Kamerstuk 36410-XVI-32

Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

Dossier: Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2024

Gepubliceerd: 15 januari 2024
Indiener(s): Fleur Agema (PVV)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36410-XVI-32.html
ID: 36410-XVI-32

Nr. 32 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 15 januari 2024

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 13 december 2023 voorgelegd aan de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en voor Langdurige Zorg en Sport en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Bij brief van 12 januari 2024 zijn ze door de Minister en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De fungerend voorzitter van de commissie, Agema

Adjunct-griffier van de commissie, Heller

Vragen en antwoorden

Vraag 1:

Welke bedragen zijn sinds de onderschrijving op Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) de afgelopen jaren overgeheveld naar algemene middelen? Kunt u een overzicht geven?

Antwoord:

Indien er meer meevallers zijn dan tegenvallers, dan komt de per saldo meevaller ten goede aan de staatskas. In onderstaande tabel is de onderuitputting op de VWS-begroting, uitgavenplafond Rijksbegroting (exclusief uitgaven aan Covid-19 en Oekraïne) gepresenteerd zoals vermeld in de Financieel Jaarverslagen Rijk.

 

Jaarverslag (2e suppletoire wet + slotwet)

2020

€ 273 miljoen

2021

€ 46 miljoen

2022

€ 365 miljoen

20231

€ 225 miljoen

X Noot
1

2023 is alleen de 2e suppletoire wet.

Vraag 2:

Wat is de samenstelling van het personeel bij traditionele thuiszorginstellingen? Welke percentage van de werknemers is wijkverpleegkundige (het was 11,4 procent in 2010)?

Antwoord:

In onderstaande tabel is weergeven wat de samenstelling binnen de subbranche thuiszorg was in 2021. Actuelere cijfers zijn op dit moment niet beschikbaar. De groep «verlos- en verpleegkundigen niveau 6» kan niet gesplitst worden naar verloskundigen enerzijds en verpleegkundigen anderzijds, maar kan wel als indicator van het aandeel wijkverpleegkundigen gezien worden.

 

Aandeel in de thuiszorg, 2021

Zorghulp (niveau 1)

40%

Helpende zorg & welzijn (niveau 2)

6%

Verzorgende (niveau 3)

20%

Verpleegkundige (niveau 4)

15%

Verlos- en verpleegkunde (niveau 6)

9%

Overige beroepen

11%

Bron: prognosemodel zorg en welzijn, 2022

Vraag 3:

Hoeveel mensen met verward gedrag op straat waren dementerend?

Antwoord:

Dat is op basis van de registratie van het aantal meldingen van personen met verward gedrag vanuit de politie (de zogenaamde E33-meldingen) niet te zeggen. Wanneer een agent de meldcode E33 gebruikt, duidt hij daarbij de situatie die hij tegenkomt, maar geeft geen duiding van de medische situatie van de persoon over wie de melding gaat. Hierdoor is er geen cijfermatig inzicht in het aantal mensen met dementie dat door de politie wordt geregistreerd als «verward».

Vraag 4:

Hoeveel geld is er per jaar beschikbaar voor het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA)?

Antwoord:

De middelen voor de uitvoering van het GALA zijn in een specifieke uitkering aan gemeenten toegekend. In deze specifieke uitkering zijn naast GALA middelen, ook middelen voor het Sportakkoord II uitgekeerd. Specifiek voor het GALA gaat het om € 196 miljoen in 2023, € 193 miljoen in 2024 en 2025 en € 138 miljoen in 2026.

Vraag 5:

Hoeveel procent van het preventiebudget gaat richting medeoverheden in het kader van de lokale aanpak en het GALA?

Antwoord:

Er is niet één preventiebudget. Preventie is integraal verweven in veel thema’s en programma’s. In het huidige Coalitieakkoord zijn voor de brede preventieaanpak structurele en incidentele middelen beschikbaar gesteld voor onderzoek en aanpak van volksziekten, valpreventie, sportstimulering, Kansrijke Start, prenatale screening, suïcide preventie, respijtzorg, preventieakkoord en Een tegen Eenzaamheid. In totaal gaat het om € 394 miljoen in 2023, € 386 miljoen in 2024 en 2025, en structureel gaat het om € 233 miljoen (exclusief € 150 miljoen vanuit de IZA-middelen). Naast de Coalitieakkoord middelen zijn er ook middelen voor preventie die al eerder op de VWS begroting stonden. Voor een integrale lokale aanpak vanuit GALA is 50% van het budget van de Coalitiemiddelen beschikbaar gesteld aan gemeenten via de brede SPUK regeling in 2023, 2024 en 2025. In 2026 gaat het om 59%. De brede SPUK regeling loopt tot en met 2026.

Vraag 6:

Hoeveel procent van het budget voor de lokale aanpak via het GALA wordt besteed aan gezondheidsbevordering? En waarom is het budget in 2026 beduidend lager?

Antwoord:

Het volledige budget van het GALA wordt besteed aan brede inzet op gezondheidsbevordering. Daartoe behoort ook het bevorderen van leefstijl en het versterken van de sociale basis, zoals eenzaamheid en mantelzorg. Gezondheidsbevordering gaat zowel om het beïnvloeden van individueel gedrag, alsmede beïnvloeding van de leefomgeving. Met het beschikbare budget dat vanuit het GALA aan leefomgeving kan worden besteed, worden uitgaven gedaan die zowel met gezondheidsbevordering, alsmede met gezondheidsbescherming te maken hebben.

In 2026 is het bedrag ca. € 55,3 miljoen lager, omdat de middelen vanuit het huidige Coalitieakkoord voor preventie van alcohol, roken, overgewicht/voeding en aan bevordering van bewegen, de mentale gezondheid en een lokale preventie aanpak geen structurele, maar incidentele middelen zijn die in 2026 wegvallen bij ongewijzigd beleid.

Vraag 7:

Hoeveel geld gaat er vanuit de VWS-middelen naar de uitvoering van de Nationale Eiwitstrategie? Waar wordt dit aan uitgegeven?

Antwoord:

Hier gaan geen specifieke VWS middelen naartoe. De Nationale Eiwitstrategie heeft als doelstelling om de verhouding in de consumptie van dierlijke en plantaardige eiwitten te verschuiven. De uitvoering van de Nationale Eiwitstrategie valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van LNV.

Het gezamenlijke doel van het Ministerie van VWS en LNV is dat meer mensen eten volgens de Schijf van Vijf, zoals ook staat verwoord in de Evaluatie van de Voedselagenda 2016–2020 (Kamerstuk 31 532, nr. 271), die mede namens de Staatssecretaris van VWS is verstuurd. Een verschuiving van de balans in de consumptie van dierlijke en plantaardige eiwitten van de huidige 60/40- verhouding naar 50/50 in 2030 maakt hier onderdeel van uit. Deze verhouding past bij de Schijf van Vijf die zowel ziet op gezondheid als duurzaamheid. Voorlichting hieromtrent vindt onder andere plaats via het Voedingscentrum dat door VWS en LNV wordt bekostigd.

Vraag 8:

Hoeveel geld gaat er vanuit VWS-middelen naar proefdiervrije innovatie, om zo te komen tot beter onderzoek en betere medicijnen? Hoe wordt dit geld besteed?

Antwoord:

Het Ministerie van VWS besteedt via ZonMw € 375.000 aan de opstartfase van VitalTissue, waarvan € 125.000 in 2024. VitalTissue maakt vitaal restweefsel van operatiepatiënten beschikbaar voor wetenschappelijk onderzoek, als alternatief voor proefdieren. Daarnaast besteedt VWS in 2024 via het RIVM ongeveer € 250.000 aan onderzoeken waarbij alternatieven voor dierproeven worden ontwikkeld of gevalideerd.

Vraag 9:

Op welke manier(en) stimuleert u de inzet van systematic reviews bij onderzoek, om zo te komen tot beter onderzoek en daaruit volgend betere medicijnen?

Antwoord:

Het doen van systematic reviews in de preklinische fase wordt gestimuleerd vanuit de Ministeries van LNV en OCW. Het Ministerie van VWS stimuleert over het algemeen niet op directe wijze de uitvoering van systematic reviews in de klinische fase. Systematic reviews maken deel uit van de gebruikelijke (medisch-)wetenschappelijke praktijk. Dan gaat het bijvoorbeeld om een bundeling van resultaten uit klinische studies met een bepaald geneesmiddel bij een specifieke aandoening. Omdat de resultaten uit meerdere studies afkomstig zijn, zijn de conclusies uit een systematic review sterker onderbouwd dan uit een enkele klinische studie. Vanuit de verschillende medische specialisaties voert men zulke reviews dan ook regelmatig uit, en directe stimulatie vanuit het Ministerie van VWS wordt niet noodzakelijk geacht. Wel wordt wetenschappelijke onderbouwing bij de beoordeling van aanvragen voor klinische studies en bij toelating van een geneesmiddel tot de markt meegenomen. Bij beoordeling van geneesmiddelen door het Zorginstituut weegt de Stand van Wetenschap en Praktijk zwaar mee. Systematic reviews zijn daar vaak onderdeel van en dragen zo bij aan de kwaliteit van geneesmiddelenonderzoek en geneesmiddelen in het pakket.

Vraag 10:

Hoeveel geld gaat er vanuit de VWS-middelen naar onderzoek met proefdieren? Hoe wordt dit geld besteed?

Antwoord:

Het Ministerie van VWS beschikt niet over de nodige informatie om deze vraag goed te kunnen beantwoorden. In 2020 heeft Technopolis in opdracht van het Ministerie van LNV een rapport uitgebracht onder de titel «Studie naar de financiën van proefdieronderzoek en proefdiervrije innovaties». Het rapport vermeldt een bedrag van € 760.000 voor het aandeel van VWS (via het RIVM) in de publieke financiering van dierproeven. Dit betreft het jaar 2018. Maar hier moet nog een onbekend deel van het ZonMw-aandeel en het NWO-aandeel bij opgeteld worden.

Vraag 11:

Hoe wordt uitvoering gegeven aan de in de Eerste Kamer aangenomen motie over de havermelkbelasting (Kamerstuk 36 410, nr. F)?

Antwoord:

Per 1 januari zal het tarief van de verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken verhoogd worden. Het uitzonderen van bepaalde dranken van deze verhoging is niet mogelijk. Dit vergt namelijk een structuurwijziging in de uitvoering, waarvoor een termijn van 12–18 maanden staat. Die termijn gaat lopen nadat de wetgeving die een dergelijke uitzonderingspositie zou moeten regelen, is vastgesteld.

De Tweede Kamer heeft via de motie Grinwis (Kamerstuk 36 418, nr. 87) opgeroepen zo snel als mogelijk een gedifferentieerde verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken te introduceren, gebaseerd op het suikergehalte in die drank. Met de voorbereidingen van dit wetsvoorstel is al begonnen. Bij het nieuwe systeem wordt ook gekeken naar de positie van bijvoorbeeld plantaardige dranken, zuivel en pure fruit- en groentesappen. In het eerste kwartaal van 2024 wordt de Kamer geïnformeerd over de contouren van dit wetsvoorstel, zodat de Kamer haar inbreng kan geven.

Vraag 12:

Wat heeft u gedaan met de aanbevelingen uit de Kennisagenda Transitie naar Proefdiervrije Innovaties van ZonMw?

Antwoord:

De aanbevelingen uit de Kennisagenda Transitie naar Proefdiervrije Innovaties uit april 2023, voor zover die specifiek gericht zijn op het Ministerie van VWS, hebben betrekking op het gebruik van lichaamsmateriaal voor wetenschappelijk onderzoek. Het Nationaal Comité advies dierproevenbeleid (NCad) heeft recent een rapport uitgebracht getiteld «De beschikbaarheid en toegankelijkheid van menselijk weefsel voor biomedisch onderzoek en onderwijs», waarin aanbevelingen staan die dezelfde ontwikkeling ondersteunen en gericht zijn aan de bewindspersonen van VWS en LNV. Hier zal het Ministerie van VWS schriftelijk op reageren.

Vraag 13:

Zet u in op het versnellen van validatie- en acceptatietrajecten van proefdiervrije methoden om zo te komen tot betere onderzoeksmethoden en daaruit volgend betere medicijnen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Het Ministerie van VWS steunt het voorstel Centrum voor Proefdiervrije Biomedische Translatie (CPBT) dat door het Ministerie van LNV is ingediend bij het Nationale Groeifonds. Voor een verbeterd CPBT voorstel is € 125 miljoen gereserveerd in het Nationaal Groeifonds. De verwachting nu is dat de Minister van LNV in januari 2025 het verbeterde voorstel zal indienen. Het betreft ontwikkeling, validatie en educatie op het gebied van proefdiervrije methoden voor geneesmiddelenontwikkeling

Vraag 14:

Welk bedrag is begroot voor de ratificatie en implementatie van het VN-verdrag Handicap in Caribisch Nederland?

Antwoord:

Voor 2024 is een budget gereserveerd van € 100.000 waarmee onder andere opvolging gegeven zal worden aan de aanbevelingen van het recentelijk uitgebrachte rapport inzake de rechten van personen met een handicap op de BES-eilanden. Er zal onderzocht worden of een programmatische aanpak passend is voor implementeren van het verdrag. Overigens is niet alleen het Ministerie van VWS verantwoordelijk voor de implementatie van het VN-verdrag, dit vraagstuk omvat een brede maatschappelijke opgave.

Naast de hierboven genoemde reservering op de begroting, worden er in 2024 ook middelen beschikbaar gesteld voor verschillende trajecten die bijdragen aan, of relatie hebben tot het Verdrag waar de Staatssecretaris van VWS aan werkt. Zo wordt er bijvoorbeeld gewerkt aan de implementatie van maatschappelijke ondersteuning in Caribisch Nederland. Ook wordt er gekeken naar de zorg voor leerlingen met een beperking binnen de recent geopende cluster 3 voorziening op Bonaire.

Vraag 15:

Hoe zal het budget voor de Subsidieregeling patiënten- en gehandicaptenorganisaties 2024–2028 ervoor zorgen dat mensen met een beperking duurzaam worden betrokken bij de totstandkoming van wet- en regelgeving, beleid en de uitvoering?

Antwoord:

De Subsidieregeling patiënten- en gehandicaptenorganisaties 2024–2028 zorgt voor het versterken van de positie van mensen met een aandoening en/of beperking en hun naasten in de samenleving, omdat deze patiënten en gehandicaptenorganisaties in belangrijke mate de (collectieve) stem van patiënten en cliënten vertolken. Het fors opgehoogde budget voor de Subsidieregeling patiënten- en gehandicaptenorganisaties 2024–2028 stelt patiënten- en gehandicaptenorganisaties beter in staat om zich verder te professionaliseren en tegemoet te komen aan de toenemende vraag naar hun expertise bij de totstandkoming van wet- en regelgeving, beleid en de uitvoering.

Vraag 16:

Hoe wordt voorkomen dat het herinvoeren van de inkomensafhankelijke eigen bijdrage in de Wet maatschappelijke opvang (Wmo) 2015 zal leiden tot financiële problemen bij mensen met een beperking?

Antwoord:

Door het inkomens- en vermogensafhankelijke karakter van de eigen bijdrage wordt rekening gehouden met de financiële draagkracht van burgers. Daarnaast hebben gemeenten op dit moment reeds een aantal mogelijkheden om af te wijken van het standaard eigen bijdrage regime (zie art. 3.8, tweede en derde lid van het huidige Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Zo kunnen gemeenten vrijstellingen geven aan cliënten die onvoldoende betalingscapaciteit hebben. Het voornemen is om die afwijkingsmogelijkheden ook in de nieuwe situatie te laten bestaan.

Vraag 17:

In hoeverre worden voorbereidingen getroffen om (delen van) de Wmo 2015 inkomensafhankelijk te maken?

Antwoord:

Op dit moment zijn burgers voor diverse Wmo-voorzieningen als eigen bijdrage het abonnementstarief Wmo 2015 verschuldigd (in 2024 bedraagt dit € 20,60 per maand). Bij Voorjaarsnota 2023 is aangekondigd dat het abonnementstarief Wmo 2015 per 1/1/2026 zal worden afgeschaft en dat voor de betreffende Wmo-voorzieningen een inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage (her)ingevoerd zal worden.

Om dit per 1/1/2026 mogelijk te maken bereidt het demissionaire kabinet momenteel een wetsvoorstel voor. Een concept van dit wetsvoorstel staat momenteel open voor (internet)consultatie. Daarnaast is een aantal toetsen en adviezen uitgevraagd (bij o.a. het CAK en de VNG).

Vraag 18:

Bent u voornemens de inzet op de afspraken rondom het Integraal Zorgakkoord (IZA), inclusief de toegezegde € 2,8 miljard transformatiemiddelen, voort te zetten in 2024?

Antwoord:

De toegankelijkheid en kwaliteit van zorg staan onder druk. Het demissionaire kabinet zet daarom onverminderd in op de uitwerking van de afspraken uit het Integraal Zorgakkoord (IZA), inclusief de inzet van transformatiemiddelen die de gewenste beweging in gang moeten zetten. In het IZA is afgesproken dat er in de periode van 2023–2027 € 2,8 miljard aan transformatiemiddelen beschikbaar is om deze benodigde transformatie naar passende zorg te faciliteren. Besteding van deze middelen gebeurt grotendeels op basis van concrete (door verzekeraars goedgekeurde) transformatieplannen van partijen zoals zorgaanbieders. Een kleiner deel van deze middelen, ca. € 400 miljoen loopt via de VWS-begroting ten behoeve van de financiering van de bestuurlijke afspraken uit het IZA en de landelijke maatregelen uit het IZA die worden ingezet om de juiste randvoorwaarden te creëren, zodat impactvolle transformaties kunnen plaatsvinden. Op dit moment zien we dat er binnen en tussen sectoren hard wordt gewerkt aan het opstellen van transformatieplannen. De gewenste beweging is in gang gezet. De bewindspersonen onderschrijven de noodzaak en hebben er vertrouwen in dat dit ook de komende jaren zo door zal gaan.

Vraag 19:

In hoeverre wordt er een compensatie gemaakt omdat Wmo-gelden in het Gemeentefonds worden aangesproken om de instroom in de Wet langdurige zorg (Wlz)-geestelijke gezondheidszorg (ggz) op te vangen (van € 45 miljoen)?

Antwoord:

Op het Uitgavenplafond Zorg worden middelen voor volumegroei beschermd wonen gereserveerd. In 2023 is het bedrag voor volumegroei vanaf 2024 á € 45 miljoen niet uitgekeerd aan gemeenten, omdat er geen sprake is van volumegroei van het aantal cliënten beschermd wonen. De huidige tekorten in het Wlz-kader hebben het kabinet ertoe bewogen om de groeiruimte voor 2024 in te zetten daar waar de volumegroei plaatsvindt. Deze middelen zijn daarom ingezet om het tekort dat is ontstaan door de hogere instroom vanuit het gemeentelijk domein van mensen met een psychische aandoening naar de Wlz deels te dekken. Er is hierbij geen sprake van een uitname uit het Gemeentefonds.

Vraag 20:

In hoeverre wordt er verder gewerkt aan het wetsvoorstel Woonplaatsbeginsel voor beschermd wonen?

Antwoord:

In het Verslag (Kamerstukken II, 2022/2023, 36 288, nr. 7) heeft de Kamer een aantal vragen gesteld over het wetsvoorstel woonplaatsbeginsel voor beschermd wonen. Aan de beantwoording daarvan wordt gewerkt. In het schriftelijk overleg inzake Nationaal Actieplan Dakloosheid en beschermd wonen (Kamerstukken II, 2022/2023, 29 325 nr. 155) is door de Kamer gevraagd hoe de vertraging, als gevolg van de controversieelverklaring van het wetsvoorstel, kan worden voorkomen. In de reactie van 11 december jl. (kenmerk 3702070-1054730-DMO) is aangegeven dat daarvoor geen mogelijkheden zijn, anders dan heroverweging door de Kamer van de controversieelverklaring. In de reactie is aangekondigd dat de Kamer na het Kerstreces de nota naar aanleiding van het verslag zal ontvangen, dit mede met het oog op het voorkomen van verdere vertraging.

Vraag 21:

Is bij vaststelling van de hoogte van de subsidiebedragen voor pg-organisaties rekening gehouden met recente indexering van de lonen op basis van nieuwe cao-afspraken voor juli 2023 (7 procent), januari 2024 (4 procent), juli 2024 (4 procent) en januari 2025 (extra uitloopschalen)?

Antwoord:

Zoals ook toegelicht in het Schriftelijk Overleg over de versterking van de positie van patiënten en cliënten binnen het zorgsysteem komen de verleende instellingssubsidies en de maximaal aan te vragen instellingssubsidies vanaf 2024 in aanmerking voor jaarlijkse bijstelling van de personele kosten rekening houdend met de ontwikkeling van de arbeidsvoorwaarden. Bij de initiële verlening van de instellingssubsidies voor 2024 worden de bedragen conform de subsidieregeling gehanteerd. Via een herziening van deze subsidies kan looncompensatie in de loop van 2024 worden toegekend. Voor de indexering wordt de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA)-systematiek gehanteerd. Sociale partners maken op basis van deze bijdragen hun eigen afweging over een gepaste loonindexatie.

Vraag 22:

Welke middelen worden ingezet voor valpreventie en tot welke verwachte besparing resulteert die investering?

Antwoord:

De middelen die worden ingezet voor de ketenaanpak valpreventie bedragen vanaf 2023 structureel jaarlijks minstens € 104 miljoen oplopend tot maximaal € 135 miljoen vanaf 2031. Deze worden ingezet voor de verschillende stappen in de ketenaanpak, zoals het detecteren van valrisico’s, screening en interventies, alsook advies op maat en opstartkosten. Deze middelen worden deels beschikbaar gesteld aan gemeenten via de brede specifieke uitkering en deels aan zorgverzekeraars. De beoogde jaarlijkse besparingen hebben betrekking op de Wmo, Zvw en Wlz en zijn respectievelijk € 10 miljoen, € 50 miljoen en € 20 miljoen in 2023. In de vervolg jaren zal dit oplopen met een beoogde structurele jaarlijkse besparing in de Wmo, Zvw en Wlz van respectievelijk € 20 miljoen, € 140 miljoen en € 50 miljoen.

Vraag 23:

Hoeveel van de transactiemiddelen uit het IZA is op dit moment aangevraagd?

Antwoord:

Om de benodigde transformatie naar passende zorg te faciliteren, is voor de periode 2023–2027 in totaal € 2,8 miljard aan transformatiemiddelen beschikbaar gesteld. Zoals afgesproken in het IZA, wordt het grootste deel van de transformatiemiddelen (€ 2,4 miljard) via de verzekeraars toegekend, door middel van het goedkeuren van transformatieplannen. De resterende € 0,4 miljard wordt via de VWS-begroting besteed1. Op dit moment (peildatum 21 december 2023) is er ongeveer 87,5 miljoen euro aan transformatiemiddelen beschikbaar gesteld. Dit betreft het bedrag dat voor alle goedgekeurde transformatieplannen (7) is overeengekomen tussen deelnemers en zorgverzekeraars. Het totaal bedrag dat is aangevraagd is 165,3 miljoen euro voor 19 plannen. 12 plannen voor een totaalbedrag van 77,8 miljoen zijn dus nog in uitwerking of beoordeling. Om de beweging en het aantal transformatieplannen te versnellen, wordt er een verbeter- en versnellingsagenda uitgewerkt door partijen.

Vraag 24:

Kunt duiden waarom de uitgaven voor humaan papillomavirus (HPV)-vaccinatie afnemen, gezien de ambitie om de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)-doelstellingen te halen in 2030?

Antwoord:

Voor de HPV-vaccinatie liepen de volgende campagnes:

  • In 2022 en 2023 liep er een grootschalige inhaalcampagne om jongeren onder de 18 jaar de mogelijkheid te geven zich alsnog tegen HPV te laten vaccineren. Deze inhaalcampagne loopt af op 31 december 2023.

  • Begin 2023 is de aanvullende HPV-campagne voor jongvolwassenen gestart. Deze campagne biedt jongvolwassenen geboren tussen 1 januari 1996 en 31 december 2003 de mogelijkheid zich alsnog te laten vaccineren tegen HPV. Deze aanvullende campagne loopt af op 1 juni 2024.

Het aflopen van twee grote vaccinatiecampagnes is de reden dat de uitgaven afnemen.

Vraag 25:

Kunt u een overzicht maken van het aantal heropnames en hersteloperaties per jaar, zo mogelijk uitgesplitst naar aandoening, van de afgelopen tien jaar?

Antwoord:

Het Ministerie van VWS beschikt niet over de gevraagde data.

Vraag 26:

Wat is de status van het aantal uitgestelde operaties en de inhaalzorg veroorzaakt door de coronapandemie?

Antwoord:

De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft op 7 december jl. weer een monitor toegankelijkheid van de zorg gepubliceerd2. De NZa concludeert op basis van productiedata medisch specialistische zorg (msz) van afgelopen zomer dat het aantal patiënten dat ziekenhuiszorg ontving rond het niveau van 2019 lag. Daarnaast ziet de NZa dat de meest urgente zorg doorgaat, maar dat de IC-afhankelijke planbare zorg net onder het niveau van 2019 ligt. De productie in zelfstandige behandelcentra (zbc’s) is sinds de coronapandemie gestegen en lag begin dit jaar weer iets hoger dan het jaar ervoor, terwijl die in ziekenhuizen ongeveer gelijk is gebleven. De lichte daling in de wachttijden in de msz die na de zomer te zien was, lijkt op landelijk niveau te stagneren. Echter, de hoeveelheid nog te leveren zorg in de ziekenhuizen (ook wel «werkvoorraad» genoemd) laat een lichte daling zien.

De werkvoorraad is de hoeveelheid nog te leveren zorg in de ziekenhuizen die voor een subselectie van specialismen uit wordt gevraagd. Daaruit valt niet op te maken in hoeverre het nog gaat om patiënten die wachten op hun operatie die is uitgesteld door de coronapandemie of nieuwe patiënten.

Vraag 27:

Kunt u een overzicht geven van de zorgkosten afgezet tegen het bruto binnenlands product (bbp) over de afgelopen tien jaar?

Antwoord:

In onderstaande tabel staan de netto zorguitgaven onder het Uitgavenplafond Zorg (UPZ) in relatie tot de ontwikkeling van het bruto binnenlands product (BBP) over de afgelopen 10 jaar (2014–2023).

Bij de beoordeling van deze cijfers is van belang dat de groei van de zorguitgaven wordt beïnvloed door wijzigingen in de definitie van de zorguitgaven onder het UPZ (zoals de overheveling van grote delen van de Wmo en de jeugdzorg uit het UPZ in 2019) en door statistische vertekeningen, zoals in 2021 de statistische verlaging van de uitgaven vanwege de nieuwe bekostigingssystematiek in de ggz.

Ontwikkeling netto zorguitgaven in relatie tot ontwikkeling BBP 2014–2023 (bedragen x € 1 miljard)
 

Basisjaar 2014

2015

2016

20171

20181

2019

2020

20212

2022

20233

Netto zorguitgaven UPZ (€)

64

64

66

63

66

70

74

76

82

88

Groei van de netto zorguitgaven (€)

0

– 1

2

– 3

3

4

4

2

5

6

Groei van de netto zorguitgaven (%)

0%

– 1%

3%

– 5%

5%

6%

6%

3%

7%

8%

BBP (€)

672

690

708

738

774

813

797

871

959

1.028

Groei BBP (€)

 

18

18

30

36

39

– 16

74

88

69

Groei BBP (%)

 

3%

3%

4%

5%

5%

– 2%

9%

10%

7%

                     

Netto zorguitgaven UPZ / BBP (%)

 

9,3%

9,3%

8,5%

8,5%

8,6%

9,3%

8,7%

8,6%

8,6%

Bron: VWS- en CPB-cijfers

X Noot
1

Dit betreft de netto zorguitgaven exclusief de rijksbijdrage Wmo (met uitzondering van beschermd wonen) en jeugd in 2017 en 2018. Omdat deze vanaf 2019 geen onderdeel meer uitmaken van de netto zorguitgaven is deze correctie nodig om vergelijkbare cijfers te presenteren.

X Noot
2

De zorguitgaven zijn in 2021 gecorrigeerd als gevolg van de technische correctieboeking van de schadelastdip ggz van – € 1,2 miljard. Per 1 januari 2022 wordt een nieuw bekostigingsmodel voor de ggz ingevoerd. In dit nieuwe model wordt voor de bekostiging niet meer gewerkt met DBC’s en komt er een aparte bekostiging voor de basis-ggz. De DBC’s die worden geopend in 2021 worden derhalve uiterlijk 31-12-2021 afgesloten; dit geldt ook voor de huidige bekostiging van de basis-ggz. Hierdoor is er in 2021 om technisch-administratieve redenen sprake van eenmalig lagere zorguitgaven in termen van schadelast. Deze technische aanpassing heeft geen gevolgen voor de hoeveelheid ggz die feitelijk kan worden geleverd of op de omzetten van zorgaanbieders. Er is geen sprake van een bezuiniging. Deze technische bijstelling heeft dan ook geen gevolgen voor het EMU-saldo en geen invloed op de premiehoogte.

X Noot
3

Voor het jaar 2023 is in dit antwoord gerekend met het cijfer gemeld in de 2e suppletoire wet en niet met het cijfer uit de ontwerpbegroting 2024, omdat de 2e suppletoire wet nieuwere informatie over 2023 bevat. Er is geen rekening gehouden met de bijstelling van de cijfers 2023 die is gemeld in de antwoorden op de vragen over de 2e suppletoire wet, omdat deze bijstelling budgettair verwerkt zal worden in het aankomende VWS jaarverslag.

Vraag 28:

Kunt u een overzicht geven van de onderschrijdingen op de zorgbegroting van de afgelopen tien jaar?

Antwoord:

In de onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de onderschrijding van het Uitgavenplafond Zorg van de afgelopen 10 jaar (2014–2023). De onderschrijdingen zijn de optelsom van de onderschrijdingen van de voorjaarsnota, ontwerpbegroting, najaarsnota en het jaarverslag.

Het Uitgavenplafond Zorg (UPZ) wordt aan het begin van een nieuw kabinet voor de kabinetsperiode vastgesteld.3 Het UPZ is gebaseerd op een zo goed mogelijke raming van de zorguitgaven van zorgkantoren en zorgverzekeraars. Hiervoor wordt o.a. gebruik gemaakt van de onafhankelijke (zorg)ramingen van het CPB. In de CPB-raming worden de onderschrijdingen van de afgelopen jaren meegenomen.

Gedurende de kabinetsjaren kunnen er echter ontwikkelingen bij de zorguitgaven van zorgverzekeraars en zorgkantoren zijn, waardoor de daadwerkelijke zorguitgaven afwijken van de raming. Dit gebeurt in de voorjaarsnota, ontwerpbegroting, najaarsnota en jaarverslag. Dit is hetzelfde proces als de uitgaven bij andere sectoren binnen de Rijksoverheid. Hierdoor kunnen onder- of overschrijdingen van het Uitgavenplafond Zorg ontstaan. De afgelopen tien jaar zijn onderschrijdingen van het Uitgavenplafond Zorg zichtbaar. De onderschrijdingen van de afgelopen 10 jaar zijn gemiddeld € 1,5 miljard. Dat is ongeveer 1,6% van de totale bruto zorguitgaven 2023. Bij het volgende kabinet zal op basis van de meest actuele inzichten weer een nieuw Uitgavenplafond Zorg worden vastgesteld.

Onderschrijdingen Uitgavenplafond Zorg 2014–2023 (Bedragen x 1 miljard)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

20231

Onderschrijding2

– 2,0

– 0,6

– 1,8

– 2,6

– 1,9

– 1,4

– 1,1

– 0,3

– 0,9

– 2,0

Bron: voor 2014 t/m 2022 de VWS-jaarverslagen, voor 2023 de 2e suppletoire begroting.

X Noot
1

Voor het jaar 2023 is in dit antwoord gerekend met het cijfer gemeld in de 2e suppletoire wet en niet met het cijfer uit de ontwerpbegroting 2024, omdat de 2e suppletoire wet nieuwere informatie over 2023 bevat. Er is geen rekening gehouden met de bijstelling van de cijfers 2023 die is gemeld in de antwoorden op de vragen over de 2e suppletoire wet, omdat deze bijstelling budgettair verwerkt zal worden in het aankomende VWS jaarverslag.

X Noot
2

Dit betreft het totaalbedrag aan onderschrijdingen van het Uitgavenplafond Zorg van de Voorjaarsnota, Ontwerpbegroting, Najaarsnota en het Jaarverslag bij elkaar opgeteld.

Vraag 29:

Wat is de netto stijging in zorguitgaven als periodieke controles mondzorg (1,5 keer per jaar) en het vullen van gaatjes worden toegevoegd aan het basispakket, maar deze handelingen worden uitgezonderd van het eigen risico? Met hoeveel euro zou de zorgpremie dan per persoon stijgen?

Antwoord:

De netto stijging in zorguitgaven wanneer periodieke controles (1,5 keer per jaar) én het vullen van gaatjes worden toegevoegd aan het basispakket kent een grote mate van onzekerheid, met name omdat het lastig is te voorspellen hoeveel en welke behandelingen er nodig zijn met betrekking tot het vullen van gaatjes.

De kostenstijging van de periodieke controles wordt geraamd op maximaal € 575 miljoen per jaar, als iedere verzekerde hiervan gebruik maakt. Zie voor de onderbouwing het antwoord op de volgende vraag.

De inschatting van de kosten van het vullen van gaatjes is gebaseerd op de gemiddelde kosten van vullingen in de aanvullende verzekering (€ 500 miljoen), gedeeld door het percentage mensen dat een aanvullende verzekering met tandheelkunde heeft (€ 500 mln/ 0,66). Dit betreft grof ingeschat € 758 miljoen. Samen betekent dit een kostenstijging van circa € 1,3 miljard in totaal en gerekend met 14,3 miljoen verzekerden betekent dit een premiestijging van circa € 3,80 per verzekerde per maand.

Vraag 30:

Wat is de netto stijging in zorguitgaven als periodieke controles mondzorg (1,5 keer per jaar) wordt toegevoegd aan het basispakket, maar deze handeling wordt uitgezonderd van het eigen risico? Met hoeveel euro zou de zorgpremie dan per persoon stijgen?

Antwoord:

De netto stijging in zorguitgaven, ervan uitgaande dat de helft van de verzekerden 2 keer, en de andere helft 1 keer per jaar naar de mondzorgverlener gaat voor een periodieke controle (of alle verzekerden 3 keer per 2 jaar) wordt geraamd op circa € 575 miljoen. De extra zorgpremie per persoon per maand zou in dat geval stijgen met € 1,70 per verzekerde.

Dit is gebaseerd op de kosten van de periodieke controle (€ 26,75 in 2024)4 vermenigvuldigd met het aantal volwassen verzekerden (14,3 miljoen), vermenigvuldigd met 1,5. Dit is ongeveer € 575 miljoen. De helft van deze kostenstijging wordt opgevangen via werkgevers, de andere helft via verhoging van de nominale premie. De helft van de totale kosten, gedeeld door het aantal verzekerden, gedeeld door 12 maanden levert de premiestijging per maand op. In deze berekening wordt ervan uitgegaan dat iedere verzekerde volledig gebruik maakt van het aantal vergoede controles.

Vraag 31:

Hoeveel geld is in 2024 beschikbaar voor de Hervormingsagenda Jeugd? Wat verklaart het verschil tussen de brief van 19 september jl. waarin sprake is van € 179 miljoen en de € 91 miljoen die is opgenomen in tabel 3 van de begroting?

Antwoord:

Via de Voorjaarsnota 2023 is aanvullend € 1,45 miljard door het Rijk beschikbaar gesteld voor jeugdhulp inclusief afspraken die zijn gemaakt voor de Hervormingsagenda. Deze middelen zijn grotendeels (€ 1,36 miljard) toegevoegd aan het Gemeentefonds voor zowel de jeugdhulp zelf als voor decentrale investeringen die nodig zijn in het kader van de Hervormingsagenda. Daarnaast staat € 91 miljoen op de begroting van VWS, voor centrale investeringen en uitvoeringskosten. Deze investeringen waren al voorzien en zijn van belang voor de uitvoering van de Hervormingsagenda.

De € 179 miljoen die in de brief van 19 september jl. is opgenomen bestaat enerzijds uit het besparingsverlies dat is ontstaan door vertraging in de totstandkoming van de Hervormingsagenda (€ 89 miljoen in 2024). Anderzijds gaat dit bedrag over het besparingsverlies op de aanvullende taakstelling op het jeugddomein binnen het Gemeentefonds uit het Coalitieakkoord. Dit betreft in totaal € 100 miljoen in 2024 (waarvan 90 miljoen door VWS is gedekt en 10 miljoen door J&V). Op de VWS begroting 2024 leidde beide tot een besparingsverlies van € 179 miljoen.

Vraag 32:

Wat is de reden dat de extra middelen voor het inrichten van een passend regionaal en landelijk opleidingsaanbod voor wijkverpleging van € 50 miljoen (in 2024 en 2025) met ingang van het jaar 2027 niet meer op de begroting beschikbaar is? Hoe kan een opleidingsaanbod worden vergoot zonder structurele financiering?

Antwoord:

Ten behoeve van het stimuleren van meer en vernieuwend opleiden voor de wijkverpleging is met betrokken partijen (Actiz, Zorgthuisnl, V&VN, ZN en VWS) een akkoord ondertekend waarmee de komende drie studiejaren extra geïnvesteerd zal worden in het samen anders opleiden van helpenden, verzorgenden IG en verpleegkundig-specialisten voor de wijkverpleging. Hier is binnen het coalitieakkoord in de jaren 2023 t/m 2026 in totaal € 150 miljoen voor beschikbaar gesteld.

Dit Investeringsakkoord Opleiden Wijkverpleging (IOW) moet leiden tot het inrichten van een regionaal – en waar passend landelijk – opleidingsaanbod waarin op innovatieve, toekomstbestendige en efficiënte wijze vorm en inhoud wordt gegeven aan opleiden en scholing in de wijkverpleging. Het gaat om een grote investering in het opleidingsaanbod waardoor er belangrijke efficiencyvoordelen in het opleidingsaanbod worden gerealiseerd, zoals o.a. betere samenwerkingsmogelijkheden via regionale infrastructuren en meer inzet van technologische innovaties.

Vraag 33:

Kunt u een overzicht geven van alle bezuinigingen, ombuigingen en extensiveringen?

Antwoord:

In de onderstaande tabel zijn de omvangrijkste maatregelen onder het Uitgavenplafond Zorg (UPZ) in de Zvw en de Wlz opgenomen voor 2023–2028. De taakstelling niet-IZA en maatwerk PGB zijn gemeld en toegelicht in de ontwerpbegroting 2024. Alle andere maatregelen zijn toegelicht in de ontwerpbegroting 2023. Van de maatregelen meerjarig contracteren en doorontwikkeling kwaliteitskader is in de ontwerpbegroting 2024 vastgesteld dat de in de ontwerpbegroting 2023 opgenomen taakstelling niet gehaald wordt in 2024.

Naast ombuigingen, wordt door het demissionaire kabinet in de periode 2022–2026 geïnvesteerd in de zorg, namelijk € 0,3 miljard in 2022 oplopend tot € 1,5 miljard in 2026.

Tabel omvangrijkste maatregelen Kabinet Rutte IV (Bedragen x € 1 miljoen)
 

2023

2024

2025

2026

2027

2028

Zvw

– 1.084

– 1.598

– 2.088

– 2.648

– 3.025

– 3.156

Valpreventie bij 65-plussers

– 50

– 80

– 95

– 103

– 110

– 118

Passende zorg als norm (enkel bewezen effectieve zorg) in Zvw

0

0

– 23

– 70

– 117

– 117

Integraal Zorgakkoord (IZA)

– 540

– 854

– 1.171

– 1.554

– 1554

– 1554

Juiste zorg op de juiste plek

0

0

– 100

– 200

– 200

– 200

Sturing op doelmatigheid via de tarieven

0

– 120

– 140

– 147

– 147

– 147

Doelmatige inkoop geneesmiddelen en medische technologie

– 15

– 35

– 50

– 65

– 80

– 90

Standaardisatie inkoop- en verantwoordingseisen Zvw

0

– 30

– 30

– 30

– 30

– 30

Aanpassing basisniveau IZA-sectoren

– 350

– 350

– 350

– 350

– 350

– 350

Pakketmaatregel vitamine D

– 129

– 129

– 129

– 129

– 129

– 129

Standaardisatie gegevensuitwisseling

0

0

0

0

– 113

– 227

Stimuleren anderhalvelijnszorg

0

0

0

0

– 50

– 50

Taakstelling niet-IZA sectoren

0

0

– 65

– 145

– 145

– 145

 

   

Wlz

– 63

– 116

– 815

– 946

– 1.042

– 1.087

Valpreventie bij 65-plussers

– 20

– 30

– 35

– 38

– 40

– 43

Meerjarige contracten ouderenzorg

0

0

– 135

– 70

– 70

– 70

Meerjarige contracten ghz en ggz

0

0

– 110

– 65

– 65

– 65

Doorontwikkeling Kwaliteitskader verpleeghuiszorg

0

0

– 200

– 350

– 350

– 350

Bevorderen doelmatigheid behandeling en geneesmiddelen Wlz

0

0

– 170

– 170

– 170

– 170

Integraal Zorgakkoord (IZA)

0

0

0

– 15

– 15

– 15

Scheiden wonen en zorg

– 43

– 86

– 130

– 173

– 217

– 260

             

Maatwerk PGB

0

0

– 35

– 65

– 115

– 115

           

17

Totaal maatregelen

– 1.147

– 1.714

– 2.903

– 3.594

– 4.067

– 4.243

Vraag 34:

Hoe lang is de gemiddelde verblijfsduur van ouderen in een verpleeghuis?

Antwoord:

Volgens gegevens van het CBS bedraagt het gemiddeld aantal opgenomen dagen van cliënten die in 2021 op het moment van overlijden zorg ontvingen op basis van een VV5 of VV6 ruim 940 dagen. Bij cliënten die zorg ontvingen op basis van een VV7 en VV8 was het gemiddeld ruim 1.420 dagen. Deze aantallen en een toelichting op de berekeningswijze treft u aan op: Gemiddeld aantal Wlz-opnamedagen van personen die in 2021 overleden zijn met een ZZP VV01 t/m VV09b, naar ZZP bij overlijden | Maatwerk publicatie | Monitor Langdurige Zorg.

Ook het Zorginstituut rapporteert met enige regelmaat over de verblijfsduur van ouderen in verpleeghuizen. De rapporten gaat in op verschillende methoden om een gemiddelde verblijfsduur te bepalen en de beperkingen die er zijn om op grond van de beschikbare data die gemiddelden te berekenen.

U treft de rapportages van het Zorginstituut aan op: Verblijfsduur Wlz | Zorgcijfersdatabank.nl

Vraag 35:

Wat is het totale aantal spoedopnames in de verpleeghuiszorg sinds 2022 tot en met nu?

Antwoord:

Op grond van de registraties is het aantal spoedopnamen niet te bepalen. In onderstaande tabel treft u het aantal cliënten aan per prestatie waarvoor een ELV-prestatie of Wlz-spoedzorg is gedeclareerd. Het eerstelijnsverblijf kent diverse prestaties, waar spoedzorg onderdeel van kan zijn. Uit de declaratiedata is niet af te leiden of een ELV-prestatie is gedeclareerd in het kader van een spoedsituatie. In de Wlz kan het zorgkantoor een afspraak maken over spoedzorg middels een aparte prestatie (Z110). Ook reguliere verpleeghuisopnamen in de Wlz kunnen uiteraard een spoedeisend karakter hebben.

 

2022

2023

Eerstelijnsverblijf laag complex

7.102

4.994 (t.m. sep)

Eerstelijnsverblijf hoog complex

21.629

16.809 (t.m. sep)

Eerstelijnsverblijf palliatief terminale zorg

7.858

6.267 (t.m. sep)

Wlz-spoedzorg VV met behandeling (Z110)

4.574

4.067 (t.m. okt)

Bron: Vektis Zorgprisma.

Vraag 36:

Hoeveel ouderen, in zowel absolute getallen als in percentage, belanden sinds 2022 tot nu met spoed op een zogenaamde normale plek in het verpleeghuis?

Antwoord:

Omdat er geen heldere criteria zijn wanneer precies sprake is van «spoed» en wat verstaan moet worden onder een «normale plek in het verpleeghuis» is op grond van de registraties niet aan te geven hoeveel ouderen in een bepaalde periode met spoed op een normale plek belanden.

Vraag 37:

Welk percentage van het zorgpersoneel in de ouderenzorg, uitgesplitst naar functie, is tevreden met de hoogte van zijn/haar salaris?

Antwoord:

Via de werknemersenquête van het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (AZW) wordt aan een deel van de werknemers in de zorg gevraagd in hoeverre zij het eens zijn met de volgende stelling: «Ik krijg voldoende betaald voor het werk dat ik doe». Ruim 23% van de medewerkers binnen de branche Verzorging, Verpleging en Thuiszorg (VVT) geeft aan het (helemaal) eens te zijn met deze stelling, circa 23% geeft aan het niet mee eens/niet mee oneens te zijn en 54% geeft aan het (helemaal) mee oneens te zijn met deze stelling. Een uitsplitsing van deze resultaten naar functie is niet beschikbaar.

Vraag 38:

Hoe zag de jaarlijkse vraag naar intramurale verpleegzorgplekken eruit voor de periode 2002 tot 2022?

Antwoord:

Het Ministerie van VWS beschikt niet over deze gegevens.

Vraag 39:

Hoe zagen de jaarlijkse tekorten van intramurale verpleegzorgplekken eruit voor de periode 2002 tot 2022?

Antwoord:

Het Ministerie van VWS beschikt niet over cijfers over het jaarlijks tekort aan intramurale verpleeghuisplekken gedurende de periode 2002–2022. Er is namelijk geen registratie van het «tekort aan plaatsen» in de intramurale setting.

Vraag 40:

Wat zijn de jaarlijkse zorgkosten per individu sinds 2002 tot 2022 uitgesplitst naar verschillende leeftijdscategorieën?

Antwoord:

In de CBS-zorgrekeningencijfers worden de zorguitgaven aan beleids- en beheerorganisaties gegeven, evenals de totale zorguitgaven van 2002 tot en met 2022. De totale zorguitgaven zijn hier inclusief de zorgkosten betaald via de aanvullende verzekeringen en eigen betalingen en minus de uitgaven aan kinderopvang, delen van de jeugdzorg, de asielopvang en enkele kleinere welzijnsuitgaven omdat deze niet aan gezondheid zijn gerelateerd. De beleids- en beheerorganisaties omvatten de zorgverzekeraars, de uitvoeringsorganisaties van de zorgverzekering en de Wlz / AWBZ, de overheid (VWS, Nza, ZiNl, etc.) en fondsen op het terrein van de zorg.

In onderstaande tabel is te lezen dat in 2022 per inwoner 4,6% van de totale zorguitgaven gerelateerd zijn aan beleids- en beheer-organisaties. In 2002 was dit percentage 5,5%. Per leeftijdscategorie is dit niet beschikbaar.

 

Zorguitgaven totaal

Zorguitgaven van beleids- en beheerorganisaties

Aandeel zorguitgaven van beleids- en beheerorganisaties t.o.v. het totaal

 

Uitgaven

(x € mln.)

Uitgaven

per inwoner

Uitgaven

(x € mln.)

Uitgaven

per inwoner

Uitgaven

(x € mln.)

Uitgaven

per inwoner

2002

48.745

3.026

2.703

168

5,5%

5,5%

2003

52.582

3.248

2.793

173

5,3%

5,3%

2004

54.700

3.364

2.840

175

5,2%

5,2%

2005

56.571

3.468

3.261

200

5,8%

5,8%

2006

59.152

3.622

3.516

215

5,9%

5,9%

2007

62.404

3.814

3.691

226

5,9%

5,9%

2008

66.592

4.058

3.579

218

5,4%

5,4%

2009

70.213

4.258

3.668

222

5,2%

5,2%

2010

73.402

4.430

3.683

222

5,0%

5,0%

2011

75.593

4.537

3.862

232

5,1%

5,1%

2012

78.309

4.681

3.761

225

4,8%

4,8%

2013

78.957

4.705

3.836

229

4,9%

4,9%

2014

80.116

4.760

3.945

234

4,9%

4,9%

2015

80.118

4.741

3.929

232

4,9%

4,9%

2016

82.021

4.830

3.902

230

4,8%

4,8%

2017

83.932

4.914

3.894

228

4,6%

4,6%

2018

87.334

5.083

4.005

233

4,6%

4,6%

2019

92.804

5.371

4.240

245

4,6%

4,6%

2020

100.535

5.775

4.700

270

4,7%

4,7%

2021

107.835

6.169

4.853

278

4,5%

4,5%

2022

107.649

6.120

4.911

279

4,6%

4,6%

Vraag 41:

Welke deel van de jaarlijkse zorgkosten per individu sinds 2002 tot 2022 werd besteed aan overheadkosten?

Antwoord:

In de CBS-zorgrekeningencijfers worden de zorguitgaven aan beleids- en beheerorganisaties gegeven, evenals de totale zorguitgaven van 2002 tot en met 2022. De totale zorguitgaven zijn hier inclusief de zorgkosten betaald via de aanvullende verzekeringen en eigen betalingen en minus de uitgaven aan kinderopvang, delen van de jeugdzorg, de asielopvang en enkele kleinere welzijnsuitgaven omdat deze niet aan gezondheid zijn gerelateerd. De beleids- en beheerorganisaties omvatten de zorgverzekeraars, de uitvoeringsorganisaties van de zorgverzekering en de Wlz / AWBZ, de overheid (VWS, Nza, ZiNl, etc.) en fondsen op het terrein van de zorg.

In onderstaande tabel is te lezen dat in 2022 per inwoner 4,6% van de totale zorguitgaven gerelateerd zijn aan beleids- en beheerorganisaties. In 2002 was dit percentage 5,5%.

 

Zorguitgaven totaal

Zorguitgaven van beleids- en beheerorganisaties

Aandeel zorguitgaven van beleids- en beheerorganisaties t.o.v. het totaal

 

Uitgaven

(x € mln.)

Uitgaven

per inwoner

Uitgaven

(x € mln.)

Uitgaven

per inwoner

Uitgaven

(x € mln.)

Uitgaven

per inwoner

2002

48.745

3.026

2.703

168

5,5%

5,5%

2003

52.582

3.248

2.793

173

5,3%

5,3%

2004

54.700

3.364

2.840

175

5,2%

5,2%

2005

56.571

3.468

3.261

200

5,8%

5,8%

2006

59.152

3.622

3.516

215

5,9%

5,9%

2007

62.404

3.814

3.691

226

5,9%

5,9%

2008

66.592

4.058

3.579

218

5,4%

5,4%

2009

70.213

4.258

3.668

222

5,2%

5,2%

2010

73.402

4.430

3.683

222

5,0%

5,0%

2011

75.593

4.537

3.862

232

5,1%

5,1%

2012

78.309

4.681

3.761

225

4,8%

4,8%

2013

78.957

4.705

3.836

229

4,9%

4,9%

2014

80.116

4.760

3.945

234

4,9%

4,9%

2015

80.118

4.741

3.929

232

4,9%

4,9%

2016

82.021

4.830

3.902

230

4,8%

4,8%

2017

83.932

4.914

3.894

228

4,6%

4,6%

2018

87.334

5.083

4.005

233

4,6%

4,6%

2019

92.804

5.371

4.240

245

4,6%

4,6%

2020

100.535

5.775

4.700

270

4,7%

4,7%

2021

107.835

6.169

4.853

278

4,5%

4,5%

2022

107.649

6.120

4.911

279

4,6%

4,6%

Vraag 42:

Hoeveel fte kan er naar schatting worden bespaard met de inzet van de huidige bestaande zorgtechnologieën, zoals de medicijndispenser of de robotkat, en wat is de onderbouwing van deze arbeidsbesparing?

Antwoord:

Uit het rapport «Uitweg uit de schaarste» van Gupta Strategist volgt dat passende inzet van bestaande zorgtechnologie de potentie heeft om 110.000 zorgmedewerkers vrij te spelen. Daarbij is anders werken en organiseren binnen en tussen zorgpartijen vaak een voorwaarde. Onder de meegenomen technologieën vallen ook de medicijndispenser en de inzet van sociale robotica, zoals de robotkat. Daarnaast heeft SIRM de potentiële opbrengsten van digitalisering van zorg voor 30 digitale zorgtoepassingen in beeld gebracht. SIRM concludeert dat een groot potentieel kan worden behaald als het beleid in het Integraal Zorgakkoord (IZA), het Programma Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen (WOZO) en het Programma Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (TAZ) slaagt. SIRM schat in dat met de onderzochte vormen van digitale zorgverlening en passende inzet en minimale productiviteitsverbetering van 27.000 ft in 2028 haalbaar is. Het onderzoek is op 22 december 2023 als bijlage bij de voortgangsbrief over het programma WOZO aangeboden aan uw Kamer (Kamerstukken II 2023/24 29 389, 123 (blg-1122409). Het is belangrijk om hierbij te benadrukken dat zorgtechnologie passend moet worden ingezet omdat dit anders bij foutieve inzet juist extra werk kan opleveren.

Onderbouwing van arbeidsbesparingen komt voort uit onderzoek bij implementaties. Veel kennis hierover is onder meer beschikbaar via www.vindplaats.nu van het Platform Transformatie naar digitale en hybride zorg en ondersteuning. Of via de Kennisbank Digitale Zorg van Vilans.

Vraag 43:

Wat zijn de risico’s van de inzet van arbeidsbesparende technologieën op de aantrekkelijkheid van het zorgberoep?

Antwoord:

Arbeidsbesparende technologieën in de zorg kunnen bij passende inzet veel opleveren voor burgers, cliënten en mantelzorgers. Voor zorgprofessionals kan het meer ruimte geven voor werkplezier of ontwikkeling. En ontzorgen bij zware of minder uitdagende activiteiten zoals regeldruk of fysieke belasting. Er zijn echter ook risico’s aan verbonden als de technologie niet passend wordt ingezet zoals het verlies van gewenst persoonlijk fysiek contact of het niet beschikken over de juiste vaardigheden om met de technologieën om te gaan. Het is hierbij essentieel om de menselijke factor niet uit het oog te verliezen en technologie te zien als een aanvulling op, of ondersteuning van menselijke zorg. Het Ministerie van VWS stimuleert daarom het draagvlak en de betrokkenheid van medewerkers bij de implementatie van zorgtechnologie en biedt financiële steun voor opleidingen. Ook ondersteunthet Ministerie van VWS de coalitie «Digivaardig in de Zorg» om zorgorganisaties meer bewust te maken van de uitdaging digitale vaardigheden en hun handvatten te bieden om medewerkers te begeleiden bij het digivaardig worden.

Vraag 44:

Hoeveel winst werd er sinds 2006 jaarlijks uitgekeerd door zorgaanbieders?

Antwoord:

In de Wet toelating zorginstellingen is voor zorginstellingen die zorg verlenen waarop aanspraak bestaat uit hoofde van de Zorgverzekeringswet of de Wet Langdurige Zorg, een verbod op winstuitkering vastgelegd. Daarbij is bij algemene maatregel van bestuur voor een aantal categorieën instellingen een uitzondering gemaakt: die categorieën instellingen mogen dus wel winst uitkeren.5 Er is geen integraal overzicht van uitgekeerde winst. SIRM en Finance Ideas hebben in 2019 in opdracht van VWS onderzoek gedaan naar dividenduitkering door zorgaanbieders met een Wtzi-toelating.6 In hun rapport zeggen de onderzoekers hier het volgende over: «Het is moeilijk rechtstreeks te achterhalen hoeveel dividend in de zorg is uitgekeerd. Onze ruwe schatting komt op € 275 miljoen voor 2016. Hieronder valt niet eventueel dividend uitgekeerd door BV’s aan wie WTZi toegelaten zorgaanbieders zorg hebben uitbesteed. Daarvoor hebben we onvoldoende gegevens. Wel hebben we de medisch-specialistische bedrijven meegenomen in de schatting. Het in de zorg uitgekeerd dividend bestaat grotendeels uit dividend van bedrijven van medisch specialisten, huisartsen, tandartsen, apothekers en paramedici. Een klein deel, ongeveer € 6 miljoen per jaar, wordt uitgekeerd door BV’s, werkzaam in de extramurale GGZ en thuiszorg. Of een ondernemer-zorgaanbieder kiest voor een BV of werkt als zelfstandige, is deels een juridische en fiscale optimalisatie. Daarom is ook de vergelijking met winst van zelfstandig gevestigde zorgverleners zonder BV relevant. Dat schatten we voor 2016 op € 0,6 miljard.»

Vraag 45:

Hoeveel winst werd er sinds 2006 jaarlijks in totaal gemaakt met zorggeld?

Antwoord:

Het Ministerie van VWS beschikt niet over de precieze informatie die u vraagt. Onderstaande tabel geeft een overzicht van het bedrijfsresultaat (de bedrijfsopbrengsten minus de bedrijfslasten, exclusief het saldo van financiële en buitengewone baten en lasten) van instellingen met minimaal tien werknemers in verschillende zorgsectoren in de jaren 2015 t/m 2022. De beschikbare gegevens (CBS, Statline) gaan niet verder terug dan tot 2015.

In de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg vallen instellingen voor intramurale zorg en delen van de extramurale zorg, zoals de medisch-specialistische zorg, onder het verbod op winstoogmerk op grond van de Wet toelating zorginstellingen (WTZi). Zij mogen geen winst uitkeren. Het positieve resultaat dat zij boeken, kan aangewend worden voor het aanleggen van reserves, of herinvesteringen in de zorg.

Bedrijfsresultaat per sector (x € 1 miljoen)

2015

2016

2017

2018

2019

2020

20211

20221

Universitair medische centra

318

314

350

244

184

160

172

227

Algemene ziekenhuizen

621

563

547

566

559

584

601

482

Categorale ziekenhuizen

64

39

31

32

47

28

29

24

GGZ met overnachting

168

104

144

77

197

130

221

83

Gehandicaptenzorg

305

249

308

232

190

334

350

210

Jeugdzorg met overnachting

22

28

36

8

– 9

25

16

Maatschappelijke opvang (24-uurs)

33

– 12

43

55

– 4

65

121

Ambulante jeugdzorg

3

12

– 3

8

11

7

24

Verpleeg-, verzorgingshuizen, thuiszorg

322

163

504

592

546

710

682

380

Bron: CBS Statline, tabel Zorginstellingen; financiën en personeel

X Noot
1

Voorlopige cijfers.

Vraag 46:

Hoeveel winst werd er de afgelopen vijf jaar jaarlijks gemaakt door farmaceutische bedrijven in Nederland?

Antwoord:

Het Ministerie van VWS houdt geen overzicht bij van de winst die farmaceutische bedrijven maken. Voor beursgenoteerde bedrijven is dit openbare informatie, aangezien deze bedrijven dit rapporteren in hun jaarverslagen.

Vraag 47:

Hoeveel ziekenhuizen en ziekenhuislocaties zijn er sinds 2010 in Nederland gesloten? Kunt u een lijst geven van deze ziekenhuizen en locaties?

Antwoord:

In onderstaande tabel treft u per jaar het aantal algemene ziekenhuizen, academische ziekenhuizen, buitenpoli’s en kinderziekenhuizen over de afgelopen jaren op locatieniveau. De jaren 2017 en 2020 ontbreken. In deze jaren heeft er geen telling plaatsgevonden. Vanaf 2016 worden de kinderziekenhuizen voor het eerst apart vermeld. Vanaf 2018 zijn de locatiewijzigingen in kaart gebracht.

Aantal locaties algemene-, academische- en kinderziekenhuizen en aantal buitenpoli’s 2010–2023
 

Algemene ziekenhuizen (locatieniveau)

Locatie wijzigingen algemene ziekenhuizen

Academische ziekenhuizen (locatieniveau)

Locatie wijzigingen academische ziekenhuizen

Kinderziekenhuizen (locatieniveau)

Locatie namen kinderziekenhuizen

Buitenpoli’s (locatieniveau)

2010

126

 

11

     

83

2011

123

 

11

     

88

2012

121

 

11

     

97

2013

120

 

11

     

106

2014

120

 

11

     

111

2015

115

 

11

     

124

2016

108

 

81

– Erasmus MC Daniel den Hoed2

– Erasmus MC Sophia3

– UMC Utrecht Wilhelmina Kinderziekenhuis3

5

1. Emma Kinderziekenhuis Amsterdam;

2. Erasmus Medisch Centrum Sophia kinderziekenhuis;

3. Willem-Alexander Leiden;

4. Radboud UMC Amalia;

5. UMCU Wilhelmina Kinderziekenhuis

144

2018

105

– Alrijne Ziekenhuis Alphen aan den Rijn4

– Havenziekenhuis Rotterdam

– Albert Schweitzer Ziekenhuis Amstelwijck Dordrecht

8

 

6

+ Princes Maxima Centrum Utrecht

134

2019

101

– MC Emmeloord4

– MC Slotervaart

– HagaZiekenhuis Juliana Den Haag3

– Ommelander locatie Delfzicht4

8

 

7

+ HagaZiekenhuis Juliana Den Haag

129

2021

99

– HagaZiekenhuis Sportlaan Den Haag

– Meander MC Baarn

8

 

7

 

141

2022

98

– Amphia Ziekenhuis Breda Langendijk

8

 

7

 

145

2023

98

 

8

 

7

 

147

Dit overzicht per jaar is tot stand gekomen op basis van handmatige inventarisaties. Er bestaat namelijk geen eenduidige bron waarmee we de jaarlijkse update kunnen verzorgen op de website vzinfo.nl. De handmatige inventarisatie is gebaseerd op de websites van de ziekenhuizen. Buitenpoli’s zijn vaak moeilijk terug te vinden op de websites. Met name als er bijvoorbeeld voor maar 1 of 2 specialismen een spreekuur is. Niet altijd duidelijk of er dan gesproken kan worden over een buitenpolikliniek.

Bron: https://www.vzinfo.nl/ziekenhuiszorg#node-algemene-en-academische-ziekenhuizen

X Noot
1

In de tijd van 11 locaties werden kinderziekenhuizen nog niet apart werden vermeld. Dus naast de 8 UMC’s van nu, zijn in Rotterdam en Utrecht de kinderziekenhuizen bij de academische ziekenhuizen meegeteld. Daarnaast werd Rotterdam Daniel de Hoed (heet nu: Erasmus Medisch Centrum Kanker Instituut) als academisch ziekenhuis meegeteld.

X Noot
2

Locatie is nog open, wordt nu meegeteld als algemeen ziekenhuis onder de naam Erasmus Medisch Centrum Kanker Instituut.

X Noot
3

Locatie is nog open, wordt nu meegeteld als kinderziekenhuis.

X Noot
4

Locatie is nog open, maar buitenpoli geworden.

Vraag 48:

Hoeveel spoedeisende hulpposten (SEH’s) zijn er sinds 2010 in Nederland gesloten en hoeveel zijn afgebouwd tot spoedplein of niet meer 24/7 bereikbaar? Kunt u een overzichtslijst geven van deze SEH’s?

Antwoord:

In onderstaande tabel staat het aantal spoedeisende hulp locaties (SEH’s) in Nederland van 2011 t/m 2023 en staan de namen van gesloten SEH’s. Over 2010 zijn geen cijfers beschikbaar. In de periode vóór 2016 is niet systematisch bijgehouden welke SEH’s gesloten zijn. Evenmin is een overzicht beschikbaar van welke «gesloten» SEH’s zijn omgevormd tot spoedpost. Een kaart met alle actueel geopende SEH’s is te vinden op Acute zorg | Regionaal | SEH | Volksgezondheid en Zorg (vzinfo.nl).

 

Aantal SEHs

24/7-uurs openstelling

Totaal aantal SEH’s (incl. SEH’s die niet 24/7 open zijn)

Naam van gesloten SEH

2011

99

99

 

2013

94

94

 

2014

91

95

 

2015

91

95

 

2016

90

94

Haga ziekenhuis Den Haag locatie Sportlaan

2017

89

94

Franciscus Gasthuis & Vlietland in Schiedam is van 24/7 uurs naar dag-avond openstelling gegaan

2018

86

89

Sluiting van 24/7-uurs SEH (3): HMC Antoniushove Leidschendam, St Antonius Woerden, ZGT Hengelo

Sluiting van dag/avond SEH (2): Albert Schweitzer Zwijndrecht, Havenziekenhuis Rotterdam

Jan. 2019

84

87

Sluiting van 24/7-uurs SEH (2): MC Slotervaart Amsterdam, MC IJsselmeer Lelystad

Maart 2019

83

87

SEH van het ETZ locatie Tweesteden van 24/7-uurs naar dag/avond

Maart 2020

80

83

Sluiting van 24/7-uurs SEH (3): HMC Bronovo, SEH Bethesda Hoogeveen en SEH Refaja Stadskanaal

Sluiting van dag/avond SEH (1): dag/avond SEH van het ETZ locatie TweeSteden is in 2019 samengevoegd met de 24/7 basis-SEH van het ETZ op de locatie Elisabeth.

Maart 2021

80

82

SEH Spaarne Haarlem Noord tijdelijk gesloten

Maart 2022

80

83

SEH Spaarne Haarlem Noord weer open

April 2023

80

83

Geen wijzigingen tov 2022.

Bron: RIVM

Vraag 49:

Hoeveel verloskunde-afdelingen zijn er sinds 2010 in Nederland gesloten en hoeveel zijn niet meer 24/7 bereikbaar? Kunt u een overzichtslijst geven van deze verloskunde-afdelingen?

Antwoord:

In de onderstaande tabel staat het aantal locaties met 24/7 aanbod van acute verloskunde. Het RIVM houdt bij hoeveel locaties er zijn met aanbod van acute verloskunde die voldoen aan een aantal criteria. Eén van die criteria is het 24/7 beschikbaar hebben van het aanbod. Het RIVM houdt niet bij waar er locaties zijn die wel acute verloskunde aanbieden, maar niet 24/7. Waar sprake is van sluiting van het aanbod van acute verloskunde op een bepaalde locatie is veelal sprake van verplaatsing van het aanbod naar een andere locatie van hetzelfde ziekenhuis. Een kaart met alle actueel geopende acute verloskunde locaties is te vinden op Acute zorg | Regionaal | Acute verloskunde | Volksgezondheid en Zorg (vzinfo.nl).

 

Aantal locaties met acute verloskunde1

Naam van gesloten acute verloskunde locaties

20152

84

 

2016

81

Hengelo ZGT, Amsterdam Slotervaart, Roosendaal Bravis

2017

81

Leiden Alrijne ziekenhuis, Sittard-Geleen Zuyderland. Daarnaast waren er twee ziekenhuizen die in de inventarisatie van 2014 niet aan de criteria voor acute verloskunde voldeden en vanaf 2017 wel.

2018

80

Emmen Scheper ziekenhuis, Tilburg ETZ locatie Tweesteden, Woerden St. Antonius ziekenhuis. Het St. Antoniusziekenhuis in Utrecht en het Refaja Ziekenhuis in Stadskanaal bieden op het peilmoment in april 2018 wel acute verloskunde, terwijl ze dat in 2017 niet deden.

Maart 2019

75

Lelystad MC IJsselmeer, Purmerend Dijklander, Nieuwegein St. Antoniusziekenhuis, Hoofddorp Spaarne Gasthuis, Stadskanaal Refaja, Hoogeveen Bethesda. Emmen Scheper ziekenhuis biedt wel weer acute verloskunde aan.

Maart 2020

74

Den Haag HMC Bronovo

Maart 2021

75

Het Ziekenhuis Amstelland in Amstelveen is overgegaan van dag/avond aanbod in 2020 naar 24/7-uurs aanbod in 2021.

Maart 2022

74

Amsterdam AUMC locatie VUMC

April 2023

72

Schiedam Franciscus Vlietland, Zutphen Gelre

X Noot
1

Volgens criteria waaronder 24/7 aanbod.

X Noot
2

Voor de jaren tot 2014 is door RIVM niet expliciet gevraagd naar het aanbod acute verloskunde volgens de criteria. Destijds is gevraagd of de SEH van een ziekenhuis «8 poortspecialismen aanbiedt», acute verloskunde was 1 van die 8 poortspecialismen. Vanaf 2014 is de uitvraag specifieker, met uitvraag naar aanwezigheid en beschikbaarheid van professionals en team. Daarom zijn de cijfers voor 2014 niet helemaal vergelijkbaar met de aantallen na 2014.

Vraag 50:

Hoeveel ziekenhuisafdelingen zijn er sinds 2010 in Nederland in totaal gesloten? Kunt u een overzichtslijst geven van deze ziekenhuisafdelingen?

Antwoord:

Het Ministerie van VWS kan u geen overzicht geven van het aantal ziekenhuisafdelingen die sinds 2010 in Nederland is gesloten.

Vraag 51:

Hoeveel geld wordt er vanaf volgend jaar de komende jaren besteed aan transgenderzorg?

Antwoord:

In het antwoord op deze vraag wordt onderscheid gemaakt tussen de uitgaven uit de begroting van VWS en Zwv-premiegerelateerde uitgaven.

Op de VWS-begroting is voor transgenderzorg voor de komende jaren tussen de € 1,6 miljoen en € 1,8 miljoen opgenomen. Deze middelen zijn grotendeels begroot voor een subsidieregeling die het voor transvrouwen mogelijk maakt om eenmalig een subsidie aan te vragen voor borstprothesen. Daarnaast wordt ingezet op activiteiten rondom coördinatie van de transgenderzorg, voorlichting en ondersteuning.

Ook zijn er de zorgkosten die worden vergoed uit de Zvw-premies. De behandeling van genderincongruentie maakt deels onderdeel uit van het basispakket. In de beantwoording van de vragen en opmerkingen uit het schriftelijk overleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 4 december 2023 inzake de brief rondom twee onderzoeksrapporten op het gebied van de transgenderzorg, (kamerstuk 31 016, nr. 365) staat op pagina 30 toegelicht onder welke voorwaarden er bij genderincongruentie aanspraak gemaakt kan worden gemaakt op behandeling vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw). Het Ministerie van VWS heeft geen overzicht van hoeveel geld zorgverzekeraars hieraan uitgeven.

Vraag 52:

Kunt u een overzicht geven van de gemiddelde zorgkosten per inwoner van zoveel mogelijk Europese Unie (EU)-landen en van het Verenigd Koninkrijk?

Antwoord:

De tabel hieronder geeft een overzicht van de gemiddelde zorgkosten per inwoner in de EU-landen en het Verenigd Koninkrijk voor het jaar 2021 (recentere cijfers zijn niet voor alle landen beschikbaar). Zonder te corrigeren voor koopkracht betalen inwoners van vijf andere EU-landen meer aan zorg dan inwoners in Nederland. Als de zorguitgaven gecorrigeerd worden voor koopkracht dan heeft, op Duitsland en Oostenrijk na, Nederland de hoogste gemiddelde zorguitgaven per inwoner in de EU en het VK.

Onder totale zorguitgaven wordt verstaan alle activiteiten van gezondheidszorg, onafhankelijk of deze binnen of buiten de gezondheidszorg plaatsvinden. Deze uitgaven worden berekend o.b.v. zorgrekeningen, die ook activiteiten omvatten zoals jeugdzorg, welzijnswerk, maatschappelijke dienstverlening en kinderopvang. Daarnaast bevat het ook uitgaven voor en door niet-ingezetenen. De kosten voor de langdurige zorg worden echter beperkt meegenomen omdat de Wmo kosten niet worden meegeteld.

Gemiddelde zorguitgaven per inwoner in Euro’s (2021)
 

Uitgaven per inwoner in Euro’s

Gecorrigeerd voor koopkracht

België

4.790

4.166

Bulgarije

884

1.707

Tsjechië

2.152

2.992

Denemarken

6.223

4.323

Duitsland

5.599

5.156

Estland

1.770

2.116

Ierland

5.689

3.883

Griekeland

1.577

1.873

Spanje

2.734

2.769

Frankrijk

4.542

4.200

Kroatië

1.195

1.786

Italië

2.837

2.791

Cyprus

2.515

2.685

Letland

1.612

2.113

Litouwen

1.568

2.312

Luxemburg

6.402

4.180

Hongarije

1.171

1.865

Malta

3.064

3.429

Nederland

5.511

4.567

Oostenrijk

5.486

4.661

Polen

983

1.732

Portugal

2.308

2.628

Roemenië

817

1.662

Slovenië

2.351

2.668

Slowakije

1.428

1.742

Finland

4.590

3.547

Zweden

5.813

4.198

Verenigd Koninkrijk (2019)

3.839

3.062

Data is gedownload op 14/12/2023 NB: deze data wordt voortdurend geactualiseerd.

Bron: Eurostat 2023

Vraag 53:

Kunt u een overzicht geven van de gemiddelde zorguitgaven (dus inclusief premies, eigen risico, eigen betalingen en uitgaven aan onverzekerde zorg, maar exclusief collectieve financiering zoals de IAB) per inwoner van zoveel mogelijk EU-landen en van het Verenigd Koninkrijk?

Antwoord:

Internationale vergelijkingen drukken de gemiddelde zorguitgaven aan eigen betalingen (dus excl. collectieve financiering) gebruikelijk uit als percentage van de totale zorgkosten. Desalniettemin geven wij ook de gemiddelde zorguitgaven per inwoner weer in de tabel.

De figuur hieronder geeft weer dat in Nederland relatief veel van de totale zorgkosten collectief wordt gedekt door de overheid of middels een verplichte verzekering (85%). Dit is vergelijkbaar met andere EU-landen. De eigen betalingen maken ongeveer 9% uit van de uitgaven aan gezondheidszorg in Nederland. Dit is relatief laag ten opzichte van de andere EU-landen. Het aandeel dat wordt gedekt door vrijwillige regelingen is in Nederland relatief gemiddeld in relatie tot de andere landen. Net als alle andere landen is het aandeel van de vrijwillige regelingen relatief laag ten opzichte van de andere type financieringen. Nederland scoort in de middenmoot wat betreft de gemiddelde zorguitgaven aan eigen betalingen per inwoner uitgedrukt in euro’s, zie de tabel.

(De eigen betalingen zijn inclusief eigen risico, vrijwillig eigen risico en eigen bijdrage Wlz/Wmo. Verplichte en vrijwillige premies voor verzekeringen vallen hier niet onder. Ter verduidelijking, dit is inclusief eigen bijdragen voor bepaalde medicijnen en hulpmiddelen, voor kraamzorg en ziekenvervoer (buiten eigen risico). Fysiotherapie zit deels in de Zvw en daardoor worden deze kosten ook meegenomen. Mondzorg alleen voor kinderen wordt ook meegenomen. Medicijnen vallen buiten het verzekerde pakket.)

Type financiering als percentage van de totale zorgkosten, 2021

Type financiering als percentage van de totale zorgkosten, 2021

Data is gedownload op 14/12/2023. Let op: deze data wordt voortdurend geactualiseerd.

Bron: Eurostat 2023

Gemiddelde zorguitgaven aan eigen betalingen per inwoner in euro’s (2021)
 

Uitgaven aan eigen betalingen per inwoner in euro’s

Gecorrigeerd voor koopkracht

België

855

744

Bulgarije

300

580

Tsjechië

274

381

Denemarken

784

545

Duitsland

674

621

Estland

391

467

Ierland

608

415

Griekeland

526

624

Spanje

574

581

Frankrijk

405

375

Kroatië

112

168

Italië

621

611

Cyprus

250

266

Letland

435

570

Litouwen

473

697

Luxemburg

570

372

Hongarije

288

460

Malta

909

1.017

Nederland

517

428

Oostenrijk

866

735

Polen

195

344

Portugal

669

762

Roemenië

171

348

Slovenië

303

344

Slowakije

277

338

Finland

742

574

Zweden

761

549

Data is gedownload op 14/12/2023. Let op: deze data wordt voortdurend geactualiseerd.

Bron: Eurostat 2023

Vraag 54:

Hoe heeft de nominale premie zich sinds 2006 ontwikkeld als percentage van het modale inkomen?

Antwoord:

Onderstaande tabel geeft inzicht in de ontwikkeling van de nominale premie als percentage van het modale inkomen.

Tabel. Ontwikkeling nominale Zvw-premie als percentage van het modale inkomen, 2006–2024

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

3,5%

3,7%

3,3%

3,3%

3,4%

3,7%

3,8%

3,8%

3,3%

3,7%

3,6%

3,8%

3,8%

4,0%

3,9%

4,0%

3,9%

4,0%

4,0%

Vraag 55:

Wat zijn de kosten van alle publiekscampagnes en voorlichtingscampagnes die het Ministerie van VWS de afgelopen vijf jaar heeft uitgevoerd?

Antwoord:

In de periode 2018 tot en met 2022 bedroegen de uitgaven voor alle publiekscampagnes die door het Ministerie van VWS zijn uitgevoerd € 111,5 miljoen (inclusief BTW). De uitgaven zijn als volgt verdeeld:

  • 2018: € 9,7 miljoen

  • 2019: € 16,2 miljoen

  • 2020: € 31,9 miljoen

  • 2021: € 38,8 miljoen

  • 2022: € 14,8 miljoen

Dit is inclusief de campagne «Alleen samen krijgen wij corona onder controle» en de corona-vaccinatiecampagne van 2020 tot en met 2022. Alhoewel de totale uitgaven van 2023 nog niet bekend zijn, is de verwachting dat deze aanmerkelijk minder bedragen dan voorgaande jaren.

Vraag 56:

Hoeveel wordt er in totaal aan dak- en thuisloosheid besteed in 2023? Kunt u een overzicht geven van de gelden van de afgelopen vijftien jaar voor deze doelgroep?

Antwoord:

Hieronder staat een tabel met de hoogte van de decentralisatie-uitkering maatschappelijke opvang vanaf 2010. In 2020 en 2021 is incidenteel € 200 miljoen beschikbaar gesteld voor de aanpak «Een (t)huis, een toekomst», waarvan het grootste deel verstrekt is aan gemeenten via de decentralisatie uitkering aanpak dakloosheid. In 2022 zijn door het huidige demissionaire Kabinet structurele regeerakkoordmiddelen beschikbaar gesteld voor de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid, dit bedraagt € 65 miljoen. Hiervan is ook het grootste deel beschikbaar gemaakt voor centrumgemeenten via de decentralisatie uitkering aanpak dakloosheid. De overige middelen van zowel de € 200 als de € 65 miljoen zijn ingezet voor landelijke subsidies en opdrachten in het kader van dakloosheid. De decentralisatie uitkering is onderdeel van het gemeentefonds en daarvoor geldt beleids- en bestedingsvrijheid. Hieronder worden dus de beschikbaar gestelde middelen vanuit het Rijk weergegeven en betreffen expliciet niet de uitgaven van gemeenten aan dak- en thuisloosheid.

Jaar

Decentralisatie-uitkering maatschappelijke opvang

(afgerond op mln. euro’s)1

Extra gelden aanpak dakloosheid (Decentralisatie-uitkering aanpak dakloosheid)

2010

€ 308 mln.

 

2011

€ 307 mln.

 

2012

€ 299 mln.

 

2013

€ 301 mln.

 

2014

€ 299 mln.

 

2015

€ 385 mln.

 

2016

€ 385 mln.

 

2017

€ 385 mln.

 

2018

€ 385 mln.

 

2019

€ 385 mln.

 

2020

€ 385 mln.

€ 73 mln.

2021

€ 385 mln.

€ 123 mln.

2022

€ 385 mln.

€ 62 mln.

2023

€ 385 mln.

€ 62 mln.

X Noot
1

Decentralisatie-uitkeringen genereren ook accres, een indexatie voor loon-, prijs- en volumeontwikkelingen. De indexatie wordt toegevoegd aan de algemene uitkering en is daarom niet apart inzichtelijk. De bovenstaande bedragen zijn dus exclusief indexatie weergegeven.

Vraag 57:

Welke potentiële kopers heeft u op het oog voor Intravacc en hoeveel moet het opleveren?

Antwoord:

Het Ministerie van VWS heeft uw Kamer op 28 december 2023 (Kamerstukken II, 34 951, nr. 15) geïnformeerd over het voorgenomen besluit over de verkoop van de aandelen Intravacc B.V aan het Nederlandse bedrijf FDI Biosciences B.V. Met FDI Biosciences B.V. is overeengekomen de aandelen te verkopen en over te dragen als aan de resterende voorwaarden die zijn gesteld, is voldaan. Bij de overdracht van de aandelen zal het Ministerie van VWS uw Kamer nader informeren.

Vraag 58:

Hoe groot waren de totale onderuitputtingen op de VWS-begroting jaarlijks sinds 2020?

Antwoord:

In onderstaande tabel is de onderuitputting op de VWS-begroting, uitgavenplafond Rijksbegroting (exclusief uitgaven aan Covid-19 en Oekraïne) gepresenteerd zoals vermeld in de Financieel Jaarverslagen Rijk.

 

Jaarverslag (2e suppletoire wet + slotwet)

2020

€ 273 miljoen

2021

€ 46 miljoen

2022

€ 365 miljoen

20231

€ 225 miljoen

X Noot
1

2023 is alleen de 2e suppletoire wet.

Vraag 59:

Wat is de ontwikkeling van de zorgkosten in relatie tot de ontwikkeling van het bbp in de jaren 2010–2023 volgens de Zorgrekeningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)? Wat is de prognose voor de jaren 2024–2028? Kunt u dit in een tabel weergeven?

Antwoord:

Op basis van de CBS-zorgrekeningencijfers zijn er twee definities van zorguitgaven die regelmatig worden gebruikt:

  • 1. De zorguitgaven aan geneeskundige en langdurige zorg. Tot deze uitgaven worden ook de zorgkosten gerekend die betaald worden via de aanvullende verzekeringen en eigen betalingen evenals de uitgaven aan beleids- en beheerorganisaties.

  • 2. De uitgaven aan zorg en welzijn, ook wel de brede definitie van zorg genoemd. Dit zijn uitgaven aan geneeskundige en langdurige zorg aangevuld met de uitgaven aan kinderopvang, delen van de jeugdzorg, maatschappelijke opvang (waaronder asielopvang), sociaal werk en welzijnsuitgaven.

 

Geneeskundig en langdurige zorg

Zorg en welzijn (brede definitie van zorg)

jaar

uitgaven

x € mln.

uitgaven als % BBP

uitgaven

x € mln.

uitgaven als % BBP

2010

77.085

12,0%

85.790

13,4%

2011

79.455

12,3%

88.125

13,6%

2012

82.070

12,6%

90.622

13,9%

2013

82.793

12,6%

90.954

13,8%

2014

84.061

12,5%

91.927

13,7%

2015

84.047

12,2%

92.323

13,4%

2016

85.923

12,1%

94.842

13,4%

2017

87.826

11,9%

96.972

13,1%

2018

91.339

11,8%

101.031

13,1%

2019

97.044

11,9%

107.429

13,2%

2020

105.235

13,2%

116.381

14,6%

2021

112.688

12,9%

124.691

14,3%

2022

112.560

11,8%

126.197

13,2%

Omdat de hoogte van toekomstige zorguitgaven afhangt van de demografie, de impact van technologische en maatschappelijke ontwikkelingen, de economische groei en de impact van toekomstig beleid, is deze moeilijk te voorspellen. Ten behoeve van het WRR-rapport «Kiezen voor houdbare zorg» hebben het CPB en het RIVM onder allerlei aannames, toekomstprojecties opgesteld voor zorguitgaven waarin toekomstig beleid nadrukkelijk niet is meegenomen. In de twee onderscheiden scenario’s komen zij uit op een zorgquote, de zorguitgaven als percentage van het BBP, van 15,7% resp. 16,8% in 2030, uitgaande van de brede CBS-definitie.

Vraag 60:

Wat is de ontwikkeling van de zorgkosten in relatie tot de ontwikkeling van het bbp in de jaren 2010–2023 volgens de RIVM-definitie van zorgkosten? Wat is de prognose voor de jaren 2024–2028? Kunt u dit in een tabel weergeven?

Antwoord:

In aanvulling op het antwoord op vraag 59 wordt hier onder de RIVM-definitie verstaan de uitgaven voor gezondheidszorg volgens de internationale definitie die is gebaseerd op de «system of health accounts (SHA)».

Gezondheidszorg volgens de internationale definitie

jaar

uitgaven x € mln.

uitgaven als % BBP

2010

64.910

10,2%

2011

66.555

10,2%

2012

68.816

10,5%

2013

69.901

10,6%

2014

70.964

10,6%

2015

71.236

10,3%

2016

72.918

10,3%

2017

74.614

10,1%

2018

77.553

10,0%

2019

82.447

10,1%

2020

89.285

11,2%

2021

96.619

11,1%

2022

96.028

10,0%

Op basis van deze definitie is er geen prognose bekend over de verwachte zorgkosten in relatie tot de ontwikkeling van het bbp.

Vraag 61:

Wat is de ontwikkeling van het Uitgavenplafond Zorg in relatie tot de ontwikkeling van het bbp in de jaren 2010–2023? Wat is de prognose voor de jaren 2024–2028? Kunt u dit in een tabel weergeven?

Antwoord:

In onderstaande tabel staan de netto zorguitgaven onder het Uitgavenplafond Zorg (UPZ) in relatie tot de ontwikkeling van het bruto binnenlands product (BBP) in de jaren 2010–2023 en de prognose voor de jaren 2024–2028.

Bij de beoordeling van deze cijfers is van belang dat de groei van de zorguitgaven wordt beïnvloed door wijzigingen in de definitie van de zorguitgaven onder het UPZ (zoals de overheveling van grote delen van de Wmo en de jeugdzorg uit het UPZ in 2019) en door statistische vertekeningen, zoals in 2021 de statistische verlaging van de uitgaven vanwege de nieuwe bekostigingssystematiek in de ggz.

Ontwikkeling netto zorguitgaven in relatie tot ontwikkeling BBP 2010–2028 (bedragen x € 1 miljard)
 

Basisjaar 2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

20171

Netto zorguitgaven UPZ (€)

59

61

64

64

64

64

66

63

Groei van de netto zorguitgaven (€)

 

2

3

0

0

– 1

2

– 3

Groei van de netto zorguitgaven (%)

 

3%

5%

0%

0%

– 1%

3%

– 5%

BBP (€)

639

650

653

661

672

690

708

738

Groei BBP (€)

 

11

3

8

11

18

18

30

Groei BBP (%)

 

2%

0%

1%

2%

3%

3%

4%

                 

Netto zorguitgaven UPZ / BBP (%)

9%

9%

10%

10%

10%

9%

9%

8%

X Noot
1

Dit betreft de netto zorguitgaven exclusief de rijksbijdrage Wmo (met uitzondering van beschermd wonen) en jeugd in 2017 en 2018. Omdat deze vanaf 2019 geen onderdeel meer uitmaken van de netto zorguitgaven is deze correctie nodig om vergelijkbare cijfers te presenteren.

20181

2019

2020

20212

2022

20233

2024

2025

2026

2027

2028

66

70

74

76

82

88

98

103

109

115

121

3

4

4

2

5

6

10

5

6

6

6

5%

6%

6%

3%

7%

8%

11%

5%

6%

3%

3%

774

813

797

871

959

1.028

1.078

1.116

1.162

1.207

1250

36

39

– 16

74

88

69

50

38

46

45

43

5%

5%

– 2%

9%

10%

7%

5%

4%

4%

4%

4%

                     

8%

9%

9%

9%

9%

9%

10%

10%

10%

10%

10%

Bron: VWS- en CPB-cijfers

X Noot
1

Dit betreft de netto zorguitgaven exclusief de rijksbijdrage Wmo (met uitzondering van beschermd wonen) en jeugd in 2017 en 2018. Omdat deze vanaf 2019 geen onderdeel meer uitmaken van de netto zorguitgaven is deze correctie nodig om vergelijkbare cijfers te presenteren.

X Noot
2

De zorguitgaven zijn in 2021 gecorrigeerd als gevolg van de technische correctieboeking van de schadelastdip ggz van – € 1,2 miljard. Per 1 januari 2022 wordt een nieuw bekostigingsmodel voor de ggz ingevoerd. In dit nieuwe model wordt voor de bekostiging niet meer gewerkt met DBC’s en komt er een aparte bekostiging voor de basis-ggz. De DBC’s die worden geopend in 2021 worden derhalve uiterlijk 31-12-2021 afgesloten; dit geldt ook voor de huidige bekostiging van de basis-ggz. Hierdoor is er in 2021 om technisch-administratieve redenen sprake van eenmalig lagere zorguitgaven in termen van schadelast. Deze technische aanpassing heeft geen gevolgen voor de hoeveelheid ggz die feitelijk kan worden geleverd of op de omzetten van zorgaanbieders. Er is geen sprake van een bezuiniging. Deze technische bijstelling heeft dan ook geen gevolgen voor het EMU-saldo en geen invloed op de premiehoogte.

X Noot
3

Voor het jaar 2023 is in dit antwoord gerekend met het cijfer gemeld in de 2e suppletoire wet en niet met het cijfer uit de ontwerpbegroting 2024, omdat de 2e suppletoire wet nieuwere informatie over 2023 bevat. Er is geen rekening gehouden met de bijstelling van de MSZ-cijfers 2023 die is gemeld in de antwoorden op de vragen over de 2e suppletoire wet, omdat deze bijstelling budgettair verwerkt zal worden in het aankomende VWS jaarverslag.

Vraag 62:

Hoe verhoudt de ontwikkeling van de zorgkosten tussen 2010 en 2023 zich tot de voorspellingen die eerder waren gedaan over de stijging van de zorgkosten in die periode?

Antwoord:

De ontwikkeling van de zorgkosten tussen 2010 en 2023 te opzichte van de voorspellingen blijkt uit de over- en onderschrijding van het Uitgavenplafond Zorg (UPZ). In onderstaande tabel zijn de over- en onderschrijdingen opgenomen over deze periode. De over- en onderschrijdingen zijn de optelsom van de over- en onderschrijdingen van de voorjaarsnota, ontwerpbegroting, najaarsnota en het jaarverslag.

Het Uitgavenplafond Zorg (UPZ) wordt aan het begin van een nieuw kabinet voor de kabinetsperiode vastgesteld. Het Uitgavenplafond Zorg wordt alleen conform de begrotingsregels bijgesteld voor loon- en prijsontwikkelingen en overboekingen tussen de Uitgavenplafonds Zorg, Rijksbegroting en Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt (SZA). Het UPZ is gebaseerd op een zo goed mogelijke raming van de zorguitgaven van zorgkantoren en zorgverzekeraars. Hiervoor wordt o.a. gebruik gemaakt van de onafhankelijke (zorg)ramingen van het CPB, net zoals bij andere sectoren van de Rijksoverheid. In de CPB-raming worden de onderschrijdingen van de afgelopen jaren meegenomen.

Gedurende de kabinetsjaren kunnen er echter ontwikkelingen bij de zorguitgaven van zorgverzekeraars en zorgkantoren zijn, waardoor de daadwerkelijke zorguitgaven afwijken van de raming. Dit gebeurt in de voorjaarsnota, ontwerpbegroting, najaarsnota en jaarverslag. Dit is hetzelfde proces als de uitgaven bij andere sectoren binnen de Rijksoverheid. Hierdoor kunnen onder- of overschrijdingen van het Uitgavenplafond Zorg ontstaan.

Bij het volgende kabinet zal op basis van de meest actuele inzichten weer een nieuw Uitgavenplafond Zorg worden vastgesteld.

Over- en onderschrijdingen Uitgavenplafond Zorg 2010–2023 (Bedragen x € 1 miljard)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

20231

Over- en onderschrijding2

2

2

1

– 1

– 2

– 1

– 2

– 3

– 2

– 1

– 1

0

– 1

– 2

Bron: voor 2014 t/m 2022 de VWS-jaarverslagen, voor 2023 de 2e suppletoire begroting.

X Noot
1

Voor het jaar 2023 is in dit antwoord gerekend met het cijfer gemeld in de 2e suppletoire wet en niet met het cijfer uit de ontwerpbegroting 2024, omdat de 2e suppletoire wet nieuwere informatie over 2023 bevat. Er is geen rekening gehouden met de bijstelling van de cijfers 2023 die is gemeld in de antwoorden op de vragen over de 2e suppletoire wet, omdat deze bijstelling budgettair verwerkt zal worden in het aankomende VWS jaarverslag.

X Noot
2

Dit betreft het totaalbedrag aan over- en onderschrijdingen van het Uitgavenplafond Zorg van de Voorjaarsnota, Ontwerpbegroting, Najaarsnota en het Jaarverslag bij elkaar opgeteld.

Vraag 63:

Hoe groot is het huidige tekort aan intensive care (ic)-verpleegkundigen? Wat is de verwachting voor de jaren 2024–2028?

Antwoord:

Het aantal vacatures voor ic-verpleegkundigen was 274 fte per 31-12-2022. De vacaturegraad in 2023 is daarmee 7,4% (verhouding tussen aantal fte vacatures en aantal fte werkzaam). Daarmee is de vacaturegraad gedaald ten opzichte van 2022. Zie tabel A hieronder.

Tabel A: Vacaturegraad ic-verpleegkundigen
 

2019

2020

2021

2022

2023

IC-verpleegkundige

8,3%

8,5%

7,2%%

9%

7,4%

Bij het realiseren van de instroomaantallen voor de IC opleiding (en de instromers hun opleiding succesvol afronden) sluiten vraag en aanbod in 2029 op elkaar aan. De laatste jaren zijn de instroomaantallen echter niet gehaald, zie ook tabel B hieronder. Sinds 2014 is er sprake van een stijgende instroom, met de hoogste instroom in het jaar 2021. In 2022 is er sprake van een daling. Wanneer de instroom op het huidige niveau blijft en er geen extra maatregelen worden genomen, is de prognose dat het tekort in 2028 571 fte bedraagt.

Tabel B: Instroom in opleiding IC-verpleegkundige

Opleiding / instroom

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Advies Capaciteitsorgaan 2022 instroom per jaar

IC-verpleegkundige

225

439

405

432

429

448

532

459

791

Extra maatregelen die worden genomen zijn onder andere:

  • 1. Om ziekenhuisopleidingen te vernieuwen en te flexibiliseren is in 2018 gestart is met CZO Flex. VWS heeft dit project gesubsidieerd.

  • 2. Verpleegkundige vervolgopleidingen kunnen sinds 2023 modulair worden aangeboden.

  • 3. In 2020 is vervroegd gestart met de modulaire Basis Acute Zorg (BAZ-) opleiding, omdat het acute cluster (bestaande uit o.a. IC, SEH, ambulance) kampte met grote personeelstekorten als gevolg van de toegenomen zorgvraag door de coronapandemie. Verpleegkundigen met een BAZ-diploma kunnen relatief eenvoudig doorstromen of overstappen naar een specialisatie in het acute cluster, waaronder ic-verpleegkundige.

Vraag 64:

Wat is het huidige tekort aan intensivisten? Wat is de verwachting voor de jaren 2024–2028?

Antwoord:

Het beroep van intensivist is geen geneeskundig specialisme zoals erkend door het College Geneeskundig Specialismen. De Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten (RGS) die verantwoordelijk is voor de (her)registratie van geneeskundig specialisten houdt hiervan dan ook geen register bij.

Vraag 65:

Tot hoeveel operationele bedden kan de ic op dit moment worden opgeschaald in geval van een pandemie, ramp of terreuraanslag? Wat is de verwachting voor de jaren 2024–2028?

Antwoord:

In geval van een acuut oplopende zorgvraag gelden de afspraken uit het LNAZ coördinatie- en opschalingsplan7. Het Ministerie van VWS heeft uw Kamer in oktober 20238 geïnformeerd over de stappen die samen met het zorgveld worden gezet om de flexibele inzetbaarheid van IC-capaciteit ook in de toekomst te kunnen blijven garanderen.

Het is van belang dat wanneer we in de komende periode te maken krijgen met een grotere zorgvraag, een opschaling tot 1150 IC-bedden gegarandeerd kan worden. Hiertoe zet het Ministerie van VWS in op de mogelijkheden van een tijdelijke subsidieregeling ten behoeve van de instandhouding van een fysieke infrastructuur tot 1700 IC-bedden. Randvoorwaardelijk voor deze subsidieregeling is dat deze uitvoerbaar, rechtmatig en doelmatig binnen de financiële mogelijkheden kan worden vormgegeven.

Vraag 66:

Hoe groot is het huidige tekort aan ambulancepersoneel? Wat is de verwachting voor de jaren 2024–2028?

Antwoord:

Het aantal vacatures van ambulanceverpleegkundigen was 111 fte per 31-12-2022. De vacaturegraad in 2023 was daarmee 5,2% (verhouding tussen aantallen fte vacatures en aantal fte werkzaam). Begin 2020 was de vacaturegraad 7,4% en in 2022 was deze 4,7%. De vacaturegraad is dus na twee jaar daling weer iets gestegen. Zie ook tabel A hieronder. Wanneer de instroomaantallen voor de opleiding gehaald worden (en de instromers hun opleiding succesvol afronden), is de verwachting dat er in 2029 evenwicht is tussen vraag en aanbod. De laatste jaren worden die instroomaantallen echter niet gehaald, zie ook tabel B hieronder. Wanneer de instroom op het huidige niveau blijft, is de schatting dat het tekort in 2028 is opgelopen tot 174 fte.

In dit kader is het ook goed om te weten dat er, om ziekenhuisopleidingen te vernieuwen en te flexibiliseren, in 2018 gestart is met CZO Flex Level. VWS subsidieert het project. De verpleegkundige vervolgopleidingen worden geflexibiliseerd door ze op te bouwen uit modules. In 2020 is vervroegd gestart met de Basis Acute Zorg (BAZ-)opleiding, omdat het acute cluster (IC, SEH, Ambulance en Cardiac care) kampte met grote personeelstekorten als gevolg van de toegenomen zorgvraag door de coronapandemie. Verpleegkundigen met een BAZ-diploma kunnen relatief eenvoudig doorstromen of overstappen naar een specialisatie in het acute cluster, waaronder ambulanceverpleegkundige.

Tabel A: Vacaturegraad ambulanceverpleegkundigen
 

2020

2021

2022

2023

Ambulanceverpleegkundige

7,4%

6,4%

4,7%

5,2%

Tabel B: Instroom in opleiding ambulanceverpleegkundige

Opleiding / instroom

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Advies Capaciteitsorgaan 2022 instroom per jaar

Ambulance-verpleegkundigen

120

142

169

179

172

186

190

179

224

Vraag 67:

Wat is het huidige tekort aan personeel op de spoedeisende hulpposten? Wat is de verwachting voor de jaren 2024–2028?

Antwoord:

Het aantal vacatures van SEH-verpleegkundigen was 137 fte per 31-12-2022. De vacaturegraad was daarmee 6,1%. In 2020 was de vacaturegraad 6,9% en deze is daarmee licht gedaald. Zie ook tabel A hieronder. De laatste jaren waren de instroomaantallen in de opleiding hoger dan het advies van het Capaciteitsorgaan, zie ook tabel B hieronder. Wanneer de instroom op het huidige niveau blijft (en de instromers hun opleiding succesvol afronden), is de schatting dat het tekort in 2029 is weggewerkt.

Wat betreft de artsen spoedeisende geneeskunde (SEH-artsen) geldt dat er op 1 januari 2022 een tekort was van 69 fte. Doordat de komende jaren aios vanuit de opleiding het werkveld betreden, loopt dit tekort terug tot 48 fte in 2028. In tabel C is het aantal openstaande vacatures van de SEH-artsen opgenomen. Hieruit blijkt dat het aantal openstaande vacatures na een piek in het derde kwartaal van 2022, weer een dalende lijn laat zien. Het advies van het Capaciteitsorgaan is gericht op een evenwicht in zorgvraag en aanbod in 2040. Om daar te komen wordt een jaarlijkse instroom van 42 SEH-artsen geadviseerd. Dit advies is door het kabinet overgenomen.

Tabel A: Vacaturegraad SEH-verpleegkundigen
 

2018

2020

2022

SEH-verpleegkundige

5,6%

7,5%

6,1%

Tabel B: Instroom in opleiding SEH-verpleegkundige

Opleiding / instroom

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Advies Capaciteitsorgaan 2022 instroom per jaar

SEH-verpleegkundige

204

243

343

399

382

368

321

434

351

Tabel C: Vacatures SEH-artsen
 

2022-Q1

2022-Q2

2022-Q3

2022-Q4

2023-Q1

SEH-Arts

152

184

194

168

131

Vraag 68:

Hoe groot is het huidige tekort aan tandartsen? Wat is de verwachting voor de jaren 2024–2028?

Antwoord:

Uit deelrapport 3b van het Capaciteitsplan 2024–2027 van het Capaciteitsorgaan volgt dat er in bepaalde regio’s in Nederland een tekort aan tandartsen is. Op basis van microdata van CBS is een beeld te schetsen van de regionale spreiding, uiteenlopend van 95 tandartsen per 100.000 inwoners in Noord Holland tot 39 en 34 per 100.000 inwoners in respectievelijk Zeeland en Flevoland. Los van de regionale tekorten aan tandartsen tekent zich in de breedte van de mondzorg een toenemende krapte op de arbeidsmarkt af.

De vraag naar tandheelkunde zal naar verwachting stijgen vanwege epidemiologische, sociaal-culturele en vakinhoudelijke ontwikkelingen. Dit betreft onder andere toename van de tandheelkundige vraag onder jongeren en ouderen en toename van de behandelopties door digitalisering.

Vraag 69:

Hoe groot is het huidige personeelstekort in de zorg? Hoe heeft dit tekort zich sinds 2010 ontwikkeld? Wat is de verwachting voor de jaren 2024–2028?

Antwoord:

Er zijn geen cijfers beschikbaar over de actuele tekorten in de zorg. Wel zijn er cijfers beschikbaar op basis van de laatste prognose van najaar 2023. De tekorten op de arbeidsmarkt worden niet van jaar op jaar gemeten. Een indicatie over de tekorten in het verleden is te vinden in de vacaturegraad. Zie hiervoor het antwoord op vraag 262.

In onderstaande tabel is weergegeven wat de verwachte tekorten in 2024–2028 zijn bij ongewijzigd beleid. Het gaat hier om tekorten aan werknemers die werken bij een organisatie in de sector Zorg en Welzijn.

Verwachte tekorten 2024–2028
 

Aantallen

2024

50.200

2025

54.900

2026

64.500

2027

79.200

2028

94.900

Bron: ABF Research, Prognosemodel Zorg en Welzijn.

Vraag 70:

Hoe groot is de solvabiliteitsreserve van de zorgverzekeraars op dit moment? Hoe hebben de reserves van de zorgverzekeraars zich de afgelopen tien jaar ontwikkeld?

Antwoord:

Voor 2022 (het jaar waarvoor de meest recente cijfers beschikbaar zijn) vindt u hieronder de aanwezige en vereiste solvabiliteit basisverzekering en de solvabiliteitsratio’s voor de jaren 2014 t/m 2022. Gegevens over de solvabiliteit zijn niet beschikbaar voor oudere jaren aangezien Solvency II pas per 1 januari 2016 van kracht is. Sinds 2014 presenteren zorgverzekeraars zelf wel al cijfers op basis van Solvency II voor de basisverzekering op hun website. De aanwezige reserves basisverzekering van zorgverzekeraars tezamen bedragen ultimo 2022 bijna € 10,2 miljard. Hiervan is bijna € 7,4 miljard wettelijk vereist. De solvabiliteitsratio bedraagt in 2022 gemiddeld 138%.

Solvabiliteit basisverzekering 2014–2022, Solvency II (bedragen voor 2022 x € 1 mln.)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Aanwezige solvabiliteit 2022

Vereiste solvabiliteit 2022

ASR

151%

146%

144%

138%

140%

144%

140%

138%

124%

210

169

CZ

163%

169%

173%

149%

157%

154%

160%

160%

145%

2.440

1.683

DSW1

154%

157%

141%

147%

134%

130%

144%

145%

128%

407

318

Salland

114%

108%

160%

159%

166%

155%

144%

146%

131%

80

61

Menzis

129%

124%

123%

129%

138%

145%

142%

132%

128%

1.174

915

ONVZ

157%

166%

142%

121%

132%

124%

155%

142%

128%

200

157

VGZ

137%

155%

149%

141%

142%

143%

136%

136%

129%

2.337

1.814

Z&Z

172%

188%

157%

151%

165%

168%

171%

158%

151%

337

223

ZK

162%

174%

167%

137%

141%

146%

149%

138%

147%

2.988

2.035

Macro

151%

160%

155%

140%

145%

146%

148%

142%

138%

10.172

7.375

Bron: transparantieoverzichten van de jaarcijfers basisverzekering, zoals door individuele zorgverzekeraars gepresenteerd op de website. Zilveren Kruis betreft een optelling door VWS van de solvabiliteitcijfers van de risicodragers van Zilveren Kruis. VGZ betreft een inschatting op basis van de solvabiliteit basis- plus aanvullende verzekering van VGZ, naar rato van de schade basis- en aanvullende verzekering VGZ.

X Noot
1

Inclusief Stad Holland.

Vraag 71:

Hoeveel geld zou het kosten om anticonceptie voor iedereen in Nederland vanuit de basisverzekering te vergoeden?

Antwoord:

De totale kosten van het vergoeden van anticonceptie vanuit de basisverzekering wordt geschat op € 60 miljoen per jaar (prijspeil: 2020).

Uit cijfers van de Stichting Farmaceutische kengetallen blijkt dat in 2020 1,08 miljoen vrouwen vanaf 21 jaar op eigen kosten hormonale systemische anticonceptiva gebruikten: de anticonceptiepil, de prikpil, het implantatiestaafje, of de anticonceptiepleister. Opgeteld kost dit € 33,6 miljoen. Daarnaast blijkt uit deze cijfers dat in 2020 90.000 vrouwen vanaf 21 jaar op eigen kosten hormoonspiralen gebruikten en 27.000 vrouwen anticonceptieringen. Deze kosten zijn € 14,9 miljoen. Totale kosten van de koperspiraal voor vrouwen vanaf 21 jaar bedragen € 4,4 miljoen.

Het totaal van de middelen bedroeg in 2020 dus € 52,9 miljoen Als we de vraag door deze maatregel 10% laten toenemen voor prijs- en volumegroei, komen de totale kosten op € 58 miljoen; inclusief de toenemende plaatsingskosten van spiraaltjes op € 60 miljoen.

Daarbij merken we op dat deze berekening exclusief eigen risico is, en het bedrag lager uit kan vallen indien eigen risico wel van toepassing is.

Vraag 72:

Kunt u per zorgwet een leesbaar overzicht maken met daarin de genomen bezuinigingsmaatregelen, over een periode van 2010 tot en met 2023?

Antwoord:

Voor de intensiveringen en maatregelen onder het Uitgavenplafond Zorg vanaf de start van het Kabinet Rutte I tot en met de ontwerpbegroting 2018, verwijst het Ministerie van VWS u naar de antwoorden op de Kamervragen 16 t/m 19 bij de ontwerpbegroting 2018 (TK 34 775 XVI nr.14).

Alle genoemde maatregelen, ramingsbijstellingen en intensiveringen vanaf de Starnota Kabinet Rutte I tot en met de ontwerpbegroting 2018 zijn via de VWS-begrotingen aan uw Kamer gepresenteerd. Voor de volledigheid vindt u hieronder een overzicht van de betreffende Kamerstukken van de VWS-begrotingen en bijbehorende paginanummers.

Startnota

(Kamerstuk 32 500 XVI, nr. 29)

OW 2012

(Kamerstuk 33 000 XVI, nr. 2), pagina 178 en 179

OW 2013

(Kamerstuk 33 400 XVI, nr. 2), pagina 152, 161, 165 en 166

OW 2014

(Kamerstuk 33 750 XVI, nr. 2), pagina 171, 183, 188 en 190

OW 2015

(Kamerstuk 34 000 XVI, nr. 2), pagina 156, 157, 167, 168, 173 en 176

OW 2016

(Kamerstuk 34 300 XVI, nr. 2), pagina 146, 153, 156 en 159

OW 2017

(Kamerstuk 34 500, XVI, nr. 2), pagina 151, 154, 163 en 168

OW 2018

(Kamerstuk 34 775, XVI, nr. 2), pagina 168, 169, 177, 178, 179 en 187

De maatregelen voor de jaren 2010 en 2011 zijn opgenomen in onderstaande tabel 1. In tabel 2 zijn de maatregelen vanaf de Startnota Kabinet Rutte III tot en met de ontwerpbegroting 2023 opgenomen (in de begroting 2024 zijn geen nieuwe maatregelen verwerkt in 2023). De toelichtingen bij deze mutaties kunt u vinden in desbetreffende VWS-begrotingen.

Tabel 1

OW 2010

(Kamerstuk 32 500 XVI, nr. 2), pagina 181 t/m 188

OW 2011

(Kamerstuk 32 123 XVI, nr. 2), pagina 177 t/m 181

Tabel 2

Startnota

(TK 34 775 XVI, nr. 15 NOTA VAN WIJZIGING)

OW 2019

(TK 35 000 XVI, nr. 2), pagina 198, 208 en 209.

OW 2020

(TK 35 300 XVI, nr. 2), pagina 192, 199 en 200.

OW 2021

(TK 35 570 XVI, nr. 2), pagina 170, 171.

OW 2022

(TK 35 935 XVI, nr. 2), Pagina 162 t/m 166, 171 t/m 175.

OW 2023

(TK 36 200 XVI, nr. 2), Pagina 175 t/m 181, 187 t/m 192.

Tabel 1 omvangrijkste maatregelen ontwerpbegroting 2010 en 2011 (Bedragen x € 1 miljoen)
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Toelichting

Zvw

               

Preferentiebeleid en verlopen patenten

– 370

– 495

– 545

– 545

– 545

– 545

 

OW 2010 pagina 178

Wijziging voorcalculatie

– 67

– 53

– 56

– 58

– 60

– 60

 

OW 2010 pagina 178

Maatregelen medisch specialisten

 

– 375

– 375

– 375

– 375

– 375

 

OW 2010 pagina 178

Tariefmaatregel ggz

 

– 119

– 119

– 119

– 119

– 119

 

OW 2010 pagina 178

Wet geneesmiddelenprijzen

– 13

– 73

– 80

– 80

– 80

– 80

 

OW 2010 pagina 178

Doelmatig voorschrijven

 

– 127

– 110

– 110

– 110

– 110

 

OW 2010 pagina 179

Aanpassing inschrijftarief

 

– 60

– 60

– 60

– 60

– 60

 

OW 2010 pagina 179

Beloning doelmatig voorschrijven

   

120

60

60

60

 

OW 2010 pagina 179

Zelfverwijzers

 

– 48

– 117

– 117

– 117

– 117

 

OW 2010 pagina 179

Tariefmaatregel alle vrije beroepsbeoefenaren

 

– 58

– 94

– 94

– 94

– 94

 

OW 2010 pagina 179

Pakketuit- /opname

 

– 3

– 3

– 3

– 3

– 3

 

OW 2010 pagina 179

Aanpak topinkomens

   

– 27

– 27

– 27

– 27

 

OW 2010 pagina 179

Maatregel medisch specialisten

 

– 137

– 137

– 137

– 137

– 137

– 137

OW 2010 pagina 180

Aanvullende tariefsmaatregel medisch specialisten

   

– 136

– 136

– 136

– 136

– 136

OW 2011 pagina 183

Intertemporele compensatie korting medisch specialisten

 

33

– 33

       

OW 2011 pagina 183

ZBC's onder Wmg instrument

   

0

– 197

– 197

– 197

– 197

OW 2011 pagina 183

Korting ziekenhuizen

   

– 549

– 549

– 549

– 549

– 549

OW 2011 pagina 183

Onder verantwoordelijkheid van de ziekenhuissector brengen van bepaalde dure geneesmiddelen

   

– 50

– 50

– 50

– 50

– 50

OW 2011 pagina 183

Efficiencymaatregel ambulances

   

– 13

– 25

– 39

– 39

– 39

OW 2011 pagina 183

Farmaceutische hulp

 

– 158

– 105

– 105

– 105

– 105

– 105

OW 2011 pagina 183

Uitbreiding inkoopbeleid zorgverzekeraars ten aanzien van geneesmiddelen

   

– 30

– 30

– 30

– 30

– 30

OW 2011 pagina 183

Functionele bekostiging eerstelijnsdiagnostiek

   

– 60

– 60

– 60

– 60

– 60

OW 2011 pagina 184

Zorgstandaarden

   

– 40

– 75

– 75

– 75

– 75

OW 2011 pagina 184

Stepped care

   

– 30

– 60

– 60

– 60

– 60

OW 2011 pagina 184

Veiligheidsprogramma's

   

– 15

– 15

– 15

– 15

– 15

OW 2011 pagina 184

Beweegkuur opnemen in pakket

   

– 9

39

0

– 11

– 21

OW 2011 pagina 185

Verhoging eigen bijdrage fysiotherapie

   

– 30

– 30

– 30

– 30

– 30

OW 2011 pagina 185

Pakketmaatregel tandheelkunde 18–21 jaar

   

– 100

– 100

– 100

– 100

– 100

OW 2011 pagina 185

Pakketmaatregel anticonceptie > 21 jaar

   

– 32

– 32

– 32

– 32

– 32

OW 2011 pagina 185

Pakketmaatregel extracties door tandheelkundige specialisten

   

– 5

– 5

– 5

– 5

– 5

OW 2011 pagina 185

Pakketmaatregel beperkte vergoeding antidepressiva

   

– 20

– 20

– 20

– 20

– 20

OW 2011 pagina 185

Pakketmaatregel mobiliteitshulpen

   

– 21

– 21

– 21

– 21

– 21

OW 2011 pagina 185

Invoering eigen bijdrage tweedelijns ggz

   

– 110

– 110

– 110

– 110

– 110

OW 2011 pagina 185

                 

AWBZ en Wmo gemeentefonds

               

Ramingsbijstelling PGB

– 50

– 60

– 60

– 60

– 60

– 60

 

OW 2010 pagina 180

Vermogensinkomensbijtelling

– 40

– 70

– 70

– 70

– 70

– 70

 

OW 2010 pagina 180

Invulling best practices

 

– 91

– 91

– 91

– 91

– 91

 

OW 2010 pagina 180

Inzet reserve AWBZ knelpunten

 

– 113

– 19

– 18

– 20

– 19

 

OW 2010 pagina 180

Ontbureaucratisering AWBZ

   

– 50

– 50

– 50

– 50

 

OW 2010 pagina 180

Ramingsbijstelling tariefsmaatregelen AWBZ

– 60

– 60

– 60

– 60

– 60

– 60

 

OW 2010 pagina 180

Prikkelwerking Wmo

   

– 50

– 50

– 50

– 50

 

OW 2010 pagina 180

Bovenbudgettaire vergoedingen omzetten in ZZP prijzen

   

20

– 20

– 20

– 20

OW 2011 pagina 185

Beëindigen bonus-malusregeling

   

– 60

– 60

– 60

– 60

– 60

OW 2011 pagina 185

Contracteerruimte verlagen

   

– 142

– 142

– 142

– 142

– 142

OW 2011 pagina 186

Onder contracteerruimte brengen capaciteitsgroei

   

0

– 100

– 150

– 200

– 250

OW 2011 pagina 186

Verhogen van de minimale eigen bijdrage

   

– 60

– 80

– 80

– 80

– 80

OW 2011 pagina 186

Persoonsgebonden budgetten

   

– 210

– 260

– 260

– 260

– 260

OW 2011 pagina 186

Rentevergoeding kapitaallasten

     

– 10

– 10

– 10

– 10

OW 2011 pagina 186

Correctie invoering eigen bijdrage begeleiding

 

– 68

– 80

– 80

– 80

– 80

– 80

OW 2011 pagina 186

Inzet reserve AWBZ-knelpunten

 

– 4

– 98

– 99

– 97

– 98

– 98

OW 2011 pagina 186

Budget Wmo

   

– 150

– 150

– 150

– 150

– 150

OW 2011 pagina 186

Tabel 2 omvangrijkste maatregelen sinds Kabinet Rutte III t/m OW 2023 (Bedragen x € 1 miljoen)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Toelichting

Zvw

             

H51 Hoofdlijnenakkoorden 2019–2021

0

– 460

– 1190

– 1920

– 1920

– 1920

NVW pagina 8

H52 Maatregelen genees- en hulpmiddelen

0

– 61

– 158

– 305

– 465

– 467

NVW pagina 8

Ramingsbijstelling geneesmiddelen

– 100

– 100

– 100

– 100

– 100

– 100

OW 2019, pagina 198

Prijsontwikkeling genees- en hulpmiddelen (intra- en extramuraal)

0

182

182

182

182

– 182

OW 2019, pagina 198

Pakketmaatregel vitaminen, mineralen en paracetamol

0

– 40

– 40

– 40

– 40

– 40

OW 2019, pagina 198

Ramingsbijstelling opleidingen

0

– 225

– 176

– 86

– 150

– 150

OW 2020, pagina 192

Verlagen groeiruimte geneesmiddelen

0

– 120

– 160

– 230

– 230

– 230

OW 2020, pagina 192

Ramingsbijstelling apotheekzorg en hulpmiddelen

0

0

– 168

– 100

– 100

– 100

OW 2021, pagina 170

Besparingsverlies vertraging Wgp

0

0

88

0

0

0

OW 2021, pagina 170

Besparingsverlies uitstel modernisering GVS

0

0

0

40

0

0

OW 2021, pagina 170

Voorraadverhoging apotheekzorg

0

0

5

25

25

25

OW 2021, pagina 171

Inzet resterende groeiruimte Zvw

 

0

0

0

– 41

– 41

OW 2022, pagina 165

Integraal zorgakkoord (IZA)

0

0

0

0

– 540

OW 2023, pagina 178

Pakketmaatregel vitamin D

 

0

0

0

0

– 129

OW 2023, pagina 180

Aanpassing basisniveu IZA

 

0

0

0

0

– 350

OW 2023, pagina 179

               

Wlz

             

Ramingsbijstelling Wlz

– 100

– 223

– 159

– 165

– 159

– 159

OW 2019, pagina 208

Ramingsbijstelling groei Wlz

0

– 30

– 110

– 160

– 160

– 160

OW 2019, pagina 209

Ramingsbijstelling NHC in Wlz-tarief

11

– 8

– 30

– 36

– 43

– 50

OW 2019, pagina 208

Ramingsbijstelling Wlz

0

– 37

– 116

– 273

– 322

– 322

OW 2020, pagina 199

Tariefherijking verpleeghuiszorg

0

0

– 87

– 87

– 87

– 87

OW 2020, pagina 200

Ramingsbijstellingen overige Wlz- uitgaven

0

0

– 11

– 121

– 138

– 138

OW 2021, pagina 179

Bijstellen Zorginfrastructuurmiddelen

0

0

0

0

– 35

– 25

OW 2022, pagina 174

Tijdelijke middelen kwaliteitskader

0

0

0

0

– 307

– 229

OW 2022, pagina 174

Valpreventie bij 65-plussers

0

0

0

0

0

– 20

OW 2023, pagina 189

Scheiden wonen en zorg

0

0

0

0

0

– 43

OW 2023, pagina 190

Vraag 73:

Kunt u per zorgwet een leesbaar overzicht maken met daarin de totale uitgaven, over een periode van 2010 tot en met 2023?

Antwoord:

In tabel 1 staan de niet-gecorrigeerde cijfers (onder meer voor overhevelingen tussen zorgdomeinen) van de ontwikkeling van de uitgaven Zvw, wlz, Wmo en Jeugdwet voor 2010 tot en met 2023.

Het betreft hier de netto-uitgaven die vallen onder de definitie van het Uitgavenplafond Zorg (het UPZ). De zorguitgaven voor Wmo en Jeugdzorg die per 2019 zijn toegevoegd aan de Algemene Uitkering van het gemeentefonds zijn niet in de tabel opgenomen, want deze vallen niet onder het UPZ.

Voor het jaar 2023 is in dit antwoord gerekend met het cijfer gemeld in de 2e suppletoire wet en niet met het cijfer uit de ontwerpbegroting 2024, omdat de 2e suppletoire wet nieuwere informatie over 2023 bevat. Er is geen rekening gehouden met de bijstelling van de cijfers 2023 die is gemeld in de antwoorden op de vragen over de 2e suppletoire wet, omdat deze bijstelling pas budgettair verwerkt zal worden in het aankomende VWS jaarverslag.

Tabel 1 Ontwikkeling van de netto zorguitgaven voor Zvw, Wlz, Wmo en Jeugdzorg onder het Uitgavenplafond Zorg 2010–2024 (bedragen x € 1 miljard)
 

20101

2011

2012

2013

2014

20152

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Zvw

34,0

34,5

34,7

36,5

36,1

38,6

40,6

42,0

43,6

45,6

47,6

47,8

51,1

54,4

Wlz

22,7

23,6

26,2

25,5

25,8

17,7

18,0

18,5

19,9

22,0

24,3

26,6

28,4

31,2

Wmo3

1,5

1,5

1,5

1,6

1,7

4,9

4,9

4,9

5,1

1,8

1,9

1,5

1,5

1,6

Jeugdzorg

         

2,0

1,9

1,9

2,0

-

-

-

-

-

X Noot
1

Exclusief de eenmalige stimuleringsimpuls voor de bouw uit het aanvullend coalitieakkoord Balkenende IV (€ 320 miljoen) die niet aan het Uitgavenplafond Zorg is toegerekend3

X Noot
2

De Wet langdurige zorg (Wlz) is in 2015 in werking getreden. Hierbij zijn middelen vanuit de AWBZ/Wlz overgeheveld naar de Wmo en Jeugdwet, vandaar die afname van de uitgaven bij de AWBZ/Wlz en toename bij de Wmo en Jeugdwet.

X Noot
3

Vanaf 2019 valt alleen nog Wmo beschermd wonen onder het UPZ.

De uitgaven in het kader van Wmo en Jeugdzorg vallen niet onder het UPZ, met uitzondering van Wmo beschermd wonen. De hoogte van de uitgaven die onder deze beide wetten vallen, is niet exact weer te geven. Dit komt omdat de gegevens over gemeentelijke uitgaven niet conform deze twee wetten gesplitst zijn. In tabel 2 staan de uitgaven aan Wmo en Jeugdzorg voor de jaren 2017–2023 in de uitsplitsing van het CBS.

Tabel 2 Ontwikkeling van de bruto uitgaven voor Wmo en Jeugdzorg 2017–2023 (bedragen x € 1 miljard)1
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Algemene voorzieningen incl. wijkteams

2,9

3,0

3,1

3,1

3,3

3,3

4,1

Maatwerkvoorzieningen (WMO)

0,6

0,6

0,7

0,7

0,7

0,7

0,9

Maatwerkdienstverlening 18+

2,8

3,0

3,3

3,5

3,6

3,7

3,8

Maatwerkdienstverlening 18-

3,3

3,7

4,4

4,5

4,8

4,4

4,9

Geëscaleerde zorg 18+

2,1

2,3

2,3

2,6

2,1

2,3

2,3

Geëscaleerde zorg 18-

0,6

0,7

0,8

0,8

0,8

0,9

0,6

X Noot
1

Voor 2017 tot en met 2021 zijn cijfers uit de gemeenterekeningen verwerkt, voor 2022 en 2023 uit de gemeentebegrotingen.

Vraag 74:

Kunt u een overzicht geven van de totale uitgaven in de verpleeghuiszorg, vanaf 2010 tot en met 2023?

Antwoord:

Onderstaande tabel toont de uitgaven aan intramurale verpleeghuiszorg via de Wlz vanaf 2010 tot en met 2021, alsmede de totale uitgaven aan Wlz-verpleegzorg voor de jaren 2021 tot en met 2023. De bedragen voor intramurale verpleeghuiszorg waren ook opgenomen in de beantwoording op de schriftelijke Kamervragen bij de ontwerpbegroting 2022 van VWS. Met ingang van de ontwerpbegroting 2023 is de begrotingsindeling van de Wlz-uitgaven aangepast, zodat hieruit de totale uitgaven aan Wlz-verpleegzorg kunnen worden afgeleid. Voor 2021 zijn de uitgaven zowel gepresenteerd op grond van de intramurale verpleeghuiszorg als de uitgaven op grond van de totale Wlz-verpleegzorg (deze zijn hier gedefinieerd als de zorguitgaven via de contracteerruimte en het pgb-kader voor cliënten met een indicatie voor verpleeghuiszorg). In de periode voor 2021 zijn alleen de uitgaven op grond van de intramurale verpleeghuiszorg bekend.

Tabel: Uitgaven Wlz-verpleeg(huis)zorg 2010–2023

(bedragen x € 1 miljard)

2010

7,4

 

2011

7,7

 

2012

8,7

 

2013

8,4

 

2014

8,6

 

2015

8,5

 

2016

8,8

 

2017

9,2

 

2018

10,1

 

2019

11,7

 

2020

12,7

 

2021

13,8

14,9

2022

 

15,9

2023

 

17,7

Bron: VWS-cijfers jaarverslagen en ontwerpbegroting 2010–2024.

Vraag 75:

Hoeveel reserves hebben de verschillende zorginstellingen opgebouwd?

Antwoord:

Het CBS heeft op 14 december jl. voorlopige cijfers over de financiële kengetallen 2022 van middelgrote en grote zorgondernemingen gepubliceerd. De cijfers in de onderstaande tabel zijn daaruit afkomstig. Uit deze cijfers blijkt dat over het gemiddelde van de zorgsectoren de verhouding tussen eigen vermogen en bedrijfsopbrengsten (weerstandsvermogen) ongeveer 30% is. Dit betekent dat het gemiddelde weerstandvermogen een behoorlijke omvang heeft en dat de sector gemiddeld in staat is om financiële schokken op te vangen. Maar er zijn wel verschillen tussen sectoren en instellingen. Een groeiende groep instellingen heeft te maken met een forse financiële opgave. Vooralsnog zijn de reserves over het algemeen voldoende om negatieve financiële resultaten op te vangen, maar de sector blijft kwetsbaar.

Hierbij is van belang dat de zorginstellingen de afgelopen jaren aan meer financiële risico’s blootstaan, en dat hogere reserves ook logisch zijn. Reserves staan overigens niet gelijk aan de beschikbare liquide middelen, maar bestaan vooral uit het verschil tussen de boekwaarde van grond en gebouwen die meestal nodig zijn voor het leveren van zorg enerzijds en de leningen die daar tegenover staan anderzijds. Voor de continuïteit van de instelling is de reserve niet direct inzetbaar, maar hogere reserves vergroten in beginsel wel de mogelijkheid om nieuwe leningen te krijgen.

Vraag 76:

Hoeveel zou het kosten om de regeling voor zorgverleners met Long Covid te verbreden, in lijn met de eisen van de FNV? Hoeveel zou het kosten om de hoogte van de compensatie te verhogen van € 15.000 naar € 22.839? Hoeveel zou het kosten om dat allebei te doen?

Antwoord:

In reactie op de internetconsultatie heeft de FNV op 26 juni 2023 verzocht om de regeling toegankelijk te maken voor zorgmedewerkers die ziek zijn geworden als gevolg van COVID-19 in het hele jaar 2020. De regeling is nu bedoeld voor zorgmedewerkers die ziek zijn geworden in de eerste golf (maart tot en met juni 2020). Daarnaast stelt FNV een verruiming van de doelgroep voor. Dan gaat het onder andere om een aantal ondersteunende functies die het leveren van zorg mogelijk maakten, zorgmedewerkers die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn en daardoor geen WIA-uitkering ontvangen en ZZP’ers. Deze voorstellen ten aanzien van het verruimen van de doelgroep zijn in grote lijnen overgenomen in de definitieve regeling dan wel in de uitvoering.

De kosten voor het verlengen van de tijdsperiode naar het hele jaar 2020 is niet exact te geven. Het UWV heeft cijfers gepubliceerd over het aantal WIA-claimbeslissingen met post-COVID als hoofd- of nevendiagnose in 2022. Daarin is geen onderscheid gemaakt in de datum van de eerste ziekmelding. De kosten voor een dergelijke uitbreiding zijn overigens ook niet verkend, omdat bij het vaststellen van de afbakening is gezocht naar objectieve criteria om te bepalen wie wel en wie niet in aanmerking komt. Op het belang daarvan wijst ook de Afdeling Advisering van de Raad van State nadrukkelijk in haar reactie op het voorlichtingsverzoek inzake deze regeling. Dat is onder meer noodzakelijk voor de juridische houdbaarheid van de regeling. De tijdsperiode beperken tot de eerste golf is een afbakening die op objectieve gronden is gebaseerd. Een uitbreiding naar het hele jaar 2020 is dat niet.

Het verhogen van de financiële ondersteuning naar € 22.839 leidt tot minimaal € 6,3 miljoen extra uitgaven uitgaande van de huidige circa 800 aanvragen die zijn ingediend en zou hoger kunnen uitvallen bij meer aanvragen.

Vraag 77:

Kunt u de uitgaven aan preventie in de jaren 2010 tot en met 2023 op een rij zetten?

Antwoord:

In aansluiting met de internationale definitie van de OECD houdt het CBS de landelijke uitgaven op preventie bij. Het betreft elke maatregel die is gericht op het vermijden of verminderen van het aantal of de ernst van letsels en ziekten, de gevolgen daarvan en de daaraan verbonden complicatie. Hieronder vallen: (jeugd)vaccinatieprogramma's, griepvaccinaties, ouder- en kindzorg, screening voor borstkanker en baarmoederhalskanker, bedrijfsgezondheidszorg, arbozorg, en ook de jaarlijkse tandartscontrole als onderdeel van de zorgverzekering of aanvullende verzekering, epidemiologische monitoring door het RIVM. Een deel van deze maatregelen wordt vanuit de VWS-begroting gefinancierd.

In onderstaande tabel staan de totaaluitgaven (2e kolom) met een uitsplitsing naar uitgaven overheid (3e kolom) en eigen betalingen (4e kolom). De uitgaven in 2020, 2021 en 2022 wijken vanwege Covid19 sterk af van voorgaande jaren. De cijfers over 2023 zijn nog niet beschikbaar.

Preventieve landelijke uitgaven
 

Totaal uitgaven aan preventieve zorg

Overheid en sociale verzekeringen

Vrijwillige regelingen, eigen betalingen

 

mln euro

mln euro

mln euro

2010

2.815

2.070

744

2011

2.712

1.976

736

2012

2.708

1.949

759

2013

2.628

1.915

713

2014

2.689

1.971

718

2015

2.497

1.779

719

2016

2.561

1.805

756

2017

2.492

1.705

787

2018

2.514

1.697

816

2019

2.721

1.831

890

2020

4.108

3.135

974

2021

8.361

7.286

1.075

2022

5.482

4.450

1.032

Vraag 78:

Kunt u, binnen het VWS-domein, een overzicht geven van EU-richtlijnen en verordeningen die nog niet zijn aangenomen?

Antwoord:

Titel

Document

Korte omschrijving

Stand van zaken

Europese ruimte voor gezondheidsgegevens (European Health Data Space)

COM 2022/197

In het voorstel wordt de burger centraal gesteld. De Commissie stelt voor burgers rechten te geven waarmee zij meer controle en zeggenschap krijgen op de toegang en het gebruik van hun elektronische gezondheidsgegevens voor de levering van zorg (primair gebruik), alsook voor andere maatschappelijke doeleinden zoals wetenschappelijk onderzoek, innovatie, en beleidsvorming (secundair gebruik). Tevens beoogt het voorstel een interne markt voor digitale gezondheidsproducten en -diensten, zoals elektronische medische dossiersystemen, tot stand te brengen, door de regels omtrent de (product)veiligheid, beveiliging en interoperabiliteit binnen de EU te harmoniseren en zo de effectiviteit en efficiëntie van de gezondheidszorg te bevorderen.

Op 6 december jl. heeft de Raad ingestemd met het onderhandelingsmandaat voor de triloog. Het Europees Parlement heeft woensdag 13 december 2023 ingestemd met het onderhandelingsmandaat van het EP. De triloog is inmiddels gestart.

EMA vergoedingenstelsel

COM 2022/16070

Het voorstel betreft een aanpassing van de vergoedingen voor beoordelingsprocedures van medicijnen door het Europees Geneesmiddelenagentschap (EMA) en de Nationale Competente Autoriteiten (NCA's) voor producten voor zowel voor veterinair als menselijk gebruik. Het uitgangspunt is dat de vergoedingen kostendekkend zijn en worden betaald door de industrie.

Er is op 25 september 2023 een politiek akkoord bereikt in de triloogfase. De verordening zal binnen enkele maanden formeel worden aangenomen en vervolgens in werking treden.

Verordening lichaamsmateriaal

COM 2022/338

Het voorstel maakt het voor burgers veiliger om vitale stoffen van menselijke oorsprong, zoals bloed of weefsel, af te staan of te ontvangen. Het voorstel beoogt het grensoverschrijdende verkeer van dergelijke kritieke gezondheidsproducten makkelijker te maken en om de solidariteit tussen volksgezondheidsinstanties te versterken.

Er is op 14 december 2023 een voorlopig politiek akkoord bereikt in de triloogfase. De verordening zal binnen enkele maanden formeel worden aangenomen en vervolgens in werking treden.

Herziening Verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (CLP)

COM 2022/748

De wijzigingen zien op verschillende onderdelen van CLP: verbetering classificatieproces, etiketteringseisen en mogelijkheid digitale etikettering, onlineverkoop en reclamevereisten en het classificeren van stoffen met meerdere bestanddelen.

Op 5 december is een voorlopig politiek akkoord bereikt in de triloogfase. De verordening zal binnen enkele maanden formeel worden aangenomen en vervolgens in werking treden.

Herziening EU geneesmiddelenwetgeving

COM 2023/192 COM 2023/193

Met deze herziening worden vier individuele stukken wetgeving samengevoegd tot één richtlijn en één verordening die gezamenlijk de regels en procedures bepalen voor het verkrijgen van een handelsvergunning voor het op de Europese markt brengen van geneesmiddelen voor menselijk gebruik, inclusief voor kinderen en zeldzame aandoeningen. Met de herziening stelt de Commissie voor om structurele problemen met de bestaande stukken wetgeving op te lossen.

De Commissievoorstellen over de herziening van de EU geneesmiddelen-wetgeving zijn gepresenteerd in april 2023. Het is de verwachting dat de inhoudelijke besprekingen in de Raad begin 2024 zullen beginnen. Het EP wil nog voor de Europese verkiezingen haar standpunt vaststellen op zowel de Verordening als de Richtlijn.

Speelgoedverordening

COM 2023/462

De Europese Commissie heeft op 28 juli 2023 een voorstel voor een Speelgoedverordening gepresenteerd waarin wordt voorgesteld de huidige Speelgoedrichtlijn in te trekken en te vervangen met de Verordening. Het doel van het voorstel is de gezondheids- en veiligheidseisen voor speelgoed in alle lidstaten te harmoniseren ter waarborging van een hoog niveau van bescherming van kinderen tegen mogelijke risico’s van speelgoed en om ervoor te zorgen dat er geen belemmeringen zijn voor het vrije verkeer van speelgoed tussen de lidstaten.

Het voorstel wordt momenteel ambtelijk behandeld in de Raad; de besprekingen zijn in oktober 2023 van start gestart gegaan en zal in 2024 onder het Belgische voorzitterschap worden voortgezet. De verwachting is dat het EP in 2024 haar standpunt zal vaststellen op de verordening.

Richtlijn invoering Europese gehandicaptenkaart en Europese gehandicaptenparkeerkaart

COM 2023/512

De Europese Commissie heeft op 6 september jl. een voorstel gepubliceerd aangaande twee kaarten: 1) de invoering van een gestandaardiseerde Europese gehandicaptenkaart die dient als een erkend bewijs van handicap in de hele EU; en 2) een verbetering van de reeds bestaande Europese gehandicaptenparkeerkaart. Het voorstel beoogt wederzijdse erkenning te bereiken van de nationale gehandicaptenstatus tussen de EU-lidstaten zodat EU-burgers met een beperking van dezelfde speciale voorwaarden en/of preferentiële behandeling, die overheidsinstanties en particuliere ondernemers bieden, kunnen profiteren.

De Raad heeft op 27 november 2023 een algemene oriëntatie bereikt op het richtlijnvoorstel.

Het Europees Parlement stelt naar verwachting medio januari 2024 haar positie vast. Hierna kan de triloog starten.

Richtlijn tot uitbreiding van de Richtlijn invoering Europese gehandicaptenkaart en Europese gehandicaptenparkeerkaart naar derdelanders die legaal in een lidstaat verblijven

COM 2023/698

Uitbreidingsvoorstel voor de Europese gehandicaptenkaart en Europese gehandicaptenparkeerkaart naar derdelanders die legaal in een lidstaat verblijven.

De onderhandelingen in de Raad zijn gaande. Het Europees Parlement heeft nog geen positie bepaald.

Vraag 79:

Kan voor alle begrotingsartikelen per artikel inzichtelijk gemaakt worden welk deel juridisch verplicht is en welk deel niet?

Antwoord:

In de onderstaande tabel treft u een uitsplitsing per artikel op de VWS-begroting 2024 aan met het percentage juridisch verplicht, bestuurlijk gebonden, beleidsmatig gereserveerd en nog niet ingevuld/vrij te besteden:

 

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Totale verplichtingen

1.747.124

4.083.167

18.615.590

1.402.836

162.286

414.147

198.828

6.952.649

Totale uitgaven

2.341.726

4.275.287

18.789.780

1.448.818

192.669

439.557

201.139

6.952.649

                 

juridisch verplicht

78%

96,3%

98,17%

90,0%

45,5%

94,2%

98,6%

100,0%

bestuurlijk gebonden

3%

3%

0,84%

9,0%

47,8%

1,2%

1,0%

0%

beleidsmatig gereserveerd

19%

0,5%

0,98%

1,0%

6,7%

3,8%

0,4%

0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

0,0%

0,01%

0,0%

0%

0,8%

0%

0%

Juridisch verplicht

Dit betreft het percentage van het artikel dat juridisch verplicht is. Van de juridisch verplichte uitgaven is in zijn algemeenheid sprake bij een juridische afdwingbaarheid op grond van verdrag, wet, koninklijk besluit, ministeriële regeling, beschikking, verbintenis of een vastgelegde afspraak tussen dienstonderdelen e.d.

Juridisch niet verplicht

Bestaat uit (1) het percentage dat bestuurlijk is gebonden/verbonden op grond van bestuursovereenkomsten, convenanten met koepels en/of decentrale overheden, politieke toezeggingen en dergelijke, (2) het percentage dat beleidsmatig is gereserveerd en (3) het percentage dat nog niet ingevuld dan wel vrij te besteden is.

Vraag 80:

Wat is de meest actuele inschatting van de budgettaire effecten van het toevoegen van periodieke controles bij de tandarts aan het basispakket?

Antwoord:

De schatting van de budgettaire effecten voor opname van mondzorg betreffen zeer ruwe schattingen. De schatting van de budgettaire effecten van opname van één preventieve controle in het basispakket, met uitzondering op het eigen risico, bedraagt € 400 miljoen per jaar. Afhankelijk van de te vergoeden handelingen tijdens een preventieve controle kan dit bedrag oplopen. Bijvoorbeeld, bij een uitgebreide variant van één controle per jaar inclusief gebitsreiniging of twee kleine foto’s kunnen de budgettaire effecten oplopen tot € 1,3 miljard per jaar

Vraag 81:

Wat is de meest actuele inschatting van de budgettaire effecten van het toevoegen van mondzorg aan het basispakket?

Antwoord:

De schatting van de budgettaire effecten voor opname van mondzorg betreffen zeer ruwe schattingen. De budgettaire effecten van het toevoegen van mondzorg aan het basispakket variëren tussen de € 400 miljoen per jaar tot € 2,4 miljard per jaar, afhankelijk van de vorm waarop mondzorg opgenomen wordt in het basispakket. De schatting van € 400 miljoen per jaar betreft opname van één preventieve controle in het basispakket met uitzondering op het eigen risico. De kosten van opname van mondzorg in het pakket, zoals deze voor de groep tot 18 jaar in het basispakket is opgenomen en zonder uitzondering op het eigen risico, wordt geschat op € 1,6 miljard per jaar. De budgettaire effecten kunnen verder oplopen tot een schatting van € 2,4 miljard per jaar bij uitzondering van de mondzorg van het eigen risico.

Vraag 82:

Wat is de meest actuele inschatting van de budgettaire effecten van het toevoegen van fysiotherapie aan het basispakket?

Antwoord:

Op basis van conceptramingen van het Zorginstituut waren de totale uitgaven aan eerstelijns fysio- en oefentherapie in 2023 vanuit de basisverzekering zo’n € 0,74 miljard en vanuit de aanvullende verzekering € 1,11 miljard. Het is niet bekend hoeveel patiënten aan eerstelijns fysio- en oefentherapie uitgeven buiten de basisverzekering en aanvullende verzekering om. In 2022 had ongeveer 17 procent van de volwassen met fysio- of oefentherapeutische zorg géén aanvullende zorgverzekering afgesloten. Het is niet bekend of deze groep wel fysio- of oefentherapeutische zorg heeft ontvangen en daar zelf voor heeft betaald.

Vraag 83:

Kunt u toelichten hoe het proces van de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA) precies werkt? Hoe en door wie wordt deze bijdrage precies betaald?

Antwoord:

Ieder jaar stelt de overheid extra geld beschikbaar via de zogenaamde Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (ova) om een marktconforme loonontwikkeling binnen de zorg mogelijk te maken. De hoogte van het ova-percentage wordt jaarlijks vastgesteld op basis van de raming door het CPB van de contractloonontwikkeling, de incidentele loonontwikkeling en de ontwikkeling van de sociale lasten in de marktsector in het in maart gepubliceerde Centraal Economisch Plan (CEP) van dat jaar.

VWS gebruikt het ova-percentage voor het indexeren van de loongevoelige delen van de budgetten (contracteerruimte, macroprestatiebedrag en macrobeheersingskaders) van de Wlz, Zvw en beschermd wonen in de Wmo die onder het Uitgavenplafondzorg (UPZ) vallen. De NZa gebruikt de ova om het loongevoelige deel van de gereguleerde (vaste- en maximum-) tarieven in de Zvw en Wlz te indexeren. Daarbij wordt zowel bij de begroting als bij de gereguleerde tarieven een systeem van voor- en nacalculatie gehanteerd. De begroting en de gereguleerde tarieven worden immers eerder dan de ova vastgesteld.

Met de geïndexeerde budgetten en gereguleerde tarieven als basis vinden vervolgens contractonderhandelingen plaats tussen zorginkopers enerzijds en zorgaanbieders anderzijds.

De vertaling van de ova in de tarieven leidt vervolgens tot extra loonruimte bij aanbieders. Het is ten slotte aan de vertegenwoordigers van de werkgevers en de werknemers in de zorg om afspraken te maken over de lonen en dit vast te leggen in cao’s.

Wat betreft wie en hoe de ova wordt betaald; dat is niet anders dan hoe andere zorguitgaven worden betaald, namelijk uit premie- en belastingmiddelen. Het zijn dus burgers en bedrijven die de ova uiteindelijk betalen.

Vraag 84:

Kunt u aangeven in hoeverre de lonen in de zorg extra zijn verhoogd als gevolg van de motie-Hijink/Bikker ten opzichte van een situatie waarin deze motie niet was aangenomen?

Antwoord:

Naar aanleiding van de motie Hijink/Bikker heeft VWS de ova voor 2022 extra verhoogd met 1,13 procentpunt (met een budgettair effect van circa € 675 miljoen structureel). Met zorginkopers zijn vervolgens afspraken gemaakt over het doorgeven van deze middelen. Ook is de afspraak met een groot aantal werkgeversorganisaties in de zorg gemaakt dat zij zich in zouden spannen om deze extra middelen ten goede te laten komen aan de groep waarvoor deze middelen waren bedoeld, namelijk de middengroep in het loongebouw. Vervolgens zijn in bijna alle cao’s afspraken gemaakt om de lonen in het midden van het loongebouw extra te verhogen. Aangezien dit een proces is tussen werkgevers en werknemers – zonder bemoeienis van de overheid – is niet met zekerheid te zeggen wat de uitkomst van de onderhandelingen was geweest zonder dat de motie was aangenomen.

Vraag 85:

Welk deel van de Wlz-uitgaven bestond uit zorgkosten en welk deel uit woonkosten, over de periode van 2015 tot 2023?

Antwoord:

De woonkosten zijn in de periode 2012–2018 geleidelijk toegevoegd aan de integrale zorgtarieven. Binnen deze integrale tarieven hebben zorgaanbieders bestedingsvrijheid en kunnen zij dus zelf afwegingen maken tussen de inzet voor zorg of de inzet voor wonen. Dit betekent dat er geen eenduidige verdeling bestaat van de Wlz-uitgaven over zorgkosten en woonkosten.

Uitgaande van de technische onderbouwing van de integrale zzp-tarieven door de NZa is het wel mogelijk een inschatting te maken van (de ontwikkeling van) deze verdeling. Bijgaande tabel laat zien dat het aandeel van de woonkosten in de contracteerruimte voor zorg in natura in de jaren 2015–2021 geleidelijk is gedaald. Deze daling hangt samen met de trend dat cliënten langer thuis blijven wonen. Voor de 2022 en 2023 zijn nog geen realisatiecijfers bekend over de Wlz productie en zijn derhalve schattingen opgenomen. Naar verwachting zal het aandeel van de woonkosten in 2023 licht afnemen als gevolg van (de trend van) scheiden wonen en zorg.

Tabel: Indicatieve ontwikkeling aandeel zorgkosten en woonkosten in contracteerruimte Wlz 2015–2023
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Aandeel zorgkosten

86,7%

86,5%

86,6%

88,3%

88,5%

88,6%

88,8%

88,8%

88,9%

Aandeel woonkosten

13,3%

13,5%

13,4%

11,7%

11,5%

11,4%

11,2%

11,2%

11,1%

Vraag 86:

Wat is het gemiddelde energieverbruik van een sportclub? Kunt u hierbij verschillende voorbeelden geven, zoals voetbalclubs, zwembaden, gymzalen en sportscholen?

Antwoord:

De meest recente gegevens over energieverbruik in de sportsector zijn door het CBS afgegeven over de periode 2019 tot en met 2021, zie Update dashboards energieverbruik maatschappelijk vastgoed, 2019–2021 (cbs.nl). Hieruit blijkt dat de gemiddelde elektriciteitslevering per accommodatie (x1.000 kWh) is gedaald van 93 in 2018 naar 73 in 2021. Voor de gemiddelde gaslevering per accommodatie (x1.000 m3) geldt dat deze is gedaald van 17 in 2018 naar 15 in 2021. De uitsplitsing naar verschillende sporten maakt duidelijk hoe de gas- en elektriciteitslevering van verschillende sporten zich tot elkaar verhouden. Zo geldt voor zwembaden (alleen binnenbaden) dat de gaslevering in de afgelopen jaren (2018–2021) met 16,8% is gedaald naar 34,1 m3 per m2gebruiksoppervlakte. Voor fitnessaccommodaties gaat dit om een daling van 4,1% naar 7 m3 per m2. Bij de zaalsport gaat het om een daling van 4,3%, ofwel van 11,7 naar 11,2 m3 per m2. Als het gaat om elektriciteitslevering in kWh per m2 gebruiksoppervlakte is bij zwembaden (alleen binnenbaden) een daling te zien van 16,3%, van 147 kWh per m2 in 2018 naar 123 in 2021. Bij fitnessaccommodaties gaat het in 2021 om een verbruik van 36 kWh per m2 (daling van 23,4% ten opzichte van 2018) en bij zaalsporten om 18 kWh per m2 (daling van 25% ten opzichte van 2018). Wel moeten deze dalingen gezien worden in het licht van de beperkende maatregelen tijdens de coronacrisis (zoals verplichte sluitingen van sportaccommodaties) die veel invloed hebben gehad op het gas- en elektriciteitsverbruik van sportaccommodaties.

Vraag 87:

Wat is uw beeld met betrekking tot de stijgende contributie als gevolg van de gestegen energieprijzen? Met hoeveel stijgt de contributie van sportclubs door de stijgende rekeningen gemiddeld?

Antwoord:

In de Contributiemonitor 2022/2023 van het Mulier Instituut vindt u de meest recente data met betrekking tot de ontwikkeling van de contributies bij verenigingen in tien sporttakken (Contributiemonitor 2022/2023 – Mulier Instituut). Hieruit blijkt dat de meeste contributies licht stijgen.

Ter illustratie: senioren zijn gemiddeld 5 euro meer voor het lidmaatschap van een atletiekvereniging (van 147 naar 152 euro) en een voetbalvereniging (van 200 naar 205 euro) gaan betalen. Bij hockeyverenigingen is de gemiddelde contributie voor senioren gestegen van 306 naar 320 euro. De golfsport kent de grootste stijging (van 908 naar 964 euro). Bij handbal- en tafeltennisverenigingen is de gemiddelde contributie op hetzelfde niveau gebleven. In de monitor wordt verder aangegeven dat de inflatie hoger was dan de procentuele stijging van de contributie: de reële ontwikkeling – waarbij voor de inflatie wordt gecorrigeerd – wijst op een verlaging van de contributies.

Vraag 88:

Wat zijn de ziekteverzuimcijfers voor de gehele sector zorg & welzijn voor 2023 voor de afgelopen vijf jaar en wat is de verwachting voor 2024?

Antwoord:

In onderstaande tabel wordt het ziekteverzuim in de afgelopen vijf jaar weergegeven. De peildatum is steeds het derde kwartaal van elk jaar, omdat het derde kwartaal van 2023 het meest actuele kwartaal is waarover gegevens beschikbaar zijn. Na de verzuimpiek ten tijde van Covid-19 is het verzuim weer wat aan het dalen. Wat dit betekent voor 2024 is niet in te schatten.

Verzuimpercentage
 

Percentage

Derde kwartaal 2018

5,1%

Derde kwartaal 2019

5,3%

Derde kwartaal 2020

5,9%

Derde kwartaal 2021

6,2%

Derde kwartaal 2022

7,1%

Derde kwartaal 2023

6,7%

Vraag 89:

Wat is de uitsplitsing van het verzuim per subsector? Wat is de spreiding (minimale en maximale) van de verzuimcijfers tussen werkgevers/instellingen?

Antwoord:

In onderstaande tabel wordt het ziekteverzuim in het derde kwartaal van 2023 per branche weergegeven. Over de spreiding van verzuimcijfers tussen werkgevers en instellingen heeft het Ministerie van VWS geen gegevens.

Verzuimpercentage
 

2023 3e kwartaal

Universitair medische centra

5,4%

Ziekenhuizen en overige med. spec. zorg

5,6%

Geestelijke gezondheidszorg

6,7%

Huisartsen en gezondheidscentra

6,3%

Overige zorg en welzijn

4,8%

Verpleging, verzorging en thuiszorg

8,1%

Gehandicaptenzorg

7,3%

Jeugdzorg

6,5%

Sociaal werk

6,9%

Gemiddelde zorg en welzijn (smal)

6,7%

Vraag 90:

Hoeveel geeft elke zorgverzekeraar uit aan bedrijfskosten? Kunt u dit per zorgverzekeraar aangeven?

Antwoord:

Onderstaande tabel geeft de door zorgverzekeraars gerapporteerde bedrijfskosten voor 2022 weer. 2022 is het jaar waarvoor de meest recente cijfers beschikbaar zijn. De tabel geeft zowel de totale bedrijfskosten per concern weer als de bedrijfskosten als percentage van de totale zorgkosten (van een basisverzekering) per concern.

Zorgverzekeraar (concern)

Totale bedrijfskosten in 2022 (x € 1 miljoen)

Bedrijfskosten als percentage van zorgkosten (%)

ASR

53

5,3

CZ

245

2,5

DSW

52

2,5

Salland

32

9,1

Menzis

144

2,4

ONVZ

38

3,6

VGZ

290

2,5

Z&Z

49

3,5

ZK

365

2,7

Bron: transparantieoverzichten van de jaarcijfers basisverzekering, zoals door individuele zorgverzekeraars gepresenteerd op de website.

Vraag 91:

Hoeveel geven zorgverzekeraars jaarlijks uit aan reclame-uitgaven?

Antwoord:

In de transparantieoverzichten van de jaarcijfers basisverzekering, die sinds de jaarcijfers 2014 door individuele zorgverzekeraars worden gepubliceerd, worden de uitgaven aan reclame vermeld. Op basis daarvan is onderstaande tabel opgesteld. Voor de jaren daarvoor zijn geen cijfers beschikbaar.

Ontwikkeling reclamekosten 2014–2022 op concernniveau (x € 1.000), basisverzekering

Concern

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

ASR

90

878

150

74

162

321

235

493

573

CZ

5.751

6.589

4.449

4.975

4.464

2.984

3.048

2.815

2.792

DSW – SH

669

484

792

836

853

807

851

943

1.023

Salland

1.031

686

767

918

900

883

636

444

830

Menzis

5.132

4.835

4.408

3.900

3.710

3.545

2.881

3.535

3.339

ONVZ

886

977

1.404

869

882

693

1.657

1.192

1.390

VGZ

6.802

6.286

4.581

5.962

4.877

4.950

4.667

5.170

4.970

Zorg & Zekerheid

1.269

1.277

1.288

1.455

1.511

1.254

1.117

1.332

1.170

Zilveren Kruis

18.106

13.457

16.153

11.093

12.326

8.307

5.922

7.352

4.622

Eindtotaal

39.736

35.469

33.992

30.082

29.685

23.744

21.014

23.276

20.709

Gemiddeld per premiebetaler (in €)

3,0

2,6

2,5

2,2

2,2

1,7

1,5

1,7

1,5

Bron: transparantieoverzichten van de jaarcijfers basisverzekering 2014–2021 zoals door individuele zorgverzekeraars gepresenteerd op de website.

Vraag 92:

Hoeveel geven zorgverzekeraars jaarlijks uit aan acquisitiekosten?

Antwoord:

Uit de transparantieoverzichten van de jaarcijfers basisverzekering die zorgverzekeraars ieder jaar op hun website publiceren blijkt dat de totale acquisitiekosten voor de basisverzekering in 2022 ca. € 203 miljoen bedragen, oftewel ca. € 14 per premiebetaler.

Vraag 93:

Hoeveel medisch specialisten zijn er in 2023 in loondienst en hoeveel zijn er niet in loondienst (maar aan een ziekenhuis verbonden via bijvoorbeeld een maatschap)?

Antwoord:

Volgens de meest recente beschikbare gegevens werken er van de 19.365 werkzame medisch specialisten (exclusief psychiaters) 11475 (ca. 60%) in loondienst en 7890 (ca. 40%) in vrij beroep.

Vraag 94:

Hoe groot is per sector de loonkloof binnen de zorg? Wat is het verschil in beloning tussen de best betaalde en de gemiddelde werknemer?

Antwoord:

Via het Pensioenfonds Zorg en Welzijn beschikken we over gegevens van 2021 over de inkomensverdeling van een groot gedeelte van de medewerkers binnen de sector Zorg en Welzijn. In de onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van het aantal werknemers per inkomensklasse op basis van het bruto jaarinkomen bij een voltijdscontract. Daarin ontbreken de gegevens van medewerkers binnen de umc’s en de eerste lijn. Een verdere uitsplitsing naar branches is niet voor handen.

Bruto jaarinkomen binnen zorg en welzijn (exclusief umc’s en eerste lijn)

Inkomensklasse

Aantal werknemers

Aandeel in %

20.000 of minder

4.821

0,4%

20.001 t/m 30.000

230.225

21,3%

30.001 t/m 40.000

357.432

33,0%

40.001 t/m 50.000

265.938

24,6%

50.001 t/m 60.000

144.695

13,4%

60.001 t/m 70.000

38.608

3,6%

70.001 t/m 80.000

18.106

1,7%

80.001 t/m 90.000

4.378

0,4%

90.001 t/m 100.000

4.782

0,4%

100.001 of meer

14.265

1,3%

Totaal

1.083.250

100%

Bron: Pensioenfonds Zorg en Welzijn

Verder is via de kennisbank Openbaar bestuur informatie beschikbaar over de inkomensverdeling van de werknemers van de umc’s in 2018. In onderstaande tabel is de inkomensverdeling van werknemers binnen umc’s weergegeven. Het gaat hier om het bruto maandinkomen.

Bruto maandinkomen binnen umc’s (inclusief toeslagen)

Inkomensklasse

Aantal werknemers

Aandeel in %

2.000 euro of minder

213

0,3

2.001 t/m 3.000

9.621

13,1

3.001 t/m 4.000

23.060

31,3

4.001 t/m 5.000

19.573

26,6

5.001 t/m 6.000

10.166

13,8

6.001 t/m 7.000

2.750

3,7

7.001 t/m 8.000

1.304

1,8

8.001 of meer

6.946

9,4

onbekend

5

0,0

Totaal

73.638

100

Vraag 95:

Hoeveel procent van de werknemers per sector in de zorg verdienen minder dan een modaal salaris?

Antwoord:

Het modaal salaris bedroeg in 2021 circa 37 duizend euro en in 2018 circa 34.500 euro. Op basis van de gegevens uit het antwoord op vraag 105 verdient naar schatting zo’n 45% van de werknemers binnen zorg en welzijn minder dan modaal. Voor umc’s gaat het naar schatting om slechts circa 15%.

Vraag 96:

Wat is de meest actuele raming qua salarisverschillen in de zorg in de markt waarbij sprake is van gelijke opleidingsachtergrond?

Antwoord:

Op 14 december jl. heeft de Minister voor Langdurige Zorg en Sport uw kamer geïnformeerd (Tweede Kamer, vergaderjaar 2023/2024, kamerstuk 29 282, nummer 552) over de stand van zaken met betrekking tot de beloning in de zorg ook ten opzichte van andere sectoren. Met deze brief is ook een onderzoeksrapport van SEO naar uw Kamer gestuurd, waaruit blijkt dat het gemiddelde uurloon in de zorg in 2022 circa 1% lager lag dan het gemiddelde uurloon van best vergelijkbare medewerkers (waaronder matching op opleidingsniveau) in de marktsector. Achter dit gemiddelde schuilen wel verschillen naar opleidingsniveau.

In onderstaande figuur is het verschil in uurloon weergegeven tussen medewerkers in de zorg en vergelijkbare medewerkers in andere sectoren. Dit betreft zowel private sectoren als andere (semi-)publieke sectoren. Een uitsplitsing van de resultaten naar opleidingsniveau is niet voor handen voor de vergelijking met alleen de private sector. Hieruit wordt duidelijk dat het gemiddelde uurloon in de zorg veel meer samenhangt met het opleidingsniveau dan in andere sectoren. Het gemiddelde uurloon van lager opgeleiden in de zorg blijft achter bij vergelijkbare medewerkers in andere sectoren, terwijl hoger opgeleiden in de zorg juist een hoger uurloon hebben dan vergelijkbare medewerkers in andere sectoren. Volgens SEO kan dit komen door een striktere loonstructuur in de zorg, waarbij er beperkingen zijn in de loongroei die men kan realiseren gegeven een bepaald(e) opleidingsniveau en functie. Daar staat tegenover dat er in zorg en welzijn over het algemeen meer opleidingsmogelijkheden zijn om de positie te verbeteren dan in private cao’s, zo blijkt uit hetzelfde SEO-onderzoek.

Vraag 97:

Wat is het gemiddelde aan zorgkosten dat een chronische patiënt in 2024 naar benadering betaalt?

Antwoord:

In 2024 betaalt een volwassene in Nederland, volgens de raming van VWS, gemiddeld € 7.145 aan collectief gefinancierde zorg. Door het ontbreken van een eenduidige definitie voor chronisch ziek, is het niet bekend wat een chronische patiënt in 2024 gemiddeld aan collectief gefinancierde zorg zal betalen. Chronische patiënten zullen in elk geval de nominale premie betalen (door VWS geraamd op € 1.792). Naar verwachting zal een groot deel (schatting voor 2023 81%) van de chronische patiënten het verplicht eigen risico volmaken (€ 385). Mogelijk kan er sprake zijn van aanvullende eigen bijdragen. Daarnaast betaalt een chronisch zieke ook de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw, Wlz-premie en belasting en is er mogelijk recht op zorgtoeslag. Ten slotte kunnen chronisch zieken aanspraak maken op de fiscale aftrek specifieke zorgkosten en mogelijk ook op de tegemoetkoming specifieke zorgkosten.

Vraag 98:

Wat is het CO2-aandeel van de gehele zorgsector in Nederland? Hoe verhoudt dit zich tot het aandeel van de zorg in het bbp en de beroepsbevolking?

Antwoord:

Het CO2-aandeel van de gehele zorgsector in Nederland is 7%9. Het aandeel van de zorguitgaven in het bbp was 13,2% in 2022 (bron: CBS) en 15,6% van de werkzame beroepsbevolking werkte in de zorgsector in 2022 (bron: CBS).

Vraag 99:

Hoeveel middelen van de VWS-begroting is nog niet gealloceerd/juridisch verplicht en is nog beschikbaar voor de uitvoering van moties/amendementen?

Antwoord:

In de onderstaande tabel treft u een uitsplitsing per artikel op de VWS-begroting 2024 aan met het percentage juridisch verplicht, bestuurlijk gebonden, beleidsmatig gereserveerd en nog niet ingevuld/vrij te besteden:

 

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Totale verplichtingen

1.747.124

4.083.167

18.615.590

1.402.836

162.286

414.147

198.828

6.952.649

Totale uitgaven

2.341.726

4.275.287

18.789.780

1.448.818

192.669

439.557

201.139

6.952.649

                 

juridisch verplicht

78%

96,3%

98,17%

90,0%

45,5%

94,2%

98,6%

100,0%

bestuurlijk gebonden

3%

3%

0,84%

9,0%

47,8%

1,2%

1,0%

0%

beleidsmatig gereserveerd

19%

0,5%

0,98%

1,0%

6,7%

3,8%

0,4%

0%

nog niet ingevuld/vrij te besteden

0%

0,0%

0,01%

0,0%

0%

0,8%

0%

0%

Juridisch verplicht

Dit betreft het percentage van het artikel dat juridisch verplicht is. Van de juridisch verplichte uitgaven is in zijn algemeenheid sprake bij een juridische afdwingbaarheid op grond van verdrag, wet, koninklijk besluit, ministeriële regeling, beschikking, verbintenis of een vastgelegde afspraak tussen dienstonderdelen e.d.

Juridisch niet verplicht

Bestaat uit (1) het percentage dat bestuurlijk is gebonden/verbonden op grond van bestuursovereenkomsten, convenanten met koepels en/of decentrale overheden, politieke toezeggingen en dergelijke, (2) het percentage dat beleidsmatig is gereserveerd en (3) het percentage dat nog niet ingevuld dan wel vrij te besteden is.

Vraag 100:

Welk deel van de huisartsen heeft inmiddels toegang tot de middelen voor Meer Tijd voor de Patiënt? Welk deel van de huisartsen heeft inmiddels ook de tijd van het consult verlengd naar vijftien minuten?

Antwoord:

Op dit moment heeft 75% van de huisartsenpraktijken toegang tot de middelen voor Meer Tijd voor de Patiënt (MTVP) en vanaf 1 januari 2024 kunnen alle huisartsenpraktijken die dat willen gebruik maken van de middelen voor MTVP.

Omdat 75% van de praktijken recent zijn gestart met implementatie van maatregelen voor MTVP en de resterende praktijken zelfs nog later zullen instromen, is het nu nog niet mogelijk om al iets over de (landelijke) effecten te zeggen. Huisartsen en verzekeraars hebben afgesproken om MTVP te gaan monitoren, waaruit op zijn vroegst vanaf halverwege 2024 meer duidelijkheid zal ontstaan.

Vraag 101:

Hoeveel dak- en thuislozen zijn er inmiddels in Nederland? Hoe heeft dit cijfer zich sinds 2010 ontwikkeld?

Antwoord:

Het is op dit moment niet mogelijk uitspraken te doen over het aantal dakloze mensen in Nederland op basis van de ETHOS-Light definitie. De enige cijfers die er zijn op landelijk niveau zijn afkomstig van een jaarlijkse schatting van het CBS. Zie daarvoor onderstaande tabel. Cijfers over 2019 ontbreken.

Jaar

Aantal dakloze mensen, gegevens CBS

2010

23.400

2011

24.300

2012

27.300

2013

24.700

2014

26.900

2015

30.900

2016

30.500

2017

34.500

2018

39.200

2019

 

2020

36.000

2021

32.000

2022

26.600

Vraag 102:

Hoeveel dak- en thuislozen zijn er inmiddels in Nederland volgens de ETHOS-light definitie?

Antwoord:

Het is op dit moment niet mogelijk uitspraken te doen over het aantal dakloze mensen in Nederland op basis van de ETHOS-Light definitie. Dit is wel één van de ambities uit het actieplan. De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport werkt aan die ambitie via twee sporen:

  • 1. Een kwantitatieve landelijke monitor van het CBS en VNG-Realisatie waarbij zij gegevens opvragen bij gemeenten en opvangorganisaties op basis van de Ethos Light categorieën. In 2024 worden categorie 2 en 3 uitgevraagd. Voor de andere categorieën geldt dat het op korte termijn nog niet mogelijk is om uit te vragen op landelijk niveau. Deze monitor is dus nadrukkelijk een groeimodel.

  • 2. Kansfonds en Hogeschool Utrecht werken aan een pilot om per regio een ETHOS-Light telling te doen. Dit is een zeer intensieve methode die niet op korte termijn landelijk opgeschaald kan worden. De resultaten van de eerste tellingen in twee regio’s zijn onlangs gepubliceerd. In 2024 start de volgende ronde waar nog eens zes regio’s aan meedoen.

Vraag 103:

Hoeveel geld zou het besparen als de tijd die zorgverleners gemiddeld met administratie bezig zijn gehalveerd zou worden?

Antwoord:

Er is veel te winnen met het verminderen van de ervaren regeldruk en administratieve tijdsbesteding in de zorg. Niet primair vanwege de financiële besparing, maar vooral gezien de krapte op de arbeidsmarkt in zorg en welzijn en de negatieve uitwerking die het ervaren van bovenmatige regeldruk heeft op het werkplezier zodat dat deze tijd weer aan zorg besteed kan worden. Het doel van het programma [Ont]Regel de Zorg is om die ervaren regeldruk omlaag te brengen en het werkplezier omhoog, en niet om de eventuele verminderde kosten als besparing in te boeken.

Een berekening van de financiële besparing als de tijd die zorgverleners gehalveerd zou worden, is niet goed te maken.

Vraag 104:

Hoe sterk zou de uitstroom uit de zorg van zorgverleners (afgezien van zorgverleners die met pensioen gaan) moeten worden teruggebracht om het personeelstekort in de zorg binnen vijf jaar op te lossen?

Antwoord:

Zowel de uitstroom als de tekorten zijn niet gelijk verdeeld over de beroepen. Er moet dus ook per beroep gekeken worden in welke mate de uitstroom moet worden teruggebracht om de tekorten op te lossen. Op basis van de gegevens uit het prognosemodel 2022 is berekend dat de jaarlijkse uitstroom uit de beroepen met de grootste tekorten (verzorgenden en verpleegkundigen) met circa 15 tot 20% moet afnemen om de tekorten voor die beroepen binnen vijf jaar grotendeels op te lossen. In het tweede kwartaal van 2023 had 10,9% van de werknemers de zorgsector verlaten ten opzicht van het tweede kwartaal 2022. Een afname van de jaarlijkse uitstroom van 15% tot 20% betekent dat de uistroom vijf jaar lang teruggebracht moet worden naar 8,7 tot 9,3% per jaar. Ter vergelijking: in de economie als geheel bedroeg de uitstroom uit de verschillende sectoren steeds 18 tot 20% per jaar, in de periode 2017–2021. In de zorg was dat in dezelfde periode 9 tot 11,5% per jaar. Desondanks wordt gestreefd naar een zo laag mogelijke uitstroom uit de zorg.

Hierbij passen twee kanttekeningen:

  • De genoemde reductie van de uitstroom betreft alle uitstroom, een uitsplitsing naar pensioenuitstroom en andere uitstroom is niet te maken. Dit betekent in de praktijk dat de nog beïnvloedbare uitstroom verder zal moeten dalen dan die 15 tot 20% om de tekorten binnen vijf jaar grotendeels op te lossen.

  • De berekening is gericht op het grotendeels oplossen van de tekorten over vijf jaar. Echter, naar verwachting zal het arbeidsaanbod vooral na 2026 sterk afnemen vanwege de toenemende vergrijzing. Ook als de jaarlijkse uitstroom structureel teruggebracht kan worden tot 8,7–9,3% zullen de tekorten daarom weer gaan oplopen.

Vraag 105:

Welk deel van de zorgaanbieders is momenteel in handen van private equity investeerders? Kunt u dat uitdrukken als percentage van de totale omzet en het totaal aantal aanbieders? Hoe heeft dit percentage zich in de afgelopen vijf jaar ontwikkeld?

Antwoord:

Op dit moment bestaat te weinig zicht op de feitelijke omvang en de daadwerkelijke effecten (kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid) van private equity in de zorg om uw vraag te kunnen beantwoorden. Om deze reden heeft het Ministerie van VWS een onderzoek uitgezet naar het functioneren van private equity partijen binnen de gezondheidszorg (Zvw en Wlz)10 (denk o.a. aan huisartsenzorg, paramedische zorg, ziekenhuiszorg, mondzorg, gehandicaptenzorg, verpleeghuiszorg etc.). Dit onderzoek kent twee deelaspecten: i) in beeld brengen van de daadwerkelijke omvang van private equity in de deelsectoren van de zorg en ii) in beeld brengen wat de betrokkenheid van private equity partijen bij zorgaanbieders in de praktijk voor effecten heeft op de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorg. De eerste uitkomsten worden voorjaar 2024 verwacht.

Vraag 106:

Hoeveel mensen/kinderen hebben hun sportabonnement het afgelopen jaar opgezegd?

Antwoord:

Er zijn geen recente cijfers bekend van 2023 over hoeveel mensen hun sportabonnement hebben opgezegd.

Wel heeft het Mulier Instituut onderzoek gedaan naar sportlidmaatschappen en -abonnementen in de periode tussen mei 2021 en mei 2022. Uitgaande van ruim 8,1 miljoen particuliere huishoudens in 2022 (CBS Statline) zijn er in het tijdvak mei 2021-mei 2022 minstens 733.000 lidmaatschappen van sportverenigingen en minstens 647.000 abonnementen van andere sportaanbieders beëindigd. Dat maakt dat in de genoemde periode 17 procent van de Nederlandse huishoudens minstens één sportlidmaatschap en/of -abonnement heeft opgezegd.

Uitgaande van ruim 8,1 miljoen particuliere huishoudens in 2022 (CBS Statline) zijn er in twaalf maanden minstens 1,1 miljoen nieuwe lidmaatschappen en minstens 911.000 nieuwe abonnementen afgesloten. Dit betekent dat in die periode bij 25 procent van de huishoudens minstens één nieuw sportlidmaatschap en/of -abonnement is afgesloten.

Het Mulier Instituut zal actuele cijfers over sportlidmaatschappen en -abonnementen in 2024 opnieuw onderzoeken.

Vraag 107:

Voor hoeveel mensen is sporten in een sportclub of bij een vereniging onbetaalbaar geworden?

Antwoord:

Er wordt niet gemeten of sport onbetaalbaar is geworden. Het Mulier Instituut onderzoekt wel de Consumenten uitgaven in de sport, waarin onder andere wordt gekeken wat voor mensen in Nederland bezwaarlijke kosten zijn. De rapportage van Mulier zal naar verwachting in januari 2024 worden gepubliceerd.

Vraag 108:

Hoe lang zijn de wachtlijsten voor zwemles?

Antwoord:

Het Ministerie van VWS kan geen exacte cijfers van het aantal kinderen op de wachtlijst voor zwemles geven. Wachtlijsten voor zwemles worden niet centraal geregistreerd. Dit heeft te maken met het feit dat ouders regelmatig kinderen op meerdere wachtlijsten plaatsen en ook al (ruim) voor het vijfde levensjaar, het moment waarop het gebruikelijk is dat een kind motorisch in staat is om zwemles te volgen.

Vraag 109:

Hoe groot is het tekort aan zwemdocenten?

Antwoord:

Uit de gesprekken met de branche blijkt dat het gaat om tientallen openstaande vacatures in de zwembranche.

Vraag 110:

Hoeveel zwembaden verkeren in financiële moeilijkheden?

Antwoord:

Het aantal zwembaden dat op dit moment in financiële moeilijkheden verkeert, is niet bekend. Wel is bekend dat de exploitatie van openbare zwembaden al langer onder normale marktomstandigheden niet winstgevend is. Echter, heeft de Vereniging Sport en Gemeenten (VSG) bij VWS aangegeven dat zwembaden het financieel zwaar hebben. De Minister voor Langdurige Zorg en Sport is met de VSG in gesprek gegaan over de verwachte problemen bij energiekosten in 2024, maar ziet op dit moment helaas geen mogelijkheden om aanvullende financiële ondersteuning te bieden aan de zwembaden. De maatregelen die het kabinet heeft genomen om tegemoet te komen aan de gestegen energiekosten waren tijdelijk van aard. Een besluit over eventuele aanvullende energiesteun is gezien de demissionaire status aan een volgend kabinet. Het bericht van de VSG onderstreept het belang van de verduurzaming van zwembaden.

Vraag 111:

Hoeveel sportclubs/verenigingen verkeren in financiële moeilijkheden?

Antwoord:

Uit het meest recente verdiepende onderzoek van het Mulier Instituut van maart 2023 (peilmoment februari/maart 2023) bleek dat 4 procent van de responderende verenigingen dusdanige problemen ervaren dat ze op het punt van omvallen staan.11 Van de respondenten gaf 16 procent aan de toekomst (erg) somber in te zien, en 12 procent gaf aan onvoldoende veerkrachtig te zijn om de stijgende energielasten op te vangen. De SPUK’s voor de amateursportverenigingen en openbare zwembaden werden geopend voor aanvragen in mei 2023, dus na het peilmoment van het onderzoek.

Vraag 112:

Op welke manier zet u zich in om meer productie van geneesmiddelen en hulpmiddelen in Nederland en de EU plaats te laten vinden?

Antwoord:

De focus van de Europese inzet, en ook de nationale inzet, ligt niet op het afbouwen van alle afhankelijkheden, maar op het mitigeren van de meest risicovolle strategische afhankelijkheden in de productie- en toeleveringsketens. De eerste stap is in kaart brengen wat deze risicovolle strategische afhankelijkheden zijn, om vervolgens gepaste maatregelen te nemen. De Europese Commissie neemt hiertoe belangrijke stappen met een EU-lijst van kritieke geneesmiddelen die op 12 december jl. is gepubliceerd.12 De Commissie heeft in haar recente mededeling aangekondigd een vervolganalyse te doen naar de kwetsbaarheden in de ketens van een eerste groep van deze producten in het eerste kwartaal van 2024. Op basis hiervan zal in EU verband gekeken worden naar mogelijke maatregelen om de leveringszekerheid van deze middelen te vergroten13. Daarnaast zal de EU een lijst met kritische medische hulpmiddelen opstellen.

Nationaal werkt het Ministerie van VWS aan een lijst met voor Nederland belangrijke en kwetsbare geneesmiddelen. Vervolgens wordt bezien of er aanvullende nationale maatregelen nodig zijn om de leveringszekerheid van deze producten te versterken, waaronder het aanhouden van extra voorraden bij bijvoorbeeld groothandelaren. Voor medische hulpmiddelen beziet het ministerie na publicatie van de Europese lijst met kritische medische hulpmiddelen of het zinvol is om een nationale lijst op te stellen. Het ministerie heeft reeds via een aanbestedingsprocedure de aanwezigheid van opschaalbare productiecapaciteit van mondmaskers in Nederland geborgd. Verder heeft het kabinet besloten te investeren in de bouw van een reactor voor medische isotopen en medisch nucleair onderzoek om de leveringszekerheid van medische isotopen voor Nederland en de EU te borgen.

Voor de volledige beleidsinzet op dit thema wordt verwezen naar de voortgangsbrief beschikbaarheid medische producten van 18 december (Kamerstukken II 2023/24, 29 477, nr. 865) 2023. Daarnaast blijft het Ministerie van VWS graag optrekken met de Minister van Economische Zaken om het ecosysteem voor ontwikkeling en productie van medische producten in Nederland en de EU te versterken.

Vraag 113:

Hoe heeft het aantal onverzekerde Nederlanders zich de afgelopen jaren ontwikkeld?

Antwoord:

Aantal onverzekerden per jaar per 31 december (bron: CAK)
 

2020

2021

2022

Aangeschreven

62.553

60.608

69.471

Einde onverzekerd

67.163

56.992

68.323

Stand actief onverzekerden

20.260

23.876

25.024

De bovenstaande tabel toont het verloop van het aantal door het CAK aangeschreven onverzekerden, het aantal onverzekerden dat uit de regeling opsporing onverzekerden is gestroomd en de stand van het aantal actieve onverzekerden. Bij de interpretatie van de tabel dient in ogenschouw te worden genomen dat hierin is inbegrepen een jaarlijkse piek (in maart) van tussen de 25.000 en 30.000 aanschrijvingen. Een deel van deze piek wordt veroorzaakt door vertragingen in de administratie van overstappende verzekerden. Tussen het in- en uitstromen kan een persoon geregistreerd staan als actief onverzekerd (fase van aanschrijving en boete oplegging) of ambtshalve verzekerd. In dit proces zitten gemiddeld ca. 25.000 personen. Het gaat hier om vermeende onverzekerde verzekeringsplichtige personen die bekend zijn in bijvoorbeeld de burgerregistratie personen (BRP). Dakloze mensen zijn bijvoorbeeld niet altijd geregistreerd in het BRP en maken daarom geen onderdeel uit van deze getallen.

Vraag 114:

Welke acties onderneemt u om de toegang tot zorg voor onverzekerden te verbeteren ten opzichte van de huidige situatie?

Antwoord:

De kosten van zorg aan onverzekerden komen ten laste van de «Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden» (SOV). De afgelopen jaren zijn de administratieve lasten voor zorgverleners om gebruik te maken van deze regeling verminderd. Het komende jaar wordt door het CAK verder gewerkt aan de aansluiting van deze regeling op het digitale berichtenverkeer van VECOZO. Hierdoor worden de administratieve lasten voor uiteindelijk alle zorgverleners nog verder beperkt. Dit verbetert tevens de toegang tot zorg voor onverzekerden, omdat de financiële drempel om zorg te verlenen aan onverzekerden wordt verlaagd.

Vraag 115:

Zijn alle bevolkingsonderzoeken weer terug op het niveau van voor COVID-19? Zo nee, welke niet?

Antwoord:

Bij de beantwoording van de schriftelijke Kamervragen bij de begroting voor het jaar 2023 heeft het Ministerie van VWS gemeld dat de achterstanden met het versturen van uitnodigingen voor de bevolkingsonderzoeken baarmoederhals- en darmkanker zijn ingehaald (Kamerstukken II 2022/23, 36 200 XVI, nr. 15). Bij het bevolkingsonderzoek borstkanker speelt al langer een tekort aan screeningslaboranten, wat is versterkt door de coronacrisis. Hierdoor is het niet mogelijk om mensen uit de doelgroep weer eens per twee jaar uit te nodigen. Er wordt alles aan gedaan om dit interval tussen twee uitnodigingen in te korten. Hierover heeft het Ministerie van VWS uw Kamer voor het laatst geïnformeerd op 20 juni jl. (Kamerstukken II 2022/23, 32 793, nr. 696).

De deelname aan de bevolkingsonderzoeken naar kanker ligt lager dan voor corona. We zien al langer een langzaam dalende trend in deelname. De monitors van de bevolkingsonderzoeken naar kanker van het RIVM over het jaar 2022, met daarin de deelname, zijn op 5 oktober jl. met uw Kamer gedeeld (Kamerstukken II 2023/24, 32 793, nr. 701). De deelname aan het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker was in 2022 46,0% (2019: 55,6%), aan het bevolkingsonderzoek borstkanker 70,7% (2019: 76,0%) en aan het bevolkingsonderzoek darmkanker 68,4% (2019: 71,8%).

Vraag 116:

Hoeveel mensen hebben in 2023 hun gehele eigen risico in de eerste maand van het jaar opgemaakt?

Antwoord:

Hierover zijn geen gegevens beschikbaar.

Vraag 117:

Hoeveel jongeren zijn er sinds de maatregelen van het preventieakkoord gestopt met roken? Hoeveel jongeren roken nog? Hoe groot is het percentage rokers nu?

Antwoord:

Er is geen zicht op het aantal jongeren dat sinds de maatregelen van het preventieakkoord gestopt is met roken. Uit het meest recente HBSC-onderzoek blijkt dat 2,5% van de jongeren van 12 t/m 16 dagelijks rookt en dat 9,5% aangeeft de afgelopen maand gerookt te hebben. Uit de Leefstijlmonitor blijkt dat van de Nederlandse bevolking van 18 jaar en ouder 18,9% rookt.

Vraag 118:

Hoeveel winst maakte de tabaksindustrie afgelopen jaar in totaal door Nederlandse rokers?

Antwoord:

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport beschikt niet over de benodigde gegevens om de winst die de tabaksindustrie afgelopen jaar door Nederlandse rokers in totaal heeft gemaakt af te kunnen leiden.

Vraag 119:

Is het aantal volwassenen met overgewicht afgenomen sinds de invoering van de maatregelen uit het preventieakkoord? Hoe groot is het percentage volwassenen met overgewicht?

Antwoord:

Van de bevolking in Nederland van 18 jaar en ouder heeft 50,2% overgewicht. Dit percentage is sinds de invoering van de maatregelen uit het preventieakkoord gelijk gebleven. Deze informatie is te vinden op de website van De Staat van Volksgezondheid en Zorg (https://www.staatvenz.nl/kerncijfers/overgewicht-volwassenen).

Vraag 120:

Is het aantal jongeren met overgewicht afgenomen sinds de invoering van de maatregelen van het preventieakkoord? Hoe groot is het percentage jongeren met overgewicht?

Antwoord:

Van de jongeren in Nederland tot 18 jaar heeft 12,9% overgewicht. Na een tijdelijke verhoging van het percentage tijdens de COVID periode (15,9% in 2021) is de dalende trend weer ingezet naar het percentage van 2018 (11,7%). Deze informatie is te vinden op de website van De Staat van Volksgezondheid en Zorg (Overgewicht: jongeren | De Staat van Volksgezondheid en Zorg (staatvenz.nl).

Vraag 121:

Hoeveel geven andere Europese landen in algemene zin uit aan preventie?

Antwoord:

Preventie is een breed begrip waarvan het afhankelijk is van de definitie wat hieronder te scharen.

Het antwoord op deze vraag is gebaseerd op de gegevens die worden bijgehouden door Eurostat, het bureau voor de statistiek van de Europese Unie. Onder preventie-uitgaven vallen dan uitgaven aan campagnes, vaccinaties, screenings, epidemiologische surveillance, gezondheidschecks bij bijvoorbeeld zwangere vrouwen, in de jeugdgezondheidszorg of tandartscontrole. Thema’s gerelateerd aan leefstijl en gezondheidsbevordering vallen hier niet onder.

Nederland geeft 477 euro per persoon uit aan deze vormen van preventie. Dat is ruim meer dan het EU gemiddelde dat ligt op 213 euro per persoon. Deze cijfers verwijzen naar 2021 en zijn niet gecorrigeerd voor koopkracht.

Het aandeel dat Nederland uitgeeft aan preventie zoals gedefinieerd conform Eurostat en het CBS specifiek voor Nederland, als percentage van de totale zorguitgaven was in 2021 8,65% (zie tabel hieronder) t.o.v. 4,1% in 2010. De COVID-19 pandemie heeft grote invloed gehad op uitgaven in 2020, 2021 en 2022 (zie ook de beantwoording van vraag 77).

In de tabel hieronder wordt bij zorguitgaven de internationale definitie van de System of Health Accounts (SHA) gehanteerd (uitgaven gezondheidszorg zonder welzijn en sociale zorg).

Uitgaven aan preventie (brede definitie) als percentage van de totale zorguitgaven (2021)

België

3,13

Bulgarije

3,25

Tsjechië

8,12

Denemarken

8,92

Duitsland

6,45

Estland

8,33

Ierland

5,89

Griekeland

4,04

Spanje

3,45

Frankrijk

5,49

Kroatië

4,43

Italië

6,81

Cyprus

2,19

Letland

5,13

Litouwen

5,56

Luxemburg

6,58

Hongarije

7,58

Malta

1,22

Nederland

8,65

Oostenrijk

10,33

Polen

2,10

Portugal

3,17

Roemenië

3,73

Slovenië

5,41

Slowakije

1,61

Finland

8,33

Zweden

4,92

Data zijn gedownload op 14 dec 2023. Deze data wordt voortdurend geactualiseerd.

Vraag 122:

Voor welke hulpmiddelen en geneesmiddelen geldt een eigen bijdrage? Voor welke hulpmiddelen en geneesmiddelen moet een eigen bijdrage worden betaald terwijl dit ook ten laste komt van het eigen risico? Kunt u dit weergeven in een tabel?

Antwoord:

In onderstaande tabel is uiteengezet voor welke hulp- en geneesmiddelen een eigen bijdrage, bijbetaling en/of het eigen risico geldt in 2024. Enkele bedragen voor vergoedingen en eigen bijdragen voor Zvw-hulpmiddelen worden jaarlijks geïndexeerd. De bedragen die in 2024 gaan gelden zijn gepubliceerd in de Staatscourant (Staatscourant 2023, nr. 24832).

Hulp- en geneesmiddel

Eigen bijdrage/bijbetaling

Eigen risico

Mondzorg, prothetische voorziening

Eigen bijdrage voor uitneembare volledige prothetische voorzieningen en reparaties of overzetting daarvan.

Ja, maar niet bij minderjarigen

Extramurale geneesmiddelen (farmaceutische zorg)

Bijbetaling voor geneesmiddelen die zijn opgenomen in het GVS en waarbij de prijs boven de vergoedingslimiet ligt. De totale bijbetalingen voor geneesmiddelen zijn in 2024 gemaximeerd op € 250 per patiënt per jaar.

Ja, maar niet bij minderjarigen

Intramurale geneesmiddelen (medisch specialistische zorg)

Geen eigen bijdrage.

Ja, maar niet bij minderjarigen

Haarwerken

Bijbetaling ter hoogte van de aanschaffingskosten van het haarwerk voor zover de kosten hoger zijn dan het vergoedingsbedrag.

Ja, maar niet bij minderjarigen

Lenzen en brillen

Eigen bijdrage voor lenzen en brillenglazen. De hoogte van de bijdrage voor lenzen is afhankelijk van de gebruiksduur van de lens. De hoogte van de bijdrage van brillen is lager indien slechts één oog dient te worden gecorrigeerd.

Ja, maar niet bij minderjarigen

Orthopedische en allergeenvrije schoenen

Eigen bijdrage voor een paar orthopedische en allergeenvrij schoenen, waarbij de eigen bijdrage ongeveer de helft bedraagt voor een verzekerde jonger dan zestien jaar.

Ja, maar niet bij minderjarigen

Hoorhulpmiddelen

Er geldt een eigen bijdrage voor een hoortoestel of tinnitusmaskeerder voor een meerderjarige verzekerde van vijfentwintig procent van de aanschafkosten.

Ja, maar niet bij minderjarigen

Vraag 123:

Hoeveel zou het jaarlijks kosten om zowel het verplicht als het vrijwillig eigen risico af te schaffen? Welk deel hiervan bestaat uit het wegvallen van het zogeheten remgeldeffect?

Antwoord:

Als we geen verplicht eigen risico betalen, zal er meer via de premie en belasting moeten worden betaald om de zorgkosten te kunnen blijven betalen. Concreet kost het afschaffen van het verplicht eigen risico naar schatting zo’n € 6 miljard. Hiervan betreft een kleine € 4 miljard de derving van de opbrengsten van het eigen risico. Het remgeldeffect is in Zorgkeuzes in Kaart14 ingeschat op ruim € 2 miljard15 en zal naar verwachting toenemen vanwege het remgeldeffect van de (nog door de Kamer te besluiten) maatregel waarbij er een maximumbedrag van € 150 per gedeclareerde prestatie voor medisch-specialistische zorg van toepassing is.16 Het remgeldeffect treedt op omdat mensen zich minder bewust zullen zijn van de kosten en vaker beroep zullen doen op de zorg.

Eerder dit jaar is onderzoek gedaan naar het vrijwillig eigen risico.17 Afschaffing van het vrijwillig eigen risico zou leiden tot een toename van de totale zorguitgaven met circa € 120 miljoen per jaar. Dit is het wegvallen van het remgeldeffect.

Vraag 124:

Hoeveel mensen hebben in 2023 hun gehele eigen risico opgemaakt? Kan dit percentage gegeven worden voor de jaren 2010 tot en met 2023?

Antwoord:

In onderstaande tabel vindt u de schattingen van het percentage volwassenen dat het verplicht eigen risico volledig volmaakt voor de periode 2010 tot en met 2023:

Jaar

Volwassenen die het verplicht eigen risico volmaken (in % van het totaal aantal volwassenen)

2010

60%

2011

60%

2012

59%

2013

54%

2014

51%

2015

49%

2016

47%

2017

47%

2018

48%

2019

48%

2020

48%

2021

48%

2022

48%

2023

49%

Vraag 125:

Hoeveel chronisch zieken en mensen met een beperking hebben in 2023 hun gehele eigen risico opgemaakt?

Antwoord:

Er bestaat geen eenduidige definitie voor chronisch ziek. Daarom wordt aangesloten bij de definitie die gehanteerd wordt in het kader van de risicoverevening. Iemand wordt hierbij als chronisch ziek beschouwd indien hij/zij in een Diagnosekostengroep (DKG), Farmaciekostengroep (FKG), Hulpmiddelenkostengroep (HKG), Fysiotherapiediagnosegroep (FDG), in een Meerjarig hoge kosten (MHK) klasse groter dan 1 of in een Meerjarig hoge kosten verpleging en verzorging (MVV) klasse groter dan 0 valt. Voor specifieke mensen met een beperking zijn geen gegevens beschikbaar.

In onderzoek voor de risicoverevening is aandacht besteed aan de vraag in hoeverre chronisch zieken en niet-chronisch zieken kosten onder het verplicht eigen risico maken. Hieruit komt naar voren dat 81 procent van de chronisch zieken het eigen risico volmaakt. Dit percentage is een schatting voor 2023, gebaseerd op data uit 2021.

Vraag 126:

Hoeveel chronisch zieken en mensen met een beperking hebben in 2023 hun gehele eigen risico in de eerste maand van het jaar opgemaakt?

Antwoord:

Naast dat er geen eenduidige definitie bestaat van chronisch ziek, zijn hierover geen gegevens beschikbaar.

Vraag 127:

Hoeveel mensen konden in 2023 hun eigen risico niet meer betalen? Wat zijn hiervan de laatste cijfers?

Antwoord:

Er zijn geen gegevens beschikbaar over het aantal mensen dat specifiek het eigen risico niet kan betalen.

In algemene zin geldt dat voor mensen met een laag inkomen er de zorgtoeslag is als tegemoetkoming voor de premie en het eigen risico. Daarnaast geldt dat bepaalde zorgvormen van het eigen risico zijn uitgezonderd. Ook bieden zorgverzekeraars de mogelijkheid het eigen risico gespreid te betalen en kunnen gemeenten financieel maatwerk bieden aan hun inwoners in verband met hun kosten van zorg en ondersteuning.

Vraag 128:

Kunt u in een overzicht weergeven hoeveel mensen respectievelijk 100, 75, 50, 25 en 0 procent van het verplicht eigen risico kwijt waren?

Antwoord:

De hoogte van het verplicht eigen risico kan in 6 klassen worden onderscheiden:

Eigen risico

Aandeel volwassenen

€ 0 tot € 25

25%

€ 25 tot € 100

11%

€ 100 tot € 200

7%

€ 200 tot € 300

5%

€ 300 tot € 385

3%

€ 385

49%

Deze cijfers betreffen schattingen voor 2023 op basis van de verwachte zorguitgaven en de onderzoeken ten behoeve van de risicoverevening.

Vraag 129:

Hoeveel mensen hebben het eigen risico vrijwillig verhoogd tot respectievelijk € 485, € 585, € 685, € 785 en € 885?

Antwoord:

In de Zorgthermometer «Verzekerden in beeld 2023»18 van Vektis is te zien dat 13,3% van de verzekerden ervoor heeft gekozen om in 2023 zijn eigen risico te verhogen. Van die groep heeft circa driekwart gekozen voor de maximale verhoging van 500 euro. In onderstaande tabel staan ook de percentages voor de andere mogelijke bedragen voor het vrijwillig eigen risico (in de tweede kolom als percentage van het totaal aantal verzekerden en in de derde kolom als percentage binnen de groep verzekerden die heeft gekozen voor een vrijwillig eigen risico).

Vrijwillig eigen risico

Aandeel

Verdeling hoogte vrijwillig eigen risico

Geen vrijwillig eigen risico

86,7%

 

Wel vrijwillig eigen risico

13,3%

 

– Verhoging van € 100 naar € 485

1,2%

9,0%

– Verhoging van € 200 naar € 585

1,3%

9,6%

– Verhoging van € 300 naar € 685

0,6%

4,5%

– Verhoging van € 400 naar € 785

0,2%

1,2%

– Verhoging van € 500 naar € 885

10,1%

75,6%

Vraag 130:

Welk deel van de bevolking maakt gebruik van een vrijwillig eigen risico?

Antwoord:

In 2023 heeft 13,3 procent van de verzekerden gekozen voor een vrijwillig eigen risico.19 Uit eerder onderzoek van Equalis20 blijkt dat vooral mannen, verzekerden onder de 55 jaar, verzekerden met een hoger inkomen/hoger opleidingsniveau en studenten voor een vrijwillig eigen risico kiezen. Verzekerden met historisch zorggebruik kiezen minder vaak voor een vrijwillig eigen risico.

Vraag 131:

Hoeveel wanbetalers waren er in 2022 en 2023 bij het betalen van de zorgverzekering?

Antwoord:

Het aantal verzekerden in de wanbetalersregeling schommelde in 2022 en 2023 tussen de 170.000 en 180.000.

Vraag 132:

Hoeveel mensen moeten op dit moment een bestuursrechtelijke premie betalen omdat zij een betalingsachterstand van meer dan zes maanden hebben op hun zorgverzekeringspremie?

Antwoord:

Op 1 december 2023 waren er 178.780 verzekerden bij wie de bestuursrechtelijke premie is opgelegd.

Vraag 133:

Kunt u een trendmatig overzicht geven van de hoeveelheid mensen die sinds 2010 een bestuursrechtelijke premie hebben moeten betalen? Kunt u een overzicht geven per jaar?

Antwoord:

In de onderstaande tabellen treft u de gevraagde gegevens aan.

Per ultimo

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Aantal wanb.

266.306

303.528

297.954

314.138

325.810

312.037

277.023

Instroom

289.132

122.818

118.706

126.901

127.536

118.489

133.283

Uitstroom

37.574

85.614

124.358

110.768

115.894

130.656

166.437

Per ultimo

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Aantal wanb.

249.044

223.714

202.702

189.652

170.221

170.541

Instroom

184.177

200.273

187.803

174.963

138.242

136.877

Uitstroom

206.792

225.603

208.815

188.013

157.673

136.557

Vraag 134:

Hoeveel mensen hebben een betalingsregeling getroffen voor de zorgpremie? Kunt u hiervan een overzicht geven per jaar sinds 2010?

Antwoord:

De onderstaande tabel betreft het aantal verzekerden per jaar dat uit de wanbetalersregeling is gestroomd, omdat zij een betalingsregeling hebben getroffen met de zorgverzekeraar. Het is niet bekend hoeveel betalingsregelingen in totaal worden getroffen voor de zorgpremie.

Jaar

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Aantal x 1.000

71

126

151

148

138

106

92

Vraag 135:

Kan kwantitatief en kwalitatief worden aangegeven in hoeverre het eigen risico in 2022 heeft geleid tot het minder gebruik maken van zorg en of dit heeft geresulteerd in gezondheidsschade?

Antwoord:

Het eigen risico heeft mede tot doel om bij te dragen aan het kostenbewustzijn van de zorg. Het is inderdaad ongewenst als mensen vanwege de kosten afzien van noodzakelijke zorg. Er kan sprake zijn van gewenste en ongewenste zorgmijding.

Jaarlijks wordt onderzoek naar zorgmijding gedaan door Nivel ten behoeve van de Staat van Volksgezondheid & Zorg (www.staatvenz.nl/kerncijfers/financiële-toegankelijkheid-afzien-van-zorg-vanwege-de-kosten). De trend over de jaren laat zien dat het percentage mensen dat aangeeft te hebben afgezien van zorg vanwege kosten is afgenomen en vervolgens stabiel blijft: van 16% in 2016 naar 8% in 2022. Dit zijn echter geen cijfers die specifiek zien op het afzien van zorg vanwege het eigen risico. Ook is er geen inzicht in eventuele effecten op de gezondheid.

Tabel: percentage mensen dat zegt af te zien van zorg vanwege de kosten

Jaar

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Totaal

16

11

8

9

7

8

8

Bezoek aan arts

8

7

5

5

4

4

6

Medisch onderzoek of (na)behandeling

8

6

5

5

3

4

3

Ophalen recept of overslaan dosering

8

3

3

5

1

2

2

Afzien van alle voorgenoemde drie vormen van zorg

2

1

1

1

1

0,5

0,4

Vraag 136:

Kunt u een overzicht sturen welke zaken aan het basispakket zijn toegevoegd of eruit zijn gehaald, vanaf 2006 tot en met 2023?

Antwoord:

Bij de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet (Zvw) per 1 januari 2006 is besloten dat het verzekerde pakket van de Ziekenfondswet zoals dat eind 2005 gold, bepalend was voor de aard, inhoud en omvang van het basispakket van de Zvw. Het basispakket 2006 was dan ook gelijk aan het ziekenfondspakket van ultimo 2005. Per 1 januari 2006 zijn er geen wijzigingen in het pakket aangebracht; geen uitbreidingen en ook geen beperkingen.

De te verzekeren prestaties van het basispakket zijn zo omschreven dat de medisch-inhoudelijke en maatschappelijke ontwikkelingen worden gevolgd. Hierdoor stromen nieuwe interventies en zorgvormen die voldoen aan de stand van wetenschap en praktijk «automatisch» het basispakket in. Daartegenover staat dat verouderde interventies en zorgvormen die in de medische praktijk niet meer worden toegepast «automatisch» uit het basispakket verdwijnen, omdat deze niet langer voldoen aan de stand van wetenschap en praktijk. Deze open in- en uitstroom is met name van belang ten aanzien van wijzigingen in de medisch-specialistische zorg. Omdat deze «automatische» in- en uitstroom in veel gevallen niet plaatsvindt op basis van uitspraken van het Zorginstituut, is het niet mogelijk hiervan een volledig beeld te geven. Wel zijn er in de medische wetenschap in brede zin de afgelopen 10 jaar veel ontwikkelingen geweest die ook impact hebben op het verzekerde pakket, zoals nieuwe dure geneesmiddelen en medische technologie.

Behalve de hiervoor genoemde automatische in- en uitstroom, vinden ook wijzigingen in het basispakket plaats op basis van politieke besluitvorming. In bijgaande drie tabellen is een overzicht hiervan opgenomen. De tabellen 1 en 2 geven een overzicht van respectievelijk de uitbreidingen en beperkingen in het basispakket. Tabel 3 betreft de voorwaardelijk toegelaten behandelingen.

Tabel 1: Overzicht politiek besloten uitbreidingen basispakket 2006–2023

Jaar

Uitbreiding

2006

geen uitbreidingen basispakket

2007

uitbreiding aantal zittingen psychotherapie

2008

jeugdtandzorg t/m 21 jaar

2009

dyslexiezorg aan kinderen t/m 12 jaar

2010

geen uitbreidingen basispakket

2011

bekkenfysiotherapie in verband met urine-incontinentie stoppen met roken

2012

geen uitbreidingen basispakket

2013

brillenglazen voor kinderen met medische indicatie

vervallen minimum leeftijdsgrens van 6 jaar bij fluorideapplicatie blijvende gebitselementen

geriatrische revalidatie (overheveling uit AWBZ)

bruikleen hulpmiddelen (overheveling uit AWBZ)

2014

geen uitbreidingen basispakket

2015

niet-invasieve prenatale test (NIPT)

zintuiglijk gehandicaptenzorg (overheveling uit AWBZ)

verpleging en verzorging zonder verblijf (overheveling uit AWBZ)

tweede en derde jaar intramurale geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (overheveling uit de AWBZ)

2016

geen uitbreidingen basispakket

2017

fysiotherapie bij claudicatio intermittens (etalagebenen)

plastische chirurgie bij het uitvoeren van een bovenooglidcorrectie

borstvergroting bij agenesie of aplasie van de borst

circumcisie om medische redenen

(uitgestelde) fronttandvervanging bij verzekerden tot hun drieëntwintigste levensjaar

bijzondere tandheelkunde, implantaatgedragen gebitsprothesen voor verzekerden die voor eigen rekening implantaten heeft laten plaatsen

2018

fysiotherapie bij artrose aan heup- en kniegewrichten

verleggen van de afbakening tussen het basispakket en de Jeugdwet als het gaat om verzorging bij verzekerden jonger dan achttien jaar

wijzigen van de prestatie zittend ziekenvervoer bij oncologische behandelingen waar het gaat om immuuntherapie met geneesmiddelen

2019

fysiotherapie bij Chronic Obstructive Pulmonary Disease (COPD)

uitbreiding aanspraak ziekenvervoer naar consulten, (na)controles en (bloed)onderzoek die nodig zijn voor de oncologische behandelingen, nierdialyses en vergelijkbare situaties die onder de hardheidsclausule vallen.

2020

Geneeskundige zorg van de specialist ouderengeneeskunde en de arts verstandelijk gehandicapten is overgeheveld vanuit de «Tijdelijke subsidieregeling extramurale behandeling» naar de Zvw.

Verruiming in de vergoeding van apotheekbereidingen van geneesmiddelen.

De geriatrische revalidatiezorg is formeel (als categorie) aan de aanspraak voor ziekenvervoer toegevoegd.

In situaties waarop normaal gesproken vervoer wordt vergoed, en dit vervoer op tenminste drie achtereenvolgende dagen nodig is, kan de zorgverzekeraar een vergoeding voor de kosten van logeren verstrekken die gedeeltelijk in de plaats komt van een vergoeding voor vervoerskosten.

2021

Dagbehandeling voor verschillende patiëntgroepen, de gedragswetenschapper (gespecialiseerde psycholoog en orthopedagoog-generalist) en de paramedische zorg is overgeheveld vanuit de «Tijdelijke subsidieregeling extramurale behandeling» naar de Zvw.

Ziekenvervoer van en naar dagbehandeling die onderdeel is van een zorgprogramma bij chronisch progressieve degeneratieve aandoeningen, niet- aangeboren hersenletsel of in verband met een verstandelijke beperking is toegevoegd aan het basispakket.

Orgaandonoren hoeven geen verplicht eigen risico meer te betalen voor medische kosten die verband houden met de donatie en die optreden na 13 weken na de donatie bij leven.

Het maximaal aantal behandelingen en onderhoudsbehandelingen voor COPD-patiënten in subcategorie B2 is gelijkgetrokken met die van categorieën C en D.

2022

geen uitbreidingen basispakket

2023

Fysio- en oefentherapie voor een valpreventieve beweeginterventie is aan het basispakket toegevoegd.

De kraamzorg is geflexibiliseerd. Dit houdt in dat kraamzorg gedurende ten hoogste 6 weken, in plaats van gedurende ten hoogste 10 dagen, geleverd mag worden (gerekend vanaf de dag van bevalling).

Tabel 2: Overzicht politiek besloten beperkingen basispakket 2006–2023

Jaar

Beperking

2006

geen beperkingen basispakket

2007

geen beperkingen basispakket

2008

geen beperkingen basispakket

2009

slaapmiddelen

cholesterolverlagers

hulpmiddelen

2010

acetylcysteïne

2011

antidepressiva

jeugd tandzorg boven 18 jaar

extracties

anticonceptie

fysiotherapie 9 naar 12 behandelingen voor eigen rekening

2012

fysiotherapie 12 naar 20 behandelingen voor eigen rekening

fysiotherapie, beperking chronische lijst

maagzuurremmers, met uitzondering van chronisch gebruik

stoppen met roken

dieetadvisering

eerstelijns psychologische zorg, van 8 naar 5 behandelingen

aanpassingsstoornissen

2013

eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen

redressiehelm

beperking aantal terug te plaatsen embryo’s bij ivf

vruchtbaarheidsbehandelingen voor vrouwen van 43 jaar of ouder

paracetamol/codeïne

2014

geen beperkingen basispakket

2015

jeugd-ggz, inclusief dyslexiezorg voor kinderen naar Jeugdwet

combinatietest voor zwangere vrouwen vanaf 36 jaar

2016

geen beperkingen basispakket

2017

geen beperkingen basispakket

2018

geen beperkingen basispakket

2019

vitaminen, mineralen en paracetamol waarvoor een gelijkwaardig of nagenoeg gelijkwaardig alternatief bestaat in de vrije verkoop

2020

geen beperkingen basispakket

2021

geen beperkingen basispakket

2022

combinatietest voor zwangere vrouwen

colecalciferol-bevattende geneesmiddelen en calcifediol.

2023

Geen beperkingen basispakket

Tabel 3: Overzicht voorwaardelijk toegelaten behandelingen 2012–2023

Jaar

Voorwaardelijk toegelaten behandelingen

2012

anesthesiologische pijnbestrijdingstechnieken bij patiënten met chronische aspecifieke lage rugpijn

2013

renale denervatie bij patiënten met therapieresistentie

behandeling van een herseninfarct met toepassing van intra-arteriële thrombolyse

2014

het endoscopisch in plaats van chirurgisch behandelen van abcessen bij patiënten met geïnfecteerde pancreasnecrose

autologe stamceltransplantaties bij therapierefractaire patiënten (patiënten die niet voldoende reageren op medicamenteuze behandeling met o.a. TNF-alfa blokkers) met de ziekte van Crohn

2015

het geneesmiddel Belimumab (Benlysta®) bij een deel van de volwassen patiënten met Systemische Lupus erythematosus (SLE)

tumor infiltrerende lymfocyten (TIL) bij patiënten met uitgezaaid melanoom in de laatste stadia

een bepaald type chemotherapie (HIPEC) ter preventie van uitzaaiingen in de buik bij bepaalde patiënten met darmkanker

borstreconstructie na borstkanker met autologe vet transplantatie

2016

percutane transforaminale endoscopische discectomie (PTED) bij lumbosacraal radiculair syndroom en lumbale hernia

behandeling van medicamenteus onbehandelbare chronische clusterhoofdpijn met occipitale zenuwstimulatie

het geneesmiddel fampridine (Fampyra®) bij multiple sclerosis (MS)

dendritische celvaccinaties bij patiënten met stadium IIIB en IIIC melanoom na complete resectie

sacrale neuromodulatie bij therapieresistente functionele obstipatie met vertraagde darmpassage

2017

geïntensifieerde, alkylerende chemotherapie met autologe stamceltransplantatie voor behandeling van stadium III BRCA1-like borstkanker

combinatiebehandeling van cytoreductieve chirurgie en hypertherme intraperitoneale chemotherapie (HIPEC) bij patiënten met zowel maagcarcinoom als synchrone buikvliesmetastasen of tumorpositief buikvocht

2018

geen nieuwe voorwaardelijke toelatingen tot het basispakket

verlenging van de periode van voorwaardelijke toelating van percutane transforaminale endoscopische discectomie (PTED) bij lumbosacraal radiculair syndroom en lumbale hernia tot 1 december 2020

verlenging van de periode van voorwaardelijke toelating van borstreconstructie na borstkanker met autologe vet transplantatie tot 1 oktober 2022

2019

CardioMEMS arteria pulmonalis monitoring bij patiënten met chronischhartfalen New York Heart Association (NYHA) klasse III met recidiverende ziekenhuisopnamen

De behandeling met Binamed medische zilverkleding of Dermacura antibacterieel verbandkleding van kinderen en volwassenen met matig tot ernstig constitutioneel eczeem

Langdurige actieve fysiotherapie vanaf de eenentwintigste behandeling bij patiënten met axiale spondyloartritis met ernstige functionele beperkingen;

Langdurige actieve fysiotherapie vanaf de eenentwintigste behandeling bij patiënten met reumatoïde artritis met ernstige functionele beperkingen.

Verlenging van de periode van voorwaardelijke toelatingen van de behandeling met tumor infiltrerende lymfocyten van uitgezaaid melanoom irresectabel stadium IIIc en stadium IV tot 1 juli 2022.

Verlenging van de periode van voorwaardelijke toelatingen van de behandeling met dendritische cel vaccinaties van patiënten met stadium IIIB en IIIC melanoom na complete resectie tot 1 augustus 2022, en

Verlenging van de periode van voorwaardelijke toelatingen van de behandeling met sacrale neuromodulatie voor therapieresistente, functionele obstipatie met vertraagde darmpassage tot 1 januari 2022

2020

Nusinersen (Spinraza®) bij patiënten met 5q spinale spieratrofie (SMA) die 9,5 jaar en ouder zijn;

Hypertherme intraperitoneale chemotherapie (HIPEC) toegevoegd aan primaire debulking bij patiënten met stadium III ovariumcarcinoom.

2021

Larotrectinib (Vitrakvi®) voor de behandeling van volwassen en pediatrische patiënten met solide tumoren die een neurotrofe tyrosine receptor kinase-genfusie vertonen

Entrectinib (Rozlytrek®) voor de behandeling van volwassen patiënten en kinderen van 12 jaar en ouder met solide tumoren die een neurotrofe tyrosine receptor kinase- genfusie vertonen

2022

Geen nieuwe voorwaardelijke toelatingen tot het basispakket verlenging van de periode van voorwaardelijke toelating van:

borstreconstructie na borstkanker met autologe vet transplantatie tot 1 januari 2023;

VTumor infiltrerende lymfocyten van uitgezaaid melanoom irresectabel stadium IIIC en stadium IV tot 1 januari 2023;

Binamed medische zilverkleding of Dermacura antibacterieel verbandkleding van kinderen en volwassenen met matig tot ernstig constitutioneel eczeem tot 1 januari 2024;

Langdurige actieve fysiotherapie bij patiënten met reumatoïde artritis met ernstige functionele beperkingen tot 1 januari 2024;

CardioMEMS arteria pulmonalis monitoring bij patiënten met chronisch hart- falen New York Heart Association klasse III met recidiverende ziekenhuisop- namen tot 1 maart 2024;

Langdurige actieve fysiotherapie bij patiënten met axiale spondyloartritis met ernstige functionele beperkingen tot 1 juli 2024;

Combinatiebehandeling van cytoreductieve chirurgie en hypertherme intrape- ritoneale chemotherapie bij patiënten met zowel maagcarcinoom als syn- chrone buikvliesmetastasen of tumorpositief buikvocht tot 1 oktober 2024.

Geïntensiveerde, alkylerende chemotherapie met stamceltransplantatie voor de behandeling van patiënten van 18 tot en met 65 jaar met BRCA1-like, stadium III borstkanker tot 1 januari 2025;

Einde voorwaardelijke toelating i.v.m. afronding project:

Dendritische cel vaccinaties bij patiënten met melanoom stadium IIIB en IIIC;

Sacrale neurostimulatie bij patiënten met therapieresistente, functionele obstipatie met vertraagde darmpassage.

2023

Verlenging van de periode van voorwaardelijke toelating langdurige actieve fysiotherapie of oefentherapie voor de behandeling van patiënten met reumatoïde artritis en ernstige functionele beperkingen tot 1 januari 2025.

Verlenging van de periode van de voorwaardelijke toelating langdurige actieve fysiotherapie of oefentherapie voor de behandeling van patiënten met axiale spondyloartritis en ernstige functionele beperkingen tot 1 januari 2026.

Verlenging van de periode van voorwaardelijke toelating van eerstelijns paramedische herstelzorg voor COVID-19-patiënten tot 1 januari 2025.

Einde voorwaardelijke toelating i.v.m. afronding project:

de behandeling met tumor infiltrerende lymfocyten van uitgezaaid melanoom irresectabel stadium IIIc en stadium IV.

borstreconstructie na borstkanker met autologe vet transplantatie.

larotrectinib voor de behandeling van volwassen en pediatrische patiënten met solide tumoren die een neurotrofe tyrosine receptor kinase-genfusie vertonen.

entrectinib voor de behandeling van volwassen patiënten en kinderen van 12 jaar en ouder met solide tumoren die een neurotrofe tyrosine receptor kinase-genfusie vertonen.

Vraag 137:

Hoe was de verdeling naar inkomensgroep van mensen die de bestuursrechtelijke premie betalen? En hoe was dat in vorige jaren?

Antwoord:

Wanbetalers naar inkomensgroep op 31 december (bron: CBS)

Inkomensgroep

2018

2019

2020

Totaal verzekeringsplichtigen in 2020

Totaal

206.100

190.250

174.720

14.164.790

< € 10.000

20.000

16.730

15.080

401.580

€ 10.000 tot € 20.000

92.050

79.470

68.100

2.051.630

€ 20.000 tot € 30.000

58.400

55.760

51.490

3.737.980

€ 30.000 tot € 40.000

22.330

23.740

24.090

3.610.450

€ 40.000 tot € 50.000

5.880

6.910

7.640

2.247.500

> € 50.000

2.070

2.990

3.380

2.003.270

Onbekend

5.370

4.640

4.930

111.800

In de bovenstaande tabel is de groep wanbetalers verdeeld over de verschillende inkomensgroepen. Hierbij is uitgegaan van het jaarlijks gestandaardiseerd besteedbaar huishoudensinkomen. Het gestandaardiseerd besteedbaar huishoudensinkomen is gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling van het huishouden. De cijfers over 2021 en 2022 zijn nog niet beschikbaar.

Vraag 138:

Hoeveel gemeenten bieden een collectieve ziektekostenverzekering aan voor minima?

Antwoord:

Adviesbureau BS&F heeft mij laten weten dat in 2023 323 gemeenten een gemeentepolis aanboden. Dit zijn er drie minder dan in 2022, maar in 2023 zijn er ook drie gemeenten minder. Het aantal gemeenten dat een gemeentepolis aanbood bleef dus feitelijk gelijk (95 procent van alle gemeenten).

Vraag 139:

Hoeveel gemeenten zijn de afgelopen twee jaar gestopt met het aanbieden van een collectieve ziektekostenverzekering voor minima?

Antwoord:

Adviesbureau BS&F heeft laten weten dat in 2022 één gemeente is gestopt met het aanbieden van een gemeentepolis. In 2023 is één gemeente gestopt en één gemeente gestart met het aanbieden van een gemeentepolis.

Vraag 140:

Hoeveel mensen maken gebruik van een collectieve ziektekostenverzekering voor minima?

Antwoord:

In 2023 namen circa 640.000 mensen deel aan een gemeentepolis.21

Vraag 141:

In hoeverre zijn deze gemeentelijke verzekeringen gunstiger dan een budgetpolis bij een verzekeraar?

Antwoord:

Deelname aan een gemeentepolis kan voor een verzekerde met een minimuminkomen gunstiger zijn dan een andere polis bij een verzekeraar. Met name de gemeentelijke bijdrage zorgt ervoor dat de uiteindelijke premie die gemeentepolishouders zelf betalen, gemiddeld genomen iets lager uitkomt dan de premie voor een onderliggende polis (basisverzekering plus reguliere aanvullende verzekering). Maar het kan ook ongunstiger zijn. Sociale minima die (vrijwel) geen zorg nodig hebben die niet vergoed wordt vanuit het basispakket, kunnen bijvoorbeeld beter uit zijn met een reguliere polis dan met een gemeentepolis. De gemeentelijke polissen voor minima bevatten namelijk vaak uitgebreide aanvullende verzekeringen. Het onderzoek van Zorgweb uit 202022 laat zien dat de premies van de aanvullende verzekeringen behorende bij de gemeentepolis aanzienlijk hoger liggen dan de premies van de onderliggende aanvullende verzekeringen. Dit komt omdat de dekking uitgebreider is.

Vraag 142:

Hoeveel mensen hebben in 2023 een naturapolis en zijn hierin verschillen te zien per zorgverzekeraar?

Antwoord:

In 2023 zijn er 60 verschillende polissen op de markt: 37 hiervan zijn naturapolissen, 7 restitutiepolissen en 16 combinatiepolissen.

In totaal hebben circa 13,5 miljoen mensen in 2023 een naturapolis.

Er zijn geen gegevens beschikbaar over het aantal verzekerden met een naturapolis per verzekeraar. Wel over het aantal naturapolissen per verzekeraar in 2023: Achmea heeft 11 naturapolissen, ASR 2, CZ 5, DSW 0, ENO 1, EUCARE 3, Menzis 2, ONVZ 1, VGZ 10 en Zorg en Zekerheid 2.

Vraag 143:

Hoeveel mensen hebben in 2023 een budgetpolis en zijn hierin verschillen te zien per zorgverzekeraar?

Antwoord:

Een budgetpolis is een naturapolis, maar dan met meer beperkende voorwaarden dan een gemiddelde naturapolis. Zo kunnen er minder zorgaanbieders gecontracteerd zijn en/of is de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg lager dan 75%. Daar staat tegenover dat de premie voor een budgetpolis vaak lager is dan voor een gemiddelde naturapolis.

In 2023 zijn er 60 verschillende polissen op de markt: 37 hiervan zijn naturapolissen waarvan 17 naturapolissen met beperkende voorwaarden, 7 restitutiepolissen en 16 combinatiepolissen.

In totaal hebben circa 4,3 miljoen mensen in 2023 een naturapolis met beperkende voorwaarden.

Er zijn geen gegevens beschikbaar over het aantal verzekerden met een naturapolis met beperkende voorwaarden per verzekeraar. Wel over het aantal naturapolissen met beperkende voorwaarden per verzekeraar in 2023: Achmea heeft 3 naturapolissen met beperkende voorwaarden, ASR 0, CZ 4, DSW 0, ENO 1, EUCARE 1, Menzis 1, ONVZ 0, VGZ 6 en Zorg en Zekerheid 1.

Vraag 144:

Hoeveel mensen hebben in 2023 een restitutiepolis en zijn hierin verschillen te zien per zorgverzekeraar?

Antwoord:

In 2023 zijn er 60 verschillende polissen op de markt: 37 hiervan zijn naturapolissen, 7 restitutiepolissen en 16 combinatiepolissen.

In totaal hebben circa 0,8 miljoen mensen in 2023 een restitutiepolis.

Er zijn geen gegevens beschikbaar over het aantal verzekerden met een restitutiepolis per verzekeraar. Wel over het aantal restitutiepolissen per verzekeraar in 2023: Achmea heeft 1 restitutiepolis, ASR 1, CZ 1, DSW 1, ENO 0, EUCARE 2, Menzis 1, ONVZ 0, VGZ 0 en Zorg en Zekerheid 0.

Vraag 145:

Hoeveel mensen hebben in 2023 een aanvullende polis afgesloten en zijn hierin verschillen te zien per zorgverzekeraar?

Antwoord:

In 2023 koos 82,5 procent van de verzekerden voor een aanvullende verzekering.23 Er zijn bij het Ministerie van VWS geen gegevens bekend over het aantal afgesloten aanvullende verzekeringen per zorgverzekeraar.

Vraag 146:

Wat zou het kosten om het eigen risico te verlagen met € 100? Welk deel daarvan bestaat uit het zogeheten «remgeldeffect»?

Antwoord:

Als het verplicht eigen risico eenmalig wordt verlaagd, zal er meer via de premie en belasting moeten worden betaald om de zorgkosten te kunnen blijven betalen. Concreet kost het verlagen van het verplicht eigen risico met € 100 zo’n € 1,6 miljard. Hiervan betreft € 0,9 miljard de derving van de opbrengsten van het eigen risico. Het remgeldeffect is in Zorgkeuzes in Kaart24 ingeschat op € 0,7 miljard25, omdat mensen zich minder bewust zijn van de kosten en vaker een beroep zullen doen op de zorg.

Vraag 147:

Hoe staat het momenteel met het traject om fysiotherapie in het basispakket te brengen?

Antwoord:

Als onderdeel van het traject «Naar een passende aanspraak fysio- en oefentherapie» (PAFOZ) hebben partijen gewerkt aan het Kwaliteitskader Fysiotherapie en Oefentherapie en heeft de NZa op 18 december jl. het advies over passende bekostiging voor eerstelijns fysio- en oefentherapeutische zorg gepubliceerd. Partijen bekijken nu met elkaar welke onderdelen van fysio- en oefentherapie voldoen aan de criteria van de Zvw. Op korte termijn verwacht het Ministerie van VWS een voortgangsrapportage van het Zorginstituut over het PAFOZ-traject. Aan de hand van de rapporten van het Zorginstituut en de NZa wordt in overleg met de betrokken overheids- én veldpartijen besproken welke onderdelen van de eerstelijns fysio- en oefentherapeutische zorg in aanmerking zouden kunnen komen om toe te voegen aan het basispakket per 1 januari 2025 of daarna. Zoals toegezegd in de Kamerbrief van 1 juni 2023 (Kamerstukken II 2022/23, 29 689, nr. 1197), zal het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de Kamer begin 2024 nader informeren over het vervolg.

Vraag 148:

Hoeveel zou het kosten om de bezettingsnorm voor verpleeghuizen in stand te laten?

Antwoord:

Voor de doorontwikkeling van het kwaliteitskader verpleeghuiszorg is oorspronkelijk een ombuiging ingeboekt van € 100 miljoen in 2024, € 200 miljoen in 2025 en € 350 miljoen structureel vanaf 2026. De doorontwikkeling van het Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg krijgt vorm door registratie van een nieuw kwaliteitskader in het register van het Zorginstituut. De ombuiging voor 2024 is vervallen, omdat er onvoldoende voorbereidingstijd was voor de sector om te starten met de implementatie van het nieuwe kwaliteitskader. Dit is ook als zodanig verwerkt in de ontwerpbegroting 2024. Het in stand laten van de bezettingsnorm voor verpleeghuizen zou € 200 miljoen kosten in 2025 en zou structureel vanaf 2026 € 350 miljoen kosten.

Vraag 149:

Hoeveel wordt er de komende jaren naar verwachting bezuinigd op de ouderenzorg?

Antwoord:

De uitgaven aan Wlz-ouderenzorg stijgen naar verwachting van € 17,7 miljard in 2023 naar € 19,0 miljard in 2026. Hierbij is rekening gehouden met de tariefmaatregelen uit het coalitieakkoord, overige maatregelen en de groeiruimte uit de ontwerpbegroting op het terrein van de ouderenzorg. Dit betreft bedragen in prijspeil 2023. Hier komen dus nog de middelen voor de loon- en prijsbijstellingen voor 2024 t/m 2026 bovenop. De kern is dus dat er per saldo geen sprake is van bezuinigingen, maar van «minder meer» uitgaven. Ook de gemiddelde uitgaven per cliënt in de Wlz-ouderenzorg zullen toenemen, zoals de Minister voor Langdurige Zorg en Sport heeft aangegeven in de brief van 8 juni jl. over de financiële ontwikkelingen op het terrein van de ouderenzorg in de Wlz26.

Bijgaande tabel geeft een nadere toelichting op de geschetste uitgavenontwikkeling.

Vraag 150:

Hoeveel wordt er de komende jaren naar verwachting bezuinigd op de gehandicaptenzorg?

Antwoord:

De uitgaven aan Wlz-gehandicaptenzorg stijgen naar verwachting van € 12,3 miljard in 2023 naar € 13,2 miljard in 2026. Hierbij is rekening gehouden met de tariefmaatregelen uit het coalitieakkoord, overige maatregelen en de groeiruimte uit de ontwerpbegroting op het terrein van de gehandicaptenzorg. Dit betreft bedragen in prijspeil 2023. Hier komen dus nog de middelen voor de loon- en prijsbijstelling voor 2024 tot en met 2026 bovenop. De kern is dus dat er per saldo geen sprake is van bezuinigingen, maar van «minder meer» uitgaven.

Bijgaande tabel geeft een nadere toelichting op de geschetste uitgavenontwikkeling.

Vraag 151:

Hoeveel wordt er de komende jaren naar verwachting bezuinigd op de geestelijke gezondheidszorg?

Antwoord:

Het huidige beleid van het demissionaire kabinet leidt tot een stijging van de uitgaven in de geestelijke gezondheidszorg (ggz). De uitgaven in de ggz (curatieve ggz, langdurige ggz en beschermd wonen) zijn daarnaast de afgelopen jaren niet afgenomen maar toegenomen, het betreft een stijging van € 5,5 miljard in 2016 naar € 9,3 miljard in 2023.

(Bedrag x 1 miljoen euro)

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

GGZ

5.533

5.736

5.875

6.593

7.145

6.3121

8.428

9.314

X Noot
1

Deze daling in 2021 wordt veroorzaakt door een technische schadelastdip in de uitgavencijfers door de overgang naar het zorgprestatiemodel in de curatieve ggz, dit heeft geen effect op de daadwerkelijk geleverde zorg.

Vraag 152:

Hoeveel zou het kosten om de bezuinigingen die de komende jaren voor de Wlz zijn gepland te schrappen?

Antwoord:

In de bijgevoegde tabel vind u een overzicht van alle ombuigingen in de Wlz voor de komende jaren. Dit zijn allen maatregelen die moeten bijdragen aan een meer houdbare uitgavenontwikkeling van de Wlz. Het schrappen van onderstaande maatregelen zal in 2024 leiden tot een kostenpost van € 203 miljoen oplopend tot een kostenpost van € 1,1 miljard in 2028. De structurele meerkosten zullen een bedrag van € 2 miljard bedragen. Daar ombuigingen voor het jaar 2024 reeds in de Wlz tarieven zijn opgenomen acht de Minister voor Langdurige zorg en Sport het niet reëel deze maatregelen alsnog te kunnen schrappen. Het schrappen van maatregelen in latere jaren is voor zover mogelijk aan een nieuw kabinet.

Wlz

2024

2025

2026

2027

2028

Struc.

Doorontwikkeling kwaliteitskader

0

– 200

– 350

– 350

– 350

– 350

Meerjarig contracteren

0

– 245

– 135

– 135

– 135

– 1