Ontvangen 2 juli 2026
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het nader verslag van 31 maart 2026 inzake het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en enkele andere wetten met het oog op een integrale en gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek en de daarvoor benodigde gegevensverwerking (Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (Wams)).
Ik dank de leden van de fracties van D66, VVD, GroenLinks-PvdA, PVV, CDA, BBB, SGP, ChristenUnie, SP en Groep Markuszower, voor hun bijdragen.
Uit de vragen wordt andermaal duidelijk dat waar het de hulp aan (kwetsbare) mensen betreft, er sprake is van balanceren tussen enerzijds de erkenning van de noodzaak om deze mensen beter te kunnen helpen en anderzijds de zorg dat niet onnodig – gevoelige – persoonsgegevens worden gedeeld en het recht geen hulp te willen. De Wams geeft de instrumenten om hierin het juiste evenwicht te vinden, zodat bij de hulp, zorg en ondersteuning betrokken partijen beter van elkaar weten wat ze voor een persoon of gezin (kunnen) doen en die hulp dus beter op elkaar kan worden afgestemd, zónder dat nodeloos gegevens tussen deze partijen rondgaan.
Het kunnen doen van een onderzoek naar meervoudige problematiek en in het vervolg daarop kunnen aanbieden van een gecoördineerde aanpak, zal vooral mensen kunnen helpen die zelf met een hulpvraag komen. Ter illustratie: bij een verzoek om ondersteuning voor een kind met mogelijke gedragsproblemen, kan – in gesprek met de ouders – bijvoorbeeld blijken dat het gezin ook te kampen heeft met schulden en verslavingsproblematiek. Een ander voorbeeld: bij een aanvraag op grond van de Participatiewet kan in gesprek met de cliënt blijken dat hij/zij ook problemen heeft vanwege huurachterstanden en het niet lukt een opleiding af te ronden. In dit soort casus kan in samenspraak met de cliënten een onderzoek naar meervoudige problematiek worden gestart. In het laatste voorbeeld kan dan tijdens het onderzoek blijken dat de problemen met de opleiding verband houden met een chronische ziekte en dat de cliënt een beperkt sociaal netwerk heeft waardoor hij/zij een gebrek aan de voor hem/haar nodige steun heeft. De gecoördineerde aanpak zou dan kunnen bestaan uit een voorziening op grond van de Participatiewet, afspraken met de woningbouw over het inlopen van de huurachterstand, begeleiding bij de opleiding en ondersteuning vanuit sociaal werk.
Het wetsvoorstel voorziet in wettelijke grondslagen om voor zo’n onderzoek de noodzakelijke gegevens te kunnen verwerken. Wat noodzakelijk is hangt af van de casus en hangt samen met het beginsel van minimale gegevensverwerking. Door de regels van dit wetsvoorstel hebben betrokken partijen de handvatten om gegevens met het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) te delen om tot goed op elkaar afgestemde en gecoördineerde hulp te komen, terwijl er ook een rem zit op het verwerken van gegevens die voor het inzetten van de juiste hulp niet ter zake doen.
De regels voor de verstrekking van gegevens zijn in het licht van de op grond van artikel 6 van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) toegestane gronden voor verwerking, vormgegeven als wettelijke verstrekkingsplichten. Dat betekent niet dat die verstrekkingen ongeclausuleerd zijn. Integendeel. De vragende partij – dat is het college of de coördinator – heeft de verantwoordelijkheid alleen te vragen wat noodzakelijk is voor het onderzoek of de gecoördineerde aanpak, en de verstrekkende partij heeft de verantwoordelijkheid na te gaan of de gevraagde gegevens wel allemaal noodzakelijk zijn in het licht van het onderzoek of de gecoördineerde aanpak. Dat zal nooit een volledig dossier zijn of de inhoud van een vertrouwelijk gesprek. Het kan bijvoorbeeld in het onderzoek en de aanpak van de meervoudige problematiek noodzakelijk zijn te weten dat iemand fysieke of mentale beperkingen heeft, maar vaak zal het daarvoor niet nodig zijn om ook te weten wat de achterliggende diagnose is. Elke betrokken partij heeft zijn eigen verantwoordelijkheid om de beginselen van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht te nemen. De wettelijke regeling die met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld maakt tegelijkertijd duidelijk dat samenwerking om mensen met meervoudige problematiek beter te kunnen helpen, niet vrijblijvend is. Langs elkaar heen werken omdat gegevens niet gedeeld mogen worden, kan dan plaats maken voor het op een verantwoorde manier samenwerken met de zekerheid dat dit wettelijk is geborgd.
Het wetsvoorstel voorziet ook in de mogelijkheid om een onderzoek te starten bij ernstige meervoudige problematiek, een vorm van bemoeizorg. De praktijk leert dat mensen met meerdere ernstige problemen doorgaans niet om hulp vragen, of hooguit selectief. Deze groep van zgn. zorgmijders overlapt vermoedelijk met de groep mensen met verward of onbegrepen gedrag. Partijen die bij deze mensen betrokken zijn, weten niet altijd welke andere partijen bij een persoon betrokken zijn, zodat de geboden hulp minder effect heeft. Een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek kan dan helpen om tot een gecoördineerde aanpak te komen.
Omdat een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek kan worden gestart zonder dat de cliënt zelf met een hulpvraag is gekomen, zijn de waarborgen in de wet streng. Aan alle voorwaarden voor ernstige meervoudige problematiek moet zijn voldaan (artikel 2.3a.4, eerste lid, onderdeel a) en daarnaast moet een gecoördineerde aanpak kunnen bijdragen aan het oplossen of verminderen van de problematiek (artikel 2.3a.4, eerste lid, onderdeel b). Dit betekent niet dat voor de betrokken partij die een verzoek doet voor een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek en voor het college alles honderd procent zeker moet vaststaan, maar het verzoek en het starten van het onderzoek moeten wel onderbouwd zijn. Daarbij kan het college ook tot de conclusie komen dat het gezien de situatie passender is de cliënt aan te melden bij het Zorg- en Veiligheidshuis1. Met een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek wordt het mogelijk om bepaalde mensen met verward of onbegrepen gedrag die nog in zekere mate aanspreekbaar lijken te zijn, met een gecoördineerde aanpak hulp te kunnen bieden zodat de situatie niet verder escaleert, en de situatie van deze cliënt en zijn omgeving weer kan verbeteren.
Het wetsvoorstel regelt ook het wettelijk kader voor de meldpunten niet-acuut waar een ieder met zorgen over zichzelf of een ander die zorgen kan bespreken en een melding kan doen. Die melding kan leiden tot bemoeizorg vanuit de oggz-taak van gemeenten.
Een bemoeizorg-team kan dan voorzichtig contact gaan leggen, vertrouwen winnen en proberen of iemand naar de juiste hulp geleid kan worden. Er is geen directe koppeling met een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek. Zo’n onderzoek kan alleen – zoals hierboven is beschreven – worden gestart op basis van een onderbouwde aanvraag van een betrokken partij.
Al met al biedt dit wetsvoorstel een gebalanceerd kader om – vaak kwetsbare mensen en gezinnen – die te kampen hebben met meervoudige problematiek, beter te kunnen helpen. Dit wetsvoorstel werd al aangekondigd in november 2018.2 Het zou in het belang van de mensen die hiermee geholpen kunnen worden, en de professionals die de juiste zorg en ondersteuning voor deze mensen willen inzetten, goed zijn als de Wams zo spoedig mogelijk in werking treedt.
Naast het verder brengen van dit wetsvoorstel, is het van belang verdere stappen te gaan zetten in het versterken van de praktijk rondom bemoeizorg. Mede naar aanleiding van het verzoek van uw Kamer om concrete kaders te delen over de invulling van een wettelijke verankering van de bemoeizorg in de Wmo 2015, het onderzoek van Movisie naar de huidige praktijk rond bemoeizorg, en het voornemen in het regeerakkoord om bemoeizorg verder te versterken, onderzoek ik momenteel samen met gemeenten en andere partijen welke beleidsopties daarvoor zijn. In de voortgangsbrief van de interdepartementale aanpak verward en onbegrepen gedrag, die u rond de zomer zult ontvangen, zal het kabinet u hierover nader informeren.
Tegelijk met het aanbieden van deze nota naar aanleiding van het nader verslag, start ik de internetconsulatie van de algemene maatregel van bestuur (amvb). Het concept van deze amvb heb ik als bijlage aan deze nota naar aanleiding van het nader verslag toegevoegd.
Bij de beantwoording is de volgorde van het verslag aangehouden. De vragen zijn in een cursief lettertype geplaatst. De beantwoording van de vragen staat in gewone typografie.
1. De D66-fractie hebben zorgen over de uitvoerbaarheid van de Openbare Geestelijke Gezondheidszorg (OGGZ), en vragen of de regering deze zorgen ook heeft?
In de context van dit wetsvoorstel, dat beoogt een belangrijk knelpunt inzake gegevensuitwisseling en privacy binnen het sociaal domein weg te nemen, wordt de gemeentelijke taak in het kader van de openbare geestelijke gezondheidszorg weer in de wet geëxpliciteerd. Dit gebeurt op nadrukkelijk verzoek van gemeenten en GGD GHOR Nederland. GGD’en moeten bij de uitoefening van hun werk in de gelegenheid zijn gegevens te verwerken, met inachtneming van de bepalingen van de AVG, zonder daarbij allerlei belemmeringen te ervaren.
In het onderhavige wetsvoorstel is gekozen voor een definitie die tot uitdrukking brengt waarop de oggz is gericht, namelijk het bereiken en toeleiden naar zorg en/of ondersteuning van kwetsbare groepen en personen die niet vrijwillig en uit zichzelf om deze zorg en ondersteuning vragen. De doelgroep is breed en divers. Denk aan: eenzame ouderen, daklozen, woningvervuilers, verslaafden aan drugs of alcohol en mensen met psychiatrische problematiek.
De gemeentelijke verantwoordelijkheid om deze personen toe te geleiden naar de juiste zorg of ondersteuning betreft zowel signalering als interventie: de gemeente identificeert een persoon die hulp nodig heeft maar zich niet zelf met een hulpvraag meldt, legt contact met hem, inventariseert welke vormen van zorg en ondersteuning hem zouden kunnen helpen en tracht hem ervan te overtuigen hulp te aanvaarden.
Ook wordt in dit wetsvoorstel de taak en daaraan gekoppeld de gegevensverwerking door meldpunten niet acute zorg wettelijk verankerd. Via het meldpunt kunnen mensen waarover zorgen bestaan worden doorgeleid naar bemoeizorg.
Ten slotte is in dit wetsvoorstel geregeld dat partijen die betrokken zijn bij iemand met ernstige meervoudige problematiek bij het college een verzoek kunnen doen voor een onderzoek naar deze problematiek met als doel deze persoon met een gecoördineerde aanpak te kunnen gaan helpen. Dit is een specifieke vorm van bemoeizorg die niet voor elke zorgmijder geschikt zal zijn.
De definitie van oggz geeft op hoofdlijnen weer wat bemoeizorg is, maar geeft verder geen concrete kaders voor de invulling van deze bemoeizorgtaak.
Mede naar aanleiding van het verzoek van uw Kamer om concrete kaders te delen over de invulling van een wettelijke verankering van de bemoeizorg in de Wmo 2015, het onderzoek van Movisie naar de huidige praktijk rond bemoeizorg, en het voornemen in het regeerakkoord om bemoeizorg te verder versterken, onderzoekt het kabinet momenteel samen met gemeenten en andere partijen welke beleidsopties daarvoor zijn. In de voortgangsbrief van de interdepartementale aanpak verward en onbegrepen gedrag, die u rond de zomer zult ontvangen, zal het kabinet u hierover nader informeren.
2. De D66-fractie vraagt hoe de regering aankijkt tegen de optie om een meldrecht in de wet op te nemen, zodat zorgverleners in bijzondere situaties gegevens waar het beroepsgeheim op rust toch zouden mogen verstrekken bij ernstige zorgen over een persoon met ernstige meervoudige problematiek? Zijn er andere specifieke oplossingsrichtingen die de regering voorziet?
De oorspronkelijke bepaling van artikel 5.4.2, tweede lid, zoals die bij uw Kamer was ingediend, hield in feite een meldrecht in. Deze bepaling, die doorbreking van het (medisch) beroepsgeheim in beperkte mate mogelijk maakte, bleek op veel weerstand te stuiten. Zoals in de antwoorden onder andere bij de vragen 80 en 81 in de nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven, zijn naar aanleiding van de brief van veldpartijen en deze vragen in het verslag, diverse overleggen met betrokken partijen gevoerd. Geprobeerd is om tot een gedeelde visie te komen en een voorstel voor een aangepaste bepaling om tegemoet te komen aan deze bezwaren enerzijds, en anderzijds toch enige wettelijke ruimte te kunnen bieden aan partijen met een wettelijk beroepsgeheim om in geval van ernstige meervoudige problematiek gegevens te kunnen delen, terwijl aan de persoon die het betreft – op dat moment – geen toestemming is of kan worden gevraagd. Dit is niet gelukt, en daarom is bij nota van wijziging een bepaling opgenomen die voor partijen met een wettelijk geregeld beroepsgeheim de huidige situatie in stand houdt.
Uit de voornoemde gesprekken bleek ook dat partijen met een wettelijk geregeld beroepsgeheim wel mogelijkheden zien om met handreikingen meer handvatten te geven aan de discretionaire ruimte die zorg- en hulpverleners hebben. Bijvoorbeeld het inzetten van een wettelijk vertegenwoordiger en meer kennis over de inzet van het leerstuk van conflict van plichten.
3. De leden van de D66-fractie stellen dat naast het belang van goede gegevensdeling er meer nodig is om de mensen met verward of onbegrepen gedrag op een zorgvuldige wijze te helpen en ondersteunen. Daartoe vragen zij welke plannen de regering heeft om het inzicht bij ketenpartners, zoals wijkteams, woningcorporaties en de politie, in het herkennen van verward en onbegrepen gedrag te verbeteren.
Het kabinet heeft gegevensdeling als prioriteit benoemd binnen de brede aanpak verward/onbegrepen gedrag, omdat dit de basis biedt voor het op zorgvuldige wijze helpen en ondersteunen van de mensen met verward/onbegrepen gedrag. Het doel is dat in situaties van verward/onbegrepen gedrag met veiligheidsrisico’s gegevens lokaal/regionaal worden gedeeld met die organisaties die gezamenlijk een rol hebben in het bieden van zorg aan de betreffende persoon en zijn omgeving en het reduceren van het veiligheidsrisico, waarbij de rollen van de betrokken partijen verhelderd dienen te worden als basis voor de vraag op welk moment zij welke informatie over gedrag met veiligheidsrisico’s nodig hebben om hun rol, individueel en gezamenlijk, te kunnen nemen.
Het kabinet wil samen met de ketenpartners in kaart brengen wat ervoor nodig is om het tijdig delen van gegevens over personen met verward en onbegrepen gedrag voor zover noodzakelijk, te bevorderen, om zo de belemmeringen die zij tegenkomen in het kunnen nemen van gezamenlijke verantwoordelijkheid, het herkennen van problematisch gedrag en, zo nodig via bemoeizorg, passende zorg kunnen bieden zodat escalatie zoveel mogelijk kan worden voorkomen. Inclusief de vraag of en hoe gemeenten hierbij meer in positie gebracht zouden kunnen worden. In het kader hiervan zal ook bezien worden of er een, en zo ja welke (specifieke) wettelijke titel gecreëerd dient te worden. Dit betreft dus een andere regeling dan voorliggend wetsvoorstel, dat gericht is op betere hulp aan mensen met meervoudige problematiek. Het streven is de Kamer rond de zomer te informeren over de stand van deze verkenning, eind van 2026 gevolgd door meer concrete oplossingsrichtingen.
4. De leden van de VVD-fractie geven aan dat zij begrijpen dat het medisch beroepsgeheim een groot goed is en belangrijk voor het vertrouwen in de beroepsgroep, maar dat zij ook denken dat doorbreking in sommige gevallen juist voordelig kan zijn voor effectieve hulp voor betrokkenen. Door deze verwerkingsgrondslag niet langer onderdeel uit te laten maken van de wettekst, is wat de leden van de VVD-fractie betreft een belangrijke voorwaarde om de handelingsverlegenheid van hulpverleners in het kader van openbare geestelijke gezondheidszorg terug te dringen komen te vervallen. Zij vragen of de regering deze zienswijze deelt?
De leden van de VVD-fractie geven met deze vraag precies het dilemma weer dat speelt bij de vraag of en hoe in uitzonderlijke gevallen een wettelijke grondslag moet worden geboden om zonder toestemming van de cliënt het beroepsgeheim te kunnen doorbreken.
Bij het beantwoorden van deze vraag is van belang de oggz-taak van gemeenten te onderscheiden van de bevoegdheid van het college die in artikel 2.3a.4, wordt geïntroduceerd. Dit betreft de taak van het college om een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek te doen met het oog op het tot stand brengen van een gecoördineerde aanpak die kan bijdragen aan het oplossen of verminderen van de problematiek.
Zoals uiteen is gezet in pararaaf 1.3 van de memorie van toelichting wordt de oggz-taak weer expliciet opgenomen in de Wmo 2015, en wordt in dat kader met dit wetsvoorstel de taak verankerd voor gemeenten om zorg te dragen voor een meldpunt voor inwoners en professionals die zich zorgen maken over iemand in hun omgeving. In artikel 2.2.5 van het wetsvoorstel zijn de taken van het meldpunt opgenomen en in de nieuwe voorgestelde paragraaf 5 van hoofdstuk 5 (artikelen 5.5.1 e.v.) zijn de regels opgenomen die daarbij gelden voor de verwerking van gegevens. Voor het uitvoeren van triage door het meldpunt, hebben partijen op grond van artikel 5.5.3 een grondslag om gegevens te verstrekken. Voor hulpverleners met een wettelijk beroepsgeheim geldt dan dat zij gegevens kunnen verstrekken op basis van toestemming – dat kan ook toestemming van een wettelijk vertegenwoordiger zijn –, op basis van een wettelijke verstrekkingsgrondslag, of met een beroep op een conflict van plichten.
Een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek op grond van artikel 2.3a.4 is een specifieke vorm van bemoeizorg die kan worden gestart zonder instemming van de cliënt en vormt daarmee een inbreuk op de privacy. Zoals is toegelicht in paragraaf 4.3.2 van de memorie van toelichting mag een dergelijk onderzoek niet lichtvaardig worden gestart. Aan alle punten genoemd in artikel 2.3a.4, eerste lid, moet zijn voldaan om zo’n onderzoek te doen. Daarbij past grote terughoudendheid voor het verstrekken van gegevens door zorgverleners met een (medisch) beroepsgeheim.
De bepaling zoals die nu is opgenomen in de nota van wijziging, zal er in bepaalde gevallen toe kunnen leiden dat een bij de cliënt betrokken zorgverlener geen grondslag heeft om informatie te delen, omdat aan de cliënt geen toestemming kan worden gevraagd, er geen andere wettelijke grondslag van toepassing is om gegevens te verstrekken en de situatie naar het oordeel van de zorgverlener niet zodanig is dat een beroep op het conflict van plichten kan worden gedaan.
Het wegnemen van handelingsverlegenheid in het kader van de oggz, behelst echter meer dan een wettelijk kader voor het doorbreken van het wettelijk beroepsgeheim. Het gaat ook om afspraken en richtlijnen van partijen over wanneer en hoe te handelen bij onbegrepen of verward gedrag of zorg mijden, en over breder kijken dan het eigen vakgebied door bijvoorbeeld het anoniem bespreken van zorgen met andere partijen.
5. De leden van de VVD-fractie vragen op welke manier de regering kan waarborgen dat ook met het vervallen van deze grondslag genoeg effectief kan worden gehandeld bij verward en onbegrepen gedrag?
Zoals aangegeven in het antwoord op de voorgaande vraag, komt bij het wegnemen van handelingsverlegenheid in de oggz meer kijken dan een wettelijke grondslag voor doorbreking van het beroepsgeheim.
Het kunnen uitvoeren van een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek en het op grond van dat onderzoek voorstellen en uitvoeren van een gecoördineerde aanpak, is een vorm van bemoeizorg die in bepaalde gevallen zal kunnen bijdragen aan het voorkomen van ontsporend gedrag, hinder en maatschappelijke teloorgang. Zo’n onderzoek kan alleen worden gestart als aan alle gronden voor het beoordelen of er mogelijk sprake is van ernstige meervoudige problematiek wordt voldaan (art. 2.3a.4, eerst lid, onderdeel a) én geoordeeld wordt dat voor de persoon die het betreft een gecoördineerde aanpak kan bijdragen aan het oplossen of verminderen van die problematiek (art. 2.3a.4, eerste lid, onderdeel b). De inschatting van betrokken partijen moet dus zijn dat deze persoon uiteindelijk te overreden is om daaraan medewerking te verlenen en de geboden hulp te aanvaarden. De cliënt, en indien deze er is zijn vertegenwoordiger, worden over het onderzoek geïnformeerd en zo mogelijk daarbij betrokken (art. 2.3a.4, derde lid) en zij worden na afronding geïnformeerd over de uitkomsten en over een mogelijke gecoördineerde aanpak (zie art. 2.3a.4, zevende lid, en artikel 2.3a.2, eerste lid). Uiteindelijk zal de cliënt bereid moeten zijn om mee te werken aan de gecoördineerde aanpak.
Deze aanpak van ernstige meervoudige problematiek biedt dus een mogelijkheid om iemand met verward of onbegrepen gedrag op een betere manier gecoördineerde hulp aan te kunnen bieden. Zoals is aangegeven bij het antwoord op de voorgaande vraag, zal het voor hulpverleners met een wettelijk beroepsgeheim bij cliënten met ernstige meervoudige problematiek kunnen ontbreken aan een grondslag om gegevens te verstrekken omdat de cliënt daarvoor geen toestemming geeft. In dergelijke gevallen is het soms wel mogelijk dat een wettelijk vertegenwoordiger toestemming geeft.
Mede naar aanleiding van het verzoek van uw Kamer om concrete kaders te delen over de invulling van een wettelijke verankering van de bemoeizorg in de Wmo 2015, het onderzoek van Movisie naar de huidige praktijk rond bemoeizorg, en het voornemen in het regeerakkoord om bemoeizorg te versterken, onderzoekt het kabinet momenteel samen met gemeenten en andere partijen, wat er nog meer nodig is om genoeg effectief te kunnen handelen bij verward/onbegrepen gedrag. In de voortgangsbrief van de interdepartementale aanpak verward en onbegrepen gedrag, die u rond de zomer zult ontvangen, zal het kabinet u hierover nader informeren.
6. Hoe reageert zij op de zienswijze van gemeenten dat door vervallen van deze verwerkingsgrondslag de uitvoeringspraktijk niet geholpen zal worden?
Uit het antwoord op de voorgaande vraag blijkt dat in sommige gevallen het uitvoeren van een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek beperkt kan worden als betrokken zorgverleners geen gegevens kunnen delen over de betrokkene. Ook kan een partij met een wettelijk beroepsgeheim beperkt worden om informatie te delen in het kader van een triage door het meldpunt naar aanleiding van een melding van zorgen over een persoon.
Dat neemt niet weg dat bemoeizorg en het middel om te komen tot een gecoördineerde aanpak voor een cliënt met ernstige meervoudige problematiek nog steeds kan worden ingezet. Ook is het zo dat dit wetsvoorstel in hoofdzaak is gericht op mensen met «gewone» meervoudige problematiek die zelf met een hulpvraag naar de gemeente komen en waarvoor op grond van artikel 2.3a.1 een onderzoek zal worden uitgevoerd.
Dit onderzoek gebeurt in samenspraak en deze mensen zullen over het algemeen een voorstel voor hulp via een gecoördineerde aanpak aanvaarden. Voor zover daarbij gegevens van een zorgverlener met een beroepsgeheim nodig zijn, kunnen die op basis van toestemming van de cliënt worden verstrekt. Al met al zal het bepaalde in artikel 5.4.2, tweede lid, naar verwachting een beperkte invloed hebben op de uitvoeringspraktijk, omdat met de Wams vooral veel mensen geholpen kunnen worden die zelf met een hulpvraag komen.
7. Kan de regering reflecteren welk effect dit heeft op de uitvoerbaarheid van onderhavig wetsvoorstel? Zorgt dit er niet voor dat juist in de meest complexe gevallen het vragen van toestemming niet mogelijk zal zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe kan zij dit oplossen?
Bij lastige situaties waar soms weinig of geen ervaring mee is – in dit wetsvoorstel gaat het dan om ernstige meervoudige problematiek – betreft het doorgaans zorgmijdende mensen, die vaak geen toestemming zullen geven om gegevens te verstrekken. Dit betreft een klein deel van de cliënten waarop dit wetsvoorstel betrekking heeft. Door in dit wetsvoorstel geen extra wettelijke doorbrekingsgrond van het (medisch) beroepsgeheim te regelen, zijn partijen met een dergelijk beroepsgeheim beperkter in hun mogelijkheden om bij cliënten met ernstige meervoudige problematiek bij het college een verzoek te doen om een onderzoek te starten zodat er mogelijk een gecoördineerde aanpak van de grond kan komen. Ook de mogelijkheden om deel te nemen aan een casusoverleg (bij een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek of bij een lopende gecoördineerde aanpak) zullen beperkter zijn. Deze professionals kunnen – als zij geen toestemming hebben van hun cliënt – louter informatie delen met een beroep op het leerstuk «conflict van plichten» of zo mogelijk na overleg met een wettelijk vertegenwoordiger indien de cliënt ter zake wilsonbekwaam is.
Toch moet het effect hiervan op de uitvoerbaarheid van het onderhavige wetsvoorstel niet worden overschat. Graag benadruk ik hier, dat de grootste doelgroep van dit wetsvoorstel mensen met meervoudige problematiek zijn, die zelf met een hulpvraag komen en met wie in samenspraak een onderzoek wordt gedaan om uit te zoeken of zij geholpen kunnen worden met een gecoördineerde aanpak. Voor zover voor dit onderzoek medische gegevens noodzakelijk zouden zijn, geldt dat die sowieso alleen verstrekt kunnen worden als de cliënt daarvoor toestemming geeft. Ook kan voor mensen met ernstige meervoudige problematiek, waarvoor een gecoördineerde aanpak kan bijdragen aan het oplossen of verminderen van deze problematiek, door betrokken partijen waarvoor geen wettelijk medisch beroepsgeheim geldt, een onderzoek worden gevraagd. Bijvoorbeeld door de woningbouwvereniging, de wijkagent of een betrokken maatschappelijk werker. Het is mogelijk om voor dit onderzoek een casusoverleg te houden, waarvoor een betrokken zorgverlener wordt uitgenodigd. Deze zorgverlener kan dan in overleg met de desbetreffende cliënt aansluiten als toehoorder, en daarna de cliënt wellicht verder overreden om een voorstel voor een gecoördineerde aanpak te aanvaarden.
Al met al acht ik dit wetsvoorstel goed uitvoerbaar, en is het voor wat betreft de uitvoerbaarheid bij ernstige meervoudige problematiek vooral ook van belang dat de beroepsgroepen met een wettelijk medisch beroepsgeheim met handreikingen komen waarmee professionals in de praktijk meer houvast krijgen voor het handelen bij een eventueel conflict van plichten en het betrekken van wettelijk vertegenwoordigers van de cliënt.
8. De leden van de VVD-fractie begrijpen ook dat bij hulpverleners de indruk leeft dat het nieuwe artikel 5.4.2, tweede lid, niet zal gelden voor niet-wettelijk geregelde beroepsgeheimen. Hierdoor zouden zij geen bescherming genieten tegenover de verstrekking plicht van artikel 5.4.2, eerste lid. Kan de regering aangeven of deze lezing klopt? Zo ja, kan de regering aangeven in welke mate zij dit wenselijk vindt? Zo nee, hoe kan zij ervoor zorgen dat deze indruk bij betrokken hulpverleners weg wordt gehaald?
Het klopt dat artikel 5.4.2, tweede lid, alleen van toepassing is op partijen met genoemde wettelijke beroepsgeheimen. Voor andere partijen gelden bij verstrekking van gegevens de waarborgen van artikel 5.4.2, eerste lid. Overigens was dit ook al zo in de versie van artikel 5.4.2, voor de nota van wijziging.
Bij toepassing van artikel 5.4.2, eerste lid, geldt dat als het college vraagt om gegevens te verstrekken voor een onderzoek naar meervoudige problematiek, het college zal moeten aangeven waarom die gegevens noodzakelijk zijn. De verstrekkende partij moet vervolgens ook zelf die noodzaak beoordelen. Wat noodzakelijk is hangt af van de casus en hangt samen met het beginsel van minimale gegevensverwerking. De uitkomst van die beoordeling door de verstrekkende partij kan zijn dat er wel noodzaak is om enige gegevens te verstrekken, maar niet alle gegevens die het college vraagt. Daarnaast toetst een partij aan wie op grond van artikel 5.4.2, eerste lid, gegevens worden gevraagd, of er geen zwaarwegende redenen zijn die zich tegen verstrekking verzetten. Dit kan de vertrouwensrelatie met de cliënt zijn, bijvoorbeeld als de hulpverlener van oordeel is dat de net opgebouwde vertrouwensrelatie met de cliënt onder druk zou komen te staan en de hulpverlening daardoor (weer) zou kunnen vastlopen. Ook bij verstrekking op grond van artikel 5.4.2, eerste lid, gelden zodoende voldoende waarborgen voor partijen die werken op basis van een beroepscode.
9. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ontvangen signalen van zorgen over de reikwijdte en inzet van het onderhavige voorstel, met name dat het ingezet zou kunnen worden als oplossing voor veiligheidsproblemen. Welke concrete maatregelen gaan er genomen worden om oneigenlijk gebruik van het onderhavige voorstel te voorkomen?
Het kan zijn dat in gevallen van ernstige meervoudige problematiek sprake is van een veiligheidsprobleem met betrekking tot een cliënt en/of personen uit diens omgeving. Dit kan aanleiding vormen voor een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek en eventueel een gecoördineerde aanpak. Dit wordt geregeld in artikel 2.3a.4, eerste lid, waarbij verschillende criteria zijn benoemd waaraan voldaan moet zijn en die het college moet toetsen voordat een onderzoek plaatsvindt. Eén van de criteria is dat een gecoördineerde aanpak naar verwachting bij zal dragen aan het oplossen of verminderen van de problematiek. De cliënt moet bij het uitvoeren van een onderzoek hierover worden geïnformeerd en wordt daarbij gewezen op de mogelijkheid van (gratis) cliëntondersteuning. Bij de start van het onderzoek zal de inschatting moeten zijn dat de cliënt uiteindelijk mee zal werken aan een gecoördineerde aanpak. Het gaat daarbij namelijk in de eerste plaats en hoofdzakelijk om hulp die vrijwillig wordt aanvaard.
Bij een gecoördineerde aanpak die mogelijk volgt uit het onderzoek kan het – juist ook in het kader van het oplossen of verminderen van de problemen – gewenst zijn dat de burgemeester één van de in artikel 5.4.4 genoemde bevoegdheden met betrekking tot openbare ordehandhaving inzet. Aangezien het om discretionaire bevoegdheden van de burgemeester gaat, is de mogelijkheid tot het inzetten van die bevoegdheden verder niet geclausuleerd.
Het kan voorkomen dat een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek uiteindelijk niet leidt tot een gecoördineerde aanpak. Bijvoorbeeld in geval van zorgmijding zal het niet altijd lukken de cliënt te overtuigen aan een gecoördineerde aanpak mee te werken. De regering is van mening dat een burgemeester in dit soort situaties overeenkomstig zijn bevoegdheden de afweging moet kunnen maken, dat het ter bescherming van de openbare orde of de veiligheid in de omgeving noodzakelijk is de in artikel 5.4.4 genoemde bevoegdheden in te zetten. Hierbij weegt de burgemeester de mogelijk nadelige gevolgen voor de persoon die de maatregel betreft af tegen de nadelige gevolgen voor zijn omgeving.
Op het moment dat er al veiligheidsproblemen spelen waarbij ook criminogene factoren een rol spelen, ligt de inzet van een Zorg- en Veiligheidshuis, zoals geregeld in de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden, meer voor de hand.
Ik verwijs u in dit verband ook naar het coalitieakkoord «Aan de slag»3 waarin is aangekondigd meer mogelijkheden voor burgemeesters te creëren om door middel van bemoeizorg in te grijpen en meer crisisplekken te realiseren. Bestuurders van gemeenten ervaren de huidige wettelijke kaders als ontoereikend voor effectief ingrijpen bij (overlastgevende) zorgmijders met complexe en multiproblematiek, waarbij de gedwongen zorgwetten nog niet van toepassing zijn. In het kader van de Parlementaire verkenning Verward/onbegrepen gedrag en Veiligheid heeft ook uw Kamer deze conclusie getrokken en van een aanbeveling voorzien. Deze aanbeveling wordt betrokken in de verkenning van oplossingen, die het kabinet in de Kamerbrief van 11 december 2025 heeft aangekondigd. Tegelijkertijd zijn er ook signalen dat er vanuit bestaande bevoegdheden reeds handelingsperspectief aanwezig is, maar dat het bijvoorbeeld ontbreekt aan voldoende woon(zorg-)voorzieningen, aan adequate samenwerking en afstemming tussen de diverse domeinen (zorg, veiligheid, wonen) en aan een wettelijke grondslag voor gegevensuitwisseling voor vroegtijdige samenwerking. Het is dus van belang om het vraagstuk van handelingsperspectief en bevoegdheden van de burgemeester in deze samenhang te bezien, zoals dit ook met de brede aanpak verward/onbegrepen gedrag wordt beoogd.
10. Genoemde leden constateren dat de nota van wijziging onder andere voorziet in het herzien van artikel 5.4.2, tweede lid. Met de toevoeging van onderdeel J wordt voorzien in een grondslag voor partijen om desgevraagd de noodzakelijke gegevens te verstrekken voor het doen van een verzoek als bedoeld in artikel 2.3a 4, eerste lid, om een onderzoek te starten bij een vermoeden van ernstige meervoudige problematiek. Klopt het dat de bescherming van het gewijzigde artikel 5.4.2, tweede lid, uitsluitend geldt voor wettelijk geregelde beroepsgeheimen? Klopt het dat daarmee de bescherming van het gewijzigde artikel 5.4.2, tweede lid, niet van toepassing is voor professionals met een geheimhoudingsplicht op grond van hun beroepscode, zoals maatschappelijk werkers, sociaal werkers, psychologen en orthopedagogen zonder BIG-registratie?
Hoe rijmt dit met bijvoorbeeld artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 3.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015, en artikel 4.1.1., derde lid, van de Jeugdwet, waarin wordt aangegeven dat alle hulpverleners, ongeacht wettelijke regeling, in overeenstemming handelen met de op hen rustende verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de professionele standaard, waar de beroepscode onderdeel van is?
De wettelijke bepalingen waarnaar deze leden verwijzen, hebben betrekking op de algemene plicht om goede zorg of hulp te verlenen. Het daarbij handelen in overeenstemming met de geldende professionele standaarden biedt voor deze hulpverleners de norm voor wat goede zorg is. Wettelijk vastgelegde regels vormen het kader waarbinnen deze normen kunnen worden toegepast. Daarbij is het ook nu al zo dat er soms wettelijke verplichtingen gelden om bepaalde gegevens te verstrekken, zoals bijvoorbeeld op grond van artikel 7.4.0, tweede en derde lid, van de Jeugdwet. Verstrekking van gegevens door zorgverleners in het kader van een onderzoek naar meervoudige problematiek op grond van artikel 5.4.2, eerste lid, is daarmee vergelijkbaar. Daarbij geeft artikel 5.4.2, eerste lid, de ruimte aan hulpverleners om gegevens niet te verstrekken indien zij van oordeel zijn dat zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten. Dit kan zijn het te veel schaden van het vertrouwen van de cliënt. Ook zullen professionals geen informatie verstrekken indien het college dat om informatie verzoekt, dit verzoek onvoldoende heeft onderbouwd of vraagt om te veel informatie. Zo mag het college niet vragen om diagnoses te delen als dat niet relevant is voor het onderzoek naar (ernstige) meervoudige problematiek. Van zowel de vragende als de verstrekkende kant, moet steeds worden getoetst aan de vraag of de gegevens noodzakelijk zijn.
11. Erkent de regering dat met artikel 5.4.2, tweede lid, een paradoxale situatie ontstaat waarin bijvoorbeeld een GZ-psycholoog met BIG-registratie wél onder de bescherming van het artikel valt, maar sociaal werkers die ook over gevoelige informatie beschikken en een vertrouwensband hebben met hun cliënten, niet deze zelfde bescherming genieten? Op welke wijze is het wettelijke beroepsgeheim wezenlijk en praktisch anders dan de beroepscode-geheimhouding?
Voor deze twee groepen gelden niet dezelfde (wettelijke) kaders. Dat is ook nu het geval, en dat geldt ook voor de bepalingen zoals voorgesteld in artikel 5.4.2.
De vertrouwensrelatie tussen zorg- en hulpverleners met een wettelijk geregeld beroepsgeheim is van zo’n fundamenteel belang geacht voor de vrije toegang tot zorg, dat daaraan door de wetgever een wettelijke geheimhoudingsplicht is verbonden. Mensen moeten in vertrouwen naar een arts kunnen gaan, zodat risico’s voor zowel de patiënt als de samenleving (bijv. i.v.m. besmettelijke ziektes) kunnen worden beperkt of voorkomen. Daarom zijn deze wettelijk geregelde beroepsgeheimen wezenlijk en praktisch anders. Het belang van deze wettelijk geregelde beroepsgeheimen, wordt met dit wetsvoorstel onderschreven. Tegelijkertijd is dit wetsvoorstel met het oog op het kunnen bieden van beter op elkaar afgestemde hulp en zorg aan mensen met meervoudige problematiek, zodanig vormgegeven dat de benodigde samenwerking wel van de grond kan komen. Daarom is op de meeste partijen het bepaalde in artikel 5.4.2, eerste lid, van toepassing. Betrokken partijen moeten in zekere mate de urgentie voelen om samen te werken, waarbij voor álle partijen – met of zonder (wettelijk) beroepsgeheim – voor het verstrekken van gegevens de beginselen van noodzakelijkheid en minimale gegevensverwerking, gelden.
Met dit wetsvoorstel wordt aangesloten bij het bestaande onderscheid en er geldt daarom een specifieke regeling voor partijen met een wettelijk geregeld beroepsgeheim.
Dat wil niet zeggen dat er voor partijen met een beroepsgeheim op basis van een beroepscode en hun cliënten en patiënten geen waarborgen gelden. Voor deze partijen geldt het voorgestelde artikel 5.4.2, eerste lid, waarvoor in het antwoord bij de voorgaande vraag is toegelicht, welke waarborgen gelden bij de toepassing hiervan.
12. Kan de regering onderbouwen waarom de bescherming van artikel 5.4.2, tweede lid, niet ook van toepassing is op professionals met een geheimhoudingsplicht op grond van hun beroepscode, mede gelet op het feit dat artikel 272 Sr en het verschoningsrecht (artikel 165 lid 2 sub b Rv en artikel 218 Sv) geen onderscheid maken tussen wettelijke en beroepscode-geheimhouding? Is de regering bereid het wetsvoorstel op dit punt aan te passen?
Zoals toegelicht in het antwoord op de vorige vraag, is de bescherming die het medisch beroepsgeheim biedt, in de eerst plaats bedoeld ter bescherming van de cliënt. Omdat soms andere belangen moeten prevaleren, zijn beroepsgeheimen nooit absoluut. Dat geldt ook bij het verschoningsrecht. In welke mate daarop een beroep kan worden gedaan is ter beoordeling van het OM en de rechter.
Dit wetsvoorstel is er als geheel op gericht om duidelijke en proportionele kaders te bieden om mensen met meervoudige problematiek beter te kunnen helpen dan nu vaak lukt. Bij het antwoord op vraag 10 is toegelicht welke waarborgen van toepassing zijn bij de verstrekking van gegevens op grond van het voorgestelde artikel 5.4.2, eerste lid. Zoals gezegd biedt artikel 5.4.2, eerste lid, de ruimte aan zorg- en hulpverleners om gegevens niet te verstrekken indien zij van oordeel zijn dat zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten. Dit kan zijn het te veel schaden van het vertrouwen van de cliënt. Ook zullen professionals niet verstrekken indien het college dat om informatie verzoekt, dit verzoek onvoldoende heeft onderbouwd of vraagt om te veel informatie. Van zowel de vragende als de verstrekkende kant, moet steeds worden getoetst aan de vraag of de gegevens noodzakelijk zijn.
Gelet op het bovenstaande, ziet de regering geen reden om het wetsvoorstel aan te passen.
13. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich tevens zorgen over eventueel zorgmijdend gedrag als praktisch gevolg van de inwerkingtreding van artikel 5.4.2, tweede lid. Kan de regering nader toelichten op welke wijze zij wil voorkomen dat mede dankzij het gebrek aan bescherming van professionals met een geheimhoudingsplicht op grond van hun beroepscode, cliënten juist zorg gaan mijden omdat zij weten dat bijvoorbeeld hun sociaal werker wettelijk verplicht kan worden gegevens te delen? Erkent de regering dat professionals hiermee in een lastige positie worden geplaatst, gelet op het feit dat hun beroepscode hen verplicht tot vertrouwelijkheid?
Beroepsgeheimen – wettelijk geregeld of op grond van een beroepscode – zijn ook nu niet absoluut. Ook nu bestaan wettelijke verstrekkingsplichten, zoals bijvoorbeeld artikel 7.3.11, vierde lid, van de Jeugdwet. Of dergelijke verstrekkingsplichten leiden tot extra zorgmijdend gedrag, is moeilijk vast te stellen.
Bij mensen die zorg mijden is vaak sprake van een complexe combinatie van factoren, waarvan moeilijk is vast te stellen of het bestaan van wettelijke verstrekkingsplichten daar van invloed op is. Verder is het van belang dat het voorgestelde artikel 5.4.2, eerste lid, geen absolute verstrekkingsplicht inhoudt én dat een onderzoek naar meervoudige problematiek en een voorstel voor een gecoördineerde aanpak bedoeld zijn om iemand beter te kunnen helpen en de problematiek te verminderen of op te lossen.
Voor een verstrekking op grond van artikel 5.4.2, eerste lid, geldt ten eerste dat het college dat om informatie vraagt, daartoe een gemotiveerd verzoek doet. De vraag kan dan niet zijn: geef alle gegevens van deze cliënt omdat we een onderzoek naar meervoudige problematiek doen. Uit het informatieverzoek zal duidelijk moeten blijken voor welke hulpvraag die informatie nodig is, zodat de verstrekkende partij op grond van die vraag kan beoordelen welke informatie noodzakelijk is om te verstrekken. Er is geen grondslag om gegevens te verstrekken die niet noodzakelijk zijn.
Een gewoon onderzoek naar meervoudige problematiek op grond van het voorgestelde artikel 2.3a.1, gebeurt in samenspraak met de cliënt. Daar begint al de afbakening van de hulpvragen en de reikwijdte van het onderzoek. Een cliënt mag ervoor kiezen bepaalde problematiek niet in het onderzoek te willen betrekken. Ten tweede heeft een professional op grond van het voorgestelde artikel 5.4.2, eerste lid, de ruimte om de informatie niet of maar gedeeltelijk te verstrekken. Omdat hij van oordeel is dat de gevraagde informatie in het kader van het onderzoek niet noodzakelijk is, of indien hij van oordeel is dat zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten, zoals een net opgebouwde vertrouwensband. Professionals aan wie informatie wordt gevraagd, hebben daarmee voldoende ruimte om binnen de verstrekkingsplicht de vertrouwensband te bewaken en te handelen vanuit hun eigen professionele oordeel.
14. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zouden tevens willen onderstrepen dat de situatie zoals hierboven beschreven niet alleen van toepassing is op beroepscode-professionals, maar ook op alle jeugdhulpaanbieders en jeugdhulpverleners die particuliere jeugdhulp verlenen. Immers gelden de verplichtingen van de Jeugdwet ingevolge artikel 1.1 enkel voor jeugdhulp die gefinancierd wordt door de gemeente. Is de regering zich er tevens van bewust dat hiermee een verschil ontstaat in de bescherming van hulpverleningsgegevens afhankelijk van de financiering van de jeugdhulp?
Het wettelijk beroepsgeheim op grond van de Jeugdwet geldt ook voor particuliere jeugdhulpverleners. De wettelijke geheimhoudingsplicht geldt op grond van artikel 7.3.11, eerste lid, Jeugdwet namelijk voor «jeugdhulpverleners». Uit artikel 1.1 Jeugdwet blijkt dat alle natuurlijke personen die beroepsmatig jeugdhulp verlenen worden aangemerkt als jeugdhulpverlener. Het is daarbij niet van belang of zij dit doen onder verantwoordelijkheid van het college of niet.
Daarnaast zijn er verplichtingen in de Jeugdwet die uitsluitend gelden voor «jeugdhulpaanbieders». Door de begripsomschrijving van jeugdhulpaanbieder in de Jeugdwet gelden deze verplichtingen inderdaad alleen voor zover er jeugdhulp onder verantwoordelijkheid van het college wordt geleverd. Dat geldt bijvoorbeeld voor de verstrekkingsplichten in de Jeugdwet.
15. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat met onderdeel K bij artikel 5.4.3 wordt voorzien in een verplichting aan partijen die deelnemen aan een casusoverleg om noodzakelijke gegevens te verwerken en dus ook te verstrekken. Kan nader toegelicht worden hoe de versterkte verstrekkingsplicht in artikel 5.4.3 zich verhoudt tot de geheimhoudingsplicht van beroepscode-professionals? Welke concrete waarborgen bestaan er voor professionals die op grond van hun beroepscode bezwaar hebben tegen verstrekking tijdens een casusoverleg?
Artikel 5.4.3, is bij nota van wijziging aangepast om te verduidelijken dat partijen die deelnemen aan een casusoverleg voor de verwerking van gegevens een wettelijke taak hebben. Zo wordt duidelijk dat deelnemen aan het casusoverleg leidt tot een rechtmatige verwerking van gegevens als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de AVG. De AVG kent namelijk geen bevoegdheid tot verstrekking en met het deelnemen door een professional aan een casusoverleg is op grond van de AVG al sprake van de verwerking van persoonsgegevens omdat enkel door deel te nemen voor andere deelnemende partijen duidelijk wordt dat hij bekend is met de cliënt. Juridisch gezien bestaat er niet zoiets als een versterkte verstrekkingsplicht en dat is dus ook niet het doel van de aanpassing van artikel 5.4.3 in de nota van wijziging.
Artikel 5.4.3, geeft voor alle aan een casusoverleg deelnemende professionals een heldere en evenwichtige structuur voor een casusoverleg en daarmee alle noodzakelijke waarborgen voor het verwerken en verstrekken van gegevens. Allereerst worden partijen door het college of de coördinator uitgenodigd om deel te nemen. Een partij kan dan besluiten – bijvoorbeeld vanwege de net met een cliënt opgebouwde en nog precaire band – niet deel te nemen. In diezelfde omstandigheid kan een partij ook afwegen wél deel te nemen omdat dit behulpzaam kan zijn om de situatie van zijn cliënt te verbeteren. Iedere deelnemer maakt bij het casusoverleg op grond van het bepaalde in artikel 5.4.3, tweede lid, zelf de afweging welke gegevens naar zijn oordeel noodzakelijk zijn door hem te verstrekken voor het doel van dat casusoverleg. Die professionele afweging ligt volledig bij de deelnemende partij zelf. De betrokken partij heeft door de zinsnede «indien die gegevens naar zijn oordeel noodzakelijk zijn» de ruimte om de balans te zoeken tussen de afweging bepaalde gegevens te delen omdat die informatie belangrijk is om de (ernstige) meervoudige problematiek van de cliënt én zijn gezinsleden te kunnen verbeteren of oplossen enerzijds, en de afweging van het belang dat wordt beoogd te beschermen met het beroepsgeheim op basis van de beroepscode.
Een tweede belangrijke waarborg voor de gegevensverwerking, is opgenomen in artikel 5.4.3, vierde lid, waarin de verdere verwerking van gegevens die zijn besproken in een casusoverleg, aan banden wordt gelegd. Het vierde lid bepaalt dat een deelnemer aan het casusoverleg persoonsgegevens uit het casusoverleg slechts verder mag verwerken indien deze gegevens noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de eigen taken van deze partij in het kader van de gecoördineerde aanpak die voortkomt uit of onderwerp was van het casusoverleg, indien de partij die de gegevens heeft verstrekt daarmee instemt en – voor zover het gegevens over gezondheid of gegevens van strafrechtelijke aard betreft – uitsluitend indien hij daartoe op grond van een wettelijk voorschrift bevoegd is.
16. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zouden tevens graag nog aandacht willen vragen voor de AVG-grondslag voor beroepscode-professionals. Op welke grondslag uit artikel 6 AVG kan een professional met een beroepscode zich beroepen wanneer hij op grond van artikel 5.4.2, eerste lid, bijzondere persoonsgegevens verstrekt aan het college, zonder toestemming van de cliënt en zonder bestaande wettelijke verstrekkingsplicht?
Artikel 5.4.2, eerste lid, creëert een wettelijke plicht tot verstrekking als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de AVG.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van onderhavige stukken en constateren dat de regering naar aanleiding van vragen van de Kamer op wezenlijke onderdelen wijzigingen heeft aangebracht, waaronder het alsnog opnemen van een definitie van ernstige meervoudige problematiek en het aanscherpen van bepalingen over gegevensverwerking en verdere verwerking. Deze leden menen dat dit onderstreept dat de afbakening van het wetsvoorstel aanvankelijk op belangrijke onderdelen nog onvoldoende scherp was.
17. De leden van de PVV-fractie vragen de regering daarom nogmaals concreet te maken waarom voor dit verstrekkende instrument van extra gegevensverwerking is gekozen, terwijl de regering zelf erkent dat de problematiek in de praktijk breder is en ook samenhangt met organisatorische en financiële knelpunten.
Vooropgesteld, bij dit wetsvoorstel gaat het niet zozeer om extra gegevensverwerking, maar juist om wettelijke kaders voor de gegevensverwerking die noodzakelijk is om mensen met meervoudige problematiek beter te kunnen helpen. De Wams beoogt tegemoet te komen aan een specifiek knelpunt in de wetgeving rond de verwerking van gegevens, zodat de aanpak van meervoudige problematiek beter van de grond kan komen. Voor de benodigde afstemming en samenwerking met betrokken partijen is het nodig dat er duidelijke kaders zijn voor de verwerking van de daarvoor noodzakelijke gegevens. Deze regels over gegevensverwerking dragen ook bij aan het verminderen van de handelingsverlegenheid van professionals. Het wetsvoorstel geeft hiervoor de benodigde handvatten als het gaat om criteria en bevoegdheden, zodat goede afstemming tussen betrokken partijen mogelijk is om hulp te kunnen bieden, terwijl de verwerking van persoonsgegevens daarbij juist ook duidelijk is begrensd. De regering verwacht dat dit wetsvoorstel een substantiële bijdrage kan leveren aan de verdere ontwikkeling van het integraal werken in het sociaal domein en het zo beter kunnen helpen van mensen met meervoudige problematiek.
Het gaat bij dit wetsvoorstel niet zozeer om extra gegevensverwerking, maar juist om kaders voor de noodzakelijke gegevensverwerking. Dat is geen verstrekkend instrument maar een noodzakelijk instrument om mensen die te kampen hebben met meervoudige problematiek en soms met langs elkaar werkende hulpverleners, beter te kunnen helpen. Dit blijkt ook uit de definitie van een gecoördineerde aanpak, zoals dit wetsvoorstel die geeft: een aanpak waarbij de dienstverlening en interventies van het college en partijen in het sociaal domein en zo nodig aanpalende domeinen, zo goed mogelijk op elkaar zijn afgestemd en zo nodig worden bijgesteld, om zodoende de problemen van de cliënt en betrokken gezinsleden binnen deze domeinen te verminderen of op te lossen en hen te ondersteunen bij het verbeteren van de zelfredzaamheid en participatie.
Ik ben het met de leden van de PVV-fractie eens dat ook andere knelpunten aandacht vragen, maar dat neemt niet weg dat het van groot belang is om met deze wet voor de hulp aan mensen met meervoudige problematiek een stap voorwaarts te kunnen zetten.
18. De leden van de PVV-fractie vragen de regering ook om nog eens heel concreet een aantal voorbeeld situaties te schetsen, die onder deze wet zouden kunnen vallen, zodat meer inzichtelijk wordt gemaakt hoe deze wet bedoeld is.
Het draait bij dit wetsvoorstel om het beter kunnen helpen van mensen met meervoudige problematiek. Wat in deze wet wordt verstaan onder meervoudige problematiek is gedefinieerd, namelijk «meerdere samenhangende problemen van een persoon of meerdere samenhangende problemen van gezinsleden die betrekking hebben op verschillende aspecten van het sociaal domein, of het sociaal domein en aanpalende domeinen.» Op basis van dat onderzoek kan aan de cliënt een gecoördineerde aanpak worden voorgesteld. Er wordt dan een coördinator aangesteld die «als spin in het web» voor alle betrokken partijen het aanspreekpunt is en in de gaten houdt of de aanpak werkt of moet worden bijgestuurd.
Ter illustratie geef ik hier een aantal voorbeeldsituaties die onder deze wet zouden kunnen vallen:
• De gemeente wordt benaderd in het kader van jeugdhulp in verband met gedrags- en ontwikkelingsproblemen van de kinderen. Er blijkt sprake te zijn van onderliggende problemen zoals opvoedingsproblemen bij de ouders, een beperkt sociaal netwerk en schulden.
• De gemeente wordt benaderd met een verzoek om inkomensondersteuning op grond van de Participatiewet. Er blijkt ook sprake van verslavingsproblemen en schulden.
• Een inwoner verzoekt de gemeente om huishoudelijke hulp, en daarbij blijkt dat de woning vanwege een handicap ongeschikt is voor deze persoon en er sprake is van eenzaamheid.
• Een gezin heeft vanwege lichamelijke beperkingen van een of meerdere gezinsleden behoefte aan hulp vanuit verschillende domeinen. Het gaat dan bijvoorbeeld om een combinatie van verpleging vanuit de Zorgverzekeringswet, hulpmiddelen vanuit de Wmo 2015 zoals een rolstoel of traplift, logeeropvang en hulp bij psychische problemen vanuit de Jeugdwet. Het gezin vraagt de gemeente om de benodigde hulp in kaart te brengen en te coördineren.
• Bij het uitvoeren van de brede intake van een inburgeraar door de gemeente wordt duidelijk dat er sprake is fysieke en mentale problematiek die samenhangen met de mogelijkheden om in te burgeren.
Ter volledigheid verwijs ik daarnaast naar voorbeeldcasussen waarbij sprake is van mogelijke ernstige meervoudige problematiek zoals beschreven in het antwoord op vraag 68 in de nota naar aanleiding van het verslag.4
19. Deze leden vragen echter of de regering nader kan toelichten waarom de huidige praktijk vooral om aanvullende wettelijke grondslagen voor gegevensverwerking zou vragen, terwijl ook uit de toelichting blijkt dat de uitvoeringspraktijk op andere punten vastloopt.
Het knelpunt van ontbrekende wettelijke grondslagen voor gegevensverwerking vormt een belangrijke oorzaak waarom de aanpak van meervoudige problematiek vaak niet goed van de grond komt. Naast het ontbreken van wettelijke grondslagen voor gegevensverwerking bestaan bijvoorbeeld knelpunten rond financiering (financiële schotten tussen voorzieningen) en soms stokt in praktische zin om onduidelijke redenen de benodigde samenwerking met derden (professionals, uitvoeringsorganisaties, scholen etc.). Voor het wegnemen van het specifieke knelpunt rond gegevensverwerking dient dit wetsvoorstel. Door duidelijke regels te stellen over de aanpak van meervoudige problematiek en de daarvoor noodzakelijke verwerking van gegevens en samenwerking met partijen, wordt met dit wetsvoorstel een belangrijke stap gezet in het bevorderen van integraal werken, samenwerking tussen betrokken partijen en het wegnemen van handelingsverlegenheid.
Voor knelpunten rond financiering, is met de wet met betrekking tot de uitbreiding en verdere uitwerking van de bekostigingsmogelijkheden met middelen vanuit het Fonds langdurige zorg, beoogd financiële schotten weg te nemen.5 Het doel van deze wet is om de samenwerking tussen de verschillende financiers te stimuleren zodat (zorg)geld doelmatig kan worden ingezet in het sociaal domein om zorgkosten te voorkomen.
20. De leden van de PVV-fractie vragen de regering nader te onderbouwen waarom de oplossing in dit wetsvoorstel in sterke mate wordt gezocht in gegevensdeling en gegevensverwerking. Hoe voorkomt de regering dat een uitvoerings- of organisatieprobleem in de praktijk wordt vertaald in méér gegevensverwerking over burgers, terwijl niet vaststaat dat daarmee het onderliggende probleem daadwerkelijk wordt opgelost?
Onduidelijkheid over gegevensdeling tussen gemeenten en andere betrokken professionals om hulp beter te kunnen afstemmen en coördineren, is tot nu toe altijd een knelpunt gebleken bij de hulp aan mensen die te kampen hebben met meervoudige problematiek. Dit wetsvoorstel is erop gericht dit knelpunt weg te nemen, zodat meer ruimte wordt ervaren bij de aanpak van meervoudige problematiek en de daarvoor benodigde afstemming en samenwerking. Het volstaat uiteraard niet noodzakelijkerwijs om uitsluitend te voorzien in wettelijke grondslagen voor gegevensuitwisseling, ook moeten de waarborgen duidelijk geregeld worden. Naleving van diverse fundamentele beginselen van gegevensverwerking, en daarmee de AVG, is niet alleen gelegen in het bestaan van grondslagen, maar evenzeer in de wijze waarop in de praktijk met persoonsgegevens wordt omgegaan.
Om niet enkel de grondslagen op orde te hebben, maar juist ook andere AVG-beginselen in acht te nemen – zoals doelbinding, zorgvuldige gegevensverwerking, vereisten van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit, de mogelijkheid tot hergebruik van overheidsinformatie en transparantie – geeft dit wetsvoorstel via procedurele voorschriften invulling aan de benodigde gegevensverwerking. Met dergelijke voorschriften, alsmede met het vastleggen van bepaalde (rand)voorwaarden voor de gecoördineerde aanpak inclusief de benodigde gegevensverwerking, wordt beoogd te voorzien in passende waarborgen. Het gaat daarbij niet zozeer om méér gegevensverwerking, als wel om te komen tot noodzakelijke gegevensverwerking om mensen met meervoudige problematiek beter te kunnen helpen.
21. De leden van de PVV-fractie lezen dat met de nota van wijziging alsnog een definitie van ernstige meervoudige problematiek is toegevoegd. Deze leden vragen waarom deze afbakening niet vanaf het begin expliciet in het wetsvoorstel was opgenomen, terwijl juist dit begrip bepalend is voor de zwaarste gevallen, namelijk onderzoek zonder hulpvraag van de betrokkene.
Inderdaad is het begrip ernstige meervoudige problematiek bepalend bij het verzoeken om en uitvoeren van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3a.4 van het wetsvoorstel. Het begrip wordt afgebakend door het bepaalde in artikel 2.3a.4, eerste lid, waarin de criteria zijn opgenomen om te beoordelen of er sprake is van meervoudige problematiek die zodanig ernstig is, dat de inzet van een onderzoek te rechtvaardigen is zonder dat de betrokkene daar zelf om heeft verzocht. De nu bij nota van wijziging opgenomen definitie verwijst daarom rechtstreeks naar de criteria van artikel 2.3a.4, eerste lid, onderdeel a. Deze afbakening in de definitie kadert duidelijk af hoe beoordeeld moet worden of er sprake is van ernstige meervoudige problematiek, zodat daar geen misverstanden over kunnen bestaan. Aan de andere kant is het zo dat een onderzoek naar mogelijk ernstige meervoudige problematiek alleen gestart kan worden als geoordeeld wordt dat aan de criteria van artikel 2.3a.4, eerste lid, onderdeel a, is voldaan. De nu opgenomen definitie bevestigt dit.
22. Deze leden vragen daarnaast hoe in de praktijk wordt voorkomen dat deze kwalificatie te ruim wordt toegepast. Welke objectieve en toetsbare criteria zijn hierbij doorslaggevend, wie beoordeelt dat precies en welke mogelijkheden heeft de betrokkene om zich daartegen te verweren?
Voorkomen moet worden dat een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek te lichtvaardig wordt gestart, juist vanwege de mogelijke inbreuken op de privacy van de cliënt.
Daarom is het voorgestelde artikel 2.3a.4 in het kader van de beoordeling of mogelijk sprake in van ernstige meervoudige problematiek in wezen vormgegeven als een tweetrapsraket. De eerste trap is dat een onderzoek op grond van deze bepaling kan alleen starten als een partij daartoe een gemotiveerd verzoek doet bij het college. Die partij moet dus een onderbouwing kunnen geven – op basis van de criteria in het eerste lid – dat bij de desbetreffende persoon mogelijk sprake is van ernstige meervoudige problematiek én dat een gecoördineerde aanpak kan bijdragen aan het oplossen of verminderen van die problematiek. Dit laatste criterium is van belang, omdat het bij een gecoördineerde aanpak in de kern gaat om vrijwillige hulp.
Als vooraf de inschatting van de betrokken professionals is dat iemand zodanig ernstig verward is dat hij of zij niet vatbaar is om in te stemmen een gecoördineerde aanpak en de aangeboden hulp te aanvaarden, dan is het waarschijnlijk niet zinvol om een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek te starten.
De tweede trap is dat het college het verzoek beoordeelt. Ook het college zal dus aan de hand van de criteria van artikel 2.3a.4, eerste lid, met de motivering van de verzoekende partij, moeten beoordelen of er voldoende grond is om een onderzoek te starten. Vanwege de nauw omschreven criteria en de opzet van de start van een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek is moeilijk voorstelbaar dat hier een te ruime toepassing aan zal worden gegeven. Daar komt bij dat op grond van artikel 2.3a.4, derde lid de cliënt en, indien deze er zijn, zijn vertegenwoordiger en mantelzorger over het uitvoeren van een onderzoek moeten worden geïnformeerd en zij moeten zo mogelijk bij het uitvoeren van het onderzoek worden betrokken. Het college moet in dat verband ook wijzen op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Op grond van artikel 2.3a.4, zevende lid, wordt de cliënt, en indien deze er is, de vertegenwoordiger van de cliënt, geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek en de voorgestelde gecoördineerde aanpak. De cliënt kan niet worden gedwongen daaraan mee te werken.
Uiteindelijk beslist de cliënt (of cliënten) of hij een voorstel voor hulp of zorg in het kader van een gecoördineerde aanpak wil aanvaarden; deze kan daartoe – behoudens de reeds bestaande vormen van gedwongen hulp – immers niet worden gedwongen. Ook dient het college de cliënt(en) te informeren over de voorgenomen gegevensverwerking en zijn rechten conform de AVG.
In paragraaf 4.4.2 van het algemeen deel van de memorie van toelichting, wordt nader ingegaan op de beoordeling van een verzoek op grond van artikel 2.3a.4, eerste lid.
23. Voorts vragen deze leden hoe de regering zulke verstrekkende bevoegdheden verdedigt, terwijl zij zelf geen exact zicht kan geven op de omvang van de groep waarbij sprake zal zijn van ernstige meervoudige problematiek zonder hulpvraag.
Zoals uit het antwoord bij de voorgaande vraag blijkt, zijn de bevoegdheden om een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek voor de betrokken partijen en het college, zeer duidelijk ingekaderd. Ook kan dit onderzoek niet leiden tot een afgedwongen gecoördineerde aanpak. In de aanpak van personen met verward of onbegrepen gedrag, kan deze procedure in de Wams voor een aantal van deze mensen mogelijk helpen om te voorkomen dat de situatie echt escaleert. Het onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek maakt namelijk mogelijk dat diverse bij zo’n persoon betrokken professionals niet langer langs elkaar heen werken, maar met elkaar tot een gezamenlijk aanpak kunnen komen. Voor sommige verwarde personen kan de juiste betrokkenheid, aandacht en samenwerking, voorkomen dat ze nog verder afglijden en met het aanvaarden van gecoördineerde hulp weer in een meer stabiele situatie kunnen komen. Hoewel we niet weten hoeveel mensen op deze manier geholpen kunnen gaan worden, acht ik het voor deze mensen én voor hun omgeving van belang dat betere hulp en vermindering van hun problematiek op deze manier gerealiseerd kan gaan worden.
24. De leden van de PVV-fractie vragen tevens hoe wordt voorkomen dat gegevensverwerking in de praktijk breder wordt dan strikt noodzakelijk. De nota van wijziging scherpt de afbakening van verdere verwerking immers alsnog aan. Kan de regering toelichten welke ruimte de eerdere formulering kennelijk nog liet en waarom deze nadere beperking alsnog nodig is geacht?
Op grond van de AVG moet het verder verwerken van gegevens expliciet bij wet worden geregeld, als het een verdere verwerking betreft voor een ander doel dan waarvoor de gegevens aanvankelijk zijn verwerkt. In artikel 5.4.4 van het wetsvoorstel is verdere verwerking van gegevens uit een onderzoek strikt ingekaderd.
Bij de formulering van artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel a, bleek echter dat de verwijzing naar interventies ruimer kon worden opgevat dan bij het ontwerpen van het wetsvoorstel beoogd was. Met interventies wordt in dit wetvoorstel – in overeenstemming met normaal spraakgebruik – de inzet van gesloten jeugdhulp, jeugdreclassering en de inburgeringsplicht bedoeld. Interventies zijn bedoeld om de situatie te verbeteren en zijn dus echt iets anders dan een sanctie. Toch bleken daar – met name waar het de uitvoering van de Participatiewet betreft – vragen over te zijn. Artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel a, is bij nota van wijziging zodanig aangepast dat de grondslag om gegevens verder te verwerken voor interventies is beperkt tot de Jeugdwet en de Wet inburgering 2021. Het gaat dan om een verzoek tot onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming, het uitvoeren van een kinderbeschermingsmaatregel of het voldoen aan de inburgeringsplicht. Verdere verwerking van gegevens uit een onderzoek naar meervoudige problematiek door het college is daarnaast toegestaan voor het verstrekken van diensten op grond van de in artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel a, genoemde wetten. De aanpassing heeft tot doel om verdere verwerking nog duidelijker af te bakenen zodat zeker is dat sancties op grond van bijvoorbeeld de Participatiewet niet zijn toegestaan.
25. Ten aanzien van gegevens van zorgverleners met een beroepsgeheim vragen deze leden de regering glashelder uiteen te zetten in welke gevallen gegevens die onder het beroepsgeheim vallen wel en niet zonder expliciete toestemming van de cliënt verwerkt of verstrekt kunnen worden. Ook vragen zij welke waarborgen gelden voor motivering, vastlegging en controle.
Voor de verstrekking van gegevens over de gezondheid door zorgverleners met een wettelijk geregeld beroepsgeheim, geldt het bepaalde in het voorgestelde artikel 5.4.2, tweede lid, zoals gewijzigd met de nota van wijziging. De kern van dit artikel is dat gegevens worden verstrekt op basis van uitdrukkelijke toestemming van de cliënt. Dit zal in veel gevallen van toepassing zijn waarbij een onderzoek naar meervoudige problematiek in samenspraak met de cliënt wordt gedaan (art. 2.3a.1 van het wetsvoorstel). Als toestemming wordt gegeven, is het nog steeds de afweging van de professional of het in het belang van de cliënt is om gegevens te verstrekken én welke gegevens dan noodzakelijk zijn. Want zowel bij verstrekking van gegevens met toestemming, als op grond van een wettelijk voorschrift, geldt dat het altijd alleen om gegevens gaat die noodzakelijk zijn.
Verstrekking zonder toestemming van de cliënt is mogelijk als op basis van een wettelijk voorschrift een verstrekkingsplicht van toepassing is of een wettelijk voorschrift toestaat gegevens zonder uitdrukkelijke toestemming van betrokkene te verstrekken. Het gaat hier bijvoorbeeld om de verstrekkingen als opgenomen in artikel 7.4.0, tweede en derde lid, van de Jeugdwet en artikel 5.2.2 van de Wmo 2015. Op grond van deze artikelen zijn aanbieders van maatwerkvoorzieningen in de zin van de Wmo 2015 en onder meer jeugdhulpaanbieders, en gecertificeerde instellingen verplicht om gegevens te verstrekken aan het college voor zover dat nodig is voor o.a. de toeleiding naar maatwerkvoorzieningen en jeugdhulpvoorzieningen.
In een uiterst geval zou een hulpverlener een beroep kunnen doen op het niet wettelijk geregelde leerstuk van conflict van plichten. Dit is echter alleen toepasbaar in situaties waarin sprake is van een reëel risico op ernstig gevaar voor de cliënt of een ander. Hiervoor gelden in beginsel onderstaande voorwaarden:
• De hulpverlener heeft alles is in het werk gesteld om eerst toestemming van de patiënt te verkrijgen.
• Het niet doorbreken van het beroepsgeheim levert voor een ander ernstige schade op.
• Het moet vrijwel zeker zijn dat die schade kan worden voorkomen of beperkt door het beroepsgeheim te doorbreken.
• Er is geen andere weg dan doorbreking van het beroepsgeheim om het probleem op te lossen.
• De hulpverlener komt in gewetensnood als hij zou blijven zwijgen.
• Het beroepsgeheim wordt zo min mogelijk geschonden.6
De hulpverlener moet kunnen motiveren dat aan de geldende criteria is voldaan en waarom de verstrekte informatie noodzakelijk wordt geacht. Wettelijk is niet vastgelegd wat hierover moet worden vastgelegd in het dossier, maar in richtlijnen van beroepsorganisaties worden hulpverleners geadviseerd om aantekening te maken met wie, wanneer en welke informatie is gedeeld met of zonder toestemming van de betrokkene als dat van belang is voor het hulpverleningsproces. Ook wordt aanbevolen om in het dossier aantekening te maken van mondeling gegeven toestemming of om de schriftelijke toestemming toe te voegen aan het dossier.
Behoudens uitzonderingssituaties moet de betrokkene in ieder geval worden geïnformeerd over de verstrekking. Op grond van artikel 41, eerste lid van de UAVG mag het informeren bijvoorbeeld achterwege blijven als dit nodig is ter bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen. In de praktijk kan worden gedacht aan informatieverstrekking over zorgwekkend gedrag met bijvoorbeeld een ernstige psychose gevoeligheid, suïcidaal gedrag of een ernstig agressie regulatie probleem waarbij het in eerste instantie ter bescherming van de betrokkene of de omgeving, beter is om het informeren van de betrokkene uit te stellen.
Als een betrokkene een vraag of klacht heeft over de doorbreking van het beroepsgeheim, bijvoorbeeld omdat het beroepsgeheim is geschonden, dan kan hij daarover navraag doen bij de hulpverlener of aanbieder.
Leidt dit niet tot een oplossing of staat de betrokkene niet open voor zo’n gesprek, dan zijn er verschillende mogelijkheden. De betrokkene kan dat bijvoorbeeld contact opnemen met de functionaris gegevensbescherming, een klacht indienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens of een procedure opstarten via het klachtrecht, het tuchtrecht of het strafrecht.
Het bovenstaande geeft weer wat nu al geldt bij verstrekking van gegevens waarop een wettelijk beroepsgeheim rust, en wat zal gelden bij de aanpak van meervoudige problematiek zoals voorzien in dit wetsvoorstel.
Voor verstrekking van gegevens door professionals met een beroepsgeheim op basis van een beroepscode geldt het voorgestelde artikel 5.4.2, eerste lid. Ook hier geldt dat alleen noodzakelijke gegevens mogen worden verstrekt. Door zowel de vragende als de verstrekkende kant, moet steeds worden getoetst aan de vraag of de gegevens noodzakelijk zijn. Er is immers geen grondslag om gegevens te verstrekken die niet noodzakelijk zijn.
Een regulier onderzoek naar meervoudige problematiek op grond van het voorgestelde artikel 2.3a.1, gebeurt in samenspraak met de cliënt. Daar begint al de afbakening van de hulpvragen en de reikwijdte van het onderzoek. Een cliënt mag ervoor kiezen bepaalde problematiek niet in het onderzoek te betrekken. Daarnaast heeft een professional op grond van het voorgestelde artikel 5.4.2, eerste lid, de ruimte om de informatie niet of maar gedeeltelijk te verstrekken. Omdat hij van oordeel is dat de gevraagde informatie in het kader van het onderzoek niet noodzakelijk is, of indien hij van oordeel is dat zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten, zoals een net opgebouwde vertrouwensband. Op deze manier hebben professionals aan wie informatie wordt gevraagd, voldoende ruimte om bij verstrekkingen op grond van artikel 5.4.2, eerste lid, de vertrouwensband te bewaken en te handelen vanuit hun eigen professionele oordeel.
Het bovenstaande over het informeren van cliënten en over het behandelen van vragen en klachten, en het registeren van verzoeken in het dossier, is ook van toepassing op partijen die gegevens verstrekken op grond van dit eerste lid.
Voor alle verstrekkingen van gegevens op grond van artikel 5.4.2 eerste en tweede lid geldt dat het altijd alleen noodzakelijke gegevens kan betreffen. Zowel het college of de coördinator die verzoekt om gegevens, als de verstrekkende partij, moet dit steeds nagaan. Bij een onderzoek naar meervoudige problematiek en bij een daaropvolgende gecoördineerde aanpak zou bijvoorbeeld relevant kunnen zijn dat de cliënt medicatie moet gebruiken waardoor hij niet zelfstandig kan rijden, maar daarvoor hoeft niet gedeeld te worden om welke medicijnen het gaat en vanwege welke ziekte die medicatie nodig is. De zorgverlener zal ook niets delen uit vertrouwelijke gesprekken met de cliënt, maar kan bijvoorbeeld wel aangeven dat hij denkt dat extra begeleiding bij het juist innemen van de medicatie wenselijk is.
26. De leden van de PVV-fractie blijven daarnaast kritisch op de keuze om de kring van betrokken partijen via algemene maatregel van bestuur (amvb) nader vorm te geven. Waarom kiest de regering op dit wezenlijke punt, namelijk welke partijen toegang kunnen krijgen tot gevoelige persoonsgegevens, niet voor maximale vastlegging in de wet zelf?
Kan de regering toezeggen dat de Kamer de uiteindelijke amvb tijdig ontvangt vóór inwerkingtreding van deze wet?
Het concept van deze amvb is inmiddels gereed en de internetconsultatie wordt gestart. De concept-amvb heb ik als bijlage bij deze nota n.a.v. het nader verslag gevoegd. Uiteindelijk zal de amvb tegelijk met de wet in werking moeten treden.
In het antwoord op vraag 13 in de nota naar aanleiding van het verslag7 is toegelicht waarom de regering de partijen die betrokken kunnen worden bij een onderzoek naar (ernstige) meervoudige problematiek en bij een gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek, bij algemene maatregel van bestuur wil aanwijzen. Daarbij is het van belang te realiseren dat de partijen die worden genoemd in de amvb daarmee niet zomaar toegang kunnen krijgen tot gevoelige persoonsgegevens. Bij een onderzoek naar meervoudige problematiek kan het college bij een in de amvb genoemde partij om gegevens vragen, maar alleen voor zover die noodzakelijk zijn voor het onderzoek. Die partij krijgt daarmee geen toegang tot andere gegevens die ten behoeve van het onderzoek door het college worden verwerkt. Ten behoeve van het onderzoek kan ook een casusoverleg worden gehouden. In artikel 5.4.3 zijn duidelijke regels opgenomen voor gegevensverwerking tijdens en na een casusoverleg. Zo mag een partij alleen gegevens verwerken uit een casusoverleg voor zover die noodzakelijk zijn voor zijn eigen taak binnen een gecoördineerde aanpak en moet de partij waarvan de gegevens afkomstig zijn daarmee instemmen. Tijdens de gecoördineerde aanpak is de coördinator degene die eventueel noodzakelijke gegevens aan een bij die aanpak betrokken partij kan verstrekken. Er is geen sprake van een gezamenlijke gegevensverwerking waar alle bij een gecoördineerde aanpak betrokken partijen toegang toe hebben.
27. De leden van de PVV-fractie lezen dat het wetsvoorstel mede ziet op mensen die geen hulp vragen of zorg mijden en dat daarom ook de taak rond OGGZ en meldpunten wordt verduidelijkt. Deze leden vragen welke concrete drempel geldt voordat signalen of meldingen daadwerkelijk leiden tot onderzoek of gegevensverwerking over een burger die zelf geen hulpvraag heeft gesteld.
Hoe wordt voorkomen dat meldpunten in de praktijk een laagdrempelige route worden om dossiers op te bouwen over burgers op basis van zorgen, vermoedens of subjectieve meldingen van derden?
De taak van meldpunten is vastgelegd in artikel 2.2.5 van het wetsvoorstel en in de artikelen 5.5.1 tot en met 5.5.4 zijn de regels voor gegevensverwerking door deze meldpunten opgenomen. Zoals in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.5.1 is te lezen worden anonieme meldingen in beginsel niet in behandeling genomen om te voorkomen dat het meldnummer oneigenlijk gebruikt wordt door bijvoorbeeld personen die vijandig staan ten opzichte van de persoon over wie zij melden of daarmee in conflict zijn. Bij oggz-meldpunten werken sowieso professionals die veel ervaring hebben om een goede triage uit te voeren en in te schatten of de melding tot opvolging moet leiden. Artikel 5.5.4 beschrijft wat er in het melddossier mag worden opgenomen en regelt dat de bewaartermijn ligt tussen de zes maanden en een jaar. Van dossier opbouwen over burgers, kan op grond van deze wettelijke waarborgen dus geen sprake zijn.
Sowieso is de oggz erop gericht om mensen te helpen die zelf om wat voor reden dan ook niet bij machte zijn zelf hulp in te schakelen of te vragen. Mensen die echt niet willen, kunnen de hulp weigeren, maar er zijn naar verwachting ook mensen die blij zullen zijn als er eindelijk (passende) zorg en ondersteuning wordt geboden.
28. De leden van de PVV-fractie lezen dat het wetsvoorstel mede ziet op mensen die geen hulp vragen of zorg mijden en dat daarom ook de taak rond OGGZ en meldpunten wordt verduidelijkt.
Deze leden vragen welke concrete drempel geldt voordat signalen of meldingen daadwerkelijk leiden tot onderzoek of gegevensverwerking over een burger die zelf geen hulpvraag heeft gesteld.
Hoe wordt voorkomen dat meldpunten in de praktijk een laagdrempelige route worden om dossiers op te bouwen over burgers op basis van zorgen, vermoedens of subjectieve meldingen van derden?
Alle gemeenten beschikken over een lokaal of regionaal meldpunt voor niet-acute meldingen, dat veelal is ondergebracht bij de GGD. De dienstverlening uit hoofde van deze meldpunten past in de ruime verantwoordelijkheid voor oggz die gemeenten sinds jaar en dag hebben. Meldpunten zijn laagdrempelige voorzieningen voor het melden en in ontvangst nemen van niet acute meldingen van een ieder, die zich zorgen maakt over een ander of over zichzelf. Doel ervan is problemen vroegtijdig te signaleren en escalatie te voorkomen. De meldpunten niet-acuut hebben tot taak om meldingen te beoordelen, de beller handelingsperspectief te bieden en mensen met een behoefte aan ondersteuning door te geleiden naar de instantie die passende ondersteuning kan bieden.
Soms is een telefonisch advies voldoende, waarna de beller zich gesterkt kan voelen in het zelfstandig benaderen van de persoon over wie hij zich zorgen maakt. Is dat niet het geval, dan wordt voor passende opvolging gezorgd door de melding naar de juiste instantie door te geleiden of naar het gemeentelijk loket voor bemoeizorg. Het inzetten van bemoeizorg is dus een mogelijke uitkomst van het meldproces, niet een onderdeel ervan.
Het wetsvoorstel bepaalt dat de melder, indien nodig en met inachtneming van de privacy van de gemelde persoon wordt geïnformeerd over wat met de melding is gedaan. Die informatie behelst doorgaans niet meer dan dat de melding al dan niet in behandeling is genomen en is doorgeleid. Om de privacy van de gemelde te beschermen dient hier terughoudend mee omgegaan te worden. Het meldpunt weet immers niet wat de verhouding is tussen melder en gemelde. Er kunnen dan ook omstandigheden zijn waarin de melder niet wordt geïnformeerd, bijvoorbeeld indien de inschatting is dat diens, of een anders, veiligheid in het geding is. Het wetsvoorstel biedt die ruimte.
29. De leden van de PVV-fractie vragen de regering nogmaals te motiveren waarom dit wetsvoorstel, juist waar het ziet op kwetsbare burgers zonder expliciete hulpvraag, voldoet aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Deze leden vragen daarbij in het bijzonder in te gaan op de vraag waarom minder ingrijpende alternatieven in die gevallen volgens de regering niet volstaan.
Voor wat betreft de oggz en de meldpunten, is daarop al ingegaan bij het antwoord op de vorige vraag. Het kunnen melden van zorgen en het kunnen opstarten van hulp aan kwetsbare mensen die anders buiten beeld dreigen te raken is noodzakelijk en proportioneel. Het gaat om mensen die de weg naar hulp vaak zelf niet meer weten te vinden en die door wat voor reden dan ook in een isolement zijn geraakt. De taken van het meldpunt en de daarbij gestelde regels voor de verwerking van gegevens voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Het wetsvoorstel regelt ook het kunnen doen van een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek. Ook hierbij betreft het mensen die zelf geen hulp vragen. Dit onderzoek kan niet zomaar worden opgestart. Zowel de professionele partij die een verzoek doet voor zo’n onderzoek, als het college dat het onderzoek kan starten, moeten motiveren dat mogelijk sprake is van ernstige meervoudige problematiek op grond van de in artikel 2.3a.4, eerste lid, gegeven criteria én dat een gecoördineerde aanpak kan bijdragen van het oplossen of verminderen van de problematiek. Daarmee zijn voor wat betreft de noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit, in het wetsvoorstel duidelijke kaders gegeven.
Beide mogelijkheden kunnen eerste stappen zijn om kwetsbare mensen beter te kunnen helpen. Ik ben van mening dat daarvoor geen minder ingrijpende alternatieven zijn.
30. De leden van de PVV-fractie vragen ten slotte of de regering bereid is de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel pas te laten plaatsvinden nadat de amvb gereed is en de Kamer integraal is geïnformeerd over de praktische uitwerking van de waarborgen rond afbakening, beroepsgeheim en gegevensverwerking.
Het wetsvoorstel bevat een aantal wettelijke grondslagen voor het stellen van regels bij amvb. Die regels zijn nodig om het wetsvoorstel in werking te laten treden, zoals bijvoorbeeld het vaststellen welke partijen kunnen bijdragen aan een onderzoek naar meervoudige problematiek en aan een gecoördineerde aanpak. Zoals gezegd in het antwoord op vraag 26 is het concept van deze amvb gereed en de internetconsultatie wordt gestart. Het concept is ook bij deze nota naar aanleiding van het nader verslag gevoegd.
31. De leden van de PVV-fractie vragen ten aanzien van het artikel over onderzoek bij ernstige meervoudige problematiek nader toe te lichten hoe de grens wordt bewaakt tussen ernstige meervoudige problematiek en situaties waarin slechts sprake is van zorgelijke signalen of vermoedens.
Zoals toegelicht bij vraag 22, bevat artikel 2.3a.4, eerste lid, nauw omschreven criteria waaraan moet worden voldaan om een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek te starten. Daar is ook toegelicht dat het artikel zo is opgezet, dat op basis van slechts zorgelijke signalen of vermoedens geen onderzoek mag worden gestart.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag en de nota van wijziging en hebben hierover nog enkele vragen. De leden van de CDA-fractie steunen dat de regering tegemoetgekomen is aan de zorgen vanuit het veld ten aanzien van de doorbreking van het medisch beroepsgeheim. Zij hebben hierover nog wel enkele vragen.
32. De leden van de CDA-fractie lezen in de nota naar aanleiding van het verslag dat de regering aangeeft dat de wettelijk geregelde beroepsgeheimen wezenlijk verschillend zijn van geheimhouding op grond van een beroepscode, en dat daarom een onderscheid wordt gemaakt ten aanzien van de verstrekking van persoonsgegevens. Deze leden vragen of de regering dit nog een keer nader wil toelichten.
Alhoewel het wettelijk geregeld beroepsgeheim en het beroepsgeheim op basis van beroepscodes hetzelfde doel dienen, hebben zij niet dezelfde juridische status. Met dit wetsvoorstel wordt bij dit bestaande onderscheid aangesloten en geldt daarom een specifieke regeling voor partijen met een wettelijk geregeld beroepsgeheim. Dat wil niet zeggen dat er voor partijen met een beroepsgeheim op basis van een beroepscode en hun cliënten en patiënten geen waarborgen gelden.
De vertrouwensrelatie tussen zorg- en hulpverleners met een wettelijk geregeld beroepsgeheim is van zo’n fundamenteel belang geacht voor de vrije toegang tot zorg, dat daaraan door de wetgever een wettelijke geheimhoudingsplicht is verbonden. Mensen moeten in vertrouwen naar een arts kunnen gaan, zodat risico’s voor zowel de patiënt als de samenleving (bijv. in verband met besmettelijke ziektes) kunnen worden voorkomen. Het belang van deze wettelijk geregelde beroepsgeheimen, wordt met dit wetsvoorstel onderschreven. Tegelijkertijd is dit wetsvoorstel met het oog op het kunnen bieden van beter op elkaar afgestemde hulp en zorg aan mensen met meervoudige problematiek, zodanig vormgegeven dat de samenwerking wel van de grond kan komen. Daarom is op de meeste partijen het bepaalde in artikel 5.4.1, eerste lid, van toepassing. Betrokken partijen moeten in zekere mate de urgentie voelen om samen te werken, waarbij voor álle partijen – met of zonder (wettelijk) beroepsgeheim – voor het verstrekken van gegevens de beginselen van noodzakelijkheid en minimale gegevensverwerking, gelden.
33. De leden van de CDA-fractie lezen dat persoonsgegevens aan het college (moeten) worden verstrekt als deze noodzakelijk zijn voor het doen van een verzoek of het uitvoeren van een onderzoek. Deze leden vragen of de regering nader wil concretiseren wat het begrip «noodzakelijk» inhoudt. Zij vragen of de regering met voorbeelden duidelijk wil maken wanneer gegevensverstrekking wel en niet noodzakelijk is.
Het beperken van gegevensverwerking tot wat noodzakelijk is, is een belangrijk beginsel uit de AVG, het beginsel van minimale gegevensverwerking (artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de AVG). Voor sommige gegevensverwerking is vooraf – met regels – vast te stellen wat de noodzakelijke gegevens zijn. Bij gegevensverwerking die afhangt van de casuïstiek van het individuele geval, zoals bij een onderzoek naar (ernstige) meervoudige problematiek, is dat niet bij voorbaat te zeggen. Maar van de betrokken professional mag op basis van het noodzakelijkheidscriterium worden verwacht dat zij kunnen motiveren waarom bepaalde gegevens noodzakelijk zijn. De noodzakelijkheid bij een onderzoek naar meervoudige problematiek is altijd gekoppeld aan het doel en de reikwijdte van het onderzoek.
Als het onderzoek naar meervoudige problematiek bijvoorbeeld een gezin met een alleenstaande ouder betreft, waarbij sprake is van schoolverzuim door de kinderen, de mogelijkheid tot het inzetten van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning voor de ouder, en de ouder aangeeft dat er op het gebied van inkomen en schulden geen problemen spelen, dan zijn gegevens over inkomen of uitkering in dit geval geen noodzakelijke gegevens.
De regering meent met deze wet heel duidelijke kaders te stellen om betere gecoördineerde hulp bij meervoudige problematiek mogelijk te maken, zonder dat partijen die daarbij betrokken worden onnodig met elkaar gegevens delen.
34. Deze leden lezen verder dat een partij de gegevens niet hoeft te verstrekken als zij van oordeel is dat zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten. Deze leden vragen of de regering nog wat nader kan toelichten wat het begrip «zwaarwegende redenen» inhoudt, en wat wel en niet een zwaarwegende reden zou kunnen zijn, juist ook om zorgverleners zoveel mogelijk duidelijkheid te geven en handelingsverlegenheid te voorkomen.
Het begrip «zwaarwegende redenen» geeft ruimte voor een eigen beoordeling door de verstrekkende partij, maar «zwaarwegende» geeft daarbij aan dat het om een serieus oordeel gaat over de reden die aan de gevraagde verstrekking in de weg zou staan. Die reden zal vaak terug te voeren zijn op de vertrouwensrelatie met de cliënt, bijvoorbeeld als de hulpverlener van oordeel is dat de net opgebouwde vertrouwensrelatie met de cliënt onder druk zou komen te staan en de hulpverlening daardoor (weer) zou kunnen vastlopen. Of als voor een gezin een onderzoek naar meervoudige problematiek is gestart, en een ouder uit dat gezin voor een bepaald probleem hulp heeft gezocht terwijl de andere ouder daar geen weet van heeft.
Bij de aanpak van meervoudige problematiek gaat het om een casuïstische aanpak, en van de betrokken professionals mag verwacht worden dat zij handelen en oordelen in het belang van het geven van goede hulp en zorg aan cliënten. In die context lijkt «zwaarwegende redenen» een passend begrip om in bepaalde situaties van verstrekking af te zien.
De leden van de CDA-fractie constateren dat met dit wetsvoorstel enerzijds de vrijwillige gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek wordt geregeld en anderzijds de expliciete verankering van de OGGZ-taak in de Wmo. Deze leden wijzen erop dat door de Kamer ook is gevraagd om wettelijke verankering van bemoeizorg in de Wmo, bijvoorbeeld via de motie Krul-Bikker (Kamerstuk 25 424, nr. 759), en dat de regering in de Voortgangsbrief aanpak verward/onbegrepen gedrag van 11 december jl. ook aangeeft dit voornemens te zijn.
35. Deze leden vragen of de regering heeft overwogen de expliciete verankering van bemoeizorg in de Wmo 2015 in dit wetsvoorstel mee te nemen, en zo ja, waarom hier niet voor gekozen is. Of is de regering van mening dat met het expliciteren van de OGGZ-taak ook de bemoeizorg-taak direct goed is geregeld?
De voornoemde motie verzoekt de regering om de wettelijke verankering van bemoeizorg in de Wmo 2015. Ook in de voortgangsbrief aanpak verward/onbegrepen gedrag wordt het expliciet wettelijk verankeren van bemoeizorg genoemd.
Zoals toegelicht in paragraaf 5.1 van de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel wordt de openbare geestelijke gezondheidszorg weer expliciet opgenomen als onderdeel van de gemeentelijke taak in de Wmo 2015 tot het bieden van maatschappelijke ondersteuning. Oggz is gedefinieerd als de inzet ten behoeve van kwetsbare personen die niet uit eigen beweging hulp vragen of die hulp mijden terwijl vanwege de aard of complexiteit van hun problemen, maatschappelijke teloorgang of een lage kwaliteit van leven en welzijn dreigt of al aan de orde is, met het oog op het bieden van hulp aan of het laten aanvaarden van hulp door deze personen.
Zoals blijkt uit paragaaf 5 van de memorie van toelichting heeft de regering na aanhoudende vragen over de gemeentelijke oggz-taak, voorgesteld het begrip oggz weer op te nemen in de wet. In het onderhavige wetsvoorstel is gekozen voor een definitie die tot uitdrukking brengt waarop de oggz is gericht, namelijk het bereiken en toeleiden naar zorg en/of ondersteuning van kwetsbare groepen en personen die niet vrijwillig en uit zichzelf om deze zorg en ondersteuning vragen. De doelgroep is breed en divers. Denk aan: eenzame ouderen, daklozen, woningvervuilers, verslaafden aan drugs of alcohol en mensen met psychiatrische problematiek. De gemeentelijke verantwoordelijkheid om deze personen toe te geleiden naar de juiste zorg of ondersteuning betreft zowel signalering als interventie: de gemeente identificeert een persoon die hulp nodig heeft maar zich niet zelf met een hulpvraag meldt, legt contact met hem, inventariseert welke vormen van zorg en ondersteuning hem zouden kunnen helpen en tracht hem ervan te overtuigen hulp te aanvaarden.
Ook wordt in dit wetsvoorstel de taak en daaraan gekoppeld de gegevensverwerking door meldpunten niet acute zorg wettelijk verankerd. Via het meldpunt kunnen mensen waarover zorgen bestaan worden doorgeleid naar bemoeizorg.
Ten slotte is in dit wetsvoorstel geregeld dat partijen die betrokken zijn bij iemand met ernstige meervoudige problematiek bij het college een verzoek kunnen doen voor een onderzoek naar deze problematiek met als doel deze persoon met een gecoördineerde aanpak te kunnen gaan helpen. Dit is een specifieke vorm van bemoeizorg die niet voor elke zorgmijder geschikt zal zijn.
De definitie van oggz geeft op hoofdlijnen weer wat bemoeizorg is, maar geeft verder geen concrete kaders voor de invulling van deze bemoeizorgtaak. Mede naar aanleiding van het verzoek van uw Kamer om concrete kaders te delen over de invulling van een wettelijke verankering van de bemoeizorg in de Wmo 2015 en het onderzoek van Movisie naar de huidige praktijk rond bemoeizorg, onderzoekt het kabinet momenteel samen met gemeenten en andere partijen welke beleidsopties er zijn om bemoeizorg verder te versterken. In de voortgangsbrief van de interdepartementale aanpak verward en onbegrepen gedrag, die u rond de zomer zult ontvangen, zal het kabinet u hierover nader informeren.
36. De leden van de CDA-fractie lezen namelijk dat dit wetsvoorstel wel vormen van bemoeizorg regelt, bijvoorbeeld een wettelijke grondslag voor een onderzoek naar meervoudige problematiek in geval een cliënt niet zelf om hulp vraagt zoals opgenomen in artikel 2.3a.4. In het verlengde hiervan vragen deze leden wat dit wetsvoorstel daarmee nu wel en niet regelt als het gaat om bemoeizorg.
Een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek op grond van artikel 2.3a.4, is inderdaad een vorm van bemoeizorg. Verder is in dit wetvoorstel – zoals in het antwoord op de voorgaande vraag al is aangegeven – met een definitie van oggz de taak van gemeenten voor bemoeizorg weer expliciet wettelijk verankerd en zijn de taak en grondslagen voor gegevensverwerking voor de meldpunten niet-acuut voorzien van een wettelijke regeling.
Of en wat er verder nog meer nodig is aan concrete kaders voor bemoeizorg en in het verlengde daarvan aan wettelijke verankering, zal gaan blijken uit het genoemde onderzoek in het antwoord op vraag.
37. De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering samen met ketenpartners in kaart wil brengen wat nodig is om gegevensdeling rond personen met verward en onbegrepen gedrag te verbeteren. Daarbij wijzen de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en andere partijen op de ervaringen met de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (Wgs), waarin belangrijke partijen zoals het CJIB, CIZ en woningcorporaties nu ontbreken. Deze leden vragen of de regering bereid is deze lessen expliciet mee te nemen in de inventarisatie en te zorgen dat deze partijen structureel worden betrokken.
Partijen die betrokken kunnen worden bij een onderzoek naar (ernstige) meervoudige problematiek en bij een gecoördineerde aanpak, zullen worden genoemd in de amvb op grond van artikel 2.3a.5 van het wetsvoorstel. Het concept van deze amvb, die gereed is voor internetconsultatie, is bijgevoegd bij deze nota naar aanleiding van het nader verslag.
Woningcorporaties (Toegelaten instellingen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Woningwet) zijn hierin opgenomen en ook het CIZ. Zij kunnen bijdragen aan het vaststellen van de noodzakelijke hulp en aan passende huisvesting. Als bij de meervoudige problematiek schulden een rol spelen, dan kunnen die in beeld komen via de schuldhulpverlening. Als in het kader van de Wgs wordt geconcludeerd dat het CJIB een rol moet krijgen in de Zorg- en Veiligheidshuizen, ligt het voor de hand om het CJIB ook een rol te geven bij een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek en op te nemen in de amvb.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein. Zij hebben op dit moment geen vragen aan de regering.
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag en de nota van wijziging. Zij danken de regering voor de uitvoerige beantwoording van de vragen en maken graag van de gelegenheid gebruik om nog enkele aanvullende vragen te stellen.
38. De leden van de SGP-fractie constateren dat er zeer breed in de Kamer kritische vragen leven ten aanzien van het wetsvoorstel. Heeft de regering op enig moment overwogen het voorstel in te trekken of af te zwakken? Kan zij dit nader toelichten?
De regering heeft niet overwogen het wetsvoorstel in te trekken. De kritische vragen hadden in hoofdzaak betrekking op de mogelijkheid voor professionals hun beroepsgeheim aan de hand van strikte waarborgen te doorbreken in het geval sprake zou zijn van ernstige meervoudige problematiek en cliënt geen toestemming zou (kunnen) geven. Deze doorbrekingsgrond is met de nota van wijziging8 geschrapt, naar aanleiding van de kritische vragen van uitvoerende partijen en uw Kamer en de onmogelijkheid consensus te bereiken tussen partijen om te komen tot een (enigszins) gedragen uitkomst.
De VNG, gemeenten en brancheorganisaties vragen de regering juist haast te maken met het wetsvoorstel vanuit de wens om mensen die zelf om hulp en ondersteuning vragen beter te kunnen helpen in het geval van meervoudige problematiek9. Het doel van de Wams is kort samengevat het wegnemen van knelpunten die gemeenten en andere organisaties in het sociaal domein ervaren wanneer zij persoonsgegevens uitwisselen bij het aanpakken van meervoudige problematiek. Het wetsvoorstel is bovendien gestoeld op een juridische noodzaak te komen tot heldere juridische grondslagen voor gegevensverwerking bij meervoudige problematiek in het sociaal domein, conform het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens.10 De Autoriteit Persoonsgegevens wijst er in haar adviezen op dat de gegevensverwerking, die nodig is om een gecoördineerde aanpak goed te kunnen uitvoeren, zonder nadere wettelijke regeling niet op een van de in de AVG genoemde rechtsgrondslagen kan worden gebaseerd. Vanwege de in de afhankelijkheidsrelatie met de overheid is toestemming namelijk geen geschikte grondslag en de huidige sociaal domeinwetten voorzien momenteel niet in expliciete taken van het college voor het tot stand brengen en kunnen coördineren van een integrale aanpak bij meervoudige problematiek (volgens het adagium «één gezin, één plan, één regisseur»).
39. De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering alsnog een definitie van ernstige meervoudige problematiek voorstelt. Heeft de regering overwogen om de Raad van State om een aanvullend advies te vragen over de nota van wijziging?
Inderdaad wordt met onderdeel B van de nota van wijziging een definitie voor ernstige meervoudige problematiek voorgesteld. Hierin wordt verwezen naar de criteria voor het starten van een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek. Die criteria stonden al in het wetsvoorstel zoals dat door de Afdeling advisering van de Raad van State is getoetst. De Afdeling heeft in haar advies geen opmerkingen over die criteria gemaakt. Met het toevoegen van deze definitie is naar het oordeel van de regering dan ook geen wijziging voorgesteld die noopt tot het vragen van een aanvullend advies.
De leden van de SGP-fractie vinden het goed dat de regering heeft toegezegd een invoeringstoets uit te zullen voeren.
40. Wel vragen zij om een nadere toelichting waarom de regering er niet voor gekozen heeft om voorafgaand aan de inwerkingtreding een uitvoeringstoets te laten opstellen, waar diverse fracties om hebben gevraagd.
Deze organisaties hebben ten aanzien van het wetsvoorstel adviezen uitgebracht: het Openbaar Ministerie, de Politie, Toezicht Sociaal Domein, de Autoriteit Persoonsgegevens en de Nationale ombudsman.
Ook zijn er uitvoeringstoetsen gedaan door:
– gemeenten: de VNG heeft impactanalyses verricht (deel 1 en 2).
– Regeldruk professionals en burgers: Adviescollege toetsing regeldruk.
– Gegevensbeschermings-effectbeoordeling (DPIA: data protection impact assessment).
De volgende uitvoeringsorganisaties zijn benaderd met de vraag of zij een uitvoeringstoets van het wetsvoorstel noodzakelijk achtten: het CAK, de Sociale Verzekeringsbank (SVB), het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Vanwege een verwachte (zeer) geringe impact op de uitvoering van hun taken hebben het CAK, de SVB en het UWV afgezien van het verrichten van een uitvoeringstoets. DUO constateert in de door haar uitgevoerde uitvoeringstoets dat het in dit wetsvoorstel beoogde beleid wat betreft de taken met betrekking tot onderwijsvolgers niet tot een nadere reactie noopt.
De adviezen en de uitkomsten van de uitvoeringstoetsen zijn te vinden in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel.11 Die uitkomsten zal ik hieronder kort toelichten.
Gemeenten
De impact voor gemeenten en uitvoeringsorganisaties is via uitvoeringstoetsen in kaart gebracht.12 De VNG heeft de organisatorische en financiële gevolgen van dit wetsvoorstel voor gemeenten getoetst alsmede een aparte toets uitgevoerd t.a.v. de meldpunten niet acuut. Volgens de onderzoekers geeft de impactanalyse per saldo het beeld dat er geen extra structurele middelen nodig zijn voor de uitvoering van de Wams. De eenmalige implementatiekosten hebben betrekking op het bredere vraagstuk van het versterken van de uitvoeringskracht van gemeenten in het sociaal domein. Ten aanzien van de inschatting van de uitvoeringskosten (saldo baten en kosten) geldt dat vanwege grote verschillen tussen gemeenten het volgens de onderzoekers niet goed mogelijk is om hiervan een algemeen beeld te schetsen.
De uitvoeringstoets over de meldpunten niet-acuut is uitgevoerd bij twaalf gemeentelijke GGD-en. Het rapport leidt tot de conclusie dat invoering van het wetsvoorstel niet leidt tot extra kosten.
Aan de behoefte aan duidelijke handreikingen wordt tegemoet gekomen door de reeds bestaande handreikingen voor de meldpunten «Handreiking meldpunten niet-acuut» en «Handreiking gegevensdeling en privacy meldpunten niet-acuut» te actualiseren op basis van het wetsvoorstel.
Regeldruk voor burgers en professionals
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft advies uitgebracht over de regeldrukgevolgen. Het ATR onderkent het nut en de noodzaak van het wetsvoorstel Wams en acht het afdoende gemotiveerd. Wat betreft de werkbaarheid van het wetsvoorstel in de praktijk verwacht ATR dat de administratieve lasten voor burgers afnemen, hetgeen bijdraagt aan een efficiëntere en effectievere uitvoeringspraktijk.
Effectbeoordeling van de uitwisseling van persoonsgegevens (DPIA)
Naar aanleiding van de DPIA is de wettekst op een aantal punten aangescherpt. De bepalingen over het casusoverleg zijn verduidelijkt (alleen te organiseren indien noodzakelijk). De rol van de coördinator is nader toegelicht, zodat het onderscheid met de inhoudelijke behandelrol van een hulp- of zorgverlener duidelijk wordt.
En er zijn maximumbewaartermijnen opgenomen voor het onderzoeksdossier en het coördinatiedossier. Tevens is bij een aantal gemeenten een DPIA uitgevoerd op de risico’s in de verwachte uitvoeringspraktijk van de gecoördineerde aanpak. Deze toets heeft geen aanvullende of meer concrete risico’s ten opzichte van de DPIA op de wetgeving aan het licht gebracht.
41. De leden van de SGP-fractie zijn bezorgd over de beantwoording van de regering ten aanzien van het «wat» en het «hoe» (vraag en antwoord 37) van de ondersteuning voor mensen met ernstige meervoudige problematiek. Zij leiden hieruit af dat de wetgever gemeenten inderdaad een stevige verplichting gaat voorschrijven ten aanzien van het «hoe».
De leden van de SGP-fractie vragen of handelingsverlegenheid van gemeenten ook zou kunnen worden opgelost met andere maatregelen dan aanscherping van de wet.
In het antwoord waaraan de leden van de SGP-fractie refereren is uiteengezet hoe in dit wetsvoorstel de balans is gezocht om voldoende duidelijke wettelijke kaders te schetsen enerzijds om handelingsverlegenheid bij de aanpak van meervoudige problematiek te voorkomen, en anderzijds aan gemeenten voldoende ruimte te bieden om hieraan binnen de eigen gemeentelijke praktijk vorm te geven. De regering is van mening dat het «hoe» daarbij de gewenste en noodzakelijke houvast geeft om mensen met meervoudige problematiek beter te kunnen helpen. Daarbij gaat het om een casuïstische aanpak, waarbij niet zomaar van iedereen die om hulp vraagt standaard veel te breed wordt uitgevraagd.
In paragraaf 3 van de memorie van toelichting is weergegeven welke knelpunten er op dit moment bestaan rondom de integrale aanpak van meervoudige problematiek en in paragraaf 4 is toegelicht hoe deze aanpak met de voorgestelde regels verbeterd kan worden. Dit wetvoorstel is nodig om mensen met meervoudige problematiek beter te kunnen helpen. Hulp die zonder dit wettelijk kader nu vaak niet goed van de grond komt.
42. Kan de regering aangeven of vanuit het principe van de decentralisatie ook minder vergaande maatregelen zijn overwogen, zoals landelijke handreikingen?
De Autoriteit Persoonsgegevens constateerde in 2016 dat een overkoepelende wettelijke regeling voor domeinoverstijgende verwerking van persoonsgegevens in het sociaal domein ontbreekt.
De Autoriteit Persoonsgegevens13 wees erop dat de gegevensverwerking, die nodig is om bij meervoudige problematiek tot een gecoördineerde aanpak te komen, niet op een van de in de AVG genoemde rechtsgrondslagen kan worden gebaseerd. De huidige sociaal domeinwetten zijn voor wat betreft de gegevensverwerking verkokerd geregeld, wat in de weg staat aan het tot stand brengen en kunnen coördineren van een integrale aanpak bij meervoudige problematiek (volgens het adagium «één gezin, één plan, één regisseur»). Bij het ontbreken van een duidelijke wettelijke grondslag voor gegevensverwerking kan hierbij ook geen beroep worden gedaan op eventuele «toestemming» van cliënt als rechtsgrondslag omdat toestemming vanwege de afhankelijkheidsrelatie met de overheid niet vrijelijk kan worden gegeven.
Onduidelijkheid draagt in de praktijk bij aan handelingsverlegenheid bij organisaties en professionals om informatie te delen, ook in gevallen waarin dit, gezien de aard van de problematiek, wel geboden is.
De regering achtte onduidelijkheid over wettelijke grondslagen voor de aanpak van meervoudige problematiek onwenselijk en heeft in verschillende brieven maatregelen aangekondigd, die moesten leiden tot betere invulling van de ondersteuning van burgers met meervoudige problematiek. Zo kondigde de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in dit verband aan14 dat het noodzakelijk is om tot wetgeving te komen. Vervolgens is Uw Kamer geïnformeerd15 over de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan dit wetsvoorstel: de gecoördineerde aanpak vraagt om maatwerk; de hulpvraag van de cliënt en de aard van de problematiek zijn leidend en het college handelt zo veel mogelijk in samenspraak met de cliënt en zijn gezin.
Met dit wetsvoorstel wordt gestreefd naar het verminderen van de handelingsverlegenheid bij professionals; zowel als het gaat om wat kan en mag met persoonsgegevens als het kader waarin de samenwerking tussen betrokken partijen en met de cliënt en gezinsleden moet plaatsvinden. Het wetsvoorstel geeft hiervoor de benodigde handvatten. Dit is in juridische zin vormgegeven door de gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek als taak voor het college van burgemeester en wethouders te verankeren, en de wettelijke grondslagen voor de daarvoor benodigde gegevensverwerking te regelen. Die grondslagen zijn nodig om te voldoen aan de AVG.
De inhoud van de bepalingen gaat verder dan het enkel expliciteren van de gegevensverwerking die nodig is om te komen tot een gecoördineerde aanpak. Hiervoor is gekozen om inwoners waarborgen te bieden tegen een mogelijk te ruime gegevensverwerking. Het wetsvoorstel beoogt gemeenten, en de partners met wie zij werkt, houvast te bieden bij de gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek én burgers het vertrouwen te bieden dat gemeenten zorgvuldig en daadkrachtig kunnen optreden.
Gelet op de AVG zijn duidelijke wettelijk geregelde grondslagen voor gegevensverwerking nodig. Het vastleggen van duidelijke taken voorkomt daarbij een te ruime verwerking van gegevens. De taken zijn daarmee de kapstok voor het verwerken van de noodzakelijke gegevens. Handreikingen kunnen betrokken partijen daarnaast helpen met concrete handvatten voor de dagelijkse praktijk.
43. De leden van de SGP-fractie vragen hoe de recente inzet op de ontwikkeling van sterke lokale teams (het convenant is recent ondertekend) zich verhoudt tot het wetsvoorstel. Wordt daarmee niet al voor een belangrijk deel de integrale benadering ingevuld die wetsvoorstel wil regelen?
Inderdaad is het Convenant stevige lokale teams recent ondertekend.16 In het convenant hebben gemeenten, het Rijk en uitvoeringspartners afgesproken om de werkwijze van lokale teams meer te uniformeren en te versterken. Het moet het voor inwoners duidelijker worden wat zij van een lokaal team kunnen verwachten. Het lokale team is het eerste aanspreekpunt voor jeugdigen en gezinnen. Het team kijkt met een brede blik naar wat er speelt in het gezin en helpt onderliggende problemen aan te pakken. Waar nodig werken zij samen met andere domeinen als onderwijs en schuldhulpverlening. De teams zijn aanwezig in de wijk of op scholen. Het convenant vertaalt bestaande uitgangspunten naar concrete afspraken over samenwerking en organisatie, zodat ondersteuning toegankelijker, samenhangender en minder afhankelijk van de woonplaats wordt. Het tot stand komen van het convenant was een afspraak uit de Hervormingsagenda Jeugd.
De afspraken in deze versie zijn dan ook primair gericht op de situatie van jeugdigen en gezinnen.
Uit het tot stand komen van dit convenant blijkt zowel vanuit het perspectief van gemeenten en betrokken hulpverleners, als uit het perspectief van de burger, dat behoefte is aan meer eenduidigheid en duidelijke wettelijke kaders. In het convenant is dan ook afgesproken dat het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zich met de betrokken departementen inspant om de nodige wettelijke randvoorwaarden te bieden voor het realiseren van stevige lokale teams en hun domeinoverstijgende werkwijze. Voorliggend wetsvoorstel neemt de belemmeringen ten aanzien van de gegevensverwerking ten behoeve van een domeinoverstijgende gecoördineerde aanpak grotendeels weg en is daarmee een van de wettelijke randvoorwaarden voor de totstandkoming van stevige lokale teams. In het convenant is verder afgesproken dat helderheid wordt geboden over de reikwijdte van de jeugdhulpplicht, het minimumniveau aan basisvoorzieningen en lokale teams. Hieraan wordt invulling gegeven via het Wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet. Met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld gemeenten te verplichten om lokale teams in te richten en te belasten met een aantal basistaken waaronder het laagdrempelig verstrekken van informatie of advies, vraagverheldering en toeleiding naar aanvullende hulp, verlenen van basisjeugdhulp respectievelijk algemene voorzieningen op grond van de Wmo 2015.
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de uitvoerige reactie op hun vraag naar de afbakening van meervoudige problematiek (vraag en antwoord 56).
44. Kan de regering toezeggen dat bij de invoeringstoets en evaluatie expliciet aandacht wordt besteed aan de waarborgen die hiervoor in de wet zijn vastgelegd en of deze voldoende zijn?
De vraag en het antwoord waaraan de leden van de SGP-fractie refereren, betreft de afbakening van meervoudige problematiek en dus de toepassing van de voorgestelde regels voor het onderzoeken van meervoudige problematiek en het aanbieden en uitvoeren van een gecoördineerde aanpak. Het lijkt mij goed om bij de invoeringstoets, maar vooral ook bij de evaluatie aandacht te besteden aan deze afbakening en de daarvoor benodigde waarborgen.
45. De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering eraan vasthoudt om gemeenten een gedetailleerde procedure voor te schrijven, wat haaks staat op het advies van de Afdeling. De leden van de SGP-fractie betreuren dit omdat dit naar hun overtuiging geen recht doet aan de gedecentraliseerde verhoudingen.
Uit het bovengenoemde Convenant stevige lokale teams blijkt dat behoefte is aan versterking en uniformering van de aanpak. Ondersteuning moet toegankelijker en samenhangender worden, en minder afhankelijk van de woonplaats. Dat neemt niet weg dat op grond van de wetten binnen het sociaal domein, veel ruimte is voor een lokale invulling, ook als voorliggend wetsvoorstel in werking is getreden. In de praktijk blijkt dat het bieden van goede en op elkaar afgestemde hulp niet goed te lukken, als bij die hulpverlening betrokken partijen en de gemeente onzeker zijn over wat wel en niet mag op het gebied van gegevensverstrekking. Dit wetsvoorstel gaat daar naar verwachting houvast voor geven, waarbij naar het oordeel van de regering, nog veel ruimte is voor een casuïstische aanpak passend bij de mensen om wie het gaat.
Zo wordt voor een onderzoek naar meervoudige problematiek vooral bepaald wat moet worden onderzocht en wie daarbij betrokken kunnen worden, maar wordt niet bepaald hoe een gemeente dat onderzoek verder zou moeten inrichten. Ook geeft het wetsvoorstel een wettelijk kader voor het houden van een casusoverleg, juist met het oog op het verantwoord delen van gegevens, maar of en wanneer zo’n casusoverleg wordt gehouden is ter beoordeling van de betrokkenen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de nota van de Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein. Zij vinden het gepast dat is geluisterd naar de bezwaren vanuit de sector, Raad van State en de Tweede Kamer ten aanzien van het doorbreken van het beroepsgeheim. Tegelijk zien zij dat zorgen bij juist andere sectoren met de voorgestelde wijziging niet zijn weggenomen. Deze leden hebben nog enkele vragen over het gewijzigde wetsvoorstel en hopen op een snelle inwerkingtreding van de wet.
46. Ten aanzien van de aanpassing van artikel 5.4.2, tweede lid, lezen de leden van de ChristenUnie-fractie in de beslisnota dat er meerdere opties op tafel hebben gelegen. Welke zijn dit en waarom heeft de regering gekozen voor de optie zoals nu voorligt?
Het ging enerzijds om de optie om de bepaling van artikel 5.4.2, tweede lid, bij nota van wijziging geheel in overeenstemming te brengen met artikel 2.29 van de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (Wgs). Die bepaling in de Wgs maakt ook doorbreking van het beroepsgeheim op basis van goed hulpverlenerschap mogelijk. Omdat de Afdeling advisering van de Raad van State kritiek had op het criterium van goed hulpverlenerschap in zijn advies over de Wams, was een andere optie om in artikel 5.4.2, tweede lid, naast verstrekking op grond van toestemming of op grond van een wettelijk voorschrift, verstrekking zonder toestemming toe te staan op basis van toetsing door de professional aan de criteria voor ernstige meervoudige problematiek. Uit meerdere overleggen met veldpartijen is gebleken dat dit alternatief niet op een breed draagvlak kon rekenen. Het derde alternatief was de bepaling zoals die nu is opgenomen in de nota van wijziging, waarmee de huidige situatie rond de mogelijkheden om het wettelijk beroepsgeheim te doorbreken ongewijzigd blijft. Omdat voor de andere twee opties onvoldoende draagvlak was, is gekozen voor deze optie die de huidige regels rond eventuele doorbreking van het beroepsgeheim in stand laat.
47. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of met de voorgestelde wijziging de handelingsverlegenheid van professionals wordt weggenomen. Kent de regering de zorgen van de landelijke stuurgroep Zorg & Veiligheid die zich zorgen maken over de uitvoerbaarheid van de OGGZ? Wat is de reactie van de regering hierop?
De regering kent het gezamenlijke statement over de Wet aanpak meervoudige problematiek in het sociaal domein, waarin wordt aangegeven dat dit wetsvoorstel een grote stap vooruit is ten opzichte van de huidige praktijk, maar waarin ook zorgen worden geuit over de uitvoerbaarheid van de oggz. Uit nadere lezing blijkt dat die zorgen niet zozeer gaan om de uitvoerbaarheid van oggz als geheel – de bemoeizorg als gemeentelijke taak – maar dat die zorgen zich toespitsen op het voorstel van artikel 5.4.2, tweede lid, over het verstrekken van gegevens waarop een wettelijk geregeld beroepsgeheim rust.
Met dit wetsvoorstel wordt een duidelijk kader gegeven voor de taken en verantwoordelijkheden bij de aanpak van meervoudige problematiek, met de nodige waarborgen voor de verwerking van de daarvoor noodzakelijke gegevens. Graag benadruk ik dat de grootste groep mensen met meervoudige problematiek geholpen kan worden met een onderzoek op grond van artikel 2.3a.1 dat naar aanleiding van een hulpvraag in samenspraak met de cliënt of het gezin wordt gedaan. Voor zover daarbij gegevens nodig zijn van een hulpverlener met een wettelijk beroepsgeheim, zullen voor deze groep noodzakelijke gegevens kunnen worden verstrekt, als de cliënt daarvoor toestemming heeft gegeven. Daarbij zijn zowel het college dat verzoekt om gegevens, als de verstrekkende hulpverlener verantwoordelijk voor het verwerken en verstrekken van alleen die noodzakelijke gegevens voor het desbetreffende onderzoek. De duidelijke kaders en grondslagen die het wetsvoorstel geeft voor dit onderzoek naar meervoudige problematiek en het kunnen bieden van een gecoördineerde aanpak, neemt naar verwachting al veel handelingsverlegenheid weg.
In het kader van de oggz speelt enerzijds het kunnen opstarten van bemoeizorg na een melding bij het meldpunt niet acute zorg (artikel 2.2.5 van het wetsvoorstel) en anderzijds het doen van een verzoek aan het college voor een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek (artikel 2.3a.4 van het wetsvoorstel). In het voornoemde statement wordt voorgesteld de doorbrekingsgrond van goed hulpverlenerschap (weer) in het wetsvoorstel op te nemen. De Afdeling advisering van de Raad van State oordeelde in zijn advies dat enkel het criterium van goed hulpverlenerschap om te beoordelen of het beroepsgeheim zou kunnen worden doorbroken, aan hulpverleners onvoldoende houvast geeft, en dat in plaats daarvan doelcriteria opgenomen zouden moeten worden. Op basis van dat advies werden in artikel 5.4.2, tweede lid, doelcriteria opgenomen, namelijk toetsing aan de criteria voor ernstige meervoudige problematiek. Ter aanvulling werd daarbij in art. 5.4.2, tweede lid, het goed hulpverlenerschap als ijkpunt genoemd. Zoals aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag hebben diverse overleggen plaatsgevonden over artikel 5.4.2, tweede lid, naar aanleiding naar bezwaren tegen deze bepaling zoals die in het wetsvoorstel was opgenomen. Naar aanleiding van de bezwaren zijn meerdere gesprekken gevoerd. Dit heeft niet geleid tot het formuleren van criteria die in de praktijk wel bruikbaar zouden zijn.
In feite hield de bepaling van artikel 5.4.2, tweede lid, zoals die luidde een meldrecht in. Uit de voornoemde gesprekken bleek dat ook een meldrecht niet de voorkeur te hebben.
Wel kwam uit die gesprekken voort dat het goed zou zijn om met zorgpartijen en de partijen die voornoemd statement hebben uitgebracht om tafel te gaan om met kwaliteitsstandaarden en beroepsrichtlijnen nadere invulling te geven aan mogelijkheden als het inzetten van wettelijk vertegenwoordigers en het beroep doen op het leerstuk van conflict van plichten. Dit zal bijdragen aan het wegnemen van handelingsverlegenheid bij zorgpartijen met een beroepsgeheim.
48. Wat vindt de regering van de suggestie om in de wet een meldrecht op te nemen, waaronder bijzondere situaties vallen waarin zorgverleners gegevens waar het beroepsgeheim op rust mogen verstrekken zonder toestemming van de persoon in kwestie?
Zoals aangegeven in het antwoord op de voorgaande vraag, hield de oorspronkelijke bepaling van artikel 5.4.2, tweede lid, zoals die bij uw Kamer was ingediend, in feite een meldrecht in.
Deze bepaling, die doorbreking van het (medisch) beroepsgeheim in beperkte mate mogelijk maakte, bleek op veel weerstand te stuiten. Zoals in de antwoorden onder andere bij de vragen 80, 81, 92, 93 in de nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven, zijn naar aanleiding van de brief van veldpartijen en deze vragen in het verslag, diverse overleggen met betrokken partijen geweest. Geprobeerd is om tot een gedeelde visie te komen en een voorstel voor een aangepaste bepaling om tegemoet te komen aan deze bezwaren enerzijds, en anderzijds toch enige wettelijke ruimte te kunnen bieden aan partijen met een wettelijk beroepsgeheim om in geval van ernstige meervoudige problematiek gegevens te kunnen delen, terwijl aan de persoon die het betreft – op dat moment – geen toestemming is of kan worden gevraagd. Dit is niet gelukt, en daarom is bij nota van wijziging een bepaling opgenomen die voor partijen met een wettelijk geregeld beroepsgeheim de huidige situatie in stand houdt.
Uit de voornoemde gesprekken bleek ook dat partijen met een wettelijk geregeld beroepsgeheim wel mogelijkheden zien om met handreikingen meer handvatten te geven welke speelruimte zorg- en hulpverleners hebben. Bijvoorbeeld het inzetten van een wettelijk vertegenwoordiger en meer kennis over de inzet van het leerstuk van conflict van plichten.
49. Klopt de inschatting van de leden van de ChristenUnie-fractie dat de Wams niet een juridisch kader biedt voor OGGZ/bemoeizorg? Welke stappen zet de regering om daar wel een kader voor te bieden?
Openbare geestelijke gezondheidszorg (oggz) behoort al vele jaren tot de gemeentelijke taken. In de Wmo 2015 is dit alleen, anders dan in de Wmo (2007), niet geëxpliciteerd.
Zoals blijkt uit paragaaf 5 van de memorie van toelichting heeft de regering naar aanhoudende vragen over de gemeentelijke oggz-taak, voorgesteld het begrip oggz weer op te nemen in de wet. In het onderhavige wetsvoorstel is gekozen voor een definitie die tot uitdrukking brengt waarop de oggz is gericht, namelijk het bereiken en toeleiden naar zorg en/of ondersteuning van kwetsbare groepen en personen die niet vrijwillig en uit zichzelf om deze zorg en ondersteuning vragen. De doelgroep is breed en divers: eenzame ouderen, daklozen, woningvervuilers, verslaafden aan drugs of alcohol en mensen met psychiatrische problematiek. De gemeentelijke verantwoordelijkheid om deze personen toe te geleiden naar de juiste zorg of ondersteuning betreft zowel signalering als interventie: de gemeente identificeert een persoon die hulp nodig heeft maar zich niet zelf met een hulpvraag meldt, legt contact met hem, inventariseert welke vormen van zorg en ondersteuning hem zouden kunnen helpen en tracht hem ervan te overtuigen hulp te aanvaarden.
Ook wordt in dit wetsvoorstel de taak en daaraan gekoppeld de gegevensverwerking door meldpunten niet acute zorg wettelijk verankerd. Via het meldpunt kunnen mensen waarover zorgen bestaan worden doorgeleid naar bemoeizorg.
Ten slotte is in dit wetsvoorstel geregeld dat partijen die betrokken zijn bij iemand met ernstige meervoudige problematiek bij het college een verzoek kunnen doen voor een onderzoek naar deze problematiek met als doel deze persoon met een gecoördineerde aanpak te kunnen gaan helpen. Dit is een specifieke vorm van bemoeizorg die niet voor elke zorgmijder geschikt zal zijn.
De definitie van oggz geeft op hoofdlijnen weer wat bemoeizorg is, maar geeft verder geen concrete kaders voor de invulling van deze bemoeizorgtaak.
Mede naar aanleiding van het verzoek van uw Kamer om concrete kaders te delen over de invulling van een wettelijke verankering van de bemoeizorg in de Wmo 2015 en het onderzoek van Movisie naar de huidige praktijk rond bemoeizorg, onderzoekt het kabinet momenteel samen met gemeenten en andere partijen welke beleidsopties er zijn om bemoeizorg te versterken. In de voortgangsbrief van de interdepartementale aanpak verward en onbegrepen gedrag, die u rond de zomer zult ontvangen, zal het kabinet u hierover nader informeren.
50. Tegelijk lezen de leden van de ChristenUnie-fractie de zorgen van professionals die een geheimhoudingsplicht hebben op grond van hun beroepscode, in plaats van een wettelijk geregeld beroepsgeheim. Kan de regering onderbouwen waarom de bescherming van artikel 5.4.2, tweede lid, niet van toepassing is op professionals met een geheimhoudingsplicht op grond van hun beroepscode, terwijl artikel 272 Sr en het verschoningsrecht geen onderscheid maken tussen wettelijke en beroepscode-geheimhouding?
Voor deze twee groepen gelden niet dezelfde (wettelijke) kaders. Dat is ook nu het geval, en dat geldt ook voor de bepalingen zoals voorgesteld in artikel 5.4.2.
De vertrouwensrelatie tussen zorg- en hulpverleners met een wettelijk geregeld beroepsgeheim is van zo’n fundamenteel belang geacht voor de vrije toegang tot zorg, dat daaraan door de wetgever een wettelijke geheimhoudingsplicht is verbonden. Mensen moeten in vertrouwen naar een arts kunnen gaan, zodat risico’s voor zowel de patiënt als de samenleving (bijv. i.v.m. besmettelijke ziektes) kunnen worden beperkt of voorkomen. Daarom zijn de wettelijk geregelde beroepsgeheimen wezenlijk anders. Het belang van deze wettelijk geregelde beroepsgeheimen, wordt met dit wetsvoorstel onderschreven. Tegelijkertijd is dit wetsvoorstel met het oog op het kunnen bieden van beter op elkaar afgestemde hulp en zorg aan mensen met meervoudige problematiek, zodanig vormgegeven dat de benodigde samenwerking wel van de grond kan komen. Daarom is op de meeste partijen het bepaalde in artikel 5.4.2, eerste lid, van toepassing. Betrokken partijen moeten in zekere mate de urgentie voelen om samen te werken, waarbij voor álle partijen – met of zonder (wettelijk) beroepsgeheim – voor het verstrekken van gegevens de beginselen van noodzakelijkheid en minimale gegevensverwerking, gelden.
Met dit wetsvoorstel wordt aangesloten bij het bestaande onderscheid en geldt daarom een specifieke regeling voor partijen met een wettelijk geregeld beroepsgeheim.
Dat wil niet zeggen dat er voor partijen met een beroepsgeheim op basis van een beroepscode en hun cliënten en patiënten geen waarborgen gelden. Voor deze partijen geldt het voorgestelde artikel 5.4.2, eerste lid, waarin ook waarborgen zijn opgenomen. Bij toepassing van artikel 5.4.2, eerste lid, geldt dat als het college vraagt om gegevens te verstrekken voor een onderzoek naar meervoudige problematiek, het college zal moeten aangeven waarom die gegevens noodzakelijk zijn. De verstrekkende partij moet vervolgens ook zelf die noodzaak beoordelen. Wat noodzakelijk is hangt af van de casus en moet voldoen aan het beginsel van minimale gegevensverwerking. De uitkomst van die beoordeling door de verstrekkende partij kan zijn dat er wel noodzaak is om enige gegevens te verstrekken, maar niet alle gegevens die het college vraagt. Daarnaast toetst een partij aan wie op grond van artikel 5.4.2, eerste lid, gegevens worden gevraagd, of er geen zwaarwegende redenen zijn die zich tegen verstrekking verzetten.
Dit kan de vertrouwensrelatie met de cliënt zijn, bijvoorbeeld als de hulpverlener van oordeel is dat de net opgebouwde vertrouwensrelatie met de cliënt onder druk zou komen te staan en de hulpverlening daardoor (weer) zou kunnen vastlopen. Ook bij verstrekking op grond van artikel 5.4.2, eerste lid, gelden zodoende voldoende waarborgen voor partijen die werken op basis van een beroepscode.
De bescherming die het medisch beroepsgeheim biedt, is in de eerst plaats bedoeld ter bescherming van de cliënt. Omdat soms andere belangen moeten prevaleren, zijn beroepsgeheimen nooit absoluut. Dat geldt ook bij het door de leden van de ChristenUnie-fractie genoemde verschoningsrecht. In welke mate daarop een beroep kan worden gedaan is ter beoordeling van het OM en de rechter.
51. Kan de regering reflecteren op de vraag van de leden van de ChristenUnie-fractie of de huidige versie van de wet nu doet wat oorspronkelijk met de wet was beoogd?
Oorspronkelijk17 werd beoogd een belangrijk knelpunt in het sociaal domein weg te nemen, namelijk het ontbreken van duidelijke en noodzakelijke grondslagen voor gegevensuitwisseling bij de aanpak van meervoudige problematiek en een expliciete wettelijke taak voor het college om tot een gecoördineerde aanpak te komen. Op deze manier zouden gemeenten en (zorg)professionals beter in staat gesteld kunnen worden met een gecoördineerde aanpak mensen met meervoudige problematiek te helpen. Het huidige voorstel, inclusief de nota van wijziging, voldoet daaraan. De regering verwacht dat gemeenten, betrokken professionals en vooral de mensen die te kampen hebben met meervoudige problematiek er echt op vooruit kunnen gaan, als deze wet in werking is getreden.
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en de bijbehorende stukken. Zij hebben hier nog enkele aanvullende vragen en opmerkingen over.
52. De leden van de SP-fractie constateren dat er met dit wetsvoorstel zowel grondslagen worden gecreëerd voor gegevensdeling die is gericht op het verbeteren van de zorg en ondersteuning van mensen als op het beschermen van de openbare orde en veiligheid. Hoe weegt de regering de risico’s van de vermenging daarvan, zoals mogelijke zorgmijding vanwege de angst voor de inzet van interventies uit het veiligheidsdomein?
Dit wetsvoorstel heeft tot doel het verbeteren van de zorg en ondersteuning aan mensen en gezinnen met meervoudige problematiek en geeft de taken en grondslagen voor gegevensverwerking die daarvoor nodig zijn. Daarbij kan het wetsvoorstel indirect bijdragen aan het beschermen van de openbare orde en veiligheid. Het wetsvoorstel geeft namelijk taken en grondslagen voor gegevensverwerking voor een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek en het bieden van een gecoördineerde aanpak. Als het lukt deze mensen met een gecoördineerde aanpak te helpen, kán dat bijdragen aan het beschermen van de openbare orde en veiligheid, maar dat is niet het doel van dit wetsvoorstel.
Bij het onderzoek naar de meervoudige problematiek, kunnen op grond van het voorgestelde 5.4.2, vierde lid, gegevens op het terrein van de openbare orde, waarover de burgemeester beschikt, worden betrokken als die gegevens noodzakelijk zijn voor het onderzoek. Die gegevens kunnen noodzakelijk zijn om een goed beeld te krijgen van de problematiek en te komen tot een passend plan voor een gecoördineerde aanpak. In de nota van wijziging wordt met onderdeel C en onderdeel F benadrukt dat een onderzoek zich richt op de problematiek die speelt en dat voorstellen voor de inzet van diensten, afspraken en interventies binnen de gecoördineerde aanpak, gericht zijn op het verminderen en wegnemen van de problemen die spelen. De inzet daarvan kan alleen plaatsvinden binnen een gecoördineerde aanpak die alleen van de grond kan komen, als de cliënt de voorgestelde aanpak aanvaard. In onderdeel L van de nota van wijziging wordt duidelijk afgebakend dat het college op grond van het onderzoek naar (ernstige) meervoudige problematiek alleen de gegevens verder kan verwerken ten behoeve van interventies op grond van de Jeugdwet of de Wet inburgering 2021. Ook is het mogelijk dat de Reclassering of de wijkagent betrokken zijn bij een gecoördineerde aanpak, maar dan gaat het om eventuele verplichtingen voor de cliënt die binnen de gecoördineerde aanpak zijn afgesproken en die dus kenbaar zijn voor de cliënt.
Op grond van het voorgestelde artikel 2.3a.4, tweede lid, onderdeel e, kan een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek alleen gericht zijn op de mogelijke inzet van een gecoördineerde aanpak. Uit de definitie van een gecoördineerde aanpak zoals die opgenomen in het wetsvoorstel blijkt dat die aanpak tot doel heeft de problemen van de cliënt binnen het sociaal domein en eventueel aanpalende domeinen te verminderen of op te lossen en hen te ondersteunen bij het verbeteren van de zelfredzaamheid en participatie. Een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek mag dus niet worden ingezet enkel ter bescherming van de openbare orde en veiligheid. Uiteindelijk kan de bescherming van de openbare orde en veiligheid wel een onderdeel vormen van de gecoördineerde aanpak.
Het kan ook voorkomen dat een onderzoek naar meervoudige problematiek uiteindelijk niet leidt tot een gecoördineerde aanpak. Zeker bij ernstige meervoudige problematiek zal het niet altijd lukken de cliënt te overtuigen daaraan mee te werken. De regering is van mening dat een burgemeester in dit soort situaties overeenkomstig zijn bevoegdheden de afweging moet kunnen maken, dat het ter bescherming van de openbare orde of de veiligheid in de omgeving noodzakelijk is de in artikel 5.4.4 genoemde bevoegdheden in te zetten. Hierbij weegt de burgemeester de mogelijk nadelige gevolgen voor de persoon die de maatregel betreft af tegen de nadelige gevolgen voor zijn omgeving.
53. De leden van de SP-fractie zien ook dat zorgprofessionals waarschuwen voor de risico’s voor zorgmijding wanneer het beroepsgeheim wordt doorbroken in het kader van onvrijwillige trajecten via dit wetsvoorstel. Hoe kijkt de regering naar deze kritiek?
Als een cliënt gebruik wil maken van diensten die worden aangeboden in het kader van dit wetsvoorstel, dan worden deze op vrijwillige basis aanvaard. Gedwongen hulpverlening is alleen mogelijk als voldaan is aan de daarvoor geldende wettelijke criteria en de daarbij geldende rechtsbescherming. Indien daartoe noodzaak zou zijn, zijn de reguliere kaders aan de orde, zoals de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) of de Wet zorg en dwang (hierna: Wzd).
In het sociaal domein kunnen interventies als de inzet van gesloten jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan de orde komen. Voor eventuele voorzieningen die in het kader van de integrale aanpak worden verstrekt, is het noodzakelijk dat de cliënt deze zelf aanvaardt. Het kan voorkomen dat een cliënt niet alle door het college voorgestelde diensten wenst, of dat bij een gecoördineerde aanpak waarbij meerdere cliënten uit een gezin zijn betrokken, één van die cliënten de voorgestelde dienst niet wil. Het college kan bezien of de gecoördineerde aanpak in zo’n geval kan worden bijgesteld of dat wordt geprobeerd kan worden de cliënt te overtuigen de dienst toch te aanvaarden om de doelstelling van de gecoördineerde aanpak te behalen.
Als een professional een verzoek doet voor een onderzoek in verband met ernstige meervoudig problematiek kan het college een onderzoek zonder (directe) medewerking van de cliënt instellen. Daarbij moet het college er naar streven het onderzoek en de gecoördineerde aanpak zoveel mogelijk in overleg met de cliënt(en) tot stand te laten komen, door de cliënt zo mogelijk bij de uitvoering van het onderzoek te betrekken. De cliënt en zijn vertegenwoordiger of mantelzorger moeten sowieso over het onderzoek worden geïnformeerd en moeten worden gewezen op de mogelijkheid om cliëntondersteuning te krijgen (zie artikel 2.3a.4, derde lid).
54. De leden van de SP-fractie vragen hoe de mogelijkheden zijn die worden gecreëerd voor gegevensuitwisseling voor onvrijwillige zorgtrajecten. Ondertussen is er echter nog geen duidelijke aparte wettelijke basis voor bemoeizorg geregeld. Hoe gaat het onvrijwillige deel van deze wet in praktijk werken zonder dat er daarnaast ook een duidelijke wettelijke basis voor bemoeizorg is? Welke plannen zijn er om hier ook een wetsvoorstel voor te maken?
Bemoeizorg en onvrijwillige zorg moeten van elkaar worden onderscheiden. Voor onvrijwillige zorg gelden de aparte wettelijke kaders van de Wvggz en Wzd.
Bemoeizorg, ofwel openbare geestelijke gezondheidszorg (oggz) behoort al vele jaren tot de gemeentelijke taken. In de Wmo 2015 is dit alleen, anders dan in de Wmo (2007), niet geëxpliciteerd. Zoals blijkt uit paragaaf 5 van de memorie van toelichting heeft de regering na aanhoudende vragen over de gemeentelijke oggz-taak, voorgesteld het begrip oggz weer op te nemen in de wet. In het onderhavige wetsvoorstel is gekozen voor een definitie die tot uitdrukking brengt waarop de oggz is gericht, namelijk het bereiken en toeleiden naar zorg en/of ondersteuning van (kwetsbare) groepen en personen die niet vrijwillig en uit zichzelf om deze zorg en ondersteuning vragen en bijvoorbeeld de gevolgen van hun handelen (al dan niet gedeeltelijk) niet goed kunnen overzien. De doelgroep is breed en divers: daklozen, woningvervuilers of verzamelaars waarbij gevaar voor henzelf of de omgeving een rol speelt, verslaafden aan drugs of alcohol en (afhankelijk van de omstandigheden) mensen met psychiatrische problematiek. De gemeentelijke verantwoordelijkheid om deze personen toe te geleiden naar de juiste zorg of ondersteuning betreft zowel signalering als interventie: de gemeente identificeert een persoon die hulp nodig heeft maar zich niet zelf met een hulpvraag meldt, legt contact met hem, inventariseert welke vormen van zorg en ondersteuning hem zouden kunnen helpen en tracht hem ervan te overtuigen hulp te aanvaarden.
Ook wordt in dit wetsvoorstel de taak en daaraan gekoppeld de gegevensverwerking door meldpunten niet acute zorg wettelijk verankerd. Via het meldpunt kunnen mensen over wie zorgen bestaan (afhankelijk van de omstandigheden) worden doorgeleid naar bemoeizorg.
Ten slotte is in dit wetsvoorstel geregeld dat partijen die betrokken zijn bij iemand met ernstige meervoudige problematiek bij het college een verzoek kunnen doen voor een onderzoek naar deze problematiek met als doel deze persoon met een gecoördineerde aanpak te kunnen gaan helpen. Dit is een specifieke vorm van bemoeizorg die niet voor elke zorgmijder geschikt zal zijn.
De definitie van oggz geeft op hoofdlijnen weer wat bemoeizorg is, maar geeft verder geen concrete kaders voor de invulling van deze bemoeizorgtaak. Mede naar aanleiding van het verzoek van uw Kamer om concrete kaders te delen over de invulling van een wettelijke verankering van de bemoeizorg in de Wmo 2015 en het onderzoek van Movisie naar de huidige praktijk rond bemoeizorg, onderzoekt het kabinet momenteel samen met gemeenten en andere partijen welke beleidsopties er zijn om bemoeizorg te versterken. In de voortgangsbrief van de interdepartementale aanpak verward en onbegrepen gedrag, die u rond de zomer zult ontvangen, zal het kabinet u hierover nader informeren.
55. De leden van de SP-fractie zien dat er met dit wetsvoorstel oplossingen worden geprobeerd te vinden voor mensen met complexe zorgvragen. Tegelijkertijd lopen zorgverleners er in de praktijk tegenaan dat er vaak een tekort is aan passende zorgplekken voor juist deze groep.
Er is dus naast dit wetsvoorstel ook een verbetering van het specialistische zorgaanbod nodig. Is de regering ook van plan om hier ook stappen op te gaan zetten?
De regering erkent dat naast dit wetsvoorstel ook een versterking van het specialistische zorgaanbod noodzakelijk is. Er zijn voor het verbeteren van de doorstroming en beschikbaarheid van plekken voor mensen met complexe zorgvragen al belangrijke afspraken gemaakt in het AZWA, met name afspraken C3a, C6 en E4. Daarnaast zal de regering in de reactie op het IBO «Uit balans» en in het kader van de routekaart voor meer sturing op passende zorg aanvullende acties bekend maken. Hierover zal de Kamer conform de toegezegde termijn worden geïnformeerd.
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de beantwoording van de regering inzake onderhavig wetsvoorstel en hebben daarover nog enkele aanvullende vragen.
De leden van de Groep Markuszower lezen in de beantwoording van de regering dat sinds het voorjaar van 2021 alle gemeenten beschikken over een meldpunt voor inwoners en professionals die zich zorgen maken over iemand in hun omgeving waarbij sprake is van meervoudige problematiek, maar niet uit zichzelf met een hulpvraag komt. Tussen 1 juli 2020 en 1 januari 2026 zijn bijna 56.500 telefoongesprekken doorgezet naar lokaal of regionaal meldpunt niet-acuut.
56. Hoeveel (percentage) van de gemelde personen die hulp aangeboden gekregen hebben, hebben vrijwillig ingestemd met de aangeboden hulp naar aanleiding van de gemaakte melding?
Hierover is geen landelijke informatie bekend.
57. De leden van de Groep Markuszower vermoeden dat Nederlandse burgers niet goed op de hoogte zijn van lokale of regionale meldpunten voor niet-acute meldingen/zorgwekkend gedrag. Deelt de regering deze mening? Kan een melding bij het meldpunt anoniem gedaan worden? Zo nee, waarom niet?
Anonieme meldingen worden in beginsel niet in behandeling genomen. Als bekend is wie meldt, zal de afhandeling van de melding ordentelijk(er) verlopen.18 Bovendien leidt de melding mogelijk tot opvolging waarbij het wenselijk kan zijn de melder op een later moment te kunnen benaderen voor aanvullende informatie. Een melder kan wel verzoeken om anoniem te blijven als het gaat om terugkoppeling aan degene over wie de melding is gedaan. Professionals kunnen niet anoniem blijven jegens degene over wie is gemeld. Het volledig uitsluiten van anonieme meldingen lijkt gezien de aard van de problematiek niet verstandig. Het kan immers zijn dat er een anonieme melding binnenkomt die toch vraagt om directe actie. Het kabinet gaat ervan uit dat medewerkers in het meldpunt over voldoende professionaliteit beschikken om de meldingen die echt om actie vragen en de oneigenlijke meldingen van elkaar te onderscheiden.
De mate van bekendheid met de meldpunten niet-acuut zal lokaal verschillen. Het Rijk zet zich in de bekendheid te vergroten, onder andere door middel van landelijke publiekscampagnes.19
58. Kan de regering een schatting geven (percentage) van mensen met (complexe) meervoudige problematiek, maar die niet uit zichzelf met een hulpvraag komen, zullen instemmen met een gecoördineerde aanpak zoals bedoeld in onderhavig wetsvoorstel? Is hier onderzoek naar gedaan? Zo nee, waarom niet?
Daar is geen schatting van te geven omdat in de eerste plaats al niet duidelijk is hoeveel mensen zorg mijden en voor hoeveel mensen van die groep een betrokken hulpverlener bij het college een verzoek zal doen voor een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek. Het is wel zo dat een voorwaarde voor het starten van een onderzoek bij ernstige meervoudige problematiek is, dat de inschatting moet zijn dat een gecoördineerde aanpak kan bijdragen aan het oplossen of verminderen van de problematiek (artikel 2.3a.4, eerste lid, onderdeel b). Als voor de desbetreffende persoon vooraf al wordt ingeschat dat hij op geen enkele manier zal gaan meewerken aan de hulp die wordt geboden met een gecoördineerde aanpak, dan ontbreekt al de grond voor het starten van het onderzoek. Een onderzoek naar de werking van het wetsvoorstel op dit punt vindt plaats aan de hand van de invoeringstoets.
59. De regering wijst op de beschikbaarheid van (onafhankelijke) cliëntondersteuning en de mogelijkheid voor cliëntondersteuning om domeinoverstijgend te werken, maar is de regering op de hoogte dat door de gemeente geboden cliëntondersteuning vaak onvindbaar, ondermaats en ontoereikend is? Wat gaat de regering hier concreet aan doen? Kan de regering hier voorbeelden van geven?
Sinds de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van cliëntondersteuning is belegd bij gemeenten op basis van de Wmo 2015, wordt de kwaliteit en vindbaarheid van cliëntondersteuning op verschillende manieren landelijk gestimuleerd. Voorbeelden hiervan zijn het Koploperproject cliëntondersteuning (periode 2017 t/m 2022) en de daaropvolgende Specifieke Uitkering versterking cliëntondersteuning (2022 t/m 2026). In totaal zijn en worden met deze projecten meer dan 200 gemeenten ondersteund bij het verbeteren van de kwaliteit en/of de bekendheid van cliëntondersteuning in de gemeente. Vanaf 2022 is ook de Toekomstagenda Zorg en Ondersteuning voor mensen met een beperking gestart waarin cliëntondersteuning, zowel op grond van de Wmo 2015 als de Wet Langdurige zorg, een expliciet aandachtspunt is. Hierbij zijn de vergroting van bekendheid en vindbaarheid en versterking van de kwaliteit van cliëntondersteuning twee van de drie speerpunten waarop verschillende acties lopen. Een van deze acties houdt in dat via Regelhulp.nl per gemeente en zorgkantoorregio te vinden is welke organisaties de cliëntondersteuning bieden. Daarnaast ontvangt de beroepsvereniging voor cliëntondersteuners (BCMB) subsidie voor deskundigheidsbevordering van cliëntondersteuners. De recente monitor van de Toekomstagenda door het RIVM laat zien dat de bekendheid in de afgelopen jaren is toegenomen.20 Daarnaast zien we in verschillende onderzoeken dat de tevredenheid van mensen die cliëntondersteuning ontvangen over het algemeen hoog is.21 Desalniettemin ziet de regering ook dat er ruimte is voor verbetering. Daarom is het afgelopen jaar een onderzoek uitgevoerd door Andersson Elffers Felix naar domeinoverstijgende cliëntondersteuning. In dit rapport worden een aantal varianten voor de toekomstige invulling van cliëntondersteuning geschetst inclusief een aantal aanvullende maatregelen om de huidige knelpunten te verminderen. Rond de zomer zal de Kamer geïnformeerd worden over dit onderzoek en het vervolgproces.
60. De regering geeft aan dat uit verdiepende interviews blijkt dat gemeenten nog zoekende zijn naar hoe ze de samenhang tussen de drie domeinen het beste kunnen vormgeven. Op welke manier gaat de regering ervoor zorgen dat niet elke gemeente afzonderlijk het wiel gaat uitvinden? Zijn er gemeenten die al verder zijn in de uitvoering hiervan? Zo ja, welke? Kunnen deze gebruikt worden als «best practices» voor een landelijke uitrol?
De implementatieondersteuning richt zich ten minste op het ondersteunen en informeren van gemeenten en ketenpartners over hoe men de aanpak rondom meervoudige problematiek het beste kan organiseren in de regio en de gemeente, met welke wet- en regelgeving men rekening moet houden, hoe gegevensdeling wordt geregeld als je in meerdere domeinen moet samenwerken en welke stappen ondernomen kunnen worden bij het aanpakken van meervoudige problematiek. Aan de hand van de stappen die in de Wams zijn voorgeschreven, zullen gemeenten en ketenpartners ondersteund worden door middel van regiobijeenkomsten, webinars en handreikingen.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
CONCEPT Besluit van PM
houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 tot aanwijzing van partijen die bij een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3a.1, vierde lid, of 2.3a.4, tweede lid, van de Wmo 2015 of bij een gecoördineerde aanpak als bedoeld in artikel 2.3a.3 van Wmo 2015, betrokken kunnen worden, het stellen van beveiligingseisen aan de gegevensverwerking en aanpassing van het Besluit politiegegevens en het Besluit SUWI.
Op de voordracht van de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport van ........., kenmerk ........., gedaan in overeenstemming met de Minister van Werk en Participatie en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid;
Gelet op de artikelen 2.3a.5 en 5.4.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 18, eerste lid, van de Wet politiegegevens en artikel 73, zevende lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van ........., no. .........);
Gezien het nader rapport van de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport van ........., Kenmerk ........., gedaan in overeenstemming met de Minister van Werk en Participatie en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid;
Hebben goedgevonden en verstaan:
ARTIKEL I
Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1.1 wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:
– Baseline Informatiebeveiliging Overheid: norm voor informatiebeveiliging binnen de overheid;
– NEN 7510: norm voor het organisatorisch en technisch inrichten van de informatiebeveiliging in de zorg;
– NEN-ISO-IEC 27001 en NEN-ISO-IEC 27002: internationale standaarden voor informatiebeveiliging;
– NTA 7516: nadere uitwerking van NEN 7510 betreffende het veilig ad-hoc uitwisselen van persoonlijke gezondheidsinformatie tussen twee of meer personen;.
B
Na hoofdstuk 4a wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
Hoofdstuk 4b. Aanpak meervoudige problematiek in het sociaal domein
Artikel 4b.1.1
Bij een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3a.1, vierde lid, dan wel artikel 2.3a.4, tweede lid, van de wet, of bij een gecoördineerde aanpak als bedoeld in artikel 2.3a.3 van de wet, kunnen de partijen, genoemd in bijlage I, worden betrokken op grond van hun in deze bijlage genoemde taken en bevoegdheden.
Artikel 4b.1.2
1. De gegevensverwerking op grond van hoofdstuk 5, paragraaf 4 en 5 van de wet, door het college, de partijen genoemd in bijlage I of een coördinator als bedoeld in artikel 2.3a.3, eerste lid, van de wet, voldoet aan de laatste uitgave van NEN-ISO-IEC 27001 en NEN-ISO-IEC 27002, NEN 7510, de Baseline Informatiebeveiliging Overheid of daaraan gelijkwaardige normen.
2. De gegevensuitwisseling op grond van hoofdstuk 5, paragraaf 4 en 5 van de wet, door het college, de partijen genoemd in bijlage I en een coördinator als bedoeld in artikel 2.3a.3, eerste lid, van wet, voldoet aan de laatste uitgave van NTA 7516.
ARTIKEL II
Artikel 4:2, eerste lid, van het Besluit politiegegevens wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel i wordt na «2.4, eerste lid, van de Jeugdwet,» ingevoegd «en de artikelen 2.2.5, eerste lid en tweede lid, onderdelen a en b, 2.3a.1, vierde lid, en zevende lid, onderdeel b, en 2.3a.4, tweede en vierde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015,».
2. Na onderdeel n wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
o. aanbieders als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, ten behoeve van het toepassen van openbare geestelijke gezondheidszorg als bedoeld in dat artikel;.
ARTIKEL III
Aan artikel 5.7 van het Besluit SUWI wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
h. aan colleges van burgemeester en wethouders de gegevens die noodzakelijk zijn voor het verzoek, bedoeld in artikel 2.3a.4, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
ARTIKEL IV
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
|
Partijen |
De uitvoering van de taken of bevoegdheden |
|---|---|
|
De burgemeester |
Op het terrein van de handhaving van de openbare orde op grond van de artikelen 151d, 172, 172a, 172b, 174a en 176a van de Gemeentewet, artikel 13b van de Opiumwet of een gemeentelijke verordening, bij of krachtens de uitvoering van de Wet tijdelijk huisverbod, artikelen 7:1, 7:2, 8:16, vierde lid, 8:18, tiende lid, 8:19, negende lid, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en de artikelen 29 tot en met 31 van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten |
|
Het college van burgemeester en wethouders |
Op grond van artikel 2.2.5, van de wet, de artikelen 5:1, 5:2, eerste en tweede lid, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, de artikelen 2 tot en met 4 van de Wet sociale werkvoorziening, hoofdstuk 5 van de Wet inburgering 2021, artikel 16 van de Leerplichtwet 1969, artikel 8.22 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, artikel 147 van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.3.2. van de Wet educatie en beroepsonderwijs |
|
De gemeentelijke gezondheidsdienst (GGD) genoemd in artikel 14, eerste en tweede lid, van de Wet publieke gezondheid of een ander dan de GGD, als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Wet publieke gezondheid |
Op grond van de artikelen 2, tweede lid, onderdeel h en i, 5, tweede lid, onderdelen c en d, 5a, 14, eerste en tweede lid, van de Wet publieke gezondheid, en de artikelen 3 tot en met 7 van het Besluit publieke gezondheid. |
|
Een beroepsbeoefenaar die in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, staat ingeschreven |
Op het terrein van de individuele gezondheidszorg die op grond van hoofdstuk III van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg wordt gerekend tot diens gebied van deskundigheid |
|
Een zorgverantwoordelijke als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel aa, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg |
Op grond van de artikelen 5:13, derde lid, onderdeel c, en 5:14, eerste lid, onderdeel h, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg |
|
Een geneesheer-directeur als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel i, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg |
Op grond van de artikelen 5:17, vierde lid, onderdeel g, 8:17, achtste lid, en 8:18, derde en elfde lid, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg |
|
Een zorgverantwoordelijke als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten |
Op grond van de artikelen 5, tweede lid, 10, tweede lid, en 11a van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten |
|
Een Wzd-functionaris als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten |
Op grond van de artikelen 11a, tweede, derde en vijfde lid, 47, derde lid, en 48, zesde lid, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten |
|
Een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg |
Op het terrein van kraamzorg, als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit zorgverzekering |
|
Een aanbieder als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 |
Het leveren van een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet |
|
Een jeugdhulpaanbieder als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet |
Het verlenen van jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet |
|
Een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet |
Op grond van de artikelen 3.2, eerste lid, en 3.5, eerste lid, van de Jeugdwet |
|
Een aanbieder van preventie als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet |
Op grond van artikel 1.1 van de Jeugdwet voor zover die aanbieder dit doet ter uitvoering van het gemeentelijk beleid als bedoeld in artikel 2.1 van de Jeugdwet |
|
Een Veilig Thuis-organisatie als bedoeld in artikel 4.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 |
Op grond van artikel 4.1.1 van de wet |
|
Een zorgverzekeraar als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet |
Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet. |
|
Een zorgkantoor als bedoeld in artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg |
Op grond van de artikelen 4.2.1 en 4.2.2 van de Wet langdurige zorg |
|
Het CIZ genoemd in artikel 7.1.1 van de Wet langdurige zorg |
Op grond van artikel 7.1.2 van de Wet langdurige zorg |
|
Het CAK genoemd in artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg |
Op grond van artikel 6.1.2, onderdelen a, b, e en h, van de Wet langdurige zorg |
|
Een andere instantie als bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, Wmo 2015 |
Op grond van artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet |
|
De SVB genoemd in artikel 3 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen |
Op grond van artikel 2.6.2, eerste lid, van de wet, artikel 3.3.3, zevende lid, van de Wet langdurige zorg, artikel 8.1.8, eerste lid, van de Jeugdwet, artikel 6a.2, eerste lid, van de Regeling zorgverzekering, artikel 34, eerste lid, onderdeel a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, artikel 47a van de Participatiewet en taken en bevoegdheden op grond van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW |
|
Het UWV genoemd in artikel 2 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen |
Op grond van artikel 3a.1.1 van de wet, artikel 11 van de Wet sociale werkvoorziening en hoofdstuk 5, paragraaf 5.1, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen |
|
Toegelaten instellingen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Woningwet |
Op grond van artikel 45 van de Woningwet |
|
Het COA genoemd in artikel 2 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers |
Op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers |
|
Het Openbaar Ministerie |
Op grond van artikel 124 van de Wet op de rechterlijke organisatie, de artikelen 5:3, 5:16, 5:17, eerste lid, 5:18, 5:19, 7:7, eerste lid, 8:1, eerste en derde lid, 8:17, zevende lid, 8:18 derde en tiende lid, 8:19, derde lid, aanhef, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, de artikelen 28a, derde lid, aanhef, 28b, eerste lid, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten en artikel 2.3 van de Wet forensische zorg |
|
De politie |
Op grond van artikel 3 van de Politiewet 2012, de artikelen 5:3, 7:3, 8:1, vijfde lid, 8:2, 8:10 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, de artikelen 28b, tweede lid, en 33, derde tot en met zesde lid, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten |
|
De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de op grond van de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden onder de DJI ressorterende inrichtingen en instellingen |
Op grond van artikel 2 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, artikelen 2 en 18a van de Penitentiarie Beginselenwet, artikel 2.2, eerste en tweede lid, van de Wet forensische zorg en artikel 2:7 van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen |
|
Een erkende reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995 |
Op grond van hoofdstuk 3 van de Reclasseringsregeling 1995 en artikel 2:7 van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen |
|
De Raad voor de Kinderbescherming genoemd in artikel 238 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek |
Op grond van artikel 3.1, eerste en tweede lid, van de Jeugdwet, artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 2:7 van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen en de artikelen 5, eerste lid, 6, 10 en 25 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie |
|
Halt genoemd in artikel 1 van de Regeling Halt 2022 |
Op grond van artikel 77e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht |
|
Slachtofferhulp Nederland |
Op grond van artikel 51aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering |
|
Het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs |
De verantwoordelijkheid voor het onderwijs op grond van de Wet op het primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet op de expertisecentra of de Wet educatie en beroepsonderwijs |
|
Een samenwerkingsverband als bedoeld in de artikelen 1 en 18a, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 1.1 en 2.47, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 1 van de Wet op de expertisecentra |
Op grond van artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 28a van de Wet op de expertisecentra |
NOTA VAN TOELICHTING
Algemeen
De Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (hierna: Wams) is een wijziging van de Wmo 2015. De belangrijkste regelingen van de Wams zijn opgenomen in paragraaf 3a van hoofdstuk 2 en paragraaf 4 van hoofdstuk 5. Hoofdstuk 2, paragraaf 3a regelt het onderzoek naar meervoudige problematiek in het sociaal domein en eventueel aanpalende domeinen en de mogelijkheid om bij meervoudige problematiek een gecoördineerde aanpak te kunnen bieden. In hoofdstuk 5 zijn de nodige grondslagen opgenomen voor de verwerking van gegevens door het college en bij het onderzoek of de gecoördineerde aanpak betrokken partijen.
Met dit wijzigingsbesluit worden naar aanleiding van de Wams het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, het Besluit politiegegevens en het Besluit structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (hierna: Besluit SUWI) gewijzigd. In dit besluit wordt allereerst, als uitwerking van artikel 2.3a.5, van de Wmo 2015, bepaald welke partijen bij een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3a.1, vierde lid, of artikel 2.3a.4, tweede lid, van de Wmo 2015, of bij een gecoördineerde aanpak als bedoeld in artikel 2.3a.3 van de Wmo 2015, betrokken kunnen worden, en op grond van welke taak zij betrokken kunnen worden. Daarnaast bevat dit besluit een uitwerking van artikel 5.4.6, onderdeel b, van de Wmo 2015 over de bevoegdheid om regels te stellen over technische standaarden of beveiligingseisen voor de verwerking van gegevens ten behoeve van de gecoördineerde aanpak.
Met dit besluit wordt ook het Besluit SUWI gewijzigd door een grondslag op te nemen op grond waarvan het UWV en de SVB bevoegd zijn om gegevens aan de colleges van burgemeester en wethouders (hierna: het college) te verstrekken ten behoeve van een verzoek om onderzoek vanwege het vermoeden van ernstige meervoudige problematiek, als bedoeld in artikel 2.3a.4, eerste lid, van de Wmo 2015.
Ten slotte strekt dit besluit tot het opnemen van een grondslag in het Besluit politiegegevens, die het mogelijk maakt om politiegegevens te verstrekken aan het college voor de uitvoering van eerdergenoemde onderzoeken, dan wel voor het doen van meldingen – of het geven van opvolging aan dergelijke meldingen – als bedoeld in artikel 2.2.5, eerste en tweede lid, van de Wmo 2015.
Een van de belangrijkste doelen van de decentralisatie van verschillende overheidstaken naar het gemeentebestuur per 2015 – en de totstandkoming van de Wmo 2015, de Jeugdwet en de Participatiewet – was om burgers passende ondersteuning te kunnen bieden bij het behouden en vergroten van hun zelfredzaamheid en participatie. Dit vergt een brede blik op de persoonlijke omstandigheden van haar inwoners en hun sociale omgeving en brengt met zich mee dat gemeenten zoveel mogelijk integrale ondersteuning bieden, conform het uitgangspunt één gezin, één plan, één regisseur.
Veel gemeenten onderschrijven dit belang, niettemin is een aanpak van integrale ondersteuning in de praktijk nog lang niet bij alle gemeenten gerealiseerd. Een belangrijk knelpunt is gelegen in onduidelijkheid over het huidige wettelijke kader voor zover dat betrekking heeft op de verwerking van persoonsgegevens, die nodig is om in gevallen waarin problematiek op verschillende leefdomeinen speelt tot een gecoördineerde aanpak van dergelijke meervoudige problematiek te komen. Hierdoor bestaat handelingsverlegenheid onder de bij een integrale aanpak betrokken partijen met als gevolg dat een gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek vaak niet (tijdig) van de grond komt en gemeenten onvoldoende maatwerk kunnen leveren.
De Wams, die de Wmo 2015 en enkele aanverwante wetten heeft gewijzigd, beoogt bovengenoemde onduidelijkheid weg te nemen door te voorzien in een duidelijk wettelijk kader met daarin expliciete grondslagen en duidelijke waarborgen voor de gegevensverwerking die nodig is voor een gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek. Bij meervoudige problematiek gaat het om meerdere samenhangende problemen van een persoon (of zijn gezinsleden) die betrekking hebben op verschillende aspecten van het sociaal domein of het sociaal domein en zogenoemde aanpalende domeinen zoals publieke gezondheidszorg, geestelijke gezondheidszorg, onderwijs, welzijn, wonen, werk of ander inkomen, inburgering en openbare orde en veiligheid.
Met de Wams is dit geregeld door het onderzoek naar de gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek (artikel 2.3a.1, eerste lid), het onderzoek naar de gecoördineerde aanpak van zogenoemde «ernstige» meervoudige problematiek (artikel 2.3a.4, tweede lid) en de gecoördineerde aanpak (artikel 2.3a.2) als wettelijke taken voor het college te verankeren, met daarbij de grondslagen voor de daarvoor benodigde verwerking van persoonsgegevens. De wettelijke taken en de grondslagen voor verwerking van persoonsgegevens zijn verdeeld in verschillende fasen: een onderzoek naar meervoudige problematiek, de gecoördineerde aanpak en de beëindiging van gecoördineerde aanpak.
In de tweede plaats is met de Wams het begrip «openbare geestelijke gezondheidszorg» (oggz) expliciet opgenomen in de Wmo 2015. In het verlengde daarvan verankert de Wams de taak voor gemeenten om zorg te dragen voor een meldpunt voor inwoners en professionals die zich zorgen maken over iemand uit hun omgeving.
Ook is met de Wams voorzien in een expliciete regeling voor de verwerking van persoonsgegevens door deze meldpunten, bijvoorbeeld voor zover deze verwerking noodzakelijk is voor het uitvoeren van een triage, om vast te stellen of en hoe de melding kan worden opgevolgd of voor het zo nodig doorgeleiden van de melding naar de voor behandeling van die melding meest aangewezen partij.
Met dit besluit wordt nadere invulling aan de Wams gegeven. Zo regelt dit besluit welke partijen kunnen worden betrokken bij een onderzoek naar de gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek (artikel 2.3a.1, vierde lid), bij een onderzoek naar de gecoördineerde aanpak van ernstige meervoudige problematiek (artikel 2.3a.4, tweede lid) of bij een gecoördineerde aanpak (art. 2.3a.3), en op grond van welke taak partijen bij zo’n onderzoek of aanpak kunnen worden betrokken. Daarnaast worden de beveiligingseisen bij deze uitwisseling vastgelegd. Op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) zijn verwerkingsverantwoordelijken verplicht tot het treffen van «passende technische en organisatorische maatregelen om een op het risico afgestemd beveiligingsniveau te waarborgen.» Voor een rechtmatige verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens is het cruciaal dat de verwerking van gegevens plaatsvindt middels adequaat ingerichte ICT-systemen, conform het vereiste van privacy by design. De ontwikkeling van de ICT-systemen ten behoeve van de integrale en gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek wordt door de gemeenten gezamenlijk opgepakt.
Ten slotte strekt dit besluit, zoals ook aangegeven in paragraaf 11.4 van de memorie van toelichting op de Wams, tot een aanpassing van het Besluit politiegegevens en het Besluit SUWI.22 Bij deze aanpassingen gaat het om grondslagen om gegevens te verstrekken aan het college in het kader van de uitvoering van paragraaf 4 van hoofdstuk 5 van de Wmo 2015.
Er kunnen potentieel veel partijen worden betrokken bij een onderzoek naar een gecoördineerde aanpak of bij de gecoördineerde aanpak zelf. Bij de totstandkoming van de Wams adviseerde de Autoriteit Persoonsgegevens het aantal betrokken partijen te begrenzen. Ook was het advies om artikel 2.3a.5 als imperatieve bepaling te formuleren. Conform dit advies is de Wams op dit punt aangepast en wordt met dit besluit de mogelijke betrokkenheid van partijen ingeperkt door in bijlage I bij artikel 4b.1.1 limitatief te bepalen welke partijen kunnen worden betrokken bij een in artikel 2.3a.1, vierde lid of in artikel 2.3a.4, tweede lid, bedoelde onderzoek of bij een gecoördineerde aanpak als bedoeld in artikel 2.3a.3.
Een tweede begrenzing zit in het feit dat de partijen genoemd in bijlage I alleen bij de uitoefening van de taken en bevoegdheden zoals die zijn opgenomen in de tweede kolom van de bijlage, kunnen worden gevraagd mee te doen aan voorgenoemde onderzoeken of gecoördineerde aanpak. Bij de uitoefening van andere wettelijke taken of bevoegdheden kunnen deze partijen dus niet worden betrokken.
Op die manier wordt voorkomen dat partijen onnodig bij een onderzoek worden betrokken en in dat kader gegevens over de betrokken persoon (en zijn gezinsleden) verstrekken of ontvangen.
De partijen opgenomen in bijlage I bij artikel 4b.1.1 zijn afkomstig uit verschillende domeinen, namelijk het domein zorg en welzijn, het domein werk of ander inkomen, het domein inburgering, het domein onderwijs, het domein wonen en het domein openbare orde en veiligheid. Hieronder wordt nader ingegaan welke rol zij kunnen spelen bij een onderzoek naar een gecoördineerde aanpak of bij een gecoördineerde aanpak, waardoor zij in de bijlage bij dit besluit als partij zijn opgenomen.
De burgemeester
De burgemeester is verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde in de gemeente. In die hoedanigheid heeft de burgemeester verschillende bevoegdheden om bestuurlijke maatregelen in te zetten. Voor zover het daarbij gaat om inzet van maatregelen bij inwoners met meervoudige problematiek, staat de inzet van maatregelen door de burgemeester vaak niet op zichzelf en wordt door andere partijen ook al hulp of ondersteuning aan betrokkene geboden of is aanvullende hulp of ondersteuning nodig. Om de benodigde samenwerking en afstemming tussen deze partijen en de burgemeester mogelijk te maken bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of een gecoördineerde aanpak, is de burgemeester als partij in de bijlage opgenomen.
Het college
Het college is met de decentralisatie van taken naar gemeenten in 2015 verantwoordelijk geworden voor de wettelijke taken in het sociaal domein. Op grond van hoofdstuk 2, paragraaf 3a, die met de Wams aan de Wmo 2015 is toegevoegd, heeft het college de taak onderzoek te doen als er mogelijk sprake is van meervoudige problematiek en zo nodig een gecoördineerde aanpak voor te stellen en uit te (laten) voeren. Zoals ook is toegelicht in de memorie van toelichting op de Wams valt het college bij de uitoefening van die taken dan ook niet onder het begrip «partij».23 Voor andere taken in het sociaal domein, genoemd in deze bijlage, kan het college wel partij zijn bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of bij een gecoördineerde aanpak. Het gaat om verschillende taken op grond van verschillende wetten.
Zo is in artikel 2.2.5 van de Wmo 2015 bepaald dat het college ervoor moet zorgen dat eenieder een melding kan maken als er zorgen bestaan over het welzijn, de zelfredzaamheid, de participatie of de gezondheid van een ingezetene van de desbetreffende gemeente – en dat op een passende wijze opvolging wordt gegeven aan de melding.
Andere taken van het college zijn om te voorzien in de maatschappelijke begeleiding van een inburgeringsplichtige. Ook binnen het domein onderwijs heeft het college een aantal taken. Hierbij moet worden gedacht aan een leerplichtambtenaar die op grond van artikel 16 van de Leerplichtwet 1969 door het college wordt aangewezen. Ook voert het college op grond van verschillende onderwijswetten de doorstroompuntfunctie (voorheen de regionale meld- en coördinatiefunctie) uit ten behoeve van het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten.
Gemeentelijke Doorstroomcoaches begeleiden jongeren zonder startkwalificatie weer terug naar school of naar werk en schakelen waar nodig hierbij andere partijen in. Juist omdat het college binnen veel verschillende domeinen een rol speelt, is het van belang dat ook zij betrokken kan worden bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of een gecoördineerde aanpak.
De gemeentelijke gezondheidsdienst (GGD) of een ander dan de GGD
Bij meervoudige problematiek is veelal sprake van achterliggende problematiek in het zorg- en sociaal domein. Het komt daarbij voor dat mensen zorg mijden en daardoor niet in beeld zijn bij zorgverleners. In sommige gevallen zijn zij echter wel in beeld bij de GGD. Op grond van de Wet publieke gezondheid heeft de GGD de taak zorg te dragen voor de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg, de ouderengezondheidszorg en het bieden van een prenataal huisbezoek. Hierdoor kan de GGD bijvoorbeeld op de hoogte zijn van problemen in gezinnen die vragen om een gecoördineerde aanpak en de achtergrond van die problematiek. Of de GGD kan vanuit haar expertise een bijdrage leveren aan het vinden van een duurzame oplossing voor de geconstateerde achterliggende problematiek. Daarom is het van belang dat deze partij kan worden betrokken in een onderzoek naar meervoudige problematiek of de inzet van een gecoördineerde aanpak.
Uit artikel 14, vierde lid, van de Wet publieke gezondheid volgt dat het college vrijstaat om bepaalde taken of onderdelen van taken over te laten aan een ander dan de GGD. Een aantal van deze taken is in bijlage I opgenomen. Indien deze taken door een ander dan de GGD worden uitgevoerd, kan die andere organisatie ook bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of een gecoördineerde aanpak worden betrokken.
Een in het BIG-register geregistreerde beroepsbeoefenaar
Bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of de inzet van een gecoördineerde aanpak kan het relevant zijn dit af te stemmen op hulp die al wordt verleend of af te wegen of bepaalde hulp kan bijdragen aan het verminderen of oplossen van de meervoudige problematiek. Beroepsbeoefenaren die in het BIG-register staan ingeschreven kunnen daarom worden aangewezen voor zorgtaken binnen het gebied van hun specifieke deskundigheid.
Een zorgverantwoordelijke, geneesheer-directeur of Wzd-functionaris
Verschillende functionarissen uit de gedwongen zorgwetgeving kunnen voor de uitvoering van de in de tabel genoemde taken en bevoegdheden betrokken worden bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of het uitvoeren van een gecoördineerde aanpak. De zorg die zij bieden kan vergaand vervlochten zijn met het sociaal domein. Hun betrokkenheid kan bij een onderzoek naar meervoudige problematiek noodzakelijk zijn om tot een goede afweging te komen omtrent de persoonsgerichte aanpak en om bijvoorbeeld de effectiviteit van bepaalde maatregelen te kunnen inschatten. Ook kan het gaan om afstemming op de gedwongen zorg die iemand krijgt.
Een zorgaanbieder die kraamzorg levert
Kraamverzorgenden bieden zorg aan een moeder en kind na de bevalling van het kind. Bij die werkzaamheden krijgen kraamverzorgenden in korte tijd veel mee van de thuissituatie.
Zeker in het geval dat binnen een gezin al een onderzoek naar meervoudige problematiek of een gecoördineerde aanpak loopt vanwege zorgen om een (potentieel) kind, kan het behulpzaam zijn als de kraamverzorgende hieraan deelneemt. Vanuit diens deskundig oordeel kan de kraamverzorgende een bijdrage leveren aan een meer duurzame oplossing voor de problemen die binnen een gezin spelen.
Een Wmo-aanbieder
Een Wmo-aanbieder levert algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet. Het kan dan gaan om verschillende vormen van ondersteuning, zoals dagbesteding, sociaal werk, individuele begeleiding of beschermd wonen. Bij de uitvoering van deze werkzaamheden kan een Wmo-aanbieder zicht hebben op wat er op basis van de Wmo 2015 aan ondersteuning wordt geleverd of wat gelet op de situatie nodig zou zijn. Dit kan een reden zijn om een Wmo-aanbieder deel te laten nemen aan een onderzoek naar meervoudige problematiek of aan de gecoördineerde aanpak.
Een jeugdhulpaanbieder of een partij die preventie aanbiedt
Op grond van de Jeugdwet, die onderdeel is van het sociaal domein, worden preventie en jeugdhulp geboden aan jeugdigen en ouders door bovengenoemde partijen. Bij gecompliceerde hulpvragen binnen een gezin, is jeugdhulp vaak een onderdeel van de aanpak, maar kan ook blijken dat inzet op andere domeinen, bijvoorbeeld schulphulpverlening, op lange termijn meer effect kan hebben op het oplossen van problemen van het gezin dan enkel het bieden van jeugdhulp. Voor een goede aanpak van meervoudige problematiek, is het noodzakelijk dat de verschillende partijen uit de Jeugdwet kunnen deelnemen aan een onderzoek naar meervoudige problematiek of aan een gecoördineerde aanpak.
Veilig Thuis-organisatie
Soms speelt bij meervoudige problematiek ook huiselijk geweld of kindermishandeling. Veilig Thuis heeft de wettelijke taak om in dergelijke situaties de noodzakelijke stappen te ondernemen. Veilig Thuis weet vanuit zijn in artikel 4.1.1 van de wet omschreven taak of andere partijen betrokken zijn en kan mogelijk in het kader van een onderzoek naar meervoudige problematiek en het starten van een gecoördineerde aanpak vanuit zijn eigen expertise een bijdrage leveren. Om die reden is een Veilig Thuis-organisatie opgenomen in de bijlage bij dit besluit.
Zorgverzekeraar
Uit de Wmo 2015 volgt dat het college en zorgverzekeraars moeten samenwerken met het oog op een zo integraal mogelijke dienstverlening. De samenwerking tussen gemeenten en zorgverzekeraars is van groot belang, vooral wat betreft de afstemming van de dienstverlening op grond van de Wmo 2015 met de op grond vanuit de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) gefinancierde wijkverpleging of ambulante geestelijke gezondheidszorg. In het kader van de zorgplicht die een zorgverzekeraar heeft op basis van artikel 11 van de Zvw, kan het noodzakelijk zijn dat een zorgverzekeraar betrokken wordt bij een onderzoek naar meervoudige problematiek en bij een gecoördineerde aanpak.
Zorgkantoor
Iemand die permanent toezicht of 24-uurszorg in de nabijheid nodig heeft, kan met inachtneming van de voorwaarden die de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) daaraan stelt, gebruik maken van Wlz-zorg. Op Wlz-uitvoerders en zorgkantoren rust de zogeheten zorgplicht voor Wlz-zorg. De uitvoering daarvan ligt in de praktijk bij de zorgkantoren. De zorgplicht houdt in dat het zorgkantoor ervoor moet zorgen dat de verzekerde de Wlz-zorg kan krijgen waarop hij is aangewezen. Dat betekent onder andere dat de zorgkantoren voldoende en goede zorg inkopen bij zorgaanbieders, maar ook dat een zorgkantoor mensen helpt om de juiste zorg te vinden. Om dat laatste te bewerkstelligen gaat het zorgkantoor in gesprek met de zorgvrager, die zijn voorkeur voor bepaalde zorgaanbieders uit kan spreken. Omdat Wlz-zorg juist wordt geleverd aan kwetsbare personen die in sommige gevallen ook op andere onderwerpen ondersteund worden, kan het binnen het kader van een onderzoek naar meervoudige problematiek en een gecoördineerde aanpak relevant zijn om zorgkantoren te betrekken. Zo kan het voor het college nuttig zijn om te weten wat de zorg precies inhoudt waar betrokkene recht op heeft of waar de betrokkene Wlz-zorg ontvangt of zou kunnen ontvangen. Om die afstemming mogelijk te maken, wordt het zorgkantoor als partij in de bijlage opgenomen.
Het CIZ
Bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of bij een gecoördineerde aanpak, kan het CIZ op verschillende manieren een rol spelen. Als een betrokkene langdurige zorg nodig heeft, is op basis van de Wlz een indicatiebesluit van het CIZ nodig. Of een indicatiebesluit is afgegeven, geeft informatie of iemand recht heeft op zorg vanuit de Wlz en welk zorgprofiel bij die zorgbehoefte past. Het CIZ heeft ook een rol binnen de Wzd waarbij zij als partij onder andere een verzoekschrift indient bij de rechter voor een rechterlijke machtiging voor een gedwongen opname van iemand met een verstandelijke handicap of een psychogeriatrische aandoening. De informatie daarover kan een rol spelen bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of binnen de gecoördineerde aanpak. In beide rollen kan betrokkenheid van het CIZ binnen een onderzoek naar meervoudige problematiek of bij de gecoördineerde aanpak relevant zijn om met andere partijen te komen tot een duurzame oplossing. Al deze taken en bevoegdheden van het CIZ, worden genoemd in artikel 7.1.2 van de Wlz.
CAK of een andere instantie als bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de Wmo 2015
Op grond van de Wmo 2015 wordt bij gemeentelijke verordening bepaald dat een client een bijdragen in de kosten van een maatwerkvoorziening of een pgb verschuldigd is. Dit geldt ook voor de kosten van algemene voorzieningen. Het CAK of een andere door de gemeente aangewezen instantie stelt deze eigen bijdragen vast en zorgt voor de inning. Het CAK heeft ook de vaststelling en inning van eigen bijdragen op grond van de Wlz tot taak. In het kader van de Zvw heft en int het CAK de bestuursrechtelijke premie en voert taken met betrekking tot gemoedsbezwaarden uit. Bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of in het kader van een gecoördineerde aanpak kunnen deze gegevens relevant zijn als cliënten kampen met schulden of anderszins geldproblemen van invloed zijn op de meervoudige problematiek.
SVB en UWV
Ook de SVB en het UWV kunnen een rol spelen bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of een gecoördineerde aanpak in het kader van de aan betrokkene te verstrekken uitkeringen of gegeven inkomensondersteuning. De taken van UWV en SVB zijn vastgesteld in de Wet SUWI. De Wet SUWI geeft onder meer regels voor de samenwerking en gegevensuitwisseling tussen gemeenten, UWV en SVB bij de uitvoering van sociale zekerheidswetten. De Wams maakt de gecoördineerde aanpak mogelijk van werk en inkomen vanuit SVB en UWV met onder meer maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en schuldhulpverlening vanuit gemeenten. De Wams en dit besluit geven UWV en SVB de bevoegdheid bij een vermoeden van ernstige meervoudige problematiek de gemeente te verzoeken een onderzoek te doen. SVB en UWV verstrekken gegevens die nodig zijn voor het onderzoek en de eventuele gecoördineerde aanpak in vervolg op het onderzoek. De Wams en dit besluit maken ook mogelijk dat de gemeente aan SVB en UWV vraagt deel te nemen aan het casusoverleg en daarvoor noodzakelijke gegevens te verstrekken.
Op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet is bepaald dat de SVB namens de colleges de betalingen ten laste van verstrekte persoonsgebonden budgetten uitvoert, en op grond van de Wlz namens de zorgkantoren. Het UWV heeft op grond van de Wmo 2015 de taak om personen met een auditieve beperking te ondersteunen bij hun deelname aan het maatschappelijke verkeer doordat tolkenvoorzieningen door het UWV worden bekostigd. Daarnaast heeft het UWV een rol doordat zij betrokken is bij de herindicatie van de sociale werkvoorziening op basis van de Wet sociale werkvoorziening. Met deze wet is beoogd dat mensen met een handicap kunnen werken met de juiste aanpassingen en begeleiding. Omdat het UWV en SVB bij de uitvoering van deze taken beschikken over informatie die een rol kan spelen bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of binnen de gecoördineerde aanpak, zijn zij opgenomen in bijlage I.
Toegelaten instellingen Woningwet
Woningcorporaties vervullen een belangrijke maatschappelijke taak die gericht is op wonen en leefbaarheid. Deze taak gaat verder dan die van andere verhuurders en is in wetgeving vastgelegd. Op grond van artikel 45 van de Woningwet houden woningcorporaties zich bezig met de bouw, de verhuur en het beheer van sociale huurwoningen aan mensen met een laag inkomen. Ook bouwen en ontwikkelen woningcorporaties maatschappelijk vastgoed en investeren zij in leefbaarheid. Gemeenten en woningcorporaties werken op dat gebied op grond van artikel 44 van de Woningwet samen. Bij meervoudige problematiek kan de woningcorporatie op verschillende manieren een rol spelen. Ten eerste hebben woningcorporaties een signalerende rol indien medewerkers van de corporatie merken dat sprake kan zijn van problemen bij bewoners. Dat er wat speelt kan bijvoorbeeld aan het licht komen doordat een medewerker van de corporatie zelf waarnemingen doet of doordat er signalen van de bewoner of van omwonenden komen. Medewerkers van woningcorporaties zijn immers vaak aanwezig in de buurt en hebben rechtstreeks contact met bewoners.
Ten tweede kan de een woningbouwcorporatie een rol spelen in de gecoördineerde aanpak als een onderzoek naar meervoudige problematiek blijkt dat een deel van de problematiek wordt veroorzaakt doordat de cliënt geen passende woning heeft.
De woningbouwcorporatie zal vaak niet direct andere woning kunnen aanbieden, maar door het in kaart brengen van het probleem en het samenwerken richting een oplossing, kan een bijdrage worden geleverd aan de oplossing van meervoudige problematiek. Soms kan het ook gaan om simpelere aanpassingen van de woning die bijdragen aan het verminderen van de meervoudige problematiek.
Het COA
In de Wams is inburgering aangewezen als aanpalend domein. Als blijkt na een onderzoek blijkt dat er sprake is van meervoudige problematiek, dan stelt het college op grond van artikel 2.3a.2, tweede lid, onderdeel b, van de Wmo 2015 een gecoördineerde aanpak voor als er tenminste één dienst uit het sociaal domein nodig is tezamen met een plicht tot inburgering op grond van de Wet inburgering 2021. Het COA kan worden betrokken bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of bij een gecoördineerde aanpak, omdat het COA taken heeft met betrekking tot integratie en participatie van nieuwkomers, en zodra iemand een verblijfsstatus krijgt, koppelt het COA die persoon aan een gemeente.
De politie, een erkende reclasseringsinstelling, de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), Slachtofferhulp Nederland (SHN) en het Openbaar Ministerie (OM)
Zoals ook in de memorie van toelichting op de Wams is toegelicht, kunnen zich situaties voordoen waarin het nodig of wenselijk is bovengenoemde organisaties uit de strafrechtketen bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of bij de gecoördineerde aanpak te betrekken.24 Daarbij zal de betrokkenheid van deze partijen veelal gaan om afstemming of samenwerking met hen in situaties waarin al sprake is van een straf of maatregel of gedwongen zorg, of waar wordt getracht die te voorkomen. Zo kan bijvoorbeeld een wijkagent die betrokken is bij een gezin waarvan herhaaldelijk overlast is gemeld, in een casusoverleg meedenken over de aanpak in afstemming met het college en andere betrokken partijen. De reclassering kan betrokken worden in geval van een lopend reclasseringstoezicht bij een cliënt. De inbreng van DJI kan relevant zijn als sprake is van re-integratie na detentie van een cliënt. Verder kan SHN worden betrokken wanneer sprake is van slachtofferschap waarbij SHN een ondersteunende rol heeft. Deelname van het OM aan een casusoverleg vindt in beginsel plaats in de Zorg- en Veiligheidshuizen gezien hun doelstelling en de aldaar voorliggende problematiek. Het is aan het OM te beoordelen of in het kader van de Wams tot het verstrekken van gegevens of deelname aan het casusoverleg kan worden overgegaan, dit zowel vanuit de strafvorderlijke taak alsook de taak die het OM binnen de Wvggz en Wzd vervult.
De Raad voor de Kinderbescherming, een gecertificeerde instelling en Halt
Bij een onderzoek dat plaatsvindt naar meervoudige problematiek kunnen ook jeugdigen betrokken zijn. Het kan daarom voorkomen dat de raad voor de kinderbescherming of een gecertificeerde instelling al bij het gezin betrokken is. Zo volgt uit de Jeugdwet dat de raad voor de kinderbescherming de noodzaak onderzoekt tot het treffen van een kinderbeschermingsmaatregel onderzoekt indien door in de Jeugdwet genoemde partijen daartoe een verzoek is gedaan.
Een kinderbeschermingsmaatregel mag vervolgens alleen door een gecertificeerde instelling worden uitgevoerd. Dit geldt ook voor jeugdreclassering. Betrokkenheid van Halt bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of een gecoördineerde aanpak kan relevant zijn als een jeugdige moet meedoen aan een Halt-traject. Uit voornoemde volgt dat verschillende instanties en professionals bij een jeugdige betrokken kunnen zijn, waardoor een gecoördineerde aanpak wenselijk zou kunnen zijn. De raad voor de kinderbescherming, een gecertificeerde instelling en Halt kunnen vanuit hun eigen expertise hieraan een bijdrage leveren doordat zij in de bijlage zijn opgenomen.
Het bevoegd gezag en een samenwerkingsverband
Onderwijs is vaak een eerste plaats waar problemen met jongeren worden gesignaleerd. Betrokken professionals kunnen worden geconfronteerd met casuïstiek waarbij zij aanleiding hebben om te vermoeden dat er sprake is van meervoudige problematiek. Binnen het onderwijsdomein zijn verschillende partijen werkzaam die vanuit hun taken een signalerende en ook helpende rol kunnen hebben. Hierbij moet worden gedacht aan het bevoegd gezag of een samenwerkingsverband tussen verschillende scholen. Het bevoegd gezag wordt in de praktijk vertegenwoordigd door het schoolbestuur. Vanuit hun rol kunnen deze partijen bijdragen aan een onderzoek naar meervoudige problematiek of deelnemen aan de gecoördineerde aanpak. Denk bijvoorbeeld aan een gecoördineerde aanpak voor een jeugdige die als gevolg van meerdere problemen binnen zijn gezin al lange tijd thuis zit. De school van de jeugdige zal dit als eerste signaleren en doet een melding bij de leerplichtambtenaar op het moment dat er sprake is van 16 uur ongeoorloofd verzuim in 4 aaneengesloten weken. Daarnaast kan het schoolbestuur opmerken dat problemen binnen een gezin van invloed zijn op de ontwikkeling van een leerling of student en inschatten welke mogelijke stappen binnen het onderwijsdomein genomen kunnen worden om daar verandering in te brengen. In het kader van een gecoördineerde aanpak kan het bijvoorbeeld behulpzaam zijn om te weten welke school een bepaald type ondersteuning biedt waardoor een kind extra kan worden ondersteund. Ook het samenwerkingsverband kan daarbij een rol spelen. Door het samenwerkingsverband moet immers zijn geborgd dat iedere leerling een ononderbroken ontwikkelingsproces doormaakt en een passend onderwijsaanbod beschikbaar is. Door deze partijen in de bijlage van dit besluit op te nemen, kan hun inbreng ook in een onderzoek naar een gecoördineerde aanpak of bij een gecoördineerde aanpak worden meegenomen.
Om tot een succesvolle aanpak te komen waarmee betrokkenen met meervoudige of ernstige meervoudige problematiek daadwerkelijk geholpen kunnen worden, is het noodzakelijk dat gegevens over de cliënt(en) kunnen worden verwerkt. Dit kan op verschillende momenten gebeuren. Zo kunnen gegevens worden verwerkt in de onderzoeksfase naar de gecoördineerde aanpak van meervoudige of ernstige meervoudige problematiek, maar ook tijdens het casusoverleg ten behoeve van het onderzoek of tijdens de gecoördineerde aanpak.
Ook mag het college bij een melding aan het in artikel 2.2.5, eerste lid, bedoelde meldpuntpersoonsgegevens gegevens van de melder verwerken. Met de Wams is in de Wmo 2015 voorzien in de grondslagen voor die gegevensverwerking.
Cliënten moeten kunnen vertrouwen op het zorgvuldig en veilig gebruik van hun gegevens door de betrokken partijen. Om dit te bewerkstelligen zijn in dit besluit op grond van de delegatiegrondslag in artikel 5.4.6 van de wet technische en organisatorische maatregelen vastgesteld die zijn gericht op de beveiliging voor de verwerking van gegevens als bedoeld in paragraaf 4 en 5 van de wet. Zo is voor iedereen duidelijk aan welke normen moet worden voldaan wat betreft de gegevenswerking in het kader van en onderzoek naar meervoudige problematiek en een gecoördineerde aanpak. Er is gekozen voor het volgende systeem.
Partijen moeten bij het verwerken van gegevens nu al vaak aan beveiligingsnormen voldoen. Dit besluit brengt geen verandering in de bestaande systematiek van normen betreffende informatiebeveiliging. In artikel 4b.1.2, eerste lid, is daarom bepaald dat de gegevensverwerking in het kader van de aanpak van meervoudige problematiek voldoet aan NEN-ISO-IEC 27001 en NEN-ISO-IEC 27002, NEN 7510 of aan de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) of daaraan gelijkwaardige normen. Hierdoor zullen de normen voor informatiebeveiliging van dit besluit veelal aansluiten bij de normen waaraan de partijen op grond van bestaande regelgeving al moeten voldoen. Zo gelden voor verschillende partijen in het sociaal en zorgdomein de internationale standaarden NEN-ISO-IEC 27001 en NEN-ISO-IEC 27002 als basis voor de informatiebeveiliging. Dit is bijvoorbeeld het geval op basis van de Jeugdwet, de Wmo 2015 en de Wet forensische zorg. Partijen in het zorgdomein moeten nu veelal voldoen aan NEN 7510 als norm voor gegevensverwerking. NEN 7510 is de hoofdnorm over het organisatorisch en technisch inrichten van de informatiebeveiliging in de zorg. Hieronder vallen onder andere partijen die zorg op grond van de Zvw of de Wlz leveren. Daarnaast geldt vanaf 1 januari 2019 de BIO als algemeen geldend normenkader voor informatiebeveiliging binnen de Nederlandse overheid. De BIO is gebaseerd op de NEN-ISO-IEC 27001 en NEN-ISO-IEC 27002, maar bevat naast deze internationale standaarden specifiekere waarborgen voor overheidspartijen. Het college, de partijen genoemd in bijlage I of een coördinator kunnen er bovendien voor kiezen om aan een gelijkwaardige norm dan de hiervoor genoemde normen te voldoen indien daarmee hetzelfde beveiligingsniveau wordt geboden.
Door te voldoen aan een van de in dit artikel bedoelde normen, is geborgd dat de verschillende partijen die bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of bij de gecoördineerde aanpak betrokken zijn en in dat kader gegevens verwerken, dat op een juiste en veilige manier doen. Tegelijkertijd wordt met deze werkwijze aangesloten bij de bestaande systematiek van informatiebeveiliging. Dat er met deze werkwijze verschillende normen voor informatiebeveiliging bij de gegevensverwerking op grond van hoofdstuk 5, paragraaf 4 en 5 van de wet, gelden, leidt niet tot problemen, omdat iedere norm vergelijkbare waarborgen en maatregelen bevat ten behoeve van een zorgvuldige verwerking van gegevens. Daarbij voorziet de wet niet in een koppeling van systemen of het op grote schaal uitwisselen van gegevens.
Voor zover gegevens worden uitgewisseld is in artikel 4b.1.2, tweede lid, bepaald dat de gegevensverwerking ook voldoet aan de norm NTA 7516.
Door het gebruik van veilige e-mail te verplichten en daarbij NTA 7516 als norm te stellen, wordt ervoor gezorgd dat het college en de partijen genoemd in bijlage I veilig de noodzakelijke gegevens kunnen verstrekken. NTA 7516 is in eerste plaats geschreven voor zorgprofessionals en de organisaties waarin ze werken. De NTA beschrijft de voorwaarden waaronder er veilig gemaild kan worden en bevat concrete maatregelen hoe een organisatie hiermee kan omgaan. Doordat de norm onder andere inhoudt dat verschillende beveiligde mailsystemen met elkaar moeten communiceren, is het in het kader van de Wams wenselijk deze norm verplicht te stellen voor de niet-zorgpartijen. Dit zorgt voor gebruiksgemak. Op die manier wordt ook gezorgd voor een betrouwbaar verkeer tussen het college en alle partijen genoemd in bijlage I. De NTA is gebaseerd op de AVG en eIDAS. Dit is wetgeving waar partijen al aan moet voldoen. In de eIDAS-verordening hebben Europese lidstaten afspraken gemaakt om dezelfde begrippen, betrouwbaarheidsniveaus en onderlinge digitale infrastructuur te gebruiken. In dat opzicht moet NTA 7516 vooral ter verduidelijking worden gezien van de AVG.
De politie krijgt, uit hoofde van haar hulpverlenings- en openbare orde taak, vaak al in een vroeg stadium zorgwekkende situaties of gevallen van (dreigende) ernstige meervoudige problematiek bij personen of gezinnen, in het vizier. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om uitingen van personen met verward gedrag, bij wie (nog) geen sprake is van verhoogde veiligheidsrisico’s, of andere vormen van zorgwekkend gedrag die verdere hulpverlening of acties vergen. Om verergering van de problematiek of escalatie van de situatie te voorkomen, is het van groot belang dat dergelijke signalen in een vroeg stadium kunnen worden opgepakt. Zowel voor het functioneren van een gecoördineerde aanpak bij (ernstige) meervoudige problematiek als voor het functioneren van de gemeentelijke meldpunten, is de politie dan ook een belangrijke samenwerkingspartner voor gemeenten.
Om het (mogelijke) belang van de politie bij (een onderzoek naar) een gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek te onderstrepen, is de politie als partij opgenomen in de bijlage bij artikel I van dit besluit. Om ook een daadwerkelijke rol te kunnen vervullen bij een gecoördineerde aanpak, zal het voor de politie veelal nodig zijn om bepaalde politiegegevens aan het college te verstrekken. De verstrekking zal dan bijvoorbeeld nodig zijn voor het door het college in te stellen onderzoek naar de wenselijkheid tot het instellen van een gecoördineerde aanpak of voor het casusoverleg dat in dat kader kan worden georganiseerd. Voor die verstrekking van politiegegevens is wel een specifieke grondslag in of krachtens de Wet politiegegevens nodig.
De Wet politiegegevens gaat namelijk uit van een zogenaamd gesloten verstrekkingenregime. Dit betekent dat politiegegevens niet aan eenieder verstrekt mogen worden maar slechts aan bepaalde, bij of krachtens de Wet Politiegegevens aangewezen categorieën ontvangers en dan alleen in de daarbij aangegeven gevallen en voorwaarden. In artikel 4:2, eerste lid, onder i, van het Besluit politiegegevens is opgesomd voor welke taken van het college politiegegevens kunnen worden verstrekt.
Om mogelijk te maken dat de politie ten behoeve van het onderzoek en casusoverleg in het kader van de aanpak van meervoudige problematiek politiegegevens verstrekt, wordt daarvoor met artikel II van dit besluit aan artikel 4:2, eerste lid, onder i, van het Besluit politiegegevens een grondslag toegevoegd.
Ook voor de gemeentelijke meldpunten geldt dat de politie over een specifieke wettelijke grondslag dient te beschikken om ook daadwerkelijk een melding bij een meldpunt te kunnen doen. Naar aanleiding van een ingediende melding zal het college doorgaans een triage uitvoeren om vast te stellen of en, zo ja, hoe de melding kan worden opgevolgd of dient te worden doorgeleid naar de voor de behandeling van die melding meest aangewezen partij. Voor het uitoefenen van die taken kan het college het nodig achten om, naast de gegevens waarover het college zelf al beschikt, inlichtingen bij andere partijen op te vragen. Voor zover het bij de politie opgevraagde gegevens betreft, kunnen deze alleen in overeenstemming met het gestelde in de Wet en het Besluit politiegegevens worden verstrekt. Om in de genoemde gevallen ook daadwerkelijk politiegegevens aan het college te kunnen verstrekken, wordt met artikel II van dit besluit aan artikel 4:2, eerste lid, onder i, van het Besluit politiegegevens eveneens een grondslag toegevoegd die een verstrekking van politiegegevens aan het college mogelijk maakt ten behoeve van het doen van een melding of voor het geven van opvolging aan een dergelijke melding.
In sommige gevallen, bijvoorbeeld als de politie wordt geconfronteerd met personen die kampen met psychische of psychosociale problematiek, kan het nodig zijn dat de politie de melding direct bij een oggz-aanbieder doet zoals een wijk-GGD, een GGZ of een bemoeizorgteam van een GGD. In dit soort gevallen is het namelijk belangrijk dat de oggz-aanbieder snel kan optreden en de betrokkene kan bewegen om hulp te aanvaarden dan wel bemoeizorg kan inzetten. De weg via het gemeentelijke meldpunt, dat de melding na een eventuele triage weer kan doorzetten naar de oggz-aanbieder, is in dit soort gevallen te omslachtig. Juist door snel te schakelen met een oggz-aanbieder kunnen escalatie van de problematiek en het opstarten van eventuele (duurdere) trajecten onder de Wet verplichte ggz worden voorkomen. Om deze rechtstreekse verstrekking van politiegegevens aan oggz-aanbieders mogelijk te maken, wordt met Artikel II van dit besluit in artikel 4:2, eerste lid, onder o, van het Besluit politiegegevens een grondslag opgenomen.
In de Wet SUWI en het Besluit SUWI staan informatiebepalingen die van toepassing zijn op de verstrekking van informatie door het UWV en de SVB aan gemeenten en vice versa. Met artikel III van dit besluit wordt verduidelijkt dat het UWV en de SVB bevoegd zijn om gegevens aan het college te verstrekken ten behoeve van een verzoek om onderzoek te doen vanwege het vermoeden van ernstige meervoudige problematiek, als bedoeld in artikel 2.3a.4, eerste lid, van de wet.
De aangewezen partijen, waaronder UWV en de SVB, kunnen op grond van artikel 2.3a.4 het college vragen om een onderzoek te doen. Daarmee mag niet lichtvaardig worden omgegaan. In termen van artikel 2.3a.4 dient er een vermoeden te zijn van ernstige meervoudige problematiek. Het verzoek aan het college – en dus het vermoeden – dient door de partij die dit doet, gemotiveerd te worden.
Als het college besluit het onderzoek te verrichten is artikel 5.4.2 van toepassing en dienen partijen het college desgevraagd de voor het onderzoek noodzakelijke gegevens te verstrekken.
In het Besluit SUWI wordt geregeld dat UWV en de SVB ten behoeve van een verzoek als bedoeld in artikel 2.3.a.4 van de wet de noodzakelijke gegevens aan het college verstrekken. De afweging welke gegevens noodzakelijk zijn ter motivering van het verzoek, berust bij UWV en de SVB. Om het vermoeden van bestaan van ernstige problematiek, zoals gedefinieerd in artikel 2.3a.4 van de wet, te motiveren zal het in ieder geval om de volgende gegevens gaan:
• dienstverlening van UWV en SVB die de persoon ontvangt en op grond van welke taken en bevoegdheden;
• contactgegevens van de hulpverleners of klantmanagers bij UWV of de SVB;
• contactgegevens van de persoon;
• gegevens opgenomen in de basisregistratie personen;
• gegevens over de inkomsten- en vermogenspositie;
• dienstverlening die vermoedelijk nodig is vanuit het sociaal domein en de aanpalende domeinen;
• bevestiging dat de persoon geen of selectief hulp vraagt of accepteert of dat de aanvaarde hulp niet effectief lijkt.
De technische standaarden zoals beschreven in paragraaf 2.3 die op basis van dit besluit verplicht worden gesteld, gelden voor de betrokken partijen vaak ook al los van de Wams. Dat in dit besluit de normen opnieuw verplicht worden gesteld, moet dus vooral als aanvulling op bestaande regelgeving worden gezien waarmee wordt gewaarborgd dat het beveiligingsniveau van de gegevensverwerking overal voldoende is. Hierdoor kan de burger erop vertrouwen dat de betrokken partijen zorgvuldig omgaan met de gevoelige gegevens. Omdat de normen nu al gelden, past dit wijzigingsbesluit in het nu al bestaande normenkader.
De BIO geldt sinds 2020 als gemeenschappelijk normenkader voor de beveiliging van de informatie(systemen) van de overheid. De BIO kan worden gezien als een bindende afspraak vastgelegd voor de overheden.25 Naast het gemeenschappelijk normenkader, concretiseert de BIO een aantal normen tot verplichte overheidsmaatregelen («controls» genoemd) op grond van bestaande regelgeving. In de BIO zijn verwijzingen naar die regelgeving opgenomen zodat duidelijk is waar de reeds bestaande (beveiligings)eisen zijn vastgelegd. Zo zijn er in de BIO verwijzingen opgenomen naar onder meer AVG, de Wet SUWI en de Wet basisregistratie personen.26 Dat dit besluit de BIO verplicht stelt als norm waaraan overheidspartijen moeten voldoen in het kader van de Wams, verhoudt zich daarmee tot de nationale regelgeving.
Daarnaast worden in bestaande regelgeving verschillende NEN-normen verplicht gesteld voor uiteenlopende partijen in het sociaal of zorgdomein. Daarbij kan gedacht worden aan de normen NEN-ISO-IEC 27001 en NEN-ISO-IEC 27002 krachtens de Jeugdwet, de Wmo 2015 en de Wet forensische zorg en NEN 7510 op grond van de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg.27 Met dit besluit wordt daarbij aangesloten.
Voor dit besluit zijn relevant de gegevensverwerkingen ten behoeve van een gecoördineerde aanpak (hoofdstuk 5, paragraaf 4 van de Wmo 2015) en de gegevensverwerkingen bij meldingen als bedoeld in artikel 2.2.5 (hoofdstuk 5, paragraaf 5 van de Wmo 2015). De grondslagen voor deze gegevensverwerkingen staan in de Wmo 2015 en in de memorie van toelichting op de Wams is daar uitgebreid op ingegaan.28
Bij een gecoördineerde aanpak is de aard van de problematiek en de behoefte aan ondersteuning van de burger of het huishouden bepalend voor de te betrekken domeinen en partijen. Dat betekent dat er in de praktijk steeds wisselende domeinen en partijen betrokken zijn en dus ook dat de scope van de gegevensverwerking wisselt al naar gelang de problematiek van de burger of het huishouden. Ook is mogelijk dat bijzondere persoonsgegevens zoals gegevens over de gezondheid en gegevens van strafrechtelijke aard worden verwerkt. Daarom is het van belang dat de gegevensverwerking met passende waarborgen is omkleed. Met onder meer dit besluit worden die passende waarborgen gegeven.
Een eerste waarborg, hangt samen met de vraag welke partijen precies betrokken mogen worden. Welke partijen bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of bij een gecoördineerde aanpak betrokken kunnen worden is limitatief waarbij de in de bijlage genoemde taken en bevoegdheden bepalend zijn voor hun deelname. Dit houdt in dat een partij die niet in de bijlage staat ook niet betrokken kan worden en een partij die wel genoemd wordt alleen betrokken kan zijn uit hoofde van de taak of bevoegdheid die in de bijlage wordt genoemd. Op deze manier wordt de potentieel brede scope van betrokken partijen uit verschillende domeinen die gegevens kunnen verstrekken, zo beperkt mogelijk gehouden.
Als een partij betrokken wordt, zal het college beoordelen welke gegevens van de desbetreffende partij noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3a.1, vierde lid, of artikel 2.3a.4, tweede lid, van de Wmo 2015. Welke gegevens noodzakelijk zijn, zal per situatie anders zijn. De gecoördineerde aanpak beslaat immers een grote variëteit aan casussen. Daarom is voor een onderzoek naar meervoudige problematiek of de daarop volgende gecoördineerde aanpak geen lijst met te verwerken gegevens te bepalen. In de aanpak van meervoudige problematiek op grond van de Wams gaat het niet om een structurele uitwisseling van gegevens, maar om een casuïstische benadering. Aan de hand van de casus zal door het college worden beargumenteerd welke noodzakelijk zijn. Er is immers alleen een grondslag voor de verwerking van gegevens die noodzakelijk zijn. Partijen genoemd in de bijlage zullen daarbij hun eigen afweging moeten maken indien zij worden betrokken bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of bij de gecoördineerde aanpak. Artikel 5.4.2, eerste en tweede lid, Wmo 2015 vormen hiervoor het wettelijk kader. Het college kan geen gegevensverstrekking afdwingen middels inkoopcontracten of anderszins.
In een casusoverleg op grond van artikel 5.4.3, van de wet, mogen partijen bovendien persoonsgegevens uit het casusoverleg slechts opnemen in een eigen dossier indien is voldaan aan artikel 5.4.3, vierde lid, van de wet.
Bovenstaande maakt duidelijk dat gegevensverwerking op grond van de Wams slechts is toegestaan op basis van een zorgvuldige afweging omtrent de te betrekken domeinen, te betrekken partijen en de noodzakelijke gegevens.
De Wmo 2015 geldt niet in Caribisch Nederland, zodoende zijn ook de Wams en dit besluit niet van toepassing in Caribisch Nederland.
De regeldruk als gevolg van de invoering van dit besluit zijn in deze paragraaf in beeld gebracht. Dit is gedaan zowel voor bedrijven, professionals en burgers. Partijen in de bijlage die (semi)publieke organisaties of overheden zijn, vallen buiten de regeldruktoets.
Voor het zorgdomein zijn de regeldrukgevolgen in beeld gebracht voor partijen die betrokken zijn bij uitvoering van de Wmo 2015, de Jeugdwet, de Wlz of de Zvw. Aan de partijen die betrokken kunnen worden bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of bij de gecoördineerde aanpak, worden nadere eisen gesteld doordat door middel van dit besluit technische standaarden worden gesteld aan de verwerking van persoonsgegevens bij de uitvoering van de taken waarop de Wams ziet. De normen als gesteld in het voorgestelde artikel 4b.1.2 zijn reeds verplicht voor aanbieders in de Wmo 2015, de Jeugdwet, de Wlz en de Zvw. Daarnaast is de norm NTA 7516 die in het tweede lid verplicht wordt gesteld, al verplicht bij het uitwisselen van persoonlijke gezondheidsinformatie via e-mail. Voor aanbieders uit de Wmo 2015, de Jeugdwet, de Wlz en de Zvw zijn de beveiligingseisen die met dit besluit zijn genomen dus reeds gangbare normen. Wel worden deze partijen eenmalig belast met het kennisnemen van deze regeling. Voor de partijen gezamenlijk leidt dit eenmalig tot een toename van de regeldruk met € 10.147 (5 min x 54 euro loonkosten per uur van een hoogopgeleid medewerker x 2255).29
De genoemde beveiligingseisen die worden gesteld aan partijen die zijn opgenomen in de bijlage bij dit besluit hebben geen effecten op de regeldruk van burgers.
Door verschillende partijen is er een uitvoeringstoets gedaan om de uitvoerbaarheid van de voorgestelde wijzigingen te toetsen.
Door de Vereniging van Nederlandse gemeenten (hierna: VNG) is een uitvoeringstoets decentrale overheden (UDO) gedaan. Daarin is aan gemeenten gevraagd of zij beschikken over beveiligde mail en kunnen voldoen aan de gestelde norm NTA 7516. Daarnaast is gevraagd of het college als coördinator kan voldoen aan NEN 7510 of een beveiligingsniveau dat gelijk daaraan is indien gegevens over de gezondheid worden verwerkt.
Uit de uitvoeringstoets kwam naar voren dat gemeenten beschikken over beveiligde mail, die eventueel ook voor derden (partijen in de zin van de wet) die met de Wams werken beschikbaar kan worden gesteld. Het werken met NEN 7510 is gedeeltelijk nieuw voor gemeenten. Gemeenten maken binnen het sociaal domein gebruik van verschillende applicaties. De meeste softwareleveranciers die binnen de sociaal domeinwetten door gemeenten worden gebruikt, zijn momenteel niet NEN 7510 gecertificeerd. Wanneer een NEN 7510 certificering wettelijk verplicht wordt gesteld, zouden gemeenten te maken krijgen met hogere kosten. Uit de uitvoeringstoets blijkt dat dit een incidentele gezamenlijke extra kostenpost oplevert van maximaal € 300.000 en een structurele extra kostenpost van € 100.000 jaarlijks.
Er is voor gekozen om de normen voor informatiebeveiliging uit artikel 4b.1.2 van dit besluit aan te laten sluiten bij de bestaande systematiek van beveiligingsnormen waar partijen op grond van bestaande regelgeving al aan moeten voldoen. Deze beveiligingsnormen geven een het noodzakelijke beschermingsniveau gelet op het type gegevens dat wordt verwerkt in het kader van de Wams. Voor gemeenten betekent dit dat de gemeentelijke applicaties niet NEN 7510 gecertificeerd hoeven te zijn, maar daarvoor kan worden aangesloten bij de BIO. Gemeenten hebben die norm immers al geïmplementeerd. Hierdoor zullen de kosten die volgden uit de uitvoeringstoets van de VNG ook niet te hoeven worden gemaakt.
Er is in beginsel geen technische belemmering om een coördinator van een andere organisatie toegang te geven tot (een afgescheiden deel van) de gemeentelijke applicatie zodat daarop het coördinatiedossier kan worden beheerd. Het coördinatiedossier moet gescheiden zijn van andere dossiers waarbij moet worden geborgd zijn dat alleen personen die betrokken zijn bij een specifieke casus toegang hebben tot dat coördinatiedossier. Dit borgen kan door hetzij autorisaties op medewerkersniveau, hetzij door logging, actieve controle van de logging en actieve opvolging van signalen van onrechtmatige inzage.
De functionaris gegevensbescherming (hierna: FG) en de chief information security officer houden op grond van afdeling 4 van hoofdstuk 4 van de AVG intern toezicht op de verwerking van persoonsgegevens door gemeenten. Ook de meeste partijen uit de Wams zullen vanwege hun aard en de daarmee samenhangende verwerkingen van persoonsgegevens over een FG beschikken. Daarnaast wordt landelijk toezicht gehouden door de Autoriteit Persoonsgegevens en de IGJ. Ook rekenkamers hebben in toenemende mate aandacht voor informatiebeveiliging en voeren binnen bijvoorbeeld gemeenten onderzoeken uit.
De voorgestelde invulling past binnen de kaders die de AVG stelt. Het dwingend voorschrijven van private normen die niet openbaar zijn, staat op gespannen voet met het vereiste van openbaarheid van informatie. Toch is het niet ongebruikelijk om privaat opgestelde normen verplicht voor te schrijven. Alle genoemde NEN en NTA normen zijn afgekocht.
De genoemde ISO-normen zijn niet vrij verkrijgbaar. Om die reden wordt voorgesteld om ook daaraan gelijkwaardige normen toe te staan.
PM
PM
Artikelsgewijs
Artikel I
Onderdeel A
Aan het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 wordt in het kader van de te stellen eisen aan de gegevensuitwisseling definities van verschillende normen toegevoegd.
Onderdeel B
Met dit onderdeel wordt een nieuw hoofdstuk toegevoegd aan het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 waarmee invulling wordt gegeven aan de aanpak van meervoudige problematiek in het sociaal domein. Het hoofdstuk bestaat uit twee artikelen.
In artikel 4b.1.1 gaat het over een onderzoek naar meervoudige problematiek en een gecoördineerde aanpak. Uit artikel 2.3a.1 en 2.3a.4 van de Wmo 2015 blijkt dat een onderzoek kan worden gestart na een hulpvraag van een cliënt zelf of wanneer een al bij een persoon betrokken partij het vermoeden heeft dat een onderzoek nodig is. Om tot een effectieve oplossing te komen, kunnen bij zo’n onderzoek partijen uit verschillende domeinen worden betrokken. Welke partijen dit betreft, volgt uit bijlage I. Deze partijen kunnen ook worden betrokken bij de gecoördineerde aanpak als bedoeld in artikel 2.3a.3 van de Wmo 2015. Vaak zijn deze partijen al bij de lopende dienstverlening en interventies betrokken. Deze partijen kunnen alleen onderdeel zijn van een dergelijk onderzoek bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden als genoemd in bijlage I. Op die manier wordt gewaarborgd dat slechts in specifieke gevallen een beperkt aantal partijen aan een onderzoek meedoet.
Om een onderzoek te kunnen doen, moeten gegevens worden verwerkt. In artikel 4b.1.2 worden eisen gesteld aan die gegevensverwerking en de gegevensuitwisseling. Zoals uit de toelichting blijkt, wordt daarbij gebruik gemaakt van het volgende systeem.
Voor de gegevensverwerking in het kader van de aanpak van meervoudige problematiek voldoen het college, de partijen die in bijlage I worden genoemd en de coördinator als bedoeld in artikel 2.3a.3, eerste lid, van de Wmo 2015, aan een van de normen die worden genoemd in artikel 4b.1.2. Dit houdt in dat wordt voldaan aan de technische standaarden en beveiligingseisen van NEN-ISO-IEC 27001 en NEN-ISO-IEC 27002, NEN 7510 of aan de laatst gepubliceerde versie van de BIO dan wel daaraan gelijkwaardige normen.
Op het moment dat de partijen, het college of een coördinator gegevens verstrekken is in artikel 4b.1.2, tweede lid, bepaald dat het college, de coördinator en de partijen genoemd in bijlage I, gebruik moeten maken van veilige e-mail waarbij NTA 7516 als norm geldt. Deze norm geldt dus voor alle partijen die bij het onderzoek of bij een gecoördineerde aanpak betrokken zijn. Hiermee wordt gezorgd voor een betrouwbaar en beveiligd gegevensverkeer tussen partijen op het moment dat zij gegevens aan elkaar moeten verstrekken.
Artikel II
Ook de politie kan een rol spelen bij de gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek. Met dit onderdeel wordt een grondslag aan het Besluit politiegegevens toegevoegd om in het kader van de aanpak van meervoudige problematiek politiegegevens te mogen verstrekken.
Artikel III
Deze wijziging expliciteert dat het UWV en de Sociale Verzekeringsbank bevoegd zijn om gegevens aan de colleges van burgemeester en wethouders te verstrekken ten behoeve van een verzoek om onderzoek te verrichten vanwege het vermoeden van het bestaan van ernstige meervoudige problematiek, als bedoeld in artikel 2.3a.4, eerste lid, van de Wmo 2015.
Artikel IV
Dit artikel regelt de inwerkingtreding van dit besluit. Dit zal zijn op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en de inwerkingtreding wordt gekoppeld aan de inwerkingtreding van de Wams.
Deze toelichting wordt ondertekend in overeenstemming met de Minister van Werk en Participatie en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk