Kamerstuk 36200-XV-11

Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

Dossier: Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2023

Gepubliceerd: 21 november 2022
Indiener(s): Tunahan Kuzu (DENK)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36200-XV-11.html
ID: 36200-XV-11

Nr. 11 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 21 november 2022

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 13 oktober 2022 voorgelegd aan de ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen. Bij brief van 18 november 2022 zijn ze door de ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Kuzu

De adjunct-griffier van de commissie, Meester-Schap

Beantwoording feitelijke vragen bij de begroting 2023 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Vraag 1

In de aangekondigde aanpak van krapte op de arbeidsmarkt (die in juni naar de Kamer is gezonden) (Kamerstuk 29 544, nr. 1115), hoe groot was de intensivering van de middelen ten opzichte van wat al in het coalitieakkoord en in de voorjaarsnota was voorgenomen?

Antwoord 1

In het coalitieakkoord is een aantal forse intensiveringen voorgenomen, gericht op het meer lonend maken van werk en het beter functioneren van de arbeidsmarkt. Een groot deel hiervan draagt bij aan een arbeidsmarkt die beter bestand is tegen periodes van krapte. Het gaat om:

  • € 2,2 miljard structureel voor een inkomensonafhankelijke vergoeding van 95% van de kosten van kinderopvang;

  • € 500 miljoen structureel die deels wordt ingezet voor het doorontwikkelen van de arbeidsmarktinfrastructuur;

  • 4 keer € 125 miljoen (van 2023 t/m 2026) voor inzet op leven lang ontwikkelen;

  • Een verhoging van het wettelijk minimumloon (WML) met 7,5%, met een intensivering van € 1,4 miljard structureel om gekoppelde uitkeringen (deels) mee te laten stijgen.

In de krapte aanpak is ervoor gekozen om vooral in te zetten op het meewegen van het perspectief van de krappe arbeidsmarkt in de uitwerking van de al voorgenomen intensiveringen uit het coalitieakkoord. Nieuwe maatregelen met verdere intensiveringen kennen een lange looptijd om te implementeren. Bovendien vereisen de beleidsmatige invulling van nieuwe intensiveringen en de uitvoering van gemaakt beleid schaarse capaciteit, die ook nodig is voor de uitvoering van maatregelen uit het coalitieakkoord.

Wel heeft het kabinet in de kraptebrief aangekondigd – naast de genoemde acties in die brief – ook verdergaande maatregelen te onderzoeken. In de Kamerbrief van 24 juni worden een aantal voorbeelden genoemd. Zoals de mogelijkheden van een voltijds- of meerurenbonus in de zorg en het onderwijs (zie antwoord 134), doorwerken na AOW-leeftijd en het praktisch en financieel ontzorgen van mensen die naar krapteberoepen willen overstappen. Daarnaast wordt in de Kamerbrief aangegeven welke subsidieregelingen doorgang vinden of opnieuw zijn opengezet naar aanleiding van de krapte aanpak, zoals de omscholingsregeling voor kansrijke beroepen.

Ook zijn er in de Miljoenennota nieuwe intensiveringen voorgenomen, die bijdragen aan het meer lonend maken van werk, en daarmee ook van invloed zijn op de krapte op de arbeidsmarkt. Dit gaat om:

  • € 500 miljoen structureel voor verlaging van de arbeidskorting;

  • € 700 miljoen verlaging tarief eerste schijf inkomstenbelasting, oplopend tot € 1 miljard structureel;

  • € 113 miljoen structureel voor verhoging van de inkomensonafhankelijke vergoeding van kinderopvang tot 96%;

  • Een versnelde verhoging van het WML met 10% met een intensivering van € 3,2 miljard in 2023, afbouwend tot € 532 miljoen structureel, om gekoppelde uitkeringen mee te laten stijgen.

Vraag 2

Kunt u de ontwikkeling van het aantal en aandeel werkenden met een vast contract, een flexibel contract (zo ver mogelijk uitgesplitst) en werkenden als zelfstandige zonder trendbreuk weergeven voor de jaren vanaf 2000, op basis van de nieuwe Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) methode (teruggelegd in de tijd) en de oude CBS-methode (doorgetrokken in de tijd)?

Antwoord 2

Deze cijfers zijn niet allemaal beschikbaar voor de jaren vanaf 2000. Cijfers voor de nieuwe methode zijn beschikbaar op CBS statline vanaf 2013 en cijfers voor de oude methode zijn beschikbaar op CBS statline vanaf 2003 (bron CBS, Statline, geraadpleegd 27-10-2022). In het archief van CBS staat bovendien een pagina waarop deze cijfers te vinden zijn van 1996, toen er nog een oudere versie van de enquête beroepsbevolking (EBB) werd gehanteerd, tot 2014.

Het overzicht van deze cijfers volgens de nieuwe methode die vanaf 2013 wordt gehanteerd, met contractvormen zo ver mogelijk uitgesplitst, en met de aandelen werkenden met vast contract, met flexibel contract en als zelfstandige meegenomen, ziet er als volgt uit:

 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022 2e kwartaal

Positie in de werkkring

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

Totaal werkenden

8.433

8.382

8.458

8.570

8.744

8.939

9.117

9.116

9.254

9.544

Werknemer

7.199

7.132

7.191

7.270

7.422

7.604

7.761

7.703

7.809

8.037

• Werknemer met vaste arbeidsrelatie

4.723

4.613

4.608

4.622

4.672

4.814

4.996

5.158

5.230

5.282

• Werknemer met vaste arbeidsrelatie (als % van totaal werkenden).

56,0%

55,0%

54,5%

53,9%

53,4%

53,9%

54,8%

56,6%

56,5%

55,3%

• Werknemer met flexibele arbeidsrelatie

2.476

2.519

2.583

2.647

2.751

2.791

2.765

2.545

2.579

2.755

– Werknemer tijdelijk, uitzicht op vast

387

370

411

443

523

586

589

565

520

603

– Werknemer tijdelijk >= 1 jaar

306

317

294

270

259

257

231

245

353

412

– Werknemer tijdelijk < 1 jaar

258

253

258

278

299

267

278

249

263

302

– Oproep/-invalkracht

1.186

1.205

1.223

1.221

1.241

1.240

1.242

1.142

940

949

– Uitzendkracht

339

375

397

436

428

441

426

343

423

408

– Werknemer flex, contract onbekend

.

.

.

.

.

.

.

.

80

81

• Werknemer met flexibele arbeidsrelatie (als % van totaal werkenden).

29,4%

30,1%

30,5%

30,9%

31,5%

31,2%

30,3%

27,9%

27,9%

28,9%

Zelfstandige

1.234

1.251

1.267

1.300

1.322

1.335

1.356

1.413

1.445

1.507

• Meewerkend gezinslid

38

36

40

34

26

26

27

30

33

31

• Zelfstandige met personeel (zmp)

302

299

290

306

311

310

310

329

334

333

• Zelfstandige zonder personeel (zzp)

894

916

936

960

986

999

1.019

1.054

1.078

1.143

Zelfstandige (als % van totaal werkenden).

14,6%

14,9%

15,0%

15,2%

15,1%

14,9%

14,9%

15,5%

15,6%

15,8%

Het overzicht van deze cijfers volgens de oude methode die vanaf 2003 wordt gehanteerd, met contractvormen zo ver mogelijk uitgesplitst, en met de aandelen werkenden met vast contract, met flexibel contract en als zelfstandige meegenomen, ziet er als volgt uit (zie volgende pagina):

 

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022 1e kwartaal

Positie in de werkkring

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

Totaal

7.783

7.761

7.818

7.938

8.169

8.358

8.361

8.278

8.280

8.330

8.266

8.214

8.294

8.403

8.579

8.774

8.953

8.951

9.255

9.412

Werknemer

6.783

6.738

6.763

6.847

7.020

7.164

7.134

7.035

7.031

7.057

6.947

6.860

6.909

7.000

7.154

7.322

7.475

7.421

7.810

7.926

• Werknemer met vaste arbeidsrelatie

5.690

5.659

5.626

5.616

5.635

5.720

5.703

5.585

5.560

5.501

5.309

5.172

5.143

5.158

5.206

5.352

5.552

5.704

5.230

5.296

• Werknemer met vaste arbeidsrelatie (als % van totaal werkenden).

73,1%

72,9%

72,0%

70,7%

69,0%

68,4%

68,2%

67,5%

67,1%

66,0%

64,2%

63,0%

62,0%

61,4%

60,7%

61,0%

62,0%

63,7%

56,5%

56,3%

• Werknemer met flexibele arbeidsrelatie

1.092

1.079

1.137

1.231

1.385

1.444

1.431

1.450

1.471

1.556

1.639

1.688

1.767

1.841

1.948

1.970

1.923

1.717

2.580

2.630

– Werknemer tijdelijk, uitzicht op vast

200

161

158

181

227

243

232

226

253

252

233

230

262

291

344

384

383

349

520

570

– Werknemer tijdelijk >= 1 jaar

102

115

116

125

140

146

165

164

133

161

191

198

187

179

172

168

149

151

353

387

– Werknemer tijdelijk < 1 jaar

162

158

164

169

190

194

200

193

160

174

169

167

175

188

204

190

191

166

263

300

– Oproep/-invalkracht

258

270

292

300

326

344

358

390

446

459

513

531

551

535

546

539

545

509

940

868

– Uitzendkracht

185

182

210

240

248

242

200

198

205

204

205

231

248

279

282

289

266

211

423

422

– Werknemer vast, geen vaste uren

67

70

71

82

95

99

95

103

107

110

128

125

129

130

138

148

152

120

.

.

– Werknemer tijdelijk, geen vaste uren

118

123

126

134

158

176

180

176

167

196

200

206

215

239

262

253

237

211

.

.

• Werknemer met flexibele arbeidsrelatie (als % van totaal werkenden).

14,0%

13,9%

14,5%

15,5%

17,0%

17,3%

17,1%

17,5%

17,8%

18,7%

19,8%

20,6%

21,3%

21,9%

22,7%

22,5%

21,5%

19,2%

27,9%

27,9%

Zelfstandige

1.000

1.022

1.054

1.091

1.149

1.194

1.226

1.242

1.249

1.273

1.319

1.354

1.384

1.403

1.425

1.452

1.477

1.530

1.445

1.486

• Ondernemer

886

912

937

982

1.033

1.068

1.108

1.123

1.123

1.154

1.168

1.209

1.226

1.253

1.294

1.315

1.334

1.377

1.412

1.455

– Ondernemer zonder personeel

567

586

608

648

690

726

767

793

802

833

848

884

910

916

952

966

990

1.028

1.078

1.120

• Meewerkend gezinslid

47

44

47

46

48

41

42

47

52

46

42

41

46

37

29

30

33

34

33

31

• Overige zelfstandige

67

67

70

63

68

84

76

72

74

73

109

104

112

113

102

108

111

120

.

.

• Zelfstandige met personeel (zmp)

319

326

330

334

343

343

341

331

322

321

320

325

316

338

342

349

344

348

334

336

• Zelfstandige zonder personeel (zzp)

634

653

677

711

757

810

843

865

875

906

957

988

1.022

1.028

1.055

1.074

1.101

1.148

1.078

1.120

• Zelfstandige (als % van totaal werkenden)

12,8%

13,2%

13,5%

13,7%

14,1%

14,3%

14,7%

15,0%

15,1%

15,3%

16,0%

16,5%

16,7%

16,7%

16,6%

16,5%

16,5%

17,1%

15,6%

15,8%

Vraag 3

In hoeverre wordt de krapte opgelost als burn-outklachten en bijbehorend uitval op het werk wordt voorkomen?

Antwoord 3

Uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) blijkt dat 17% van de werknemers in 2021 burn-outklachten ervaart. Dat is veel te hoog. Ook de ziekteverzuim cijfers zijn met 5,4% in het tweede kwartaal van 2022 hoog. De huidige arbeidskrapte zorgt voor een toename van werkdruk in vrijwel alle sectoren. Daardoor kan personeel sneller overbelast raken en uitvallen. Een grote inzet op preventie van uitval als gevolg van werkdruk is daarom van belang.

Werkgevers zijn wettelijk verplicht arbeidsrisico’s, waaronder werkdruk, in kaart te brengen en preventieve maatregelen te nemen en dit onderdeel te laten zijn van hun Risico-inventarisatie & Evaluatie (RI&E). SZW werkt samen met VWS, OCW, sociale partners en andere brancheorganisaties aan het meerjarenprogramma Brede Maatschappelijke Samenwerking (BMS) Burn-outklachten. Deze aanpak bestaat onder meer uit het beschikbaar stellen van effectieve instrumenten voor preventie en ervaringen in de praktijk. SZW ondersteunt werkgevers daarnaast met een module over onder andere werkdruk op de website routenaarrie.nl, een online tool waarmee werkgevers een RI&E kunnen maken.

Het verminderen van burn-outklachten en uitval draagt bij aan het aanpakken van krapte, maar zal de krapte niet oplossen. In juni hebben wij samen met collega’s uw Kamer geïnformeerd over de basis van de krapte aanpak en uw Kamer wordt binnenkort geïnformeerd over aanvullende maatregelen.

Vraag 4

Wat is de voorgenomen besteding van de envelop arbeidsmarkt, armoede en schulden? Welke middelen worden waaraan precies toebedeeld? Waar moet nog over worden beslist?

Antwoord 4

In het coalitieakkoord heeft het kabinet een investering aangekondigd van € 500 miljoen per jaar in de hervorming van de arbeidsmarkt, re-integratie en het aanpakken van armoede en schulden.

De intensiveringen uit het coalitieakkoord zijn in eerste instantie op de aanvullende post gereserveerd. Dat geldt ook voor deze reeks van € 500 miljoen. Nadat er in het voorjaar van 2022 een voorlopige verdeling is gemaakt van de € 500 miljoen is een deel van de middelen uit de envelop bij de Voorjaarsnota 2022 en de Miljoenennota 2023 overgeheveld naar de begroting van SZW. Hiervoor zijn concrete en doelmatige bestedingsvoorstellen uitgewerkt. Daarnaast is een deel van de middelen gebruikt als dekking voor acute problemen. Zo is er € 87,5 miljoen gebruikt ter dekking van de energietoeslag in 2022. Voornamelijk voor de jaren 2024 en verder staan er nog middelen gereserveerd op de aanvullende post. Hiervoor worden bestedingsvoorstellen uitgewerkt om de middelen bij de Voorjaarsnota 2023 over te hevelen naar de begroting van SZW. Onderstaande tabel toont welk deel van de envelop is overgeheveld naar de begroting van SZW en welk deel nog op de aanvullende post staat.

Tabel: Uitsplitsing van de middelen uit de envelop arbeidsmarkt, armoede en schulden.

Envelop arbeidsmarkt, armoede en schulden (x € 1 mln.)

2022

2023

2024

2025

2026

Struc.

Aanvullende post

0

10

340

346

382

382

SZW

13,5

239

160

154

118

118

Gemeentefonds

87,5

0

0

0

0

0

Totaal

101

249

500

500

500

500

Voor 2022 en 2023 zijn de meeste middelen al overgeheveld naar de begroting van SZW. Onderstaande tabel toont de voorgenomen besteding van de middelen in 2022 en 2023.

Tabel: Voorgenomen besteding van de middelen in 2022 en 2023.

Envelop arbeidsmarkt, armoede en schulden

2022

2023

Armoede en schulden, waarvan 5 mln. CN

101

1201

Onderwijsroute

0

6

Scholingsbudget WW

0

14

Re-integratie

0

8

Infrastructuur VWNW/VUNW

0

86

Apparaat

0

5

Totaal

101

239

X Noot
1

De € 120 miljoen die in 2023 voor armoede en schulden staat, wordt nog verder uitgesplitst in het Implementatieplan aanpak geldzorgen, armoede en schulden. Dit plan wordt nog naar de Tweede Kamer verzonden.

De middelen voor 2024 zetten we in langs dezelfde lijnen als de middelen voor 2022 en 2023. Daarnaast willen we ook een impuls geven aan de banenafspraak en het beschut werk uitbreiden. Ook reserveren we middelen om de hardheden in de WIA aan te pakken. Tot slot, werk en bestaanszekerheid voor iedereen vergt een duidelijke en evenwichtig speelveld voor werknemers en werkgevers. Daarvoor kijken we naar de scheiding tussen zzp’ers en werknemers. Zoals eerder aangegeven, werken we voor de middelen op de aanvullende post bestedingsvoorstellen uit om deze bij de Voorjaarsnota 2023 over te hevelen naar de begroting van SZW. Daarna zullen we uw Kamer uitgebreider informeren over de bestemming van de middelen uit de envelop.

Vraag 5

Waar zijn de Roemer-gelden die op de aanvullende post staan voor bedoeld? Waarom staan deze middelen nog op de aanvullende post?

Antwoord 5

Bij de Voorjaarsnota is het grootste deel van de Roemer-gelden overgeheveld van de aanvullende post van Financiën naar de SZW-begroting. Een deel van deze overgehevelde middelen in de jaren 2022–2024 is bedoeld voor het versterken van het grensoverschrijdend toezicht op misstanden. In 2022 zijn twee kwartiermakers (bij UWV en SVB) aangesteld die in kaart gaan brengen hoeveel middelen structureel nodig zijn om bij UWV, SVB, Belastingdienst en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit het grensoverschrijdend toezicht te versterken. Vanaf 2025 is hiervoor structureel € 5 miljoen beschikbaar, deze middelen staan in afwachting van een uitgewerkt bestedingsvoorstel nog op de aanvullende post van Financiën. De structurele middelen voor versterking van het grensoverschrijdend toezicht van de Nederlandse Arbeidsinspectie zijn reeds overgeboekt naar de SZW-begroting.

Vraag 6

Waaruit bestaat het hoger instroomrisico van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)? Wat is de omvang hiervan (in aantallen en budget)? Welk deel bestaat uit een hoger instroomrisico van ouderen?

Antwoord 6

In de begroting SZW 2023 is er geen hoger instroomrisico van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) opgenomen. De geraamde instroomkans voor 2023 ligt zelfs iets lager dan die voor 2022. De afgelopen jaren zagen we wel instroomstijging. De belangrijkste verklarende factoren waren:

  • Stijging verzekerdenpopulatie;

  • Verhoging AOW-leeftijd;

  • Stijging aantal heropende uitkeringen (het aantal personen dat ooit een WIA-uitkering had en er opnieuw één aanvraagt, stijgt jaarlijks omdat het aantal personen dat ooit een WIA-uitkering had nog steeds groeit);

  • Stijging toekenningspercentage van de WIA-aanvragen.

Daarnaast worden de afgelopen jaren veel voorschotten verstrekt. Ook dit leidt administratief tot extra instroom, omdat een deel van de voorschotten achteraf niet tot een WIA-recht leidt, maar wel meetelt als instroom. Vanaf 2022 zien we tot slot extra instroom als gevolg van de corona-epidemie die in 2020 begon.

Het instroomrisico bij ouderen stijgt nog wel iets, met name bij de leeftijden dicht onder de AOW-gerechtigde leeftijd. Belangrijkste reden is de verhoging van de AOW-leeftijd en het afschaffen van de vervroegde pensioenregelingen. Steeds meer mensen blijven doorwerken tot de feitelijke pensioenleeftijd. Dit heeft ook effect op de instroom in de WIA.

Vraag 7

Kan per doel uit het coalitieakkoord voor het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) concreet worden aangegeven wat er in 2023 gaat gebeuren om deze doelen te realiseren?

Antwoord 7

Overzicht Activiteiten kabinet 2023 op doelen in coalitieakkoord

Onderwerp in coalitieakkoord

Activiteiten in 2023 tbv realisatie doel

Beleidsmatig richtgetal migratie

ACVZ komt naar verwachting in november 2022 met een advies over een beleidsmatig richtgetal voor migratie. Daarna zal een kabinetsreactie worden opgesteld.

Lastenverlichting 3 mld.

Onderdeel van breder koopkrachtpakket voor 2023, bestaande uit:

– Verhoging wettelijk minimumloon (zie hieronder)

– Verhoging arbeidskorting (onder meer maximum + € 523 naar € 4.605)

– Verlaging tarief eerste schijf (–0,14%-punt naar 36,93%)

– Prijsplafond op energierekening

– Doorzetten energietoeslag

– Verlaging brandstofaccijns

– Verhoging kindgebonden budget

– Verhoging zorgtoeslag

– Verhoging huurtoeslag

– Vervroegen inkomensafhankelijke huurverlaging huurders met inkomen tot 120% sociaal minimum in corporatiewoning naar juli 2023

– Verhoging beurs uitwonende studenten

WML verhogen

1-1-2023: bijzondere verhoging WML (8,05%), incl. reguliere indexatie stijgt WML met 10,15%. Werkt door op alle met het WML samenhangende regelingen (voorkomen doorwerking kan niet bij AMvB, vergt wetswijziging). Hangt samen met verlagen van de Inkomensondersteuning AOW (IOAOW) naar 5 euro per maand per 1-1-2023 en het afschaffen van de IOAOW per 2025 met een wetswijziging in Belastingplan 2023.

Arbeidsaanbod verschillende maatschappelijke opgaven (o.a. klimaat)

Uw Kamer is op 24 juni 2022 geïnformeerd over de krapte aanpak (incl. vergroten arbeidsaanbod) van dit kabinet.

Daarnaast informeert het kabinet uw Kamer over verschillende sectorale aanpakken van krapte. Onderdeel hiervan is om ervoor te zorgen dat er genoeg arbeidsaanbod in die sectoren is (bijvoorbeeld zorg, onderwijs, klimaat, defensie etc.).

Uw Kamer ontvangt zo spoedig mogelijk een volgende brief over aanvullende kraptemaatregelen die nu nader worden uitgewerkt.

Invoering certificeringsstelsel voor terbeschikkingstelling van arbeid (Cie. Roemer)

Q4 2022: wetsvoorstel naar Raad van State; Q2 2023: indiening Tweede Kamer.

Q3 2023: oprichting zbo «certificerende instelling».

2023 – start versterken capaciteit NLA.

Permanente scholing met leerrechten

Doel: extra middelen beschikbaar te stellen voor mensen die minder initiële scholing hebben genoten. Dit gebeurt door van 2023–2026 € 125 mln toe te voegen aan het STAP-budget specifiek voor mensen met max een MBO-4 opleiding. Uitwerking loopt, inwerkingtreding beoogd half 2023.

Reguleren oproep-, uitzend- en tijdelijke contracten

De Kamer ontvangt in januari/februari 2023 een voortgangsbrief over arbeidsmarktbeleid, met daarin de uitwerking op hoofdlijnen.

Daarna in Q1/Q2 2023: internetconsultatie wetsvoorstel, Q2/3 Raad van State, Q4: indiening Tweede Kamer

Zelfstandigen: verduidelijking van «werken in dienst van» en rechtsvermoeden werknemerschap. Webmodule.

Q4 2022 zzp brief aan TK met voortgang verduidelijking, rechtsvermoeden, webmodule en met daarbij ook inzet intensiveren toezicht en stappen naar afschaffen handhavingsmoratorium.

Planning zzp in 2023: Q2 internetconsultatie, Q3/4 Raad van State, Q1 2024 indiening Tweede Kamer in dat geval inzet doorontwikkelde webmodule in loop van 2024.

De Kamer ontvangt daarnaast in januari/februari 2023 een voortgangsbrief over arbeidsmarktbeleid, met daarin de uitwerking op hoofdlijnen.

Implementatie aanbevelingen Aanjaagteam arbeidsmigranten («Roemer») mbt SZW

Het kabinet zet de uitvoering van de aanbevelingen van het Aanjaagteam voort en werkt daarbij samen met gemeenten, provincies en sociale partners. Belangrijkste mijlpalen voor 2023 zijn:

– Voorziene inwerkingtreding Wet Goed Verhuurderschap (BZK);

– Wetgeving verplichte certificering aangeboden aan de Tweede Kamer (SZW);

– Verstrekking contactgegevens en verblijfadressen uit BRP aan gemeenten (BZK);

– Versterking Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA);

– Ondersteuning van gemeenten bij toezicht op huisvesting in samenwerking met de VNG;

– Uitvoering Plan van Aanpak kwetsbare dakloze EU-burgers (VWS, SZW en J&V).

Verbetering informatiepositie inclusief geschillencommissie arbeidsrecht (Cie. Roemer)

De informatievoorziening aan arbeidsmigranten wordt verder verbeterd, onder meer door middel van de website www.workinnl.nl. De coördinatie tussen verstrekkers van informatie wordt verder verbeterd. De precieze invulling van de geschillencommissie wordt verder uitgewerkt.

(Vrijwilligers)werk kansrijke asielzoeker

Om meer inzicht te krijgen in de belemmeringen die de asielzoekers in procedure ervaren om toe te treden tot de arbeidsmarkt wordt hier onderzoek naar gedaan.

De inzichten uit het onderzoek worden in Q1 2023 verwacht en kunnen worden gebruikt bij de vraag of een beleidswijziging aan de orde is.

Afspraken met derde landen over (circulaire) legale migratie

Als onderdeel van afspraken met derde landen over het terugnemen van uitgeprocedeerde asielzoekers, wordt door JenV, BZ en SZW gekeken naar de mogelijkheid om beleid te maken over gerichte visumverlening en tijdelijke legale en circulaire arbeidsmigratie mogelijk te maken binnen strikte wederzijdse afspraken. Er wordt de komende tijd onderzocht met welke landen een mogelijk partnerschap zou kunnen worden aangegaan en onder welke voorwaarden.

Minimumuurloon

Afronding parlementaire behandeling in Eerste Kamer van het initiatiefwetsvoorstel naar verwachting begin volgend jaar (regie ligt bij de initiatiefnemers). Streven is medio 2023 publicatie in Staatsblad.

De lagere regelgeving ter uitvoering van het initiatiefwetsvoorstel is in voorbereiding. Streven is medio 2023 publicatie in Staatsblad / Staatscourant.

Herziening artikel 273f Wetboek van Strafrecht

SZW werkt samen met het Ministerie van Justitie en Veligheid aan de modernisering van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht. Het streven is om voor het kerstreces een concept wetsvoorstel in internetconsultatie te brengen, zodat in 2023 de verdere stappen in het wetstraject kunnen worden genomen van advies Raad van State tot aan behandeling in de Tweede Kamer. Doel is om met het wetsvoorstel een verruiming van de strafbaarheid voor arbeidsuitbuiting te realiseren. Dit strekt ertoe ernstige misstanden in arbeidssituaties effectiever te kunnen aanpakken om de rechtspraktijk eerder en meer mogelijkheden te geven voor het strafrechtelijk optreden tegen arbeidsuitbuiting en ernstige benadeling.

Bestrijden zwangerschapsdiscriminatie

Doorlopende actie, onder andere via verbeteren informatievoorziening richting werkgevers en werknemers en via vergroten maatschappelijke bewustwording. Loopt ook mee in maatschappelijke dialoog gendergelijkheid die in 2023 wordt opgezet.

Betaald ouderschapsverlof naar 70%

Gerealiseerd per 02/08/22

Controle loonverschillen (gender)

Loopt via Europees richtlijnvoorstel loontransparantie, mede afhankelijk van proces in EU. Vooruitlopend op de Europese wetgeving wordt uitwerking in NL wetgeving voorbereid en wordt in 2023 gewerkt aan de ontwikkeling van hulpmiddelen voor werkgevers.

Draagmoederschapsverlof (voortzetten wetgeving)

Opgenomen in wetgeving van JenV

Meldplicht discriminerende uitzendbureaus

Wordt toegevoegd aan Wet toezicht gelijke kansen bij werving en selectie die in de TK voorligt. Streven is de nota van wijziging nog dit jaar aan de TK aan te bieden.

Transitieverlof

Indien dekking wordt gevonden bij voorjaarsbesluitvorming wordt in 2023 het conceptwetsvoorstel afgerond.

Stimuleren van thuiswerken

SZW geeft in 2023, in samenwerking met andere departementen, verder opvolging aan het advies van de SER over de toekomst van hybride werken (maart 2022). Kern van het advies is hoe werkgevers en werknemers ondersteund kunnen worden bij het vormgeven van hybride werken. Vóór de zomer van 2023 wordt de Tweede Kamer op de hoogte gesteld van de voortgang van de uitvoering van het SER-advies middels een Kamerbrief.

Daarnaast geeft SZW opvolging aan de motie van het lid Kröger waarmee de regering wordt verzocht te onderzoeken of en hoe thuiswerken financieel nog aantrekkelijker gemaakt kan worden, met concrete maatregelen zoals effectieve premies, fiscale kortingen of heffingen.

Tot slot treedt de Minister van SZW op als adviseur van de Tweede Kamer bij twee initiatiefwetsvoorstellen die raken aan thuiswerken en hybride werken. Het gaat hier om het initiatiefwetsvoorstel Bereikbaarheid buiten werktijd (PvdA) en het initiatiefwetsvoorstel Werken Waar Je Wilt (D66 en GroenLinks).

Extra middelen toezichthouders en inspectie

Zowel het kabinet Rutte III als het kabinet Rutte IV hebben structureel extra middelen vrijgemaakt voor de handhavingsketen van SZW in het algemeen en van de Nederlandse Arbeidsinspectie in het bijzonder. De extra middelen van het kabinet Rutte III zitten in de departementale begroting en zijn grotendeels bestemd voor de Arbeidsinspectie. De extra middelen van Kabinet Rutte IV maken deel uit van de departementale begroting maar welk deel bestemd is voor de Arbeidsinspectie is nog niet exact bepaald.

KOT directe financiering

Ontwerpen nieuwe financieringsstelsel samen met DUO, Toeslagen, UWV SVB en KO-veld tot 1 juli 2023. Vanaf 1 juli start bouw van het stelsel met de beoogd uitvoerder van het nieuwe stelsel.

KOT loslaten koppeling gewerkte uren (kgu)

Op 11 oktober 2022 is het gewijzigde Besluit kinderopvangtoeslag gepubliceerd dat regelt dat de kgu per 2023 wordt losgelaten. Uitvoerder Toeslagen zal hier per 1 januari 2023 naar handelen. Hiermee is het doel gerealiseerd.

KOT naar 95% (tijdens augustusbesluitvorming is besloten het vergoedingspercentage te verhogen naar 96%)

In samenhang bezien met ontwerpen nieuwe financieringsstelsel.

Pensioenakkoord uitvoeren

– In coalitieakkoord is opgenomen dat het tweede pijlerpensioenstelsel zal worden hervormd, op basis van de afspraken die zijn gemaakt in het pensioenakkoord. Dit leidt tot een toekomstbestendig pensioenstelsel dat eerder zicht geeft op een koopkrachtiger pensioen, transparanter is en beter past bij de arbeidsmarkt en samenleving van nu.

– Beoogd is dat de wetgeving voor het nieuwe stelsel 1/7/’23 in werking treedt. Vervolgens hebben sociale partners en pensioenuitvoerders tot 2027 de tijd om de overstap naar het nieuwe stelsel te maken. Het kabinet zal met de sectorpartijen en toezichthouders de overstap naar het nieuwe stelsel vanaf 2023 nauwlettend volgen en waar nodig tijdig bijsturen.

Uitbreiding arbeidsmarktinfrastructuur

– Uitwerking uitgangspunten van de arbeidsmarktinfrastructuur op basis van de Kamerbrief van 11 okt. jl. met betrokken partijen.

– Tweede Kamer wordt in voorjaar 2023 geïnformeerd over de uitwerking uitbreiding arbeidsmarktinfrastructuur.

– Medio 2023 start wetgevingstraject.

Beschutte werkplekken uitbreiden

– Afronding onderzoek naar de financiering van beschut werk.

– Besluitvorming over nieuw verdeelmodel beschut werk.

– Besluitvorming over de uitwerking van de ambitie uit het coalitieakkoord.

– Kamer informeren over de gekozen uitwerking.

Bijverdiengrenzen Participatiewet

Indienen wetsvoorstel

Brede armoede- en schuldenaanpak doorzetten

Uitvoeren van de Aanpak geldzorgen, armoede en schulden. Voor de begrotingsbehandeling stuurt M APP het implementatieplan naar de TK.

Kinderarmoede halveren in 4 jaar

Uitvoeren van de Aanpak geldzorgen, armoede en schulden. Voor de begrotingsbehandeling stuurt M APP het implementatieplan naar de TK.

Kostendelersnorm tot 27

Verwachte ingangsdatum 1 januari 2023 (afhankelijk van behandeling Eerste Kamer)

Schuldenaanpak (preventie, vroegsignalering, eisen bewindvoerders, aanpassing schuldhulp)

Uitvoeren van de Aanpak geldzorgen, armoede en schulden. Voor de begrotingsbehandeling stuurt M APP het implementatieplan naar de TK.

Sociaal minimum elke 4 jaar herijken

Commissie Sociaal Minimum komt voor eind juni met advies. Daarna verdere beleidsvorming.

Actief benaderen en ondersteunen naar werk van mensen die langdurig in bijstand zitten

Het kabinet faciliteert gemeenten bij hun re-integratietaak op grond van de Participatiewet langs de volgende wegen:

– wetsvoorstel Breed Offensief (in behandeling EK, planning inwerkingtreding jan/juli 2023)

– verruiming bijverdiengrenzen en vereenvoudiging verrekenen inkomsten (loopt mee in traject P-wet in balans)arbeidsmarktinfrastructuur

– verbeteren banenafspraak

impuls praktijkleren in 2023.

Arbeidsparticipatie en positie van mensen met een arbeidsbeperking verbeteren

– Wijzigingen van de Participatiewet Uitvoeren Breed Offensief invoeren na behandeling in de Eerste Kamer

– Verbeteren banenafspraak en ondersteuning cf. vervolgstappen zoals aangekondigd in de brief aan de Tweede Kamer van 7 juli 2022.

– Wb beschut werk: zie hierboven.

Maatschappelijke initiatieven inburgering ondersteunen

Voor de zomer heeft overleg plaatsgevonden met VNG, Divosa en OCW (verantwoordelijk voor maatschappelijke diensttijd (MDT)) over kansen om MDT in te zetten voor inburgering. Dit heeft geleid tot extra aandacht bij gemeenten voor MDT (via o.a. nieuwsbrief, praktijkvoorbeeldenbank). De komende periode wordt bezien of er nog meer mogelijkheden zijn om maatjesprojecten te stimuleren. Naar verwachting zal de TK hierover in het 1e kwartaal van 2023 worden geïnformeerd.

Verbeterplan oud inburgeringsstelsel

Het wetsvoorstel waarmee hardheden uit de Wi2013 worden verzacht is op 18 oktober jl. door de Eerste Kamer aangenomen. De uitwerking daarvan (aanpassing van het Besluit inburgering 2021) ligt thans voor advies bij de Raad van State. Naar verwachting zullen de aanpassingen per 1 januari 2023 in werking treden.

Versterken taskforce problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering

De Kamer wordt in 2023 geïnformeerd over de Taskforce PG&OBF. Momenteel vindt heroriëntatie van de taken van de Taskforce plaats door de participanten. Deze heroriëntatie heeft tot doel om de werkzaamheden van de Taskforce beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke ontwikkelingen.

Wi2021/(1) Onderwijsroute mogelijk aanpassen en (2) inrichten nieuw toezicht

(1) De TK is op 29 juni jl. geïnformeerd over het feit dat er voor de periode tot en met 2025 aanvullend budget beschikbaar is gesteld voor gemeenten voor de inkoop van de onderwijsroute. Ondertussen worden de opties voor structurele borging van de onderwijsroute in kaart gebracht. Een van de opties is het onderbrengen van de onderwijsroute binnen het publiek bekostigd onderwijs. In dat kader vindt er (o.a.) een vervolgonderzoek door EY plaats naar de kosten en effecten daarvan. Uitgangspunt en toezegging aan de TK is om voor het kerstreces de TK te informeren over de opties en besluitvorming.

(2) De TK is op 4 juli 2022 geïnformeerd over de uitkomsten van de verkenning naar publiek toezicht (in de Uitvoeringsbrief inburgering). De uitkomst daarvan is dat de mogelijk beperkte meerwaarde van een omvangrijke herziening op dit moment niet opweegt t.o.v. de huidige situatie waarin al forse stappen zijn gezet om het toezicht te verbeteren (incl. inwerkingtreding Wi2021).

Tegengaan institutioneel racisme (etnisch profileren)

Inzet is institutioneel racisme tegen te gaan. In sept 2022 is het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme door MBZK aangeboden aan de TK. Zie blz 24 t/26 voor een overzicht van de maatregelen. Bijvoorbeeld rijksbrede uitrol van toetsingskader Discriminatie door risicoprofielen, Richtlijnen voor toepassen van algoritmen door overheden en de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme met een brede doorlichting op discriminatie en etnisch profileren bij de overheid.

Beoordelen wetten op eenvoud, menselijke maat en uitvoering

Vereenvoudigingsagenda: werken aan het oplossen van concrete knelpunten die door burgers en uitvoering worden ervaren als gevolg van complexiteit van wet- en regelgeving.

IBO vereenvoudiging: kijkt fundamenteel naar het stelsel en zal beleidsopties formuleren waarmee via vereenvoudiging de werking en doelmatigheid van het stelsel verbeterd kan worden.

Uitvoeringstoetsen + hoofdlijnenbrieven

Bij de totstandkoming van wet- en regelgeving wordt er altijd gevraagd om een uitvoeringstoets bij de uitvoeringsorganisaties. UWV en SVB worden ook in de periode voorafgaand aan de uitvoeringstoets actief betrokken bij de totstandkoming van beleid. In de uitvoeringstoets is er aandacht voor de uitvoerbaarheid van wet- en regelgeving, maar ook voor het doenvermogen van burgers. Daarnaast werkt SZW samen met UWV en SVB aan de vormgeving van de invoeringstoets. Momenteel worden er pilots gedraaid om ervaringen op te doen met de I-toets en om uit te proberen wat werkt. Het uitgangspunt is om voor alle nieuwe regelingen een I-toets uit te voeren waarbij het burgerperspectief centraal staat.

Wanneer zich het komend jaar grote wetsvoorstellen voordoen, worden deze voorafgegaan door een hoofdlijnenbrief.

Voortzetten WAU

Met het programma Werk aan Uitvoering zet het kabinet, samen met de uitvoering en mede-overheden, in op de belangrijkste thema’s om de dienstverlening voor burgers (en bedrijven) echt te verbeteren: zorgen dat de overheid randvoorwaarden heeft om de publieke taken goed te vervullen. Op 4 juli 2022 is per brief laten weten met welke gezamenlijke prioriteiten deze kabinetsperiode (2023 en verder) aan de slag wordt gegaan via en met het programma Werk aan Uitvoering. Daarbij hoort het realiseren van de menselijke maat in grootschalige processen, persoonlijke dienstverlening en in uiterste instantie, maatwerk en het aanpakken van onbedoelde, maar in de praktijk hardvochtig uitpakkende wetten en regels. Maar ook door de samenwerking tussen politiek, beleid en uitvoering te verbeteren, opdat wat politiek wordt beloofd ook waargemaakt kan worden in de praktijk. Op deze manier kunnen dilemma’s in de uitvoering transparant politiek worden gedeeld en gewogen. Hier zal in 2023 ook verder op worden ingezet.

Alle bewindspersonen zijn afzonderlijk verantwoordelijk voor de onder hen vallende uitvoeringsorganisaties en voor de manier waarop die in staat gesteld worden hun taken in de praktijk uit te voeren voor burgers en ondernemers, binnen de randvoorwaarden van het coalitieakkoord. Zij informeren de Tweede Kamer over de behaalde resultaten. Eind dit jaar zal de Kamer op deze beleidsprioriteiten een eerste voortgang bij de verschillende departementen, uitvoeringsorganisaties en mede-overheden en programma WaU worden toegestuurd. Ook zal binnenkort de eerste Staat van de Uitvoering verschijnen.

Onvolledige opbouw AOW ouderen Surinaamse herkomst

Het kabinet verkent of het mogelijk is om een eenmalig onverplichte tegemoetkoming als gebaar van erkenning, dat losstaat van het AOW-gat, te treffen voor deze groep Surinaamse ouderen. Zie hiervoor ook de brief van vrijdag 11 november jl.

Hardheidsclausules waar mogelijk

De Minister van BZK heeft in juli 2022 mede namens de Minister voor Rechtsbescherming en de Minister APP de Tweede Kamer geïnformeerd over discretionaire bevoegdheden en hardheidsclausules. Het kabinet heeft de voorkeur voor goed omlijnde discretionaire bevoegdheden, maar wanneer dit geen optie is kan gebruikt worden gemaakt van hardheidsclausules.

In de kabinetsreactie op het onderzoek naar hardvochtige effecten van (de uitvoering) van de Participatiewet, de werknemersregelingen en de uitbetalingen van het persoonsgebonden budget wordt uiteengezet hoe SZW invulling wil gaan geven aan het toepassen van discretionaire ruimte en hardheidsclausules. Het is de bedoeling dat deze kabinetsreactie voor de begrotingsbehandeling wordt gedeeld met de Tweede Kamer.

Afschaffen LIV / niet invoeren LKV Jongeren

Dit vergt wetswijziging die thans in voorbereiding is. Beoogde datum van invoering is 1 januari 2025. Binnenkort worden de uitvoeringstoetsen en consultaties uitgevraagd.

Activiteiten in 2023:

1. Ontvangst en verwerking van de uitvoeringstoetsen en reacties (internet)consultaties.

2. Na akkoord MR verzending adviesaanvraag Raad van State.

3. Opstellen nader rapport en indiening wetsvoorstel Tweede Kamer

4. Behandeling Tweede Kamer (Verslag, nota nav Verslag, WGO/plenaire behandeling

Indiening Eerste Kamer (zo mogelijk).

Beëindiging contract via VWNW-route

• De Kamer ontvangt in januari/februari 2023 een voortgangsbrief over arbeidsmarktbeleid, met daarin de uitwerking op hoofdlijnen.

Deeltijd-WW

• De Kamer ontvangt in januari/februari 2023 een voortgangsbrief over arbeidsmarktbeleid, met daarin de uitwerking op hoofdlijnen. Daarna volgt een inhoudelijke Kamerbrief met de verdere uitwerking

• Vervolgens start het wetgevingstraject (februari 2023), met mogelijk de Kamerbehandeling eind 2023, begin 2024.

Loondoorbetaling bij ziekte (tweede jaar)

• De Kamer ontvangt in januari/februari 2023 een voortgangsbrief over arbeidsmarktbeleid, met daarin de uitwerking op hoofdlijnen.

Zelfstandigen: arbeidsongeschiktheidsverzekering

• De Kamer ontvangt in januari/februari 2023 een voortgangsbrief over arbeidsmarktbeleid, met daarin de uitwerking op hoofdlijnen.

• In 2023 zal vervolgens de voorbereiding van het wetsvoorstel (onder andere internetconsultatie/uitvoeringstoetsen) plaatsvinden.

Hardheden in de WIA

• Inzake sociaal medisch beoordelen: verdere uitrol van de aangekondigde kortetermijnmaatregelen en voorstel voor aanvullende maatregelen middellange termijn conform aankondiging in Kamerbrief van 26 augustus 2022.

• Korte termijn WIA-hardheden: een voorstel voor de aanpak van enkele hardheden wordt gemaakt en verder uitgewerkt, incl. eventuele voorbereiding van wijzigingen in regelgeving.

• Lange termijn: onafhankelijke commissie toekomst arbeidsongeschiktheidsstelsel voert haar werkzaamheden uit. Rapport voorzien in eerste kwartaal 2024.

CN: versterken arbeidsmarkt Bonaire, St. Eustatius, Saba

• Intensivering dienstverlening, onder meer door personele versterking openbare lichamen en Plenchi di Trabou en door verbreding aanbod van beroepsgerichte opleidingen. Daarbij zal er bijzondere aandacht voor jongeren zijn. Daarnaast eerste stappen om te komen tot meer regie op de arbeidsmarkt, op Bonaire door het verzamelen van kerngegevens.

• Aandacht voor de arbeidsparticipatie van inwoners met een beperking of afstand tot de arbeidsmarkt: continueren lopende pilotprojecten en opzetten sociale werkplaats op Sint-Eustatius en tweede sociale werkplaats op Saba.

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel waarin opgenomen uitbreiding van het verlofstelsel CN (ten dienste van combinatie arbeid en zorg).

CN: versterken arbeidsmarkt en aanpak armoede

• Verhoging minimumuitkeringen, Wml en kinderbijslag per 1 januari 2023, om in 2025 het sociaal minimum te realiseren.

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel waarin opgenomen wettelijke regeling dubbele kinderbijslag intensieve zorg.

• Wijziging Besluit onderstand BES met het oog op introduceren vrijlating tijdens periode van onderstand opgebouwd vermogen.

• Voorbereiding introductie werkloosheidsvoorziening CN.

• Voorbereiding introductie verlofuitkering begeleider medische uitzending.

• Starten met verkenning wettelijk kader voor uitvoering van schuldhulpverlening in Caribisch Nederland. Daarnaast het versterken van de uitvoeringskracht van schuldhulpprofessionals voortzetten en intensiveren naargelang behoefte van elk eiland. Voor de aanpak van armoede en schulden op Bonaire is de routekaart «samen tegen armoede» leidend.

Vraag 8

Kunt u een overzicht geven van alle bezuinigen, ombuigingen en extensiveringen?

Antwoord 8

Hieronder vindt u het overzicht van alle bezuinigingen, ombuigingen en extensiveringen die hebben plaatsgevonden op de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het jaar 2023 sinds de Voorjaarsnota 2022. In deze periode is besloten de Inkomensondersteuning AOW-gerechtigden (IOAOW) per 2023 te verlagen tot € 5 bruto per maand ter gedeeltelijke dekking van het meestijgen van de AOW met de bijzondere minimumloonsverhoging per 2023. Tevens is besloten de IOAOW in 2023 niet te indexeren. Per saldo stijgt het inkomen van AOW-gerechtigden: de stijging van de AOW is hoger dan het verlagen en op termijn afschaffen van de IOAOW. Daarnaast hebben we, zoals we dat gebruikelijkerwijs doen, gedurende het jaar op basis van de uitvoeringsinformatie onze regelingen bijgesteld. Dit leidde na de verwerking van concept Macro Economische Verkenning (MEV) 2023 tot een per saldo tegenvaller. De begrotingsregels schrijven voor dat dekking hiervoor binnen de departementale begroting dient te worden ingepast. Dekking is, naast het inzetten van meevallers en onderuitputting, gevonden in uitstel naar 2024 van het onderdeel «ziekte van de werkgever» van de compensatieregeling transitievergoeding bij bedrijfsbeëindiging, in de STAP-regeling, op artikel 99 en door het ophogen van de taakstelling op onze begroting.

Ombuigingen (in euro’s)

2023

Verlagen IOAOW per 2023

– 843.370.000

Niet indexeren IOAOW in 2023

– 12.426.000

Uitstel invoering AO in CRTVBE tot 1 januari 2024

– 6.200.000

STAP-regeling

– 2.600.000

Artikel 99

– 10.000.000

Taakstelling begroting SZW

– 10.000.000

Totaal

– 884.596.000

Vraag 9

Wanneer vindt de inwerkingtreding van de toekomstige arbeidsmarktdienstverlening plaats? En hoe verhoudt dit zich tot wanneer de regionale mobiliteitsteams (RMT's) budget hebben?

Antwoord 9

Het kabinet werkt, samen met belanghebbende partijen, aan een uitwerking en concretisering van deze maatregel uit het coalitieakkoord. Bij de uitwerking van de arbeidsmarktinfrastructuur speelt de effectiviteit van de arbeidsmarktdienstverlening en de uitvoerbaarheid een belangrijke rol. De geleerde lessen van onder andere de RMT’s zullen hierin worden meegenomen. Om de periode tot inwerkingtreding van de toekomstige arbeidsmarktdienstverlening te overbruggen, wordt een tijdelijk vervolg gegeven aan de tijdelijke regionale mobiliteitsteams en wordt de regeling naar verwachting verlengd.

Vraag 10

Wanneer wordt het minimumloon in Caribisch Nederland precies verhoogd? Volgt deze de verhoging van het wettelijk minimumloon (Wml)?

Antwoord 10

Het niveau van het wettelijke minimumloon wordt voor Caribisch Nederland eens per jaar, met ingang van 1 januari, herzien. Op grond van de Wet minimumlonen BES wordt bij de jaarlijkse verhoging, de ontwikkeling van het consumentenprijsindexcijfer gevolgd. Het voor de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon en de minimumuitkeringen relevante consumentenprijsindexcijfer is voor Bonaire 12,2%, voor Sint Eustatius 9% en voor Saba 9,7%. Gelet op het belang van het op koers blijven richting het ijkpunt sociaal minimum is besloten om het Wml voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba met respectievelijk 18,2%, 14,3% en 15% te verhogen. Een beleidsmatige verhoging van 6%, 5,3% en 5,3% is daar onderdeel van. Uw Kamer is bij brief van 10 november 2022 over deze besluitvorming geïnformeerd (Kamerstukken II 2022/23, 36 200 XV, nr. 9).

Vraag 11

Hoeveel middelen zitten er in de Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen (O&O-fondsen)?

Antwoord 11

Deze vraag is deels te beantwoorden. Algemeen verbindend verklaarde cao-fondsen (waaronder O&O-fondsen) moeten hun financieel jaarverslag delen met het Ministerie van SZW. Daarnaast zijn er fondsen die niet algemeen verbindend zijn verklaard, waaronder een aantal «slapende» fondsen. De middelen van deze fondsen, als er middelen in zitten, zijn moeilijk of niet te achterhalen.

De Rapportage Cao-afspraken 2020 van het Ministerie van SZW (Kamerstukken II 2020/21, 29 544, nr. 1071) bevat de meest recente financiële gegevens van 72 algemeen verbindend verklaarde cao-fondsen (fondsen in cao’s afgesproken) op basis van de financiële jaarverslagen over 2019. In 2019 bedroegen de baten van de 72 onderzochte fondsen € 404,2 miljoen. Het grootste deel hiervan is afkomstig uit premieheffing. De lasten bedroegen € 388,6 miljoen. 40% hiervan is besteed aan opleiding en ontwikkeling; 18% aan werkgelegenheid; 4% aan arbeidsomstandigheden; 1% aan uitkeringen; en 27% aan andere, cao-gerelateerde activiteiten. De overige lasten, waaronder exploitatie, bedroegen 10%.

De reserves van de fondsen bedroegen eind 2019 in totaal € 528,2 miljoen. De reserves zijn niet gelijk over de fondsen verdeeld: 12 fondsen, betrekking hebbend op 38% van de werknemers, bezitten bij elkaar 80% van de totale fondsreserves. Een cao-fonds moet onder andere reserves aanhouden zodat het in periodes waarin geen premies worden ontvangen (vanwege het ontbreken van een lopende cao of omdat het fonds een premieloze periode hanteert), het wel zijn vaste lasten en activiteiten kan financieren.

Vraag 12

Kunt u een overzicht maken van de verschillende zorgverloven, de bijbehorende voorwaarden, duur en uitkeringshoogte?

Antwoord 12

Hieronder vindt u een overzicht met daarin de verschillende zorgverloven, bijhorende voorwaarden, de duur en de betaling. Het recht op deze verlofregelingen is vastgelegd in de Wet arbeid en zorg (Wazo). Het calamiteiten- en kortverzuimverlof zijn terug te vinden in artikelen 4:1–4:7 Wazo en het kort- en langdurend zorgverlof in artikelen 5:1–5:16 Wazo. Voor de volledigheid zijn ook de andere verlofvormen die onder de Wazo vallen in het overzicht opgenomen.

Verlofvorm

Doelgroep

Duur, periode en betaling

Voorwaarden / doel

Calamiteiten- en kortverzuimverlof

Werknemer

Naar billijkheid te bepalen (korte) periode met loondoorbetaling door werkgever (100% loon).

Wanneer werk (onverwachts) niet kan worden verricht door zeer bijzondere of persoonlijke omstandigheden, door de overheid/wet opgelegde verplichtingen of door de uitoefening van actief kiesrecht. De werknemer meldt het opnemen van het verlof en de reden z.s.m. aan de werkgever.

Kortdurend zorgverlof

Werknemer

Per 12 maanden recht op 2 flexibel op te nemen weken (de periode van 12 maanden gaat in op de eerste verlofdag). Met loondoorbetaling door werkgever ter hoogte van 70% van het loon, ten minste ter hoogte van het wettelijk minimumloon.

Voor de noodzakelijke verzorging in verband met ziekte van een naaste. De werknemer meldt het opnemen van het verlof en de reden z.s.m. aan de werkgever. Omwille van zwaarwegend dienst- of bedrijfsbelang kan hier naar redelijkheid en billijkheid van worden afgeweken.

Langdurend zorgverlof

Werknemer

Per 12 maanden recht op 6 flexibel op te nemen weken (de periode van 12 maanden gaat in op de eerste verlofdag). Geen recht op uitkering of loondoorbetaling.

Voor de verzorging van een naaste die levensbedreigend ziek is of de noodzakelijke verzorging van een naaste die ziek of hulpbehoevend is. Het verzoek moet uiterlijk 2 weken voorafgaand bij de werkgever worden ingediend. Omwille van zwaarwegend dienst- of bedrijfsbelang kan hier naar redelijkheid en billijkheid van worden afgeweken.

Zwangerschaps- en bevallingsverlof

Zwangere/pas bevallen werknemer of zelfstandige

16 weken, vanaf 6 tot minstens 4 weken voor de uitgerekende datum en 10 tot 12 weken aansluitend op de bevalling, waarvan de laatste 4 flexibel op te nemen binnen 30 weken na de bevalling. De werknemer heeft recht op een uitkering van 100% van het dagloon (max. het maximum-dagloon). De zelfstandige heeft recht op een ZEZ-uitkering, gebaseerd op het aantal gewerkte uren (max. het wettelijk minimumloon).

Ten behoeve van de veiligheid van zwangere/bevallen werkende en kind. Het zwangerschapsverlof dat niet is genoten kan worden opgenomen als bevallingsverlof. Bij een twee- of meerling is recht op 4 extra weken verlof (10 tot minimaal 8 weken voor de uitgerekende datum). Wanneer het kind na de geboorte langdurig in het ziekenhuis ligt, kan recht zijn op tot 9 weken extra bevallingsverlof (couveuseverlof) en wanneer de moeder komt te overlijden tijdens of kort na de bevalling, kan de partner recht krijgen op het resterende bevallingsverlof (kraambedsterfteregeling).

Geboorteverlof

Werknemer, de partner van de moeder

6 weken, waarvan 1 week flexibel op te nemen binnen 4 weken na de geboorte en 5 weken op te nemen binnen 6 maanden na de geboorte. Eerste week loon doorbetaald door werkgever, 5 aanvullende weken een uitkering van 70% van het loon, tot max. het maximum dagloon.

Op de 5 aanvullende weken geboorteverlof is alleen recht wanneer de eerste week geboorteverlof is opgenomen. De werknemer meldt het verlof uiterlijk 4 weken voorafgaand (of z.s.m.) aan de werkgever. De werkgever kan de invulling van het verlof op grond van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang wijzigen tot 2 weken voor ingang.

Adoptie en pleegzorgverlof

Werknemer die een kind adopteert of pleegkind opneemt

6 aaneengesloten weken, op te nemen binnen 26 weken, vanaf 4 weken voor aanvang van de adoptie of pleegzorg. Uitkering van 100% van het dagloon tot max. het maximum dagloon.

Indien het tegelijkertijd om twee of meer kinderen gaat, bestaat het recht op verlof slechts ten aanzien van één van die kinderen. De werknemer kan de werkgever verzoeken het verlof verspreid op te nemen. De werkgever kan dit afwijzen indien zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten.

Ouderschapsverlof

Werknemer die ouder is v/h kind of op hetzelfde adres woont als het kind en het verzorgt en opvoedt als eigen kind

26 weken, flexibel op te nemen binnen 8 jaar na de geboorte. 9 van de 26 weken zijn betaald wanneer ze binnen een jaar na geboorte worden opgenomen, waarbij men een uitkering ontvangt ter hoogte van 70% van het dagloon (max. 70% van het maximum dagloon). De overige weken zijn onbetaald.

Ten behoeve van de verzorging en opvoeding van het kind. Iedere ouder heeft ten aanzien van ieder kind recht op verlof (ook bij een twee- of meerling). De werknemer dient het verzoek ten minste 2 maanden voorafgaand in bij de werkgever. De werkgever kan, na overleg met de werknemer, de invulling van het verlof op grond van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang tot 4 weken voorafgaand wijzigen.

Vraag 13

Kunt u een overzicht geven van lopende of aankomende collectieve arbeidsovereenkomst (cao-)onderhandelingen in 2022 en 2023 waarbij de overheid als werkgever betrokken is?

Antwoord 13

Voor de cao Defensie, de cao Politie en de cao Provincies is onlangs een principeakkoord gesloten met expiratiedatum begin of medio 2024.

De cao Rijk is eerder dit jaar afgesloten en kent een looptijd van 1-4-2022 tot 1-7-2024.

De cao Gemeenten loopt eind dit jaar af (looptijd is 1-1-2021 tot 1-1-2023), momenteel zijn de betrokken cao-partijen met elkaar in onderhandeling over de nieuwe cao.

De cao voor de rechterlijke macht had een looptijd van 1-1-2021 tot en met 31-3-2022. Cao-partijen zijn met elkaar in onderhandeling over een nieuwe cao.

Vraag 14

Kunt u een overzicht geven van de hoogte van het minimumuurloon op basis van een 36-, 38- en 40-urige werkweek voor de komende 4 jaar, uitgaande van huidig en voorgenomen beleid?

Antwoord 14

De hoogte van het minimumloon in Nederland wordt bepaald door de wettelijke halfjaarlijkse indexatie. De indexatie wordt gedaan op basis van de indexatiewijze zoals voorgeschreven in artikel 14, eerste en tweede lid van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Bij elke indexatieronde worden ramingen over de gemiddelde contractloonontwikkeling uit de voorgaande macro-economische ramingen van het CPB gebruikt. Dat betekent dat het op dit moment enkel mogelijk is om definitieve minimumloonbedragen te geven die gelden vanaf juli 2022 en januari 2023. Voor de verdere toekomst kan enkel een raming worden gegeven, maar dat is dus een inschatting die nog wijzigt bij nieuwe inzichten over de nominale contractloonontwikkeling.

Het minimumloon wordt momenteel per maand, week of dag vastgesteld. Onderstaande tabel toont het afgeleide minimumloon per uur bij een 36-, 38- en 40-urige werkweek voor personen vanaf 21 jaar per 1 juli 2022, 1 januari 2023 (inclusief bijzondere verhoging met 8,05%, samen met reguliere indexatie stijgt het minimumloon op die datum met 10,15%) en 1 juli 2023. De bedragen per 1 juli 2022 en 1 januari 2023 zijn vastgesteld, de bedragen per 1 juli 2023 betreffen een raming. Bij de laatste macro-economische raming heeft het CPB (MEV2023) enkel geactualiseerd tot en met het jaar 2023. Het is daarom niet mogelijk om een inschatting te maken van de verwachte minimumloonbedragen na 2023.

 

1 juli 2022

1 januari 2023

1 juli 2023 1

Uur (36 uur per week)

€ 11,26

€ 12, 40

€ 12,62

Uur (38 uur per week)

€ 10,67

€ 11,75

€ 11,96

Uur (40 uur per week)

€ 10,14

€ 11,16

€ 11,36

Bron: SZW-berekeningen

X Noot
1

Voorlopige cijfers.

Momenteel is het initiatiefwetsvoorstel voor invoering van een minimumuurloon van de Partij van de Arbeid en Groenlinks (Kamerstukken 35 335) in behandeling bij de Eerste Kamer. De beoogde invoeringsdatum is 1 januari 2024. Met het initiatiefwetsvoorstel wordt voor eenieder die onder de reikwijdte van de Wml valt een uniform minimumuurloon ingevoerd, dat berekend is op basis van een 36-urige werkweek. Dit houdt in dat naar verwachting per 1 januari 2024 de verschillen in het wettelijk minimumuurloon bij een verschillende lengte van de werkweek komen te vervallen.

Vraag 15

Wat zijn de gevolgen van de Europese Richtlijn toereikende minimumlonen voor Nederland?

Antwoord 15

Het Europees parlement en de Raad hebben, respectievelijk in september en oktober 2022, beide ingestemd met de richtlijn die op 25 oktober 2022 is gepubliceerd. Na de inwerkingtreding van de richtlijn op 15 november 2022 hebben de lidstaten een periode van twee jaar om de bepalingen uit de richtlijn om te zetten in nationale wet- en regelgeving.

Het kabinet is reeds gestart met de voorbereidingen voor de implementatie van de richtlijn. In dat kader worden de gevolgen van de richtlijn voor Nederland in kaart gebracht. Er zijn elementen in de richtlijn waar Nederland al aan voldoet, elementen die opgenomen moeten worden in nationale wet- en regelgeving en elementen die in overleg met sociale partners opgepakt zullen worden.

Afgelopen juni is uw Kamer door de Minister van SZW geïnformeerd over het resultaat van de onderhandelingen tussen de Europese Raad en het parlement over de richtlijn. Tevens heeft de Minister van SZW destijds uw Kamer voorzien van een appreciatie van dit resultaat en op relevante punten de relatie gelegd met de huidige wet- en regelgeving (Kamerstukken II 2021/22, 21 501-31, nr. 672).

De richtlijn heeft geen directe gevolgen voor de hoogte van het minimumloon, dat is en blijft een nationale bevoegdheid. De richtlijn heeft onder andere als gevolg:

  • dat actieplannen worden opgesteld, met sociale partners, om de cao-dekkingsgraad te verhogen wanneer deze lager is dan 80%;

  • dat er een indicatieve referentiewaarde over de toereikendheid van het minimumloon moet worden aangewezen;

  • dat specifieke criteria onderdeel worden van de periodieke evaluatie van het wettelijk minimumloon;

  • dat expliciet wordt gemaakt dat sociale partners goed betrokken moeten worden bij besluiten rondom het minimumloon.

De Minister van SZW verwacht uw Kamer in het tweede kwartaal van 2023 nader te kunnen informeren over het implementatietraject.

Vraag 16

Welke uitkeringen stijgen niet mee met de verhoging van het minimumloon per 1 januari 2023?

Antwoord 16

Op 1 januari 2023 wordt het wettelijk minimumloon bijzonder verhoogd met 8,05%. Inclusief reguliere indexatie stijgt het minimumloon op die datum met 10,15%. De bijzondere verhoging en indexatie zijn geregeld met een algemene maatregel van bestuur (AMvB), hierdoor is sprake van de gebruikelijke doorwerking op alle met het minimumloon samenhangende regelingen. Onderstaande tabel geeft een overzicht van regelingen die met het minimumloon wèl meestijgen. Daarvan is het beeld compleet en overzichtelijk. Een opsomming geven van alle regelingen van alle ministeries die niet gekoppeld zijn, is veel lastiger. De uitkeringen die niet zijn genoemd stijgen niet mee met de bijzondere minimumloonsverhoging per 1 januari 2023.

Tabel: regelingen die meestijgen met de bijzondere minimumloonsverhoging per 1 januari 2023 (AMvB)

Dept.

Type regeling

Regeling

SZW

Wettelijk minimumloon en minimumjeugdloon

SZW

Minimumuitkering

Bijstand (Participatiewet)

SZW

Minimumuitkering

AIO (Participatiewet)

SZW

Minimumuitkering

IOAW (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers)

SZW

Minimumuitkering

IOAZ (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen)

SZW

Minimumuitkering

Bijstand voor zelfstandigen (Participatiewet)

SZW

Minimumuitkering

Loonkostensubsidie (Participatiewet art. 10d; Besluit loonkostensubsidie Participatiewet)

SZW

Minimumuitkering

Anw (Algemene nabestaandenwet)

SZW

Minimumuitkering

Toeslagenwet (Toeslagenwet)

SZW

Minimumuitkering

IOW (Wet inkomensvoorziening oudere werklozen)

SZW

Minimumuitkering

Wajong (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten)

SZW

Oudedagsvoorziening

AOW (Algemene Ouderdomswet)

SZW

Oudedagsvoorziening

OBR (Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW)

SZW

Oudedagsvoorziening

Pensioenfranchise (Wet op de Loonbelasting en Wet op de Inkomstenbelasting)

SZW

Loongerelateerd

Vervolguitkering WGA (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen)

SZW

Loongerelateerd

Doelgroepafbakening onderdelen WIA (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen)

SZW

Loongerelateerd

Niet betaalbaarstelling uitkering (Werkloosheidswet)

SZW

Loongerelateerd

Doelgroepafbakening no-riskpolis (Ziektewet)

SZW

Loongerelateerd

Minimale uitkeringshoogte eerste jaar (Ziektewet)

SZW

Loongerelateerd

Zwangerschaps- en bevallingsverlof zelfstandigen (Wet arbeid en zorg)

SZW

Loongerelateerd

Kortdurend zorgverlof (Wet arbeid en zorg)

SZW

Loongerelateerd

Geboorte- en ouderschapsverlof niet-verzekerde werknemers (Wet arbeid en zorg)

SZW

Loongerelateerd

Overgang bevallingsverlof bij overlijden moeder, partner werkzaam als niet-werknemer [Kraambedsterfteregeling] (Wet arbeid en zorg)

SZW

Loongerelateerd

Uitkeringshoogte WAZ (Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen)

SZW

Loongerelateerd

Indexatie grondslagbedragen WAZ (Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen)

SZW

Loongerelateerd

Indexatie dagloon lopende WAO-uitkeringen (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en Dagloonbesluit werknemersverzekering)

SZW

Loongerelateerd

Vervolguitkering WAO (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering)

SZW

Loongerelateerd

Indexatie dagloon lopende WIA-uitkeringen (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en Dagloonbesluit werknemersverzekering)

SZW

Loongerelateerd

Indexatie dagloon lopende WW-uitkeringen (Werkloosheidswet en Dagloonbesluit werknemersverzekering)

SZW

Loongerelateerd

Indexatie dagloon lopende ZW-uitkeringen (Ziektewet en Dagloonbesluit werknemersverzekering)

SZW/VWS

Loongerelateerd

Maximum premieloon (voor werknemersverzekeringen en zorgverzekeringswet)

SZW

Loongerelateerd

Maximum dagloon

SZW

Loongerelateerd

Zwangerschaps- en bevallingsverlof werknemers (Wet arbeid en zorg en Dagloonbesluit werknemersverzekeringen)

SZW

Loongerelateerd

Geboorteverlof (Wet arbeid en zorg en Dagloonbesluit werknemersverzekeringen)

SZW

Loongerelateerd

Ouderschapsverlof (Wet arbeid en zorg en Dagloonbesluit werknemersverzekeringen)

SZW

Loongerelateerd

Verlof werknemer bij langdurige ziekenhuisopname baby [Couveuseregeling] (Wet arbeid en zorg en Dagloonbesluit werknemersverzekeringen)

SZW

Loongerelateerd

Adoptie- en pleegzorgverlof (Wet arbeid en zorg en Dagloonbesluit werknemersverzekeringen)

SZW

Oudedagsvoorziening

Partnertoeslag: inkomensvrijlating en korting (Algemene Ouderdomswet)

SZW

Oudedagsvoorziening

Uitzondering mogelijkheid vrijwillige verzekering bij bepaalde Anw-uitkering in het buitenland van 50 jaar of ouder (Algemene Ouderdomswet)

SZW

Oudedagsvoorziening

Inkomensgrens OBR (Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW)

SZW

Oudedagsvoorziening

Indexatie vermogensgrens OBR (Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW)

SZW

Oudedagsvoorziening

Inkomensvrijlating OBR (Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW)

SZW

Oudedagsvoorziening

Aftoppingsgrens aanvullend pensioen (Wet op de Loonbelasting)

SZW

Oudedagsvoorziening

Aftoppingsgrens lijfrente (Wet op de Inkomstenbelasting)

SZW

Oudedagsvoorziening

Grens oudedagsreserve zzp (Wet op de Inkomstenbelasting)

SZW

Overig SZW-beleid

Drempelinkomens kindgebonden budget (Wet op het kindgebonden budget)

SZW

Overig SZW-beleid

Loonkostenvoordeel (Wet tegemoetkomingen loondomein)

SZW

Overig SZW-beleid

Bandbreedte Lage-inkomensvoordeel en minimumjeugdloonvoordeel (Wet tegemoetkomingen loondomein)

SZW

Overig SZW-beleid

Besluit experimentele subsidie generieke werkgeversvoorzieningen

SZW

Overig SZW-beleid

Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen

SZW

Overig SZW-beleid

Ondergrens uitbetaling en drempelbedragen bij subsidieverstrekking (Reïntegratiebesluit)

SZW

Overig SZW-beleid

Maatmaninkomen en bepaling loonwaarde (Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten)

SZW

Overig SZW-beleid

Wet arbeid vreemdelingen

SZW

Overig SZW-beleid

Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen

SZW

Overig SZW-beleid

Arbeidstijdenbesluit

SZW

Overig SZW-beleid

Grondslag UWV-subsidieregeling voor doelgroep die niet in staat is minimumloon te verdienen (Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen)

SZW

Overig SZW-beleid

Diverse bepalingen waaronder vermelding minimumloon op loonstrook (Burgerlijk wetboek boek 7 – arbeidsrecht; minimumloon, artikelen 616, 626, 629, 631, 632 en 650)

SZW

Overig SZW-beleid

Besluit aanwijzing gevallen waarin arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd

SZW

Overig SZW-beleid

Subsidiemogelijkheid bij projecten die zien op begeleiding van kwetsbare werkenden in de context van de COVID-19-pandemie (Subsidieregeling ESF 2014–2020)

SZW

Overig SZW-beleid

Ontheffing verzekeringsplicht Anw indien recht op buitenlandse regeling inzake sociale zekerheid (Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen)

SZW

Overig SZW-beleid

AOW-premie voor de vrijwillige ouderdomsverzekering (Besluit Wfsv)

SZW

Overig SZW-beleid

Regeling tegemoetkoming Wajongers

BZK

Overig Rijksbreed

Drempelinkomen huurtoeslag (Wet op de huurtoeslag)

BZK

Overig Rijksbreed

Hoogte uitkering (Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers)

DEF

Overig Rijksbreed

Toelage minimumloon (Inkomensbesluit militairen)

DEF

Overig Rijksbreed

Toelage minimumloon (Inkomstenregeling militairen)

DEF

Overig Rijksbreed

Terugbetalingsregeling (Algemeen militair ambtenarenreglement)

DEF

Overig Rijksbreed

Aanvulling uitkering (Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen)

DEF

Overig Rijksbreed

Aanpassing kortingsbedragen (Besluit bijzondere militaire pensioenen)

DEF

Overig Rijksbreed

Toelage minimumloon (Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie)

DEF

Overig Rijksbreed

Inkomenstoets eigen bijdrage (Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers)

DEF

Overig Rijksbreed

Eigen bijdrage hangt samen met toelage minimumloon (Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel)

FIN

Overig Rijksbreed

Fictieve dienstbetrekking (Uitvoeringsbesluit loonbelasting)

J&V

Overig Rijksbreed

Inkomensafhankelijke huurprijsverhoging (Burgerlijk Wetboek Boek 7 en Wijzigingswet Burgerlijk Wetboek Boek 7)

J&V

Overig Rijksbreed

Normen minimumsalaris vakantiewerkers en toelage naar minimumloon politie (Besluit bezoldiging politie)

J&V

Overig Rijksbreed

AOW-compensatieregeling voor oud-medewerkers met een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering (Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie)

J&V

Overig Rijksbreed

AOW-compensatieregeling voor vliegers Landelijke Eenheid die vervroegd uittreden (Regeling ontslaguitkering vliegers Landelijke eenheid)

J&V

Overig Rijksbreed

Minimale bestaansmiddelen vreemdelingen (Vreemdelingenbesluit en Voorschrift Vreemdelingen)

OCW

Overig Rijksbreed

Toetsingsinkomen verlaging collegegeld Open Universiteit (Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek)

OCW

Overig Rijksbreed

Hoogte financiële ondersteuning bijzondere activiteiten hoger onderwijs (Regeling financiën hoger onderwijs)

OCW

Overig Rijksbreed

Onder meer bepalingen bij terugbetaling lening (Wet studiefinanciering)

OCW

Overig Rijksbreed

Diverse bepaling t.a.v. aanvullende beurs (Besluit studiefinanciering)

OCW

Overig Rijksbreed

Geen voorzieningen bij geringe kosten (Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap)

VWS

Overig Rijksbreed

Drempelinkomen zorgtoeslag (Wet op de zorgtoeslag)

VWS

Overig Rijksbreed

Maximale hoogte zorgtoeslag (Wet op de zorgtoeslag)

VWS

Overig Rijksbreed

Financiële ondersteuning aan Nederlandse burgers en dienstplichtigen die in of na de Tweede Wereldoorlog in Azië oorlogsletsel hebben opgelopen tussen december 1941 en februari 1954 (Algemene bij- en toeslagregeling Algemeene oorlogsongevallenregeling)

VWS

Overig Rijksbreed

Uitkering verzetsdeelnemers WOII (Wet buitengewoon pensioen 1940–1945)

VWS

Overig Rijksbreed

Uitkering verzetsdeelnemes vm. Ned.-Indië WOII (Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet)

VWS

Overig Rijksbreed

Uitkering zeelieden WOII (Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers)

VWS

Overig Rijksbreed

Uitkering burgerslachtoffers WOII (Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945)

VWS

Overig Rijksbreed

Uitkering vervolgingsslachtoffers WOII (Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945)

VWS

Overig Rijksbreed

Vergoeding onkosten donor bij orgaandonatie bij leven (Subsidieregeling donatie bij leven)

Vraag 17

Wat zijn de budgettaire gevolgen van de invoering van een minimumuurloon in 2024?

Antwoord 17

De effecten van de invoering van een minimumuurloon op uitkeringen zijn beperkt, omdat bij de introductie van het wettelijk minimumuurloon het zogenoemde referentieminimummaandloon niet wordt aangepast. De uitkeringsnormen blijven hierdoor ongewijzigd.

Wel is er een effect op de Loonkostensubsidie (LKS). Via de subsidie worden werkgevers gecompenseerd voor het verschil tussen het minimumloon en de loonwaarde van een werknemer met een arbeidsbeperking. De invoering van een uurloon op basis van een werkweek van 36 uur verhoogt de arbeidskosten die werkgevers maken voor minimumloonverdieners met een werkweek van meer dan 36 uur. Dat geldt ook voor de doelgroep loonkostensubsidie. Het verschil tussen de gestegen arbeidskosten en de loonwaarde wordt daarmee groter en daarmee ook de uitgaven aan LKS.

Daarnaast is er een effect voor toekomstige uitkeringsgerechtigden met een normale arbeidsduur hoger dan 36 uur. Dit zorgt voor een hoger (prijs)niveau in de instroom in loongerelateerde uitkeringen (in de WIA, WW, ZW, TW en verlofregelingen), aangezien mensen op en net boven het minimumloon een hoger inkomen krijgen (hun laatstverdiende loon in het geval zij aanspraak maken op een loongerelateerde uitkering).

Tot slot is het recht op kindgebonden budget (WKB) inkomensafhankelijk. Bij een hoger inkomen voor de groep met een normale arbeidsduur hoger dan 36 uur wordt de hoogte van het WKB iets afgebouwd, wat zorgt voor een klein inverdieneffect.

Het totaal aan budgettaire uitgaven is gebaseerd op een actuele raming van de invoering van een minimumuurloon die is gemaakt naar aanleiding van het coalitieakkoord. Het budgettaire beslag bedraagt jaarlijks € 79 miljoen (structureel). Hierbij geldt een ingroei vanaf het moment van invoering. De volgende tabel geeft een uitsplitsing van de budgettaire effecten weer.

Invoeren minimumuurloon

x € 1 mln.

2023

2024

2025

2026

2027

Struc.

LKS

0

23

26

28

29

61

WIA

0

0

0

1

2

14

WW

0

3

10

13

13

13

ZW

0

2

6

7

7

7

TW

0

– 3

– 9

– 11

– 12

– 17

Verlofregelingen (excl. ZEZ)

0

4

5

5

5

5

WKB

0

– 2

– 4

– 4

– 4

– 4

Totaal

0

27

34

39

41

79

Vraag 18

Wat wordt gedaan om de verbinding tussen arbeidsmarkt en onderwijs te stimuleren en te verbeteren?

Antwoord 18

Het Ministerie van OCW zet met de Werkagenda mbo (kamerbrief Inzet Werkagenda mbo van 20 oktober 2022) en het Bestuursakkoord 2022 hoger onderwijs en wetenschap (Kamerstukken II 2021/22, 31 288, nr. 969) in op verdere versterking van de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt. Zo wordt met structurele investeringen van € 30 miljoen per jaar ingezet op een hogere instroom en uitstroom in hbo-opleidingen in zorg, onderwijs en techniek, vanaf 2023 wordt structureel € 33 miljoen geïnvesteerd in het versterken van Loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) in het mbo en jaarlijks gaat € 1 miljoen naar het verbeteren van studiekeuze-informatie in het hoger onderwijs. Daarnaast komt het onderwijs en bedrijfsleven binnen het mbo via de Taskforce Asscher op korte termijn met een hernieuwde werkwijze ten aanzien van macrodoelmatigheid, ook wel hoe het onderwijs met meest efficiënte inzet van middelen zo goed mogelijk aansluit op onder andere de behoeften van de arbeidsmarkt. Zodra dit advies aan de Minister van OCW is aangeboden, wordt hierover een kabinetsreactie gestuurd naar de Kamer. Voor het hoger onderwijs wordt jaarlijks € 2 miljoen beschikbaar gesteld voor facilitering van de reguliere reflectie en (bij)sturing op de macrodoelmatigheid.

Vraag 19

Welke Minister is waarvoor verantwoordelijk ten aanzien van de verbinding tussen arbeidsmarkt en onderwijs? Wie coördineert dit (de Minister SZW of de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW))?

Antwoord 19

De Minister van OCW is verantwoordelijk voor een zo goed mogelijk functionerend onderwijsstelsel, dat wil zeggen kwalitatief goed, toegankelijk en doelmatig onderwijs. Een goede verbinding tussen onderwijs en arbeidsmarkt is daarbinnen een belangrijke pijler. De Minister van SZW is verantwoordelijk voor een goed functionerende arbeidsmarkt, waar het stimuleren en faciliteren van leven lang ontwikkelen en een goed werkende arbeidsmarktinfrastructuur deel van uitmaken. Vanwege de samenhang tussen onderwijs en arbeidsmarkt werken OCW (Minister van OCW en Minister voor PVO) en Minister van SZW vanzelfsprekend samen om zorg te dragen voor een optimale verbinding.

Vraag 20

Hoe wordt het verbeteren van de verbinding tussen arbeidsmarkt en onderwijs financieel gestimuleerd? Kunt u een overzicht geven van de subsidiemogelijkheden die er zijn voor initiatieven die bijdragen aan de matching tussen onderwijs en arbeidsmarkt?

Antwoord 20

Er zijn bij OCW verschillende subsidieregelingen die (in)direct de matching tussen onderwijs en arbeidsmarkt stimuleren. De belangrijkste zijn de Subsidieregeling Praktijkleren en het Regionaal Investeringsfonds MBO. Daarnaast leveren diverse projecten van het Nationaal Groeifonds een bijdrage aan de verbetering van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Voorbeelden hiervan zijn de projecten «LLO-katalysator», «LLO Collectief Laagopgeleiden en Laaggeletterden» en «Vaardig met vaardigheden». Zie ook het antwoord op vraag 18 hoe het kabinet in algemene zin investeert in verdere versterking van de verbinding tussen onderwijs en arbeidsmarkt.

Vraag 21

Wat is de stand van zaken ten aanzien van de verkenning naar een oplossing voor de mensen die een opleiding zijn gestart onder de oude regeling van de fiscale aftrek en daarom nu geen recht hebben op Stimulering Arbeidsmarktpositie (STAP-)budget? Wanneer wordt hierover meer duidelijk?

Antwoord 21

Er is een groep mensen die in de overgang van de fiscale aftrek scholingskosten naar het STAP-budget, helaas niet in aanmerking komt voor publieke financiering. Het STAP-budget moet namelijk vóór het starten van de scholing worden aangevraagd, zodat tot € 1.000 geen geld hoeft te worden voorgeschoten. Het nadeel is dat lopende scholing, dus ook vervolgjaren van meerjarige scholing, daarvoor niet in aanmerking komt. Deze signalen zijn bij het Ministerie van SZW bekend. Afgelopen voorjaar zijn er gesprekken gevoerd met mensen in deze vervelende situatie. Bezien wordt of binnen de budgettaire kaders van de STAP-regeling in 2023 een tegemoetkoming voor deze problematiek geboden kan worden. De vraag of dit uitvoerbaar is hangt samen met de planning en uitvoering van andere prioriteiten bij de verdere ontwikkeling van STAP, zoals de mogelijkheid om meerjarige scholing aan te vragen, toevoeging van EVC aan het scholingsregister, het richten van het budget op maatschappelijk cruciale sectoren en de aanpak van misbruik en oneigenlijk gebruik. De Minister van SZW zal uw Kamer hierover op de hoogte houden.

Vraag 22

Welke definitie van armoede hanteert u bij het doel om het aantal kinderen dat in armoede opgroeit te halveren in 2025 ten opzichte van 2015?

Antwoord 22

We gebruiken het niet-veel-maar-toereikend budget van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Dit budget omvat de minimale uitgaven aan onvermijdbare zaken als voedsel, kleding, persoonlijke verzorging, wonen en verzekeringen, maar houdt daarnaast ook rekening met de minimale kosten van ontspanning en sociale participatie die als zeer wenselijk beschouwd worden. In 2020 leefde 7,6% van de kinderen en jongeren (tot 18 jaar) in een huishouden met een inkomen onder deze grens. (kennisnotitie Armoede ramingen september 2022)

Vraag 23

Hoeveel kinderen groeiden op in armoede in 2015 en wat is de meest actuele raming voor 2025?

Antwoord 23

In 2015 leefden ruim 307.000 kinderen en jongeren in armoede (9,1%). De raming voor 2023 komt in de MEV-raming voor Prinsjesdag uit op minder dan 220.000 kinderen en jongeren in 2023 (6,7%). De later aangekondigde koopkrachtpakketten zullen waarschijnlijk een neerwaarts effect hebben op het kinderarmoedecijfer. Ramingen voor 2025 zijn nog niet beschikbaar. (kennisnotitie Armoede ramingen september 2022)

Vraag 24

Corrigeert u in het doel om armoede onder kinderen te halveren voor de stijging van het aantal kinderen in Nederland?

Antwoord 24

Ja, we streven een percentuele halvering na. Deze houdt dus rekening met verschillen in het totaal aantal kinderen tussen jaren.

Vraag 25

Hoeveel kinderen zullen er naar verwachting in armoede opgroeien in 2023 en 2024, rekening houdend met het actuele koopkrachtpakket inclusief prijsplafond?

Antwoord 25

Het CPB heeft in de MEV-publicatie op Prinsjesdag geraamd dat circa 830.000 personen (4,9%) in armoede leven en 220.000 kinderen (6,7%) in armoede opgroeien als wordt gekeken naar het niet-veel-maar-toereikendbudget van het SCP. In deze MEV-raming is het prijsplafond nog niet meegenomen.

De armoedecijfers zijn direct afgeleid uit de koopkrachtcijfers. Hiervoor wordt eerst de ontwikkeling van de besteedbare inkomens van huishoudens berekend, hiervoor zijn zowel de loonontwikkeling als de inflatie relevant. Dit wordt vervolgens vergeleken met het jaarlijks geïndexeerde niet-veel-maar-toereikendbudget. Deze cijfers worden gebaseerd op de macro-economische raming van het CPB. In de MEV-publicatie zijn alleen 2022 en 2023 geraamd, de CEP-raming in maart is de eerstvolgende publicatie waarbij het CPB kijkt naar 2023 inclusief het prijsplafond en naar 2024.

Vraag 26

Hoeveel mensen zullen er naar verwachting in armoede opgroeien in 2023 en 2024, rekening houdend met het actuele koopkrachtpakket inclusief prijsplafond?

Antwoord 26

Zie het antwoord op vraag 25.

Vraag 27

Wat is de hoogte van de aanvullende middelen die beschikbaar komen voor vroegsignalering?

Antwoord 27

Vanaf 2023 ontvangen gemeenten € 40 miljoen structureel extra voor het versterken van de dienstverlening voor schulden en armoede. Deze middelen zetten gemeenten in voor vroegsignalering van schulden en daarnaast voor andere dienstverlening om schulden en armoede te bestrijden. Het kabinet heeft voor 2022, 2023 en 2024 in totaal € 200 miljoen incidenteel beschikbaar gesteld voor onder meer vroegsignalering van schulden naar aanleiding van de stijgende energieprijzen en inflatie. Het kabinet is met gemeenten in gesprek over de wijze waarop de middelen worden toegekend en de verdeling van de middelen over gemeenten.

Vraag 28

Wat is de samenhang tussen de Europese Richtlijn toereikende minimumlonen en de Commissie sociaal minimum?

Antwoord 28

Op 4 oktober 2022 nam de Europese Raad het voorstel voor een richtlijn betreffende toereikende minimumlonen in de EU aan waarvan publicatie op korte termijn verwacht wordt. De richtlijn moet uiterlijk 2 jaar na de inwerkingtreding zijn vervat in de Nederlandse wet- en regelgeving, de voorbereidingen hiervoor zijn in gang gezet. De richtlijn leidt onder meer tot een verdere precisering van de manier waarop het minimumloon elke vier jaar wordt geëvalueerd. Dit staat in principe los van de Commissie Sociaal minimum. Deze commissie onderzoekt wat verschillende huishoudtypes nodig hebben om rond te komen en mee te kunnen doen aan de maatschappij, en onderzoekt daarnaast de systematiek van het sociaal minimum. Aan de hand van de (technische) uitkomsten van dit onderzoek kan een gesprek worden gevoerd over de wenselijke hoogte van minimumuitkeringen en de systematiek waarmee die wordt vastgesteld.

Vraag 29

Wat zijn de financiële gevolgen van de verhoging van de Algemene Ouderdomswet (AOW) in combinatie met de afschaffing van de Inkomensondersteuning AOW-gerechtigden (IOAOW) voor een gepensioneerde die enkel van een AOW moet rondkomen?

Antwoord 29

De hoogte van de IOAOW is voor alle AOW-gerechtigden met een volledige AOW-opbouw gelijk en bedraagt in 2022 op jaarbasis € 316,56 bruto. Door de bijzondere verhoging en reguliere indexatie stijgt het minimumloon op 1 januari 2023 met 10,15%, dit werkt door in de AOW-uitkering. De hogere AOW-uitkering compenseert het stapsgewijs afschaffen van de IOAOW meer dan volledig. Volgens de huidige inzichten neemt de AOW-uitkering voor een alleenstaande – door het meestijgen met de minimumloonsverhoging – in 2023 met circa € 880 bruto toe ten opzichte van het coalitieakkoord. Hier staat tegenover dat het IOAOW-bedrag in 2023 wordt verlaagd naar € 5 bruto per maand. Dit komt op jaarbasis neer op een verlaging van circa € 280. Door de hogere AOW-uitkering draagt een alleenstaande AOW-gerechtigde in 2023 circa € 30 meer inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet af. Door de hogere AOW en lagere IOAOW stijgt het netto-inkomen van een alleenstaande AOW-gerechtigde zonder aanvullend pensioen met circa € 570 in 2023. Op 1 januari 2025 wordt de IOAOW afgeschaft, hierdoor daalt het brutoinkomen van AOW-gerechtigden in 2025 met € 60 bruto. Hier staat tegenover dat de AOW elk halfjaar tussendoor en op hetzelfde moment wordt geïndexeerd.

Vraag 30

Hoeveel statushouders zijn inmiddels gestart met de inburgering onder de Wet inburgering (Wi) 2021?

Antwoord 30

Uit cijfers van DUO blijkt dat op 1 oktober jongstleden bij in totaal 20.497 personen de inburgeringsplicht onder de Wi2021 is vastgesteld. Dit betrof 14.704 asielstatushouders en 5.793 gezins- en overige migranten. Op dezelfde datum was er bij 3.602 van deze personen sprake van een vastgesteld Plan Inburgering en Participatie (PIP). Dit betrof 1.746 asielstatushouders en 1.856 gezins- en overige migranten (bron: DUO).

Het PIP is het sluitstuk van de brede intake en de formele start van het inburgeringtraject. Het aantal vastgestelde PIP’s lijkt lager dan verwacht. Op dit moment beziet SZW samen met de ketenpartners of er inderdaad sprake is van vertraging, wat hiervan in dat geval de oorzaken zijn en welke maatregelen kunnen helpen om een snelle start van de inburgering te bevorderen. De Tweede Kamer wordt in december nader geïnformeerd met de Uitvoeringsbrief inburgering.

Vraag 31

Hoeveel statushouders zullen naar schatting komende jaren nog inburgeren onder de Wi 2013?

Antwoord 31

Op 1 september jongstleden waren 39.475 asielmigranten nog inburgeringsplichtig onder de Wi2013 (bron: DUO). Deze wet zal naar verwachting nog zeker tot 2027 doorwerken, maar de groep zal de komende jaren wel steeds kleiner worden.

Vraag 32

Kunt u uiteenzetten hoe het volledige inburgeringstraject onder de Wi 2021 voor een statushouder eruitziet (chronologisch)? Kunt u dit afzetten tegen het traject onder de Wi 2013? Waar zitten de grootste verschillen voor statushouders in de twee trajecten vergeleken bij elkaar?

Antwoord 32

Een inburgeringstraject start zowel onder de Wi2013 als de Wi2021 met het vaststellen van de inburgeringsplicht door DUO. Inburgeraars die op dat moment nog in de opvang van het COA verblijven in afwachting van huisvesting in een gemeente (voornamelijk asielstatushouders), krijgen van het COA een aanbod in het kader van «Voorbereiding op inburgering». Dit gebeurt zowel onder de Wi2013 als onder de Wi2021. Onder beide wetten moeten inburgeraars binnen drie jaar aan de inburgeringsplicht voldoen (waarbij voor analfabete inburgeraars onder de Wi 2013 de termijn vijf jaar is).

Onder de Wi2021 hebben gemeenten een belangrijke (regie-)rol. De gemeente neemt aan het begin van het inburgeringstraject van iedere inburgeringsplichtige een brede intake af. Een leerbaarheidstoets maakt standaard onderdeel uit van deze brede intake. Op basis van de brede intake stelt de gemeente vervolgens samen met de inburgeringsplichtige een persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP) op. In het PIP wordt vastgelegd op welke wijze de inburgeraar aan zijn inburgeringsplicht moet voldoen. De inburgeringsplicht bestaat uit de volgende onderdelen:

  • het afronden van het Participatieverklaringstraject (PVT);

  • het afronden van de module Arbeidsmarkt & Participatie (MAP);

  • het succesvol afronden van één van de leerroutes:

    • o B1 route: vier taalexamens (lezen, luisteren, spreken en schrijven) op niveau B1 (met mogelijkheid tot afschalen naar niveau A2) + examen Kennis van de Nederlandse maatschappij (KNM);

    • o Onderwijsroute: vier taalexamens op minimaal niveau B1 + examen KNM. De inburgeraar volgt daarnaast andere vakken ter voorbereiding op instroom in een mbo-, hbo- of wo-opleiding;

    • o Z-route: geen verplichte examens, maar een urenverplichting: de inburgeraar volgt minimaal 800 uur taallessen (streefniveau A1) en lessen KNM en (dit geldt alleen voor asielstatushouders) verricht 800 uur activiteiten gericht op activering en participatie.

Gemeenten zijn verplicht om alle bijstandsgerechtigde asielstatushouders zes maanden te ontzorgen. Dit betekent dat de gemeente zes maanden lang de huur, de premie voor de verplichte zorgverzekering en de voorschotten voor de rekeningen van gas, water en elektriciteit betaalt vanuit de bijstandsuitkering. Asielstatushouders krijgen daarnaast maatschappelijke begeleiding en een cursusaanbod van de gemeente. Gezins- en overige migranten komen hier niet voor in aanmerking: zij kunnen voor de bekostiging van inburgeringslessen en examens een sociale lening aanvragen bij DUO. Deze lening (van maximaal € 10.000) moet worden terugbetaald.

Onder de Wi2013 bestaat de inburgeringsplicht uit de volgende onderdelen:

  • het afronden van het PVT;

  • het behalen van vier taalexamens op A2 niveau en Kennis van de Nederlandse samenleving: Oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt (ONA) en KNM.

De inburgeraar moet onder de Wi2013 zelf de inburgeringslessen en examens bekostigen. Daarvoor kan een sociale lening bij DUO (van maximaal € 10.000) worden aangevraagd. Asielstatushouders hoeven deze lening niet terug te betalen als zij tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht. Gezins- en overige migranten moeten deze lening altijd terugbetalen.

Onder de Wi2013 kunnen inburgeraars worden ontheven van de inburgeringsplicht op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen. Onder de Wi2021 bestaat deze mogelijkheid niet meer. Voor personen die niet in staat zijn om examen te doen op minimaal niveau A2 is er de Z-route.

De rol van gemeenten is onder de Wi2013 beperkt tot het verzorgen van het PVT (voor alle inburgeraars) en maatschappelijke begeleiding voor asielstatushouders. Wel zijn er (bestuurlijke) afspraken gemaakt over de begeleiding van asielstatushouders die nog onder de Wi2013 vallen, met specifieke aandacht voor inburgeringsplichtigen die tegen het eind van de inburgeringstermijn lopen en het overgrote deel van de lening hebben opgemaakt (de zogenoemde ELIP groep).

Schematisch zien de verschillen er als volgt uit:

Asielstatushouders

Gezins- en overige migranten

Wi2021

Wi2013

Wi2021

Wi2013

Aanbod «voorbereiding op inburgering» in COA-opvang

Aanbod «voorbereiding op inburgering» in COA-opvang

N.v.t.

N.v.t.

Brede intake

N.v.t.

Brede intake

N.v.t.

Vaststellen PIP inclusief leerroute:

– B1-route

– onderwijsroute

– Z-route

Alle inburgeraars burgeren in op niveau A2 met mogelijkheid

ontheffing op grond geleverde inspanningen

Vaststellen PIP inclusief leerroute

– B1-route

– onderwijsroute

– Z-route

Alle inburgeraars burgeren in op niveau A2 met mogelijkheid

ontheffing op grond geleverde inspanningen

Ontzorgen

N.v.t.

N.v.t.

N.v.t.

Maatschappelijke begeleiding aangeboden door gemeente

Maatschappelijke begeleiding aangeboden door gemeente

N.v.t.

N.v.t.

Cursusaanbod door gemeente t.b.v. leerroute

Lening t.b.v. inburgeringslessen (incl. alfabetisering) en examens van max. € 10.000; NB: hoeft niet te worden terugbetaald bij tijdig voldoen aan inburgeringsplicht

Lening t.b.v. inburgeringslessen (incl. alfabetisering) en examens van max. € 10.000; NB: moet worden terugbetaald

Lening t.b.v. inburgeringslessen (incl. alfabetisering) en examens van max. € 10.000; NB: moet worden terugbetaald

PVT aangeboden door gemeente

PVT aangeboden door gemeente

PVT aangeboden door gemeente

PVT (mag uit lening worden betaald)

MAP aangeboden door gemeente

ONA (mag uit lening worden betaald)

MAP aangeboden door gemeente

ONA (mag uit lening worden betaald)

Vraag 33

Op welke wijze wordt het onderdeel werk en arbeidsparticipatie vormgegeven in de Wi 2021?

Antwoord 33

Met de Wi2021 wordt beoogd om alle inburgeringsplichtigen snel en volwaardig mee te laten doen aan de Nederlandse samenleving, het liefst via betaald werk. Gemeenten, die de regie hebben gekregen over inburgeringstrajecten spelen daarbij een belangrijke rol. Van gemeenten wordt namelijk verwacht dat zij het leren van de Nederlandse taal en participatie (bijvoorbeeld in de vorm van stages, vrijwilligers- of betaald werk) zoveel mogelijk gelijktijdig laten plaatsvinden door «duale (inburgerings)trajecten» aan te bieden aan asielstatushouders. De combinatie van het leren van de taal en participeren versterkt elkaar. Vanuit het wettelijk kader van de Participatiewet hebben gemeenten de nodige ervaring opgedaan met duale trajecten. In 2016 bood iets meer dan de helft van de gemeenten duale trajecten aan; maar in 2021 is dit gestegen tot negen op de tien gemeenten. Verder is de module Arbeidsmarkt & Participatie (MAP) een verplicht onderdeel van het inburgeringstraject van inburgeringsplichtigen. Deze module vormt de eerste kennismaking van de inburgeringsplichtige met de ins en outs van de Nederlandse arbeidsmarkt. Binnen deze module brengt de inburgeringsplichtige de eigen competenties en arbeidskansen in beeld en dit wordt gecombineerd met (verplicht) inzet op de (lokale) arbeidsmarkt.

Vraag 34

Op welke wijze wordt burgerschap en normen en waarden vormgegeven in de Wi2021?

Antwoord 34

Aandacht voor en kennisoverdracht over de basiswaarden en fundamentele vrijheden van de Nederlandse samenleving is stevig verankerd in de Wet inburgering 2021. De belangrijke waarden, sociale regels en grondrechten komen als onderdeel van een doorlopende leerlijn aan de orde in het programma Voorbereiding op de inburgering, tijdens het participatieverklaringstraject (PVT) en als onderdeel van het examen Kennis Nederlandse Maatschappij (KNM). Kennisoverdracht vindt over het algemeen plaats via voorlichting, in lessen of workshops. Inburgeraars komen via het participatieverklaringstraject ook in aanraking met de waarden via deelname aan praktische activiteiten, zoals bezoeken aan organisaties die waarden uitdragen of vertegenwoordigen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een bezoek aan een Artikel 1 organisatie in het kader van gelijkwaardigheid of een bezoek aan een vrijwilligersorganisatie in het kader van solidariteit.

Vraag 35

In hoeverre wordt binnen de Wi 2021, specifiek binnen het burgerschapstraject, aandacht besteed aan voorlichting over antisemitisme?

Antwoord 35

Centraal bij de voorlichting binnen het participatieverklaringstraject (PVT) staat de vrijheid en veiligheid van elke minderheid. Hierbij is geen plaats voor antisemitisme. Gemeenten hebben een zekere vrijheid in de inrichting van het PVT en welke thema’s zij specifiek willen behandelen. Hierdoor is het mogelijk dat antisemitisme niet altijd aan de orde komt. Het onderwerp antisemitisme komt wel terug in het centrale examenonderdeel Kennis van de Nederlandse Maatschappij (KNM). In de zogenaamde eindtermen van dit examen, onderwerpen waarover de inburgeraar iets moet weten, worden de geschiedenis van Nederland in de Tweede wereldoorlog en antisemitisme specifiek benoemd.

Vraag 36

Klopt het dat u in 2019 een onderzoek heeft gedaan naar het toepassen van de taaleis in de bijstand? Zo ja, wat waren de uitkomsten van dit onderzoek?

Antwoord 36

De taaleis is in 2019 geëvalueerd. De evaluatie is in november 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2019/20, 34 352, nr. 186). In de aanbiedingsbrief aan uw Kamer zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Alle stakeholders, dus óók bijstandsgerechtigden zelf, onderschrijven het belang van het leren van de Nederlandse taal om mee te kunnen doen. De taaleis, en dan met name het verplichte karakter daarvan, heeft de aandacht hiervoor versterkt. Daarnaast wordt door de inzet van trajecten het taalniveau verhoogd.

Tevens werd geconcludeerd dat uitstroom uit de bijstand als direct gevolg van de taaleis niet kan worden aangetoond. Dat kan niet geheel worden toegeschreven aan de werkwijze van de taaleis. Om uitstroom te bereiken, spelen namelijk ook vaak andere belemmeringen (zoals gezondheid, scholing en schulden) een rol. Bovenal is het van belang mensen te kennen en op maat te ondersteunen.

Daarnaast sluit de in de Participatiewet voorgeschreven werkwijze rondom de taaleis op een aantal punten niet aan bij de behoefte van gemeenten. Zo zou de effectiviteit van de taaleis groter kunnen zijn als gestreefd kan worden naar een haalbaar taalniveau per cliënt. Hoger dan de huidige taaleis, indien mogelijk om re-integratie makkelijker te maken, en alleen een lager taalniveau als de leerbaarheid bewezen onvoldoende wordt geacht om het niveau te kunnen halen. Hierbij kunnen naast uitstroom uit de bijstand naar werk ook andere vormen van activering en participatie een doel zijn. Taal leren in samenhang met of geïntegreerd in andere activiteiten, kan dan juist wenselijk zijn en vraagt om stroomlijning van de toepassing van de taaleis, tegenprestatie en re-integratie instrumentarium. Zowel uit de evaluatie als uit gesprekken met gemeenten kwam naar voren dat gemeenten zich in dit streven belemmerd voelen door de Participatiewet.

Vraag 37

In hoeverre handhaven gemeenten op de taaleis in de bijstand? Is hier zicht en controle op? Wordt hierover gerapporteerd aan het ministerie SZW?

Antwoord 37

Het belang van beheersing van de Nederlandse taal voor participatie wordt door gemeenten breed onderschreven. De taaleis heeft de aandacht van gemeenten hiervoor verhoogd. Uit CBS onderzoek (Kamerstukken II 2018/19, 34 352, nr. 143) en de evaluatie van de taaleis (Kamerstukken II 2019/20, 34 352, nr. 186) blijkt dat de uitvoeringspraktijk divers is. Het merendeel van de gemeenten heeft gekeken welke bijstandsgerechtigden nog niet voldoen aan de taaleis en de helft voert ook taaltoetsen uit. Verplichtingen die worden opgelegd aan bijstandsgerechtigden worden vaak gecombineerd met een re-integratieaanbod. Eventuele sancties die hieruit voortkomen worden dan opgelegd vanuit de re-integratieverplichtingen. Maatregelen vanuit de taaleis worden niet vaak opgelegd. Gemeenten geven aan dat dit niet nodig is omdat bijstandsgerechtigden doorgaans meewerken aan de opgelegde verplichtingen. Gemeenten hoeven niet aan SZW te rapporteren over de uitvoering van de Participatiewet. Verantwoording wordt primair aan de gemeenteraad afgelegd.

Vraag 38

In welke sectoren zijn de meeste statushouders op dit moment werkzaam? Kunt u dit overzicht afzetten tegen de cijfers van voor de Covid-19-pandemie?

Antwoord 38

Het Ministerie van SZW houdt de gevraagde informatie niet bij. Het CBS onderzoekt in het kader van het «Cohortonderzoek asielzoekers en statushouders» en de bijbehorende reeks publicaties met de titel «Asiel en Integratie» wel de arbeidsparticipatie van de statushouders. Het CBS kijkt daarbij echter niet standaard naar de sectorverdeling, waardoor het op basis van de beschikbare CBS- publicaties niet mogelijk is om cijfers voor en na de Covid-19 pandemie met elkaar te vergelijken. In de publicatie Asiel en Integratie 2021 heeft het CBS er wel naar gekeken. Daaruit valt op te maken dat toentertijd 30% van de statushouders met een baan werkte in de uitzendbranche, 22% in de horeca en 19% in de handel.

Vraag 39

Welke maatregelen en instrumenten zetten gemeenten onder de Wi 2021 in om vrouwelijke statushouders te stimuleren in arbeidsparticipatie en financiële zelfredzaamheid?

Antwoord 39

De Wi2021 biedt gemeenten meer ruimte voor maatwerk aangezien gemeenten een centrale (regie-)rol hebben in de inburgering. Dit creëert de mogelijkheid om gemeentelijke instrumenten, bijvoorbeeld op het gebied van participatie en inburgering, op elkaar af te stemmen. Het belang van maatwerk bij vrouwelijke statushouders is benadrukt door het Verwey-Jonker Instituut in de evaluatie van de pilots voor vrouwelijke nareizigers en gezinsmigranten.

Als onderdeel van deze regierol nemen gemeenten van alle inburgeringsplichtigen, dus ook van vrouwelijke nareizigers en gezinsmigranten, een brede intake af, bestaande uit één of meerdere gesprekken. In de brede intake brengt de gemeente onder andere de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie van de inburgeringsplichtige in kaart. Daarnaast is ook de Module Arbeidsmarkt en Participatie (kortweg: MAP) een verplicht onderdeel van het inburgeringstraject. De MAP bestaat onder meer uit het opdoen van 40 uur praktijkervaring én een eindgesprek met de gemeente. Arbeidsoriëntatie maakt onder de Wi2021 dus expliciet onderdeel uit van de gesprekken tussen de inburgeringsplichtige en gemeenten. Ook kunnen gemeenten het inburgeringsbudget gebruiken voor begeleiding naar financiële zelfredzaamheid, bijvoorbeeld door het aanbieden van cursussen. Hierin hebben gemeenten beleidsvrijheid.

Vraag 40

Statushouders worden de eerste zes maanden na het verlaten van de asielopvang zoveel mogelijk «ontzorgd» door gemeenten; welke taken voor gemeenten vallen concreet onder dit ontzorgen? Hoe ziet de begeleiding die statushouders hierbij krijgen eruit? Wie verzorgt deze begeleiding?

Antwoord 40

Gemeenten hebben in de Participatiewet de taak gekregen om bijstandsgerechtigde asielstatushouders die onder de Wet inburgering 2021 inburgeringsplichtig zijn geworden gedurende de eerste zes maanden na huisvesting in de gemeente te ontzorgen. Deze ontzorging bestaat uit het, voor zover mogelijk, vanuit de uitkering betalen van huur, premie zorgverzekering en de voorschotten voor gas, water en licht. Daarnaast heeft de gemeente de rol om begeleiding te bieden om financiële zelfredzaamheid te bevorderen. Ten aanzien van de begeleiding hebben gemeenten volledige beleidsvrijheid. Op deze wijze kunnen zij inburgering, maatschappelijke begeleiding en de begeleiding naar financiële zelfredzaamheid optimaal combineren. Gemeenten zijn ook vrij ten aanzien van de keuze van de partij die de begeleiding aanbiedt.

Vraag 41

Hoeveel mensen hebben een kwetsbare arbeidsmarktpositie?

Antwoord 41

Er is geen standaarddefinitie van mensen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie. In veel literatuur wordt gewezen op een samenstel van persoonlijke kenmerken zoals leeftijd, herkomst en arbeidsbeperkingen. Opleidingsniveau, werkervaring en contractvorm zijn eveneens bepalend. Daarnaast kan bijvoorbeeld worden gekeken naar mensen met een (bijstands-)uitkering of mensen met een indicatie banenafspraak of beschut werk. Dergelijke afbakeningen omvatten echter niet de totale groep mensen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie.

In 2014 publiceerde het SCP de studie «Verschil in Nederland» waarin alle Nederlanders worden ingedeeld in zes verschillende groepen: de gevestigde bovenlaag, de jongere kansrijken, de werkende middengroep, de comfortabel gepensioneerden, de onzekere werkenden en het precariaat. In 2021 is een update van deze studie verschenen waarin opnieuw is gekeken naar de groottes van deze groepen. Uit die studie bleek dat circa 11,7% van de Nederlanders behoorden tot de onzekere werkenden (mensen met vaak onzeker werk, lage verdiensten en vaak een achterblijvende mentale gezondheid) en 8,7% tot het precariaat (mensen die veelal niet werken, weinig inkomen en vermogen hebben en over een slechte gezondheid en een klein sociaal netwerk beschikken). Op basis van deze studie zou daarom geschat kunnen worden dat circa 20% van de Nederlanders boven de 18 jaar een kwetsbare arbeidsmarktpositie heeft. Dit betreft echter een grove schatting, exacte aantallen zijn onbekend.

Vraag 42

Wat is de gedachte achter de voorgenomen afschaffing van het lage-inkomensvoordeel (LIV)?

Antwoord 42

Het LIV is een jaarlijkse tegemoetkoming voor werkgevers die werknemers in dienst hebben met een laag loon. Hierdoor dalen de loonkosten voor de werkgever. Beoogd wordt hiermee de werkgelegenheid van deze werknemers te stimuleren. Uit de evaluatie naar de doeltreffendheid (Kamerstukken II 2019/20, 32 043, nr. 505) blijkt echter dat de arbeidsmarkteffecten van het LIV positief, maar gering van omvang zijn. De netto arbeidsparticipatie van het aantal werkenden op de loonniveaus van 100% tot 125% WML is volgens deze evaluatie na de invoering van het LIV in 2017 met 0,0 tot 0,2 procentpunt gestegen. Uit onderzoek (Kamerstukken II 2019/20, 35 470 XV, nr. 2 bijlage Resultaten verantwoordingsonderzoek 2019 bij het Ministerie van SZW) blijkt dat ook de doelmatigheid van het LIV gering is. Werkgevers nemen het LIV niet of slechts zeer beperkt mee in besluiten om mensen in dienst te nemen of te houden. Het LIV draagt dus maar in beperkte mate bij aan het stimuleren van werkgevers om mensen met een laag inkomen in dienst te nemen en te houden, om zo voor deze werknemers meer banen te creëren.

Vraag 43

Hoe is in deze begroting uitvoering gegeven aan de motie Stoffer c.s. over het verkleinen van de kloof in belastingdruk tussen een- en tweeverdieners (Kamerstuk 35 925 XV, nr. 103)?

Antwoord 43

De gemiddelde druk van tweeverdieners ligt lager dan de gemiddelde belastingdruk van alleenverdieners bleek al eerder uit onderzoek van het CPB (CPB, Eenverdieners onder druk) en het rapport van de Commissie Draagkracht. Dit verschil heeft de aandacht van het kabinet. Vanwege de huidige extreme situatie van en zeer hoge inflatie en krapte op de arbeidsmarkt, heeft het kabinet ervoor gekozen om de onderkant te ondersteunen en tegelijkertijd werken lonend te houden. Dat betekent echter dat er dit jaar nog geen ruimte is om het verschil in belastingdruk tussen alleen- en tweeverdieners te verkleinen.

Vraag 44

Wat is de stand van zaken ten aanzien van de uitvoering van de toezegging aan de heer Stoffer om de problematiek op financieel gebied na verlies van een geliefde te onderzoeken?

Antwoord 44

In het afgelopen jaar zijn twee onderzoek uitgevoerd naar:

Daarnaast zijn met verschillende organisaties die nabestaanden ondersteunen gesprekken gevoerd. Uit de bovenstaande onderzoeken en de gesprekken komt hetzelfde beeld naar voren als uit de beleidsdoorlichting nabestaanden (Kamerstukken II 2019/20, 30 982, nr. 55). De inkomenspositie van Anw-ontvangers verschilt sterk. De Anw biedt inkomensbescherming voor alle Anw-ontvangers maar vanuit het perspectief van het garanderen van een minimuminkomen is dat voor de ene groep meer nodig dan voor de andere groep. Voor de wezenuitkering-ontvangers geldt een soortgelijk beeld. Het rapport doeltreffendheid van de wezenuitkering geeft voldoende aanknopingspunten om aan de slag te gaan met verbeterpunten en dat wordt nu uitgewerkt. Uiterlijk bij de volgende stand van zaken van de vereenvoudigingsagenda (in de zomer van 2023) wordt de Kamer geïnformeerd over de opvolging van het onderzoek Anw-gerechtigden.

Vraag 45

Wat is de stand van zaken ten aanzien van het wetsvoorstel waarin het loonkostenvoordeel banenafspraak structureel wordt gemaakt? Wanneer wordt het naar verwachting ingediend bij de Tweede Kamer?

Antwoord 45

Het structureel maken van het loonkostenvoordeel banenafspraak is onderdeel van het wetsvoorstel vereenvoudigde banenafspraak. In de brief van 7 juli 2022 (Kamerstukken II 2021/22, 34 352, nr. 255) is aangekondigd dat op basis van onder andere de geactualiseerde uitvoeringstoetsen en de voor- en nadelen van een (nieuwe) quotumregeling een definitief besluit wordt genomen over het al dan niet indienen van dit wetsvoorstel bij uw Kamer. Het is nog te vroeg hierover uitsluitsel te geven.

Vraag 46

Hoeveel werkenden in de leeftijd van 18 tot 21 jaar heeft een inkomen uit loon hoger dan de franchise?

Antwoord 46

Er bestaat geen overzicht van het aantal werkenden tussen 18 en 21 jaar dat een loon boven de franchise heeft. Wel kan op basis van het aantal personen met pensioenaanspraken en het aantal werkenden in deze leeftijdsgroep hier meer over gezegd worden.

De tabel met pensioenaanspraken hieronder laat zien hoeveel personen in de groep 18 tot 21 jaar pensioen hebben opgebouwd. Dat wil zeggen dat zij werken of gewerkt hebben bij een werkgever die een pensioenregeling aanbiedt en dat hun inkomen, rekening houdend met de deeltijdfactor, boven de franchise ligt (of lag). De groep 18-jarigen met een pensioenaanspraak was te klein om apart in de tabel op te nemen.

Tabel aantal personen met pensioenaanspraak op 31 december 2019

leeftijd

aantal

20-jarigen

60.440

19-jarigen

27.420

Een pensioenaanspraak kan volgen uit de huidige dienstbetrekking, maar ook uit een eerdere dienstbetrekking. Daardoor kunnen er ook personen met een aanspraak eind 2019 zijn die niet behoren tot de werkenden in 2019. Gegeven het korte arbeidsverleden van deze jongeren, zal dit echter niet vaak het geval zijn. Het afzetten van het aantal werkenden in 2019 tegen het aantal personen met een pensioenaanspraak geeft daarom een benadering van het percentage werkenden zonder pensioenopbouw. In 2019 werkten 140.000 18-jarigen, 142.000 19-jarigen en 143.000 20-jarigen (StatLine – Arbeidsdeelname; jongeren, 2003–2022 (cbs.nl)). Dus bij benadering hadden 0% van de 18-jarige, 19% van de 19-jarige en 42% van de 20-jarige werkenden pensioen opgebouwd en dus een inkomen boven de franchise. Dit percentage vormt een ondergrens, omdat van de groep zonder opbouw ook nog een deel een inkomen boven de franchise kan hebben. Zij bouwen desondanks geen pensioen op, omdat hun werkgever geen regeling aanbiedt, of omdat de betreffende regeling 21 jaar als minimumleeftijd voor pensioenopbouw hanteert (21 jaar is de maximaal toegestane leeftijdsgrens voor pensioenopbouw).

Vraag 47

Welke tabellen in Statline heeft het CBS geschrapt vanwege de trendbreuk in de enquête beroepsbevolking?

Antwoord 47

Er zijn 3 tabellen stopgezet waarvoor het CBS komend jaar een of meerdere nieuwe tabellen gaat maken en publiceren. Dit omdat er overlap zat tussen de verschillende begrippen en omdat de vraagstelling voor deze onderwerpen veranderd is. Dat gaat om de tabellen «Werkzame beroepsbevolking; thuiswerken, 2013–2020», «Werkzame beroepsbevolking; werkadres, 2010–2020» en «Werkzame beroepsbevolking; werken buiten kantoortijden, 2003–2020».

Er zijn 2 tabellen definitief stopgezet. Dat zijn de tabel «Arbeidsdeelname; kerncijfers (12-uursgrensdefinitie) 2003–2021», omdat er alleen nog werkloosheid volgens de definitie van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) wordt bevraagd, en de tabel «Werkzame beroepsbevolking; meer of minder willen werken, 2003–2021», omdat het CBS nog maar een cijfer over «meer willen werken» publiceert (het cijfer onderbenutte deeltijders, ook volgens de ILO-definitie).

Het merendeel van de Statline-tabellen op basis van de Enquête beroepsbevolking is voortgezet. Daarbij gaat het om nieuwe tabellen waarvoor het CBS de cijfers vanaf 2013 opnieuw heeft berekend om aan te sluiten op de uitkomsten van de nieuwe methode die het CBS vanaf 2021 hanteert.

Vraag 48

Welk deel van het Maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden (MDIEU-)budget is tot nu toe besteed? Is er sprake van onderbesteding?

Antwoord 48

Voor de MDIEU is in de jaren 2021 tot en met 2025 € 1 miljard beschikbaar. In 2021 en 2022 zijn er in totaal twee tijdvakken geweest om subsidie aan te vragen voor sectorale activiteitenplannen op het terrein van duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden. Tot nu toe is ongeveer € 250 miljoen MDIEU-subsidie beschikt. Het budget dat nog over is, is beschikbaar gebleven voor de komende jaren. In 2023 en 2024 volgen nog ten minste drie aanvraagtijdvakken. Sectoren die al een activiteitenplan hebben afgerond, kunnen dan subsidie aanvragen voor een tweede projectperiode. Ook kunnen we subsidieaanvragen verwachten van sectoren die nog geen eerdere aanvraag hebben gedaan. Het is dus nog te vroeg om te concluderen of er onderbesteding plaats gaat vinden.

Vraag 49

Constaterende dat de afspraak in het Middel Lange Termijn (MLT-)advies van de Sociaal-Economische Raad (SER) dat voor behoud van voldoende baankansen van werkenden aan de basis van de arbeidsmarkt er een franchise komt voor werkgeverslasten, vastgeklikt aan het verhogen van het minimumloon en bezien in samenhang met het LIV tot op heden niet is uitgewerkt; wanneer verwacht u met het uitwerken van de afspraak te beginnen? Bent u bereid te onderzoeken op welke andere manieren de werkgeverswig verkleind kan worden?

Antwoord 49

Met de rijksbegroting voor 2023 wordt momenteel besloten over de vormgeving van de werkgeverslasten, voor zover die volgen uit overheidsbeleid zoals belastingen en premies. Met het besluit van 3 oktober 2022 is bovendien besloten over het wettelijk minimumloon. Naar aanleiding van het pensioenakkoord is tevens afgesproken om het lage inkomensvoordeel (LIV) per 1 januari 2025 af te schaffen. Hiermee zet het kabinet in op een andere invulling dan is geadviseerd in het SER MLT-advies. Dit laat onverlet dat het kabinet oog heeft voor de werkgeverslasten. Zo stelt het kabinet € 500 miljoen beschikbaar (structureel € 600 miljoen) voor het midden- en kleinbedrijf. Hiermee worden onder andere de werkgeverslasten verlaagd. Dit gebeurt via de Aof-premie. En via het LIV om de verhoging van het minimumloon tijdelijk te verzachten voor werkgevers in het mkb. Daarnaast wordt in lijn met de motie Hermans (Kamerstukken II 2022/23, 36 200, nr. 17) de werkkostenregeling verruimd zodat werkgevers een hogere netto vergoeding kunnen uitkeren aan werknemers.

Vraag 50

Constaterende dat werkgevers hun mensen dagelijks zien worstelen met hun financiële situatie vanwege de hoge inflatie en dat een loonsverhoging niet leidt tot een significant hoger nettoloon, bent u bereid te onderzoeken hoe werkgevers voor 2023 en 2024 meer nettoloon bij hun werknemers terecht kunnen laten komen zonder dat dat leidt tot hogere werkgeverslasten? Welke mogelijkheden ziet u hiervoor?

Antwoord 50

Voor de meeste Nederlanders leidt een verhoging van het brutoloon tot een substantieel hoger nettoloon. Circa 4% van de werkenden heeft een marginale druk van boven de 70%. Het kabinet roept werkgevers op om de lonen te laten stijgen waar daar gezien de winsten ruimte voor bestaat. Dit komt bijvoorbeeld ook terug in de brief van 14 juli 2022 over loonongelijkheid (Kamerstukken II 2021/22, 29 544, nr. 1118). Daarbij heeft het kabinet aandacht voor de werkgeverslasten, met name bij het mkb. Zoals ook in het antwoord op vraag 49 is aangegeven is er structureel € 600 miljoen gereserveerd voor het mkb, waarmee onder andere ook de werkgeverslasten worden verlaagd. Ten slotte zorgen de getroffen inkomensondersteunende en lasten verlichtende maatregelen van het kabinet uiteraard ook voor een hoger netto inkomen van werknemers.

Het op generieke wijze verder verlagen van de lasten op inkomen uit arbeid zou leiden tot hogere netto inkomens, maar ook tot lagere overheidsinkomsten. Die lagere overheidsinkomsten moeten vervolgens gecompenseerd worden door andere belastingen te verhogen en/of door te bezuinigen op bepaalde publieke uitgaven.

Een tweede mogelijkheid om meer nettoloon te genereren zonder hogere werkgeverslasten, is dat sociale partners secundaire en tertiaire arbeidsvoorwaarden versoberen om zo de primaire arbeidsvoorwaarden te verruimen. Het kabinet denkt graag constructief mee over potentiële oplossingen, maar het is niet primair aan het kabinet om te besluiten c.q. te onderzoeken hoe sociale partners de totale loonkosten verdelen in primair loon en andere componenten.

Vraag 51

De Tweede Kamer heeft bij de behandeling van de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) aandacht gevraagd voor specifieke knelpunten voor seizoensarbeid zoals de hoge Werkloosheidswet (WW-)premie, wat is de stand van de uitwerking van deze motie Wiersma/Heerma (Kamerstuk 35 074, nr. 46)?

Antwoord 51

Het vorige kabinet heeft in november 2021 per brief uw Kamer geïnformeerd over de voortgang op het uitwerken van de motie Wiersma/Heerma (Kamerstukken II 2021/22, 26 448, nr. 662). In deze brief wordt uitgelegd dat een uitzondering op de hoge WW-premie voor seizoensarbeid niet uitvoerbaar is, en is aangekondigd dat samen met sociale partners en de uitvoering een alternatieve route wordt verkend.

Een alternatieve route zoals subsidie voor werkgevers is verkend maar blijkt niet haalbaar, onder andere vanwege staatsteunregels. Ook bestaat het risico op ontwijking van de hoge WW-premie door tijdelijk werk aan te merken als seizoensarbeid. Daarmee zou een subsidietraject het beleidsdoel van premiedifferentiatie in de WW kunnen ondermijnen: het stimuleren van vaste contracten waardoor werknemers meer zekerheid hebben. De Minister van SZW heeft binnenkort een vervolggesprek met werkgeversorganisaties.

Vraag 52

Er is een groot verschil in loonkosten tussen Nederland en buurlanden, waar o.a. fruitteeltsector mee te maken heeft; kunt u een vergelijkend overzicht geven van de loonkosten van seizoensarbeid tussen Nederland en ons omringende landen?

Antwoord 52

Het is niet eenvoudig om iets te zeggen over verschillen in loonkosten tussen Nederland en ons omringende landen. De loonkosten worden beïnvloed door veel verschillende factoren, waaronder de wet- en regelgeving in andere lidstaten en verschillen in belasting- en pensioenstelsels.

Ook de premiekosten zijn van invloed op de loonkosten voor werknemers. Op basis van de Europese coördinatieverordening sociale zekerheid kan een gedetacheerde werknemer – onder voorwaarden – voor maximaal 24 maanden sociaal verzekerd blijven in het zendende land. Indien de werkgeverspremies in het zendende land lager zijn dan in Nederland, zijn de loonkosten voor de betreffende werknemer lager. Tegelijkertijd kunnen hier extra kosten voor het verblijf in Nederland tegenover staan, zoals huisvesting, vervoer en compensatie voor de hogere kosten van levensonderhoud.

Vraag 53

Hoeveel mensen hebben een beschutte werkplek via het Sociale werkvoorziening (Sw-)bedrijf? Kan cijfermatig worden aangegeven hoe de ontwikkeling van het totaal aantal beschutte werkplekken van de afgelopen 5 jaar verloopt? Wat zijn de meest recente cijfers over gerealiseerde beschutte werkplekken per gemeente?

Antwoord 53

Eind juni 2022 waren er 7.421 personen werkzaam op een beschutte werkplek. Eind 2021 waren dat 6.767 mensen (Bron: UWV, dashboard beschut werk). Uit de sectorinformatie van Cedris, waar 85% van de sociaal ontwikkelbedrijven aan heeft bijgedragen, blijkt dat van deze groep in 2021 in ieder geval 5.600 mensen een dienstverband hadden bij/via een sociaal ontwikkelbedrijf (Bron: Sectorinformatie Cedris 2021). Naar verwachting is dit aantal op dit moment hoger. Enerzijds omdat het aantal beschutte werkplekken sinds december 2021 is toegenomen. Anderzijds omdat eind 2021 15% van de sociaal ontwikkelbedrijven niet heeft deelgenomen aan de uitvraag voor de sectorinformatie van Cedris.

Ontwikkeling van het aantal werkzame personen

De ontwikkeling van het aantal werkzame personen met een geldige indicatie beschut werk is sinds 2018 als volgt:

Jaar

Aantal werkzame personen met indicatie beschut werk

2018

2.428

2019

3.992

2020

5.198

2021

6.767

T/m juni 2022

7.421

Realisatiecijfers

Op verzoek van SZW publiceert UWV elk kwartaal via een openbaar dashboard de cijfers over beschut werk. Het gaat hierbij om het aantal aanvragen, positieve adviezen en mensen met een positief advies die aan het werk zijn. Deze cijfers worden op het niveau van de arbeidsmarktregio gepresenteerd omdat bij kleine aantallen per gemeente het risico bestaat op herleidbaarheid van gegevens naar personen. Dit is uit privacy overwegingen niet toegestaan. Zie voor de actuele realisatiecijfers de eerder in dit antwoord vermelde hyperlink.

Vraag 54

Hoeveel mensen zitten er momenteel in een schuldregeling in een Minnelijke schuldsanering natuurlijke personen (Msnp-)traject?

Antwoord 54

Onder schuldregeling vallen twee vormen: saneringskrediet en schuldbemiddeling. Beide lopen meestal drie jaar. Bij een saneringskrediet worden de schuldeisers aan de voorkant afbetaald, waardoor er nog maar een schuldeiser overblijft, namelijk de verstrekker van het saneringskrediet. Bij schuldbemiddeling wordt het maandelijks door de schuldenaar afgeloste bedrag gespaard en jaarlijks uitgekeerd aan de schuldeisers. Volgens het Jaarverslag NVVK 2021 (financiële hulpverleners) zijn in 2021 9.298 saneringskredieten en 6.613 schuldbemiddelingen afgesloten. Volgens het CBS waren uitgaande van de gegevens van het Bureau Krediet Registratie op 1 januari 2021 in totaal 39.060 huishoudens met een schuldregeling geregistreerd (CBS, Schuldenproblematiek in beeld).

Vraag 55

Op welke manier kan werktijdverkorting sectoraal worden ingezet, in sectoren die kampen met hoge energielasten en daardoor wisselende arbeid hebben, om «leegloop» te voorkomen?

Antwoord 55

Met de regeling werktijdverkorting (wtv) kunnen werkgevers bij minder werk als gevolg van een calamiteit de arbeidsuren van werknemers tijdelijk eenzijdig naar beneden bijstellen. Het moet gaan om kortdurende omstandigheden die niet tot het reguliere ondernemersrisico behoren, zoals brand, overstroming of blikseminslag.

Minder werk als gevolg van hogere energielasten, bijvoorbeeld omdat de ondernemer besluit de productie tijdelijk af te slanken, komt niet voor werktijdverkorting in aanmerking. De hogere energieprijzen betreffen gewijzigde marktomstandigheden en de gevolgen hiervan vallen doorgaans onder het reguliere ondernemersrisico. Zodoende gaat het niet om buitengewone omstandigheden in de zin van de wtv-regeling. De hogere energieprijzen leiden ook niet onmiddellijk tot een vermindering van bedrijvigheid: er is geen sprake van een directe relatie. Het mitigeren van hoge kosten in energie middels een regeling (c.q. arbeidsrechtelijk instrument) die het mogelijk maakt de arbeidsuren van werknemers naar beneden bij te stellen ligt niet voor de hand.

Daarnaast is op dit moment niet bekend hoelang de situatie zal duren, maar de verwachting is dat de energieprijzen langdurig hoger zijn. De wtv is bedoeld om een kortdurende vermindering (maximaal 24 weken) van bedrijvigheid op te vangen en zodoende ook niet geschikt voor structurele problematiek. De wtv-regeling is een instrument om ontslagen te voorkomen bij tijdelijke vermindering van werk. Voor inzet in geval van structurele problematiek is de wtv niet geschikt.

Bedrijven die te kampen hebben met (gevolgen van) de hogere energieprijzen kunnen, wanneer zij aan de voorwaarden voldoen, een beroep doen op de regeling Tegemoetkoming Energiekosten (TEK) van het Ministerie van EZK.

Vraag 56

Er komt een franchise voor werkgeverslasten, wanneer verwacht u met het uitwerken van de afspraak te beginnen?

Antwoord 56

Zie het antwoord op vraag 49.

Vraag 57

Hoe kan de werkgeverswig verkleind worden?

Antwoord 57

Zie het antwoord op vraag 50.

Vraag 58

Ziet u mogelijkheden om werkgeverslasten te verkleinen nu de nettolonen omhoog gaan?

Antwoord 58

Zie het antwoord op vraag 50.

Vraag 59

Hoe worden mensen die aan de kant staan of een minder sterke positie op de arbeidsmarkt hebben geholpen om de kansen die de krapte op de arbeidsmarkt biedt te benutten?

Antwoord 59

Het kabinet heeft de ambitie om meer mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt naar werk te begeleiden. De krapte biedt daartoe veel kansen. Mensen die een uitkering krijgen van UWV of gemeenten kunnen bij die instantie terecht voor begeleiding bij het vinden van een nieuwe baan. De begeleiding hangt af van de ondersteuningsbehoefte van de werkzoekende en de kosten moeten passen binnen de beschikbare financiële ruimte. Mogelijkheden zijn onder andere: coachingsgesprekken, (sollicitatie-)trainingen, workshops, scholing, werkervaringsplaatsen et cetera. Ook niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekenden kunnen bij gemeenten terecht voor begeleiding naar werk. Indien andere vormen van ondersteuning nodig zijn, dan kan aanvullende dienstverlening via het Regionaal Mobiliteitsteam worden ingezet. Om de mismatches tussen wat werkgevers zoeken en wat werkzoekenden kunnen bieden te verminderen loopt dit jaar het actieplan «Dichterbij dan je denkt». We geven daarmee regionaal en landelijk een impuls aan de matching van werkgevers en werkzoekenden door onder andere werkgevers ertoe aan te zetten op een ander manier te werven, zoals via open hiring, jobcarving en praktijkleren in het MBO (Kamerstukken II 2021/22, 29 544, nr. 1094).

Vraag 60

Hoe komt de inzet van het kabinet op een Leven Lang Ontwikkelen (LLO) terug in een intensivering van de beschikbare middelen op een LLO?

Antwoord 60

In de Kamerbrief Beleidslijnen Leven Lang Ontwikkelen van 23 september jl. (Kamerstukken II 2022/23, 30 012 nr. 147) spreekt het kabinet de ambitie uit de leer- en ontwikkelcultuur te stimuleren, de trend van stagnerende deelname aan scholing en training te keren en te streven naar verhoging van de scholingsdeelname. In deze brief is uitgewerkt hoe het kabinet circa € 1,2 miljard tussen 2022 en 2027 investeert langs drie samenhangende beleidslijnen om mensen, bedrijven en opleiders te stimuleren hun rol te pakken in LLO. Het enkel beschikbaar stellen van budget voor scholing is onvoldoende om te zorgen dat daadwerkelijk meer werkenden investeren in hun loopbaan en ontwikkeling. In de brief wordt daarom ook toegelicht dat met een programmatische aanpak bedrijven en organisaties actief gestimuleerd en gefaciliteerd worden om de leercultuur in hun bedrijf of organisatie te verbeteren.

Vraag 61

Welke onorthodoxe maatregelen om personeelstekorten terug te dringen heeft het kabinet in overweging of reeds aangekondigd?

Vraag 62

Welke onorthodoxe maatregelen onderzoekt het kabinet om personeelstekorten terug te dringen?

Vraag 63

«Het kabinet onderzoekt, in aanvulling op bovenstaande acties, onorthodoxe maatregelen om personeelstekorten terug te dringen», wat voor maatregelen zouden dit zijn? Zouden ze onorthodox zijn vanwege de hoeveelheid geld die het kost of de inhoud van de maatregel?

Antwoord 61, 62 en 63

In de kraptebrief, afgelopen juni aan uw Kamer verzonden (Kamerstukken II 2021/22, 29 544, nr. 1115), heeft het kabinet aangekondigd hoe de aanpak om personeelstekorten terug te dringen eruitziet. Deze aanpak bestaat uit de volgende zes lijnen:

  • 1. Stimuleren van technologie- en procesinnovatie;

  • 2. Inzet op arbeidsaanbod;

  • 3. Verbeteren van de match;

  • 4. Stimuleren van meer uren werken;

  • 5. Inzet op leven lang ontwikkelen;

  • 6. Verbeteren aansluiting initieel onderwijs en arbeidsmarkt.

Sommige maatregelen in deze aanpak zijn reeds bekend en passen in voorgenomen beleidsopties. Andere maatregelen zijn nieuw. Deze maatregelen vormen samen de basis om het krapteprobleem aan te pakken. Daarnaast zijn de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs en de Minister voor Langdurige Zorg en Sport bezig met het onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om een voltijdsbonus of een meerurenbonus te implementeren voor hun sectoren (zie antwoord op vraag 134).

Ook wordt binnenkort een brief aan de Kamer gestuurd waarin beschreven zal worden welke kraptemaatregelen het kabinet nader uitwerkt. Deze maatregelen worden verder onderzocht op uitvoeringsconsequenties, juridische haalbaarheid, effectiviteit, doelmatigheid en dekkingsmogelijkheden. Daarvoor is nader overleg met de sociale partners en (onderwijs)organisaties nodig. Op basis van de uitkomsten van de nadere uitwerking wordt er bij de voorjaarsbesluitvorming besloten over eventuele implementatie van verdergaande maatregelen.

De mate waarin de maatregel onorthodox is, is afhankelijk van de verwachte impact en maatschappelijke of politieke gevoeligheid van de maatregel – niet het daaraan te hangen bedrag.

Vraag 64

Hoe worden mensen die voorheen niet of nauwelijks recht hadden op begeleiding geïnformeerd over het feit dat ook zij geholpen kunnen worden door RMT's?

Antwoord 64

We zien dat in toenemende mate de communicatie van de RMT’s gericht is op het bereiken van mensen die voorheen niet of onvoldoende geholpen en ook moeilijk bereikt konden worden. Denk aan werkenden die met ontslag worden bedreigd, ZZP-ers die geen werk meer hebben en werkzoekende werklozen zonder uitkering. De RMT’s van Friesland, Groningen en Drenthe zijn bijvoorbeeld met hun campagne Het Noorden Werkt Door! succesvol in het bereiken van deze mensen. Het RMT Rivierenland start in november een vergelijkbare campagne. Daarnaast maken alle RMT’s zoveel mogelijk gebruik van het regionaal netwerk om deze mensen te bereiken. Dit gebeurt bijvoorbeeld via wijkteams, jongerenloketten en de gemeentelijke loketten die bijstand verlenen aan zelfstandigen. Het RMT van Zuid-Kennemerland en IJmond heeft bakfietsen aangeschaft om zelf de wijken in te trekken. De geleerde lessen worden tussen de RMT’s gedeeld. Zo worden in november in samenwerking met het actieprogramma Dichterbij Dan Je Denkt twee webinars voor professionals georganiseerd over wijkgericht werken en informatiecampagnes. Deze investeringen betalen zich uit. Inmiddels behoort het grootste deel van de RMT-klanten tot de mensen die voorheen niet of onvoldoende geholpen konden worden en moeilijk bereikbaar waren.

Vraag 65

Via welke concrete stappen borgt het programma «Verdere integratie op de arbeidsmarkt» verbetering van de arbeidsmarktpositie van statushouders?

Antwoord 65

Het kabinet wil dat we ons als samenleving nog meer inzetten om de groep statushouders een betere plek op de arbeidsmarkt te geven. Dit vraagt om een actieve houding van overheden, instanties, werkgevers, statushouders zelf en maatschappelijke organisaties. Het programma Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt (VIA) is eind vorig jaar met 20 landelijke (koepel-)organisaties uitgewerkt tot de Werkagenda VIA. Met deze Werkagenda worden de lessen uit het programma VIA toegepast, uitgebreid en verspreid door werkgevers, gemeenten, UWV, het onderwijsveld en maatschappelijke organisaties. Met betrokken partijen en statushouders wordt zo gezamenlijk werk gemaakt van het versnellen en verbeteren van de participatie van deze groep. Zodat zij echt een goede en duurzame plek op arbeidsmarkt kunnen krijgen. Denk aan het opzetten van een matchingsplatform voor statushouders en werkgevers, het stimuleren van meer leerwerktrajecten in tekortsectoren en het uitwisselen van kennis tussen werkgevers en uitzenders over het in dienst nemen van statushouders. In het eerste kwartaal van 2023 zal de Minister van SZW uw Kamer berichten over de verdere concrete stappen die hierin samen met betrokken partijen worden gezet, zoals ook verzocht via de Motie Aartsen (Kamerstukken II 2022/23, 32 824, nr. 373).

Vraag 66

In hoeverre is tot nu toe gebruik gemaakt van RMT's door statushouders? Wat zijn de ervaringen?

Antwoord 66

RMT’s bieden extra ondersteuning aan werkzoekenden om ze snel en gericht naar ander werk te begeleiden. Deze dienstverlening is aanvullend op de reguliere dienstverlening vanuit gemeenten en/of het UWV. Hierbij stellen ze de klant centraal, betrekken ze zijn of haar mogelijkheden en is er budget inzetbaar voor scholing of een andere interventie. Hieronder vallen ook taaltraining en matching, interventies waarvan is aangetoond dat deze extra effectief zijn voor mensen met een migratieachtergrond, waaronder ook statushouders. RMT’s hebben ervaring met het begeleiden van statushouders, daarvoor benutten zij hun netwerk in de regio.

Vraag 67

Hoeveel Nederlands als tweede taal (NT2-)docenten (in fte) zijn er momenteel werkzaam in de inburgering?

Antwoord 67

Het is niet bekend hoeveel Nt2-docenten, uitgedrukt in fte’s, momenteel werkzaam zijn in de inburgering. Er zijn bij Blik op Werk circa 250 Nt2-docenten geregistreerd voor het keurmerk Inburgering. Het is niet bekend hoeveel uur per week deze docenten in de inburgering werkzaam zijn. Daarnaast staan in het beroepsregister van de Beroepsvereniging voor docenten Nederlands als tweede taal circa 2.400 Nt2-docenten, waarvan een onbekend deel actief is en een deel niet-actief. Docenten kunnen in beide registers staan.

Vraag 68

Hoeveel opleidingsplekken voor NT2-docenten zijn er op jaarbasis beschikbaar?

Antwoord 68

Voor het studiejaar 2021/2022 (periode najaar 2021–zomer 2022) waren in totaal circa 500 opleidingsplaatsen voor Nt2-docenten beschikbaar, zo blijkt uit een inventarisatie van de Beroepsvereniging voor docenten Nederlands als tweede taal. Ongeveer tweederde hiervan betrof reguliere opleidingsplaatsen bij hogescholen, universiteiten en een private instelling verspreid over het land, maar voornamelijk in de Randstad. In de overige gevallen ging het om in company opleidingsplaatsen bij de (beoogd) werkgever. Voor het studiejaar 2022/2023 is op dit moment nog geen compleet overzicht van het aantal opleidingsplaatsen beschikbaar.

Vraag 69

Hoe is de regionale spreiding van opleidingsplekken voor NT2-docenten?

Antwoord 69

Zie het antwoord op vraag 68.

Vraag 70

Hoelang werkt een NT2-docent gemiddeld in de inburgering?

Antwoord 70

Hier is geen statistiek over bekend.

Vraag 71

Op welke termijn wordt de seniorenkansenvisie naar de Kamer gestuurd?

Antwoord 71

De Seniorenkansenvisie wordt voor de begrotingsbehandeling naar de Kamer gestuurd.

Vraag 72

«Mensen die aan het werk willen, of hun huidige baan dreigen te verliezen, kunnen naar een regionaal mobiliteitsteam», uit evaluatie van Perspectief op Werk (PoW) is gebleken dat niet iedereen weet dat RMT’s bestaan en of ze iets voor hen kunnen betekenen, is er geld uitgetrokken om de vindbaarheid van deze teams te vergroten?

Antwoord 72

SZW heeft een communicatietoolkit gemaakt met onder meer een kernboodschap en basisverhaal waarmee de RMT’s zelf hun communicatie richting werkzoekenden verder konden inrichten. De RMT’s hebben hiervoor middelen gekregen. In het najaar van 2021 is een landelijke campagne geweest en zijn alle regionale teams aangesloten op de website www.hoewerktnederland.nl. We zien dat gaandeweg de bekendheid van de RMT’s toeneemt. RMT’s zijn zich bewust dat naast regionale campagnes, ook het regionale netwerk, mond-tot-mond reclame en wijkgericht werken bijdragen aan de vindbaarheid van de teams. Nu de tijdelijke regeling van de RMT’s voor 2023 wordt verlengd naar verwachting, kunnen de arbeidsmarktregio’s hier nog meer in investeren.

Vraag 73

Wat zijn de koopkrachtverwachtingen voor 2023 wanneer deze worden aangepast aan mogelijk aanhoudende hoge inflatie van 8% zoals door het Internationaal Monetair Fonds (IMF) voorspeld, graag door kabinet gepresenteerde koopkrachttabel aanpassen aan 8% inflatie?

Antwoord 73

Inflatieramingen zijn op dit moment zeer volatiel. Kleine verschillen in methoden en de peildatum van energieprijzen kunnen tot grote verschillen in uitkomst leiden. Het tijdelijk prijsplafond biedt huishoudens in 2023 zekerheid over de hoogte van hun energieprijzen, zij worden zo niet meer geraakt door een belangrijk deel van de prijsvolatiliteit.

Als blijkt dat de inflatie komend jaar toch hoger uitvalt, dan heeft dit gevolgen voor de koopkrachtstijging in 2023. De mate waarin dit gebeurt is op voorhand niet te zeggen, omdat er bij een hogere inflatie ook een snellere stijging van lonen kan volgen. Als de inflatie meer toeneemt dan de loonontwikkeling, zal de koopkrachtverwachting lager uitkomen. Bij de CEP-raming in maart 2023 publiceert het CPB nieuwe actuele koopkrachtverwachtingen.

Vraag 74

Hoe heeft het percentage huishoudens in armoede en het percentage kinderen die opgroeien in armoede zich ontwikkeld vanaf 2010?

Antwoord 74

Uit de ramingen die het CPB in samenwerking met het SCP heeft gemaakt voor de periode 2021–2023, blijkt dat de armoede in 2021 vrijwel gelijk is aan die in 2020; er is sprake van een stijging met 0,1 procentpunt. Geraamd wordt dat in 2022 de armoede stijgt naar 6,7% van de bevolking. Door extra koopkrachtmaatregelen wordt geraamd dat het aantal mensen dat in 2023 in armoede verkeert afneemt. Het gaat dat jaar naar schatting om ruim 830.000 mensen (4,9%). De armoede onder kinderen ligt over het algemeen hoger dan de totale armoede in Nederland. Geraamd wordt dat 6,7% van de kinderen in armoede leeft in 2023. (kennisnotitie Armoede ramingen september 2022)

Vraag 75

Kan een overzicht gegeven worden van alle additionele inkomensondersteuningsmaatregelen die over 2022 en 2023 getroffen zijn, de kosten die daarmee gemoeid zijn en de totale kosten van deze maatregelen?

Vraag 76

Kan een overzicht gegeven worden van alle additionele inkomensondersteuningsmaatregelen die over 2022 en 2023 getroffen zijn waarop studenten recht hebben?

Antwoord 75 en 76

Onderstaande tabellen geven een overzicht van alle additionele inkomensmaatregelen die over 2022 en 2023 zijn getroffen, inclusief de kosten die daarmee gemoeid zijn. Daarbij is per maatregel aangegeven of studenten aanspraak maken op de maatregel.

Maatregelen 2022

Budgettair beslag 20221 (€ mln.)

Geldt ook voor studenten?

Verhoging belastingvermindering energiebelasting

1.546

Ja, mits eigen aansluiting

Verlaging eerste schijf energiebelasting elektra met 8,389 cent p/kWh

1.664

Ja, mits eigen aansluiting

Verlaging btw op energie van 21% naar 9%

1.024

Ja, mits eigen aansluiting

Verlaging brandstofaccijns

1.025

Ja

Energietoeslag (€ 1.800, waarvan € 500 uit budget 2023)

1.900

Nee

Versnelde inzet energiebesparende maatregelen kwetsbare huishoudens

310

Nee

Flankerend beleid SZW (waaronder bijzondere bijstand)

75

Ja

Compensatie november en december 2022

3.200

Ja, mits eigen aansluiting

Totaal budgettair beslag

10.744

 
X Noot
1

Het budgettair beslag van de maatregelen heeft uitsluitend betrekking op de jaren 2022 en 2023. Daarom wijken de bedragen soms af van de bedragen die eerder in Kamerbrieven is gecommuniceerd. Zo is er € 500 miljoen uitgetrokken voor een hogere uitwonende beurs voor studenten, waarvan € 12 miljoen neerslaat in 2023 en het resterende bedrag in latere jaren.

Maatregelen 2023

Budgettair beslag 20231 (€ mln.)

Geldt ook voor studenten?

Tijdelijk prijsplafond voor energie2

11.200

Ja, mits eigen aansluiting

Verlaging brandstofaccijns

1.193

Ja, mits autogebruik

Energietoeslag (€ 1.300, waarvan € 500 in 2022)

900

Nee

Verhoging WML met 8,05% in 2023 (incl. gefaseerde afschaffing IOAOW)

2.712

Ja, mits werkend

Verhoging arbeidskorting (incl. CA)

3.169

Ja, mits werkend

Verlaging tarief eerste schijf IB

700

Ja, mits werkend

Verhoging zorgtoeslag met 412 euro

2.117

Ja

Verhoging huurtoeslag met 203 euro

187

Ja, mits zelfstandige huurwoning

Verhoging kindgebonden budget

732

Ja, mits kinderen aanwezig

Inkomensafhankelijke huurverlaging per 1 juli 2023

0

Nee

Verhoging beurs uitwonende studenten

12

Ja

Flankerend beleid SZW (waaronder bijzondere bijstand)

75

Ja

Intensivering Nationaal Isolatieprogramma

150

Ja

Totaal budgettair beslag

23.147

 
X Noot
1

Het budgettair beslag van de maatregelen heeft uitsluitend betrekking op de jaren 2022 en 2023. Daarom wijken de bedragen soms af van de bedragen die eerder in Kamerbrieven is gecommuniceerd. Zo is er € 500 miljoen uitgetrokken voor een hogere uitwonende beurs voor studenten, waarvan € 12 miljoen neerslaat in 2023 en het resterende bedrag in latere jaren.

X Noot
2

Het budgettair beslag van het tijdelijk prijsplafond voor energie in 2023 is nog zeer onzeker, en hangt af van de ontwikkeling van de marktprijzen voor gas en elektriciteit.

Vraag 77

Wat zijn de financiële consequenties voor een eenpersoonshuishouden, eenouderhuishouden en een huishouden met één of twee kinderen van alle additionele inkomensondersteuningsmaatregelen die over 2022 en 2023 zijn getroffen? Kan hiervan een overzicht gegeven worden voor de inkomensgroepen sociaal minimum en 130% sociaal minimum?

Antwoord 77

Onderstaande tabellen tonen de financiële gevolgen van de inkomensondersteuning in 2022 en 2023 voor de gevraagde huishoudtypes.

Hierbij passen de volgende kanttekeningen:

  • De inkomensgrenzen voor de energietoeslag worden gemeentelijk bepaald. In dit voorbeeld is uitgegaan van inkomensgrens van 120% van het netto sociaal minimum. De precieze inkomensgrenzen verschillen per gemeente.

  • Bij de voorbeelden op het sociaal minimum is verondersteld dat deze huishoudens een bijstandsuitkering ontvangen. Voor huishoudens met een inkomen van 130% van het bruto sociaal minimum is verondersteld dat zij werken. Bij een paar is dit bruto inkomen in gelijke mate verdeeld over beide partners.

  • Deze berekening toont alleen inkomensondersteuning. De gevolgen van de stijgende energierekening zijn in beide jaren sterk gedempt via maatregelen die direct toezien op de energierekening, bijvoorbeeld door verlaging van de energiebelasting en het lagere btw-tarief op de energierekening en het prijsplafond. De precieze gevolgen hiervan zijn afhankelijk van de hoogte van de energierekening, dit kan sterk verschillen voor de getoonde huishoudens. In de brief over de uitwerking van het tijdelijk prijsplafond worden de effecten voor verschillende huishoudens gegeven (Kamerstukken II 2022/23, 36 200, nr. 77).

De berekeningen laten zien dat met name de energietoeslag, verhoging van het wettelijk minimumloon (WML) en het kindgebonden budget ervoor zorgen dat de inkomens van huishoudens stijgen.

De alleenstaande ouder in de onderste tabel betaalt geen belasting doordat deze recht heeft op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Verhoging van de arbeidskorting en verlaging van het tarief eerste schijf worden door dit huishouden daarom niet verzilverd. Daartegenover staat dat het voordeel van de WML-stijging sterker doorklinkt doordat hier minder belasting over wordt betaald door dit huishouden.

Tabel Extra inkomensondersteuning voor huishoudens met een bijstandsuitkering (afgerond op € 10)
 

Alleenstaande

Alleenstaande ouder

Paar met twee kinderen

Jaar

2022

2023

2022

2023

2022

2023

Energietoeslag

1.300

1.300

1.300

1.300

1.300

1.300

Verhoging wettelijk minimumloon

0

700

0

700

0

960

Verlaging tarief eerste schijf

0

30

0

30

0

40

Verhoging zorgtoeslag

0

440

0

440

0

470

Verhoging huurtoeslag

0

200

0

200

0

200

Verhoging kindgebonden budget

0

0

0

1070

0

1070

Totaal inkomensondersteuning

1.300

2.660

1.300

3.730

1.300

4.030

Tabel Extra inkomensondersteuning voor huishoudens op 130% van bruto sociaal minimum (afgerond op € 10)
 

Alleenstaande

Alleenstaande ouder

Paar met twee kinderen

Jaar

2022

2023

2022

2023

2022

2023

Verhoging wettelijk minimumloon

0

880

0

1.370

0

1.350

Verhoging arbeidskorting

0

470

0

0

0

900

Verlaging tarief eerste schijf

0

30

0

0

0

80

Verhoging zorgtoeslag

0

440

0

440

0

470

Verhoging huurtoeslag

0

200

0

200

0

200

Verhoging kindgebonden budget

0

0

0

1.070

0

1.070

Totaal inkomensondersteuning

0

2.020

0

3.080

0

4.070

Vraag 78

Hoeveel Nederlanders en hoeveel huishoudens geven aan moeite te hebben met rondkomen?

Antwoord 78

In Materiële Welvaart in Nederland 2022 heeft het CBS de nieuwste gegevens over de financiële situatie van huishoudens en personen in Nederland gepresenteerd. In 2021 kwam 7% van de huishoudens naar eigen zeggen (zeer) moeilijk rond van het inkomen. Sinds 2013 daalde dit percentage. Deze daling was ook zichtbaar in de jaren 2020 en 2021. Door de lockdowns veranderde het bestedingspatroon van huishoudens waardoor er vaak meer geld overbleef om de gebruikelijke noodzakelijke uitgaven te kunnen betalen. Huishoudens met een laag inkomen kunnen vaker niet rondkomen dan huishoudens met een midden tot hoog inkomen.

In het eerste kwartaal van 2022 ging 30% van de bevolking van 15 jaar of ouder er in het eerste kwartaal van 2022 van uit dat de financiële situatie van zijn huishouden het komende jaar zal verslechteren. Begin 2021 was dat nog 16%. (https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2022/26/meer-mensen-verwachten-verslechtering-van-hun-financiele-situatie)

Vraag 79

Hoeveel Nederlanders en hoeveel huishoudens hebben te maken met problematische schulden?

Antwoord 79

Op 1 oktober 2021 had 7,6% van de Nederlandse huishoudens geregistreerde problematische schulden. Dit zijn in totaal 620.040 huishoudens. (Bron: Schuldenproblematiek in beeld (cbs.nl))

Vraag 80

Hoeveel Nederlanders en hoeveel gezinnen (inclusief percentage) geven aan moeite te hebben met het betalen van de huur, de boodschappen en de energierekening, graag uitgesplitst per onderwerp?

Antwoord 80

Het CBS geeft inzicht in het aandeel huishoudens dat financiële beperkingen ondervindt in 2021 (https://www.cbs.nl/nl-nl/cijfers/detail/82253NED). Aangezien deze cijfers over 2021 gaan realiseren we ons dat deze cijfers inmiddels niet meer representatief kunnen zijn.

7% van de particuliere huishoudens ervoer in 2021 de maandelijkse woonkosten als een zware last. 2% van de huishoudens heeft de afgelopen 12 maanden om financiële redenen een achterstand gehad in de betaling van de hypotheek of huur.

2% van de huishoudens had onvoldoende geld voor een warme maaltijd om de andere dag. 14% van de huishoudens had onvoldoende geld voor het regelmatig kopen van nieuwe kleding. 31% van de huishoudens gaf aan niet voldoende geld te hebben voor in ieder geval één van de volgende zaken: een warme maaltijd om de andere dag, het regelmatig kopen van nieuwe kleding, het verwarmen van het huis, het vervangen van versleten meubels, het te eten vragen van familie/kennissen, jaarlijks een week vakantie of onverwachte noodzakelijke uitgaven.

3% van de huishoudens had in 2021 niet voldoende geld om het huis goed te verwarmen.

1% van de huishoudens had in de afgelopen 12 maanden om financiële redenen een achterstand gehad in de betaling van de elektriciteit-, water- of gasrekeningen.

Vraag 81

Hoeveel werkende armen kent Nederland?

Antwoord 81

In de kennisnotitie van het SCP met de armoederamingen van september 2022 wordt geraamd dat er in 2023 ruim 170.000 huishoudens met werkenden in armoede zijn, tegenover ongeveer 134.000 huishoudens met uitkeringsgerechtigden.

In 2017 waren er iets meer dan 666.000 volwassenen met een inkomen onder het niet-veel-maar-toereikendcriterium. Bijna 220.000 van hen hadden betaald werk als belangrijkste eigen inkomensbron. Werkenden vormden een derde van de totale groep arme volwassenen (SCP, Armoede in kaart 2019).

Vraag 82

Hoe groot is het bedrag dat Nederland in 2023 ontvangt uit het Europees Sociaal Fonds? Welk percentage hiervan gaat naar de voedselbanken?

Antwoord 82

Nederland ontvangt uit het ESF+ in de programmaperiode 2021–2027 een budget van ruim € 413 miljoen. Hoeveel Nederland in het kalenderjaar 2023 ontvangt uit het ESF+ is nog niet bekend, want dit is afhankelijk van de realisatie van de projectkosten die SZW declareert bij de Europese Commissie. Van het totale ESF+ budget van € 413.757.776 is een budget van € 15.803.219 gereserveerd voor voedselhulp en materiële steun aan de meest behoeftigen in Nederland (3,8% van het totale programmabudget). Via een open call wordt een uitvoerder gekozen voor dit onderdeel. Tussen 3 oktober en 18 november kunnen organisaties zonder winstoogmerk een projectplan indienen voor voedselhulp, materiële hulp en begeleidende maatregelen in heel Nederland voor het volledige budget van € 15,8 miljoen voor de gehele programmaperiode ESF+.

Vraag 83

Hoe heeft de verhouding van de verschillende bestuursmodellen rond de governance van pensioenfondsen zich in de afgelopen jaren ontwikkeld en wat is de verwachting voor de ontwikkeling in de komende jaren?

Antwoord 83

Het aantal pensioenfondsen met een paritair bestuur daalt. Aangezien de afgelopen jaren ook het aantal pensioenfondsen is gedaald, leidt dit niet één op één tot een toename van het aantal pensioenfondsen met een ander bestuursmodel (zie onderstaande tabel). Het aantal pensioenfondsen dat een ander bestuursmodel kent dan het paritaire bestuursmodel, is de afgelopen jaren redelijk stabiel gebleven. Het kabinet heeft niet de indruk dat de komende periode grote wijzigingen hierin te verwachten zijn.

Tabel: Ontwikkeling bestuursmodellen pensioenfondsen

Bestuursmodel

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Paritair

301

266

236

210

180

160

147

139

Onafhankelijk

5

3

4

4

3

3

2

5

Paritair gemengd

11

7

7

7

6

4

5

7

Onafhankelijk gemengd

1

0

0

0

0

0

0

0

Omgekeerd gemengd

12

12

20

20

20

19

19

18

Two-tier

2

2

2

2

3

3

3

Vraag 84

Wat is de verhouding tussen de Regeling Vervroegd Uittreden (RVU-)component en de LLO-component van de MDIEU? Hoe heeft deze zich in de afgelopen jaren ontwikkeld en naar welke verhouding streeft het kabinet?

Antwoord 84

Tot nu toe hebben twee subsidieaanvraagtijdvakken opengestaan voor sectorale activiteitenplannen. In zowel 2021 als 2022 was ruim 60% van de subsidie bestemd voor RVU’s en bijna 40% voor duurzame inzetbaarheid. De helft van de activiteitenplannen bevat beide componenten en de andere helft bevat alleen investeringen in duurzame inzetbaarheid. Het kabinet hanteert geen streefcijfers voor de verhouding tussen RVU en duurzame inzetbaarheid, alleen een maximum: per aanvraag mag ten hoogste 75% van de subsidie besteed worden aan regelingen voor vervroegd uittreden.

Vraag 85

Hoe kunnen zelfstandigen die zich vrijwillig kunnen aansluiten bij een tweede-pijler-pensioenfonds meepraten bij het pensioenfonds? Vereist de mogelijkheid tot vrijwillige aansluiting dat de governance opnieuw tegen het licht wordt gehouden zodat alle betrokkenen kunnen meepraten?

Antwoord 85

Een pensioenregeling dient aan te sluiten bij de wensen en behoeften van zelfstandigen. In het ontwerpbesluit experimenten pensioenregeling voor zelfstandigen – op dit moment aan de Tweede Kamer overgelegd tot en met 3 november 2022 (voorhang) – wordt daarom voorgeschreven dat zelfstandigenorganisaties betrokken moeten worden bij de vormgeving van het experiment. Dit betekent dat sociale partners en werkgevers in overleg treden met zelfstandigenorganisaties over hoe de pensioenregeling voor zelfstandigen eruit zou moeten komen te zien, dan wel in overleg treden over het openstellen van een bestaande pensioenregeling van de werknemers. Die betrokkenheid van zelfstandigenorganisaties kan worden gevonden in centrale dan wel sector- of ondernemingspecifieke zelfstandigenorganisaties.

In het kader van de experimenten worden er geen aanvullende regels voorgeschreven ten behoeve van de medezeggenschap van zelfstandigen tijdens de deelname aan een pensioenregeling in de tweede pijler. In een paritair, gemengd en omgekeerd gemengd bestuursmodel nemen zowel vertegenwoordigers van werknemers, werkgevers en pensioengerechtigden zitting. De verplichting om vertegenwoordigers namens zelfstandigen in het bestuur op te nemen, wordt voor de experimenten niet haalbaar geacht. Het gaat hier immers om kortdurende experimenten. Bovendien dient het bestuur altijd alle belangen – ook die van zelfstandigen – evenwichtig mee te wegen en worden zelfstandigen bij de vormgeving van de pensioenregeling reeds betrokken. Tot slot geldt dat tijdens de deelname aan de pensioenregeling zelfstandigen zich kwalificeren als deelnemers en op basis daarvan zitting zouden kunnen nemen in het verantwoordingsorgaan.

Vraag 86

Wat is de voortgang van de Wet bedrag ineens?

Antwoord 86

Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel bedrag ineens, RVU en verlofsparen in de Eerste Kamer op 12 januari 2021 (Handelingen I 2020/2021, nr. 18, item 6, p. 37) is – mede naar aanleiding van de motie Oomen-Ruijten c.s. (Kamerstukken I 2020/21, 35 555, H) – toegezegd de beoogde inwerkingtredingsdatum van het keuzerecht bedrag ineens op te schuiven, zodat pensioenuitvoerders meer tijd hebben om hun voorbereiding ten aanzien van dit keuzerecht zorgvuldig in te richten. Daarnaast is aangegeven deze extra tijd te gebruiken om met pensioenuitvoerders te bekijken welke aanpassingen noodzakelijk zijn om de uitvoerbaarheid van de mogelijkheid om de uitbetaling van het bedrag ineens uit te stellen en te verbeteren. In het Wetsvoorstel «herziening bedrag ineens» dat op 29 juni 2022 bij de Tweede Kamer is ingediend worden enkele aanpassingen voorgesteld waarmee uitvoering wordt gegeven aan de eerdergenoemde motie. De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer heeft op 8 september 2022 een verslag uitgebracht over het Wetsvoorstel «herziening bedrag ineens». De nota naar aanleiding van het verslag wordt op korte termijn naar de Tweede Kamer verstuurd. De beoogde inwerkingtredingsdatum van het keuzerecht is 1 juli 2023.

Vraag 87

Wat houden de investeringen in MDIEU precies in en waar komt het geld terecht?

Antwoord 87

De MDIEU biedt subsidie aan sectoren die erin investeren dat hun werkenden gezond werkend het pensioen weten te bereiken. Naast subsidie voor investeringen op het gebied van duurzame inzetbaarheid is binnen de MDIEU-regeling ook subsidie beschikbaar om werknemers die het werk niet volhouden eerder uit te laten treden. Samenwerkingsverbanden van werkgevers en werknemers kunnen 50% subsidie ontvangen op de investeringen in duurzame inzetbaarheid en 25% op regelingen voor vervroegd uittreden.

Investeringen in duurzame inzetbaarheid kunnen betrekking hebben op de volgende thema’s:

  • A. het bevorderen van gezond, veilig en vitaal werken;

  • B. het bevorderen van goed werkgeverschap en goed opdrachtgeverschap;

  • C. het stimuleren van een leven lang ontwikkelen en arbeidsmobiliteit van werkenden; en

  • D. het bevorderen van bewustwording en van de eigen regie van werkenden op hun loopbaan.

Voorbeelden van subsidiabele activiteiten zijn te vinden op de Menukaart MDIEU-regeling.

Tot nu toe hebben 53 sectoren subsidie ontvangen voor MDIEU-activiteitenplannen. Een overzicht hiervan is te vinden op de website van Uitvoering van Beleid: Beschikte projecten.

Vraag 88

Wat zijn de gevolgen voor de toegankelijkheid voor de kinderopvang van de personeelstekorten op dit moment en hoe zorgt het kabinet ervoor dat de toegankelijkheid van de kinderopvang op alle plekken geborgd is?

Antwoord 88

In de brief van 5 september 2022 heeft de Minister van SZW met uw Kamer gedeeld dat er op dit moment een tekort is van bijna 5.000 werknemers in de kinderopvang (Kamerstukken II 2022/23, 31 322, nr. 463). Als gevolg van de personeelstekorten lopen de wachtlijsten op, wat betekent dat de kinderopvang minder toegankelijk wordt. Om een beter beeld te krijgen van de wachtlijsten en de wachttijden, start de Minister van SZW op korte termijn een nieuw onderzoek hiernaar. Om het personeelstekort in de kinderopvang aan te pakken, heeft de Minister van SZW in de Kamerbrief van september verschillende acties aangekondigd. Deze acties richten zich op het aantrekken van nieuw personeel, het behoud van huidig personeel en het stimuleren van meer uren werken. Ook de ontwikkeling van de tarieven in de kinderopvangsector is een belangrijk aandachtspunt, omdat het op termijn van invloed kan zijn op de toegankelijkheid indien tarieven steeds vaker boven de maximum uurprijzen komen te liggen. De toegankelijkheid van de kinderopvang wordt gemonitord middels de kwartaalrapportages kinderopvang. Ook wordt de komende periode onderzoek gedaan naar de rol van de verschillende financieringsvormen van kinderopvangorganisaties en de gemaakte winsten. Daarbij wordt ook gekeken naar de effecten van voor- en nadelen van verschillende maatregelen. Bijvoorbeeld tariefregulering.

Vraag 89

Is het kabinet van mening dat de luchtkwaliteit op de kinderopvang minstens gelijkwaardig moet zijn aan de luchtkwaliteit op het basisonderwijs, mede om het risico op een corona-uitbraak te minimaliseren? Zo ja, komen er net als op het basisonderwijs ook koolstofdioxidemeters op kinderopvanglocaties en hoe zullen deze gefinancierd worden?

Antwoord 89

Het kabinet deelt de mening dat goede luchtkwaliteit op de kinderopvang van belang is en dat zij minstens gelijkwaardig moet zijn aan de luchtkwaliteit op het basisonderwijs. In de Wet Kinderopvang en het Bouwbesluit 2012 worden respectievelijk eisen gesteld aan het veiligheids- en gezondheidsbeleid en de luchtkwaliteit. Verder zijn de eisen in het Bouwbesluit 2012 voor ventilatie voor de huidige bouw voor zowel kinderopvang als onderwijs gelijk. De Wet Kinderopvang heeft geen eisen voor luchtkwaliteit, maar stelt wel eisen aan kinderopvanglocaties voor een actueel gezondheids- en veiligheidsbeleid. Dit beleid beschrijft de belangrijkste risico’s met betrekking tot de gezondheid en veiligheid van de kinderen. Luchtkwaliteit kan één van deze risico’s zijn. Mocht dit het geval zijn, dan is de opvanglocatie verplicht om dit in zijn gezondheids- en veiligheidsbeleid te beschrijven en hier maatregelen op te nemen.

De toezichthouder, de GGD, houdt risico-gestuurd toezicht en beoordeelt het veiligheids- en gezondheidsbeleid afhankelijk van onder andere het risicoprofiel van de locatie. Mocht de risico-inschatting door de houder en de situatie die de toezichthouder aantreft daartoe aanleiding geven, dan wordt luchtkwaliteit in de beoordeling meegenomen. Voldoet de luchtkwaliteit niet aan de voorschriften, dan kan de desbetreffende gemeente waar de opvanglocatie is gevestigd verlangen van de houder dat het pand wordt aangepast. De zaken die niet voldoen aan de voorschriften moeten binnen een redelijke termijn worden aangepast door de eigenaar van de opvanglocatie.

Verder is vanuit het RIVM een hygiënerichtlijn opgesteld in 2016 voor het binnen- en buitenmilieu voor kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en buitenschoolse opvang (RIVM, Binnen- en buitenmilieu voor kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en buitenschoolse opvang). Deze richtlijn bevat adviezen die zo zijn opgesteld dat als zij worden nageleefd, het risico op het verspreiden van infectieziekten onder kinderen en medewerkers wordt beperkt.

De kinderopvangsector is een private sector en de verantwoordelijkheid voor het creëren van een gezonde (werk)omgeving in de kinderopvang ligt primair bij de houder. Aangezien de verantwoordelijkheid voor het creëren van een gezonde (werk)omgeving in de kinderopvang bij de houder van een locatie ligt, is het aan de houder zelf om te bepalen of een koolstofdioxidemeter moet worden aangeschaft. De kosten voor de aanschaf van een dergelijke meter zijn voor rekening van de houder van de locatie.

Het kabinet heeft geen cijfers over of de ventilatie op alle kinderopvanglocaties voldoet. Ook zijn bij de landelijke GGD GHOR geen meldingen bekend dat de luchtkwaliteit structureel niet op orde is in de kinderopvangsector.

Vraag 90

Hoe kan de scherpe afname in aantal geconstateerde overtredingen, sanctionering en incassoratio bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), Sociale Verzekeringsbank (SVB) en gemeenten worden verklaard?

Antwoord 90

Bij UWV is de daling van het aantal overtredingen en opgelegde boetes vrijwel geheel te verklaren door een daling van het aantal geconstateerde overtredingen bij de Wajong, van ongeveer 1.400 naar circa 100 overtredingen. UWV vult meer al bekende gegevens vooraf in, waardoor uitkeringsgerechtigden minder (kleine) fouten maken. Hierdoor kan UWV zich richten op grotere overtredingen, waardoor ook het benadelingsbedrag per overtreding gestegen is.

Bij SVB is sprake van een lichte daling van het aantal overtredingen en opgelegde boetes. De voornaamste oorzaak daarvan is de coronapandemie, waardoor huisbezoeken beperkt mogelijk waren. Ook is de bijverdiengrens voor 16/17-jarigen afgeschaft, waardoor overtredingen in relatie tot deze verplichting niet langer voorkomen. In 2019 is op deze verplichting juist extra gehandhaafd, wegens een achterstand opgelopen in 2018. Hierdoor lag het aantal overtredingen in 2019 significant hoger.

Bij gemeenten is het aantal geconstateerde overtredingen heel licht gestegen. Wel zijn er minder boetes opgelegd, doordat gemeenten meer maatwerk in handhaving zijn gaan toepassen en vaker een waarschuwing hebben opgelegd.

De incassoratio is bij alle uitvoerders redelijk stabiel. Daarbij wordt wel aangetekend dat de getoonde cijfers betrekking hebben op het jaar waarin de vordering is ontstaan, waardoor zij onderling niet vergelijkbaar zijn. Zo geeft de incassoratio 2020 het percentage na 2 jaar invordering aan, terwijl de incassoratio 2021 het percentage laat zien na 1 jaar invordering.

Vraag 91

Hoe kan de afname van het aantal mensen met een arbeidsbeperking in de Ziektewet (ZW) dat door het UWV aan een baan geholpen wordt verklaard worden?

Antwoord 91

In 2019 bedroeg het aantal mensen in de ZW met een arbeidsbeperking dat door het UWV aan het werk is geholpen 750. In 2020 en 2021 bedroeg dit aantal 400, respectievelijk 450. Deze afname lijkt met name het gevolg van de coronacrisis. In 2020 is namelijk over de hele linie een daling zichtbaar van het aantal mensen dat aan het werk is geholpen; niet alleen bij de ZW is die daling te zien, maar ook bij andere wetten, zoals WIA en Wajong. Dat strookt ook met het op slot gaan van de maatschappij gedurende verschillende maanden in 2020. In de loop van 2021 herstelt de ontwikkeling zich gedeeltelijk en neemt het aantal werkenden weer toe; ook dat strookt met de ontwikkeling tijdens corona.

Vraag 92

Is de uitzondering op het uitgavenplafond voor niet-beleidsmatige mutaties in werkloosheidsuitgaven ook van toepassing op zulke mutaties in uitgaven aan ziekte of arbeidsongeschiktheid? Zo niet, wat gebeurt er met de hoogte van de uitkeringen in het kader van deze wetten als het uitgavenplafond bereikt is? In het kader van Long Covid en burn-out klachten door de hoge werkdruk in veel sectoren is wellicht een hogere instroom te verwachten in voornoemde wetten, is hier in de begroting rekening mee gehouden?

Antwoord 92

De uitzondering op het uitgavenplafond voor niet-beleidsmatige mutaties in werkloosheids- en bijstandsuitgaven is niet van toepassing op dergelijke mutaties in uitgaven aan ziekte of arbeidsongeschiktheid. De hoogte van de socialezekerheidsuitkeringen en het recht daarop zijn echter wettelijk vastgelegd. Het bereiken van het uitgavenplafond heeft daarom geen effect op de hoogte van de uitkeringen of het toekennen en verstrekken hiervan. In de begroting is bij de WIA rekening gehouden met extra instroom als gevolg van Long Covid.

Vraag 93

Wat is het effect van de verhoging van het minimumloon op het budget van de sociale werkbedrijven? Worden sociale werkbedrijven hiervoor gecompenseerd?

Antwoord 93

Verschillende gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven hebben onlangs hun zorgen geuit over de financiële ruimte die zij hebben om de lonen van hun medewerkers te verhogen. Deze zorgen zijn begrijpelijk; de verhoging van het minimumloon kan extra financiële druk veroorzaken.

De inkomsten van sociaal ontwikkelbedrijven bestaan uit verschillende onderdelen, waaronder de eigen omzet en vergoedingen vanuit de gemeenten. Gemeenten ontvangen hier budget voor vanuit de rijksoverheid, maar het is primair aan gemeenten om keuzes te maken over de financiering van sociaal ontwikkelbedrijven. De betreffende budgetten vanuit de rijksoverheid worden jaarlijks in mei geïndexeerd voor de loon- en prijsstijging. De reguliere indexering van budgetten voor loonkostensubsidie en begeleidingsmiddelen is nog niet definitief, maar zal naar verwachting toereikend zijn. Voor de rijksbijdrage Wsw is dit nog onzeker. Het is nog onbekend hoe de loonkosten in de Wsw zich zullen ontwikkelen, mede omdat een deel van de medewerkers meer verdient dan het (verhoogde) minimumloon. Ook moet het indexeringspercentage voor de rijksbijdrage Wsw nog worden vastgesteld. Op dit moment wordt samen met de sector in beeld gebracht wat het effect is van de stijging van het wettelijk minimumloon voor de sociaal ontwikkelbedrijven.

Vraag 94

Hoeveel allochtonen met een niet-westerse achtergrond maken gebruik van een bijstandsuitkering?

Antwoord 94

Het Ministerie van SZW houdt de gevraagde informatie zelf niet bij. Wel is op CBS-statline informatie beschikbaar over aantallen mensen in de bijstand (tot de AOW-leeftijd), uitgesplitst naar persoonskenmerken. In juli 2022 ontvingen 214.000 personen met een niet-westerse migratieachtergrond een bijstandsuitkering (bron CBS, Statline, geraadpleegd 25-10-2022).

Vraag 95

Hoeveel allochtonen met een westerse achtergrond maken gebruik van een bijstandsuitkering?

Antwoord 95

Het Ministerie van SZW houdt de gevraagde informatie zelf niet bij. Wel is op CBS-statline informatie beschikbaar over aantallen mensen in de bijstand (tot de AOW-leeftijd), uitgesplitst naar persoonskenmerken. In juli 2022 ontvingen 36.500 personen met een westerse migratieachtergrond een bijstandsuitkering (bron CBS, Statline, geraadpleegd 25-10-2022).

Vraag 96

Hoeveel miljard euro per jaar aan bijstandsuitkeringen gaat naar niet-westerse allochtonen en hoeveel naar westerse allochtonen?

Antwoord 96

Het is niet mogelijk om het macrobudget uit te splitsen naar achtergrondkenmerken omdat het uitgekeerde bedrag per individu verschilt. De individuele bijstandsuitkering is onder meer afhankelijk van iemands leeftijd, huishoudsamenstelling en bijverdiensten. Deze gegevens zijn per individu niet voorhanden. Het ministerie beschikt over cijfers met betrekking tot het totaalbedrag dat aan gemeenten beschikbaar is gesteld voor bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidies. In 2022 is het definitieve budget vastgesteld op € 6.021,6 miljoen (Kamerstukken II 2022/23, 30 545 nr. 198).

Vraag 97

Wat is het percentage niet-westerse allochtonen, westerse allochtonen en autochtonen dat gebruik maakt van een bijstandsuitkering?

Antwoord 97

Het Ministerie van SZW houdt de gevraagde informatie zelf niet bij. Wel is op CBS-statline informatie beschikbaar over aantallen mensen in de bijstand (tot de AOW leeftijd), uitgesplitst naar persoonskenmerken. Dit geeft over juli 2022 de volgende percentages: 53,5% heeft een niet-westerse migratieachtergrond, 9,1% een westerse migratieachtergrond en 37,3% een Nederlandse achtergrond (bron CBS, Statline, geraadpleegd 25-10-2022).

Vraag 98

Hoeveel allochtonen met een niet-westerse en westerse achtergrond maken gebruik van de sociale zekerheid?

Antwoord 98

Het Ministerie van SZW houdt de gevraagde informatie zelf niet bij. Wel is op CBS-statline informatie beschikbaar over aantallen mensen in verschillende socialezekerheidsregelingen, uitgesplist naar persoonskenmerken. Het gaat hier om een groot aantal uitsplitsingen en cijfers en niet voor elke socialezekerheidsregeling zijn cijfers beschikbaar op CBS-statline. Alle cijfers die wel beschikbaar zijn kunnen worden geraadpleegd via de volgende link: StatLine – Personen met een uitkering; kenmerken uitkeringsontvangers (cbs.nl).

In het kader van het programma Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt is vorig jaar een brede monitor ontwikkeld die de komende jaren de arbeidsmarktkansen en -posities van personen met een migratieachtergrond in breder perspectief zal volgen. De eerste meting van de monitor, die deels gebaseerd is op de gegevens uit StatLine, heeft mijn ambtsvoorganger vorig jaar met uw Kamer gedeeld (Kamerstukken II 2021/22, 29 544, nr. 1081). De tweede meting zal de Minister van SZW begin 2023 met uw Kamer delen.

Vraag 99

Wat is het percentage niet-westerse allochtonen, westerse allochtonen en autochtonen dat gebruik maakt van uitkeringen en sociale regelingen uitgesplitst per uitkering en sociale regeling?

Antwoord 99

Zie het antwoord op vraag 98.

Vraag 100

Hoeveel miljard euro per jaar aan sociale zekerheid gaat naar niet-westerse allochtonen, westerse allochtonen en autochtonen?

Antwoord 100

Het is niet mogelijk om de uitgaven van de socialezekerheidsregelingen uit te splitsen naar achtergrondkenmerken. Net zoals bij de bijstand hangt dit onder meer af van de duur dat een individu een uitkering ontvangt. Bovendien zijn verschillende andere socialezekerheidsregelingen inkomensafhankelijk. En is bij de AOW ook het aantal jaren dat iemand in Nederland verbleven heeft van invloed op het uitgekeerde bedrag.

Vraag 101

Hoeveel procent van de statushouders maakt gebruik van de bijstand of een andere sociale inkomensregeling en wat zijn de kosten per jaar daarvan, graag een overzicht van de afgelopen 10 jaar?

Antwoord 101

Het Ministerie van SZW houdt de gevraagde informatie niet bij. Zie ook antwoord 98. Het CBS publiceert geen cijfers over het gebruik van de sociale zekerheid, uitgesplitst naar verblijfstatus.

Vraag 102

Wat is het percentage niet-westerse allochtonen, westerse allochtonen en autochtonen dat een vrijstelling heeft op de sollicitatieplicht?

Antwoord 102

Over deze percentages beschikt het ministerie niet. In onderstaande tabel worden de totaalcijfers over het aantal personen dat door gemeenten (tijdelijk) vrijgesteld wordt van de arbeids- en/of re-integratieverplichting weergegeven. Deze cijfers worden niet verder uitgesplitst naar migratieachtergrond.

Aantal personen, thuiswonend en jonger dan AOW-leeftijd met ontheffing arbeids- en/of re-integratieverplichting, ultimo eerste kwartaal 2022

Totaal ontheffing arbeidsverplichting

43.630

art. 9a Participatiewet

2.010

art. 9, lid 2 Participatiewet

35.380

art. 9, lid 5 Participatiewet

6.170

Onbekend

70

Bron: CBS Bijstandsuitkeringenstatistiek Q1 2022. Art. 9a is tijdelijke ontheffing van arbeidsverplichting voor alleenstaande ouders van jonge kinderen (<5 jaar). Art. 9.2 is tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichting en tegenprestatie voor mensen met dringende zorgtaken. Bij art. 9.5 gaat het om mensen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling.

Vraag 103

Wat is het bedrag dat de afgelopen vijf jaar is ingevorderd aan bewuste fraude met sociale zekerheid en welk bedrag staat er nog open?

Antwoord 103

De term bewuste fraude wordt niet gebruikt in de registratie van boetes voor overtredingen in de sociale zekerheid. Daarnaast wordt het boetebedrag niet per categorie van verwijtbaarheid, zoals verminderde verwijtbaarheid of opzet, bijgehouden. Hierdoor zijn er geen cijfers beschikbaar over het ingevorderde noch openstaande bedrag aan bewuste – dan wel opzet of grove schuld – fraudevorderingen. Wel zijn er cijfers beschikbaar over het percentage dat is ingevorderd over de jaren 2016–2021.

Tabel Incassoratio benadelingsbedrag + boetevordering ultimo 2021 (%)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

UWV

77

70

56

51

37

22

SVB

62

61

47

37

31

24

Gemeenten

42

41

34

27

21

12

Bron: Begroting SZW 2023

Vraag 104

Hoeveel euro is er in de afgelopen vijf jaar kwijtgescholden aan bewuste fraude?

Antwoord 104

Vorderingen wegens overtreding van de inlichtingenplicht in de sociale zekerheid worden in beginsel gedurende minimaal 10 jaar teruggevorderd. Desalniettemin kan het voorkomen dat vorderingen komen te vervallen doordat deze niet op tijd gestuit zijn en dus verjaren, de rechter een schuldregeling heeft opgelegd of doordat de debiteur is overleden. Hoeveel vorderingen ten gevolge van een overtreding van de inlichtingenplicht zijn kwijtgescholden, wordt niet apart geregistreerd. Hierdoor zijn er geen cijfers beschikbaar over het kwijtgescholden bedrag aan bewuste – dan wel opzet of grove schuld – fraudevorderingen.

Vraag 105

Hoeveel fraude is er in de afgelopen vijf jaar geconstateerd op basis van het schenden van de inlichtingen en vermogenseis binnen de bijstand?

Antwoord 105

Onderstaande tabel geeft, op basis van CBS gegevens uit de Bijstandsdebiteuren en -fraudestatistiek (BDFS), een overzicht van het aantal nieuwe vorderingen naar aanleiding van schending van de inlichtingenplicht binnen de bijstand (inclusief AIO) over de jaren 2017 tot en met 2021. Voor 2018 en volgende jaren is tevens bekend bij hoeveel van deze nieuwe vorderingen de aanleiding lag in het verzwijgen van vermogen of het verzwijgen van inkomsten uit vermogen.

 

2017

2018

2019

2020

2021

Schending inlichtingenplicht

30.730

33.230

30.880

25.150

25.800

Waarvan verzwijgen (inkomsten uit) vermogen

n.b.

850

900

720

840

Bron: CBS

Vraag 106

Hoeveel bijstands-/uitkeringsfraude is er in de afgelopen vijf jaar geconstateerd op basis van verzwegen bezit in het buitenland (zoals tweede huizen)?

Antwoord 106

Sinds 2018 is in de Bijstandsdebiteuren en -fraudestatistiek (BDFS) van het CBS inzichtelijk welk type overtreding ten grondslag ligt aan de overtreding van de inlichtingenplicht. Hieronder valt ook het verzwijgen van vermogen, maar dit is niet nader uitgesplitst naar verzwegen vermogen in binnen- of buitenland. Op verzoek van het Ministerie van SZW heeft het CBS de afgelopen jaren aanvullend onderzoek bij gemeenten uitgevoerd naar onderzoeken naar verborgen vermogen in het buitenland. Op basis van de respons op de enquêtes onder gemeenten en het toerekenen van waarden voor non-respons is voor alle gemeenten in Nederland tezamen een schatting gemaakt van de aantallen met een 95% zekerheidsmarge. Onderstaande tabel toont de uitkomsten (met een onder- en bovengrens) voor de jaren 2018 tot en met 2021.

Vermogensonderzoeken door gemeenten

2018

2019

2020

2021

gestarte vermogensonderzoeken in het buitenland

240: 390

520: 610

1.560: 1.960

1.080: 1.250

constateringen van overtredingen van de inlichtingenplicht vanwege verzwijgen vermogen in het buitenland

60: 130

60: 80

20: 40

30: 50

vorderingen wegens overtreding van de inlichtingenplicht vanwege verzwijgen vermogen in het buitenland

20: 30

20: 30

10: 20

15: 201

boetes wegens overtreding van de inlichtingenplicht vanwege verzwijgen vermogen in het buitenland

0: 10

15: 251

5: 151

5: 101

X Noot
1

Alle getallen zijn afgerond op tientallen. Om te voorkomen dat de onder- en bovenmarge gelijk zijn, zijn deze aantallen afgerond op vijftallen.

De SVB meldt in haar jaarverslag 2021 dat voor de AIO in de periode 2013 tot en met 2019 een integrale controle is uitgevoerd. Het eindrapport van deze controle werd in 2021 opgemaakt. In 231 van de 1.018 vermogensonderzoeken in het buitenland is niet gemeld vermogen aangetroffen.

Vraag 107

Hoeveel uitkeringen (uitgesplitst per uitkering per land) worden er per jaar geëxporteerd en wat zijn de kosten hiervan?

Antwoord 107

Bij de beantwoording van deze vraag wordt een splitsing gemaakt tussen de uitkeringen die UWV exporteert (WW, WIA, ZW, WAZO, Wajong en TW) en de uitkeringen die de SVB exporteert (AOW, Anw en AKW).1

In 2021 heeft UWV in totaal aan 38.528 personen een uitkering geëxporteerd voor een bedrag van € 457 miljoen. De WW kan alleen worden geëxporteerd als de uitkeringsgerechtigde werk gaat zoeken in de EU, EER of Zwitserland voor een periode van maximaal drie maanden. In 2021 zijn er in totaal 2.653 WW-uitkeringen geëxporteerd met een uitgekeerd bedrag van € 8.571.009.

In 2021 heeft de SVB in totaal 372.688 uitkeringen geëxporteerd voor een bedrag van € 1.607 miljoen. In de bijlagen is voor het jaar 2021 per uitkering opgenomen naar welke landen de uitkering wordt geëxporteerd, naar hoeveel personen en voor welk bedrag. De cijfers over 2011–2021 heeft u reeds ontvangen u op 9 juni 2022 in de beantwoording van vraag 140 bij het Jaarverslag SZW 2021 (Kamerstukken II 2021/22, 36 100 XV, nr. 7) en bij de vorige Stand van de Uitvoering (Kamerstukken II 2021/22, 26 448, nr. 682).

Vraag 108

Hoeveel WW-uitkeringen worden er per jaar geëxporteerd (uitgesplitst per land) en wat zijn de kosten hiervan?

Antwoord 108

Zie het antwoord op vraag 107.

Vraag 109

Hoeveel fraude met export-WW is er in de afgelopen vijf jaar geconstateerd, hoeveel is daarvan ingevorderd en hoeveel moet nog worden ingevorderd?

Antwoord 109

UWV publiceert cijfers over de overtreding van de inlichtingenplicht en de medewerkingsverplichting in de bijlage Kwantitatieve informatie 2021 bij het UWV Jaarverslag 2021 (Bron: UWV, Kwantitatieve informatie 2021. Publicatiedatum 21 april 2022). Daarin worden overtredingen per wet en naar aard van de overtreding weergegeven. Overtredingen met betrekking tot export maken daar onderdeel van uit, maar worden niet afzonderlijk gepubliceerd. Er zijn geen aparte cijfers over ingevorderde bedragen en nog openstaande invorderingen met betrekking tot de export WW.

Vraag 110

Hoeveel uitkeringen zijn er in de afgelopen vijf jaar stopgezet naar aanleiding van bewuste fraude?

Antwoord 110

Hoeveel uitkeringen naar aanleiding van een overtreding van de inlichtingenplicht worden stopgezet wordt niet specifiek geregistreerd. Wel valt het stopzetten van de uitkering vaak samen met de sanctionering van een overtreding van de inlichtingenplicht. De term bewuste fraude wordt niet gebruikt in de registratie van overtredingen in de sociale zekerheid. Wel wordt bijgehouden welke mate van verwijtbaarheid bij de overtreding van de inlichtingenplicht hoort. Zie hiervoor de tabel bij vraag 207.

Vraag 111

Hoeveel miljard euro aan sociale zekerheid (uitgesplist naar uitkering en sociale regeling)) is er volgens het kabinet bij benadering in totaal uitgegeven aan sociale zekerheid aan immigranten (westers en niet-westers) in de afgelopen 10 jaar?

Antwoord 111

Zie het antwoord op vraag 100.

Vraag 112

Op welke wijze wordt de arbeidsmarktrelevantie van via STAP aangeboden opleidingen gecontroleerd? Welk afwegingskader wordt daarbij door de Toetsingskamer gehanteerd?

Antwoord 112

Voor het STAP-budget is een breed opleidingsaanbod beschikbaar mits dit voldoet aan kwaliteitseisen en arbeidsmarktgericht is. Het is de verantwoordelijkheid van de opleiders om zelf te bepalen of een scholingsactiviteit arbeidsmarktgericht is. Om opleiders te ondersteunen bij het bepalen of een scholing wel of niet arbeidsmarktgericht is, heeft de Universiteit van Maastricht in opdracht van het Ministerie van SZW een afwegingskader arbeidsmarktgerichtheid opgesteld. Dit afwegingskader geldt voor de niet-OCW erkende scholingsactiviteiten en is al vanaf het begin van STAP gepubliceerd op www.stapvooropleiders.nl. De arbeidsmarktgerichtheid wordt gecontroleerd door de Toetsingskamer STAP. Signalen hierover worden in behandeling genomen en het aanbod in het scholingsregister wordt periodiek en op steekproef gemonitord. Dit heeft reeds geleid tot het verwijderen van ruim 5.000 opleidingen.

Daarnaast is aan uw Kamer toegezegd dat u voor de behandeling van de begroting van SZW in november 2022 een brief ontvangt over STAP, met daarin onder andere de uitwerking van een plan om het STAP-budget meer te richten op maatschappelijk cruciale sectoren zoals onderwijs, zorg, techniek en ICT (motie Dassen, Kamerstukken II 2022/23, 36 200, nr. 47).

Vraag 113

Hoe wordt de vraag naar arbeid gestuurd in een richting waarin niet alleen diploma's van belang zijn maar ook vaardigheden, competenties, kennis en bekwaamheid?

Antwoord 113

Het kabinet ondersteunt in de Kamerbrief Beleidslijnen Leven Lang Ontwikkelen van 23 september jl. (Kamerstukken II 2022/23, 30 012, nr. 147) de ontwikkeling naar een meer op vaardigheden gerichte arbeidsmarkt. In genoemde Kamerbrief is toegelicht hoe het kabinet met het NGF-project Vaardig met vaardigheden inzet op de ontwikkeling van een gemeenschappelijke taal, ofwel een «skills-ontologie», genaamd CompetentNL. Via deze taal kan binnen de arbeidsmarkt en tussen opleiders en arbeidsmarkt verbinding worden gelegd op het niveau van vaardigheden en competenties.

Vraag 114

Welke stappen worden gezet om de kwaliteit van de opleidingen die kunnen worden gefinancierd binnen het STAP-budget te verbeteren en ervoor te zorgen dat iedereen die van deze regeling gebruik wil maken om haar of zijn positie op de arbeidsmarkt te verbeteren in haar of zijn loopbaan kan investeren?

Antwoord 114

Scholing moet voldoen aan de kwaliteitseisen van de regeling om voor STAP-budget in aanmerking te komen. Opleiders komen hiermee enkel aanmerking voor het STAP-scholingsregister als zij tot een toegelaten erkenning of keurmerk behoren. In de STAP-keten is daarom aan de voorkant een rol weggelegd voor de erkennende organisaties en keurmerken die tot het STAP-scholingsregister zijn toegelaten. Opleiders moeten derhalve blijven voldoen aan de voorschriften van de erkenning of het keurmerk. Dit vraagt eveneens dat erkennende organisaties en keurmerken blijven monitoren of de tot hen behorende opleiders voldoen aan hun eigen voorschriften én de voorschriften vanuit de Subsidieregeling STAP-budget. Aan de achterkant toetst de Toetsingskamer STAP of opleidingen en opleiders aan de regels voldoen. De Toetsingskamer STAP doet onderzoek naar signalen van misbruik en oneigenlijk gebruik en controleert proactief en periodiek, bijvoorbeeld naar arbeidsmarktgerichtheid en afgegeven bewijzen van deelname. Al deze kwaliteitswaarborgen zijn genomen om te zorgen dat iedereen STAP-budget kan aanvragen om in zijn loopbaan te investeren en zijn positie op de arbeidsmarkt te verbeteren. De regeling wordt nauwgezet gemonitord en geëvalueerd, waaronder een Invoeringstoets naar het eerste jaar STAP om te kijken of de regeling toegankelijk is.

Daarnaast is aan uw Kamer toegezegd dat u voor de behandeling van de begroting van SZW in november 2022 een brief ontvangt over STAP, met daarin onder andere de uitwerking van een plan om het STAP-budget meer te richten op maatschappelijk cruciale sectoren. In deze brief wordt ook nader op de vraag ingegaan hoe de kwaliteit van het aanbod in het scholingsregister verbeterd kan worden zodat mensen die van STAP gebruik maken ook hun positie op de arbeidsmarkt kunnen versterken.

Vraag 115

Zal de overkoepelende analyse naar kinderopvang, tegemoetkoming ouders en geboorteverlof ook breder worden gemaakt dan enkel op SZW-terrein, maar ook naar het jonge kind op bijvoorbeeld het terrein van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en OCW?

Antwoord 115

De Strategische Evaluatie Agenda op alle beleidsthema’s van SZW is opgebouwd vanuit de behoefte om meer structuur aan te brengen onder de verschillende strategische trajecten van SZW. Dit om met focus en meer synergie te werken aan SZW brede kennisopbouw, en om toe te werken naar een gezamenlijk inhoudelijk kader van de missie en visie en beleidsdoelen van SZW.

De toekomstige overkoepelende analyse is een eerste stap naar een meer integrale evaluatie van SZW onderwerpen rondom het kind: kinderopvang, tegemoetkoming ouders en geboorteverlof. De ervaringen die worden opgedaan bij deze overkoepelende aanpak en strategische benadering op genoemde onderwerpen kunnen toekomstig een aanzet vormen tot een interdepartementale analyse.

Vraag 116

Hoe wordt de ontwikkeling van het jonge kind betrokken bij de evaluatie van het kinderopvangstelsel en de aangekondigde stelselherziening?

Antwoord 116

De doelstellingen van het nieuwe stelsel zijn specifiek gericht op het eenvoudiger en begrijpelijker maken van het stelsel door vereenvoudiging van de financiering en het makkelijker maken van het combineren van arbeid en zorg door financieel toegankelijke kinderopvang. De maatregelen ten behoeve van de stelselherziening zijn ook specifiek op deze doelstellingen gericht.

De doelen van het kinderopvangbeleid in algemene zin blijven daarbij overeind staan: het stimuleren van arbeidsparticipatie en de ontwikkeling van het kind. Een kind kan zich alleen ontwikkelen op de kinderopvang als deze van goede kwaliteit is. De kwaliteit van de kinderopvang mag daarom niet onder druk komen te staan. En een betaalbaardere kinderopvang en een eenvoudiger stelsel dragen eraan bij dat meer ouders gebruik kunnen maken van de kinderopvang. Dit komt ook ten goede aan kinderen met een (risico op) achterstand voor wie het gebruik van kinderopvang in het bijzonder van belang is. Het kabinet zal de kwaliteit en de toegankelijkheid van de kinderopvang, juist naar aanleiding van de aangekondigde wijzigingen in het stelsel, goed blijven monitoren.

Vraag 117

Wat zijn de regionale verschillen in de toegankelijkheid van de kinderopvang?

Antwoord 117

Toegankelijkheid van kinderopvang kan op verschillende manieren worden bezien: de financiële toegankelijkheid van gemeentelijke regelingen in de kinderopvang en de beschikbaarheid van plekken.

De meeste werkende ouders maken gebruik van kinderopvangtoeslag voor het gebruik van kinderopvang. De toegankelijkheid hiervan is landelijk geregeld. Ten aanzien van gemeentelijke regelingen zoals sociaal medische indicatie (SMI), gemeentelijke peutermiddelen en voorschoolse educatie, gericht op het stimuleren van deelname aan kinderopvang door kinderen van ouders die niet beiden werken, is het aan gemeenten om hier beleidsinvulling aan te geven. Zo wordt door hen onder andere bepaald of er een ouderbijdrage is en zo ja, hoeveel de ouderbijdrage is voor deelname aan een peutervoorziening of voorschoolse educatie. Dit kan per gemeente verschillen.

Er is een algemeen landelijk beeld van de toegankelijkheid van voorschoolse educatie waarbij onderscheid gemaakt kan worden naar gemeentegrootte, namelijk tussen G4, G40 en overige gemeenten. Veel gemeenten kiezen ervoor om een ouderbijdrage voor de voorschoolse educatie te vragen, vaak inkomensafhankelijk. Voor het aanbieden van gratis dagdelen geldt dat in totaal driekwart van de gemeenten dat aanbiedt: 3 van de G4 doen dat, 92% van de G40 en driekwart van de overige gemeenten (bron Monitor implementatie en besteding gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid, november 2021).

Er zijn geen recente gegevens bekend rondom financiële toegankelijkheid of het vragen van een ouderbijdrage voor ouders die gebruik maken van de gemeentelijke peutermiddelen. Wel is er informatie over het bereik. Uit het onderzoek Evaluatie monitor voorschoolse voorzieningen uit februari 2022 blijkt dat het totale bereik van peuters (te weten peuters met recht op kinderopvangtoeslag, peuters die onder doelgroep gemeenten vallen en peuters met een voorschoolse educatie-indicatie) tussen 2017 en 2021 is toegenomen (zie Kamerstukken II 2021/22, 31 322, nr. 443, Bijlage Evaluatie monitor voorschoolse voorzieningen). In 2017 maakte nog 13,6% van de ouders geen gebruik van een voorschoolse voorziening voor hun peuter. In 2019 was dit 11% en in 2021 was dit 10,8%. Er is geen structureel beeld terug te zien in de ontwikkeling van het bereik per gemeente. Bij circa 40% van de gemeenten is sprake van een daling van het bereik in de periode 2019–2021, bij 50% is sprake van een stijging van het bereik en bij circa 10% is het bereik onveranderd gebleven.

Ook ten aanzien van SMI is het aan gemeenten zelf om het beleid te maken. Uit onderzoek uit 2020 blijkt dat 46% van de gemeenten in 2020 kiest voor een inkomensafhankelijke bijdrage zoals bij de kinderopvangtoeslag (Kamerstukken II 2020/21, 31 322, nr. 419, Bijlage onderzoek sociaal medische indicatie: hoe hebben gemeenten het ingericht en wat voor effecten heeft dit? blz. 27). 15% van de gemeenten die deel hebben genomen aan het onderzoek geeft aan dat zij geen eigen bijdrage van ouders vragen. Het niet vragen van een eigen bijdrage is net wat hoger bij gemeenten met minder dan 50.000 inwoners en bij de G40-gemeenten (respectievelijk 17% en 21%). Bij gemeenten die SMI regelen via ad-hoc-beschikkingen is het percentage «geen eigen bijdrage» het hoogst (namelijk 22%).

Ten aanzien van regionale verschillen in wachtlijsten wordt verwezen naar de beantwoording van vraag 219.

Vraag 118

Wat zijn de regionale verschillen in de kwaliteit van de kinderopvang?

Antwoord 118

In 2020 heeft de Landelijke Kwaliteitsmonitor Kinderopvang (LKK) een onderzoek uitgevoerd naar de kwaliteit van de kinderopvang naar onder andere regio en stedelijkheidsgraad (Kamerstukken II 2020/21, 31 322 nr. 422). Een vergelijking van de vier regio’s (Noord, Midden-Oost, Zuid en West) en naar stedelijkheidsgraad laat over de hele linie weinig verschillen in kwaliteit zien. Als er al verschillen zijn, wijzen die er niet op dat bepaalde regio’s structureel boven of beneden gemiddeld presteren. Er blijken ook weinig verschillen in kwaliteit tussen landelijke en stedelijke gebieden. Dit neemt natuurlijk niet weg dat er tussen locaties onderling verschillen kunnen zijn. Het onderzoek laat dus zien dat de kwaliteit van de kinderopvang in Nederland gemiddeld genomen goed is en dat het voor de kwaliteit van de opvang niet uitmaakt in welke regio of in welk gebied een kind naar de opvang gaat.

Vraag 119

Hoe kunnen regionale verschillen in het toezicht op de kinderopvang door Gemeentelijke of Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst (GGD's) worden verklaard? Hoe ontwikkelen deze verschillen zich in de tijd en is het kabinet bereid om harmonisatie van het toezicht te bevorderen?

Antwoord 119

Het toezicht en de handhaving op de kinderopvang vormen een belangrijke waarborg voor verantwoorde en veilige kinderopvang. Het toezicht is een taak van gemeenten, die hiervoor de GGD opdracht geven. Het toezicht op de kinderopvang is decentraal georganiseerd. Voor het toezicht op de kinderopvang is een landelijk kader en een infrastructuur ontwikkeld, dat eraan bijdraagt dat houders vanuit dezelfde basis worden geïnspecteerd. Gemeenten en GGD’en hebben (binnen de wettelijke kaders) de ruimte om zelfstandig keuzes te maken met betrekking tot de uitvoering van toezicht en handhaving.

Als gevolg hiervan kunnen verschillen ontstaan in de uitkomsten van toezicht en handhaving die niet per definitie onwenselijk zijn. Verschillen zijn bijvoorbeeld verklaarbaar door verschillen in naleving door de kinderopvanglocaties in verschillende regio’s en door afspraken tussen gemeenten en GGD’en over de invulling van het toezicht, bijvoorbeeld om (naar aanleiding van signalen, de lokale context of recent ingevoerde wetgeving) extra aandacht te besteden aan een bepaald onderwerp. Dit past bij een gedecentraliseerd stelsel waarin gemeenten en GGD’en (binnen de wettelijke kaders) keuzes kunnen maken met betrekking tot de uitvoering van toezicht en handhaving. Omdat verschillende factoren van invloed zijn is het niet mogelijk om te zeggen hoe verschillen in het toezicht zich ontwikkelen in de tijd.

Dit neemt niet weg dat landelijk voor alle houders dezelfde kwaliteitseisen gelden. Verschillen die ontstaan doordat gemeenten en/of GGD’en een bepaald onderdeel van de regelgeving verschillend interpreteren dienen zoveel mogelijk te worden voorkomen. Een belangrijk deel van de activiteiten die GGD GHOR Nederland, de VNG en ook het Ministerie van SZW (al dan niet gezamenlijk) ondernemen is daarom gericht op een eenduidige uitleg van de wet- en regelgeving en op het voorkomen van misverstanden en verschillen op dat terrein. GGD GHOR Nederland heeft de wettelijke taak om de kwaliteit en uniformiteit van het toezicht te bevorderen. Dit doet GGD GHOR Nederland door middel van ondersteuning, up to date houden van instrumenten en richtlijnen, het faciliteren van opleiding en training en bevorderen van uitwisseling. De Minister van SZW vindt het belangrijk dat het toezicht van hoge kwaliteit is en dat houders overal op vergelijkbare manier worden beoordeeld en blijft hierover met GGD GHOR Nederland in gesprek.

Vraag 120

Wat zijn de regionale verschillen in de kosten van de kinderopvang?

Antwoord 120

Bij beantwoording van deze vraag is een uitsplitsing gemaakt tussen regio’s aan de hand van de mate van stedelijkheid. Hiervoor is gebruik gemaakt van een maatstaf voor de concentratie van menselijke activiteiten gebaseerd op de gemiddelde omgevingsadressendichtheid (bron CBS).

Tabel Gemiddelde uurtarieven in € naar mate van stedelijkheid, 2e kwartaal 2022

Stedelijkheid

Dagopvang

Buitenschoolse opvang

Gastouderopvang

1 (meest stedelijk)

9,04

8,06

6,81

2

8,83

7,95

6,62

3

8,77

7,89

6,55

4

8,71

7,83

6,54

5 (minst stedelijk)

8,64

7,75

6,48

Bron: Belastingdienst/Toeslagen, cijferbeeld juli 2022, bewerking Ministerie van SZW

De tabel laat duidelijk zien dat de gemiddelde tarieven van kinderopvang in stedelijke regio’s hoger liggen dan in niet-stedelijke regio’s. Dit geldt voor alle opvangvormen. De mate van stedelijkheid van een regio en het gemiddelde uurtarief zijn voor elke opvangsoort positief aan elkaar gerelateerd.

Vraag 121

Welke positieve economische effecten voorziet het kabinet bij het vergroten van de werk/zorg-balans tussen mannen en vrouwen? Welke maatregelen wil het kabinet nemen om voor meer balans te zorgen?

Antwoord 121

Het kabinet voorziet verschillende positieve economische effecten van het mogelijk maken van een gelijkwaardigere verdeling van werk- en zorgtaken tussen vrouwen en mannen. Uit onderzoek blijkt dat binnen een gezin met een vader en moeder, de moeder het grootste deel van de zorg voor de kinderen voor haar rekening neemt. Ook blijkt dat vrouwen vaker dan mannen mantelzorg verlenen aan hun naasten (bron: SCP en CBS, Emancipatiemonitor 2020, geraadpleegd 19-10-2022). Verder is bekend dat 36% van de Nederlandse vrouwen in 2019 niet economisch zelfstandig was. Meestal hebben zij een uitkering, een baan die te weinig inkomen oplevert of geen eigen inkomen (bron: SCP en CBS, Emancipatiemonitor 2020, geraadpleegd 19-10-2022).

Een betere verdeling van werk- en zorgtaken tussen vrouwen en mannen kan het voor vrouwen mogelijk maken te participeren op de arbeidsmarkt of om hun wekelijkse arbeidsduur uit te breiden. Zodoende kan een betere verdeling ook als effect hebben dat meer vrouwen economisch zelfstandig zijn. Er kan een tweede-orde-effect optreden doordat vrouwen in staat worden gesteld zich op de arbeidsmarkt verder te ontwikkelen en zodoende meer waarde toe te kunnen voegen aan de economie. Door de toegenomen economische zelfstandigheid van vrouwen zal tot slot het beroep op de collectieve voorzieningen afnemen, dit heeft ook een gunstig economisch effect.

Het kabinet neemt verschillende maatregelen om de arbeid en zorgverdeling meer in balans te brengen. Zo is recent het betaald ouderschapsverlof ingevoerd en wordt de kinderopvang inkomensonafhankelijk gemaakt. De verbetering van de arbeid en zorgverdeling en de gendergelijkheid op de arbeidsmarkt vraagt daarnaast om een cultuuromslag. Het kabinet gaat om die reden een maatschappelijke dialoog voeren met de samenleving, om deze cultuuromslag te begeleiden en te bevorderen.

Vraag 122

Wanneer worden de effecten van de verlaging van het percentage wanneer geïndexeerd kan worden tot 105% geëvalueerd?

Antwoord 122

Met de inwerkingtreding van het indexatiebesluit kunnen pensioenfondsen in 2022 kiezen om bij hun besluitvorming over toeslag in 2022 en 2023 alvast gebruik te maken van de indexatieregels zoals die gelden in het Transitie-FTK, mits zij van plan zijn in te varen naar het nieuwe stelsel. De PensioenFederatie meldde kort na de inwerkingtreding van het besluit 26 fondsen, onder wie de vijf grootste, gebruik hebben gemaakt van de Indexatie-AMvB om in 2022 hun pensioenuitkeringen te verhogen. In het indexatiebesluit is geen evaluatiebepaling voorzien.

Vraag 123

Welke stappen worden er overwogen of al gezet om een verbinding te leggen tussen het thema «leven lang ontwikkelen» en gezondheidsthema's rondom ouder worden?

Antwoord 123

Er zijn meerdere regelingen die inzetten op leven lang ontwikkelen en het voorkomen van gezondheidsproblemen, samen te vatten onder de noemer van duurzame inzetbaarheid.

De Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden (MDIEU), die voortvloeit uit het pensioenakkoord, heeft als doel dat zoveel mogelijk werkenden gezond werkend hun pensioen bereiken. In de periode 2021 tot en met 2025 is voor de MDIEU bijna € 1 miljard beschikbaar. Sectoren kunnen onder meer subsidie aanvragen voor maatregelen gericht op de duurzame inzetbaarheid van werkenden. In veel sectoren met MDIEU-projecten speelt vergrijzing een rol en zetten sectoren zich in voor hun oudere werknemers door het verlichten van zwaar werk, door slim roosteren bij onregelmatig werk en nachtwerk. Ook is er aandacht voor de gezondheid en vitaliteit van de oudere werknemers. Daarbij kijken veel sectoren ook naar het kunnen meekomen met nieuwe ontwikkelingen op het werk en eigen regie op de loopbaan.

In 2022 is de Tijdelijke subsidieregeling Experimenten Duurzame Inzetbaarheid Interventies (ofwel de Expeditieregeling) gestart, die in samenwerking met de sociale partners tot stand is gekomen. Hiervoor is in 2022 € 15 miljoen en in 2024 € 17 miljoen beschikbaar. Deze regeling is gericht op kennisontwikkeling over leven lang leren en duurzame inzetbaarheid, waaronder ook gezondheidsthema’s rond ouderen vallen. Aanvragen kunnen worden gedaan door samenwerkingsverbanden, bestaande uit werkgevers- en werknemersorganisaties, O&O fondsen, branches en een kennisinstituut. Met deze regeling kunnen experimenten of pilots worden opgezet, om te kijken welke interventies op het gebied van leven lang ontwikkelen en duurzame inzetbaarheid effectief zijn zodat deze vervolgens kunnen worden doorontwikkeld.

Vraag 124

Wat is de cijfermatige definitie van een koopkrachtig pensioen en welke cijfermatig onderbouwing heeft het kabinet voor het bewerkstellingen van een koopkrachtig pensioen met de overgang naar nieuw pensioenstelsel?

Antwoord 124

Een koopkrachtig pensioen is een pensioen dat de inflatie bijhoudt. Het wetsvoorstel «Wet toekomst pensioenen» spreekt overigens van «meer perspectief op een koopkrachtig pensioen». Niet in alle gevallen zal in het nieuwe stelsel de inflatie volledig bijgehouden kunnen worden, zoals nu met een extreem hoge inflatie. Dat geldt echter nog sterker voor het huidige stelsel. Stijging van pensioenuitkeringen komt met name voort uit behaalde overrendementen en daarop zijn algemeen geldende economische wetten van toepassing, ongeacht het type pensioencontract.

Wel kan het nieuwe stelsel beter inspelen op een (hoge) inflatie. Overrendementen komen eerder aan deelnemers en gepensioneerden ten goede, omdat geen buffers meer worden opgebouwd. Daarnaast kan de solidariteits- of risicodelingsreserve gericht worden ingezet voor inflatiebescherming. En kunnen in een beschermingsportefeuille tegen renterisico inflatiebeschermende beleggingen worden opgenomen die meer rendement geven naarmate de inflatie hoger is.

Door DNB (Kamerstukken II 2021/22, 36 067, nr. 14), Netspar (Muns, Werker, Nijman, Inkomenseffecten bij en na invaren in het nieuwe pensioencontract, Netspar design paper 203, 2022) en een aantal individuele fondsen (Kamerstukken II 2021/22, 36 067, nr. 29) zijn berekeningen gemaakt die laten zien dat pensioenuitkeringen in het nieuwe stelsel over het algemeen sneller kunnen worden verhoogd dan onder het huidige stelsel.

Vraag 125

Welk effect heeft langdurig hoge inflatie op het toekomstig pensioen binnen het nieuwe pensioenstelsel, graag scenario's op basis van 4%, 6% 8%, 10%, 12%, 14% en 16% inflatie?

Antwoord 125

Zoals de Minister voor APP heeft aangegeven tijdens het wetgevingsoverleg van het wetsvoorstel toekomst pensioenen zijn de uitkomsten van ieder kapitaalgedekt stelsel, zowel in het huidige als in het nieuwe pensioenstelsel in belangrijke mate afhankelijk van de premie-inleg en ontwikkelingen op financiële markten, waarbij het zowel gaat om de ontwikkeling van (reële) rendementen als van rentestanden. Zo zal een langjarige, aanhoudend hogere inflatie beter opgevangen kunnen worden als de nominale rente meestijgt met de inflatie. Een negatieve reële rente holt de koopkracht van de premie-inleg uit. Deze uitholling is dan moeilijker op te vangen via beleggingsopbrengsten dan wanneer sprake is van een positieve reële rente.

Vraag 126

Wat is de cijfermatige definitie van evenwichtig invaren bij de overgang naar nieuw pensioenstelsel met een vermogen van circa 1.500 miljard euro?

Antwoord 126

De decentrale partijen, sociale partners en pensioenfondsen, zullen zorgdragen voor een evenwichtige belangenafweging bij de vermogenstoedeling bij de overgang naar nieuw pensioenstelsel. De Minister voor APP verwijst naar de nota van wijziging bij de Wet Toekomst Pensioenen, die de Minister op 21 oktober jongstleden heeft aangeboden aan uw Kamer. Hierin heeft deze Minister nadere kwantitatieve voorwaarden gesteld zoals hieronder kort weergegeven. Een uitgebreide beschrijving is in de nota van wijziging opgenomen.

Pensioenfondsen moeten om te kunnen invaren een dekkingsgraad hebben van minimaal 90% (waarbij het gaat om het fondsvermogen en de dekkingsgraad na afzondering van de MVEV). Daarnaast zijn drie voorwaarden opgenomen waaraan de vermogenstoedeling bij invaren te allen tijde moet voldoen, ongeacht de gekozen invaarmethode. 1. Als algemene voorwaarde voor beide rekenmethoden geldt dat iedere (gewezen) deelnemer of pensioengerechtigde minimaal 95% van de uitkomst van de standaardregel meekrijgt. 2. Bij een dekkingsgraad onder de 105% mag maximaal 5% van het collectieve pensioenvermogen worden afgezonderd voor de compensatie door het toekennen van extra pensioenaansprakenvulling ten behoeve van de afschaffing van de doorsneepremie, voor de vulling van een solidariteits- of risicodelingsreserve en/of voor het ontzien van ingegane pensioenuitkeringen. 3. Als een deelnemer of pensioengerechtigde tijdens het invaren meer dan de technische voorziening meekrijgt, mag geen enkele andere deelnemer of pensioengerechtigde minder dan de technische voorziening meekrijgen.

Vraag 127

Welk controlemechanisme heeft het kabinet ingesteld om te controleren dat de aangegeven waarborgen binnen het nieuwe pensioenstelsel voldoende zijn voor het opvangen van verhoogde economische tegenslagen en het realiseren en beschermen van een koopkrachtig pensioen?

Antwoord 127

In de Wet toekomst pensioenen is op verschillende manieren rekening gehouden met bescherming tegen het risico van inflatie. Inflatiebescherming kan (gedeeltelijk) geboden worden via (i) blootstelling aan overrendement, (ii) een direct beschermingsrendement en (iii) de solidariteits- en risicodelingsreserve. In het algemeen geldt dus dat de Wet toekomst pensioenen meer mogelijkheden bevat om inflatiebescherming te bieden dan het huidige contract.

Vraag 128

Hoe wordt de circa 1.500 miljard euro aan pensioenvermogen verdeeld onder de pensioendeelnemers, graag een cijfermatige onderbouwing?

Antwoord 128

Zoals in het antwoord op vraag 126 is aangegeven dragen de decentrale partijen, sociale partners en pensioenfondsen zorg voor een evenwichtige belangenafweging binnen de daarvoor gestelde nadere voorwaarden. Zij geven hiervoor een cijfermatige onderbouwing.

Vraag 129

Welk bedrag heeft het kabinet gereserveerd ter compensatie aan gepensioneerden en werkenden voor eventuele pensioenachteruitgang bij overgang naar het nieuwe pensioenstelsel?

Antwoord 129

In het regeerakkoord 2017 is budgettaire ruimte gereserveerd voor de fiscale verruiming van de premiegrens om gedurende tien jaar € 1 miljard meer premie per jaar in te kunnen leggen. In het Pensioenakkoord zijn deze afspraken overgenomen. De € 1 miljard biedt extra ruimte om de fiscale premiegrens tijdelijk te verhogen met 3%-punt. Deze extra premieruimte kan, naast de compensatie die uit het fondsvermogen kan worden geboden, worden benut ten behoeve van compensatie voor nadeel als gevolg van het afschaffen van de doorsneesystematiek.

Vraag 130

Hoe heeft Nederland sinds 2015 tot op heden invulling gegeven aan de Verenigde Naties decennium voor mensen van Afrikaanse afkomst?

Antwoord 130

Op 23 december 2013 heeft de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties met resolutie 68/237 de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2024 uitgeroepen tot VN decennium voor mensen van Afrikaanse afkomst. Bij aanvang van de UN Decade hebben verscheidene rondetafelgesprekken plaatsgevonden met het maatschappelijk middenveld. Daar kwam vooral uit dat maatschappelijk initiatief mogelijk gemaakt moest worden voor en door mensen uit het maatschappelijk middenveld om zelf invulling te kunnen geven aan de UN Decade. SZW heeft in 2016 een tender uitgezet hiertoe. Een meer eenvoudige manier van aanvragen had echter de voorkeur.

Daarom zijn in 2018, om maatschappelijk initiatief beter mogelijk te maken, twee Fondsen op Naam (FON) opgericht, het VN Decennium Cultuur bij het Prins Bernhard Cultuurfonds en VN Decennium Sociaal bij het Oranjefonds. Vanuit elk FON was € 300.000 te besteden. Beide fondsen zijn inmiddels volledig besteed aan aanvragen uit het maatschappelijk middenveld aan projecten die bijdragen aan het voorkomen van rassendiscriminatie en een inclusievere samenleving. Ook op de Koninkrijk eilanden konden aanvragen worden ingediend, bij het Samenwerkende Fonds. De projecten die zijn ondersteund vanuit de beide FON zijn te vinden op de websites van beide fondsen.

Bij de oprichting van de twee FON is destijds ook een ondersteuningsfunctie ingericht die aanvragers heeft ondersteund bij het opstellen en indienen van aanvragen bij de twee genoemde fondsen en andere fondsen. Stichting Ocan heeft deze ondersteuningsfunctie uitgevoerd.

Ook is er in 2020 onderzoek gedaan naar achtergronden, oorzaken en triggerfactoren van discriminatie van Nederlanders van Afrikaanse herkomst door jongeren en volwassenen in Nederland. In 2021 is dit onderzoek gepubliceerd.

Tevens is in 2022 een verkennend onderzoek gestart naar handelingsperspectieven om racisme bespreekbaar te maken in de eigen kring. Dit verkennende onderzoek komt voort uit bovengenoemd onderzoek naar triggerfactoren.

In oktober 2022 is bekend geworden dat BZK een Decentralisatie Uitkering aan gemeenten heeft goedgekeurd om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van de UN Decade, namelijk om discriminatie naar herkomst te voorkomen en samenleven te bevorderen.

Ook met betrekking tot het herdenken van het slavernijverleden, onderzoek en museale voorzieningen zijn in 2016 aan de rondetafels oproepen gedaan. SZW, BZK en OCW zijn hiermee aan de slag, bijvoorbeeld door een herdenkingsjaar slavernijverleden mogelijk te maken in 2023. Dat laatste gebeurt niet zozeer vanuit de invulling van de UN Decade, maar past goed bij de oproepen die aan de rondetafels zijn uitgesproken.

Vraag 131

Sinds wanneer bestaat het traject preventieve aanpak anti-zwart racisme en hoe wordt invulling gegeven aan het traject?

Antwoord 131

Op 23 december 2013 heeft de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties met resolutie 68/237 de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2024 uitgeroepen tot VN decennium voor mensen van Afrikaanse afkomst. De Decade wordt aangewend om de preventieve aanpak van anti-zwart racisme te versterken. Enerzijds door positieve beeldvorming te stimuleren door aandacht te vragen voor de Afro-Nederlandse geschiedenis en cultuur als onderdeel van onze samenleving. Anderzijds door in te zetten op empowerment en vergroten van de weerbaarheid van de Afro-Nederlandse gemeenschap. De Afro-Nederlandse gemeenschap is vanaf het begin nauw betrokken geweest bij de invulling van de Decade en initiatief vanuit de samenleving ten behoeve van de Decade is gezocht en gestimuleerd.

Vraag 132

Wordt bij de evaluatie van de RMT's ook bezien of aanpassingen om naast de rol die deze teams tijdens de coronacrisis hadden van toegevoegde waarde te zijn?

Antwoord 132

Het kabinet heeft recent uw Kamer geïnformeerd over de uitwerking van de arbeidsmarktinfrastructuur. De geleerde lessen van onder andere de RMT’s zijn hierin meegenomen. De aanpak van de RMT’s en de inzet van aanvullende dienstverlening is ook buiten de coronacrisis van toegevoegde waarde gebleken. De ontschotte aanpak draagt bij aan het overbruggen van de krapte op de arbeidsmarkt en de mismatch tussen vraag en aanbod. De lerende evaluatie levert inzichten op in de ervaringen en zal worden betrokken in de uitbreiding van de arbeidsmarktinfrastructuur.

Vraag 133

Waarop is de verwachting dat zich het komend jaar meer kredietbanken aansluiten gebaseerd en wat zijn de vervolgstappen voor het Waarborgfonds als meer banken zich hebben aangesloten?

Antwoord 133

Het Waarborgfonds saneringskredieten is dit jaar gestart met een koplopersgroep van zes kredietbanken die interesse hebben getoond in het Waarborgfonds saneringskredieten. Van deze zes koplopers zijn de Kredietbank Zwolle, de Kredietbank Nederland, de Gemeentelijke Kredietbank Assen, de Kredietbank Limburg en Stadsring 51 inmiddels formeel aangesloten. De kredietbank West Brabant heeft toegezegd in november 2022 te gaan deelnemen.

Het Waarborgfonds saneringskredieten is met alle kredietbanken in gesprek over deelname. Het streven van het Waarborgfonds saneringskredieten is om in het komende subsidiejaar tenminste acht nieuwe kredietbanken te mogen verwelkomen. De totale dekkingsgraad komt daarmee op 31 juli 2023 op meer dan 50% (13 van de 23 kredietbanken).

Vraag 134

Op welke wijze is tot dusver uitvoering gegeven aan de motie Paternotte/Hermans (Kamerstuk 36 200, nr. 24) inzake het zetten van concrete stappen voor een voltijdsbonus?

Antwoord 134

De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs en de Minister voor Langdurige Zorg en Sport zijn aan de slag met de ambtelijke verkenning naar de mogelijkheden van het invoeren van een voltijdsbonus. Het kabinet kijkt hierbij ook naar de mogelijkheden van een meerurenbonus.

Tegelijkertijd blijft het kabinet de stichting Het Potentieel Pakken (HPP) ondersteunen om contractuitbreidingen in de zorg (en onderwijs) te stimuleren en om belemmeringen rondom onder andere roostering weg te nemen.

Het kabinet heeft besloten zich eerst te richten op opties in de zorg en het onderwijs, omdat in deze sectoren vaak in deeltijd wordt gewerkt. Daarbij geldt wel dat een eventuele voltijdsbonus wel juridische, uitvoeringstechnische en budgettaire knelpunten kent, die nader onderzocht moeten worden. In het onderwijs zal gestart worden met een kopgroep van scholen om in de praktijk te bekijken welke vorm van een bonus het beste werkt en wat de effecten zijn van het geven van een bonus. Uw Kamer wordt hier begin november over geïnformeerd. In december wordt de Kamer middels sectorale brieven verder geïnformeerd over de acties in deze sectoren bij het mogelijk maken van de voltijdsbonus en de meerurenbonus. Andere sectoren kunnen desgewenst de uitkomsten van deze aanpak in de zorg en het onderwijs benutten.

Vraag 135

Welk deel van het personeel dat werkzaam is bij de overheid of bij publiekelijk gefinancierde werkgevers heeft een deeltijdcontract? Wat is de gemiddelde arbeidsduur?

Antwoord 135

Bij de rijksoverheid werkt 28,1% van het personeel in deeltijd. Bij de gemeenten bedraagt dit 40,9% en bij de provincies 38,1%. Bij de Nationale Politie werkt 21,1% van het personeel in deeltijd. Bij de onderwijssectoren varieert dit percentage tussen 46,7% (Wetenschappelijk Onderwijs) en 75,4% (Primair Onderwijs). De gemiddelde arbeidsduur is uitgedrukt in de deeltijdfactor. De deeltijdfactor varieert in genoemde sectoren van 0,62 (primair onderwijs) tot 0,78 (Provincies). (bron: Ministerie BZK, Trends en ontwikkelingen 2021, Werken in de overheids- en onderwijssectoren, april 2022). Er zijn geen recente cijfers beschikbaar over het aantal in deeltijd werkende werknemers in zorg en welzijn, in 2018 werkte 82% in deeltijd. De deeltijdfactor in zorg en welzijn bedroeg in het 1e kwartaal van 2022 0,68 (bron: CBS, AZW StatLine).

Vraag 136

Welk deel van de vacatures die de rijksoverheid heeft opengesteld in het afgelopen jaar waren vacatures voor een deeltijdbaan? Wat zijn deze cijfers voor alle overheidswerkgevers in het algemeen of publiekelijk gefinancierde werkgevers?

Antwoord 136

Tussen 2020 en heden was het percentage vacatures bij de rijksoverheid met minder dan 32 uur gevraagde beschikbaarheid circa 7%. Er is een groei in het aandeel vacatures waarin minimaal 32 uur per week wordt gevraagd ten opzichte van het aandeel dat om minimaal 36 uur beschikbaarheid per week vraagt. In 2020 werd in 47,6% van de vacatures minimaal 32 uur gevraagd, in 2021 54,9% en in 2022 (t/m juni) 60,3%. In 2020 werd bij 45% van de vacatures gevraagd om minimaal 36 uur beschikbaarheid. In 2021 is dat percentage gedaald naar 36,7% en in 2022 (t/m juni) naar 32,6%. Het aantal uren dat in de vacature wordt gevraagd zegt in beginsel niets over het daadwerkelijk aantal uren dat de medewerker gaat werken. Bij een vacature voor minimaal 32 uur kan de medewerker ervoor kiezen om 32 uur te werken, maar kan ook in de praktijk 36 uur worden gewerkt. (Bron: Ministerie BZK, Trends en ontwikkelingen 2021, Werken in de overheids- en onderwijssectoren, april 2022). De Minister van SZW beschikt niet over deze informatie voor de overige overheids- en onderwijssectoren of de sector zorg en welzijn.

Vraag 137

Op welke wijze gaat de overheid om met verzoeken van nieuwe en bestaande werkgevers bij verzoeken om de arbeidsduur te verlengen?

Antwoord 137

Werknemers hebben het wettelijk recht om een verzoek in te dienen om meer (of minder) uren te werken. Werkgevers kunnen dit alleen weigeren met een beroep op zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als er bij een verzoek om meer werk onvoldoende werk beschikbaar is of bij een verzoek om minder werk de continuïteit van de bedrijfsvoering in gevaar dreigt te komen. In het kader van arbeidsmarktkrapte proberen werkgevers personeel te verleiden extra uren te werken. Binnen de sector Rijk is daarnaast besproken dat werkgevers extra ruimhartig om zullen gaan met eventuele verzoeken tot verlenging van de arbeidsduur door een medewerker met koopkrachtproblemen.

Vraag 138

Hoeveel arbeidsmigranten van binnen en buiten de Europese Unie (EU) zijn er in de afgelopen vijf jaar Nederland toegelaten?

Antwoord 138

Er bestaat voor EU-arbeidsmigranten geen toelatingsbeleid. Burgers van de EU/EER-landen en Zwitserland hebben op grond van het vrij verkeer van personen en diensten het recht om vrij in Nederland te verblijven, te werken en diensten te verrichten.

Het CBS houdt in de migrantenmonitor bij hoeveel EU-burgers naar Nederland afreizen, al dan niet voor arbeid. In de onderstaande tabel is de ontwikkeling van het aantal personen met een baan uit de EU-lidstaten (op 31 december van ieder jaar) uitgesplitst naar Midden- en Oost-Europa (EU 11) en de Europese Unie (EU 27) opgenomen. De data is beschikbaar tot eind 2020 (CBS). Vanaf 2022 worden de cijfers van de migrantenmonitor jaarlijks gepubliceerd in de Staat van Migratie, die ieder jaar in mei verschijnt.

Jaar

EU-11

EU-27

2016

258.720

454.880

2017

299.900

508.600

2018

349.000

573.600

2019

375.400

611.800

2020

348.400 (3,8% van de werkende beroepsbevolking)

554.500 (6,1% van de werkende beroepsbevolking)

Bovenstaande cijfers omvatten niet alle werknemers die naar Nederland gedetacheerd worden vanuit een andere EU-lidstaat. In de migrantenmonitor wordt namelijk uitgegaan van de polisadministratie waarin slechts een deel van de gedetacheerden is opgenomen. Uitspraken over de omvang van het aantal gedetacheerden zijn op basis van de migrantenmonitor dus niet te doen.

Het totale aantal gemelde gedetacheerde werknemers in 2021 betreft 365.510. Daarvan hadden 127.830 werknemers een nationaliteit van buiten de EU, EER of Zwitserland en 237.680 een EU-nationaliteit. Dit geeft echter een ietwat vertekend beeld voor wat betreft de verhouding tussen werknemers van binnen en buiten de EU. Binnen deze aantallen zitten namelijk ook veel meldingen die terugslaan op de sector internationaal wegtransport. Het betreft dan relatief veel vrachtwagenchauffeurs van buiten de EU, EER of Zwitserland die voor korte (soms slechts enkele uren) of langere tijd in Nederland rijden. Het totaal aantal gemelde werknemers in de sector internationaal wegtransport bedroeg circa 289.400 in 2021, waarvan 178.800 EU-onderdanen en 110.600 derdelanders. Van de gemelde werknemers in andere sectoren (meer dan 50.000) was driekwart EU-onderdaan en een kwart derdelander. Het is belangrijk om hierbij in acht te houden dat de duur van detachering sterk verschilt. Sommige werknemers verblijven een aantal maanden in Nederland, sommigen 6 maanden of langer.

Zoals ook in de Staat van Migratie aangegeven bieden deze cijfers een globaal beeld van de aard en omvang van detachering naar Nederland in 2021. De cijfers die beschikbaar zijn, moeten met de nodige voorzichtigheid worden bezien. Vermoedelijk is sprake van ondermelding. Ook is van belang om op te merken dat het om gegevens gaat die de dienstverrichters en dienstontvangers zelf hebben verstrekt.

Voor arbeidsmigranten van buiten de EU (derdelanders) is de toegang wel in nationale wet- en regelgeving vastgelegd. In de onderstaande tabel is de ontwikkeling van het aantal verleende tewerkstellingsvergunningen (twv) en positieve adviezen voor gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) voor arbeidsmigranten van buiten de EU opgenomen (afgerond op tientallen) (bron: UWV, rapportage UWV uitvoering Wav).

Jaartal

Verleende tewerkstellingsvergunningen

Positieve adviezen gecombineerde vergunning verblijf en arbeid

2017

5.700

3.200

2018

7.000

3.000

2019

8.700

4.500

2020

6.000

3.200

2021

7.800

3.900

2022 tot en met augustus

7.600

2.700

NB cijfers zijn afgerond op honderdtallen

NB gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid is per 1 april 2014 ingevoerd

Onderstaande tabel geeft het aantal ingewilligde aanvragen weer op grond van de nationale kennismigrantenregeling, de Europese Blauwe kaart en voor «overplaatsing binnen een onderneming» (ICT) (Het verblijfsdoel «overplaatsing binnen een onderneming» vloeit voort uit de per 29 november 2016 geïmplementeerde Europese Richtlijn 2014/66 voor Intra Corporate Transferees), inclusief de ingewilligde aanvragen «wijziging beperking» (een aanvraag voor «wijziging beperking» wordt gedaan indien het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland verblijft wijzigt) naar deze verblijfsdoelen. De aantallen zijn afgerond op tientallen (bron IND en Staat van Migratie 2021 voor de cijfers van 2020 en 2021).

Jaar

Kennismigranten

Europese blauwe kaart

ICT

Totaal

2017

9.410

90

4.510

14.010

2018

11.980

120

4.820

16.920

2019

13.730

190

4.700

18.620

2020

6.380

150

2.150

8.680

2021

12.440

150

2.570

15.160

Vraag 139

hoeveel arbeidsmigranten die in de afgelopen vijf jaar Nederland zijn toegelaten maken gebruik van de sociale zekerheid (uitgesplitst naar uitkering/regeling)?

Antwoord 139

UWV, de SVB en gemeenten voeren geen aparte registraties van arbeidsmigranten. Er zijn daarom geen gegevens beschikbaar op landelijk niveau over het gebruik van uitkeringen door arbeidsmigranten. Algemene informatie kan alleen worden gegeven door data van de uitvoeringsinstanties en het CBS met elkaar te koppelen. Dit gebeurt in de Migrantenmonitor van het CBS. Bij de Migrantenmonitor is ook een dashboard beschikbaar (Bron: Migrantenmonitor (cbs.nl)). De Migrantenmonitor geeft inzicht in het aantal migranten (NB. niet specifiek arbeidsmigranten) uit andere EU-lidstaten dat in Nederland woont of werkt en geeft ook cijfers over het beroep op sociale zekerheid (bijvoorbeeld het aantal personen in de WW).

Het dashboard immigratie van het CBS biedt informatie over de sociaaleconomische status, waarbij de categorie «uitkerings- en pensioenontvanger» kan worden onderscheiden (Bron: Hoeveel immigranten komen naar Nederland? (cbs.nl)). Hierbij kunnen arbeidsmigranten apart worden onderscheiden naar immigratiejaar. Het betreft hier wel enkel het uitkeringsgebruik van migranten die nog in Nederland staan ingeschreven in het bevolkingsregister. Om een voorbeeld te geven: van de instroom van Europese arbeidsmigranten uit 2016 heeft een jaar later 2% een uitkering. Twee en drie jaar later is dat nog steeds zo. Onder arbeidsmigranten uit derde landen is het uitkeringsgebruik voor dezelfde groep volgens het CBS nihil.

Overigens hebben arbeidsmigranten die in de afgelopen vijf jaar zijn toegelaten meestal geen recht op een uitkering op grond van de Participatiewet of de BBZ (bijstandsregelingen die uit de algemene middelen worden gefinancierd). Bij een verblijf onder de vijf jaar is namelijk in principe geen sprake van een «duurzaam verblijf». Bij een niet-duurzaam verblijf heeft een beroep op de bijstand meestal gevolgen voor het verblijfsrecht. Als het verblijfsrecht wordt beëindigd is er daarmee ook geen recht op bijstand. De IND beoordeelt het verblijfsrecht individueel (Bron: https://ind.nl/Paginas/Algemene-Middelen.aspx).

Vraag 140

Hoe verhoudt het percentage jongeren in verantwoordingsorganen (van pensioenfondsen) zich tot het percentage jongeren in ondernemingsraden?

Antwoord 140

Het kabinet heeft geen zicht op het percentage jongeren in verantwoordingsorganen van pensioenfondsen en het percentage jongeren in ondernemingsraden. Voor wat betreft de verantwoordingsorganen geldt dat in het bestuursverslag van het pensioenfonds moet worden gerapporteerd over de samenstelling van het verantwoordingsorgaan naar leeftijd en geslacht. Voor de OR geldt een dergelijke verplichting niet zodat de gevraagde vergelijking niet te maken is. Ongeacht de samenstelling zullen zowel de OR als het verantwoordingsorgaan de belangen van verschillende groepen werknemers respectievelijk deelnemers meewegen in hun advisering.

Vraag 141

Hoe verhoudt het percentage jongeren dat aan de cao-tafel zit zich tot het percentage jongeren dat werkzaam is in ondernemingen met een cao?

Antwoord 141

Uit de meest recente (voorlopige) cijfers van het CBS volgt dat in 2021 3,2% van de jongeren in de leeftijdsgroep van 15 tot 25 jaar lid was van een vakbond. Voor de groep 25 tot 35 jaar geldt dat 9,6% in 2021 lid was van een vakbond (bron CBS, Statline, geraadpleegd 24-10-2022).

In 2021 geldt daarnaast dat op 80,6% van de werknemers in de leeftijdscategorie van 15 tot 25 jaar en op 67,7% van de werknemers in de leeftijdscategorie 25 tot 35 jaar een reguliere cao van toepassing was (bron CBS/TNO (NEA), verrijkt met SSB-gegevens. Het onderscheid (wel/geen cao) is afgeleid uit een onderliggende cao code. Als uit deze onderliggende gegevens «wel cao» wordt afgeleid, is er waarschijnlijk ook een cao van toepassing. Als uit de gegevens «geen cao» wordt afgeleid, hoeft dit niet te betekenen dat er daadwerkelijk geen cao van toepassing is. Het kan ook betekenen dat de onderliggende cao code niet is ingevuld. Hierdoor is geen exact aantal te geven van het percentage werknemers onder een cao, maar is wel een indicatie te geven).

Vraag 142

Op welke wijze wordt gecontroleerd dat het aanbod van opleidingen gericht op de doelgroep praktisch geschoolden ook daadwerkelijk bijdraagt aan de arbeidsmarktpositie van deze doelgroep en het verkleinen van de tekorten?

Antwoord 142

Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen is de motie Dassen aangenomen, waarin de regering gevraagd wordt om met een plan te komen het STAP-budget gerichter in te zetten voor maatschappelijk cruciale sectoren, zoals techniek, ICT, zorg en onderwijs. De Minister van SZW heeft al toegezegd dat zij graag bereid is om de mogelijkheden hiertoe te inventariseren en uw Kamer hierover vóór de SZW-begrotingsbehandeling te informeren. Daar betrekt zij ook de vraag bij hoe we de keuzevrijheid voor mensen kunnen behouden, en in bredere zin te kijken hoe we het STAP-budget kunnen richten op arbeidsmarktrelevante scholing, waaronder scholing gericht op de maatschappelijk cruciale sectoren.

Vraag 143

Met hoeveel procent wordt de stimuleringsregeling LLO in midden- en kleinbedrijf (mkb) verlaagd? Welke «uitvoeringstegenvallers» worden hiermee gefinancierd? Om welke reden is ervoor gekozen om de hierdoor vrijgekomen middelen hiervoor aan te wenden?

Antwoord 143

Voor aanvragers van de Stimuleringsregeling LLO in midden- en kleinbedrijf (SLIM-regeling) verandert er niets. Jaarlijks is er circa € 48 miljoen subsidie beschikbaar. De € 10 miljoen waarmee het budget vanaf 2025 wordt verlaagd betreft middelen die vanaf de begroting van SZW naar OCW worden overgemaakt om uitvoering te geven aan motie Heerma (Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 50). Via deze motie wordt er tot en met 2024 geïnvesteerd in seizoensarbeid in de landbouw-, horeca-, en recreatiesector door een tegemoetkoming in de loonkosten voor bbl-plekken. Per 2025 komen deze middelen weer vrij en worden ze gebruikt als dekking voor uitvoeringstegenvallers elders op de SZW-begroting, zoals kinderopvangtoeslag en verlof. Met deze ombuiging blijft het jaarlijkse budget even hoog als het budget voor de SLIM-regeling vóór 2025.

Vraag 144

Wat verhindert het opstellen van een werkbaar sociaal-medisch beoordelingskader voor de transitievergoeding mkb?

Antwoord 144

Er is een aantal factoren dat dit veroorzaakt. Het komen tot een werkbaar beoordelingskader is ingewikkeld omdat de bestaande kaders op grond waarvan arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld, niet geschikt lijken om te beoordelen of er sprake is van arbeidsongeschiktheid die heeft geleid tot het besluit tot bedrijfsbeëindiging. Het creëren van een nieuw kader zou gericht moeten zijn op het vaststellen van het oorzakelijke verband daartussen. Dat is ingewikkeld. Daarnaast heeft UWV aangegeven dat een regeling waarbij de volledige beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van de werkgever plaatsvindt in het kader van deze regeling waarschijnlijk niet of moeilijk uitvoerbaar is, zonder dat dit invloed heeft op andere werkzaamheden die verzekeringsartsen van UWV moeten uitvoeren. Vooral wanneer de beoordeling volledig door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen van UWV moet plaatsvinden. Dit wegens het ernstige tekort aan verzekeringsartsen.

Vraag 145

Hoe veel wordt de druk op sociaal-medisch beoordelen verhoogd door de compensatie van de transitievergoeding bij bedrijfsbeëindiging wegens ziekte?

Antwoord 145

UWV heeft aangegeven dat een regeling waarbij een volledige beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van de werkgever plaatsvindt in het kader van deze regeling zeer waarschijnlijk niet of moeilijk uitvoerbaar is, zeker als die volledig door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen van UWV moet plaatsvinden. Dat zal invloed hebben op de andere werkzaamheden die verzekeringsartsen bij UWV moeten uitvoeren, terwijl daar al een ernstig tekort bestaat. Ter oplossing wordt onderzocht of een beoordeling door de verzekeringsarts kan worden vervangen door een advies van de bedrijfsartsen. Daarvoor is wel noodzakelijk dat tot een werkbaar beoordelingskader kan worden gekomen, wat zeer ingewikkeld lijkt. Benadrukt wordt daarbij ook dat een dergelijk advies alsnog door UWV beoordeeld zal moeten worden. Die ruimte voor eigen beoordeling of controle van dergelijke adviezen door verzekeringsartsen, lijkt gezien de huidige context/ontwikkelingen niet beschikbaar bij UWV.

Vraag 146

Voor welke termijn wil u duidelijkheid hebben over de effecten van het hervatten van de handhaving van regels rondom de beoordeling van arbeidsrelaties?

Antwoord 146

In het najaar stuurt de Minister van SZW samen met de Minister van EZK en de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst een brief over «werken als zelfstandige» naar de Tweede Kamer waarin onder andere wordt aangekondigd per wanneer het kabinet de ambitie heeft het handhavingsmoratorium op te heffen, op welke wijze dat zal gaan en de afwegingen die daarbij een rol spelen, waaronder de maatschappelijke gevolgen, uitvoerbaarheid en begroting.

Het gaat hierbij niet om het hervatten van de handhaving. Zoals eerder aangeven in de kabinetsreactie op de rapporten van ARK en ADR (Kamerstukken II 2021/22, 29 544, nr. 1094) vindt deze handhaving (binnen de kaders van het handhavingsmoratorium) al plaats. In de kabinetsreactie is ook aangegeven dat toegewerkt wordt naar een volledige inzet van de gereserveerde capaciteit (80 fte) nu door het afschaffen van de beperkende coronamaatregelen het buitentoezicht in de eerste helft van dit jaar weer is opgepakt, en er dit jaar medewerkers die eerder geworven zijn van de interne opleiding komen die inzetbaar zullen worden in het toezicht.

Vraag 147

Binnen welke sectoren overweegt het kabinet het inzetten van een rechtsvermoeden?

Antwoord 147

Naast de inzet op het voorstel voor de Europese richtlijn voor platformwerk, vindt het kabinet het van belang om (andere) werkenden met een kwetsbare positie te ondersteunen bij het effectief opeisen van hun rechten als werknemer. Het kabinet wil daarom inzetten op een breder rechtsvermoeden om schijnzelfstandigheid ook op andere plekken dan binnen de platformsector tegen te gaan. De problematiek van kwetsbare werkenden die hun rechtspositie niet effectief op kunnen eisen speelt immers niet alleen bij platformwerk. Het kabinet werkt daartoe het voorstel uit voor een rechtsvermoeden gekoppeld aan een uurtarief, zoals opgenomen in het SER-MLT advies. Het kabinet beoogt dit rechtsvermoeden breed toepasbaar te laten zijn voor alle arbeidsrelaties, dus niet alleen in specifieke sectoren.

Vraag 148

Op welke wijze krijgt het ontlasten van werkgeverschap en het vergroten van de manoeuvreerruimte binnen duurzame arbeidsrelaties vorm?

Antwoord 148

Het kabinet verkent de volgende maatregelen die bijdragen aan het ontlasten van werkgeverschap en het vergroten van wendbaarheid binnen het vaste contract:

  • Bevorderen dat van-werk-naar-werktrajecten worden ingezet bij het beëindigen van een arbeidsovereenkomst;

  • Een budgetneutrale deeltijd-WW;

  • De re-integratie in het tweede ziektejaar wordt in principe gericht op re-integratie bij een andere werkgever;

  • Werkgevers worden gestimuleerd om bestaande mogelijkheden voor wendbaarheid (met behoud van duurzame arbeidsrelatie) beter te benutten.

Momenteel wordt met sociale partners en uitvoeringsorganisaties onderzocht of de maatregelen uitvoerbaar zijn. Indien dat niet het geval is, of de bijdrage van deze maatregelen aan de beoogde doelen te beperkt zal blijken te zijn, zal het kabinet zich met sociale partners bezinnen op alternatieven. Het kabinet streeft ernaar om uiterlijk begin 2023 besluiten te nemen over de invulling van maatregelen die werkgeverschap aantrekkelijker maken en wendbaarheid van ondernemingen vergroten.

Vraag 149

Wat is de huidige stand van zaken rondom het verkorten van de loondoorbetalingsperiode bij ziekte?

Antwoord 149

Er zijn geen plannen in 2023 om de periode van twee jaar loondoorbetaling bij ziekte te verkorten. In het coalitieakkoord zijn afspraken gemaakt over de loondoorbetaling bij ziekte in het bredere pakket met arbeidsmarkthervormingen. U wordt hierover per brief in januari geïnformeerd.

Vraag 150

Welke stappen zijn gezet ten aanzien van een eenvoudiger ontslagbescherming?

Antwoord 150

Het ontslagrecht is met de Wet werk en zekerheid in 2015 reeds ingrijpend gewijzigd mede met als doel het stelsel te vereenvoudigen. Het huidige stelsel van ontslaggronden, die preventief worden getoetst door de kantonrechter of UWV, biedt partijen meer duidelijkheid over de uitkomst van de ontslagprocedure en beschermt werknemers tegen ongerechtvaardigd ontslag. De introductie van de transitievergoeding met de Wet werk en zekerheid in 2015 heeft geleid tot een vergoeding bij ontslag die voorafgaand relatief eenduidig is vast te stellen. Als gevolg van wijzigingen in de opbouw van de transitievergoeding is ontslag met de Wet arbeidsmarkt in balans in 2020 voorts aanzienlijk goedkoper geworden. In het coalitieakkoord zijn geen verdere wijzigingen van het ontslagrecht of stappen op dit vlak aangekondigd.

Vraag 151

Welke stappen zijn er precies gezet rondom verduidelijking van de grenslijn tussen werknemers en zelfstandigen? Wat is er precies veranderd in het Handboek Loonheffingen?

Antwoord 151

Rondom het verduidelijken van de grenslijn tussen werknemers en zelfstandigen is in de hoofdlijnenbrief van 5 juli aangegeven dat dit kabinet werkt aan de verduidelijking van wetgeving, specifiek waar het ziet op het criterium «werken in dienst van (ook wel gezagscriterium genoemd)». Dit omdat «werken in dienst van» het voornaamste criterium is waarover onduidelijkheid kan bestaan rondom de beoordeling van arbeidsrelaties. Daarnaast werkt het kabinet aan een rechtsvermoeden gekoppeld aan een uurtarief, conform het SER-MLT advies. Hiermee wordt het voor werkenden makkelijker, dan nu het geval is, om de kwalificatievraag voor te leggen aan de rechter. Uw Kamer wordt aan het einde van dit jaar nader geïnformeerd over de verdere uitwerking van deze maatregelen.

In de vorige kabinetsperiode zijn twee maatregelen getroffen om opdrachtgevers en -nemers meer duidelijkheid te geven over de aard van de arbeidsrelatie.

Zo is op verzoek van uw Kamer het gezagscriterium verduidelijkt door per 1 januari 2019 in het Handboek Loonheffingen van de Belastingdienst een bijlage op te nemen over de uitleg van het gezagscriterium. In deze bijlage zijn indicaties voor gezag, contra-indicaties voor gezag en voorbeelden opgenomen. Daarmee wordt zo goed mogelijk inzicht gegeven in de elementen die onder het huidige recht en de stand van de jurisprudentie een rol spelen in de beoordeling of sprake is van een gezagsverhouding. Daarmee krijgen opdrachtgevers en -nemers meer handvatten om zelf te beoordelen of er sprake is van een gezagsrelatie.

Daarnaast is de webmodule beoordeling arbeidsrelaties ontwikkeld. De huidige (pilotomgeving van de) webmodule beoordeling arbeidsrelaties geeft de opdrachtgever (zoveel mogelijk) een indicatie over de vraag hoe een specifieke arbeidsrelatie gekwalificeerd moet worden, en of loonheffingen afgedragen moeten worden. Deze webmodule is gebaseerd op huidige wet- en regelgeving en jurisprudentie en «toetst» aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden die in de jurisprudentie worden meegewogen. Eenieder die wil, kan de webmodule gebruiken. Deze kan dus ook de komende tijd ingezet blijven worden door werkgevenden om een indicatie te verkrijgen over de aard van de arbeidsrelatie.

Vraag 152

Het kabinet werkt met veldpartijen aan een nationaal actieplan om seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld tegen te gaan, wanneer kan de Kamer dit plan tegemoet zien?

Antwoord 152

Het kabinet is voornemens om het nationaal actieprogramma om seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld tegen te gaan begin 2023 naar de Tweede Kamer te verzenden. Eerder zijn met de Kamer al de contouren van het actieprogramma gedeeld (Kamerstukken II 2021/22, 34 843, nr. 58), waarbij is toegezegd dat het actieprogramma in het najaar gelanceerd zou worden. De uitwerking, inclusief afstemming met veldpartijen, vraagt enige tijd extra waardoor verzending aan de Kamer begin 2023 is voorzien.

Vraag 153

Hoeveel mensen zijn er in de afgelopen tien jaar vanuit de bijstand door de gemeentelijke werkgeversservicepunten naar een baan in de energietransitie begeleid?

Antwoord 153

Er bestaat geen landelijk overzicht van het aantal mensen dat in de afgelopen 10 jaar door dienstverlening van Werkgeversservicepunten vanuit de bijstand een baan heeft gevonden in de energietransitie.

Vraag 154

Hoeveel boetes zijn er in de afgelopen drie jaar ingediend als het gevolg van het overtreden van de inlichtingenplicht in de Participatiewet en hoeveel terugvorderingen hebben er op die grond plaatsgevonden?

Antwoord 154

Onderstaande tabel geeft, op basis van CBS gegevens uit de Bijstandsdebiteuren en -fraudestatistiek (BDFS), een overzicht van het aantal en de totale omvang van nieuwe vorderingen van boetes die als gevolg van het overtreden van de inlichtingenplicht in de Participatiewet zijn opgelegd. Hieruit blijkt dat het aantal geconstateerde overtredingen van de inlichtingenplicht afneemt. De beginschuld is het bedrag dat terugbetaald moet worden door de debiteur aan het begin van de vordering. De incassoratio geeft aan welk deel van de terugvorderingen van ten onrechte uitgekeerde bijstand en boetevorderingen eind 2021 betaald is. Van de vorderingen die in 2019 zijn ontstaan is ondertussen meer dan een kwart (terug)betaald. Voor recentere vorderingen ligt de incassoratio lager. Hoe langer vorderingen uitstaan, hoe hoger het deel van de beginschuld dat betaald is.

 

Aantal vorderingen

Beginschuld (x € 1 mln.)

Incassoratio ultimo 2021

2019

12.240

8,2

27%

2020

9.520

6,0

21%

2021

7.530

4,6

12%

Bron: CBS

Vraag 155

Waar komt de piek in uitgaven aan Stimuleringsregeling LLO in mkb in 2025 en in mindere mate 2026 vandaan?

Antwoord 155

De piek in de uitgaven wordt verwacht in 2025 en 2026 omdat Uitvoering van Beleid (UVB) verwacht dan de meeste uitbetalingen van einddeclaraties te doen. Door verschillende omstandigheden, waaronder corona en capaciteitsproblemen bij de uitvoeringsorganisatie van SZW, lopen de projectperiodes van de SLIM-aanvragen langer dan voorzien. Hierdoor liggen de vaststellingen van einddeclaraties ook later in de tijd en wordt er budget doorgeschoven naar volgende jaren. Voor aanvragers geldt wel ieder jaar hetzelfde subsidieplafond van circa € 48 miljoen.

Vraag 156

Welk deel van het STAP-budget zal conform de motie Dassen (Kamerstuk 36 200, nr. 47) worden ingezet voor opleidingen gericht op maatschappelijk cruciale sectoren?

Antwoord 156

Zie het antwoord op vraag 142.

Vraag 157

Welk gedeelte van de uitgekeerde STAP-middelen is ten bate van het financieren van medische opleidingen zonder wetenschappelijk onderbouwde toegevoegde waarde gekomen?

Antwoord 157

Er zijn momenteel meer dan 100.000 opleidingen beschikbaar in het STAP-scholingsregister. Van geen van deze opleidingen wordt bijgehouden of zij wetenschappelijk onderbouwd zijn. Opleidingen kunnen worden geregistreerd als de opleider een keurmerk of erkenning heeft die tot STAP zijn toegelaten en als de opleidingen arbeidsmarktgericht zijn. Hiermee wordt de kwaliteit van de scholing geborgd. De informatie waar de vragensteller om vraagt wordt daarom niet systematisch bijgehouden.

Vraag 158

Hoe vaak zijn opleidingen verwijderd uit het STAP-scholingsregister? Kunt u uitsplitsen om welke redenen deze opleidingen werden verwijderd?

Antwoord 158

De Toetsingskamer STAP houdt toezicht op misbruik en oneigenlijk gebruik van de subsidieregeling aan de kant van opleiders. Dit houdt in dat zij signalen van misbruik en oneigenlijk gebruik onderzoekt en risicogericht controleert of opleidingen arbeidsmarktgericht en marktconform zijn. Bij een constatering dat niet voldaan wordt aan de subsidievoorwaarden, zal de Toetsingskamer STAP de betreffende opleider verzoeken de opleidingen uit het scholingsaanbod te verwijderen. Sinds de start in maart 2022 zijn op aangeven van de Toetsingskamer ruim 5.000 opleidingen door opleiders uit het register verwijderd. Merendeels komt dit doordat het aanbod niet arbeidsmarktgericht is, bijvoorbeeld omdat het om verplichte nascholing gaat of om inburgeringscursussen.

Naar aanleiding van onderzoek en op advies van de Toetsingskamer is door de Minister van SZW het besluit genomen om twee opleiders te verwijderen uit het register. Voor een daarvan loopt nog een bezwaarprocedure, maar is inmiddels al wel een aantal opleidingen teruggetrokken uit het Scholingsregister. Daarnaast zijn drie opleiders op straffe van uitsluiting gesommeerd enkele opleidingen die niet voldoen aan de doelstelling en voorwaarden van STAP uit het scholingsregister te halen. Betrokken opleiders hebben deze opleidingen voor openstelling van het tijdvak STAP op 1 november verwijderd. Redenen hiervoor zijn: opleidingen die zijn gericht op eigen financieel gewin en niet op de versterking van de arbeidsmarktpositie; opleidingen die gegeven worden door opleiders zonder keurmerk; opleidingen die voornamelijk bestaan uit coaching; en opleidingen met een buitenlandse accommodatie.

Vraag 159

Welke onderzoeksvragen worden gehanteerd bij de uitgebreide evaluatie van de STAP-regeling?

Antwoord 159

Met de evaluatie wordt gekeken naar het gebruik en de doeltreffendheid en doelmatigheid van het STAP-budget. Er zijn drie hoofdvragen, met bij elk deelvragen.

Hoofdvraag 1. Wie hebben het STAP-budget gebruikt en op welke wijze, wat zijn hun beweegredenen en hoeveel STAP-budget is er aangevraagd? Wat is het aanbod?

  • a) Door wie wordt het STAP-budget gebruikt? Worden alle doelgroepen bereikt?

  • b) Om wat voor redenen is het STAP-budget aangevraagd?

  • c) Hoe is de financiële uitputting van de regeling verlopen?

  • d) Klachten, misbruik en oneigenlijk gebruik?

  • e) Hoe wordt de STAP-regeling gezien door opleiders (hierbij onderscheid maken tussen private en publieke opleiders)?

  • f) Hoe is het gebruik van het STAP-budget verdeeld over type scholingsactiviteiten?

Hoofdvraag 2. In welke mate heeft het STAP-budget bijgedragen aan een stimulans om meer te leren naast het werk? In hoeverre draagt het STAP-budget bij aan de duurzame inzetbaarheid en arbeidsmarktpositie van de Nederlandse beroepsbevolking?

  • a) Heeft het STAP-budget geleid tot een grotere deelname aan leren en ontwikkelen?

  • b) In hoeverre is gebruik van het STAP-budget van invloed op de arbeidsmarktpositie?

  • c) Sluit het scholingsaanbod voldoende aan op de behoefte van de beroepsbevolking/arbeidsmarkt?

Hoofdvraag 3. Is er sprake van afwenteling van private middelen op publieke middelen?

  • a) In hoeverre is er sprake van deadweight loss in vergelijking tot de onlangs afgeschafte fiscale aftrek scholingskosten?

  • b) In hoeverre vindt er substitutie plaats van alternatieve financieringsbronnen voor scholing door het STAP-budget? Leidt het STAP-budget tot een afname van het gebruik van private scholingsbudgetten?

  • c) In hoeverre is er sprake van onevenredige prijsontwikkeling bij de scholing die is toegelaten voor financiering vanuit het STAP-budget ten opzichte van scholing die niet in aanmerking komt?

Vraag 160

Uit welke uitgaven bestaat het niet juridisch verplichte deel van het programmabudget MDIEU in 2023?

Antwoord 160

Zoals in de begroting vermeld, is ruim € 60 miljoen van het programmabudget MDIEU in 2023 niet juridisch verplicht. Dit betreft voor het overgrote deel het beschikbare budget voor de bevoorschotting van activiteitenplannen waar in 2023 subsidie voor beschikt wordt. Daarnaast zijn enkele miljoenen euro’s begroot voor de ondersteuning van de sociale partners in de Stichting van de Arbeid bij de uitvoering van de wijziging van het pensioenstelsel en voor andere bovensectorale activiteiten rondom de MDIEU.

Vraag 161

Welke indicatoren worden gebruikt om inzicht te krijgen in het aantal huishoudens met problematische schulden?

Antwoord 161

Er is sprake van een huishouden met geregistreerde problematische schulden als ten minste één persoon in het huishouden voldoet aan ten minste één van de volgende criteria op 1 januari van het betreffende verslagjaar:

  • een WSNP–traject volgt;

  • een bij BKR geregistreerd minnelijk traject volgt;

  • een bij BKR geregistreerde betalingsachterstand heeft;

  • in het Centraal Curatele en Bewindregister (CCBR) is opgenomen op grond van verkwisting en/of problematische schulden;

  • ten minste zes maanden de zorgpremie niet heeft betaald;

  • een betalingsachterstand van een Wet Mulder–boete (boete voor lichte verkeersovertreding) heeft bij het CJIB heeft waarvan de tweede aanmaning ten minste twee maanden openstaat, of zich al in een ernstigere wanbetalersfase bevindt. Daarnaast moet het openstaande bedrag in totaal minimaal 50 euro zijn;

  • langer dan 27 maanden een toeslagschuld heeft van totaal minimaal 50 euro openstaan bij de Belastingdienst;

  • langer dan 15 maanden een schuld heeft van totaal minimaal 50 euro voor overige belastingaanslagen openstaan bij de Belastingdienst;

  • een belastingschuld heeft bij de Belastingdienst die in de 12 maanden voor het peilmoment oninbaar is geleden;

  • een betalingsachterstand bij de DUO heeft van 3 maanden of langer en van minimaal 270 euro

(Bron: CBS, Schuldenproblematiek in beeld 2015 t/m 2018).

Vraag 162

Welke gegevens met betrekking op schuldhulpverlening worden op landelijk niveau bijgehouden?

Antwoord 162

Gemeenten registreren bij het Bureau Kredietregistratie (BKR) wie schuldhulpverlening ontvangt.

In het Centraal Insolventieregister registreert de griffie van de rechtbank de wettelijke schuldsaneringstrajecten. Divosa monitort de vroegsignalering van schulden, bijvoorbeeld het aantal signalen over betalingsachterstanden, of dit leidt tot contact met inwoners en de hulpacceptatie. Divosa en NVVK (financiële hulpverleners) volgen ook het aantal aanmeldingen schuldhulpverlening en bijvoorbeeld de gemiddelde schuld en het gemiddeld aantal schuldeisers.

Vraag 163

Welke gegevens worden er nog bijgehouden over mensen die een schuldhulpverleningstraject hebben doorlopen?

Antwoord 163

Wie schuldhulpverlening ontvangt, staat gedurende de gehele periode dat de hulpverlening loopt bij BKR geregistreerd. Na afloop van de hulpverlening blijft de registratie nog vijf jaar staan. Daarna wordt deze door BKR verwijderd.

Vraag 164

Hoeveel mensen met problematische schulden zitten er momenteel in de stabilisatiefase die voorafgaat aan de schuldregeling in het Msnp-traject?

Antwoord 164

Hier worden geen cijfers op landelijk niveau over bijgehouden. De NVVK houdt van haar leden bij hoeveel stabilisatieovereenkomsten er per jaar gesloten worden. In 2021 waren dat er 8.758. Dit zegt overigens niet direct iets over het aantal mensen dat op een bepaald moment in de stabilisatiefase zit, omdat dit ook over jaargrenzen heen gaat. Ook registreert niet iedere gemeente de stabilisatiefase door middel van een stabiliseringsovereenkomst.

Vraag 165

Hoeveel mensen in een schuldregeling zijn er in 2022 uit die schuldregeling gezet omdat zij nieuwe schulden maakten?

Antwoord 165

Hierover worden op landelijk niveau geen gegevens bijgehouden.

Vraag 166

Hoeveel aanbieders van schuldhulpverlening zijn er in Nederland actief?

Antwoord 166

Iedere gemeente in Nederland biedt schuldhulpverlening aan de inwoners aan. Een deel van de gemeenten doet dit in een samenwerkingsverband van meerdere gemeenten of besteden dit uit aan een externe partij, zoals een kredietbank. Daarnaast wordt schuldhulp ook kosteloos gegeven door maatschappelijke organisaties, zoals vrijwilligersorganisaties of kerken. Er zijn geen cijfers bekend van het totaal aantal aanbieders schuldhulpverlening.

Vraag 167

Hoeveel gemeenten zijn er aangesloten op het waarborgfonds saneringskrediet?

Antwoord 167

Het Waarborgfonds saneringskredieten is dit jaar gestart met een koplopersgroep van zes kredietbanken die interesse hebben getoond in het Waarborgfonds saneringskredieten. Van deze zes koplopers zijn de Kredietbank Zwolle, de Kredietbank Nederland, de Gemeentelijke Kredietbank Assen, de Kredietbank Limburg en Stadsring 51 inmiddels formeel aangesloten. Hieronder vallen ongeveer 50 gemeenten.

Vraag 168

Waarom bereiken de uitgaven met betrekking tot de compensatie van de transitievergoeding voor het mkb pas in 2024 het structurele niveau? Kan de inwerkingtreding vervroegd worden?

Antwoord 168

Het is op dit moment nog niet zeker of, en zo ja wanneer, het onderdeel van de compensatieregeling transitievergoeding dat betrekking heeft op bedrijfsbeëindiging vanwege ziekte van de werkgever in werking kan treden. De inwerkingtreding kan dus niet vervroegd worden. Het creëren van een nieuw kader, moet gericht zijn op het vaststellen van het oorzakelijke verband tussen de ziekte van de werkgever en het beëindigen van het bedrijf. Dat is ingewikkeld. Daarnaast heeft UWV aangegeven dat een regeling, die uitgaat van een volledige beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van de werkgever niet of moeilijk uitvoerbaar is. Het zal van invloed zijn op andere werkzaamheden die verzekeringsartsen van UWV moeten uitvoeren, waarvoor reeds een ernstig capaciteitstekort bestaat. De mogelijke invoeringsdatum van het betreffende onderdeel is daarom tegen het licht gehouden. Dit onderdeel van de regeling kan, voor zover dat mogelijk is, niet eerder in werking treden dan per 1 januari 2024.

Vraag 169

Voor hoeveel werknemers wordt LIV uitgekeerd? Voor hoeveel werknemers wordt loonkostenvoordeel voor ouderen en arbeidsgehandicapten uitgekeerd?

Antwoord 169

In onderstaande tabel wordt het aantal werknemers vermeld voor wie LIV en loonkostenvoordelen voor ouderen, (herplaatsen) arbeidsgehandicapten en banenafspraak aan werkgevers is verstrekt. Het gaat om tegemoetkomingen die vanwege de kalenderjaarsystematiek van de Wet tegemoetkomingen loondomein, waarvan het LIV en de loonkostenvoordelen onderdeel zijn, zijn uitbetaald in 2021 over het jaar 2020. Definitieve cijfers over de tegemoetkomingen die uitbetaald zijn in 2022 over het jaar 2021 worden bekend bij de publicatie van het jaarverslag van UWV.

Aantal werknemers
 

2021

LIV

442.752

LKV ouderen

36.191

waarvan vanuit een gemeentelijke uitkering

2.833

LKV banenafspraak

28.129

LKV arbeidsgehandicapten

13.762

LKV herplaatsen arbeidsgehandicapten

629

Bron: UWV Kwantitatieve informatie 2021

Vraag 170

Met de stijging van het wettelijk minimumloon, stijgt daarmee het minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV) ook? Zo ja, loopt dit gelijkwaardig op met de stijging wettelijk minimumloon?

Antwoord 170

De hoogte van de tegemoetkomingen van het minimumjeugdloon voordeel (Jeugd-LIV) staat vast in de wet en stijgt niet mee met de stijging van het wettelijk minimumloon (WML), die ingaat per 1 januari 2023. Een ander effect van de bijzondere verhoging van het WML is dat meer werknemers zullen voldoen aan de voorwaarden van het Jeugd-LIV. Dit leidt in 2024 (vanwege uitbetaling in jaar t+1) eenmalig tot een stijging van de uitgaven van naar schatting € 9,0 miljoen. Met ingang van 2024 (uitbetaling 2025) wordt het Jeugd-LIV namelijk afgeschaft.

Vraag 171

Het kabinet heeft een wetsvoorstel in voorbereiding waarin enkele wijzigingen in de systematiek van de loonkostenvoordelen worden voorgesteld, wanneer kan de Kamer dit wetsvoorstel tegemoet zien?

Antwoord 171

Het wetsvoorstel zal naar verwachting voor het zomerreces naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

Vraag 172

Kan nader gespecifieerd worden waaraan de STAP-regeling wordt uitgegeven? Hoeveel hiervan gaat naar mensen met een middelbaar beroepsonderwijs (mbo)-4 of lager niveau?

Antwoord 172

Er hebben al meer dan 200.000 mensen via het STAP-budget zelf scholing kunnen kiezen waarmee zij regie op de eigen loopbaan nemen. Onder de aanvragers zijn ook veel praktisch geschoolden, ouderen en mensen op tijdelijke banen. Meer specifiek heeft de helft van de aanvragers een achtergrond van mbo-niveau of lager. Door de toegankelijkheid van de regeling kunnen zij aan de slag gaan met hun ontwikkeling. Dit is een positief eerste signaal, omdat de voorganger van de STAP-regeling, de fiscale aftrek van scholingsuitgaven, niet zo’n breed publiek wist te bereiken. Voor de behandeling van de begroting SZW in november 2022, ontvangt uw Kamer een brief over STAP, waarin ook een nadere specificatie wordt gegeven van waaraan STAP wordt uitgegeven.

Vraag 173

Wordt in de raming van de uitgaven aan uitkeringen rekening gehouden met de resultaten van de MDIEU en meerjarig investeringsprogramma, aangezien aan te nemen valt dat er door deze programma’s een daling van het aantal werklozen en andere uitkeringsgerechtigden te verwachten is?

Antwoord 173

De uitgavenramingen voor werknemersverzekeringen worden naast realisatiecijfers gebaseerd op macro-economische ramingen van het CPB voor de beroepsbevolking en werkloosheid. In de uitgavenramingen wordt geen rekening gehouden met mogelijke effecten van de MDIEU of het meerjarig investeringsprogramma op de duurzame inzetbaarheid. De reden hiervoor is dat er weinig bekend is over de effectiviteit van maatregelen die ervoor moeten zorgen dat mensen langer gezond blijven in de periode dat ze werken (RIVM (2019) Gezondheid en arbeidsparticipatie rond de AOW-leeftijd).

Vraag 174

Wat is de overlap tussen alle programma’s die bedoeld zijn om mensen aan het werk te krijgen en te houden, zoals MDIEU, SLIM, STAP en NL leert door? Kan iemand aanspraak maken op meerdere regelingen en zo ja, hoe hoog zou het totaalbedrag aan subsidies en budgetten dan zijn wat diegene kan ontvangen?

Antwoord 174

Er zijn inderdaad meerdere regelingen die eraan bijdragen dat mensen zich kunnen blijven ontwikkelen in hun werk, met als doel dat zij duurzaam inzetbaar worden en blijven op de arbeidsmarkt. Deze regelingen dienen echter niet dezelfde doelen en hebben verschillende doelgroepen. Zo zijn de regelingen STAP en NL Leert Door opgezet om werkenden (ook flexwerkers en zzp’ers) en (uitkeringsgerechtigde) werkzoekenden zonder tussenkomst van een werkgever een tegemoetkoming in scholingskosten te geven. Dit geeft hen mogelijkheden om zelf hun loopbaan richting te geven, en bijvoorbeeld intersectoraal over te stappen. Flexwerkers, zzp’ers en uitkeringsgerechtigden krijgen zo ook toegang tot scholing. De NL Leert Door regelingen zijn crisisregelingen (die overigens bijna zijn afgelopen), die in de coronaperiode zijn gemaakt omdat STAP toen nog niet in werking was. De SLIM-regeling richt zich op het stimuleren van de leercultuur in het midden- en kleinbedrijf. Hiermee worden geen scholingskosten vergoed maar gaat het bijvoorbeeld om het doorlichten van het bedrijf om tot een opleidingsplan te komen. Naast individuele bedrijven kunnen ook samenwerkingsverbanden SLIM aanvragen, bijvoorbeeld om met een aantal partijen een bedrijfsschool op te richten. De MDIEU regeling richt zich op het stimuleren van gezond doorwerken tot je pensioen, en er is subsidie voor het investeren in duurzame inzetbaarheid en ook voor eerder uittreden. MDIEU kan worden aangevraagd door sectorale samenwerkingsverbanden van werkgevers en werknemers. In elke regeling is opgenomen dat de aanvrager niet een andere subsidie mag aanvragen die hetzelfde doel dient. Het is wel mogelijk dat iemand die werkt in een sector die een MDIEU-subsidie krijgt, zelf een STAP-budget aanvraagt.

Vraag 175

Waarom draagt u bij aan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb)?

Antwoord 175

Het Ctgb adviseert de ministeries van IenW, LNV, VWS en SZW over besluitvorming in de EU over werkzame stoffen en beoordelingsmethodieken en neemt als expert deel aan EU-vergaderingen. Het Ctgb adviseert daarbij ook over risico’s voor werknemers. SZW draagt om die reden financieel bij aan het Ctgb.

Vraag 176

Welke oorzaken liggen ten grondslag aan het stijgende ziekteverzuim?

Antwoord 176

Het ziekteverzuim is de afgelopen tijd inderdaad gestegen. In het eerste kwartaal van 2022 bedroeg het ziekteverzuim 6,3%. De Nationale werknemersenquête arbeidsomstandigheden (NEA) van TNO en CBS bevat nadere informatie over verzuimfrequentie, verzuimduur en de klachten waarmee werknemers verzuimen. De toename van het ziekteverzuim wordt voor een belangrijk deel verklaard door een toename van de verzuimduur. Het aantal dagen dat werknemers verzuimen is toegenomen van gemiddeld 7 dagen in 2017 naar gemiddeld 8 dagen in 2021. Vooral verzuim door psychische klachten kent een stijgende trend (4,5% in 2017 en 6,3% in 2021), deze klachten gaan vaak gepaard met langdurig verzuim. Griep, de meest voorkomende verzuimreden, neemt in de tijd af (van 35% in 2017 naar 30% in 2021), waarbij de daling vooral in 2020 en 2021 optreedt. Ongeveer één vijfde van de NEA respondenten geeft aan dat het verzuim (misschien) werd veroorzaakt door een coronabesmetting. De toename van ziekteverzuim kan bijdragen aan een toenemende werkdruk voor de niet-verzuimende werkenden.

Vraag 177

Wat is de meerjarige ontwikkeling van de cijfers in tabel 17?

Antwoord 177

Deze data zijn terug te vinden op Statline (CBS, geraadpleegd 27-10-2022). De reeks gaat terug tot 2013. Een overzicht van deze cijfers vanaf dat moment is weergegeven in onderstaande tabel.

   

Totaal

Werknemer

Werknemer met vaste arbeidsrelatie

Werknemer met flexibele arbeidsrelatie

Zelfstandige

Perioden

Persoonskenmerken

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

2013

Totaal personen

8.433

7.199

4.723

2.476

1.234

 

Onderwijsniveau: 1 laag

1.882

1.665

919

746

218

 

Onderwijsniveau: 2 middelbaar

3.588

3.069

2.036

1.033

519

 

Onderwijsniveau: 3 hoog

2.803

2.327

1.695

632

476

 

Onderwijsniveau: Weet niet of onbekend

160

139

74

65

22

2014

Totaal personen

8.382

7.132

4.613

2.519

1.251

 

Onderwijsniveau: 1 laag

1.856

1.629

883

747

227

 

Onderwijsniveau: 2 middelbaar

3.549

3.042

1.986

1.056

507

 

Onderwijsniveau: 3 hoog

2.892

2.391

1.700

691

501

 

Onderwijsniveau: Weet niet of onbekend

85

70

44

26

15

2015

Totaal personen

8.458

7.191

4.608

2.583

1.267

 

Onderwijsniveau: 1 laag

1.854

1.621

848

772

234

 

Onderwijsniveau: 2 middelbaar

3.540

3.042

1.942

1.100

498

 

Onderwijsniveau: 3 hoog

2.994

2.470

1.779

691

524

 

Onderwijsniveau: Weet niet of onbekend

69

58

38

20

11

2016

Totaal personen

8.570

7.270

4.622

2.647

1.300

 

Onderwijsniveau: 1 laag

1.849

1.613

812

801

236

 

Onderwijsniveau: 2 middelbaar

3.573

3.056

1.949

1.108

517

 

Onderwijsniveau: 3 hoog

3.053

2.521

1.811

710

532

 

Onderwijsniveau: Weet niet of onbekend

95

79

51

29

16

2017

Totaal personen

8.744

7.422

4.672

2.751

1.322

 

Onderwijsniveau: 1 laag

1.834

1.610

804

806

224

 

Onderwijsniveau: 2 middelbaar

3.622

3.111

1.954

1.156

511

 

Onderwijsniveau: 3 hoog

3.181

2.616

1.858

757

565

 

Onderwijsniveau: Weet niet of onbekend

108

86

55

31

22

2018

Totaal personen

8.939

7.604

4.814

2.791

1.335

 

Onderwijsniveau: 1 laag

1.864

1.646

824

823

217

 

Onderwijsniveau: 2 middelbaar

3.637

3.117

1.956

1.161

520

 

Onderwijsniveau: 3 hoog

3.331

2.753

1.974

779

578

 

Onderwijsniveau: Weet niet of onbekend

108

88

60

28

19

2019

Totaal personen

9.117

7.761

4.996

2.765

1.356

 

Onderwijsniveau: 1 laag

1.867

1.652

817

836

215

 

Onderwijsniveau: 2 middelbaar

3.665

3.157

2.021

1.136

508

 

Onderwijsniveau: 3 hoog

3.464

2.853

2.096

757

611

 

Onderwijsniveau: Weet niet of onbekend

120

99

62

36

22

2020

Totaal personen

9.116

7.703

5.158

2.545

1.413

 

Onderwijsniveau: 1 laag

1.779

1.563

827

737

216

 

Onderwijsniveau: 2 middelbaar

3.633

3.098

2.066

1.032

535

 

Onderwijsniveau: 3 hoog

3.581

2.941

2.195

746

640

 

Onderwijsniveau: Weet niet of onbekend

123

101

71

30

23

2021

Totaal personen

9.254

7.809

5.230

2.579

1.445

 

Onderwijsniveau: 1 laag

1.791

1.561

848

713

231

 

Onderwijsniveau: 2 middelbaar

3.631

3.079

2.058

1.020

552

 

Onderwijsniveau: 3 hoog

3.779

3.126

2.296

831

653

 

Onderwijsniveau: Weet niet of onbekend

53

44

28

15

10

Vraag 178

Welke maatregelen worden genomen om te sturen op contractvormen bij verschillende opleidingsniveaus? Naar welke verhouding streeft het kabinet?

Antwoord 178

Dit kabinet onderschrijft het uitgangspunt van de SER dat structureel werk in principe moet worden georganiseerd met arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Dit geldt in algemene zin en wordt niet verder uitgesplitst onder doelgroepen. Het kabinet stuurt dus niet op de verhouding van contractvormen tussen verschillende opleidingsniveaus en heeft dus ook geen verhouding per opleidingsniveau waar het naar streeft.

Vraag 179

Hoeveel werknemers onder een cao hadden geen pensioenregeling in de betreffende cao en welke maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat iedere cao een adequate pensioenregeling kent?

Antwoord 179

Een goed en fatsoenlijk pensioen is voor alle generaties belangrijk. Op dit moment is het aantal werknemers, ongeacht de vraag of zij onder een cao vallen, dat geen pensioen opbouwt via de werkgever te hoog (Kamerstukken II 2022/23, 32 043, nr. 594). Om het aantal werknemers dat pensioen opbouwt via de werkgever te vergroten, heeft de Stichting van de Arbeid in juni 2020 het Aanvalsplan witte vlek opgesteld. Dit plan is, mede op verzoek van de Tweede Kamer, recent aangevuld en aangescherpt (Bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 32 043, nr. 594). Een aantal acties dat de komende periode wordt opgepakt richt zich op de cao-partijen. Zo is de Stichting van de Arbeid (StvdA) voornemens om nog dit jaar een cao-aanbeveling uit te brengen. Met deze cao-aanbeveling worden sectoren waar nu geen pensioenregeling is, opgeroepen dit serieus te onderzoeken en te overwegen. Indien tot een pensioenregeling wordt besloten, gaan de sociale partners over de inhoud van de regeling en daarmee over de hoogte van het aanvullend pensioen. In de genoemde cao-aanbeveling roept de StvdA sectoren onder ander op om te bezien of de minimale toetredingsleeftijd kan worden verlaagd. Ook lopen er initiatieven om het voor werkgevers eenvoudiger te maken om tot een pensioenregeling te komen. Zo wordt, om het voor kleine en startende werkgevers eenvoudiger te maken om tot een pensioenregeling te komen, een basispensioenproduct («instapregeling») ontwikkeld. In de «Vervolgbrief aanscherping aanvalsplan witte vlek» heeft de StvdA, in reactie op vragen vanuit uw Kamer, aangegeven dat de vraag omtrent het vervangen van de wachttijd door een drempelperiode, zoals geadviseerd in het SER-MLT-advies, betrokken wordt bij de implementatie van de arbeidsmarkthervorming (bijlage bij Kamerstukken II, 2022Z20745). Daarnaast heeft de StvdA in deze brief het kabinet geadviseerd om een concrete reductiedoelstelling voor het aantal werknemers dat geen pensioen opbouwt op te nemen in de wet. De StvdA suggereert daarbij de doelstelling om het aantal werknemers dat geen pensioen opbouwt de komende vijf jaar te halveren ten opzichte van het aantal uit de meest recente studie van het CBS over 2019. In 2025 kan in een tussenevaluatie de ontwikkeling ten aanzien van de omvang van de witte vlek en de voortgang ten aanzien van de acties uit het aanvalsplan worden bezien. Indien uit deze tussenevaluatie blijkt dat de voortgang onvoldoende is om de reductiedoestelling te behalen, met sociale partners een aanvullend pakket maatregelen af te spreken waarbij dan in ieder geval een algemene pensioenplicht en een generieke verlaging van de pensioenleeftijd worden onderzocht. Ten slotte zijn diverse maatregelen voorgesteld om het pensioenbewustzijn onder werknemers en werkgevers te versterken. Zo is het kabinet voornemens om wettelijk te verplichten om op de loonstrook te vermelden wanneer een werknemer geen pensioen opbouwt en dient de werknemer in dit geval een notificatie te zien op het moment dat hij inlogt op mijnpensioenoverzicht.nl. Deze acties zullen onder meer ook bijdragen aan het verkleinen van het aantal werknemers zonder pensioenregeling in sectoren waar de organisatiegraad minder hoog is.

Vraag 180

Is in de begroting ook de financiële dekking voor de uitbreiding van de formatie van de Nederlandse Arbeidsinspectie en het blijven behalen van de doelen opgenomen?

Antwoord 180

Zowel het kabinet Rutte III als het kabinet Rutte IV hebben structureel extra middelen vrijgemaakt voor de handhavingsketen van SZW in het algemeen en van de Nederlandse Arbeidsinspectie in het bijzonder. De extra middelen van het kabinet Rutte III zitten in de departementale begroting en zijn grotendeels bestemd voor de Arbeidsinspectie.

Het kabinet Rutte IV maakt met zijn coalitieakkoord structureel middelen vrij voor onder andere arbeidsmarkt, arbeidsmigratie en mensenhandel/arbeidsuitbuiting. Hiermee volgt het kabinet de aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming Arbeidsmigranten onder leiding van Emile Roemer. De hiervoor bestemde extra middelen maken deel uit van de departementale begroting. Als gevolg van de daarbij aangekondigde maatregelen zal de toezichtstaak van de Arbeidsinspectie de komende jaren naar verwachting toenemen. Op dit moment worden voor verschillende maatregelen de aanpassingen van de wetgeving voorbereid en worden in dat kader op grond daarvan handhavings- en uitvoeringstoetsen uitgevoerd. Daarom is de departementale besluitvorming over de inzet van deze extra middelen nog niet afgerond. Welk deel van deze extra middelen bestemd is voor de Arbeidsinspectie is daarmee nog niet exact bepaald.

Vraag 181

Wat belemmert de Nederlandse Arbeidsinspectie in het optreden tegen de genoemde schadelijke situaties?

Antwoord 181

Er zijn diverse belemmeringen waarom de Nederlandse Arbeidsinspectie in bepaalde schadelijke of onwenselijke situaties niet of beperkt kan optreden. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de Arbeidsinspectie geen wettelijke bevoegdheid heeft. Of dat bepaalde wet- en regelgeving in de praktijk moeilijk te handhaven is of weinig effectief blijkt. Daarnaast gaat het soms om situaties of constructies die weliswaar legaal zijn, maar toch een schadelijke uitwerking hebben op gezond, veilig en eerlijk werk. De Inspectie vult de reflectieve functie van het toezicht in door in deze gevallen signalen op te stellen.

Dit was ook het geval bij maaltijdbezorging minderjarigen. In 2020 signaleerde de Arbeidsinspectie over de gevaarlijke situaties die ontstonden omdat steeds meer maaltijdbezorgers op jongere leeftijd gingen werken. De Arbeidsinspectie heeft de Staatssecretaris toen geadviseerd om te komen tot een expliciet verbod voor maaltijdbezorging door jongeren onder de 16 jaar. Dit advies werd gesteund door de motie Van Weyenberg c.s. (Kamerstukken II 2019/20, 25 883, nr. 376). Op 1 juli 2020 is het verbod op maaltijdbezorging door jongeren onder de 16 jaar in werking getreden.

Een ander voorbeeld is de Staat van Eerlijk werk uit 2019 en de reflectie van de inspecteur-generaal in het jaarverslag 2021. Daarin wordt ook aandacht gevraagd voor de risico’s op de arbeidsmarkt en rondom arbeidsmigratie. Door het opstellen van signalen worden andere partijen geïnformeerd over de problematiek en kunnen waar mogelijk actie ondernemen om daar verandering in te brengen.

Vraag 182

De Algemene Rekenkamer stelde vast dat de Nederlandse Arbeidsinspectie in de periode 2017–2019 geen enkele keer een bedrijf had stilgelegd, ook verbaasde het hen dat het aantal meervoudige boetes zeer beperkt was, wat is hiervan de reden?

Antwoord 182

In de periode 2017–2019 heeft de inspectie enkele honderden keren werkzaamheden of een bedrijf stilgelegd. Dit gebeurt als een inspecteur de situatie als te gevaarlijk beoordeelt.

Naar analogie met die maatregel verzoekt de motie Maatoug de regering om met een wetsvoorstel te komen zodat de inspectie ook kan stilleggen indien een inspecteur ter plekke ernstige benadeling (ernstige overtreding van de wet minimumloon, wet arbeid vreemdelingen et cetera) constateert.

Naast die stillegging ter plekke tijdens inspectie is er ook stillegging bij recidive. Deze maatregel houdt in dat een werkgever na (herhaald) overtreden een waarschuwing krijgt dat bij een volgende vergelijkbare overtreding tot stillegging van een maand kan worden overgegaan. Deze maatregel is door de wetgever preventief bedoeld zodat de werkgever alles op alles zet om overtreding (=stillegging) te voorkomen.

De Algemene Rekenkamer doelt op die laatste vorm. Zij rapporteerde in september 2021 over haar onderzoek naar de aanpak van arbeidsuitbuiting (opsporingstak) en ernstige benadeling (met name bestuursrechtelijk toezicht in het Programma «Arbeidsuitbuiting en Ernstige Benadeling»). De gegevens over de verschillende handhavingsinstrumenten, die betrekking hebben op de periode 2016–2019, betreffen dan ook alleen de cases in het genoemde toezichtsprogramma. Dus niet handhavingsinstrumenten die door de andere 16 programma’s van de Arbeidsinspectie zijn ingezet, bijvoorbeeld stilleggingen bij arbogevaar.

De Arbeidsinspectie rapporteerde in november 2021 over arbeidsuitbuiting. Daaruit blijkt dat meervoudige boetes geen doel in zich zijn (zie Rapportage Inspectie SZW: kostenvoordelen en arbeidsuitbuiting). Effectiviteit van haar interventies blijkt namelijk niet alleen uit boetes. Sinds 2016 neemt de Inspectie daarom afstand van de notie dat alleen aantallen (inspecties, boetes, etc.) van belang zijn. Effect kan uitgaan van een bredere mix aan instrumenten, zoals waarschuwingen, eisen, lasten onder dwangsom en (waarschuwingen) preventieve stillegging, maar ook communicatie en druk op ketens. Voorbeelden van effectieve interventies in het genoemde programma Arbeidsuitbuiting en Ernstige benadeling zijn het in geval van ernstige benadeling zorgen voor opvang van de benadeelde werknemers, bewerkstelligen dat benadeelden hun paspoort terugkrijgen van de werkgever, doorverwijzen naar hulpinstanties of helpen met de door hen gewenste terugreis naar huis.

Het achterliggende punt van de Algemene Rekenkamer, dat de inspectie voldoende aandacht moet schenken aan de reeds bestaande, «zwaardere» instrumenten zoals de preventieve stillegging is terecht. In een gesprek met de Vaste Kamercommissie is dat voornemen door de Inspectie ook bevestigd.2

Vraag 183

Kan een uitsplitsing gegeven worden van de besteding van de incidentele 200 miljoen extra ten behoeve van armoedebestrijding?

Antwoord 183

Deze middelen zijn vrijgemaakt voor aanvullende en incidentele inzet op het terrein van armoede en schulden. In 2022 is € 50 miljoen beschikbaar. Hiervan wordt een substantieel deel (€ 35 miljoen) verstrekt aan gemeenten om gerichte hulp te kunnen bieden via vroegsignalering en bijzondere bijstand. De overige middelen (€ 15 miljoen) zijn in een pakketje samengevoegd met middelen van OCW (€ 10 miljoen) en herprioritering binnen SZW (€ 10 miljoen) tot € 35 miljoen voor gemeenten om studenten, die als gevolg van de stijgende prijzen in ernstige financiële problemen dreigen te komen, individuele bijzondere bijstand te kunnen verstrekken. Aanvullend op de € 50 miljoen van dit jaar heeft het kabinet middelen beschikbaar gesteld om mensen die door de gestegen energierekening in de problemen dreigen te komen gericht door te verwijzen naar de juiste hulp (onder andere via een financiële impuls aan de Nederlandse Schuldhulp Route NSR) en om tot eind januari een noodontbijt op kwetsbare scholen mogelijk te maken.

De middelen voor 2023 en 2024 (in beide jaren € 75 miljoen) zijn bestemd voor enerzijds gerichte tegemoetkomingen (zoals voedselbanken, initiatieven die deelname van kinderen aan school en samenleving financieel borgen) en anderzijds voor extra capaciteit, snelheid en effectiviteit in de schuldhulpverlening. De Tweede Kamer wordt bij de aanbieding van het implementatieplan Aanpak geldzorgen, armoede en schulden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling nader geïnformeerd over de verdeling van de middelen.

Vraag 184

Is er zicht op de mate van niet-gebruik van de energietoeslag? Zo ja, kunt u dit zicht delen en toelichten?

Antwoord 184

In september jl. heeft Divosa een peiling uitgevoerd waaraan 138 gemeenten hebben deelgenomen (Divosa, Rapportage Energietoeslag: uitvoering en bereik januari – juni 2022). Bijna alle gemeenten gaven aan een inkomensgrens van 120% of hoger te hanteren. Uit de peiling blijkt ook dat gemeenten – op het moment van de peiling in juni jl. – circa 75% van de doelgroep hebben bereikt. Inmiddels is het bereik veel hoger. In de overleggen die de Minister voor APP met gemeenten voert, geven zij aan dat zij met de energietoeslag veel nieuwe groepen in beeld hebben gekregen, zoals werkende armen.

Vraag 185

Klopt het dat gemeenten geen saneringskrediet meer mogen verstrekken aan studerende jongeren? Sinds wanneer is dat en in welke wet is dit geregeld?

Antwoord 185

Nee, dit klopt niet. Gemeenten mogen wel een saneringskrediet verstrekken aan studerende jongeren. Er zijn echter situaties dat jongeren met problematische schulden en veelal ook met multiproblematiek, geen of onvoldoende inkomen hebben om in aanmerking te komen voor een schuldregeling (omdat ze geen afloscapaciteit hebben) door middel van een saneringskrediet. Voor die situaties voert het Waarborgfonds nu samen met het Jongerenperspectieffonds een pilot uit waarbij de jongere zonder afloscapaciteit een saneringskrediet «terugbetaalt» door een maatschappelijke tegenprestatie te leveren.

Vraag 186

Hoeveel deurwaarderskantoren zijn er actief in Nederland? Hoeveel daarvan hebben uitgesproken om sociaal te incasseren?

Antwoord 186

Er zijn 140 gerechtsdeurwaarderskantoren in Nederland, waarbij 629 gerechtsdeurwaarders werkzaam zijn. Deze gerechtsdeurwaarderskantoren zijn allemaal bereid om sociaal te incasseren. Gerechtsdeurwaarders zijn openbaar ambtenaren die geacht zijn om zich aan de wet te houden. In het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat beschreven op welke wijze de gerechtsdeurwaarders dienen te handelen en hoe schuldenaren beschermd worden.

Daarnaast zijn er twee verschillende keurmerken waar gerechtsdeurwaarderskantoren zich bij aan kunnen sluiten, zoals Social Responsible Credit Management en Sociaal Verantwoord Incasseren. 40 vooral grote gerechtsdeurwaarderskantoren (de vijf grootste kantoren zijn samen verantwoordelijk voor ongeveer de helft van de markt) zijn hierbij aangesloten.

Vraag 187

Is het behalen van het streefgetal voor de banenafspraak voor de sector overheid in 2022 in zicht? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 187

De doelstelling over 2021 voor de overheid was 20.000 banen. Eind 2021 hebben de overheidswerkgevers 11.842 extra banen gerealiseerd ten opzichte van de nulmeting. Daarmee is het behalen van de doelstelling op dit moment niet in zicht en dat is zeer teleurstellend. De definitieve cijfers over 2022 zullen in juli 2023 bekend worden.

Er is wel een aantal redenen waarom de overheid de overeengekomen doelstelling telkens niet realiseert. Overheidswerkgevers moeten in vergelijking tot marktsectorwerkgevers een relatief grotere opgave zien te realiseren. Daarnaast ligt het ambitieniveau bij de overheid extra hoog, vanwege het snellere tijdspad dat is afgesproken. Ook is het zo dat de inkoop van diensten en social return niet meetellen voor de overheidssector maar meetellen bij de marktsector terwijl deze banen worden gefinancierd door de overheid. Hoe groot dit aandeel is van inkoop van diensten en SROI wordt op dit moment onderzocht. De resultaten worden eind dit jaar verwacht. De Minister voor APP heeft toegezegd om uw Kamer hierover in het najaar te informeren, maar omdat het onderzoek vertraging heeft opgelopen worden de resultaten snel na afronding van het onderzoek met u gedeeld. Naar verwachting begin 2023. Ondanks bovenstaande is het van belang dat de overheid zich maximaal inzet om de afgesproken doelstelling te realiseren. Het achterblijven van het aantal gerealiseerde banen in 2021 bevestigt het absolute belang van het verstevigen van de inzet van overheidswerkgevers voor de banenafspraak. Daarom is de Minister voor APP in gesprek gegaan met de Minister van BZK als coördinerend bewindspersoon voor de overheidssector. In de brief die op 7 juli mede namens de Minister van BZK naar uw Kamer is gestuurd zijn extra maatregelen aangekondigd voor het funderend onderwijs en de rijksoverheid om een impuls te geven aan het aantal banen dat bij de overheid wordt gerealiseerd (Kamerstukken II 2021/22, 34 352, nr. 255). Op 7 oktober heeft de Minister van BZK uw Kamer geïnformeerd over de verdere uitwerking van deze maatregelen en de achterliggende redenen en verklaringen achter de realisatie van de sector Rijk (Kamerstukken II 2022/23, 34 352, nr. 258).

Vraag 188

Welke gemeenten maken gebruik van actieve matching van werklozen met bedrijven die op zoek zijn naar personeel? Op welke wijze krijgt deze matching vorm?

Antwoord 188

In iedere arbeidsmarktregio werken gemeenten en UWV samen in een werkgeversservicepunt. Ieder werkgeversservicepunt heeft het voordragen van passende kandidaten bij werkgevers in het dienstverleningspakket zitten. In de praktijk zijn verschillende manieren van voordragen, bijvoorbeeld door het voorleggen van cv’s, door het organiseren van banenmarktmarkten en/of door het organiseren van (online) speeddates met werkgevers.

Vraag 189

Wordt binnen het participatiedomein gebruik gemaakt van open hiring?

Antwoord 189

Ja. Open Hiring is een relatief nieuw concept waar in steeds meer arbeidsmarktregio’s mee wordt gewerkt. Sinds dit jaar heeft UWV bijvoorbeeld bij alle 35 werkgeversservicepunten een specialist Open Hiring. Wij zien kansen om het gebruik van Open Hiring uit te breiden, waarbij dit met name toepasbaar is bij werkgevers met meerdere vacatures. Daar zetten we met het actieplan Dichterbij dan je denkt dan ook op in, bijvoorbeeld via een e-learning Open Hiring die de Start Foundation heeft ontwikkeld in opdracht van ons en via een communicatiestrategie waarmee we de bekendheid van Open Hiring bij werkgevers en werkzoekenden vergroten.

Vraag 190

Wordt binnen het participatiedomein gebruik gemaakt van proefperiodes waarbij bijstandsgerechtigden met behoud van uitkering gematcht worden met bedrijven?

Antwoord 190

Ja, soms is het nodig om iemand in het kader van zijn re-integratie korte tijd te laten werken bij een potentiële werkgever met behoud van uitkering. Zo blijkt bijvoorbeeld uit gegevens van het CBS dat er in juni 2022 ruim 600 proefplaatsingen met behoud van uitkering ten behoeve van de loonwaardebepaling van een kandidaat zijn ingezet. Daarnaast kunnen bijvoorbeeld ook werkervaringsplekken of werkstages bij potentiële werkgevers worden ingezet. De exacte aantallen hiervan zijn niet voorhanden. Verder zijn productieactiviteiten binnen re-integratietrajecten ook een middel om werkritme en werknemersvaardigheden op te doen, als een match met een reguliere werkgever nog niet in beeld is. De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen heeft in haar reactie van 3 mei 2022 op een motie van het lid van Kent (Kamerstukken II 2021/22, 35 644, nr. 15) aangegeven dat uit onderzoek van bureau Berenschot blijkt dat naar schatting op dit moment zo’n 13.500 re-integratietrajecten met productiewerk bij sociaal ontwikkelbedrijven worden uitgevoerd. Van de deelnemers aan deze trajecten is 94% uitkeringsgerechtigd en 6% is niet-uitkeringsgerechtigd.

Vraag 191

Kan de volgende zin nader toegelicht worden: «Het macrobudget voor participatiewetuitkeringen is structureel met € 40 miljoen verhoogd zodat mensen die in deeltijd met loonkostensubsidie werken een groter gedeelte van hun inkomen kunnen behouden.»?

Antwoord 191

Onderdeel van het wetsvoorstel Breed Offensief is een nieuwe vrijlatingsregeling voor mensen die vanwege een arbeidsbeperking met toepassing van loonkostensubsidie werkzaam zijn en een inkomen hebben dat lager is dan de toepasselijke bijstandsnorm en geen medische urenbeperking hebben. Het doel van de nieuwe vrijlating is dat mensen met een verminderde loonwaarde die in deeltijd werken én daardoor aangewezen zijn c.q. blijven op aanvullende bijstand, een deel van hun inkomsten uit arbeid tijdelijk te laten behouden. Doordat 15% van het netto-inkomen van iemand die werkt met loonkostensubsidie niet in mindering wordt gebracht op de aanvullende bijstand die deze persoon ontvangt stijgen de bijstandsuitkeringslasten. Door de ingroei van de doelgroep zullen de kosten oplopen tot circa € 40 miljoen structureel (omstreeks 2050).

Vraag 192

Is bekend waardoor, naast de invloed van de coronacrisis, de banenafspraak in de sector overheid niet gehaald is?

Antwoord 192

Het is zeer teleurstellend dat de doelstelling voor de banenafspraak in de sector overheid tot nu toe niet is gehaald. Er is wel een aantal redenen waarom de overheid de overeengekomen doelstelling telkens niet realiseert. Overheidswerkgevers moeten in vergelijking tot marktsectorwerkgevers een relatief grotere opgave zien te realiseren. Daarnaast ligt het ambitieniveau bij de overheid extra hoog, vanwege het snellere tijdspad dat is afgesproken. Ook is het zo dat de inkoop van diensten en social return niet meetellen voor de overheidssector maar meetellen bij de marktsector terwijl deze banen worden gefinancierd door de overheid. Hoe groot dit aandeel is van inkoop van diensten en SROI wordt op dit moment onderzocht. De resultaten worden eind dit jaar verwacht. De Minister voor APP heeft toegezegd om uw Kamer hierover in het najaar te informeren, maar omdat het onderzoek vertraging heeft opgelopen zullen de resultaten snel na afronding van het onderzoek met u worden gedeeld. Naar verwachting zal dat begin 2023 zijn. Ondanks bovenstaande is het van belang dat de overheid zich maximaal inzet om de afgesproken doelstelling te realiseren. Het achterblijven van het aantal gerealiseerde banen in 2021 bevestigt het absolute belang van het verstevigen van de inzet van overheidswerkgevers voor de banenafspraak. Daarom is de Minister voor APP in gesprek gegaan met de Minister van BZK als coördinerend bewindspersoon voor de overheidssector. In de brief die op 7 juli mede namens de Minister van BZK naar uw Kamer is gestuurd zijn extra maatregelen aangekondigd voor het funderend onderwijs en de rijksoverheid om een impuls te geven aan het aantal banen dat bij de overheid wordt gerealiseerd (Kamerstukken II 2021/22, 34 352, nr. 255). Op 7 oktober heeft de Minister van BZK uw Kamer geïnformeerd over de verdere uitwerking van deze maatregelen en de achterliggende redenen en verklaringen achter de realisatie van de sector Rijk (Kamerstukken II 2022/23, 34 352, nr. 258).

Vraag 193

In welke gemeenten is over 2021 sprake geweest van onderuitputting in het gereserveerde macrobudget voor bijstandsuitkeringen? Kan hiervan een overzicht gegeven worden?

Antwoord 193

Het Rijk stelt een macrobudget beschikbaar dat toereikend is voor de uitgaven die gemeenten naar verwachting maken voor het verstrekken van bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidies. Dit macrobudget wordt verdeeld over gemeenten met behulp van een model dat een zo nauwkeurig mogelijke inschatting maakt van de te verwachten uitgaven aan bijstandsuitkeringen. Voor gemeenten met minder dan 15.000 inwoners wordt geen gebruik gemaakt van dit model, maar wordt het budget gebaseerd op historische uitgaven. Het Rijk past geen nacalculatie toe over de gerealiseerde uitgaven. Gemeenten die in staat zijn minder uit te geven aan bijstand dan het budget dat ze hiervoor krijgen, mogen het overschot houden. Gemeenten die meer geld kwijt zijn aan bijstand dan dat ze hiervoor krijgen, moeten dit zelf aanvullen. Dit stimuleert gemeenten om de bijstandsuitgaven zo laag mogelijk te houden.

Over 2021 hebben 253 van de 352 gemeenten een overschot gerealiseerd. Het gaat om relatief veel gemeenten, omdat het macrobudget dat voor dat jaar door het Rijk beschikbaar is gesteld achteraf hoger is gebleken dan wat er in totaal is uitgegeven. Op macroniveau was er in 2021 een overschot van € 256 miljoen (4%).

Hieronder presenteren we alle gemeenten met een overschot, oftewel een saldo > 0%:

Gemeente-code

gemeente

Saldo 2021

34

Almere

2,5%

37

Stadskanaal

3,2%

47

Veendam

1,5%

50

Zeewolde

17,7%

59

Achtkarspelen

9,7%

72

Harlingen

1,7%

74

Heerenveen

2,0%

85

Ooststellingwerf

8,3%

86

Opsterland

6,9%

88

Schiermonnikoog

19,0%

90

Smallingerland

7,9%

93

Terschelling

4,3%

96

Vlieland

20,2%

98

Weststellingwerf

8,9%

106

Assen

1,0%

109

Coevorden

5,6%

114

Emmen

4,1%

118

Hoogeveen

1,9%

119

Meppel

2,2%

141

Almelo

4,9%

147

Borne

4,1%

148

Dalfsen

2,8%

150

Deventer

2,8%

158

Haaksbergen

8,9%

163

Hellendoorn

0,1%

164

Hengelo

2,2%

168

Losser

6,5%

171

Noordoostpolder

6,9%

173

Oldenzaal

10,4%

177

Raalte

9,9%

180

Staphorst

3,3%

184

Urk

2,1%

197

Aalten

5,2%

209

Beuningen

8,0%

213

Brummen

15,1%

214

Buren

20,6%

216

Culemborg

6,0%

221

Doesburg

4,9%

222

Doetinchem

2,0%

225

Druten

3,8%

232

Epe

12,3%

244

Hattem

14,4%

252

Heumen

4,4%

262

Lochem

10,9%

263

Maasdriel

18,0%

268

Nijmegen

1,4%

273

Putten

2,2%

274

Renkum

6,0%

275

Rheden

2,2%

281

Tiel

9,8%

289

Wageningen

34,2%

293

Westervoort

5,8%

296

Wijchen

1,5%

297

Zaltbommel

4,2%

303

Dronten

11,2%

308

Baarn

6,8%

310

De Bilt

7,6%

313

Bunschoten

1,8%

321

Houten

3,8%

339

Renswoude

1,0%

340

Rhenen

5,9%

342

Soest

12,7%

345

Veenendaal

7,5%

351

Woudenberg

9,6%

352

Wijk bij Duurstede

6,3%

353

IJsselstein

6,2%

355

Zeist

9,5%

356

Nieuwegein

0,7%

358

Aalsmeer

9,3%

361

Alkmaar

12,3%

362

Amstelveen

26,3%

370

Beemster

4,5%

373

Bergen (NH.)

17,2%

375

Beverwijk

14,2%

384

Diemen

17,5%

385

Edam-Volendam

2,0%

388

Enkhuizen

9,8%

392

Haarlem

11,7%

396

Heemskerk

3,7%

398

Heerhugowaard

18,0%

399

Heiloo

8,9%

400

Den Helder

12,8%

405

Hoorn

16,0%

406

Huizen

5,4%

415

Landsmeer

3,1%

416

Langedijk

12,4%

417

Laren

9,5%

420

Medemblik

14,0%

439

Purmerend

8,7%

441

Schagen

20,8%

453

Velsen

4,8%

473

Zandvoort

2,9%

479

Zaanstad

7,4%

484

Alphen aan den Rijn

5,1%

489

Barendrecht

4,4%

498

Drechterland

0,2%

501

Brielle

5,7%

502

Capelle aan den IJssel

14,7%

503

Delft

20,4%

512

Gorinchem

6,5%

513

Gouda

1,0%

530

Hellevoetsluis

12,4%

532

Stede Broec

12,3%

534

Hillegom

5,9%

537

Katwijk

4,8%

546

Leiden

8,4%

553

Lisse

5,2%

556

Maassluis

8,0%

575

Noordwijk

14,2%

599

Rotterdam

3,6%

606

Schiedam

11,1%

622

Vlaardingen

5,8%

626

Voorschoten

1,6%

627

Waddinxveen

6,0%

629

Wassenaar

12,3%

632

Woerden

3,2%

637

Zoetermeer

6,7%

654

Borsele

8,3%

664

Goes

2,7%

668

West Maas en Waal

6,9%

677

Hulst

16,0%

687

Middelburg

3,6%

703

Reimerswaal

17,5%

715

Terneuzen

6,9%

716

Tholen

6,0%

717

Veere

3,8%

718

Vlissingen

0,5%

736

De Ronde Venen

16,8%

737

Tytsjerksteradiel

6,9%

743

Asten

8,5%

744

Baarle-Nassau

0,7%

748

Bergen op Zoom

7,7%

753

Best

1,5%

756

Boxmeer

11,3%

757

Boxtel

6,9%

758

Breda

3,8%

762

Deurne

13,2%

765

Pekela

12,1%

770

Eersel

10,5%

772

Eindhoven

9,0%

777

Etten-Leur

4,4%

779

Geertruidenberg

3,8%

784

Gilze en Rijen

6,8%

786

Grave

5,0%

794

Helmond

8,9%

796

's-Hertogenbosch

12,8%

797

Heusden

18,1%

809

Loon op Zand

6,8%

815

Mill en Sint Hubert

14,3%

820

Nuenen, Gerwen en Nederwetten

3,2%

823

Oirschot

3,4%

824

Oisterwijk

12,6%

826

Oosterhout

20,0%

828

Oss

1,0%

845

Sint-Michielsgestel

8,4%

847

Someren

3,0%

848

Son en Breugel

12,6%

851

Steenbergen

1,0%

855

Tilburg

2,5%

856

Uden

10,8%

858

Valkenswaard

4,3%

861

Veldhoven

3,1%

865

Vught

14,9%

867

Waalwijk

21,2%

873

Woensdrecht

15,1%

880

Wormerland

0,1%

882

Landgraaf

0,4%

888

Beek

0,5%

893

Bergen (L.)

11,1%

899

Brunssum

10,6%

907

Gennep

2,8%

917

Heerlen

7,6%

928

Kerkrade

21,7%

935

Maastricht

19,5%

938

Meerssen

2,3%

944

Mook en Middelaar

18,8%

946

Nederweert

7,6%

957

Roermond

11,0%

971

Stein

10,3%

983

Venlo

8,0%

984

Venray

19,1%

986

Voerendaal

4,2%

988

Weert

3,0%

994

Valkenburg aan de Geul

2,0%

995

Lelystad

3,7%

1507

Horst aan de Maas

13,8%

1525

Teylingen

12,6%

1640

Leudal

12,7%

1641

Maasgouw

5,2%

1652

Gemert-Bakel

1,7%

1655

Halderberge

1,9%

1658

Heeze-Leende

21,9%

1659

Laarbeek

4,7%

1667

Reusel-De Mierden

4,0%

1669

Roerdalen

4,6%

1674

Roosendaal

12,7%

1676

Schouwen-Duiveland

11,0%

1680

Aa en Hunze

13,0%

1681

Borger-Odoorn

13,6%

1684

Cuijk

12,5%

1685

Landerd

12,5%

1690

De Wolden

1,5%

1696

Wijdemeren

6,0%

1699

Noordenveld

3,5%

1701

Westerveld

0,9%

1702

Sint Anthonis

2,0%

1705

Lingewaard

5,9%

1706

Cranendonck

11,4%

1708

Steenwijkerland

12,0%

1709

Moerdijk

8,0%

1711

Echt-Susteren

6,3%

1714

Sluis

8,0%

1719

Drimmelen

13,9%

1723

Alphen-Chaam

14,3%

1728

Bladel

4,7%

1729

Gulpen-Wittem

0,8%

1730

Tynaarlo

12,6%

1731

Midden-Drenthe

16,8%

1734

Overbetuwe

8,2%

1740

Neder-Betuwe

16,8%

1742

Rijssen-Holten

11,8%

1771

Geldrop-Mierlo

7,3%

1773

Olst-Wijhe

9,0%

1783

Westland

5,5%

1876

Bronckhorst

3,1%

1883

Sittard-Geleen

11,2%

1891

Dantumadiel

6,2%

1892

Zuidplas

4,4%

1894

Peel en Maas

9,5%

1896

Zwartewaterland

3,1%

1900

Súdwest-Fryslân

3,0%

1901

Bodegraven-Reeuwijk

1,4%

1904

Stichtse Vecht

4,1%

1911

Hollands Kroon

31,7%

1916

Leidschendam-Voorburg

0,9%

1924

Goeree-Overflakkee

9,2%

1926

Pijnacker-Nootdorp

9,5%

1930

Nissewaard

3,8%

1940

De Fryske Marren

16,0%

1948

Meierijstad

3,8%

1949

Waadhoeke

6,0%

1950

Westerwolde

9,0%

1952

Midden-Groningen

9,6%

1954

Beekdaelen

13,8%

1955

Montferland

9,9%

1959

Altena

1,6%

1960

West-Betuwe

12,9%

1961

Vijfheerenlanden

2,3%

1963

Hoeksche Waard

2,6%

1966

Het Hogeland

3,0%

1969

Westerkwartier

10,1%

1970

Noardeast-Fryslân

9,9%

1979

Eemsdelta

7,9%

Vraag 194

Welke oorzaken voor het bestaan van overschotten op bijstandsbudgetten bij gemeenten zijn er te noemen?

Antwoord 194

Het macrobudget bijstand en LKS, dat het Rijk in september van het lopende jaar definitief vaststelt, kan hoger uitvallen dan de totale uitgaven van gemeenten in datzelfde jaar. Dat kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van een gunstigere conjunctuur dan verwacht. Daarnaast kunnen overschotten op het macrobudget worden veroorzaakt door beleidseffecten die anders uitpakken dan verwacht. Een overschot op macroniveau kan een eerste oorzaak zijn van overschotten op de bijstandsbudgetten bij individuele gemeenten, zoals we ook aangaven in het antwoord bij vraag 193.

Het macrobudget wordt verdeeld over gemeenten op basis van een objectief verdeelmodel, met een prikkel voor gemeenten om de uitgaven zo laag mogelijk te houden. De gemeenten die daar met hun beleid en uitvoering in slagen, zullen eerder overschotten realiseren. Gemeenten zijn wettelijk verplicht om een genormeerde bijstandsuitkering te verstrekken aan huishoudens die daar recht op hebben. Tegelijkertijd is het saldo op de bijstandsbudgetten te beïnvloeden door gemeenten. Denk bijvoorbeeld aan het snel oppakken van mensen die instromen in de uitkering, het succesvol naar werk begeleiden van mensen, of ze nu pas kort of al lang in de uitkering zitten, en het toezien op mogelijk misbruik. De Minister voor APP laat op dit moment onderzoek doen naar factoren in beleid en uitvoering bij gemeenten die van invloed zijn op (grote) meerjarige tekorten en overschotten op de bijstandsbudgetten.

Naast de genoemde twee oorzaken voor overschotten kunnen we niet uitsluiten dat de werking van het verdeelmodel ook een factor is. Een model is per definitie een vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid. De Minister voor APP laat de komende maanden onderzoek doen naar de mogelijkheden tot verdere verfijning van het model. Bij de publicatie van de nieuwe budgetten, eind september 2023, zal de Minister voor APP u informeren over de uitkomsten van dit onderzoek.

Vraag 195

Hoe verhoudt de hoogte van de bijstandsuitkering en koopkracht van mensen met een bijstandsuitkering in Nederland zich tot andere Europese landen? Kan hiervan een overzicht gegeven worden?

Antwoord 195

In een recent gepresenteerd rapport corrigeert de Europese Commissie het besteedbaar inkomen van bijstandsgerechtigde voor de koopkracht. Zie ook de grafiek hieronder, in het bijzonder de licht groene markeringen met een ruit. Hieruit blijkt dat de voor koopkracht gecorrigeerde bijstandsuitkering het hoogst is in Luxemburg. Ook Nederland scoort relatief hoog. (Europese Commissie, Working Staff Document accompanying the document Proposal for a COUNCIL RECOMMENDATION On adequate minimum income ensuring active inclusion. Deze grafiek is opgenomen op bladzijde 11).

Vraag 196

Wat is de reden van de snelle stijging van het aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-) budget?

Antwoord 196

Het budget wordt geraamd op basis van realisatiecijfers uit het verleden en CBS-prognoses. Die prognoses geven aan dat in de toekomst rekening moet worden gehouden met meer ouderen die een beroep op de AIO kunnen gaan doen doordat er in verband met vergrijzing grotere cohorten de AOW-leeftijd bereiken. Doordat er tussen 2025 en 2027 geen verhoging van de AOW-leeftijd plaatsvindt, stromen in die jaren relatief meer mensen in dan in de jaren waarin de AOW-leeftijd verhoogd werd.

Vraag 197

Hoe vaak is het Waarborgfonds tot nu toe benut?

Antwoord 197

Op peildatum 25 oktober 2022 heeft het Waarborgfonds saneringskredieten 3.000 saneringskredieten van een borgstelling voorzien. In totaal is er voor € 125,– uitgekeerd aan oninbare vorderingen.

Vraag 198

Waarom staat er eenmalig 6 miljoen voor het Waarborgfonds op de begroting, terwijl er 30 miljoen voor is vrijgemaakt, voor vijf jaar?

Antwoord 198

SZW verstrekt ten behoeve van het Waarborgfonds saneringskredieten een subsidie aan de Stichting Bemiddeling en Fondsbeheer met een looptijd van 5 jaar. Het Waarborgfonds ontvangt in die periode jaarlijks een voorschot van maximaal € 6 miljoen om uit te keren aan kredietbanken als saneringskredieten niet worden terugbetaald. De hoogte van het benodigd voorschot wordt elk jaar bepaald op basis van een voortgangsrapportage met het aantal saneringskredieten waarvoor borgstellingen zijn verstrekt en het gemiddeld risico van deze saneringskredieten.

Vraag 199

Vanaf 2023 wordt een oplopend bijstandsbestand verwacht door toenemende werkloosheid, wijzigingen in wet- en regelgeving en de aanpassing van de kostendelersnorm, ook wordt het Wml verhoogt en daarmee gaat het bedrag van de bijstandsuitkering omhoog, het begrote Macrobudget participatiewetuitkeringen in 2023 is echter lager ten opzichte van 2022, terwijl dit niet te verwachten is gezien de genoemde ontwikkelingen, waardoor is dit bedrag dan toch lager?

Antwoord 199

Het macrobudget bevat middelen voor de bijstand, LKS, IOAW, IOAZ en het Bbz. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van het verschil tussen 2022 en 2023 per regeling.

De daling van de bijstandsraming in 2023 ten opzichte van 2022 wordt veroorzaakt door de vertraagde doorwerking van de conjunctuur. Als mensen werkloos worden, maken ze over het algemeen eerst gebruik van een WW-uitkering en stromen pas, als ze in de tussentijd geen andere baan vinden, na afloop van hun WW-uitkering door naar de bijstand. De bijstandsraming voor 2023 wordt daarom sterker beïnvloed door de daling in de werkloosheid die tussen 2021 en 2022 heeft plaatsgevonden, dan door de verwachte stijging in de werkloosheid vanaf 2023. Per saldo worden er daardoor lagere bijstandsuitgaven in 2023 verwacht.

De doorwerking van de verhoging van het wettelijk minimumloon wordt volgend jaar via de indexering van de uitkeringen verwerkt en zit dus nog niet in de huidige bijstandsraming verwerkt. Dit effect zal ertoe leiden dat het definitieve macrobudget 2023 hoger zal uitvallen dan nu geraamd.

De LKS-raming neemt toe door ingroei van de LKS-doelgroep na invoering van de Participatiewet. De IOAW-raming neemt af door afbouw van de IOAW, de instroom van de IOAW wordt elk jaar verder ingeperkt. De IOAZ-raming blijft nagenoeg stabiel, er zit een lichte stijging in door de hogere AOW-leeftijd. De Bbz-raming daalt doordat er vanaf 2023 geen rekening meer wordt gehouden met Tozo-doorstroom.

Bedragen x € 1 mln.

2022

2023

Verschil

Bijstand

5.349

5.321

– 28

LKS

319

377

58

IOAW

262

241

– 20

IOAZ

28

30

2

Bbz

64

46

– 18

Totaal

6.022

6.015

- 7

Vraag 200

Welk deel van het stijgende macrobudget participatiewetuitkeringen is een gevolg van de werkloosheidsramingen?

Antwoord 200

In onderstaande tabellen zijn de mutaties van de bijstandsraming als gevolg van de werkloosheid weergegeven ten opzichte van de totale ontwikkeling van de bijstandsraming.

Tabel Jaar-op-jaar-effecten1

Bedragen x € 1 mln.

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Invloed werkloosheid

– 268

– 122

161

80

80

80

Totale mutatie bijstandsraming

– 212

– 28

169

98

133

134

X Noot
1

De verandering in de raming ten opzichte van vorig jaar, een reeks positieve jaar-op-jaar-effecten houdt in dat het effect elk jaar toeneemt.

Tabel Cumulatieve mutaties ten opzichte van 20211

Bedragen x € 1 mln.

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Invloed werkloosheid

– 268

– 389

– 228

– 149

– 69

11

Totale mutatie bijstandsraming

– 212

– 240

– 71

27

160

294

X Noot
1

De doorwerking van de verhoging van het wettelijk minimumloon wordt verwerkt via de indexering van de uitkeringen en zit nog niet in de huidige bijstandsraming verwerkt.

Vraag 201

Welke onderzoeken zijn in het afgelopen jaar verschenen ten aanzien van het stimuleren van arbeidsdeelname van mensen in de bijstand?

Antwoord 201

De Minister voor APP informeert de Tweede Kamer jaarlijks over de belangrijkste cijfermatige en onderzoeksmatige ontwikkelingen rond de Participatiewet door middel van de monitoringsbrief Participatiewet. In deze monitoringsbrief bestaat ook aandacht voor recente onderzoeken naar de Participatiewet. De laatste monitoringsbrief is verschenen in juni 2022 (Kamerstukken II 2022/23, 34 352, nr. 254). In deze monitoringsbrief wordt onder andere aandacht besteed aan een verdiepende cohortstudie naar de kenmerken en patronen van alle personen die zijn ingestroomd in de Participatiewet. Daarnaast wordt in dezelfde brief verwezen naar de UWV monitor arbeidsparticipatie arbeidsbeperkten 2021, waarin onder andere gekeken wordt naar de arbeidsparticipatie van mensen in het doelgroepregister die onder de Participatiewet vallen. Eerder dit jaar verscheen het vervolgonderzoek experimenten Participatiewet van het CPB waarin gekeken wordt naar de uitstroom naar werk gedurende en na afloop van de experimenten Participatiewet die plaatsvonden in zes gemeenten (Kamerstukken II 2021/22, 34 352, nr. 230). In november verschijnt nog een vervolgstudie op dit onderzoek waarin ook gekeken zal worden naar mogelijke brede baten van dit experiment.

Mede naar aanleiding van de motie De Kort (Kamerstukken II 2021/22, 34 352, nr. 250) is de Minister voor APP recent een inventarisatie gestart naar de inzet vanuit partijen in de arbeidsmarktregio’s op het naar werk begeleiden van langdurig bijstandsgerechtigden. Over de uitkomsten van dit onderzoek wordt uw Kamer naar verwachting in november geïnformeerd.

Vraag 202

Welke wetswijzigingen leiden tot oploop in de raming van de bijstandsuitgaven (naast de reeds genoemde)? En voor welk deel van deze oploop zijn deze wetswijzigingen verantwoordelijk? Kan hiervan een overzicht gegeven worden?

Antwoord 202

De verwachte bijstandsuitgaven nemen vanaf 2023 elk jaar toe. Een deel van de stijging wordt verklaard door effecten van gewijzigd rijksbeleid. Hieronder een overzicht van de ingeboekte beleidseffecten in de bijstandsraming. Het kan zo zijn dat bedragen afwijken van eerdergenoemde bedragen in de wetswijzigingen. Dat is het gevolg van indexatie van de bijstandsnormen.

Ingeboekte beleidseffecten bijstandsraming

Jaar-op-jaar effecten1

(x € 1 mln.)

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Afbouw dubbele AHK in het referentieminimumloon (gedragseffect2)

– 7

– 9

– 19

– 19

– 10

– 10

Beperking partneralimentatie

1

1

1

Afschaffing WAZ (wet arbeidsongeschiktheidsverzekering)

1

1

1

1

Weglek WW duurverkorting

3

3

3

3

3

3

Weglek Afbouw IOAW

11

15

13

15

18

18

Invoering Participatiewet3

21

17

17

17

41

41

Weglek WW verwijtbaar werkloos4

1

2

1

Aanpassing gedwongen opname (am. Kwint)

3

             

Breed offensief

           

No-riskpolis voor LKS overgeheveld naar UWV

28

LKS-vrijlating

18

– 7

1

1

1

LKS-financiering

– 13

– 2

– 2

– 2

– 1

– 1

Aanpassing kostendelersnorm

51

2

1

1

0

Totale oploop agv beleidseffecten 5

49

97

10

19

55

55

X Noot
1

De verandering in het beleidseffect ten opzichte van vorig jaar, een reeks positieve jaar-op-jaar effecten houdt in dat het beleidseffect elk jaar toeneemt.

X Noot
2

Het prijseffect (lagere uitkeringsprijs) wordt verwerkt via de indexering van de uitkeringen en zit nog niet in de huidige bijstandsraming verwerkt.

X Noot
3

Met de invoering van de Participatiewet is de instroom van de Wsw afgesloten en de toegang tot de Wajong aangescherpt. Daarom stromen meer mensen de bijstand in.

X Noot
4

Geen wetswijziging, maar een aangepaste werkwijze bij UWV.

X Noot
5

De doorwerking van de verhoging van het wettelijk minimumloon wordt verwerkt via de indexering van de uitkeringen en zit nog niet in de huidige bijstandsraming verwerkt.

Vraag 203

Hoe verhoudt de hoogte van de bijstand in Nederland zich tot andere Europese landen?

Antwoord 203

De hoogte van de bijstand voor eenpersoonshuishoudens is in Nederland de op één na hoogste binnen de EU, na Denemarken. De Europese Commissie heeft op 28 september een rapport gepresenteerd waarin de meest recente (nominale) bijstandshoogte (omgezet naar euro’s) van de lidstaten tegen elkaar wordt afgezet. De daarin gepresenteerde grafiek is omgezet tot onderstaande tabel. (Europese Commissie, Working Staff Document accompanying the document Proposal for a COUNCIL RECOMMENDATION On adequate minimum income ensuring active inclusion. Deze grafiek is opgenomen op bladzijde 61).

De bedragen in de tabel geven alleen de hoogte van de uitkering uit het laatste vangnet weer (in Nederland dus alleen de bijstand). Dit betekent dat eventueel geldende toeslagen, kindgebonden budgetten of kinderbijslagen waar huishoudens recht op hebben, niet in de berekening meegenomen zijn. In andere lidstaten kunnen dit soort bedragen onderdeel zijn van de bijstandsuitkering. De bedragen voor Nederland geven daarom voor de meeste woon- en leefsituaties geen volledige weergave van het besteedbaar inkomen van een bijstandsgerechtigde. De voor Nederland weergegeven niveaus waren van toepassing in de tweede helft van 2021.

LAND

Eenpersoonshuishouden

Tweepersoonshuishouden met één kind

Denemarken

1.573

4.180

Nederland

1.079

1.541

België

1.024

1.385

Oostenrijk (Wenen)

950

1.681

Ierland

804 à 812

1.521 à 1.523

Luxemburg

792

2.690

Spanje

452 à 706

452 à 1.096

Slovenië

607

1.178

Frankrijk

575

1.036

Finland

504

1.285

Italië

500

800

Cyprus

480

864

Duitsland

446

1.111

Malta

445

510

Zweden

414

1.054

Griekenland

200

350

Portugal

190

417

Litouwen

179

366

Estland

150

450

Tsjechië

147

374

Letland

109

261

Kroatië

106

212

Polen

84

65

Hongarije

74

139

Slowakije

69

179

Bulgarije

38

86

Roemenië

29

72

Vraag 204

In welke mate voorziet de Nederlandse bijstand (inclusief toeslagen en andere inkomensondersteuning) in het sociaal minimum ten opzichte van andere Europese landen?

Antwoord 204

Europese landen hanteren geen geharmoniseerde maatstaf voor de hoogte van het sociaal minimum. In een recent gepresenteerd rapport gebruikt de Europese Commissie een armoedegrens (gebaseerd op 60% van het mediane besteedbaar inkomen) als voorbeeld om de toereikendheid van de bijstandsuitkering van de verschillende landen met elkaar te vergelijken. Volgens deze methodiek gold in 2019 dat alleen de hoogte van het Nederlandse sociaal minimum voldoende was om niet in armoede te leven. De lidstaten die relatief dicht bij deze norm liggen zijn Ierland, Italië, Luxemburg en Denemarken. (Europese Commission, Working Staff Document accompanying the document Proposal for a COUNCIL RECOMMENDATION On adequate minimum income ensuring active inclusion. Deze grafiek is opgenomen op bladzijde 13).

Vraag 205

Klopt het dat bij bijverdienen in de Participatiewet netto wordt gekort, terwijl bij alle andere uitkeringen bruto wordt gekort? Klopt het dat iemand hierdoor in een ongunstiger situatie kan komen dan iemand die niet werkt?

Antwoord 205

Het klopt dat de Participatiewet een netto-systematiek kent. Dit betekent dat de normen op een nettobedrag worden gesteld en ook de netto-inkomsten van de bijstandsgerechtigde betrokken worden bij de verrekening van inkomsten. Dit is anders dan bij andere uitkeringen, zoals de werknemersregelingen en de Wajong, die een bruto systematiek kennen. Als mensen met een bijstandsuitkering daarnaast inkomsten hebben, dan worden de inkomsten in beginsel volledig verrekend, dit volgt uit het vangnetkarakter van de bijstand. Hierbij wordt een inkomen op tenminste de geldende bijstandsnorm gewaarborgd. In sommige gevallen wordt een inkomensvrijlating verleend, dan behoudt de bijstandsgerechtigde ook een deel van de inkomsten uit arbeid en stijgt het netto-inkomen per maand. Bij het werken vanuit de bijstand ontstaat er dus geen ongunstigere situatie ten opzichte van mensen die niet werken; het inkomen blijft hetzelfde of stijgt als er een vrijlating van arbeidsinkomsten is toegekend. Deze situatie zou niet anders zijn als er een bruto systematiek zou worden gehanteerd.

Vraag 206

Hoe wordt de afbouw van de dubbele heffingskorting in de bijstand doorgezet, en kunt u in beeld brengen hoe hoog de bijstandsuitkering in 2023 zou zijn, als deze afbouw bevroren zou worden?

Antwoord 206

Vanaf januari 2012 wordt de dubbele algemene heffingskorting (AHK) in het referentieminimumloon van de bijstand halfjaarlijks, per januari en juli van elk jaar, met 2,5 procentpunt verminderd. Deze afbouw is inmiddels meerdere malen getemporiseerd, meest recent gedurende 2022.

Een bijstandsuitkering is op jaarbasis in 2023 circa € 14.400 netto. Indien de dubbele AHK in de bepaling van de bijstandshoogte in 2023 niet zou worden afgebouwd zou de bijstandsuitkering uitkomen op circa € 14.480 netto.

Onderstaande tabel toont het verdere afbouwpad van de dubbele algemene heffingskorting (AHK) in de bepaling van de bijstandshoogte:

Tijdvak

AHK in het referentie-minimumloon van de bijstand

Afbouw in procentpunt

jul-22

1,625

1,875%

jan-23

1,6

2,50%

jul-23

1,575

2,50%

jan-24

1,525

5%

jul-24

1,475

5%

jan-25

1,425

5%

jul-25

1,375

5%

jan-26

1,35

2,50%

jul-26

1,325

2,50%

jan-27

1,3

2,50%

jul-27

1,275

2,50%

jan-28

1,25

2,50%

jul-28

1,225

2,50%

jan-29

1,2

2,50%

jul-29

1,175

2,50%

jan-30

1,15

2,50%

jul-30

1,125

2,50%

jan-31

1,1

2,50%

jul-31

1,075

2,50%

jan-32

1,05

2,50%

jul-32

1,025

2,50%

jan-33

1

2,50%

Bron: Berekeningen SZW

Vraag 207

Hoeveel aan bewuste fraude is er in de afgelopen vijf jaar geconstateerd binnen de sociale zekerheid?

Antwoord 207

De term «bewuste fraude» wordt niet gebruikt voor overtredingen in de sociale zekerheid. Wel wordt bijgehouden in welke mate de overtreding als verwijtbaar is beoordeeld. Zodoende worden boetes in de sociale zekerheid onderscheiden in verminderde verwijtbaarheid, normale verwijtbaarheid, grove schuld en opzet. Daarnaast is er een aparte categorie aangiften, waarbij aangifte wordt gedaan bij het OM. Dit betreft overtredingen met een benadelingsbedrag boven de € 50.000 of meerdere strafbare feiten. Hieraan wordt geen specifieke verwijtbaarheid gekoppeld door de uitvoeringsinstantie aangezien dit aan het oordeel van de strafrechter is.

Opgelegde boetes naar mate van verwijtbaarheid en aangiften bij het OM:

UWV

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verminderde verwijtbaarheid

5.640

6.128

835

764

618

368

Normale verwijtbaarheid

6.159

4.265

4.172

2.922

2.360

1.424

Grove schuld

0

6

0

1

0

1

Opzet

16

1

0

0

1

1

Aangiften OM

104

76

32

42

41

46

Bron: Jaarverslagen UWV 2016–2021

SVB

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verminderde verwijtbaarheid

240

164

1

49

48

42

Normale verwijtbaarheid

2.253

2.216

1.749

2.226

1.020

791

Grove schuld

13

13

2

11

9

22

Opzet

0

0

0

0

0

0

Aangiften OM

24

16

34

14

9

10

Bron: Jaarverslagen SVB 2016–2021

Gemeenten

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verminderde verwijtbaarheid

1

2.600

2.4272

2.000

1.830

1.540

Normale verwijtbaarheid

1

8.900

9.4002

8.010

7.460

4.870

Grove schuld

1

800

4002

380

260

140

Opzet

1

400

3472

200

160

100

Aangiften OM

1

260

3402

190

310

150

Bron: Bijstandsdebiteuren en -fraudestatistiek (BDFS) 2017–2021

X Noot
1

Voor gemeenten zijn deze cijfers pas vanaf 2017 beschikbaar.9999999999

X Noot
2

Bij de cijfers over 2018 ontbraken de cijfers over het 4e kwartaal. Om tot de cijfers voor het gehele jaar 2018 te komen zijn de cijfers voor het 4e kwartaal geëxtrapoleerd vanuit de eerste drie kwartalen.9999999999

Vraag 208

Hoeveel gemeenten geven aan niet te handhaven op de taaleis binnen de bijstand?

Antwoord 208

Het belang van beheersing van de Nederlandse taal voor participatie wordt door gemeenten breed onderschreven. De taaleis heeft de aandacht van gemeenten hiervoor verhoogd. Uit CBS onderzoek (Kamerstukken II 2018/19, 34 352, nr. 143) en de evaluatie van de taaleis (Kamerstukken II 2019/20, 34 352, nr. 186) blijkt dat de uitvoeringspraktijk divers is. Het merendeel van de gemeenten heeft gekeken welke bijstandsgerechtigden nog niet voldoen aan de taaleis en de helft voert ook taaltoetsen uit. Verplichtingen die worden opgelegd aan bijstandsgerechtigden worden vaak gecombineerd met een re-integratieaanbod. Eventuele sancties die hieruit voortkomen worden dan opgelegd vanuit de re-integratieverplichtingen. Maatregelen vanuit de taaleis worden niet vaak opgelegd. Gemeenten geven aan dat dit niet nodig is omdat bijstandsgerechtigden doorgaans meewerken aan de opgelegde verplichtingen.

Vraag 209

Hoeveel uitkeringen zijn er 100% stopgezet door het niet voldoen aan de taaleis?

Antwoord 209

Maatregelen waarbij inhoudingen op de uitkering plaatsvinden in het kader van de taaleis hoeven zelden opgelegd te worden. Bijstandsgerechtigden werken in de regel mee aan de opgelegde taalverplichtingen. Volgens cijfers van het CBS zijn in 2021 circa 20 verminderingen toegepast voor het niet voldoen aan de verplichtingen van de taaleis. Het is niet bekend of hier, door herhaaldelijk niet te voldoen aan opgelegde verplichtingen, verlagingen van 100% bij zijn.

Vraag 210

Hoeveel subsidie heeft het Nationaal instituut voor budgetvoorlichting (Nibud) cumulatief ontvangen vanuit het Ministerie van SZW?

Antwoord 210

Sinds 1 januari 2017 heeft het Nibud een totaalbedrag van € 5.221.202,60 aan subsidie ontvangen van SZW.

Vraag 211

Gaan de WIA-voorschotten die onterecht zijn toegekend tijdens de hoge instroom gedurende 2020 en 2021 teruggevorderd worden? Zo niet, is hier rekening mee gehouden in de begroting?

Antwoord 211

Terugvorderingen van onverschuldigd betaalde voorschotten in 2020 en 2021 zijn kwijtgescholden voor zover er geen verrekening plaats kon vinden met een WW- of WIA-uitkering. Voor kwijtschelding van de terugvordering is ook voorwaardelijk dat de werknemer niet zelf nalatig is geweest en heeft bijgedragen aan de totstandkoming van de terugvordering (zie ook Kamerstukken II 2020/21, 32 716, nr. 44). Dit is verwerkt in de begroting van 2021 en 2022.

Vraag 212

Hoeveel jonggehandicapten zijn de afgelopen jaren door middel van jobcoaching aan betaald werk geholpen?

Antwoord 212

Daar zijn geen gegevens over bekend.

Jobcoaching is een instrument dat wordt ingezet in relatie tot een specifieke (lopende of aanstaande) dienstbetrekking en heeft tot doel om de jonggehandicapte en diens werkgever te ondersteunen bij het verrichten van de opgedragen taken in de dienstbetrekking. De activiteiten van de jobcoach zijn erop gericht om de jonggehandicapte zelfstandig(er) het werk te laten uitvoeren. Bemiddeling naar een (nieuwe) baan valt onder re-integratie en is dus wettelijk gezien geen taak van een jobcoach.

Signaleert de jobcoach dat de werknemer niet op zijn plek is in het huidige dienstverband of bestaat er onzekerheid over voortzetting van het dienstverband aan de kant van werkgever, dan kan de jobcoach in overleg met UWV en in samenspraak met de jonggehandicapte bekijken of een re-integratietraject of -dienst kan worden gestart om te bemiddelen naar een nieuwe baan waarvoor mogelijk de jobcoach kan worden ingezet. Er is geen zicht op hoe vaak dit gebeurt.

Vraag 213

Het lijkt alsof de RMT’s vanuit twee posten gefinancierd worden, is dat correct? Zo ja, welke post dient dan voor welke component van de RMT’s en hoe is deze gesplitste vorm van financiering tot stand gekomen?

Antwoord 213

De RMT aanpak wordt binnen de SZW begroting inderdaad vanuit twee posten gefinancierd. Allereerst gaat het om subsidies die zijn bedoeld om het organiserend vermogen van werkgevers- en werknemersorganisaties te versterken om zo mee te kunnen doen met de aanpak door RMT’s. Daarnaast valt onder de bijdragen aan ZBO’s de financiering van de personeelskosten van de RMT’s en de dienstverleningsbudgetten. Deze post loopt via de Tijdelijke regeling aanvullende crisisdienstverlening COVID-19. De aard van en toegang tot de financiering leidt tot de gesplitste posten.

Vraag 214

Hoeveel zou het kosten om het scholingsbudget WW uit te breiden van werklozen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie naar werklozen in algemene zin?

Antwoord 214

Het is lastig te zeggen hoeveel dit zou kosten. Het scholingsbudget WW is maximaal € 5.000 per werkloze, in 2021 was het gemiddelde bedrag per scholingstraject € 3.140. Indien alle werkzoekenden die nu een WW-uitkering krijgen (160.000 WW’ers), gebruik zouden kunnen maken van het scholingsbudget WW kost dit ongeveer € 500 miljoen, waarbij als uitgangspunt de gemiddelde prijs per traject van 2021 is genomen (3.140 * 160.000 WW’ers). In de praktijk zal een deel geen gebruik hiervan maken omdat ze slechts kort in de WW zitten en/of helemaal geen scholing nodig hebben om aan het werk te gaan. De vraag naar het scholingsbudget WW is altijd afhankelijk van het aantal werkzoekenden met een WW-uitkering en de achtergrond van deze werkzoekenden.

Vraag 215

Hoe zijn de uitgaven aan de ZW verdeeld over de verschillende doelgroepen?

Antwoord 215

Op basis van de standen van de begroting 2023 zijn de ZW-uitgaven als volgt verdeeld over de verschillende doelgroepen:

Lasten (x € 1 mln.)

2023

2024

2025

2026

2027

Uitzendkrachten

258,4

242,4

220,4

207,4

198,2

Eindedienstverbanders

407,4

393,4

388,0

383,9

380,0

Zieke werklozen

549,1

564,2

584,9

597,1

605,8

Ziekte bij zwangerschap

566,7

592,4

611,0

626,4

632,7

No-riskpolis

208,9

215,9

222,1

228,7

214,3

Vrijwillig verzekerden

29,4

29,4

29,4

29,4

29,4

Overige ZW-lasten

1,2

30,2

49,6

46,2

46,0

Totaal

2.021,1

2.067,8

2.105,4

2.119,1

2.106,5

De komende jaren stijgen naar verwachting de uitgaven van de groepen zieke werklozen, ziekte bij zwangerschap en no-riskpolis. De uitgaven van de groepen uitzendkrachten en eindedienstverbanders dalen naar verwachting juist. De uitgaven van de groep vrijwillig verzekerden blijven ongeveer gelijk. Per saldo nemen de uitgaven aan de ZW naar verwachting de komende jaren toe. De voornaamste oorzaak daarvoor is de verhoging van het wettelijk minimumloon per 1 januari 2023.

Vraag 216

Waarom blijft het totale volume aan ZW-uitkeringen gelijk terwijl de uitstroom hoger is dan de instroom?

Antwoord 216

In 2021 is de uitstroom uit de ZW hoger dan de instroom. Ook in de voorafgaande jaren (2017 tot en met 2020) was dit het geval. Ondanks het feit dat de uitstroom hoger is dan de instroom, is er geen sprake van een dalend volume. De verklaring hiervoor is gelegen in de wijze waarop instroom, volume en uitstroom worden berekend. Bij de instroom wordt uitsluitend uitgegaan van het aantal nieuw toegekende ZW-uitkeringen, terwijl bij het volume alle lopende ZW-uitkeringen worden meegerekend, dus zowel de al eerder lopende ZW-uitkeringen, als de nieuw toegekende ZW-uitkeringen. De uitstroom bestaat uit de beëindigde ZW-uitkeringen (bijvoorbeeld wegens herstel, het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd et cetera) en de afgewezen ZW-uitkeringen. Bij de afgewezen uitkeringen heeft überhaupt geen toekenning plaatsgevonden en deze gevallen tellen dus ook niet mee voor de berekening van de instroom. Doordat de uitstroom zowel beëindigingen als afwijzingen omvat, is deze structureel hoger dan de instroom, terwijl het volume gelijk blijft.

Vraag 217

Hoeveel kosten worden er gemaakt door de verschillende gemeenten en GGD's om toezicht te houden op de kinderopvang? Hoe kunnen deze verschillen worden verklaard en hoe zouden deze kosten wijzigen als het bevorderen van de kwaliteit en veiligheid van de kinderopvang wordt gecentraliseerd?

Antwoord 217

Er zijn geen landelijke cijfers beschikbaar over de kosten die gemeenten en GGD’en maken voor het toezicht op de kinderopvang. Vanuit het Rijk wordt jaarlijks circa € 50 miljoen via het Gemeentefonds beschikbaar gesteld voor toezicht en handhaving. Dit budget is ook bedoeld voor bekostiging van GGD’en door gemeenten voor het inspecteren van kinderopvanglocaties. Dit is geen geoormerkt budget; op lokaal niveau kunnen gemeenten meer of minder kosten maken. Verschillen in kosten kunnen in algemene zin samenhangen met lokale verschillen in het aandeel kinderen van 0–12 jaar in de populatie en het aanbod van kinderopvanglocaties. Bij het laatste gaat het dan zowel om het aantal locaties maar ook om het soort locaties. Als een gemeente relatief veel locaties kent met een verhoogd risicoprofiel zal deze meer uren beschikbaar stellen voor verdergaand toezicht en mogelijk meer inzetten op handhaving. Ook kan het voor de kosten uitmaken of een gemeente bijvoorbeeld relatief veel gastouderopvang heeft of locaties met een aanbod van voorschoolse educatie.

Bevordering van kwaliteit en veiligheid van de kinderopvang door centralisatie zou kunnen door belegging van toezicht en handhaving bij één landelijke organisatie. De financiële gevolgen van deze variant zouden nader onderzocht moeten worden maar zijn per saldo vermoedelijk beperkt. In de beginfase zullen zich frictiekosten voordoen (zoals vanwege overplaatsing van personeel naar een nieuwe landelijke toezichthouder); op langere termijn is er uitgaande van een gelijkblijvende inspectiecapaciteit (bezoekuren) geen besparing mogelijk. Wellicht is het mogelijk een bescheiden doelmatigheidswinst te realiseren op termijn.

Vraag 218

Hoe groot is momenteel het personeelstekort in de kinderopvang, uitgesplitst naar medewerkers met een mbo cq hoger beroepsonderwijs-opleiding? En in hoeverre is er sprake van een stijging in vergelijking met andere jaren?

Antwoord 218

De Minister van SZW heeft ABF Research gevraagd een arbeidsmarktprognose uit te voeren. Behalve de prognose naar aanleiding van de voorgenomen stelselherziening, bevat het rapport ook de meest actuele cijfers (schatting) over het personeelstekort. Hieruit blijkt dat er op dit moment een personeelstekort van bijna 5.000 mensen is. Navraag bij ABF Research over de beschikbare cijfers over 2020 (ongeveer 600) en 2021 (ongeveer 2.400) leert dat er in die jaren ook een tekort was, maar dat dit tekort snel is gegroeid. Daarom heeft de Minister van SZW op 5 september jl. haar aanpak van het personeelstekort in de kinderopvang naar de Tweede Kamer gestuurd. Er zijn geen cijfers beschikbaar over het personeelstekort uitgesplitst naar medewerkers met een mbo- en hbo-opleiding.

Vraag 219

Hoe groot zijn de gemiddelde wachttijden voor een plek in de kinderopvang?

Antwoord 219

Om een beter beeld te krijgen van de wachtlijsten en de wachttijden start de Minister van SZW op korte termijn een nieuw onderzoek hiernaar, zoals toegezegd in de Kamerbrief van 5 september (Kamerstukken II 2022/23, 31 322, nr. 463). Op dit moment wordt gewerkt aan het opzetten van dit onderzoek. Daarbij zal ook worden gekeken naar verschillen tussen vormen van opvang, naar achtergrond van ouders en regionale verschillen. Met dit onderzoek zal de Minister van SZW de wachtlijsten in de kinderopvang monitoren.

Er wordt daarnaast regelmatig onder ouders uitvraag gedaan over wachtlijsten in de kinderopvang. De Minister van SZW verwacht eind dit jaar/begin volgend jaar de eerstvolgende resultaten van deze uitvraag.

Vraag 220

Hoe groot is het percentage kinderopvangbedrijven dat inmiddels is overgenomen via een private equity constructie?

Antwoord 220

Volgens cijfers uit maart 2022 zijn 3% van de organisaties en ongeveer 13% van de kinderopvangplaatsen in bezit van private equity partijen, waarover uw Kamer is geïnformeerd op 19 april (Kamerstukken II 2021/22, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 2482). Daarbij gaat het niet alleen om locaties die zijn overgenomen, maar ook om nieuw opgerichte locaties. De Minister van SZW laat momenteel onderzoek uitvoeren naar de rol van private equity partijen in kinderopvang, zodat de genoemde percentages kunnen worden getoetst. De resultaten van dit onderzoek zullen naar verwachting in het eerste kwartaal van 2023 met uw Kamer worden gedeeld.

Vraag 221

Wat is het verwachte effect van de vraag naar kinderopvang als gevolg van het loslaten van de koppeling gewerkte uren?

Antwoord 221

Omdat het recht op kinderopvangtoeslag niet meer direct samenhangt met de gewerkte uren van de minst werkende ouder, zal naar verwachting sprake zijn van een toename in het gebruik. De toename is structureel ingeschat op 3%. De verwachting is dat deze wijziging niet zal leiden tot een sterke stijging van het aantal ouders dat voor het maximum aantal uren per maand kinderopvangtoeslag aan zal vragen. Dit vanwege sociale normen rond het gebruik van kinderopvang, en de eigen bijdrage die ouders zelf moeten betalen voor alle uren kinderopvang die zij afnemen. Bij de uitwerking van het nieuwe stelsel zal rekening gehouden worden met het risico dat vermindering van de eigen bijdrage zal leiden tot een toename van gebruik van de kinderopvangtoeslag gedurende uren dat geen arbeid wordt verricht. Naar verwachting blijft de toename beperkt. De (maatschappelijke) norm is en blijft dat je opvang afneemt als je werkt. Dit is ook te zien aan het huidige gemiddelde gebruik. Dit ligt rond de 2 dagen per week, wat lager is dan de gemiddelde arbeidsdeelname van de minst werkende partner. De verwachting is daarom ook dat het nieuwe stelsel niet zal leiden tot een grote verschuiving van informele kinderopvang naar formele kinderopvang. De koppeling gewerkte uren wordt losgelaten, maar de arbeidseis blijft wel bestaan. Hierdoor blijft de kinderopvangtoeslag gericht op werkende ouders en dus arbeidsparticipatie. In de verdere uitwerking van de hervorming van het kinderopvangstelsel zal onder andere middels evaluatie worden bekeken of met de onderhavige invulling van het loslaten van de koppeling gewerkte uren de beoogde effecten doeltreffend en zo doelmatig mogelijk worden bereikt.

Vraag 222

Wat zijn de verwachte effecten van het loslaten van de arbeidseis in de kinderopvang op de vraag naar kinderopvang en het personeelstekort?

Antwoord 222

In de brief van 5 september 2022 (Kamerstukken II 2022/23, 31 322, nr. 463) heeft de Minister van SZW het onderzoek van ABF Research met uw Kamer gedeeld. De Minister van SZW heeft ABF Research opdracht gegeven om de gevolgen van de aangekondigde stelselherziening op de arbeidsmarkt in de kinderopvang in kaart te brengen. ABF Research heeft een prognose gemaakt van de ontwikkeling van de arbeidsvraag, het personeelsaanbod en het resulterende arbeidsmarktsaldo in de kinderopvang in de periode tot en met 2031. De belangrijkste conclusies van deze prognose waren:

  • Rekening houdend met de stelselherziening stijgt de vraag naar aantal uren kinderopvang in de periode 2022–2031 naar verwachting met ongeveer 31%. De arbeidsvraag in personen stijgt dan met ongeveer 31%.

  • Dit betekent een toename van de arbeidsvraag in personen van naar verwachting + 38.000. Het personeelsaanbod kan slechts deels meegroeien met deze vraag en stijgt naar verwachting met +14.000.

  • Op dit moment (2022) is het personeelstekort geschat op ongeveer 5.000 medewerkers. Rekening houdend met de stelselherziening zou dit tekort mogelijk kunnen oplopen tot ongeveer 29.000 medewerkers per 2031.

  • Het merendeel van het arbeidsmarkttekort in de kinderopvangsector zit logischerwijs bij de pedagogisch werkers en pedagogen.

Bij deze raming is geen rekening gehouden met de effecten van arbeidsmarktbeleid die het tekort kunnen beperken. In het rapport benoemen de onderzoekers een aantal oplossingsrichtingen om het tekort te beperken, zoals beperken van het verzuim, verhogen van de (zij-)instroom, beperken van de uitstroom en verhogen van de deeltijdfactor. In de Kamerbrief van 5 september 2022 presenteerde de Minister van SZW de maatregelen die zij samen met de kinderopvangsector neemt om het tekort aan te pakken.

Het loslaten van de arbeidseis zou de vraag naar kinderopvang nog verder vergroten. Inschatting is dat het om een toename van circa 7%-punt gaat bovenop de toename van 31% als gevolg van de reeds aangekondigde stelselherziening. Het effect hiervan op het verwachte personeelstekort is niet in kaart gebracht in het onderzoek van ABF Research. Aangenomen kan worden dat het tekort hierdoor nog verder zou stijgen.

Vraag 223

Hoeveel meer kinderen kunnen naar de kinderopvang als gevolg van de uitzondering op de arbeidseis in 2023?

Antwoord 223

Per 1 januari 2023 treden de laatste wijzingen van de Wet van 2 december 2020 tot wijziging van de Wet kinderopvang (Stb. 2020, 518) in werking. Dit gaat om de aanpassingen waarmee gezinnen waarvan een ouder werkt of een traject naar werk volgt en de andere ouder een tijdelijke indicatie heeft op basis van de Wet langdurige zorg (Wlz-indicatie) aanspraak krijgen op kinderopvangtoeslag (Kamerstukken II 2020/21, 35 598, nr. 2). Bij het ramen van het voorstel, is uitgegaan van enkele honderden gezinnen die met de wijziging recht krijgen op kinderopvangtoeslag. Voor ouders met een permanente Wlz-indicatie was de aanspraak op kinderopvangtoeslag reeds op 1 januari 2021 geregeld.

Vraag 224

Hoe staat het met het oplossen van de knelpunten uit de motie Lodders-Van Weyenberg die niet worden opgelost door het loslaten van de koppeling gewerkte uren?

Antwoord 224

De laatste stand van zaken is met uw Kamer gedeeld op 17 juni 2022 door de Staatssecretaris van Toeslagen en Douane (Kamerstukken II 2021/22, 31 066, nr. 1053). Enkele knelpunten uit de inventarisatie naar aanleiding van de motie Lodders/Van Weyenberg zijn reeds door het vorige kabinet aangepakt. Dit zag onder andere op verbetermaatregelen in de huurtoeslag. Daarnaast zijn verbeteringen in de praktische rechtsbescherming doorgevoerd, bijvoorbeeld door het bieden van meer waarborgen voor de burger bij het opvragen van informatie of door voorafgaand aan het terugvorderen van een toeslag de gelegenheid te geven voor het indienen van een zienswijze. Dit kabinet pakt het knelpunt rondom de aanspraak op kinderopvangtoeslag voor een werkende ouder met een partner buiten de EU aan. Ook voor het knelpunt voor personen die wegens huiselijk geweld naar de opvang zijn gevlucht (de noodopvang) is inmiddels een oplossing en budget gevonden. Er komt een uitzondering op het toeslagpartnerbegrip voor deze personen. Deze oplossing is opgenomen in het Belastingplan 2023. Dit voorstel ligt bij uw Kamer voor de behandeling (Kamerstukken II 2022/23, 36 202, nr. 2). Voor de resterende knelpunten, te weten eerstegraads bloedverwantschap in het kader van het partnerbegrip samengestelde gezinnen en promovendi, is aangegeven dat gekeken wordt naar het verkennen van de (budgettaire) mogelijkheden.

Vraag 225

Hoe heeft de maximum uurprijs zich in de afgelopen jaren ontwikkeld in verhouding tot de kosten die ouders (gemiddeld) betalen voor de kinderopvang en hoe verschillen de betaalde kosten per bedrijfsvorm van de kinderopvang?

Antwoord 225

In Nederland zijn kinderopvangorganisaties vrij om zelf de tarieven te bepalen die zij aan ouders vragen. Ouders ontvangen kinderopvangtoeslag tot een maximum uurprijs. Daarbij krijgen zij een percentage van het tarief tot de maximumprijs vergoed, waarbij het percentage afhankelijk is van het inkomen van de ouders. De maximum uurprijs wordt elk jaar in maart vastgesteld voor het volgende jaar op basis van de loon- en prijsontwikkeling, zoals geraamd in het CEP van het Centraal Planbureau, en een correctie voor de loon- en prijsontwikkeling in het lopende jaar.

De instellingstarieven die ouders gemiddeld betalen stegen in de afgelopen jaren harder dan de maximum uurprijzen in de kinderdagopvang en de BSO. De bedragen die ouders betaalden in de kinderdagopvang en de BSO nemen gemiddeld dus toe. In de gastouderopvang stegen de instellingstarieven sneller dan de maximum uurprijzen, al liggen de instellingstarieven gemiddeld nog steeds boven de maximum uurprijzen. Onderstaande tabel geeft de ontwikkeling van de maximum uurprijzen en gemiddelde tarieven weer voor de afgelopen drie jaar.

   

2020

2021

20221

2023

Kinderdagopvang

Max. uurprijzen

1,89%

3,50%

0,51%

5,58%

 

instellingstarieven

3,61%

3,00%

1,89%

n.n.b.

Buitenschoolse opvang

Max. uurprijzen

1,89%

3,50%

0,51%

5,58%

 

instellingstarieven

3,10%

2,20%

1,59%

n.n.b.

Gastouderopvang 0–3

Max. uurprijzen

1,89%

3,50%

0,51%

3,22%

 

instellingstarieven

2,67%

1,66%

1,20%

n.n.b.

Gastouderopvang 4–12

Max. uurprijzen

1,89%

3,50%

0,51%

3,22%

 

instellingstarieven

2,50%

1,92%

0,85%

n.n.b.

X Noot
1

Instellingstarieven 2022 op basis van tweede kwartaal 2022.

Daarbij zij opgemerkt dat de cijfers over de gemiddelde instellingstarieven gebaseerd zijn op de uurprijzen die ouders doorgeven aan Toeslagen. Deze kunnen afwijken van de door de ouders werkelijk betaalde uurprijzen. Het betreft de gemiddelde uurprijzen, waarbij gewogen is naar gebruik.

Het is niet mogelijk om de tarieven uit te splitsen naar bedrijfsvorm. Het Ministerie van SZW beschikt alleen over geanonimiseerde data over instellingstarieven, waarbij de bedrijfsvorm dus onbekend is.

Vraag 226

Hoeveel zijn de kosten van de kinderopvang gestegen in Amsterdam en hoeveel groter is die stijging dan het landelijk gemiddelde?

Antwoord 226

De ontwikkeling van de gemiddelde tarieven is in onderstaande tabel weergegeven. Dit is uitgesplitst naar het landelijke gemiddelde, voor ouders die wonen in Amsterdam en voor ouders die wonen in een stedelijke regio.

Tabel Gemiddelde uurtarieven in €
 

2018

2019

2020

2021

Kw 2. 2022

Stijging 2019–2022

Amsterdam

           

Dagopvang

7,74

8,46

8,81

9,08

9,31

10,0%

Buitenschoolse opvang

7,38

7,56

7,84

8,03

8,21

8,6%

Gastouderopvang

6,41

6,72

6,94

7,06

7,25

7,9%

Stedelijke regio’s1

           

Dagopvang

7,59

8,28

8,59

8,85

9,04

9,3%

Buitenschoolse opvang

7,28

7,47

7,72

7,89

8,06

7,9%

Gastouderopvang

6,14

6,40

6,58

6,70

6,81

6,3%

Landelijk gemiddelde

           

Dagopvang

7,46

8,12

8,41

8,66

8,83

8,7%

Buitenschoolse opvang

7,22

7,40

7,63

7,80

7,92

7,0%

Gastouderopvang

6,00

6,24

6,40

6,51

6,58

5,5%

Bron: Belastingdienst/Toeslagen, cijferbeeld juli 2022, bewerking Ministerie van SZW

X Noot
1

Een gemiddelde omgevingsadressendichtheid van 2.500 of meer adressen per km2, zeer sterk stedelijk (bron: CBS).

De tabel laat zien dat de gemiddelde uurtarieven voor alle opvangvormen harder zijn gestegen in Amsterdam dan het landelijke gemiddelde. Als de ontwikkeling wordt vergeleken met die van de gemiddelde tarieven in de sterk stedelijke regio’s is alleen het gemiddelde tarief in de dagopvang harder gestegen in Amsterdam. De gemiddelde tarieven voor de buitenschoolse opvang en gastouderopvang zijn (iets) minder hard gestegen.

Vraag 227

Wat was het gemiddeld uurtarief van een maatschappelijke kinderopvang?

Antwoord 227

De microdata van de Belastingdienst/Toeslagen over de kinderopvangtoeslag wordt geanonimiseerd geleverd. Hierdoor is het niet mogelijk om de tarieven die ouders hebben opgegeven te koppelen aan specifieke locaties. Hierdoor is het gevraagde onderscheid naar maatschappelijke kinderopvang met deze microdata niet mogelijk. Zoals toegezegd, loopt op dit moment een onderzoek naar de verschillende financieringsvormen in de kinderopvang (Kamerstukken 2022Z04395). Een van de vragen die daarbij wordt betrokken is in hoeverre de prijzen van kinderopvang van private equity locaties verschillen van andere kinderopvanglocaties. De resultaten van dit onderzoek zullen naar verwachting in het eerste kwartaal van 2023 met uw Kamer worden gedeeld.

Vraag 228

Hoeveel kinderen zijn er meer naar de kinderopvang gegaan toen deze gratis werd in Zeeuws-Vlaanderen?

Antwoord 228

De pilot gratis kinderopvang is begin dit jaar gestart. De eerste ervaring van de kinderopvangorganisaties is dat als gevolg van het aanbod extra kinderen naar de kinderopvang gaan en ouders (meer) gaan werken. Het is, gelet op de recente start van de pilot, nog te vroeg om de vraag meer concreet te beantwoorden. De partners in Zeeuws-Vlaanderen en SZW bekijken samen op welke wijze het onderzoek het beste kan worden ingericht en hoe de resultaten van de pilot inzicht kunnen bieden in de gevolgen van gratis kinderopvang voor ouders, de kinderopvangorganisaties en de regio. Het is daarom nu nog niet bekend wanneer de resultaten van de pilot bekend zullen worden en uw Kamer hierover kan worden geïnformeerd.

Vraag 229

Wat wordt de eigen bijdrage na het aflopen van de tijdelijke regeling voor financiering van de kinderopvang op Caribisch Nederland?

Antwoord 229

De tijdelijke subsidieregeling Financiering kinderopvang Caribisch Nederland eindigt op het moment dat het financieringsdeel van het wetsvoorstel kinderopvang BES (Wko BES) van kracht wordt. Dat is op zijn vroegst 1 januari 2024.

De ambitie van het kabinet is om met ingang van 2025 de kinderopvangvergoeding te verhogen tot 96% van de kinderopvangvergoeding en daarmee de ouderbijdrage te verlagen naar 4%. Wat het absolute bedrag voor de ouderbijdrage zal zijn is nog niet bekend. Dat is afhankelijk van de uitkomsten van een kostprijsonderzoek naar kinderopvang in Caribisch Nederland. Op dit moment is de verwachting dat de ouderbijdrage voor de dagopvang tussen $ 20 en $ 35 per maand zal zijn en voor de buitenschoolse opvang tussen $ 15 en $ 30 per maand bij volledige opvang.

Vraag 230

Gaat het bedrag dat in tabel 74 vanaf 2025 gereserveerd is voor de kinderopvangtoeslag direct naar kinderopvanglocaties?

Antwoord 230

Dat is inderdaad het voornemen. Het coalitieakkoord geeft de kaders voor het nieuwe financieringsstelsel voor de kinderopvang. De kinderopvangtoeslag wordt afgeschaft. In de plaats daarvan komt een rechtstreekse financiering aan kinderopvangorganisaties. De Minister van SZW is bezig met de uitwerking van het nieuwe financieringsstelsel. Hierover is uw Kamer op 7 oktober jl. per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2022/23, 31 322, nr. 465). Bij deze uitwerking zullen de kaders uit het coalitieakkoord uitgangspunt vormen. Hiervan zal in beginsel niet worden afgeweken, tenzij in lijn met de aanbevelingen van ABDTOPConsult bij de nadere uitwerking en analyse van de uitvoeringsconsequenties zwaarwegende knelpunten (qua vormgeving of tijdpad) zouden blijken. Indien dit aan de orde zou komen, zal ook moeten worden bezien hoe aanpassing van deze uitgangspunten binnen de bestaande budgettaire kaders van het coalitieakkoord kan worden ingepast.

Vraag 231

Op basis van welk uurtarief zijn de bedragen voor de kinderopvang(toeslag) in tabel 74 bepaald?

Antwoord 231

De bedragen voor de kinderopvangtoeslag worden bepaald door verschillende factoren. Onderliggend is in de berekening van de uitgaven kinderopvangtoeslag uitgegaan van het gemiddelde uurtarief waarover ouders aanspraak maken op kinderopvangtoeslag (er is dus rekening gehouden met de maximum uurprijs). Daarnaast worden de uitgaven bepaald door het gemiddelde vergoedingspercentage en de verwachte ontwikkeling van het gebruik van kinderopvang. Tot slot spelen enkele andere factoren een rol, waarvan de nabetalingen over eerdere jaren de belangrijkste is. De bedragen zijn weergegeven in prijspeil 2022. Met toekomstige tariefverhogingen als gevolg van de loon- en prijsontwikkeling is derhalve nog geen rekening gehouden. Deze indexering vindt jaarlijks plaats middels een wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag.

Vraag 232

Wat zijn de gevolgen van het aflopen van de tegemoetkomingsregeling eigen bijdrage in tabel 74 voor ouders in deze tijden van hoge inflatie?

Antwoord 232

De tijdelijke tegemoetkomingsregeling ko (TTKO) was bedoeld om ouders tegemoet te komen die, gedurende de sluiting van de kinderopvang vanwege covid-19, de eigen bijdrage hebben doorbetaald. Ouders hebben in juni (2022) een tegemoetkoming ontvangen voor de eigen bijdrage die zij hebben betaald voor de derde sluitingsperiode. Daarnaast hebben ouders die in de eerste sluitingsperiodes (voorjaar 2020 en winter 2020/21) te weinig TTKO hadden ontvangen op basis van de op dat moment bekende kinderopvanggegevens, een additionele tegemoetkoming ontvangen op basis van de kinderopvanggegevens zoals die op 1 mei 2022 bekend waren.

Het aflopen van de TTKO staat los van de gestegen inflatie waar het kabinet extra maatregelen voor treft.

Vraag 233

Wat zijn de verwachte effecten van het loslaten van de koppeling gewerkte uren op het verschuiven van de vraag naar kinderopvang van de informele naar de formele sector?

Antwoord 233

Zie het antwoord op vraag 221.

Vraag 234

Wat was het gemiddeld uurtarief van een kinderopvang met winstoogmerk?

Antwoord 234

Zie het antwoord op vraag 227.

Vraag 235

Kan worden bevestigd dat iedere pedagogisch medewerker ervoor zorgt dat gemiddeld zes ouders aan het werk kunnen of meer uren kunnen werken?

Antwoord 235

Het aantal kinderen dat door een pedagogisch medewerker kan worden opgevangen – en dus het aantal ouders dat hierdoor in de gelegenheid wordt gesteld om arbeid en zorg te combineren – is afhankelijk van de leeftijd van de kinderen. De zogenoemde beroepskracht-kindratio loopt op naar gelang kinderen ouder zijn. Zo kan één beroepskracht drie baby’s opvangen, vijf kinderen van één jaar, acht peuters en tot twaalf kinderen in de buitenschoolse opvang. Of dit gemiddeld om zes ouders gaat, is niet te zeggen. Wel hebben pedagogisch medewerkers inderdaad een belangrijke rol bij het faciliteren van ouders in de combinatie van arbeid en zorg.

Vraag 236

Wat zijn de regionale verschillen in de achterstanden die bepalen of een kind recht heeft op een plek op de voor- of vroegschoolse educatie?

Antwoord 236

Gemeenten bepalen zelf de doelgroep van voorschoolse educatie. Veelgebruikte criteria zijn het opleidingsniveau van de ouders, de taalomgeving thuis (andere thuistaal) en de taalontwikkeling van het kind. In de Wet op het primair onderwijs is vastgelegd dat gemeenten tenminste jaarlijks bestuurlijk overleg moeten voeren met kinderopvangorganisaties en scholen over de doelgroepbepaling, de wijze waarop doelgroepkinderen worden toegeleid naar voorschoolse educatie, en de doorlopende lijn tussen voor- en vroegschoolse educatie. De Inspectie van het Onderwijs houdt interbestuurlijk toezicht op de gemeenten met betrekking tot deze taak.

Lokaal wordt de indicatiestelling doorgaans gedaan via het CJG. Kinderen hebben geen «recht» op voorschoolse educatie; het CJG indiceert aan de hand van de criteria die de gemeente heeft vastgesteld. Er is geen centrale monitoring van de motivatie voor het doelgroepenbeleid van gemeenten voor deelname aan voorschoolse educatie.

Voor de vroegschoolse educatie in de kleutergroepen bepalen schoolbesturen hoe zij de extra middelen inzetten die zij van het Rijk krijgen vanuit het onderwijsachterstandenbudget. De extra inzet via bijvoorbeeld kleinere klassen of extra onderwijsassistenten is doorgaans niet gekoppeld aan individuele kinderen, maar wordt groepsgewijs ingezet.

Vraag 237

Wat zouden de extra kosten zijn als kinderen vanaf twee jaar toegang krijgen tot voorschoolse educatie en de kinderopvang, als het Rijk hiervoor volledige compensatie biedt aan gemeenten?

Antwoord 237

Gemeenten ontvangen budget voor voorschoolse educatie op basis van de door het CBS berekende achterstandsscore (zie: CBS, Achterstandsscores gemeenten – voorlopig, 2020/2021. Het Rijk heeft gemeenten verplicht om een voorschools aanbod te doen voor peuters met een risico op een onderwijsachterstand. Daarbij is uitgegaan van peuters vanaf 2,5 jaar. Wanneer de leeftijdsingang wordt verlaagd zal het Rijk gemeenten ertoe in staat moeten stellen om een bredere doelgroep te bereiken. Het kost het Rijk € 149 miljoen op jaarbasis om de startleeftijd van voorschoolse educatie te verlagen van 2,5 naar 2 jaar. De verwachting is dat het jaarlijks zou gaan om 19.100 extra doelgroeppeuters die 16 uur per week 40 weken per jaar voorschoolse educatie volgen op een prijspeil van € 12,50. Dit komt uit op een kostenpost van € 153 miljoen (peuters x uren x uurprijs). De verwachte inverdieneffecten op de kinderopvangtoeslag bedragen € 4 miljoen. Dit leidt tot een totaalinschatting van € 149 miljoen op jaarbasis.

Voor de gemeentelijke peutermiddelen geldt dat gemeenten binnen de middelen die zij van het Rijk ontvangen de startleeftijd zelf mogen bepalen. Zo had in 2021 61% van de gemeenten een aanbod voor peuters vanaf 2 jaar.

Vraag 238

Hoe verschilt de ouderbijdrage voor voorschoolse educatie per gemeente en hoe zijn deze verschillen te verklaren?

Antwoord 238

Gemeenten bepalen zelf of, en zo ja, welke bijdrage ouders moeten betalen voor deelname aan voorschoolse educatie. Gemeenten ontvangen budget hiervoor op basis van de door het CBS berekende achterstandsscore (bron CBS, 2022, Achterstandsscores gemeenten – voorlopig, 2020/2021). Met dit budget kunnen gemeenten ervoor kiezen om voorschoolse educatie (deels) gratis aan te bieden.

Veel gemeenten kiezen ervoor om een ouderbijdrage voor de voorschoolse educatie te vragen. Ouders betalen hierbij het vaakst een inkomensafhankelijke bijdrage; in de G4 op basis van de landelijke Tabel kinderopvangtoeslag en in overige gemeenten het meest op basis van de VNG Adviestabel ouderbijdrage peuteropvang. Voor het aanbieden van gratis dagdelen geldt dat in totaal driekwart van de gemeenten dat aanbiedt: drie van de G4 doen dat, 92% van de G40 en driekwart van de overige gemeenten. In het merendeel van de gevallen (driekwart) gaat dit over de helft van de dagdelen (bron Monitor implementatie en besteding gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid, november 2021).

Vraag 239

Welke extra jaarlijkse kosten zou het Rijk moeten overnemen van gemeenten als de ouderbijdrage voor kinderopvang én voorschoolse educatie in alle gemeenten op 4% wordt vastgesteld?

Antwoord 239

Het is op dit moment niet goed mogelijk om vast te stellen wat de kosten zijn voor het Rijk als de ouderbijdrage voor peuteropvang en voorschoolse educatie in alle gemeenten op 4% wordt vastgesteld. Gemeenten bepalen namelijk zelf de doelgroep van voorschoolse educatie en of, en zo ja, welke bijdrage ouders moeten betalen voor deelname aan voorschoolse educatie (zie antwoord op vraag 238). Ook voor de gemeentelijke peutermiddelen bepalen gemeenten zelf of zij een eigen bijdrage aan ouders rekenen en zo ja, hoe hoog deze is. Overigens hebben gemeenten binnen de middelen die zij van het Rijk ontvangen ook nu al de wettelijke ruimte om kinderopvang en voorschoolse educatie aan te bieden tegen een lage eigen bijdrage van 4%.

Vraag 240

Is het mogelijk om de eventuele kosten voor eerdere toegang tot voorschoolse educatie en het vaststellen van de ouderbijdrage voor voorschoolse educatie op 4% in alle gemeenten vanuit de gereserveerde middelen voor kansengelijkheid te bekostigen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 240

De middelen voor kansengelijkheid op de OCW-begroting voor 2023 zijn gereserveerd voor andere beleidsmaatregelen, zoals inzet op school en omgeving. Er is niet gekozen voor inzet voor het voorstel zoals geformuleerd in deze vraag omdat gemeenten ook nu al de wettelijke ruimte hebben om voorschoolse educatie gratis aan te bieden binnen de middelen die zij van het Rijk ontvangen.

Vraag 241

Welke toetsen moet een student succesvol afsluiten om als pedagogisch medewerker aan de slag te kunnen?

Antwoord 241

De eisen waaraan een mbo-student moet voldoen om een diploma te krijgen, zijn vastgelegd in een kwalificatiedossier. Zo’n kwalificatiedossier geeft weer wat de beginnend beroepsbeoefenaar moet kennen en kunnen aan het einde van de mbo-opleiding. Voor de kinderopvang is dit het Kwalificatiedossier Pedagogisch Werk (zie website van de SBB). Elk kwalificatiedossier kent – naast (beroepsgerichte) specifieke kwalificatie-eisen – ook generieke kwalificatie-eisen (onder andere op het gebied van taal, rekenen, loopbaan en burgerschap).

Vraag 242

Hoeveel studenten hebben alle toetsen succesvol afgesloten, op één toets na? Om welke soorten toetsen gaat het?

Antwoord 242

Het Ministerie van SZW heeft geen beeld van alle toetsen (naast toetsen of examens bevatten MBO-opleidingen ook proeven van bekwaamheid, die (inhoudelijke) kerntaken en werkprocessen uit het kwalificatiedossier Pedagogisch Werk afsluiten). De MBO Raad heeft onlangs een uitvraag gedaan bij de opleidingen pedagogisch werk in de mbo-scholen (ROC’s), die is gericht op de taaleis 3F uit de Wet IKK (Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang). Deze beroepsvereiste maakt sinds instroomjaar 1-8-2019 onderdeel uit van het kwalificatiedossier voor pedagogisch medewerkers op niveau 3 en sinds instroomjaar 1-8-2021 ook voor niveau 4. Het Ministerie van SZW is door de MBO Raad van deze cijfers op de hoogte gesteld.

Op deze uitvraag hebben 23 ROC’s (iets meer dan de helft) gereageerd (waarbij van 2 ROC’s examenresultaten van verschillende locaties zijn meegenomen). Van een aantal scholen is bekend dat hun examenresultaten nog onderweg zijn. Het is daarmee nog niet mogelijk harde conclusies uit het eerste resultatenoverzicht te trekken. De genoemde cijfers geven de stand weer per 21 oktober.

In 2022 hebben bij deze 23 scholen in totaal 601 studenten op niveau 3 hun diploma ontvangen, voor wie de taaleis 3F volgens de Wet IKK onderdeel is van de diplomaeisen. Om aan de taaleisen te voldoen, konden studenten voor het onderdeel Luisteren gebruik maken van het Centraal Examen Nederlands op 3F en/of een beroepsgericht instellingsexamen 3F afleggen. De mondelinge taalvaardigheden Spreken en Gesprekken Voeren worden met instellingsexamens afgerond.

27 studenten hebben in 2022 géén diploma ontvangen wegens het niet voldoen aan de taaleis (4,3% van het totale aantal geëxamineerde studenten). Van deze 27 studenten zijn 23 studenten gezakt op het onderdeel Luisteren 3F.

De MBO Raad wil hierbij aanvullend benadrukken dat scholen en docenten reeds een grote inzet plegen om studenten naar het hogere taalniveau te tillen (bijvoorbeeld in de vorm van veel extra taallessen), en dat de taaleis binnen het mbo leidt tot verhoogde examendruk.

Vraag 243

Is de toets op Nederlands een centraal examen of verschilt deze toets per instelling?

Antwoord 243

Generiek Nederlands wordt op het mbo geëxamineerd door een combinatie van het Centraal Examen (voor de onderdelen Lezen en Luisteren) en instellingsexamens (voor de onderdelen Spreken, Gesprekken voeren en Schrijven). Het generieke taalniveau is voor mbo-niveau 3 vastgesteld op 2F en voor mbo-niveau 4 op 3F.

Voor het toetsen van de beroepsvereiste Taaleis 3F uit de Wet IKK – betreffende de beheersing van de mondelinge vaardigheden op 3F-niveau – kan zowel gebruik gemaakt worden van het Centraal Examen (Lezen + Luisteren) als van instellingsexamens (Spreken, Gesprekken voeren, Luisteren). ROC’s kunnen de instellingsexamens zelf inkopen of zelf ontwikkelen. In beide gevallen betreft het extern gevalideerde examens.

Vraag 244

Welke stappen zijn gezet om mensen die alle toetsen op één na succesvol hebben afgesloten te helpen, aan een diploma en/of een baan?

Antwoord 244

Studenten die één examen niet met een voldoende (kunnen) afronden, worden door middel van extra lessen (aantal uren aan begeleiding kan per school/opleiding verschillen) klaargestoomd voor het examen. Hiervoor zijn vaak specifieke examentrainingen, naast de reguliere lessen en extra begeleiding beschikbaar die door vakdocenten worden gegeven.

Indien alle mogelijke examenkansen zijn benut en de kandidaat het examen nog steeds niet heeft behaald, kan gekeken worden of kandidaat op een lager niveau kan diplomeren waar dit laatste examenonderdeel geen verplicht examenonderdeel van de opleiding is. Mocht dat geen optie zijn, wordt kandidaat aangemeld bij het Leerexpertise Centrum voor begeleiding naar andere studie/werk.

Vraag 245

Hoeveel kinderen gaan naar de voorschoolse educatie voordat zij de leeftijd van 2,5 jaar hebben bereikt?

Antwoord 245

Dat is niet bekend. Het aantal gemeenten met een gesubsidieerd voorschools aanbod (inclusief VE) met een startleeftijd vanaf 2 jaar is wel bekend. In 2021 gold dit voor 61% van de gemeenten (2019: 64%). De meeste overige gemeenten (34%) starten met het aanbod vanaf 2,5 jaar (bron Monitor bereik van voorschoolse voorzieningen in NL 2021).

Vraag 246

Wat zijn de verschillen tussen de ontwikkeling van kinderen die voordat zij de leeftijd van 2,5 jaar hebben bereikt naar de voorschoolse educatie zijn gegaan ten opzichte van kinderen die pas later naar de voorschoolse educatie gaan?

Antwoord 246

Internationale literatuur stelt dat een eerdere start een positieve bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling van doelgroepkinderen. Momenteel loopt in opdracht van OCW een meerjarig onderzoek naar de effecten van voorschoolse educatie. Dat onderzoek gaat onder meer in op de effecten van een startleeftijd op 2-jarige leeftijd. Het rapport hierover wordt eind 2023 verwacht. Het streven is om in het 1e kwartaal van 2024 de Kamer te informeren over dit onderzoek.

Vraag 247

Hoeveel kinderen gaan naar de vroegschoolse educatie en hoe verschilt dit procentueel per gemeente?

Antwoord 247

Circa 42% van de basisscholen ontvangt middelen over onderwijsachterstandenbeleid, wat zij in kunnen zetten voor vroegschoolse educatie. Het is niet bekend hoeveel scholen een programma voor vroegschoolse educatie uitvoeren en hoeveel kinderen worden bereikt. Sommige scholen zetten een programma voor vroegschoolse educatie in als algemene werkwijze in de klas voor alle kinderen in groep 1 en 2. Andere scholen zetten het programma specifiek in om doelgroepkleuters extra ondersteuning te bieden. Het Nederlands Jeugdinstituut heeft verschillende programma’s voor voor- en vroegschoolse educatie opgenomen in de databank Effectieve jeugdinterventies.

Wettelijk hebben basisscholen de taak om het onderwijs zodanig in te richten dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal. Het uitvoeren van een programma voor vroegschoolse educatie in groep 1 en 2 kan daarbij een middel zijn, als vervolg op de voorschoolse educatie in de kinderopvang. Een programma voor vroegschoolse educatie is een manier waarop gestructureerd en vaak spelenderwijs de ontwikkeling van kinderen wordt gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele vaardigheden, zodat kinderen met succes doorstromen in het basisonderwijs.

In de Wet op het primair onderwijs is vastgelegd dat gemeenten ten minste jaarlijks bestuurlijk overleg moeten voeren met basisscholen over de resultaten van vroegschoolse educatie. De Inspectie van het Onderwijs houdt interbestuurlijk toezicht op de gemeenten met betrekking tot deze taak.

Vraag 248

Hoeveel vacatures staan er open voor de vroegschoolse educatie? Hoe heeft dat aantal zich in de loop der jaren ontwikkeld?

Antwoord 248

Voor de vroegschoolse educatie in de kleutergroepen bepalen scholen zelf hoe zij de extra middelen inzetten die zij van het Rijk krijgen vanuit het onderwijsachterstandenbudget. Veel scholen kiezen voor kleinere klassen, extra onderwijsassistenten of professionalisering van leerkrachten. Er is geen centraal beeld of scholen vacatures opzetten die zich enkel richten op het werken met een programma voor vroegschoolse educatie in groep 1 of 2.

Vraag 249

Hoeveel mensen werken in combinatiebanen, waarvan een van de banen er eentje op de kinderopvang is?

Antwoord 249

Resultaten van een werknemersenquête van het CBS tonen aan dat 88% van de werknemers in de kinderopvang geen andere baan heeft. Het percentage van werknemers in de kinderopvang met een andere werkkring bedraagt 7%. 5% is werknemer in kinderopvang en werkt ook als zelfstandige (bron CBS, «azw uitkomsten werknemersenquête 2e kwartaal 2022»). Verder weten we dat ongeveer 13% van de medewerkers in de kinderopvang, waaronder in de voorschoolse educatie, open staat om een combinatiebaan aan te gaan. Daarom is er een stappenplan voor werkgevers in de kinderopvang ontwikkeld om het gesprek hierover aan te gaan.

Vraag 250

Hoeveel mensen werken in combinatiebanen, waarvan een van de banen er eentje op de voorschoolse educatie is?

Antwoord 250

Het is niet bekend hoeveel pedagogisch medewerkers in voorschoolse educatie in een combinatiebaan werken. De beschikbare cijfers van kinderopvangmedewerkers in combinatiebanen, die worden genoemd in het antwoord op vraag 249, worden niet verder uitgesplitst. Hierdoor is er enkel een antwoord mogelijk over kinderopvangmedewerkers in combinatiebanen in algemene zin.

Vraag 251

Hoeveel mensen werken in combinatiebanen, waarvan een van de banen er eentje op de vroegschoolse educatie is?

Antwoord 251

Er is geen centraal beeld of leerkrachten in groep 1 of 2 werken met een programma voor vroegschoolse educatie en hiernaast nog een andere baan hebben. Er is ook geen centraal beeld of scholen vacatures opzetten die zich enkel richten op het werken met een programma voor vroegschoolse educatie in groep 1 of 2.

Vraag 252

Hoeveel gemeenten met verschillende kinderopvanglocaties hebben verschillende samenwerkingsverbanden van kinderopvangorganisaties? Hoeveel daarvan verschillen in bedrijfsvorm?

Antwoord 252

Hierover zijn bij SZW en OCW geen cijfers bekend.

Vraag 253

Wat is de reden dat de ontwikkeling in gewerkte uren onder mannen dalende is?

Antwoord 253

Bij Tabel 78 van de begroting staat dat het gemiddeld aantal gewerkte uren per week onder mannen in 2021 licht is afgenomen. Ten tijde van het opstellen van de begroting leek dat het geval, op basis van voorlopige data over het eerste en tweede kwartaal van 2021. Uit de volledige data over 2021 blijkt dat het gemiddeld aantal gewerkte uren onder mannen juist is toegenomen. De gemiddelde arbeidsduur in uren onder mannen was in 2021 36,3, terwijl dit in 2020 nog 35,5 was.

Tussen 2013 en 2019 is het gemiddeld aantal gewerkte uren onder mannen op kwartaalbasis min of meer stabiel met kleine fluctuaties tussen 35,5 en 36,1 uur. In het vierde kwartaal van 2020 daalde dit tot 35,2 en in het derde kwartaal van 2021 liep het juist op tot 36,5. De wat grotere fluctuaties die we nu zien, hebben vermoedelijk te maken met de schok van de coronapandemie en de krapte op de arbeidsmarkt die daarna ontstaan is. De krapte is de meest waarschijnlijke oorzaak voor de toename van het gemiddeld aantal gewerkte uren in 2021.

Vraag 254

Hoeveel pensioen koopkracht zouden pensioendeelnemers hebben gekregen wanneer er in de afgelopen 14 jaar met minimaal 2% rekenrente zou zijn gerekend en pensioenfondsen hadden kunnen indexeren?

Antwoord 254

Als met een hogere rekenrente gerekend zou zijn, zouden dekkingsgraden kunstmatig hoger zijn geweest en had inderdaad meer geïndexeerd kunnen worden. Tot hoeveel extra pensioen dit had geleid is niet cijfermatig te onderbouwen. Ten eerste is onbekend of pensioenfondsen de extra financiële ruimte ook gebruikt zouden (kunnen) hebben om te indexeren, gegeven de fiscale maximering van indexatie op de loon- of prijsinflatie. Ten tweede zijn ook andere zaken van invloed op de koopkrachtontwikkeling van pensioendeelnemers.

Vraag 255

Hoeveel gepensioneerden en pensioendeelnemers zijn in de afgelopen 14 jaar pensioenindexatie misgelopen?

Antwoord 255

Aangezien deelnemers bij meerdere fondsen (kunnen) zitten en elk fonds specifieke afspraken over indexatie heeft, is alleen een globale en indicatieve inschatting mogelijk. Globaal kan gesteld worden dat er voor tussen de 30% en 40% van de deelnemers de afgelopen 14 jaar op grond van de wettelijk vastgestelde financiële kaders geen indexatie mogelijk was en ruim 50% van de deelnemers gedeeltelijke indexatie heeft gehad.

Vraag 256

Hoeveel geld is er gereserveerd voor compensatie voor circa 14 jaar onnodig misgelopen pensioenindexatie voor werkenden en gepensioneerden?

Antwoord 256

Pensioenfondsen kunnen incidentele toeslag verlenen om in het verleden niet toegekende toeslag te compenseren, mits er niet meer toeslag wordt verleend dan naar verwachting in de toekomst te realiseren is en er niet meer dan een vijfde van het vermogen dat voor deze toeslagverlening beschikbaar is, wordt aangewend. Hiervoor bestaan geen aparte reserves.

Vraag 257

Wat is het koopkrachtverlies door uitblijven van indexatie voor gepensioneerden in de afgelopen 14 jaar?

Antwoord 257

In de periode 2008–2021 was cumulatief sprake van 26,7% inflatie. Indien in die periode een pensioenfonds de pensioenuitkeringen (huidige gepensioneerden) en -aanspraken (huidige werkenden) niet kon indexeren, leidt dit tot een reële waardedaling van de pensioenuitkering of -aanspraak van een deelnemer. Hieruit is echter niet direct de koopkrachtontwikkeling van deze persoon af te lezen. De koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden is namelijk van meer factoren afhankelijk dan enkel de ontwikkeling van het aanvullend pensioen. Gepensioneerden ontvangen immers ook een AOW-uitkering waarin elk halfjaar de indexatie van het minimumloon met de gemiddelde cao-loonontwikkeling doorwerkt. Daarnaast hebben wijzigingen in de fiscaliteit ook koopkrachtgevolgen en hebben gepensioneerden met een laag of middeninkomen ook recht op inkomensafhankelijke toeslagen, zoals de huurtoeslag en de zorgtoeslag. Het CBS houdt de gerealiseerde mediane (middelste) koopkrachtontwikkeling van de groep gepensioneerden bij vanaf het jaar 2012. Dit is in onderstaande tabel weergegeven:

Tabel: Mediane koopkrachtontwikkeling gepensioneerden, 2012–2021
 

Mediane koopkrachtontwikkeling gepensioneerden

2012

– 1,2%

2013

– 2,9%

2014

0,8%

2015

0,1%

2016

0,8%

2017

– 0,2%

2018

– 0,4%

2019

0,7%

2020

1,1%

20211

– 1,1%

Bron: CBS Statline, geraadpleegd op 19 oktober 2022

X Noot
1

Voorlopig cijfer.

Vraag 258

Wat is de ontwikkeling aan totaal vermogen van pensioenfondsen in de afgelopen 14 jaar per jaar uitgesplitst?

Antwoord 258

Deze gegevens zijn beschikbaar op de website van DNB. Het totale belegde vermogen van pensioenfondsen (inclusief derivaten) bedroeg eind 2007 ruim € 683 miljard. Vervolgens daalde dit eind 2008 naar ruim € 576 miljard. Daarna is het vermogen, mede onder invloed van vrijwel continu dalende rentestanden, tot eind 2021 opgelopen naar ruim € 1.800 miljard. De laatste bekende stand van het totale vermogen van pensioenfondsen betreft het einde van het tweede kwartaal van 2022: ruim € 1.500 miljard.

Alleen de vermogenspositie van pensioenfondsen bekijken, geeft echter een te beperkt inzicht in de financiële gezondheid van pensioenfondsen. Pensioenfondsen keren immers geen vermogens uit, maar moeten toegezegde pensioenen nakomen. De actuele waarde van deze toegezegde pensioenen wordt bepaald door de hoogte van de rente. Tegenover het belegde vermogen staan dus pensioenverplichtingen. De dekkingsgraad geeft de verhouding daartussen weer. Mede onder invloed van dalende rentestanden zijn pensioenvermogens de afgelopen jaren gestegen, datzelfde geldt echter ook voor de pensioenverplichtingen. Na de scherpe daling van dekkingsgraden in de periode 2008–2009 zijn dekkingsgraden in de jaren daarna onvoldoende hersteld en aan het begin van de coronacrisis wederom kortstondig scherp gedaald. Nu de rente het afgelopen jaar weer stijgt, waardoor de kostprijs van kapitaalgedekt pensioen is gedaald, zijn de dekkingsgraden van veel fondsen inmiddels opgelopen tot niveaus waarbij indexatie weer in zicht is.

Vraag 259

Is er budget gereserveerd voor de tegemoetkoming aan Surinaamse Nederlanders met een onvolledige AOW? Zo ja, hoeveel? Zo nee, waarom niet? Waar zou een eventuele tegemoetkoming uit worden gedekt?

Antwoord 259

De situatie die speelt bij deze groep ouderen gaat het kabinet zeer ter harte. Hiervoor verwijst de Minister voor APP graag naar haar brief van vrijdag 11 november jl. en het commissiedebat van donderdag 17 november jl. Er zijn vooralsnog geen middelen gereserveerd voor een eventuele tegemoetkoming. Mocht een tegemoetkoming beschikbaar worden gemaakt, dan zal het hiervoor benodigde budget worden vrijgemaakt.

Vraag 260

Hoeveel meer betaalt de huidige generatie werkenden (gemiddeld per persoon) aan de AOW dan dat AOW'ers in hun werkzame leven aan AOW-premie hebben betaald?

Antwoord 260

In algemene zin kan worden opgemerkt dat bij de toenemende vergrijzing, ontgroening en toegenomen arbeidsparticipatie van jongere generaties, door jongere generaties meer wordt bijgedragen aan de AOW dan oudere generaties tijdens hun leven hebben bijgedragen. Door een stijgende levensverwachting ontvangen jongere generaties ook langer een AOW-uitkering. Dit effect wordt beperkt door de gedeeltelijke koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting. Doordat de AOW-premie al lange tijd gemaximeerd is op 17,9% gaan ook ouderen steeds meer meebetalen aan de AOW.

Vraag 261

Welk bedrag is gereserveerd voor de implementatie en het fiscaal faciliteren van de Wet toekomst pensioenen in 2023? Wat zijn de financiële consequenties van het uitstellen van de invoeringsdatum van een half jaar?

Antwoord 261

Voor de Wet toekomst pensioenen is voor 2023 een lastenrelevante derving ingeboekt van in totaal € 345 miljoen, bestaande uit € 7 miljoen voor de invoering van de premiegrens van 30%, € 236 miljoen voor de extra fiscale ruimte ten behoeve van compensatie voor nadeel als gevolg van het afschaffen van de doorsneesystematiek en € 102 miljoen voor de verruiming van de derde pijler. Het uitstellen van de invoeringsdatum met een half jaar heeft naar huidige inschatting verwaarloosbare budgettaire gevolgen. Dit komt doordat in de wet wordt opgenomen dat de verruiming van de derde pijler met terugwerkende kracht kan ingaan vanaf het begin van het jaar en bij de andere onderdelen de budgettaire gevolgen naar verwachting verwaarloosbaar zijn. Hierbij moet bedacht worden dat in de raming voor de extra fiscale ruimte voor afschaffing doorsneesystematiek reeds rekening was gehouden met een ingroeitraject, waarbij in het eerste halve jaar waarschijnlijk nog weinig pensioenfondsen waren overgegaan naar het nieuwe stelsel. In de raming is het lastenrelevante effect omgerekend naar een vlakke reeks voor de duur van de compensatieperiode. Voor een nadere toelichting bij de raming wordt verwezen naar de ramingstoelichting bij het wetsvoorstel (Bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, 36 067, nr. 5).

Vraag 262

Met betrekking tot het AOW-AOV-hiaat en Overbruggingsregeling AOW (OBR) regeling, kan aangeven worden hoe en wanneer uitvoering wordt gegeven aan de motie Peters/Leijten (Kamerstuk 35 666, nr. 5) over een compensatieregeling voor zelfstandigen die al ziek waren voor de verhoging van de AOW-leeftijd en geen toegang hebben tot de overbruggingsregeling?

Antwoord 262

De Kamerbrief met de kabinetsreactie op de moties Peters/Leijten (Kamerstukken II 2021/22, 35 666, nr. 4 en 5) aangaande het AOW-hiaat van arbeidsongeschikte zelfstandigen is naar uw Kamer gestuurd op 21 oktober jongstleden. In deze Kamerbrief wordt ingegaan op het verzoek om te komen tot een compensatieregeling zoals omschreven in de motie. Het onderzoeken en afwegen van een aantal mogelijkheden heeft geleid tot de conclusie dat alleen een verlenging van de Tijdelijke Overbruggingsuitkering (OBR) van twee jaar een uitvoerbare tegemoetkoming is zonder mogelijke juridische precedentwerking. Daarom is besloten de OBR-regeling te verlengen tot 1 januari 2025. De Minister voor APP verwijst u naar de Kamerbrief voor verdere uitleg aangaande het verlengingsbesluit en de redenen waarom andere compensatiemogelijkheden zijn afgevallen.

Ten behoeve van de voorbereiding voor de verlenging van de OBR door de SVB is de ministeriële regeling getekend en per 1 november gepubliceerd in de Staatscourant. Met de publicatie kan de SVB haar voorbereidingen voltooien om de uitvoering van de OBR in 2023 en 2024 mogelijk te maken.

Vraag 263

Op basis waarvan wordt aangenomen dat het aantal kinderen met dubbele Algemene Kinderbijslagwet op basis van intensieve zorg kwalificatie zal stabiliseren, terwijl dit eerdere jaren sterk gestegen is?

Antwoord 263

Uitgangspunt bij inwerkingtreding van de DKIZ was dat in het aantal rechthebbenden een ingroei-effect met een uiteindelijke afvlakking plaats zou vinden. In 2020 is onderzoek gedaan naar de uitvoering van DKIZ en ook de volumeontwikkeling. Het onderzoek concludeerde dat de toename van rechthebbenden te maken had met het ingroei-effect. Ook is in die periode veel ingezet op communicatie om de bekendheid van DKIZ te vergroten en niet-gebruik tegen te gaan. Toen het aantal rechthebbenden in 2020 stabiliseerde en in 2021 afnam, is aangenomen dat het stabilisatiepunt bereikt was. In de eerste twee kwartalen van 2022 blijkt het aantal rechthebbenden echter weer te stijgen. Vooralsnog is er geen verklaring voor deze onverwachte stijging.

Vraag 264

Klopt de constatering op blz. 6/7 van de Aandachtspunten van de Algemene Rekenkamer dat u de komende jaren geen rekening houdt met een afname van het niet-gebruik van de AIO, en zo ja, waarom wordt er dan kennelijk bij voorbaat vanuit gegaan dat de pilot en eventuele andere maatregelen tegen niet-gebruik, geen effect zullen sorteren?

Antwoord 264

Bij de budgettaire ontwikkelingen van de AIO is vooralsnog niet expliciet rekening gehouden met het tegengaan van niet-gebruik van de AIO. Dit betekent niet dat er bij voorbaat vanuit wordt gegaan dat de pilot en eventuele andere maatregelen tegen niet-gebruik geen effect zullen sorteren. Een doel van de pilot is om zicht te krijgen op de effectiviteit van maatregelen in het tegengaan van niet-gebruik. Door de pilot zal daarmee meer duidelijk worden over het (potentiële) effect op de uitkeringslasten. Als uit de pilot blijkt dat het niet-gebruik effectief teruggedrongen kan worden, en de maatregelen worden gecontinueerd, dan zal dit ook tot uitdrukking komen in de (geraamde) uitkeringslasten van de AIO in toekomstige begrotingsstukken.

Vraag 265

Hoe ziet de voorgenomen herijking van de handhaving van UWV/SVB eruit?

Antwoord 265

Het traject «herijking van het handhavingsinstrumentarium» ziet op de gehele sociale zekerheid, dus op de uitvoeringspraktijk van UWV en SVB maar ook van gemeenten. In verschillende brieven is de herijking gedetailleerd beschreven, hier worden de hoofdlijnen weergegeven. In de brief «Fraude in de sociale zekerheid» (Kamerstukken II 2020/21, 17 050, nr. 596) is geschetst dat het beleid rond handhaving in de sociale zekerheid meer balans vergt. Een foutje moet niet meteen leiden tot het stempel van fraudeur en er moeten voldoende instrumenten zijn om daadwerkelijk misbruik effectief aan te pakken. Daarom wordt zowel ingezet op preventie, waarvoor een Team Preventie is opgericht, als op een herziening van het wettelijk instrumentarium. Daarnaar is onderzoek gedaan door de Nederlandse School van Openbaar Bestuur (NSOB), waarover u in de brief «Hoofdlijnen handhavingsbeleid in de sociale zekerheid» (Kamerstukken II 2021/22, 17 050, nr. 601) bent geïnformeerd.

De NSOB heeft geconcludeerd dat het huidige stelsel niet bijdraagt aan draagvlak onder de sociale zekerheid en dat een instrumentele wijziging onvoldoende is om draagvlak te behouden. Daarom wordt gewerkt aan een integrale herijking van het handhavingsstelsel. In de brief «Voortgang herijking handhavingsinstrumentarium» (Kamerstukken II 2021/22, 17 050, nr. 603) wordt geschetst dat in het kader van preventie de overheid duidelijk moet zijn over de geldende regels en zorg moet dragen voor goede en handhaafbare wetgeving, om fouten en vergissingen zoveel als mogelijk te voorkomen. De uitkeringsinstanties ontplooien hiertoe verschillende initiatieven, die zijn beschreven in de nieuwe meerjarenplannen handhaving. In deze plannen schetsen de uitvoerders in de sociale zekerheid waarop de inspanningen en ambities zullen liggen voor de periode 2023–2026. Zo werkt de SVB in toenemende mate aan het makkelijker maken van het goede doen en eenvoudige en betrouwbare dienstverlening. UWV wil uitgaan van vertrouwen in de burger en de eigen organisatie. Daarbij past begrip dat het menselijk is om fouten te maken.

Ten aanzien van het handhavingsinstrumentarium wordt ervan uitgegaan dat de meeste mensen die met handhaving in aanraking komen het goede willen doen. Zij moeten op een passende manier bejegend kunnen worden. Daarnaast moeten er voldoende instrumenten zijn om daadwerkelijk misbruik alert aan te pakken. Dit vergt dus een uitbreiding van het instrumentarium. Daarbij worden de effecten van verschillende maatregelen op elkaar bezien en er wordt rekening gehouden met budgettaire kaders. Deze uitgangspunten worden momenteel verder uitgewerkt. Het is de intentie om begin 2023 een voorstel op hoofdlijnen in internetconsultatie uit te zetten.

Vraag 266

Hebben alle gemeenten aanbod (ingekocht) voor alle drie de leerroutes van de Wi 2021? Zo nee; hoeveel gemeenten moeten nog aanbod inkopen en om welke leerroutes gaat het dan?

Antwoord 266

Alle gemeenten hebben aanbod (ingekocht) voor de B1-route en Z-route.

Voor de onderwijsroute geldt dat de aanbestedingen vanwege de ontwikkelingen rondom deze route vertraging hebben opgelopen. Zoals ook in de Kamerbrief van 29 juni jl. is geschreven (Kamerstukken II 2021/22, 32 824, nr. 364), is besloten om een aanvullend budget beschikbaar te stellen aan gemeenten voor de overbruggingsfase tot en met 2025. Inmiddels zijn gemeenten het proces voor de inkoop van de onderwijsroute weer aan het opstarten.

Vraag 267

Hoeveel (taal)aanbieders hebben aanbod voor inburgeraars onder de Wi 2013 in 2022 en 2023? Is dit voldoende voor het aantal mensen dat moet worden bediend?

Antwoord 267

Op het moment van het beantwoorden van deze vraag zijn er 169 scholen die Keurmerkhouder zijn van het Blik op Werk-keurmerk voor inburgeren. Er is geen informatie beschikbaar over het aantal scholen dat specifiek aanbod biedt voor inburgeraars onder de Wi2013.

De vraag of het aanbod van (taal-)aanbieders voldoende is, voor zowel inburgeraars die moeten inburgeren onder de Wi2021 als inburgeraars nog moeten inburgeren onder het regime van de Wi2013, maakt onderdeel uit van de monitor naar marktwerking («marktmonitor»). Deze marktmonitor wordt uitgevoerd in het kader van het monitoring en evaluatieplan (M&E-plan) Wi2021 en de eerste rapportage naar aanleiding van deze marktmonitor wordt naar verwachting opgeleverd in de loop van november. Wel is reeds bekend dat het aanbod van gecertificeerde Nt2-docenten onder druk staat (Kamerstukken II 2022/23, 32 824, nr. 376). Dat is van invloed op het aanbod.

Vraag 268

Blijft er na het verrekenen van het exploitatie-overschot in het Ouderdomsfonds in 2021 nog een exploitatie-overschot over?

Antwoord 268

De Minister van SZW maakt jaarlijks een bedrag over naar het Ouderdomsfonds om het verwachte tekort in dat fonds te dekken. Zonder die bijdrage heeft het fonds namelijk fors meer uitgaven (aan uitkeringen) dan er binnenkomt aan premies, en dus een exploitatietekort.

De raming voor het lopende jaar (2022) is bijgewerkt na het verschijnen van de CEP-raming van het CPB. Via de eerste suppletoire begroting van SZW wordt dan de rijksbijdrage zodanig bijgewerkt dat de geraamde inkomsten en uitgaven van het Ouderdomsfonds in 2022 balans zijn. Tegelijkertijd is ook vermogenstekort of overschot van eind 2021 in de rijksbijdrage verwerkt.

Na het bijwerken van de rijksbijdrage 2022 werd dus geraamd dat het Ouderdomsfonds dit jaar een exploitatie-overschot zou hebben van 1.763 miljoen euro. Dat is precies genoeg om het vermogenstekort van eind 2021 te compenseren.

In de rest van 2022 zullen de uitgaven en premieontvangsten van het Ouderdomsfonds zich uiteraard net anders ontwikkelen dan geraamd. Het Ouderdomsfonds eindigt 2022 dan met een exploitatieoverschot dat afwijkt van de genoemde 1.763 miljoen euro. Hierdoor ontstaat er weer een vermogenstekort of overschot, dat volgend voorjaar weer wordt meegenomen in de rijksbijdrage voor 2023.

Het Ouderdomsfonds heeft dus voor het lopende jaar nooit een geraamd exploitatieoverschot van nul, omdat er via de rijksbijdrage altijd nog een gerealiseerd tekort of overschot uit het vorige jaar wordt verrekend. Als de rijksbijdrage goed wordt geraamd, dan heeft het Ouderdomsfonds op de langere termijn wel een vermogen dat fluctueert rondom nul.

Vraag 269

Hoeveel mensen met een status zitten er momenteel in de bijstand? Kunt u dit uitsplitsen naar wanneer zij in Nederland status hebben gekregen en uit welk land zij afkomstig zijn?

Antwoord 269

Het aantal statushouders dat momenteel in de bijstand zit is niet bekend, omdat dit niet op die manier wordt bijgehouden. In het cohortonderzoek Asiel en Integratie, dat jaarlijks door het CBS wordt uitgevoerd om de integratie van groepen statushouders langdurig te volgen, wordt wel in kaart gebracht hoe groot het beroep op uitkeringen (bijstand, werkloosheid en arbeidsongeschiktheid) is in de periode na het verkrijgen van een status. Onderstaande tabel geeft voor de cohorten 2014 tot en met 2020 aan welk deel van het gehele cohort een uitkering ontving, hierin zijn ook deeltijdwerkers met een aanvullende uitkering meegenomen. De tweede tabel toont specifiek voor het cohort 2014 hoe de uitkeringsafhankelijkheid zich door de tijd ontwikkelt voor statushouders afkomstig uit Syrië, Irak, Afghanistan, Eritrea en Iran. Voor de cohorten van latere jaren is deze uitsplitsing terug te vinden in het.

Tabel: Aandeel uitkeringsgerechtigden onder jaarcohorten statushouders 18–65-jarigen, aantal maanden na ontvangen vergunning (%)

Aantal maanden na ontvangen vergunning

Jaar ontvangst status

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

3

21

24

29

40

35

29

17

6

56

57

64

68

67

62

49

12

85

87

87

85

84

80

 

18

90

90

88

85

82

81

 

24

88

86

82

80

78

   

30

84

79

74

73

73

   

36

76

70

66

67

     

42

67

61

58

63

     

48

58

53

54

       

54

51

49

52

       

60

46

47

         

66

44

45

         

72

43

           

78

42

           

Bron: CBS Dashboard cohortstudie asiel, 2022

Tabel: Aandeel uitkeringsgerechtigden onder 18- tot 65-jarigen die in 2014 verblijfsvergunning asiel ontvingen, aantal maanden na ontvangen vergunning (%).

Aantal maanden na ontvangen vergunning

Syrië

Irak

Afghanistan

Eritrea

Iran

3

21,8

35,3

24

12,2

26,2

6

58,9

68,2

53,7

43,1

56,5

12

89,8

84,7

73,1

79

86,2

18

92,8

86,1

69,5

91,9

87,4

24

90,6

86,2

67,1

91,4

85,2

30

86

81,5

63,8

88,8

81,8

36

77,9

77,2

58

79,7

76,9

42

69,1

70,9

53,7

70,1

70,2

48

59,9

64,7

47,4

56,8

62,1

54

53,7

59,3

42,5

47,7

57,7

60

48,8

56,1

40,4

39,8

53

66

46,8

52,8

38,5

39,4

48,3

72

46,3

51,3

38

37,5

49,9

78

44,5

50,1

36,8

37,6

43,9

Bron: CBS Asiel en Integratie, 2022

Vraag 270

Welke ondersteuning wordt er gegeven aan werkgevers die graag statushouders in dienst willen nemen?

Antwoord 270

Bij het Werkgeversservicepunt in elke arbeidsmarktregio kan een werkgever kosteloos ondersteuning krijgen als hij werkzoekenden, waaronder ook statushouders, in dienst wil nemen en via de regionale leerwerkloketten bij leer- en ontwikkelvragen. Ook zijn er twee landelijke Werkgeversservicepunten voor werkgevers die landelijk of in meer dan één arbeidsmarktregio actief zijn.

De centrumgemeente is regievoerder voor de publieke werkgeversdienstverlening vanuit het werkgeversservicepunt. Via de decentralisatie-uitkering Versterking arbeidsmarktregio’s ontvangen de centrumgemeenten hiervoor een jaarlijkse financiering. De uitkering heeft als doel om de regiefunctie van de centrumgemeente voor de samenwerking en de gezamenlijke publieke werkgeversdienstverlening in de arbeidsmarktregio’s duurzaam te ondersteunen en versterken.

De dienstverlening aan werkgevers bestaat uit:

  • de voordracht en plaatsing van passende kandidaten en nazorg;

  • advies over de instrumenten en voorzieningen die bij een plaatsing beschikbaar zijn;

  • advies over het inclusief organiseren van werk, bijvoorbeeld hulp bij het aanpassen en opknippen van functies;

  • informatie over de (regionale) arbeidsmarkt en relevante wet- en regelgeving;

  • het aanvragen van financiële tegemoetkomingen voor medewerkers die vanuit verschillende uitkeringen aan het werk gaan. Denk daarbij aan: (forfaitaire) loonkostensubsidie, tijdelijke proefplaatsing, no-riskpolis, loonkostenvoordelen en lage-inkomensvoordeel.

  • Met betrekking tot praktijkleren: voor de kosten van de begeleiding kan een werkgever aanspraak maken op de Subsidieregeling Praktijkleren of Subsidieregeling Praktijkleren in de derde leerweg.

Het Werkgeversservicepunt werkt ook nauw samen met de Regionale Mobiliteitsteams (RMT’s). De RMT’s zijn een samenwerkingsverband binnen de arbeidsmarktregio van onder meer UWV, SBB, werkgeversorganisaties, vakbonden, de MBO Raad en gemeenten.

Vraag 271

Hoeveel dagdelen per week behelst een taalcursus Nederlands die statushouders volgen?

Antwoord 271

Dit verschilt per persoon. Inburgeringstrajecten moeten erop zijn gericht dat inburgeraars zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen de inburgeringstermijn, de Nederlandse taal leren op het voor hen hoogst mogelijke niveau (streven is niveau B1). Hoeveel cursusuren een inburgeraar hiervoor in totaal en dagdelen per week nodig heeft, hangt af van de individuele achtergrond en omstandigheden van de persoon. Waar een intensief traject met meerdere dagen les per week passend is voor de één, is de ander wellicht gebaat bij een minder intensief maar langduriger traject omdat het leren van de taal wordt gecombineerd met (vrijwilligers-)werk of andere vormen van participatie (duale trajecten). De Wi2021 bevat dan ook geen verplichting om een specifiek aantal uren of dagdelen les per week te volgen.

Vraag 272

Hoeveel dagdelen per week behelst een gemiddeld inburgeringstraject?

Antwoord 272

Zie het antwoord op vraag 271.

Vraag 273

Hoe kan het dat de bijdrage aan het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) zo sterk naar beneden wordt bijgesteld en hoe staat dit in verhouding tot de grote capaciteitsproblemen bij het COA in het algemeen? Welk effect verwacht u van het naar beneden bijstellen van deze bijdrage op de integratie van nieuwkomers op de lange termijn?

Antwoord 273

Vanuit SZW is er geen sprake van bezuinigingen op het COA-budget per 2023 en evenmin van negatieve gevolgen voor de integratie van de nieuwkomers op lange termijn. Het budget ten behoeve van de Voorinburgering wordt elk voorjaar aanpast op basis van de meest recente prognoses van J&V. In het voorjaar van 2022 is er een inschatting voor het budget voor de komende jaren gemaakt op basis van de destijds beschikbare informatie. Op dat moment was nog de inschatting dat het aantal trajecten in 2022 incidenteel hoger zou zijn als gevolg van een hogere instroom en dat dit in de jaren daarna zou dalen naar een lagere instroom. Gedurende 2023 zal de raming van het aantal trajecten voorinburgering worden bijgesteld op basis van de dan beschikbare gegevens.

Vraag 274

Hoeveel Nt2-docenten (in fte) zijn er nodig om het geprognosticeerde aantal inburgeraars te bedienen in 2022 en 2023?

Antwoord 274

Het totaal aantal benodigde Nt2-docenten is op landelijk niveau niet gekwantificeerd. Wel is bekend dat het aanbod van gecertificeerde Nt2-docenten onder druk staat (Kamerstukken II 2022/23, 32 824, nr. 376). Ook is bekend hoeveel Nt2-docenten er naar verwachting nodig zijn ten behoeve de voorinburgering van inburgeraars die in afwachting van huisvesting in een gemeente in de COA-opvang verblijven. Binnen de voorinburgering krijgen deelnemers namelijk (standaard) 115 uur les van een gecertificeerde Nt2-docent. Naar verwachting zijn hiervoor in 2022 107 fte en in 2023 119 fte Nt2-docenten nodig.

Vraag 275

Welke acties worden tijdens voorinburgering al ondernomen om te zorgen dat statushouders na vergunningverlening zo snel mogelijk aan het werk komen? Op welke manier kan dit worden geïntensiveerd gezien de grote tekorten op de arbeidsmarkt?

Antwoord 275

Het is belangrijk dat nieuwkomers vanaf dag één gestimuleerd worden naar activering en participatie. In opdracht van SZW voert het COA daarom verschillende activiteiten uit in het kader van de Voorbereiding op inburgering (kortweg: Voorinburgering) én het programma Vroege Integratie en Participatie (VrIP). Deze activiteiten dragen bij aan een tijdige start van integratie en participatie in Nederland.

De Voorinburgering wordt aangeboden aan inburgeringsplichtige asielstatushouders die in afwachting zijn van huisvesting in de gemeente en bestaat uit de volgende onderdelen:

  • a. Nederlandse taalles (NT2);

  • b. Een introductiemodule Kennis van de Nederlandse maatschappij (KNM);

  • c. Een introductiemodule Arbeidsmarktparticipatie (MAP);

  • d. Individuele begeleiding, overdrachtsgesprekken met de toekomstige woongemeente en dossiervorming ten behoeve van een doorlopende lijn.

Hoewel alle onderdelen van de voorinburgering een bijdrage beogen te leveren aan de voorbereiding van asielstatushouders op de Nederlandse arbeidsmarkt, geldt dat in het bijzonder voor de introductiemodule MAP.

Binnen het Programma VrIP, dat beschikbaar is voor zowel asielstatushouders als kansrijke asielzoekers, worden de volgende acties uitgevoerd die bijdragen aan de participatie van de statushouders op de arbeidsmarkt:

  • a. Kansrijke koppeling: om de arbeidsmarkt- en opleidingskansen van statushouders te vergroten voert het COA een gerichte koppeling uit aan een gemeente, het liefst in een geschikte arbeidsmarktregio;

  • b. Participatie vanaf dag één: het COA stimuleert statushouders en asielzoekers om vanaf dag één bezig te zijn met hun toekomst door kennis, vaardigheden en ervaring op te doen en een netwerk op te bouwen.

Een snelle en volwaardige participatie van statushouders is van groot belang. Niet alleen voor henzelf, maar ook voor de samenleving en de economie. Met het COA vindt daarom regelmatig overleg plaats over mogelijkheden om asielstatushouders zo snel mogelijk te laten participeren in de samenleving. Hierin hebben ook gemeenten een zeer belangrijke rol. Het is immers van belang dat de asielstatushouders na de vergunningverlening zo snel mogelijk starten met het inburgeringstraject in de gemeente. Inburgering staat niet op zichzelf en kan enkel worden bereikt als de uitvoeringspraktijk goed wordt verbonden met andere relevante onderdelen van het sociaal domein, met name participatie en werk. De Wi2021 biedt gemeenten in dit kader meer mogelijkheden om te komen tot een integraal beleid voor statushouders waarbij inburgering en participatie zoveel mogelijk met elkaar worden gecombineerd. Zoals de Minister van SZW heeft toegezegd in het Commissiedebat Inburgering en Integratie van 6 juli jl., gaat zij samen met onder meer gemeenten, werkgevers en branches in gesprek om te stimuleren dat er meer wordt ingezet op het vergroten van de arbeidsparticipatie van deze groep, met name in tekortsectoren.

Vraag 276

Waarom is het aantal mensen op het havo/vwo opgenomen als indicator? Betekent dit dat een hoog aantal vmbo’ers/mbo’ers wordt gezien als iets negatiefs? En zo ja, waarom is dat zo, ook in het licht van de grote tekorten in sectoren waar juist praktisch opgeleide mbo’ers zo belangrijk zijn?

Antwoord 276

Niet het aantal, maar het aandeel leerlingen in het 3e leerjaar van het voortgezet onderwijs dat havo en vwo volgt is een indicator. Daarmee vormt deze indicator een bruikbare en neutrale operationalisatie van de vertegenwoordiging van verschillende herkomstgroepen in het onderwijs naar niveau. Dit betekent niet dat deelname aan vmbo/mbo als negatief wordt gewaardeerd, maar biedt zicht op mate van toegankelijkheid van het voortgezet onderwijs (naar onderwijsniveaus) voor groepen met verschillende achtergronden.

Vraag 277

Op welke manier worden mensen die nu onder de remigratieregeling vallen ondersteund vanaf 2025, als de remigratiewet vervalt?

Antwoord 277

De Sociale Verzekeringsbank (SVB) is belast met de uitvoering van de Remigratiewet en de betaalbaarstelling van de uitkeringslasten aan remigranten. Die taak blijven ze uitvoeren tot de laatste remigrant geen gebruik meer van de regeling maakt. Tot de taken van de SVB hoort ook om vragen van remigranten te beantwoorden. Daarnaast zijn in betrokken herkomstlanden sociale attachés op de ambassades en consulaten beschikbaar voor advisering. SZW zal samen met de SVB en het Nederlands Migratie Instituut (NMI) de komende jaren tot 1 januari 2025 in de beschikbare communicatie uitingen aandacht geven aan de beëindiging van de remigratieregeling.

Vraag 278

Het aantal asielgerechtigden in de COA opvang neemt nog steeds toe, verblijft hier steeds langer en de taakstelling voor de huisvesting van statushouders in gemeenten in de eerste helft van 2023 (21.200) is bijna net zo hoog als voor heel 2022 (23.500): hoe kan het dat de aantallen afnemen van zowel «asielgerechtigde nieuwkomers die deelnemen aan de voorbereiding op inburgering in de opvang van COA» als ook «asielgerechtigde nieuwkomers die deelnemen aan de maatschappelijke begeleiding door gemeenten»?

Antwoord 278

In het voorjaar van 2022 is een inschatting gemaakt van de aantallen asielgerechtigde nieuwkomers die deelnemen aan de voorinburgering en het bijbehorende budget voor de komende jaren op basis van de toen beschikbare informatie. Komend voorjaar zullen de aantallen en het budget weer aangepast worden op basis van de dan beschikbare en meest recente gegevens.

Met de inwerkingtreding van de Wi2021 is de rol van gemeenten op het gebied van inburgering flink uitgebreid ten opzichte van de Wi2013. Onder de Wi2013 boden gemeenten alleen maatschappelijke begeleiding aan en verzorgden zij het Participatieverklaringstraject (PVT). Onder de Wi2021 zijn gemeenten daarnaast verantwoordelijk voor het cursusaanbod voor asielstatushouders en verzorgen zij tevens de Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP). Om die reden is het onder de Wi2021 niet langer relevant om specifiek te rapporteren over het aantal trajecten maatschappelijke begeleiding dat door gemeenten is aangeboden. Voor het rapporteren over de uitvoering door gemeenten is voor de Wi2021 een nieuwe indicator opgenomen: het aantal afgesloten PIP’s. De indicator «asielgerechtigde nieuwkomers die deelnemen aan de maatschappelijke begeleiding door gemeenten» geeft derhalve alleen nog nieuwkomers weer onder de Wi2013. Dit verklaart de verschillen tussen realisatie 2021 en raming voor 2022 en 2023, in tabel 117 op pagina 169.

Vraag 279

Gemeenten slagen er (nog) niet of nauwelijks in om al in de opvangcentra te starten met inburgering, terwijl asielstatushouders steeds langer in de opvang wachten op woonruimte en het programma voor-inburgering hiervoor veel te kort duurt: kan tegen deze achtergrond het huidige aanbod (115 uur taalles, 15 uur Kennis Nederlandse Samenleving en 15 uur Module Arbeidsmarkt en Participatie) voor-inburgering van het COA worden uitgebreid?

Antwoord 279

Het is van belang dat asielstatushouders zo vroeg mogelijk kunnen starten met het leren van de Nederlandse taal. Zeker in de huidige situatie van lange doorlooptijden in de asielprocedure en lange wachttijden tot aan huisvesting in de gemeente is het van betekenis dat de tijd in de opvang zo zinvol mogelijk besteed wordt. Tegelijkertijd zijn gemeenten verantwoordelijk voor het inburgeringstraject vanaf het moment van koppeling van de statushouder met de toekomstige woongemeente. Vanaf dit moment kan de gemeente een inburgeringstraject aanbieden aan de statushouder, als dat praktisch gezien ook uitvoerbaar is. Een dergelijk traject heeft de voorkeur boven voorinburgering. Een eventuele uitbreiding van de voorinburgering verhoudt zich hier dan ook niet goed mee. Asielstatushouders zijn wat het Ministerie van SZW betreft meer gebaat bij het terugdringen van de wachttijden dan bij het uitbreiden van de voorinburgering.

Vraag 280

Op hoeveel locaties waar asielstatushouders en/of kansrijke asielzoekers verblijven wordt het programma voor-inburgering aangeboden en hoeveel mensen kunnen hiervan gebruik maken?

Antwoord 280

Het programma Voorbereiding op inburgering (voorinburgering) wordt aangeboden op 53 reguliere locaties en 57 noodlocaties (stand medio oktober 2022). Op de reguliere locaties kunnen 6.684 personen van dit programma gebruik maken. Op de noodlocaties gaat het om 3.622 personen. Dit programma wordt overigens enkel aangeboden aan inburgeringsplichtige vergunninghouders en niet aan kansrijke asielzoekers. Uiteraard komen zij wel voor voorinburgering in aanmerking zodra zij een vergunning hebben verkregen en de inburgeringsplicht is vastgesteld.

Vraag 281

Hoeveel Plannen Inburgering en Participatie (PIP) zijn er sinds de invoering van de Wi 2021 afgesloten? Hoe verhoudt dit zich tot de prognoses vanuit de overheid en de afspraken die gemeenten hebben gemaakt over aantallen deelnemers met de (taal)aanbieders?

Antwoord 281

Zie het antwoord op vraag 30.

Vraag 282

Hoe is de extra 2 miljoen euro ingezet bij Dienst Uitvoering Onderwijs om maatwerk te leveren?

Antwoord 282

Maatwerk is mensenwerk. Het vereist extra tijd en inzet van gespecialiseerd personeel. Om de dienstverlening aan inburgeraars te versterken, zet DUO de extra middelen in voor opleiding en meer menskracht bij de uitvoerende eenheden om signalen vroegtijdig te onderkennen.

Vraag 283

Hoeveel meer loonruimte zou er ontstaan als de premies voor de sociale fondsen naar een kostendekkend niveau worden teruggebracht (exclusief de AOW en inclusief de AOW)?

Antwoord 283

Exclusief het Ouderdomsfonds wordt voor de sociale fondsen van SZW voor 2023 een exploitatie-overschot geraamd van € 7,9 miljard. Als de premies van die fondsen kostendekkend werden vastgesteld, dan zou er dus bij werkgevers en werknemers € 7,9 miljard minder aan collectieve lasten worden opgehaald. Dat komt neer op ongeveer 1,7% van de loonkosten (van bedrijven en de overheid).

Inclusief de AOW is het geraamde exploitatie-overschot ook € 7,9 miljard. Maar daarin wordt dan wel de € 23,8 miljard die het Rijk bijdraagt aan het Ouderdomsfonds meegeteld. Als die rijksbijdragen ook vervallen, dan moeten de premie-inkomsten dus met € 15,9 miljard omhoog om de inkomsten van de sociale fondsen van SZW naar een kostendekkend niveau te brengen.

Hoewel de sociale fondsen van SZW dus een exploitatie-overschot hebben, is er tegelijkertijd sprake van een veel grotere bijdrage van het Rijk aan de sociale fondsen. Een exploitatie-overschot betekent ook niet dat er ruimte is om de premies te verlagen. De sociale fondsen zijn immers onderdeel van de collectieve sector, en een overschot telt dus mee in het EMU-saldo van de overheid als geheel.

Vraag 284

De premiepercentages voor de AOW en Algemene nabestaandenwet blijven gelijk voor 2023, dekken de inkomsten voor beide regelingen de uitgaven?

Antwoord 284

Nee. Beide premies zijn niet kostendekkend. Voor het Ouderdomsfonds worden de premie-inkomsten geraamd op € 25,2 miljard, dat is ongeveer 51% van de geraamde uitgaven. Voor het Nabestaandenfonds worden de premie-inkomsten geraamd op € 171 miljoen, ongeveer 48% van de geraamde uitgaven.

Vraag 285

De premiepercentages wijzigen voor diverse regelingen, wat is ongeveer het gecombineerde effect voor een werkgever?

Antwoord 285

Het gecombineerde effect voor een werkgever is lastig te geven, omdat dit sterkt afhangt van de kenmerken van de werkgever. Zo betalen kleine werkgevers sinds 2022 een lager tarief voor de Aof-premie, en geldt voor vaste contracten sinds 2020 een lagere werkloosheidspremie. Voor de Werkhervattingskas (voor de WIA en ZW) staat in de begroting het gemiddelde premietarief, maar voor (middel)grote bedrijven geldt dat hun tarief (deels) individueel bepaald is, en dus meer of minder kan stijgen dan het gemiddelde. Ook kunnen werkgevers voor ZW en WIA eigenrisicodrager zijn, en dus de publieke premie niet betalen.

Gemiddeld genomen stijgt het Aof-tarief met 0,11 procentpunt. De gemiddelde Whk-premie stijgt met 0,01 procentpunt. De werkloosheidspremies dalen met 0,06 procentpunt, en de inkomensafhankelijke bijdrage voor de ZVW daalt met 0,07 procentpunt. Gemiddeld genomen dalen dus de werkgeverspremies in 2023 met ongeveer 0,01 procentpunt. Per modale werknemer scheelt dat een werkgever ongeveer € 3,50 op jaarbasis.

Vraag 286

Gaan de gepresenteerde koopkrachtcijfers uit van de aanstaande 10,15% verhoging van het minimumloon per 1 januari 2023, of van de verwachte stijging van het brutominimumloon met 12,1% ten opzichte van 2022?

Antwoord 286

In de koopkrachtberekeningen wordt uitgegaan van de ontwikkeling van het besteedbaar inkomen in een jaar ten opzichte van het jaar ervoor. Dit betekent dat uitgegaan wordt van het brutominimumloon op jaarbasis waarin zowel de aanpassing per januari als juli verwerkt zit. Voor 2023 komt dit volgens huidig inzicht (CPB-raming MEV2023) uit op een aanpassing in januari met 10,15% en juli met 1,80%. In totaal wordt dus gerekend met een verwachte stijging van het brutominimumloon met 12,1% in 2023 ten opzichte van 2022.

Vraag 287

Is bij de werkloosheidsval ook rekening gehouden met verminderd ontvangen van toeslagen zodra iemand werk gevonden heeft vanuit een bijstandsuitkering?

Antwoord 287

In de armoedevalcijfers van de SZW-begroting wordt onder meer de werkloosheidsval gepresenteerd. De werkloosheidsval toont de inkomensvooruitgang bij aanvaarding van werk vanuit een bijstandsuitkering. Hierbij wordt rekening gehouden met het recht op en de hoogte van toeslagen als iemand een bijstandsuitkering heeft of werkt. Bij de stap van een bijstandsuitkering naar werk op het minimumloon verandert de hoogte van de zorgtoeslag en het kindgebonden budget niet, omdat de inkomensafhankelijke afbouw bij deze toeslagen bij het minimumloon begint (of circa modaal voor paren bij het kindgebonden budget). De hoogte van de huurtoeslag verandert wel. Bij een huur van circa € 500 per maand ontvangt een alleenstaande bijstandsgerechtigde jaarlijks circa € 3.100 huurtoeslag, terwijl een alleenstaande minimumloonverdiener een huurtoeslag van circa € 1.600 ontvangt. Dit is meegenomen in de werkloosheidsval.

Vraag 288

Wat is het verschil tussen een alleenverdiener met kinderen, een alleenstaande en een alleenstaande ouder?

Antwoord 288

Een alleenstaande zonder kinderen heeft geen recht op de kindregelingen (IACK, kinderbijslag, kindgebonden budget of kinderopvangtoeslag). Een alleenverdiener (paar met één werkende partner) heeft geen recht op IACK en kinderopvangtoeslag. Deze heeft, evenals de alleenstaande ouder, wel recht op de kinderbijslag en het kindgebonden budget. Bij een alleenverdiener met kinderen en een alleenstaande ouder gaan we uit van twee kinderen van 6 en 11 jaar oud. In de berekening van een alleenstaande ouder met kinderen wordt uitgegaan van 32 uur werk per week en bij een alleenstaande en alleenverdiener met kinderen wordt uitgegaan van 38 uur werk per week. Hierdoor wordt bij alleenstaande ouders met kinderen uitgegaan van een lager bruto inkomen.

Weergave van de regelingen waar de drie voorbeeldhuishoudens recht op hebben
 

Alleenstaande (€ 25.295 bruto op WML-niveau)

Alleenstaande ouder met kinderen (€ 20.236 bruto op WML-niveau)

Alleenverdiener met kinderen (€ 25.295 bruto op WML-niveau)

IACK

Nee

Ja

Nee

Kinderbijslag

Nee

Ja

Ja

Kindgebonden budget

Nee

Ja

Ja

Kinderopvangtoeslag

Nee

Ja

Nee

Uren werk per week

38

32

38

Vraag 289

In hoeverre maken gemeenten daadwerkelijk gebruik van de mogelijkheid om er via de SVB zicht op te krijgen welke AIO’ers recht hebben op de energietoeslag zodat deze automatisch kan worden toegekend?

Antwoord 289

In maart jl. heeft SZW het Inlichtingenbureau gevraagd om de reguliere levering van de rapportage «AOW-gerechtigden met aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO)» eenmalig aan te vullen met de bankrekeningnummers waarop de SVB de AIO uitkering uitbetaalt en deze eenmalig aan alle gemeenten beschikbaar te stellen. Navraag bij het Inlichtingenbureau leert dat in juni jl. 290 gemeenten de beschikbaar gestelde rapportage (inclusief bankrekeningnummer) gedownload hadden. 55 gemeenten hebben dit niet gedaan. Het is het Inlichtingenbureau niet bekend of deze 55 gemeenten de rapportage uiteindelijk gedownload hebben. SZW is voornemens om het Inlichtingenbureau te verzoeken om de genoemde gegevens te actualiseren en dit nog een keer in 2022 en 2023 aan gemeenten beschikbaar te stellen. Zo kunnen gemeenten de verhoging van de energietoeslag op een eenvoudigere manier uitvoeren.

Vraag 290

Wanneer iemand toeslag met terugwerkende kracht aanvraagt, na vaststelling van de aangifte inkomstenbelasting, duurt het maximaal zes maanden voordat dit is vastgesteld, wat is hier de verklaring voor?

Antwoord 290

De maximale duur van zes maanden is opgenomen in artikel 19 lid 1 van de Awir. Het is de maximale tijd die nodig is voor de uitvoering. Dit speelt met name wanneer een aanvraag met terugwerkende kracht wordt aangevraagd ten tijde van het berekenen van de definitieve toekenningen. In dit massale proces moet rekening worden gehouden met de capaciteit van Toeslagen zelf en verschillende ketenpartners van Toeslagen.

Vraag 291

Wat is het (netto) verschil tussen het minimumloon, het sociaal minimum en de kosten van het levensonderhoud tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland? Is er een uiteindelijke doelstelling voor het sociaal minimum voor Caribisch Nederland waar naartoe gewerkt? Zo ja, is er een stappenplan om deze doelstelling te bereiken?

Antwoord 291

Onderstaande tabel geeft zo goed als mogelijk inzicht in de verschillen van het wettelijk minimumloon en het op dit moment gerealiseerde sociaal minimum (dat voor Caribisch Nederland in dit overzicht wordt afgemeten aan de onderstand). Bij het onderling vergelijken van Europees Nederland en Caribisch Nederland is van belang om op te merken dat verschillende valuta gebruikt worden. Daarnaast kunnen de bedragen niet goed onderling vergeleken worden, omdat een euro in Europees Nederland niet dezelfde koopkracht genereert als in Caribisch Nederland.

2022

Europees Nederland

Bonaire

St. Eustatius

Saba

Netto Wml alleenstaande

€ 20.406,00

$ 12.542,00

$ 14.504,26

$ 14.345,01

Netto bijstand/onderstand alleenstaande die zelfstandig woont

€ 13.161,00

$ 6.916,00

$ 8.346,00

$ 8.242,00

Cijfers op jaarbasis

Een vergelijking met betrekking tot de kosten van levensonderhoud is niet voorhanden.

Voor Caribisch Nederland is er nog geen definitief sociaal minimum vastgesteld, maar wel een ijkpunt voor de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon en de minimumuitkeringen en voor kostenverlagingen. De resterende opgave om op het beoogde niveau van het ijkpunt te komen vergt een beleidsmatige verhoging van het wettelijk minimumloon en de onderstand met respectievelijk 28% (Bonaire), 18% (Sint Eustatius) en 23% (Saba) bovenop de ontwikkeling van de inflatie. Parallel daaraan spannen diverse departementen zich in om verschillende kosten van levensonderhoud in Caribisch Nederland structureel te verlagen.

In 2023 zal een onafhankelijk onderzoek worden uitgevoerd naar de hoogte en de systematiek van het sociaal minimum in Caribisch Nederland, met aandacht ook voor de kostenkant. Daartoe wordt een Commissie sociaal minimum Caribisch Nederland ingesteld. Over de resultaten wordt in 2023 voor de begrotingsbehandeling gerapporteerd. Op basis van de onderzoeksresultaten kan in 2024 een sociaal minimum voor Caribisch Nederland worden vastgesteld.

Vraag 292

Worden er met de re-integratiebudgetten van het UWV rekening gehouden met de hoge inflatie? Met andere woorden worden deze budgetten ook geïndexeerd?

Antwoord 292

Ja, het re-integratiebudget wordt jaarlijks met de loon- en prijsbijstellingen geïndexeerd voor de inflatie.

Vraag 293

De uitgaven aan uitkeringslasten, vanwege het verminderen van de mismatch bij sociaal-medisch beoordelen, wordt gedekt uit de uitvoeringskosten van het UWV, kan inzichtelijk worden gemaakt waaraan hier wordt gedacht? Betekent dit minder dienstverlening vanuit het UWV voor mensen die een uitkering ontvangen?

Antwoord 293

De dekking uit uitvoeringskosten leidt niet tot minder dienstverlening van UWV. De dekking bestaat uit verschillende onderdelen. Enerzijds betreft het vrijval van middelen op de SZW-begroting vanwege incidenteel niet meer benodigde reserveringen en gedeeltelijk niet benodigde indexatie van uitvoeringskosten (loon- en prijsbijstelling) aan UWV. Anderzijds betreft het incidentele vrijval van middelen binnen de eigen begroting van UWV. Door het beperkte aanbod van beschikbare artsen worden beschikbare middelen om de artsencapaciteit uit te breiden op korte termijn niet volledig aangewend. Daarnaast is er ook vrijval van middelen met betrekking tot het re-integratiebudget. Het gaat om eerder toegekende middelen die UWV uiteindelijk niet nodig heeft voor de inkoop van voorzieningen en re-integratie instrumenten. Die niet benodigde middelen uit het re-integratiebudget worden nu ingezet voor de vereenvoudigde WIA-beoordeling, zie ook het antwoord op vraag 295.

Vraag 294

Hoeveel re-integratiebudget UWV is er overgebleven? Hoe kan het dat dit budget niet volledig is uitgegeven?

Antwoord 294

Er is in 2021 ongeveer € 38 miljoen minder uitgegeven dan beschikbaar was aan middelen. Eén van de redenen hiervoor is een ontvangst vanuit het Europees Sociaal Fonds (ESF) van ongeveer € 18 miljoen. De bijdrage vanuit dit fonds was onvoorzien en incidenteel. Gedurende het jaar beoordelen UWV en SZW samen op basis van actuele ramingen of de begroting bijgesteld moet worden. Hierdoor is er tijdens de najaarsnota 2021 ongeveer € 20 miljoen naar beneden bijgesteld op basis van de ramingen van UWV. Het verschil tussen de realisatie van 2021 en de begroting is daarom niet hetzelfde als wat uiteindelijk overblijft.

Het precies ramen van de uitgaven uit het re-integratiebudget is complex. Indien er te weinig begroot wordt loopt UWV het risico niet de benodigde voorzieningen te kunnen verstrekken of re-integratietrajecten te kunnen inkopen die nodig zijn om mensen aan het werk te helpen. In het uiterste geval leidt dit ertoe dat de re-integratie van cliënten tot stilstand komt en cliënten niet aan het werk kunnen omdat er geen budget meer is om bijvoorbeeld een voorziening als jobcoaching te verstrekken. Om dat te voorkomen was de begroting in voorgaande jaren iets ruimer dan de verwachte realisatie.

Er is voor de komende jaren structureel € 6 miljoen op het begrote budget in mindering gebracht om het verschil tussen de begroting en daadwerkelijke realisatie te verkleinen. Bovendien leidt de intensivering in de dienstverlening van UWV sinds 2018 tot meer inzet van re-integratie instrumenten en voorzieningen waardoor de realisatie de begroting van het re-integratiebudget meer benadert. Daarnaast is met UWV afgesproken strakkere ramingen te maken zodat de begroting en realisatie elkaar minder ontlopen.

Vraag 295

Betekent het inzetten van overgebleven middelen uit het re-integratiebudget, vanwege de vereenvoudigde WIA-beoordeling voor 60-plussers, dat er minder dienstverlening voor mensen met een uitkering komt?

Antwoord 295

Nee, het gaat om eerder toegekende middelen die UWV uiteindelijk niet nodig heeft voor de inkoop van voorzieningen en re-integratie instrumenten. Die niet benodigde middelen uit het re-integratiebudget worden nu ingezet voor de vereenvoudigde WIA-beoordeling.

SZW en UWV kijken samen meerdere keren per jaar naar het verwachte gebruik van het re-integratiebudget voor het huidige en komend jaar. Indien blijkt dat er meer middelen beschikbaar zijn dan nodig kan SZW daar een andere bestemming voor aanwijzen.

Vraag 296

Waarmee worden de toekomstige extra uitgaven vanwege de vereenvoudigde WIA-beoordeling voor 60-plussers gedekt? Dienen deze door het UWV ook te worden gedekt?

Antwoord 296

De vereenvoudigde WIA-beoordeling voor 60-plussers wordt tot 2024 toegestaan en leidt tot en met 2027 tot hogere uitkeringslasten. De extra uitkeringslasten worden gedekt door een verlaging van het uitvoeringsbudget (artikel 11) in de Ontwerpbegroting 2023 van SZW (zie hiervoor ook het antwoord op vraag 293).

Verder is besloten om de uitkeringen, die zijn toegekend op basis van de vereenvoudigde WIA-claimbeoordeling, niet toe te kennen aan publiek verzekerde werkgevers via de Whk-premie en deze worden ook niet doorbelast aan eigenrisicodragende werkgevers. Werkgevers ondervinden dus geen lastenstijging ten gevolge van de tijdelijke maatregel.

Vraag 297

Waarom is er gekozen voor een lager structureel bedrag voor scholing WW? Is er met scholing WW rekening gehouden met hogere tarieven vanwege indexatie?

Antwoord 297

Voor het structureel budget vanaf 2023 voor scholing WW is mede gekeken naar het uitgavenpatroon bij de Regeling tijdelijk scholingsbudget UWV in de jaren 2018 tot en met 2021. Met het oog op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de invoering van het STAP-budget, acht het kabinet het structureel budget adequaat.

Vraag 298

Hoeveel uren ouderschapsverlof worden er naar verwachting opgenomen in 2022 en zijn er opgenomen in 2021? Hoe is dit verdeeld tussen beide ouders?

Antwoord 298

Het recht op ouderschapsverlof bedraagt 26 werkweken tot de 8e verjaardag van het kind. In 2021 hebben 226.000 werknemers ouderschapsverlof opgenomen: 106.000 mannen en 120.000 vrouwen. Hoeveel uur zij verlof hebben opgenomen is niet bekend. (CBS; 2022, Module Arbeid, Zorg en Kinderopvang; 2021). Omdat ouderschapsverlof (tot 2 augustus 2022) wettelijk onbetaald was, zijn er geen ramingen over het gebruik in 2022 gemaakt.

Sinds 2 augustus 2022 heeft men recht op een uitkering bij ouderschapsverlof gedurende maximaal 9 weken mits deze in het eerste levensjaar van het kind worden opgenomen. Geraamd is dat op jaarbasis 197.000 werknemers betaald ouderschapsverlof opnemen.

De twee genoemde aantallen, 226.000 in 2021 en 197.000 voor wat betreft het betaalde deel van het ouderschapsverlof, zijn niet vergelijkbaar. Het aantal over 2021 betreft het aantal personen dat in het aangegeven jaar betaald of onbetaald verlof opneemt. Spreidt men het verlof over bijvoorbeeld 4 jaar, dan wordt dat in 4 jaarstatistieken geregistreerd. Het aantal van 197.000 betreft het aantal personen dat op enig moment wettelijk betaald verlof opneemt. Ieder wordt maar één keer meegeteld.

Vraag 299

Wat is het verwachte effect van de toename van het gebruik van kinderopvang op het gebruik van (ouderschaps)verlof door ouders en het aantal gewerkte uren van ouders?

Antwoord 299

Alle werkende ouders betalen in het nieuwe stelsel een beperkte eigen bijdrage voor het gebruik van kinderopvang, onafhankelijk van het aantal gewerkte uren of hun inkomen. Dit verlaagt de marginale druk voor ouders, zodat meer werken lonender wordt. Ouders die nu mogelijk (onbetaald) ouderschapsverlof opnamen vanwege de kosten voor kinderopvang, zullen mogelijk in het nieuwe stelsel wel extra werken en dus minder verlof opnemen. Dit effect lijkt wel beperkt en er wordt in de verloframingen geen rekening mee gehouden.

Het effect op de arbeidsparticipatie van het loslaten van de koppeling tussen het aantal gewerkte uren en het aantal uren waarvoor aanspraak op kinderopvangtoeslag kan worden gemaakt (de KGU) is onzeker ingeschat. De KGU is voor veel ouders een ingewikkelde voorwaarde. Dit kan leiden tot (hoge) terugvorderingen en kan daarom voor een belemmering in de arbeidsparticipatie van deze ouders zorgen. Door de KGU per 1 januari 2023 los te laten, is er dus meer ruimte voor ouders om hun arbeid en zorgtaken te combineren. Tegelijkertijd betekent het loslaten van de koppeling dat een ouder die in deeltijd werkt, bijvoorbeeld 12 uur in de week, voor evenveel uren aanspraak heeft op de KOT als een ouder die 40 uur per week werkt. Daarbij bestaat de theoretische mogelijkheid dat ouders besluiten minder uren te gaan werken, omdat de KGU geen randvoorwaarde voor opvanguren meer vormt. Dit effect lijkt beperkt. Het is dan ook de verwachting dat de toename van het gebruik van opvang tenminste deels gepaard zal gaan met hogere arbeidsparticipatie.

Vraag 300

Waar staan de uitgaven aan het kindgebonden budget in 2022 voor?

Antwoord 300

Aangenomen wordt dat de vraag refereert aan de extra uitgaven kindgebonden budget die worden gedaan in het jaar 2022 als gevolg van de tijdelijke intensivering vanwege de koopkrachtontwikkelingen die in 2023 plaatsvindt. Vanwege de voorschotsystematiek krijgen ouders het kindgebonden budget over een bepaalde maand reeds in de maand daarvoor uitgekeerd. Het kindgebonden budget voor januari 2023 ontvangen ouders dus in december 2022. Hierdoor valt 1/12e van de kosten voor 2023, namelijk € 65 miljoen, van de intensivering per 2023 in het jaar 2022.

Vraag 301

Waar bestaan de terugontvangsten op de uitvoeringskosten UWV en SVB precies uit? Welke regelingen betreft dit?

Antwoord 301

De terugontvangsten (en nabetalingen) zijn afrekeningen naar aanleiding van het jaarverslag 2022 op de rijksgefinancierde regelingen van de ZBO’s. De bevoorschotte bedragen worden op basis van de realisatie afgerekend in 2023. Dit leidt tot terugontvangsten of nabetalingen. De terugontvangsten op de uitvoeringskosten UWV en SVB zijn uitgesplitst in onderstaande twee tabellen:

Uitvoeringskosten UWV

Terugontvangsten (x € 1 mln.)

NOW 1

17,8

NOW 2

8,9

Basisdienstverlening

5,7

Re-integratie Wajong

3,7

Kassierstaak

3,0

Landelijke ondersteuning

2,4

Inzet doelgroep banenafspraak

2,4

Overig

1,1

Totaal

45,0

Uitvoeringskosten SVB

Terugontvangsten (x € 1 mln.)

AKW

28,3

AIO

7,2

TAS

1,1

Overig

0,3

Totaal

36,9

Vraag 302

Wanneer komt de brief over motie Tielen (Kamerstuk 35 925 XV, nr. 43) naar de Kamer?

Antwoord 302

In deze motie wordt het kabinet gevraagd om in overleg met de sectoren inzichtelijk te maken op welke wijze de STAP-regeling en de O&O-fondsen elkaar versterken om te voorkomen dat ze elkaar tegenwerken, en de Tweede Kamer hierover voor de zomer van 2022 te informeren. In de recente Kamerbrief Beleidslijnen Leven Lang Ontwikkelen van 23 september 2022 is ingegaan op de motie Tielen: met de huidige opzet van het STAP-budget kunnen publieke en private middelen elkaar alleen versterken bij scholing van meer dan € 1.000. Vooralsnog wordt de hoogte van het STAP-budget gelijkgesteld aan 100% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 1.000. Om ervoor te zorgen dat publieke en private middelen aanvullend kunnen worden ingezet, kan in de latere doorontwikkeling van het STAP-budget de mogelijkheid worden opgenomen dat ook voor minder dure scholing het STAP-budget kan worden gecombineerd met private middelen van werkgevers en O&O-fondsen.

Vraag 303

Hoe kunnen werknemers meepraten over besluiten die genomen worden aan de cao-tafel als veel medewerkers in de sector geen lid zijn van een vakbond?

Antwoord 303

Ter voorbereiding op de cao-onderhandelingen kunnen vakbonden via verschillende kanalen ophalen wat er speelt, bijvoorbeeld via kaderleden die in de sector of onderneming werkzaam zijn. Ook leden van de ondernemingsraad kunnen een rol spelen in het overbrengen van wensen en behoeften van de werknemers in een onderneming. Vakbonden zijn daarnaast goed op de hoogte van de financiële ruimte en werkomstandigheden in een specifieke sector of onderneming. Zij zijn goed in staat om alle werknemers bij de cao-vorming te betrekken en zo een breed draagvlak voor de cao-afspraken te creëren. Ook als sprake is van een sector met een lagere organisatiegraad van werknemers. De vakbond ontleent haar legitimiteit aan de cao-tafel niet aan het aantal leden dat zij in een specifieke sector heeft. De vakbeweging stelt zich op in het algemeen belang van alle werknemers in een sector of onderneming. Het is niet de formele organisatiegraad, maar het feitelijk draagvlak dat daarbij telt. En dan blijkt dat ook in sectoren met een lagere organisatiegraad het grootste deel van de werknemers tevreden is met de cao en de vertegenwoordiging van hun belangen door de vakbond (bron CBS/TNO (NEA) 2021).

Vraag 304

Hoeveel leden van vakbonden die meepraten aan de cao-tafel over arbeidsvoorwaarden, zijn zelf geen arbeider (maar gepensioneerd)? Om hoeveel personen gaat dat en welk percentage van het ledenbestand van de vakbond is dit?

Antwoord 304

Het CBS publiceert tweejaarlijks over het aantal vakbondsleden in Nederland. Uit de meest recente (voorlopige) cijfers volgt dat in 2021 in totaal 1.504.200 mensen lid waren van een vakbond, waarvan bijna 324.000 leden de AOW-leeftijd hadden bereikt (bron CBS, Statline, geraadpleegd op 24-10-2022). Dit betreft 21,6% van het totaal aantal vakbondsleden.

Vraag 305

Hoeveel cao's kennen regelingen waarbij oudere werknemers met behoud van (meer dan een evenredig deel van het) salaris minder uren kunnen gaan werken? Klopt het dat de kosten van deze afspraken door iedereen die binnen de cao werkt worden betaald (omdat de loonruimte wordt verkleind)? Zo ja, kan inzicht worden gegeven in de mate van herverdeling van jong naar oud die deze afspraken met zich meebrengen? Hoe kijkt u naar (het algemeen verbindend verklaren van) deze cao-afspraken?

Antwoord 305

De rapportage cao-afspraken van het Ministerie van SZW rapporteert jaarlijks over afspraken die specifiek voor oudere werknemers zijn gemaakt. Uit de meest recente rapportage over 2021 volgt dat in alle 98 onderzochte cao’s afspraken staan voor oudere werknemers (Kamerstukken II 2021/22, 29 544, nr. 1122).

Voor 40% van de werknemers onder de onderzochte cao’s geldt dat in de cao afspraken zijn opgenomen over extra verlof voor oudere werknemers. Voor 32% van de werknemers is dit extra verlof volledig betaald. 8% van de werknemers hebben de mogelijkheid om met inhouding van een eigen bijdrage extra verlof op basis van leeftijd op te nemen.

Voor 52% van de werknemers zijn afspraken over extra arbeidsduurverkorting (adv) voor oudere werknemers opgenomen in de cao. De extra adv gaat voor 74% van de werknemers met een cao gepaard met het inleveren van loon. In 72% van de gevallen geldt dat het salaris minder dan evenredig wordt aangepast aan het aantal uren waarvoor de adv geldt.

Een specifieke vorm van adv voor ouderen is het generatiepact, waarbij een oudere werknemer met behoud van pensioenopbouw in staat wordt gesteld om minder te gaan werken. De twee meest voorkomende varianten zijn de 60/80/100 en 80/90/100 regeling. Voor 13% van de werknemers die onder een cao uit de steekproef vallen is de mogelijkheid tot een 60/80/100 regeling opgenomen. De 60-80-100 regeling houdt in dat een medewerker met een fulltime dienstverband 60% kan gaan werken tegen 80% salaris met behoud van 100% pensioenopbouw. De 80/90/100 regeling is de meest voorkomende regeling binnen het generatiepact, het gaat om 32% van de werknemers die onder een cao vallen uit de steekproef. De 80-90-100 regeling houdt in dat een medewerker met een fulltime dienstverband 80% kan gaan werken tegen 90% salaris met behoud van 100% pensioenopbouw.

Uit de rapportage cao-afspraken volgt ook dat in een aantal cao’s met betrekking tot een generatiepact specifiek is opgenomen dat de loonruimte die wordt vrijgemaakt met de arbeidsduurverkorting voor oudere werknemers, wordt benut voor het aantrekken van jongere werknemers.

Het Ministerie van SZW heeft geen inzicht in de mate van herverdeling van jong naar oud die deze afspraken met zich meebrengen. Wat betreft (het algemeen verbindend verklaren van) deze cao-afspraken, staat in Nederland het principe van contractsvrijheid centraal. Cao-partijen bepalen zelf of en met wie zij een cao afsluiten en welke afspraken zij daarin opnemen. Zij weten het beste wat er speelt in de desbetreffende sector en zijn op de hoogte van de financiële ruimte die er is. Uiteindelijk is de cao een evenwichtig pakket aan arbeidsvoorwaarden, dat in zijn geheel moet worden bezien. Het algemeen verbindend verklaren (avv) van cao-bepalingen is daarbij een cao-volgend en geen sturend instrument. Het beïnvloeden van arbeidsvoorwaarden kan op andere manieren, bijvoorbeeld via wet- en regelgeving of indirect via het centraal overleg met sociale partners.

Vraag 306

Hoe verhoudt het aantal leden van Nederlandse vakbonden zich tot het aantal leden van vakbonden in nabije landen?

Antwoord 306

Het aantal vakbondsleden in Nederland lag in 2021 op 1,5 miljoen (bron CBS, Statline, voorlopig cijfer, geraadpleegd op 24-10-2022). Dit aantal omvat vakbondsleden in alle leeftijdscategorieën, van jonger dan 25 jaar tot AOW-leeftijd of ouder. De leden kunnen werknemers zijn, maar bijvoorbeeld ook zelfstandigen, werklozen of gepensioneerden.

Voor een vergelijking met omringende landen is de database van de ILO geraadpleegd. Het percentage vakbondsleden in 2019 (2018 voor Frankrijk, cijfers 2019 zijn voor Frankrijk niet beschikbaar) voor Nederland en omringende landen is opgenomen in onderstaande tabel:

Land

Jaar

Percentage

Belgium

2019

49,1

Denmark

2019

67,0

Germany

2019

16,3

Luxembourg

2019

28,2

Netherlands

2019

15,4

Frankrijk

2018

8,9

De ILO sluit vakbondsleden die niet in loondienst zijn uit, dus vakbondsleden die bijvoorbeeld werkloos of gepensioneerd zijn, tellen niet mee (bron ILOSTAT, geraadpleegd 24-10-2022).

Vraag 307

Hoe verhoudt het aantal leden jonger dan 35 van Nederlandse vakbonden zich tot het aantal leden jonger dan 35 van vakbonden in nabije landen?

Antwoord 307

Het totaal aantal vakbondsleden in Nederland is 1.504.200. In onderstaande tabel staat de verdeling van het aantal leden over verschillende leeftijdscategorieën (bron CBS, Statline, voorlopig cijfer, geraadpleegd 24-10-2022). De uitsplitsing in aantallen naar leden jonger dan 35 jaar is niet te maken.

Periode

2021

       
           

Leeftijd

Totaal

Jonger dan 25 jaar

25 tot 45 jaar

45 jaar tot AOW-leeftijd

AOW-leeftijd of ouder

 

x 1000

x 1000

x 1000

x 1000

x 1000

Aantal

1504,2

35,5

347,7

797,1

323,9

Daarnaast is in de tabel hieronder opgenomen hoeveel procent van de personen in een bepaalde leeftijdsgroep lid is van de vakbond (bron CBS, Statline, geraadpleegd 24-10-2022):

Periode

2021

   

Percentage

%

   

Leeftijd: 15 tot 25 jaar

3,2

Leeftijd: 25 tot 35 jaar

9,6

Leeftijd: 35 tot 45 jaar

13,3

Leeftijd: 45 tot 55 jaar

17,1

Leeftijd: 55 tot 65 jaar

20,9

Leeftijd: 65 tot 75 jaar

15

Leeftijd: 75 jaar of ouder

8,8

De cijfers van de ILO met betrekking tot het aantal vakbondsleden in de ons omringende landen zijn niet uitgesplitst naar leeftijd of andere persoonskenmerken (bron ILOSTAT, geraadpleegd 24-10-2022).

Over het algemeen kan gesteld worden dat de ons omringende landen vergelijkbare ontwikkelingen kennen, zoals vergrijzing en individualisering, maar ook een verandering in de organisatie van werk en productie. Deze trends hebben net als in Nederland hun weerslag op het aantal vakbondsleden en de verspreiding van het aantal leden over de verschillende leeftijdscategorieën. Maar een cijfermatige vergelijking is op basis van de beschikbare informatie niet te geven.

Vraag 308

Hoe verhoudt het aantal leden ouder dan de pensioenleeftijd van Nederlandse vakbonden zich tot het aantal leden ouder dan de pensioenleeftijd van vakbonden in nabije landen?

Antwoord 308

Zie antwoord op vraag 307.

Vraag 309

Hoeveel verantwoordingsorganen worden samengesteld door middel van open verkiezingen?

Antwoord 309

De Pensioenwet schrijft voor dat leden van verantwoordingsorganen bij een pensioenfonds kunnen worden benoemd door verenigingen van belanghebbenden of door het houden van verkiezingen. In het laatste geval kunnen kandidaten worden voorgedragen door verenigingen of door individuele deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden. Het kabinet heeft geen cijfers bij hoeveel pensioenfondsen vrije verkiezingen worden gehouden voor de leden van de verantwoordingsorganen, bij hoeveel pensioenfondsen de leden van het verantwoordingsorgaan worden benoemd door verenigingen van belanghebbenden en wat de leeftijdssamenstelling van de verantwoordingsorganen is.

Vraag 310

Hoeveel verantwoordingsorganen bestaan uit leden die worden benoemd door dezelfde partijen als die de pensioenregeling vormgeven en/of bestuursleden benoemen? Hoeveel pensioenfondsen kennen deze mengeling van verantwoordelijkheden niet?

Antwoord 310

Zie antwoord op vraag 309.

Vraag 311

Hoeveel jongeren hebben de opleiding tot pensioenfondsbestuurder voltooid en hoeveel jongeren zitten er daadwerkelijk in een pensioenfondsbestuur?

Antwoord 311

Eén van de manieren om jongeren op te leiden tot pensioenfondsbestuurder is via de «PensioenLab Academie». Zij leiden dit jaar voor het tweede achtereenvolgende jaar jonge mensen, tussen de 20 en 35 jaar op tot pensioenfondsbestuurder. In 2021 zijn 10 jonge bestuurders opgeleid en in 2022 worden 15 jongeren opgeleid. Hoeveel jongeren via een andere route worden opgeleid tot pensioenfondsbestuurder is onbekend. Zoals aan uw Kamer met de verzamelbrief pensioenonderwerpen (Kamerstukken II 2021/22, 32 043, nr. 592) is aangegeven, zit in 39% van de pensioenfondsen minimaal 1 jongere onder de 40 jaar in het pensioenfondsbestuur. Opgemerkt dient te worden dat zittende jonge bestuurders op enig moment de leeftijd van 40 jaar bereiken en daarmee niet meer onder de definitie van jong vallen.

Vraag 312

Hoeveel benoemingen door voordragende in verantwoordingsorganen bestonden uit jongeren? Hoe verhoudt zich dat tot het aantal jongeren dat in een verantwoordingsorgaan zit dankzij open verkiezingen?

Antwoord 312

Zie antwoord op vraag 309.

Vraag 313

Hoe kunnen deelnemers van een pensioenfonds in contact komen met haar of zijn vertegenwoordiger bij het verantwoordingsorgaan bij dat pensioenfonds?

Antwoord 313

Deelnemers kunnen, via de website van hun pensioenfonds, contact opnemen met het verantwoordingsorgaan. Op het moment dat er verkiezingen worden georganiseerd ten behoeve van het verantwoordingsorgaan worden deelnemers geïnformeerd over de mogelijkheden om zich verkiesbaar te stellen en vervolgens worden zij via het pensioenfonds benaderd om te stemmen.

Vraag 314

Is het technisch mogelijk om op mijnpensioenoverzicht.nl contactgegevens te plaatsen van het verantwoordingsorgaan van het pensioenfonds? Zo ja, waarom gebeurt dit niet?

Antwoord 314

Mijnpensioenoverzicht.nl haalt op het moment dat wordt ingelogd via vooraf vastgestelde koppelingen gegevens op uit de administratie van pensioenuitvoerders waar dit individu pensioen heeft opgebouwd. Op dit moment is er geen koppeling die gegevens over de verkiezingen of samenstelling van het verantwoordingsorgaan doorstuurt van de pensioenuitvoerder naar mijnpensioenoverzicht.nl. Daarmee is het weergeven van deze gegevens op dit moment niet mogelijk.

Daarbij dient te worden opgemerkt dat het tonen van dergelijke informatie ook niet past bij het doel van MPO.nl. Het doel van MPO.nl is namelijk om de deelnemers op een begrijpelijke wijze een overzicht te geven in het pensioeninkomen dat zij mogen verwachten. Daarnaast geeft MPO.nl informatie over de gevolgen van enkele keuzes binnen de pensioenregeling en gebeurtenissen in iemands leven op het verwachte pensioeninkomen. Wel toont MPO.nl in het overzicht ook een doorverwijzingslink naar de website van de pensioenuitvoerder. Deelnemers die behoefte hebben aan meer specifieke informatie over hun pensioenregeling en aanverwante medezeggenschap kunnen deze informatie op de website van hun pensioenuitvoerder vinden.

Vraag 315

Is het technisch mogelijk om op mijnpensioenoverzicht.nl informatie te plaatsen over hoe en wanneer deelnemers kunnen verzoeken om open verkiezingen voor het verantwoordingsorgaan van het pensioenfonds? Zo ja, waarom gebeurt dit niet?

Antwoord 315

Zie het antwoord op vraag 314.

Vraag 316

Hoe worden leden van de ondernemingsraad van een bedrijf geïnformeerd over de mogelijkheid die bestaat om met 1% van de deelnemers van een pensioenfonds om open verkiezingen voor het verantwoordingsorgaan te verzoeken?

Antwoord 316

Open verkiezingen kunnen op grond van de Pensioenwet op eigen initiatief van het bestuur van het pensioenfonds worden georganiseerd of indien dit wordt verzocht door ten minste 1% van de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden of door ten minste 500 deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden. Het pensioenfonds is niet verplicht om deelnemers of vertegenwoordigers van deelnemers hierover te informeren.

Vraag 317

Hoe wordt de Kamer betrokken bij het bepalen van de specifieke inzichtbehoeften voor de periodieke rapportage verlofregelingen?

Antwoord 317

Uw Kamer zal conform de uitwerking (Kamerstukken II 2014/15, 34 000, nr. 52) van de motie Harbers c.s. (Kamerstukken II 2014/15, 34 000, nr. 36) middels een brief worden geïnformeerd over de opzet van de periodieke rapportage verlofregelingen. Deze brief zal uiterlijk voor Prinsjesdag 2023 met uw Kamer worden gedeeld.

Vraag 318

Kan een overzicht worden gegeven tussen de verhouding van de bedragen in tabel 209 en de uitgaven in Europees Nederland voor dezelfde artikelen?

Antwoord 318

Onderstaande tabellen geven de verhouding weer tussen de uitgaven Caribisch Nederland en de uitgaven voor dezelfde artikelen in Europees Nederland. Om tot de uitgaven van Europees Nederland te komen zijn de begrotingsgefinancierde- en premiegefinancierde uitgaven per artikel uit de begroting bij elkaar opgeteld (gecorrigeerd voor het aandeel van Caribisch Nederland). Artikel 98 is in de tabel voor Europees Nederland buiten beschouwing gelaten. Op artikel 98 stonden voor Caribisch Nederland tot en met 2021 de uitvoeringskosten. Deze worden vanaf 2022 verantwoord op artikel 11. Artikel 98 is inmiddels opgeheven (bestaat niet meer op de begroting van SZW).

Tabel Departementaal overzicht Rijksuitgaven Caribisch Nederland (bedragen x € 1.000)

Tabel Departementaal overzicht Rijksuitgaven Caribisch Nederland (bedragen x € 1.000)

Tabel Verhouding met uitgaven Europees Nederland (x € 1.000.000)

Tabel Verhouding met uitgaven Europees Nederland (x € 1.000.000)