Nr. 11 VERSLAG

Vastgesteld 22 februari 2022

De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen tijdig en genoegzaam zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

ALGEMEEN

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben naar aanleiding daarvan nog een aantal vragen aan de regering.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de Wet plan van aanpak witwassen. Deze leden hebben hier nog zorgen bij en horen dat ook andere betrokkenen in de maatschappij bezorgd zijn over het voorliggende wetsvoorstel. Daarom hebben deze leden nog veel vragen en opmerkingen. Deze leden hebben in het bijzonder vragen bij de gezamenlijke transactiemonitoring, de te lage grens van 100 euro en het voorkomen van oneigenlijke weigering van financiële dienstverlening door instellingen. Voorts hebben deze leden fundamentele vragen over de juridische houdbaarheid van delen van het wetsvoorstel en het risico dat mensen onterecht in het verdachtenbankje terechtkomen en daar niet meer uit kunnen geraken.

Er is in het verleden de keuze gemaakt om alle ongebruikelijke transacties te laten melden in plaats van enkel de verdachte transacties, constateren de leden van de D66-fractie. De leden van de D66-fractie zien dat het verplicht melden van alle ongebruikelijke transacties leidt tot een enorme hooiberg waarbinnen de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL) soms een speld zoekt en vindt, maar vaker geen actie onderneemt op meldingen waarvoor banken vele mensen in dienst hebben moeten nemen, laat staan dat FIU-NL terug kan rapporteren over wat er met een melding is gedaan. Daarom vragen deze leden naar een reflectie op de balans tussen alle ongebruikelijke transacties en het vele werk dat ermee gemoeid is ten opzichte van het beperkte aantal transacties dat daadwerkelijk wordt onderzocht. Uit de brief van 13 februari 2023 van de regering1 begrijpen de leden van de D66-fractie de overweging van de regering om aanbeveling acht van de wetenschapstoets over het wetsvoorstel2, die oproept het effect van het beleid op het aantal gemelde transacties en het werk van de FIU te monitoren en evalueren, niet direct over te nemen. Deze leden vragen om de effectiviteit juist vooraf inzichtelijk te maken en niet pas bij de evaluatie. Daarom vragen deze leden om de criteria waarop de effectiviteit zal worden beoordeeld reeds nu op te stellen.

Mede naar aanleiding van de inbreng van de Raad van State en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) tijdens de technische briefing over het ingediende wetsvoorstel in de Kamer3, vragen de leden van de D66-fractie naar de relatie van het onderhavige wetsvoorstel met Europees recht. Deze leden begrijpen dat de AP reeds in 2019 heeft gewezen op een mogelijk conflict tussen het Europees recht en de huidige anti-witwasregelgeving in Nederland. Daarom vragen deze leden naar de gevolgen van het nog massaler monitoren en delen van klantgegevens op grond van het ingediende wetsvoorstel in relatie tot de toepassing van Europese wetgeving. De leden van de D66-fractie vragen de regering om een reactie op de zorgen die zijn gedeeld in position papers, brieven en tijdens het rondetafelgesprek van 26 januari 2023 over het wetsvoorstel in de Kamer4 door de AP. Voorts vragen deze leden naar de reactie van de regering op de uitspraak van de heer Wolfsen tijdens het rondetafelgesprek over het wetsvoorstel. Deze uitspraak gaat in op dat het voorstel een inbreuk is op Europese wetgeving en daarom niet zal worden toegepast door de AP. Concreet vragen deze leden of de regering kan bevestigen dat het wetsvoorstel in lijn is met Europese regelgeving en zo ja, om dat te beargumenteren en zo nee, om het wetsvoorstel aan te passen. Deze vraag stellen deze leden ook voor het huidige anti-witwasbeleid. Ook vragen deze leden of het wetsvoorstel en het huidige beleid in overeenstemming zijn met de Guiding Principles on Business and Human Rights5.

Daarnaast hebben de leden van de D66-fractie, onder meer tijdens het rondetafelgesprek over het onderhavige wetsvoorstel in de Kamer6, veel zorgen gehoord over het bedrag van 100 euro bij het onderdeel gezamenlijke transactiemonitoring. De regering heeft mede naar aanleiding van het advies van de Raad van State deze grens van nul naar 100 euro verhoogd, maar waarom is niet een veel hoger bedrag gekozen om zo veel gerichter te kunnen monitoren (los van de hiervoor reeds door deze leden gestelde fundamentele vragen over het enkel kijken naar verdachte transacties in plaats van naar alle «ongebruikelijke» transacties en de verhouding tot Europees recht)? Voorts vragen deze leden welke alternatieven zijn onderzocht voor het massaal monitoren van transacties en deze informatie op grote schaal te delen. Deze leden vragen ook naar een onderbouwing van de effectiviteit van het massaal delen van al deze informatie. Zo’n 95 procent van de 275 alerts die werden gebruikt voor een pilot bleken onderzoekswaardig te zijn, zo lezen de leden van de D66-fractie in de memorie van toelichting. Deze leden vragen in hoeveel van de 261 onderzoekswaardige alerts het daadwerkelijk bleek om witwassen of het financieren van terrorisme te gaan.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de Wet plan van aanpak witwassen. Naar aanleiding hiervan hebben de leden van de PVV-fractie enkele vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden zijn voorstander van het intensiveren, maar vooral ook het efficiënter en effectiever aanpakken van de strijd tegen ondermijnende criminaliteit door financiële geldstromen. Zij zien in de huidige poortwachtersfunctie van de Nederlandse banken en verdere analyse door Transactie Monitoring Nederland (TMNL) en de Financial Intelligence Unit een belangrijk taak om ondermijnende criminaliteit bij geldstromen aan te pakken. Tegelijkertijd zien deze leden ook de uitdagingen waar banken mee te maken hebben om dit op een goede manier uit te voeren en tegelijkertijd voor goede financiële dienstverlening te zorgen. Ook zorgt het eenrichtingsverkeer van informatie er in de ogen van deze leden voor dat in de keten van bank tot opsporing nauwelijks gegevens kunnen worden uitgewisseld, die het voor banken en de opsporing dikwijls ingewikkeld maken efficiënt en effectief te handelen en het voor medewerkers van banken ook onnavolgbaar maakt wat het effect is van hun inspanningen. De leden van de CDA-fractie zien de meerwaarde in het voorliggende wetsvoorstel voor het verbeteren van de aanpak in de strijd tegen witwassen en terrorismefinanciering door hogere barrières op te werpen voor witwassen, de effectiviteit van de poortwachtersfunctie en het toezicht op de naleving te vergroten en de opsporing en vervolging te versterken. Daarbij is het voor deze leden wel belangrijk indien er een grote en gevoelige data intensieve rol bij de banken ligt, zodat er voldoende waarborgen zijn ingebouwd voor een neutrale en objectieve poortwachtersrol en er goed toezicht op het uitoefenen van die rol door banken is. Daarbij is het van belang dat er een goede rechtsbescherming voor burgers en bedrijven is, zodat zij zich kunnen verweren bij onterechte uitkomsten. Tot slot is het voor deze leden ook belangrijk dat de uitwerking van deze wet nauwlettend wordt gemonitord, zodat direct kan worden ingegrepen wanneer risico’s zich manifesteren.

De leden van de CDA-fractie hebben een aantal vragen bij de vormgeving van de verschillende elementen van de wet.

De leden van de SP-fractie hebben met bezorgdheid kennisgenomen van de wet plan van aanpak witwassen. Deze leden zijn niet principieel tegen elke vorm van publiek-private samenwerking bij het tegengaan van witwassen en terrorismefinanciering, maar betwijfelen ernstig of de integriteit van het betalingsverkeer en de financiële sector dusdanig zal toenemen met deze wet plan van aanpak witwassen, zodat dit een «onrechtmatige aantasting van de fundamentele rechten en burgerlijke vrijheden», zoals de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) dit heeft verwoord, rechtvaardigt. Deze leden vragen de regering om een uitgebreide toelichting op de proportionaliteit en de noodzakelijkheid van het voorliggende wetsvoorstel en vragen om daarbij nadrukkelijk in te gaan op de kritiek dat de bevoegdheden die het onderhavige wetsvoorstel aan private banken geeft logischerwijs niet tegelijkertijd noodzakelijk en optioneel kunnen zijn, terwijl dit de facto wél in het wetsvoorstel staat. De leden van de SP-fractie vragen de regering of met name inzake de transactiemonitoring een aanpak is overwogen waarbij de samenwerking zich gerichter focust op verdachte transacties in plaats van massamonitoring van vrijwel alle transacties, wat nu wordt voorgesteld.

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Wet plan van aanpak witwassen. Deze leden onderkennen zowel zwaarwegende privacybelangen als ook de benodigde middelen om de aanpak van witwassen en terrorismefinanciering gestalte te geven. Over het wetsvoorstel van de regering hebben deze leden vragen en opmerkingen.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden hebben fundamentele kritiek ten aanzien van een aantal aspecten van het voorliggende wetsvoorstel en hebben twijfels over de vraag of zij het wetsvoorstel in de huidige vorm kunnen steunen. Dit zal nader toegelicht worden via de vragen aan de regering.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel en onderschrijven de noodzaak en de urgentie als het gaat om optreden tegen witwassen en andere vormen van financiële criminaliteit. Evenwel hebben deze leden een aantal kritische vragen bij de wijze waarop de regering dit in het onderhavige wetsvoorstel beoogt aan te pakken.

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden begrijpen de wens om witwassen tegen te gaan. De afgelopen jaren is er veel wetgeving en beleid opgezet om witwassen te bestrijden. De aanpak van witwassen gaat vaak gepaard met een beperking van privacy of van andere vrijheden. Het is evident dat dit steeds om een afweging tussen beide aspecten vraagt. Het voorliggende wetsvoorstel komt boven op eerdere witwaswetgeving en leidt tot een forse inperking van vrijheden, waaronder privacy. De leden van de SGP-fractie staan dan ook zeer kritisch tegenover het wetsvoorstel. Deze kritische houding leidt tot een aantal vragen.

De leden van de Volt-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel «Wet plan van aanpak witwassen». Over het wetsvoorstel hebben deze leden nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de Groep Van Haga (BVNL) hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel «Wet plan van aanpak witwassen». Over het voorliggende wetsvoorstel hebben deze leden nog enkele vragen en opmerkingen.

Het lid Omtzigt heeft kennisgenomen van het wetsvoorstel en heeft enkele vragen en opmerkingen.

§ 1. Inleiding

De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van het voorkomen en bestrijden van witwassen en financieren van terrorisme voor de effectieve preventie en repressie van (ondermijnende) criminaliteit. Echter, deze leden vragen naar de wijze waarop een eventuele toegevoegde waarde voor het bestrijden van witwassen en financieren van terrorisme is gewogen ten opzichte van de kosten, zowel financieel als maatschappelijk.

Hoewel de leden van de D66-fractie lezen dat «de financiële gevolgen en administratieve lasten worden beschreven in paragraaf vijf» zien deze leden dat de administratieve gevolgen voor consumenten en kleine organisaties fors zijn. Daarom vragen deze leden de regering om ook de maatschappelijke gevolgen en lasten te beschrijven zoals de administratieve gevolgen voor financiële instellingen worden beschreven. Is de regering bereid om aanbeveling één van de wetenschapstoets over het wetsvoorstel, die oproept de maatschappelijke opgave te expliciteren en de doelen meetbaar te maken, over te nemen, niet alleen in de evaluatie maar juist ook vooraf?

De samenwerking tussen het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Justitie en Veiligheid lijkt vanzelfsprekend op dit onderwerp, maar de leden van de D66-fractie vragen de regering naar de samenwerking met de Staatssecretaris van Digitale Zaken, zowel op het gebied van online betalingen als op de veiligheid van de informatie die volgens het voorliggende wetsvoorstel moet worden verzameld en bewaard.

Allereerst merken de leden van de PVV-fractie op dat het voorliggende wetsvoorstel onderverdeeld kan worden in vier onderdelen. De leden van de PVV-fractie vragen de regering om per onderdeel weer te geven op welke punten er sprake is van een versoepeling dan wel een verzwaring ten opzichte van de huidige situatie en dit in een schematisch overzicht te weergeven.

De leden van de PvdA-fractie constateren in het algemeen dat de huidige praktijk van de verantwoordelijkheden die voortvloeien uit de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) uitdagingen oplevert voor zowel consumenten als poortwachters. Verbeteringen en verduidelijkingen binnen dit stelsel zijn dan ook nodig in de ogen van deze leden. Deze leden hebben zorgen over aan de ene kant de toegang van consumenten tot het financiële stelsel. Dit gaat zowel over fysieke toegang zoals bankloketten en vergaande digitalisering maar ook over de problemen rondom «unbankables». Aan de andere kant is Nederland een belangrijke speler in het internationale betalingsverkeer waardoor instellingen scherp moeten zijn op financiering van terrorisme en het witwassen van crimineel geld. De balans tussen deze twee belangen, waarin privacy een centrale rol speelt, moeten zorgvuldig tegen elkaar worden afgewogen in de ogen van deze leden. Het doel voor deze leden is om tot een goed werkende Wwft te komen waarbij privacy en toegang optimaal gewaarborgd zijn.

Het voorliggende wetsvoorstel is ingegeven om witwassen tegen te gaan. Met name daar waar het gaat om witwassen door criminelen. In de memorie van toelichting wordt diverse malen gesproken over het witwassen door criminelen. Echter, niet alleen criminelen vallen onder de reikwijdte van het onderhavige wetsvoorstel. Het voorliggende wetsvoorstel regelt ook verregaande maatregelen, waaronder een verregaande inperking van privacy van goedwillende burgers en instellingen, zo constateren de leden van de SGP-fractie. Hoe weegt de regering dat? Waarom zijn geen gerichte maatregelen genomen?

De leden van de Volt-fractie merken op dat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) bijzonder kritisch is op het wetsvoorstel. Deze leden geven aan dat een centraal bancair sleepnet – terminologie die de Volt-fractie goed kan volgen – in strijd is met het (Europese) evenredigheidsbeginsel en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Terecht merkt de AP op dat slechts een klein percentage van het totale betalingsverkeer direct of indirect gelieerd is aan witwassen, terwijl met dit voorstel (nagenoeg) elke betaling wordt gemonitord. Hoe oordeelt de regering over deze stellingname van de AP? Is de regering van mening dat de voorgestelde maatregel evenredig en proportioneel is ten opzichte van het gestelde doel van de wet? Kan de regering dit onderbouwen met een grondrechtentoets waarbij expliciet wordt ingegaan op relevante overwegingen uit relevante rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens? Indien er twijfels bestaan over de toelaatbaarheid van dit voorstel in het licht van Europese wetgeving, waarom wordt het onderhavige wetsvoorstel dan voorgesteld?

Hoe oordeelt de regering over het voorliggende wetsvoorstel in het licht van de ambities van deze regering om mensen die onbedoeld fouten maken, als fraudeur te bestempelen? Het risico hierop wordt immers groter via het onderhavige wetsvoorstel.

Deze leden vragen de regering in hoeverre de verplichtingen en bepalingen van artikel 3b van het wetsvoorstel zich verhouden tot de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De geheimhoudingsplicht van advocaten en notarissen is een kernwaarde van beide beroepen in de ogen van deze leden. Om daarvan af te wijken, ook bij wet, moet worden onderzocht of er ook minder ingrijpende manieren zijn om aan de doelstelling van dit artikel te voldoen. Is het onderzocht of het mogelijk is om met innovatieve technologie de analyse kan worden gedaan, zonder het schenden van het beroepsgeheim en vergaande verwerking van persoonsgegevens? De Duitse overheid heeft dit probleem immers óók gehad, en heeft het met hun «European Data Trustee» oplossing dit wél weten op te lossen. Waarom kan de regering het dan niet? Kan de regering aangeven in hoeverre deze oplossing is onderzocht in de totstandkoming van het wetsvoorstel en of met de Duitse overheid is gesproken over deze oplossing? Zo niet, kan de regering deze oplossing dan alsnog beoordelen en meenemen in de verdere behandeling van het voorliggende wetsvoorstel? Hoe oordeelt de regering over deze oplossing voor het probleem dat de regering met het ingediende wetsvoorstel beoogt op te lossen?

Artikel 34b (onder ander het zesde lid) van het wetsvoorstel doet een poging om te regelen dat de voortdurende controle van transacties in lijn met de Algemene Verordening Gegevensbescherming gaat. Op welke manier gaat – alvorens de wet in de Kamer behandeld wordt – worden getoetst of instellingen hieraan in de praktijk uitvoering kunnen geven? Artikel 34b, zesde lid, onderdeel d, van het wetsvoorstel stelt dat persoonsgegevens uitsluitend verwerkt wordt in systemen waarvoor een adequaat beveiligingsniveau geldt. Wat wordt verstaan onder «adequaat» onder de huidige stand van de techniek? Is daarbij ook rekening gehouden met de huidige ontwikkelingen op het gebied van beveiliging van persoonsgegevens, zoals bijvoorbeeld post-kwantum encryptie? Hoe wordt gewaarborgd dat ook naar de toekomst sprake zal zijn van adequate beveiliging?

De leden van de Groep Van Haga willen niet dat kleine burgers en het Midden-kleinbedrijf zoals garagehouders/nagelstylisten, kappers en sekswerkers «unbankable» worden door een harde overheid. Hoe gaat de regering dit voorkomen? Denkt het Openbaar Ministerie (OM) de grote vissen eindelijk te kunnen aanpakken zonder dat het een en ander in de praktijk leidt tot louter administratieve lastenverhoging en omgekeerde bewijslast voor de burger en het MKB?

De leden van de Groep van Haga merken op dat in de memorie van toelichting wordt erkend dat het huidige systeem van criminaliteitsbestrijding door banken op grond van de Wwft niet werkt. Waarom is er niet voor gekozen om het hele systeem te heroverwegen en de grote bedragen die de banken nu aan het detecteren van ongebruikelijke transacties besteden anders te gaan besteden? Welke concrete cijfermatige doelstellingen heeft de regering voor ogen met betrekking tot afgepakt zwart geld, onderschept drugsvermogen en het aantal veroordelingen. Wat betekent dit voor de capaciteit van FIU, het OM en de rechterlijke macht gezien de huidige tekorten aan menskracht? Welke meetbare targets stelt de regering voor wat betreft de nieuwe wet aan artikelen één, twee, en drie? Is de regering het met de leden van de Groep Van Haga eens dat het sleepnet er alleen in uiterste noodzaak mag komen als het nut is aangetoond en ook is aangetoond dat er geen alternatieven zijn en dat het sleepnet ook tot concrete vermindering van de huidige criminaliteitsbestrijdingsschade leidt? Zo nee, waarom niet? Waarom zou het parlement akkoord moeten gaan met het wetsvoorstel? De financiering van terrorisme is in de ogen van deze leden alleen relevant als het gaat om grote, structurele bedragen die naar bijvoorbeeld de Islamitische Staat (IS) of de Taliban worden overgemaakt dan wel dienen ter witwassing van bijvoorbeeld drugsopbrengsten van deze organisaties. Kleine aanslagen zijn relatief goedkoop bijvoorbeeld de huur van een vrachtwagen, de koop van een rugzak explosieven, de koop van een vuurwapen of een mes. Op welke wijze gaat het voorliggende wetsvoorstel de financiering van terrorisme dan bestrijden?

De leden van de Groep Van Haga vragen hoe de regering de governance ziet. Wat de leden van de Groep Van Haga betreft moet de entiteit die de analyses uitvoert onafhankelijk zijn van de banken, zich houden aan de Wet Normering Topinkomens en de Europese aanbestedingsregelgeving en de IT uitsluitend van Europese leveranciers betrekken. Graag een reactie hierop. Hoe gaat de regering de rechtsbescherming voor consumenten en MKB verbeteren? Wat voor beroepsmogelijkheden zijn er voor burgers? Is dat bijvoorbeeld het Kifid of de rechter? Hoe staat de regering tegenover een onafhankelijke financiële ombudsman die op laagdrempelige wijze klachten over financiële instellingen en witwasbestrijdingsplichtigen kan ontvangen en eigenstandig onderzoeken kan instellen naar de praktijk van witwasbestrijding, kredietregistratie en zwarte lijsten? Hoe gaat de regering het fiasco van het Multidisciplinair Interventieteam (MIT), welke inmiddels is ontbonden, vermijden?

De leden van de Groep Van Haga vragen wie er ambtelijk en/of politiek verantwoordelijk is zodat er afgerekend kan worden op het resultaat. De Minister van Financiën of de Minister van Justitie en Veiligheid?

Het lid Omtzigt onderschrijft uiteraard het doel van het wetsvoorstel om witwaspraktijken en het financieren van terrorisme beter tegen te gaan. Wel vindt dit lid – in navolging van verschillende adviezen vanuit het veld – dat het wetsvoorstel op een aantal punten schuurt met de grondrechten van burgers, met name het recht op privacy. In dat kader heeft dit lid een aantal fundamentele vragen.

Het lid Omtzigt constateert dat zowel de adviezen van de Raad van State (RvS) als van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) heel kritisch waren. De kritiek van beide instanties zag met name op de vergaande inbreuken op grondrechten van burgers en bedrijven. Naar aanleiding daarvan heeft de regering het wetsvoorstel op een aantal cruciale onderdelen aangepast. Heeft de regering nog overwogen om de Raad van State een aanvullend advies te vragen na aanpassing? Zo nee, waarom niet?

Meer ten principale vraagt het lid Omtzigt of de regering kan aangeven waarom de regering de inperkingen van de grondrechten (artikel 10 van de Grondwet) proportioneel acht.

Het lid Omtzigt merkt op dat de Raad van State zinvolle mogelijkheden om in verzet te komen tegen een besluit van een bank, waaronder een besluit tot plaatsing op een zwarte lijst, onmisbaar acht in het kader van een effectieve rechtsbescherming. De memorie toelichting gaat echter niet in op de uitoefening van de rechten van betrokkenen. Het lid Omtzigt vraagt in dit kader wat de mogelijkheden zijn voor een cliënt om in verzet te komen indien hij/zij vindt dat een bank ten onrechte consequenties verbindt aan een signaal of als een transactie ten onrechte wordt gesignaleerd. Voorts vraagt dit lid indien de verzetsmogelijkheden per Algemene Maatregel van bestuurd (AMvB) worden geregeld of dit met de Kamer vooraf kan worden besproken.

Het lid Omtzigt begrijpt net als de Raad van State uit de toelichting dat het de bedoeling is dat het toezicht indirect via de aangesloten banken loopt. Dit lid vraagt of de regering dit kan bevestigen en mocht dit het geval zijn of de regering nader kan ingaan op de effectiviteit van dit indirecte toezicht en wat de mogelijkheden zijn van de overheid om corrigerend op te treden als er zaken misgaan.

§ 2. Inhoud wetsvoorstel

Dat de regering met «diverse belanghebbenden, waaronder toezichthouders, opsporingsinstanties en private partijen» heeft overlegd juichen de leden van de D66-fractie in principe toe, maar deze leden zien dat de regering met één kant van de tafel heeft gepraat, namelijk met de handhavers. Had de regering ook de consumenten en bedrijven gehoord die veel gebruik maken van contant geld bij hun transacties – op een legale manier, dan had de regering wellicht een ander beeld gehad, verwachten deze leden. Hoe heeft de regering het belang van de gebruikers meegewogen naast het belang van de handhavers en banken?

Het is de leden van de D66-fractie niet helemaal helder wanneer het gaat om «echte» informatie en wanneer om gepseudonimiseerde informatie. Kan de regering, bijvoorbeeld in een stroomdiagram, verder duiden wanneer informatie gepseudonimiseerd wordt gedeeld en wanneer de persoonsgegevens zoals het Burger Service Nummer (BSN)-nummer inzichtelijk zijn. Uit de brief van 13 februari 2023 van de regering7 begrijpen de leden van de D66-fractie de overweging van de regering om aanbeveling tien van de wetenschapstoets over het wetsvoorstel8, die oproept om gebruik te maken van reeds gehanteerde identificatiecodes voor de feedbackloop en deze standaard aan strafdossiers te koppelen, over te nemen. Deze leden vragen naar de implicaties van een gerichtere inzet en betere selectie door de opsporingsdiensten in verhouding tot de algemene informatiedeling van ongebruikelijke transacties door alle poortwachters.

Voorts vragen de leden van de D66-fractie naar de betekenis van «gebleken risico’s». Betekent dit dat als iemand volgens een instelling een risico is, deze classificatie voor altijd aan deze persoon blijft kleven of betekent dit dat iemand die volgens een instelling een risico is voor witwassen of financieren van terrorisme, ook daadwerkelijk heeft geprobeerd om wit te wassen of terrorisme te financieren, zo vragen deze leden. Als het enkel gaat om gepercipieerde risico’s, hebben de leden van de D66-fractie moeite met de term «gebleken».

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of er voorbeelden of geaggregeerde cijfers gegeven kunnen worden van het aantal meldingen van verdachte transacties, en hoeveel hiervan uiteindelijk tot een vervolging hebben geleid, als het om financiering van terroristische activiteiten (vanuit Nederland en/of via Nederlandse instellingen) gaat.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering, het liefst met cijfers, kan onderbouwen in welke mate het monitoren van transacties bijdraagt aan het opsporen van terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan en in welke mate dit eerder afhankelijk is van bijvoorbeeld niet-transactie-gebaseerd inlichtingenwerk. Met andere woorden, hoe een grote rol speelt de monitoring van transacties in het inlichtingenwerk ten aanzien van terroristische activiteiten en de ondersteuning daarvan?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of is overwogen om de verscheidene grondslagen voor een algemene maatregel van bestuur (AMvB) van een voorhang te voorzien en zo ja, waarom er niet voor gekozen is de AMvB’s zo in te richten.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe de inzet op «meten om te weten» eraan bijdraagt dat specifiek de effecten op de gestelde doelen van het onderhavige wetsvoorstel gemeten gaan worden conform de eerste aanbeveling uit de wetenschapstoets. De effecten van de bredere witwasaanpak, waar de meten om te weten-aanpak zich op richt, zijn immers breder dan de effecten die het voorliggende wetsvoorstel beoogd. Zullen er binnen meten-om-te-weten indicatoren ontwikkeld worden voor alle doelen waarop het onderhavige wetsvoorstel stuurt?

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat van veel kanten forse kritiek geuit wordt op het onderhavige wetsvoorstel, niet in de laatste plaats door de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) die stelt dat «de risico’s die [het] systeem [van transactiemonitoring] met zich meebrengt in geen verhouding staan tot het doel van het wetsvoorstel». Wat is de reactie van de regering op deze kritiek? Deelt de regering deze kritiek, en is de regering daarom voornemens het voorliggende wetsvoorstel aan te passen of deelt de regering deze kritiek niet? In dit geval vragen deze leden de regering deze kritiek te ontkrachten. Is de Autoriteit Persoonsgegevens geraadpleegd tijdens de voorbereiding van het wetsvoorstel? Kwam de door deze instantie geventileerde kritiek als een verrassing voor de regering? Waarom wel of niet?

§ 2.1. Verbod op contante betalingen vanaf € 3.000

De leden van de VVD-fractie begrijpen uit de wetenschapstoets en de daaropvolgende kabinetsreactie dat de regering niet voornemens is het verbod uit te breiden naar diensten. Deze leden vragen de regering daarbij wel om een nadere toelichting of de regering de in de wetenschapstoets geuite zorg deelt dat het voorgenomen verbod relatief eenvoudig te omzeilen zal zijn en welke mogelijkheden de regering zelf ziet om het omzeilen van dit verbod tegen te gaan.

Dat contant geld bij het witwassen van geld een belangrijke rol speelt, begrijpen de leden van de D66-fractie. Echter, vragen deze leden of een vermindering van contant geld ook tot een vermindering van witwassen leidt en zo ja, op basis van welk wetenschappelijk onderzoek de regering dat kan stellen. Als witwassen niet langer mogelijk is via contant geld kunnen criminelen namelijk gebruik maken van alternatieven waardoor witwassen weliswaar moeilijker wordt – en dat is positief en belangrijk – maar niettemin mogelijk blijft, waardoor er een goede afweging gemaakt dient te worden tussen de kosten en baten van een beperking in het gebruik van contant geld. De leden van de D66-fractie vragen de regering om deze afweging met de Kamer te delen.

De regering schrijft voorts dat «een verbod op betalingen in contanten vanaf een bepaald bedrag duidelijk en goed uitvoerbaar is», constateren deze leden. Dat roept bij de leden van de D66-fractie de vraag op waarom voor het bepaalde bedrag van 3.000 euro is gekozen en niet 5.000 euro of 2.500 euro. Voorts vragen deze leden of dit bedrag geïndexeerd zal worden op basis van de inflatie, zo ja, op basis waarvan en zo nee, hoe toekomstbestendig dit bedrag is.

Dat de regels voor contante betalingen in Nederland niet langer soepeler zijn dan in België of Frankrijk achten de leden van de D66-fractie op zich positief, maar geen gegeven dat in beton is gegoten. Deze leden vragen daarom hoe een race naar de bodem in Europa wordt voorkomen en hoe betere Europese samenwerking kan leiden tot meer uniformiteit in de regels (en daarmee lagere kosten voor de maatschappij). Kan de regering opsommen welke beperkingen ervoor zorgen dat er niet één Europees beleid rond contante betalingen is?

Gelet op de overwegingen van de regering ten aanzien van een waterbedeffect en de Single European Payments Area (SEPA), waarbinnen geldstromen van bijvoorbeeld Duitsland vrijelijk naar Nederland kunnen lopen, vragen de leden van de D66-fractie naar een mogelijk waterbedeffect richting Duitsland als Nederland wel maar Duitsland niet een beperking invoert ten aanzien van contant geld. Hoe zijn bedrijven in grensregio’s betrokken bij de overweging om een beperking op contant geld in te voeren in Nederland die in Duitsland niet geldt?

Overleg met handelaren in grensregio’s lijkt de leden van de D66-fractie ook wenselijk omdat het voorgestelde verbod wel geldt voor handelaren in goederen, maar niet voor handelaren in diensten. Hoe kijkt de regering naar een ander waterbedeffect – namelijk dat iemand de dienst afneemt om een product te kopen waarvoor wel contant kan worden betaald – en de gevolgen voor de effectiviteit van een verbod en daarmee de wenselijkheid?

Uit de brief van 13 februari 2023 van de regering9 begrijpen de leden van de D66-fractie de overweging van de regering om aanbeveling drie van de wetenschapstoets over het wetsvoorstel10, die oproept het verbod uit te breiden met diensten, niet direct over te nemen. Deze leden vragen als reactie daarop naar een onderbouwing om voor een verbod op contante betalingen wel voor diensten Europese regelgeving af te wachten, maar voor andere onderdelen nu al nationale wetgeving te implementeren. Kan de regering toelichten waarom er geen samenhangend wetsvoorstel wordt gepubliceerd nadat afspraken Europees zijn vastgelegd?

Omdat de regering in de memorie van toelichting schrijft dat andere landen reeds een strenger verbod op contante betalingen hebben dan op dit moment in Nederland geldt, vragen deze leden naar de lessen ten aanzien van de maximale hoogte van toegestane contante betaling, de doelgroep en een eventueel waterbedeffect naar andere sectoren en landen die de regering reeds heeft kunnen trekken voordat de regering het voorliggende wetsvoorstel met de Kamer heeft gedeeld.

De leden van de PVV-fractie merken op dat de regering aangeeft dat uit verschillende studies blijkt dat contant geld bij het witwassen van geld een belangrijke rol speelt. Zo zou onder andere uit de supranationale risicobeoordeling, die door de Europese Commissie is uitgevoerd, blijken dat contant geld nog steeds het meest gebruikte instrument is om geld wit te wassen. De bronnen die worden aangehaald betreffen echter studies uit de jaren 2015 en 2019. De leden van de PVV-fractie willen weten of deze constateringen kunnen worden onderbouwd met recentere studies.

Voorts lezen de leden van de PVV-fractie dat de regering van plan is een verbod voor beroeps- of bedrijfsmatige handelaren in goederen in te stellen om transacties vanaf 3.000 euro in contanten te verrichten. De leden van de PVV-fractie vragen de keuze voor het bedrag van 3.000 euro nader te motiveren. In hoeverre levert dit een meerwaarde op ten opzichte van het huidige systeem, waarbij handelaren onderzoek moeten doen naar hun cliënten en ongebruikelijke transacties moeten melden bij FIU-Nederland bij bedragen van 10.000 euro of meer in contanten? Kan de regering de meerwaarde hiervan tevens uitdrukken in absolute getallen?

Tevens vragen de leden van de PVV-fractie naar een onderbouwing van de uitvoerbaarheid van het verbod op contante betalingen vanaf 3.000 euro. Heeft de Belastingdienst voldoende capaciteit om hierop toezicht te houden?

Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie naar een reactie op het gegeven dat de Belastingdienst stelt dat de inschatting is dat op den duur naar alternatieven zal worden gezocht om dit verbod te omzeilen. In hoeverre is dit verbod dan nog effectief?

Verder merken de leden van de PVV-fractie op dat er op dit moment negentien lidstaten zijn die een grens hanteren op contante betalingen. De leden van de PVV-fractie vragen naar een opsomming van deze lidstaten. Kan de regering tevens per lidstaat aangeven welke grens er wordt gehanteerd op contante betalingen? Welke lidstaten hanteren juist geen grens op contante betalingen?

Daarnaast lezen de leden van de PVV-fractie dat het verbod op contante betalingen vanaf 3.000 euro niet geldt voor particulieren en geen betrekking heeft op diensten. De leden van de PVV-fractie vragen de regering dit nader te motiveren. In hoeverre biedt dit de mogelijkheid om de 3.000 euro-grens te omzeilen?

Tevens willen de leden van de PVV-fractie weten waarom de effectiviteit van het verbod pas na vijf jaar na inwerkingtreding zal worden geëvalueerd en niet eerder.

De leden van de CDA-fractie lezen dat met een verbod op contante betalingen vanaf 3.000 euro wordt beoogd een balans te treffen tussen de noodzaak om beter risico’s te adresseren en het belang van het in stand houden van een toegankelijk betalingsverkeer. Deze leden vragen de regering naar de onderbouwing van de hoogte van 3.000 euro om deze balans het best te bereiken. Deze leden zijn benieuwd of de enige onderbouwing van de hoogte van dit bedrag het voorkomen van een «waterbedeffect» is, omdat België eveneens een grens van 3.000 euro hanteert. Deze leden vragen de regering waarom Duitsland, waar geen verbod op contante betalingen vanaf een bepaalde grens geldt, in deze redenatie buiten beschouwing wordt gelaten en of met deze grens daadwerkelijk de beste balans wordt bereikt. Deze leden vragen voorts of het niet juist moeilijker wordt om grip te houden op criminaliteit als de geldstromen verplaatsen. Ook vragen deze leden de regering in te gaan op mogelijke problemen die dit in de grensregio’s kan opleveren.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de 3.000 euro grens is afgestemd met toezichthouders, opsporingsinstanties en private partijen. Deze leden vragen of onder die private partijen ook ondernemers in grensregio’s vallen, zoals schroothandelaren die veel handel in Duitsland drijven waar cash geldbetalingen gebruikelijk zijn.

De leden van de CDA-fractie lezen dat het verbod vijf jaar na inwerkingtreding van de wet zal worden geëvalueerd. Zij vragen de regering of de effecten tussentijds ook worden gemonitord.

De leden van de SP-fractie vragen de regering hoe betalen met contant geld in de huidige situatie tot witwassen kan leiden en hoe de limitering tot 3.000 euro dit tegenwerkt. Deze leden vragen de regering of de regering ook de andere kant, namelijk de toegevoegde waarde van contante betalingen voor de economie en de samenleving, kan toelichten. De leden vragen de regering voorts of ook de positieve impact van contante betalingen in het geding kunnen komen door het voorliggende wetsvoorstel, en zo ja, hoe dit ondervangen kan worden. De leden van de SP-fractie vragen de regering hoeveel een pinbetaling thans per transactie kost voor een ondernemer en hoeveel een contante betaling en hoe de regering de ontwikkeling van deze prijzen in de afgelopen jaren verklaart en apprecieert. Deze leden vragen wat het effect van het voorliggende wetsvoorstel zal zijn op de kosten van een betaling aan de toonbank, per PIN en contant, en hoe dit zich kan vertalen naar consumentenprijzen. De leden vragen de regering hoe de regering gaat voorkomen dat de banken de kosten voor betalingen, per PIN dan wel contant, explosief laten stijgen. De leden van de SP-fractie De leden van de SP-fractie vragen de regering of het mogelijke waterbedeffect van witwasrisico’s bij contante betalingen werkelijk onderzocht is en hoe dat is gedaan. De leden vragen naar haar verwachtingen van het waterbedeffect, en welke landen mogelijk gedupeerd kunnen worden door deze Nederlandse wet, bijvoorbeeld omdat er ook EU-lidstaten zijn die geen extra beperkingen invoeren met betrekking tot contant geld. De leden van de SP-fractie vragen de regering verder of het haar doel is dat bepaalde ongewenste activiteiten zich verplaatsen naar deze landen en zo niet, hoe de regering dat kan voorkomen.

De leden van de PvdA-fractie hechten waarde aan een aanpak die overeenkomt met de aanpak van de door ons omringende landen. Deze leden zouden een waterbedeffect, waarbij onwenselijke transacties vloeien naar het land met de minst stringente wetgeving, zo veel mogelijk willen voorkomen. Het is daarom goed dat naar regelgeving van andere Europese landen is gekeken. De huidige grens van 10.000 euro waarbij cliëntenonderzoek moet worden verricht levert samen met meldingen van ongebruikelijke transacties veel werk op en is naar de mening van de leden van de PvdA-fractie ongericht. Kan de regering aangeven hoeveel van deze meldingen door de Financial Intelligence Unit (FIU) ook daadwerkelijk worden opgepakt en in welke mate deze ook leiden tot verder onderzoek (en eventuele vervolging)? Deze leden zien voordelen van een grens die overeenkomt met de gehanteerde grenzen in de door ons omringende landen. Graag zouden deze leden een nadere onderbouwing zien van het grensbedrag. Kan de regering duidelijk maken hoeveel contante transactie nu boven de 3.000 euro plaatsvinden? Ook horen deze leden graag waarom diensten uitgesloten zijn van dit verbod. Is hiervoor een gegronde reden of overweegt de regering deze tak eventueel toe te voegen?

De leden van de PvdA-fractie hebben ook vragen over de effectiviteit van het verbod. Hoe wordt er gecontroleerd of er wordt voldaan aan de beperkingen die gesteld worden aan het verrichten van transacties met contant geld? Deze leden horen ook graag of het schrappen van de meldplicht en het invoeren van een verbod leidt tot een afname of een toename van meldingen bij de FIU. Welke impact heeft dit op het functioneren van de FIU? Kan de FIU effectiever te werk gaan door meldingen die kwalitatief van betere aard zijn of levert het een veelvoud aan meldingen op die vervolgens niet opgepakt kunnen worden?

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering of real-time Europese bankbetalingen kunnen bijdragen aan het voorkomen van cash-transacties. Is de regering tevreden met de kosten die gepaard gaan met real-time transacties en de beschikbaarheid van deze transactie?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering naar het ontbreken van een verbod op contante betalingen vanaf 3.000 euro voor diensten. Deze leden lezen in de reactie op de wetenschapstoets dat de regering stelt dat het opnemen van dienstverleners een forse uitbreiding zou betekenen van de toezichtkosten en dat om deze reden is gekozen diensten nu niet op te nemen en dat Nederland niet wil vooruitlopen op Europese wetgeving. Deze leden vragen in welke mate kostenbesparing ook een doorslaggevende reden is bij andere onderdelen van het wetsvoorstel, en de Wwft-doeleinden in brede zin. Ook vragen deze leden een inschatting te geven van deze kosten.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering de kosten van uitbreiding naar diensten af te zetten tegen de baten hiervan.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen bovendien toe te lichten waarom en op welke manier het begrip «diensten» in Europese voorstellen nog niet duidelijk genoeg is afgebakend.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering het met hen eens is dat een cashverbod van 3.000 euro enkel op goederen voor ontwijkingsconstructies kan zorgen, bijvoorbeeld via leaseconstructies. Is de regering het eens met de leden van de GroenLinks-fractie dat de huidige reikwijdte de effectiviteit aanzienlijk ondergraaft?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering een appreciatie kan geven van het ChristenUnie-amendement om dit verbod naar diensten uit te breiden te ondersteunen, aangezien deze leden de inhoud van dit amendement als een logische aanvulling op een bestaande omissie zien.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering kan toelichten of het grensbedrag van 3.000 euro effectief is gebleken in België, en waaruit dit blijkt.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of toegelicht kan worden waarom voor een drempel van 3.000 euro is gekozen, en niet bijvoorbeeld 1.000 euro, zoals in Frankrijk.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of in België, of andere omliggende landen, zoals Frankrijk, het cashverbod ook enkel geldt voor goederen, en niet ook voor diensten. Deze leden vragen of toegelicht kan worden wat in omringende landen de ervaringen zijn ten aanzien van een cashgrens voor zowel goederen als diensten.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen voorts naar het risico dat goederen (en eventueel diensten) opgeknipt worden om zo de cashgrens te ontlopen en hoe hierop gehandhaafd zal worden.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering verder om toe te lichten hoe mensen zonder toegang tot bankdiensten en kleine ondernemers worden beïnvloed door deze maatregelen.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen bovendien hoe de regering het risico gaat mitigeren dat er fraude plaatsvindt met deze cashgrens doordat (1) een rechtspersoon kan worden opgericht in een ander land waar contante betaling geaccepteerd worden, en (2) een transactie verhuld kan worden als transactie tussen twee particulieren?

vragen verder of er voldoende draagvlak is bij het Midden-Kleinbedrijf (MKB) voor de gekozen drempel vanaf 3.000 euro, op grond van gedegen onderzoek.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de memorie van toelichting dat een van de effectiefste maatregelen om de barrière voor witwassen te verhogen, het beperken van het gebruik van grote sommen contant geld is, omdat contant geld volgens verschillende studies een belangrijke rol speelt bij witwassen. Om deze reden hebben deze leden begrip voor het voorstel om grote contante betalingen te verbieden. Hierbij benadrukken deze leden evenwel het grote maatschappelijke belang van contante betalingen voor veel consumenten, van kinderen tot ouderen tot mensen die digitaal minder vaardig zijn en onderstrepen deze leden het uitgangspunt dat «normale» contante betalingen altijd mogelijk moeten blijven en dat het streven om de witwasproblematiek aan te pakken nooit zou mogen leiden tot een categorisch verbod op contante betalingen. Deze leden vragen of de regering dit met deze leden eens is en of de regering tevens met deze leden van mening is dat contante betalingen altijd mogelijk moeten blijven, voor zover dat van de wetgever afhangt. Ook vragen deze leden om welke redenen gekozen is voor een bedrag van drieduizend euro, waarmee expliciet aansluiting gezocht wordt met België. Wat is buiten deze overeenkomst met de zuiderburen een argument om voor drieduizend euro te kiezen en niet duizend euro meer of minder? Hoe verhoudt deze keuze zich tot de Europese richtlijn die deze grens naar verwachting op tienduizend euro plaatst? In aanvulling vragen deze leden de regering om een overzicht van de begrenzingen op contante betalingen in andere EU-lidstaten, uitgesplitst naar verschillende categorieën (goederen, diensten, etc.). Klopt het beeld van deze leden dat de regels in andere landen ten aanzien van contante betalingen stringenter zijn dan in Nederland, waardoor ons land op dit moment aantrekkelijker is voor het witwassen van contant geld? Is dit in de ogen van de regering een argument om in Europees verband in te zetten op de harmonisatie van deze bedragen?

Ook merken deze leden op dat het verbod op contante betalingen boven de drieduizend euro in het wetsvoorstel enkel ziet op goederen en niet op diensten. Deze leden vinden dit een vreemde keuze. Waarom kiest de regering er in dezen niet voor om een gelijke lijn te trekken? Is het risico op witwassen bij contante betalingen voor diensten lager in de ogen van de regering? In het verlengde hiervan merken deze leden op dat momenteel al een verplichting geldt voor handelaren van goederen boven de tienduizend euro die in contanten betaald worden om de verplichtingen van de Wwft te volgen en dat als dergelijke transacties de tienduizend euro te boven gaan een melding gemaakt dient te worden bij FIU Nederland. Deze leden vragen of dergelijke verplichtingen ook gelden ten aanzien van diensten, en zo niet, vragen deze leden waarom hier niet voor gekozen is en of de regering gemotiveerd kan aangeven of de regering dit in de toekomst van plan is.

Ten aanzien van de huidige Wwft-verplichtingen bij contante betalingen, zoals de reeds genoemde FIU-melding, vragen deze leden of deze verplichtingen effectief komen te vervallen met het verbod op contante betalingen voor goederen boven de drieduizend euro.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de wetstekst dat het verbod geldt ongeacht of de transactie plaatsvindt in één handeling of door middel van meer handelingen waartussen een verband bestaat. Deze leden vragen op welke manier ondernemers dit moeten vaststellen, en hoe ver de onderzoeksplicht in dezen strekt. Valt een goed dat in meerdere delen wordt gekocht onder dit verbod? Deze leden vragen of de regering dit kan uitwerken met het voorbeeld van een racefiets van vierduizend euro met exclusieve carbonwielen. Als deze fiets in één keer gekocht wordt, mag de betaling niet contant geschieden. Is dit ook het geval als de fiets in twee delen wordt aangeschaft (e.g., eenmaal het frame en bijbehoren à vijfentwintighonderd euro en eenmaal de wielset à vijftienhonderd euro)? Is hierbij te allen tijde sprake van «meer handelingen waartussen een verband bestaat»? Maakt het hierbij uit of beide transacties direct na elkaar geschieden of met een tussentijd van een dag, een week, een maand of een jaar? Wat is het punt waarop de band tussen de handelingen niet meer bestaand wordt geacht? Is het hierbij relevant dat beide transacties bij verschillende ondernemers plaatsvinden? Hoe werkt dit als een klant twee fietsen koopt van elk tweeduizend euro, vragen deze leden in aanvulling hierop. Mag deze gezamenlijke aankoop contant betaald worden, en zo niet, onder welke condities is hier sprake van twee afzonderlijke transacties, die individueel wel onder de verbodsgrens vallen? Hoe ver strekt de onderzoeksplicht van ondernemers in algemene zin, en in het bijzonder bij deze voorbeelden en wat betekent dit voor de regeldruk van ondernemers?

De leden van de ChristenUnie-fractie wijzen erop dat in sommige sectoren, zoals de handel in (tweedehands) auto’s, geregeld grensoverschrijdende transacties plaatsvinden. Daar de regering voorstelt contante betalingen voor goederen boven de drieduizend euro te verbieden, vragen deze leden naar de impact op dergelijke grensoverschrijdende transacties. Is het mogelijk dat dit verbod bepaalde sectoren zwaar treft, bijvoorbeeld omdat er niet in alle gevallen voldoende mogelijkheden zijn tot het doen van «real-time» Europese bankbetalingen? Welke mogelijkheden ziet de regering om deze gevolgen te beperken?

De leden van de SGP-fractie vragen waar de grens van contante betalingen ligt in de negentien lidstaten die reeds een grens hanteren.

In Duitsland worden geen maatregelen genomen met betrekking tot contant geld, constateren deze leden. De leden van de SGP-fractie hebben hierover twee vragen. Kan de regering toelichten wat daar de overwegingen voor zijn? In hoeverre ontstaat daardoor een waterbedeffect richting Duitsland?

De ECB heeft een reactie gegeven op het voorstel van de regering om contante betalingen tot 3.000 euro te verbieden, zo lezen deze leden. De leden van de SGP-fractie constateren dat de ECB erop wijst dat contant geld nog steeds van grote waarde is en dat een beperking proportioneel en goed onderbouwd moet zijn. Wat is de reactie van de regering op het advies van de ECB? Is de regering het eens dat een beperking van het gebruik van contant geld ook grote nadelen kent?

Daarnaast vragen de leden van de SGP-fractie wat precies de reden is om de grens van het gebruik van contant geld op 3.000 euro te leggen? Hoeveel contante transacties met een waarde van 3.000 euro of meer vonden de afgelopen jaar plaats volgens de regering? Waarom is de grens niet hoger gelegd?

De leden van de SGP-fractie vragen hoe omgegaan wordt met samengestelde aankopen. In het nieuwe artikel 1f van het wetsvoorstel wordt geregeld dat het verbod ook gaat gelden voor «handelingen waartussen een verband bestaat». Waar ligt hiervoor de bewijslast? Hoe kunnen bijvoorbeeld ondernemers aantonen dat er geen sprake is van samengestelde aankopen? Als voorbeeld noemen deze leden een echtpaar dat los van elkaar fietsen koopt die samen meer dan 3.000 euro kosten. Moet de ondernemer dan onderzoeken of deze aankoop samengesteld is en moet de ondernemer dan ook onderzoeken of het echtpaar een huishouden vormt? Zorgt dit niet voor een enorme lastenverzwaring voor ondernemers? Hoe ziet de regering de praktische uitvoerbaarheid van het verbod bij samengestelde aankopen voor zich? Ten slotte vragen de leden van de SGP-fractie op dit punt welke indicatoren opgenomen worden in de algemene maatregel van bestuur (AMvB), op grond van artikel 1f, tweede lid, van het wetsvoorstel.

De leden van de SGP-fractie vragen of de regering kan reflecteren op de gevolgen van het verbod op mensen zonder of met een beperkte toegang tot bancaire diensten, waaronder de toegang tot contant geld. Worden zij hierdoor niet onevenredig hard geraakt?

Het lid Omtzigt begrijpt waarom de regering een verbod op contante betalingen vanaf een bepaald bedrag voorstelt. Dit lid heeft echter behoefte aan een nadere toelichting waarom die grens uitgerekend op 3.000 euro is vastgesteld. Deze grens sluit weliswaar aan bij het grensbedrag dat België hanteert, maar kan de regering ook aangeven waarom het in haar ogen ook aansluit bij de andere door ons omringende Europese landen? Het lid Omtzigt constateert dat het verbod uitdrukkelijk niet geldt voor particulieren en niet voor diensten. Kan de regering aangeven, zo vraagt dit lid, waarom voor deze personen categorieën geen witwaspraktijken zijn te verwachten?

§ 2.2. Vergroten samenwerking en informatie-uitwisseling instellingen

De instellingen die een poortwachtersfunctie vervullen zijn (vrijwel) allemaal private instellingen, terwijl het vervullen van een poortwachtersfunctie in essentie een publieke taak is, denken de leden van de D66-fractie. Volgens deze leden ontstaat daarbij een spanningsveld om slechts het strikt noodzakelijke te doen terwijl de poortwachtersrol verder zou kunnen gaan. Hoe kijkt de regering naar het laten vervullen van de poortwachtersfunctie door in essentie private instellingen met winstdoelstelling?

Hierop voortbordurend vragen de leden van de D66-fractie naar de informatiepositie van deze private instellingen voor hun publieke taak. Deze leden vragen de regering of de regering voorbeelden kan noemen van private instellingen in andere sectoren die een dusdanige informatiepositie krijgen om een poortwachtersfunctie te vervullen.

Voorts lezen de leden van de D66-fractie dat iemand die «van mening is dat een instelling in strijd met geldende wet- en regelgeving zijn persoonsgegevens verwerkt», daarover een klacht kan indienen bij de AP. Hoe kijkt de regering naar de huidige wachttijden voor de behandeling van klachten bij de AP, welke extra capaciteit verwacht de AP nodig te hebben om deze klachten binnen een redelijke termijn te verwerken en hoe worden de budgettaire gevolgen daarvan gedragen? Deze leden vragen ook hoe de regering deze kosten heeft meegewogen in de kosten-baten-analyse van het onderhavige wetsvoorstel.

Welke instrumenten hebben toezichthouders en handhavers om instellingen niet alleen te beboeten als de regels niet strikt genoeg zijn nageleefd, maar ook als er sprake is (geweest) van categorale uitsluiting door instellingen, die puur vanwege het beroep dat iemand beoefent klanten hebben geweigerd. Is de regering bereid te onderzoeken hoe discriminatie die heeft plaatsgevonden bestraft kan worden en in de toekomst kan worden voorkomen? Hoe kan verdere gegevensdeling ook bijdragen aan het voorkomen van discriminatie door instellingen?

De leden van de PVV-fractie lezen dat er in het wetsvoorstel een grondslag is opgenomen om bij algemene maatregelen van bestuur uitwisseling van verschillende categorieën van instellingen mogelijk te maken. De leden van de PVV-fractie vragen om nader te motiveren waarom deze grondslag in het wetsvoorstel is opgenomen en welke voor- en nadelen de uitwisseling van verschillende categorieën van instellingen zou kunnen hebben.

Verder merken de leden van de PVV-fractie op dat groepen instellingen of sectoren behorend tot dezelfde categorie een centraal registratiesysteem kunnen opzetten. De leden van de PVV-fractie willen weten welke risico’s een centraal registratiesysteem met zich mee kan brengen en in hoeverre dit wenselijk is. Hoe beoordeelt de Autoriteit Persoonsgegevens voorts welk registratiesysteem een vergunning kan krijgen?

Ten aanzien van het gebruik van het Burgerservicenummer willen de leden van de PVV-fractie weten waarom er niet voor gekozen is om door banken een uniek nummer te laten ontwikkelen. Welke kosteninvestering zou hiermee gemoeid zijn?

Als het gaat om de gezamenlijke transactiemonitoring door banken willen de leden van de PVV-fractie weten hoe de regering de constatering van de Raad van State beoordeelt dat de massale schaal waarop banktransacties gezamenlijk zullen worden gemonitord ongekend is en een vergaande inbreuk betekent op de vertrouwelijkheid van zakelijke en particuliere klantengegevens.

De leden van de SP-fractie vragen de regering of een commerciële instelling een belangrijke maatschappelijke taak zoals de poortwachtersfunctie optimaal kan vervullen, als haar doel in de kern niet maatschappelijk is. De leden van de SP-fractie vragen voorts of het niet naïef is om te denken dat de financiële sector gaat meewerken aan een effectieve en rechtvaardige invulling van de poortwachtersfunctie, als dit op gespannen voet kan komen te staan met winstgevendheid.

Deze leden vragen de regering wat het materiële belang is van instellingen zoals genoemd in deze wet om een poortwachtersfunctie op een effectieve en rechtvaardige manier te vervullen. De leden van de SP-fractie vrezen dat voor de meeste klanten deze poortwachtersfunctie, nog meer dan nu al het geval is, een bureaucratische formaliteit kan worden terwijl klanten met een hoog risicoprofiel maar laag rendement structureel geweigerd worden door banken, zeker als die hun risicoprofielen aan elkaar gaan koppelen. Deze leden vragen verder hoe de regering wil voorkomen dat er groepen ernstig gedupeerd worden, doordat zij nergens meer geaccepteerd worden voor bancaire diensten.

De leden van de PvdA-fractie maken zich zorgen over de betaalbaarheid van het deelnemen aan het betaalverkeer. Hoewel de kosten voor het aanhouden van een rekening niet kostendekkend zijn voor het in stand houden van de betaalinfrastructuur is het volgens deze leden van groot belang dat iedereen, ook mensen met een kleine beurs, toegang houden tot een bankrekening. In zijn algemeenheid vragen deze leden naar de kosten voor het aanhouden van een betaalrekening die voortvloeien uit de verplichting van banken middels de Wwft. Heeft het stringentere beleid geleid tot hogere kosten voor het aanhouden van een rekening? Welke invloed hebben de maatregelen in deze paragraaf op de kosten die betaalinstellingen maken en de kosten die klanten daarmee hebben voor het aanhouden van een rekening? Is de regering voornemens om middels versimpeling van de naleving van de Wwft ook de kosten voor consumenten ook te laten dalen?

Ten aanzien van de kennisdeling tussen Wwft-instellingen vragen de leden van de ChristenUnie-fractie wat dit betekent voor de kans op genade voor mensen die in de fout zijn gegaan. Is het mogelijk dat mensen als gevolg van deze kennisdeling uitgesloten worden van de dienstverlening binnen een bepaalde categorie van Wwft-instellingen?

Voorts vragen deze leden of het klopt dat deze informatie-uitwisseling alleen geldt voor zaken die plaats hebben gevonden vanaf de ingang van de wet. Wat is de overweging geweest om hiertoe te besluiten? Tevens vragen deze leden de regering om toe te lichten of de onderzoeksplicht enkel geldt aan het begin van de klantrelatie, of ook gedurende de relatie. Als sprake is van het laatste, vragen de leden de regering om motivering van deze keuze. Zou het met oog op de uitvoeringslast van Wwft-instellingen niet beter zijn om deze plicht enkel aan het begin van de klantrelatie van kracht te laten zijn?

Verder vragen deze leden de regering uiteen te zetten hoe de voorgestelde kennisdeling zich verhoudt tot de huidige praktijk van Interne Verwijzingsregister (IVR)- en Externe Verwijzingsregister (EVR)-registraties. Ten aanzien hiervan vragen deze leden of deze huidige praktijk niet een betere rechtsbescherming van burgers biedt, daar burgers bij een dergelijke registratie naar de rechter kunnen stappen. Deze leden hebben de zorg dat het wetsvoorstel leidt tot «zwarte lijsten» die voor de burger niet inzichtelijk zijn en waartegen burgers niet in beroep kunnen. Deze leden vragen de regering om een reflectie ten aanzien van deze zorg. Zou het, zo vragen deze leden, in dit licht niet beter zijn om met semi-openbare registers te werken waartegen juridisch beroep mogelijk is?

Ook vragen deze leden in hoeverre het mogelijk is bij deze gegevensdeling onderscheid te maken tussen zakelijke entiteiten en natuurlijke personen en wat de voor- en nadelen hiervan zijn.

De leden van de SGP-fractie vragen naar de consequenties van het weigeren of niet tijdig verstrekken van gevraagde informatie, zowel door cliënten als door instellingen.

Instellingen behorende tot dezelfde categorie kunnen een eigen register opstellen, zo constateren de leden van de SGP-fractie. Wie draagt verantwoordelijkheid voor de juiste opzet en inrichting van dit register? Wie houdt toezicht op deze registers en op welke manier? Hoe worden privacy-risico’s weggenomen?

§ 2.2.1. Gegevensdeling tussen instellingen bij cliëntenonderzoek

Vanuit leden van verschillende fracties, waaronder die van de D66-fractie, is meermaals gewezen op de risico’s van het probleem dat cliënten die bij één instelling geweigerd worden omdat zij tot een bepaalde beroepsgroep behoren die financiële instellingen als risicovol beschouwen, maar die niet illegaal is, nergens een bankrekening kunnen krijgen en geen hypotheek kunnen aanvragen. Hoe draagt verdere gegevensuitwisseling over klanten eraan bij dat categorale uitsluiting niet alleen illegaal is, maar ook niet langer plaatsvindt, vragen de leden van de D66-fractie.

De leden van de CDA-fractie zien het risico van «shopgedrag» van kwaadwillende klanten. Allereerst vragen deze leden de regering te bevestigen dat het hier gaat om gegevensdeling met betrekking tot zakelijke klanten. Daarnaast zien deze leden ook een risico van uitsluiting van klanten die bij meerdere banken geweigerd worden. Deze leden vinden dat hiervan alleen sprake mag zijn als de bank daadwerkelijk zelf van oordeel is dat er sprake is van risico’s op witwassen en terrorismefinanciering. Grote transacties kunnen bijvoorbeeld een indicatie zijn van hoger risico, maar niet per definitie wijzen op criminele activiteiten. Deze leden vragen de regering hoe kan worden gegarandeerd dat elke bank zelf volledig en objectief klantenonderzoek doet, en niet in de praktijk om efficiëntie-redenen (vanwege de bekende enorme administratieve last) bij een afwijking meevaart op de afwijzing van de klant door een andere bank. De memorie van toelichting zegt immers dat de gegevensdeling in de praktijk ook kan leiden tot lastenverlichting omdat die gebruik kan maken van informatie die een andere instelling heeft verzameld. Deze leden zouden graag nadere toelichting krijgen om wat voor soort informatie dit dan gaat.

Ook vragen de leden van de CDA-fractie of gesteld kan worden dat klanten die worden uitgesloten ofwel na het cliëntonderzoek of vanwege hun verdachte transacties, ook daadwerkelijk vervolgd gaan worden en wat de gevolgen zijn voor klanten als zij niet vervolgd worden, maar ook geen financiële diensten kunnen afnemen.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering voorts toe te lichten welke instellingen, naast banken, allemaal onder de gegevensdeling vallen. Deze leden vragen of dit een inbreuk kan maken op de geheimhoudingsplicht van bijvoorbeeld advocaten richting hun cliënten.

De leden van de PvdA-fractie zien de risico’s wanneer door shopgedrag meerdere instellingen moeten starten met een onderzoek naar risico’s en dat cliënten die kwaad in de zin hebben geen toestemming geven om gegevens te delen wanneer dit vooraf gevraagd dient te worden. Deze leden vragen hoe wordt beoordeeld wanneer een instelling informatie moet opvragen bij andere instellingen. Is dit een subjectieve beslissing van de instelling zelf of wordt dit aan objectieve maatstaven getoetst die gelijkluidend zijn voor het type instelling?

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat een financiële instelling «redelijke maatregelen» neemt om te onderzoeken of een andere instelling diensten verleend, heeft verleend of heeft geweigerd aan een hoog risico-cliënt. Deze leden vragen waarop gedoeld wordt met «redelijke maatregelen». Deze leden vragen de regering om uit te werken wat redelijke maatregelen zijn en wat onredelijke maatregelen zijn, voorbij de vaststelling dat dit afhangt van de context. Deze leden vragen of op dit punt niet teveel sprake is van een open norm, waarbij het lastig is – ook voor instellingen zelf – om te bepalen wanneer zij wel of niet aan de wet voldoen.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering het met hen eens is dat er een risico is dat «redelijke maatregelen» een open norm laat, die instellingen met een prikkel laat om het zekere voor het onzekere te nemen, en dus de norm strenger te interpreteren dan de wet beoogd.

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat er een navraagplicht is als voldaan wordt aan de criteria genoemd in artikel 3b, eerste lid 1, onderdelen a, b en c, van het wetsvoorstel. Deze leden vragen of met «redelijke maatregelen», zoals geformuleerd in 3b, van het wetsvoorstel, gedoeld wordt op het navragen bij andere instellingen, zoals geformuleerd in artikel 3b, tweede lid, van het wetsvoorstel. Als dit zo is, waarom wordt in art. 3b, eerste lid, van het wetsvoorstel, dan gesproken over een brede term als «redelijke maatregelen», terwijl dit preciezer aangegeven kan worden door bijvoorbeeld «een instelling doet navraag om te onderzoeken...» als formulering te hanteren?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of het probleem van shopgedrag op enige wijze gekwantificeerd kan worden, bijvoorbeeld door te kijken naar hoe vaak instellingen hiermee zijn geconfronteerd.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot de geheimhoudingsplicht die sommige Wwft-doelgroepen hebben, zoals advocaten. Is de regering van mening dat cliënten een advocaat zouden moeten kunnen benaderen, zonder dat zij hierbij hoeven te vrezen dat informatie wordt gedeeld met derden? Zo ja, waarom is de regering van mening dat in dit geval een inbreuk op die geheimhoudingsplicht gerechtvaardigd is, zoals het voorliggende wetsvoorstel impliceert? Deze leden vragen voorts welke middelen advocaten ter beschikking staan aan de hand waarvan zij kunnen vaststellen of, en zo ja waar, een cliënt diensten afneemt of heeft afgenomen. Klopt de inschatting van deze leden dat advocaten hierin vooral afhankelijk zijn van hun cliënten? Wat betekent dit ten aanzien van de onderzoeks- en navraagplicht? Is hieraan pas voldaan als bij alle andere advocaten navraag is gedaan? Hoe verhoudt dit zich tot het gezamenlijke register?

Instellingen behorend tot dezelfde categorie kunnen een eigen register instellen waarbinnen instellingen risico’s kunnen uitwisselen. Zo een registratiesysteem kunnen ook persoonsgegevens van strafrechtelijke aard bevatten, al moet dan wel een vergunning aangevraagd worden bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), zo constateert het lid Omtzigt. Het lid Omtzigt heeft hier grote zorgen over. Dit lid heeft binnen andere overheidsinstanties ook gezien hoe makkelijk zulke registratiesystemen leiden tot discriminatie. Daarom vraagt dit lid aan de regering wie verantwoordelijk is en wie het toezicht houdt op zo een register. Wat wordt bedoeld met persoonsgegevens van strafrechtelijke aard? Gaat het dan over veroordelingen? Hoe garandeert de regering dat altijd binnen de kaders van de (Grond)wet wordt gehandeld?

§ 2.2.1.1 Dezelfde categorie van instellingen

Er zal volgens de leden van de D66-fractie inderdaad een aantal gevallen zijn waarin meer gegevensdeling tussen financiële instellingen ervoor zorgt dat meer signalen kunnen worden opgespoord, maar deze leden vragen de regering waarom deze signalen daarvoor zo breed gedeeld moeten worden. Kan de regering toelichten waarom het niet wenselijker is om dit enkel te doen als het gaat om een verdachte transactie waar opvolging aan gegeven moet worden in plaats van dat alle ongebruikelijke transacties gedeeld moet worden? Hoe wordt voorkomen dat een onterechte verdenking blijft terugkomen en iemand er nooit vanaf komt omdat alle instellingen veel gegevens over een onterechte verdenking blijven delen?

Uit een interview van de voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB)11 begrijpen de leden van de D66-fractie het voornemen van de banken rond het omgaan met mensen die ten onrechte als fraudeur worden bestempeld met alle gevolgen van dien voor hen rond onder meer de toegang tot een bankrekening. De voorzitter van de NVB zegt daarover «als dit wetsvoorstel wordt aangenomen, is dit een van de zaken die we gaan uitwerken hoe we dat precies gaan inrichten». Hoe kijkt de regering naar deze uitspraak en welke maatregelen zijn er opgenomen in het voorliggende wetsvoorstel om te voorkomen dat de problematiek rond unbankables toeneemt en mensen nergens terecht kunnen als zij ten onrechte als fraudeur worden bestempeld of een transactie ten onrechte als ongebruikelijk wordt geclassificeerd.

De leden van de D66-fractie krijgen ook veel signalen van individuen en ondernemers, zonder strafblad of frauduleuze intenties, maar woonachtig in het buitenland wiens rekening per direct wordt opgezegd door een bank. Deze leden krijgen daarbij de indruk dat banken enkel klanten met de laagste risico’s willen en zich bij klanten met een hoger risico op witwassen al snel verschuilen achter de Wwft. Welke indruk heeft de regering hierbij en erkent de regering het belang van het hebben van een Nederlandse basisbetaalrekening voor Nederlanders in het buitenland? Zo nee, waarom niet en zo ja, hoe kijkt de regering naar het voorstel van het lid Sneller om Nederlanders woonachtig buiten de Europese Unie toegang te geven tot een basisbetaalrekening12?

De leden van de PvdA-fractie lezen dat per algemene maatregel van bestuur (AMvB) de uitwisseling van informatie tussen verschillende categorieën van instellingen mogelijk gemaakt kan worden. Op welke basis zal worden besloten om gebruik te maken van deze AMvB? Zal dit gaan gelden voor specifieke categorieën of instellingen? Is het niet beter om al in de wet de definiëren wanneer en op welke grond alleen tussen instellingen van dezelfde categorie informatie kan worden uitgewisseld en wanneer dit ook tussen instellingen van verschillende categorieën mag plaatsvinden?

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat de regering een grondslag in het wetsvoorstel heeft opgenomen om bij AMvB uitwisseling tussen verschillende categorieën van instellingen mogelijk te maken. Deze leden vragen of de regering kan toelichten met voorbeelden in welke gevallen sprake zou zijn van sterk verweven diensten en in welke gevallen hier slechts in formele zin sprake van is, maar in de praktijk juist niet. Deze leden vragen bovendien hoe deze AMvB eruit komt te zien. Gaat dit gelden voor casus-specifieke instellingen of wordt een dergelijke AMvB meer generiek en heeft de regering reeds ideeën over de mogelijkheid voor inzet van deze AMvB? Zo ja, kan dit toegelicht worden? Zo nee, waarom wordt deze grondslag dan gecreëerd?

§ 2.2.1.2. Inspanningsverplichting

Bij de inspanningsverplichting lezen de leden van de CDA-fractie dat een financiële instelling «redelijke maatregelen» moet hebben getroffen om na te gaan of een klant eerder ergens anders diensten heeft afgenomen of nu afneemt door bijvoorbeeld bij de klant zelf navraag te doen of openbare bronnen te raadplegen. Deze leden vragen hoe groot de regering de kans acht dat kwaadwillende klanten zelf zullen aangeven welke instellingen dat zijn als dat het risico inhoudt dat hun praktijken aan het licht komen, of dat zulke informatie in een nieuwsbron staat. Deze leden vragen of het de instelling wel vrij staat om willekeurig bij andere instellingen inlichtingen op te vragen, of dat daar altijd een aanwijzing voor moet zijn.

De leden van de SGP-fractie vragen waarom gekozen is om de termijn van de navraagplicht te stellen op vijf jaar? Is dat enkel omdat er dan wordt aangesloten bij de bewaartermijn voor bewijsstukken uit artikel 33, eerste lid, van de Wwft? Waarom is deze termijn niet in de wet zelf genoemd? En waarom is niet voor een kortere termijn gekozen en/of voor een maximumtermijn?

§ 2.2.1.3 Navraagplicht

De leden van de VVD-fractie hebben een aantal vragen aan de regering over de voorgestelde navraagplicht en de mogelijke gevolgen die dit heeft voor particuliere of zakelijke klanten van banken en andere Wwft-instellingen. In algemene zin vragen deze leden de regering om toe te lichten hoe het risico wordt ondervangen dat een bank een sector aanmerkt als «hoog risico», zoals in het verleden bijvoorbeeld door een grote Nederlandse bank met autodealers onder een bepaalde omzetdrempel gebeurde, deze bank dienstverlening aan de desbetreffende klanten weigert en deze klanten op basis van de navraagplicht ook bij andere banken geen nieuwe rekening meer kunnen openen. Welke waarborgen bieden deze en andere wetten voor personen en organisaties die ten onrechte als hoog risico zijn aangemerkt en welke mogelijkheden hebben zij om daartegen in beroep te gaan?

Daarnaast vragen deze leden de regering waarom in het voorgestelde lid 3b van het wetsvoorstel geen specificaties zijn opgenomen over bijvoorbeeld de tijdshorizon waarbinnen diensten zijn verleend en welke (persoons)gegevens er precies aan een andere instelling verstrekt mogen worden. Tot slot vragen deze leden de regering op dit punt om nader toe te lichten hoe deze plicht in praktische zin vorm moet krijgen in bijvoorbeeld de bancaire sector, de advocatuur en bij notarissen. Bij welke inspanning zou een fictieve bank, een fictieve advocaat of fictieve notaris hebben voldaan aan de voorgestelde navraagplicht?

Naar aanleiding van de reactie van de FIU-NL vragen de leden van de D66-fractie naar de gevolgen van het melden van verdachte transacties in plaats van alle ongebruikelijke transacties voor het mogelijke waterbedeffect en de effectiviteit van de handhaving. Uit de brief van 13 februari 2023 van de regering13 begrijpen de leden van de D66-fractie dat de regering aanbevelingen elf en twaalf van de wetenschapstoets over het wetsvoorstel14, die oproept bij de evaluatie ook naar de mate van realisatie van de gestelde doelen, onderschrijft. Hoe kijkt de regering naar vooraf kijken naar de doeltreffendheid en effectiviteit van wetgeving in plaats van pas bij een evaluatie achteraf?

Voorts vragen de leden van de D66-fractie naar een onderbouwing van de «navraagplicht» en de specificatie van de categorie «hoog risico». Deze leden betwijfelen of deze maatregelen voor alle soorten instellingen en alle soorten diensten van toegevoegde waarde zouden zijn en zien dat sommige sectoren geen navraagplicht kunnen uitvoeren omdat er teveel Wwft-plichtigen zouden zijn. Hoe kijkt de regering naar deze twijfels?

Deze leden vragen verder om een uitleg van hoe wordt voorkomen dat enkel indicaties van een risico grote gevolgen hebben omdat personen als «hoog risico» worden geclassificeerd, terwijl er geen sprake is van echte feiten die dat risico en de gevolgen ervan rechtvaardigen.

Kan de regering heel precies uitleggen wat verstaan wordt onder een «hoog risico», zo vragen de lezen van de SGP-fractie. Wanneer worden instellingen onder een «hoog risico» geschaard? Hoe en wanneer vallen zij weer buiten deze categorie? Wanneer is er sprake van «indicaties van een hoger risico» in plaats van een «hoog risico»?

De leden van de SGP-fractie lezen dat een van de risicofactoren in bijlage III van de vierde anti-witwasrichtlijn «bedrijven waar veel geldverkeer in contanten plaatsvindt» is. Dit kan bijvoorbeeld bij importerende of exporterende autobedrijven bovengemiddeld het geval zijn. Hoe wordt voorkomen dat sectoren moeilijker toegang krijgen tot bancaire dienstverlening op grond van dergelijke risico’s? Deelt de regering nog steeds de inzet dat banken per klant individuele risicobeoordelingen maken en dat een verhoogd risico niet betekent dat een groep klanten categoraal geweigerd moet worden, zoals verwoord in Kamerstuk 31 477, nr. 62?

Het voorstel inzake de navraagplicht geldt voor alle ondernemingen die zich aan de Wwft moeten houden, dus van nagelstudio en accountantskantoor tot en met de banken. Bij «hoog risico»-situaties wordt navraag gedaan bij collega’s uit dezelfde sector. De leden van de Groep Van Haga vragen of de regering het eens is dat de categorie «hoog risico» veel te ruim is, omdat daarvan vrijwel altijd sprake is. Veiligheidshalve en uit angst voor boetes zullen Wwft-plichtigen immers snel tot navraag overgaan. Zo nee, waarom niet? Wat is de onderbouwing van de aanname dat de navraagplicht nuttig zou zijn voor alle soorten Wwft-plichtigen en alle soorten diensten? Welke alternatieven zijn er onderzocht? Is de navraagplicht binnen alle sectoren uitvoerbaar? Zou de uitvoerbaarheid gebaat kunnen zijn bij het specifiek omschrijven van de diensten, vermeende hoge risico’s en specifiek aangewezen Wwft-plichtigen?

§ 2.2.1.4 Gegevensdeling

Hoewel de leden van de D66-fractie het voorkomen van shopgedrag door criminelen onderschrijven, vragen deze leden met het oog op de categorale uitsluiting en daarmee discriminatie door instellingen naar de wenselijkheid van een onafhankelijke second opinion als iemand wordt afgewezen door een instelling op grond van de Wwft, maar het vermoeden heeft te worden gediscrimineerd, bijvoorbeeld op basis van het beroep. Welke rol hebben toezichthouders en andere banken daar op dit moment bij en deelt de regering de wens voor een onafhankelijke second opinion als er sprake lijkt te zijn van categorale uitsluiting? Hoe draagt verregaande gegevensdeling door banken aan bij dat een andere bank met een open blik voor een second opinion kan zorgen? Daarnaast zien deze leden dat gegevens worden gedeeld bij een (gepercipieerd) hoger risico, maar dit is slechts een risico-inschatting verwachten deze leden. Daarom vragen deze leden hoe wordt voorkomen dat er onwenselijke effecten optreden als besluiten tot bijvoorbeeld uitsluiting worden genomen op basis van een risico-inschatting, terwijl er in werkelijkheid geen strafbare feiten zijn aangetroffen. Hoe past dit bij de notie «onschuldig, tot het tegendeel is bewezen»?

Kan de regering daarnaast toelichten hoe gegevens worden gedeeld met het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (KiFiD) bij het vermoeden van categorale uitsluiting? Begrijpt de regering de zorgen van personen die te maken krijgen met categorale uitsluiting rond de onafhankelijkheid van het KiFiD, gezien de financiële banden met financiële instellingen zoals banken? Hoe kijkt de regering naar rechtsbescherming door een financiële ombudsman in te stellen voor de financiële sector en geschillen met overige witwasbestrijdingsplichtigen over witwasbestrijdingsonderwerpen?

Verder lezen de leden van de D66-fractie dat «instellingen informatie uitwisselen bij een cliënt met indicaties van een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme». Wie bepaalt welke indicaties dat zijn? Zijn de «factoren die duiden op een hoger risico genoemd in bijlage III van de vierde anti-witwasrichtlijn» de enige factoren op basis waarvan instellingen een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme kunnen signaleren en zo nee, hoe wordt willekeur voorkomen, horen de leden van de D66-fractie graag van de regering. Hoe wordt voorkomen dat instellingen mannen met een lengte van 1,90 meter als indicatie zien, daarop intensief witwasonderzoek doen en inderdaad meerdere gevallen van witwassen vinden, waarna zij concluderen dat het hebben van een lengte van 1,90 meter een goede indicatie is van het risico op witwassen, terwijl iemands lengte daar volgens de leden van de D66-fractie niets mee te maken heeft, net als vele andere persoonskenmerken zoals iemands achternaam?

Deze leden horen kortom graag hoe tunnelvisie en confirmation bias worden voorkomen.

De leden van de CDA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat bij navraag de andere instelling de verzoekende instelling slechts de bij wet genoemde gegevens verzoekt. Deze leden vragen de regering om toe te lichten welke gegevens dit precies zijn.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe wordt geborgd dat middels AMvB een uitbreiding van de informatiedeling van instellingen die behoren tot dezelfde categorie naar instellingen die ook buiten dezelfde categorie vallen proportioneel is.

Welke termijn wordt gezien als «onverwijld» vragen de leden van de SGP-fractie.

§ 2.2.1.5 Gezamenlijke register

Een centraal registratiesysteem ter uitvoering van deze verplichting bezien de leden van de D66-fractie met de nodige scepsis. Hoe beziet de regering meerdere van dit soort systemen onder controle van private partijen en waarom wordt er niet gekozen voor een registratiesysteem met betere publieke waarborgen, als er al voor een registratiesysteem moet worden gekozen of die mogelijkheid moet worden geboden. Kan de regering reflecteren op de ervaringen die zijn opgedaan met het Bureau Kredietregistratie (BKR)? Voorts verbaast het de leden van de D66-fractie dat een registratiesysteem enkel een vergunning van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) behoeft als er strafrechtelijke informatie in wordt bewaard. Kan de regering toelichten waarom het geen probleem zou zijn om andere informatie gezamenlijk door private instellingen te laten registreren?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering om nader toe te lichten welke informatie precies in een gezamenlijk register kan worden opgenomen. Ook vragen deze leden of het met zo een systeem mogelijk is voor instellingen willekeurig bij een aantal andere instellingen informatie op te vragen, als zij verder geen informatie hebben gevonden waaruit relaties met andere instellingen blijken.

De leden van de PvdA-fractie lezen dat er de mogelijkheid is om te komen tot een gezamenlijk register om informatie uit te wisselen. Deze leden vragen hoe dit zich verhoudt tot de gezamenlijke transactiemonitoring door banken. Kan dit hetzelfde register zijn of worden de gegevens van elkaar gescheiden? Welke mogelijke gevoelige gegevens worden opgenomen in dit register?

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat de regering stelt dat «In de toelichting is verduidelijkt dat de huidige wet- en regelgeving er niet aan in de weg staat dat instellingen een gezamenlijk register opstellen en dat dit een effectief middel kan zijn om te voldoen aan de onderzoeksplicht», in de context van gegevensdeling voor cliëntenonderzoek. Deze leden wijzen erop dat toegelicht is dat in de huidige wetgeving na toestemming van cliënten gegevensdeling plaats kan vinden, maar dat is iets anders dan het gezamenlijke register. Deze leden kunnen een toelichting op het punt dat een gezamenlijk register volgens de huidige wet- en regelgeving ook al kan, niet terugvinden. Zij vragen of de regering dit kan verduidelijken.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of het klopt, zoals ook blijkt uit het ontbreken van een behandeling van gezamenlijk register in het wetsvoorstel en de artikelsgewijze toelichting, dat er in het huidige wetsvoorstel geen grondslag gecreëerd wordt om een gezamenlijk register op te kunnen richten, zoals behandeld wordt in §2.2.1.5 van de memorie van toelichting. Deze leden vragen of de regering dit expliciet kan bevestigen, omdat het in de memorie van toelichting in de ogen van deze leden het net lijkt alsof deze wet deze grondslag wel introduceert.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of het wenselijk is dat instellingen de mogelijkheid hebben om een gezamenlijk register op te kunnen richten, in plaats van deze stap dan wel te verbieden dan wel te verplichten. Een dergelijk register is immers of wel effectief en proportioneel, of niet. Waarom wordt hier een open norm gelaten terwijl een beslissing over effectiviteit en proportionaliteit de primaire taak van de wetgever is? Dit is voor deze leden een belangrijk kritiekpunt.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering kan toelichten wie toezicht zal houden op het gezamenlijke register, en hoe.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen verder hoe voorkomen gaat worden dat tientallen instellingen onderling elk bilateraal gezamenlijke registers gaan instellen, waardoor er honderden zo niet meer dan duizend gezamenlijke registers ontstaan. Wat betekent dit voor het inzicht in de privacy-effecten? Is dit niet onwenselijk en klopt het dat dit adequaat toezicht zou bemoeilijken?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen bovendien op basis waarvan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) wel of geen vergunning verleend voor het verwerken van strafrechtelijke gegevens.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat instellingen behorend tot dezelfde categorie ten behoeve van de uitvoering van de navraagplicht een eigen register kunnen instellen waarbinnen instellingen risico’s kunnen uitwisselen. Deze leden vragen waarom de regering ervoor kiest om dit eigen register enkel toe te staan voor instellingen behorend tot dezelfde categorie. Dit omdat in het zesde lid van artikel 3b van het wetsvoorstel de mogelijkheid gecreëerd wordt bij AMvB de onderzoeksplicht uit te breiden tot instellingen van verschillende categorieën. Geldt een dergelijke uitbreiding in dat geval ook voor de registermogelijkheid? Zo niet, waarom niet?

§ 2.2.2. Gezamenlijke transactiemonitoring door banken

De leden van de VVD-fractie vragen de regering om een nadere onderbouwing waarom is gekozen voor een grens van 100 euro. Deze leden begrijpen uit de wetenschapstoets dat het bij terrorismefinanciering juist vaak om kleinere bedragen gaat, terwijl witwastransacties vaak grotere bedragen betreffen. In de kabinetsreactie op de wetenschapstoets wordt echter alleen op de witwasactiviteiten van criminelen ingegaan. Deze leden vragen daarom de regering op de volgende vragen nader in te gaan. Wat zou de optimale grens zijn voor het monitoren van terrorismefinanciering? Wat zou de optimale grens zijn voor het monitoren van witwassen? Waarom is in plaats van een vaste grens niet gekozen voor risico-gebaseerde monitoring?

Hoewel de leden van de D66-fractie het belang van het tegengaan en voorkomen van witwassen en het financieren van terrorisme volledig onderschrijven, vragen deze leden naar het beeld van de regering ten aanzien van criminelen die zich aanpassen. Hoe kunnen de poortwachters van het financiële stelsel zich ook aanpassen en nieuwe routes om geld wit te wassen snel en adequaat tegengaan? Kan de regering die mogelijkheden om zich aan te passen duiden in relatie tot de wendbaarheid van de toezichthouders rond innovaties zoals FinTech. Hoe voorkomt de regering dat de toezichthouders ook op dit dossier achter de feiten aanlopen en op welke manier draagt gezamenlijke monitoring door een derde partij bij aan een innovatieve rol voor de toezichthouders?

Eerder hebben leden van de D66-fractie gevraagd naar een manier waarop banken kritiek kunnen uiten op de manier van toezicht zoals dat wordt verricht door de toezichthouder, anders dan anonieme kritiek in een krant. Hoewel deze leden de onafhankelijkheid van De Nederlandsche Bank (DNB) als een groot goed zien en zij uitkijken naar de lessen die DNB trekt uit de recente casus waarin Bunq in het gelijk is gesteld over hun manier van anti-witwascontroles, vragen deze leden naar hoe de regering een juridische voorziening beziet, die het mogelijk maakt dat Wwft-plichtigen hun discussies met de toezichthouder aan een onafhankelijke rechter of andere onafhankelijke instantie kunnen voorleggen, zonder dat sprake is van dreiging met boetes. Hoe houdt DNB op dit moment rekening met het belang van klanten bij hun toezicht en zou de betrokkenheid van (verenigingen van) klanten volgens de regering versterkt moeten worden?

Daarnaast begrijpen de leden van de D66-fractie dat gezamenlijke transactiemonitoring volgens de regering moet gelden voor alle transacties, behalve transacties tussen particulieren tot het bedrag van 100 euro. Deze leden vragen naar een onderbouwing voor dit ogenschijnlijk willekeurig gekozen getal en naar een toelichting op de proportionaliteit van deze verregaande maatregel. Op basis waarvan denkt de regering dat deze verregaande inbreuk op de privacy van onschuldige burgers gerechtvaardigd kan worden?

De leden van de D66-fractie vragen naar de waarborgen om ervoor te zorgen dat indicatoren die gekozen en gehanteerd worden door banken niet discriminerend zijn, zodat bijvoorbeeld een sekswerker altijd gecontroleerd wordt terwijl een schilder volgens banken geen witwasrisico’s heeft die monitoring van een transactie rechtvaardigen. Welke rol heeft bijvoorbeeld de Autoriteit Persoonsgegevens om categorale classificaties bij de indicatoren op basis waarvan banken besluiten over te gaan tot onderzoek van een transactie te voorkomen? Deze leden lezen dat «verdachte transacties worden vervolgens verstrekt aan de hiervoor genoemde autoriteiten», wat bij deze leden de vraag oproept waarom dit geen impact zou hebben op de cliënten.

Omdat de leden van de D66-fractie verder lezen over de FIU-NL en Transactiemonitoring Nederland evenals de Fintell Alliance en de NVB, vragen deze leden de regering naar de governance rond de bestrijding van witwassen en financiering van terrorisme. Is de taakverdeling duidelijk afgebakend en helder voor alle betrokkenen, ook de consument of onderneming die gecontroleerd wordt? In het bijzonder vragen deze leden naar een loket waar consumenten en bedrijven heen kunnen bij klachten over een controle en hoe wordt voorkomen dat consumenten en bedrijven van het kastje naar de muur worden gestuurd door verschillende organisaties die zich met anti-witwasbeleid bezighouden.

Deze leden vragen verder naar hoe de regering naar verantwoording door de bank kijkt, niet alleen richting aandeelhouders maar ook richting (verenigingen van) klanten over de gehanteerde risico-indicatoren, selectiecriteria en het uitsluitingsbeleid van de bank. Ook vragen deze leden de regering om een bevestiging dat de toezichthouder ook toeziet op het tegengaan van discriminatie of uitsluiting zonder gegronde reden van aspirant-klanten door een instelling. Is de entiteit die de gegevens analyseert voldoende onafhankelijk van instellingen en kan de regering toezeggen dat transactiegegevens van Nederlanders die door de banken worden geanalyseerd te allen tijde in Nederlandse handen blijven?

Voorts vragen de leden van de D66-fractie naar de waarborgen ten aanzien van de privacy als zoveel organisaties betrokken zijn bij het anti-witwasbeleid. Kan de regering toelichten hoe wordt voorkomen dat iemand die ooit is aangemerkt als een risico voor witwassen nooit meer van die classificatie af kan komen en altijd onderzocht wordt? Daarbij vragen deze leden ook naar een reflectie op de wenselijkheid van een feedbackloop die volgens de regering ontstaat middels de publiek-private samenwerking tussen de FIU-Nederland en de banken.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de banken reeds enkele pilots hebben uitgevoerd met het gezamenlijk monitoren van transacties waaruit positieve uitkomsten kwamen. Deze leden zien de meerwaarde van zulke gezamenlijke transactiemonitoring die het mogelijk maakt effectiever en efficiënter transacties te destilleren die ook daadwerkelijk onderzoekswaardig zijn. Kan de regering aangeven of tijdens deze pilots wel de benodigde privacy waarborgen zijn gehanteerd, waar de autoriteit persoonsgegevens bij het wetsvoorstel zo kritisch op is? In hoeverre zijn er verschillen tussen wat de pilot en TNML hebben uitgevoerd in het kader van gezamenlijke transactiemonitoring en het nu voorliggende wetsvoorstel? Ook lezen deze leden dat binnen de Fintell Aliance een onderzoek is gedaan naar ondergronds bankieren, waarbij een model op basis van risico-indicatoren is toegepast met als gevolg 95 procent onderzoekswaardige indicatoren. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan toelichten wat voor soort risico-indicatoren zijn gebruikt en hoe die in modellen zijn toegepast en hoe objectiviteit hier gewaarborgd is.

De memorie van toelichting noemt verder een feedbackloop tussen banken en de FIU. De leden van de CDA-fractie vragen wat deze feedbackloop precies inhoudt. Welke informatie wordt weer teruggegeven?

De leden van de CDA-fractie lezen dat de Financial Action Task Force (FATF) ook de meerwaarde erkent van het combineren van data en gezamenlijke analyse om financiële instellingen beter in staat te stellen risico’s te begrijpen, beoordelen en mitigeren. Verwezen wordt naar een onderzoek van de FATF/OECD, waarin meerde partijen zowel uit de publieke als private sector een questionnaire hebben ingevuld. Deze leden vragen of de regering kan aangeven in welke andere landen in Europa, maar ook daarbuiten, een vergelijkbare gezamenlijke monitoring wordt gehanteerd en hoe in de desbetreffende landen gegevensbescherming en privacy worden gegarandeerd. Indien in andere landen ook deze gezamenlijke monitoring wordt gebruikt, vragen deze leden of dat door marktpartijen wordt gedaan of door publiekrechtelijke of overheidsorganisaties. Deze leden vragen de regering om nadere onderbouwing waarom in Nederland voor een marktpartij worden gekozen. Verder vragen de leden van de CDA-fractie welke informatie na gezamenlijke monitoring via een «alert» weer wordt teruggegeven aan banken, en of dat ook informatie is die ziet op de transacties bij de andere banken, of alleen bij de desbetreffende bank zelf.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering voorts om ook te bevestigen dat mensen van goede wil te allen tijde kunnen deelnemen aan het betalingsverkeer. Het moet bijvoorbeeld niet moeilijk zijn om geld over te maken aan een kleinkind met een buitenlandse achternaam of de functie van penningmeester in een vereniging over te nemen die ook donaties doet aan zusterverenigingen in het buitenland. Deze leden vragen de regering te bevestigen dat uitsluiting van betalingsverkeer niet slechts op een enkel feit kan berusten, maar altijd het gevolg moet zijn van voldoende bekende feiten om een transactie of klant als verdacht aan te merken.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts de regering om nader toe te lichten wat precies de «geautomatiseerde verwerking» van gegevens (waaronder profilering) inhoudt die onder de gezamenlijke voorziening niet is toegestaan. Deze leden vragen of dit ook het gebruik van algoritmes en artificial intelligence (AI) inhoudt.

De leden van de SP-fractie vragen de regering waarom het noodzakelijk is dat met het onderhavige wetsvoorstel banken de ruimte wordt gegeven om gezamenlijk op grote schaal vrijwel al het betalingsverkeer te monitoren op ongebruikelijke transacties en informatie daarover onderling uit te wisselen. Deze leden vragen of de toelichting op de noodzakelijkheid van deze privacy-schendig voldoende is onderbouwd, zeker als banken er ook voor kunnen kiezen om geen gebruik te maken van de nieuwe mogelijkheden. De leden van de SP-fractie kunnen zich niet aan de indruk onttrekken dat het voorliggende wetsvoorstel en de daarmee samenhangende massasurveillance, voornamelijk gericht is op de samenwerking tussen de allergrootste banken, waar de massa van de bevolking bankiert en niet op kleinere exclusieve banken die zich richten op specifieke doelgroepen.

De leden van de SP-fractie vragen om een toelichting waarom zij de mogelijkheid krijgen zich te onttrekken aan gezamenlijke surveillance. De leden van de SP-fractie vragen de regering of de financiële sector, nog meer dan nu al het geval is, een sleutelrol krijgt met het voorliggende wetsvoorstel en of hun systeemrelevantie daardoor toeneemt. Deze leden vragen voorts of de weg van volledige centrale controle op het betalingsverkeer, georganiseerd door private bedrijven, wordt ingeslagen met het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden vragen of ook is overwogen om de capaciteit bij FIU uit te breiden en op andere manieren de kwaliteit van de signalen die bij FIU binnenkomen te verminderen en te verbeteren, zodat die in de praktijk in staat wordt gesteld criminele patronen te herkennen, in plaats van TMNL.

De leden van de SP-fractie vragen om een nadere onderbouwing op de hoogte van de grens van 100 euro, die gehanteerd zal worden bij de monitoring van transacties tussen particulieren. Deze leden vinden dat deze grens te laag is vastgesteld, waardoor te veel transacties extra gemonitord zullen worden, en zij vragen waarom niet alle transacties waarbij een particulier betrokken is onder dezelfde uitzondering vallen, wat tevens transacties betreft tussen een particuliere en een zakelijke rekening, zoals bijvoorbeeld bij iemand die boodschappen afrekent.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat dit element van het onderhavige wetsvoorstel het meest controversieel is door het belang van privacy versus het belang voor een efficiënte opsporing van cliënten die betrokken zijn bij witwassen en/of het financieren van terrorisme. Deze leden vragen de regering om te reflecteren op de beoogde efficiëntieslag bij het handhaven van de Wwft door middel van het gezamenlijk monitoren versus de nadelige effecten op de privacy en de risico’s die gepaard gaan met het centraal monitoren van transacties.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering of het voornemen om tot gezamenlijke transactiemonitoring te komen zal zorgen voor een hoger aantal meldingen richting het FIU. Is het mogelijk dat door de gezamenlijke monitoring er minder «false positives» optreden bij de monitoring waardoor het aantal onderzochte meldingen afneemt? Deze leden horen graag wat de capaciteit bij de FIU is en of dit voldoende is om deze meldingen op behoorlijke wijze af te handelen.

De leden van de PvdA-fractie lezen dat de pilot binnen de Fintell Alliance succesvol is om ondergrondse banknetwerken op te sporen. Hoe verschilt de opzet voor de opsporing van ondergrondse banknetwerken van de voorgenomen mogelijkheid tot gezamenlijke transactiemonitoring?

De leden van de GroenLinks-fractie hebben twijfels over de proportionaliteit van het onderdeel van het wetsvoorstel dat in de mogelijkheid tot gezamenlijke transactiemonitoring voorziet. Deze leden hebben daarover een aantal vragen. Deze leden vragen allereerst waarom de regering slechts ervoor kiest de mogelijkheid te bieden tot gezamenlijke transactiemonitoring in plaats van dit te verplichten. Hoe kan het dat er enerzijds wordt gesproken over de noodzaak dit mogelijk te maken, terwijl het anderzijds aan de banken zelf wordt gelaten of zij hiervan gebruik willen maken?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen voorts of de regering bereid is gezamenlijke transactiemonitoring te verplichten.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen bovendien op dit punt de regering te reageren op het commentaar van onder andere de AP en de Raad van State (RvS), dat het een taak van de wetgever is om te bepalen of er een noodzaak is tot gezamenlijke transactiemonitoring (en dit dan ook of wel of niet te verplichten). Is de regering het met de AP en RvS eens dat het ten principale onwenselijk is dat dit opengelaten wordt aan private partijen?

De leden van de GroenLinks-fractie hebben ervan kennisgenomen dat bij nader inzien gekozen is voor een minimumgrens van 100 euro bij transacties tussen particulieren. Deze leden vragen waarom voor dit bedrag is gekozen en niet voor een ander bedrag. Hoeveel meer proportioneel maakt dit de gezamenlijke monitoring eigenlijk? Is dit bijvoorbeeld te onderbouwen door het totaal aantal transacties dat particulieren onder elkaar doen van onder de 100 euro of is dit op een andere manier te onderbouwen?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering toe kan lichten waarom voor kleine transacties bedragen kleiner dan 100 euro voor particulier naar zakelijk-transacties) minimale gegevens voldoende zijn, terwijl dit voor andere transacties niet het geval is.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of het optionele karakter van gezamenlijke transactiemonitoring de effectiviteit van gezamenlijke transactiemonitoring ondergraaft. Bijvoorbeeld omdat sommige banken nu wel en anderen niet zullen deelnemen en dat criminelen dus alsnog gebruik kunnen maken van de relatief zwakkere screening bij verschillende banken die niet aan de gezamenlijke transactiemonitoring deelnemen. Erkent de regering deze mogelijke «loophole»?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering kan toelichten waarom er niet voor is gekozen om de gezamenlijke monitoring te beperken tot risicovolle cliënten.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering kan toelichten welke eisen worden gesteld aan het beveiligingsniveau van de gezamenlijke voorziening.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen daarnaast of de regering nader kan ingaan op de verantwoordelijkheden ten aanzien van het toezicht op de verwerking van de gegevens door de gezamenlijke voorziening.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen naar de appreciatie van de regering op de suggestie vanuit de wetenschapstoets om de transactiemonitoring te organiseren bij een voorziening zonder winstdoelstelling. De regering stelt dat deze aanbeveling zich lastig verhoudt tot het feit dat banken commerciële instellingen zijn. Maar dat banken commerciële instellingen zijn, hoeft toch niet te impliceren dat de gezamenlijke voorziening dat ook is? Dat is toch niet «inherent»?

Daarnaast vragen de leden van de GroenLinks-fractie waarom de regering ervan overtuigd is dat de bestaande waarborgen, zeker nu de AP nog altijd forse kritiek hebben, wel voldoende zijn en een extra slot op de deur in de vorm van het expliciteren van geen winstoogmerk onnodig is.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of uit de reactie van de regering op aanbeveling drie van de wetenschapstoets geconcludeerd kan worden dat er geen risico is op belangenverstrengeling en perverse prikkels.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering of de regering kan onderbouwen hoe vaak particuliere transacties van minder dan 100 euro gebruikt worden om wit te wassen? Hoe belangrijk zijn deze transacties in het totale plaatje?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering kan reageren op de tweede inbreng van de AP (ingediend ten behoeve van het rondetafelgesprek in de Kamer over dit onderwerp), nadat het conceptwetsvoorstel gewijzigd is, dat stelt dat er nog steeds een onrechtmatige inmenging in de rechten van burgers plaatsvindt.

De leden van de ChristenUnie-fractie maken zich grote zorgen over het feit dat de Wwft als gevolg heeft dat met name kleine bedrijven, stichtingen en verenigingen steeds lastiger – en tegen hogere kosten – een rekening kunnen openen bij een bank, en dat sommige doelgroepen zelfs «unbankable» dreigen te geraken. Ook constateren deze leden dat veel bonafide burgers te maken krijgen met uitgebreide Know Your Customer (KYC)-onderzoeken en soms zelfs in hun privacy beknot worden doordat bankmedewerkers uit hoofde van Wwft-onderzoek bankrekeningen en transacties controleren. Deze leden benadrukken het belang van meer risico-gebaseerd controleren, waarbij bonafide burgers en rechtspersonen zeer beperkt last hebben van Wwft-onderzoek en de opsporingskracht met name gericht wordt op de hoge risico’s. Deelt de regering dit uitgangspunt en kan de regering toelichten hoe het onderhavige wetsvoorstel tot verbeteringen, dan wel verslechteringen leidt op deze punten?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering naar de resultaten van het Fintell Alliance onderzoek naar «underground banking», een publiek-private samenwerking van FIU Nederland en de grootbanken. Hoe veel vervolgingen zijn hieruit voortgekomen? Als het aantal vervolgingen relatief laag is, hoe kan de regering dit dan als argument voor gezamenlijke transactiemonitoring gebruiken? Is de regering niet van mening dat een dergelijke inbreuk op de privacy alleen gerechtvaardigd is indien er sprake is van een relatief hoge percentage van vervolgingen?

Voorts wijzen deze leden erop dat transactiemonitoring op dit moment al plaatsvindt. Welke wettelijke legitimiteit is er op dit moment voor dergelijke praktijken? Kan de regering op jaarbasis aangegeven hoe veel transacties er «geflagd» worden door algoritmes/AI-surveillance, hoeveel handmatige controles van bankrekeningen dit oplevert, hoeveel FIU-meldingen er vervolgens gedaan worden, en in hoeveel vervolgingen dit resulteert? Ook vragen deze leden om te schetsen hoe een handmatige controle van een bankrekening eruitziet, welke privégegevens bankmedewerkers daarbij te zien krijgen en in hoeverre de privacy van gebruikers hierbij inboet. Verbetert het onderhavige wetsvoorstel deze situatie, met name gelet op privacy-inbreuken doordat medewerkers handmatig rekeningen en transacties controleren?

De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat TMNL een samenwerkingsverband is van vijf banken, terwijl er ongeveer vijftig leden zijn van de Nederlandse betaalvereniging. Deze leden vrezen om deze reden een waterbedeffect. Immers, mensen met malafide bedoelingen zullen geneigd zijn over te stappen naar een bank die geen deel uitmaakt van deze gezamenlijke transactiemonitoringsorganisatie. Hoe taxeert de regering dit risico? Is deze maatregel – los van de gevolgen voor de privacy, zoals onder anderen verwoord door de AP – niet een wassen neus? Zou deze vorm van transactiemonitoring niet effectiever zijn als alle banken waar Nederlanders gebruik van maken – dus zowel Nederlandse als buitenlandse banken – aangesloten zijn bij de transactiemonitoringsfaciliteit? Zo ja, ondermijnt dit dan niet nut en noodzaak om de wettelijke grondslag voor een dergelijke organisatie in deze vorm te creëren? Heeft de regering overwogen om banken te verplichten deel uit te maken van TMNL, en zo ja, waarom is hier niet voor gekozen?

Ook vragen deze leden de regering of het niet beter zou zijn om eerst de capaciteit van het functioneel parket uit te breiden, alvorens stappen te zetten op het gebied van transactiemonitoring. Welke ambities heeft de regering op dit punt?

Deze leden vragen ten aanzien van de gezamenlijke transactiemonitoring waarom de regering ervoor kiest deze gezamenlijke monitoring alleen toe te staan voor banken. Welke redenen zijn er om dit eventueel uit te breiden naar andere poortwachters en welke overwegingen heeft de regering om hier in het licht van deze redenen niet voor te kiezen?

De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat het gebruik van het BSN door banken een zeer verregaande maatregel is. Klopt het dat dit jarenlang als onwenselijk is gezien door de regering? Waarom is nu toch voor de stap gekozen? Wordt hierdoor de privacy van betrokkenen niet ernstig ingeperkt? Hoe ziet de pseudonimisering en versleuteling van deze gegevens er precies uit?

De transactiegegevens die gecombineerd mogen worden binnen de gezamenlijke voorziening zijn voorgeschreven per AMvB en hebben betrekking op persoonsgegevens, transactie-informatie, productgegeven en risico-indicatoren. Transacties boven de 100 euro vallen binnen de reikwijdte van de gezamenlijke voorziening, zo constateert het lid Omtzigt. Het lid Omtzigt vindt dit een forse delegatiebepaling en vraagt of dit in verhouding tot het doel staat. Kan de regering toezeggen dat de AMvB aan de Kamer wordt voorgehangen?

Kan de regering voorts aangeven aan het lid Omtzigt wie verantwoordelijk is voor en toezicht houdt op de verwerking van gegevens in de gezamenlijke voorziening? En kan de regering aangeven hoe en of het wetsvoorstel ervoor zal zorgen dat er een juiste balans is tussen de bescherming van de financiële instellingen tegen witwassen en de bescherming van de privacy van burgers?

Wat betreft de grens van 100 euro lijkt deze grens het lid Omtzigt willekeurig gekozen. Ook de memorie van toelichting geeft dit lid onvoldoende duidelijkheid. Dit lid vraagt daarom of de regering kan aangeven hoe vaak witwassers transacties onder de 100 euro gebruiken en hoe belangrijk deze transacties zijn in het totale plaatje van witwassen. Voorts vraagt het lid Omtzigt of de regering nader kan toelichten waarom het betrekken van alle transacties tussen burgers van meer dan 100 euro proportioneel is aan de met deze maatregel gepaard gaande inmenging in de persoonlijke levenssfeer. Kan de regering aangeven of in het kader van evenredigheid en proportionaliteit een andere grens dan 100 euro tevens mogelijk is? Kan de regering daarbij aangeven welk bereik van mogelijke bedragen eveneens als evenredig en proportioneel gezien kan worden? Waarom is gekozen voor de grens van 100 euro?

§ 2.2.2.1 Uitbesteding

Het wetsvoorstel maakt mogelijk dat de gezamenlijke gegevensanalyse gebeurt via uitbesteding aan een derde partij constateren de leden van de CDA-fractie. De leden van de CDA-fractie vragen of zij goed begrijpen dat zo een partij aan wie de gezamenlijke analyse wordt uitbesteed, zoals een TNML, niet onder de Wwft valt of direct onder de toezichthouder. Indien een dergelijke partij bijvoorbeeld risicoselectie-modellen hanteert of op een andere manier grote hoeveelheden data verwerkt, wie beoordeelt dan of deze partijen dat op de juiste manier doen. Deze leden vragen of het niet beter is als de analyserende partij direct verantwoording dient af te leggen wanneer deze niet voldoet aan de verplichtingen van de wet, in plaats van dat hierop indirect toezicht wordt gehouden via de banken.

De leden van de PvdA-fractie vragen wat voor juridische status TMNL heeft. Wie is er uiteindelijk verantwoordelijk voor wanneer zaken niet goed lopen? Hoewel instellingen de verantwoordelijkheid houden om opvolging te geven aan signalen die uit TMNL komen is de verantwoordelijkheid bij fouten bij TMNL zelf diffuus. Kan de regering aangeven hoe dit belegd is?

§ 2.2.2.2 Gebruik Burgerservicenummer

Het toezicht door DNB wordt als belangrijk gezien door de leden van de D66-fractie, maar deze leden vragen naar de capaciteiten van DNB om het gebruik van het Burgerservicenummer (BSN) door instellingen te beoordelen op proportionaliteit, rechtmatigheid, «legitimiteit, privacy en informatiebeveiliging». Vereist het voorliggende wetsvoorstel een aanvullende investering in de capaciteit bij DNB?

De leden van de CDA-fractie lezen dat voor de gezamenlijke monitoring de banken worden toegestaan het BSN-nummer van klanten te gebruiken, indien zij dat al hebben, zodat zeker gesteld kan worden dat de gegevens van verschillende banken over dezelfde persoon gaan. Dit moet voor aanlevering aan de derde partij wel gepseudonomiseerd en versleuteld worden. Deze leden vragen of er ook gevallen zijn waarin banken geen BSN-nummers in hun systemen hebben en wat zij met deze gevallen doen. Ook vragen deze leden of het klopt dat alle banken in het systeem een gezamenlijke methode van pseudonimisering en versleuteling moeten toepassen of dat dit wel individueel blijft, zodat echt alleen de eigen bank kan weten over welke klant het daadwerkelijk gaat. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan nagaan of er systemen voor gezamenlijke monitoring in andere landen gebruikt worden die ook persoonsnummers delen en hoe in die landen de databescherming geregeld is. Ook vragen deze leden de regering hoe de gegevens in de pilots en aan TNML gedeeld zijn om gezamenlijke analyse mogelijk te maken.

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat met bijzondere persoonsgegevens altijd uitermate voorzichtig moet worden omgegaan. Deze leden vragen de regering om nader uit te leggen hoe het BSN nu al gebruikt wordt door instellingen binnen hun taak als poortwachter en of dit wezenlijk verschilt van het gebruik van het BSN binnen de gezamenlijke monitoring. Welke additionele risico’s zijn er wanneer het BSN gebruikt moet worden om gegevens te koppelen en gelden dezelfde beveiligingsstandaarden binnen TMNL als welke nu al intern bij instellingen gelden?

Het lid Omtzigt constateert dat banken de mogelijkheid krijgen het BSN-nummer van mensen te gebruiken. Dit lid vindt dat heel voorzichtig moet worden omgesprongen met het gebruik van het BSN-nummer door anderen dan overheidsinstanties. Loert hier niet het gevaar dat veel te makkelijk koppelingen gemaakt kunnen worden tussen overheids- en particulier bewaarde persoonsgegevens? Kan de regering aangeven of in meer gevallen particuliere organisaties het BSN-nummer mogen gebruiken voor hun bedrijfsuitvoering? Met welke instanties mogen de banken deze gegevens uitwisselen?

§ 2.3 Verduidelijking gebruik bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard

De leden van de D66-fractie begrijpen de relevantie van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard en andere bijzondere categorieën van persoonsgegevens voor de beoordeling door financiële instellingen over of een transactie een indicatie geeft van witwassen of het financieren van terrorisme. Kan deze gegevensdeling betekenen dat iemand die in de jonge jaren een winkeldiefstal heeft begaan niet meer aan een bankrekening kan komen of dat alle financiële instellingen altijd alle transacties van deze persoon moeten of gaan controleren vanwege dit ene vergrijp?

De leden van de PVV-fractie vragen op dit punt naar een compleet overzicht van alle bijzondere categorieën van persoonsgegevens. Kan de regering nader motiveren in hoeverre het verwerken van deze categorieën door instellingen proportioneel is? Meer concreet: in hoeverre draagt het registreren van bijvoorbeeld iemands politieke opvatting of seksuele gerichtheid door instellingen bij aan het hoofddoel van het bestrijden van het witwassen en financieren van terrorisme?

De leden van de PvdA-fractie willen ervoor waken dat de drempel om bijzondere persoonsgegevens te verwerken te laag wordt aangezien er een inherent risico is bij de verwerking van deze gegevens. Deze leden horen dan ook graag van de regering in hoeverre de toegang van instellingen tot deze gegevens verschilt in het huidige proces van transactiemonitoring in vergelijking met de situatie wanneer dit ook gezamenlijk door middel van TMNL wordt gedaan.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering nader kan aangeven, het liefst met een uitputtende lijst, welke bijzondere categorieën van persoonsgegevens of persoonsgegevens van strafrechtelijke aard in het kader van het onderhavige wetsvoorstel kunnen worden verwerkt.

De leden van de GroenLinks-fractie zien dat de regering onder andere het seksuele leven noemt als bijzondere categorie persoonsgegevens. Deze leden vragen in welke context het seksuele leven van een persoon überhaupt een indicatie kan zijn voor witwassen. De regering noemt bijvoorbeeld een seksclub. Deze link is in de ogen van deze leden zeer indirect. Is het dan wel proportioneel om een grondslag te creëren die de mogelijkheid biedt een categorie gevoelige gegevens te verwerken die zo gevoelig is als het seksuele leven of seksuele geaardheid? Kan de regering daarnaast onderbouwen, het liefst met cijfers, in welke mate het verwerken van deze categorie bij gaat dragen aan de witwasaanpak, bijvoorbeeld door in te gaan op hoe frequent data van deze categorie essentieel is om een bepaald transactiepatroon in kaart te brengen?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen op dit punt hoeveel meldingen die de Financial Intelligence Unit (FIU) ontvangen heeft van zorgfraude in 2018 en 2019 tot daadwerkelijke vervolging hebben geleid.

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat het monitoren van transacties over bijvoorbeeld contributies aan een politieke partij reeds verplicht is in het kader van de Wwft, en dat dit het vastleggen en opslaan van gevoelige persoonsgegevens nu al impliceert. Klopt het daarmee dat instellingen op dit moment de AVG bewust hebben overtreden om aan de Wwft te voldoen en dat dit de omissie is die dit onderdeel van het wetsvoorstel poogt op te lossen? Als dit het geval is, kan de regering dan toelichten of er zicht is op de schaal waarop op dit punt de AVG reeds overtreden is?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of er nadere invulling gegeven kan worden aan het begrip «noodzakelijk om aan de verplichtingen [van de Wwft] te voldoen» als het om het verwerken van bijzondere categorieën persoonsgegevens gaat. Wanneer is er sprake van noodzakelijkheid? Hoe wordt voorkomen dat instellingen vanuit een prikkel om risico-avers te handelen, een te ruime uitleg geven aan de noodzakelijkheid om deze gegevens te verwerken (artikel 34a, vijfde lid, van het wetsvoorstel)? Hoe wordt toezicht gehouden op de proportionaliteit van deze gegevensverwerking?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering of bijzondere categorieën persoonsgegevens ook verwerkt kunnen worden in het gezamenlijke register ten behoeve van cliëntonderzoek (§2.2.1.5 van de memorie van toelichting)? Zo ja, hoe wordt hierop dan adequaat toezicht gehouden? Zijn er beperkingen aan bijvoorbeeld hoe lang deze gegevens bewaard kunnen worden?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering of strafrechtelijke persoonsgegevens verwerkt mogen worden in het gezamenlijke register ten behoeve van cliëntonderzoek.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering kan ingaan op de mogelijk discriminatoire en racistische effecten van het mogen verwerken van bijzondere categorieën persoonsgegevens. Hoe worden deze risico’s zoveel als mogelijk ondervangen? Erkent de regering dat er met de mogelijkheid tot het verwerken van dergelijke gegevens een risico ontstaat op discriminatie, zoals de AP stelt?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of alle mogelijke veroordelingen onder strafrechtelijke persoonsgegevens vallen in de context van de mogelijkheid daarover gegevens op te slaan.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen waar instellingen, mocht dit noodzakelijk zijn voor de uitoefening van onderzoek, strafrechtelijke gegevens vandaan halen en wie toestemming krijgt tot het verlenen van dergelijke gegevens en op basis waarvan. Deze vraag wordt mede gesteld in het licht van de opmerking van de regering dat er grote verschillen bestaan in de mate waarin instellingen over deze gegevens beschikken.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen naar het via een AMvB beperken van het gebruik van bijzondere persoonsgegevens. Kan de regering reeds preciseren hoe deze AMvB eruit komt te zien en in welke gevallen deze ingezet zal worden?

Het stelt het lid Omtzigt teleur dat in de memorie van toelichting wordt aangegeven dat op voorhand niet te bepalen is welke bijzondere categorieën van persoonsgegevens of persoonsgegevens van strafrechtelijke aard voor welke instellingen noodzakelijk kunnen zijn bij de uitvoering van hun wettelijke taken. Teneinde discriminatie, tunnelvisie of ongeoorloofd gebruik te voorkomen, stelt dit lid daarom een aantal vragen. Kan de regering nader aangeven welke (bijzondere categorieën) van persoonsgegevens of persoonsgegevens van strafrechtelijke aard in het kader van het onderhavige wetsvoorstel worden verwerkt? Kan de regering daarbij onderscheid maken naar gegevens die in het kader van de gegevensdeling tussen instellingen worden gedeeld en gegevens die in de gezamenlijke voorziening worden verwerkt? Vallen onder strafrechtelijke gegevens alle mogelijke veroordelingen? Kan de regering aangeven of een instelling ten behoeve van een centraal register ten behoeve van de gegevensdeling strafrechtelijke gegevens mag opnemen?

Het lid Omtzigt heeft de zorg dat gebruik van zwarte lijsten kan leiden tot discriminatie (juridisch en in de uitvoering). Zijn vraag is dan ook in hoeverre het gebruik van deze zwarte lijsten discriminerend is en leidt tot etnisch profileren of dat het discriminerend gedrag in de hand kan werken? Is het legitiem dat een Nederlandse staatsburger veel meer wordt gecontroleerd dan de ander, alleen al op grond van het feit dat hij/zij of zijn/haar familieleden toevallig in ander land is/zijn geboren of omdat hij/zij familieleden of vrienden in een ander land heeft wonen? Het lid Omtzigt vraagt of dit het beoogde effect is van het wetsvoorstel? Bovendien vraagt het lid Omtzigt zich af in hoeverre (de implementatie van) deze wetgeving in overeenstemming of juist strijdig is met artikel 1 van de Grondwet, waarin iedere burger gelijk is voor de wet? Is de afkomst of de woonplaats van de familie een legitieme wetmatige en wetenschappelijk onderbouwde indicator van criminaliteit?

Het lid Omtzigt vraagt of het niet efficiënter is om te kijken naar verdacht gedrag en verdachte transacties als indicatie van potentiële criminaliteit in plaats van op basis van afkomst? Hoe kan de Minister waarborgen dat het gebruik van deze «zwarte lijst» in de Wwtf geen aanleiding geeft tot discriminerend gedrag in de uitvoering door bijvoorbeeld banken en andere uitvoeringsinstanties?

§ 2.3.1 Verplichtingen voor instellingen op grond van de Wwft

Naar aanleiding van het eerdere advies van de AP heeft de regering in de memorie van toelichting uitgelegd waarom de persoonsgegevens, waarnaar wordt gerefereerd voor dit doel, verzameld mogen worden, constateren de leden van de D66-fractie. Tijdens het rondetafelgesprek over deze initiatiefwet in de Kamer15 hoorden de leden van de D66-fractie nog grote zorgen bij de AP16. Waren die zorgen ook bekend bij de regering en kan de regering duiden waarom het de lezing van de AP niet onderschrijft?

De regering schrijft dat deze wijziging beoogt om «onduidelijkheid over de mogelijkheid van verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard ten aanzien van deze hoofdverplichtingen weg te nemen». Kan de regering toelichten hoe het wetsvoorstel onduidelijkheid over meldingen van ongebruikelijke transacties kan wegnemen? Wat is ongebruikelijk en wie bepaalt wat ongebruikelijk is?

De leden van de D66-fractie zijn in het bijzonder bezorgd over de zin van de regering in de memorie van toelichting bij het voorliggende wetsvoorstel waarin deze leden lezen dat banken bepalen of een transactie ongebruikelijk is «op basis van ten minste de risicofactoren die zijn vastgelegd in de anti-witwasrichtlijn». Hoezo «ten minste», hoe wordt voorkomen dat hier een grote mate van willekeur en ongelijkheid gaat ontstaan?

§ 2.3.2 Samenhang verplichtingen met de verwerking van persoonsgegevens

Hoewel de leden van de D66-fractie de inzet van de regering kennen om het register van uiteindelijk belanghebbenden (ultimate beneficiary owners, UBO’s) volledig te vullen, zien deze leden dat het Nederlandse UBO-register nog altijd niet gevuld is in tegenstelling tot dit register in andere lidstaten. Hoe kijkt de regering naar de toepasbaarheid van een UBO-register in het tegengaan van witwassen en het financieren van terrorisme? Kan dit register gebruikt worden om te bepalen of een transactie verdacht is en zo ja, is een goed gevuld UBO-register niet essentieel voordat de witwascontroles geïntensiveerd kunnen worden?

§ 2.3.3. Voorbeelden van verplichte verwerking van bijzondere categorieën persoonsgegevens

De leden van de CDA-fractie vragen de regering of deze leden het goed begrijpen dat bijzondere persoonsgegevens soms betrokken zijn bij patronen die duiden op witwassen of terrorismefinanciering. Deze leden vragen of het kan voorkomen dat in risicomodellen of risicoprofielen, bijvoorbeeld één van de risicocriteria zo een bijzonder persoonsgegeven kan zijn. In paragraaf 3.3 van de memorie van toelichting wordt immers vermeld dat de combinatie van een bijzonder persoonsgegeven met andere persoonsgegevens de doorslag kan geven bij de beoordeling van ongebruikelijke transacties. Voorts vragen deze leden hoe wordt geborgd dat geen discriminerende of stereotyperende modellen worden gecreëerd en of hier ook lessen worden meegenomen van de risicoselectie-modellen van de Belastingdienst. Verder vragen deze leden de regering om nadere toelichting hoe dergelijke risicoprofielen worden vastgesteld en hoe hierop toezicht wordt uitgeoefend.

De leden van de SGP-fractie zijn zeer kritisch op de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens. Kan de regering precies uiteenzetten op welke wijze de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens verruimd wordt?

In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens aan de orde kan komen, op grond van de Wwft. De leden van de SGP-fractie hebben hierover een aantal vragen. Is de regering het met deze leden eens dat het voorliggende wetsvoorstel een vergaande verwerking voorstelt? Waarom is dit nodig, en waarom is de verwerking van persoonsgegevens, zonder de bijzondere categorieën niet reeds voldoende? Welke minder vergaande maatregelen zijn overwogen? Tevens wordt in de memorie van toelichting aangegeven dat bijzondere categorieën van persoonsgegevens «uiteindelijk» van belang kunnen zijn in het kader van cliëntonderzoek of het melden van ongebruikelijke transacties. Waarom wordt er niet meer gericht gewerkt door pas bij duidelijke vermoedens van fraude dergelijke informatie eventueel op te vragen? Hoe strookt deze vaststelling en verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens met artikel 9 van de Algemene verordening gegevensbescherming?

§ 2.3.4 Persoonsgegevens van strafrechtelijke aard

De leden van de D66-fractie zijn verder bezorgd over de zin «omdat op voorhand niet te bepalen is welke bijzondere categorieën van persoonsgegevens of persoonsgegevens van strafrechtelijke aard voor welke instellingen noodzakelijk kunnen zijn bij de uitvoering van hun wettelijke taken, is voorzien in een wettelijke grondslag voor alle instellingen voor het verwerken van dit soort gegevens.» Deze leden vragen naar de gegevens die in andere lidstaten worden verzameld en waarom die geen richting kunnen geven aan welke categorieën gegevens verzameld kunnen worden.

De leden van de SGP-fractie vragen welke persoonsgegevens van strafrechtelijke aard precies verwerkt kunnen worden? Kan daarbij onderscheid gemaakt worden tussen gegevens die in het kader van de gegevensdeling tussen instellingen worden gedeeld en gegevens die in de gezamenlijke voorziening worden verwerkt?

§ 2.3.5 Alleen indien noodzakelijk

Uit paragraaf 2.3.5 van de memorie van toelichting begrijpen de leden van de D66-fractie dat «verwerking alleen toegestaan is indien dit noodzakelijk is om aan de verplichtingen uit de Wwft te voldoen». Daarbij vragen deze leden wie bepaalt of verwerking noodzakelijk is en om welke verplichtingen uit de Wwft het hier gaat. Kan de regering duiden welke checks and balances er zijn om te voorkomen dat er overmatige verwerking van gegevens gaat plaatsvinden? Hoe kijkt de regering naar de naleving van de Wwft door instellingen anders dan banken, waar de toezichthouder zich voornamelijk op lijkt te hebben gericht in de afgelopen jaren? Hoe wordt voorkomen dat deze majeure uitbreiding van bevoegdheden zonder clausules ervoor zorgt dat er straks niet alleen unbankables zijn waarbij banken zich achter de Wwft verschuilen om mensen geen bankrekening aan te bieden, maar ook untaxables of uninsurables als ook andere typen instellingen geen diensten meer gaan verlenen aan klanten waarvan zij denken dat er een verhoogd risico bestaat op criminele activiteiten?

§ 3. Gegevensbescherming

Op dit punt willen de leden van de PVV-fractie weten op welke wijze wordt voorkomen dat cliënten onterecht uitgesloten zullen worden van het financiële systeem als gevolg van de uitbreiding van de mogelijkheid om gegevens te delen tussen instellingen. Met welke waarborgen is het gebruik van centrale systemen op grond van de AVG omkleed?

Voorts vragen de leden van de PVV-fractie naar wat de drempel van de waarde van 100 euro betekent. Is deze drempelwaarde een versoepeling of een verzwaring ten opzichte van de huidige situatie? Deze leden wensen graag een toelichting hierop. Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie naar een nadere motivatie van de regering van de keuze voor deze drempelwaarde. Wat voor gevolgen zou een hogere drempelwaarde hebben? Op welke wijze wordt het voor banken met deze drempelwaarde makkelijker ongebruikelijke transactiepatronen in beeld te krijgen?

Ten slotte willen de leden van de PVV-fractie weten op welke wijze voorkomen zal worden dat dit drempelbedrag leidt tot massasurveillance van Nederlanders, zoals geformuleerd door de Autoriteit Persoonsgegevens.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering in hoeverre de verplichtingen op grond van de AVG waar financiële instellingen aan moeten voldoen bij het verwerken van data voldoende waarborgen bevatten voor gegevensbescherming van klanten in het kader van de gegevensuitwisseling van klantdata en gezamenlijke transactiemonitoring. Zijn hiervoor aanvullende waarborgen nodig?

De leden van de Groep Van Haga hebben grote zorgen over de privacy. Het wetsvoorstel over het samenbrengen van alle banktransacties van alle Nederlanders in één database kan leiden tot «ongekende massasurveillance door banken», oftewel een «bancair sleepnet». De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) ziet grote bezwaren tegen het wetsvoorstel Plan van aanpak witwassen. Hoe gaat de regering deze bezwaren wegnemen? Welke garanties geeft de regering dat er van een «bancair sleepnet» en «ongekende massasurveillance door banken» geen sprake zal zijn? Welk bewijs kan de regering aanleveren dat deze inbreuk op de financiële gegevensbeschermingsrechten van burgers gerechtvaardigd? Hoe effectief zou het wetsvoorstel zijn gegeven het geschatte bedrag aan witwasgeld ad 16 miljoen euro? Hoe groot is de «markt»?

Het verzamelen van alle gegevens op één plek brengt grote privacy risico’s met zich mee, zegt de AP. «Je betaalgegevens laten je hele handel en wandel zien, bijvoorbeeld of jij geld uitgeeft aan een politieke partij of psycholoog. De voorgestelde monitoring gaat in de ogen van deze leden echt veel te ver.» Kan de regering hierop reageren? De leden van de Groep Van Haga willen geen gegevensanalyse en profilering van natuurlijke personen (voor zowel consumenten als zzp’ers). Kan de regering hier garanties op geven? Graag zien deze leden de verwerkingsnoodzaak voor ieder type Wwft-plichtigen nader onderbouwd en aangetoond.

§ 3.1. Gegevensbeschermingseffectbeoordeling gegevensdeling tussen instellingen bij cliëntenonderzoek

Dat «persoonsgegevens slechts worden verzameld voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden» achten de leden van de D66-fractie van belang, maar deze leden vragen wel of de toezichthouder hier op eenzelfde manier op toe kan zien als op de algemene naleving van de anti-witwascontroles door financiële instellingen. Hoe wordt voorkomen dat instellingen persoonsgegevens maar «voor de zekerheid» verzamelen en waar moeten zij als private instelling toestemming vragen om deze gevoelige gegevens te mogen verzamelen? Voorts vragen deze leden waar individuen en partijen terecht kunnen als zij gegevens waarom wordt gevraagd niet willen delen en of een individu een uitdraai kan krijgen van de gegevens die instellingen over hem/haar/hen in bezit hebben.

De leden van de D66-fractie lezen «samengevat is de voorgestelde maatregel, te weten het delen van gebleken risico’s op witwassen of financieren van terrorisme bij de cliënt, noodzakelijk voor het te bereiken doel, namelijk het voorkomen en bestrijden van witwassen en financieren van terrorisme.» Deze leden vragen de regering om toe te lichten hoe dit bijdraagt aan het voorkomen van witwassen en wat de omvang van dit effect is. Deze leden lezen de term «gebleken risico’s» veelvuldig terug in de memorie van toelichting, maar vragen of dit verduidelijkt kan worden.

In navolging van de vraag over het toezicht door instellingen anders dan banken, vragen de leden van de D66-fractie naar de keuze van de regering om het delen van gegevens alleen mogelijk te maken «tussen instellingen die behoren tot dezelfde categorie». Zouden een makelaar en een notaris en een hypotheekverstrekker geen soortgelijke risico-inschatting maken? Hoe worden de categorieën verdeeld en welke verschillende toezichthouders zijn betrokken bij het toezicht op de naleving van deze regels? Voorts vragen deze leden hoe de samenwerking tussen deze verschillende toezichthouders wordt bevorderd. Tot slot vragen deze leden op dit punt naar een toelichting op de zin waarin de regering schrijft dat de voorgestelde maatregelen niet alleen leiden «tot het effectiever voorkomen van witwassen en financieren van terrorisme» maar ook «dat instellingen ten onrechte dienstverlening weigeren aan cliënten», waarbij deze leden in het bijzonder verwijzen naar hun vraag over hoe wordt voorkomen dat de problematiek rond unbankables wordt vergroot en specifiek vragen naar waarborgen om te voorkomen dat klanten of transacties onterecht worden geweigerd op basis van een risico-inschatting van de instelling zelf of een andere instelling.

Verder schrijft de regering dat «Bij een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme is het des te meer van belang [is] dat de afweging om aan die cliënt wel of geen dienstverlening aan te bieden wordt genomen op grond van alle informatie die daarover beschikbaar is.», constateren deze leden. De leden van de D66-fractie vragen daarop aan de regering hoe wordt voorkomen dat instellingen door risicomijdend gedrag in veel gevallen geen diensten willen verlenen en de klanten in kwestie door de gegevensdeling bij geen enkele instelling diensten kunnen afnemen, terwijl er sprake is van een onterechte verdenking. Welke (publieke) waarborgen zijn er om deze problematiek, zoals we die kennen rond unbankables, te voorkomen voor alle categorieën van dienstverlening? Is de regering voornemens om het toezicht te versterken door ook naar het tegengaan van discriminatie door instellingen te kijken die klanten lijken te weigeren op basis van bijvoorbeeld hun beroep, waarbij de leden van de D66-fractie begrijpen dat instellingen een risico zien maar het van groot belang vinden dat deze unbankables niet in de handen van andere financiers worden gedreven die hun positie nog veel kwetsbaarder maakt en waardoor risico’s enkel groeien. Wanneer is de problematiek rond unbankables eindelijk opgelost?

Ook lezen de leden van de D66-fractie over centrale registratiesystemen, waarbij de regering schrijft dat dergelijke systemen bij verkeerd gebruik kunnen «leiden tot onnodige uitsluiting van personen of onrechtmatige gegevensverwerking. Daarom is het gebruik van dergelijke systemen op grond van de AVG met waarborgen omkleed.» Deze leden vragen om welke waarborgen het gaat en welke partij heeft getoetst of met deze waarborgen ook wordt voorkomen dat verkeerd gebruik van deze systemen tot onnodige uitsluiting leidt.

§ 3.2 Gegevensbeschermingseffectbeoordeling gezamenlijke transactie-monitoring

De leden van de SGP-fractie vragen of het klopt dat alle transacties onder de monitoring vallen, behalve transacties tussen twee particuliere personen tot 100 euro? Waarom is niet gekozen om alle transacties tot een bepaald bedrag bij voorbaat uit te sluiten van monitoring en dus ook op basis van die transacties niet over te gaan tot gegevensverwerking? Waarom is voor het bedrag van 100 euro gekozen?

Het lid Omtzigt merkt op dat in de memorie van toelichting wordt beschreven wat de voordelen van het gekozen stelsel zijn ten opzichte van een stelsel van zwarte lijsten. De memorie toelichting vermeldt hierbij dat het gebruik van zwarte lijsten zich minder leent voor het opnemen van een uitgebreide, inhoudelijke motivering van de redenen waarom een cliënt op die lijst is geplaatst. Volgens de memorie van toelichting is juist de inhoudelijke motivering dienstbaar aan de proportionaliteit van het wetsvoorstel. Tot zijn grote verbazing leest het lid Omtzigt onder het kopje C «Risico’s en maatregelen» dat de regering echter geen problemen heeft met het gebruikt van zwarte lijsten door de controlerende instellingen. Kan de regering deze zinsnede nader toelichten? Waarom zouden de in de toelichting geconstateerde gebreken van een stelsel van zwarte lijsten niet de facto doorwerken naar het gekozen stelsel als het gebruik van zwarte lijsten wel wordt toegestaan?

A. Verwerking van persoonsgegevens

Instellingen mogen volgens het voorliggende wetsvoorstel transactiegegevens combineren die betrekking hebben op «persoonsgegevens, transactie-informatie, productgegevens en door de bank reeds vastgestelde risico-indicatoren», zo begrijpen de leden van de D66-fractie uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Banken gebruiken deze gegevens al om transacties individueel te beoordelen, zo lezen deze leden verder, maar deze leden begrijpen ook dat er zorgen bestaan bij onder meer de AP of dit gebruik van gegevens wel proportioneel is. Deze leden vragen of de regering kan reflecteren op het gebruik van deze gegevens en het delen daarvan met andere partijen in het kader van de proportionaliteit daarvan.

De regering schrijft dat de AVG «onverkort geldt voor de gegevensdeling die plaatsvindt in het kader van het gezamenlijk monitoren van transacties». Hoe moeten de leden van de D66-fractie deze uitspraak duiden naast de uitspraak van de AP tijdens onder meer het rondetafelgesprek over dit wetsvoorstel in de Kamer17 dat ook het huidige wetsvoorstel niet aan de AVG voldoet?

B. Rechtmatigheid, noodzaak en evenredigheid gegevensverwerking

Bij dit rondetafelgesprek18 hoorden de leden van de D66-fractie ook zorgen over de verantwoording van instellingen richting hun cliënten en betrokkenen. Op welke manier kunnen cliënten inzicht krijgen in (de onderbouwing van) hun door hun bank opgestelde risicoprofiel en waar zouden zij hiertegen bezwaar kunnen aantekenen? Indien dit inzicht of bezwaar tegen de classificatie niet mogelijk is op een meer laagdrempelige manier volgt dan een stap naar de rechter, vragen deze leden de regering of zij dit wenselijk acht en zo nee, waarom niet.

Ook lezen de leden van de D66-fractie dat het binnen de gezamenlijke voorziening «niet mogelijk is om de transacties te herleiden naar een specifiek persoon», maar dat dit enkel door de individuele bank kan worden gedaan die de gegevens heeft aangeleverd. Maar als een bank informatie heeft over een klant kan die bank alle gegevens inzien over die klant, niet alleen de gegevens die het zelf heeft aangeleverd, verwachten de leden van de D66-fractie. Kan de regering dat bevestigen of ontkennen?

De leden van de D66-fractie begrijpen dat witwassen zelden gebeurt door «een op zichzelf staande financiële handeling», maar ziet dat criminelen zich hebben aangepast aan de praktijk waarbij een bank transacties individueel monitort. Deze leden vragen de regering hoe ervoor wordt gezorgd dat er geen wetswijziging nodig is voor een aanpassing in het gedrag van criminelen die ongetwijfeld gaat optreden als alle transacties met alle banken zouden worden gedeeld. Specifiek vragen de leden van de D66-fractie naar de overweging om enkel banken een bevoegdheid te geven om een gezamenlijke voorziening op te zetten. Deze leden zien andere financieringsmogelijkheden, zoals cryptovaluta, die via andere platforms verhandeld kunnen worden en waarvoor nu geen maatregelen genomen lijken te worden.

De leden van de CDA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de rechten van betrokkenen van wie gegevens worden verwerkt zijn geborgd, omdat een instelling verantwoordelijk is voor de verwerking van de persoonsgegevens van een cliënt, en de betrokkene zich altijd kan wenden tot de instelling als hij van mening is dat zijn persoonsgegevens onrechtmatig worden verwerkt. De persoon kan verder escaleren naar de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) of de rechter. Deze leden vragen of de regering inzicht kan geven in de procedure van een klacht aan de AP, wat de stappen zijn en wat de behandeltermijn is.

De leden van de CDA-fractie lezen dat het voordeel van het systeem van gegevensdeling op basis van noodzakelijkheid ten opzichte van zwarte lijsten is dat zulke lijsten zich minder lenen voor inhoudelijke motivering van waarom iemand op die lijst is gezet. Terwijl die motivering volgens de regering juist bijdraagt aan de proportionaliteit. Deze leden vragen of zij het goed begrijpen dat juist deze inhoudelijke motiveringen tot de uit te wisselen informatie horen en deze leden vragen of een dergelijke motivering ook met de klant wordt gedeeld, zodat deze op de hoogte is of zich kan verweren wanneer dit onterecht blijkt te zijn. Ook vragen deze leden hoe deze werkwijze voorkomt dat instellingen ten onrechte dienstverlening aan klanten weigeren.

De leden van de CDA-fractie zien de meerwaarde van gezamenlijke monitoring om patronen te herkennen in criminele activiteiten die over meerdere banken verspreid zijn. Deze leden vragen in hoeverre dit volgens de regering ook positieve effecten heeft voor de effectiviteit en efficiëntie van de poortwachtersrol van banken, die bij beter inzicht in risico’s meer risico-gebaseerd kunnen gaan monitoren en als gevolg daarvan meer capaciteit overhouden voor een goede financiële dienstverlening aan klanten.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de bevoegdheid om een gezamenlijke voorziening op te zetten alleen geldt voor banken. Deze leden vragen of dit dan ook betekent dat alle banken hierbij aangesloten moeten zijn. Als dit niet zo is hoe groot is dan het risico dat kwaadwillende naar niet-aangesloten financiële instellingen gaan voor hun bankzaken? Kan de regering nader onderbouwen waarom niet gekozen is voor een verplichte deelname van instellingen aan de gezamenlijke monitoring om dit risico te voorkomen?

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering een nadere onderbouwing kan geven waarom het transactiebedrag vanaf 100 euro voor gezamenlijke monitoring van particuliere transacties evenredig en proportioneel is. In de toelichting staat dat met deze grens 60 tot 70 procent van alle particuliere transacties en vijf procent van het totaal aan transacties niet gezamenlijk zullen worden verwerkt. Deze leden vragen ter verduidelijking of dit betekent dat het aandeel zakelijke transacties dan ruim 90 procent van het geheel aan transacties uitmaakt. Verder vragen deze leden hoe de regering zich wil inspannen om zorgen ten aanzien van massa-surveillance bij burgers weg te nemen.

Ook vragen de leden van de CDA-fractie hoe groot het risico is dat in het kader van terrorismefinanciering onder de grens van 100 euro per transactie via particuliere kanalen gebleven wordt om zo alsnog onzichtbaar te blijven. Deze leden vragen of ook andere manieren overwogen zijn om het aantal transacties te beperken, zoals bijvoorbeeld meer risico-gebaseerde monitoring.

In de memorie van toelichting lezen de leden van de CDA-fractie dat een functionaris voor gegevensbescherming dient te worden ingesteld bij de gezamenlijke voorziening. Deze leden vragen of één functionaris voldoende is voor de waarborging van privacy bij een gezamenlijke monitoring waar zo gigantisch veel transacties zullen worden verwerkt. Deze leden vragen of deze rol niet zwaarder aangezet moet worden en bijvoorbeeld in samenwerking met een toezichthouder moet worden uitgevoerd. Ook vragen deze leden hoe de toezichthouder onder de voorgenomen opzet goed toezicht wil gaan houden op een dergelijke voorziening. Graag ontvangen deze leden hierop een reflectie van de regering.

De leden van de CDA-fractie lezen dat voor betrokkenen geldt dat zij rechten hebben ten aanzien van hun gegevensverwerking en in het kader van de AVG. Deze leden vragen welke stappen moeten worden doorlopen door klanten om zich op hun recht op rectificatie, uitwissing, verbetering, aanvulling, vernietiging, afscherming of vergetelheid te beroepen wanneer volgens hen sprake is van gegevensverwerking in strijd met de wet.

De leden van de CDA-fractie lezen dat banken zelf een tweejaarlijkse evaluatie dienen uit te voeren naar de naleving van verplichtingen tot cliëntenonderzoek en monitoring van transacties en jaarlijks een onafhankelijke audit naar de bescherming van persoonsgegevens, die met de AP moet worden gedeeld. Deze leden vragen of de resultaten van deze evaluaties/audits ook openbaar worden gemaakt of dat door de AP ook gevraagd kan worden te rapporteren, zodat ook de vinger aan de pols kan worden gehouden wanneer tussentijds problemen ontstaan. Ook vragen deze leden of de AP ook een signalerende rol kan krijgen richting de Kamer, wanneer individuele signalen bij hen gemeld zijn, ongeacht over welk element van de wet, die te groeperen zijn tot tekortkomingen of fouten in de uitwerking van de wetgeving en waar aanpassingen van de wet nodig zijn. Overigens vragen deze leden ook om een nadere toelichting van deze audit/evaluatie in relatie tot de audits/evaluaties genoemd in paragraaf 3.4.1.3 van de memorie van toelichting.

Ten aanzien van de evaluatie van de gehele wet die na een periode van vier jaar wordt uitgevoerd, vragen de leden van de CDA-fractie de regering om de inrichting van de evaluatie nader toe te lichten, omdat die ook relevant is voor de uitvoering van de wet en dataverzameling op bepaalde indicatoren. Deze leden achten het van belang dat de evaluatie zo wordt ingericht dat daarbij daadwerkelijk inzicht ontstaat over de effectiviteit van de informatie-uitwisseling, gezamenlijke monitoring en de contant geld-grens op het aanpakken van witwassen en terrorismefinanciering, door bijvoorbeeld te analyseren wat het effect is op het aantal meldingen van banken, hoeveel meldingen na analyse van de FIU terecht en hoeveel onterecht waren, hoeveel meldingen van de FIU door het Openbaar Ministerie zijn meegenomen in de vervolging en andere relevante gegevens. Deze leden vragen de regering hierop nader in te gaan.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering te bevestigen of zij goed begrijpen dat het BSN-nummer de bank niet verlaat, maar vóór aanlevering aan de gezamenlijke voorziening wordt gepseudonimiseerd en versleuteld, aangezien de banken wel onder de Wft vallen, maar de gezamenlijke voorziening niet.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen ten aanzien van de evaluaties naar de evaluatie van het verlagen van de cashgrens. Deze cashgrens is uitgewerkt in artikel I, onderdeel C, van het wetsvoorstel, terwijl bij de evaluatie van de verlaging van deze cashgrens enkel de onderdelen A en B van het wetsvoorstel worden geëvalueerd. Deze leden vragen of de regering kan toelichten wat het idee is achter deze opzet.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of hun observatie juist is dat op dit moment geen evaluatiebepaling is opgenomen ten aanzien van de gegevensdeling ten behoeve van cliëntonderzoek. Als dit inderdaad het geval is, zo merken deze leden op, dan is dit opmerkelijk en zij vragen in dat geval waarom hiervoor gekozen is.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of hun observatie correct is dat op dit moment geen evaluatiebepaling is opgenomen ten aanzien van de verwerking van bijzondere categorieën persoonsgegevens. Deze leden vragen ook hier wat de achterliggende beweegredenen zijn.

De leden van de GroenLinks-fractie merken daarbij op dat verschillende anti-witwasexperts hebben aangegeven dat om doeltreffend te kunnen evalueren, nu al expliciet gemaakt moet worden op welke indicatoren gestuurd gaat worden. Bijvoorbeeld om te bepalen of een toename van het aantal meldingen of alerts een goed of juist een slecht teken is. Deze leden merken op dat de regering nu vooral nog benadrukt dat de aanbevelingen vanuit de wetenschapstoets die hierop toezien, bij de evaluatie betrokken worden. Terwijl het punt juist is dat die indicatoren nu al geëxpliciteerd moeten worden. Deze leden vragen daarom op welke indicatoren in de evaluatie gestuurd gaat worden.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering bereid is om direct na inwerkingtreding van het wetsvoorstel al data te verzamelen op: hoe vaak (in percentages) informatie-uitwisseling leidt tot een andere beslissing; bij hoeveel gemelde transacties gezamenlijke monitoring heeft bijgedragen; hoeveel van de meldingen uiteindelijk leiden tot een aanklacht van het Openbaar Ministerie; hoeveel cashtransacties van boven de 3.000 euro er ontdekt worden en hoeveel daarvan leiden tot een onderzoek naar criminele banden; hoe goed de risicoselectie-modellen zijn en hoeveel niet gemelde transacties wel gemeld hadden moeten worden.

C. Risico’s en maatregelen

Hoe borgt de regering dat er een adequaat beveiligingsniveau is, gezien gegevenslekken uit het verleden, en dat enkel geautoriseerde personen toegang kunnen krijgen, gezien eerdere casussen waarbij individuen zonder geldige reden toegang hadden tot gevoelige gegevens, vragen de leden van de D66-fractie. Deze leden vragen de regering welke rol voor de toezichthouder de regering hierbij ziet en welke waarborgen er gelden, zoals wie bepaalt of toegang tot gegevens niet alleen geautoriseerd is maar ook rechtmatig.

Hoewel de leden van de D66-fractie een goede en tijdige evaluatie belangrijk vinden, zien deze leden ook het belang van een andere evaluatie, namelijk die van toegankelijkheid tot financiële diensten. Is de regering bereid om banken te verplichten ook de toegankelijkheid van hun dienstverlening en het terugdringen van de problematiek rondom unbankables periodiek en tijdig te evalueren om eraan bij te dragen dat deze problematiek eindelijk wordt opgelost in plaats van enkel versterkt door het onderhavige wetsvoorstel? Deelt de regering de mening van deze leden dat het enkel vragen om de effectiviteit van de maatregelen maar één aspect is, maar dat ook de negatieve gevolgen van het wetsvoorstel geëvalueerd moeten worden om de proportionaliteit ervan te beoordelen? Welke partij acht de regering geschikt om de maatschappelijke kosten en toegankelijkheid van financiële diensten te evalueren en kan die evaluatie gelijktijdig met de genoemde evaluatie in de memorie van toelichting gedeeld worden met de Staten-Generaal? Uit de brief van 13 februari 2023 van de regering19 begrijpen de leden van de D66-fractie de overweging van de regering om aanbeveling vijf van de wetenschapstoets over het wetsvoorstel20, die oproept om concrete indicatoren te expliciteren om inzicht te krijgen in de effectiviteit en efficiëntie, niet direct over te nemen. Deze leden vragen om deze indicatoren juist vooraf inzichtelijk te maken en niet pas bij de evaluatie.

De leden van de CDA-fractie lezen in de risicoparagraaf dat centrale registratiesystemen ook wel zwarte lijsten worden genoemd. Deze leden vragen de regering of het klopt dat centrale registratiesystemen op die manier kunnen worden gebruikt en vragen welke expliciete waarborgen er zijn zodat dit niet op de verkeerde manier wordt gebruikt.

De leden van de CDA-fractie lezen dat inderdaad risico’s kunnen ontstaan bij gegevensdeling, zoals de koppeling van persoonsgegevens die kan leiden tot een onjuist beeld van een klant of risico’s ten aanzien van informatiebeveiliging en toegang tot dergelijke gegevens door derden of onbevoegde medewerkers. Deze leden vragen de regering te bevestigen dat bescherming van burgers en bedrijven voorop staat en vragen om een nadere toelichten op de praktische mechanismes voor rechtsbescherming, effectief toezicht en interventiemechanismes.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de risico’s van verwerking van bijzondere categorieën persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard gemitigeerd worden door een documentatieplicht voor instellingen die hun klanten moeten informeren over het beleid ten aanzien hiervan. Deze leden vragen hoe deze informatie bekend wordt gemaakt aan de klant, zodat deze ook daadwerkelijk begrijpt wat dit inhoudt en wat zijn rechten zijn en dat het niet ergens staat in de kleine lettertjes.

De leden van de PvdA-fractie maken zich zorgen over de toegankelijkheid van betaaldiensten. Het is volgens deze leden van groot belang om een betaalrekening te kunnen aanhouden als mensen mee willen doen in de huidige samenleving. Deze leden vragen de regering hoe de regering aankijkt tegen de zogenaamde «unbankables». Is de regering van mening dat er altijd een type basisbankrekening beschikbaar moet zijn voor mensen ook als zij in het verleden fouten hebben begaan?

§ 3.3 Verduidelijking verwerking bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard A. Verwerking van persoonsgegevens

De leden van de SGP-fractie lezen dat het gegeven dat iemand die een bepaalde godsdienst aanhangt of politieke opvatting heeft een transactie niet ongebruikelijk maakt. Echter, als deze gegevens gecombineerd worden met andere gegevens kan het wel de doorslag geven. Hoe gaat dat in de praktijk in zijn werk? Worden dan eerst de andere gegevens bezien, waarna bijvoorbeeld godsdienstige en/of politieke opvattingen gewogen worden en mogelijk de doorslag geven? Stel dat «de andere gegevens» bij twee personen gelijk zijn, kan het dan voorkomen dat de godsdienstige en/of politieke opvatting van een van hen de doorslag geven om een transactie als ongebruikelijk te bestempelen? Hoe kan dat stroken met het gelijkheidsbeginsel? Wordt hiermee niet inbreuk gemaakt op diverse vrijheden?

§ 3.4 Adviezen Autoriteit Persoonsgegevens

Het is de leden van de VVD-fractie opgevallen dat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) een andere lezing heeft van de feitelijke gevolgen die deze wet heeft dan bijvoorbeeld Transparency International en de banken. Deze leden vragen of de regering bereid is in gesprek te treden met de AP over haar advies om te bezien in hoeverre tot een gedeeld beeld van de gevolgen van deze wet kan worden gekomen en op welke wijze de zorgen die de AP heeft geuit zoveel mogelijk kunnen worden weggenomen.

De leden van de PvdA-fractie hechten veel waarde aan de adviezen van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Deze leden moeten vaststellen dat ook het onderhavige wetsvoorstel niet kan rekenen op een positief oordeel van de AP. Hoe weegt de regering deze kritische houding van de AP en deelt zij de risico’s die de AP ziet?

§ 3.4.2 Advies gebruik BSN, BRP, UBO-register

De leden van de CDA-fractie lezen dat ten aanzien van de (Ultimate Beneficial Owners) UBO-gegevens, banken geen toegang krijgen tot de afgeschermde gegevens, waarbij de vraag is of de openbare set gegevens niet al voldoende is. Deze leden vragen wat het gevolg is van de uitspraak van het Europees Hof inzake het openbare UBO-register voor de toegang van banken tot de informatie. De bevestiging van UBO’s in het register zou mogelijk juist de last voor klanten, waaronder ook particulieren en bedrijven, maar bijvoorbeeld ook verenigingen en stichtingen, kunnen verminderen die nu veel gegevens moeten aanleveren ten aanzien van UBO’s.

De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat banken een wettelijke verplichting hebben om te weten met wie ze zakendoen (de zogenaamde KYC). Klopt het, zo vragen deze leden aan de regering, dat banken een aantal van de hierbij cruciale gegevens niet objectief kunnen verifiëren, zoals naam en woonadres, gezagsverhouding ouder/minderjarige, overlijden en dergelijke, en dat banken hierdoor afhankelijk zijn van de opgave van de klant, zonder dat zij dergelijke gegevens kunnen verifiëren? Klopt het dat door het gebrek aan onafhankelijke verificatie sprake is van allerlei vragen aan de klant, bijvoorbeeld of deze kan aantonen dat het adres juist is door pseudo-bewijs zoals een energierekening? Klopt het dat dergelijke vragen strijdig zijn met het AVG-principe van dataminimalisatie en dat deze vragen er mogelijk zelfs toe leiden dat kwetsbare klanten «unbankable» worden als ze niet reageren op verzoeken en de bank vervolgens gelet op Wwft-verplichtingen de relatie moet beëindigen. Zou het gebruik van het BSN, DigiD (zoals bij pensioenfondsen gebruikelijk is) of toegang tot het Basisregistratie Personen (BRP) dit kunnen verbeteren? Welke overwegingen heeft de regering hierbij en welke stappen overweegt de regering in de toekomst te zetten op dit vlak?

§ 3.4.2.1 Overwegingen AP bij het gebruik van het BSN

De leden van de CDA-fractie lezen dat de AP meegeeft dat de groep instellingen zeer omvangrijk en divers is en dat een groot deel van deze groep geen ervaring heeft met de verwerking van het gevoelige BSN-gegevens, hetgeen extra risico’s met zich meebrengt. Deze leden hebben eerder in de memorie van toelichting gelezen dat banken juist wel ervaring met de verwerking van het BSN hebben. Deze leden vragen of de regering nader kan toelichten op welke «groep instellingen» de AP doelt, waarom deze geen ervaring zouden hebben met de verwerking van het BSN en hoe dit nu wordt ondervangen in het wetsvoorstel.

§ 3.4.2.2 Verwerking opmerkingen AP

De leden van de D66-fractie lezen dat de AP is geconsulteerd over een concept van het voorliggende wetsvoorstel. Hoe is de kritiek van de AP verwerkt in het wetsvoorstel zoals dat op dit moment voorligt? Voorts vragen deze leden welke publieke waarborgen er zouden gelden indien deze private instellingen deze verregaande bevoegdheden zouden krijgen.

Uit de brief van 13 februari 2023 van de regering21 begrijpen de leden van de D66-fractie de overweging van de regering om aanbeveling drie van de wetenschapstoets over het wetsvoorstel22, die oproept de transactiemonitoring te beleggen bij een entiteit zonder winstdoelstelling, niet direct over te nemen. Hoe kijkt de regering naar de in de kern tegengestelde belangen van winstmaximalisatie en de beste bestrijding van witwassen en het financieren van terrorisme?

De leden van de D66-fractie vragen daarnaast naar een toelichting op de keuze van de regering om nadere gegevensbescherming uit te werken per algemene maatregel van bestuur (AMvB) in plaats van dit op te nemen in het wetsvoorstel. Deelt de regering de mening van de leden van de D66-fractie dat deze maatregelen dermate belangrijk zijn dat een plaats in het wetsvoorstel hiervoor passend is?

Zoals de leden van de CDA-fractie eerder opmerkten in paragraaf 3.2 van de memorie van toelichting zullen kwaadwillenden altijd manieren zoeken om wetgeving te omzeilen. Deze leden vragen hoeveel banken van de gehele populatie zich naar verwachting zullen aansluiten bij de gezamenlijke monitoring, hoeveel banken dat overlaat welke zich niet aansluiten en wat het risico is dat criminelen hun toevlucht meer bij laatstgenoemde banken zullen zoeken.

§ 4. Uitvoering en handhaafbaarheid

Het is de leden van de VVD-fractie op basis van de kabinetsreactie op de wetenschapstoets niet duidelijk of de regering nu voornemens is om de aanbeveling op te volgen om codes te koppelen aan strafdossiers. Is de regering voornemens deze aanbeveling op te volgen? Zo nee, op welke wijze wil de regering dan wel de effectiviteit van de monitoring versterken, aangezien in de huidige praktijk grote aantallen onterechte meldingen worden verwerkt?

Niet alleen zien de leden van de D66-fractie een belangrijke taak voor de toezichthouders bij het voorliggende wetsvoorstel, maar deze leden vragen de regering naar een inschatting van de effecten van de uitvoering van het wetsvoorstel voor individuele ondernemers en klanten van banken. Wat zijn de gevolgen van het onderhavige voorstel, zowel voor de kosten als voor de handhaafbaarheid?

§ 4.1 Bureau Toezicht

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de uitvoeringstoets die is verricht door Bureau Toezicht Wwft (BTWwft) naar aanleiding van dit wetsvoorstel en specifiek het verbod op contante betalingen vanaf 3.000 euro. Deze leden vragen hoe de regering een onderscheid tussen goederen en diensten denkt te kunnen handhaven als iemand ook de dienst kan verkopen om een product aan te schaffen en zo buiten de regels valt. Kan de regering toelichten waarom ervoor is gekozen om een kunstmatig onderscheid tussen goederen en diensten te introduceren en wat de voordelen daarvan zijn ten opzichte van gelijke regels voor alle verkopen van ondernemers? Dezelfde vraag stellen deze leden over het onderscheid tussen particulieren en ondernemers. Voorts vragen deze leden naar een ander aandachtspunt van BTWwft in haar uitvoeringstoets, namelijk de territoriale werkingssfeer. De leden van de D66-fractie vragen naar transacties tussen Europees Nederland en het Caribisch deel van Nederland. Kan de regering een beeld schetsen van de gevolgen voor transacties die plaatsvinden tussen deze twee gebieden en de mogelijke verplaatsing van transacties van Europees Nederland naar het Caribisch deel van Nederland?

De leden van de CDA-fractie lezen dat Bureau Toezicht Wwft (BTWWft) het wetsvoorstel uitvoerbaar acht, mits de benodigde capaciteit op tijd kan worden geworven en de benodigde IV-capaciteit beschikbaar is. Deze leden vragen hoeveel personele capaciteit er extra nodig is en hoe waarschijnlijk het is dat deze capaciteit tijdig wordt geworven. Ook vragen deze leden wanneer bekend is of er voldoende IV-capaciteit is.

BTWwft onderkent inderdaad het risico dat kwaadwillende zullen proberen andere routes te zoeken buiten de 3.000 euro grens voor contanten om en dat zij zullen proberen dit om te zetten in diensten, die niet onder het verbod vallen. Deze leden vragen wat de motivatie van de regering was om diensten niet onder het voorstel te laten vallen en of met het verbod niet het risico bestaat dat een grote verschuiving naar diensten plaatsvindt.

Ook ziet BTWwft het risico op een verschuiving naar over de grens. De leden van de CDA-fractie lezen dat Nederland met een aantal andere landen een non-paper heeft opgesteld voor een Europees verbod. Deze leden vragen hoe groot de regering de kans acht dat Duitsland akkoord zou gaan met een dergelijk voorstel, aangezien in Duitsland nog heel veel met contant geld betaald wordt en juist minder digitaal. Zou de regering daarom niet naar andere maatregelen moeten kijken om het waterbedeffect te mitigeren?

In de Uitvoeringstoets van de Belastingdienst leest het lid Omtzigt dat de personele gevolgen voor de Belastingdienst neerkomen op 26 fte structureel. Dit lid constateert dat de regering het afgelopen jaar herhaaldelijk erop heeft gewezen dat de Belastingdienst tegen de grenzen van haar kunnen aanloopt en dat er sprake is van «onvoldoende capaciteit om alle beleidsmatige en politieke wensen uit te voeren». Dit lid vraagt hoe realistisch de regering het acht dat de benodigde fte’s gevonden gaan worden en wat de consequenties zijn indien dit niet mogelijk blijkt te zijn. Dit lid vraagt daarbij in het bijzonder of capaciteit van andere afdelingen binnen de Belastingdienst ingezet gaat worden om de gaten bij Bureau Toezicht Wwft te vullen wanneer blijkt dat de vacatures open blijven staan. Kan de regering garanderen dat een onverhoopt personeelstekort nooit zal leiden tot oneigenlijk gebruik door banken en een inbreuk op de grondrechten van burgers?

§ 4.2 De Nederlandsche Bank t.a.v. samenwerking en informatie-uitwisseling instellingen

De leden van de D66-fractie begrijpen het verzoek van DNB om een andere formulering naar een meer risicogebaseerde onderzoeksplicht, maar vragen de regering naar een reflectie op de mate waarin bepalingen in de wet expliciet moeten zijn en duidelijk afgebakend in relatie tot de snel veranderende wereld waarin criminelen proberen geld wit te wassen of terrorisme te financieren. Hoe kijkt de regering naar de vrees van instellingen voor een boete van DNB omdat de instelling niet streng genoeg was en de mogelijkheid dat instellingen daardoor het zekere voor het onzekere nemen en misschien wel te streng zijn? Deze leden vragen naar de wenselijkheid om instellingen te bestraffen die de regels té streng toepassen waardoor personen en bedrijven zonder verkeerde intenties en die voldoen aan alle regels geen diensten meer kunnen afnemen, zoals sekswerkers die geen hypotheek kunnen krijgen.

§ 5. Financiële gevolgen en regeldruk

Het baart de leden van de D66-fractie zorgen dat de kosten van de verplichting om gegevens te delen tussen instellingen bij cliëntenonderzoek volgens de regering niet kwantificeerbaar zijn. Als onduidelijk is wat de kosten kunnen zijn, vragen deze leden hoe een goede afweging gemaakt kan worden tussen de kosten en de baten. Hoe kijkt de regering naar de huidige kosten voor het anti-witwasbeleid, waarbij instellingen vele medewerkers in dienst hebben om aan de regelgeving te voldoen, in verhouding tot de opbrengsten voor de maatschappij en hoe verhouden de kosten van de naleving in Nederland zich tot de kosten in andere Europese lidstaten? Kan de regering daarnaast reflecteren op het relatief kleine aantal banken in Nederland in verhouding tot andere lidstaten en de gevolgen daarvan voor de kosten van de naleving? Is de regering bereid om aanbevelingen zeven en negen van de wetenschapstoets over het wetsvoorstel23, die oproept om een indicatie te vragen aan banken zodat een kostenraming mogelijk wordt, over te nemen?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering of de regering kan aangeven of de regering verwacht dat door het huidige wetsvoorstel consumenten en ondernemers meer risico lopen om uitgesloten te worden van de financiële dienstverlening.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen voorts of de regering aanvullende maatregelen zal nemen omtrent het organiseren van de ondersteuning voor klanten die ten onrechte de dienstverlening geweigerd wordt vanwege de poortwachtersfunctie. Indien ja, welke maatregelen? Indien nee, waarom niet?

§ 5.1 Gevolgen voor het bedrijfsleven

§ 5.1.1 Verbod op contante betalingen vanaf € 3.000

Als ondernemers van alle klanten moeten gaan bijhouden wat zij eerder hebben gekocht en of er een mogelijk verband is met een toekomstige verkoop zien de leden van de D66-fractie veel (negatieve) gevolgen. Niet alleen moet een ondernemer alle aankopen en de samenstelling nauwkeurig gaan bijhouden, met alle administratieve lasten van dien, de ondernemer moet ook de samenhang tussen aankopen van verschillende personen gaan administreren. Deelt de regering de zorgen van de leden van de D66-fractie over de schending van de privacy van consumenten die dit ten gevolge zou hebben en hoe zijn de enorme administratieve lasten voor ondernemers meegenomen in de analyse van de financiële gevolgen van het onderhavige wetsvoorstel?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen op dit punt of de regering kan aangeven welke wijzigingen plaats zullen vinden in de IV-portefeuille van de Belastingdienst en of er genoeg mensen geworven kunnen worden om de wijziging in de cashgrens te kunnen uitvoeren.

§ 5.1.2 Gegevensdeling tussen instellingen bij cliëntenonderzoek

De leden van de CDA-fractie lezen dat de kosten voor instellingen van het cliëntonderzoek nogal kunnen oplopen. Dit zijn allemaal kosten die de banken dienen te dragen. De totale kosten zijn volgens de memorie van toelichting nog niet te kwantificeren, maar deze leden vragen of de regering de banken kan vragen om een indicatie van de kosten over het aantal transacties waarvoor gegevensdeling verplicht wordt, waarvoor een kostenraming toch mogelijk is. Deze leden zien wel het risico dat wanneer de kosten flink zullen stijgen, banken dit uiteindelijk ook aan de klant zullen gaan doorberekenen en de kosten van de dienstverlening daarmee stijgen. Deze leden vragen of de regering dit risico ook ziet en of dit kan worden gemonitord en de regering hierover bijvoorbeeld een jaar na inwerkingtreding kan rapporteren. Deze leden zien overigens ook de andere kant. Kosten kunnen misschien wel lager worden omdat informatie van andere instellingen kan worden gebruikt en risico’s beter kunnen worden ingeschat. Voorts vragen de leden van de CDA-fractie ook wat het risico is dat banken de capaciteitsvergroting van meer onderzoek qua personeel en kosten niet aankunnen.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering ook heeft overwogen de kosten die gemoeid zijn met het instellen van de nieuwe voorzieningen, te investeren in de uitbreiding van de capaciteit van de FIU en het OM. Kan de regering een inschatting geven van de verschillen in pakkans en vervolging bij deze laatste route?

§ 5.2 Adviescollege Toetsing en Regeldruk

De leden van de D66-fractie herkennen zich in het advies van het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) om ondersteuning te organiseren voor cliënten van instellingen aan wie vanwege de poortwachtersfunctie ten onrechte dienstverlening is geweigerd. Deze leden begrijpen dat de regering van mening is dat hieraan tegemoet is gekomen door in de toelichting te verduidelijken dat de individuele risicoafweging nog steeds leidend is, waarbij deze leden de woorden «nog steeds» graag markeren. Deze leden zien namelijk nog te veel signalen van categorale uitsluiting door banken, waarbij de individuele risicoafweging wordt beperkt tot het vaststellen van tot welke beroepsgroep iemand behoort om te bepalen of dienstverlening aangeboden kan worden. Deze leden vragen daarom hoe de regering hiernaar kijkt. Voorts vragen deze leden of de ATR is geconsulteerd over de aanpassing en of die van mening is dat deze haar kritiek in voldoende mate adresseert. Daarnaast vragen deze leden of de regering het met de leden van de D66-fractie eens is dat een onafhankelijke second opinion op een weigering door een instelling wenselijk kan zijn om te voorkomen dat instellingen door risicomijdend gedrag geen diensten verlenen aan klantgroepen met een hoger risico, waardoor deze klanten nergens meer diensten kunnen afnemen en zo richting risicovollere vormen van dienstverlening worden gedreven. Is de regering het met de leden van de D66-fractie eens dat cherry picking door instellingen voorkomen zou moeten worden?

De leden van de CDA-fractie lezen dat consumenten en kleinzakelijke ondernemers die onterecht zijn uitgesloten van de dienstverlening, een klacht in kunnen dienen bij het Kifid. Deze leden hechten zeer aan een goede rechtsbescherming van burgers en bedrijven als een afwijzing onterecht is. Een procedure bij het Kifid lijkt een aanvullende beschermingsmogelijkheid voor klanten om tijdrovende en kostbare juridische procedures te voorkomen. Gezien het belang van toegang tot financiële dienstverlening, vragen deze leden of de regering van mening is of een procedure bij het Kifid een voldoende snelle behandeling van onterechte afwijzingen biedt of dat aanvullende manieren moeten worden onderzocht om klanten voldoende laagdrempelige en snelle rechtsbescherming te bieden.

§ 6. Openbare consultatie

§ 6.1 Algemeen

De regering schrijft dat «in de aanloop naar het plan uitgebreid gesproken [is] met verschillende betrokken partijen», constateren de leden van de D66-fractie. De leden van de D66-fractie begrijpen dat het hier om poortwachters en toezichthouders zal gaan. Op welke manier zijn consumenten en ondernemers die onder de voorgenomen regelgeving vallen hierover gehoord?

§ 6.2 Verbod op contante betalingen vanaf € 3.000

In de meest recente National Risk Assessment (NRA) wordt «aangegeven dat contant geld witwassen via diensten/goederen van (grootwaarde)handelaren door experts als een van de witwasdreigingen met de grootste potentiële impact wordt gezien», zo lezen de leden van de D66-fractie in de memorie van toelichting. Deze leden vragen naar een uitleg van de regering over de formulering «contant geld via diensten/goederen» in deze argumentatie in relatie tot het wetsvoorstel, waarin alleen contante betalingen voor goederen worden verboden.

§ 6.4 Gezamenlijke transactiemonitoring door banken

Op dit punt lezen de leden van de D66-fractie over een voorkeur van respondenten voor «een verplichting om een register te voeren». Wil de regering dat er een centraal register gevoerd wordt en zo ja, waarom verplicht de regering de oprichting daarvan niet en zorgt zij voor voldoende publieke waarborgen en zo nee, waarom houdt de regering die mogelijkheid open met het voorliggende wetsvoorstel, zo vragen de leden van de D66-fractie mede naar aanleiding van de opmerkingen van de AP tijdens het rondetafelgesprek over dit wetsvoorstel in de Kamer24.

Ook hebben de leden van de D66-fractie zorgen over het gebrek aan bescherming van cliënten tegen onnodige uitsluiting door instellingen. Deze leden zien aandacht besteden aan dit onderwerp in de memorie van toelichting niet als voldoende om deze risico’s te beperken en vragen de regering waar consumenten en ondernemers die (categoraal) worden geweigerd terecht kunnen met een klacht en of instellingen consumenten en ondernemers enkel kunnen weigeren op basis van een legitieme non-discriminatoire grond of dat er ruimte is voor willekeur in de geldende regels en in dit voorstel. Als die ruimte bestaat, vragen deze leden naar de wenselijkheid ervan volgens de regering. Deze leden vragen de regering om ook jaarlijkse publicatie van de toegankelijkheid van financiële diensten en dus van de potentiële klanten die zijn geweigerd te publiceren, om beter inzicht te krijgen in de negatieve effecten van het voorkomen van witwassen op de toegankelijkheid van financiële diensten en om maatregelen te vinden die de toegankelijkheid verbeteren maar niet afdoen aan het belang van het bestrijden van witwassen en het financieren van terrorisme.

Verder vragen de leden van de D66-fractie de regering naar een nadere uitleg van de overweging om de mogelijkheid van gezamenlijke transactiemonitoring niet onder te brengen bij een overheidsentiteit met publieke waarborgen. Waarom zou een derde partij in private handen een profiel van de cliënt wel kennen en eentje in publieke handen niet, vragen deze leden in het bijzonder. Hoe kijkt de regering naar de publieke verzameling van data waarbij de private poortwachter de data beoordeelt en daar vervolgens publiekelijk toezicht op is?

§ 6.5.2 Gezamenlijke transactiemonitoring door banken

De leden van de D66-fractie lezen dat «banken die gebruik maken van gezamenlijke transactiemonitoring daarbij ook gebruik mogen maken van het BSN, voor zover zij daar al over beschikken». Hoeveel banken beschikken niet over het BSN van een klant en om hoeveel klanten gaat dat? Als alle banken voor alle klanten over een BSN beschikken, vragen deze leden hoe zij de opmerking «voor zover zij daar al over beschikken» moeten interpreteren.

Hoewel de leden van de D66-fractie positief zijn over het toevoegen van waarborgen voor de verwerking van gegevens van strafrechtelijke aard, vragen deze leden waarom de regering ervoor kiest om deze belangrijke waarborgen per algemene maatregel van bestuur te introduceren. De leden van de D66-fractie vragen de regering om een reactie op de zorgen die zijn gedeeld in position papers en tijdens het rondetafelgesprek over het wetsvoorstel in de Kamer25 door Privacy First en Transparency International26.

Kan de regering reageren op de opmerking van de heer Lelieveldt27 dat het grootschalig monitoren van transacties, zoals dat ook nu al gebeurt, in internationaal opzicht hoogst ongebruikelijk is? Dezelfde vraag stellen deze leden over artikel 23 van de Wwft en de opmerking dat een vrijspraak door een rechter niet betekent dat de eerdere gegevens en melding van een verdachte transactie worden gewist.

ARTIKELSGEWIJS

ARTIKEL I (wijziging Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme)

Onderdeel C (nieuw artikel 1f)

Omdat de leden van de D66-fractie lezen dat het verbod niet geldt voor particulieren onderling, vragen deze leden naar de maatregelen die de regering wil nemen om te voorkomen dat ondernemers een erg makkelijke andere route hebben om contante betalingen te accepteren. Deze vraag sluit aan bij een eerdere vraag over een specifiek verbod voor goederen en niet voor diensten.

Onderdeel E (nieuw artikel 3b)

De leden van de D66-fractie hebben gehoord dat de AP vraagt om explicitering van het begrip «redelijke maatregelen» dat in artikel 3b wordt gehanteerd. Is de regering bereid om dit begrip te verduidelijken en expliciet te maken?

Daarnaast begrijpen de leden van de D66-fractie dat gegevens in alle gevallen van een hoog risico uitgewisseld worden, maar deze leden horen van experts dat dit niet in alle gevallen per se noodzakelijk is. Daarom vragen deze leden naar de kijk van de regering op de expertise van poortwachters en in hoeverre zij kunnen bepalen of aanvullend onderzoek nodig is ten opzichte van een generieke verplichting voor alle casussen bij alle dienstverleners.

Voorts begrijpen de leden van de D66-fractie dat veel acties afhangen van de bereidheid van de beoogde cliënt om informatie te verstrekken, waaronder over een eventuele vorige dienstverlener. Deze leden vragen de regering om toe te lichten wat de gevolgen van een gebrekkige of ontbrekende informatieverstrekking zijn evenals wat de gevolgen zijn van een niet-tijdige informatieverstrekking door een vorige dienstverlener.

De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat het zesde lid van artikel 3b de mogelijkheid geboden wordt om per AMvB de onderzoeksplicht te doen uitstrekken tot instellingen van verschillende categorieën als bedoeld in artikel 1a. Deze leden vragen op welke wijze deze mogelijkheid zal worden ingevuld en waarom de regering dit per AMvB wil regelen. Is de regering voornemens een analyse uit te voeren wanneer een dergelijke uitbreiding nuttig is voor de effectiviteit van het bestrijden van witwassen?

De leden van de SGP-fractie vragen of het juist is dat instellingen op basis van artikel 3b lid 2 altijd navraag naar de geïdentificeerde maatregelen moeten doen? Of is dit aan de instellingen zelf? Waarom is er niet voor gekozen om instellingen, bijvoorbeeld middels een risicoafweging, zelf deze keuze te laten maken?

Welke informatie en gegevens moeten precies worden verstrekt op basis van het vierde lid van artikel 3b?

In het voorgestelde artikel 3b lid 6 Wwft kunnen nadere regels gesteld worden aan de voorwaarden tot het verruimen of beperken van de groep instellingen. Welke nadere regels overweegt de regering? Is de regering het eens met de leden van de SGP-fractie dat zeer terughoudend omgegaan moet worden met een verruiming van de groep?

Onderdeel G (wijziging artikel 10)

In Artikel 10 lezen de leden van de D66-fractie dat instellingen een derde partij kunnen inhuren, waarna deze instellingen ervoor kunnen kiezen om de informatie te bundelen in een gezamenlijke voorziening. Omdat dit een verstrekkend gevolg zou hebben, namelijk een extreem sensitieve gegevensset met (bijna) alle transactiegegevens van Nederlanders, vragen deze leden waarom banken hiervoor kunnen kiezen. Acht de regering het wenselijk om alle transacties van alle Nederlanders altijd te monitoren en deze transacties altijd te combineren met gegevens van alle banken? Zo ja, dan vragen de leden van de D66-fractie waarom het combineren van gegevens niet wordt verplicht. Zo nee, dan vragen deze leden waarom banken hier wel voor kunnen kiezen. Deze leden vragen naar de manier waarop de volgens deze leden verstrekkende gevolgen van deze centrale datavoorziening zijn geanalyseerd en gewogen. Ook vragen deze leden naar een reactie van de regering op de opmerkingen van de AP hierover. Daarnaast vragen deze leden naar de waarborgen om ervoor te zorgen dat gevoelige informatie binnen Nederland of minstens binnen de Europese Unie blijft.

Onderdeel K (wijziging artikel 34a)

Het toestaan van het verwerken van bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard wordt gebaseerd op redenen van zwaarwegend algemeen belang. Deze verwerking is namelijk in beginsel niet toegestaan op basis van de AVG. Hiervoor moet een uitzonderingsgrond zijn. De regering kiest daarvoor voor de reden van zwaarwegend algemeen belang, omdat er volgens de regering voldaan moet worden aan de verplichtingen van de Wwft. Deze verplichtingen worden echter geregeld middels deze wet. De leden van de SGP-fractie hebben daarover vragen. Wordt hierdoor geen cirkelredenering gecreëerd? Er worden namelijk nieuwe verplichtingen geschapen, die aan de AVG voldoen, omdat er kortgezegd aan deze verplichtingen voldaan moet worden. Wordt hiermee niet een precedent geschapen om ook andere, verregaande maatregelen te nemen, die eenvoudig voldoen aan de AVG? Is er in de wetshistorie van de Wwft vaker op deze manier omgegaan met de uitzonderingsgronden in de AVG? Kan de regering daar voorbeelden van geven?

Onderdeel L (nieuw artikel 34b)

Op dit punt vragen de leden van de D66-fractie aan de regering hoe wordt voorkomen dat een algoritme besluiten kan nemen zonder menselijke interventie, zoals in artikel 22 aan de orde lijkt te zijn.

In aansluiting op de zorgen die deze leden hebben gehoord van de AP, lezen de leden van de D66-fractie in onderdeel L van de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel dat «een gedecentraliseerd systeem dat grote hoeveelheden gegevens vanuit verschillende locaties geïntegreerd en beveiligd moet worden, hetgeen zeer complex en kostbaar is. Een gecentraliseerd model heeft derhalve minder impact op de bestaande systemen van banken». Daarin lezen deze leden dat de regering een (sterke) voorkeur heeft voor een gecentraliseerd systeem, waarbij deze leden zorgen hebben over hoe iemand van een onterechte melding af kan komen.

In lijn met de vraag over het interview van mevrouw Van der Laan, en haar opmerking tijdens het rondetafelgesprek over het wetsvoorstel28 dat een meer toegankelijke route om bezwaar aan te tekenen tegen een onterechte melding (met alle gevolgen van dien) eenvoudiger gemaakt moet worden dan een kostbare stap naar de civiele rechter te moeten maken. Is de regering het met de leden van de D66-fractie eens dat het niet mogelijk moet zijn dat een onterechte melding door één instelling ertoe leidt dat alle instellingen (ten onrechte) gewaarschuwd zijn waarbij iemand naar de rechter moet stappen om dit bezwaar ongedaan te laten maken?

De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat potentieel een groot aantal instellingen toegang kan krijgen tot de voorziening, en daarmee ook tot de persoonsgegevens. Zeker omdat ook na het opzetten van de voorziening andere instellingen aan kunnen haken. Wat zijn de voorwaarden voor instellingen om toe te treden tot de voorziening? Zijn daar geen aanvullende strenge eisen voor noodzakelijk? Wordt deze keuze nu niet te veel aan private banken overgelaten? Worden betrokkenen geïnformeerd over de toetreding van nieuwe instellingen? Hoe wordt geborgd dat persoonsgegevens niet onnodig gedeeld worden? Kunnen betrokkenen te allen tijde zien wie welke persoonsgegevens in handen heeft?

De leden van de SGP-fractie vragen waarom gekozen is voor de grens van 100 euro, en bijvoorbeeld niet voor de grens van 3.000 euro. De Nederlandse Vereniging van Banken geeft aan dat de grens van 100 euro ervoor zorgt dat 60 tot 70 procent minder transacties in aanmerking komen voor monitoring. Om hoeveel gaat het als de grens op 500, 1.000, 2.000 of 3.000 euro ligt?

ARTIKEL IV (evaluatiebepaling artikel I, onderdelen A en B)

De regering schrijft dat «bij de evaluatie in ieder geval de effectiviteit van het gezamenlijk monitoren van transacties en de bescherming van persoonsgegevens binnen de gezamenlijke voorziening betrokken dienen te worden», zo lezen de leden van de D66-fractie. Deze leden vragen of dit betekent dat er een gezamenlijke voorziening voor het monitoren van transacties volgt waarbij alle banken altijd inzicht hebben in alle transacties van alle Nederlanders en welke waarborgen voor de toegankelijkheid van deze gegevens voor betrokkenen gelden. Hoeveel mensen krijgen naar verwachting toegang tot deze gegevens, vragen deze leden aan de regering om in te schatten.

Het lid Omtzigt onderschrijft het belang van een goede en tijdige evaluatie. Waarom, zo vraagt dit lid, is gekozen voor een evaluatietermijn van vier jaar voor de gezamenlijke monitoring en maar liefst vijf jaar voor het verbod op contante betalingen boven de 3.000 euro? Is het nog overwogen om de evaluatietermijn te beperken? Kan de regering voorts uitleggen waarom in het eerste lid van de evaluatiebepaling niet verwezen wordt naar artikel I, onderdeel C? Kan de regering aangeven waarom niet is voorzien in een evaluatie van de gegevensdeling tussen instellingen van dezelfde categorie in het geval sprake is van een verhoogd risico? Kan de regering aangeven of de regering het nodig acht een evaluatie toe te voegen indien middels AMvB een uitbreiding plaatsvindt van de informatiedeling van instellingen die behoren tot dezelfde categorie naar instellingen die ook buiten dezelfde categorie horen?

De voorzitter van de commissie, Tielen

De adjunct-griffier van de commissie, Van den Bos