Gepubliceerd: 1 juli 2022
Indiener(s): Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66)
Onderwerpen: burgerlijk recht recht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35990-6.html
ID: 35990-6

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 1 juli 2022

Met belangstelling heb ik kennis genomen van de opmerkingen en vragen van de leden van de fracties van de VVD, D66, CDA, PvdA, SP, ChristenUnie, Volt, SGP en BIJ1. Iedereen heeft een naam en bij velen roept het naamrecht emoties op. Dat zie ik terug in de betrokkenheid die blijkt uit de inbreng van de leden van de Tweede Kamer. Ik stel dat op prijs, want zo kunnen we op een zorgvuldige wijze met elkaar van gedachten wisselen om tot een goede regeling te komen. De vragen uit het verslag beantwoord ik op basis van de indeling zoals die ook in het verslag is gemaakt:

  • I. ALGEMEEN DEEL

  • 1. Inleiding

  • 2. Context van het voorstel en gevolgen voor grondrechten

  • 3. Voorgestelde regeling

  • 4. Consultatie

  • 5. Financiële gevolgen en gevolgen voor organisaties en personen

  • 6. Regeling in Caribisch Nederland

  • II. ARTIKELSGEWIJS

Artikel I Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek

Artikel II Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek

I. ALGEMEEN DEEL

1. Inleiding

De leden van de CDA-fractie vragen zich af of het wetsvoorstel leidt tot het doorschuiven van een probleem naar volgende generaties. Ook vragen zij voor welk probleem dit wetsvoorstel een oplossing is en wat de toegevoegde waarde is.

Met het wetsvoorstel is beoogd om mensen meer keuzevrijheid te bieden voor de geslachtsnaam van kinderen. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de wens van het deel van de burgers dat het kunnen doorgeven van de geslachtsnamen van beide ouders van grote toegevoegde waarde vindt om de verbondenheid met beide ouders tot uitdrukking te kunnen brengen. Ook volgende generaties hebben daardoor meer keuzes. Bij de beperking van het aantal namen tot twee, is een evenwicht gezocht tussen het kunnen dóórgeven en behouden van de geslachtsnamen enerzijds, en een praktische uitkomst anderzijds.

De leden van de fractie van het CDA vragen wat dit voorstel betekent voor kinderen van alleenstaande moeders en of dit niet kan leiden tot stigmatisering van kinderen die slechts één achternaam hebben.

Elk kind in Nederland verdient gelijke kansen in de samenleving, ongeacht de vorm van het gezin waarin het opgroeit. Voor zover er een negatief stempel op kinderen zou worden gezet vanwege het feit dat zij in een eenoudergezin opgroeien, zet ik mij in voor verbetering van de acceptatie van diverse leefstijlvormen zodat elk kind een gelijkwaardige positie heeft in de samenleving. Ik verwacht daarbij niet dat deze regeling zal leiden tot stigmatisering. Gelet op de uit de publiekspeiling blijkende 21 procent van de ouders die een dubbele achternaam wensen, zal een kind met een enkele achternaam voorlopig gebruikelijk blijven, ook bij kinderen met twee ouders. En vanaf de volgende generatie na inwerkingtreding, heeft een kind met een dubbele achternaam ook niet per definitie twee ouders.

De leden van de CDA-fractie wijzen op een mogelijke complicatie bij consequente navolging van het wetsvoorstel, omdat er strijd kan ontstaan met een ander principe van het naamrecht. In artikel 1, lid 2 van het Besluit geslachtsnaamswijziging is bepaald dat een nieuw gecreëerde geslachtsnaam een naam is die nog niet in Nederland voorkomt. Kan de regering nader ingaan op deze strijdigheid?

Op grond van artikel 1 van het Besluit geslachtsnaamswijziging kunnen onder meer worden gewijzigd onwelvoeglijke, bespottelijke, veelvoorkomende namen en niet-Nederlandse namen van personen die door (mede)naturalisatie of (mede)optie het Nederlanderschap hebben verkregen. In lid 2 van artikel 1 is aangegeven op welke manier wijziging plaatsvindt; de nieuwe achternaam moet zoveel mogelijk lijken op de huidige achternaam. Lukt dat niet door bijvoorbeeld een paar letters te veranderen, dan kan betrokkene kiezen voor de naam van de andere ouder. Als dat niet kan, mag een nieuwe Nederlands klinkende achternaam worden gekozen, maar die achternaam mag nog niet in Nederland voorkomen. Hiermee wordt voorkomen dat door naamswijziging de suggestie kan ontstaan dat de betreffende persoon tot een bepaalde familie behoort, hetgeen niet het geval is. Dat is anders bij naamskeuze voor een dubbele naam; het kind hoort dan immers juist wel tot de betreffende families.

Momenteel is wijziging van de achternaam door het toevoegen van een naam niet toegestaan op grond van het Besluit geslachtsnaamswijziging.1 Wanneer dit wetsvoorstel in werking treedt, zal het Besluit geslachtsnaamswijziging op dit punt moeten worden aangepast.

Naar aanleiding van de verzoeken van de ChristenUnie en de VVD-fractie is de publiekspeiling, behorende bij de impactanalyse van de VNG, als bijlage bij deze nota gevoegd2.

2. Context van het voorstel en gevolgen voor grondrechten

Overgangsregeling

De leden van de fracties van de PvdA, SP, VVD, D66 en CDA hebben vragen gesteld over de keuze om geen overgangsregeling op te nemen. Gevraagd wordt om een nadere onderbouwing van de keuze om af te zien van een overgangsregeling (VVD, PvdA, SP), nadere uitleg over uitvoerings- en kostenaspecten, alsmede de IPR-aspecten (VVD, D66, SP), de voor- en nadelen van de Franse en Belgische overgangsregelingen (D66), en de mogelijkheden van een overgangsregeling die deels ten laste van de verzoekende ouders zou komen (VVD, D66, CDA).

De door de leden gestelde vragen hebben geleid tot een heroverweging en het alsnog introduceren van een overgangsregeling bij dit voorstel. De daartoe strekkende nota van wijziging wordt tegelijkertijd met deze nota naar aanleiding van het verslag aan uw Kamer aangeboden.

De voorgestelde overgangsregeling zal voorzien in een tijdelijke mogelijkheid voor ouders van nog vrij jonge kinderen die zijn geboren voor de datum van inwerkingtreding van deze wet om een hernieuwde naamskeuze te doen, zodat deze kinderen alsnog een gecombineerde geslachtsnaam kunnen verkrijgen.

Voor de bepaling van de omvang van de groep kinderen die in aanmerking komt voor het alsnog verkrijgen van een gecombineerde geslachtsnaam, is aangesloten bij de datum van aanvaarding door de Tweede Kamer van de motie Groothuizen/Bergkamp,3 waarin de regering werd verzocht een wetsvoorstel in te dienen waarmee het mogelijk zou worden om te kiezen voor een dubbele geslachtsnaam. Omdat ouders vanaf die datum verwachtingen konden hebben over het kunnen doorgeven van hun beider geslachtsnamen aan hun kind(eren), is het gerechtvaardigd om de keuzemogelijkheid voor een gecombineerde geslachtsnaam tijdelijk ook aan die groep ouders te bieden. Het gaat dan om een groep kinderen die op dit moment maximaal ongeveer drieënhalf jaar oud is.4 Op het moment dat het wetsvoorstel de status van wet bereikt en in werking treedt zal het dan naar verwachting nog steeds gaan om vrij jonge kinderen die zich nog slechts in beperkte mate bewust zullen zijn van hun geslachtsnaam. In de overgangsregeling bij de wet waarin de naamskeuzemogelijkheid met ingang van 1 januari 1998 werd ingevoerd (Stb. 1997, 161), was voorzien in een ruimere groep kinderen voor wie alsnog naamskeuze voor de naam van de moeder kon worden gedaan. Bepaald was dat dat mogelijk was tot het moment dat het oudste kind de leeftijd van twaalf jaar bereikte. Het beleid om terughoudend om te gaan met de wijziging van de naam van kinderen is echter sedertdien aangescherpt en ook in de rechtspraak wordt deze terughoudendheid betracht.5 De naam van een kind vormt immers onderdeel van zijn identiteit en wordt als zodanig ook beschermd door artikel 8 van het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Elke grens die wordt aangebracht om de groep voor wie de overgangsregeling geldt te beperken, zal arbitrair zijn, maar het is noodzakelijk om daarin een keuze te maken. Voor jonge kinderen die zich nog niet zo zeer bewust zijn van de geslachtsnaam die zij dragen, geldt minder sterk dat hun identiteit wordt aangetast als hun naam wijzigt. Dat geldt temeer omdat de bij nota van wijziging voorgestelde mogelijkheid tot aanpassing van de geslachtsnaam geen verlies van de oorspronkelijke geslachtsnaam van het kind oplevert, maar bestaat in een toevoeging van de naam van de andere ouder. Oudere kinderen zullen, onder meer doordat zij intussen hebben leren lezen en schrijven, zich in toenemende mate bewust zijn van de geslachtsnaam die zij dragen. Voor hen is, gelet op het streven naar zoveel mogelijk behoud van hun identiteit, van belang om de terughoudendheid bij het wijzigen van hun geslachtsnaam te handhaven. Bovenstaande overwegingen hebben ook geleid tot de keuze om de overgangsregeling voor de duur van één jaar open te stellen.

Uitgangspunt van de huidige en toekomstige regeling om naamskeuze te doen is dat ouders het daar samen over eens zijn. Het doen van naamskeuze voor het eerste kind van de ouders is noch in de huidige, noch in de voorgestelde regeling verplicht. Als ouders geen gezamenlijke verklaring van hun keuze afleggen ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand, neemt de ambtenaar van de burgerlijke stand de geslachtsnaam van het kind op zoals deze door de wet wordt bepaald. Kort gezegd komt de wettelijke vangnetnorm erop neer dat als het eerste kind buiten huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt geboren het de geslachtsnaam van de moeder verkrijgt en als het binnen huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt geboren het de geslachtsnaam van de vader verkrijgt. Alle volgende kinderen van dezelfde ouders krijgen dezelfde geslachtsnaam als het eerste kind. Ditzelfde uitgangspunt dat de ouders het eens moeten zijn over de te kiezen geslachtsnaam, is eveneens van toepassing in de voorgestelde overgangsregeling. Ook die is alleen toegankelijk voor ouders die er allebei gebruik van wensen te maken. Komen de ouders niet tot een eensluidende gezamenlijke verklaring, dan houden de kinderen de geslachtsnaam die zij hebben.

Op eenzelfde wijze als de naamskeuze bij geboorte of erkenning bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, biedt deze overgangsregeling de mogelijkheid van (een nieuwe) naamskeuze voor de gecombineerde geslachtsnaam aan de balie van de gemeente. Als de ouders de hernieuwde naamskeuze in hun woonplaats doen, kan de gecombineerde geslachtsnaam van het kind aan de hand van de akte van naamskeuze direct worden verwerkt in de Basisregistratie personen, zodat de ouders desgewenst ook meteen een nieuw reisdocument voor het kind kunnen aanvragen.

Teneinde het voor ouders van wie de kinderen in verschillende plaatsen zijn geboren of die intussen zijn verhuisd zo gemakkelijk mogelijk te maken om gebruik te maken van de overgangsregeling wordt voorgesteld om de gezamenlijke verklaring te kunnen afleggen ten overstaan van iedere ambtenaar van de burgerlijke stand. De ambtenaar van de burgerlijke stand ten overstaan van wie de gezamenlijke verklaring wordt afgelegd, maakt daarvan een akte van naamskeuze op en zendt die, indien van toepassing, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand onder wie de akte van geboorte van het kind berust. Die ambtenaar zal dan de akte van naamskeuze als latere vermelding aan de geboorteakte toevoegen.

Als door ouders gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid die deze overgangsregeling biedt om alsnog te kiezen voor een gecombineerde geslachtsnaam, blijft het uitgangspunt van eenheid van naam in het gezin gelden. Dat betekent dat als de ouders meer dan één kind hebben, de keuze voor de gecombineerde geslachtsnaam voor al hun kinderen geldt. Eventuele volgende kinderen van dezelfde ouders krijgen eveneens dezelfde gecombineerde geslachtsnaam. Voor het levenloos geboren kind blijft gelden dat een door de ouders gedane naamskeuze alleen geldt ten aanzien van dit kind.

De mogelijkheid om met deze overgangsregeling een hernieuwde naamskeuze te doen en deze te verwerken in de registers van de burgerlijke stand en de Basisregistratie personen zal voor gemeenten extra werkzaamheden betekenen. Voor de hiermee verbonden kosten wordt verwezen naar de toelichting bij het wetsvoorstel. Voor deze kosten bestaat ook nu geen ruimte binnen de begroting van Justitie en Veiligheid. Om ouders desondanks niet de mogelijkheid van een hernieuwde naamskeuze te ontzeggen, ligt het in de rede om de kosten voor de naamswijziging ten laste te laten komen van de ouders die er daadwerkelijk gebruik van wensen te maken en daarmee profijt hebben van de regeling. Naar verwachting zullen in het Europese deel van Nederland de kosten van het verwerken van de nieuw gekozen gecombineerde geslachtsnaam uitkomen op circa € 50,00 per kind, waarbij de kosten voor tweede en volgende kinderen van eenzelfde ouderpaar rond de € 37,50 zullen liggen. De kosten die in de openbare lichamen verbonden zullen zijn aan het tijdelijk door ouders kunnen laten doen van een hernieuwde naamskeuze, worden nog onderzocht.

Voor deze overgangsregeling dienen burgerzakenapplicaties te worden aangepast. De kosten daarvan bedragen blijkens de door de VNG opgestelde impactanalyse € 300.000. Deze kosten worden gedekt binnen de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.

De overgangsregeling heeft geen bijzondere gevolgen voor het internationaal privaatrecht. Ouders zullen erop bedacht moeten zijn dat als zij kiezen voor een geslachtsnaamswijziging voor hun kinderen, terwijl het kind ook een andere nationaliteit heeft, deze geslachtsnaamswijziging zal moeten worden doorgegeven aan de overheidsinstanties van die staat, om ook aldaar te kunnen worden verwerkt in de administratie. Of de naamswijziging voor erkenning in aanmerking komt is aan het Internationaal Privaatrecht van die betreffende staat. Dit is overigens niet anders in andere gevallen van naamswijziging.

Vangnetnorm

De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom de regering niet kiest voor een sekseneutrale benadering zoals in België, waar is bepaald dat een eerste gemeenschappelijk kind in geval van onenigheid tussen de ouders over de naam van het kind, de naam van beide ouders in alfabetische volgorde zal dragen.

De leden van de fractie van D66 vragen of de regering van oordeel is dat het familierecht leefvormneutraal zou moeten zijn. Ook vragen zij of dit niet het uitgelezen moment is om de vangnetnorm te vervangen en hoe dit zich verhoudt tot het 2/3 deel van de bevolking dat positief of neutraal staat tegenover gecombineerde geslachtsnaam.

De leden van de fractie van Volt vragen om nader toe te lichten (i) waarom het behoud van de huidige vangnetnorm volgens de regering niet bijdraagt aan een ongelijke genderverhouding; (ii) waarom het behoud van de vangnetnorm toch gerechtvaardigd is volgens de regering; en (iii) daarbij in te gaan op de consultatiereactie van Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann.

Van de bevolking staat 2/3 deel positief of neutraal tegenover de mogelijkheid om kinderen een dubbele achternaam te geven. Dat deze groep positief of neutraal staat tegenover het invoeren van een regeling die het mogelijk maakt dat kinderen een dubbele achternaam krijgen, zegt nog niets over de keuze die zij als dat mogelijk zou zijn ook daadwerkelijk zouden maken. Desgevraagd gaf van de mensen in de mogelijke doelgroep (mannen en vrouwen tussen de 25 en 45 jaar) 21 procent aan dat zij zouden kiezen voor een dubbele achternaam. Bij deze stand van zaken zou het vervangen van de vangnetnorm door een gecombineerde geslachtsnaam op dit moment voor de burgers en de burgerlijke standen van de gemeenten een aanzienlijke verzwaring van de administratieve lasten betekenen. Alle mensen die niet een gecombineerde geslachtsnaam voor hun kind willen, moeten dan een akte van naamskeuze laten opmaken. Gelet op deze consequenties acht de regering de handhaving van de huidige vangnetnorm gerechtvaardigd. Wat betreft de alfabetische volgorde geldt daarbij nog dat dit systeem ertoe zou kunnen leiden dat de geslachtsnamen die beginnen met de latere letters uit het alfabet langzaamaan zullen verdwijnen. Daar ben ik geen voorstander van.

De huidige vangnetnorm is licht in het voordeel van de geslachtsnaam van de moeder, maar leidt er desalniettemin toe dat het aantal kinderen dat de naam van de vader krijgt veel hoger is dan het aantal dat de naam van de moeder krijgt. De meeste eerste kinderen worden namelijk geboren buiten een huwelijk of geregistreerd partnerschap. Als ouders in die situatie geen actie ondernemen dan krijgt het kind de naam van de moeder. Kennelijk geven veel ouders in die situatie toch de voorkeur aan de naam van de vader en doen daarvoor bij gelegenheid van de erkenning dan expliciet naamskeuze. Dit neemt niet weg dat als er een kind wordt verwacht, de aanstaande ouders vaak al genoeg te doen hebben en het is voorstelbaar dat een naamskeuze soms ook wordt nagelaten vanuit praktische overwegingen of onbekendheid met de mogelijkheden. Het is echter de verwachting dat dit effect beperkt is. Deze verwachting is gebaseerd op het WODC-rapport «De gekozen achternaam» (2002), waarin de feitelijke werkingskracht is onderzocht van de keuzemogelijkheid die sinds 1998 in de wet is opgenomen voor de achternaam van de ene of de andere ouder. In dit WODC rapport is ook de gelijkwaardigheid in het proces onderzocht. De meeste ouders maken de naamskeuze in een zeer vroeg stadium (het begin van de zwangerschap). En veruit de meeste ouders (78%) vonden de naamskeuze makkelijk en waren tevreden over het verloop van het overleg. De onderzoekers leidden hieruit af dat in hoge mate omstandigheden aanwezig zijn die de werking van de wet begunstigen: een gemeenschappelijke keuze in harmonie genomen. De extra naamskeuze verruimde de mogelijkheden voor ouders om uitdrukking te geven aan hun gevoel van saamhorigheid binnen hun gezin of familie.

In de reactie op de over dit wetsvoorstel gehouden internetconsultatie schrijven veel ouders dat zij een dubbele achternaam zien als eerlijker en gelijker. Er zijn ook ouders die signaleren dat de traditie van invloed is op het keuzeproces. Soms in positieve zin, soms in negatieve. Het staat ouders vrij om de traditie mee te wegen in de naamskeuze voor het kind. Als de traditie voelt als een plicht om voor de ene of de andere naam te kiezen, kan de extra keuzemogelijkheid een compromis zijn met meer gelijkwaardigheid tussen ouders.

Een sekseneutrale vangnetnorm zoals de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann voorstaat, leidt zoals uiteengezet tot extra administratieve lasten voor veel burgers en de burgerlijke stand. Het voorstel sluit daarom aan bij de wens van de meerderheid van de bevolking op zo’n manier dat deze lasten zo beperkt mogelijk zijn. De maatschappelijke ontwikkelingen gaan echter door. Bij de evaluatie kan ook worden bezien of er ontwikkelingen zijn die tot aanpassing van de vangnetnorm nopen.

Wenselijkheid wetsvoorstel

De leden van de ChristenUnie-fractie en de SGP-fractie vragen om een nadere onderbouwing van de behoefte aan deze wijziging van het naamrecht onder burgers. de leden van de SGP-fractie vragen of de regering die ontwikkeling in de tijd uiteen kan zetten.

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar paragraaf I, onder 1, eerste vraag en de nadere uitleg van het aandeel van de ondervraagden dat positief is onder het kopje vangnetnorm hierboven. Daarbij valt tevens te wijzen op het rapport Bouwstenen voor een nieuw naamrecht uit 2009 waarin de behoefte aan meer keuzevrijheid uiteen is gezet. Dat de behoefte bij tenminste een deel van de bevolking leeft, blijkt ook uit de enkele honderden burgerbrieven die het Ministerie van Justitie en Veiligheid in korte tijd over dit onderwerp heeft ontvangen. Gegevens over de ontwikkeling van deze behoefte onder burgers in de tijd zijn mij niet bekend.

De leden van de ChristenUnie vragen de regering nader aan te geven welke problemen mensen met meerdere nationaliteiten in hun privé of beroepsleven momenteel kunnen ondervinden en wat de oorzaak is voor het feit dat zij in verschillende landen verschillende namen hebben. De leden van de SGP-fractie vragen de regering nader te onderbouwen dat het hier niet een overwegend theoretisch probleem betreft dat zich slechts in een beperkt aantal situaties voordoet, maar dat het gaat om problemen waar burgers meer dan voornamelijk in bijzondere situaties tegenaan lopen. Wanneer en op welke wijze zijn hierover bijvoorbeeld klachten geuit bij het departement of in onderzoeken?

Bij mensen die twee of meer nationaliteiten hebben kan het gebeuren dat dezelfde persoon in de landen waarmee hij door nationaliteit verbonden is, onder verschillende namen geregistreerd staat. Hiervan kunnen deze personen veel hinder ondervinden in hun privé en beroepsleven. Zo kunnen bijvoorbeeld akten en andere officiële documenten in het ene land op een andere naam staan dan die die persoon heeft in het andere land. Dat dit onwenselijk is, blijkt ook uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU. De oorzaak is dat elk land zelf kan bepalen welk naamrecht moet worden toegepast op personen met de nationaliteit van dat land. Dat kan per nationaliteit en per land een verschillende naam opleveren. Voorbeelden van daadwerkelijke problemen zijn te vinden in de jurisprudentie.6 Daarnaast zal in veel gevallen een beroep op artikel 3a, lid 1, sub b, van het Besluit geslachtsnaamswijziging noodzakelijk zijn, hetgeen kosten voor betrokkene met zich meebrengt die te vermijden zijn als de keuze voor een naam naar het naamrecht van de tweede nationaliteit aan de balie van de burgerlijke stand mogelijk wordt.

De leden van de SGP-fractievragen of de regering ook van mening is dat de regeling inzake geslachtsnamen niet primair bedoeld is om keuzevrijheid te bieden aan burgers om hun wensen te realiseren, maar dat sprake is van een maatschappelijke ordening die betrouwbaarheid en stabiliteit wil bieden.

Het naamrecht heeft verschillende functies. Zo is de naam een belangrijk onderdeel van de identiteit van een persoon. Een naam geeft ook aan tot welke familieverbanden iemand hoort. Daarnaast heeft de naam een identificerende functie. Deze laatste functie is de afgelopen jaren in elk geval in relatie tot overheidsorganisaties minder belangrijk geworden, omdat in de loop van de tijd de naam is aangevuld met andere identificatiemiddelen waaronder biometrische gegevens als vingerafdrukken en het Burger Service Nummer (BSN). De naam is door technische ontwikkelingen voor de overheid en andere instellingen niet meer het enige identificatiemiddel. In het maatschappelijk leven heeft de naam wel nog steeds een belangrijke identificerende functie. Dit alles maakt dat in het naamrecht een balans moet worden gevonden tussen enerzijds de functie van de naam als ordeningsmiddel en anderzijds als onderdeel van iemands identiteit waarbij een zekere keuzevrijheid wenselijk is.

De leden van de SGP-fractie vragen of het belang van het kind, een onderschoven kind is bij de voorbereiding van het wetsvoorstel en of de regering alsnog kan aangeven hoe zij het belang van het kind weegt en hoe de zich ontwikkelende vermogens van het kind hierin worden verdisconteerd. De leden van de SGP-fractie vragen voorts of het wenselijk is dat een dertienjarig kind zijn enkelvoudige achternaam waarmee hij is opgegroeid gewijzigd ziet in de dubbele, gecombineerde achternamen van de ouder met wie hij pas een beperkte tijd omgaat. Ook vragen zij of in dergelijke situaties een duidelijker toets op het belang van het kind vanuit het perspectief van de kinderrechten niet wenselijk zou zijn.

In het wetsvoorstel is rekening gehouden met de belangen van het kind. Ook voor ouders zullen die belangen van zwaarwegend belang zijn. Er bestaan daarbij geen aanwijzingen dat een dubbele achternaam op zich in strijd komt met het belang van het kind. Het belang van het kind bij behoud van de eigen identiteit (artikel 8 IVRK) maakt wel dat terughoudend dient te worden omgegaan met de wijziging van namen van kinderen, zeker als het gaat om oudere kinderen. Een huwelijk of een geregistreerd partnerschap brengt mede daarom geen naamswijziging van rechtswege tot stand voor een kind dat reeds was geboren voor de ouders hun huwelijk of geregistreerd partnerschap sloten. Daar is een uitdrukkelijke naamskeuze voor nodig die ouders weloverwogen en, indien dat past bij de leeftijd, in overleg met het kind zullen maken. In het ongunstige geval dat een kind zich uiteindelijk toch niet kan vinden in de gemaakte keuze kan het kind gedurende een periode van drie jaar na het bereiken van de meerderjarigheid zelf verzoeken om wijziging van de geslachtsnaam op grond van het Besluit Geslachtsnaamswijziging.

3. Voorgestelde regeling

Mogelijkheden overgangsregeling

De leden van de D66-fractie vragen de regering om in te gaan op de regelingen met terugwerkende kracht die van toepassing waren bij de invoering van de dubbele geslachtsnaam in Frankrijk en België. Wat zijn de voor- en nadelen van de respectievelijke regelingen daar, vragen de leden van de D66-fractie. Deze leden wijzen erop dat in België een aanvraagtermijn gold. Dat wil zeggen dat ouders in de periode van één jaar na de ingang van de dubbele geslachtsnaam de mogelijkheid hadden om deze aan te vragen. Zou dit de uitvoeringslast beperken, zo vragen deze leden.

De leden van de D66-fractie vragen voorts wat het zou betekenen voor de invoeringskosten van een overgangsregeling als ouders zelf (een deel van) de kosten van de naamswijziging voor al geboren kinderen op zich nemen. Wat zou dit betekenen voor de totale kosten van invoering, zo vragen deze leden, er van uitgaande dat de kosten in dezelfde ordegrootte liggen als een wijziging van de geslachtsnaam.

Wat betreft de keuze om alsnog een overgangsregeling op te nemen en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen, wordt verwezen naar paragraaf 2, onder het kopje overgangsregeling.

De leden van de D66-fractie vragen of het ontbreken van een regeling met terugwerkende kracht problemen kan opleveren in situaties waar een eerder geboren kind pas later door de vader wordt erkend. Zij schetsen de volgende situatie: Een ongetrouwd stel (voor het voorbeeld nemen we een man en een vrouw) krijgen een kind. De man erkent het kind niet, dus het kind krijgt de achternaam van de vrouw. Daarna trouwen de man en de vrouw, waarna zij nog een kind krijgen. Zij besluiten dit kind een gecombineerde geslachtsnaam te geven. Daarna erkent de vader het kind dat zij eerder samen gekregen hebben. Het stel heeft nu twee kinderen, maar kan bij het ontbreken van de mogelijkheid van een terugwerkende kracht geen eenheid van naam in het gezin realiseren. Klopt het dat voor deze gevallen terugwerkende kracht nodig is, zo vragen deze leden. Voorgenoemde leden wijzen in dit kader ook op de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch uit 2014, waar een soortgelijke casus voorlag. In dit geval ging het om een vader die twee kinderen wilde erkennen die hij had gekregen met een vrouw met wie hij al eerder een kind had gekregen waarvan hij reeds de juridische ouder was. Het eerste kind droeg al de naam van de vader, de andere twee de naam van de moeder. De rechtbank bepaalde dat de wet geen ruimte biedt voor de vader om de jongste twee minderjarigen te erkennen zónder dat dit tot gevolg heeft dat de geslachtsnaam van deze jongste twee minderjarigen wordt gewijzigd in de geslachtsnaam van de vader. Als destijds de optie van een dubbele geslachtsnaam al had bestaan, en het eerstgeboren kind had een dubbele geslachtsnaam gehad, dan zou het principe van eenheid van naam hebben vereist dat ook het tweede en derde kind met terugwerkende kracht de dubbele geslachtsnaam zouden krijgen. Deze leden ontvangen hierop graag een reactie van de regering.

Een kind dat nog niet is erkend, heeft de geslachtsnaam van de moeder. Als de moeder trouwt, dan behoudt het kind deze geslachtsnaam omdat het huwelijk geen afstammingsrelatie tot stand brengt. Als het kind na het huwelijk alsnog wordt erkend door de echtgenoot van de moeder, terwijl de ouders op het moment van de erkenning samen al een ander kind hebben, dan kan geen naamskeuze worden gedaan en krijgt het kind van rechtswege, als gevolg van de erkenning, dezelfde achternaam als het andere kind. Daarbij is niet de volgorde van geboorte bepalend maar de vraag of ouders al een kind hebben, dat op een eerder moment in de tijd in familierechtelijke betrekking tot beide ouders is komen te staan. In het door de leden van de D66-fractie gegeven voorbeeld, krijgt het oudste kind dat pas door de vader wordt erkend nadat de inmiddels gehuwde ouders een tweede kind hebben gekregen, alsnog van rechtswege dezelfde dubbele geslachtsnaam als dit broertje of zusje. Door deze werking van het beginsel van de eenheid van naam is geen terugwerkende kracht nodig voor deze situatie.

De leden van de D66-fractie merken op dat er momenteel ook een mogelijkheid bestaat voor het wijzigen van de geslachtsnaam, bijvoorbeeld om het kind de achternaam van de moeder in plaats van die van de vader te geven. Voor kinderen tot de leeftijd van twaalf jaar geldt dat beide met gezag belaste ouders moeten instemmen met de naamswijziging. Als het wisselen van naam mogelijk is, zou het dan niet ook in de rede liggen om het wisselen van een enkele naar een dubbele geslachtsnaam mogelijk te maken, zo vragen deze leden. Daarnaast wijzen deze leden erop dat ook bij een latere erkenning, dat wil zeggen later dan de aangifte, door de vader of partner de mogelijkheid van het kiezen van een dubbele geslachtsnaam wél zal bestaan na invoering van het voorliggende wetsvoorstel. Hieruit concluderen zij dat het wijzigen van de achternaam an sich niet bezwaarlijk is. Is de regering het daar mee eens, zo vragen deze leden.

Er is een evenwicht gezocht tussen het belang van zekerheid in de administratie, zo min mogelijk regeldruk en uitvoeringslasten en zoveel mogelijk vrijheid om de geslachtsnaam te kiezen. Dat er enkele mogelijke situaties bestaan waarin een geslachtsnaam wijzigt, kan niet zonder meer leiden tot de conclusie dat daar geen bezwaren aan kleven. Het kan wel zo zijn dat die bezwaren in die specifieke situatie niet opwegen tegen het doel dat wordt beoogd met de wijziging, zoals tegemoetkomen aan de wens van een kind of een erkenning met alle bijbehorende gevolgen mogelijk maken. Overigens zal, zoals eerder gemeld, het Besluit geslachtsnaamwijziging moeten worden aangepast aan deze wet, waarmee ook in dat besluit rekening zal worden gehouden met de mogelijkheid van wijziging naar de gecombineerde geslachtsnaam.

De leden van de SP-fractie vragen de regering waarom zij ervoor kiest om geen overgangsregeling te hanteren voor mensen die kinderen hebben die nog niet de volwassen leeftijd hebben bereikt. Is dit puur uit financiële overwegingen gedaan? En dezelfde vraag geldt voor ouders die vlak voor de inwerkingtreding van de wet een eerste kind krijgen. Waarom geldt voor die gevallen geen terugwerkende kracht?

Als de regering niet bereid is een overgangsregeling in het leven te roepen voor deze gevallen, is zij dan in ieder geval bereid de procedure die nu bij de dienst Justis doorlopen kan worden om de achternaam aan te passen (bijvoorbeeld om een Nederlandse achternaam aan te passen aan het Spaanse recht), kosteloos te maken of in ieder geval de kosten à duizend euro, aanzienlijk te verlagen? Zo nee, waarom niet? Kan worden aangegeven waarom deze procedure überhaupt zo duur is? Het is toch ook in het voordeel van de Nederlandse overheidsdiensten als achternamen zowel in een buitenlands paspoort als in een Nederlands paspoort overeenkomen, dus waarom zijn hier dan (zulke hoge) kosten voor de aanvrager aan verbonden?

Voor de afwegingen over de overgangsregeling wordt verwezen naar paragraaf 2, onder het kopje overgangsregeling. Het voorstel introduceert daarnaast een keuzemogelijkheid voor een geslachtsnaam die naar het recht van de andere nationaliteit mogelijk zou zijn voor bipatride Nederlanders. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan de specifieke situatie van deze groep, zoals eerder ook is geantwoord op vragen van de SGP en de ChristenUnie over dit onderwerp. Deze keuze kan – kosteloos- worden gedaan bij de aangifte van geboorte of op een ander moment waarop nu reeds een keuze voor de geslachtsnaam bestaat.

Voor de kosten van een geslachtsnaamswijziging geldt het volgende: het algemene uitgangspunt is dat diensten van de overheid kostendekkend moeten worden uitgevoerd. Waarbij tevens als uitgangspunt geldt dat niet meer dan de daadwerkelijk gemaakte kosten in rekening worden gebracht. En dat de opbouw van deze kosten transparant moet zijn. Het Besluit geslachtsnaamswijziging zal in elk geval moeten worden aangepast als dit wetsvoorstel wet wordt. Daarbij zal ik ook de regeling voor de daaraan verbonden kosten tegen het licht houden en zowel de gronden als de kosten van wijziging van de geslachtsnaam in brede zin bezien.

Herkenbaarheid van de naam

De leden van de SP-fractie vragen of het klopt dat het praktische gevolg van dit wetsvoorstel zal zijn dat het eigenlijk alleen nog mogelijk is iemand zijn familiaire banden te volgen voor instanties die inzicht hebben in de Basisregistratie persoonsgegevens. De leden van de SGP vragen in ditzelfde verband om reflectie op het feit dat de herleidbaarheid en herkenbaarheid van achternamen door de voorgestelde flexibilisering verslechtert en dat de toename aan opties de overzichtelijkheid voor burgers niet ten goede komt.

Bij het nagaan van familiaire banden vanuit het heden terug in de tijd kan een overzicht worden gemaakt van alle voorouders, of van de voorouders in de mannelijke of de vrouwelijke lijn.7 Enkel de naam is ook nu meestal onvoldoende voor dit overzicht, omdat veel geslachtsnamen in meerdere families worden gebruikt. En omdat sinds 1998 bij iedere nieuwe generatie kan worden gekozen voor de lijn van een van beide ouders. Vaak worden familiaire banden nagegaan aan de hand van openbare documenten. Voor zover de geslachtsnaam behulpzaam kan zijn bij het nagaan van familiaire banden kan het combineren van beide geslachtsnamen meerwaarde hebben. Op die manier is immers direct duidelijk welke afstammingslijnen een kind heeft. Mensen die zich om wat voor reden niet aangesproken voelen door de mogelijkheid om hun kind een dubbele geslachtsnaam mee te geven, staat het uiteraard vrij om daarvan af te zien.

Door de extra naamskeuze kunnen burgers uit meer mogelijkheden kiezen dan voorheen. Uit het onderzoek dat is gedaan na invoering van de naamkeuze in 1998 blijkt dat burgers daarmee om kunnen gaan. De identificering van burgers in de maatschappij wordt sinds 2007 verder ondersteund door het BSN. De stabiliteit van de overheidsadministratie is niet meer enkel van de geslachtsnaam afhankelijk en dat biedt mogelijkheden om de burger daarin meer vrijheid toe te kennen.

Procedure voor naamskeuze

De leden van de SP-fractie vragen of het klopt dat ouders die hun kind een dubbele geslachtsnaam willen geven samen naar de ambtenaar van de burgerlijke stand moeten om hun kind aan te geven. Hoewel dit vergelijkbaar zou zijn met de huidige procedure voor ouders die hun kind de geslachtsnaam van de moeder willen geven, vragen deze leden of het toch ook niet mogelijk gemaakt zou kunnen worden dat de aangifte door slechts één ouder gedaan wordt, bijvoorbeeld door machtiging. Of dat desnoods elektronisch gezamenlijke aangifte gedaan kan worden.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering overweegt om, conform advies van het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR), het tevens mogelijk te maken om langs digitale weg te voorzien in de mogelijkheid van gezamenlijke aanvraag voor gecombineerde geslachtsnaam.

Geboorteaangifte kan door één van de ouders worden gedaan. Per 1 januari 2020 is voor de ouders de mogelijkheid in de wet opgenomen om elektronisch geboorteaangifte te doen (art. 1:19e, lid 1 BW). Gemeenten kunnen zelf bepalen of zij de mogelijkheid tot elektronische geboorteaangifte openstellen.

De keuze voor de geslachtsnaam moeten ouders gezamenlijk doen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Dit kan al voor de geboorte of bij de geboorteaangifte en is kosteloos. Het contactmoment aan de balie stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand ook in staat om de ouders voor te lichten over de mogelijke keuzeopties voor de geslachtsnaam. De naamskeuze is in dat licht dan ook niet digitaal mogelijk. In de eerste helft van 2023 zal de Wet elektronische dienstverlening van de burgerlijke stand worden geëvalueerd.8 Op basis van die evaluatie kan worden bezien wat de ervaringen zijn met de digitale geboorteaangifte en welke uitbreidingen van de elektronische dienstverlening mogelijk en wenselijk zijn.

Als ouders vóór de geboorte al naamskeuze hebben gedaan, dan is het mogelijk om de akte bij de elektronische geboorteaangifte elektronisch mee te sturen (te uploaden). Het is daarnaast ook mogelijk om een akte van naamskeuze op te laten maken met een machtiging die is opgemaakt door een notaris.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de keuze van de regering, om ouders de mogelijkheid te geven een gecombineerde geslachtsnaam aan hun kind mee te geven, zich verhoudt tot de pragmatische – en voor genoemde leden overigens voorstelbare – keuze om dit bij volgende generaties in te perken. Waarom wordt de grens bij twee achternamen gelegd, en niet bij één, drie of vier?

De leden van de ChristenUnie wijzen in wezen op het gegeven dat iedere beperking van het aantal geslachtsnamen tot op zekere hoogte arbitrair is. De keuze van de regering voor een maximum van twee door te geven geslachtsnamen sluit aan bij het advies «Bouwstenen voor een nieuw naamrecht» van de werkgroep liberalisering naamrecht die daarvoor praktische redenen gaf: dat te lange naamreeksen moeten worden voorkomen omdat zij voor verwarring kunnen zorgen in het maatschappelijk verkeer en de betrokkene onnodig belasten.9 Daarmee wordt tevens tegemoet gekomen aan de zorg van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak dat voorkomen moet worden dat gecombineerde geslachtsnamen te lang worden. De regeling sluit met die beperking ook aan bij in andere landen gehanteerde regelingen, zoals het Spaanse en het Franse naamrecht.

De vragen van de Volt-fractie over de vangnetnorm zijn beantwoord in paragraaf 2, onder het kopje vangnetnorm.

De leden van de Volt-fractie willen de regering vragen om bij de evaluatie naast het meten van de doelmatigheid ook de rechtmatigheid en in het bijzonder het mensenrechtelijk beginsel van de gelijkheid van mannen en vrouwen (waaronder art. 16 van het VN-Vrouwenverdrag) mee te nemen.

Het wetsvoorstel en de memorie van toelichting zijn reeds getoetst op rechtmatigheid, ook door de Raad van State, afdeling advisering, die geen opmerkingen had ten aanzien van (de rechtmatigheid van) het wetsvoorstel.

De leden van de SGP-fractie ontvangen graag een nadere toelichting over het koppelteken.

Bij een gecombineerde geslachtsnaam zoals gegeven aan het kind, worden de namen achter elkaar vermeld zonder koppelteken. Een deel van de gehuwde paren en geregistreerde partners hanteren nu reeds een gecombineerde geslachtsnaam als uitdrukking van verbondenheid, bestaande uit de naam van beide partners. Daarbij wordt thans vaak een koppelteken gebruikt (Zoals bijvoorbeeld in: Fam. Konings – De Boer). Het staat de partners vrij om hierin een keuze te maken. Dit koppelteken is niet in de wet geregeld. In de praktijk wordt het soms nog gebruikt, maar niet in de Basisregistratie personen (BRP).

De leden van de SGP-fractie vragen de regering te reflecteren op het feit dat de herleidbaarheid en herkenbaarheid van achternamen door de voorgestelde flexibilisering verslechtert. Juist de herkenbaarheid van de persoon door een stabiel en overzichtelijk systeem van geslachtsnamen is een belangrijke functie van de geslachtsnaam die raakt aan de identiteit van de persoon. Waarom noopt dit belang niet tot een veel striktere benadering? Weliswaar wijst de regering erop dat bijvoorbeeld de familiegeschiedenis wel in de Basisregistratie personen traceerbaar is, maar onderkent de regering dat dit in de maatschappelijke werkelijkheid geen soelaas biedt en dat de toename aan opties de overzichtelijkheid voor burgers niet ten goede komt?

Voor het antwoord op deze vragen wordt verwezen naar het kopje hierboven «herkenbaarheid van de naam».

De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat de in andere landen soms gebruikelijke situatie om achternamen te verbuigen naar gelang het geslacht onder de huidige wetgeving niet in Nederland toegestaan is. Als voorbeeld wijzen zij op de Tsjechische mannelijke geslachtsnaam Navratil, die bij geboorte van een dochter de verbuiging Navratilova kan krijgen. Zij vragen of de regering onderkent dat het in ieder geval wenselijk is dit soort problemen te verhelpen en in hoeverre de regering in een oplossing wil voorzien om ten minste EU-burgers in Nederland op eenvoudige wijze dezelfde mogelijkheden te bieden die zij in het land van herkomst hebben.

In sommige talen krijgt een geslachtsnaam een andere uitgang naar gelang het geslacht van het kind. In het wetsvoorstel is voor ouders van wie het kind naast de Nederlandse één of meer andere nationaliteiten zal hebben voorzien in de mogelijkheid om de naam te kiezen die volgens de andere nationaliteit mogelijk zou zijn. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan dit probleem.

Het lid van de BIJ1-fractie vraagt hoe non-binair geregistreerde of gehuwde partners in de wettelijke regeling passen.

In de wettelijke bepalingen over het naamrecht is nog niet vastgelegd hoe omgegaan moet worden met non-binaire personen die ouder van een kind worden. De vraag hoe hiermee om te gaan zal in het algemeen worden bezien bij de inventarisatie van de gevolgen van de invoering van een non-binaire geslachtsregistratie, zie in dit kader ook de gedachtewisseling in het kader van wetsvoorstel 35 825 ten aanzien van de wijziging van de vermelding van het geslacht in de geboorteakte. Totdat een wettelijke regeling is getroffen, is het volgende van belang. Volgens artikel 5, dertiende lid, eerste zin, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt onder «moeder» in het tweede, vijfde en zesde lid verstaan de vrouw uit wie het kind is geboren. Deze regeling is ook van toepassing op de man uit wie een kind wordt geboren.10 In de praktijk kan deze regel overeenkomstig worden toegepast indien het kind uit een non-binair persoon wordt geboren. Als het kind wordt geboren uit de partner van de non-binaire ouder, kan voor de toepassing van deze regels ook de definitie van vader worden gebruikt.11

Het lid van de BIJ1-fractie vraagt tevens of er opnieuw overwogen kan worden om juist die vangnetnorm te veranderen naar de gecombineerde geslachtsnaam, die is immers sekseneutraal. Dit lid stelt tevens dat er slechts sprake is van één vangnetnorm, die geldt binnen het huwelijk. Van een vangnetnorm kan alleen sprake zijn in het geval de wet aan de ouders gezamenlijk het recht heeft toegekend een naamskeuze te doen en zij niet tot overeenstemming komen en die situatie is alleen aan de orde bij gehuwde/geregistreerde ouders, aldus dit lid.

Voor het antwoord op de eerste vraag wordt verwezen naar paragraaf 2, onder vangnetnorm.

Wat betreft de overwegingen van BIJ1 over de naamskeuze bij buiten het huwelijk of geregistreerd partnerschap geboren kinderen merk ik het volgende op. De juridische afstammingsrelatie tussen ouder en kind staat los van de keuze van de relatievorm door de ouders en elke juridische ouderschapsrelatie is gelijk van sterkte en waarde. Daarom is er ook sprake van een vangnetnorm als ouders niet zijn gehuwd of als geregistreerde partners met elkaar zijn verbonden: als het kind nog niet is erkend door de tweede ouder krijgt het de geslachtsnaam van de geboortemoeder. En bij de erkenning van het kind krijgen ouders gezamenlijk het recht om naamskeuze te doen. Wordt geen naamskeuze gedaan, dan blijft het kind de geslachtsnaam van de geboortemoeder houden. Dit geldt eveneens bij de erkenning van de ongeboren kind.

4. Consultatie

De leden van de VVD-fractie vragen de regering naar een nadere reactie op het volgende. De NVVB heeft geschreven in haar consultatiereactie bij het wetsvoorstel dat de onderhavige wijziging van Boek 1 Burgerlijk Wetboek (BW) de mogelijkheid biedt om ook in zijn geheel naar de werking van artikel 1:7 BW te kijken. Dat ligt volgens de toenmalige regering buiten het bestek van het wetsvoorstel. Graag vernemen de leden van de VVD-fractie hoe deze regering aan kijkt tegen de huidige werking van 1:7 BW en de suggestie van de NVVB om te kijken naar de werking van dit artikel.

Op grond van artikel 1:7 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek zijn de gronden voor en kosten van naamswijziging geregeld bij algemene maatregel van bestuur: in het Besluit geslachtsnaamswijziging en de Regelen betreffende verzoeken tot naamswijziging en tot naamsvaststelling. De onderhavige wet heeft gevolgen voor het Besluit geslachtsnaamwijziging. Ik wil naar aanleiding van dit wetsvoorstel beide AMvB’s tegen het licht houden en de gronden en kosten voor geslachtsnaamswijziging in brede zin bezien en uw Kamer hierover informeren.

De regering schrijft voorts dat het initiatiefwetsvoorstel dat voorziet in het van rechtswege ontstaan van gezamenlijk gezag door erkenning (Kamerstuk 34 605) geen gevolgen heeft voor de geslachtsnaam en dus niet van invloed is op het wetsvoorstel. Erkent de regering hiermee dat uitvoering van de voorgenomen initiatiefwetgeving op geen enkele wijze wordt beïnvloed door onderhavig wetsvoorstel? Kan de regering bij de beantwoording van deze vraag ook ingaan op de gevolgen voor het gezagsregister?

Dit wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor de genoemde initiatiefwet of het gezagsregister.

De leden van de D66-fractie merken op dat veel ouders al jaren wachten op de mogelijkheid om hun kinderen een dubbele geslachtsnaam te geven. Dit blijkt ook uit de vele reacties op de internetconsultatie. Sommige ouders hebben, in afwachting van de wetgeving, ervoor gekozen om één van de achternamen van de ouders als tweede of verdere voornaam op te geven. Op deze manier werden toch beide namen van de ouders doorgegeven. Is de regering bereid om voor deze mensen de mogelijkheid te creëren om de als voornaam gegeven achternaam alsnog als achternaam te laten registreren, zo vragen deze leden.

Deze mogelijkheid is niet meegenomen bij de voorbereiding van dit wetstraject. Daarbij speelt een rol dat artikel 4 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat het in beginsel niet is toegestaan om een achternaam als voornaam te geven, tenzij dit ook een gebruikelijke voornaam is.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering overweegt om, conform advies van het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR), het tevens mogelijk te maken om langs digitale weg te voorzien in de mogelijkheid van gezamenlijke aanvraag voor gecombineerde geslachtsnaam.

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar bovenstaand kopje «procedure voor naamskeuze». In de eerste helft van 2023 zal de Wet elektronische dienstverlening van de burgerlijke stand worden geëvalueerd.12 Op basis van die evaluatie kan worden bezien wat de ervaringen zijn met de digitale geboorteaangifte en welke uitbreidingen van de elektronische dienstverlening mogelijk en wenselijk zijn.

5. Financiële gevolgen en gevolgen voor organisaties en personen

De leden van de VVD-fractie vragen of de publiekspeiling ook met de Kamer kan worden gedeeld. Ook vragen deze leden een toelichting op het percentage van 10%. Daarnaast vragen zij naar het percentage van ouders dat gebruik maakt van de mogelijkheid kinderen een gecombineerde geslachtsnaam te geven in België.

De publiekspeiling is als bijlage bij deze nota gevoegd. Het percentage van 10% werd in de consultatieversie van de toelichting genoemd, maar is geschrapt. In algemene zin geldt dat intentie tot gedrag niet altijd leidt tot feitelijk gedrag en beide ouders het eens moeten zijn met het geven van een dubbele achternaam aan hun kind. Op basis van die uitgangspunten is de verwachting dat het aantal ouders dat daadwerkelijk zal kiezen voor een gecombineerde geslachtsnaam (substantieel) lager zal liggen dan de 21% uit de publiekspeiling. Maar hoe hoog dit percentage zal zijn, valt vooraf niet vast te stellen.

Uit berichten uit de Belgische media blijkt dat er in 2021 in totaal 112.237 kinderen met de Belgische nationaliteit werden geboren in België, tegenover meer dan 94.500 in 2020. Onder hen kregen 7.026 kinderen een dubbele familienaam, tegenover 6.910 het jaar eerder.

Bij deze cijfers wordt de volgende relativering gemaakt. Het gaat bij de hier genoemde getallen niet om het aantal keer dat de keuze voor een dubbele naam is gedaan, maar om het aantal kinderen met een dubbele naam. Niet bekend is of het kind het eerste gemeenschappelijke kind van het koppel is, of een van de jongere kinderen binnen eenzelfde gezin. Dit is van belang aangezien in België net als in Nederland de keuze voor de geslachtsnaam van de kinderen enkel kan worden gedaan voor het eerste kind.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering een inschatting kan maken hoe hoog de kosten voor ouders zouden zijn, wanneer hen de mogelijkheid wordt geboden hun reeds geboren kinderen (wanneer zij de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt) een gecombineerde geslachtsnaam te geven.

Deze kosten zouden op een hoger niveau liggen dan de kosten op basis van de voorgestelde overgangsregeling. Voor oudere kinderen zou in ieder geval moeten worden voorzien in toestemming van het kind, hetgeen een extra handeling voor de ambtenaar van de burgerlijke stand zou inhouden, waarmee in de huidige berekening geen rekening is gehouden.

De leden van de Volt-fractie vragen of de regering met uitvoeringsorganisaties heeft onderzocht of zij voldoende in staat zijn om uitvoering te geven aan het wetsvoorstel?

Ja, het voorstel is uitvoerbaar en sluit waar mogelijk aan op bestaande processen. Het wetsvoorstel is in de voorbereiding meermaals besproken met de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Daarbij is tevens een impactanalyse uitgevoerd door VNG Realisatie13. De regeling voor de BES is besproken met de verschillende afdelingen burgerzaken van de eilanden.

6. Regeling in Caribisch Nederland

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat aanvankelijk niet is overgegaan tot introductie van de regeling in Caribisch Nederland. Zou het bij wetgeving in algemene zin niet beter zijn per definitie uit te gaan van werking in Caribisch Nederland, en enkel beargumenteerd – en in overleg met de eilandsbesturen – hiervan af te zien?

Ik onderschrijf het uitgangspunt van de leden van de ChristenUnie-fractie,14 hetgeen ook heeft geleid tot aanvulling van het wetsvoorstel.

II. ARTIKELSGEWIJS

Artikel I Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek

De leden van de fracties van D66 en CDA vragen naar de achtergrond en tot totstandkoming van de keuze om de adeldom niet over te laten gaan indien wordt gekozen voor een gecombineerde geslachtsnaam.

In de praktijk wordt een verband gelegd tussen bepaalde namen en adellijke titels of predicaten en door de toevoeging van een naam zou dan een niet gewenste verandering kunnen ontstaan. Dit is steeds als consistent uitgangspunt genomen bij veranderingen in het namenrecht. In de voorbereiding van het wetsvoorstel heeft overleg plaatsgevonden met de Hoge Raad van Adel, die dit uitgangspunt heeft onderschreven.

Artikel II Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek

De leden van de VVD-fractie vragen om een artikelsgewijze toelichting op het voorgestelde artikel 10:19 BW. Daarbij vragen voornoemde leden specifiek aandacht voor een nadere toelichting op de keuzemogelijkheden van Nederlanders die nog een of meer andere nationaliteiten hebben.

De toelichting op de wijziging van artikel 10:19 BW is opgenomen in het algemeen deel onder het kopje «Internationale situaties». In lijn met het advies van de Staatscommissie Internationaal Privaatrecht is voorzien in de mogelijkheid om in de situatie van kinderen met meerdere nationaliteiten niet zijnde de Nederlandse een rechtskeuze te doen. Voor de uitvoering brengt dit geen verandering in werkwijze mee, aangezien de bestaande praktijk in de wet wordt vastgelegd.

Wat betreft de Nederlanders met nog één of meer andere nationaliteiten: zij krijgen in de nieuwe regeling de mogelijkheid om te kiezen voor de naam die op grond van het recht van hun andere nationaliteit mogelijk zou zijn. Deze extra naamskeuzemogelijkheid is opgenomen in het voorgestelde nieuwe derde lid van artikel 10:25 van het Burgerlijk Wetboek. Dit is vormgegeven als een extra naamskeuze om de rechtszekerheid, voorspelbaarheid en Nederlandse processuele waarborgen voor kinderen te waarborgen en buiten twijfel te stellen dat deze gelden.

De Minister voor Rechtsbescherming, F.M. Weerwind