval: wat voor kwetsbaarheden zijn er, wat voor informatie is er in een gebouw aanwezig, hoe ernstig zijn de gevolgen als de veiligheid wordt geschonden, enz. Van belang is verder dat de regering voornemens is om, gebruikmakende van de mogelijkheden die de verordening biedt, bij algemene maatregel van bestuur verschillende overheidsdiensten uit te sluiten van de toepassing van de verordening. Het gaat daarbij onder andere om fysieke infrastructuur van defensie, de politie en de rechtspraak.

13.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het onzorgvuldig dat niet kan worden gesteld welke entiteit in positie is om, op basis van nationale veiligheid, een toegangsverzoek te weigeren. Deze leden volgen de redenering van de regering dat dit gaat om netwerkexploitanten en overheidsinstanties, maar hebben zekerheid nodig dat dit ook echt het geval wordt. Hoe gaat de regering hier zo snel mogelijk helderheid over krijgen? Kan de regering bevestigen dat alle EU-lidstaten deze uitleg volgen? Zo ja, acht zij het van toegevoegde waarde om dit punt in de wet of in algemene maatregelen van bestuur (AMvB) nader te specificeren?

Antwoord

De verordening geeft duidelijk aan wie in de positie is om toegang tot fysieke infrastructuur te weigeren. Dat is namelijk de entiteit die om toegang wordt gevraagd, zijnde de netwerkexploitant of de overheidsinstantie die eigenaar is van of zeggenschap heeft over de fysieke infrastructuur. Dat geldt voor alle weigeringsgronden, dus ook voor een toegangsweigering op basis van de nationale veiligheid. De regering heeft geen gronden om aan te nemen dat hier in andere lidstaten anders tegenaan wordt gekeken. Ook waar het gaat om de (nationale) veiligheid is van belang op te merken dat bij algemene maatregel van bestuur de fysieke infrastructuur van overheidsinstanties waarbij de veiligheid in het geding is zal worden uitgezonderd van de verplichtingen op basis van de verordening.

14.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat in AMvB’s nadere regels kunnen worden gesteld aan de civiele werken die buiten de informatieplicht komen te vallen. Dit achten deze leden een nuttig instrument om nationale veiligheidsrisico’s af te dekken. Zij vragen de regering om duidelijk te maken welke bepalingen de regering voornemens is om per AMvB op te nemen op dit punt.

Antwoord

De regering is inderdaad voornemens om bij algemene maatregel van bestuur omwille van de veiligheid van fysieke infrastructuur van de bepaalde overheidsorganisaties uit te zonderen van de toepassing van de verordening. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan de fysieke infrastructuur van defensie, de politie en de rechtspleging. Maar ook aan infrastructuur van het parlement en internationale organisaties.

15.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vragen over de aanvraagtermijn voor vergunningen. Het is voor hen niet duidelijk of 20 werkdagen een haalbare en noodzakelijke tijdsspanne is. Zijn er andere termijnen overwogen? Is er ook ruimte om op nationaal niveau kortere termijnen te bepalen, is dat overwogen? Wel stellen deze leden dat ten zeerste moet worden voorkomen dat vergunningen verleend worden, omdat de termijn niet gehaald wordt. Zij vragen de regering om duidelijk te maken wat er nodig is om dit te voorkomen.

Antwoord

De verordening stelt in artikel 7 maximumtermijnen met betrekking tot de verlening van vergunningen nodig voor de uitrol van VHC-netwerken. Zo bepaalt de verordening dat binnen 20 werkdagen na ontvangst van een aanvraag voor een vergunning de bevoegde autoriteit (bijvoorbeeld een gemeente) moet aangeven of de vergunningaanvraag volledig is. Deze eis betekent niet dat binnen 20 werkdagen op de vergunningsaanvraag moet zijn beslist maar dat binnen die termijn duidelijk moet zijn of de informatie die nodig is voor de beoordeling van de verordening is verschaft. De termijn van 20 dagen komt bovenop de eisen die aan vergunningverlening worden gesteld door de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Awb stelt op dit punt geen termijn maar geeft wel aan dat een bestuursorgaan kan besluiten een aanvraag niet te behandelen, indien de door de aanvrager verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Daarbij stelt de Awb wel de voorwaarde dat de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan te stellen termijn de aanvraag aan te vullen. Die gelegenheid moet de aanvrager op grond van de verordening nu in ieder geval binnen de 20 werkdagen termijn worden geboden. In het oorspronkelijke voorstel van de Europese Commissie was een termijn van 15 dagen opgenomen. Op aandringen van meerdere lidstaten is deze termijn uiteindelijk verruimd naar 20 dagen. Nederland heeft hier mee ingestemd. Het is op basis van artikel 1, derde lid, van de verordening voor een lidstaat mogelijk om strengere eisen te stellen dan in de verordening zijn opgenomen. Nederland zou dus een kortere termijn dan 20 dagen kunnen vaststellen. Hier is echter van afgezien vanuit het beginsel van lastenluwe implementatie van Europese wetgeving. Voor wat betreft het voorkomen dat vergunningen worden verleend door het verstrijken van de termijn merkt de regering op dat dit voorkomen is door in de uitvoeringswet gebruik te maken van de door de verordening geboden mogelijkheid om af te zien van de toepasselijkheid van de in de verordening opgenomen hoofdregel dat termijnoverschrijding leidt tot toekenning van de vergunning (lex silencio positivo).

16.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vragen over hoe vertrouwelijkheid in de centrale informatiepunten wordt gewaarborgd. Gevoelige informatie over infrastructuur dient maximaal beschermd te worden. Kan de regering helder schetsen hoe beoordeeld wordt welke informatie wél en niet wordt gedeeld met oog op gevoelige informatie? Hoe voorkomt zij dat verschillende verstrekte documenten, die op zichzelf niet gevoelig zijn, alsnog in gezamenlijkheid een risico kunnen vormen voor de nationale veiligheid? Komt er een beveiligde omgeving waarbinnen informatie wordt verschaft om te voorkomen dat het gezien wordt door derden? Zijn er, naast het Kadaster en de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur, nog andere organisaties overwogen als bevoegde instanties?

Antwoord

De verordening biedt verschillende mogelijkheden om informatie uit te zonderen van de verplichting tot transparantie, zoals nationale veiligheid. In het uitvoeringsbesluit zal hier nader invulling aan gegeven worden. Daarbij is goed om op te merken dat voor transparantie over fysieke infrastructuur wordt aangesloten bij bestaande informatiedeling. Zo wordt informatie over bovengrondse fysieke infrastructuur reeds openbaar gemaakt in de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en het Antenneregister. Voor ondergrondse fysieke infrastructuur wordt reeds informatie gedeeld via het KLIC. In de huidige situatie geldt voor deze systemen al dat uitzonderingen bestaan voor gevoelige informatie. Om deze reden wordt ervoor gekozen om de bevoegde instanties die deze informatiepunten beheren, aan te wijzen als bevoegde instanties in het uitvoeringsbesluit. Voor de nieuwe dienst, ten behoeve van informatiedeling over geplande civiele werken, zullen slechts beperkt organisaties toegang hebben tot de informatie. Ook daarvoor geldt dat gevoelige informatie zal worden uitgezonderd van de transparantieplicht. Als laatste geldt voor alle informatie de mogelijkheid voor bronhouders om informatie te weigeren op een aantal gronden als nationale veiligheid, zoals uiteengezet in de verordening.

17.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de «redelijke uitleg van de verordening» over het glasvezelklaar maken van wooncomplexen voldoende helder is. Is de regering bereid om dit in de wetstekst of per algemene maatregel van bestuur te bestendigen, zodat er geen onzekerheid bestaat over de soorten gebouwen die hier wel niet onder vallen?

Antwoord

De nadere uitwerking van de verplichting is geregeld via lagere regelgeving van de Omgevingswet, namelijk het Besluit bouwwerken leefomgeving5 (Bbl) en het onderliggende Omgevingsregeling6 (Or). Deze regels zijn eind maart 2026 in werking getreden. In het Bbl (artikelen 4.244 en 4.245) is aangegeven voor welke gebouwen de regels gelden en welke gebouwen zijn uitgesloten van de verplichtingen. Een brochure geeft uitgebreide toelichting over de uitwerking van de regels in het Bbl en de Or7.

18.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat in de GIA ook een voorstel staat om de kosten voor roaming in heel Europa gelijk te trekken. Zij vragen de regering hoe groot de kostenverschillen tussen roaming in het binnenland en binnen Europa nu nog zijn en met hoeveel de kosten zullen worden verlaagd. Heeft dit nog financiële consequenties voor telecombedrijven of lidstaten?

Antwoord

Artikel 17 van de verordening wijzigt een artikel in de Roamingverordening waar het communicatie binnen de EU betreft. Dat wil zeggen bellen en sms’en vanuit de eigen lidstaat naar een andere EU-lidstaat. Dit is iets anders dan roaming, waarmee smartphones in een ander EU-land onder voorwaarden verbonden blijven met het internet zonder aanvullende kosten. Daar verandert in deze verordening niks aan.

Er verandert wel wat aan de kostenverschillen in het binnenland en binnen Europa voor de intra-EU calls en sms-berichten.

Voor intra-EU communicatie gelden momenteel op grond van Europese regelgeving maximumtarieven van € 0,19 per minuut voor gesprekken en € 0,06 per sms (exclusief btw). Telecomaanbieders mogen echter ook lagere tarieven rekenen, en zelfs al sinds 1 januari 2025 vrijwillig de kosten gelijktrekken met de in het binnenland geldende tarieven.

De GIA bepaalt dat deze tarieven per 1 januari 2029 voor alle telecomaanbieders gelijk worden getrokken met de tarieven voor binnenlandse gesprekken en sms-berichten. Daarmee wordt de situatie voor communicatie binnen de EU gelijkgetrokken met roaming.

De Europese Commissie voert uiterlijk medio 2027 een evaluatie-onderzoek uit naar de mogelijke nadelige effecten voor bijvoorbeeld concurrentie op de markt. Mochten er nadelige effecten zijn dan kan het artikel nog aangepast worden.

Voor lidstaten worden geen directe financiële consequenties voorzien, het betreft namelijk een regulering van de tarieven die aanbieders aan eindgebruikers mogen rekenen.

2.1. Toegang tot fysieke infrastructuur

19.

De leden van de CDA-fractie lezen dat netwerkexploitanten en overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur moeten voldoen aan alle redelijke verzoeken van exploitanten om toegang tot die infrastructuur. Deze leden constateren dat het begrip «redelijk verzoek» ruimte laat voor interpretatie. Wat voor een exploitant een redelijk verzoek is, kan door een eigenaar van infrastructuur immers als onevenredig of belastend worden ervaren. Kan de regering nader uiteenzetten aan de hand van welke criteria wordt beoordeeld of sprake is van een redelijk verzoek?

20.

De leden van de CDA-fractie constateren dat veel bepalingen in de verordening open normen bevatten, zoals de begrippen «redelijke verzoeken» en «redelijke en billijke voorwaarden». In hoeverre verwacht de regering dat de nadere invulling van deze normen in de praktijk door de ACM zal plaatsvinden en vindt de regering dit wenselijk?

Antwoord

De beantwoording van vraag 19 en vraag 20 is in dit antwoord samen genomen. Zoals hiervoor is opgemerkt naar aanleiding van een vraag van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie is het in eerste instantie aan de om toegang onderhandelende partijen om te bepalen wat in hun specifieke geval redelijk is en wat niet. Het feit dat het hier gaat om een open norm maakt het mogelijk om rekening te houden met de omstandigheden van het geval. Van partijen mag worden verwacht dat zij te goeder trouw met elkaar hierover onderhandelen. Natuurlijk kan het gebeuren dat partijen er niet uitkomen. In dat geval kunnen zij, zoals ook al eerder is aangegeven, hun verschil van mening aan de ACM voorleggen. Uitgangspunt is daarbij dat er in beginsel toegang moet worden verleend. Maar er kunnen echter goede gronden zijn om de toegang te weigeren. Zo zal door ACM moeten worden bekeken of er een of meer in de verordening genoemde weigeringsgronden aan de orde zijn in het geschil. Ook is van belang dat de (financiële) vergoeding recht doet aan de kosten die de toegangsverlener maakt door het geven van toegang. Veel hangt daarbij af van de omstandigheden van het geval. Het open karakter van de norm maakt dat de ACM hier afdoende rekening mee kan houden. De regering vindt dit een goede zaak en wijst er, net als bij de beantwoording van de vragen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie, op dat dergelijke open normen in het recht niet ongebruikelijk zijn, en in dit domein ook al bestaan, bijvoorbeeld ter implementatie van de Richtlijn breedband, en in de praktijk hun nut hebben bewezen.

21.

De leden van de CDA-fractie lezen dat informatie over fysieke infrastructuur in beginsel direct via het centrale informatiepunt (CIP) beschikbaar moet zijn en, indien deze informatie daar niet beschikbaar is, alsnog binnen tien dagen na een verzoek elektronisch moet worden verstrekt. Deze leden vragen hoe de regering ervoor zorgt dat deze termijn in de praktijk daadwerkelijk wordt gehaald. Hebben gemeenten dit punt inmiddels goed ingericht? Kan de regering tevens aangeven welke gevolgen het heeft indien netwerkexploitanten of overheidsinstanties deze termijn niet naleven? Welke handhavingsinstrumenten staan de ACM daarbij ter beschikking en hoe verwacht de regering dat hiervan gebruik zal worden gemaakt?

Antwoord

De informatie over fysieke infrastructuur wordt via verschillende centrale informatiepunten beschikbaar gesteld, namelijk het KLIC, BGT en het Antenneregister. Het BGT en het Antenneregister kennen een openbaar karakter, waarbij informatie direct beschikbaar is. Hierbij is het niet nodig om elektronisch een verzoek in te dienen. Bij het KLIC dient wel een informatieverzoek ingediend te worden, waarbij de informatie normaal gesproken geautomatiseerd wordt verstrekt. Daarmee is de informatie via het CIP beschikbaar en in die gevallen wordt de informatie binnen tien dagen verstrekt. De ACM kan bij niet nakomen van de informatieplicht een dwangsom of boete opleggen. Gezien de huidige praktijk van informatiedeling wordt niet verwacht dat dit in veel gevallen nodig zal zijn.

22.

De leden van de CDA-fractie vragen hierbij of de ACM actief zal handhaven of meer reactief naar aanleiding van handhavingsverzoeken. Kan de regering hier meer duidelijkheid over geven?

Antwoord

Met de inwerkingtreding van de verordening is de richtlijn breedband8 ingetrokken. Ter uitvoering van de richtlijn breedband had ACM al handhavings- en geschilbeslechtingstaken, zoals bijvoorbeeld de bevoegdheid om geschillen te beslechten over toegangsverzoeken tot fysieke infrastructuur en de geschilbevoegdheid over het gebruiken van fysieke binnenhuisinfrastructuur of toegangspunten. Het wetsvoorstel brengt hierdoor enkel een uitbreiding en aanvulling van de huidige taken met zich mee voor ACM. Het is daarbij aan ACM, als onafhankelijke toezichthouder, om te besluiten hoe zij het toezicht inricht.

23.

De leden van de CDA-fractie lezen dat er terechte weigeringsgronden zijn aangewezen om informatieverzoeken te weigeren. Deze leden vragen echter welke instanties bepalen of deze weigeringsgronden terecht toegepast worden.

Antwoord

In het voorgestelde artikel 5a.3 Telecommunicatiewet wordt bepaald dat handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, laatste alinea, derde, vijfde, en achtste lid uit de verordening verboden is. Met dit artikel wordt het toezicht op en de handhaving van artikel 4 belegd bij de Autoriteit Consument en Markt ingevolge artikel 15.1, derde lid, van de Telecommunicatiewet. Het is daarmee de ACM – en uiteindelijk de rechter – die bepaalt of informatieverzoeken terecht zijn geweigerd.

24.

Meer in algemene zin vragen de leden van de CDA-fractie hoe wordt voorkomen dat kwaadwillenden via de centrale informatiepunten inzicht verkrijgen in de ligging, aard of kwetsbaarheden van vitale infrastructuur. Welke technische, organisatorische en juridische waarborgen zijn opgenomen om misbruik van deze informatie te voorkomen? Zijn dit dezelfde waarborgen die kritieke (of essentiële) entiteiten onder de Cyberbeveiligingswet hebben te regelen?

Antwoord

In de verordening zijn geen technische of organisatorische waarborgen opgenomen om misbruik van informatie te voorkomen. Wel kent de verordening mogelijkheden om nationale kritieke infrastructuur uit te zonderen van de transparantieverplichtingen. In Nederland zal hier invulling aan gegeven worden in het uitvoeringsbesluit. Hiermee wordt aangesloten op bestaande systematiek van informatiedeling van infrastructuur, inclusief een uitzondering voor vitale infrastructuur. Hiermee wordt aangesloten bij de staande praktijk in Nederland. Daarnaast vallen de bevoegde instanties ter uitvoering van deze taken voor centrale informatiepunten onder de Cyberbeveiligingswet. De vereisten die volgen uit de Cyberbeveiligingswet kennen verschillende technische en organisatorische waarborgen om dergelijke risico’s verder te minimaliseren.

25.

De leden van de CDA-fractie vragen of de Kamer periodiek geïnformeerd worden, eventueel vertrouwelijk, over de voortgang en de eventuele kwetsbaarheden, voor zowel de nieuwe als de reeds bestaande infrastructuur.

Antwoord

De Cyberbeveiligingswet bevat geen verplichting tot periodieke terugkoppeling aan de Tweede Kamer.

26.

De leden van de JA21-fractie begrijpen dat de Gigabitinfrastructuurverordening uitgaat van een ruimere mogelijkheid voor aanbieders om gebruik te maken van bestaande fysieke infrastructuur. Deze leden constateren dat daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan het eigendomsrecht van de eigenaar van de betreffende infrastructuur. Zij vragen de regering nader toe te lichten hoe de aansprakelijkheid is geregeld wanneer schade ontstaat aan gedeelde infrastructuur.

27.

De leden van de JA21-fractie vragen of de regering kan aangeven welke partij verantwoordelijk is indien werkzaamheden van een aanbieder leiden tot beschadiging van bestaande infrastructuur of verstoring van dienstverlening. Kan de regering tevens toelichten hoe wordt vastgesteld wie de schade heeft veroorzaakt als meerdere partijen dezelfde infrastructuur gebruiken? En wie draagt de kosten als schade niet direct aan één partij kan worden toegerekend? Kan een eigenaar anderzijds aansprakelijk worden gesteld door derden voor een storing die feitelijk is veroorzaakt door een gebruiker van de infrastructuur?

28.

De leden van de JA21-fractie vragen de regering eveneens toelichten wie verantwoordelijk is voor preventief onderhoud van gedeelde infrastructuur? Zijn de bestaande regels voldoende duidelijk, of verwacht de regering meer geschillen door het verplichte delen van infrastructuur?

Antwoord

De beantwoording van vraag 26, vraag 27 en vraag 28 is in dit antwoord samen genomen. Het merendeel van de vragen van de leden van de JA21-fractie heeft betrekking op de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de toegangsvrager en de toegangsgever in het geval er iets verkeerd gaat bij het medegebruik en daardoor bij hen of derden schade ontstaat. Vooropgesteld zij dat deze materie niet wordt geregeld in de verordening. Anders gezegd: de verordening geeft geen regels omtrent de civiele aansprakelijkheid van de toegangsvrager en de toegangsgever. De regels van het privaatrecht zijn hier van toepassing, in het bijzonder van het contractenrecht en van het recht met betrekking tot de onrechtmatige daad. Het voert te ver om in het kader van deze wetsbehandeling een uitgebreid overzicht te geven van de toepasselijke regels. Uitgangspunt is dat zowel de toegangsverzoeker als de toegangsverlener in beginsel kunnen worden aangesproken op de gevolgen van hun handelen of nalaten. Daarbij speelt uiteraard ook een rol of en, zo ja wat, de partijen in het kader van de toegang hierover met elkaar zijn overeengekomen. In het door de leden van de JA21-fractie genoemde voorbeeld van verstoring van de dienstverlening aan derden zal degene die de dienst verleent aan de derde daarvoor jegens die derde aansprakelijk zijn. Indien echter komt vast te staan dat de verstoring van de dienstverlening het gevolg is van een handelen of nalaten van de partij aan wie de dienstverlener toegang heeft gegeven tot zijn fysieke infrastructuur, zal de dienstverlener de door de verstoring van de dienstverlening gemaakte kosten kunnen verhalen op de partij aan wie hij toegang heeft gegeven. Voor wat betreft het onderhoud van de infrastructuur geldt eveneens dat hierover geen regels zijn opgenomen in de verordening en dat ook deze materie wordt beheerst door het privaatrecht. Het uitgangspunt is daarbij dat ieder der partijen verantwoordelijk is voor het onderhoud van de infrastructuur waarover hij zeggenschap heeft. Uiteraard kunnen in de overeenkomst die partijen ter zake van de toegang sluiten afspraken worden opgenomen over wie voor welk onderhoud verantwoordelijk is. Overigens verwacht de regering niet dat door het van kracht worden van de verordening meer geschillen over onderhoud ontstaan. De regering merkt in dit verband op dat de verplichting voor netwerkexploitanten om toegang te geven tot hun fysieke infrastructuur al vele jaren bestaat en dat, voor zover de regering weet, zich geen problemen hebben voorgedaan op het punt van de aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid voor het onderhoud.

I.2. Coördinatie van civiele werken

De leden van de CDA-fractie hopen dat de verordening leidt tot de beoogde versnelling van de uitrol van digitale infrastructuur. Deze leden zien daarnaast ook graag dat aanlegwerkzaamheden in de openbare ruimte efficiënter worden uitgevoerd en beter op elkaar worden afgestemd. Het is immers hinderlijk voor inwoners en ondernemers én inefficiënt in een tijd van personeelsschaarste wanneer dezelfde straat of wijk binnen korte tijd meermaals moet worden opengebroken voor verschillende werkzaamheden.

29.

Deze leden vragen daarom in hoeverre de verordening naar verwachting zal bijdragen aan een betere coördinatie van civiele werken. Heeft de regering inzicht in de mate waarin de voorgestelde maatregelen zullen leiden tot minder graafbewegingen en minder overlast voor inwoners en ondernemers?

Antwoord

De regering heeft geen hoge verwachtingen ten aanzien van het effect van de door de verordening voorgeschreven coördinatie van civiele werken. Dit komt doordat de aanbieders van telecommunicatienetwerken hebben aangegeven dat zij in de praktijk weinig gebruik maken van de nu al bestaande mogelijkheid tot coördinatie. Dit komt onder andere doordat de civiele werken voor andere infrastructuur dan telecommunicatie-infrastructuur (riool, elektra enz.) andere doorlooptijden hebben dan de aanleg van elektronische communicatienetwerken. Ook de coördinatie van werken tussen aanleggers/aanbieders van elektronische communicatienetwerken is beperkt. Daar spelen naast praktische zaken (de aanbieders zijn vaak niet actief in hetzelfde gebied) ook nog concurrentieoverwegingen een rol. Hiermee is echter niet gezegd dat er in de praktijk geen coördinatie van werkzaamheden is. Op basis van hoofdstuk 5 van de Telecommunicatiewet is voor de gemeente een belangrijke rol weggelegd bij het afstemmen van de diverse (grond)werkzaamheden. Immers op grond van artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet heeft een partij die openbare elektronische communicatienetwerken aanlegt de toestemming nodig van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin hij wil aanleggen. In deze toestemming kan de gemeente onder meer aangeven op welk tijdstip de werkzaamheden mogen plaatsvinden. Het is daarbij de bedoeling dat de gemeente er daarbij voor zorgt dat de straat zo min mogelijk open moet. Dat kan de gemeente doen door de verschillende geplande werkzaamheden qua tijd op elkaar af te stemmen.

30.

Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie of de verordening ook regels bevat ten aanzien van het opruimen of verwijderen van verouderde infrastructuur wanneer nieuwe kabels, leidingen of installaties worden aangelegd. Kan de regering aangeven welke regels momenteel gelden voor het beheer en de verwijdering van buiten gebruik gestelde telecominfrastructuur?

Antwoord

De verordening bevat geen regels ten aanzien van het verwijderen van overbodig geworden infrastructuur. Dit betekent dat de huidige regels die zijn opgenomen in de Telecommunicatiewet van kracht blijven. Het gaat daarbij met name om artikel 5.2, negende lid, van de Telecommunicatiewet. Daaruit volgt dat de aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk verplicht is om aangelegde kabels die gedurende een aaneengesloten periode van tien jaar geen deel uitmaken van een openbaar elektronisch communicatienetwerk op te ruimen wanneer degene op wie de gedoogplicht rust de aanbieder daartoe een redelijk verzoek doet. De gedoogplicht vervalt op het moment dat een verzoek als bedoeld in de eerste volzin is gedaan. Deze bepaling geeft de gedoogplichtige het recht om opruiming van overbodige kabels te eisen van de aanbieder. Verder is van belang dat in dit kader door Rijkswaterstaat, het GPKL en ProRail afspraken zijn gemaakt met de telecomaanbieders over het opruimen van ongebruikte telecommunicatiekabels. Deze afspraken bevatten een gewogen pakket procesafspraken voor de gemeente en de telecomaanbieder op basis waarvan zij samen een afweging kunnen maken om een verzoek tot het verwijderen van ongebruikte telecomkabels te doen.

31.

De leden van de CDA-fractie hebben ook een eerdere zienswijze van de VNG gelezen waarin een zorg wordt geuit over de consequenties voor andere ruimtelijke opgaven en (het gebrek aan) samenhang. Kan de regering toelichten hoe de samenhang met andere ruimtelijke opgaven wordt geborgd? Welke ondersteuning wordt geboden aan gemeenten om de verschillende infrastructuuropgaven integraal af te wegen en te coördineren?

Antwoord

Zoals benoemd in antwoord op vraag 29 vervullen gemeenten op grond van hoofdstuk 5 van de Telecommunicatiewet een belangrijke rol bij het afstemmen van andere geplande ondergrondse werkzaamheden met de graafwerkzaamheden van een partij die openbare elektronische communicatienetwerken aanlegt. Die rol verdwijnt niet met de inwerkingtreding van de GIA. Verder vindt er op interdepartementaal niveau afstemming plaats over de samenhang (in sectorale wet- en regelgeving) tussen de verschillende ruimtelijke opgaven (in de ondiepe ondergrond).9

I.3. Vergunningen

32.

De leden van de D66-fractie lezen dat Nederland gebruikmaakt van de mogelijkheid om af te wijken van de hoofdregel dat een vergunning van rechtswege wordt verleend indien niet tijdig wordt beslist (lex silencio positivo). Deze leden vragen waarom de regering voor deze afwijking heeft gekozen. Welke risico’s of bezwaren zag de regering in toepassing van de hoofdregel uit de verordening? Hoe wordt geborgd dat bevoegde autoriteiten vergunningaanvragen desondanks tijdig blijven behandelen? Worden doorlooptijden gemonitord? Kan de regering aangeven hoe de Nederlandse keuze zich verhoudt tot die van andere lidstaten? Maken andere lidstaten eveneens gebruik van deze afwijkingsmogelijkheid en hoe verhouden de Nederlandse vergunningstermijnen zich tot die elders in de Europese Unie?

Antwoord

De regering heeft er inderdaad voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid om af te wijken van de hoofdregel dat een vergunning van rechtswege wordt verleend, indien niet tijdig wordt beslist (lex silencio positivo). In afstemming met decentrale overheden heeft Nederland zich bij de onderhandelingen over de verordening hard gemaakt voor het opnemen van deze mogelijkheid.10 Het overgrote deel van de vergunningen die onder de reikwijdte van de verordening valt betreft namelijk omgevingsvergunningen, waarbij dikwijls rechten van derden betrokken zijn. Met de Omgevingswet is de lex silencio positivo uitdrukkelijk afgeschaft voor omgevingsvergunningen.11 De regering acht het niet wenselijk en moeilijk uitvoerbaar om voor een specifieke categorie omgevingsvergunningen (nodig voor de uitrol van elementen van VHC-netwerken) de lex silencio positivo opnieuw in te voeren. Bovendien is, naar het oordeel van de regering, met de verordening niet bedoeld de lex silencio positivo in te voeren voor vergunningen waarvoor op grond van (andere, specifieke) EU-regelgeving altijd een inhoudelijke beoordeling plaats moet vinden, bijvoorbeeld ten aanzien van bepaalde milieuaspecten. Zelfs als Nederland ervoor zou kiezen de hoofdregel te volgen, en voor de uitrol van elementen van VHC-netwerken de lex silencio positivo zou gelden, zouden er weer allerlei uitzonderingen moeten zijn op die hoofdregel. Ook dat acht de regering onwenselijk en moeilijk uitvoerbaar voor zowel overheden als bedrijven.

Op verschillende manieren is geborgd dat bevoegde autoriteiten vergunningaanvragen tijdig blijven behandelen. Zo voorziet de Algemene wet bestuursrecht in de zogenoemde dwangsom bij niet tijdig beslissen. Op grond van artikel 4.17, eerste lid, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager – onder bepaalde voorwaarden – een dwangsom voor elke dag die het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Daarnaast kan een belanghebbende – zonder eerst bezwaar te maken – beroep instellen bij de bestuursrechter. Tot slot kan een belanghebbende recht hebben op vergoeding van schade die hij heeft geleden door het niet tijdig beslissen.

De verordening bevat geen verplichting tot het actief monitoren van doorlooptijden voor het behandelen van vergunningen. Ook maakt dit geen deel uit van de door de lidstaten op grond van het tweede lid van artikel 16 opgestelde verplichte indicatoren waarover zij de Europese Commissie verslag moeten uitbrengen over de uitvoering en het effect van de verordening in de Unie.

Wat betreft de vraag hoe de Nederlandse vergunningstermijnen zich verhouden tot andere lidstaten van de unie, heeft de regering beperkt zicht. Uit een eerdere inventarisatie door lidstaten12 en de impact assessment bij de verordening13 blijkt dat de beslistermijn voor vergunningsaanvragen in veel gevallen niet meer dan 4 maanden bedraagt en dat een minderheid korte termijnen hanteert (1–2 maanden). Overigens moet daarbij worden opgemerkt, dat de gehanteerde termijn afhangt van het soort vergunning dat benodigd is voor de uitrol van (elementen) van elektronische communicatienetwerken. De regering heeft geen beeld of lidstaten hun termijnen wijzigen als gevolg van de verordening. Of andere lidstaten eveneens gebruik maken van de afwijkingsmogelijkheid in de verordening, zal voornamelijk afhangen van het reeds bestaande systeem van de betreffende lidstaat. Lidstaten die breder gebruik maken van een lex silencio positivo zullen daar nu ook gebruik van maken, en lidstaten die minder of zo min mogelijk gebruik maken van een lex silencio positivo, zullen naar verwachting – net als Nederland – vaker gebruikmaken van de uitzondering. Daarnaast stelt de verordening enkele eisen aan het gebruikmaken van de uitzondering: exploitanten moeten in het nationale recht mogelijkheden hebben om schadevergoeding te vorderen, als zij die hebben geleden, en exploitanten moeten de zaak kunnen doorverwijzen naar een rechtbank of toezichthoudende instantie. In Nederland is aan deze voorwaarden voldaan, maar dat is voor andere lidstaten niet vanzelfsprekend. De regering heeft geen gedetailleerd zicht op hoe de Nederlandse keuze en termijnen zich verhouden tot die van andere lidstaten.

33.

De leden van de CDA-fractie zijn voorstander van het versnellen van vergunningprocedures en kunnen zich vinden in het uitgangspunt dat vergunningaanvragen voor de uitrol van digitale infrastructuur in beginsel binnen vier maanden worden afgehandeld. Deze leden hebben echter wel vragen over de naleving van deze termijn in de praktijk. Op welke wijze wordt geborgd dat bevoegde autoriteiten deze beslistermijn daadwerkelijk halen? Welke mogelijkheden bestaan er om op te treden wanneer de termijn wordt overschreden? En hoe kan de Rijksoverheid hierop samenwerken met gemeenten, zodat er sprake van eenduidige, geharmoniseerde uitvoering van beleid?

Antwoord

Bevoegde autoriteiten zijn verplicht zich te houden aan de beslistermijn. Op verschillende manieren is geborgd dat bevoegde autoriteiten vergunningaanvragen tijdig behandelen. In dit kader voorziet de Algemene wet bestuursrecht in de zogenoemde dwangsom bij niet tijdig beslissen. Op grond van artikel 4.17, eerste lid, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager – onder bepaalde voorwaarden – een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Daarnaast kan een belanghebbende – zonder eerst bezwaar te maken – beroep instellen bij de bestuursrechter. Tot slot kan een belanghebbende recht hebben op vergoeding van schade die hij heeft geleden door het niet tijdig beslissen.

Ik ben voornemens om in het kader van de uitvoering van de gigabitinfrastructuurverordening in gesprek te blijven met betrokken organisaties, waaronder exploitanten en decentrale overheden, om samenwerking en eenduidige, geharmoniseerde uitvoering van beleid – waar mogelijk – te bevorderen.

34.

De leden van de JA21-fractie onderschrijven verder het belang van efficiënte vergunningprocedures voor de uitrol van elektronische communicatienetwerken. Tegelijkertijd achten deze leden het van belang dat gemeenten voldoende mogelijkheden behouden om publieke belangen, waaronder veiligheid en de inrichting van de openbare ruimte, te beschermen. Zij constateren dat de Gigabitinfrastructuurverordening vergunningverlening van rechtswege als hoofdregel kent bij niet tijdig beslissen, maar dat Nederland in artikel 5a.5 kiest voor uitsluiting daarvan. Kan de regering nader motiveren waarom in dit domein wordt afgeweken van deze prikkel tot tijdige besluitvorming, welke concrete publieke belangen deze afwijking noodzakelijk maken, en welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat aanvragers alsnog worden geconfronteerd met trage besluitvorming? Kan de regering aangeven welk algemeen toetsingskader zij hanteert voor de vraag in welke vergunningstelsels een lex silencio positivo passend is en in welke niet?

Antwoord

De regering heeft ervoor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid om af te wijken van de hoofdregel van de verordening dat een vergunning van rechtswege wordt verleend, indien niet tijdig wordt beslist (lex silencio positivo). In afstemming met decentrale overheden heeft Nederland zich bij de onderhandelingen over de verordening hard gemaakt voor het opnemen van deze mogelijkheid.14 Het overgrote deel van de vergunningen die onder de reikwijdte van de verordening valt betreft namelijk omgevingsvergunningen, waarbij dikwijls rechten van derden betrokken zijn. Met de Omgevingswet is de lex silencio positivo uitdrukkelijk afgeschaft voor omgevingsvergunningen.15 De regering acht het niet wenselijk en bovendien lastig uitvoerbaar om voor een specifieke categorie omgevingsvergunningen (nodig voor de uitrol van elementen van VHC-netwerken) de lex silencio positivo opnieuw in te voeren.

Op verschillende manieren is geborgd dat bevoegde autoriteiten vergunningaanvragen tijdig blijven behandelen. Zo voorziet de Algemene wet bestuursrecht in de zogenoemde dwangsom bij niet tijdig beslissen. Op grond van artikel 4.17, eerste lid, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager – onder bepaalde voorwaarden – een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Daarnaast kan een belanghebbende – zonder eerst bezwaar te maken – beroep instellen bij de bestuursrechter. Tot slot kan een belanghebbende recht hebben op vergoeding van schade die hij heeft geleden door het niet tijdig beslissen.

Bij het maken van beleid gebruikt de Rijksoverheid het Beleidskompas en, specifiek bij de totstandkoming van wet- en regelgeving, de Aanwijzingen voor de regelgeving (hierna: de Aanwijzingen). Het Beleidskompas en de Aanwijzingen voorzien onder andere in een algemeen toetsingskader voor vergunningstelsels. De lex silencio positivo maakt deel uit van dit algemeen toetsingskader, dat zijn oorsprong heeft in de Dienstenrichtlijn en een brief van de Minister van Justitie van 9 juli 2009.16

I.4. Centrale informatiepunten

35.

De leden van de JA21-fractie zien de meerwaarde van een centraal informatiepunt voor het delen van gegevens over infrastructuur en geplande werkzaamheden. Tegelijkertijd merken deze leden op dat een dergelijke voorziening een grote hoeveelheid informatie over vitale infrastructuur bijeenbrengt. Kan de regering nader toelichten welke technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om de beveiliging van het centrale informatiepunt te waarborgen? Hoe wordt verder voorkomen dat het centrale informatiepunt zelf een aantrekkelijk doelwit wordt voor cyberaanvallen, spionage of andere vormen van ongeoorloofde toegang? Acht de regering verder de getroffen waarborgen afdoende gelet op het vitale karakter van de informatie die via het systeem beschikbaar wordt gesteld?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 24.

3. Inhoud van het wetsvoorstel

3.1. Hoofdstuk 5a

36.

De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering voorstelt af te zien van de mogelijkheid die deze wet biedt tot lex silencio positivo, wat inhoudt dat de vergunning wordt geacht te zijn toegekend als er niet binnen de passende termijn een besluit is genomen over de vergunning. Deze leden vragen zich af hoe zich dit verhoudt tot de afspraak uit het coalitieakkoord welke stelt dat wordt bezien of vergunningen voor eenvoudige aanvragen automatisch kunnen worden goedgekeurd als termijnen worden overschreden, alsmede van de afspraak nationale koppen op EU-wet- en regelgeving te schrappen.

Antwoord

Het regeerakkoord 2026–2030 bevat het voornemen om vergunningverlening voor bedrijven te versnellen, bijvoorbeeld via digitalisering. Daarbij is afgesproken te bezien of en hoe bij eenvoudige aanvragen, wanneer termijnen door de overheid worden overschreden, een vergunning automatisch kan worden goedgekeurd en de leges worden kwijtgescholden.17 De regering is op dit moment bezig met de uitvoering van dit voornemen en beziet dus inderdaad of en hoe bij eenvoudige aanvragen een vergunning automatisch wordt verleend, als termijnen worden overschreden. Hierover zal de Tweede Kamer nog worden geïnformeerd. Dit vergt een integrale beoordeling. Gelet op de nauwe relatie tussen deze uitvoeringswet en de Omgevingswet kan de regering hier niet op vooruit lopen binnen het bestek van de uitvoering van de gigabitinfrastructuurverordening.

Het regeerakkoord bevat ook de ambitie om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen.18 De regering onderschrijft deze ambitie uiteraard nog steeds. Er zijn op dit moment echter goede redenen om op dit punt af te wijken van de hoofdregel van de verordening. Naar het oordeel van de regering is deze afwijking dus niet onnodig.

37.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering welke algemene maatregelen bestuur zij van plan is te maken bij hoofdstuk 5a. Kan de regering uitleggen of zij van plan is hier gebruik van te maken, en zo ja, welke maatregelen zij op wil nemen?

Antwoord

Zoals hiervoor al is aangegeven is de regering van plan gebruik te maken om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen. Ik verwacht op zeer korte termijn een voorstel voor een algemene maatregel van bestuur via internet te kunnen consulteren. Na de consultatie zullen de reacties op de consultatie worden verwerkt en zal de algemene maatregel van bestuur, na goedkeuring van de Tweede Kamer van dit wetsvoorstel, ter advisering aan de Raad van State worden aangeboden. De hierin volgende schets van de inhoud heeft dan ook een voorlopig karakter. De intentie is om in de algemene maatregel van bestuur de volgende onderwerpen te regelen:

  • – Uitzonderingen op de verplichting toegang te geven tot fysieke infrastructuur en de daarmee samenhangende transparantieverplichting. Daarbij gaat het in de meeste gevallen om overheidsinstanties waarbij de (nationale) veiligheid met zich meebrengt dat er geen toegang moet worden verleend. Daarbij valt te denken aan toegang tot de fysieke infrastructuur van defensie, de politiek en de rechtspleging. Maar ook aan infrastructuur van het parlement en internationale organisaties.

  • – Uitzonderingen op de coördinatieplicht en de daarmee samenhangende transparantie. Hierbij gaat het onder meer over de fysieke infrastructuur van de onder hierboven genoemde overheidsinstanties. Daarnaast zullen werken van beperkte omvang van de coördinatieplicht en transparantieplicht worden uitgezonderd.

  • – De vrijstellingen op het vergunningsvereiste. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de vrijstellingen zoals die op dit moment al door gemeenten worden gehanteerd.

  • – Tot slot is het voornemen om in de algemene maatregel van bestuur de centrale informatiepunten aan te wijzen (o.a. Kadaster en gemeenten).

38.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen niet dat er geen bepaling is opgenomen in de wet over de voorwaarden waarmee vertrouwelijke informatie over civiele werken wordt verkregen. In het kader van nationale veiligheid achten de leden van het grootste belang dat dit helder en volledig wordt ingekaderd, voordat de wet in werking treedt. Hoe gaat de regering hiervoor zorgen?

Antwoord

In artikel 4, achtste lid, van de verordening, is bepaald dat exploitanten die op basis van dat artikel toegang krijgen tot informatie over fysieke infrastructuur passende maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat de vertrouwelijkheid van handels- en bedrijfsgegevens wordt gewaarborgd. Zij zijn verplicht deze informatie vertrouwelijk te gebruiken en mogen deze uitsluitend gebruiken voor de uitrol van hun netwerken. Deze bepaling van de verordening is niet van toepassing op civiele werken. De regering acht dit een omissie in de verordening. Daarom is in het wetsvoorstel een bepaling opgenomen waarmee voorwaarden worden gesteld aan het verkrijgen van informatie over civiele werken: het hiervoor beschreven artikel 4, achtste lid, van de verordening, is in het wetsvoorstel van overeenkomstige toepassing verklaard op informatie over geplande civiele werken (artikel 6 van de verordening). Dat betekent dat exploitanten ook informatie over civiele werken vertrouwelijk moeten gebruiken en dat zij passende maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat de vertrouwelijkheid van deze informatie wordt gewaarborgd.

Zoals hiervoor is aangegeven bestaat verder het voornemen om bij algemene maatregel van bestuur de bestaande en geplande fysieke infrastructuur van overheidsinstanties waarbij de (nationale) veiligheid een rol speelt uit te zonderen van de toegangsverplichting en de informatieplicht. Daarnaast geldt dat mocht de nationale veiligheid een rol spelen bij een instantie die niet valt onder de werking van de eerder genoemde algemene maatregel van bestuur, er altijd een beroep kan worden gedaan op de in de verordening op dit punt opgenomen weigeringsgrond.

39.

De leden van de CDA-fractie lezen dat Nederland gebruikmaakt van de mogelijkheid om af te wijken van de hoofdregel van de lex silencio positivo. Deze leden begrijpen dat een vergunning daardoor niet automatisch van rechtswege wordt verleend indien niet tijdig wordt beslist. Kan de regering nader toelichten welke mogelijkheid een aanvrager in dat geval heeft om toch snel duidelijkheid te krijgen? Wat zijn de gevolgen indien een bevoegde autoriteit geen gehoor geeft aan een verzoek tot een gesprek over de vergunningaanvraag of anderszins niet tijdig handelt?

Antwoord

Op verschillende manieren is geborgd dat bevoegde autoriteiten vergunningaanvragen tijdig behandelen. Zo voorziet de Algemene wet bestuursrecht in de zogenoemde dwangsom bij niet tijdig beslissen. Op grond van artikel 4.17, eerste lid, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager – onder bepaalde voorwaarden – een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Daarnaast kan een belanghebbende – zonder eerst bezwaar te maken – beroep instellen bij de bestuursrechter. Tot slot kan een belanghebbende recht hebben op vergoeding van schade die hij heeft geleden door het niet tijdig beslissen. Dezelfde voorschriften gelden voor de verplichting om een aanvrager uit te nodigen voor een gesprek over de vergunningaanvraag: indien een bestuursorgaan de aanvrager niet uitnodigt voor een gesprek, handelt het bestuursorgaan in strijd met een wettelijke verplichting. Als een aanvrager hierdoor schade lijdt, is het bestuursorgaan onder bepaalde omstandigheden verplicht deze schade te vergoeden.

40.

De leden van de CDA-fractie vragen of inzichtelijk is in hoeverre de in de verordening opgenomen beslistermijn van vier maanden aansluit bij de huidige praktijk. Kan de regering aangeven welk percentage van de vergunningaanvragen die benodigd zijn voor de uitrol van VHC-netwerken momenteel binnen vier maanden wordt afgehandeld en welk percentage deze termijn overschrijdt?

Antwoord

De regering beschikt niet over dergelijke gegevens. Toch acht de regering de kans dat bij instemmingsbesluiten nodig voor de aanleg van openbare elektronische communicatienetwerken de vier maanden termijn wordt overschreden zeer gering. Dit omdat voor zogenoemde instemmingsbesluiten de termijnen in de Telecommunicatiewet zijn opgenomen, namelijk acht weken met de mogelijkheid de termijn nog acht weken te verlengen. Hierbij moet echter wel worden aangetekend dat de termijn wordt opgeschort indien onvoldoende informatie is aangeleverd door de aanvrager van het instemmingsbesluit. De kans dat hierbij de vier maanden termijn wordt overschreden is echter klein. Dit kan anders liggen als voor de aanleg ook een omgevingsvergunning benodigd is. Als dit aan de orde is kan er een overschrijding van de vier maanden termijn plaatsvinden. Bij een omgevingsvergunning gelden namelijk de termijnen van de Omgevingswet (in beginsel 8 weken, en in sommige gevallen 12 weken). Deze termijn kan met zes weken worden verlengd. In sommige gevallen is ook de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing. In het geval van deze procedure moet het bestuursorgaan – behoudens enkele uitzonderingen – binnen 6 maanden na de aanvraag beslissen.

In hoeveel gevallen bij een dergelijke vergunning nog niet binnen vier maanden een besluit is genomen is echter niet bekend, maar de regering verwacht dat deze termijn in het kader van de aanleg van VHC-netwerken in de praktijk niet vaak zal worden overschreden.Overigens biedt de verordening in artikel 7, vijfde lid, vierde alinea, lidstaten de mogelijkheid om in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen de termijn van vier maanden (ambtshalve) te verlengen. Voorwaarde is wel dat lidstaten deze uitzonderlijke gevallen van tevoren bepalen en publiceren via een centraal informatiepunt. Het voornemen bestaat van deze mogelijkheid gebruik te maken en deze uit te werken in de algemene maatregel van bestuur.

41.

Voorts vragen de leden van de CDA-fractie wat de concrete effecten zouden zijn geweest indien Nederland ervoor had gekozen de lex silencio positivo wel van toepassing te verklaren. Heeft de regering inzicht in hoeveel vergunningprocedures hierdoor naar verwachting zouden zijn versneld? Zij vragen op basis van welke overwegingen is geconcludeerd dat de gekozen alternatieve waarborgen voldoende zijn om tijdige besluitvorming te stimuleren?

Antwoord

Bij de aanleg van kabels ten behoeve van telecommunicatie speelt de gemeente een belangrijke rol. Immers de aanleg mag pas plaatsvinden als de gemeente heeft ingestemd met de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden. Dit geeft de gemeente de mogelijkheid om ervoor te zorgen dat de omgeving zo min mogelijk hinder ondervindt van de werkzaamheden. Vaak zijn er meerdere plannen om de ondergrond open te maken. Door het instemmingsbesluit kan de gemeenten de diverse plannen coördineren. Bovendien kunnen voorwaarden gesteld worden om de veiligheid voor de omgeving te vergoten. Hierbij past niet een situatie dat met de aanleg van infrastructuur wordt begonnen zonder dat de gemeente hier een inhoudelijk besluit over heeft genomen. Dat laatste zou precies het concrete gevolg zijn van de toepassing van de lex silencio positivo. De regering acht dat ongewenst. Hiervoor is bij het antwoord op vraag 39 aangegeven hoe geborgd is dat bevoegde autoriteiten vergunningaanvragen tijdig behandelen. De regering is van oordeel dat deze waarborgen in combinatie met de nadelige gevolgen voor de besluitvorming van de lex silencio positivo de keuze voor het niet toepassen van de lex silencio positivo rechtvaardigen.

42.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de in de Telecommunicatiewet opgenomen gedoogplicht voor de aanleg van openbare elektronische communicatienetwerken in stand blijft. Deze leden vragen de regering nader uiteen te zetten wat de precieze reikwijdte van deze gedoogplicht is. Welke werkzaamheden, voorzieningen en infrastructuur vallen hieronder en welke niet?

Antwoord

De gedoogplicht houdt in dat eigenaren van openbare grond moeten toestaan dat partijen in en op deze grond infrastructuur aanleggen ten behoeve van openbare elektronische communicatienetwerken. Daarbij gaat het niet alleen om kabels maar ook om zogenoemde ondersteuningswerken, dat wil zeggen alle ondergrondse en bovengrondse hulpmiddelen en constructies die nodig zijn om de kabels goed te beschermen en op hun plek te houden. Ook zogenoemde straatkasten, waarin bijvoorbeeld verbindingen naar individuele woningen worden gemaakt, vallen onder de gedoogplicht. Naast de aanleg valt ook het onderhoud en het verwijderen van kabels en ondersteuningswerken onder de gedoogplicht. Het plaatsen van masten en antennes valt niet onder de gedoogplicht. De regels hiervoor staan in de Omgevingswet.

3.2. WIBON

43.

De leden van de CDA-fractie lezen dat met de komst van de verordening verschillende bepalingen uit de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON) komen te vervallen, met name waar het gaat om informatie-uitwisseling en geschillenbeslechting ten behoeve van medegebruik van infrastructuur en de coördinatie van civiele werken. Deze leden vragen of de verordening op deze punten volledig in de plaats treedt van de bestaande nationale regelgeving, of dat daarnaast nog aanvullende verplichtingen of bevoegdheden worden geïntroduceerd. Kan de regering inzichtelijk maken welke rechten en plichten materieel wijzigen ten opzichte van de huidige situatie?

Antwoord

De komst van de verordening, die rechtstreeks toepasselijk is in de Nederlandse rechtsorde, maakt bepalingen uit de WIBON overbodig aangezien in de verordening zelf zowel het aanleveren als het beschikbaar krijgen van de informatie ten behoeve van medegebruik en de coördinatie van civiele werken is geregeld. De daarmee verband houdende bepalingen uit de WIBON komen dan ook te vervallen. Tevens bevat de WIBON bepalingen over geschillenbeslechting in het kader van de informatie-uitwisseling. Ook deze bepalingen komen te vervallen aangezien de mogelijkheid van geschillenbeslechting op grond van de verordening wordt geregeld in de Telecommunicatiewet.

4. Gevolgen

44.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd naar de verdere afweging die de Europese Commissie heeft gemaakt om de GIA op deze manier in te richten. Er worden vier opties opgesomd waaruit gekozen is. Deelt de regering de analyse dat optie 3, welke nu voorligt, de meeste voordelen heeft? Welke onderdelen van de andere drie opties hebben meerwaarde en kunnen deze nog ter inspiratie dienen voor de verdere behandeling en implementatie van de GIA?

Antwoord

De opties zijn eerder kort besproken in het BNC fiche in aanloop naar de onderhandelingen over de verordening.19 De regering deelt de analyse van de Europese Commissie dat de gekozen optie 3 (gedeeltelijke harmonisatie d.m.v. een verordening met uitbreiding van maatregelen t.o.v. de richtlijn breedband), gelet op de verschillende uitgangssituaties in lidstaten, de meeste voordelen heeft en tegelijkertijd flexibiliteit behoudt voor lidstaten. In de onderhandelingen heeft Nederland zich hard gemaakt voor een proportioneel voorstel dat voldoende flexibiliteit biedt voor lidstaten, wat er mede toe heeft geleid dat het voorstel op punten is aangepast (o.a. rond automatische vergunningverlening). Aangezien optie 3 met name voortbouwt op de maatregelen uit opties 1 en 2 door de toevoeging van meer en gedetailleerde maatregelen, is de meerwaarde van onderdelen uit deze opties beperkt. Optie 4 heeft als uitgangspunt maximale harmonisatie van regels, door verdere verzwaring van maatregelen uit optie 3 en het beleggen van meer bevoegdheden bij de Europese Commissie. De regering acht deze maatregelen, mede in het licht van de gepleegde inzet tijdens de onderhandelingen, te verstrekkend en weinig meerwaarde hebben voor de Nederlandse situatie.

45.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd waarom het niet is gelukt om een Nederlandse provincie bereid te vinden om mee te werken aan een onderzoek naar de impact op decentrale overheden. De GIA heeft een sterke lokale werking en dient goed uitvoerbaar te zijn voor overheden, mede gezien de termijnen voor vergunningsverlening. Heeft de regering contact gehad met het Interprovinciaal Overleg (IPO) over de gevolgen van de verordening? Kan zij schetsen welke gevolgen er zijn voor Provincies en of deze vergelijkbaar zijn als de gevolgen voor gemeenten?

Antwoord

In het onderzoek naar de impact van de verordening op verplichtingen voor medeoverheden kwam naar voren dat de impact van nieuwe of veranderende verplichtingen voor medeoverheden niet eenvoudig bleek in te schatten. Dit wordt mede veroorzaakt doordat een aantal belangrijke onderwerpen nog wordt uitgewerkt in lagere regelgeving. Wellicht heeft dit ertoe geleid dat provincies een afwachtende houding hebben aangenomen. Overigens zullen de provincies bij de uitwerking van de nadere regels in een algemene maatregel van bestuur opnieuw de gelegenheid krijgen om de nodige inbreng te leveren.

46.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd hoe gebouwen van zbo’s, agentschappen en staatsdeelnemingen onder de verordening vallen. Nederland kent immers veel zelfstandige organen die desondanks financieel gebonden zijn aan overheden. Is volledig duidelijk welke gevolgen de verordening heeft op dergelijke organen? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie stellen in het verlengde de vraag welke definitie de ACM hanteert van «overheidsinstanties» en of deze de volle breedte van instanties volgens de regering ook dekt.

Antwoord

De gebouwen die gebruikt worden door zbo’s en agentschappen worden aan deze entiteiten beschikbaar gesteld door de rijksoverheid, in het bijzonder door het Rijksvastgoedbedrijf. Het Rijksvastgoedbedrijf is dan ook de partij die moet worden aangesproken bij een verzoek om toegang tot fysieke infrastructuur op basis van de verordening. Uiteraard houdt het Rijksvastgoedbedrijf bij het behandelen van een verzoek om toegang rekening met de behoeften van de gebruikers van de gebouwen waartoe toegang wordt gevraagd. Bij staatsdeelnemingen zal, wanneer deze kunnen worden aangemerkt als publiekrechtelijke instantie in de zin van artikel 2, tweede lid, van de verordening een verzoek om toegang moeten worden gericht tot de privaatrechtelijke rechtspersoon waarin door de Staat wordt deelgenomen. Deze rechtspersoon wordt daarbij vertegenwoordigd door het bestuur van de rechtspersoon. Ten aanzien van de definitie die de ACM hanteert van «overheidsinstanties» merkt de regering op dat dit bij de toepassing van de verordening de definitie zal zijn zoals die is opgenomen onder artikel 2, derde lid, van de verordening. Deze definitie is zodanig breed dat alle zbo’s en agentschappen daaronder vallen. Voor de staatsdeelnemingen geldt dat deze alleen overheidsinstantie zijn als ze ook publiekrechtelijke instantie zijn in de zin van de verordening. Dat is het geval als de rechtspersoon waarin de staat deelneemt is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn. Zo maakt (tijdelijke) deelname van de staat in een commerciële bank deze niet tot een publiekrechtelijke instantie en dus ook niet tot een overheidsinstantie. Anderzijds is een besloten vennootschap als ProRail wel een publiekrechtelijke instantie en dus een overheidsinstantie omdat ProRail tot doel heeft vanuit het algemeen belang te zorgen voor de spoorwegen in Nederland.

47.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de wet pas uitgevoerd kan worden na goedkeuring van de eerstvolgende suppletoire begroting. Kan de regering aangeven wat de omvang is van de incidentele en structurele kosten die met de uitvoering van dit wetsvoorstel gemoeid zijn? Kan zij daarbij tevens aangeven onder welke begrotingsartikelen deze middelen zijn opgenomen en hoe deze kosten zijn opgebouwd?

Antwoord

Met de uitvoering van de verordening zijn zowel incidentele als structurele kosten gemoeid. De incidentele kosten bedragen in totaal voor 2026 en 2027 2,6 miljoen euro, de structurele kosten voor 2028 e.v. zijn 2,4 miljoen euro. De kosten vallen uiteen in kosten van toezicht en geschilbeslechting door ACM en in kosten voor uitvoering door Kadaster voor ontwikkeling en beheer van een nieuw centraal informatiepunt van waaruit de informatie over geplande civiele werken wordt ontsloten.

5. Adviezen en consultatie

48.

De leden van de D66-fractie lezen dat de ACM extra structurele middelen nodig acht voor de uitvoering van haar nieuwe taken. Hoe verhoudt zich dit tot de verwachte langetermijnbesparingen voor publiekrechtelijke instanties, en ziet de regering aanleiding de verdeling van middelen binnen de uitvoering hierop aan te passen?

Antwoord

De taakstellingen t.a.v. deefficiencykorting en de taakstelling slagvaardige overheidzien op langetermijnbesparingen op het apparaat en de taakorganisaties. Dat neemt niet weg dat bij nieuwe taken er altijd middelen nodig zijn voor de uitvoering van deze nieuwe taken. De extra structurele middelen van ACM zien op een uitbreiding van taken t.o.v. de eerdere implementatie van de richtlijn kostenreductie breedband. De taken uit de GIA zijn passend bij de rolopvatting van ACM (gelet op de aanwezige kennis en expertise van de telecommarkt). Om versplintering in het toezicht te voorkomen is er daarnaast voor gekozen om alleen ACM als toezichthouder aan te wijzen en de toezichtstaken die RDI eerder had op grond van de richtlijn, bij ACM te beleggen.

49.

De leden van de D66-fractie lezen voorts dat de ACM adviseert de taken, verantwoordelijkheden en capaciteit tijdig te evalueren en dat de regering hieraan tegemoet wil komen. Wanneer wordt deze evaluatie voorzien?

Antwoord

De evaluatie van de uitvoeringswet is drie jaar na inwerkingtreding voorzien.

I. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel ....

Artikel 6

50.

De leden van de VVD-fractie vragen welke nationale infrastructuur straks als kritiek aangemerkt gaat worden waarvoor dan uitzonderingen zouden gelden. Vallen elektronische communicatienetwerken hier ook onder?

Antwoord

Zoals hiervoor al aangegeven zal in een algemene maatregel van bestuur nader worden uitgewerkt wat in de context van de verordening moet worden beschouwd als kritieke infrastructuur. Dat wil zeggen fysieke infrastructuur die is uitgesloten van de in de verordening opgenomen toegangs- en transparantieplicht. Het voornemen bestaat om onder meer de fysieke infrastructuur van defensie, de politie en de rechtspraak uit te sluiten van de toepassing van de verordening. Elektronische communicatienetwerken zullen echter niet onder de uitzondering worden gebracht. Het tussen aanbieders van elektronische communicatienetwerken over en weer bieden van toegang tot hun fysieke infrastructuur vormt immers een van de kernelementen van de verordening. De regering wijst er op dat het medegebruik van fysieke infrastructuur, zoals het delen van antenne-opstelpunten en mantelbuizen al geruime tijd is voorgeschreven in het telecommunicatierecht en niet tot veiligheidsproblemen heeft geleid. Wellicht ten overvloede merkt de regering nog op dat het niet aanwijzen van elektronische communicatienetwerken als kritieke infrastructuur in de zin van de verordening niets zegt over de status van die netwerken in de context van andere wetgevingscomplexen, zoals, bijvoorbeeld, de NIS2 richtlijn en de implementatie daarvan in de Cyberbeveiligingswet.

Artikel 7

51.

De leden van de VVD-fractie lezen dat er besluittermijnen van acht weken gehanteerd worden, met de mogelijkheid tot acht weken uitstel. Deze leden vragen of deze termijnen voor Nederland ook gewenst zijn of dat het in Nederland sneller en efficiënter kan met kortere termijnen.

Antwoord

De leden van de VVD-fractie vragen vermoedelijk naar de besluittermijnen ten aanzien van de instemmingsbesluiten, bedoeld in artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet. Op grond van artikel 5.4, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, zijn aanbieders verplicht om een voornemen om werkzaamheden uit te voeren in of op openbare gronden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels, een schriftelijke melding te doen bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente binnen wier grondgebied de uit te voeren werkzaamheden plaats zullen vinden. De aanbieder is verplicht te wachten met het starten van de werkzaamheden totdat het college hiermee heeft ingestemd. Op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Telecommunicatiewet, geldt inderdaad een termijn van acht weken, met de mogelijkheid deze termijn eenmaal te verlengen met ten hoogste acht weken. De regering heeft geen aanwijzingen dat deze termijnen in de praktijk te lang zijn en verwacht ook niet dat het verkorten van deze termijnen de aanleg van VHC-netwerken daadwerkelijk sneller en efficiënter zou maken. Overigens blijft de besluittermijn voor het instemmingsbesluit ruimschoots binnen de beslissingstermijn van 4 maanden die de verordening voorschrijft.

Artikel 5a.4 en Artikel 14a

52.

De leden van de JA21-fractie constateren dat artikel 5a.4 van het wetsvoorstel de grondslag biedt om bepaalde nationale kritieke infrastructuur uit te zonderen van verplichtingen die voortvloeien uit de Gigabitinfrastructuurverordening. Deze leden merken op dat de Telecommunicatiewet reeds een beschermingsregime kent in artikel 14a (Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie), waarin voor de bescherming van nationale veiligheidsbelangen wordt gewerkt met concrete criteria voor vitale telecominfrastructuur. Kan de regering toelichten in hoeverre bij de uitwerking van artikel 5a.4 aansluiting wordt gezocht bij de criteria die reeds worden gehanteerd in artikel 14a van de Telecommunicatiewet? Hoe voorkomt de regering dat verschillende afbakeningen van vitale of kritieke digitale infrastructuur naast elkaar ontstaan? Acht de regering het tot slot mogelijk dat infrastructuur die onder artikel 14a bescherming geniet vanwege nationale veiligheidsbelangen, niet onder de uitzonderingsregeling van artikel 5a.4 valt? Zo ja, hoe beoordeelt de regering dit vanuit het oogpunt van digitale weerbaarheid en nationale veiligheid?

Antwoord

Hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet bevat – kort gezegd – een wettelijk regime dat er op gericht is te voorkomen dat de aldaar gedefinieerde telecommunicatiepartijen in handen vallen van partijen die hun zeggenschap in de telecommunicatiepartij mogelijk gebruiken om de Nederlandse regering onder druk te zetten door te dreigen met uitval of misbruik van de telecommunicatievoorzieningen. Daarom kan het verkrijgen van zeggenschap of bestaande zeggenschap door de Minister van Economische Zaken worden verboden. Voorwaarde daarbij is wel dat degene die de zeggenschap verwerft of heeft een grote, dat wil zeggen een zogenoemde relevante, invloed heeft in de telecommunicatiesector. In een algemene maatregel van bestuur (Besluit ongewenste zeggenschap telecommunicatie) is uitgewerkt in welke gevallen van een dergelijk invloed in de sector sprake is. Vanuit de gedachte dat de Nederlandse regering mogelijke uitval of misbruik als een bedreiging moet kunnen zien is het meewegen van de invloed in de sector van de partij die zeggenschap verwerft of heeft begrijpelijk. Dat verkrijgen van zeggenschap is immers ook het moment om de wenselijkheid daarvan te toetsen.

De gigabitinfrastructuurverordening, het uitvoeringswetsvoorstel, en de daarin opgenomen mogelijkheden om uitzonderingen te formuleren op de verplichtingen om toegang of informatie te verstrekken hebben echter een heel ander karakter dan hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet. Met deze uitzonderingen wordt immers op voorhand al concreet bepaald welke categorieën fysieke infrastructuur naar hun aard moeten worden uitgezonderd. Het al dan niet vallen van een verwerving van zeggenschap onder de regels van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet is niet het juiste criterium op grond waarvan de betrokken infrastructuur of dienstverlening moet worden beschermd tegen, bijvoorbeeld, cyberaanvallen of, zoals hier aan de orde, tegen toegang van partijen in het kader van een door hen voorgenomen uitrol van VHC-netwerken. Het gaat immers om andersoortige bedreigingen met ieder hun eigen risico’s die ieder hun eigen aanpak, ook wat betreft de te beschermen infrastructuur, rechtvaardigen. De regering vindt het dan ook begrijpelijk dat de verschillende wettelijke regimes ieder hun eigen invulling geven aan de te beschermen infrastructuur en ziet dit niet als nadelig voor de digitale weerbaarheid en nationale veiligheid.

OVERIG

53.

Gelet op het belang van de nog uit te werken lagere regelgeving vragen de leden van de D66-fractie op welke wijze de parlementaire betrokkenheid bij de verdere uitwerking van het wetsvoorstel wordt vormgegeven. Is de regering bereid daarbij een voorhangprocedure toe te passen?

Antwoord

Uitgangspunt bij gedelegeerde wetgeving, zoals een algemene maatregel van bestuur, is dat deze niet wordt opgesteld met (directe) betrokkenheid van de Tweede en Eerste Kamer. Dat geldt ook voor de algemene maatregel van bestuur ter uitwerking van de GIA. Bij het opstellen van de algemene maatregel van bestuur wordt overleg gevoerd met en inbreng gevraagd van de diverse belanghebbenden, zoals diverse onderdelen van de Rijksoverheid, gemeenten, en (vertegenwoordigers van) netwerkexploitanten. Verder zal de ontwerpversie van de algemene maatregel van bestuur via internet openbaar worden geconsulteerd en zal de ontwerpversie door de toekomstige toezichthouder worden getoetst op uitvoerbaarheid. Daarna zal de algemene maatregel van bestuur voor advies worden voorgelegd aan de Raad van State. De regering ziet daarom geen reden een voorhangprocedure toe te passen.

54.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de uitvoeringstermijn van 11 november 2025 niet is gehaald. Zij vragen de regering wat dit betekent voor de bepalingen en verplichtingen voortvloeiend uit dit wetvoorstel. Wat is het concrete effect van het niet halen van deze implementatietermijn met daarbij specifiek het effect van een infractieprocedure van de Europese Commissie.

Antwoord

De verordening is rechtstreeks toepasselijk in de Nederlandse rechtsorde. Dat betekent dat verschillende bepalingen en verplichtingen van de verordening op dit moment al gelden, ook al is de uitvoeringswet nog niet vastgesteld. Het belangrijkste effect van het ontbreken van de uitvoeringswet is dat toezicht en handhaving van de verordening nog niet zijn geregeld. De regering verwacht evenwel dat het concrete effect van het niet halen van de implementatietermijn in de praktijk beperkt is, omdat ter implementatie van de richtlijn breedband in Nederland al voorzieningen bestaan, de uitrol van VHC-netwerken in Nederland in zijn algemeenheid voorspoedig verloopt, en er in de markt tamelijk beperkte behoefte is aan de aanvullende mogelijkheden die de verordening biedt. Ik heb op dit moment geen signalen ontvangen dat de Europese Commissie van plan is op korte termijn een infractieprocedure te starten vanwege het niet halen van de implementatietermijn, maar ik kan uiteraard niet uitsluiten dat de Commissie hier de komende tijd alsnog toe zal besluiten.

55.

De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast welke concrete maatregelen de regering neemt om vertraging te beperken.

Antwoord

Mijn ambtenaren en ik geven prioriteit aan de totstandkoming van deze uitvoeringswet, en de hierop gebaseerde gedelegeerde regelgeving. Daarmee streef ik ernaar om verdere vertraging zoveel mogelijk te voorkomen. Daarbij teken ik wel aan dat een zorgvuldig wetgevingsproces nu eenmaal tijd kost, waaronder een zorgvuldige behandeling door en discussies met het parlement.

56.

De leden van de JA21-fractie vragen de regering om in bredere zin uiteen te zetten welk toetsingskader zij hanteert bij de vraag of vergunningverlening van rechtswege passend is. Deze leden achten het van belang dat de overheid niet per beleidsterrein willekeurig kiest voor of tegen de lex silencio positivo, maar werkt vanuit een herkenbare lijn waarin rechtszekerheid, uitvoerbaarheid, bescherming van publieke belangen en snelheid van besluitvorming in balans zijn. Kan de regering aangeven in welke typen vergunningstelsels zij de lex silencio positivo verantwoord acht en in welke typen vergunningstelsels niet? Kan de regering daarbij expliciet ingaan op vergunningprocedures waar grote publieke belangen en urgente investeringsopgaven samenkomen, zoals energie-infrastructuur en mijnbouwactiviteiten? Welke lessen trekt de regering uit dit wetsvoorstel voor andere domeinen waar trage vergunningverlening investeringen in energiezekerheid, infrastructuur of economische ontwikkeling kan vertragen? Is de regering bereid een kabinetsbrede lijn te ontwikkelen voor toepassing van de lex silencio positivo, zodat burgers en bedrijven beter weten wanneer zij mogen rekenen op tijdige besluitvorming met duidelijke rechtsgevolgen bij overschrijding van termijnen?

Antwoord

Bij het maken van beleid gebruikt de Rijksoverheid het Beleidskompas en, specifiek bij de totstandkoming van wet- en regelgeving, de Aanwijzingen voor de regelgeving (hierna: de Aanwijzingen). Het Beleidskompas en de Aanwijzingen voorzien onder andere in een algemeen toetsingskader voor vergunningstelsels. De lex silencio positivo maakt deel uit van dit algemeen toetsingskader, dat zijn oorsprong heeft in de Dienstenrichtlijn en een brief van de Minister van Justitie van 9 juli 2009.20 Hiermee hanteert de Rijksoverheid een herkenbare, Rijksbrede lijn, waarin rechtszekerheid, uitvoerbaarheid, bescherming van publieke belangen, en snelheid van besluitvorming in balans zijn.

Kort gezegd is de lex silencio positivo op basis van deze Rijksbrede lijn in de volgende typen vergunningstelsels denkbaar: vergunningstelsels waarbij Europese en internationale regelgeving en verdragen niet in de weg staan aan het toepassen van de lex silencio positivo (dikwijls verplichten Europese of internationale regelgeving namelijk tot een inhoudelijke beoordeling vooraf), en waarbij er sprake is van een laag maatschappelijk risico in het geval een vergunning achteraf onterecht van rechtswege blijkt te zijn verleend (in sommige gevallen kunnen onterecht van rechtswege verleende vergunningen aanzienlijke risico’s met zich brengen voor de volksgezondheid, de veiligheid, het milieu, en voor de bescherming van kwetsbare groepen, zoals minderjarigen, kwetsbare volwassenen of dieren, of kunnen zij grote onomkeerbare schade veroorzaken).

De vraag over vergunningprocedures bij energie-infrastructuur en mijnbouwactiviteiten valt buiten het bestek van de gigabitinfrastructuurverordening en het voorliggende wetsvoorstel, en buiten mijn verantwoordelijkheid als Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat. Ik zal deze vragen overbrengen aan mijn collega-bewindspersonen die zich bezighouden met deze specifieke onderwerpen, en met de uitvoering van de afspraak uit het regeerakkoord om vergunningverlening voor bedrijven te versnellen, zodat zij deze kwestie in een breder perspectief kunnen behandelen.