Vastgesteld 9 juni 2026
De vaste commissie voor Digitale Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen tijdig en genoegzaam zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
|
I. |
ALGEMEEN DEEL |
2 |
|
1. |
Inleiding |
2 |
|
2. |
Inhoud van de verordening op hoofdlijnen |
3 |
|
2.1. |
Toegang tot fysieke infrastructuur |
5 |
|
2.2. |
Coördinatie van civiele werken |
6 |
|
2.3. |
Vergunningen |
7 |
|
2.4. |
Centrale informatiepunten |
8 |
|
3. |
Inhoud van het wetsvoorstel |
8 |
|
3.1. |
Hoofdstuk 5a |
8 |
|
3.2. |
WIBON |
9 |
|
4. |
Gevolgen |
9 |
|
5. |
Adviezen en consultatie |
10 |
|
II. |
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING |
10 |
|
Artikel …. |
10 |
|
|
OVERIG |
10 |
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de Uitvoeringswet gigabitinfrastructuurverordening. Deze leden hebben nog wel de volgende opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie vragen welke impact deze wet heeft op het Nederlandse onderzoek dat nog loopt naar de opstelpunten.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de Uitvoeringswet voor de Gigabitinfrastructuurverordening (GIA). Zij steunen de richting van de GIA en hebben enkele vragen, suggesties en opmerkingen. Deze leden benadrukken dat Nederland een bijzondere positie heeft als EU-lidstaat met een sterke digitale connectiviteit. Volgens hen moet Nederland optimaal gebruikmaken van de ruimte in de verordening voor lidstaten om nadere voorwaarden te stellen om deze positie te versterken.
De leden van de CDA-fractie zijn voorstander van het versterken van de digitale infrastructuur in Nederland, om zo bij te dragen aan een concurrerende en toekomstbestendige economie. Het rapport Wennink benadrukt dat een sterke (digitale) infrastructuur een van de belangrijke randvoorwaarden is voor het Nederlandse verdienvermogen. Deze leden onderschrijven dan ook het belang van maatregelen die het gezamenlijke gebruik van bestaande fysieke infrastructuur bevorderen en de uitrol van nieuwe fysieke infrastructuur efficiënter maken. Hierdoor kunnen elektronische communicatienetwerken sneller, doelmatiger en tegen lagere kosten worden uitgerold, hetgeen ten goede komt aan zowel inwoners als bedrijven. Wel hebben zij nog een aantal vragen over dit wetsvoorstel.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering inzichtelijk heeft in hoeverre de voorgestelde maatregelen daadwerkelijk bijdragen aan het verminderen van de schaarste aan antenne-opstelpunten. Verwacht de regering dat met de verruimde mogelijkheden voor toegang tot en medegebruik van fysieke infrastructuur en versnelde vergunningverlening er voldoende nieuwe opstelpunten beschikbaar komen om aan de toekomstige vraag naar mobiele connectiviteit te voldoen? Op welke analyses of prognoses is deze verwachting gebaseerd?
De leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel tot uitvoering van de gigabitinfrastructuurverordening. Deze leden onderschrijven het belang van snelle en betrouwbare digitale infrastructuur voor burgers, bedrijven en overheden. Tegelijkertijd achten zij het van belang dat de versnelling van de uitrol van elektronische communicatienetwerken gepaard gaat met voldoende aandacht voor uitvoerbaarheid, lokale belangen, cyberveiligheid en de bescherming van vitale infrastructuur. Zij hebben daarom nog enkele vragen aan de regering.
De leden van de JA21-fractie merken op dat de verordening primair is gericht op de uitrol van elektronische communicatienetwerken op land. Tegelijkertijd vormt internationale connectiviteit een essentieel onderdeel van de digitale infrastructuur van Nederland, Europa en de Europese Unie. Deze leden vragen de regering in hoeverre bij de uitvoering van de Gigabitinfrastructuurverordening ook aandacht wordt besteed aan de weerbaarheid van de bredere digitale infrastructuur. Kan de regering toelichten hoe zij de huidige staat en toekomstige capaciteit van deze verbindingen beoordeelt? Acht de regering de bestaande infrastructuur bovendien toereikend om de groeiende vraag naar dataverkeer als gevolg van de verdere uitrol van gigabitnetwerken op te vangen?
Kan de regering voorts toelichten in hoeverre de effectiviteit van investeringen in nationale gigabitnetwerken mede afhankelijk is van de capaciteit en weerbaarheid van internationale verbindingen, waaronder zeekabels?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben verduidelijkende vragen over de GIA. Ten eerste vragen zij hoe Nederland de beschikbare beleidsruimte benut heeft. Kan de regering in algemene zin duiden hoe zij besloten heeft welke ruimte wel en niet te benutten om aanvullende nationale regels te implementeren? Welke afweging is hier aan vooraf gegaan, en zijn er – naast de in de memorie van toelichting beschreven keuzes – nog andere aanvullingen die de regering heeft overwogen om op te nemen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben begrip voor de ruimte om per algemene maatregelen van bestuur nadere regels te stellen. Wel vragen zij om de Kamer tijdig te informeren over het ontwikkelen van deze maatregelen, waarbij duidelijk wordt hoe en met wie ze worden opgesteld. Voor goed controleerbare wetgeving achten deze leden dit noodzakelijk. Hoe gaat de regering de Kamer blijvend op de hoogte houden van deze ontwikkelingen? Gaat de regering de Kamer actief betrekken?
Ten tweede vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zich af wat onder «alle redelijke verzoeken» wordt verstaan. Uiteraard begrijpen zij dat de brede formulering bewust ruimte laat. Tegelijkertijd stellen zij voor om zoveel mogelijk onduidelijkheden weg te nemen voordat de uitvoeringswet in werking treedt. Kan de regering in heldere taal schetsen hoe wordt bepaald wat als «redelijk verzoek» kwalificeert? Welke rol heeft de ACM daarin en welke voorwaarden kan de (mede)wetgever daaraan stellen? Zij stellen dezelfde vraag over de gevraagde «redelijke en billijke voorwaarden». Volstaat het ACM-besluit uit juli 2024 als definitie?
Ten derde hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen over de reikwijdte van de aanbieders die onder de verordening vallen. Zij vragen de regering om een beeldend overzicht te geven van Nederlandse organisaties en ondernemingen die onder de verordening toegang moeten verlenen aan redelijke verzoeken van telecompartijen. Zijn er organisaties en ondernemingen, bijvoorbeeld met meerdere functies, waarbij nog niet duidelijk is of zij hier onder vallen? Zo ja, kan de regering schetsen in welke gevallen dit zo is? Wat doet zij om deze duidelijkheid zo snel mogelijk wel te verschaffen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben in het bijzonder aandacht voor gemeenten. Deze leden wijzen er op dat veel gemeentelijk vastgoed wordt gebruikt of verhuurd voor maatschappelijke doelen zoals ontmoeting, onderwijs, sport en recreatie. Is het volledig duidelijk of ál het gemeentelijk vastgoed onder de GIA valt? Kan de regering voorbeelden geven van soorten gemeentelijke gebouwen die hieronder vallen? Deze leden geven aan dat maatschappelijke functies niet beperkt, of in ieder geval minimaal beperkt, moeten worden door de uitbreiding van het mobiele netwerk. Heeft de regering met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gesproken ter voorbereiding van deze wet, en kan de regering bevestigen dat gemeenten voldoende voorbereid en uitgerust zijn op de implementatie van de verordening?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering om in heldere taal uit te leggen wat de GIA verandert aan de rechten van huurders en verhuurders ten opzichte van aanbieders van telecommunicatie. De alinea die dit beschrijft vinden zij onvoldoende duidelijk. Wat verandert in de praktijk voor huurders, verhuurders en woningcorporaties door deze verordening? Hoe raakt de verordening aan het instemmingsrecht van bewoners? Kunnen bewoners in het geval dat zij hinder ondervinden aan het aansluiten van een netwerk, compensatie vragen? Is het bijvoorbeeld mogelijk dat er als tegenprestatie voor het gebruiken van een huurwoning voor telecommunicatie-infrastructuur, er ook snelle internetaansluitingen voor een gunstige prijs worden gerealiseerd voor bewoners? Aan wie is het om dergelijke afspraken te maken?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de verordening de Europese Commissie toestaat om nadere richtsnoeren vast te stellen voor toegang tot infrastructuur. Deze leden vragen welke belanghebbenden hierbij worden geraadpleegd.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden de waarborgen voor de veiligheid van overheidsgebouwen onvoldoende duidelijk. De regering schrijft dat op grond van veiligheid, toegang tot overheidsgebouwen aan aanbieders geweigerd mag worden. Het is echter niet duidelijk hoe deze weigering onderbouwd moet worden. Zij vragen de regering om duidelijk uit te leggen bij wie de bewijslast ligt. Hoe moeten overheden onderbouwen dat de veiligheid, integriteit of vertrouwelijkheid van infrastructuur in het geding komt bij een verzoek tot toegang? Hoeveel tijd is er om deze weigering te onderbouwen? Hoe kan een aanbieder hiertegen in bezwaar gaan? Deze leden benadrukken dat gevoelige informatie over infrastructuur goed beveiligd dient te worden, en stellen voor om op dit punt zeer terughoudend te zijn. Zij horen graag van de regering hoe zij dit betracht. Hiertoe achten zij het noodzakelijk dat de Autoriteit Consument & Markt voldoende capaciteit heeft om de handhavingsverzoeken te behandelen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het onzorgvuldig dat niet kan worden gesteld welke entiteit in positie is om, op basis van nationale veiligheid, een toegangsverzoek te weigeren. Deze leden volgen de redenering van de regering dat dit gaat om netwerkexploitanten en overheidsinstanties, maar hebben zekerheid nodig dat dit ook echt het geval wordt. Hoe gaat de regering hier zo snel mogelijk helderheid over krijgen? Kan de regering bevestigen dat alle EU-lidstaten deze uitleg volgen? Zo ja, acht zij het van toegevoegde waarde om dit punt in de wet of in algemene maatregelen van bestuur (AMvB) nader te specificeren?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat in AMvB’s nadere regels kunnen worden gesteld aan de civiele werken die buiten de informatieplicht komen te vallen. Dit achten deze leden een nuttig instrument om nationale veiligheidsrisico’s af te dekken. Zij vragen de regering om duidelijk te maken welke bepalingen de regering voornemens is om per AMvB op te nemen op dit punt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vragen over de aanvraagtermijn voor vergunningen. Het is voor hen niet duidelijk of 20 werkdagen een haalbare en noodzakelijke tijdsspanne is. Zijn er andere termijnen overwogen? Is er ook ruimte om op nationaal niveau kortere termijnen te bepalen, is dat overwogen? Wel stellen deze leden dat ten zeerste moet worden voorkomen dat vergunningen verleend worden, omdat de termijn niet gehaald wordt. Zij vragen de regering om duidelijk te maken wat er nodig is om dit te voorkomen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vragen over hoe vertrouwelijkheid in de centrale informatiepunten wordt gewaarborgd. Gevoelige informatie over infrastructuur dient maximaal beschermd te worden. Kan de regering helder schetsen hoe beoordeeld wordt welke informatie wél en niet wordt gedeeld met oog op gevoelige informatie? Hoe voorkomt zij dat verschillende verstrekte documenten, die op zichzelf niet gevoelig zijn, alsnog in gezamenlijkheid een risico kunnen vormen voor de nationale veiligheid? Komt er een beveiligde omgeving waarbinnen informatie wordt verschaft om te voorkomen dat het gezien wordt door derden? Zijn er, naast het Kadaster en de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur, nog andere organisaties overwogen als bevoegde instanties?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de «redelijke uitleg van de verordening» over het glasvezelklaar maken van wooncomplexen voldoende helder is. Is de regering bereid om dit in de wetstekst of per algemene maatregel van bestuur te bestendigen, zodat er geen onzekerheid bestaat over de soorten gebouwen die hier wel niet onder vallen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat in de GIA ook een voorstel staat om de kosten voor roaming in heel Europa gelijk te trekken. Zij vragen de regering hoe groot de kostenverschillen tussen roaming in het binnenland en binnen Europa nu nog zijn en met hoeveel de kosten zullen worden verlaagd. Heeft dit nog financiële consequenties voor telecombedrijven of lidstaten?
De leden van de CDA-fractie lezen dat netwerkexploitanten en overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur moeten voldoen aan alle redelijke verzoeken van exploitanten om toegang tot die infrastructuur. Deze leden constateren dat het begrip «redelijk verzoek» ruimte laat voor interpretatie. Wat voor een exploitant een redelijk verzoek is, kan door een eigenaar van infrastructuur immers als onevenredig of belastend worden ervaren. Kan de regering nader uiteenzetten aan de hand van welke criteria wordt beoordeeld of sprake is van een redelijk verzoek?
De leden van de CDA-fractie constateren dat veel bepalingen in de verordening open normen bevatten, zoals de begrippen «redelijke verzoeken» en «redelijke en billijke voorwaarden». In hoeverre verwacht de regering dat de nadere invulling van deze normen in de praktijk door de ACM zal plaatsvinden en vindt de regering dit wenselijk?
De leden van de CDA-fractie lezen dat informatie over fysieke infrastructuur in beginsel direct via het centrale informatiepunt (CIP) beschikbaar moet zijn en, indien deze informatie daar niet beschikbaar is, alsnog binnen tien dagen na een verzoek elektronisch moet worden verstrekt. Deze leden vragen hoe de regering ervoor zorgt dat deze termijn in de praktijk daadwerkelijk wordt gehaald. Hebben gemeenten dit punt inmiddels goed ingericht? Kan de regering tevens aangeven welke gevolgen het heeft indien netwerkexploitanten of overheidsinstanties deze termijn niet naleven? Welke handhavingsinstrumenten staan de ACM daarbij ter beschikking en hoe verwacht de regering dat hiervan gebruik zal worden gemaakt?
De leden van de CDA-fractie vragen hierbij of de ACM actief zal handhaven of meer reactief naar aanleiding van handhavingsverzoeken. Kan de regering hier meer duidelijkheid over geven?
De leden van de CDA-fractie lezen dat er terechte weigeringsgronden zijn aangewezen om informatieverzoeken te weigeren. Deze leden vragen echter welke instanties bepalen of deze weigeringsgronden terecht toegepast worden.
Meer in algemene zin vragen de leden van de CDA-fractie hoe wordt voorkomen dat kwaadwillenden via de centrale informatiepunten inzicht verkrijgen in de ligging, aard of kwetsbaarheden van vitale infrastructuur. Welke technische, organisatorische en juridische waarborgen zijn opgenomen om misbruik van deze informatie te voorkomen? Zijn dit dezelfde waarborgen die kritieke (of essentiële) entiteiten onder de Cyberbeveiligingswet hebben te regelen?
De leden van de CDA-fractie vragen of de Kamer periodiek geïnformeerd worden, eventueel vertrouwelijk, over de voortgang en de eventuele kwetsbaarheden, voor zowel de nieuwe als de reeds bestaande infrastructuur.
De leden van de JA21-fractie begrijpen dat de Gigabitinfrastructuurverordening uitgaat van een ruimere mogelijkheid voor aanbieders om gebruik te maken van bestaande fysieke infrastructuur. Deze leden constateren dat daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan het eigendomsrecht van de eigenaar van de betreffende infrastructuur. Zij vragen de regering nader toe te lichten hoe de aansprakelijkheid is geregeld wanneer schade ontstaat aan gedeelde infrastructuur.
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering kan aangeven welke partij verantwoordelijk is indien werkzaamheden van een aanbieder leiden tot beschadiging van bestaande infrastructuur of verstoring van dienstverlening. Kan de regering tevens toelichten hoe wordt vastgesteld wie de schade heeft veroorzaakt als meerdere partijen dezelfde infrastructuur gebruiken? En wie draagt de kosten als schade niet direct aan één partij kan worden toegerekend? Kan een eigenaar anderzijds aansprakelijk worden gesteld door derden voor een storing die feitelijk is veroorzaakt door een gebruiker van de infrastructuur?
De leden van de JA21-fractie vragen de regering eveneens toelichten wie verantwoordelijk is voor preventief onderhoud van gedeelde infrastructuur? Zijn de bestaande regels voldoende duidelijk, of verwacht de regering meer geschillen door het verplichte delen van infrastructuur?
De leden van de CDA-fractie hopen dat de verordening leidt tot de beoogde versnelling van de uitrol van digitale infrastructuur. Deze leden zien daarnaast ook graag dat aanlegwerkzaamheden in de openbare ruimte efficiënter worden uitgevoerd en beter op elkaar worden afgestemd. Het is immers hinderlijk voor inwoners en ondernemers én inefficiënt in een tijd van personeelsschaarste wanneer dezelfde straat of wijk binnen korte tijd meermaals moet worden opengebroken voor verschillende werkzaamheden.
Deze leden vragen daarom in hoeverre de verordening naar verwachting zal bijdragen aan een betere coördinatie van civiele werken. Heeft de regering inzicht in de mate waarin de voorgestelde maatregelen zullen leiden tot minder graafbewegingen en minder overlast voor inwoners en ondernemers?
Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie of de verordening ook regels bevat ten aanzien van het opruimen of verwijderen van verouderde infrastructuur wanneer nieuwe kabels, leidingen of installaties worden aangelegd. Kan de regering aangeven welke regels momenteel gelden voor het beheer en de verwijdering van buiten gebruik gestelde telecominfrastructuur?
De leden van de CDA-fractie hebben ook een eerdere zienswijze van de VNG gelezen waarin een zorg wordt geuit over de consequenties voor andere ruimtelijke opgaven en (het gebrek aan) samenhang. Kan de regering toelichten hoe de samenhang met andere ruimtelijke opgaven wordt geborgd? Welke ondersteuning wordt geboden aan gemeenten om de verschillende infrastructuuropgaven integraal af te wegen en te coördineren?
De leden van de D66-fractie lezen dat Nederland gebruikmaakt van de mogelijkheid om af te wijken van de hoofdregel dat een vergunning van rechtswege wordt verleend indien niet tijdig wordt beslist (lex silencio positivo). Deze leden vragen waarom de regering voor deze afwijking heeft gekozen. Welke risico’s of bezwaren zag de regering in toepassing van de hoofdregel uit de verordening? Hoe wordt geborgd dat bevoegde autoriteiten vergunningaanvragen desondanks tijdig blijven behandelen? Worden doorlooptijden gemonitord? Kan de regering aangeven hoe de Nederlandse keuze zich verhoudt tot die van andere lidstaten? Maken andere lidstaten eveneens gebruik van deze afwijkingsmogelijkheid en hoe verhouden de Nederlandse vergunningstermijnen zich tot die elders in de Europese Unie?
De leden van de CDA-fractie zijn voorstander van het versnellen van vergunningprocedures en kunnen zich vinden in het uitgangspunt dat vergunningaanvragen voor de uitrol van digitale infrastructuur in beginsel binnen vier maanden worden afgehandeld. Deze leden hebben echter wel vragen over de naleving van deze termijn in de praktijk. Op welke wijze wordt geborgd dat bevoegde autoriteiten deze beslistermijn daadwerkelijk halen? Welke mogelijkheden bestaan er om op te treden wanneer de termijn wordt overschreden? En hoe kan de Rijksoverheid hierop samenwerken met gemeenten, zodat er sprake van eenduidige, geharmoniseerde uitvoering van beleid?
De leden van de JA21-fractie onderschrijven verder het belang van efficiënte vergunningprocedures voor de uitrol van elektronische communicatienetwerken. Tegelijkertijd achten deze leden het van belang dat gemeenten voldoende mogelijkheden behouden om publieke belangen, waaronder veiligheid en de inrichting van de openbare ruimte, te beschermen. Zij constateren dat de Gigabitinfrastructuurverordening vergunningverlening van rechtswege als hoofdregel kent bij niet tijdig beslissen, maar dat Nederland in artikel 5a.5 kiest voor uitsluiting daarvan. Kan de regering nader motiveren waarom in dit domein wordt afgeweken van deze prikkel tot tijdige besluitvorming, welke concrete publieke belangen deze afwijking noodzakelijk maken, en welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat aanvragers alsnog worden geconfronteerd met trage besluitvorming? Kan de regering aangeven welk algemeen toetsingskader zij hanteert voor de vraag in welke vergunningstelsels een lex silencio positivo passend is en in welke niet?
De leden van de JA21-fractie zien de meerwaarde van een centraal informatiepunt voor het delen van gegevens over infrastructuur en geplande werkzaamheden. Tegelijkertijd merken deze leden op dat een dergelijke voorziening een grote hoeveelheid informatie over vitale infrastructuur bijeenbrengt. Kan de regering nader toelichten welke technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om de beveiliging van het centrale informatiepunt te waarborgen? Hoe wordt verder voorkomen dat het centrale informatiepunt zelf een aantrekkelijk doelwit wordt voor cyberaanvallen, spionage of andere vormen van ongeoorloofde toegang? Acht de regering verder de getroffen waarborgen afdoende gelet op het vitale karakter van de informatie die via het systeem beschikbaar wordt gesteld?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering voorstelt af te zien van de mogelijkheid die deze wet biedt tot lex silencio positivo, wat inhoudt dat de vergunning wordt geacht te zijn toegekend als er niet binnen de passende termijn een besluit is genomen over de vergunning. Deze leden vragen zich af hoe zich dit verhoudt tot de afspraak uit het coalitieakkoord welke stelt dat wordt bezien of vergunningen voor eenvoudige aanvragen automatisch kunnen worden goedgekeurd als termijnen worden overschreden, alsmede van de afspraak nationale koppen op EU-wet- en regelgeving te schrappen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering welke algemene maatregelen bestuur zij van plan is te maken bij hoofdstuk 5a. Kan de regering uitleggen of zij van plan is hier gebruik van te maken, en zo ja, welke maatregelen zij op wil nemen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen niet dat er geen bepaling is opgenomen in de wet over de voorwaarden waarmee vertrouwelijke informatie over civiele werken wordt verkregen. In het kader van nationale veiligheid achten de leden van het grootste belang dat dit helder en volledig wordt ingekaderd, voordat de wet in werking treedt. Hoe gaat de regering hiervoor zorgen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat Nederland gebruikmaakt van de mogelijkheid om af te wijken van de hoofdregel van de lex silencio positivo. Deze leden begrijpen dat een vergunning daardoor niet automatisch van rechtswege wordt verleend indien niet tijdig wordt beslist. Kan de regering nader toelichten welke mogelijkheid een aanvrager in dat geval heeft om toch snel duidelijkheid te krijgen? Wat zijn de gevolgen indien een bevoegde autoriteit geen gehoor geeft aan een verzoek tot een gesprek over de vergunningaanvraag of anderszins niet tijdig handelt?
De leden van de CDA-fractie vragen of inzichtelijk is in hoeverre de in de verordening opgenomen beslistermijn van vier maanden aansluit bij de huidige praktijk. Kan de regering aangeven welk percentage van de vergunningaanvragen die benodigd zijn voor de uitrol van VHC-netwerken momenteel binnen vier maanden wordt afgehandeld en welk percentage deze termijn overschrijdt?
Voorts vragen de leden van de CDA-fractie wat de concrete effecten zouden zijn geweest indien Nederland ervoor had gekozen de lex silencio positivo wel van toepassing te verklaren. Heeft de regering inzicht in hoeveel vergunningprocedures hierdoor naar verwachting zouden zijn versneld? Zij vragen op basis van welke overwegingen is geconcludeerd dat de gekozen alternatieve waarborgen voldoende zijn om tijdige besluitvorming te stimuleren?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de in de Telecommunicatiewet opgenomen gedoogplicht voor de aanleg van openbare elektronische communicatienetwerken in stand blijft. Deze leden vragen de regering nader uiteen te zetten wat de precieze reikwijdte van deze gedoogplicht is. Welke werkzaamheden, voorzieningen en infrastructuur vallen hieronder en welke niet?
De leden van de CDA-fractie lezen dat met de komst van de verordening verschillende bepalingen uit de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON) komen te vervallen, met name waar het gaat om informatie-uitwisseling en geschillenbeslechting ten behoeve van medegebruik van infrastructuur en de coördinatie van civiele werken. Deze leden vragen of de verordening op deze punten volledig in de plaats treedt van de bestaande nationale regelgeving, of dat daarnaast nog aanvullende verplichtingen of bevoegdheden worden geïntroduceerd. Kan de regering inzichtelijk maken welke rechten en plichten materieel wijzigen ten opzichte van de huidige situatie?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd naar de verdere afweging die de Europese Commissie heeft gemaakt om de GIA op deze manier in te richten. Er worden vier opties opgesomd waaruit gekozen is. Deelt de regering de analyse dat optie 3, welke nu voorligt, de meeste voordelen heeft? Welke onderdelen van de andere drie opties hebben meerwaarde en kunnen deze nog ter inspiratie dienen voor de verdere behandeling en implementatie van de GIA?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd waarom het niet is gelukt om een Nederlandse provincie bereid te vinden om mee te werken aan een onderzoek naar de impact op decentrale overheden. De GIA heeft een sterke lokale werking en dient goed uitvoerbaar te zijn voor overheden, mede gezien de termijnen voor vergunningsverlening. Heeft de regering contact gehad met het Interprovinciaal Overleg (IPO) over de gevolgen van de verordening? Kan zij schetsen welke gevolgen er zijn voor Provincies en of deze vergelijkbaar zijn als de gevolgen voor gemeenten?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd hoe gebouwen van zbo’s, agentschappen en staatsdeelnemingen onder de verordening vallen. Nederland kent immers veel zelfstandige organen die desondanks financieel gebonden zijn aan overheden. Is volledig duidelijk welke gevolgen de verordening heeft op dergelijke organen? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie stellen in het verlengde de vraag welke definitie de ACM hanteert van «overheidsinstanties» en of deze de volle breedte van instanties volgens de regering ook dekt.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de wet pas uitgevoerd kan worden na goedkeuring van de eerstvolgende suppletoire begroting. Kan de regering aangeven wat de omvang is van de incidentele en structurele kosten die met de uitvoering van dit wetsvoorstel gemoeid zijn? Kan zij daarbij tevens aangeven onder welke begrotingsartikelen deze middelen zijn opgenomen en hoe deze kosten zijn opgebouwd?
De leden van de D66-fractie lezen dat de ACM extra structurele middelen nodig acht voor de uitvoering van haar nieuwe taken. Hoe verhoudt zich dit tot de verwachte langetermijnbesparingen voor publiekrechtelijke instanties, en ziet de regering aanleiding de verdeling van middelen binnen de uitvoering hierop aan te passen?
De leden van de D66-fractie lezen voorts dat de ACM adviseert de taken, verantwoordelijkheden en capaciteit tijdig te evalueren en dat de regering hieraan tegemoet wil komen. Wanneer wordt deze evaluatie voorzien?
Artikel ....
Artikel 6
De leden van de VVD-fractie vragen welke nationale infrastructuur straks als kritiek aangemerkt gaat worden waarvoor dan uitzonderingen zouden gelden. Vallen elektronische communicatienetwerken hier ook onder?
Artikel 7
De leden van de VVD-fractie lezen dat er besluittermijnen van acht weken gehanteerd worden, met de mogelijkheid tot acht weken uitstel. Deze leden vragen of deze termijnen voor Nederland ook gewenst zijn of dat het in Nederland sneller en efficiënter kan met kortere termijnen.
Artikel 5a.4 en Artikel 14a
De leden van de JA21-fractie constateren dat artikel 5a.4 van het wetsvoorstel de grondslag biedt om bepaalde nationale kritieke infrastructuur uit te zonderen van verplichtingen die voortvloeien uit de Gigabitinfrastructuurverordening. Deze leden merken op dat de Telecommunicatiewet reeds een beschermingsregime kent in artikel 14a (Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie), waarin voor de bescherming van nationale veiligheidsbelangen wordt gewerkt met concrete criteria voor vitale telecominfrastructuur. Kan de regering toelichten in hoeverre bij de uitwerking van artikel 5a.4 aansluiting wordt gezocht bij de criteria die reeds worden gehanteerd in artikel 14a van de Telecommunicatiewet? Hoe voorkomt de regering dat verschillende afbakeningen van vitale of kritieke digitale infrastructuur naast elkaar ontstaan? Acht de regering het tot slot mogelijk dat infrastructuur die onder artikel 14a bescherming geniet vanwege nationale veiligheidsbelangen, niet onder de uitzonderingsregeling van artikel 5a.4 valt? Zo ja, hoe beoordeelt de regering dit vanuit het oogpunt van digitale weerbaarheid en nationale veiligheid?
OVERIG
Gelet op het belang van de nog uit te werken lagere regelgeving vragen de leden van de D66-fractie op welke wijze de parlementaire betrokkenheid bij de verdere uitwerking van het wetsvoorstel wordt vormgegeven. Is de regering bereid daarbij een voorhangprocedure toe te passen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de uitvoeringstermijn van 11 november 2025 niet is gehaald. Zij vragen de regering wat dit betekent voor de bepalingen en verplichtingen voortvloeiend uit dit wetvoorstel. Wat is het concrete effect van het niet halen van deze implementatietermijn met daarbij specifiek het effect van een infractieprocedure van de Europese Commissie.
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast welke concrete maatregelen de regering neemt om vertraging te beperken.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering om in bredere zin uiteen te zetten welk toetsingskader zij hanteert bij de vraag of vergunningverlening van rechtswege passend is. Deze leden achten het van belang dat de overheid niet per beleidsterrein willekeurig kiest voor of tegen de lex silencio positivo, maar werkt vanuit een herkenbare lijn waarin rechtszekerheid, uitvoerbaarheid, bescherming van publieke belangen en snelheid van besluitvorming in balans zijn. Kan de regering aangeven in welke typen vergunningstelsels zij de lex silencio positivo verantwoord acht en in welke typen vergunningstelsels niet? Kan de regering daarbij expliciet ingaan op vergunningprocedures waar grote publieke belangen en urgente investeringsopgaven samenkomen, zoals energie-infrastructuur en mijnbouwactiviteiten? Welke lessen trekt de regering uit dit wetsvoorstel voor andere domeinen waar trage vergunningverlening investeringen in energiezekerheid, infrastructuur of economische ontwikkeling kan vertragen? Is de regering bereid een kabinetsbrede lijn te ontwikkelen voor toepassing van de lex silencio positivo, zodat burgers en bedrijven beter weten wanneer zij mogen rekenen op tijdige besluitvorming met duidelijke rechtsgevolgen bij overschrijding van termijnen?
De voorzitter van de commissie, Dekker
Adjunct-griffier van de commissie, Muller