Gepubliceerd: 21 september 2021
Indiener(s): Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35925-XV-2.html
ID: 35925-XV-2

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Vergaderjaar 2021–2022

GERAAMDE UITGAVEN EN ONTVANGSTEN

Figuur 1 Geraamde begrotingsgefinancierde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 50.638.240.000,-

Figuur 2 Geraamde begrotingsgefinancierde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 2.860.856.000,-

Figuur 3 Geraamde premiegefinancierde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 66.249.517.000,-

Figuur 4 Geraamde premiegefinancierde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 240.156.000,-

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid W. Koolmees

B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN

1. Leeswijzer

Opbouw begroting

De begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) is vormgegeven conform de Rijksbegrotingsvoorschriften (RBV), die zijn gestoeld op de Comptabiliteitswet 2016. Na deze leeswijzer volgen hoofdstukken met de beleidsagenda, de beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen. Hoofdstuk 5 bevat paragrafen met departementspecifieke informatie, hoofdstuk 6 de bijlagen.

Beleidsagenda

In de paragraaf beleidsprioriteiten van de beleidsagenda worden de hoofdlijnen van het beleid van SZW voor het komende jaar beschreven. In de daarop volgende paragrafen wordt ingegaan op de budgettaire ontwikkelingen van de uitgaven die onder het Uitgavenplafond Sociale Zekerheid vallen en zijn enkele ingevolge de RBV verplichte tabellen opgenomen en toegelicht.

Beleidsartikelen

De beleidsdoelstellingen van SZW zijn in afzonderlijke beleidsartikelen opgenomen. De begroting van SZW bestaat uit 13 beleidsartikelen. Alle beleidsartikelen hebben dezelfde opbouw. Allereerst wordt de algemene doelstelling en de rol en verantwoordelijkheid van de Minister toegelicht. Daarna komen de beleidswijzigingen 2022 aan de orde. Vervolgens worden de budgettaire gevolgen van beleid in tabelvorm vermeld. In zeven van de dertien artikelen is naast begrotingsuitgaven sprake van premiegefinancierde uitgaven, welke eveneens in tabelvorm worden weergegeven. Ten slotte wordt in elk artikel een toelichting gegeven op de financiële instrumenten. Hierbij wordt gefocust op:

  • het doel van het financiële instrument;

  • wie er voor in aanmerking komen;

  • de financiële regeling;

  • de budgettaire ontwikkeling;

  • de beleidsrelevante kerncijfers.

De begrotingsuitgaven en premiegefinancierde uitgaven luiden in constante prijzen. In de Miljoenennota 2022 is een voorziening gecreëerd voor de loon- en prijsbijstellingen op alle begrotingshoofdstukken. De hiervoor gereserveerde middelen worden via de eerste suppletoire wetten 2022 naar de departementale begrotingen overgeboekt. Bij de premiegefinancierde uitgaven wordt het effect van deze loon- en prijsstijging op een afzonderlijke regel «nominaal» in de tabellen van deze begroting opgenomen.

Niet-beleidsartikelen

De begroting van SZW bevat twee niet-beleidsartikelen. Deze artikelen bevatten de apparaatsuitgaven voor het kerndepartement en de nog niet verdeelde reserveringen.

Departementspecifieke informatie

Voor de paragrafen «Sociale fondsen SZW» en «Koopkracht en specifieke inkomensaspecten» zijn geen RBV-modellen voorgeschreven. De horizontale overzichtsconstructie integratiebeleid etnische minderheden bevat een interdepartementaal overzicht van doelstellingen op dit beleidsterrein en is op de RBV gebaseerd, hoewel voor deze bijlage geen model is voorgeschreven.

Bijlagen

De begroting van SZW bevat zeven bijlagen. De eerste zes van deze bijlagen zijn op basis van de RBV verplicht. Deze bijlagen betreffen de bijlage Rechtspersonen met een wettelijke taak en zelfstandige bestuursorganen, het Verdiepingshoofdstuk, de bijlage Moties en toezeggingen, het Subsidieoverzicht, de Uitwerking Strategische Evaluatieagenda en de bijlage Rijksuitgaven Caribisch Nederland. De lijst van afkortingen is niet verplicht.

Begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde regelingen en Uitgavenplafond Sociale Zekerheid

De Minister van SZW is beleidsverantwoordelijk voor de begrotingsgefinancierde regelingen zoals opgenomen in deze begroting. Hij is daarnaast ook beleidsverantwoordelijk voor een aantal regelingen die niet begrotings- maar (grotendeels) premiegefinancierd zijn. In de begrotingen en de jaarverslagen van het Ministerie van SZW wordt daarom gerapporteerd over zowel begrotingsgefinancierde als premiegefinancierde regelingen. In de beleidsartikelen waar premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten voorkomen zijn deze opgenomen in een afzonderlijke budgettaire tabel. In de beleidsagenda (in de paragraaf Uitgavenplafond Sociale Zekerheid) en in de verdiepingsbijlage wordt gedetailleerd ingegaan op de ontwikkeling van het totaal van deze uitgaven. De analyse in de paragraaf Uitgavenplafond Sociale Zekerheid komt inhoudelijk in belangrijke mate overeen met de in de RBV voor de beleidsagenda voorgeschreven overzichtstabel van belangrijke beleidsmutaties. Laatstgenoemde tabel is daarom niet in de begroting 2022 van SZW opgenomen.

Rol en verantwoordelijkheid: taakverdeling Minister en Staatssecretaris

In de Comptabiliteitswet is in artikel 3.2 geregeld dat de Minister verantwoordelijk is voor het beheer van de begroting(en) van een ministerie. Daarom wordt de begrotingswet ook ondertekend door de Minister. Dit komt in de beleidsartikelen tot uitdrukking onder het kopje «Rol en verantwoordelijkheid». De Staatssecretaris wordt hier niet expliciet genoemd. Het begrip Staatssecretaris komt in de Comptabiliteitswet niet voor. De verhouding tussen Minister en Staatssecretaris is in de Grondwet (artikel 46) geregeld. De Staatssecretaris wordt belast met een deel van de taken van de Minister. Minister en Staatssecretaris verdelen de taken onderling op aanwijzing van de Minister. Voor SZW betekent dit dat de Staatssecretaris verantwoordelijk is voor een groot aantal beleidsinstrumenten die in de begroting zijn opgenomen, zoals in de beleidsartikelen 2 (onder andere macrobudget Participatiewetuitkeringen), 4 (Wajong), 7 (kinderopvang), 9 (Anw), 10 (tegemoetkoming ouders) en 11 (uitvoeringskosten SVB).

Bronvermelding tabellen met kerncijfers

In tabellen waarin realisatiegegevens van kerncijfers zijn opgenomen wordt in noten onder de tabel verwezen naar de bron van deze gegevens. Hierbij wordt uitgegaan van de meest recente informatie. Dit betekent dat deze cijfers kunnen afwijken van gegevens die in vorige publicaties werden gepresenteerd. Ramingen van de kerncijfers komen – tenzij anders vermeld – voor rekening van het Ministerie van SZW.

Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. De Europese Commissie heeft in 2021 vanwege de pandemie geen landenspecifieke aanbevelingen gedaan voor de landen die een plan voor herstel en veerkracht hebben ingediend.

Groeiparagraaf

In de Beleidsagenda van de ontwerpbegroting SZW 2022 is een eerste versie van de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) van het Ministerie van SZW opgenomen. De SEA komt voort uit de Operatie Inzicht in Kwaliteit en vervangt de systematiek van de beleidsdoorlichtingen.

De SEA sluit aan bij de thema-indeling zoals volgt uit het strategisch portfoliomanagement van SZW. Streven is dat in de toekomst de verschillende producten – kennisagenda, strategisch dashboard, SEA, beleidsagenda en mogelijk SZW website – een zoveel mogelijk vergelijkbare en daarmee herkenbare thema-indeling kennen. Bijlage 5 van de begroting bevat een nadere uitwerking van de SEA in de vorm van toelichtingen per evaluatie.

Met ingang van de begroting van 2022 zijn de uitgaven van artikel 98 toebedeeld aan afzonderlijke beleidsartikelen. Hierdoor kunnen de uitgaven nauwkeuriger verantwoord worden en wordt dit artikel opgeheven. De verantwoording van de uitgaven van 2021 zal plaatsvinden conform de begroting van 2021.

Conform de RBV 2021 is aan de ontwerpbegroting SZW 2022 een bijlage toegevoegd met een overzicht van de Rijksuitgaven ten behoeve van Caribisch Nederland.

2. Beleidsagenda

2.1 Beleidsprioriteiten

In de begroting kondigt het kabinet zijn plannen aan voor het komende jaar. Het kabinet heeft een demissionaire status. Tegelijkertijd ligt op een aantal punten een belangrijke verantwoordelijkheid in 2022. Er wordt uitvoering gegeven aan reeds ingezet beleid. Verder blijft het kabinet actief bijdragen aan internationale trajecten, zowel in EU-verband als mondiaal. Het kabinet pakt uiteraard de urgente zaken op. Zo blijven ook in 2022 maatregelen uit het aanvullend sociaal pakket intact die bijdragen aan het ondersteunen van burgers en bedrijven als gevolg van de coronacrisis. Daarnaast trekt het kabinet lessen uit de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag. Ten slotte doet het kabinet voorwerk voor een nieuw kabinet, zodat een nieuw te vormen kabinet richting kan geven aan belangrijke vraagstukken.

Aan het einde van de kabinetsperiode startte de coronacrisis. Sindsdien heeft het kabinet vergaande steunmaatregelen genomen om banen te behouden en bedrijven door de moeilijke tijd heen te helpen. De ontstane economische schok had uiteenlopende gevolgen voor verschillende bedrijfssectoren. Sommige sectoren draaiden meer omzet dan ooit, terwijl andere sectoren zware klappen te verduren kregen. Maar er was ook een enorme creativiteit en flexibiliteit zichtbaar bij werkenden en werkgevers. Sommige mensen konden aan de slag blijven binnen hetzelfde bedrijf, andere mensen moesten zich voorbereiden op de overstap naar een andere sector of werkgever. Mensen verloren hun baan en maken zich zorgen om hun toekomst en financiële situatie. Daarom is er via een aanvullend sociaal pakket geïnvesteerd in ondersteuning en begeleiding naar nieuw werk, scholing en ontwikkeling, bestrijding van jeugdwerkloosheid en een intensivering van de armoede- en schuldenaanpak.

Na een zwaar jaar gloort er licht aan het einde van de tunnel. De vaccinatiegraad stijgt en de economische vooruitzichten zijn gunstig. In sommige sectoren is sprake van een historische krapte op de arbeidsmarkt. Doorgaan met het geven van generieke steun heeft een verstorende werking op de economie. Dit zit verder herstel in de weg en brengt daarmee het toekomstig verdienvermogen van ons land in gevaar. Het kabinet heeft er daarom na anderhalf jaar steun voor gekozen om de generieke steun per 1 oktober 2021 stop te zetten. Het kabinet beseft dat de situatie voor sommige burgers en bedrijven de komende tijd alsnog moeilijk zal blijven. Zo zijn in het vierde kwartaal van 2021 nog enkele regelingen van kracht, waaronder maatregelen uit het aanvullend sociaal pakket die doorlopen in 2022. Hierin blijft er aandacht voor kwetsbare groepen. Komend jaar zal in het teken staan van de definitieve berekening van de NOW-subsidie. Om werkgevers snel te hulp te schieten werkte de NOW met voorschotten, gebaseerd op de verwachte omzetverliezen. Terugbetalingen en nabetalingen zijn onvermijdelijk: het daadwerkelijk omzetverlies wijkt vaak af, bijvoorbeeld omdat het beter met de economie ging dan verwacht. UWV is coulant met de terugbetalingstermijnen.

Het rapport «Ongekend onrecht» maakt pijnlijk duidelijk dat er veranderingen nodig zijn in het toeslagensysteem en bij de betrokken ministeries. Het kabinet heeft diverse scenario’s uitgewerkt voor een nieuw stelsel. Aansluitend wil en moet het kabinet leren van de fouten, waarbij een belangrijk aspect is om de signalen uit de uitvoering beter op te pakken. De bevindingen uit het rapport geven aanleiding om te bezien of er ook plekken in de sociale zekerheid zijn waar signalen onvoldoende doorkomen of anderszins sprake is van onbedoelde hardheid of gebrek aan mogelijkheid tot maatwerk. Alhoewel de besturing en werkwijze in het toeslagenstelsel in het afgelopen decennium niet representatief is voor de bredere sociale zekerheid, zet het kabinet nu over de hele linie versneld en versterkt in op werken vanuit de praktijk en publieke waarden. Het kabinet gaat onder andere nog meer in gesprek met de mensen voor wie het beleid bedoeld is en met degenen die het beleid uitvoeren. Daarnaast wordt er extra geïnvesteerd in de dienstverlening, met benutting van de werkagenda voortkomend uit het traject Werk aan de Uitvoering.

Over de hele kabinetsperiode is gewerkt aan drie grote lijnen, waar het kabinet zich ook in 2022 voor in gaat zetten. Het kabinet heeft belangrijke stappen gezet richting een toekomstbestendige arbeidsmarkt (paragraaf 2.1.1). Denk aan de Wet arbeidsmarkt in balans, het pensioenakkoord en verruiming van het geboorteverlof. In 2022 kunnen mensen inspelen op een veranderde arbeidsmarkt door middel van het STAP scholingsbudget. Verder draagt het kabinet bij aan kansen voor iedereen (paragraaf 2.1.2), bijvoorbeeld met het nieuwe inburgeringsstelsel. Ook wordt de hulp aan mensen met schulden versneld. De coronacrisis heeft de kwetsbaarheden in de sociale zekerheid extra zichtbaar gemaakt. Daarnaast wordt er gewerkt aan een passende balans tussen dienstverlening en handhaving (paragraaf 2.1.3). De menselijke maat staat voorop.

2.1.1 Richting een toekomstbestendige arbeidsmarkt

De arbeidsmarkt is voortdurend in beweging. Technologische ontwikkelingen beïnvloeden hoe mensen werken en welke vaardigheden belangrijk zijn. De arbeidsmarkt flexibiliseert. Door flexibele arbeid zijn werkgevers wendbaar om zich aan te passen aan hun omgeving, maar dit leidt bij werkenden ook tot onzekerheid over werk en inkomen. De uitdagingen en mogelijke oplossingsrichtingen zijn benoemd in het rapport van de commissie regulering van werk (de ‘commissie Borstlap’) en «Het betere werk» van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (Kamerstukken II 2020/21, 29 544, nr. 1028). Naar verwachting gaan veel Nederlanders meer thuiswerken. Dit heeft voordelen, zoals een besparing op reistijd. Maar er zijn ook lessen te leren, bijvoorbeeld over de verminderde fysieke en mentale vitaliteit.

Om klaar te zijn voor de uitdagingen van de toekomst moeten werkgevers en werkenden weerbaar en wendbaar zijn. Volgens de commissie is het van belang dat de verschillen tussen de contractvormen kleiner worden, dat er meer wordt geïnvesteerd in menselijk kapitaal en dat de regels beter aansluiten bij de behoefte van werkenden en werkgevers. Het kabinet deelt op hoofdlijnen de analyse van het rapport. Het kost tijd om het hoofd te bieden aan deze complexe opgave. Dit kabinet moet de volgende grote stap aan het nieuw te vormen kabinet laten. Dit kabinet treft de nodige voorbereidingen en geeft uitvoering aan reeds ingezet beleid.

Leven lang ontwikkelen

De coronacrisis heeft het belang van een leven lang ontwikkelen onderstreept. Hiermee blijven mensen inzetbaar op een veranderende arbeidsmarkt. Dit kan werkloosheid voorkomen en vergroot inkomenszekerheid en werkzekerheid. Het kabinet streeft er daarom naar dat het voor werkgevers en werkenden vanzelfsprekend wordt om te investeren in de ontwikkeling tijdens de gehele loopbaan.

Het kabinet stimuleert dat mensen zich gedurende hun loopbaan ontwikkelen. Dit gebeurt onder andere met het STAP-budget. STAP staat voor Stimulering Arbeidsmarktpositie. Werkenden en niet-werkenden kunnen vanaf 1 maart 2022 tot € 1.000 aanvragen voor een scholingsactiviteit. Het STAP-budget staat los van de arbeidsrelatie en is beschikbaar voor iedereen: niet alleen werknemers, ook zelfstandigen en werkzoekenden kunnen hier gebruik van maken. Deze groepen kunnen via het crisispakket NL Leert Door daarnaast kosteloos ontwikkeladvies en scholing volgen. Verder is er in 2022 wederom € 49 miljoen beschikbaar vanuit de subsidieregeling leren en ontwikkelen in het mkb (SLIM-regeling). Hiermee worden werkgevers in het mkb gestimuleerd om te investeren in de leercultuur.

Arbeidsmarkt in balans

Met de invoering van de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) per 1 januari 2020 is het voor werkgevers aantrekkelijker geworden om een vast contract aan te bieden. Zo zijn de kosten- en risicoverschillen tussen contractvormen verminderd. Deze richting ligt in lijn met de voorstellen van de commissie Borstlap en de WRR. Doel is dat flexibel werk wordt gebruikt waar de aard van het werk daarom vraagt en niet omdat het een kostenvoordeel oplevert.

Belangrijk onderdeel van de Wab is de WW-premiedifferentiatie naar de aard van het contract. Doordat werkgevers een lage WW-premie betalen voor vaste contracten en een hoge premie betalen voor flexibele contracten wordt het aantrekkelijker om een vast contract aan te bieden. Om te voorkomen dat contracten die aan de voorwaarden van de lage premie voldoen, zoals vaste contracten, toch als flexibele arbeid worden ingezet, zijn bepaalde uitzonderingen opgenomen. Bij deze uitzonderingen, zogeheten herzieningssituaties, draagt de werkgever met terugwerkende kracht alsnog de hoge premie af. Eén van deze situaties is dat een werknemer binnen een kalenderjaar 30% of meer uren overwerkt. Deze uitzondering is vanwege de coronacrisis opgeschort, maar treedt in 2022 weer in werking.

Arbeidsmarktpositie zelfstandigen

Het kabinet wil zelfstandigen de ruimte geven om te ondernemen en tegelijkertijd zelfstandigen aan de onderkant beschermen. Het kabinet wil zoveel mogelijk een gelijk speelveld voor werkenden creëren, schijnzelfstandigheid aanpakken en duidelijkheid geven of sprake is van een dienstbetrekking. Deze doelstellingen van het kabinet liggen nadrukkelijk in het verlengde van de aanbevelingen door de commissie Borstlap en de WRR. De concrete invulling van de doelstellingen van het kabinet zijn de afgelopen periode echter een zoektocht gebleken. Om zelfstandigen aan de onderkant te beschermen en ruimte te geven aan zelfstandigen aan de bovenkant werkte het kabinet aan een wettelijk minimumtarief voor zelfstandigen en een zelfstandigenverklaring. Deze voorstellen bleken echter niet haalbaar en niet wenselijk. Wel heeft het kabinet een aantal andere stappen gezet om de arbeidsmarkt voor zelfstandigen te verbeteren. Om meer duidelijkheid te geven of er sprake is van een dienstbetrekking is er een webmodule ontwikkeld. Dat is een online tool die (mogelijke) opdrachtgevers van zelfstandigen kunnen gebruiken om in te schatten of er sprake is van een dienstbetrekking. Het kabinet heeft met een pilot onderzocht of deze webmodule een nuttig instrument zou kunnen zijn. Daarnaast is met een aantal sectoren het gesprek gevoerd over de knelpunten die opdrachtgevers en zelfstandigen ervaren. Over de uitkomsten van de pilot van de webmodule is de Tweede Kamer recent geïnformeerd in de zevende voortgangsbrief "Werken als zelfstandige". De besluitvorming hierover wordt aan een volgend kabinet gelaten. Daarnaast zijn er de afgelopen tijd stappen gezet richting een gelijker speelveld. Door het verkleinen van de verschillen tussen zelfstandigen en werknemers, wordt de aard van het werk meer bepalend voor de vorm waarin arbeid wordt aangeboden. Zo is in het pensioenakkoord afgesproken dat er een wettelijke verzekeringsplicht komt voor het arbeidsongeschiktheidsrisico voor zelfstandigen. Ook de geleidelijke afbouw van de zelfstandigenaftrek past bij een gelijker speelveld.

Ontzorgen kleine werkgevers

Het kabinet komt kleine werkgevers tegemoet in de kosten van loondoorbetaling bij ziekte. Hoewel kleine werkgevers voor vergelijkbare kosten staan als grote werkgevers, zoals het doorbetalen van het loon en de kosten om zieke werknemers terug te brengen naar arbeid, hebben ze vaak minder mogelijkheden om aan die kosten te voldoen. Kleine werkgevers hebben meestal weinig ervaring met ziekteverzuim en weten daardoor minder goed wat er van hen verwacht wordt. Kleine werkgevers ervaren deze kosten hierdoor als disproportioneel. Dat heeft ook nadelige gevolgen voor werknemers. Werknemers krijgen hierdoor namelijk minder snel een vast contract aangeboden. Een aantal nieuwe maatregelen maakt de loondoorbetalingsverplichting voor kleine werkgevers makkelijker, duidelijker en goedkoper.

Een belangrijk onderdeel van dit pakket is het verlagen van de kosten van arbeidsongeschiktheid voor werkgevers. Door de gedifferentieerde premie betalen kleine werkgevers minder Aof-premie dan grote werkgevers. Deze premie geldt vanaf 1 januari 2022. Structureel is € 450 miljoen beschikbaar voor kleine werkgevers. Kleine werkgevers kunnen dit geld gebruiken om zich goed te verzekeren, bijvoorbeeld door het afsluiten van de MKB Verzuim-ontzorg-verzekering. In 2022 is er incidenteel € 300 miljoen extra beschikbaar en in 2023 is dat € 150 miljoen.

Arbeid en zorg

Het kabinet zet zich in voor een gelijkere verdeling van werk- en zorgtaken tussen ouders. Vanaf 2 augustus 2022 krijgen werknemers bij opname van ouderschapsverlof gedurende 9 weken recht op een uitkering. Hiervoor was dit verlof in principe onbetaald. Om ervoor te zorgen dat meer mensen kunnen kiezen hoe ze werk en zorg combineren, krijgen ouders voortaan de eerste 9 weken een uitkering van 50% van hun dagloon (tot 50% van het maximum dagloon). Met deze uitbreiding wordt toegewerkt naar een evenwichtigere verdeling tussen het werk en privéleven van vrouwen en mannen. Daarmee worden partners gelijker behandeld en krijgen beide partners een goede kans om tijd met hun kind door te brengen.

Eerlijk, gezond en veilig werk

De coronacrisis heeft zichtbaar gemaakt dat er helaas nog steeds veel misstanden voorkomen rondom arbeidsmigranten. Het kabinet is aan de slag gegaan met het uitwerken van de adviezen van het aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten. Veel aanbevelingen zijn al in beleid omgezet. Zo is de website www.workinnl.nl opgezet om arbeidsmigranten voorlichting te geven over hun rechten, plichten en wat ze moeten regelen voor het werken in Nederland. Het Rijk werkt samen met gemeenten, provincies en sociale partners aan het verder tot uitvoering brengen van de aanbevelingen van het aanjaagteam in 2022.

Het kabinet stimuleert werkgevers en werknemers om gezonde en veilige arbeidsomstandigheden te creëren, thuis en op locatie. Gezond werken (thuis en/of op locatie) begint met een goede Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E). De naleving hiervan wordt bevorderd door een meerjarenplan. Onderdeel van dit plan is het vergroten van de bekendheid en het bevorderen dat werkgevers in staat zijn risico’s te beheersen. Ook heeft het kabinet € 5 miljoen vrijgemaakt om thuiswerken te bevorderen en daarbij aandacht te besteden aan de mentale gevolgen en gevolgen voor vitaliteit. Het kabinet zet voorts via een brede maatschappelijke en domein­overstijgende samenwerking in op het terugdringen van burn-out klachten en op meer vitaliteit, met concrete trajecten als ‘Bewegen het nieuwe normaal’ en ‘Elk half uur even bewegen’. Daarnaast blijft het veilig werken met gevaarlijke stoffen een belangrijk thema. Het kabinet brengt fundamentele verbeteringen aan in het asbeststelsel en herziet de Aanvullende Risico-Inventarisatie en –Evaluatie. Deze treedt in 2022 in werking en geldt voor bedrijven waar vergelijkbare risico’s zijn als bij bedrijven die vallen onder het Besluit risico’s zware ongevallen maar die minder grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen hanteren. Tevens wordt naar aanleiding van het advies van de commissie Heerts gewerkt aan een tegemoetkomingsregeling voor slachtoffers met ernstige beroepsziekten veroorzaakt door blootstelling aan gevaarlijke stoffen (Kamerstukken II 2019/20, 25 883, nr. 389). Deze treedt naar verwachting medio 2022 in werking.

Het kabinet zorgt ervoor dat gezond en veilig werken de norm blijft, ook op een veranderende arbeidsmarkt. In 2022 wordt een nieuwe lange termijnvisie op het arbobeleid vastgesteld: de Arbovisie 2040. Belangrijke onderwerpen zijn preventie, het verbeteren van de arbeidsgerelateerde zorg en de verbinding daarvan met de reguliere zorg en het verbeteren van de naleving. De concept Arbovisie wordt in 2022 na advies van de SER vastgesteld. Het kabinet werkt de Arbovisie samen met vele betrokkenen in het veld uit in een agenda voor de periode 2022-2025, zodat deze gedragen, concrete maatregelen bevat.

Pensioenen

Het kabinet werkt aan een toekomstbestendig pensioenstelsel. Met de afspraken die in het pensioenakkoord samen met sociale partners zijn gemaakt wordt het pensioenstelsel transparanter, persoonlijker en sluit het beter aan bij de ontwikkelingen in de maatschappij en op de arbeidsmarkt. De afspraken gaan onder andere over een nieuw pensioencontract, een evenwichtige transitie naar een nieuw stelsel en een nieuw fiscaal kader. Deelnemers krijgen meer inzicht in welke premie er wordt ingelegd, wat het voor de uitkering bestemde persoonlijk pensioenvermogen is voor iedere deelnemer en hoeveel pensioen zij daarmee kunnen verwachten. Er is geen sprake meer van de opbouw van aanspraken, maar van persoonlijk vermogen. Doordat verschillende risico’s gerichter worden gedeeld, zijn pensioenuitkeringen minder gevoelig voor rentedalingen. Tegelijkertijd blijft er ruimte voor gepensioneerden om te profiteren van (in verwachting) positieve rendementen. Daarnaast wordt het nabestaandenpensioen gestandaardiseerd, waardoor risico’s voor de deelnemers worden verkleind. Deze afspraken zijn uitgewerkt in wetgeving die naar verwachting begin 2022 wordt ingediend bij de Tweede Kamer. Het streven is deze wetgeving uiterlijk op 1 januari 2023 in werking te laten treden.

Duurzame inzetbaarheid wordt gestimuleerd. In het pensioenakkoord zijn middelen vrij gemaakt om ervoor te zorgen dat mensen gezond werkend hun pensioen kunnen bereiken. Via de maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden (MDIEU) ondersteunt het kabinet sectoren die investeren in de duurzame inzetbaarheid van medewerkers. Daarnaast is subsidie beschikbaar voor sectoren die knelpunten ervaren bij het treffen van regelingen voor eerder uittreden. Van 2021 tot en met 2025 is het voor werkgevers onder voorwaarden mogelijk om mensen die eerder uittreden een zogeheten Regeling voor vervroegde uittreding aan te bieden, zonder daarover belasting te betalen. Deze maatregel is bedoeld voor werknemers die overvallen zijn door de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd en die niet in staat zijn gezond de AOW-leeftijd te bereiken. Een voorwaarde is dat de sectoren die subsidie willen voor eerder uittreden ook investeren in duurzame inzetbaarheid.

2.2.2 Kansen voor iedereen

Werk is de sleutel tot een inkomen, maatschappelijke participatie en integratie, daarom wil het kabinet dat zoveel mogelijk mensen kunnen werken. Niet iedereen heeft gelijke kansen op de arbeidsmarkt, denk aan mensen met een arbeidsbeperking of mensen met een migratie-achtergrond. Het is belangrijk dat zij hulp krijgen als dat nodig is. Daarnaast is er een groep kwetsbare burgers die gestapelde zorg en ondersteuning nodig heeft om aan het werk te gaan. Bijvoorbeeld omdat problematische schulden een trigger kunnen zijn voor psychische en lichamelijke klachten en het risico verhogen op (afglijden naar) criminaliteit. Daarom werkt het kabinet nauw samen met gemeenten aan maatschappelijke opgaven als het nieuwe inburgeringsstelsel, multiproblematiek, schulden en de positie van kwetsbare jongeren. De pandemie zorgt voor meer urgentie om samen deze opgaven aan te pakken.

Breed offensief

Het kabinet wil bij het maken van beleid beter aansluiten bij de behoeften en mogelijkheden van de mensen om wie het gaat. Samen met mensen met een arbeidsbeperking, werkgevers en gemeenten, is het kabinet gestart met ‘het breed offensief’. Dit is een pakket maatregelen gericht op het verhogen van de kans op werk van mensen met een arbeidsbeperking. Met het breed offensief wordt het voor werkgevers eenvoudiger om mensen met een beperking in dienst te nemen en te houden. Een ander uitgangspunt is dat werken moet lonen. Hiervoor is een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer. Naar verwachting behandelt de Tweede Kamer het wetsvoorstel na het aantreden van een nieuw kabinet. Vanaf 2022 ontvangen gemeenten de middelen voor loonkostensubsidies op basis van realisaties. Hiermee stimuleert het kabinet gemeenten mensen aan het werk te helpen met loonkostensubsidie.

Aanvullend sociaal pakket

Tijdens de crisis konden mensen aanspraak maken op passende begeleiding bij het zoeken naar werk of nieuwe bedrijfsactiviteiten en inkomen. Het kabinet heeft dat mogelijk gemaakt met een aanvullend sociaal pakket. Onderdelen van dit pakket zijn inkomensondersteuning, intensieve ondersteuning en goede begeleiding naar werk, scholing en ontwikkeling, de aanpak van jeugdwerkloosheid en de bestrijding van armoede en schulden. Werkenden, werkzoekenden en werkgevers worden op deze manier ondersteund om in te spelen op de nieuwe economische situatie. Sommige mensen die hun baan verliezen of met werkloosheid worden bedreigd, zijn gebaat bij extra ondersteuning. Voor hen heeft het kabinet samen met werkgevers, werknemers, gemeenten en UWV een nieuwe aanpak ontwikkeld (publiek-private samenwerking). Die aanpak houdt in dat de werkzoekende vroegtijdig bij één «loket» terecht kan, waarbij wordt bekeken wat het beste aansluit op wat hij nodig heeft. Regionale mobiliteitsteams zullen de werkzoekende en de werkgevers daarbij helpen. Hierbij is speciale aandacht voor kwetsbare groepen. Voor de mensen uit de doelgroep banenafspraak geldt bijvoorbeeld dat zij snel inzetbaarheid verliezen wanneer zij niet aan het werk zijn. Deze nieuwe aanpak wordt zorgvuldig geëvalueerd zodat een volgend kabinet hier lering van kan trekken bij structurele hervormingen. Een deel van de trajecten uit dit pakket loopt nog door in 2022, zoals de incidentele extra middelen voor gemeentelijke re-integratie (€ 60 miljoen) en schulden (€ 30 miljoen).

Voorkomen van armoede, schulden en multiproblematiek

Armoede en schulden leiden tot veel stress en daardoor ook tot problemen op het terrein van werk, huisvesting, gezondheid, opvoeding, ggz-problematiek en veiligheid. Het kabinet wil mensen met beginnende geldzorgen, met name uit kwetsbare groepen, vroegtijdig in beeld krijgen en ondersteuning bieden. Zodat mensen problematische schulden kunnen voorkomen. Als gevolg van de pandemie zullen meer mensen naar verwachting te maken krijgen met schulden. Daarom heeft het kabinet de armoede- en schuldenaanpak geïntensiveerd en versneld. De verschillende projecten lopen van begin 2021 tot eind 2022. Het kabinet stimuleert de inzet van saneringskredieten en reserveert daarvoor in totaal € 30 miljoen voor de komende jaren. Met een saneringskrediet houden mensen met schulden alleen de kredietbank over als schuldeiser, waardoor zij minder stress ervaren.

De komende jaren wordt de dienstverlening verbeterd, vanuit het perspectief van burgers. Zij willen niet alleen hulp bij het aanpakken van hun schulden, maar hebben ook vaak ondersteuning nodig op andere terreinen. Zelfs als mensen de regels kennen, is het soms lastig om in actie te komen (doenvermogen).

Samenleving en integratie

Het kabinet streeft ernaar dat nieuwkomers zo snel mogelijk de Nederlandse taal leren en kunnen meedoen in de samenleving, het liefst via betaald werk. Daarom heeft het kabinet gewerkt aan een nieuw inburgeringsstelsel, dat start op 1 januari 2022. In het nieuwe stelsel start de inburgering sneller, wordt een hoger taalniveau gevraagd en wordt maatwerk en begeleiding geboden door gemeenten. Hierbij is ook aandacht voor de ondersteuning van inburgeraars die vallen onder de huidige Wet inburgering. Het nieuwe stelsel is tot stand gekomen met een groot aantal veldpartijen en kan rekenen op een breed draagvlak. Dat illustreert het belang om nieuwkomers een goede start in Nederland te geven, zodat ze zo snel mogelijk mee kunnen doen.

In het nieuwe stelsel volgen asielmigranten taallessen en participeren ze in de Nederlandse samenleving. Dit wordt veelal gedaan met (vrijwilligers)werk of stage. Het gevraagde taalniveau gaat van A2 naar B1. Hierdoor leren inburgeringsplichtigen de Nederlandse taal op een niveau waarmee zij sneller kunnen deelnemen aan de Nederlandse samenleving en hebben zij betere kansen op de Nederlandse arbeidsmarkt. Als na de nodige inspanning blijkt dat niveau B1 niet haalbaar is, dan kan op een lager niveau het inburgeringsexamen worden gemaakt. Gezinsmigranten betalen zelf hun taallessen en -examens, waar nodig met een lening van DUO.

De inburgeraar is zelf verantwoordelijk, maar kan rekenen op begeleiding van de gemeente. De inburgeraar is in het nieuwe stelsel eigenaar van zijn eigen inburgering, en dat eigenaarschap komt met verantwoordelijkheden. Een inburgeraar die zich verwijtbaar onvoldoende inzet, zal worden geconfronteerd met sancties. De gemeenten krijgen een belangrijke rol in de begeleiding van de inburgeraars. Doordat zij het dichtst bij de inburgeraars staan, kunnen zij het maatwerk leveren dat nodig is. De gemeente neemt een brede intake af en maakt een persoonlijk Plan Inburgering en Participatie op. Gemeenten begeleiden in het nieuwe stelsel ook gezinsmigranten en overige migranten. De groep die valt onder de huidige wet zal van de gemeenten zoveel mogelijk in de geest van de nieuwe wet ondersteuning ontvangen. Het kabinet heeft hiervoor € 46,5 miljoen aan gemeenten beschikbaar gesteld. Daarnaast voert het kabinet een verkenning uit naar verbetermogelijkheden binnen de huidige wet, waarbij met name wordt gekeken naar hardvochtige effecten op inburgeraars. Hierover zal de Tweede Kamer op een later moment worden geïnformeerd.

Het kabinet draagt bij aan gelijke kansen op de arbeidsmarkt voor mensen met een niet-westerse migratieachtergrond. Zij hebben, óók bij vergelijkbare kwalificaties, een minder stevige positie op de arbeidsmarkt. Om hun arbeidsmarktpositie te verbeteren onderzocht het kabinet met pilots ‘wat werkt’. Een aantal van de onderzochte aanpakken blijkt effectief voor het verbeteren van de arbeidsmarktkansen voor de groep met een migratieachtergrond en gemeenten, scholen en werkgevers zijn enthousiast om deze toe te passen. Ze zien mogelijkheden om achterstanden in het onderwijs te verkleinen en discriminatie tegen te gaan. Samen met de landelijke organisaties van werkgevers, gemeenten en het onderwijs heeft het kabinet afgesproken om de geleerde lessen in de praktijk toe te passen.

Het kabinet ontwikkelt een ‘sociale weerbaarheidsagenda 2022-2025’ gericht op democratische waarden en de weerbaarheid onder kwetsbare groepen. Het kabinet werkt hierin samen met gemeenten en andere partijen om problematisch gedrag, ongewenste buitenlandse invloeden en radicalisering tegen te gaan.

Het kabinet zet in op versterken van samenleven in verscheidenheid. Discriminatie en uitsluiting vormen een groot onrecht in het leven van velen. Daarom heeft het kabinet besloten tot de instelling van een Nationaal Coördinator Discriminatie en Racisme (NCDR) en een Staatscommissie evenals het nieuw te ontwikkelen Nationaal Programma.

Caribisch Nederland

Inwoners van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba moeten, net zoals in Europees Nederland, zonder zorgen kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud. Daarom zet het kabinet stappen richting een sociaal minimum, wordt armoede bestreden en worden de levensomstandigheden verbeterd. Daarvoor moeten de inkomens verhoogd worden en de kosten van levensonderhoud teruggebracht tot een redelijk niveau. Ook is er aandacht nodig voor het economisch potentieel van de eilanden, door de economie en arbeidsmarkt verder te verbeteren. De afgelopen jaren zijn er door het kabinet al stappen gezet op het gebied van de inkomens, door het wettelijk minimumloon beleidsmatig te verhogen. De uitkeringen hebben deze ontwikkeling gevolgd. Tegelijkertijd is aan de kostenzijde een stevige (financiële) impuls gegeven aan de kinderopvang.

Het volgende kabinet kan hierop voortbouwen, daarvoor is er al een aantal bouwstenen in voorbereiding. Voor het verbeteren van de kinderopvang is ontwerpwetgeving nagenoeg gereed. Op het introduceren van een werkloosheidsvoorziening ligt er al een aantal bouwstenen voor besluitvorming. Op thema’s als het moderniseren van de arbeidsomstandighedenwetgeving en het verbeteren van het verlofstelsel, is wetgeving opgesteld of in voorbereiding.

2.2.3 Passende balans dienstverlening en handhaving

Er zijn verbeteringen nodig om te komen tot wet- en regelgeving en passende dienstverlening met oog voor de menselijke maat. Dit blijkt uit de rapporten ‘Ongekend Onrecht’ van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (Kamerstukken II 2020/21, 35 510, nr. 2) en het rapport «Klem tussen balie en beleid» van de Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties (Kamerstukken II 2020/21, 35 387, nr. 2). De afgelopen jaren heeft het kabinet ingezet op een goede uitwisseling met de praktijk en goede randvoorwaarden voor de uitvoeringsorganisaties om de publieke waarden van de overheid structureel in de praktijk te brengen. In 2019 is het kabinet gestart met het traject ‘Werk aan Uitvoering’. De hieruit voortgekomen rapporten (Kamerstukken II 2020/21, 29 362, nr. 290) geven aanleiding om over de gehele breedte van het SZW-domein te kijken naar wat er beter kan en moet. De handelingsperspectieven en acties uit de hiervoor genoemde rapporten zijn uitgewerkt in de Werkagenda voor de uitvoering. Dit kabinet benut de middelen die naar aanleiding van het rapport «Ongekend Onrecht» beschikbaar zijn gesteld om een behoorlijk deel van de acties uit de Werkagenda te kunnen verwezelijken.

Het kabinet is op zoek naar de juiste balans tussen enerzijds maatwerk en dienstverlening en anderzijds handhaving. In deze zoektocht spelen verschillende dilemma’s. Het is aan de uitvoerende organisaties en betrokken ministeries om deze goed inzichtelijk te maken zodat ze publiek kunnen worden gewogen. Het kabinet deelt deze dilemma’s via de standen van de uitvoering.

Zo wil het kabinet burgers tijdig helpen, maar hen ook maatwerk bieden. Tijdige dienstverlening voor grote groepen mensen vraagt om een grootschalig, gestandaardiseerd en (deels) geautomatiseerd proces. Tegelijkertijd is maatwerk van belang als de uitvoering van regels tot resultaten leidt die niet overeenkomen met de bedoeling van de wet. Daarbij gaat het om het bieden van een passende oplossing aan burgers door bijvoorbeeld dienstverlening aan te bieden die aansluit bij de persoonlijke omstandigheden. De balans tussen tijdige massale dienstverlening en maatwerk zal een uitdaging blijven.

Het kabinet wil werken vanuit vertrouwen, maar moet ook alert zijn op misbruik en fraude. Voor de handhaving betekent dat een goed onderscheid tussen administratieve fouten en bewuste fraude, en proportionele maatregelen. Vergissingen en fouten van burgers bij uitkeringen moeten voorkomen worden. Dat vraagt veel van professionals in de praktijk, ook omdat het onderscheid soms lastig te maken is. Het dilemma tussen werken vanuit vertrouwen en het voorkomen van misbruik zal blijvend aandacht vergen.

Het kabinet blijft alert op georganiseerde fraude en misbruik, die soms onderdeel uitmaken van ondermijning. Het gaat dan bijvoorbeeld om kwaadwillende bedrijven die mensen valselijk ontslaan, waarna deze mensen met een uitkering weer aan het werk gaan. Georganiseerde uitkeringsfraude en ondermijning liggen vaak dicht tegen elkaar aan en moeten beide onverkort worden bestreden.

Menselijke maat in de kinderopvangtoeslag

De overheid heeft veel ouders met kinderopvangtoeslag groot onrecht aangedaan. Dit moet worden hersteld. Daarom is besloten tot het pauzeren van publieke en private schulden, het kwijtschelden van alle publieke schulden en het zoveel mogelijk afbetalen en oplossen van private schulden. Ten aanzien van de publieke schulden op het terrein van SZW gaat het om de socialezekerheidswetten en de Wet inburgering. Dit betekent dat gedupeerde ouders het geld dat zij als compensatie krijgen zoveel mogelijk zelf kunnen houden en een schuldenvrije start krijgen. Deze inzet gaat door in 2022.

Daarmee zijn we er nog niet, het moet beter. We treffen voorbereidingen voor het volgende kabinet. Het is voor het kabinet overduidelijk dat een aantal problemen niet binnen het huidige toeslagenstelsel kan worden opgelost en dat er moet worden toegewerkt naar vernieuwing van het stelsel. In de scenariostudie vormgeving kindvoorzieningen (Kamerstukken II 2020/21, 31 322, nr. 424) en de eindrapportage alternatieven voor het Toeslagenstelsel (Kamerstukken II 2020/21, 31 066, nr. V) zijn diverse scenario’s voor een nieuw stelsel uitgewerkt. Het is aan het volgende kabinet om hier besluiten over te nemen.

In de tussentijd werkt het kabinet aan verbeteringen van de huidige werkwijze. In reactie op de motie Lodders/Van Weyenberg (Kamerstukken II 2020/21, 35572 nr. 49) heeft het kabinet geïnventariseerd welke knelpunten er binnen het huidige toeslagenstelsel zijn en hoe die opgelost kunnen worden (kenmerk 2021-0000117264). Ook in 2022 blijft het kabinet onderzoeken waar hardvochtige effecten optreden in wet- en regelgeving. Daarnaast wordt de samenwerking tussen de Belastingdienst Toeslagen en SZW verder geïntensiveerd zodat signalen en problemen in de uitvoering ook bij de beleidsmakers terecht komen en er gezamenlijk aan een oplossing gewerkt kan worden. Zo werken SZW en Toeslagen samen in het verbetertraject kinderopvangtoeslag om de dienstverlening aan ouders te verbeteren en zodoende het aantal (hoge) terugvorderingen terug te dringen. De meest in het oog springende verbetering is dat ouders beter ondersteund worden bij het actueel houden van de gegevens, zodat het voorschot dat ouders ontvangen beter aansluit bij de toeslag waar zij recht op hebben.

Handhaving door uitvoeringsorganisaties

Handhaving begint met preventie vanuit (persoonlijke) dienstverlening. Hierbij is het vertrekpunt dat de burger te weten komt welke informatie moet worden verstrekt en hoe juist te handelen om zodoende de uitkering te ontvangen waar diegene recht op heeft. Daarmee wordt vooral gefocust op het voorkomen van fouten als gevolg van ‘niet weten wat’ en ‘niet weten hoe’. Het Aanjaagteam Preventie heeft als doelstelling het doen van concrete aanbevelingen op het SZW-domein die bijdragen aan het voorkomen van fouten en vergissingen met betrekking tot de inlichtingenplicht tijdens de aanvraag en gedurende de uitkering.

Naast een actief preventief beleid moet er een passend handhavingsinstrumentarium zijn. Wanneer een burger een fout maakt, moet dat niet direct leiden tot het stempel fraudeur en bejegening als zodanig. Er is daarbij behoefte aan een betere balans tussen aard van fout of overtreding en handhavend optreden, waarbij de uitvoering ruimte heeft voor maatwerk. Uitdagingen daarbij zijn bijvoorbeeld de toepassing van principes als rechtsgelijkheid en rechtszekerheid. Tegelijkertijd moet het handhavingsinstrumentarium ook toereikend zijn in situaties waar willens en wetens de regels worden overtreden, ook al ligt de bewijsrechtelijke lat hier hoger. Misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en regelingen opsporen en aanpakken blijven daarmee onderdeel van het handhavingsbeleid en dragen bij aan het maatschappelijk draagvlak voor de sociale zekerheid. Op dit moment wordt het huidige SZW-handhavingsinstrumentarium geëvalueerd en put het kabinet uit verschillende rapporten, zoals de bevindingen van de Tijdelijke Commissie Uitvoeringsorganisaties (Kamerstukken II 2020/21, 35 387, nr. 2), om te komen tot een herijking van de handhavingskoers.

Hardheden in de sociale zekerheid

Het kabinet wil in de sociale zekerheid balans vinden tussen de menselijke maat en het efficiënt bestrijden van fraude. Het is de taak van de overheid om actief te monitoren hoe wet- en regelgeving in de praktijk uitpakt voor burgers en in te grijpen waar dat nodig is. In de kabinetsreactie op het rapport ‘Ongekend Onrecht’ is dan ook aangegeven dat het kabinet actief gaat inventariseren bij de uitvoering, belangenorganisaties en de Nationale ombudsman welke mogelijke hardheden er in wet- en regelgeving en in de uitvoering ervan bestaan die mensen in de knel kunnen brengen. Een extern onderzoeksbureau stelt een definitie op van hardvochtigheid en onderzoekt het komende jaar waar hardvochtige effecten voor groepen burgers optreden en komt met voorstellen hoe deze terug te dringen. In de uitwerking van de voorstellen wordt gezocht naar een evenwichtige koers.

Het kabinet heeft onder andere specifieke aandacht voor de Participatiewet. Deze zomer is het traject een opgavegerichte aanpak Participatiewet gestart. In de eerste helft van 2021 zijn rondetafelgesprekken met gemeenten georganiseerd om een concreet beeld te krijgen van waar de hardheden in de uitvoering optreden. In het traject «opgavegerichte aanpak Participatiewet» worden samen met de gemeenten, bijstandsgerechtigden en andere betrokken stakeholders oplossingsrichtingen uitgewerkt. Er is ook aandacht voor de uitwerking van concrete relatief snel implementeerbare oplossingen en de eventuele financiële gevolgen. Hierdoor kan het toekomstige kabinet bij aantreden worden geadviseerd over oplossingsrichtingen voor de lange termijn en over concrete verbeteringen voor de tussenliggende periode.

Uitvoering UWV en SVB

De SVB en UWV presteren over het algemeen goed. Het kabinet verstevigt de inzet op uitvoering die werkt voor burgers. Er wordt zorg gedragen voor de realisatie van de beoogde maatschappelijke effecten van beleid en de verbetering van de uitvoerbaarheid van de regelingen voor de uitvoeringsorganisaties zelf én voor burgers. Daarnaast worden knelpunten, belemmeringen en mogelijke oplossingen bij de uitvoering van regelingen in kaart gebracht door in dialoog te gaan met beleidsmakers en de politiek. Hiervoor wordt capaciteit toegevoegd. Verder maken de SVB en UWV, net als andere onderdelen binnen het Rijk, de beweging naar meer openheid en transparantie richting burgers en instanties door onder andere actieve openbaarmaking. Een goede informatiehuishouding ondersteunt dit.

De SVB en UWV gaan er zoveel mogelijk voor zorgen dat burgers terechtkunnen voor reguliere dienstverlening die aansluit bij hun persoonlijke behoeften en bieden waar nodig maatwerk. Hierbij is laagdrempelig contact (zowel bij een fysiek loket, via de telefoon als digitaal) met een professional mogelijk. Daarnaast krijgen professionals van de SVB en UWV de ruimte om met meer tijd en aandacht de burger te kunnen helpen waardoor zoveel mogelijk recht kan worden gedaan aan ieders persoonlijke situatie. De professionals van de SVB en UWV worden ook beter toegerust om burgers te kunnen helpen, door het versterken van ambtelijk vakmanschap. Bij een complexe situatie gaan de SVB en UWV burgers – waarbij een oplossing binnen de reguliere processen niet voor handen is – nog meer en beter passend helpen in de vorm van maatwerk. De uitvoeringsorganisaties gebruiken deze praktijksituaties ook om ervan te leren door deze casussen te bespreken in maatwerkplaatsen, een overheidsbreed netwerk van maatwerkinitiatieven om te leren en te verbeteren van en met elkaar.

2.1.4 Kerncijfers

Fraude en handhaving UWV, SVB en gemeenten

Bij het ontvangen van een uitkering gelden diverse verplichtingen, zoals het tijdig verstrekken van gegevens over het inkomen en het melden van samenwonen. De naleving van deze verplichtingen is een belangrijke voorwaarde voor een goed werkend stelsel van sociale zekerheid. UWV, de SVB en de gemeenten zetten diverse instrumenten in om de naleving en handhaving van wet- en regelgeving te bevorderen. Het gaat zowel om voorkomen (bijvoorbeeld door gedragsbeïnvloeding en voorlichting) als om controleren en sanctioneren (bijvoorbeeld opleggen van boetes). Van de handhavingskengetallen is in de begroting geen raming opgenomen, omdat SZW uitvoeringsorganisaties niet aanstuurt op het aantal geconstateerde fraudegevallen. In het jaarverslag van SZW worden eventuele ontwikkelingen in kengetallen geduid. De ontwikkeling van de kengetallen voor 2020 is toegelicht in het jaarverslag over 2020. Voor het jaarverslag waren cijfers van gemeenten over het laatste kwartaal van 2020 nog niet beschikbaar. Deze cijfers zijn nu toegevoegd.

Zoals toegelicht in de brief over de Stand van de Uitvoering uit juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 26 448, nr. 652), is UWV en de SVB opdracht gegeven om ook in het geval van een schending van de inlichtingenplicht een minder strikt inningsbeleid toe te passen. Dit biedt de uitvoerders meer ruimte voor maatwerk, bijvoorbeeld ten aanzien van betalingstermijnen. Hierdoor kan de incassoratio1 in het eerste jaar van invordering lager liggen dan voorheen. Dit besluit heeft betrekking op diverse regelingen die worden uitgevoerd door UWV en de SVB. De invorderingen van ten onrechte verstrekte uitkeringen of boetes worden verrekend met de begrote uitgaven aan de verschillende regelingen.

Tabel 1 Kerncijfers opsporing UWV, SVB en gemeenten
 

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

 

2018

2019

2020

2018

2019

2020

UWV1

8,3

9,0

6,7

26

25

23

SVB2

3,9

10,5

3,9

7,9

10,6

6,0

Gemeenten3

33

31

25

70

67

59

Totaal

4

4

4

104

103

88

X Noot
1

UWV, Jaarverslag.

X Noot
2

SVB, Jaarverslag.

X Noot
3

CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

X Noot
4

Betreft het aantal vorderingen vanwege een overtreding van de inlichtingenplicht. Eén overtreding kan meerdere vorderingen tot gevolg hebben. Vanwege het definitieverschil wordt geen totaal weergegeven.

Tabel 2 Kerncijfers sanctionering UWV, SVB en gemeenten
 

Aantal boetes (x 1.000)

Totaal opgelegd boetebedrag (x € 1 mln.)

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

 

2018

2019

2020

2018

2019

2020

2018

2019

2020

UWV1

4,9

4,8

3,7

4,9

4,3

3,7

5,8

6,6

4,9

SVB2

1,8

2,3

1,1

1,3

1,4

0,9

5,0

9,6

4,6

Gemeenten3

13,7

11,8

9,2

8,7

7,9

5,6

11,3

9,9

7,3

Totaal

20

19

14

15

14

10

22

26

17

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

SVB, jaarverslag.

X Noot
3

CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

Tabel 3 Kerncijfers incassoratio UWV, SVB en gemeenten

Incassoratio benadelingsbedrag + boetevordering ultimo 2020 (%)

2016

2017

2018

2019

2020

UWV1

73

65

49

42

23

SVB2

54

55

42

36

23

Gemeenten3

38

36

29

20

12

X Noot
1

UWV, Jaarverslag.

X Noot
2

SVB, Jaarverslag.

X Noot
3

CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

Re-integratie

Tabel 4 geeft weer hoeveel mensen met een beperking door het UWV aan het werk zijn geholpen. In 2020 vonden 10.250 mensen met een arbeidsbeperking een baan. Dit is lager dan in de voorgaande jaren.

Tabel 4 Aantal door UWV aan het werk geholpen mensen met een beperking1
 

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Streefwaarde 2022

Mensen met recht op WAO-/WAZ-uitkering

400

250

150

2

Mensen met recht op Ziektewetuitkering

1.000

750

400

2

Mensen met recht op WIA-uitkering

2.900

3.500

3.000

3

Mensen met recht op Wajong

9.000

8.600

6.700

8.000

Totaal

13.300

13.100

10.250

Bron: UWV, jaarverslag.

X Noot
1

De aantallen zijn op verschillende manieren berekend. Bij de Wajong worden alleen de mensen die een arbeidsovereenkomst van minimaal zes maanden voor minimaal twaalf uur per week hebben aanvaard geteld. Bij de WIA, WAO en WAZ worden de mensen van wie het re-integratiedienstverleningstraject is beëindigd omdat ze voor hun resterende verdiencapaciteit werk hebben aanvaard geteld. Voor de Ziektewet worden uitsluitend de mensen die na een re-integratietraject aan het werk zijn gekomen geteld.

X Noot
2

Door de aard van deze regelingen kan geen streefwaarde worden opgesteld.

X Noot
3

Bij het ontwikkelen van de persoonlijke dienstverlening met de extra middelen van het kabinet wordt tevens ingezet op een verbetering van het inzicht in de resultaten van deze dienstverlening. Hierdoor kunnen naar verwachting in de toekomst ook voor de WIA streefwaarden worden opgesteld.

2.2 Budgettaire ontwikkeling uitgavenplafond Sociale Zekerheid

De Minister van SZW is binnen het kabinet verantwoordelijk voor het uitgavenplafond Sociale Zekerheid. In deze paragraaf wordt een beeld gegeven van de ontwikkelingen binnen deze sector. In de begrotingsregels van dit kabinet is afgesproken dat voor mutaties van de werkloosheidsuitgaven (WW en bijstand) die niet het gevolg zijn van beleidsmatige keuzes het uitgavenplafond wordt aangepast. Dit bevordert de automatische stabilisatie van de overheidsfinanciën. Voor beleidsmatige mutaties van werkloosheidsuitgaven en bijstand wordt het plafond niet aangepast. Daarnaast wordt het plafond aangepast voor de loon- en prijsontwikkeling. Het uitgavenplafond Sociale Zekerheid wordt ook aangepast voor de maatregelen die zijn genomen in antwoord op de coronacrisis, omdat het kabinet het niet wenselijk acht hiervoor andere uitgaven te verminderen.

2.2.1 Opbouw uitgavenplafond Sociale Zekerheid

Het uitgavenplafond Sociale Zekerheid bevat zowel uitgaven van regelingen die begrotingsgefinancierd zijn als uitgaven van regelingen die premiegefinancierd zijn. De begrotingsgefinancierde uitgaven worden gefinancierd uit belastingopbrengsten. De premiegefinancierde uitgaven komen ten laste van de sociale fondsen: deze uitgaven worden gedaan door UWV en SVB. Tabel 5 bevat een toelichting op de opbouw van de uitgaven die tot het uitgavenplafond Sociale Zekerheid worden gerekend.

Tabel 5 Opbouw SZ-uitgaven (bedragen x € 1 miljard)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Totaal uitgaven begrotingsgefinancierd

57,7

50,6

47,8

47,8

48,9

50,1

-/- Dubbeltelling rijksbijdragen

23,2

22,8

23,1

23,5

24,5

25,5

-/- Uitgaven plafond Rijksbegroting

0,9

1,4

1,3

1,4

1,2

1,2

-/- Correctie ontvangsten begrotingsgefinancierd

3,3

1,5

1,0

0,6

0,5

0,5

+ Loon- en prijsbijstelling

0,0

0,3

0,7

1,2

1,7

2,2

+ Overig

0,0

0,1

0,0

0,0

0,0

0,0

A. SZ-uitgaven begroting

30,3

25,4

23,2

23,6

24,4

25,1

       

Totaal uitgaven premiegefinancierd

64,3

66,2

68,8

71,6

74,9

78,1

-/- Correctie ontvangsten premiegefinancierd

0,2

0,2

0,2

0,3

0,3

0,3

B. SZ-uitgaven premie

64,2

66,0

68,6

71,4

74,7

77,9

       

C. Integratie-uitkering sociaal domein

1,9

1,9

1,8

1,8

1,7

1,7

       

Totale SZ-uitgaven (lopende prijzen) (A+B+C)

96,4

93,3

93,6

96,7

100,8

104,6

Allereerst wordt voor een dubbeltelling gecorrigeerd omdat sociale fondsen voor een deel worden gefinancierd uit begrotingsmiddelen, dit is de correctie voor rijksbijdragen. Dit betreft hoofdzakelijk een bijdrage aan het Ouderdomsfonds, die nodig is om de AOW-uitgaven te kunnen dekken. De opbrengsten van de AOW-premie zijn namelijk onvoldoende toereikend voor de AOW-uitgaven. In 2022 worden de uitgaven onder het uitgavenplafond hierdoor met € 22,8 miljard gecorrigeerd. Ook zijn er uitgaven op de SZW-begroting die onder het uitgavenplafond Rijksbegroting vallen, waarvoor met € 1,4 miljard wordt gecorrigeerd. Dit betreft onder meer verschillende subsidies en opdrachten en de apparaatsuitgaven van SZW.

Voor het gedeelte van de ontvangsten dat tot de niet-belastingontvangsten wordt gerekend wordt eveneens gecorrigeerd: € 1,5 miljard (terugontvangsten Kinderopvang en terugontvangsten Tegemoetkoming ouders). Het uitgavenplafond Sociale Zekerheid wordt in lopende prijzen uitgedrukt, wat betekent dat rekening wordt gehouden met toekomstige loon- en prijsontwikkelingen en de gevolgen daarvan voor de uitgaven. Voor de begrotingsgefinancierde regelingen zijn hiervoor middelen gereserveerd (€ 0,3 miljard in 2022). Deze middelen staan niet op de SZW-begroting, maar op een afzonderlijke begrotingspost die door de Minister van Financiën wordt beheerd. De post overig bestaat uit middelen die op de aanvullende post bij Financiën staan. Hierin is de in=uittaakstelling ook verwerkt, dit is de tegenhanger van de eindejaarsmarge. Met de eindejaarsmarge worden middelen toegevoegd aan het volgende jaar, wat leidt tot uitgaven bovenop het afgesproken plafond. De in=uittaakstelling wordt geboekt om te voorkomen dat het plafond door het toevoegen van de eindejaarsmarge wordt overschreden.

De premiegefinancierde uitgaven zijn uitgedrukt in lopende prijzen. De post wordt gecorrigeerd voor de premiegefinancierde ontvangsten. Het gaat hier om de ontvangsten uit het Ufo (Uitvoeringsfonds voor de overheid), die overheidswerkgevers betalen ten behoeve van de WW.

De middelen voor de Wet Sociale Werkvoorziening (Wsw) en het participatiebudget maken onderdeel uit van de integratie-uitkering sociaal domein (IUSD) en staan daarom niet op de SZW-begroting. Deze uitgaven (€ 1,9 miljard in 2022) zijn wel onderdeel van het uitgavenplafond Sociale Zekerheid en worden bijgeteld. In lopende prijzen bedragen de uitgaven onder het uitgavenplafond Sociale Zekerheid € 93,3 miljard in 2022.

2.2.2 Uitgaven uitgavenplafond Sociale Zekerheid 2021-2026

In tabel 6 wordt de opbouw van het uitgavenplafond Sociale Zekerheid per cluster van regelingen getoond. De uitgaven zijn gesaldeerd met de ontvangsten. In 2022 bedragen de totale uitgaven € 93,3 miljard. Hieronder vallen ook de uitgaven uit de noodpakketten gerelateerd aan de coronacrisis. In de jaren van 2022 tot 2026 stijgen de verwachte uitgaven van € 93,3 miljard naar € 104,6 miljard. De stijging is voor een groot deel toe te wijzen aan de nominale ontwikkeling (aanpassing aan de loon- en prijsontwikkeling). Deze post bedraagt € 1,5 miljard in 2022 en stijgt naar € 10,1 miljard in 2026. Gecorrigeerd voor de nominale ontwikkeling blijven de uitgaven onder uitgavenplafond Sociale Zekerheid min of meer gelijk. Een overzicht van het verloop van de uitgaven over de jaren 2021 t/m 2026 is te vinden in de Horizontale toelichting in de bijlagen bij de Miljoenennota.

De grootste uitgavenpost onder uitgavenplafond Sociale Zekerheid voor 2022 is de AOW (€ 42,4 miljard). Resterende grote uitgavenposten zijn de arbeidsongeschiktheidsregelingen (€ 14,3 miljard), de WW en bijstand (tezamen € 10,4 miljard) en de kindregelingen (€ 9,9 miljard). De verwachte uitgaven aan de AOW lopen op als gevolg van een toenemend aantal AOW-gerechtigden. De WW- en bijstandsuitgaven lopen naar verwachting de komende jaren op als gevolg van het coronavirus, waarna de verwachting is dat zij in de jaren daarna weer zullen dalen. De uitgaven die samenhangen met de crisispaketten vallen in de categorie ‘overig’ en zorgen in het jaar 2021 en in mindere mate 2022 voor substantieel hogere uitgaven dan in de jaren erna.

Tabel 6 SZ-uitgaven per cluster van regelingen 2021-2026 (bedragen x € 1 miljard)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Arbeidsmarkt

      

LIV/jeugd-LIV/LKV

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

Transitievergoeding/Compensatieregeling TV MKB

0,8

0,4

0,5

0,5

0,5

0,5

       

Werkloosheid/Bijstand

      

WW-uitgaven (werkloosheid)

3,8

4,0

4,1

4,4

4,7

4,7

Macrobudget participatiewetuitkeringen (bijstand)

6,4

6,4

6,5

6,7

6,9

7,0

       

Ziekte/arbeidsongeschiktheid/verlofregelingen

      

ZW-uitgaven

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

WIA/WAO/WAZ/Wajong

14,1

14,3

14,6

14,8

15,0

15,1

WAZO/geboorteverlof/ouderschapsverlof

1,5

1,7

1,9

2,0

2,0

2,1

       

Ouderdom/Nabestaanden

      

AOW

42,0

42,4

42,7

43,2

44,2

45,2

Inkomensondersteuning AOW

1,0

1,0

1,0

1,0

1,1

1,1

Anw

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

       

Kinderopvang en kindregelingen

      

KOT

3,6

3,6

3,6

3,6

3,6

3,6

AKW/WKB

6,3

6,3

6,2

6,2

6,2

6,2

       

Re-integratie/Participatie

      

Re-integratieuitgaven arbeidsongeschiktheid

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

Integratie-uitkeringen sociaal domein

1,9

1,9

1,8

1,8

1,7

1,7

       

Uitvoeringskosten en overige uitgaven

      

Uitvoeringskosten (UWV/SVB etc.)

2,6

2,8

2,6

2,7

2,7

2,7

Overige uitgaven

9,2

4,0

1,7

1,4

1,5

1,6

       

Nominale ontwikkeling

0,0

1,5

3,4

5,4

7,7

10,1

       

Totaal SZ-uitgaven

96,4

93,3

93,6

96,7

100,8

104,6

2.2.3 Mutaties uitgaven uitgavenplafond Sociale Zekerheid 2021-2026

Tabel 7 geeft de mutaties weer tussen ontwerpbegroting 2021 en de ontwerpbegroting 2022. Grootste mutaties zijn de neerwaartse bijstellingen in de WW- en bijstandsuitgaven als gevolg van de meevallende werkloosheidsprognoses. De uitgaven aan de maatregelen uit de crisispaketten zijn juist opwaarts bijgesteld in 2021 en 2022 (voornamelijk NOW), door verlenging van het steunpakket. De verwachte nominale ontwikkeling (indexatie van de uitkeringsregelingen aan loon- en prijsontwikkelingen) is meerjarig naar boven bijgesteld op basis van CPB-cijfers.

Tabel 7 Mutaties SZ-uitgaven sinds vorige ontwerpbegroting (bedragen x € 1 miljard)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

SZ-uitgaven ontwerpbegroting 2021

96,4

93,5

94,5

96,1

98,7

 

Arbeidsmarkt

‒ 0,1

‒ 0,1

‒ 0,1

‒ 0,1

‒ 0,1

 

Werkloosheid/Bijstand

‒ 3,0

‒ 3,5

‒ 2,6

‒ 1,7

‒ 0,9

 

Arbeidsongeschiktheid/Ziekte en verlofregelingen

0,1

0,1

0,2

0,2

0,2

 

Ouderdom/Nabestaanden

‒ 0,2

‒ 0,2

‒ 0,2

‒ 0,2

‒ 0,1

 

Kinderopvang en kindregelingen

0,1

0,1

0,0

0,0

0,0

 

Uitvoeringskosten (UWV/SVB etc.)

‒ 0,1

0,1

0,2

0,2

0,2

 

EU-ouderschapsverlof

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

 

NOW (inclusief uitvoeringskosten)

2,8

2,4

0,2

‒ 0,1

0,0

 

Tozo (inclusief uitvoeringskosten)

‒ 0,2

0,0

0,0

0,0

0,0

 

Compensatie eigen bijdrage kinderopvang

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

 

Overige uitgaven

0,4

0,4

0,1

0,2

0,2

 

Nominale ontwikkeling

0,1

0,5

1,2

1,9

2,6

 

SZ-uitgaven ontwerpbegroting 2022

96,4

93,3

93,6

96,7

100,8

104,6

2.2.4 Uitgaven uitgavenplafond Sociale Zekerheid en toetsing aan ijklijn

De ijklijn van het uitgavenplafond Sociale Zekerheid wordt jaarlijks conform de begrotingsregels bijgesteld voor loon- en prijsontwikkelingen, niet-beleidsmatige mutaties van de werkloosheidsuitgaven (WW en bijstand), overboekingen met andere uitgavenplafonds en statistische correcties. Als gevolg hiervan is de ijklijn voor het uitgavenplafond Sociale Zekerheid in 2021 met € 0,1 miljard verlaagd. Voor 2022 is er geen sprake van een ijklijn waaraan de uitgaven worden getoetst. Het kader voor 2022 zal worden vastgesteld door het volgende kabinet.

Tabel 8 Mutaties ijklijn (uitgavenplafond) sinds vorige ontwerpbegroting (bedragen x € 1 miljard)
 

2021

Ijklijn SZ-plafond ontwerpbegroting 2021

96,0

Correcties

‒ 0,1

Ijklijn SZ-plafond ontwerpbegroting 2022

96,0

De actuele uitgavenramingen uitgavenplafond Sociale Zekerheid, zoals deze zijn weergegeven in tabel 6, dienen volgens de regels budgetdiscipline voor 2021 te worden getoetst aan de actuele ijklijn van het uitgavenplafond Sociale Zekerheid zoals weergegeven in tabel 8. Deze plafondtoetsing wordt weergegeven in tabel 9. De uitgaven onder uitgavenplafond Sociale Zekerheid zijn in 2021 bijgesteld naar € 96,4 miljard, terwijl de ijklijn uitkomt op € 96,0 miljard. Hiermee wordt de ijklijn in 2021 overschreden met afgerond € 0,4 miljard.

Tabel 9 Toetsing uitgaven aan het uitgavenplafond Sociale Zekerheid (bedragen x € 1 miljard)
 

2021

Totale SZ-uitgaven

96,4

Ijklijn SZ-uitgaven

96,0

Over-/onderschrijding ijklijn SZ

0,4

2.3 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

Tabel 10 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven en bestemming (bedragen x € 1.000)

Art.

Naam artikel (totale uitgaven artikel)

Juridisch verplichte uitgaven

Niet-juridische verplichte uitgaven

Bestemming van de niet-juridisch verplichte uitgaven

1

Arbeidsmarkt (4.546.625)

4.260.777 (93,7%)

285.848 (6,3%)

Subsidies (272.042) en Opdrachten (13.806)

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet (7.388.951)

7.353.252 (99,5%)

35.699 (0,5%)

Subsidies (11.089) en Opdrachten (24.610)

3

Arbeidsongeschiktheid (17.714)

739 (4,2%)

16.975 (95,8%)

Bijdrage aan ZBO's/RWT's (16.975)

4

Jonggehandicapten (3.553.766)

3.553.766 (100%)

0 (0%)

 

5

Werkloosheid (282.534)

137.091 (48,5%)

145.443 (51,5%)

Subsidies (25.500), Bijdrage aan ZBO's/RWT's (118.143) en Bijdrage aan agentschappen (1.800)

6

Ziekte en verlofregelingen (36.626)

36.626 (100%)

0 (0%)

 

7

Kinderopvang (3.857.977)

3.838.014 (99,5%)

19.963 (0,5%)

Subsidies (561), Opdrachten (4.051), Bijdrage aan agentschappen (8.551) en Bijdrage aan medeoverheden (6.800)

8

Oudedagsvoorziening (25.274)

24.813 (98,2%)

461 (1,8%)

Opdrachten (461)

9

Nabestaanden (1.152)

1.152 (100%)

0 (0%)

 

10

Tegemoetkoming ouders (6.479.308)

6.479.308 (100%)

0 (0%)

 

11

Uitvoering (661.821)

658.838 (99,5%)

2.983 (0,5%)

Opdrachten (2.983)

12

Rijksbijdragen (22.837.601)

22.837.601 (100%)

0 (0%)

 

13

Integratie en maatschappelijke samenhang (373.769)

364.384 (97,5%)

9.385 (2,5%)

Subsidies (4.683) en Opdrachten (4.703)

     

Totaal aan niet verplichte uitgaven

516.756

2.4 Strategische Evaluatie Agenda

In deze begroting 2022 is de eerste versie van de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) van SZW opgenomen. De SEA is bij de begroting 2021 Rijksbreed geïntroduceerd en verankerd in de Rijksbegrotingsvoorschriften naar aanleiding van de Operatie Inzicht in Kwaliteit en vervangt de systematiek van de beleidsdoorlichtingen2. De SEA biedt de mogelijkheid om niet alleen per begrotingsartikel te evalueren, maar dit breder te doen voor een beleidsthema en te bezien wanneer dit strategisch handig is. Door middel van een duidelijke programmering van onderzoek en evaluatie in de SEA wordt inzichtelijk gemaakt waar de kennisbehoefte zit en wanneer welk evaluatiemateriaal verzameld moet worden. Dit moet leiden tot betere en meer bruikbare inzichten op belangrijke beleidsthema's, en zal ook in de verantwoording naar de Kamer leiden tot beter en meer bruikbaar inzicht in de doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid.

Deze eerste versie van de SEA geeft een integraal overzicht van de geplande evaluaties voor de belangrijkste beleidsthema's bij SZW. Het thema Steun- en herstelbeleid corona bevat verwijzingen naar de interdepartementale evaluaties voor corona steun- en herstelmaatregelen. Deze evaluaties zijn eveneens opgenomen in de SEA van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en de SEA van het Ministerie van Financiën.

Gezond, veilig en duurzaam werken

Thema 1: Gezonde en veilige arbeidsomstandigheden

Titel/onderwerp

Type onderzoek

Looptijd

Begrotingsartikel(en)

Evaluatie Beleidsmaatregelen asbeststelsel

Evaluatie

2023 ‒ 2024

1

Evaluatie Programma preventie beroepszieken

Evaluatie

2021 ‒ 2022

1

Tussenevaluatie Meerjarenprogramma Risico-Inventarisatie & Evaluatie (RI&E)

Tussenevaluatie

2021 ‒ 2022

1

Thema 2: Leven lang ontwikkelen

Titel/onderwerp

Soort onderzoek

Looptijd

Begrotingsartikel(en)

Evaluatie SLIM-regeling

Evaluatie

2021 ‒ 2025

1

Evaluatie Subsidieregeling STAP-budget

Evaluatie

2024 ‒ 2027

1

Evaluatie Expeditie-regeling

Evaluatie

2024 ‒ 2025

1

Evaluatie NL leert door1

Evaluatie

2023

1

X Noot
1

De evaluatie heeft betrekking op meerdere thema's en is daarom onder meerdere thema's opgenomen.

Beschermd werken in een veranderd speelveld

Thema 3: Inclusieve arbeidsmarkt

Titel/onderwerp

Soort onderzoek

Looptijd

Begrotingsartikel(en)

Evaluatie Loonkostenvoordelen

Evaluatie

2021

1

Thema 4: Arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden

Titel/onderwerp

Soort onderzoek

Looptijd

Begrotingsartikel(en)

Evaluatie Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB)

Evaluatie

2023 ‒ 2025

1

Nulmeting Compensatie transitievergoeding bij bedrijfsbeëindiging

Nulmeting

2021 ‒ 2022

1

Evaluatie Pilot Essentieel personeel startups

Tussenevaluatie en eindevaluatie

2023 ‒ 2025

1

Monitoring en evaluatie Implementatiewet herziene detacheringsrichtlijn

Monitoring en evaluatie

2021 ‒ 2023

1

Evaluatie Meldingsplicht Wet Arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU)

Evaluatie

2021 ‒ 2022

1

Evaluatie Wet Minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML)

Evaluatie

2023

1

Evaluatie maatregelen uitvoering tewerkstellingsvergunning (TWV) Saba

Evaluatie

2022

1

Werk en zorg combineren

Thema 5: Arbeid, zorg en ontwikkeling van het kind / tegemoetkoming ouders / kinderopvang

Titel/onderwerp

Soort onderzoek

Looptijd

Begrotingsartikel(en)

Evaluatie Wet Invoering geboorteverlof (WIEG)

Effectevaluatie

2019 ‒ 2022

6

Syntheseonderzoek Kinderopvang

Periodieke rapportage

2020 ‒ 2023

7

Evaluatie Wet Innovatie en kwaliteit kinderopvang (IKK)

Doeltreffendheids-onderzoek

2020 ‒ 2023

7

Programma Kwaliteit kinderopvang

Overig onderzoek

2017 ‒ 2022

7

Monitor Bestuurlijke afspraken bereik peuters en inspanning gemeenten

Monitoring

2017 ‒ 2022

7

Experiment Meertalige dagopvang en meertalig peuterspeelzaalwerk

Experiment

2018 ‒ 2022

7

Landelijke kwaliteitsmonitor Kinderopvang

Monitoring

2021 ‒ 2025

7

Kostprijsonderzoek Kinderopvang Caribisch Nederland

Kostprijsonderzoek

2020 ‒ 2022

7

Syntheseonderzoek Tegemoetkoming ouders

Periodieke rapportage

2023 ‒ 2024

10

Pensioen en oudedag

Thema 6: Oudedagsvoorziening

Titel/onderwerp

Soort onderzoek

Looptijd

Begrotingsartikel(en)

Monitor AOW-leeftijdsverhoging1

Monitoring

Jaarlijks

8

Omvang witte vlek op pensioengebied

Overig onderzoek

2021 ‒ 2022

8

X Noot
1

De evaluatie heeft betrekking op meerdere thema's en is daarom onder meerdere thema's opgenomen.

Thema 7: Gezond naar pensioen

Titel/onderwerp

Soort onderzoek

Looptijd

Begrotingsartikel(en)

Monitoring en evaluatie Maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden

Monitoring en beleidsevaluatie

2021 ‒ 2026

1

Monitoring Regeling Vervroegd uittreden (RVU)

Monitoring

2021 - n.t.b

8

Monitor AOW-leeftijdsverhoging1

Monitoring

Jaarlijks

8

X Noot
1

De evaluatie heeft betrekking op meerdere thema's en is daarom onder meerdere thema's opgenomen.

Ondersteuning bij sociaal-economische kwetsbaarheid inclusief inkomensbescherming bij werkverlies / Werk voor iedereen: integratie en participatie

Thema 8: Armoede en schulden

Titel/onderwerp

Soort onderzoek

Looptijd

Begrotingsartikel(en)

Huishoudens in de rode cijfers: schuldenproblematiek in beeld sinds corona

Monitoring

2021

2

Evaluatie Intensivering armoede- en schuldenaanpak

Ex-post onderzoek

2022

2

Evaluatie Besluit breed moratorium Wet gemeentelijke schuldhulpverlening

Ex-post onderzoek

2021 ‒ 2022

2

Thema 9: Bijstand en participatie

Titel/onderwerp

Soort onderzoek

Looptijd

Begrotingsartikel(en)

Analyse Bijverdienregeling onderstand Caribisch Nederland

Overig onderzoek

2021 ‒ 2022

2

Brede baten-onderzoek van re-integratie

Onderzoeks-programma

2021 - n.t.b.

2

Kennistraject Sociaal domein: stapelingsmonitor & sociale impact corona

Monitoring & Ex-post onderzoek

2021 - n.t.b.

2 en 13

Meerjarige tekorten en overschotten Gebundelde uitkering (BUIG)

Ex-post onderzoek

2021 ‒ 2022

2

Monitor Uitvoering uniforme loonwaardebepaling

Monitoring

2021 ‒ 2022

2

Evaluatie Leerwerkloketten1

Evaluatie

2021 ‒ 2022

2 en 11

X Noot
1

De evaluatie heeft betrekking op meerdere thema's en is daarom onder meerdere thema's opgenomen.

Thema 10: Arbeidsongeschiktheid voor werknemers

Titel/onderwerp

Soort onderzoek

Looptijd

Begrotingsartikel(en)

Syntheseonderzoek Arbeidsongeschiktheid voor werknemers

Periodieke rapportage

2023

3

Effectiviteit Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA)-dienstverlening1

Effectevaluatie

2019 ‒ 2024

3 en 11

Onderzoek Instroomrisico vrouwen

Ex-post onderzoek

2021 ‒ 2022

3

Onderzoek Effectiviteit hybride markt

Ex-post onderzoek

2022

3

Evaluatie Scholingsexperiment

Ex-post onderzoek

2023

3

Willen, kunnen en doen. Gedragsbeïnvloeding van mensen met een AG-uitkering

Ex-durante onderzoek

2021 ‒ 2022

3, 4 en 6

X Noot
1

De evaluatie heeft betrekking op meerdere thema's en is daarom onder meerdere thema's opgenomen.

Thema 11: Jonggehandicapten

Titel/onderwerp

Soort onderzoek

Looptijd

Begrotingsartikel(en)

Syntheseonderzoek Jonggehandicapten

Periodieke rapportage

2023 ‒ 2024

4

Effectiviteit Wajong-dienstverlening1

Effectevaluatie

2020 ‒ 2022

4 en 11

Monitor Effect wetsvoorstel Wajong maatregelen

Monitoring

2021 ‒ 2024

4

Evaluatie Pilot Generieke werkgeversvoorziening

Evaluatie

2022 en 2026

3 en 4

X Noot
1

De evaluatie heeft betrekking op meerdere thema's en is daarom onder meerdere thema's opgenomen.

Thema 12: Werkloosheid werknemers

Titel/onderwerp

Soort onderzoek

Looptijd

Begrotingsartikel(en)

Syntheseonderzoek Werkloosheid werknemers

Periodieke rapportage

2021 ‒ 2022

5

Analyse Vereenvoudiging WW vanuit perspectieven burgers, uitvoering en werkgevers

Overig onderzoek

2022

5

Effectiviteit WW dienstverlening (activerende werking)1

Effectevaluatie

2022

5 en 11

Onderzoek Sollicitatieplicht

Overig onderzoek

2022

5

X Noot
1

De evaluatie heeft betrekking op meerdere thema's en is daarom onder meerdere thema's opgenomen.

Thema 13: Ziekte

Titel/onderwerp

Soort onderzoek

Looptijd

Begrotingsartikel(en)

Eigenrisicodragen Ziektewet

Ex-post onderzoek

2022

6

Thema 14: Inkomensondersteuning nabestaanden en wezen

Titel/onderwerp

Soort onderzoek

Looptijd

Begrotingsartikel(en)

De (financiële) positie van wezen

Verkennend kwalitatief onderzoek

2021 ‒ 2022

9

Thema 15: Integratie en maatschappelijke samenhang

Titel/onderwerp

Soort onderzoek

Looptijd

Begrotingsartikel(en)

Syntheseonderzoek Integratie

Periodieke rapportage

2023

13

Syntheseonderzoek Pilots Veranderopgave Inburgering (VOI)

Ex-ante evaluatie

2023

13

Jaarrapport Integratie

Monitoring

2022

13

Longitudinaal onderzoek Cohort statushouders

Monitoring

2020 ‒ 2022

13

Brede studie Achterstand en evenredigheid

Evaluatie

2022

13

Derde evaluatie Kennisplatform Integratie & Samenleving (KIS)

Ex-ante evaluatie

2025

13

Evaluatie Projecten vergroten sociaal netwerk gesloten gemeenschappen

Evaluatie

2021 ‒ 2022

13

Evaluatie Project rond ondersteuning geloofsverlaters

Evaluatie

2021 ‒ 2022

13

Evaluatie Voorlichting recht op zelfbeschikking

Evaluatie

2021 ‒ 2022

13

Monitoring Actieplan Ons voetbal is van iedereen

Monitoring

2020 ‒ 2023

13

Evaluatie Decentrale Uitkeringen Samenleven en discriminatie

Proces- en effectevaluatie

2022

13

Evaluatie Fondsen op naam en ondersteuningsfunctie

Effectevaluatie

2022

13

Evaluatie Vervolgtraject preventieve aanpak anti-zwart racisme

Evaluatie

2023

13

Evaluatie United Nations (UN) Decade for people of African descent

Evaluatie

2023 ‒ 2025

13

Evaluatie Decentrale Uitkeringen 7 Roma Pilots

Evaluatie

2022

13

Programma-evaluatie Pilots Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt (VIA)

Evaluatie

2019 ‒ 2021

13

Ontwikkelen monitor Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt (VIA) en vervolgmetingen

Monitor

2021 ‒ 2025

13

Leertraject en toolkit Evidence-based werken

Monitoring en Evaluatie

2021 ‒ 2022

13

Evaluatie Expertise-unit Sociale Stabiliteit (ESS) en platform Jeugdpreventie Extremisme en Polarisatie (JEP)

Evaluatie

2022

13

Onderzoeksprogramma Weerbaarheidsagenda (diverse onderzoeken)

Evaluatie

2023

13

Monitor en (tussen)evaluatie Wet Inburgering (diverse onderzoeken)

Monitoring en Evaluatie

2021 ‒ 2027

13

Verbinding met de buitenwereld en uitvoering

Thema 16: Uitvoering SUWI-stelsel (SUWI = Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen)1

Titel/onderwerp

Soort onderzoek

Looptijd

Begrotingsartikel(en)

Effectiviteit WW dienstverlening (activerende werking)2

Effectevaluatie

2022

5 en 11

Effectiviteit Wajong-dienstverlening2

Effectevaluatie

2020 ‒ 2021

4 en 11

Effectiviteit WGA-dienstverlening2

Effectevaluatie

2019 ‒ 2024

3 en 11

Evaluatie Leerwerkloketten2

Evaluatie

2021 ‒ 2022

2 en 11

Evaluatie van het handhavingsinstrumentarium (in de sociale zekerheid)

Evaluatie

2021

meerdere

Onderzoek Hardvochtige effecten van wet- en regelgeving op burgers

Ex-post ondezoek

2022

meerdere

Eindevaluatie Perspectief op werk

Evaluatie

2021

2 en 11

Evaluatie Regionale mobiliteitsteams

Monitoring en ex-durante evaluatie

2021 ‒ 2023

5 en 11

X Noot
1

De kabinetsreactie op de beleidsdoorlichting Uitvoering en evaluatie Wet SUWI is op 6 juli 2021 aan de Tweede Kamer verzonden (Kamerstukken II 2020/21, 30 982, nr. 62). Hierin is aangekondigd dat er de komende jaren wordt geïnvesteerd in een onderzoeksprogrammering die inzet op het versterken van het inzicht in het functioneren van het SUWI-stelsel. De aanbevelingen van de onderzoekers en de betrokken onafhankelijk deskundigen worden hierin meegenomen. Een deel van de aanbevelingen komt al aan de orde in de evaluaties die hier zijn opgenomen.

X Noot
2

De evaluatie heeft betrekking op meerdere thema's en is daarom onder meerdere thema's opgenomen.

Coronasteunmaatregelen en invloed corona op eigen werk

Thema 17: Steun- en herstelbeleid corona

Titel/onderwerp

Soort onderzoek

Looptijd

Begrotingsartikel(en)

Evaluatie van de TOZO en NOW op doeltreffendheid en doelmatigheid

Evaluatie

2023

1 en 2

Macro-economische analyse Steunpakketten door CPB

Effectmeting

2021

meerdere

Evaluatie Regionale mobiliteitsteams

Monitoring en ex-durante evaluatie

2021 ‒ 2023

5 en 11

Evaluatie NL leert door1

Evaluatie

2023

1

Kennistraject Sociale impact corona

Ex-post onderzoek

2021 - n.t.b.

2 en 13

Evaluatie van de tijdelijke subsidieregeling loonkosten en inkomensverlies Caribisch Nederland

Evaluatie

2023

1

Tegemoetkomingsregelingen kinderopvang

Evaluatie

2022

10

X Noot
1

De evaluatie heeft betrekking op meerdere thema's en is daarom onder meerdere thema's opgenomen.

Voor een verdere onderbouwing van de strategische evaluatie agenda zie «Bijlage 5: Uitwerking Strategische Evaluatie Agenda»

2.5 Overzicht risicoregelingen

Het Ministerie van SZW verleent – indien zij of hun partner niet over voldoende financiële middelen beschikken – via DUO leningen aan migranten met de plicht tot inburgering. Het leenstelsel hanteert het draagkrachtbeginsel. Asielmigranten die met succes en tijdig hun inburgering afronden hoeven de lening niet terug te betalen.

Voor statushouders die onder het nieuwe stelsel (voorziene ingangsdatum 1 januari 2022) vallen, komt een inburgeringsaanbod van gemeenten in de plaats van de lening. De groep overige migranten zal ook in het nieuwe stelsel gebruik kunnen maken van een sociale lening.

Tabel 11 Overzicht verstrekte leningen (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

Uitstaande lening

Looptijd lening

13 (Integratie en maatschappelijke samenhang)

Inburgering

246.742

Divers

Bron: DUO, administratie

2.6 Overzicht coronamaatregelen

2020 en 2021 zijn voor een belangrijk deel getekend door de coronacrisis. Het kabinet heeft diverse (nood)maatregelen genomen om de crisis het hoofd te bieden. Deze paragraaf geeft een overzicht van de corona gerelateerde maatregelen op de begroting van SZW. Een uitgebreid overzicht is te vinden op https://www.rijksfinancien.nl/corona-visual.

Tabel 12 Coronamaatregelen op de SZW-begroting (bedragen x € 1 mln)

Art

Omschrijving maatregel

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Vindplaats

1

Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor werkgelegenheid (NOW)1

13.184

9.458

3.550

727

   

Kamerstuk 35 420, nr. 8

         

Kamerstuk 35 420, nr. 38

         

Kamerstuk 35 420, nr. M

         

Kamerstuk 35 420, nr. V

         

Kamerstuk 35 420, nr. 217

         

Kamerstuk 35 420, nr. AW

1

Tijdelijke subsidieregeling loonkosten en inkomensverlies Caribisch Nederland

29

20

     

Kamerstuk 35 420, nr. 9

         

Kamerstuk 35 420, nr. 38

         

Kamerstuk 35 420, nr. M

         

Kamerstuk 35 420, nr. V

         

Kamerstuk 35 420, nr. 217

         

Kamerstuk 35 420, nr. AW

2

Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo)1

3.200

1.124

     

Kamerstuk 35 420, nr. 8

         

Kamerstuk 35 420, nr. 38

         

Kamerstuk 35 420, nr. M

         

Kamerstuk 35 420, nr. 217

         

Kamerstuk 35 420, nr. AW

1

Tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten (TOFA)

20

      

Kamerstuk 35 420, nr. 73

2

Tegemoetkoming eigen bijdrage kinderopvang

296

293

     

Kamerstuk 35 420, nr. 22

         

Kamerstuk 31322, nr. 425

         

Kamerstuk 31 322, nr. 432

96

Arbeidsbemiddeling Caribisch Nederland

0

1

1

    

Kamerstuk 35 420, nr. M

         

Kamerstuk 35 420, nr. 134

99

Eilandelijk beleid CN2

 

1

     

Kamerstuk 35420, nr. BE

1

NL leert door

14

119

53

    

Kamerstuk 35 420, nr. M

         

Kamerstuk 35 420, nr. 134

         

Kamerstuk 35 420, nr. 228

5

Scholingsbudget WW

9

27

     

Kamerstuk 35 420, nr. M

         

Kamerstuk 35 420, nr. 134

         

Kamerstuk 35 420, nr. 228

5, 11, 96, 99

Crisisdienstverlening (regionale mobiliteitsteams)2

9

110

166

4

1

  

Kamerstuk 35 420, nr. M

         

Kamerstuk 35 420, nr. 134

         

Kamerstuk 35 420, nr. 228

         

Kamerstuk 35420, nr. BE

PM

Werkgeversdienstverlening UWV

0

11

     

Kamerstuk 35 420, nr. M

         

Kamerstuk 35 420, nr. 134

         

Kamerstuk 35 420, nr. 228

96, 99

Aanpak jeugdwerkloosheid2

0

0,5

34,5

    

Kamerstuk 35 420, nr. M

         

Kamerstuk 35 420, nr. 134

         

Kamerstuk 35 420, nr. 228

99

Tegemoetkoming SW-bedrijven2

 

35

     

Kamerstuk 35420, nr. BE

2

Waarborgfonds

 

6

6

6

6

6

 

Kamerstuk 35 420, nr. M

         

Kamerstuk 35 420, nr. 134

         

Kamerstuk 35 420, nr. 228

2

Versnellen brede schuldenaanpak

1

5

3

2

1

0,1

0,1

Kamerstuk 35 420, nr. M

         

Kamerstuk 35 420, nr. 134

         

Kamerstuk 35 420, nr. 228

 

Totaal

16.762

11.210

3.813

738

8

6,1

0,1

 
X Noot
1

Betreft enkel de verwachte uitgaven, niet de ontvangsten.

X Noot
2

Betreft het deel van de uitgaven / reserveringen dat betrekking heeft op de SZW-begroting.

Toelichting op coronamaatregelen

Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor werkgelegenheid (NOW)

De Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkbehoud (NOW) komt werkgevers tegemoet die door de coronacrisis met omzetverlies te maken hebben. Met de tegemoetkoming NOW kunnen werkgevers werknemers in dienst houden, waardoor banen behouden blijven. Werkgevers die te maken krijgen met minstens 20% omzetverlies kunnen aanspraak maken op de regeling. Werkgevers ontvangen een voorschot op basis van het verwachte omzetverlies. Achteraf vindt de subsidievaststelling plaats op basis van het daadwerkelijke omzetverlies. Ook wordt gekeken of werkgevers de loonsom op peil hebben gehouden.

Tijdelijke subsidieregeling loonkosten en inkomensverlies Caribisch Nederland 

Het doel van deze regeling is het voorkomen van werkloosheid en het opvangen van inkomensverlies als gevolg van de acute vraaguitval die optreedt als gevolg van het coronavirus in Caribisch Nederland. Zowel werkgevers als zelfstandig ondernemers kunnen aanspraak maken op de regeling.

Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo)

De Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) heeft als doel ondernemers te ondersteunen tijdens de coronacrisis. De regeling is voor zelfstandig ondernemers, waaronder zzp’ers. Ondersteuning kan worden aangevraagd in de vorm van een aanvullende uitkering voor levensonderhoud en/of een lening voor bedrijfskapitaal.

Tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten (TOFA)

De TOFA was bedoeld voor flexwerkers die minimaal de helft van hun inkomsten zijn kwijtgeraakt en die geen uitkering kunnen krijgen. Dit zijn bijvoorbeeld werknemers met een nul-urencontract, uitzendkrachten en studenten met een bijbaan.

Tegemoetkoming eigen bijdrage kinderopvang 

Alle ouders die gebruik maken van kinderopvang en hun factuur tijdens de sluitingsperioden van de kinderopvang volledig door blijven betalen, ontvangen een tegemoetkoming in de eigen bijdrage. De tegemoetkoming geldt voor alle typen formele opvang en voor verschillende financieringsvormen. Namelijk voor ouders die Kinderopvangtoeslag ontvangen, ouders die gebruik maken van een regeling gesubsidieerd door de gemeenten en personen die gebruik maken van kinderopvang zonder overheidsvergoeding.

Arbeidsbemiddeling Caribisch Nederland

Betreft extra inzet op arbeidsbemiddeling in Caribisch Nederland. Dit om te voorkomen dat als gevolg van de coronacrisis werkloos geworden lokale arbeidskrachten onnodig (lang) aan de kant blijven staan en een (steeds) grote(re) afstand tot de arbeidsmarkt krijgen.

Eilandelijk beleid Caribisch Nederland

De Tijdelijke subsidieregeling loonkosten en inkomstenverlies CN en de subsidieregeling Tegemoetkoming Vaste Lasten BES worden in het 4e kwartaal niet verlengd. Om de overgang naar een situatie zonder subsidie van Rijkswege soepel te laten verlopen, continueert en verhoogt het kabinet de tijdelijke middelen voor aanvullend eilandelijk beleid via de vrije uitkering. De middelen worden gereserveerd op artikel 99 en bij de eerste mogelijkheid overgeboekt naar het BES-fonds. In een eerder stadium zijn meermaals middelen vrijgemaakt voor eilandelijk beleid. Omdat deze reeds zijn overgeboekt aan het BES-fonds, zijn deze niet zichtbaar in de tabel.

NL leert door 

Deze maatregel bestaat uit het aanbieden van online scholing en ontwikkel­adviezen en een ondersteunende campagne om de kansen van scholing onder de aandacht te brengen. Dit helpt mensen die door de crisis hun baan zijn verloren of dreigen te verliezen zich te (her)oriënteren op baankansen en daarvoor zo nodig (online) scholing te volgen.

Scholingsbudget WW

Het scholingsbudget WW kan door UWV worden gebruikt voor het inkopen van scholingstrajecten voor werklozen met een grote kans op langdurige werkloosheid. Deze tijdelijke regeling vervalt per 1 januari 2022.

Crisisdienstverlening (regionale mobiliteitsteams) 

Een deel van de mensen die als gevolg van de coronacrisis hun baan verliezen of met werkloosheid worden bedreigd, is gebaat bij extra ondersteuning om snel en gericht de weg te vinden naar ander werk. Specifiek voor deze mensen is een nieuwe aanpak van aanvullende (crisis)dienstverlening ontwikkeld, waarin werkgeversorganisaties, vakbonden, gemeenten en UWV samenwerken in regionale mobiliteitsteams om mensen naar werk te begeleiden. Daarnaast is een tijdelijke impuls beschikbaar om mensen uit de doelgroep banenafspraak betrokken te houden bij de arbeidsmarkt en hun vaardigheden en competenties te behouden.

De middelen zijn verdeeld over de begroting van SZW, overgeboekt naar het Gemeentefonds inclusief afdracht aan het BTW-compensatiefonds en voor een klein deel naar OCW. Een deel van de middelen uit 2021 is doorgeschoven naar 2022, om zo beter aan te sluiten bij de startdata van de regionale mobiliteitsteams. In 2022 is daarnaast de € 75 miljoen beschikbaar gekomen die eerder op de aanvullende post bij Financiën stond.

Werkgeversdienstverlening UWV

Voor werkgeversdienstverlening bij het UWV is € 11 miljoen gereserveerd in 2021. Gemeenten en UWV zetten deze middelen in als aanvulling op hun reguliere werkgevers- en werkzoekendendienstverlening, ook in het kader van de regionale mobiliteitsteams.

Aanpak jeugdwerkloosheid

Jongeren die werkloos dreigen te worden of net zijn geworden en extra ondersteuning nodig hebben, kunnen een beroep doen op de dienstverlening van de regionale mobiliteitsteams. Naast deze generieke middelen krijgen scholen en gemeenten ook specifiek budget voor een integrale aanpak om kwetsbare schoolverlaters te laten doorleren of te ondersteunen naar werk. SZW en OCW ondersteunen de regio’s in deze aanpak (reeks in de tabel is exclusief de OCW-middelen, middelen in het BTW-compensatiefonds en middelen in het Gemeentefonds). De middelen in 2021 zijn bedoeld voor de ondersteuning van de regio’s en uitvoeringskosten, de middelen in 2022 zullen worden overgeheveld naar het Gemeentefonds.

Tegemoetkoming SW-bedrijven

Omdat SW-bedrijven geen aanspraak kunnen maken op NOW-steun, is besloten tot een tegemoetkoming aan gemeenten voor de loonkosten van SW-personeel. Voor de periode van 1 januari tot 1 juli 2021 is € 35 miljoen beschikbaar gesteld. Het bedrag wordt gereserveerd op artikel 99 en zal bij de eerste mogelijkheid worden toegevoegd aan de integratie-uitkering Participatie van het Gemeentefonds via een verhoging van de Rijksbijdrage Wsw in 2021. De tegemoetkoming in 2020 (€ 140 miljoen) is reeds overgeboekt naar het Gemeentefonds en is derhalve niet zichtbaar in de tabel.

Waarborgfonds

De motie Segers c.s. (Kamerstukken II 2020/21, 35 570, nr. 24) verzoekt het kabinet om te komen tot een Waarborgfonds dat garant staat voor saneringskredieten. Het kabinet heeft hiervoor € 30 miljoen euro beschikbaar gesteld. Voor een periode van vijf jaar wordt er via een subsidie een bodemstorting van maximaal € 6 miljoen per jaar gedaan aan de Stichting Toegang Bemiddeling Beheer Gelden van de NVVK. Deze stichting zal het Waarborgfonds beheren. De eerste bodemstorting wordt gedaan in 2021.

Versnellen brede schuldenaanpak 

Met de middelen voor de versnelling en intensivering worden initiatieven uitgevoerd die voortvloeien uit diverse rondetafelgesprekken die zijn gevoerd in het kader van de armoede- en schuldenaanpak. De reeks in de tabel betreft het kasritme, alle verplichtingen zijn inmiddels aangegaan.

3. Beleidsartikelen

3.1 Artikel 1 Arbeidsmarkt

A. Algemene doelstelling

De overheid draagt bij aan evenwichtige arbeidsverhoudingen en -voorwaarden door kaders te stellen en waar van toepassing toe te zien op de naleving daarvan. De overheid bevordert en stimuleert een inclusieve arbeidsmarkt en gezonde en veilige arbeidsomstandigheden.

De overheid bevordert het functioneren van de arbeidsmarkt door bescherming te bieden en de belangen van werknemers te waarborgen in evenwicht met de belangen van de onderneming. De overheid voorziet hierbij in een minimumniveau van arbeidsrechtelijke bescherming, onder andere ten aanzien van de arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden, met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Daarnaast draagt zij zorg voor een op de arbeidsmarkt toegesneden arbeidsmigratiebeleid.

De overheid vindt het belangrijk dat werknemers en zelfstandigen hun werk onder goede condities kunnen verrichten. Dit is ook van belang voor het vergroten van de arbeidsparticipatie en de arbeidsproductiviteit, het beperken van uitval door ziekte en arbeidsongeschiktheid, en het bevorderen van de duurzame inzetbaarheid van werknemers.

De overheid geeft invulling aan bovenstaand beleid door de vormgeving van een stelsel van wet- en regelgeving. Ook ziet de overheid toe op de naleving daarvan. Concreet gaat het daarbij om:

  • gezond en veilig werken, waaronder de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en de Arbeidstijdenwet (ATW);

  • arbeidsverhoudingen, waaronder de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (cao), de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (avv) en de Wet op de ondernemingsraden (WOR);

  • arbeidsrechtelijke bescherming, waaronder de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml), wet- en regelgeving met betrekking tot gelijke behandeling en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi);

  • toelating van arbeidsmigranten, waaronder de Wet arbeid vreemdelingen (Wav);

  • de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU);

  • maatregelen tegen schijnconstructies van werkgevers, waaronder de Wet aanpak schijnconstructies (Was);

  • de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl);

  • de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab).

Bij het realiseren van deze doelstelling is een belangrijke taak weggelegd voor sociale partners. Zij zijn verantwoordelijk voor het maken van onderlinge afspraken over arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen en het bieden van veilige en gezonde werkomstandigheden. De overheid bevordert dat sociale partners hier vorm en uitvoering aan geven en voert hiertoe overleg met hen.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert met financiële instrumenten het in dienst nemen van mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt, initiatieven die bijdragen aan gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en aan goede arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden. De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel van minimumeisen. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van dit stelsel;

  • de vaststelling van de hoogte van het wettelijk minimumloon (Wml) en het maximumdagloon;

  • het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen, onder andere door het recht op onderhandeling door sociale partners te waarborgen en het in stand houden van een adequate overlegstructuur met de sociale partners;

  • het bevorderen dat werkgevers en werknemers gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en een goed werktijden- en verzuimbeleid realiseren;

  • het bevorderen dat werkenden gezond en vitaal kunnen doorwerken tot de pensioengerechtigde leeftijd;

  • het zorgdragen voor gelijke kansen voor en tijdens arbeidsdeelname;

  • het stimuleren en faciliteren van postinitiële scholing ten behoeve van het optimaal functioneren van de arbeidsmarkt;

  • de handhaving van de wet- en regelgeving door de Inspectie SZW.

De Minister van Financiën is primair verantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsmarktbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

C. Beleidswijzigingen

Arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden

Implementatie nieuwe Europese regels voor grensoverschrijdende detachering in het wegvervoer

De Mobiliteitsrichtlijn is een onderdeel van het eerste EU-mobiliteitspakket voor de wegvervoersector. Andere onderdelen van dit pakket worden door het Ministerie van Infrastructuur en Water geïmplementeerd. De Mobiliteitsrichtlijn bevat regels voor het grensoverschrijdend detacheren van buitenlandse chauffeurs naar Nederland. Deze regels zijn aangepast aan de specifieke aard van de wegvervoersector. Dergelijke sectorspecifieke regels zijn nodig om een evenwicht te waarborgen tussen het verlenen van correcte arbeidsvoorwaarden en sociale bescherming voor bestuurders, het vrije verkeer van goederen, en de vrijheid van ondernemers om grensoverschrijdende diensten in de wegvervoersector te kunnen verlenen. Daarnaast zijn de administratieve voorschriften en controlemaatregelen geharmoniseerd binnen de Europese Unie om de administratieve lasten voor vervoersondernemingen te beperken. Deze regels moeten in 2022 in Nederlandse wet- en regelgeving zijn omgezet.

Herziening Wet arbeid vreemdelingen (Wav)

De Wet arbeid vreemdelingen wordt gewijzigd om de wet meer flexibel en toekomstbestendig te maken. De maximale duur waarvoor een tewerkstellingsvergunning verleend kan worden, wordt verlengd van één naar drie jaar. Verder worden er wijzigingen doorgevoerd om de positie van werknemers te versterken. Er wordt ingezet op inwerkingtreding van de herziening op 1 januari 2022.

Betrokkenheid flexkrachten bij de medezeggenschap vergroten

Zoals reeds in 2020 is aangekondigd (Kamerstukken II 2019/20, 29 818, nr. 45 en Kamerstukken II 2020/21, 29 544, nr. 1028, p. 13) beoogt het kabinet via de Verzamelwet 2022 de Wet op de ondernemingsraden aan te passen om de betrokkenheid van flexkrachten bij de medezeggenschap te vergroten. Bij de beoogde maatregelen volgt het kabinet de betreffende adviezen van de Commissie Bevordering Medezeggenschap van de Sociaal-Economische Raad.

Om te beginnen worden de termijnen voor actief en passief kiesrecht verkort van respectievelijk 6 en 12 maanden naar 3 maanden. Ook de periode waarna uitzendkrachten zullen kwalificeren als in de onderneming werkzame personen en medezeggenschapsrechten gaan opbouwen in de onderneming van de inlener, zal worden verkort (van 24 naar 15 maanden). Dit betekent dat een uitzendkracht na 15 maanden medezeggenschapsrechten gaat opbouwen in de onderneming van de inlener en na 18 maanden actief en passief kiesrecht verwerft (15+3=18 maanden).

Richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden

Voor 1 augustus 2022 moet de Richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden zijn geïmplementeerd. De implementatie loopt op schema. Hiertoe wordt in 2021 een wetsvoorstel voorbereid dat naar verwachting in het najaar van 2021 aan de Tweede Kamer wordt voorgelegd. De Richtlijn heeft als algemeen doel transparantere en beter voorspelbare werkgelegenheid te bevorderen en tegelijkertijd te zorgen voor aanpassingsvermogen op de arbeidsmarkt en betere levens- en arbeidsomstandigheden.

Transitievergoeding MKB

Per 2021 hebben kleine werkgevers die hun onderneming stoppen vanwege pensionering of overlijden, onder voorwaarden, recht op compensatie van de transitievergoeding. De compensatiemogelijkheid bij bedrijfsbeëindiging vanwege ziekte van de werkgever treedt niet eerder in werking dan medio 2022.

Leven lang ontwikkelen

Stimulans arbeidsmarktpositie (STAP)

Er worden voorbereidingen getroffen door UWV en DUO voor de uitvoering van het STAP-budget. Het STAP-budget is een uitgavenregeling, ter vervanging van de fiscale aftrek scholingsuitgaven, waarmee het individu in staat wordt gesteld om scholing in te zetten voor de eigen ontwikkeling en duurzame inzetbaarheid. Naar verwachting gaat het STAP-budget van start per 1 maart 2022. In het kader van STAP wordt ook een regeling scholingsadviezen uitgewerkt (bekostigd uit de beschikbare middelen voor het STAP-budget).

Pensioenakkoord

Meerjarig investeringsprogramma Duurzame Inzetbaarheid (DI) / Leven Lang Ontwikkelen (LLO)

In 2020 is het meerjarige investeringsprogramma duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen (MIP) opgezet. Met dit programma is structureel € 10 miljoen beschikbaar. In 2022 lopen de activiteiten van het MIP door, met als doel om bewustwording te creëren en kennis (door) te ontwikkelen. Naast communicatieactiviteiten en het verbinden van wetenschap en praktijk, opent eind 2021 een subsidieregeling om een maatschappelijke beweging te stimuleren waarin interventies, werkwijzen en methodieken op het gebied van DI en LLO vaker, beter en sneller worden toegepast. Dit door het (door)ontwikkelen van praktijk- en wetenschappelijke kennis en deze toepasbaar maken voor bedrijven, sectoren en organisaties. De beoordeling van aanvragen en subsidieverstrekking voor projecten zal naar verwachting in 2022 van start gaan.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 13 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

14.053.826

10.308.877

4.885.364

1.807.979

897.290

852.463

803.707

        

Uitgaven

14.014.042

10.213.564

4.546.625

1.771.792

1.132.752

995.862

1.006.439

        

Inkomensoverdrachten

       

Lage-inkomensvoordeel

528.567

388.356

374.109

373.509

372.807

0

0

Minimumjeugdloonvoordeel

63.325

19.479

18.767

18.767

18.767

0

0

Loonkostenvoordelen

150.823

128.659

128.457

130.534

132.820

514.967

523.209

Subsidies (regelingen)

       

Overige subsidies algemeen

2.921

3.351

3.112

2.822

2.745

2.345

2.345

Duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen

1.292

1.956

11.000

11.000

11.000

18.000

10.000

Stimuleringregeling LLO in MKB

0

8.962

65.200

49.156

49.200

106.767

82.800

Stimulans Arbeidsmarktpositie

0

0

180.321

180.601

181.051

180.775

195.700

Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid

13.183.600

9.458.102

3.550.019

726.713

0

0

0

Compensatie loonkosten en inkomstenverlies CN

28.735

20.200

0

0

0

0

0

Nederland leert door

14.400

118.682

52.600

0

0

0

0

TOFA

20.100

0

0

0

0

0

0

Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden

140

34.502

122.931

236.582

321.279

130.480

148.576

Opdrachten

       

Opdrachten

14.384

25.497

30.863

33.312

34.287

33.732

34.363

Bekostiging

       

Bekostiging

525

550

550

100

100

100

100

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

       

Ministerie van VWS

100

378

56

56

56

56

706

Ministerie van EZK

0

0

3.874

3.874

3.874

3.874

3.874

Bijdrage aan agentschappen

       

Agentschap RIVM

5.078

4.720

4.596

4.596

4.596

4.596

4.596

Agentschap CJIB

52

170

170

170

170

170

170

        

Ontvangsten

11.195

1.839.139

988.799

504.868

100.238

62.155

25.683

        

Ontvangsten

       

Algemeen

1.252

975

1.110

1.180

1.180

1.180

1.180

Boeten

9.943

12.700

12.700

12.700

12.700

12.700

12.700

Terug ontvangsten NOW

0

1.825.464

974.989

490.988

86.358

48.275

11.803

Budgetflexibiliteit

De uitgaven op artikel 1 Arbeidsmarkt zijn voor 93,7% juridisch verplicht voor het jaar 2022. Per financieel instrument wordt de budgetflexibiliteit onderstaand toegelicht.

Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft de uitgaven aan de regelingen Lage-inkomensvoordeel (LIV), Loonkostenvoordelen (LKV’s) en Minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV).

Subsidies

De uitgaven van het subsidiebudget zijn voor 93% juridisch verplicht. Dat komt met name door de uitgaven aan de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid die 100% juridisch verplicht zijn. Ook de uitgaven aan de Stimuleringsregeling LLO in het MKB zijn 100% juridisch verplicht. De uitgaven aan de subsidieregelingen Nederland leert door en de Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden zijn voor het grootste deel juridisch verplicht. Daarnaast zijn de uitgaven bestemd voor onder meer het steunpakket sociaal en mentaal welzijn en leefstijl, de motie vitaal thuiswerken en voor de subsidies die worden verleend op het terrein van Eerlijk Werk.

Opdrachten

Het juridisch verplichte deel voor opdrachten bedraagt 54%. De middelen worden ingezet voor specifieke onderzoeken op het gebied van onder andere gezond en veilig werken en arbeidsverhoudingen en ten behoeve van de nadere uitwerking van het in oprichting zijnde Landelijke Expertisecentrum Causaliteit Stoffengerelateerde Beroepsziekten (LEC-SB) en de Tegemoetkomingsregeling voor slachtoffers met een ernstige beroepsziekte door blootstelling aan gevaarlijke stoffen die beide medio 2022 van start gaan. Tevens worden middelen ingezet ten behoeve van communicatiecampagnes als bijvoorbeeld arbeidsmarktdiscriminatie en leven lang ontwikkelen (LLO).

Bekostiging

Deze middelen dienen voor de bekostiging van de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (CKA) en voor Netspar en zijn 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

De bijdragen aan andere begrotingen zijn voor 100% juridisch verplicht. Dit betreft de jaarlijkse bijdrage aan onder meer de Gezondheidsraad en het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb).

Bijdrage aan agentschappen

De bijdragen aan agentschappen zijn voor 100% juridisch verplicht. Dit is de jaarlijkse kennisvraag aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de bijdrage aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB).

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 14 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 1 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

1.014.824

760.921

457.106

471.726

487.333

503.999

521.343

        

Uitgaven

1.014.824

760.921

457.106

471.726

487.333

503.999

521.343

        

Inkomensoverdrachten

       

Transitievergoeding na 2 jaar ziekte

1.014.824

744.921

413.429

419.181

425.013

430.926

436.923

Compensatieregeling Transitievergoeding MKB

0

16.000

35.000

35.000

35.000

35.000

35.000

Transitievergoeding na 2 jaar ziekte nominaal

0

0

8.000

16.193

25.241

35.213

45.755

Compensatieregeling Transitievergoeding MKB nominaal

0

0

677

1.352

2.079

2.860

3.665

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

E. Toelichting op de financiële instrumenten
Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten in dit artikel vallen onder de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl). Onder de Wtl vallen het Lage-inkomensvoordeel, het Minimumjeugdloonvoordeel en de Loonkostenvoordelen. Alle regelingen zijn tegemoetkomingen in de loonkosten aan werkgevers voor het in dienst nemen van specifieke doelgroepen. De tegemoetkomingen worden na afloop van het kalenderjaar uitbetaald. Werkgevers krijgen bijvoorbeeld in 2022 de tegemoetkoming uitbetaald voor werknemers die in 2021 in dienst zijn. De Wtl-tegemoetkomingen gelden niet voor werknemers boven de AOW-gerechtigde leeftijd.

Lage-inkomensvoordeel

Het Lage-inkomensvoordeel (LIV) bestaat sinds 2017. Het LIV is een tegemoetkoming in de loonkosten aan werkgevers met als doel banen te creëren en te behouden voor werknemers aan de basis van de arbeidsmarkt. Met ingang van 2021 is de tegemoetkoming voor werkgevers per werknemer met een uurloon tussen de 100 en 125% van het minimumloon € 0,49 per uur en maximaal € 960 per kalenderjaar. Omdat het LIV bedoeld is om substantiële banen te creëren, behoren werknemers alleen tot de LIV-doelgroep als zij minimaal 1.248 uur per jaar gewerkt hebben.

Budgettaire ontwikkelingen

De begrote uitgaven aan het LIV dalen vanaf 2021 omdat met ingang van 2020 (uitbetaling in 2021) het hoge tarief van het LIV is gehalveerd van maximaal € 2.000 naar maximaal € 1.000 per jaar en vanaf 2022 het LIV verder is verlaagd vanwege de taakstelling ter dekking van het temporiseren van de AOW-leeftijd. Deze taakstelling is ingevuld door de hoogte van de tegemoetkoming per 2021 (uitbetaling in 2022) te verlagen van € 0,51 naar € 0,49 per uur.

Werkgevers hebben daarnaast in overleg met het kabinet onderzocht of voor het geheel aan instrumenten in de Wet tegemoetkomingen loondomein tot een effectievere invulling gekomen kan worden. Uitkomst is dat de middelen voor het LIV per 2025 worden ingezet voor jongeren met een (potentieel) kwetsbare positie op de arbeidsmarkt en voor het structureel maken van de LKV banenafspraak. Hierdoor zijn er structureel geen uitgaven meer aan het LIV. Conform de afspraak met de werkgevers wordt tot die tijd het huidige LIV uitgekeerd. De overige Loonkostenvoordelen wijzigen niet. Door de LIV-gelden te richten op de twee specifiek genoemde groepen wordt de effectiviteit en gerichtheid vergroot. In de brief van 6 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 34 304, nr. 15) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de hoofdlijnen van een effectievere Wtl.

Minimumjeugdloonvoordeel

Het minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV) bestaat sinds 2018. Het is geïntroduceerd ter compensatie van de verhoging van het minimumjeugdloon per 1 juli 2017 en per 1 juli 2019. Het Jeugd-LIV compenseert werkgevers tijdelijk voor deze loonkostenstijgingen.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan het Jeugd-LIV dalen vanaf 2021. Het Jeugd-LIV is met ingang van 2020 (uitbetaling 2021) gehalveerd en wordt met ingang van 2024 (uitbetaling 2025) afgeschaft ter dekking van de temporisering van de verhoging van de AOW-leeftijd. Door de verlaging en afschaffing van het jeugd-LIV ontvangen werkgevers voor werknemers van 18 tot 21 jaar respectievelijk vanaf 2020 een lagere bijdrage en vanaf 2024 geen bijdrage meer voor de hogere loonkosten door de verhoging van het minimumjeugdloon per 2017 en 2019. Daarnaast dalen de uitgaven door de verlaging van de leeftijd die recht geeft op het reguliere minimumloon per 1 juli 2019, waardoor jongeren van 21 of jaar ouder niet meer in het Jeugd-LIV vallen.

Loonkostenvoordelen

De Loonkostenvoordelen (LKV’s) bestaan sinds 2018. Er zijn vier typen LKV: LKV Ouderen, LKV Arbeidsgehandicapten, LKV Herplaatsen Arbeidsgehandicapten en LKV Doelgroep Banenafspraak en scholingsbelemmerden. De LKV’s zijn tegemoetkomingen in de loonkosten voor werkgevers met als doel werkgevers te stimuleren om specifieke groepen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt in dienst te nemen.

LKV Ouderen, LKV Arbeidsgehandicapten en LKV Herplaatsen Arbeidsge-handicapten

  • Als een werkgever een uitkeringsgerechtigde aanneemt van 56 jaar of ouder, geeft dat recht op het LKV Ouderen.

  • Als een werkgever een werknemer aanneemt met een WIA-uitkering, geeft dat recht op het LKV Arbeidsgehandicapten. Werknemers vallen onder voorwaarden ook onder deze LKV-doelgroep als zij na afloop van de WIA-wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, of als zij een WAO- of WAZ-uitkering hebben.

  • Als een werknemer met een WIA-uitkering de werkzaamheden bij zijn huidige werkgever hervat, geeft dat recht op het LKV Herplaatsen Arbeidsgehandicapten. Werknemers vallen onder voorwaarden ook onder deze doelgroep als zij een WAO-uitkering hebben en de werkzaamheden bij de oude werkgever hervatten.

De tegemoetkoming voor het LKV Ouderen, het LKV Arbeidsgehandicapten en het LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten is € 3,05 per uur en maximaal € 6.000 per jaar. De maximale duur van deze tegemoetkomingen is 3 jaar minus de eventuele tijd dat de werkgever voor de betreffende werknemer een premiekorting ontving. Uitzondering hierop is de LKV Herplaatsen Arbeidsgehandicapten, die voor maximaal een jaar wordt toegekend.

LKV Banenafspraak en scholingsbelemmerden

Als een werkgever een werknemer uit de doelgroep Banenafspraak in dienst neemt, is er recht op het LKV Banenafspraak en scholingsbelemmerden. Dit betreft bijvoorbeeld mensen die onder de Participatiewet vallen en geen wettelijk minimumloon kunnen verdienen, mensen die op een reguliere werkplek werken met een Wsw-indicatie en Wajongers met arbeidsvermogen. Hetzelfde geldt voor zogenoemde scholingsbelemmerden, die de afgelopen 5 jaar door ziekte of gebrek belemmering hebben ondervonden bij het volgen van onderwijs. De tegemoetkoming is € 1,01 per uur en maximaal € 2.000 per jaar.

Om de duurzaamheid van de banen voor mensen uit de doelgroep banenafspraak te vergroten, worden twee wijzigingen beoogd in het LKV banenafspraak. Het LKV banenafspraak wordt structureel beschikbaar in plaats van maximaal drie jaar na in dienst treden. Daarnaast kunnen werkgevers het LKV banenafspraak toepassen voor alle werknemers die ze in dienst hebben en niet alleen voor de werknemers die onlangs in dienst zijn getreden. Ook wordt de doelgroepverklaring afgeschaft. Deze maatregelen vergen wetswijziging en zijn beoogd per 2024.

Budgettaire ontwikkelingen

Het LKV is per januari 2018 ingevoerd. Naar verwachting stijgen de uitgaven aan het LKV door de groeiende doelgroep van het LKV Banenafspraak. Daarnaast zijn er vanaf 2025 middelen gereserveerd voor het structureel beschikbaar maken van het LKV Banenafspraak voor iedereen uit de doelgroep en voor de invoering van het LKV Jongeren.

Transitievergoeding na 2 jaar ziekte

Vanaf 1 april 2020 worden werkgevers gecompenseerd voor de transitievergoeding die zij moeten betalen bij ontslag van een twee jaar zieke werknemer. De regeling wordt met terugwerkende kracht ingevoerd. Voor 1 oktober 2020 dienden aanvragen voor compensatie van vergoedingen betaald tussen 1 juli 2015 en 31 maart 2020 te zijn ingediend. De compensatie is afhankelijk van de hoogte van de betaalde transitievergoeding.

Budgettaire ontwikkelingen

In 2020 en 2021 vindt de compensatie van transitievergoeding voor de periode 1 juli 2015 tot en met 31 maart 2020 plaats. Daarom zijn de uitgaven in deze jaren hoger dan vanaf 2022 het geval is.

Compensatieregeling Transitievergoeding MKB

In 2021 is de compensatieregeling Transitievergoeding MKB bij bedrijfsbeëindiging vanwege pensionering of overlijden in werking getreden. De compensatiemogelijkheid bij bedrijfsbeëindiging vanwege ziekte van de werkgever treedt niet eerder in werking dan medio 2022. De compensatie is afhankelijk van de hoogte van de betaalde transitievergoeding.

Budgettaire ontwikkelingen

Vanwege ingroei en omdat het onderdeel wegens ziekte nog niet in werking treedt, liggen de uitgaven in 2021 lager dan in latere jaren. Over de jaren is een gelijk structureel gebruik verondersteld.

Subsidies

Overige subsidies algemeen

Dit betreft verschillende subsidies op het beleidsterrein van arbeidsverhoudingen en gezond en veilig werken. Onder andere wordt subsidie verleend aan de SER ten behoeve van het programma Diversiteit in bedrijf, aan stichting De letselschade Raad en aan de Long Alliantie Nederland ter preventie van werkgerelateerde longziekten.

Duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen

De subsidie voor duurzame inzetbaarheid (DI) en leven lang ontwikkelen (LLO) heeft betrekking op het meerjarige investeringsprogramma DI en LLO (€ 10 miljoen per jaar), dat is voortgekomen uit het pensioenakkoord. De afwijking van de € 10 miljoen vanaf 2021 is een saldo van een kasschuif van € 4 miljoen van 2020 naar de vier opvolgende jaren en middelen die zijn overgeboekt naar artikel 96 ter dekking van de personele kosten voor dit programma. Tot slot vindt een kasschuif plaats van € 8 miljoen van 2021 naar 2025 in verband met de subsidieregeling die in 2021 wordt gepubliceerd. Deze subsidieregeling heeft als doel het stimuleren van een maatschappelijke beweging waarin interventies, werkwijzen en methodieken op het gebied van DI en LLO vaker, beter en sneller worden toegepast.

Stimuleringsregeling LLO in MKB

In 2020 is de Stimuleringsregeling leven lang ontwikkelen voor mkb-bedrijven (SLIM) en specifiek voor drie sectoren (landbouw, horeca en recreatie) gestart. Omdat de subsidie achteraf wordt uitgekeerd was in 2021 als eerste jaar het volledige budget beschikbaar; activiteiten vonden al wel in 2020 plaats. Vanwege de doorlooptijd voor de financiële afwikkeling en omdat veel projectperiodes zijn gewijzigd vanwege onder andere de landelijke coronamaatregelen, wordt in 2021 naar verwachting circa € 9 miljoen uitbetaald aan subsidies en vinden de overige betalingen voor de nu lopende projecten volgend jaar plaats. Een gedeelte van de middelen (jaarlijks € 11 miljoen voor een periode van vijf jaar) is overgeboekt naar het Ministerie van OCW om toe te voegen aan de bestaande subsidieregeling praktijkleren. Werkgevers in de betreffende drie sectoren krijgen extra subsidie voor het aanbieden van bbl-leerplekken.

Stimulans arbeidsmarktpositie

Vanaf 2022 zijn er middelen beschikbaar voor de subsidieregeling STimulering ArbeidsmarktPositie (STAP). Deze regeling vervangt de fiscale regeling voor de aftrek van scholing. In de jaren tot en met 2025 is het budget lager. Dit komt doordat eerder middelen naar voren zijn geschoven ten behoeve van het actieprogramma LLO en voor de implementatiekosten van STAP die onder andere UWV in 2020 en 2021 maakt.

Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor werkgelegenheid (NOW)

De NOW bestaat uit zes tranches die lopen van 1 maart 2020 tot 1 oktober 2021. De regeling is bedoeld om werkgevers die te maken hebben met omzetverlies van tenminste 20% ten tijde van de coronacrisis tegemoet te komen in de loonkosten, zodat zij zoveel mogelijk werknemers in dienst kunnen houden en salarissen kunnen doorbetalen. Werkgevers kunnen gedurende deze periode een voorschot ontvangen van 80% van hun subsidieaanvraag. De subsidie wordt achteraf definitief vastgesteld, waaruit een nabetaling of (gedeeltelijke) terugvordering volgt.

Budgettaire ontwikkelingen

De NOW bestaat uit zes tranches die in 2020 en 2021 zijn opengesteld. Door de bevoorschottingsystematiek vinden ook uitgaven in 2022 en latere jaren plaats. Dat komt omdat bij de definitieve vaststelling van de subsidies nabetalingen plaatsvinden aan de werkgevers. In 2022 wordt naar verwachting € 3,6 miljard uitgekeerd aan werkgevers.

Compensatie loonkosten en inkomstenverlies Caribisch Nederland

De tijdelijke subsidieregeling loonkosten en inkomensverlies Caribisch Nederland voorziet in een subsidie voor loonkosten en inkomensverlies in verband met buitengewone omstandigheden samenhangend met het coronavirus. De subsidie is van toepassing tot en met 12 oktober 2021. Hierdoor zijn er geen middelen gereserveerd vanaf 2022.

NL leert door

Het NL leert door programma is opgezet in het kader van crisis- en herstelmaatregelen waar door middel van leren en ontwikkelen wordt ingezet op het behoud van werk of de overgang naar nieuw werk voor mensen die als gevolg van de coronacrisis in de problemen zijn gekomen. Het programma bestaat uit drie subsidieregelingen: NL leert door met inzet van ontwikkeladvies, NL leert door met inzet van scholing en NL leert door met inzet van sectoraal maatwerk. In 2022 staat budget gereserveerd voor de afronding van de tijdvakken van de regeling NL leert door met inzet van scholing (€ 25,6 miljoen) en voor de regeling NL leert door met inzet van sectoraal maatwerk (€ 27 miljoen).

Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden

Een van de maatregelen uit het pensioenakkoord betreft een tijdelijke subsidieregeling die ziet op het faciliteren van sectorale maatwerkafspraken rondom duurzame inzetbaarheid, langer doorwerken en eerder uittreden. Sociale partners in sectoren kunnen in gezamenlijk overleg subsidieaanvragen indienen met als doel het duurzaam inzetbaar houden van werkenden, het faciliteren van langer doorwerken en het wegnemen van knelpunten bij het realiseren van regelingen die tijdelijk vrijgesteld zijn van RVU-heffing (na inwerkingtreding van de betreffende wetgeving vanaf 1 januari 2021). Daarnaast kan subsidie aangevraagd worden om faciliteiten voor werkenden te introduceren om inzicht te krijgen in de effecten op het inkomen en pensioenuitkering bij het gebruik maken van diverse regelingen.

Budgettaire ontwikkelingen

De Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden is in 2021 in werking getreden. Het eerste tijdvak voor het indienen van sectorale activiteitenplannen stond open van 1 juni tot en met 30 juli. Komende jaren volgen nog ten minste drie tijdvakken. Uitbetaling van subsidie vindt gefaseerd plaats in de jaren na subsidietoekenning. Hierdoor is het totale budget van € 1 miljard uitgesmeerd over de jaren 2021 tot en met 2026.

Opdrachten

Dit budget wordt divers ingezet voor het stimuleren van gezond en veilig werken en evenwichtige arbeidsverhoudingen. Daarnaast zijn er middelen gereserveerd voor onderzoek en voorlichtingscampagnes.

Bekostiging

Het bedrag voor bekostiging betreft de jaarlijkse bijdrage aan de SER Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen en de bijdrage aan Netspar.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

Dit betreft de jaarlijkse bijdrage aan onder meer de Gezondheidsraad en het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb).

Bijdrage aan agentschappen

Ten behoeve van de jaarlijkse kennisvraag aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is ruim € 4 miljoen gereserveerd. Voor de uitvoeringskosten voor het innen van de bestuurlijke boetes opgelegd door de Inspectie SZW is structureel € 0,2 miljoen geraamd ten behoeve van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB).

Ontvangsten

De algemene ontvangsten betreffen ontvangsten uit eigen bijdragen van medewerkers van de Inspectie SZW ten behoeve van een andere dienstauto dan het standaardaanbod.

De boeteontvangsten betreffen ontvangsten uit boetes opgelegd door de Inspectie SZW. De raming van de boeteontvangsten is met onzekerheid omgeven. Boeteontvangsten hangen onder andere af van het aantal bedrijven dat wordt bezocht, op welke punten wordt geïnspecteerd en wat bij deze inspecties wordt geconstateerd. Boeteontvangsten zijn niet taakstellend voor de Inspectie SZW. Zij stuurt niet op het behalen van de geraamde boeteontvangsten. De Inspectie SZW stuurt uiteraard wel op het innen van de opgelegde boetes.

Terugontvangsten NOW

Vanwege de bevoorschottingssystematiek moet een deel van de bedrijven (een gedeelte van) de NOW-subsidie terugbetalen aan UWV. Dat doet zich bijvoorbeeld voor als het omzetverlies lager is uitgevallen dan verwacht of als bedrijven minder personeel in dienst hebben gehouden. Ook komt het voor dat werkgevers het volledige voorschot moeten terugbetalen, bijvoorbeeld als blijkt dat zij minder dan 20% omzetverlies hebben gerealiseerd en hierdoor niet meer in aanmerking komen voor de NOW. In 2022 vloeit naar verwachting € 1,0 miljard terug.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Naast de fiscale regelingen die in onderstaande tabel zijn opgenomen, heeft ook de Levensloopverlofkorting betrekking op dit beleidsartikel. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 15 Fiscale regelingen 2020-2022, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)
 

2020

2021

2022

Arbeidskorting

21.817

24.519

25.030

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

1.735

1.648

1.580

BTW Verlaagd tarief arbeidsintensieve diensten

828

886

966

Kerncijfers
Arbeidsmarkt

De uitgangspositie op de arbeidsmarkt vóór de coronacrisis was erg gunstig; historisch positieve waarden voor het aantal werkenden en werklozen. Door de coronacrisis is dit verslechterd, toch is het effect van de crisis maar beperkt in de cijfers terug te zien (tabel 16). De Nederlandse economie heeft zich, ondersteund door de uitgebreide steun- en herstelpakketten, veerkrachtig getoond. Wel vallen de klappen bij specifieke groepen. Zo is het aantal werkende laagopgeleiden relatief veel afgenomen (tabel 17). Hetzelfde geldt voor jongeren, mensen met een migratie-achtergrond en mensen met een arbeidsbeperking. Deze groepen werken vaker op basis van onzekere contracten of werken in de sectoren die hard geraakt zijn. Het zijn ook veelal groepen die vóór de coronacrisis een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt hadden.

Het aantal werkenden in 2020 is zo goed als gelijk gebleven vergeleken met 2019. Het aantal werklozen en mensen die niet actief zijn op de arbeidsmarkt (niet-beroepsbevolking) is wel toegenomen. In totaal waren er 357 duizend mensen werkloos en 3,8 miljoen mensen behoorden tot de niet-beroepsbevolking. Dat betekent dat meer mensen in 2020 geen werk hadden of zich hebben teruggetrokken van de arbeidsmarkt dan in 2019. Het werkloosheidspercentage lag in 2020 op hetzelfde niveau als in 2018 (3,8%), maar is voor jongeren van 15 tot 25 jaar het sterkst toegenomen.

Tabel 16 Kerncijfers arbeidsmarkt
 

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Beroepsbevolking (x 1.000)

9.125

9.267

9.308

Niet-beroepsbevolking (x 1.000)

3.812

3.749

3.786

Werkzame beroepsbevolking (x 1.000)

8.774

8.953

8.951

Werkloze beroepsbevolking (x 1.000)

350

314

357

Werkloosheidspercentage

3,8

3,4

3,8

 

15 tot 25 jaar (jeugdwerkloosheid)

7,2

6,7

9,1

 

25 tot 45 jaar

2,8

2,8

3,3

 

45 tot 75 jaar

3,6

2,7

2,4

Bron: CBS, Statline. De kerncijfers in de tabel betreffen de leeftijdsgroep 15 tot 75 jaar.

De werkzame beroepsbevolking kan worden uitgesplitst in vaste en flexibele arbeidsrelaties en zelfstandigen. Het aandeel flexibele contracten is in 2020 afgenomen voor alle opleidingsniveaus (tabel 17). Het is onduidelijk in hoeverre dit het effect is van de coronacrisis, de Wet arbeidsmarkt in balans of andere oorzaken heeft. Om dit beter in beeld te brengen wordt er een algehele evaluatie van de Wet arbeidsmarkt in balans opgezet die in 2025 aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden. Verder steeg het aantal mensen met een vast contract en het aantal zelfstandigen (tabel 17), vooral bij een midden- en hoog opleidingsniveau.

Tabel 17 Kerncijfers werkzame beroepsbevolking: aandeel contractvorm naar opleidingsniveau
 

vaste arbeidsrelatie

flexibele arbeidsrelatie

zelfstandigen

totaal

Laag (x 1.000)

2018

917

627

239

1.783

2019

923

630

239

1.792

2020

896

531

228

1.655

Midden (x 1.000)

2018

2.173

808

562

3.543

2019

2.248

784

548

3.580

2020

2.254

695

567

3.517

Hoog (x 1.000)

2018

2.202

511

628

3.341

2019

2.315

481

663

3.459

2020

2.485

466

709

3.660

Totaal (x 1.000)1

2018

5.292

1.946

1.429

8.667

2019

5.486

1.895

1.450

8.831

2020

5.635

1.692

1.504

8.832

Bron: CBS, Statline.

X Noot
1

Deze totaaltelling is exclusief het aantal werknemers waarvan het opleidingsniveau onbekend is.

Gezond en veilig werken

Het ziekteverzuim is licht gestegen (van 4,4 naar 4,7). Het aantal incidenten met gevaarlijke stoffen is in 2020 gedaald (van 3 naar 0). Er zijn in 2020 geen incidenten met gevaarlijke stoffen gemeld.

Tabel 18 Kerncijfers gezond en veilig werken
 

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Werknemers met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)1

1,5

1,5

1,2

Zelfstandigen met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)2

1,3

1,1

Ziekteverzuim (%)3

4,3

4,4

4,7

Aantal incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen4

1

3

0

Naleving zorgplicht Arbowet (%)5

81,4

81,9

Werknemers met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)6

3,8

3,2

Zelfstandigen met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)2

1,8

1,8

X Noot
1

CBS/TNO, Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden.

X Noot
2

CBS/TNO, Zelfstandigen Enquête Arbeid. Deze enquête wordt tweejaarlijks uitgevoerd.

X Noot
3

CBS, kwartaalenquête ziekteverzuim.

X Noot
4

Inspectie SZW, administratie.

X Noot
5

Inspectie SZW, monitor Arbo in bedrijf en administratie. Waar voorheen twee opeenvolgende verslagjaren werden gecombineerd in één tweejaarlijkse publicatie, wordt met ingang van 2019 twee oneven jaren gecombineerd in één publicatie. De volgende publicatie vindt plaats in 2022 over de verslagjaren 2019 en 2021.

X Noot
6

CBS/TNO, Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden. In deze enquête wordt tweejaarlijks gevraagd naar beroepsziekten.

Arbeidsverhoudingen en -voorwaarden

De ontwikkeling van het aantal werknemers dat onder een cao valt hangt samen met het aantal bij SZW aangemelde cao’s in het betreffende onderzoeksjaar. Dit is afhankelijk van de looptijd van cao’s en kan per jaar verschillen, evenals het aantal werknemers dat onder de aangemelde, lopende cao’s valt.

Tussen 2019 en 2020 was er sprake van een afname van het aantal afgegeven tewerkstellingsvergunningen en positieve adviezen voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid. Vanwege de coronamaatregelen en de inreisbeperkingen zijn er minder tewerkstellingsvergunningen en gecombineerde vergunningen aangevraagd/verleend.

Tabel 19 Kerncijfers arbeidsverhoudingen en -voorwaarden
 

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Aantal werknemers onder cao (x 1.000, ultimo)1

5.615

5.654

5.764

 

bij direct aan bedrijfstak- en ondernemingscao's gebonden werkgevers

4.790

4.813

4.873

 

bij door algemeen verbindendverklaring gebonden werkgevers

825

841

891

Aantal verleende tewerkstellingsvergunningen (x 1.000, ultimo)2

10,1

13,3

9,2

X Noot
1

SZW, administratie.

X Noot
2

UWV, jaarverslag. Het gaat hierbij om verleende tewerkstellingsvergunningen en positieve adviezen t.a.v. een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid.

Handhaving

De Inspectie SZW - die haar naam per 1 januari 2022 zal wijzigen in Nederlandse Arbeidsinspectie - is de toezichthouder en opsporingsinstantie op het terrein van het Ministerie van SZW. Met haar toezicht draagt zij bij aan gezond, veilig en eerlijk werk en bestaanszekerheid voor iedereen. Ook werkt de Inspectie SZW op het gebied van pgb- en declaratiefraude als opsporingsorganisatie voor het Ministerie van VWS. Net als de strafrechtelijke opsporing op het terrein van SZW vinden deze onderzoeken plaats onder gezag van het Openbaar Ministerie.

Het kabinet Rutte III heeft in 2018 structureel extra middelen vrijgemaakt voor de handhavingsketen van de Inspectie SZW (oplopend tot € 50 miljoen in 2022). Eind 2018 is dat bedrag aangevuld met een extra € 0,5 miljoen voor de aanpak van arbeids(markt)discriminatie bij werving en selectie (Kamerstukken II, 2018/19, 29 544, nr. 846). Het regeerakkoord bevestigt hiermee het belang van handhaving als een randvoorwaarde voor een werkende arbeidsmarkt en een functionerend stelsel van sociale zekerheid. In de SZW Begroting 2018 en 2019 en in diverse Kamerbrieven zijn de met deze extra middelen te behalen doelen verwoord (Kamerstukken II 2017/18, 34 775 XV, nr. 1, Kamerstukken II 2017/18, 34 775 XV, nr. 74, Kamerstukken II 2018/19, 35 000 XV, nr. 1, Kamerstukken II 2018/19, 29 544, nr. 846). De Inspectie SZW stuurt met de kengetallen «Inspectie Control Framework (ICF)» op het behalen van deze doelen.

Daarnaast investeert de Inspectie SZW in de verdere ontwikkeling van haar werkwijze. Naast de genoemde versterking van de inspectieketen betreft dit de verdere verankering binnen de organisatie van het programmatisch werken en de beweging van outputsturing naar sturing op maatschappelijk effect (‘van streepjes naar effect’). Dat uit zich onder meer in de opname van kengetallen voor het ICF in de SZW Begroting sinds 2018. Vanaf het Jaarplan Inspectie SZW 2018 wordt per programma het beoogde maatschappelijk effect verwoord en wordt hierover in haar Jaarverslagen gerapporteerd.

De Inspectie SZW heeft haar reorganisatie in 2017 en een aantal ontwikkelingen die in de daaropvolgende jaren binnen de organisatie heeft plaatsgevonden geëvalueerd om tot gerichte verbetervoorstellen te komen. In het verlengde daarvan zal de Inspectie SZW haar organisatie en werkwijze doorontwikkelen. Hiermee wil zij haar werk niet alleen beter doen om meer resultaat en maatschappelijk effect te halen. Zij wil haar werk ook beter zichtbaar in de samenleving én meer in samenwerking met andere partners doen.

Door de coronapandemie heeft de Inspectie SZW haar werkwijze en programmering aangepast. Zo brengt zij naar aanleiding van de pandemie een onderscheid aan in haar risicoanalyse tussen besmetting door werken met biologische agentia, en besmetting die het gevolg is van reguliere contacten op de werkvloer. Daarnaast wil de Inspectie SZW in haar toezichtsprogrammering meer rekening houden met vergelijkbare scenario’s waarin de kans dat een gebeurtenis plaatsvindt weliswaar klein is, maar de effecten ervan extreem.

Ook in 2022 organiseert de Inspectie SZW haar activiteiten in programma’s. Per programma wordt bepaald wat de beoogde maatschappelijke effecten zijn, met welke resultaten de Inspectie SZW wil bijdragen aan de realisatie ervan en met welke (mix van) interventies zij die resultaten wil realiseren. Daarbij zoekt zij de samenwerking met relevante publieke en private partners in de handhavingsketen. Dit alles gericht op maximaal maatschappelijk effect. In haar Jaarplan 2022 zal de Inspectie SZW haar ambities per programma toelichten; dit jaarplan wordt in november openbaar gemaakt.

De in tabel 20 getoonde kerncijfers geven op hoofdlijnen de ontwikkelingen van de in het ICF genoemde punten weer en de bijdrage van de Inspectie SZW aan de realisatie van maatschappelijk effect.

Inspectie Control Framework

De Inspectie SZW wil met de eerdergenoemde extra ICF-middelen de voor 2020 en 2023 geformuleerde doelen bereiken en vasthouden. Dat waren voor 2020 een herstel van de balans tussen ongevalsonderzoeken en actieve op preventie gerichte inspecties op het terrein van Gezond en Veilig en verhoging van het aandeel gezamenlijke inspecties bij Brzo-bedrijven (Besluit risico's zware ongevallen) naar tenminste 90%. Daarnaast wil de Inspectie SZW in 2023 het niveau van informatiegestuurd werken van 2 naar 3 brengen (zie de tweede voetnoot bij de tabel voor de definitie van deze niveaus). Bovendien streeft de Inspectie SZW naar een verdubbeling van de inspectiedekking eerlijk werk in 2023 naar 2%.

Capaciteitsinzet

De kerncijfers «Capaciteitsinzet» geven weer hoe de beschikbare capaciteit is verdeeld over de diverse domeinen. Er is een wervingsmodel opgesteld waardoor de capaciteitsinzet de komende jaren groeit naar de gewenste inzet op de verschillende domeinen in 2023.

Effect

Handhavingspercentages geven een indicatie van de bijdrage van de Inspectie SZW aan het beoogde maatschappelijk effect. Het handhavingspercentage bij eerste inspectie biedt inzicht in de mate waarin zij erin slaagt om risicogericht te inspecteren, dus om werkgevers te bezoeken die de regels overtreden. Dit is voldoende het geval als daarvan bij meer dan de helft van de bezochte bedrijven sprake is. Het handhavingspercentage bij herinspectie zegt iets over de mate waarin de Inspectie SZW erin slaagt om een gedragsverandering te realiseren bij werkgevers die de regels niet naleefden. Als de Inspectie SZW daarin voldoende slaagt, ligt het handhavingspercentage bij herinspectie onder de 50%.

Tabel 20 Inspectie SZW: Inspectie Control Framework, capaciteitsinzet en effect
 

Realisatie 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Inspectie Control Framework

    

Verhouding actief/reactief in Gezond en Veilig (excl. Brzo; %)

44:561

50:50

50:50

50:50

Deelname Inspectie SZW aan gezamenlijke Brzo-inspecties (%)

98

>90

>90

>90

Niveau informatiegestuurd werken (schaal 0-5)2

3

3

3

Inspectiedekking Eerlijk werk (%)4

3

3

2

Capaciteitsinzet5

    

Gezond en Veilig (%)

39

3

3

34

Gevaarlijke Stoffen (%)6

14

3

3

13

Arbeidsdiscriminatie (%)

3

3

3

2

Eerlijk (%)

42

3

3

50

Werk en Inkomen (%)

2

3

3

1

Effect

    

Handhavingspercentage eerste inspectie Gezond en Veilig (excl. Brzo)

33

>50

>50

>50

Handhavingspercentage herinspectie Gezond en Veilig (excl. Brzo)

20

<50

<50

<50

Handhavingspercentage Brzo7

41

40

40

<40

Handhavingspercentage eerste inspectie Eerlijk

49

>50

>50

>50

Handhavingspercentage herinspectie Eerlijk

42

<50

<50

<50

X Noot
1

In 2020 betreft het realisatiecijfer de realisatie eind 2020. Coronameldingen zijn als ‘actief’ meegenomen. Dit is nader toegelicht in het jaarverslag 2020 van de Inspectie SZW.

X Noot
2

Definitie niveau 2: "Interne informatie wordt gestructureerd verzameld in de eigen organisatie en informatie geeft antwoord op wat het probleem is". Definitie niveau 3: "Interne en externe informatie wordt gestructureerd verzameld en geanalyseerd. Informatie heeft een sturende rol".

X Noot
3

De Inspectie SZW heeft voor de tussenliggende jaren geen doelen geformuleerd. De uitbreiding richt zich op doelen in 2020 of 2023. Voor de tussenliggende jaren zijn geen betekenisvolle doelen mogelijk.

X Noot
4

Dit betreft het aandeel van de bedrijven waar de Inspectie SZW toezicht heeft gehouden in alle bedrijven waar oneerlijk werk een potentieel risico is. Deze indicator is in ontwikkeling. Dit is nader toegelicht in het jaarverslag 2020 van de Inspectie SZW.

X Noot
5

Betreft alleen de capaciteitsinzet in de programma's.

X Noot
6

Dit realisatiecijfer betreft zowel de inzet op Brzo-bedrijven als de inzet op gevaarlijke stoffen. Beide onderwerpen worden opgepakt in het programma Bedrijven met Gevaarlijke Stoffen (BmGS).

X Noot
7

Bij het inspecteren van Brzo-bedrijven bestaat er geen onderscheid tussen eerste inspecties en herinspecties. De Inspectie SZW blijft inspecteren totdat een onvolkomenheid of overtreding is opgeheven.

3.2 Artikel 2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

A. Algemene doelstelling

De overheid ondersteunt bij het vinden van werk en biedt inkomensondersteuning en aangepaste arbeid aan hen die dat nodig hebben.

Wie kan werken, moet dat ook doen. Dit is in de eerste plaats in het belang van de betrokkene zelf: werk zorgt voor economische en financiële zelfstandigheid, draagt bij aan het gevoel van eigenwaarde en biedt kansen om volop mee te doen in de samenleving. De overheid streeft naar een transparant en activerend sociaal zekerheidsstelsel dat mensen enerzijds ondersteunt en prikkelt om (weer) aan het werk te gaan als dat kan en dat hen anderzijds de zekerheid biedt van een adequaat vangnet als dat echt nodig is.

Mensen hebben de verantwoordelijkheid om in het eigen inkomen te voorzien en nemen daartoe zelf het initiatief. Alleen als het vinden van werk op eigen kracht niet lukt, helpt de overheid hierbij door ondersteuning bij re-integratie of beschut werk aan te bieden. Aan mensen die (tijdelijk) niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien biedt de overheid een sociaal vangnet in de vorm van bijstand. Daarbij streeft de overheid ernaar om het aantal loketten waar uitkeringsgerechtigden mee te maken hebben te beperken.

De overheid biedt inwoners van Caribisch Nederland waar nodig re-integratieondersteuning en inkomensondersteuning op grond van de Onderstandsregeling.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister heeft een systeemverantwoordelijkheid. In dit kader stimuleert de Minister het vinden van werk door middelen beschikbaar te stellen aan gemeenten ten behoeve van re-integratie-inspanningen, sociale werkvoorziening en loonkostensubsidies, en financiert hij de inkomensondersteuning en de loonkostensubsidies.

De Minister is verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstandsniveaus;

  • het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de inkomensvoorziening en de loonkostensubsidies vanuit de Participatiewet, waarin begrepen zijn de IOAW, IOAZ en algemene bijstand voor zelfstandigen;

  • het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de uitvoering van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

  • het houden van systeemtoezicht; het toepassen van interbestuurlijke toezichtinstrumenten indien de medeoverheden op ernstige wijze onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen. Het verzamelen van informatie om op landelijk geaggregeerd niveau te kunnen beoordelen of het systeem werkt, en zo niet, wanneer en in welke vorm aanpassingen van dat systeem wenselijk zijn;

  • de budgetmutaties en de extrapolatie van de meerjarenraming van het in de integratie-uitkering sociaal domein opgenomen SZW-aandeel en de verdeling daarvan die aansluit bij de gedecentraliseerde taak;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB (AIO, bijstand buitenland) en UWV (TW);

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Het Rijk verschaft gemeenten middelen voor de uitvoering en geeft de wet- en regelgeving vorm waarbinnen deze uitvoering plaatsvindt. Binnen deze wettelijke kaders hebben gemeenten beleidsvrijheid om maatwerk te bieden waarmee participatie zo optimaal mogelijk wordt ondersteund. Het Rijk stelt een toereikend macrobudget aan de gemeenten beschikbaar om loonkostensubsidies en bijstandsuitkeringen te betalen. Het macrobudget wordt zoveel mogelijk op basis van objectieve factoren onder de gemeenten verdeeld, vanaf 2022 wordt het deelbudget voor loonkostensubsidies op basis van historische uitgaven over gemeenten verdeeld. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de rechtmatige en doeltreffende uitvoering van de Participatiewet en aan genoemde wet verwante wetten en voorzieningen. Gemeenten zijn hiermee onder meer verantwoordelijk voor de handhaving van de naleving van verplichtingen door personen die een beroep doen op deze wetten. Bij ernstig onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen in de gemeentelijke uitvoering van de Participatiewet kan de Minister een aanwijzing geven aan een college, overgaan tot het optreden namens een nalatige gemeente dan wel een besluit tot vernietiging door de Kroon voordragen. De interbestuurlijke interventie heeft geen betrekking op de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de uitvoering, welke een louter gemeentelijke aangelegenheid zijn.

C. Beleidswijzigingen

Armoede en schulden

Armoede en schulden zijn een groot maatschappelijk probleem dat diep ingrijpt in de levens van mensen. Voortbouwend op de brede schulden­aanpak, de intensiveringsaanpak armoede en schulden en de ambities kinderarmoede worden hier ook de komende jaren verdere stappen op genomen.

Met inachtneming van de uitkomsten van de evaluatie wordt in overleg met het Samenwerkingsverband Brede Schuldenaanpak en in lijn met het regeerakkoord een vervolg uitgewerkt (Kamerstukken II 2020/21, 24 515, nr. 600). Een aantal maatregelen uit de brede schulden­aanpak wordt in 2022 nog verder uitgewerkt, waaronder betere aansluiting tussen het minnelijk en wettelijk traject van schuldsanering en rijksincasso(visie). Ook zal er in 2022, net als in 2021, aandacht zijn voor (de vormgeving van) experimenten om mensen met (dreigende) problematische schulden vroegtijdig te signaleren. Naar aanleiding van de coronacrisis wordt er ingezet op een versnelling en intensivering van de armoede- en schuldenaanpak. Deze aanpak is gericht op het vroegtijdig, snel en adequaat hulp bieden aan kwetsbare groepen die door de coronacrisis financieel (harder) geraakt worden om (een stapeling van) problemen te voorkomen. De projecten die in dit kader in gang zijn gezet worden gemonitord en geëvalueerd, startend in het eerste kwartaal van 2021 en lopend tot eind 2022 (Kamerstukken II 2019/20, 24 515, nr. 569).

In lijn met de motie Segers c.s. (Kamerstukken II 2020/21, 35 570, nr. 24) wordt een Waarborgfonds opgericht dat garant staat voor het risico dat gemeenten en kredietbanken lopen als saneringskredieten niet worden terugbetaald. Voor een periode van maximaal vijf jaar wordt er via een subsidie een bodemstorting gedaan van maximaal € 6 miljoen per jaar aan de Stichting Toegang Bemiddeling Beheer Gelden van de NVVK. De eerste bodemstorting wordt gedaan in 2021. Voor de periode van 2022 tot en met 2025 staan de gereserveerde middelen voor het fonds op artikel 99.

Op 1 januari 2021 is de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet in werking getreden. De wet heeft tot doel het bestaansminimum van burgers op wier inkomen beslag is gelegd beter te borgen. Het Ministerie van SZW heeft een ketenbureau opgericht. Vanuit het ketenbureau worden de nieuwe processen en systemen voor de berekening van de beslagvrije voet continu gemonitord en waar nodig geoptimaliseerd. In aanvulling op de invoering van de wet wordt met het programma Stroomlijning Keten voor Derdenbeslag gewerkt aan verbeterde gegevensuitwisseling tussen de ketenpartijen. Daarvoor zal een ICT-voorziening worden gebouwd waarmee gerechtsdeurwaarders, gemeenten, waterschappen, UWV, de SVB, het CJIB, het LBIO en de Belastingdienst informatie kunnen uitwisselen. Door hiermee gegevens uit te wisselen over beslagen kan het bestaansminimum beter worden geborgd van mensen op wier inkomen meerdere beslagen worden gelegd en kunnen onnodige proces- en executiekosten zoveel mogelijk worden voorkomen. De juridische grondslag voor de gegevensuitwisseling wordt geregeld in het wetsvoorstel Wet stroomlijning keten derdenbeslag, dat in voorbereiding is.

De eerste rapportage van de ambities kinderarmoede schetst aandachtspunten voor de komende jaren om meer kinderen in armoede en hun gezinnen (beter) te kunnen ondersteunen. Begin 2022 zal er op basis van de meest actuele cijfers van het CBS gerapporteerd worden over ambitie 2: Het aantal huishoudens met kinderen met een laag inkomen gaat de komende jaren omlaag. De indicatieve streefwaarde hierbij is om te komen tot een afname van het aantal kinderen in armoede van 9,2% in 2015 naar 4,6% in 2030.

Een thema dat meer aandacht vereist is preventie van geldzorgen. Door de coronacrisis is de urgentie daarvan verder toegenomen. Geldzorgen staan niet op zichzelf, maar leiden vaak tot stress en daardoor tot problemen onder andere op het terrein van werk, huisvesting, gezondheid, opvoeding, ggz-problematiek, veiligheid. In 2022 worden er stappen gezet om kwetsbare groepen vroegtijdig in beeld te brengen en ondersteuning te bieden. Het gaat hierbij om het vergroten van de kennis en vaardigheden over geldzorgen bij professionals en vrijwilligers in het brede sociaal domein; uitbreiding van het aantal vindplaatsen van mensen met geldzorgen en verdere kennisontwikkeling en -deling over effectieve laagdrempelige ondersteuning (Kamerstukken II 2020/21, 24 515, nr. 600). Ook werkt SZW samen met VWS, BZK en gemeenten aan de brede aanpak dak- en thuisloosheid, waarin bijvoorbeeld wordt gekeken waar gemeenten maatwerk kunnen bieden binnen de kaders van de Participatiewet. Het CBS schat op basis van voorlopige cijfers dat Nederland op 1 januari 2020 ruim 36.000 daklozen telt. De jarenlange stijging, tot 39.000 op 1 januari 2018, is volgens het CBS hiermee tot stilstand gekomen (Stijging van het aantal daklozen tot stilstand gekomen (cbs.nl)). De afgelopen jaren is ingezet op een forse vermindering van het aantal dak- en thuisloze mensen in Nederland. Zie hiervoor de meest recente Voorgangsrapportage Maatschappelijke Opvang/Beschermd Wonen van VWS (Kamerstukken II 2020/21, 29 325, nr. 126).

Breed Offensief

Om de arbeidskansen van mensen met een beperking te vergroten heeft het kabinet een breed offensief gelanceerd (Kamerstukken II 2018/19, 34 352, nr. 115, nr. 138, nr. 163). Het Breed Offensief bevat verschillende maatregelen die ervoor moeten zorgen dat meer mensen met een beperking aan het werk komen en blijven. Belangrijke onderdelen zijn het vereenvoudigen van de inzet van het instrument loonkostensubsidie (LKS), het bevorderen van ondersteuning op maat, en het werken lonender maken voor mensen met een beperking. Daarnaast wordt de financiering van gemeenten voor LKS gewijzigd. Naar aanleiding van de motie Nijkerken-de Haan wordt het budget voor LKS met ingang van 2022 op basis van realisatie over gemeenten verdeeld (Kamerstukken II 2020/21, 35 570 XV, nr. 32). Dit stimuleert gemeenten om LKS in te zetten en daarmee de arbeidskansen te vergroten van mensen die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen.

Voor een aantal van de voorstellen is wetswijziging noodzakelijk. Het daartoe strekkende wetsvoorstel tot wijziging van de Participatiewet (uitvoeren Breed Offensief) is op 13 februari 2020 bij de Tweede Kamer ingediend (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 2). Op 11 juni 2020 is de Nota naar aanleiding van het verslag naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 8). De Tweede Kamer heeft besloten het wetsvoorstel controversieel te verklaren nadat het kabinet demissionair is geworden. Het streven is dat het wetsvoorstel op 1 juli 2022 wordt ingevoerd.

In verband met het voorstel om een gedeelte van de inkomsten van mensen die in deeltijd met loonkostensubsidie werken vrij te laten, is structureel € 40 miljoen toegevoegd aan het macrobudget voor participatiewetuitkeringen. Voor de overige voorstellen uit het breed offensief is incidenteel € 53 miljoen beschikbaar gesteld. Hiervan is na overleg met gemeenten reeds € 42 miljoen ingezet. Over de resterende middelen vindt nog overleg plaats met gemeenten om tot een doelmatige besteding te komen. 

Eerder werd er in de Participatiewet onderscheid gemaak tussen vrijwillige en gedwongen opname in een GGZ-instelling. Door invoering van amendement Kwint c.s. (Kamerstukken II 2020/21, 35 667, nr. 37) behouden personen die gedwongen worden opgenomen (evenals personen bij vrijwillige opname) hun uitkering, ter hoogte van het instellingstarief.

Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten

De banenafspraak uit het Sociaal Akkoord van 2013 heeft tot doel om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen bij reguliere werkgevers. Met de sociale partners is afgesproken 125.000 banen voor deze doelgroep te creëren. De opgave voor markt en overheid tot en met 2020 was om 67.500 extra banen te realiseren ten opzichte van de nulmeting. In 2020 is de landelijke doelstelling van 67.500 extra banen (sector en markt samen) met 66.097 banen net niet gehaald. De coronacrisis zal hieraan hebben bijgedragen, hoewel de mate van invloed hiervan op het realiseren van banen voor de doelgroep niet duidelijk is.

Met 53.799 extra banen heeft de sector markt de doelstelling van 50.000 banen weer gehaald. De overheidswerkgevers hebben de doelstelling ook in 2020 niet gehaald. Ten opzichte van de nulmeting heeft de sector overheid 12.298 extra van de afgesproken 17.500 extra banen gerealiseerd. Het resultaat van de sector overheid over 2020 geeft dus geen aanleiding om de quotumregeling te deactiveren. Wel hebben de overheidswerkgevers in dit coronajaar iets meer dan de afgesproken toename van 2.500 banen over 2020 gehaald, namelijk 2.512. De komende periode blijft het kabinet nauwlettend in de gaten houden hoe de coronacrisis het realiseren van de banen voor de doelgroep verder beïnvloedt. Om mogelijke negatieve werkgelegenheidsgevolgen op te vangen en mensen uit de banenafspraak zo snel mogelijk weer naar nieuw werk te begeleiden heeft het kabinet € 36 miljoen vrijgemaakt voor de tijdelijke impuls banenafspraak.

De Staatssecretaris van SZW heeft in november 2018 (Kamerstukken II 2018/19, 34 352, nr. 137) de vereenvoudiging van de Wet banenafspraak aangekondigd. Vanwege verschillende redenen is het wetgevingsproces voor het wetsvoorstel vereenvoudigde Wet banenafspraak sterk vertraagd, waardoor de beoogde inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2022 onmogelijk is geworden. Er is nog advies aan de Raad van State gevraagd, maar tijdens de adviesperiode werd het kabinet (vervroegd) demissionair. Om ervoor te zorgen dat een nieuw kabinet een eigen afweging kan maken over een nieuwe vormgeving van de banenafspraak, is besloten om het wetsvoorstel voorlopig niet in te dienen bij de Tweede Kamer. De Minister van SZW heeft dit per brief ook aan de Tweede Kamer meegedeeld (Kamerstukken II 2020/21, 35 394, nr. 19).

Tabel 21 Indicatoren banenafspraak
 

Realisatie 20201

Streefwaarde 20202

Streefwaarde 20212

Streefwaarde 20222

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten marktsector t.o.v. nulmeting op 1-1-2013

53.799

50.000

60.000

70.000

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten overheidssector t.o.v. nulmeting op 1-1-2013

12.298

17.500

20.000

22.500

X Noot
1

Berekening SZW op basis van metingen UWV.

X Noot
2

Streefwaarden afkomstig uit memorie van toelichting bij de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten. Tweede Kamer, 2013-2014, 33 981, nr. 3, blz. 6, tabel «Aantal te realiseren banen voor beoordeling activering quotumheffing».

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 22 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 2 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

10.474.111

8.481.995

7.380.940

7.455.058

7.700.226

7.891.306

8.019.196

        

Uitgaven

10.478.338

8.493.448

7.388.951

7.458.109

7.700.806

7.891.360

8.019.305

        

Inkomensoverdrachten

       

Macrobudget participatiewetuitkering en intertemporele tegemoetkoming

6.378.336

6.436.576

6.446.650

6.499.765

6.715.246

6.875.118

6.973.643

Tozo en Bijstand zelfstandigen bedrijfskrediet (Bbz 2004)

3.210.858

1.128.870

15.016

11.354

11.354

11.354

11.354

AIO

332.007

356.487

380.514

402.967

421.303

447.360

478.236

TW

478.000

483.414

474.868

482.123

489.354

493.087

488.740

Bijstand overig

1.000

960

910

860

820

780

750

Onderstand (Caribisch Nederland)

4.015

4.015

4.174

4.324

4.462

4.542

4.606

Subsidies (regelingen)

       

Europees fonds meestbehoeftigen

104

100

0

0

0

0

0

SBCM

2.800

2.800

2.800

2.800

2.800

2.800

2.800

Sectorplannen

1.131

0

0

0

0

0

0

NIBUD

375

314

314

314

377

314

314

Overige subsidies algemeen

25.726

26.225

10.340

5.299

1.530

808

356

Cofinanciering dienstverlening

6.212

0

0

0

0

0

0

Armoede en schulden

2.507

1.280

488

0

0

0

0

Alle kinderen doen mee

9.842

11.765

13.780

10.000

10.000

10.000

10.000

Regionale kansen kinderen

184

190

0

0

0

0

0

Waarborgfonds Saneringskredieten

0

6.000

0

0

0

0

0

Opdrachten

       

Opdrachten algemeen

13.628

22.971

26.181

24.687

29.944

31.079

34.388

Bekostiging

       

ZonMw

1.435

1.297

1.297

1.297

1.297

1.297

1.297

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

       

ZonMw

170

175

175

175

175

175

175

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

       

Financien

0

0

1.100

1.800

1.800

2.200

2.200

Bijdrage aan sociale fondsen

       

Pensioenfonds Wsw

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

Bijdrage aan agentschappen

       

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

0

0

335

335

335

437

437

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

       

Contributie CASS

8

9

9

9

9

9

9

        

Ontvangsten

25.190

955.775

18.215

18.232

75.540

75.137

74.415

        

Ontvangsten

       

Algemeen

25.190

28.153

18.215

18.232

17.340

17.087

16.515

Tozo retour kapitaal verstrekkingen

0

927.622

0

0

58.200

58.050

57.900

Budgetflexibiliteit

De uitgaven op artikel 2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet zijn voor 99,5% juridisch verplicht voor het jaar 2022. Per financieel instrument wordt de budgetflexibiliteit onderstaand toegelicht.

Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten zijn voor 100% juridisch verplicht. In algemene zin geldt dat inkomensoverdrachten die gebaseerd zijn op wet- en regelgeving voor 100% juridisch verplicht zijn. De inkomensoverdrachten worden gefinancierd middels rijksbijdragen aan uitvoerende instellingen, zoals gemeenten (Macrobudget participatiewetuitkeringen, dat vóór oktober 2021 wordt toegekend/verplicht en betrekking heeft op 2022), maar ook voor UWV (Toeslagenwet € 0,5 miljard) en de SVB (AIO € 0,4 miljard).

Subsidies

De subsidies zijn voor 60% juridisch verplicht. De circa 40% kasmiddelen waarvoor nog ruimte is om verplichtingen aan te gaan hebben betrekking op subsidies voor armoede onder kinderen (€ 10 miljoen) en voor overige (incidentele) subsidies algemeen (€ 1,0 miljoen).

Opdrachten

De opdrachten zijn voor 6% juridisch verplicht. Het gaat om circa € 1,5 miljoen. Zie ook de toelichting van het financiële instrument Opdrachten.

Bekostiging

Met de goedkeuring in 2015 van het meerjarige kennisprogramma, zoals dat door ZonMw wordt uitgevoerd, is het kasbudget 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Analoog aan het instrument bekostiging is de bijdrage voor de uitvoeringskosten van ZonMw ook voor 100% verplicht.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

De bijdrage aan Financiën is 100% juridisch verplicht en vormt een compensatie voor de auditwerkzaamheden in het kader van de uitvoering van het ESF.

Bijdrage aan sociale fondsen

De bijdrage aan sociale fondsen is 100% juridisch verplicht en vormt compensatie van gestegen werkgeverslasten, onder de voorwaarde dat de werkgevers (de gemeenten) en werknemers die verantwoordelijk zijn voor de pensioenen van de Wsw een akkoord bereiken over een structurele oplossing voor het pensioenfonds PWRI. De financiële compensatie wordt jaarlijks gegeven tot uiterlijk 2057.

Bijdrage aan agentschappen

Analoog aan het instrument bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken is ook de bijdrage aan de RVO 100% juridisch verplicht. Dit vormt een compensatie voor de auditwerkzaamheden in het kader van de uitvoering van het ESF.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

De bijdrage aan de CASS bedraagt € 0,009 miljoen per jaar en is per 2020 overgegaan van het Ministerie van I&W naar SZW. Deze bijdrage is 100% verplicht .

E. Toelichting op de financiële instrumenten
Inkomensoverdrachten
Macrobudget participatiewetuitkeringen

Het Macrobudget participatiewetuitkeringen voorziet in de middelen voor bijstandsuitkeringen, loonkostensubsidies, IOAW, IOAZ en bijstand voor levensonderhoud van ondernemers. Voor alle gemeenten tezamen wordt het macrobudget voor 2022 geraamd op € 6,4 miljard. In 2022 wordt hiervan een bedrag van € 2,5 miljoen gereserveerd voor de vangnetregeling 2020. Bij de verdeling van het voorlopig macrobudget wordt hiermee rekening gehouden. De vangnetuitkering is bedoeld voor gemeenten waarvan het tekort op het budget op grond van artikel 69 Participatiewet de geldende eigenrisicodrempel overstijgt. Alle gemeenten met een tekort, dat over 2020 meer bedraagt dan 7,5% en over 2018, 2019 en 2020 samen ook meer bedraagt dan 7,5% van het budget 2020, kunnen een beroep doen op de vangnetregeling 2020, gefinancierd uit het macrobudget 2022. In tabel 23 wordt de opbouw van het budget gespecificeerd.

Tabel 23 Extracomptabel overzicht Macrobudget participatiewetuitkeringen (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Macrobudget participatiewetuikeringen

6.378.336

6.436.576

6.446.650

6.499.765

6.715.246

6.875.118

6.973.643

        

Macrobudget participatiewetuikeringen excl. compensatie verdeelmodel

6.374.960

6.385.346

6.446.650

6.499.765

6.715.246

6.875.118

6.973.643

Algemene bijstand1

5.968.729

5.930.526

5.632.211

5.764.553

5.941.444

6.079.836

6.162.686

Loonkostensubsidie

324.821

379.684

434.545

489.407

518.993

IOAW

328.387

295.515

288.524

278.315

260.840

226.912

213.001

IOAZ

30.719

29.148

30.636

32.150

33.354

33.900

33.900

BBZ

47.125

130.157

170.458

45.063

45.063

45.063

45.063

        

Compensatie verdeelmodel

3.376

51.230

     
X Noot
1

Tot en met 2021 loopt loonkostensubsidie mee in het deelbudget voor algemene bijstand.

Algemene bijstand

De algemene bijstand op grond van de Participatiewet voorziet in een sociaal vangnet voor personen die niet zelfstandig in hun bestaan kunnen voorzien.Tot en met 2021 vormden bijstand en LKS samen één onderdeel van het macrobudget. Gemeenten werden via dezelfde verdeelsystematiek gefinancierd voor bijstandsuitkeringen en LKS. Vanaf 2022 wordt het budget voor LKS op basis van realisaties over gemeenten verdeeld. Daarom wordt LKS een los onderdeel van het macrobudget en wordt het verderop in het artikel los toegelicht.

Wie komt er voor in aanmerking?

Iedereen die rechtmatig in Nederland verblijft en woont en die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, kan in aanmerking komen voor bijstand. Dat houdt in dat iedereen met een inkomen onder het sociaal minimum en onvoldoende eigen vermogen recht heeft op bijstand.

Hoe hoog is de bijstand?

De hoogte van de bijstandsuitkering is afhankelijk van leeftijd en leefsituatie. In tabel 24 zijn de bijstandsnormen opgenomen voor gehuwden/samenwonenden en alleenstaanden/alleenstaande ouders van 21 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd die niet samenwonen met meerderjarige medebewoners. Voor gehuwden en alleenstaanden van 21 jaar of ouder die samenwonen met één of meer meerderjarige personen waarmee kosten kunnen worden gedeeld, geldt op grond van de kostendelersnorm een lager bedrag. Bijstandsgerechtigden van 18 tot 21 jaar ontvangen een lagere uitkering.

Tabel 24 Netto bijstandsnormen van 21 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd, inclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2021

Gehuwd / samenwonend

1078,701

Alleenstaande (ouder)

1541,001

X Noot
1

Bron:

Budgettaire ontwikkelingen

Hieronder volgt een toelichting op de bijstellingen voor de algemene bijstand.

Op basis van de CPB-raming van de werkloosheid wordt de komende jaren een oplopend bijstandsbestand verwacht. De invoering van een aantal wetswijzigingen leidt tot een oploop in de raming van de bijstandsuitgaven. Door een inperking van andere regelingen doen meer personen een beroep op de bijstand. Dit zijn onder andere de invoering van de Participatiewet (per 2015) en de invoering van het onderdeel WW-duurverkorting in de Wet werk en zekerheid, die inmiddels is vervangen door de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB).

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 25 toont de gerealiseerde en geraamde omvang van het aantal bijstandsuitkeringen. De Factsheet Participatiewet bevat meer informatie over de ontwikkeling en samenstelling van het bijstandsvolume.

Tabel 25 Kerncijfers volume Participatiewet
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Volume Participatiewetuitkering (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

362

370

367

X Noot
1

CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek.

Tabel 26 Kerncijfers re-integratie door gemeenten
 

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Aantal voorzieningen Participatiewet (x 1.000, ultimo)1

270

231

223

Aantal personen met een voorziening Participatiewet (x 1.000, ultimo)1

198

175

171

Aantal gestarte banen na re-integratievoorziening door gemeenten (x 1.000, ultimo)2

46

49

143

    

Werkenden met een voorziening Participatiewet (x 1.000, ultimo)1

52

49

49

 

waarvan personen met een loonkostensubsidie Participatiewet

13

18

20

    

Werknemersbestand Wsw (x 1.000, ultimo)4

83

78

72

Aantal detacheringen als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen4

38

37

37

Aantal gerealiseerde plaatsen in begeleid werken als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen4

6,4

6,7

6,8

X Noot
1

CBS, Statistiek re-integratie gemeenten.

X Noot
2

CBS, Uitstroom na re-integratie.

X Noot
3

Betreft de stand medio 2020.

X Noot
4

Panteia, WSW-rapportage.

Tabel 27 Kerncijfers werk voor mensen met een arbeidsbeperking
 

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Totaal werkend met een arbeidsbeperking (x 1.000, ultimo)

162

167

165

 

waarvan werkend binnen de Banenafspraak (x 1.000, ultimo)1

113

120

119

 

waarvan werkend op een interne plaatsing Wsw (x 1.000, ultimo)2

47

43

41

 

waarvan werkend met positief advies beschut werk (x 1.000, ultimo)3

2,5

4,0

5,2

X Noot
1

UWV, Factsheet banenafspraak.

X Noot
2

Onder 'interne' plaatsing valt ook 'werken op locatie' (WOL), waarbij begeleiding plaatsvindt vanuit het Sw-bedrijf. Panteia, Jaarrapportage Wsw-statistiek.

X Noot
3

UWV, Rapportage beschut werk.

Loonkostensubsidie (LKS)

Het instrument LKS voorziet werkgevers van een compensatie voor de lagere loonwaarde van een werknemer op basis van de Participatiewet.

Wie komt er voor in aanmerking?

Gemeenten kunnen LKS inzetten voor mensen die niet het Wettelijk minimumloon (WML) kunnen verdienen. Het gaat om mensen voor wie de gemeente verantwoordelijk is om hen te ondersteunen bij het vinden van werk. Dat kan dus gaan om mensen die bijstand ontvangen, mensen die een IOAW- of IOAZ-uitkering ontvangen, mensen die met behulp van een andere voorziening van de gemeente al aan het werk zijn, maar ook om mensen zonder uitkering.

Hoe hoog is de loonkostensubsidie?

De hoogte van de LKS is gelijk aan het verschil tussen het bruto WML en de vastgestelde loonwaarde. De LKS bedraagt maximaal 70% WML (inclusief vakantietoeslag), vermeerderd met een vergoeding voor de werkgeverslasten. De vergoeding bedraagt per 1 januari 2021 23,5%. Gedurende het eerste halfjaar van een dienstbetrekking kan ook forfaitaire LKS worden ingezet. Deze bedraagt 50% van het wettelijk minimumloon, wederom vermeerderd met een vergoeding voor werkgeverslasten. Tijdens dat halfjaar wordt de loonwaarde van de werknemer bepaald.

Budgettaire ontwikkelingen

Vanaf 2022 worden gemeenten voor het lopende jaar gefinancierd op basis van de gerealiseerde uitgaven aan loonkostensubsidies van het vorige jaar. De uitgaven voor LKS worden voor 2022 geraamd op € 325 miljoen. De uitgaven aan loonkostensubsidie nemen jaarlijks toe doordat de doelgroep van LKS sinds invoering van de Participatiewet ingroeit. Daarnaast wordt vanaf 2022 extra inzet van LKS verwacht doordat de financiering is aangepast.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 28 Kerncijfers Volume loonkostensubsidie
 

Realisatie 2020

Raming 2021

Raming 2022

Volume Loonkostensubsidie (x 1.000 personen, jaargemiddelde)1

36

X Noot
1

Vanaf 2022 wordt de raming voor het volume loonkostensubsidie weergegeven in deze tabel. Eerder werdt er alleen over de realisaties gerapporteerd. Zie hiervoor "werkenden waarvan personen met een loonkostensubsidie Participatiewet" in tabel 26.

Wetten inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en gewezen zelfstandigen (IOAZ)

De IOAW-uitkering is een aanvulling op het (gezins)inkomen tot bijstandsniveau voor oudere werkloze werknemers. Anders dan bij de Participatiewet hoeven werkloze ouderen, die vaak vermogen in spaargeld of eigen huis hebben, in de IOAW hun vermogen niet aan te spreken.

De IOAZ is een uitkering voor ouderen die noodgedwongen zijn gestopt met hun werk als zelfstandige, omdat de inkomsten daaruit onvoldoende waren. De IOAZ-uitkering vult het (gezins)inkomen aan tot het bijstandsniveau. In de IOAZ wordt rekening gehouden met de bijzondere positie van zelfstandigen en hun (bedrijfs)vermogen.

Wie komt er voor in aanmerking?

De belangrijkste doelgroepen van de IOAW-regeling zijn:

  • Werkloze werknemers die op het moment dat zij werkloos worden ten minste 50 jaar zijn en geboren zijn voor 1 januari 1965, die recht hebben op een uitkering op grond van de WW van meer dan drie maanden en die de volledige uitkeringsduur daarvan hebben doorlopen;

  • Werknemers die geboren zijn voor 1 januari 1965, na hun 50e verjaardag recht hebben gekregen op een loongerelateerde WGA-uitkering en van wie de WGA-uitkering is beëindigd, omdat zij niet langer ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn.

De IOAZ is bedoeld voor oudere zelfstandigen tussen de 55 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd, die hun bedrijf of zelfstandig beroep na hun 55e verjaardag hebben beëindigd. Om in aanmerking te komen voor een uitkering moet de gewezen zelfstandige onder andere voldoen aan voorwaarden betreffende het gemiddeld jaarinkomen in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag, het verwachte inkomen uit beroep of bedrijf bij voortzetting van het bedrijf en het aantal uren en de duur van de werkzaamheden als zelfstandige.

Hoe hoog is de IOAW/IOAZ?

De hoogte van de IOAW/IOAZ uitkering is afhankelijk van de leefsituatie. Een overzicht van de bruto bedragen staat in tabel 29. In de IOAW en IOAZ geldt sinds 2015 de kostendelersnorm voor alleenstaande kostendelers. Voor alleenstaanden en alleenstaande ouders is de norm 50% van de gehuwdennorm, indien zij samenwonen met één of meer meerderjarige personen.

Tabel 29 Bruto bedragen IOAW/IOAZ per maand, inclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2021

Gehuwd / samenwonend

1.695,601

Alleenstaande (ouder) zonder meerderjarige medebewoners

1.338,141

Alleenstaande (ouder) met een of meer meerderjarige medebewoners

847,801

X Noot
1

Bron:

Budgettaire ontwikkelingen

De IOAW-uitgaven dalen in 2022 door de beperkende voorwaarde dat het IOAW-recht alleen geldt voor personen geboren voor 1965. Dit leidt ertoe dat in 2022 minder mensen een beroep kunnen doen op de IOAW. De verslechterde conjunctuur als gevolg van de coronacrisis werkt vertraagd door op de volumeontwikkeling van de IOAW. De vertraging treedt op doordat het grootste deel van de IOAW-instroom eerst WW-gerechtigd is geweest. In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de verhoging van de AOW-leeftijd. Dit heeft een opwaarts effect op de uitgaven, doordat mensen later de AOW-leeftijd bereiken. De uitgaven aan de IOAZ nemen vooral toe door de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 30 Kerncijfers IOAW en IOAZ
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Volume IOAW (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

21

19

19

Volume IOAZ (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

1,8

1,8

1,9

X Noot
1

CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek.

Bijstand zelfstandigen levensonderhoud (Bbz 2004)

De toelichting op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 staat later in het artikel. Alleen het deel dat onderdeel is van het Macrobudget participatiewetuitkeringen wordt hier toegelicht. Dit is het onderdeel bijstand dat kan worden verstrekt om te voorzien in de kosten van levensonderhoud voor zelfstandigen.

Wie komt er voor in aanmerking?

Startende ondernemers vanuit een uitkering en gevestigde zelfstandigen die aan de voorwaarden van het Bbz voldoen, zoals wanneer hulp via een andere weg niet meer mogelijk is en het inkomen onvoldoende is.

Hoe hoog is de Bbz-uitkering?

De uitkering voor levensonderhoud is gelijk aan die van de algemene bijstand (zie tabel 24) als aanvulling voor levensonderhoud.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven voor Bbz levensonderhoud in 2022 worden geraamd op € 170 miljoen. Na afloop van de Tozo per 1 oktober 2021 is de verwachting dat een deel van de Tozo-gerechtigden door zal stromen naar het Bbz. Een deel van deze zelfstandigen zal naar verwachting ook in 2022 nog een beroep doen op het Bbz.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 31 Kerncijfers Bbz
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Volume Bbz (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

2,5

8,1

10,7

X Noot
1

CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek.

Handhaving

Sinds het tweede kwartaal van 2020 maakt de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) onderdeel uit van de Bijstandsdebiteuren en -fraudestatistiek van het CBS. De kerncijfers handhaving Participatiewet laten de afgelopen jaren een stabiel beeld zien. In 2020 is de ultimo stand van de cijfers echter iets lager dan in voorgaande jaren. Dit is mogelijk te verklaren door de coronacrisis.

Het is primair de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het lokale bestuur om een goede invulling te geven aan de handhaving. Waar nodig en mogelijk faciliteert het Ministerie van SZW daarbij, veelal in samenwerking met de VNG en Divosa. Dit doet zich onder andere voor bij de aanpak van complexe misbruikrisico’s of wijzigingen in wet- en regelgeving. VNG en Divosa zijn in dit verband ook nauw betrokken bij het in 2021 gestarte onderzoek naar het Handhavingsinstrumentarium binnen de (bredere) sociale zekerheid. Het onderzoek kijkt naar mogelijke aanpassingen in het beschikbare handhavingsinstrumentarium zowel om beter maatwerk te kunnen leveren als om effectiever te kunnen handhaven in gevallen van opzet of grove schuld. De VNG rapporteert ten slotte in de signaleringsbrief jaarlijks over de signalen op het gebied van fraude en doet beleidsaanbevelingen.

Tabel 32 Kerncijfers Participatiewet (fraude en handhaving algemene bijstand)
  

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

72

73

662

Kennis van de verplichtingen (%)

86

86

802

Opsporing3

Aantal vorderingen in verband met geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)4

33

31

25

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln.)

70

67

59

Sanctionering3

Aantal boetes (x 1.000)

14

12

9,2

Totaal boetebedrag (x € 1 mln.)

8,7

7,9

5,6

  

Ontstaansjaar vordering

  

2018

2019

2020

Terugvordering5

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2020 (%)

29

20

12

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

I&O Research «Kennis der verplichtingen in de coronacrisis». Als gevolg van een andere insteek van het onderzoek is sprake van een trendbreuk.

X Noot
3

CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

X Noot
4

Dit kerncijfer betreft het aantal vorderingen wegens overtreding van de inlichtingenplicht. Eén overtreding kan meerdere vorderingen tot gevolg hebben. Het aantal overtredingen ligt dus lager. Uit CBS onderzoek naar de lopende vorderingen in maart 2019 (BDFS K – Gesplitste vorderingen) blijkt dat het aantal overtredingen circa 11% lager ligt dan het aantal vorderingen. CBS onderzoekt in 2020 of het mogelijk is de jaarlijkse gegevens hier structureel voor te corrigeren.

X Noot
5

CBS, bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

Toeslagenwet (TW)

De TW vult uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen aan tot het normbedrag voor het relevante sociaal minimum als het totale inkomen (exclusief TW-uitkering) van de uitkeringsgerechtigde en diens eventuele partner daaronder ligt.

Wie komt er voor in aanmerking?

Uitkeringsgerechtigden komen in aanmerking voor een toeslag als zij een uitkering ontvangen op grond van één van de zogenoemde moederwetten. Dit zijn de WIA, WAO, WAZ, Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Wamil), Wajong, IOW, WW, ZW en WAZO. Ook als een werkgever in het tweede ziektejaar minder loon doorbetaalt dan het voor de werknemer geldende sociaal minimum, komt de betrokkene in aanmerking voor een toeslag. De volgende personen kunnen recht hebben op een toeslag:

  • Een gehuwde/samenwonende met een gezamenlijk inkomen dat lager is dan het bruto minimumloon;

  • Een alleenstaande met een inkomen dat lager is dan 70% van het netto minimumloon;

  • Een alleenstaande van 21 jaar of ouder, die samenwoont met één of meer meerderjarige personen waarmee kosten kunnen worden gedeeld, met een inkomen dat lager is dan 50% van het netto minimumloon.

Hoe hoog is de toeslag?

De toeslag vult de uitkering in beginsel aan tot het TW-normbedrag dat op de uitkeringsgerechtigde van toepassing is. Indien het dagloon lager is dan het TW-normbedrag, dan vult de toeslag aan tot dit lagere dagloon.

Tabel 33 Normbedragen TW bruto per dag, inclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2021

Gehuwd / samenwonend

84,47

Alleenstaande van 21 jaar en ouder

61,53

Alleenstaande van 21 jaar en ouder met een of meer meerderjarige medebewoners

38,99

Budgettaire ontwikkelingen

De TW-uitgaven nemen in 2022 met enkele miljoenen af. Dit komt vooral doordat de uitgaven aan TW-aanvullingen op WW-uitkeringen naar verwachting afnemen. Tijdens de coronacrisis waren er voor een gegeven aantal WW-uitkeringen relatief veel TW-uitkeringen. De verwachting is dat dit komende jaren weer normaliseert. Daarentegen verwachten we meer uitgaven aan TW-aanvullingen op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Het aantal WIA-uitkeringen neemt toe in 2022. Naar verwachting zullen deze hogere volumes gepaard gaan met meer aanvullingen vanuit de Toeslagenwet op de WIA. Tegenover meer aanvullingen op WIA-uitkeringen staan minder aanvullingen op WAO-uitkeringen. De toename van het aantal WIA-aanvullingen is echter sterker dan de afname van het aantal WAO-aanvullingen. Per saldo resulteert een toename van de TW-lasten voor de AO-regelingen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Naar verwachting neemt het aantal TW-uitkeringen in 2022 iets af. Daarentegen valt de gemiddelde uitkeringshoogte iets hoger uit.

Tabel 34 Kerncijfers TW
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Gemiddeld jaarvolume TW (x 1.000 uitkeringsjaren)

114

114

112

Gemiddelde toeslag per jaar (x € 1)

3.389

3.447

3.483

X Noot
1

UWV, Juninota.

Handhaving

In 2021 wordt de Toeslagenwet (TW) doorgelicht. Hierbij wordt samen met UWV onderzocht hoe risico’s in de uitvoering van de Toeslagenwet kunnen worden beperkt en of er aanpassingen in wet- en regelgeving en/of de uitvoeringspraktijk nodig zijn (Stand van de uitvoering juli 2021). Sinds 2019 worden door middel van extern onderzoek de misbruikrisico's van regelingen die UWV uitvoert in kaart gebracht.

De TW kerncijfers fraude en handhaving over 2020 vertonen een stabiel beeld ten opzichte van 2019. De incassoratio geeft weer in hoeverre fraudevorderingen ontstaan in een bepaald jaar ultimo 2020 zijn geïncasseerd. Dit percentage ligt hoger naarmate het ontstaansjaar van de vordering langer geleden is, omdat fraudevorderingen gedurende 10 jaar kunnen worden ingevorderd.

Tabel 35 Kerncijfers TW (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Opsporing1

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

1,8

2,0

2,1

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)2

1,2

1,4

1,5

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln.)

4,5

4,7

5,9

Sanctionering1

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

0,4

0,5

0,4

Aantal boetes (x 1.000)

0,8

0,8

0,9

Totaal boetebedrag (x € 1 mln.)

0,7

0,6

0,7

  

Ontstaansjaar vordering

  

2018

2019

2020

Terugvordering1

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2020 (%)

31

29

17

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO)

Ouderen met geen of een onvolledig opgebouwd AOW-pensioen, of ouderen met een volledig opgebouwd AOW-pensioen en een partner jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd kunnen recht hebben op algemene bijstand. Deze bijstand kan worden aangevraagd bij de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Personen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben, rechtmatig in Nederland wonen en niet genoeg inkomen of vermogen hebben om in hun levensonderhoud te voorzien.

Hoe hoog is de AIO?

De AIO is een uitkering op huishoudenniveau en vult aan tot bijstandsniveau. De hoogte van de AIO-uitkering hangt af van het inkomen en de leefsituatie. In onderstaande tabel zijn de normen opgenomen voor gehuwden/samenwonenden en alleenstaanden zonder meerderjarige medebewoners. Voor AIO-gerechtigden die samenwonen met één of meer meerderjarige personen waarmee kosten kunnen worden gedeeld, geldt op grond van de kostendelersnorm een lager bedrag.

Tabel 36 AIO netto maandbedragen (maximaal), inclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2021

Gehuwd / samenwonend

1.627,08

Alleenstaande (ouder)

1.199,98

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten van de AIO nemen de komende jaren toe. Deze budgettaire ontwikkeling houdt verband met de verwachte stijging van het aantal AIO-gerechtigden vanwege vergrijzing en doorwerking van de afschaffing van de partnertoeslag vanaf 2015. Naar verwachting verandert ook de samenstelling binnen de groep AIO-gerechtigden, hierdoor neemt de gemiddelde AIO-uitkering toe en daardoor de verwachte AIO uitkeringslasten. De uitgaven nemen vanaf 2025 sneller toe ten opzichte van eerdere jaren. In het Pensioenakkoord is een 2/3-koppeling van de AOW-leeftijd vanaf 2025 afgesproken. Hierdoor zal de AOW-leeftijd in 2025 niet worden verhoogd. In de jaren dat de AOW-leeftijd niet stijgt bereikt een relatief groot cohort de AOW-leeftijd, dit heeft een opwaarts effect op de instroom in de AIO.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 37 Kerncijfers AIO
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Aantal huishoudens AIO (x 1.000, jaargemiddelde)

49

52

55

X Noot
1

CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek.

Handhaving

De SVB draagt zorg voor de handhaving van aan de AIO verbonden verplichtingen. Daarbij geeft de SVB prioriteit aan preventie met daarnaast de nodige aandacht voor controle- en opsporingsonderzoek en de afdoening van overtredingen. De SVB rapporteert in de signaleringsbrief jaarlijks over signalen en fenomenen op het gebeid van fraude. Vanwege corona waren de mogelijkheden beperkt om in het kader van preventie, controle en opsporing in contact met betrokken burgers en derden te treden. Naar verwachting kunnen die contacten in 2022 weer toenemen en kan ook het aantal onderzoeken weer toenemen.

Tabel 38 Kerncijfers AIO (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

73

67

2

Kennis van de verplichtingen (%)

87

85

2

Opsporing3

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

0,9

0,6

0,5

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)4

0,9

0,8

0,4

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln.)

2,0

1,7

1,3

Sanctionering3

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

1,4

1,0

0,3

Aantal boetes (x 1.000)

0,3

0,3

0,2

Totaal boetebedrag (x € 1 mln.)

0,3

0,2

0,2

  

Ontstaansjaar vordering

  

2018

2019

2020

Terugvordering3

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2020 (%)

23

20

12

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

Door een gewijzigde onderzoeksopzet is het cijfer over 2020 niet beschikbaar. Vanaf 2021 is dit cijfer weer beschikbaar uit het onderzoek "Kennis der verplichtingen".

X Noot
3

SVB, Jaarverslag.

X Noot
4

Cijfers betreffen alle verwijtbare overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Bijstand zelfstandigen bedrijfskrediet (Bbz 2004)

Startende, gevestigde en beëindigende zelfstandigen kunnen voor financiële ondersteuning onder voorwaarden een beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Met dit besluit wordt beoogd kansrijke vanuit een uitkering startende ondernemers een steuntje in de rug te geven en zelfstandigen met tijdelijke financiële moeilijkheden in staat te stellen hun werkzaamheden voort te zetten. De bijstand kan worden verstrekt in de vorm van een uitkering om te voorzien in de kosten van levensonderhoud en in de vorm van bedrijfskredieten.

Wie komt er voor in aanmerking?

Startende ondernemers vanuit een uitkering en gevestigde zelfstandigen die aan de voorwaarden van het Bbz voldoen, zoals wanneer hulp via een andere weg niet meer mogelijk is en het inkomen onvoldoende is.

Hoe hoog is de Bbz-uitkering en het bedrijfskapitaal?

De maximale hoogte van de bijstand voor bedrijfskapitaal wordt in onderstaande tabel vermeld. De bedragen worden jaarlijks aangepast voor gestegen prijzen.

Tabel 39 Bbz-normen kredietverlening (maxima) (in €)
 

1 januari 2021

Startende zelfstandige

37.817

Gevestigde zelfstandige

205.410

Budgettaire ontwikkelingen

Hier wordt het onderdeel van het Bbz over bedrijfskredieten toegelicht. Het bijstandsonderdeel van het Bbz om te voorzien in de kosten van levensonderhoud is onderdeel van het macrobudget en wordt toegelicht onder Macrobudget participatiewetuitkeringen. De uitgaven in 2022 bestaan voornamelijk uit vergoedingen aan gemeenten van kapitaalverstrekkingen die zij in 2020 hebben uitgegeven. Per 1 januari 2020 is de financieringssystematiek van het Bbz vereenvoudigd. 2022 is het laatste jaar dat er nog uitgaven worden gedaan voor de oude financieringssystematiek. Terugbetalingen van Bbz-leningen worden onder de ontvangsten toegelicht.

Tijdelijke overbruggingsgeregeling zelfstandig ondernemers (Tozo)

Gemeenten geven uitvoering aan een extra tijdelijke voorziening voor zelfstandigen, de Tijdelijke overbruggingsregeling voor zelfstandige ondernemers (Tozo). De Tozo betreft een tijdelijke regeling en vanaf 1 oktober 2021 is het niet langer mogelijk een aanvraag voor levensonderhoud of bedrijfskapitaal op grond van de Tozo in te dienen. Uitkeringen ten behoeve van levensonderhoud lopen 1 oktober 2021 af.

Wie komt er voor in aanmerking?

Zelfstandigen van wie het (huishoud)inkomen als gevolg van de coronacrisis onder het sociaal minimum is geraakt en die aan de overige voorwaarden voldoen, ontvangen aanvullende bijstand. Ondernemers die als gevolg van de coronacrisis liquiditeitsproblemen ervaren, kunnen gedurende de hele looptijd van de Tozo een lening voor bedrijfskapitaal aanvragen.

Hoe hoog is de Tozo-uitkering en het krediet?

De maximale hoogte van de aanvullende bijstand is gelijk aan de bijstandsnormen voor algemene bijstand (tabel 24). Voor bedrijfskredieten geldt dat er een lening van maximaal € 10.157,- wordt verstrekt.

Budgettaire ontwikkelingen

De Tozo is een tijdelijke regeling in 2020 en 2021. Gemeenten geven uitvoering aan de Tozo en ontvangen daarvoor voorschotten. Op basis van declaratie worden de werkelijke uitgaven van gemeenten vergoed. De uitvoeringskosten worden vergoed op basis van een vast bedrag per besluit op aanvraag. In 2022 verantwoorden gemeenten hun uitgaven over 2021 en vindt voorlopige verrekening plaats. In 2022 en 2023 vindt definitieve verrekening plaats over de uitgaven in 2020 en 2021. Vanaf 2024 vindt de afwikkeling met gemeenten plaats met betrekking tot terugbetalingen van kapitaalverstrekkingen. Deze worden onder de ontvangsten verantwoord.

Bijstand overig

Onder bijstand overig vallen de bijstand buitenland- en de repatriëringsregeling. Verlening van bijstand aan een in het buitenland gevestigde Nederlander wordt alleen nog voortgezet ingeval het recht op uitkering vóór 1 januari 1996 is vastgesteld. Sinds 1996 zijn er dus geen nieuwe gerechtigden meer toegelaten.

Budgettaire ontwikkelingen

De verwachte uitkeringslasten voor de bijstand buitenland nemen de komende jaren af, omdat het aantal gerechtigden verder afneemt. Voor de repatriëringsregeling zijn geen uitgaven voorzien.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal personen dat in het buitenland een bijstandsuitkering ontvangt, daalt de komende jaren naar verwachting licht.

Tabel 40 Kerncijfers bijstand buitenland
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Volume bijstand buitenland (x 1.000 gerechtigden, ultimo)

0,1

0,1

0,1

X Noot
1

SVB, Jaarverslag.

Onderstand Caribisch Nederland

De Rijksoverheid biedt aan inwoners van Caribisch Nederland inkomensondersteuning in de vorm van Onderstand. Het betreft zowel algemene als bijzondere onderstand. Laatstgenoemde component heeft betrekking op uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten die de belanghebbende zelf niet kan voldoen.

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van demografische ontwikkelingen stijgen de uitgaven voor de Onderstand in 2022 en latere jaren in lichte mate.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 41 Kerncijfers Onderstand (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Volume Onderstand Caribisch Nederland (x 1.000 huishoudens, ultimo)

0,7

0,7

0,7

X Noot
1

RCN-unit SZW.

Subsidies

In totaal is in 2022 € 27,7 miljoen voor subsidies beschikbaar. € 13,8 miljoen is beschikbaar voor het armoedebeleid specifiek voor kinderen. Daarnaast is € 10,8 miljoen beschikbaar voor overige (incidentele) subsidies en € 2,8 miljoen voor subsidie aan de Stichting Beheer Collectieve Middelen. Verder is nog € 0,3 miljoen beschikbaar voor NIBUD.

Opdrachten

De € 26,2 miljoen beschikbare middelen voor opdrachten zijn met name bestemd voor activiteiten op de terreinen van bevordering arbeidsparticipatie (circa € 10,1 miljoen), armoedebestrijding en schuldhulpverlening (circa € 4,2 miljoen), bevordering ondernemerschap (circa € 0,5 miljoen), opdrachten gerelateerd aan de Europese fondsen (circa € 1,5 miljoen), onderzoek en beleidsinformatie (circa € 8,7 miljoen) en voorlichting (circa € 1,1 miljoen).

Binnen bevordering arbeidsparticipatie hebben de uitgaven onder andere betrekking op programma’s rond Breed Offensief, de Banenafspraak, Matchen op Werk, Perspectief op Werk, Crisisdienstverlening van werk naar werk met inzet van de regionale mobiliteitsteams, opgavegerichte aanpak hardheden Participatiewet en financiering van de Programmaraad.

Voor armoede en schulden hebben de uitgaven betrekking op voorzetting en uitbouw van de brede schuldenaanpak, waaronder betere aansluiting tussen het minnelijke en wettelijk traject van schuldsanering en rijksincasso. Versnelling en intensivering van de armoede- en schuldenaanpak, waaronder ook een ondersteuningsaanbod rond het opgericht Waarborgfonds dat garant staat voor het risico dat gemeenten en kredietbanken lopen als saneringskredieten niet worden terugbetaald.

Een deel van de uitgaven voor beleidsinformatie en onderzoeken heeft betrekking op uitgaven rond diverse jaarlijks uit te voeren monitors en statistieken, als ook specifiek gestarte monitors en evaluatieonderzoeken om de voortgang te volgen rond de specifieke inzet van de steunmaatregelpakketten in relatie tot COVID-19. Ook maakt de financiering van een onderzoeksprogramma via ZonMW hier deel van uit. Daarnaast zijn de middelen bedoeld voor specifieke en gerichte onderzoeken binnen de beleidsthema’s die onder dit begrotingsartikel vallen.

Bekostiging

Voor de bekostiging van het meerjarig Kennisprogramma vakkundig aan het werk, dat wordt uitgevoerd door ZonMw, is in 2022 € 1,3 miljoen beschikbaar

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Voor de uitvoering van het meerjarig Kennisprogramma vakkundig aan het werk is voor uitvoeringskosten voor ZonMw bijna € 0,2 miljoen beschikbaar in 2022.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

Dit budget is beschikbaar ten behoeve van controlewerkzaamheden voor het ESF-Programma 2014-2020 en 2021-2027 die uitgevoerd worden door het Ministerie van Financiën.

Bijdrage aan sociale fondsen

Met ingang van 2018 wordt een financiële tegemoetkoming van € 10 miljoen per jaar beschikbaar gesteld aan het Wsw-pensioenfonds PWRI onder de voorwaarde dat de werkgevers (de gemeenten) en werknemers die verantwoordelijk zijn voor de pensioenen van de Wsw zelf tot een structurele oplossing komen voor het fonds. De financiële compensatie wordt jaarlijks gegeven tot uiterlijk 2057.

Bijdrage aan agentschappen

Jaarlijks is er € 0,3 miljoen beschikbaar ten behoeve van de controle van de betaalaanvragen uit het Europees Sociaal Fonds, het Europees Globaliseringsfonds en de ESF-programma’s uitgevoerd door de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO).

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Vanaf 2020 is de financiering van de contributie van het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de Rijnvarenden (CASS) overgegaan van het Ministerie van I&W naar SZW.

Ontvangsten

In het Bestuursakkoord Verhoogde Asielinstroom is een intertemporele tegemoetkoming afgesproken voor bijstandsuigaven aan statushouders. De terugbetaling van de intertemporele tegemoetkoming van 2016 en 2017 vindt in 8 jaar plaats vanaf respectievelijk 2018 en 2019, waarvoor in 2022 € 3,8 miljoen ontvangsten zijn geraamd. Verder worden als gevolg van de gewijzigde financieringssystematiek van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen de terugontvangsten van gemeenten op verleende kredieten voortaan niet meer gesaldeerd, maar vanaf 2022 onder de ontvangsten verantwoord en worden hier ook de aflopende terugontvangsten van oude jaren geraamd. In 2022 worden ontvangsten geraamd op € 14,4 miljoen aan terugbetalingen van kapitaalverstrekkingen en de laatste vaststellingen over 2019.

In 2020 en 2021 zijn door gemeenten leningen voor bedrijfskapitaal uitgegeven vanuit de Tijdelijke overbruggingsregeling voor zelfstandige ondernemers. Zelfstandigen zullen deze leningen vanaf 2022 aan gemeenten terugbetalen. Gemeenten dragen deze terugontvangsten met een vertraging af aan SZW, in 2024 worden de eerste ontvangsten verwacht.

3.3 Artikel 3 Arbeidsongeschiktheid

A. Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid en stimuleert hen te blijven werken of het werk te hervatten.

De overheid vindt dat werknemers die loon derven als gevolg van arbeidsongeschiktheid verzekerd moeten zijn van een redelijk inkomen. Daarom zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). De WIA omvat twee uitkeringsregimes: de Inkomensvoorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) en de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is bij de introductie van de WIA ingetrokken, maar geldt nog wel voor mensen die vóór 1 januari 2004 door ziekte of gebrek arbeidsongeschikt zijn geworden. Op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) waren ondernemers verplicht verzekerd tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid. De WAZ is per 1 augustus 2004 ingetrokken, maar geldt nog wel voor zelfstandigen die op dat moment een uitkering ontvingen.

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WIA, WAO of WAZ en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

De overheid stimuleert met behulp van financiële prikkels voor zowel uitkeringsgerechtigden als werkgevers dat uitkeringsgerechtigden aan het werk blijven of (op termijn) weer aan het werk gaan. Daarnaast biedt de overheid gerichte re-integratieondersteuning aan uitkeringsgerechtigden die ondersteuning nodig hebben. De overheid kent daarbij een groot belang toe aan de eigen verantwoordelijkheid en het meewerken aan re-integratie door de uitkeringsgerechtigde.

Aan werknemers in Caribisch Nederland wordt met de Ongevallenverzekering (OV) een inkomensvoorziening geboden in geval van arbeidsongeschiktheid door een bedrijfsongeval.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert aan het werk blijven of het werk hervatten met een bijdrage voor re-integratieinspanningen aan UWV. De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

C. Beleidswijzigingen

Indexatie Ongevallenverzekering Caribisch Nederland

Overeenkomstig het voorstel zoals opgenomen in de Verzamelwet SZW 2022 wordt vanaf 2022 voor gewezen werknemers voorzien in jaarlijkse indexatie (via het dagloon) van het ongevallengeld dat op eigennaam wordt ontvangen. Dit met het oog op het borgen van koopkrachtbehoud.

WIA-criterium voor werknemers met loonkostensubsidie

Invoering van een alternatief criterium is op zijn vroegst mogelijk per 1-1-2023. Hierover is de Tweede Kamer geïnformeerd middels een brief (Kamerstukken II 2020/21, 32 716, nr. 40). Het indienen van het wetsvoorstel is aan een volgend kabinet, vanwege de demissionaire status van het huidige kabinet.

Medisch advies van de bedrijfsarts leidend bij de toets op re-integratieinspanningen

Op 1 oktober 2020 is het wetsvoorstel waarmee het medisch advies van de bedrijfsarts leidend wordt bij de toets op de re-integratieinspanningen door UWV, aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2020/21, 35 589, nr. 2). Dit wetsvoorstel is op 2 februari 2021 controversieel verklaard. Als het wetsvoorstel weer in behandeling wordt genomen, is invoering op zijn vroegst mogelijk per 1 juli 2022.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 42 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

690

15.487

17.714

3.286

784

796

804

        

Uitgaven

690

15.487

17.714

3.286

784

796

804

        

Inkomensoverdrachten

       

Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)

690

716

739

761

784

796

804

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

       

Uitvoering individuele plaatsing & steun

0

5.251

8.250

0

0

0

0

Scholingsexperiment WGA

0

9.520

8.725

2.525

0

0

0

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

De uitgaven op artikel 3 Arbeidsongeschiktheid zijn voor 4,2% juridisch verplicht voor het jaar 2022. Per financieel instrument wordt de budgetflexibiliteit onderstaand toegelicht.

Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten van de Ongevallenverzekering Caribisch Nederland.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

De bijdrage aan ZBO’s en RWT’s zijn 0% juridisch verplicht. Het betreft budget voor een scholingsexperiment voor WGA-gerechtigden en individuele plaatsing en steun.

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 43 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 3 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

10.459.318

10.744.922

11.190.558

11.731.981

12.245.641

12.708.684

13.128.652

        

Uitgaven

10.459.318

10.744.922

11.190.558

11.731.981

12.245.641

12.708.684

13.128.652

        

Inkomensoverdrachten

       

WAO

3.677.536

3.397.887

3.122.569

2.920.193

2.674.196

2.430.050

2.187.228

IVA

3.174.480

3.464.926

3.730.676

4.017.832

4.297.014

4.536.242

4.745.128

WGA

3.091.141

3.337.484

3.497.460

3.671.598

3.838.053

3.989.467

4.114.253

WAZ

102.447

89.795

82.469

74.180

64.923

55.987

48.475

WGA eigenrisicodragers

330.000

343.977

366.880

392.686

418.185

436.257

454.329

WAO nominaal

0

0

75.799

135.562

188.245

231.798

264.227

IVA nominaal

0

0

90.706

186.739

302.815

433.153

573.806

WGA nominaal

0

0

86.032

179.911

288.351

407.231

533.402

WAZ nominaal

0

0

1.997

3.437

4.562

5.332

5.847

WGA eigenrisicodragers nominaal

0

0

9.108

19.386

31.634

44.817

59.265

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

       

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW/WW

83.714

110.763

123.257

124.119

128.778

126.584

127.747

Scholingsexperiment WGA

0

90

680

680

0

0

0

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW/WW nominaal

0

0

2.925

5.658

8.885

11.766

14.945

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

E. Toelichting op de financiële instrumenten
Inkomensoverdrachten
Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)

Werknemers in de private sector van Caribisch Nederland die door een bedrijfsongeval geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn geraakt, krijgen op basis van de Ongevallenverzekering een uitkering (ongevallengeld). De uitkering is gekoppeld aan het laatstverdiende loon van de werknemer.

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van demografische ontwikkelingen stijgen de uitgaven voor de Ongevallenverzekering in 2022 en latere jaren in lichte mate.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 44 Kerncijfers Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Volume uitkeringen Ongevallenverzekering (x 1.000, ultimo)

0,1

0,1

0,1

X Noot
1

RCN-unit SZW.

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

De WIA geeft werknemers die na een wachttijd van twee jaar ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn recht op een uitkering, mits aan de voorwaarden daarvoor voldaan is. In de WIA staat werk voorop. Het accent ligt op wat mensen wel kunnen. Tegelijkertijd is er sprake van inkomensbescherming. De WIA bestaat uit twee uitkeringsregimes. De IVA verstrekt een loondervingsuitkering aan werknemers die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn. Wie nog gedeeltelijk kan werken of bij wie herstel op termijn nog mogelijk is, krijgt een uitkering op basis van de WGA. De WIA wordt uitgevoerd door UWV. Werkgevers kunnen daarbij eigenrisicodrager worden voor de WGA-lasten van hun (ex-)werknemers. Dit betekent dat ze een lagere premie aan UWV betalen, omdat zij het gros van de verplichtingen van UWV met betrekking tot re-integratie en uitkeringsbetaling overnemen.

Wie komt er voor in aanmerking?

Werknemers die op of na 29 december 2005, na een wachttijd van twee jaar, 35% of meer arbeidsongeschikt zijn als gevolg van ziekte.

Hoe hoog is de IVA-uitkering en wat is de duur?

Iemand die ten minste 80% arbeidsongeschikt is en niet meer kan herstellen of een geringe kans op herstel heeft, komt op basis van de IVA in aanmerking voor een uitkering van 75% van het laatstverdiende loon, met een maximum van 75% van het maximumdagloon. Het maximumdagloon bedraagt per 1 juli 2021 € 225,57, dat is afgerond € 4.906,15 per maand. De IVA-uitkering bedraagt maximaal € 3.679,61 bruto per maand (inclusief vakantiegeld). Daarnaast ontvangen IVA-gerechtigden jaarlijks een tegemoetkoming (in 2021 netto € 183,61) mits zij op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een IVA-uitkering. Deze tegemoetkoming arbeidsongeschikten is bedoeld om een arbeidsongeschikte tegemoet te komen in de kosten die hij/zij moet maken door zijn/haar handicap. Het recht op uitkering wordt beëindigd bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Hoe hoog is de WGA-uitkering en wat is de duur?

  • Iemand die ten minste 35% arbeidsongeschikt is komt in aanmerking voor een uitkering op basis van de WGA. De eerste twee maanden bedraagt de uitkering 75%, daarna 70% van het loonverlies (oude maandloon minus eventueel inkomen). Het totale inkomen neemt toe naarmate de betrokkene meer werkt.

  • Indien het loonverlies meer dan 35% maar minder dan 80% bedraagt, is er sprake van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid. Afhankelijk van het arbeidsverleden heeft de gedeeltelijk arbeidsgeschikte minimaal 3 tot maximaal 24 maanden recht op een loongerelateerde uitkering. De maximale duur is vanaf 2016 stapsgewijs – met een maand per kwartaal – teruggebracht van 38 naar 24 maanden per 1 april 2019.

  • De gedeeltelijk arbeidsgeschikte wordt geacht te gaan of te blijven werken. Om dit te stimuleren wordt de uitkering na de loongerelateerde fase afhankelijk van het verdiende inkomen. Is dat inkomen ten minste 50% van de resterende verdiencapaciteit, dan wordt het loon aangevuld met 70% van het loonverlies. Als de betrokkene na afloop van de loongerelateerde uitkering geen werk heeft of minder verdient dan 50% van de resterende verdiencapaciteit, dan wordt een uitkering verstrekt die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het wettelijk minimumloon.

  • Indien het loonverlies ten minste 80% bedraagt en herstel op termijn nog mogelijk is, is er sprake van volledige arbeidsongeschiktheid. De volledig arbeidsongeschikte houdt ook na de loongerelateerde fase recht op een uitkering van 70% van het loonverlies.

  • WGA-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WGA-uitkering ontvangen evenals IVA-gerechtigden een tegemoetkoming arbeidsongeschikten van (in 2021) netto € 183,61.

  • Evenals bij de IVA-uitkering geldt ook bij de WGA-uitkering het maximumdagloon.

  • Het recht op uitkering kan doorlopen tot de AOW-gerechtigde leeftijd.

Budgettaire ontwikkelingen

In 2022 stijgen de uitkeringslasten WIA (IVA en WGA) inclusief de lasten voor eigenrisicodragers met circa € 450 miljoen ten opzichte van 2021. De WIA is een nog ingroeiende regeling die nog niet het structurele niveau heeft bereikt. Naarmate het WIA-bestand meer ingroeit, zal er ook meer doorstroom plaatsvinden van de WGA naar de IVA omdat het WGA-bestand groeit. Hierdoor stijgen de IVA-uitgaven relatief harder dan de WGA-uitgaven.

Beleidsrelevante kerncijfers

De kerncijfers WIA zijn gecombineerd met de kerncijfers WAO in tabel 45.

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

De WAO is per 29 december 2005 vervangen door de WIA. De WAO blijft gelden voor werknemers die op 1 januari 2004 een WAO-uitkering ontvingen. De WAO verstrekt uitkeringen tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd. Daarom zullen er nog decennia lang mensen zijn die een beroep blijven doen op de WAO. De WAO wordt uitgevoerd door UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

De werknemer die op 1 januari 2004 al een WAO-uitkering ontving, behoudt deze zolang aan de uitkeringsvoorwaarden wordt voldaan:

  • Hij is 15% of meer arbeidsongeschikt;

  • Hij heeft de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet bereikt.

De WAO blijft ook gelden voor werknemers die hun eerste ziektedag hadden vóór 1 januari 2004 of van wie het recht op WAO-uitkering is geëindigd, indien zij binnen vijf jaar (opnieuw) arbeidsongeschikt worden door dezelfde oorzaak. Hierdoor worden alleen nog nieuwe WAO-uitkeringen toegekend bij herleving van een oud recht.

Hoe hoog is de WAO-uitkering?

De WAO-uitkering bestaat uit twee fasen.

  • In de eerste fase ontvangt een WAO-gerechtigde een loondervingsuit-kering die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het dagloon. De uitkering bedraagt maximaal 75% van het maximumdagloon. Dat is per 1 juli 2021 maximaal € 3.679,61 bruto per maand (inclusief vakantiegeld). De duur van de loondervingsuitkering is afhankelijk van de leeftijd op de ingangsdatum van de WAO-uitkering.

  • In de tweede fase ontvangt de WAO-gerechtigde een vervolguitkering die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het vervolgdagloon. De hoogte van het vervolgdagloon is onder andere afhankelijk van de leeftijd die iemand heeft op de ingangsdatum van de WAO-uitkering. De vervolguitkering kan in principe doorlopen tot de AOW-gerechtigde leeftijd.

  • WAO-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WAO-uitkering en ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn ontvangen daarnaast een tegemoetkoming arbeidsongeschikten van (in 2021) netto € 183,61.

Budgettaire ontwikkelingen

Er is alleen nog instroom in de WAO door herleving van uitkeringen. Er worden dan ook nauwelijks nog nieuwe WAO-uitkeringen toegekend. Tegelijkertijd worden er in 2022 naar verwachting bijna 15.000 uitkeringen beëindigd. De uitkeringslasten WAO dalen in 2022 met ongeveer € 275 miljoen. Het WAO-bestand en de uitkeringslasten nemen de komende jaren af, met name door het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van het zittend bestand.

Beleidsrelevante kerncijfers

De instroom in de WGA neemt in 2022 af vergeleken met 2020 en 2021. Dit wordt veroorzaakt door administratieve effecten als gevolg van Covid-19. In 2020 en 2021 is een fysiek spreekuur niet altijd mogelijk geweest in verband met de coronamaatregelen. UWV heeft de sociaal-medische beoordelingen zoveel mogelijk uitgevoerd, maar waar dat niet kon werd de beoordeling uitgesteld tot een fysiek spreekuur mogelijk was. Hierdoor werden relatief veel voorschotten verstrekt. Deze worden geregistreerd als instroom in de WGA. Bij een deel van deze voorschotten blijkt na de beoordeling geen recht op WIA te bestaan. Hierdoor komt de instroom hoger uit dan wanneer iedereen wel binnen de wettelijke termijn beoordeeld zou zijn. Ook de uitstroom komt hierdoor hoger te liggen.

De uitstroomkans WAO en WIA daalt in 2022. Dit komt omdat in 2022 de AOW-leeftijd weer stijgt, waardoor er minder uitstroom door pensionering zal zijn dan in 2020 en 2021 waar de AOW-leeftijd bevroren was.

Tabel 45 Kerncijfers IVA, WGA en WAO
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

IVA, WGA en WAO

   

Bestand in uitkeringen (x 1.000, ultimo)

564

565

574

 

waarvan IVA

137

147

157

 

waarvan WGA

213

223

236

 

waarvan WAO

215

196

181

Bestand als percentage van de verzekerde populatie (%)

7,5

7,5

7,6

    

Instroom in uitkeringen (x 1.000)

50,2

49,3

48,0

 

waarvan IVA

11,6

12,0

12,9

 

waarvan WGA

38,0

36,7

34,6

 

waarvan WAO

0,6

0,6

0,5

Instroomkans (%)

0,7

0,6

0,6

    

Uitstroom uit uitkeringen (x 1.000)

49,1

48,0

39,0

 

waarvan IVA

12,9

13,9

12,6

 

waarvan WGA

13,7

14,5

11,7

 

waarvan WAO

22,5

19,6

14,7

Doorstroom van WGA naar IVA (x 1.000)

11,1

11,5

10,5

Uitstroomkans WAO + WIA (%)

8,0

7,8

6,4

    

WGA

   

Aandeel werkend WGA (%, ultimo)

20

2

2

Aandeel werkende WGA'ers met resterende verdiencapaciteit (%, ultimo)

47

2

2

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Dit aandeel wordt niet geraamd.

Handhaving

Sinds 2019 worden door middel van een extern onderzoek de misbruikrisico’s van regelingen die UWV uitvoert in kaart gebracht. Dit heeft inmiddels plaatsgevonden voor de WW. Eind 2021 wordt naar verwachting het onderzoek naar de ZW en de WIA afgerond. Hierna volgen onderzoeken naar de Toeslagenwet (TW), WAZO en WAO. Ook voor de Wajong zullen de misbruikrisico's in kaart worden gebracht. De kengetallen op het gebied van handhaving in voorgaande jaren tonen een stabiel beeld.

Tabel 46 Kerncijfers IVA, WGA en WAO (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

74

71

2

Kennis van de verplichtingen (%)

88

90

2

Opsporing3

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

4,2

4,6

3,4

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)4

1,2

1,7

1,1

Totaal benadelingsbedrag

7,2

7

6,2

Sanctionering3

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

1,4

1,8

1,2

Aantal boetes (x 1.000)

0,8

1

0,7

Totaal boetebedrag (x € 1 mln.)

1

1,1

0,9

  

Ontstaansjaar vordering

  

2018

2019

2020

Terugvordering3

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2020 (%)

48

40

23

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans». Kerncijfers preventie hebben alleen betrekking op WGA en WAO. De IVA is bij het onderzoek «Kennis der verplichtingen en detectiekans» buiten beschouwing gebleven.

X Noot
2

Door een gewijzigde onderzoeksopzet is het cijfer over 2020 niet beschikbaar. Vanaf 2021 is dit cijfer weer beschikbaar uit het onderzoek "Kennis der verplichtingen".

X Noot
3

UWV, Jaarverslag.

X Noot
4

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)

De WAZ is een verplichte verzekering voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren, directeuren-grootaandeelhouders en meewerkende echtgenoten tegen de inkomensgevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid. De WAZ is op 1 augustus 2004 ingetrokken. Sindsdien kunnen ondernemers zelf bepalen of zij de inkomensrisico’s al dan niet willen afdekken, bijvoorbeeld via een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. De WAZ blijft gelden voor zelfstandigen die op 1 augustus 2004 een uitkering ontvingen. De WAZ wordt uitgevoerd door UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

De zelfstandige die op 1 augustus 2004 al een WAZ-uitkering ontving, behoudt deze zolang aan de uitkeringsvoorwaarden wordt voldaan:

  • Hij is 25% of meer arbeidsongeschikt;

  • Hij heeft de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet bereikt.

Hoe hoog is de WAZ-uitkering?

De hoogte van de WAZ-uitkering hangt af van de mate van arbeidsongeschiktheid en het feitelijk gederfde inkomen per dag, mits dat niet hoger is dan het wettelijk minimumloon (de maximale grondslag). De uitkering voor volledig arbeidsongeschikten is 75% van de grondslag en bedraagt per 1 juli 2021 maximaal € 1.275,75 bruto per maand (exclusief vakantiegeld). Heeft de betrokkene voortdurend oppas en verzorging nodig, dan kan de uitkering worden verhoogd tot maximaal 100% van de grondslag. WAZ-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WAZ-uitkering en ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn ontvangen daarnaast een tegemoetkoming arbeidsongeschikten van (in 2021) netto € 183,61.

Budgettaire ontwikkelingen

De toegang voor zelfstandigen tot de WAZ is per 1 augustus 2004 beëindigd. In de WAZ is nog slechts in beperkte mate sprake van nieuwe instroom, die bestaat uit herleving van uitkeringen. Het WAZ-bestand en de uitkeringslasten nemen de komende jaren af, met name door het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van het zittend bestand. In 2022 bedraagt de afname van de uitkeringslasten circa € 7 miljoen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Doordat de WAZ een afgesloten regeling is neemt het aantal uitkeringen jaarlijks af.

Tabel 47 Kerncijfers WAZ
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Bestand in aantal uitkeringen (x 1.000, ultimo)

8,4

7,3

6,6

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Individuele plaatsing & steun

UWV heeft met een subsidieregeling onderzocht of Individuele Plaatsing en Steun (IPS) een aanvulling kan zijn op de bestaande re-integratie instrumenten. IPS blijkt een waardevol re-integratie instrument voor mensen met ernstige psychische aandoeningen (EPA). IPS is voor de EPA-groep effectiever dan reguliere re-integratie. Vanaf 1 januari 2022 koopt UWV vanuit het re-integratiebudget daarom ook IPS in voor haar klanten met EPA.

Tegelijkertijd heeft er een subsidieregeling gelopen waarbij UWV subsidie kan verstrekken voor IPS aan zowel gemeente- als UWV-klanten met Common Mental Disorders (CMD). Het onderscheid tussen CMD en EPA zit hem in de ernst en de duur van de klachten. Aan deze subsidieregeling is ook onderzoek gekoppeld om te kijken of deze aanpak voor mensen met CMD waardevol is.

Het kabinet heeft in totaal € 18 miljoen beschikbaar gesteld voor een tijdelijke impuls van IPS-trajecten in 2021 en 2022. Hiermee kunnen er meer trajecten gestart worden voor zowel de EPA- als de CMD-groepen en voor zowel gemeente- als UWV-klanten. Wajongers (begrotingsartikel 4) vallen hier ook onder. In tabel 42 is het bedrag te zien dat voor de gemeentelijke doelgroep beschikbaar is gesteld.

Scholingsexperiment voor WGA-gerechtigden

In overleg met de sociale partners en UWV heeft het kabinet besloten extra te investeren in scholing van mensen met een WGA-uitkering (Kamerstukken II 2020/21, 29 544, nr. 1035). De komende twee jaar gaat UWV vaker scholing aanbieden. Daarnaast gaat UWV experimenteren met nieuwe vormen van scholing. Voor mensen met taalproblemen start UWV pilots met op werk gerichte taaltrainingen. Verder gaat UWV in 2022 en 2023 experimenteren met de inzet van leerwerkcombinaties onder intensieve begeleiding voor de WGA-uitkeringsgerechtigden. Deze twee pilots voor nieuwe vormen van scholing worden bekostigd vanuit het premiegefinancierde gedeelte van het Scholingsexperiment WGA.

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW/WW

Voor de re-integratie van uitkeringsgerechtigden in de WIA, WAO, WAZ, ZW en WW zet UWV middelen in om hen zo nodig te begeleiden op weg naar werk en te ondersteunen zodra zij werk hebben. UWV zet deze middelen in voor de inkoop van trajecten en diensten gericht op het vinden van werk. Daarnaast koopt UWV voorzieningen (waaronder jobcoaching en vervoersvoorzieningen) in voor het ondersteunen van werkenden met een structurele functionele beperking.

UWV beschikt vanaf 2015 over een geïntegreerd taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en van voorzieningen voor de re-integratieondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (inclusief Wajongers). Dit budget wordt jaarlijks aan UWV beschikbaar gesteld en door UWV verantwoord via de reguliere rapportages. Het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget wordt verantwoord in beleidsartikel 4.

Budgettaire ontwikkelingen

Voor het premiegefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget is in 2022 € 123 miljoen beschikbaar.

Extracomptabel overzicht re-integratiebudget

In tabel 48 is het totale budget dat voor UWV beschikbaar is voor de inkoop van re-integratietrajecten en werkvoorzieningen te zien, voor zowel WIA/WAO/WAZ/ZW/WW als Wajong. Aandachtspunt is dat een deel van het begrotingsgefinancierde budget gericht is op de subsidieregeling voor scholing en re-integratie van personen met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen (ESB-regeling). Het overige begrotingsgefinancierde deel is samen met het premiegefinancierde deel beschikbaar voor inkoop van trajecten en diensten.

Tabel 48 Extracomptabel overzicht totaal re-integratiebudget (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Premiegefinancierd (WIA/WAO/WAZ/ZW/WW)

83.714

110.763

123.257

124.119

128.778

126.584

127.747

Begrotingsgefinancierd (Wajong)

86.000

93.913

83.116

84.362

84.539

79.744

76.864

 

waarvan ESB

13.000

14.000

14.000

14.000

14.000

14.000

14.000

Totaal beschikbaar budget voor inkoop

156.714

190.676

192.373

194.481

199.317

192.328

190.611

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Naast de fiscale regelingen die in onderstaande tabel zijn opgenomen, heeft ook de Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid betrekking op dit beleidsartikel. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 49 Fiscale regelingen 2020-2022, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)
 

2020

2021

2022

Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek

545

564

578

Arbeidsongeschiktheidsverzekering belaste uitkering

‒ 405

‒ 418

‒ 429

3.4 Artikel 4 Jonggehandicapten

A. Algemene doelstelling

De overheid biedt jonggehandicapten arbeids- en inkomensondersteuning.

De Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) bestaat met ingang van 2021 uit twee groepen jonggehandicapten: Wajongers met mogelijkheden tot arbeidsparticipatie en Wajongers die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.

De groep met mogelijkheden tot arbeidsparticipatie bestaat uit jonggehandicapten die zijn ingestroomd vanuit de «oude Wajong» (tot 2010) en de «Wajong2010» (2010 tot 2015). Voor deze groep staat arbeidsparticipatie centraal. De overheid zet in op het via arbeidsondersteuning vergroten van de arbeidsparticipatie van deze groep. Daarnaast zet de overheid in op inkomensondersteuning, waarbij (meer) gaan werken moet lonen. Sinds 2015 is er geen nieuwe instroom meer van jonggehandicapten met mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.

De tweede groep heeft duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Deze groep bestaat uit mensen die vanuit de «oude Wajong», «Wajong2010» en de «Wajong2015» (sinds 2015) zijn ingestroomd. De overheid heeft voor deze groep als doel te voorzien in een inkomensvoorziening. Zij hebben geen recht op arbeidsondersteuning.

Als het totale inkomen van een Wajonger en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert het vinden van werk met een bijdrage voor re-integratieinspanningen aan UWV en een subsidieregeling voor scholing aan jongeren met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen. De Minister financiert de inkomensondersteuning via het verstrekken van uitkeringen. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen uit hoofde van de Wajong;

  • het ter beschikking stellen van middelen voor het aan het werk helpen van mensen die arbeidsmogelijkheden hebben;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV.

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het jonggehandicaptenbeleid te realiseren, zoals bijvoorbeeld de jonggehandicaptenkorting, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

C. Beleidswijzigingen

Met ingang van 1 januari 2021 is de wet «Vereenvoudiging regelgeving Wajong» in werking getreden. Met deze wet zijn diverse maatregelen in de Wajong verwerkt die ervoor zorgen dat meer (gaan) werken loont, dat Wajongers altijd terug kunnen vallen op de Wajong en dat Wajongers hun uitkering behouden als zij onderwijs (gaan) volgen. Met ingang van 2021 spreken we over twee groepen in de Wajong: een groep met mogelijkheden voor arbeidsparticipatie en een groep die duurzaam geen mogelijkheden voor arbeidsparticipatie heeft.

Naar aanleiding van de aangenomen motie Stienen c.s. (Kamerstukken I 2019/20, 35 213, nr. L) heeft de Staatssecretaris van SZW in de zomer van 2020 beide Kamers geïnformeerd over de stappen die moeten worden gezet om de crisisbestendigheid van het garantiebedrag te borgen (Kamerstukken II 2010/21, 35 312, nr. 37). De in de aangenomen motie Schalk (Kamerstukken I 2019/20, 35 213, nr. M) geschetste optie om de termijn voor de duur van de crisis met twee jaar te verlengen wordt daarbij betrokken. Om het aanpassen van de termijn van het garantiebedrag eventueel mogelijk te maken, is bij SZW Verzamelwet (Kamerstukken II 2020/21, 35 494, nr. 6), gekoppeld aan de gevolgen van de coronacrisis, de mogelijkheid gecreëerd tot verlenging van deze termijn. In de zomer van 2021 wordt een analyse naar het effect van corona op de arbeidsmarktkansen van Wajongers afgerond. In het proces tot het nemen van een besluit over het garantiebedrag betrekt SZW (belangenvertegenwoordigers van) Wajongers. Zoals toegezegd worden beide Kamers eind september 2021 geïnformeerd over het al dan niet nemen van een besluit tot verlengen van de termijn van het garantiebedrag in het kader van de crisisbestendigheid.

Conform de aangenomen motie Ester (Kamerstukken I 2019/20, 35 213, nr. K) heeft SZW ten behoeve van de wetsevaluatie in 2025 een monitor ingericht om de gevolgen van de wetswijziging te volgen. SZW rapporteert jaarlijks over deze gevolgen. Een rapportage met een eerste analyse van gevolgen van de wetswijziging volgt na de zomer van 2022.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 50 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

3.430.369

3.542.924

3.553.766

3.570.977

3.590.379

3.650.346

3.665.168

        

Uitgaven

3.430.369

3.542.924

3.553.766

3.570.977

3.590.379

3.650.346

3.665.168

        

Inkomensoverdrachten

       

Wajong

3.344.369

3.449.011

3.470.650

3.486.615

3.505.840

3.570.602

3.588.304

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

       

Re-integratie Wajong

86.000

93.913

83.116

84.362

84.539

79.744

76.864

        

Ontvangsten

22.340

28.416

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

       

Restituties

22.340

28.416

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

De uitgaven op artikel 4 Jonggehandicapten zijn voor 100% juridisch verplicht voor het jaar 2022. Per financieel instrument wordt de budgetflexibiliteit onderstaand toegelicht.

Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en zijn derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten Wajong.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

De bijdragen aan ZBO’s en RWT’s zijn 100% juridisch verplicht. Het betreft een re-integratiebudget voor Wajongers.

E. Toelichting op de financiële instrumenten
Inkomensoverdrachten

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)

De Wajong biedt inkomensondersteuning aan mensen die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden en geen arbeidsverleden hebben en aan hen die tijdens hun studie voor het bereiken van de 30-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden. De Wajong wordt uitgevoerd door UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

Mensen die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd of tijdens hun studie arbeidsgehandicapt zijn geworden en geen arbeidsverleden hebben. Voor de Wajong2015 geldt hierbij als voorwaarde dat zij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.

Hoe hoog is de Wajong-uitkering?

Met ingang van januari 2021 zijn de inkomensregelingen in de oude Wajong, Wajong2010 en Wajong2015 geharmoniseerd. Voor Wajongers in de oude Wajong, Wajong2010 en Wajong2015 die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben is de uitkering 75% van het wettelijk minimumloon. Per 1 juli 2021 is dit € 1.275,75 bruto per maand (exclusief vakantiegeld) voor mensen van 21 jaar en ouder. Voor jongeren is de uitkering 75% van het wettelijk minimumjeugdloon. Op het moment dat deze Wajongers toch gaan werken en een inkomen ontvangen, wordt 75% van dit inkomen verrekend met de uitkering. Voor Wajongers in de oude Wajong en Wajong2010 die mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) hebben is de uitkering 70% van het wettelijk minimumloon. Per 1 juli 2021 is dit € 1.190,70 bruto per maand (exclusief vakantiegeld) voor mensen van 21 jaar en ouder. Op het moment dat Wajongers met arbeidsvermogen gaan werken en een inkomen ontvangen, wordt maximaal 70% van dit inkomen verrekend met de uitkering. Voor Wajongers die werken met loondispensatie wordt afhankelijk van de loonwaarde een kleiner deel van het inkomen verrekend. Daarnaast worden Wajongers die werken met loondispensatie, tenminste aangevuld tot het inkomen dat zij zouden hebben verdiend wanneer zij zonder loondispensatie aan het werk zouden zijn. Naast de uitkering ontvangen alle Wajong-gerechtigden in 2021 een tegemoetkoming van netto € 183,61 mits zij op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een Wajong-uitkering. Deze tegemoetkoming arbeidsongeschikten is bedoeld om een arbeidsongeschikte tegemoet te komen in de kosten die hij/zij moet maken door zijn/haar handicap. Het recht op uitkering wordt beëindigd bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten stijgen in 2022 met € 21,6 miljoen ten opzichte van 2021. De belangrijkste oorzaken zijn:

  • Het gemiddelde aantal Wajongers in 2022 stijgt door een toename in de Wajong2015. Dit effect wordt enigszins gedempt door de daling van het aantal Wajongers in de oude Wajong;

  • Een hogere gemiddelde uitkering omdat nieuwe instroom duurzaam geen arbeidsmogelijkheden heeft en daarom een volledige uitkering zal ontvangen. Tegelijkertijd heeft een deel van de personen die gaan uitstromen een gedeeltelijke uitkering, omdat zij wel over arbeidsvermogen beschikken.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het totale volume van de Wajong neemt naar verwachting in 2021 toe. Dit komt door de verhoogde instroom in de Wajong2015 als gevolg van het schrappen van het volgen van een studie als uitsluitingsgrond. Daarnaast neemt naar verwachting het volume Wajong2010 toe in verband met de beslissing van mensen in de oWajong om over te stappen naar de Wajong2010.

In 2021 is het aantal mensen die werken met een Wajong-uitkering afgenomen. UWV heeft in de Monitor arbeidsparticipatie arbeidsbeperkten 2020 het effect van corona meegenomen op de arbeidsparticipatie in de eerste helft 2020. De arbeidsparticipatie van mensen in de Wajong nam af. De oorzaak daarvan was niet zozeer dat mensen onder de invloed van de crisis vaker hun baan verloren, maar kwam vooral doordat mensen geen nieuwe baan konden vinden. Het zijn met name de mensen met een tijdelijk dienstverband die geraakt worden door de coronacrisis, iets wat we ook op de totale arbeidsmarkt zien. Mensen met een arbeidsparticipatie zijn echter vaker aangewezen op flexibele arbeid.

Tabel 51 Kerncijfers Wajong
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Volume Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen, ultimo)

243

244

245

 

waarvan oude Wajong (tot 2010)

164

155

152

  

waarvan met arbeidsvermogen (%)

41

41

42

 

waarvan Wajong2010 (2010 tot 2015)

63

67

67

  

waarvan werkregeling (%)

71

73

72

  

waarvan studieregeling (%)

0,2

0

0

  

waarvan duurzaam geen arbeidsmogelijkheden (%)

28

27

28

 

waarvan Wajong2015

16,3

21

25

    

Instroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)

6,4

11

6

Uitstroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)

7,5

11

5

    

Aandeel Wajongers met arbeidsvermogen dat werkt (%)

50

51

50

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

Handhaving

Sinds 2019 worden door middel van een extern onderzoek de misbruikrisico’s van regelingen die UWV uitvoert in kaart gebracht. Dit heeft inmiddels plaatsgevonden voor de WW. Eind 2021 wordt naar verwachting het onderzoek naar de ZW en de WIA afgerond. Hierna volgen onderzoeken naar de Toeslagenwet (TW), WAZO en WAO. Ook voor de Wajong zullen de misbruikrisico's in kaart worden gebracht.

Tabel 52 Kerncijfers Wajong (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

61

72

2

Kennis van de verplichtingen (%)

79

85

2

Opsporing3

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

3,6

3,6

2,3

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)4

2,2

2,3

1,4

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

5,6

5,6

4,4

Sanctionering3

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

0,8

0,7

0,5

Aantal boetes (x 1.000)

1,1

1,0

0,7

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,8

0,7

0,6

  

Ontstaansjaar vordering

  

2018

2019

2020

Terugvordering3

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2020 (%)

41

27

12

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

Door een gewijzigde onderzoeksopzet is het cijfer over 2020 niet beschikbaar. Vanaf 2021 is dit cijfer weer beschikbaar uit het onderzoek "Kennis der verplichtingen".

X Noot
3

UWV, jaarverslag.

X Noot
4

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Re-integratie Wajong

Voor jonggehandicapten is een re-integratiebudget beschikbaar om hen te begeleiden op weg naar werk en te ondersteunen zodra zij werk hebben. Dit budget is bestemd voor de inzet van trajecten gericht op het vinden van werk, voorzieningen na werkaanvaarding (waaronder jobcoaching) en voor de financiering van de subsidieregeling voor scholing aan jongeren met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen. Jonggehandicapten met arbeidsvermogen zijn verplicht om mee te werken aan re-integratie. UWV beschikt vanaf 2015 over een geïntegreerd taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en voorzieningen voor de ondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (Wajong, WIA, WAO, WAZ, ZW en WW). Het premiegefinancierde deel van het re-integratiebudget heeft betrekking op de WIA, WAO, WAZ, ZW en WW en wordt verantwoord in artikel 3. In tabel 48 is het totale budget dat voor UWV beschikbaar is voor de inkoop van re-integratietrajecten en werkvoorzieningen te zien, voor zowel WIA/WAO/WAZ/ZW/WW als Wajong.

Budgettaire ontwikkelingen

Voor het jaar 2022 is voor het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget € 83 miljoen beschikbaar. Meerjarig neemt het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget geleidelijk af. Dit hangt samen met de Participatiewet, waarin geregeld is dat de instroom in de Wajong2015 wordt beperkt tot mensen die duurzaam geen arbeidsmogelijkheden hebben. De afname in het re-integratiebudget Wajong voor deze groep wordt gecompenseerd door een toename in het re-integratiebudget Participatiewet.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, is er een fiscale regeling die betrekking heeft op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regeling en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regeling vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 53 Fiscale regelingen 2020-2022, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € mln)
 

2020

2021

2022

Jonggehandicaptenkorting

182

184

186

3.5 Artikel 5 Werkloosheid

A. Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid en stimuleert hen het werk te hervatten.

De overheid biedt werknemers die hun baan verliezen en geheel of gedeeltelijk werkloos worden, bescherming tegen het verlies aan loon als gevolg van werkloosheid. Zij kunnen een beroep doen op een uitkering die voorziet in een tijdelijk inkomen om de periode van werkloosheid te overbruggen. Hiervoor zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Werkloosheidswet (WW). Door middel van instrumenten als bijvoorbeeld de sollicitatieplicht, het besluit passende arbeid en inkomstenverrekening stimuleert de overheid een terugkeer naar werk.

Werklozen die bij instroom in de WW ouder zijn dan 60 jaar en 4 maanden, komen na afloop van hun WW-recht in aanmerking voor een uitkering op minimumniveau op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW).

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WW of IOW en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

Werknemers in Caribisch Nederland ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt de overheid deze verplichting over.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Daarnaast stimuleert de Minister met financiële instrumenten initiatieven die bijdragen aan de werking van de arbeidsmarkt. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • het borgen van het activerend karakter van de regelingen en van hun bijdrage aan de werking van de arbeidsmarkt;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

C. Beleidswijzigingen

Risicomodel verwijtbare werkloosheid

Om de coronacrisis het hoofd te kunnen bieden heeft de divisie Uitkeren van UWV capaciteit vrij moeten maken door onder andere het vakteam verwijtbare werkloosheid tijdelijk op te heffen. Hierdoor heeft de implementatie van het risicomodel verwijtbare werkloosheid vertraging opgelopen (Stand van de uitvoering juni 2020). UWV is voornemens om per januari 2022 alsnog te starten met de implementatie van dit risicomodel. De verwachting is dat de implementatie aan het einde van dat jaar is afgerond. De Minister van SZW heeft de Tweede Kamer hierover geïnformeerd in de Stand van de uitvoering van juli 2021 (Stand van de uitvoering juli 2021).

Periodieke rapportage werkloosheid bij werknemers

In 2022 vindt de periodieke rapportage plaats van het thema werkloosheid bij werknemers (Kamerstukken II 2020/21, 31 865, nr. 193). Middels deze rapportage wordt de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid behorende bij dit thema onderzocht. De periodieke rapportage vervangt de beleidsdoorlichting.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 54 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 5 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

129.951

231.371

276.680

140.357

141.547

143.215

110.838

        

Uitgaven

131.300

224.991

282.534

143.424

142.147

143.215

110.838

        

Inkomensoverdrachten

       

IOW

116.469

124.294

130.864

139.675

141.340

143.110

110.732

Cessantiawet (Caribisch Nederland)

36

107

107

107

105

105

106

Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit

35

0

0

0

0

0

0

Tijdelijke Regeling Tegemoetkoming Werknemers Westhaven

9

164

266

250

102

0

0

Subsidies (regelingen)

       

Experimenten 50+

332

16

0

0

0

0

0

Tijdelijke subsidieregeling ontwikkeladvies 45+

4.733

0

0

0

0

0

0

Overige subsidies algemeen

568

905

1.130

505

600

0

0

Coordinatie Crisisdienstverlening

0

7.275

4.724

2.562

0

0

0

Subsidie Praktijkleren

0

0

25.500

0

0

0

0

Opdrachten

       

Opdrachten algemeen

118

0

0

0

0

0

0

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

       

Scholing WW

9.000

27.279

0

0

0

0

0

Crisisdienstverlening

0

64.076

118.143

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

       

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

0

875

1.800

325

0

0

0

        

Ontvangsten

1.300

1

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

       

Restituties

1.300

1

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

De uitgaven op artikel 5 Werkloosheid zijn voor 48,5% juridisch verplicht voor het jaar 2022. Per financieel instrument wordt de budgetflexibiliteit onderstaand toegelicht.

Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten voor de IOW, de Cessantiawet (Caribisch Nederland) en de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Westhaven.

Subsidies

Het bedrag van € 1,13 miljoen voor overige subsidies algemeen betreft een subsidie aan de Ambachtsacademie en voor de Algemene Werkgeversvereniging Nederland (AWVN) voor een centraal aanspreekpunt voor werkgevers. Deze subsidies zijn 100% juridisch verplicht. Het bedrag van € 4,7 miljoen voor de coördinatie van crisisdienstverlening is volledig toegekend en daarmee 100% juridisch verplicht. Het bedrag van € 25,5 miljoen voor subsidie Praktijkleren is 0% juridisch verplicht.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's:

De bijdragen aan ZBO’s en RWT’s zijn 0% juridisch verplicht. Het betreft een vergoeding voor deelname aan de regionale mobiliteitsteams (RMT's) vanuit de Tijdelijke regeling aanvullende crisisdienstverlening COVID-19.

Bijdrage aan agentschappen

De € 1,8 miljoen die de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ontvangt voor uitvoering van de subsidieregeling Praktijkleren is 0% juridisch verplicht.

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 55 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 5 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

4.288.372

4.013.417

4.334.480

4.588.582

5.034.309

5.422.624

5.627.910

        

Uitgaven

4.288.372

4.013.417

4.334.480

4.588.582

5.034.309

5.422.624

5.627.910

        

Inkomensoverdrachten

       

WW

4.288.372

4.013.417

4.229.344

4.368.755

4.672.366

4.905.973

4.963.576

WW nominaal

0

0

105.136

219.827

361.943

516.651

664.334

        

Ontvangsten

226.961

191.999

240.156

248.046

254.484

261.091

261.927

        

Ontvangsten

       

Ufo

226.961

191.999

234.300

236.106

236.106

236.106

230.868

Ufo nominaal

0

0

5.856

11.940

18.378

24.985

31.059

E. Toelichting op de financiële instrumenten
Inkomensoverdrachten
Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

De IOW geeft werklozen die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar en vier maanden of ouder zijn, na afloop van hun WW-uitkering recht op een vervolguitkering. Ook gedeeltelijk arbeidsgeschikten die bij aanvang van de loongerelateerde WGA-uitkering 60 jaar en vier maanden of ouder zijn, kunnen na afloop van hun loongerelateerde uitkering recht hebben op IOW.

De IOW is een tijdelijke regeling. Oudere WW’ers en WGA’ers kunnen in aanmerking komen voor een IOW-uitkering als zij vóór 1 januari 2024 werkloos of gedeeltelijk arbeidsongeschikt worden. De IOW wordt uitgevoerd door UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

  • Werklozen die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar en vier maanden of ouder zijn en die recht hebben op meer dan drie maanden WW-uitkering, komen bij beëindiging van hun WW-uitkering wegens het bereiken van de maximale duur in aanmerking voor een IOW-uitkering.

  • Gedeeltelijk arbeidsgeschikte ouderen hebben na hun loongerelateerde WGA-uitkering recht op IOW als de loongerelateerde WGA is toegekend op of na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar en vier maanden.

Hoe hoog is de IOW-uitkering?

Deze uitkering is maximaal 70% van het netto minimumloon. Dit is op 1 juli 2021 € 1.239,10 bruto per maand (exclusief vakantietoeslag). De uitkering kan lager zijn dan 70% van het netto minimumloon als:

  • De WW- of loongerelateerde WGA-uitkering lager was dan 70% van het minimumloon;

  • De betrokkene tijdens de IOW-uitkering andere inkomsten heeft, bijvoorbeeld loon of een andere uitkering.

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van de coronacrisis en de stijging van de AOW-leeftijd nemen de IOW-uitkeringslasten de komende jaren naar verwachting toe.

Vooral aan het begin van de coronacrisis is de werkloosheid onder ouderen toegenomen. De verwachting is dat een deel van deze mensen na het einde van hun WW-uitkering de IOW instroomt. Dit effect is naar verwachting in 2022 voor het eerst zichtbaar. De verwachting is dat de werkloosheid onder ouderen ook de komende jaren hoger zal zijn dan in de jaren voor 2020. Dit heeft een opwaarts effect op de IOW-uitgaven in latere jaren.

Ook de stijging van de AOW-leeftijd werkt door in de uitgaven. Als de AOW-leeftijd hoger ligt, is de IOW-duur langer. Daarnaast is de instroom in de IOW hoger bij een hogere AOW-leeftijd, omdat meer mensen na hun WW- of loongerelateerde WGA-uitkering de periode tot AOW moeten overbruggen met een IOW-uitkering. Een andere factor die bijdraagt aan het oplopende uitgavenpatroon, is de verkorting van de maximale WW-duur van 38 naar 24 maanden tussen 2016 en 2019. Dit leidt ertoe dat mensen eerder doorstromen van de WW naar de IOW, met als gevolg een hogere IOW-instroom en een langer verblijf in de IOW.

De IOW loopt af per 1 januari 2024. Vanaf 2026 is er hierdoor geen instroom meer in de IOW. Dit verklaart de daling van de uitgaven in 2026.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 56 Kerncijfers IOW
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Volume IOW (x 1.000 uitkeringsjaren)

8,5

8,8

10,1

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

Cessantiawet (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland die werkzaam zijn in de private sector ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt SZW deze verplichting over.

Budgettaire ontwikkelingen

Er wordt een in de tijd constant uitgavenpatroon verondersteld. In de praktijk kunnen uitgaven echter van jaar tot jaar sterk fluctueren, afhankelijk van het aantal bedrijven dat failliet is gegaan en het aantal betrokken werknemers.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 57 Kerncijfers Cessantiawet (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Volume Cessantiawet (x 1.000 uitkeringen)

<0,1

<0,1

<0,1

X Noot
1

RCN-unit SZW.

Tijdelijke regeling tegemoetkoming Westhaven

De Minister van SZW stelt een tijdelijke tegemoetkoming beschikbaar voor werknemers in de Westhaven. Deze tegemoetkoming is voor werknemers die als gevolg van de sluiting van de Hemwegcentrale hun baan kwijtraken en daardoor inkomensverlies lijden. De subsidieregeling is op 20 mei 2020 in werking getreden.

Wie komt er voor in aanmerking?

De werknemer die aan alle volgende eisen voldoet komt in aanmerking:

  • 1. De werknemer had een vaste dienstbetrekking;

  • 2. De werknemer was werkzaam bij de Hemwegcentrale of een daarmee nauw verbonden bedrijf in de kolenoverslag of afvoer van bijproducten in het Westhavengebied;

  • 3. De werknemer heeft de pensioengerechtigde leeftijd nog niet bereikt;

  • 4. De werknemer heeft zich voor dienstverlening gemeld bij het Mobiliteitscentrum Kolenketen Westhaven (MCKW) voor 1 september 2020;

  • 5. De werknemer is ontslagen of herplaatst tussen 1 oktober 2019 en 1 juli 2021; het ontslag of herplaatsing was het gevolg van de sluiting van de Hemwegcentrale; en

  • 6. De werknemer lijdt door het ontslag of herplaatsing inkomensverlies.

Hoe hoog is de uitkering?

De hoogte van de totale tegemoetkoming bedraagt maximaal 35% van het referentie jaarinkomen.

Budgettaire ontwikkelingen

Voor deze regeling is cumulatief zo'n € 0,8 miljoen beschikbaar gesteld tot en met 2024. Voor 2022 gaat het om een bedrag van € 266.000.

Werkloosheidswet (WW)

De WW verzekert werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid. Het verlies aan inkomen kan voor een bepaalde periode gedeeltelijk opgevangen worden met een uitkering. Het recht op een WW-uitkering duurt minimaal 3 maanden. De maximale duur is afhankelijk van het aantal jaren dat iemand heeft gewerkt voordat hij werkloos werd. De maximale duur is vanaf 2016 stapsgewijs – met één maand per kwartaal – teruggebracht van 38 maanden naar 24 maanden per 1 april 2019. Per jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer de eerste tien jaar één maand recht op een WW-uitkering op. Vanaf tien jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer met elk extra gewerkt jaar een halve maand recht op WW-uitkering op. Voor gewerkte jaren vóór 2016 geldt een overgangsrecht. De WW wordt uitgevoerd door UWV. Hoofdstuk 5.1, Sociale fondsen SZW, gaat nader in op de financiering van de uitgaven aan de WW.

Wie komt ervoor in aanmerking?

Om voor een WW-uitkering in aanmerking te komen moet een werknemer in ieder geval:

  • De AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt;

  • Verzekerd zijn voor de WW;

  • Minimaal vijf arbeidsuren per week kwijtraken (of voor wie minder dan tien uur per week werkte, minimaal de helft van de arbeidsuren);

  • Geen recht meer hebben op loon over die verloren arbeidsuren;

  • Beschikbaar zijn om te gaan werken;

  • Voldoen aan de wekeneis: in de 36 weken voor de eerste werkloosheidsdag in minimaal 26 weken in loondienst hebben gewerkt;

  • Geen ZW-uitkering, WAO-uitkering bij volledige arbeidsongeschiktheid of IVA-uitkering ontvangen;

  • Geen WGA-uitkering ontvangen (tenzij men naast de WGA-uitkering werkte, en die baan is kwijtgeraakt);

  • Zich tijdig registreren als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf;

  • Niet verwijtbaar werkloos zijn. Verwijtbaar werkloos is iemand die zelf ontslag heeft genomen of om een dringende reden is ontslagen. In dat geval krijgt de werknemer geen uitkering of een korting op de uitkering.

Hoe hoog is de WW-uitkering?

De eerste twee maanden bedraagt de uitkering 75%, daarna 70% van het WW-maandloon (dat maandloon wordt gebaseerd op het loon van de periode van 12 maanden voordat iemand werkloos werd). Inkomsten uit arbeid worden gedeeltelijk verrekend, zodat het totale inkomen toeneemt naarmate de WW-gerechtigde meer werkt. De hoogte van het maandloon is gemaximeerd, waardoor de 75%-uitkering per 1 juli 2021 maximaal € 3.679,61 bruto per maand bedraagt en de 70%-uitkering maximaal € 3.434,30 (beide bedragen inclusief vakantietoeslag).

Budgettaire ontwikkelingen

De WW-uitgaven ademen met de werkloosheid mee. Het CPB verwacht een geleidelijke toename van de werkloosheid richting het einde van de begrotingshorizon. Hierdoor lopen de WW-uitgaven naar verwachting op de komende jaren.

Beleidsrelevante kerncijfers

Door de uitgebreide steunpakketten zal het WW-volume in 2021 naar verwachting zelfs lager liggen dan in 2020. Na afloop van de steunpakketten wordt een lichte stijging van de WW-instroom verwacht, hetgeen resulteert in een oplopende instroom in 2022.

Tabel 58 Kerncijfers WW
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Volume WW (x 1.000 uitkeringsjaren)

221

207

207

Aantal lopende WW-uitkeringen (x 1.000, ultimo)

286

245

248

Aantal WW-instromers (x 1.000)

479

328

342

 

waarvan nieuwe uitkeringen (x 1.000)

443

2

2

 

waarvan herleefde uitkeringen (x 1.000)3

36

2

2

Aantal beëindigde WW-uitkeringen (x 1.000)

417

369

341

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Dit getal wordt niet geraamd.

X Noot
3

Wie na afloop van een WW-uitkering binnen 26 weken weer werkloos wordt, kan de oude WW-uitkering weer terugkrijgen. Dit wordt «herleving» genoemd.

Tabel 59 illustreert dat de werkhervatting in 2020 is gedaald. Een mogelijke verklaring hiervoor is gelegen in de coronacrisis en de daarmee samenhangende beperkende (lockdown-)maatregelen ten aanzien van meerdere sectoren, waardoor de werkgelegenheid is afgenomen.

Tabel 59 Werkhervatting uit de WW
 

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Aandeel werkhervatting binnen 12 maanden na instroom

31

30

26

 

waarvan leeftijd bij instroom jonger dan 55 jaar

32

32

27

 

waarvan leeftijd bij instroom 55 jaar en ouder

24

24

20

    

Aandeel werkhervatting binnen 3 maanden na instroom

12

13

11

Handhaving

Het verbeteren van de handhaving in de WW blijft ook de komende jaren een belangrijk thema. Er is extra budget beschikbaar gesteld om de handhaving verder te versterken. Dit budget zal onder meer worden gebruikt voor de structurele borging van de nieuwe werkwijze inzake risicomanagement – te weten de (her)ijking van misbruikrisico’s en het afwegingskader bij UWV – en voor vervolgmaatregelen naar aanleiding van de pilot export WW. 

Tabel 60 Kerncijfers WW (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

78

77

612

Kennis van de verplichtingen (%)

96

96

912

Opsporing3

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

3,7

3,4

2,8

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)4

1,0

1,0

0,8

Totaal benadelingsbedrag (x 1 mln)

5,5

4,5

3,6

Sanctionering3

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

1,7

1,4

1

Aantal boetes (x 1.000)

0,8

0,8

0,6

Totaal boetebedrag ( x 1 mln)

1,2

1,1

0,8

  

Ontstaansjaar vordering

  

2018

2019

2020

Terugvordering3

Incassoratio boete + benadelingsbedrag ultimo 2020 (%)

46

37

25

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

I&O Research «Kennis der verplichtingen in de coronacrisis». Als gevolg van een andere insteek van het onderzoek is sprake van een trendbreuk.

X Noot
3

UWV, jaarverslag.

X Noot
4

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Subsidies

Binnen de post overige subsidies is € 0,6 miljoen voor een centraal aanspreekpunt voor werkgevers. Het betreft middelen die in 2016 beschikbaar zijn gesteld voor het Actieplan Perspectief voor vijftigplussers. Het actieplan is grotendeels afgerond. In 2022 staat subsidie voor de Ambachtsacademie (€ 0,5 miljoen). Deze middelen zijn afkomstig uit het amendement uit 2018 van leden Wiersma en Heerma (Kamerstukken II 2018/19, 35 000 XV, nr. 28) voor het verlengen van de ambachtsacademie.

Crisisdienstverlening is onderdeel van het steun- en herstelpakket. Voor de landelijke ondersteuning en coördinatie van de crisisdienstverlening is in 2022 € 4,7 miljoen beschikbaar. Van een deel ontvangen werkgevers- en werknemersorganisaties een projectsubsidie voor de landelijke coördinatie van de crisisdienstverlening. Met de subsidies bieden de werkgevers- en werknemersorganisaties met name landelijke aansturing en ondersteuning aan de desbetreffende organisaties die deelnemen aan de regionale mobiliteitsteams in de regio’s. Daarnaast ontvangt de VNG een subsidie om de regio’s te ondersteunen bij het inzicht geven in de regionale dienstverlening van verschillende partijen.

In het steun- en herstelpakket zijn ook middelen vrij gemaakt ter verbetering van de directe en duurzame inzetbaarheid van werkzoekenden en met werkloosheid bedreigden door middel van bij- en omscholing via praktijk­leren in het mbo, waarbij werken wordt gecombineerd met het doen van (een deel van) een mbo-opleiding. Naast de middelen die de regionale mobiliteitsteams krijgen voor financiering van mbo-instellingen voor uitvoering van de opleidingen, is ook voorzien in subsidie voor werkgevers die als erkend leerbedrijf praktijkplaatsen realiseren.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Crisisdienstverlening

De € 118,1 miljoen op bijdrage ZBO's is bestemd voor de crisisdienstverlening. Crisisdienstverlening is onderdeel van het aanvullend sociaal pakket. Deze van-werk(loosheid)-naar-werk begeleiding vindt plaats middels regionale mobiliteitsteams (RMT's). Voor deelname aan deze RMT's kunnen vakbonden, werkgeversorganisaties, UWV en gemeenten een beroep doen op deze middelen.

Bijdrage aan agentschappen

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland zal de Subsidieregeling Praktijkleren in de derde leerweg uitvoeren.

Ontvangsten

Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo)

De overheid is eigenrisicodrager voor de WW. UWV verstrekt WW-uitkeringen aan voormalige overheidswerknemers en verhaalt deze uitkeringen vervolgens op de betrokken overheidswerkgever. Dit wordt als ontvangsten Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo) op dit beleidsartikel van de begroting opgenomen. Voor 2022 verwachten we dat deze uitgaven met enkele tientallen miljoenen toenemen ten opzichte van 2021, naar € 234 miljoen.

3.6 Artikel 6 Ziekte en verlofregelingen

A. Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van ziekte en stimuleert hen het werk te hervatten. De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van zwangerschap en bevalling en komt tegemoet bij verlofopname wegens geboorte van een kind, adoptie of opname van een pleegkind en vanaf 2 augstus 2022 ook wegens verlofopname voor verzorging en opvoeding van het kind.

De overheid vindt dat mensen die ziek worden en waarbij de loonbetalingsverplichting bij ziekte voor de werkgever niet van toepassing is, ook verzekerd moeten zijn van een tijdelijk loonvervangend inkomen. Zij kunnen het verlies aan inkomen daarom voor een periode van twee jaar, gelijk aan de periode van de loonbetalingsverplichting, opvangen met een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Door middel van verzuimbegeleiding en re-integratie stimuleert de overheid deze (gewezen) werknemers om zo snel mogelijk weer aan het werk te gaan.

Ook tijdens de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof voorziet de overheid in een tijdelijk loonvervangend inkomen. Op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) komen zwangere werknemers en zelfstandigen in aanmerking voor een uitkering. Ook andere verlofvormen geven recht op een uitkering, namelijk: adoptie- en pleegzorgverlof en aanvullend geboorteverlof. Vanaf 2 augustus 2022 komen werknemers ook in aanmerking voor een uitkering wegens ouderschapsverlof.

Mensen die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose door blootstelling aan asbest, kunnen van de overheid een tegemoetkoming of een voorschot op een schadevergoeding ontvangen op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS).

Slachtoffers van het organo psycho syndroom (OPS), ook wel «schildersziekte» genoemd, kunnen in aanmerking komen voor een eenmalige financiële tegemoetkoming.

Werknemers in Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering op grond van de Ziekteverzekering (ZV).

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV en de SVB;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

C. Beleidswijzigingen

Wet arbeid en zorg

Vanaf 2 augustus 2022 krijgen werknemers recht op een uitkering gedurende 9 weken bij opname van ouderschapsverlof. Deze beleidswijziging dient ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1158. Hiermee wordt beoogd het evenwicht tussen werk en privéleven en de gelijke behandeling van vrouwen en mannen te helpen verwezenlijken, door de arbeidsparticipatie van vrouwen te bevorderen en het verschil tussen vrouwen en mannen met betrekking tot inkomsten en loon weg te nemen.

TSB (Regeling Commissie Heerts)

Door het overnemen van de aanbevelingen van de Commissie Heerts door het kabinet, zal in 2022 een tegemoetkomingsregeling voor slachtoffers van ernstige stoffengerelateerde beroepsziekten in werking treden. Het streven is dat de regeling 1 juli 2022 van start gaat. Het doel van de regeling is een maatschappelijke erkenning van (ex-)werkenden die ziek zijn geworden door hun werk als gevolg van blootstelling aan gevaarlijke stoffen.

SEA 2022

Voor 2022 stond de beleidsdoorlichting van artikel 6 op de planning. Deze zal echter niet uitgevoerd worden, maar er zal in plaats daarvan een kennisonderzoek plaatsvinden. Dit kennisonderzoek zal onderzoeken in hoeverre het voor eigen rekening nemen van het Ziektewet-risico voor zieke ex-werknemers (ZW-eigenrisicodragerschap) doeltreffend en doelmatig is. De uitkomsten van dit kennisonderzoek worden meegenomen bij de eerstvolgende beleidsdoorlichting die vooralsnog gepland staat voor oplevering in 2024.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 61 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 6 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

13.108

12.209

36.626

63.469

63.207

63.047

62.882

        

Uitgaven

13.350

12.209

36.626

63.469

63.207

63.047

62.882

        

Inkomensoverdrachten

       

TAS

5.520

5.217

5.090

5.090

5.090

5.090

5.090

Ziekteverzekering (Caribisch Nederland)

2.963

2.842

2.927

3.011

3.099

3.139

3.174

CSE

4.700

4.150

1.300

750

400

200

0

TSB

0

0

27.309

54.618

54.618

54.618

54.618

Kanker en werken

167

0

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

De uitgaven op artikel 6 Ziekte en verlofregelingen zijn voor 100% juridisch verplicht voor het jaar 2022. Per financieel instrument wordt de budgetflexibiliteit onderstaand toegelicht.

Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten TAS, Ziekteverzekering Caribisch Nederland, CSE (OPS-voorzieningenfonds), en Tegemoetkomingsregeling stoffengerelateerde beroepsziekten (TSB).

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 62 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 6 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

3.281.109

3.565.375

3.726.793

4.115.057

4.296.580

4.474.585

4.652.946

        

Uitgaven

3.281.109

3.565.375

3.726.793

4.115.057

4.296.580

4.474.585

4.652.946

        

Inkomensoverdrachten

       

ZW

1.939.940

2.031.303

1.957.771

1.980.609

2.006.443

2.031.015

2.049.308

WAZO

1.285.497

1.337.073

1.345.320

1.379.719

1.412.260

1.438.886

1.466.231

WAZO aanvullend geboorteverlof partners

55.672

196.999

204.111

209.334

214.266

218.307

222.457

Uitkeringslasten ouderschapsverlof

0

0

129.455

351.446

359.727

366.513

373.477

ZW nominaal

0

0

48.944

100.268

156.385

215.222

276.089

WAZO nominaal

0

0

33.585

69.506

109.436

151.560

196.303

WAZO aanvullend geboorteverlof partners nominaal

0

0

5.102

10.598

16.699

23.133

29.970

Uitkeringslasten ouderschapsverlof nominaal

0

0

2.505

13.577

21.364

29.949

39.111

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

E. Toelichting op de financiële instrumenten
Inkomensoverdrachten
Tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS)

Mensen die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose als gevolg van arbeidsgerelateerde blootstelling aan asbest kunnen een tegemoetkoming ontvangen op grond van de TAS. Indien zij de ziekte maligne mesothelioom of asbestose hebben gekregen door te werken met asbest (in dienst van een werkgever) of maligne mesothelioom hebben opgelopen via werkkleding van een huisgenoot, dan is de (voormalige) werkgever hiervoor aansprakelijk en kunnen zij een schadevergoeding bij de werkgever eisen. Dit kan echter lang duren. Tegelijkertijd is de levensverwachting van mensen met de ziekte maligne mesothelioom vaak erg kort. De TAS heeft tot doel asbestslachtoffers bij leven maatschappelijke erkenning te bieden in de vorm van een tegemoetkoming. Deze wordt uitgekeerd in de vorm van een voorschot op de schadevergoeding van de werkgever. Als de (voormalige) werkgever later alsnog een schadevergoeding betaalt, wordt het voorschot hiermee verrekend. Indien de werknemer geen schadevergoeding ontvangt, wordt het voorschot omgezet in een tegemoetkoming. De TAS wordt uitgevoerd door de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Mensen die ziek zijn geworden door het werken met asbest, krijgen een voorschot als:

  • Bij hen maligne mesothelioom of asbestose is vastgesteld;

  • Zij, of in het geval van maligne mesothelioom ook een huisgenoot, in loondienst bij een werkgever in Nederland werkten;

  • Zij, of in het geval van maligne mesothelioom ook een huisgenoot, op het werk zijn blootgesteld aan asbest;

  • Zij nog geen schadevergoeding hebben gekregen of een schadevergoeding hebben ontvangen die lager is dan € 21.847 (prijspeil 2021, dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd).

Hoe hoog is de TAS?

Zowel het voorschot als de tegemoetkoming is in 2021 € 21.847, waarop reeds van de werkgever ontvangen bedragen in mindering worden gebracht. Dit is een eenmalige uitkering. De hoogte van de TAS volgt de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten van de TAS worden vanaf 2022 geraamd op circa € 5,09 miljoen per jaar. De uitgaven vallen vanaf 2022 € 0,12 miljoen lager uit dan in 2021. Dit komt door een nabetaling in 2021 aan de SVB over 2020.

Beleidsrelevante kerncijfers

Naar verwachting blijft het aantal TAS aanvragen de komende jaren stabiel, ondanks dat het werken met asbest al in 1993 is verboden. Dit wordt veroorzaakt doordat mensen tot tientallen jaren na blootstelling aan asbest ziek kunnen worden.

Tabel 63 Kerncijfers TAS
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Aantal toekenningen voorschot TAS (x 1.000 uitkeringen)

0,4

0,4

0,4

 

waarvan toekenning i.v.m. maligne mesothelioom

0,3

0,3

0,3

 

waarvan toekenning i.v.m. asbestose

<0,1

<0,1

<0,1

Aantal terugontvangen voorschotten TAS (x 1.000 uitkeringen)

0,1

0,1

0,1

Aantal toekenningen maligne mesothelioom bij leven ten opzichte van totaal aantal toekenningen (%)

80

2

2

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

X Noot
2

Dit cijfer wordt niet geraamd.

Ziekteverzekering (ZV) (Caribisch Nederland)

Werknemers in de private sector van Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering (ziekengeld) op grond van de Ziekteverzekering. De uitkering is gerelateerd aan het laatstverdiende loon van de werknemer.

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van demografische ontwikkelingen stijgen de uitgaven voor de Ziekteverzekering in 2022 en latere jaren in lichte mate.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 64 Kerncijfers Ziekteverzekering Caribisch Nederland
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Volume Ziekteverzekering CN (x 1.000 uitbetaalde ziektedagen)

64

65

67

X Noot
1

RCN-unit SZW.

OPS-fonds

De OPS problematiek is het gevolg van blootstellingen aan vluchtige oplosmiddelen in het werk die hoger waren dan volgens de destijds geldende wettelijke voorschriften waren toegestaan. De regeling is in maart 2020 in werking getreden. Bij de opzet van de regeling is zoveel mogelijk aangesloten bij regelingen voor asbestslachtoffers. De regeling wordt uitgevoerd door de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

De tijdelijke en eenmalige regeling voor een financiële tegemoetkoming aan OPS-slachtoffers is toegankelijk voor personen die aan drie voorwaarden voldoen:

  • Het slachtoffer beschikt over een officiële diagnose Chronische Toxische Encephalopathie (CTE) van een van de Solvent Teams aan de universiteiten van Amsterdam en Twente. Slachtoffers die bij inwerkingtreding van de regeling nog niet beschikken over zo’n diagnose kunnen deze tot een half jaar na de inwerkingtreding van de regeling alsnog aanvragen bij het Solvent Team van de universiteit van Amsterdam. De diagnose levert een bevestiging van zowel de gezondheidsschade als van het feit dat deze arbeidsgerelateerd is;

  • Het slachtoffer heeft geen enkele vorm van een financiële tegemoetkoming gehad voor de schade als gevolg van zijn OPS aandoening, of een bedrag dat lager is dan het normbedrag voor de financiële tegemoetkoming;

  • Er moet sprake zijn van een blootstelling die in Nederland in loondienst heeft plaatsgevonden.

Hoe hoog is de tegemoetkoming?

Zowel het voorschot als de tegemoetkoming is gelijk aan de tegemoetkoming bij de TAS (in 2021 bedraagt deze € 21.847). Dit is een eenmalige uitkering.

Budgettaire ontwikkelingen

De CSE-regeling is een tijdelijke regeling voor OPS-slachtoffers. Naar verwachting liggen de meeste aanvragen in de jaren 2020 en 2021. Daarom nemen de geraamde uitgaven vanaf 2022 gestaag af.

Tegemoetkomingsregeling stoffengerelateerde beroepsziekten (TSB)

Doordat de juridische afwikkeling van een schadeclaim bij stoffengerelateerde beroepsziekten vaak leidt tot jarenlange en kostbare procedures, krijgen veel slachtoffers hiervoor geen financiële compensatie en daarmee ook geen erkenning van hun leed. De commissie Vergemakkelijking Schadeafhandeling Beroepsziekten (commissie-Heerts) is gevraagd aanbevelingen op te stellen voor een betere organisatie van het proces van werkgerelateerde schadeafhandeling. Omdat binnen het huidige aansprakelijkheidsrecht, geen mogelijkheid werd gevonden voor aanpassingen van de verhaalsprocedure bij schadeclaims voor beroepsziekten, heeft het kabinet besloten tot de introductie van een tegemoetkomingsregeling. Deze regeling maakt het mogelijk om (ex-)werkenden met een ernstige stoffengerelateerde beroepsziekte een algemene financiële tegemoetkoming toe te kennen. De tegemoetkoming is geen schadevergoeding maar vormt een erkenning van het feit dat men door participatie aan het arbeidsproces ziek is geworden.

Wie komt ervoor in aanmerking?

De doelgroep betreft (ex-)werkenden met ernstige beroepsziekten door blootstelling aan gevaarlijke stoffen op het werk.

Hoe hoog is de tegemoetkoming?

Het betreft een eenmalige tegemoetkoming van € 21.847 (prijsniveau 2021). Indien de (ex-)werkende naast de tegemoetkoming ook een schadevergoeding van de ex-werkgever/opdrachtgever (heeft) ontvang(t)(en), moet bij een gehonoreerde schadeclaim de tegemoetkoming worden terugbetaald tot het bedrag van de gehonoreerde schadeclaim.3

Budgettaire ontwikkelingen

Er wordt uitgegaan van 2.500 toegekende tegemoetkomingen per jaar. Deze inschatting is gebaseerd op cijfers van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCVB) over het aantal en het type beroepsziekten waar melding van is gemaakt. De uitkeringslasten van de TSB worden voor 2022 geraamd op circa € 27,3 miljoen en de jaren erna circa € 54,6 miljoen per jaar. Het streven is dat de regeling 1 juli 2022 van start gaat. Voor 2022 zijn de geraamde uitgaven daarom de helft van de geraamde uitgaven voor de daaropvolgende jaren.

Ziektewet (ZW)

De ZW geeft zieke werknemers het recht op een uitkering als zij geen werkgever meer hebben die in geval van ziekte loon moet doorbetalen. De ZW bevat minimumnormen voor re-integratie. De ZW geldt ook voor een beperkte groep werknemers die wel in dienst zijn van een werkgever, namelijk werknemers die tijdelijk ongeschikt zijn voor het verrichten van hun werk wegens arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap en orgaandonatie en werknemers met een zogenaamde no-riskpolis. De werkgever mag de ZW-uitkering dan verrekenen met het loon dat hij moet doorbetalen. De ZW wordt uitgevoerd door UWV of door werkgevers zelf wanneer zij ervoor gekozen hebben om eigenrisicodrager te zijn voor de ZW-uitkeringslasten.

Wie komt er voor in aanmerking?

In aanmerking voor een ZW-uitkering komen:

  • Uitzendkrachten (zonder vast contract met het uitzendbureau);

  • Oproepkrachten (afhankelijk van het soort oproepcontract);

  • Personen met een arbeidscontract dat afloopt tijdens de ziekte;

  • Personen die een WW-uitkering ontvangen en langer dan dertien weken ziek zijn;

  • Vrouwen die ziek worden als gevolg van zwangerschap of bevalling. Wanneer vrouwen in loondienst werken hebben zij tijdens hun zwangerschapsverlof recht op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg. Als deze vrouwen door de zwangerschap vóór of na de bevalling ziek worden, ontvangen zij een ZW-uitkering;

  • Orgaandonoren die door hun donatie tijdelijk niet kunnen werken;

  • Personen met een no-riskpolis die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn en die binnen vijf jaar nadat ze in dienst zijn gekomen van een werkgever ziek worden;

  • Ondernemers en directeuren-grootaandeelhouders kunnen alleen een beroep doen op de ZW als zij hiervoor een vrijwillige verzekering hebben.

Hoe hoog is de ZW-uitkering?

De ZW-uitkering bedraagt meestal 70% van het loon dat de betrokkene gemiddeld per dag verdiende in het jaar voordat hij ziek werd. De hoogte van het dagloon is per 1 januari 2021 gemaximeerd op € 223,40 bruto per dag. Hierdoor bedraagt de uitkering maximaal € 3401,27 bruto per maand inclusief vakantiegeld. De uitkering duurt maximaal twee jaar. Er zijn enkele uitzonderingen. Orgaandonoren en werkneemsters die arbeidsongeschikt zijn als gevolg van de zwangerschap of bevalling hebben recht op een ZW-uitkering van 100% van het dagloon, wat neerkomt op een uitkering van maximaal € 4.858,95 bruto per maand inclusief vakantiegeld. Op verzoek van de werkgever kan UWV de ZW-uitkering van personen die onder de no-riskpolis vallen het eerste jaar op 100% van het dagloon vaststellen.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten ZW nemen in 2022 met circa €74 miljoen af ten opzichte van 2021, omdat het aantal ZW-uitkeringen afneemt. Dat komt vooral doordat verwacht wordt dat de impact van de coronacrisis grotendeels voorbij zal zijn in 2022, waardoor het beroep op een ZW-uitkering zal afnemen. Het hogere beroep in 2021 kwam voornamelijk voort uit meergebruik door meer ziekte en meergebruik door een regeling waarbij enkele doelgroepen ook bij quarantaine een beroep op de ZW konden doen (Kamerstukken II 2020/21, 35 570 XV, nr. 13). Vanaf 2023 nemen de uitkeringslasten weer toe. Allereerst omdat de demografische ontwikkeling en ontwikkeling in werkzame beroepsbevolking naar verwachting leidt tot een hoger gebruik vanwege ziekte bij zwangerschap. Daarnaast zal, door ingroei van de gemeentelijke doelgroep, het beroep op de no-riskpolis toenemen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Naar verwachting neemt het aantal uitkeringsjaren met circa 2.800 af in 2022 ten opzichte van 2021. Deze daling komt doordat het gebruik in alle doelgroepen vanwege corona afneemt.

Tabel 65 Kerncijfers ZW
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Volume ZW (x 1.000 uitkeringen, gemiddelde)

107

110

107

Instroom ZW (x 1.000 uitkeringen)

325

2

2

Uitstroom ZW (x 1.000 uitkeringen)

365

2

2

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

In- en uitstroom worden niet geraamd.

Handhaving

Sinds 2019 worden door middel van een extern onderzoek de misbruikrisico’s van regelingen die UWV uitvoert in kaart gebracht. Dit heeft inmiddels plaatsgevonden voor de WW. Eind 2021 wordt naar verwachting het onderzoek naar de ZW en de WIA afgerond. Hierna volgen onderzoeken naar de Toeslagenwet (TW), WAZO en WAO. Ook voor de Wajong zullen de misbruikrisico's in kaart worden gebracht.

Tabel 66 Kerncijfers ZW (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

77

77

572

Kennis van de verplichtingen (%)

93

93

872

Opsporing3

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

3,5

3,9

3,3

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)4

2,6

2,6

2,0

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

2,9

3,5

2,9

Sanctionering3

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

1,4

2,1

1,9

Aantal boetes (x 1.000)

1,4

1,1

0,8

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,8

0,7

0,6

  

Ontstaansjaar vordering

  

2018

2019

2020

Terugvordering3

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2020 (%)

51

43

21

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

I&O Research «Kennis der verplichtingen in de coronacrisis». Als gevolg van een andere insteek van het onderzoek is sprake van een trendbreuk.

X Noot
3

UWV, jaarverslag.

X Noot
4

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Wet arbeid en zorg (WAZO)

De WAZO bundelt een aantal wettelijke verlofvormen, zoals het zwangerschaps- en bevallingsverlof, kraamverlof, aanvullend geboorteverlof, adoptie- en pleegzorgverlof, ouderschapsverlof en kort- en langdurend zorgverlof. Vaak bestaat er recht op (gedeeltelijke) loondoorbetaling of op een uitkering: zwangerschaps- en bevallingsuitkering, adoptie- en pleegzorguitkering, geboorteverlofuitkering en vanaf 2 augstus 2022 ook een ouderschapsverlofuitkering. Deze uitkeringen op grond van de WAZO worden uitgevoerd door UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

In aanmerking voor een zwangerschaps- en bevallingsuitkering komen:

  • Vrouwelijke werknemers;

  • Andere vrouwelijke verzekerden voor de ZW (onder andere thuiswerksters en vrouwen die een ZW-, WW- of loongerelateerde WGA-uitkering ontvangen);

  • Vrouwelijke vrijwillig verzekerden voor de ZW;

  • Vrouwen van wie de vermoedelijke bevallingsdatum binnen 10 weken na het einde van de verplichte ZW-verzekering ligt, evenals vrouwen die later uitgerekend zijn, maar die toch binnen 10 weken na het einde van de verplichte verzekering bevallen.

In aanmerking voor adoptie- en pleegzorgverlof komt de werknemer die een kind heeft geadopteerd dan wel als pleegkind in zijn gezin heeft opgenomen. Er is een afzonderlijke uitkeringsregeling voor zwangere zelfstandigen, de regeling Zelfstandig en Zwanger (ZEZ). Vrouwelijke zelfstandigen, directeuren-grootaandeelhouders, meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaars op arbeidsovereenkomst (hulpen in de huishouding voor minder dan vier dagen per week) hebben gedurende ten minste 16 weken recht op een uitkering. Zie ook beleidsartikel 12.

Hoe hoog is de WAZO-uitkering?

De zwangerschaps- en bevallingsuitkering en de adoptie- en pleegzorguitkering bedraagt 100% van het laatstverdiende loon, tot een maximum van 100% van het maximumdagloon. Dit is per 1 januari 2021 gelijk aan € 4.858,95 bruto per maand inclusief vakantiegeld. De hoogte van de uitkering voor zelfstandigen is maximaal het wettelijk minimumloon (per 1 januari 2021 € 1.684,80 bruto per maand exclusief vakantiegeld).

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van een verwachte toename van het aantal geboorten nemen de uitgaven voor zwangerschaps- en bevallingsverlof de komende jaren toe.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 67 laat zien dat het verwachte aantal toekenningen in de WAZO de komende jaren toeneemt. Dit hangt samen met de verwachte toename van het aantal geboorten.

Tabel 67 Kerncijfers WAZO
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Totaal aantal toekenningen zwangerschaps- en bevallingsverlofuitkering (x 1.000 uitkeringen)

142

143

144

Aantal toekenningen werknemers (x 1.000 uitkeringen)

130

130

131

Aantal toekenningen zelfstandigen (x 1.000 uitkeringen)

12

13

13

X Noot
1

SZW, berekening.

WAZO aanvullend geboorteverlof partners

Het aanvullend geboorteverlof duurt maximaal 5 weken. Het verlof dient binnen 6 maanden na de geboorte te worden opgenomen. Ook deze regeling wordt door UWV uitgevoerd.

Wie komt er voor in aanmerking?

In aanmerking voor een aanvullend geboorteverlof uitkering komt de werknemer die echtgeno(o)t(e) of geregistreerde partner van de moeder van het kind is, met de moeder ongehuwd samenwoont of haar kind erkent.

Hoe hoog is de uitkering?

De hoogte van de uitkering voor aanvullend geboorteverlof bedraagt 70% van het laatstverdiende loon, tot een maximum van 70% van het maximumdagloon.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven stijgen de komende jaren als gevolg van een verwachte toename van het aantal geboorten.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal toekenningen neemt de komende jaren toe. De sterke toename in 2021 wordt verklaard doordat het aanvullend geboorteverlof in 2020 halverwege het jaar (per 1 juli) is ingegaan.

Tabel 68 Kerncijfers aanvullend geboorteverlof
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Totaal aantal toekenningen aanvullend geboorteverlof (x 1.000 uitkeringen)

22

76

79

Gemiddeld aantal opgenomen dagen

22

22

22

X Noot
1

SZW, berekening op basis van UWV Juninota.

WAZO betaald ouderschapsverlof

Vanaf 2 augustus 2022 wordt een uitkering verstrekt aan werknemers bij opname van ouderschapsverlof. De uitkeringsduur is maximaal 9 weken. De uitkering wordt alleen verstrekt indien het verlof in het eerste levensjaar van het kind wordt opgenomen. Bij adoptie of pleegzorg kan het verlof worden opgenomen gedurende het eerste jaar na opname van het kind in het gezin.

Wie komt er voor in aanmerking?

Rechthebbend is de werknemer die als ouder in familierechtelijke betrekking staat tot het kind.

Hoe hoog is de uitkering?

De uitkering bedraagt 50% van het dagloon, met als maximum 50% van het maximum dagloon.

Budgettaire ontwikkelingen

Doordat de regeling gaandeweg 2022 ingaat (2 augustus) zijn de uitgaven in 2022 incidenteel lager dan in de daarop volgende jaren. De uitgaven nemen in latere jaren toe vanwege de verwachte toename van het aantal geboorten.

3.7 Artikel 7 Kinderopvang

A. Algemene doelstelling

De overheid biedt financiële ondersteuning aan werkende ouders voor kinderopvang en bevordert de kwaliteit van kinderopvang.

De overheid hecht aan goede, veilige en financieel toegankelijke kinderopvang, zodat ouders arbeid en zorg kunnen combineren. Voor de bevordering van de arbeidsparticipatie is het belangrijk dat ouders van jonge kinderen actief blijven op de arbeidsmarkt. Bovendien zorgt goede kinderopvang er ook voor dat kinderen worden gestimuleerd in hun ontwikkeling. De kinderopvangtoeslag houdt formele kinderopvang betaalbaar voor ouders. Om de kwaliteit van kinderopvang te bevorderen heeft de overheid in de Wet kinderopvang (Wko) vastgesteld aan welke eisen de kinderopvangvoorzieningen moeten voldoen. De GGD houdt hier, in opdracht van gemeenten, toezicht op. Daarnaast steunt de Minister via subsidies projecten die de (informatie)positie van ouders versterken. Dit om te zorgen dat ouders hun kind naar een kinderopvangvoorziening kunnen brengen die veilig en van goede kwaliteit is. De kinderopvangondernemers zijn verantwoordelijk voor het goed functioneren van de kinderopvang. Gastouderbureaus en gastouders zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van gastouderopvang. Ouders hebben een eigen verantwoordelijkheid bij de keuze voor een kinderopvangvoorziening en kunnen hun invloed onder andere via de oudercommissies uitoefenen.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel, financiert met de kinderopvangtoeslag (KOT) het gebruik van kinderopvang en stimuleert met subsidies de (informatie)positie van ouders. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • het vaststellen van de hoogte van de kinderopvangtoeslag en de voorwaarden waaronder deze wordt toegekend;

  • het ter beschikking stellen van middelen aan gemeenten via het Gemeentefonds ter financiering van toezicht en handhaving op de kinderopvang;

  • het borgen van de kwaliteit van toezicht en handhaving;

  • het verstrekken van middelen ten behoeve van de kinderopvang en voor- en naschoolse voorzieningen in Caribisch Nederland in het kader van het programma BES(t) 4 kids;

  • het bevorderen van de kwaliteit en veiligheid van de kinderopvang.

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering van de KOT door het directoraat-generaal Toeslagen.

C. Beleidswijzigingen

Verbetertraject Kinderopvangtoeslag

Sinds 2018 werken het Ministerie van SZW en Toeslagen in het verbetertraject kinderopvangtoeslag samen aan het verbeteren van de dienstverlening en het terugdringen van het aantal hoge terugvorderingen (Kamerstukken II 2020/21, 31 322, nr. 422). In 2020 zijn verschillende verbetermaatregelen geïmplementeerd. Na het doorvoeren van deze verbetermaatregelen is er nog ruimte voor verdere verbeteringen binnen de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. Daarom zal een vervolg aan het verbetertraject (Kamerstukken II 2020/21, 31 066, nr. 871) gegeven worden. Daarmee worden er blijvend stappen gezet om nog zoveel mogelijk verbeteringen in dienstverlening en uitvoering binnen het huidige stelsel door te voeren zodat ouders die momenteel toeslag(en) ontvangen minder problemen ervaren.

Herstel Toeslagen en vervolgacties POC KOT

Het kabinet zet zich onverminderd in om gedupeerde ouders van de toeslagenaffaire en hun kinderen te helpen en te voorkomen dat zoiets ooit nog kan gebeuren. Deze inzet gaat door in 2022. Met onder andere (de uitwerking van) een regeling voor ex-partners en gedupeerden bij andere toeslagen worden hierin belangrijke stappen gezet. Om gedupeerden met een schone lei te laten starten, is besloten tot het kwijtschelden van openstaande terugvorderingen kinderopvangtoeslag.

Uitvoering Toeslagen 

Het kabinet heeft in haar kabinetsreactie op het rapport «Ongekend onrecht» aangeven dat de samenwerking tussen Toeslagen en de betrokken beleidsdepartementen verder moet worden verbeterd. Zodat problemen in de uitvoering ook bij de beleidsmakers terecht komen en er gezamenlijk gewerkt kan worden aan een oplossing. De samenwerking tussen de uitvoering en beleid is de afgelopen jaren al geïntensiveerd en geprofessionaliseerd en hierop wordt ook komend jaar ingezet. De gewenste verbeteringen vergen nieuwe aanpakken en vragen om extra capaciteit in de uitvoering, het kabinet investeert hierin.

Verruiming koppeling gewerkte uren en enkele andere maatregelen

Met het Besluit kinderopvangtoeslag van 2022 worden, naast de indexatie van de maximum uurprijzen en inkomensgrenzen, een aantal maatregelen binnen de kinderopvangtoeslag van dekking voorzien (Kamerstukken II 2020/21, 31 322, nr. 433). Dit wordt gedaan door een proportionele verhoging van de eigen bijdrage met ruim 1,5% voor inkomens vanaf € 26.067, en met behoud van de vaste voet van 33,3% voor het eerste kind. Het betreft de volgende maatregelen:

  • Zoals in de vorige begroting is aangekondigd gaat het kabinet de koppeling gewerkte uren (KGU) verruimen voor de buitenschoolse opvang (BSO). Per 2022 hebben ouders voor de BSO recht op kinderopvangtoeslag voor maximaal 140% van het aantal gewerkte uren van de minst werkende partner.

  • Per 2022 zal tevens een uitzondering op de arbeidseis voor het recht op kinderopvangtoeslag in werking treden (Stb. 2020, 543). Vanaf volgend jaar krijgen gezinnen waarvan een ouder is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel van langer dan drie maanden aanspraak op kinderopvangtoeslag (Kamerstukken II 2020/21, 35 574, nr. 13).

  • Tot slot is de doelmatigheidsgrens voor terugvorderingen verhoogd vanaf berekeningsjaar 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35 574, nr. 12). Bedragen kleiner dan € 98 hoeven niet meer terugbetaald te worden aan Toeslagen.

Intensivering toezicht en handhaving gastouderopvang

Zoals aan de Tweede Kamer gemeld (Kamerstukken II 2020/21, 31 322, nr. 434) is het kabinet aan het verkennen welke maatregelen genomen kunnen worden om de kwaliteit van de gastouderopvang beter te waarborgen. Gezien de wens om het zicht op de kwaliteit van de gastouderopvang snel te vergroten, heeft dit kabinet besloten om reeds met ingang van 2022 het toezicht en handhaving in de gastouderopvang te intensiveren. Dekking voor deze intensivering wordt uit de kinderopvangtoeslag gehaald.

Verbetering kwaliteit en toegankelijkheid van kinderopvang in Caribisch Nederland

In de begroting 2021 is de Wet kinderopvang Caribisch Nederland aangekondigd. De beoogde inwerkingtreding van deze wet is verschoven naar 1 januari 2023. De tijdelijke subsidieregeling zal tot aan de invoering van de Wet kinderopvang Caribisch Nederland van kracht blijven. Vanaf 1 juli 2021 zijn de subsidiebedragen verhoogd. Het programma BES(t) 4 kids zal worden voortgezet. In dat programma wordt samen met de Openbare Lichamen gewerkt aan het verbeteren van de kwaliteit van de kinderopvang en worden de kinderopvangorganisaties begeleid bij de invoering van de nieuwe wet.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 69 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 7 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

3.913.026

4.130.271

3.857.977

3.844.465

3.847.070

3.888.754

3.947.795

        

Uitgaven

3.912.442

4.130.271

3.857.977

3.844.465

3.847.070

3.888.754

3.947.795

        

Inkomensoverdrachten

       

Kinderopvangtoeslag

3.596.605

3.806.640

3.827.732

3.817.384

3.826.669

3.869.303

3.928.018

Tegemoetkomingsregeling Eigen Bijdrage

296.200

292.760

0

0

0

0

0

Subsidies (regelingen)

       

Kinderopvang

1.248

1.850

1.300

1.300

2.050

2.050

2.050

Subsidies Caribisch Nederland

0

5.040

8.043

200

200

200

200

Versterking T&I vaardigheden kinderopvang

1

0

0

0

0

0

0

Opdrachten

       

Overige Opdrachten

2.048

9.300

3.003

2.973

2.973

3.076

3.502

Opdrachten Caribisch Nederland

953

2.187

1.048

10.027

5.127

5.127

5.027

Bekostiging

       

Projectbureau PGV

980

1.400

1.500

1.530

1.530

1.530

1.530

Bijdrage aan agentschappen

       

Agentschap DUO

6.827

7.566

8.551

8.551

8.521

7.468

7.468

Bijdrage aan medeoverheden

       

Versterking Kinderopvang Samenwerking BES(t) 4 kids CN

7.580

3.528

6.800

2.500

0

0

0

        

Ontvangsten

1.483.420

1.566.322

1.584.673

1.598.163

1.609.436

1.625.109

1.638.950

        

Ontvangsten

       

Algemeen

577

480

480

480

480

480

480

Terugontvangsten kinderopvangtoeslag

245.506

242.173

256.656

264.565

271.086

283.261

296.776

Werkgeversbijdrage Kinderopvang

1.237.337

1.323.669

1.327.537

1.333.118

1.337.870

1.341.368

1.341.694

Budgetflexibiliteit

De uitgaven op artikel 7 Kinderopvang zijn voor 99,5% juridisch verplicht voor het jaar 2022. Per financieel instrument wordt de budgetflexibiliteit onderstaand toegelicht.

Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en daarom voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten kinderopvangtoeslag.

Subsidies

Het budget voor subsidies is voor 94% juridisch verplicht. Het grootste deel (circa € 8 miljoen) betreft de subsidieregeling voor Caribisch Nederland, die gericht is op het verbeteren van de kwaliteit en financiële toegankelijkheid van kinderopvang en buitenschoolse opvang in Caribisch Nederland, door het gebruik daarvan te subsidiëren. Daarnaast is er nog circa € 0,8 miljoen juridisch verplicht voor lopende subsidieprojecten die gericht zijn op de kinderopvang in Nederland.

Opdrachten

Op het budget voor opdrachten is voor 2022 nog niets juridisch verplicht. Het gaat hierbij om opdrachten en onderzoek naar de kinderopvang in Nederland, en om opdrachten en onderzoek voor de kinderopvang in Caribisch Nederland.

Bekostiging

De bekostiging is voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitgaven aan Stichting Projectenbureau Publieke Gezondheid van de Vereniging van Publieke Gezondheid en Veiligheid Nederland (PGV) voor de coördinatie op het toezicht op de kinderopvang. PGV is wettelijk aangewezen voor deze taak.

Bijdrage aan agentschappen

De bijdrage aan agentschappen is nog niet juridisch verplicht naar wel bestuurlijk gebonden. Het budget is bedoeld voor de uitvoering door DUO van het beheer, onderhoud en ontwikkeling van het Landelijk Register Kinderopvang (LRK), het Personenregister Kinderopvang (PRK) en het Register Buitenlandse Kinderopvang (RBK).

Bijdrage aan medeoverheden

Het budget voor bijdrage aan medeoverheden is niet juridisch verplicht maar wel bestuurlijk gebonden. Het betreft bijzondere uitkeringen aan Caribisch Nederland voor de uitvoering van het programma BES(t)4 Kids.

E. Toelichting op de financiële instrumenten
Inkomensoverdrachten

Kinderopvangtoeslag (KOT)

Ouders die betaalde arbeid verrichten en ouders die tot een doelgroep behoren zoals omschreven in de Wko, ontvangen een inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderopvang: de kinderopvangtoeslag. Hierbij geldt de voorwaarde dat zij hun kinderen naar een kinderopvanginstelling of gastouder brengen die voldoet aan de eisen van de Wko en daarom geregistreerd is in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK). De KOT wordt uitgevoerd door het directoraat-generaal Toeslagen van het Ministerie van Financiën. DUO verzorgt de inschrijving in het register buitenlandse kinderopvang en de SVB is verantwoordelijk voor de uitbetaling van de aanvulling op de KOT in het buitenland.

Wie komt er voor in aanmerking?

  • Ouders die arbeid en zorg voor kinderen combineren en beiden werken (werknemers en zelfstandigen);

  • Alleenstaande ouders die arbeid en zorg voor kinderen combineren (werknemers en zelfstandigen);

  • Doelgroepouders, bijvoorbeeld ouders die studeren of deelnemen aan een traject om weer aan het werk te komen.

Hoe hoog is de kinderopvangtoeslag?

De hoogte van de kinderopvangtoeslag is van een aantal aspecten afhankelijk:

  • Hoogte van het toetsingsinkomen van de ouder(s);

  • Hoogte van de betaalde uurprijs, tot aan de maximum uurprijs;

  • De opvangsoort: dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang kennen een verschillende maximum uurprijs waarvoor ouders een toeslag kunnen ontvangen;

  • Het kind waar de opvang betrekking op heeft: voor het eerste kind geldt een andere toeslag dan voor tweede en volgende kinderen;

  • Het aantal gewerkte uren door de ouder die de minste uren per jaar werkt dan wel de periode waarin een traject naar werk gevolgd wordt;

  • Het aantal uren dat gebruik wordt gemaakt van een kinderopvangvoorziening.

Budgettaire ontwikkelingen

Het totale gebruik van kinderopvang is in 2022 naar verwachting licht hoger dan in 2021, daardoor komen ook de uitgaven kinderopvangtoeslag iets hoger uit. Na een daling in 2023 die vooral samenhangt met een oplopende werkloosheid nemen in latere jaren de uitgaven naar verwachting geleidelijk weer toe. Dit komt met name door een stijging van het aantal kinderen op de dagopvang als gevolg van de demografische ontwikkeling.

Beleidsrelevante kerncijfers

In 2021 is het aantal kinderen dat naar de opvang gaat, naar verwachting licht hoger dan in 2020. Vooral in de dagopvang wordt rekening gehouden met een toename, in de buitenschoolse opvang neemt het aantal kinderen juist enigszins af. In 2022 neemt het aantal kinderen dat naar de opvang gaat naar verwachting licht toe ten opzichte van 2021.

Het gemiddeld aantal uren dat kinderen naar de opvang gaan neemt in 2021 toe in zowel de dagopvang als de buitenschoolse opvang en blijft vervolgens vrij stabiel in 2022.

Tabel 70 Kerncijfers gebruik kinderopvang (jaargemiddelden)
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Aantal huishoudens dat gebruik maakt van kinderopvangtoeslag (x 1.000)

557

560

564

    

Aantal kinderen met kinderopvangtoeslag (x 1.000)

   

0-12 jaar

833

838

845

0-4 jaar (dagopvang)

392

400

401

4-12 jaar (buitenschoolse opvang)

441

437

443

    

Deelname kinderen met kinderopvangtoeslag (%)

   

0-12 jaar

39

39

40

0-4 jaar (dagopvang)

57

59

58

4-12 jaar (buitenschoolse opvang)

30

30

31

    

Aantal uren per kind per maand

   

0-12 jaar

60,7

62,1

62,1

0-4 jaar (dagopvang)

85,0

86,7

86,5

4-12 jaar (buitenschoolse opvang)

39,0

39,7

39,9

    

Gebruik kinderopvangtoeslag naar verzamelinkomen (aantal kinderen met kinderopvangtoeslag x 1.000)

   

Tot 130% Wml

75

71

72

130% Wml tot 1 1/2 x modaal

174

171

173

1 1/2 x modaal tot 3 x modaal

453

460

464

3 x modaal en hoger

132

135

136

    

Aantal uren per kind met kinderopvangtoeslag

   

Tot 130% Wml

78

80

80

130% Wml tot 1 1/2 x modaal

59

60

60

1 1/2 x modaal tot 3 x modaal

57

58

58

3 x modaal en hoger

67

68

68

Bron: SZW-berekeningen op basis van informatie van CBS (bevolkingsprognose voor berekening deelname) en Toeslagen.

X Noot
1

De realisatiecijfers van 2020 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van inkomen en gebruik.

Tabel 71 Kerncijfers kinderopvang bijdragen sectoren en ouders
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Bijdragen sectoren (in %)

   

Collectief

72

72

71

 

waarvan Overheid

45

46

45

 

waarvan Werkgevers

27

26

27

Ouders

28

28

29

    

Wettelijke maximum uurprijs (in €)2

   

Dagopvang

8,17

8,46

8,50

Buitenschoolse opvang

7,02

7,27

7,31

Gastouderopvang

6,27

6,49

6,52

    

Gemiddelde tarieven van kinderopvanginstellingen (in €)3

   

Dagopvang

8,28

8,54

8,58

Buitenschoolse opvang

7,51

7,68

7,72

Gastouderopvang

6,25

6,41

6,44

    

Ouderbijdrage eerste kind in € per uur voor gezinsinkomen4

   

130% Wml

0,36

0,37

0,38

1 1/2 x modaal

1,63

1,68

1,72

3 x modaal

4,79

4,96

5,06

    

Ouderbijdrage volgend kind in € per uur voor gezinsinkomen4

   

130% Wml

0,35

0,36

0,37

1 1/2 x modaal

0,47

0,49

0,50

3 x modaal

1,22

1,26

1,28

Bron: SZW-berekeningen op basis van informatie van Toeslagen.

X Noot
1

De realisatiecijfers van 2020 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van inkomen en gebruik.

X Noot
2

De maximum uurprijzen betreffen de vastgestelde maximum uurprijzen (en niet een raming).

X Noot
3

De raming is opgesteld in prijzen 2021. Echter, het geraamde gemiddelde tarief 2022 is, evenals de wettelijke maximumuurprijs 2022 weergegeven op prijsniveau 2022. De cijfers over de gemiddelde uurprijs zijn gebaseerd op de uurprijzen die de ouders aan Toeslagen doorgeven. Het betreft de gemiddelde uurprijzen, waarbij gewogen is naar gebruik. Ter illustratie: de uurprijs van gebruikers die 60 opvanguren afnemen weegt drie keer zo zwaar mee bij bepaling van het gemiddelde als de uurprijs van gebruikers die 20 opvanguren afnemen.

X Noot
4

Kosten van kinderopvang per uur voor ouders, gebaseerd op de maximum uurprijzen en de toeslag die ouders ontvangen.

Subsidies

Voor 2022 is € 9,3 miljoen beschikbaar voor subsidies. Het grootste deel betreft de subsidieregeling voor Caribisch Nederland, die gericht is op het verbeteren van de financiële toegankelijkheid van kinderopvang en buitenschoolse opvang in Caribisch Nederland, door het gebruik daarvan te subsidiëren. Daarnaast zijn er subsidies gericht op bevordering van de kwaliteit van de kinderopvang (onder andere door middel van een Kennisbank), versterking van de positie van ouders en bevordering van de financiële stabiliteit van de sector kinderopvang in Nederland.

Opdrachten

Voor 2022 is in totaal € 4,1 miljoen beschikbaar voor opdrachten. Het budget voor opdrachten wordt onder andere besteed aan diverse onderzoeksprojecten en voor de uitvoering van het programma BES(t) 4 Kids in Caribisch Nederland.

Bekostiging

Voor 2022 is € 1,5 miljoen beschikbaar voor bekostiging. Het betreft uitgaven aan Stichting Projectenbureau Publieke Gezondheid van de Vereniging van Publieke Gezondheid en Veiligheid Nederland (PGV) voor de coördinatie op het toezicht op de kinderopvang. PGV is wettelijk aangewezen voor deze taak.

Bijdrage aan agentschappen

Voor 2022 is € 8,6 miljoen beschikbaar voor de bijdragen aan agentschappen. Het betreft voornamelijk middelen gereserveerd voor de kosten voor DUO voor het beheer, onderhoud en ontwikkeling van het Landelijk Register Kinderopvang, het Personenregister Kinderopvang en het Register Buitenlandse Kinderopvang.

Bijdrage aan medeoverheden

Het budget voor de bijdrage aan medeoverheden wordt ingezet voor de uitvoering van het programma BES(t)4 kids in Caribisch Nederland. In het kader van artikel 92 lid 2 sub c Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden middelen aan de openbare lichamen verstrekt. Met deze bijzondere uitkering kunnen de openbare lichamen op de eilanden de activiteiten van het programma BES(t) 4 kids financieren. Bonaire ontvangt in 2022 maximaal € 6 miljoen, Sint Eustatius maximaal € 2,6 miljoen en Saba maximaal € 2,2 miljoen.

Ontvangsten

De ontvangsten zijn opgebouwd uit drie componenten: de ontvangsten algemeen, de terugontvangsten kinderopvangtoeslag en de werkgeversbijdrage kinderopvang.

De ontvangsten algemeen betreffen de eigen bijdrage die deelnemers betalen voor inschrijving in het Personenregister Kinderopvang.

De terugontvangsten kinderopvangtoeslag bestaan uit de ontvangsten uit terugvorderingen van kinderopvangtoeslag over eerdere jaren. Door de stijging van de uitgaven in eerdere jaren nemen de ontvangsten in 2022 nog toe.

De werkgeversbijdrage kinderopvang betreft een vast percentage (0,5%) van de geraamde totale loonsom. In 2022 is de loonsom, en daarmee ook de werkgeversbijdrage kinderopvang, licht hoger dan in 2021. In latere jaren nemen de loonsom en de werkgeversbijdrage kinderopvang verder toe.

Kerncijfers

Het aantal gewerkte uren per week is bij zowel vrouwen in het algemeen als bij moeders met jonge kinderen toegenomen in 2019 en bleef vrijwel stabiel in 2020.

Tabel 72 Ontwikkeling in gewerkte uren van vrouwen en moeders met jonge kinderen (gemiddelde binnen de groep vrouwen met een baan van meer dan 1 uur, jaarcijfers)
 

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Vrouwen 15 tot 75 jaar

 

26,1

26,3

26,2

Moeders met jonge kinderen (0-11 jaar)

 

26,6

26,8

26,9

Bron: CBS, Enquête Beroepsbevolking.

De netto arbeidsparticipatie van ouders is in 2019 in alle categorieën gestegen. In 2020 is de netto arbeidsdeelname van moeders gestegen, met name onder alleenstaande moeders. Onder vaders is de netto arbeidsparticipatie in 2020 daarentegen licht gedaald.

Tabel 73 Netto arbeidsparticipatie (%)
 

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Totaal mannen en vrouwen 15 tot 75 jaar

67,8

68,8

68,4

    

Moeders (lid van ouderpaar)

79,0

80,4

80,5

Vaders (lid van ouderpaar)

91,7

92,1

91,7

    

Alleenstaande moeders

65,9

66,2

68,5

Alleenstaande vaders

76,6

80,4

79,8

    

Moeders met jonge kinderen (0-11)

77,8

79,4

80,1

Vaders met jonge kinderen (0-11)

94,0

94,2

93,9

Bron: CBS, Enquête Beroepsbevolking.

3.8 Artikel 8 Oudedagsvoorziening

A. Algemene doelstelling

De overheid biedt een basispensioen aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. De overheid stimuleert de opbouw van en stelt kaders voor de houdbaarheid van aanvullende arbeidspensioenen en draagt zorg voor toezicht op de naleving daarvan.

Het kabinet vindt dat iedere gepensioneerde een basispensioen dient te hebben. Daarom verschaft zij een basispensioen (AOW) aan diegenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. Dit is de eerste pijler van het Nederlandse pensioenstelsel. Daarnaast bevordert de overheid het opbouwen van toekomstbestendige aanvullende pensioenen, zodat werknemers na hun pensionering niet te maken krijgen met een grote inkomensachteruitgang. Momenteel bouwt ruim 87% van de werknemers een aanvullend arbeidspensioen op door verplichte deelname aan pensioenregelingen die vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers meestal beheren. Dit betreft de tweede pijler van het Nederlandse pensioenstelsel. Met regelgeving en toezicht waarborgt de overheid een zorgvuldig beheer van de ingelegde pensioengelden. In de derde pijler van het pensioenstelsel kunnen mensen facultatief op eigen initiatief individuele pensioenproducten afsluiten.

De overheid biedt inkomensondersteuning aan AOW-gerechtigden (IOAOW) en biedt een overbruggingsuitkering aan mensen die per 1 januari 2013 reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling of een daarmee vergelijkbare regeling en die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd (OBR).

Inwoners van Caribisch Nederland die de AOV-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, ontvangen een basispensioen op grond van de Algemene Ouderdomsverzekering (AOV).

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen en de aanvullende arbeidspensioenen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen voor zover de overheid hier zelf verantwoordelijkheid voor draagt;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB;

  • de vormgeving van het toezicht met betrekking tot de arbeidspensioenen door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM);

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het pensioenbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

C. Beleidswijzigingen

Wetsvoorstel toekomst pensioenen

Op 22 juni 2020 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de resultaten van de stuurgroep zoals uiteengezet in de «Hoofdlijnennotie uitwerking pensioenakkoord» (Kamerstukken II 2019/20, 32 043, nr. 519). Deze hoofdlijnennotitie heeft betrekking op de vormgeving van een nieuw pensioencontract, de afspraken over de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel, het nieuwe fiscale kader en de juridische analyse. De afspraken uit het pensioenakkoord zijn inmiddels omgezet in concept-wetgeving. Deze concept-wetgeving is eind 2020 in consultatie gegaan. Het wetsvoorstel beoogt een vernieuwd pensioenstelsel, waarbij de premie centraal staat en de uitkeringen sneller meebewegen met de economie. Hierdoor ontstaat er meer perspectief om pensioenen te indexeren van deelnemers en gepensioneerden. Het wetsvoorstel beschrijft daarnaast de kaders die moeten zorgen voor een evenwichtige transitie voor alle deelnemers naar het nieuwe stelsel. Tevens bevat het wetsvoorstel een voorstel voor een hervorming van het nabestaandenpensioen. Het kabinet streeft ernaar begin 2022 de wet- en regelgeving die nodig is voor de vernieuwing van het pensioenstelsel bij de Tweede Kamer in te dienen, zodat het nieuwe wettelijke en fiscale kader uiterlijk per 1-1-2023 in werking kan treden.

Implementatietraject wetsvoorstel toekomst pensioenen

Nadat de wetgeving omtrent het pensioenakkoord definitief is zullen sociale partners en pensioenuitvoerders op een zelf gekozen moment de overstap maken naar het nieuwe pensioenstelsel. Dit is een majeure operatie die enkel kan slagen als partijen vroegtijdig met elkaar samenwerken. Daarom is parallel aan het wetgevingstraject gestart met een meerjarig implementatietraject. Het hoofddoel van dit traject is om samen met de betrokken partijen uit de sector de stelselherziening de komende jaren zo goed mogelijk beslag te laten krijgen. Zowel voor de professionals in de sector als voor de burger. Er komt onder andere een gezamenlijk informatieplatform voor de professionals waar de handleidingen van de Stichting van de Arbeid een plek krijgen. Deze handleidingen geven decentrale partijen inzicht in de te nemen stappen en keuzes. Daarnaast wordt er een gezamenlijke roadmap uitgedacht voor de publiekscommunicatie in relatie tot de stelselvernieuwing.

Wetsvoorstel pensioen bij scheiding

In 2020 is de voorbereiding van het wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding in de Tweede Kamer afgerond en aangemeld voor plenaire behandeling. De beoogde inwerkingtredingdatum is via een nota van wijziging met een jaar opgeschoven naar 1 januari 2022, de haalbaarheid daarvan hangt af van het vervolg van het parlementaire proces. In het wetsvoorstel wordt geregeld dat het ouderdomspensioen straks automatisch wordt verdeeld bij een scheiding, tenzij ex-partners andere afspraken maken. Daarnaast wordt de standaard verdeelmethode conversie (in plaats van verevening). Hierdoor krijgen beide ex-partners een eigen pensioenaanspraak en is er geen levenslange afhankelijkheid (op pensioenterrein) meer. Ook wordt geregeld dat de hoogte van het bijzonder partnerpensioen wordt beperkt tot de huwelijkse periode.

Uitbreiding waardeoverdracht klein pensioen

Sinds 1 januari 2019 heeft de pensioenuitvoerder het recht om de waarde van een klein pensioen (minder dan € 503,24 bruto per jaar, bedrag 2021) over te dragen aan een andere uitvoerder. Dit recht is beperkt tot kleine ouderdomspensioenen, die zijn ontstaan doordat de gewezen deelnemer niet langer actief deelneemt aan de pensioenregeling. Het streven is om het voor pensioenuitvoerders vanaf 1 januari 2022 mogelijk te maken om alle soorten kleine pensioenen automatisch over te mogen dragen. In geval automatische waardeoverdracht niet mogelijk blijkt te zijn, wordt het mogelijk om onder voorwaarden een klein pensioen af te kopen. Tevens mogen dan nettopensioenen en nettolijfrentes worden afgekocht, zonder dat dit fiscaal als onregelmatige handeling wordt gezien.

Wet verandering koppeling AOW-leeftijd

Met de Wet verandering koppeling AOW-leeftijd is geregeld dat de stijging van de AOW- en pensioenrichtleeftijd met ingang van 2025 voor 2/3 gekoppeld wordt aan de stijging van de resterende levensverwachting op 65 jaar. Dit betekent dat elk jaar levenswinst wordt vertaald in gemiddeld 8 maanden langer doorwerken en gemiddeld 4 maanden langer AOW-pensioen (Stb. 2020, 503). De koppeling van de pensioenrichtleeftijd aan de levensverwachting wordt op vergelijkbare wijze toegepast.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 74 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 8 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

24.903

23.728

25.274

26.213

27.376

28.806

30.544

        

Uitgaven

24.903

23.728

25.274

26.213

27.376

28.806

30.544

        

Inkomensoverdrachten

       

AOV inclusief tegemoetkoming (Caribisch Nederland)

22.999

22.435

23.822

25.262

26.800

28.345

30.097

Overbruggingsregeling AOW

1.904

1.293

991

490

115

0

0

Opdrachten

       

Opdrachten

0

0

461

461

461

461

447

        

Ontvangsten

174

64

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

       

Restituties

174

64

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

De uitgaven op artikel 8 Oudedagsvoorziening zijn voor 98,2% juridisch verplicht voor het jaar 2022. Per financieel instrument wordt de budgetflexibiliteit onderstaand toegelicht.

Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten Overbruggingsregeling AOW (OBR) en AOV.

Opdrachten

De middelen onder opdrachten betreffen geen juridisch verplichte uitgaven.

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 75 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 8 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

41.234.597

43.021.971

44.160.815

45.433.445

47.000.596

49.186.871

51.501.617

        

Uitgaven

41.234.597

43.021.971

44.160.815

45.433.445

47.000.596

49.186.871

51.501.617

        

Inkomensoverdrachten

       

AOW

40.257.440

42.007.009

42.411.814

42.686.326

43.181.332

44.152.899

45.184.567

Inkomensondersteuning AOW

977.157

1.014.962

1.024.108

1.031.536

1.043.307

1.066.900

1.091.665

AOW nominaal

0

0

711.580

1.684.409

2.725.080

3.893.785

5.128.230

Inkomensoudersteuning AOW nominaal

0

0

13.313

31.174

50.877

73.287

97.155

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

E. Toelichting op de financiële instrumenten
Inkomensoverdrachten
Overbruggingsregeling AOW (OBR)

De OBR geldt voor mensen die per 1 januari 2013 reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling of een daarmee vergelijkbare regeling en die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd. De regeling is per 1 oktober 2013 in werking getreden, werkt terug tot 1 januari 2013 en sluit voor nieuwe instroom per 1 januari 2023. Vanaf 2016 is de OBR uitgebreid voor mensen die tussen 1 januari 2013 en 1 juli 2015 met vroegpensioen zijn gegaan. De OBR overbrugt voor deze groep het AOW-gat voor zover dat het gevolg is van de versnelde verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd, omdat deze groep zich niet op die versnelling heeft kunnen voorbereiden. Sinds 1 oktober 2016 kan een OBR-uitkering tot maximaal 1 jaar met terugwerkende kracht worden aangevraagd (de aanvraag moet wel worden gedaan vóór dat de AOW-gerechtigde leeftijd is bereikt). De OBR kent een inkomenseis en een partner- en vermogenstoets (exclusief eigen woning en pensioenvermogen). De OBR wordt uitgevoerd door de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Het inkomen waarbij er toegang ontstaat tot de OBR bedraagt voor alleenstaanden maximaal 200% van het wettelijk minimumloon en voor paren 300% van het wettelijk minimumloon. Dit is in de tweede helft van 2021 gelijk aan een bruto bedrag van € 3.402 per maand (exclusief vakantietoeslag) voor een alleenstaande en € 5.103 per maand (exclusief vakantietoeslag) voor een paar. Voor de vermogenstoets wordt aangesloten bij de grens van het box 3-vermogen uit de Wet Inkomstenbelasting 2001. Het heffingsvrije vermogen uit box 3 bedraagt in 2021 € 50.000 per persoon. Dit betekent voor een (volwassen) eenpersoonshuishouden dat er tot een vermogen van € 50.000 recht bestaat op een overbruggingsuitkering en voor een (volwassen) tweepersoonshuishouden tot een vermogen van € 100.000.

Hoe hoog is de OBR?

De maximale uitkeringshoogte van de overbruggingsregeling is afgeleid van het wettelijk minimumloon en komt netto overeen met de hoogte van het sociaal minimum onder de AOW-gerechtigde leeftijd. Inkomen uit arbeid wordt gedeeltelijk en inkomen uit uitkeringen wordt volledig in mindering gebracht op de overbruggingsuitkering. De hoogte is voorts afhankelijk van het aantal verzekerde jaren in de opbouwperiode overeenkomstig de systematiek van de AOW, en begrensd tot de hoogte van het inkomen uit vut- of prepensioen of het daarmee vergelijkbaar inkomen dat aan de OBR voorafging.

Budgettaire ontwikkelingen

De geraamde uitkeringslasten OBR lopen de komende jaren af van circa € 1 miljoen in 2022 tot circa € 0,1 miljoen in 2024. De komende jaren neemt enerzijds de instroom in de OBR af, maar tegelijkertijd neemt de te overbruggen periode toe (dus langere duur OBR-uitkering). De verwachte uitgaven nemen jaarlijks af, omdat het neerwaartse effect van de afnemende instroom groter is dan het opwaartse effect van de langere overbruggingsperiode.

Beleidsrelevante kerncijfers

Naar verwachting zal de instroom in de OBR verder afnemen. Dit komt doordat de groep van personen die reeds per 1 januari 2013 of 1 juli 2015 met vut- of prepensioen of een daarmee vergelijkbare regeling was en de AOW-leeftijd bereikt steeds kleiner wordt.

Tabel 76 Kerncijfers OBR
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Instroom OBR (x 1.000 uitkeringen)

0,4

0,1

0,05

X Noot
1

SVB, Jaarverslag.

Algemene Ouderdomsverzekering (AOV) (Caribisch Nederland)

Personen die in Caribisch Nederland verzekerde jaren hebben opgebouwd voor de AOV en die de AOV-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, ontvangen een aan de verzekerde jaren gerelateerd ouderdomspensioen op grond van de AOV. Naast het ouderdomspensioen wordt op Sint Eustatius en Saba een tegemoetkoming verstrekt die recht doet aan de prijsverschillen tussen de eilanden. Tevens kent de AOV een partnertoeslag.

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van demografische ontwikkelingen nemen de uitkeringslasten van de AOV-uitkering in de komende jaren toe.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 77 Kerncijfers AOV
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Volume AOV (x 1.000 personen, ultimo)

4,3

4,5

4,8

X Noot
1

RCN-unit SZW.

Algemene Ouderdomswet (AOW)

De AOW is een volksverzekering en heeft als doel het verschaffen van een basispensioen aan degenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. De AOW wordt uitgevoerd door de SVB. Hoofdstuk 5.1, Sociale fondsen SZW, gaat nader in op de financiering van de uitgaven aan de AOW.

Wie komt er voor in aanmerking?

Iedereen die rechtmatig in Nederland woont tussen de aanvangsleeftijd (in 2022 16 jaar en 7 maanden) en de AOW-gerechtigde leeftijd (in 2022 66 jaar en 7 maanden) is verplicht verzekerd voor de AOW. Ook als een persoon niet in Nederland woont maar hier wel werkt en op grond daarvan onder de loonbelasting valt, is hij of zij verzekerd.

De AOW-gerechtigde leeftijd neemt de komende jaren stapsgewijs toe, conform het leeftijdspad dat in het pensioenakkoord is afgesproken. In 2022 zal de AOW-gerechtigde leeftijd 66 jaar en 7 maanden bedragen. Dat is een toename met 3 maanden ten opzichte van 2021. Na 2022 wordt de AOW-gerechtigde leeftijd stapsgewijs verhoogd naar 66 jaar en tien maanden in 2023 en 67 jaar in 2024. Met ingang van 2025 stijgt de AOW-leeftijd conform een 2/3-koppeling aan de levensverwachting. De AOW-leeftijd wordt vijf jaar van tevoren vastgesteld op basis van de formule die in de wet is vastgelegd. De AOW-leeftijd voor 2025 en 2026 is vastgesteld op 67 jaar.

AOW’ers die vóór 1 april 2015 de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, kunnen in aanmerking komen voor de partnertoeslag als de jongere partner nog niet AOW-gerechtigd is. Die toeslag wordt alleen uitgekeerd als de jongste partner geen of weinig eigen inkomen heeft. De toeslag stopt zodra de partner een eigen AOW-pensioen ontvangt of wanneer de oudere partner overlijdt. Per 1 april 2015 is de partnertoeslag gesloten voor nieuwe instroom.

Hoe hoog is de AOW?

De hoogte van het AOW-basispensioen is gekoppeld aan het wettelijk minimumloon. Alleenstaanden ontvangen 70% van het AOW-normbedrag dat is afgeleid van het wettelijk minimumloon en gehuwden of samenwonenden elk 50%.

Tabel 78 AOW bruto maandbedragen, exclusief vakantietoeslag en exclusief inkomensondersteuning AOW (in €)
 

1 juli 2021

Gehuwd / samenwonend

863,66

Alleenstaande

1.275,39

De bedragen in bovenstaande tabel zijn volledige AOW-pensioenen. Wie pas later in Nederland is komen wonen of een aantal jaren in het buitenland heeft gewoond en daarom niet de volledige opbouw heeft gehad, krijgt een lagere uitkering: voor ieder gemist jaar 2% minder AOW.

Budgettaire ontwikkelingen

De begrote uitgaven aan uitkeringslasten AOW bedragen in 2022 circa € 42,412 miljard. Vanwege de vergrijzende bevolking nemen de uitkeringlasten de komende jaren gestaag toe. De toename van de uitkeringslasten wordt vertraagd door de stapsgewijze stijging van de AOW-gerechtigde leeftijd. De uitgaven aan partnertoeslag nemen van jaar op jaar af, omdat het aantal gerechtigden afneemt. De voornaamste reden hiervoor is dat de jongere partner ook de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. In de raming is rekening gehouden met de hogere sterfte vanwege corona tot in de eerste helft van 2021.

Zoals in de brief over de stand van de uitvoering vermeld (Kamerstukken II 2020/21, 26 448, nr. 652), is uit onderzoek van de SVB gebleken dat voor een aantal AOW-gerechtigden de hoogte van de AOW-uitkering onjuist is vastgesteld. Op dit moment worden nadere analyses gemaakt en wordt er verder nagedacht over de verdere vormgeving van de herstelactie. In de begroting voor 2022 wordt rekening gehouden met circa € 35 miljoen aan extra uitgaven als gevolg van deze herstelactie.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 79 Kerncijfers AOW
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Volume AOW (x 1.000 personen, jaargemiddelde)

3.483

3.558

3.588

Personen met een onvolledige AOW-uitkering (% van totaal, ultimo)

19

19

19

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

Handhaving

Uit onderstaande kerncijfers blijkt dat de uitkomsten in 2020 over een brede linie lager liggen dan in 2019. Dit kan worden verklaard door de beperking van interventiemogelijkheden en handhavingsactiviteiten als gevolg van de coronamaatregelen. Gelet op de verlenging van de coronamaatregelen in 2021 is de verwachting dat dit beeld over 2021 weinig zal veranderen. Uitgaande van een inschatting dat de coronamaatregelen in 2022 zullen zijn afgebouwd, zullen de kerncijfers naar verwachting herstellen.

Tabel 80 Kerncijfers AOW (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

52

57

2

Kennis van de verplichtingen (%)

82

67

2

Opsporing3

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

13

9,4

5,8

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)4

0,7

0,6

0,4

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

3,1

3,0

2,0

Sanctionering3

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

0,4

0,6

0,3

Aantal boetes (x 1.000)

0,4

0,4

0,3

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,6

0,7

0,4

  

Ontstaansjaar vordering

  

2018

2019

2020

Terugvordering3

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2020 (%)

49

33

22

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

Door een gewijzigde onderzoeksopzet is het cijfer over 2020 niet beschikbaar. Vanaf 2021 is dit cijfer weer beschikbaar uit het onderzoek "Kennis der verplichtingen".

X Noot
3

SVB, Jaarverslag.

X Noot
4

Cijfers betreffen alle verwijtbare overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Inkomensondersteuning AOW

In 2015 is een inkomensondersteuning voor AOW-gerechtigden geïntroduceerd die afhankelijk is van de opbouwjaren op grond van de AOW. De regeling wordt uitgevoerd door de SVB en gefinancierd uit het Ouderdomsfonds.

Wie komt er voor in aanmerking?

De inkomensondersteuning AOW-gerechtigden (IOAOW) wordt verstrekt aan iedereen die in aanmerking komt voor een AOW-uitkering en woonachtig is in de EU/EER/Zwitserland, verdragslanden of Caribisch Nederland. Hierdoor krijgen alleen personen die woonachtig zijn in een niet-verdragsland geen inkomensondersteuning AOW (0,1% van de AOW-gerechtigden).

Hoe hoog is de inkomensondersteuning AOW?

De hoogte van de IOAOW is afhankelijk van het aantal AOW-opbouwjaren en bedraagt maximaal € 26,04 bruto per maand (prijspeil 2021). De IOAOW wordt jaarlijks geïndexeerd.

Budgettaire ontwikkelingen

De begrote uitgaven aan uitkeringlasten IOAOW bedragen in 2022 circa € 1,024 miljard. Vanwege de vergrijzende bevolking nemen de uitkeringlasten de komende jaren gestaag toe. De toename van de uitkeringslasten wordt vertraagd door de stapsgewijze stijging van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Opdrachten

De middelen voor opdrachten worden ingezet voor onderzoek, met name op het terrein van de oudedagvoorziening.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 81 Fiscale regelingen 2020-2022, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)
 

2020

2021

2022

Pensioen niet-belaste premie

20.211

21.822

22.633

Pensioen belaste uitkering

‒ 12.594

‒ 12.814

‒ 13.132

Pensioen vrijstelling box 3

7.417

7.106

7.305

Lijfrente premieaftrek

578

623

647

Lijfrente belaste uitkering

‒ 365

‒ 372

‒ 381

Lijfrente vrijstelling box 3

215

206

212

Nettopensioen en nettolijfrente

6

8

9

Aanvullende arbeidspensioenen

Aanvullend pensioen is een arbeidsvoorwaarde. Sociale partners zijn verantwoordelijk voor de inhoud en de reikwijdte van pensioenregelingen. De overheid stelt regels om te bevorderen dat toezeggingen ook daadwerkelijk worden nagekomen en draagt zorg voor toezicht op de naleving daarvan.

Beleidsrelevante kerncijfers

Als kerncijfers zijn het totaal aantal pensioenfondsen opgenomen en het aantal pensioenfondsen met een dekkingsgraad onder de 130%, alsook de daarbij betrokken deelnemers en gepensioneerden. De maatstaf van 130% is gekozen omdat een dergelijke dekkingsgraad met de wettelijk vastgestelde mate van zekerheid toereikend is om de pensioenverplichtingen met een grote mate van zekerheid na te komen.

De afname van het aantal pensioenfondsen in 2020 past bij de dalende trend van de afgelopen jaren. Het gaat hierbij vooral om een afname van de pensioenfondsen met een geringe omvang. Door schaalvergroting met andere pensioenfondsen kan beter worden voldaan aan de eisen die worden gesteld aan een verantwoord beheer. Het aandeel pensioenfondsen met een dekkingsgraad lager dan 130% is gestegen in 2020, evenals het aantal bij die fondsen betrokken deelnemers en gepensioneerden.

Sinds het meetmoment eind 2020 zijn de dekkingsgraden fors gestegen door de aantrekkende economie en stijgende rente, waardoor de financiële positie van veel pensioenfondsen op dit moment verbeterd is.

Tabel 82 Kerncijfers aanvullende pensioenen
 

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Totaal aantal pensioenfondsen1

208

203

196

 

Aantal pensioenfondsen met dekkingsgraad ≤130%2

190

193

192

 

Aantal bij deze fondsen betrokken deelnemers (x 1.000)

5.555

5.705

5.840

 

Aantal bij deze fondsen betrokken gepensioneerden (x 1.000)

3.325

3.389

3.418

Bron: DNB, Statistiek toezicht pensioenfondsen

X Noot
1

Pensioenfondsen zonder eigen verplichtingen, bijvoorbeeld de volledig herverzekerde fondsen, kennen geen dekkingsgraad en zijn daarom niet opgenomen in de tabel.

X Noot
2

Beleidsdekkingsgraad

3.9 Artikel 9 Nabestaanden

A. Algemene doelstelling

De overheid beschermt nabestaande partners en wezen voor zover nodig tegen de financiële gevolgen van het verlies van partner of ouders.

De overheid vindt dat mensen die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s) en die vanwege de zorg voor een kind of arbeidsongeschiktheid niet (volledig) in een eigen inkomen kunnen voorzien, verzekerd moeten zijn van financiële ondersteuning. Daarom regelt zij in deze gevallen op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) een nabestaandenuitkering voor de overblijvende partner en een wezenuitkering voor kinderen die beide ouders hebben verloren.

Inwoners van Caribisch Nederland die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s), hebben op grond van de Algemene weduwen- en wezenverzekering (AWW) recht op een uitkering.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

C. Beleidswijzigingen

Er zijn geen voorgenomen beleidswijzigen in 2022.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 83 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 9 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

1.172

1.120

1.152

1.181

1.214

1.229

1.242

        

Uitgaven

1.172

1.120

1.152

1.181

1.214

1.229

1.242

        

Inkomensoverdrachten

       

AWW (Caribisch Nederland)

1.172

1.120

1.152

1.181

1.214

1.229

1.242

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

De uitgaven op artikel 9 Nabestaanden zijn voor 100% juridisch verplicht voor het jaar 2022. Per financieel instrument wordt de budgetflexibiliteit onderstaand toegelicht.

Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten AWW Caribisch Nederland.

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 84 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 9 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

338.139

318.209

309.839

306.003

303.816

298.137

293.159

        

Uitgaven

338.139

318.209

309.839

306.003

303.816

298.137

293.159

        

Inkomensoverdrachten

       

ANW

332.268

312.703

299.625

292.264

286.407

277.213

268.942

Tegemoetkoming ANW

5.871

5.506

5.265

5.126

5.015

4.850

4.702

ANW nominaal

0

0

4.883

8.463

12.157

15.751

19.110

Tegemoetkoming ANW nominaal

0

0

66

150

237

323

405

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

E. Toelichting op de financiële instrumenten
Inkomensoverdrachten
Algemene weduwen- en wezenverzekering (AWW) (Caribisch Nederland)

Inwoners van Caribisch Nederland die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s), hebben op grond van de AWW recht op een uitkering. De hoogte van de uitkering is leeftijdgerelateerd.

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van demografische ontwikkelingen stijgen de uitgaven voor de AWW-uitkeringen in 2022 en latere jaren in lichte mate.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 85 Kerncijfers AWW (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Volume AWW (x 1.000 personen, ultimo)

0,3

0,3

0,3

X Noot
1

RCN-unit SZW.

Algemene nabestaandenwet (Anw)

De Anw is een volksverzekering en regelt, onder voorwaarden, bij overlijden een uitkering voor de partner en een wezenuitkering voor kinderen die beide ouders hebben verloren. Daarnaast ontvangt iedere Anw-gerechtigde maandelijks de Anw-tegemoetkoming. De Anw wordt door de SVB uitgevoerd.

Wie komt er voor in aanmerking?

Nabestaande partners komen in aanmerking voor een nabestaandenuitkering als zij jonger zijn dan de AOW-gerechtigde leeftijd, de partner op de datum van overlijden verzekerd was voor de Anw en de nabestaande:

  • Eén of meer kinderen onder de 18 jaar verzorgt, of;

  • Voor minstens 45% arbeidsongeschikt is.

Een kind heeft recht op een wezenuitkering indien beide ouders zijn overleden. Wezen tot 16 jaar hebben altijd recht op een uitkering. De uitkering kan worden verlengd tot 18 jaar wanneer het kind bezig is een startkwalificatie te behalen of daarvan is vrijgesteld of volledig dagonderwijs volgt na het behalen van een startkwalificatie. De wezenuitkering kan eventueel tot 21 jaar worden verstrekt wanneer de wees volledig dagonderwijs volgt of wanneer een ongehuwde wees de tijd grotendeels besteedt aan een gezamenlijke huishouding met een andere wees of voor een hulpbehoevende zorgt.

De Anw maakt geen onderscheid tussen gehuwden en mensen die ongehuwd zijn en samen een huishouden vormen. Daarom wordt gesproken van «partner». Nabestaanden die vóór 1 juli 1996 recht hadden op de voorganger van de Anw, de Algemene Weduwen- en Wezenwet, vallen onder een overgangsregeling.

Hoe hoog is de Anw?

De nabestaandenuitkering bedraagt 70% van het referentieminimumloon. Voor kostendelers geldt een lager normbedrag ter hoogte van 50% van het referentieminimumloon. Op de nabestaandenuitkering vindt inkomstenverrekening plaats. Daarbij kent de nabestaandenuitkering een vrijlating voor inkomen uit arbeid. Deze bedraagt 50% van het wettelijk minimumloon, plus een derde deel van het meerdere inkomen. Inkomen in verband met arbeid (bijvoorbeeld WIA- of WW-uitkering) wordt geheel verrekend. Eigen vermogen, de inkomsten uit dit vermogen en particuliere aanvullende nabestaandenpensioenen worden niet in mindering gebracht op de nabestaandenuitkering.

De wezenuitkering bedraagt een percentage van het referentieminimumloon, afhankelijk van de leeftijd van de wees. De hoogte van de wezenuitkering is niet afhankelijk van het inkomen. Nabestaanden of wezen ontvangen naast hun Anw-uitkering ook een tegemoetkoming Anw.

Tabel 86 Anw bruto maandbedragen (maxima), exclusief vakantietoeslag en exclusief tegemoetkoming Anw (in €)
 

1 juli 2021

Nabestaandenuitkering

 1.250,16

Nabestaandenuitkering met een of meer meerderjarige medebewoners (kostendelersnorm: 50% referentieminimumloon)

785,54

Wezenuitkering (wezen tot 10 jaar)

400,05

Wezenuitkering (wezen van 10 tot 16 jaar

600,08

Wezenuitkering (wezen van 16 tot 21 jaar)

800,10

Tegemoetkoming Anw

17,67

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten van de Anw nemen de komende jaren af, omdat het aantal nabestaanden dat een recht heeft op een Anw-uitkering naar verwachting afneemt.

Beleidsrelevante kerncijfers

De uitstroom uit de regeling is de komende jaren groter dan de instroom, omdat een groot deel van de nabestaanden die sinds 1996 een uitkering ontvangen op basis van de rechtsvoorganger van de Anw, de Algemene Weduwen en Wezenwet (AWW), in de komende jaren recht krijgt op een AOW- uitkering. Het aantal nabestaanden dat na 1 juli 1996 is ingestroomd en het aantal wezen dat aanspraak maakt op een nabestaandenuitkering is de komende jaren naar verwachting stabiel.

Tabel 87 Kerncijfers Anw
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Volume Anw (x 1.000 personen, ultimo)

26

24

23

    

Volume nabestaandenuitkering (x 1.000 personen, ultimo), ingang recht voor 1 juli 1996

5,1

4,1

3,4

    

Volume nabestaandenuitkering (x 1.000 personen, ultimo), ingang recht na 1 juli 1996

19

19

19

 

waarvan met kind

7,8

7,6

7,4

 

waarvan op grond van arbeidsongeschiktheid

12

11

11

    

Volume wezenuitkering (x 1.000 personen, ultimo)

1,1

1,0

1,0

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

Handhaving

Van de handhavingskengetallen is in de begroting geen raming opgenomen, omdat SZW uitvoeringsorganisaties niet aanstuurt op het aantal geconstateerde fraudegevallen. In het jaarverslag van SZW worden eventuele ontwikkelingen in kengetallen geduid. De ontwikkeling van de kengetallen voor 2020 is toegelicht in het jaarverslag over 2020.

Tabel 88 Kerncijfers Anw (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

82

77

2

Kennis van de verplichtingen (%)

89

83

2

Opsporing3

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

0,9

0,8

0,2

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)4

0,1

0,1

<0,1

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

1,3

0,9

0,3

Sanctionering3

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

<0,1

<0,1

<0,1

Aantal boetes (x 1.000)

<0,1

<0,1

<0,1

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,1

0,1

0,1

  

Ontstaansjaar vordering

  

2018

2019

2020

Terugvordering3

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2020 (%)

30

9,5

3,5

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

Door een gewijzigde onderzoeksopzet is het cijfer over 2020 niet beschikbaar. Vanaf 2021 is dit cijfer weer beschikbaar uit het onderzoek "Kennis der verplichtingen".

X Noot
3

SVB, jaarverslag.

X Noot
4

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

3.10 Artikel 10 Tegemoetkoming ouders

A. Algemene doelstelling

De overheid biedt een financiële tegemoetkoming aan ouders of verzorgers voor de kosten van kinderen.

De overheid biedt ouders of verzorgers een financiële tegemoetkoming voor de kosten voor verzorging en opvoeding van kinderen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de kinderbijslagvoorziening BES (Caribisch Nederland). Gezinnen met een laag of middeninkomen komen daarnaast in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van de Wet op het kindgebonden budget (WKB).

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de tegemoetkoming met uitkeringsregelingen. Hij is in deze rol verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de tegemoetkoming op grond van de AKW, de WKB en de kinderbijslagvoorziening BES;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de AKW door de SVB;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor de rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de WKB door het directoraat-generaal Toeslagen.

C. Beleidswijzigingen

Niet-indexeren kindbedragen kinderbijslag

De bedragen in de Algemene Kinderbijslagwet worden in 2022 en 2023 niet geïndexeerd en in 2024 met 0,1%-punt minder geïndexeerd. Dit betekent dat met ingang van 2022 het basiskinderbijslagbedrag in de Algemene Kinderbijslagwet niet wordt geïndexeerd (per januari en juli). Ook het extra bedrag aan kinderbijslag waarvoor alleenstaanden of alleenverdienende ouders met een thuiswonend kind dat intensieve zorg nodig heeft in aanmerking komen, wordt niet geïndexeerd. Deze maatregel maakt onderdeel uit van een pakket aan maatregelen om middelen vrij te maken voor investeringen in de uitvoeringsorganisaties en het betaald ouderschapsverlof.

Positieve uitzondering koppelingsbeginsel WKB

Gezinnen met kinderen waarin één van de partners geen verblijfstatus heeft, hebben geen recht op WKB. Deze situatie is een onvoorzien gevolg van het koppelingsbeginsel. Ook de Nationale Ombudsman heeft hierover gerapporteerd in het rapport «Nederlandse kinderen ontkoppeld». Vanaf 2022 is het voornemen om voor een dergelijke situatie een positieve uitzondering te maken op het koppelingsbeginsel indien de kinderen wel verblijfsrecht hebben. Hiermee wordt het onvoorziene gevolg verholpen.

Verhoging kindbedrag WKB vanaf het 2e kind

De bedragen per kind die ouders maximaal aan kindgebonden budget ontvangen worden vanaf het 2e kind per 1 januari 2022 verhoogd met € 70 op jaarbasis. Deze maatregel is onderdeel van het koopkrachtpakket uit de augustusbesluitvorming en draagt daarin bij aan een evenwichtige koopkrachtontwikkeling voor huishoudens met kinderen ten opzichte van huishoudens zonder kinderen. 

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 89 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 10 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

6.553.288

6.516.723

6.479.308

6.421.035

6.413.812

6.389.566

6.386.298

        

Uitgaven

6.553.288

6.516.723

6.479.308

6.421.035

6.413.812

6.389.566

6.386.298

        

Inkomensoverdrachten

       

AKW

3.648.851

3.672.240

3.653.862

3.645.106

3.642.880

3.644.551

3.648.560

WKB

2.899.951

2.840.099

2.820.998

2.771.405

2.766.359

2.740.407

2.733.108

Kinderbijslagvoorziening BES

4.486

4.384

4.448

4.524

4.573

4.608

4.630

        

Ontvangsten

198.758

194.317

188.276

183.997

180.941

179.854

179.111

        

Ontvangsten

       

Terugontvangsten

198.758

194.317

188.276

183.997

180.941

179.854

179.111

Budgetflexibiliteit

De uitgaven op artikel 10 Tegemoetkoming ouders zijn voor 100% juridisch verplicht voor het jaar 2022. Per financieel instrument wordt de budgetflexibiliteit onderstaand toegelicht.

Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op huidige wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten AKW, kinderbijslagvoorziening BES en WKB.

E. Toelichting op de financiële instrumenten
Inkomensoverdrachten
Algemene Kinderbijslagwet (AKW)

De AKW biedt ouders of verzorgers een tegemoetkoming in de kosten die het opvoeden en verzorgen van kinderen onder de 18 jaar met zich mee brengt. De AKW wordt uitgevoerd door de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Ouders van kinderen tot 18 jaar hebben recht op kinderbijslag. Het recht op kinderbijslag vervalt indien ouders valt te verwijten dat hun kind niet voldoet aan de Leerplichtwet.

Hoe hoog is de kinderbijslag?

De hoogte van de kinderbijslag hangt af van de leeftijd van het kind. De kinderbijslagbedragen worden doorgaans per 1 januari en 1 juli geïndexeerd. Bij ziekte of handicap, of omdat het kind niet thuis woont om onderwijsredenen, kan onder nadere voorwaarden sprake zijn van dubbele kinderbijslag. Alleenstaande en alleenverdienende ouders van thuiswonende kinderen met ziekte of handicap kunnen onder voorwaarden in aanmerking komen voor een extra tegemoetkoming.

Tabel 90 AKW, netto bedragen per kwartaal (in €)
 

1 juli 2021

Voor kinderen van:

 

0 t/m 5 jaar

224,87

6 t/m 11 jaar

273,05

12 t/m 17 jaar

321,24

Extra tegemoetkoming AKW (jaarbedrag 2021)

2.225,29

Budgettaire ontwikkelingen

Het meerjarige verloop van de uitgaven AKW wordt verklaard door twee effecten. Het aantal kinderen daalt licht tot en met 2023 en neemt vervolgens toe. Daarnaast neemt naar verhouding het aandeel jonge kinderen toe, waardoor het gemiddelde AKW bedrag daalt. Door deze twee effecten dalen de uitgaven tot en met 2024 en nemen daarna licht toe.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal gezinnen en kinderen neemt af als gevolg van demografische ontwikkelingen. Daarnaast is over de afgelopen jaren het aantal kinderen met dubbele AKW gestaag toegenomen, voornamelijk op basis van een intensieve zorg kwalificatie. Het aantal kinderen met dubbele AKW vanwege onderwijsredenen neemt daarentegen juist af. Het aantal gezinnen dat recht heeft op een extra tegemoetkoming AKW is de afgelopen jaren toegenomen onder andere als gevolg van de verruiming van de voorwaarden in 2019 (Kamerstukken II 2017/18, 34 977, nr. 2 en 3) en de toename van het aantal kinderen met een intensieve zorgindicatie, wat een van de voorwaarden is voor de extra tegemoetkoming AKW.

Tabel 91 Kerncijfers AKW
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Aantal gezinnen AKW (x 1.000, jaargemiddelde)

1.884

1.870

1.861

Aantal telkinderen AKW (x 1.000, jaargemiddelde)2

3.342

3.318

3.301

    
 

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Aantal dubbele AKW uitkeringen ( x 1.000, uliomo jaar):

   

Kind uitwonend vanwege onderwijsredenen

1,3

1,1

1,0

Kind thuiswonend met intensieve zorg

29,0

31,0

32,2

Kind uitwonend vanwege ziekte of handicap

1,1

1,1

1,0

    

Extra tegemoetkoming AKW (x 1.000)

8,1

8,8

9,6

X Noot
1

SVB, administratie.

X Noot
2

Een administratieve teleenheid die gebruikt wordt bij het vaststellen van de hoogte van de kinderbijslag. Bijvoorbeeld: een gehandicapt kind geldt voor de kinderbijslag als twee telkinderen waardoor het in aanmerking komt voor dubbele kinderbijslag.

Handhaving

Van de handhavingskengetallen is in de begroting geen raming opgenomen, omdat SZW uitvoeringsorganisaties niet aanstuurt op het aantal geconstateerde fraudegevallen. In het jaarverslag van SZW worden eventuele ontwikkelingen in kengetallen geduid. De ontwikkeling van de kengetallen voor 2020 is toegelicht in het jaarverslag over 2020. 

Tabel 92 Kerncijfers AKW (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

69

67

2

Kennis van de verplichtingen (%)

73

72

2

Opsporing3

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

0,5

0,4

0,3

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)4

2,2

9

3,0

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

1,5

4,9

2,3

Sanctionering3

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

3,1

8,6

3,9

Aantal boetes (x 1.000)

1,0

1,6

0,6

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,3

0,4

0,2

  

Ontstaansjaar vordering

  

2018

2019

2020

Terugvordering3

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2020 (%)

59

49

33

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

Dit cijfer is niet langer beschikbaar. De AKW zal niet langer deel uitmaken van het onderzoek kennis der verplichtingen omdat de wet na afschaffing van de bijverdiengrens voor 16/17 jarige te weinig verplichtingen kent om zinvol onderzoek naar te verrichten.

X Noot
3

SVB, jaarverslag.

X Noot
4

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Wet kinderbijslagvoorziening BES

De kinderbijslagvoorziening BES biedt ouders of verzorgers die op Bonaire, Sint Eustatius en Saba wonen een tegemoetkoming voor de kosten van opvoeding en verzorging van kinderen die nog geen 18 jaar zijn.

Wie komt er voor in aanmerking?

Ouders of verzorgers van kinderen tot 18 jaar die ingezetene zijn van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Hoe hoog is de kinderbijslagvoorziening BES?

De hoogte van het bedrag bedraagt in 2021 $ 85 op Bonaire en $ 87 op Sint Eustatius en $ 86 op Saba per kind per maand. De definitieve hoogte van de kinderbijslagvoorziening voor 2022 wordt aan de hand van de ontwikkeling van het consumentenprijs-indexcijfer bepaald.

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van demografische ontwikkelingen stijgen de uitgaven voor de Kinderbijslagvoorziening BES in 2022 en latere jaren in lichte mate.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 93 Kerncijfers Wet kinderbijslagvoorziening BES
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Aantal kinderen kinderbijslagvoorziening BES (x 1.000, ultimo)

4,7

4,7

4,7

X Noot
1

RCN-unit SZW.

Wet op het Kindgebonden Budget (WKB)

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke tegemoetkoming van de overheid in de kosten van kinderen voor gezinnen tot een bepaald inkomen en vermogen. De WKB wordt uitgevoerd door het directoraat-generaal Toeslagen van het Ministerie van Financiën. Indien sprake is van een aanvulling op buitenlandse gezinstoeslagen, is de SVB verantwoordelijk voor de uitbetaling van de WKB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Ouders of verzorgers van kinderen tot 18 jaar, die in aanmerking komen voor kinderbijslag, kunnen het kindgebonden budget krijgen, afhankelijk van de hoogte van het inkomen en vermogen.

Hoe hoog is het kindgebonden budget?

De hoogte van het kindgebonden budget hangt af van het aantal kinderen, de leeftijd van de kinderen, het (gezamenlijke) inkomen en vermogen van de ouders en de leefvorm van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. Als het (gezamenlijke) inkomen hoger is dan € 21.836 (alleenstaande) of € 38.854 (aanvrager met toeslagpartner) (bedragen 2021) wordt het kindgebonden budget geleidelijk minder. Voor iedere € 100 boven dit inkomen, wordt het kindgebonden budget € 6,75 lager. Indien het (gezamenlijk) vermogen op de peildatum 1 januari 2021 hoger is dan € 118.479 (alleenstaande) of € 149.819 (aanvrager met toeslagpartner), vervalt het recht op kindgebonden budget voor 2021. De bedragen van het kindgebonden budget worden per 1 januari aangepast aan de prijsontwikkelingen.

Tabel 94 WKB, netto maximum bedragen per jaar (in €)
 

1 januari 2021

Een gezin met:

 

1 kind

1.204

  

Verhoging 2e kind (extra bedrag per jaar)

1.022

Verhoging 3e kind (extra bedrag per jaar)

919

Verhoging ieder volgend kind (extra bedrag per jaar)

919

  

Extra verhoging 12-15-jarigen1

247

Extra verhoging 16-17-jarigen2

441

Extra verhoging alleenstaande ouder

3.242

X Noot
1

Ten opzichte van bovengenoemde bedragen

X Noot
2

Ten opzichte van bovengenoemde bedragen

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven WKB nemen vanaf 2022 licht af. Meerjarig wordt een gunstige conjuncturele ontwikkeling verwacht, waardoor inkomens stijgen en de uitgaven WKB licht dalen. Daarnaast speelt mee dat de verwachte uitgaven in 2021 hoger zijn vanwege uitgaven voor de WKB-herstelactie.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal huishoudens en kinderen neemt licht af als gevolg van demografische ontwikkelingen. Het aantal alleenstaande ouders is stabiel.

Tabel 95 Kerncijfers WKB
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Aantal huishoudens WKB (x 1.000, jaargemiddelde)

974

969

951

Aantal kinderen WKB (x 1.000, jaargemiddelde)

1.782

1.775

1.763

Aantal alleenstaande ouders WKB (x 1.000, jaargemiddelde)

342

341

340

X Noot
1

Ministerie van Financiën, Toeslagen. Het betreft gegevens voor (verwachte) toegekende toeslagen per berekeningsjaar. De realisatiecijfers van 2020 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen bij het definitief vaststellen van het recht op toeslag.

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen grotendeels de ontvangsten ten gevolge van terugvorderingen van het kindgebonden budget. Nadat de toeslagen definitief zijn toegekend worden terugvorderingen ingesteld bij de huishoudens die meer hebben ontvangen dan waar ze recht op hadden op basis van hun vastgestelde inkomen. Omdat de definitieve afrekening achteraf plaatsvindt, zijn de ontvangsten in een bepaald jaar veelal gebaseerd op definitieve afrekeningen van eerdere jaren. Voor de komende jaren wordt een stabiel niveau van de ontvangsten verwacht.

3.11 Artikel 11 Uitvoering

A. Algemene doelstelling

De overheid voorziet de uitvoeringsorganisaties van financiële middelen voor een rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering van socialezekerheidsregelingen, binnen de kaders die de overheid stelt.

De uitvoering van de socialezekerheidswetten vindt mede plaats door ZBO’s en RWT’s. De Minister van SZW bepaalt de kaders waarbinnen de uitvoering tot stand komt en stelt uitvoeringsbudget ter beschikking aan Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) inclusief het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI), de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en het Inlichtingenbureau (IB). Hij maakt daarbij prestatieafspraken en stuurt op rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering. Hiertoe is een planning- en controlcyclus ingericht tussen de uitvoeringsorganen en het ministerie.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor het doen uitvoeren van de sociale‐ zekerheidswetgeving door de uitvoeringsorganen en draagt zorg voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving (wet SUWI) waarbinnen de uitvoeringsorganen opereren;

  • de vormgeving van het stelsel van socialezekerheidswetten die UWV en de SVB uitvoeren;

  • de vaststelling van de budgetten die aan UWV, de SVB en het IB beschikbaar worden gesteld met daarbij passende prestatieafspraken;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering door UWV, de SVB en het IB en de verantwoording daarover;

  • de vaststelling van de omvang van de middelen die aan de Landelijke Cliëntenraad (LCR) beschikbaar worden gesteld.

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Prestatie-indicatoren UWV en SVB

In onderstaande tabellen zijn indicatoren voor UWV en de SVB weergegeven die de doelmatigheid, rechtmatigheid en klantgerichtheid van de uitvoering weergeven.

Tabel 96 Indicatoren uitvoering UWV
 

Realisatie 20201

Streefwaarde 20212

Streefwaarde 20223

Doelmatigheid: Percentage realisatie uitvoeringskosten binnen budget

96

100

100

Rechtmatigheid: Percentage rechtmatigheid

994

99

99

Klantgerichtheid: Cijfer klanttevredenheid uitkeringsgerechtigden

7,4

7

7

X Noot
1

UWV, jaarverslag 2020.

X Noot
2

UWV, jaarplan 2021.

X Noot
3

Deze streefcijfers worden opgenomen in het jaarplan 2022 van UWV.

X Noot
4

In dit cijfer is niet de rechtmatigheid van de NOW- subsidieverstrekking meegenomen. In het jaarverslag van het UWV wordt dit nader toegelicht.

Tabel 97 Indicatoren uitvoering SVB
 

Realisatie 20201

Streefwaarde 20212

Streefwaarde 20223

Doelmatigheid: Reële efficiëntiegroei

5,6

1,5

4

Rechtmatigheid: Percentage rechtmatigheid

100

99

99

Klantgerichtheid: Cijfer klanten

8,2

8

8

X Noot
1

SVB, Jaarverslag 2020.

X Noot
2

SVB, jaarplan 2021.

X Noot
3

Deze streefcijfers worden opgenomen in het jaarplan 2022 van de SVB.

X Noot
4

Norm was 1,5% efficiency-groei (kostenbesparing los van volume- en beleidswijzigingen) voor de grote wetten, uitzonderingen op specifieke wetten. Op dit moment wordt in samenwerking met de SVB gesproken over een aangepaste set indicatoren. Dit traject loopt nog en voor 2023 wordt gewerkt aan een nieuwe indicator voor doelmatigheid. Voor 2022 is afgesproken dat de SVB rapporteert over efficiency, maar er is geen norm afgesproken.

C. Beleidswijzigingen

Stand van de uitvoering sociale zekerheid

In de Stand van de uitvoering is veel aandacht voor de extra waarborgen die nodig zijn voor een toekomstbestendige dienstverlening van UWV en SVB. Diverse rapporten hebben laten zien dat er verbeteringen nodig zijn om te komen tot passende overheidsdienstverlening met meer oog voor menselijke maat, zodat burgers niet meer in de knel komen en de dienstverlening krijgen die ze mogen verwachten. De gewenste verbeteringen vergen nieuwe aanpakken en vragen om veel capaciteit van de uitvoeringsorganisaties, het kabinet investeert hierin.

Intensivering uitvoering Sociale Zekerheid

De coronacrisis heeft nogmaals duidelijk gemaakt hoe cruciaal een wendbare uitvoering in de publieke sector is. In de SZW-begroting voor 2021 is vanaf 2022 structureel € 100 miljoen beschikbaar gemaakt om een aantal waarborgen van de continuïteit op orde te brengen. Deze middelen worden ingezet voor financiering van kerntaken zoals artsencapaciteit voor sociaal-medische beoordelingen en de dienstverlening aan gedeeltelijk arbeidsgeschikten en voor het onderhoud en modernisering van de ICT. Naar aanleiding van de kabinetsreactie op het parlementair onderzoek naar de kinderopvangtoeslag heeft het kabinet nog eens € 110 miljoen in 2022 en € 150 miljoen vanaf 2023 beschikbaar gesteld voor de benodigde kwaliteitsimpuls in de dienstverlening en informatiehuishouding van UWV en SVB. Hiermee komt meer ruimte voor persoonlijk contact en maatwerk. Dit leidt tot een hogere kwaliteit van dienstverlening over de volle breedte maar zal ook gebruikt worden om concrete knelpunten op te lossen, bijvoorbeeld voor mensen die werken naast een uitkering en te maken hebben met een ingewikkelde verrekeningssystematiek.4

Re-integratie dienstverlening

De activerende dienstverlening door UWV wordt al enkele jaren grondig onderzocht. Begin 2022 zal naar verwachting zowel het eindrapport van de effectmeting op de WW-dienstverlening als de tussenrapportage van het effect-onderzoek op de WGA-dienstverlening aan de Kamer worden aangeboden. Deze rapportages zullen belangrijke informatiebronnen zijn om de dienstverlening aan werkzoekenden met een WW-uitkering of WGA-uitkering verder door te ontwikkelen.

Sociaal-medische beoordelingen

Op 9 april jl. heeft de Minister van SZW de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het goede en intensieve overleg dat met name met UWV en de Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde (NVVG) is gevoerd over de toekomst van het sociaal-medisch beoordelen (Kamerstukken II 2020/21, 26 448, nr. 645). Het overleg heeft ertoe geleid dat UWV zo snel mogelijk de implementatie zal starten van twee maatregelen:

  • Omslag naar een regiemodel voor sociaal-medische dienstverlening;

  • Effectievere inzet van de verzekeringsarts in de Ziektewet.

In 2021 wordt het regiemodel door UWV verder ontwikkeld door een jaar lang deze nieuwe werkwijzen te gebruiken in twee districten. Op basis van monitoring en evaluatie werkt UWV toe naar gefaseerde landelijke invoering vanaf 2022.

Naar verwachting zal de invoering van een regiemodel en effectievere inzet van de verzekeringsarts in de Ziektewet leiden tot een vermindering van de mismatch tussen het aanbod van en de vraag naar sociaal-medische dienstverlening. Daarnaast wordt de functie van verzekeringsarts hiermee naar verwachting aantrekkelijker en zal UWV met deze veranderingen beter in staat zijn om bij te dragen aan arbeidsparticipatie waar mogelijk en inkomensondersteuning waar nodig.

Handhaving

Het verbeteren van de handhaving bij UWV blijft ook de komende jaren een belangrijk thema. Er is extra budget beschikbaar gesteld om de handhaving verder te versterken. Dit budget zal onder meer worden gebruikt voor de structurele borging van de nieuwe werkwijze inzake risicomanagement, te weten de (her)ijking van misbruikrisico’s en het afwegingskader bij UWV.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 98 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 11 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

589.863

661.860

660.321

586.126

593.747

587.350

586.805

        

Uitgaven

589.977

661.860

661.821

586.126

593.747

587.350

586.805

        

Subsidies (regelingen)

       

Subsidies

0

0

1.500

0

0

0

0

Opdrachten

       

Handhaving en gegevensuitwisseling

0

0

3.173

3.320

3.320

3.320

3.320

Bekostiging

       

Uitvoeringskosten CN

0

0

7.067

5.447

5.464

5.464

5.464

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

       

Uitvoeringskosten UWV

434.577

495.901

469.786

393.125

391.812

388.705

386.486

Uitvoeringskosten SVB

139.415

147.226

166.944

172.515

181.432

178.142

179.816

Uitvoeringskosten IB

15.279

17.883

12.541

10.909

10.909

10.909

10.909

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

       

Landelijk Clientenraad

706

850

810

810

810

810

810

        

Ontvangsten

173

66.221

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

       

Algemeen

173

66.221

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

De uitgaven op artikel 11 Uitvoering zijn voor 99,5% juridisch verplicht voor het jaar 2022. Per financieel instrument wordt de budgetflexibiliteit onderstaand toegelicht.

Subsidies

Het budget voor subsidies is 100% juridisch verplicht. Het betreft een reservering voor de eindafrekening van een subsidie aan de VNG voor de bijdrage aan de infrastructuur Landelijke Interventieteams in de periode 2019-2021.

Opdrachten

Het budget voor activiteiten op het gebied van handhaving en gegevensuitwisseling is voor circa 6% juridisch verplicht.

Bekostiging

Het budget voor bekostiging is 100% juridisch verplicht. Het betreft het uitvoeringsbudget voor de RCN-unit SZW.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

De bijdragen aan ZBO’s zijn 100% juridisch verplicht. Het betreft de uitvoeringsbudgetten van UWV, de SVB en het IB. Deze budgetten worden bij de goedkeuring van de jaarplannen vastgesteld.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

De bijdrage aan nationale organisaties is 100% juridisch verplicht. Het betreft een bijdrage aan de LCR. Het budget wordt bij goedkeuring van het jaarplan vastgesteld.

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 99 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 11 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

1.782.864

1.924.095

2.069.926

2.157.072

2.246.790

2.328.348

2.393.007

        

Uitgaven

1.782.864

1.924.095

2.069.926

2.157.072

2.246.790

2.328.348

2.393.007

        

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

       

Uitvoeringskosten UWV

1.629.664

1.785.413

1.858.966

1.903.201

1.935.446

1.959.416

1.966.039

Uitvoeringskosten SVB

153.200

138.682

158.833

149.167

150.694

150.345

151.364

Uitvoeringskosten UWV nominaal

0

0

48.047

97.147

149.131

203.131

256.058

Uitvoeringskosten SVB nominaal

0

0

4.080

7.557

11.519

15.456

19.546

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

E. Toelichting op de financiële instrumenten
Subsidies

Deze post op de begroting betreft een reservering voor de eindafrekening van een subsidie aan de VNG voor de bijdrage aan de infrastructuur Landelijke Interventieteams in de periode 2019–2021.

Opdrachten

Het beleidsbudget voor handhaving en gegevensuitwisseling bedraagt in 2022 € 3,173 miljoen en € 3,320 miljoen in volgende jaren. Het budget wordt besteed aan diverse activiteiten op het gebied van handhaving, gegevensuitwisseling en ondermijning.

Bekostiging

De RCN-unit SZW is een bij de Rijksdienst Caribisch Nederland gepositioneerd onderdeel van het departement dat namens de minister is belast met uitkeringsverstrekking, vergunningverlening en arbeidsinspectie in Caribisch Nederland. Het budget voor de uitvoeringskosten van de RCN-unit SZW bedraagt in 2022 € 7,1 miljoen. Er zijn in 2022 incidenteel extra middelen ten behoeve van de sociaal-economische agenda op Caribisch Nederland. Vanwege de incidentele extra middelen in 2022 is vanaf 2023 het budget structureel lager.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

De Minister van SZW stelt de financiële kaders vast voor UWV, de SVB en het Inlichtingenbureau, waarbinnen deze organisaties hun jaarplannen dienen op te stellen. Deze financiële kaders hebben alleen betrekking op de uitvoering van SZW-taken door genoemde ZBO’s. In de jaarplannen nemen UWV en de SVB een verdeling van de uitvoeringskosten naar wet en/of fonds op. De Minister stuurt in eerste aanleg op het totaalbudget per organisatie. Uitgangspunt daarbij is dat de organisaties zelfstandig de uitvoering organiseren en over de realisatie via het jaarverslag verantwoording afleggen aan de Minister van SZW.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitvoeringskosten van UWV en de SVB wijzigen gedurende de jaren als gevolg van beleidswijzigingen en van volumeontwikkelingen in de onderscheiden wetten.

Per saldo stijgen de uitvoeringskosten (begrotings- en premiegefinancieerd) van UWV in 2022 met circa € 47 miljoen. Deze ontwikkeling is grotendeels het gevolg van de middelen naar aanleiding van het parlementair onderzoek naar de kinderopvangtoeslag die worden ingezet ten behoeve van de dienstverlening en informatiehuishouding, de subsidieregeling STAP-budget en de neerwaarts bijgestelde volumeontwikkelingen WW.

Per saldo stijgen de uitvoeringskosten (begrotings- en premiegefinancieerd) van de SVB in 2022 met circa € 40 miljoen. Deze stijging is voor een groot deel het gevolg van de kosten die gemaakt worden ter versterking van de ICT en de middelen naar aanleiding van het parlementair onderzoek naar de kinderopvangtoeslag die worden ingezet ten behoeve van de dienstverlening en de informatiehuishouding.

In de tabellen 100 en 101 zijn de uitvoeringskosten van UWV en de SVB toegedeeld aan de onderscheiden wetten en regelingen. Dit is een ex-ante raming op basis waarvan de bekostiging van ZBO’s plaatsvindt. De toedeling is extracomptabel. Hier is de loon- en prijsbijstelling nog niet aan toebedeeld.

Tabel 100 Extracomptabel overzicht begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde uitvoeringskosten UWV (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

        

UWV (incl. BKWI)

2.064.241

2.281.314

2.328.752

2.296.326

2.327.258

2.348.121

2.352.525

        

Begrotingsgefinancierd

434.577

495.901

469.786

393.125

391.812

388.705

386.486

IOW

2.547

2.576

2.815

2.962

3.081

3.193

2.039

Wajong

165.237

180.091

153.408

151.622

151.818

148.937

148.118

Re-integratie Wajong1

110.340

94.117

96.905

97.122

97.413

97.675

97.474

Basisdienstverlening

83.050

106.761

108.881

103.259

102.445

102.875

102.867

Beoordeling gemeentelijke doelgroep

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

Wsw indicatiestelling

2.065

1.332

1.288

1.243

1.200

1.157

1.120

Scholingsbudget WW

780

6.280

0

0

0

0

0

Scholingsexperiment WGA

500

390

595

440

355

0

0

NOW 1.0

19.200

22.600

10.000

0

0

0

0

NOW 2.0

8.200

10.000

10.000

0

0

0

0

NOW 3.0

5.800

18.000

30.000

0

0

0

0

NOW 4.0

0

9.400

10.000

0

0

0

0

TOFA

3.100

200

100

0

0

0

0

MCKW

763

337

291

209

132

0

0

Uitvoering kassierstaak

0

3.300

3.300

1.400

500

0

0

Centrale uitvoering landelijke ondersteuning

0

3.000

3.100

0

0

0

0

Skills en mogelijkheden

0

1.498

235

0

0

0

0

Inzet doelgroep banenafspraak

0

3.100

4.000

0

0

0

0

BKWI

12.908

12.919

14.868

14.868

14.868

14.868

14.868

        

Premiegefinancierd

1.629.664

1.785.413

1.858.966

1.903.201

1.935.446

1.959.416

1.966.039

WW

626.189

886.081

883.443

914.445

934.409

945.553

943.784

ZW

373.890

327.851

349.306

351.701

353.259

365.164

366.304

WAZO

10.521

7.560

7.560

7.560

7.560

7.560

7.560

WAO

68.185

48.525

47.378

45.877

43.977

42.385

40.475

Re-integratie WAZ/WAO/WIA/ZW1

106.626

112.202

113.750

115.910

118.623

121.571

124.266

WGA

335.363

349.841

328.813

333.184

336.509

333.404

336.498

IVA

64.926

51.129

126.593

132.518

139.232

142.027

145.505

WAZ

3.070

2.224

2.123

2.006

1.877

1.752

1.647

Toevoeging aan bestemmingsfonds/egalisatiereserve

40.981

      

Bron: SZW-administratie.

X Noot
1

Dit zijn uitvoeringskosten. Re-integratie in de vorm van voorzieningen en/of trajecten staan weergegeven op beleidsartikel 3. De uitvoeringskosten re-integratie hebben betrekking op de werkzaamheden die UWV verricht ten behoeve van de inkoop van externe re-integratiediensten en de re-integratiedienstverlening voor werkzoekenden in de WIA, WAO en Wajong die UWV zelf aanbiedt.

Tabel 101 Extracomptabel overzicht begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde uitvoeringskosten SVB (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

        

SVB

292.615

285.908

325.777

321.682

332.126

328.487

331.180

        

Begrotingsgefinancierd

139.415

147.226

166.944

172.515

181.432

178.142

179.816

AKW

97.305

101.885

119.555

126.148

134.318

129.920

130.137

TAS

2.980

2.349

1.635

1.562

1.535

1.533

1.533

KOT/WKB

5.634

6.871

5.634

5.634

5.634

5.634

5.634

AIO

30.937

33.600

38.120

37.187

37.979

39.111

40.593

Bijstand buitenland

224

224

224

224

223

224

223

OBR

503

489

0

0

0

0

0

Remigratiewet

1.832

1.808

1.776

1.761

1.743

1.720

1.697

        

Premiegefinancierd

153.200

138.682

158.833

149.167

150.694

150.345

151.364

AOW

144.278

130.213

150.048

140.537

142.065

141.768

142.923

Anw

8.922

8.469

8.785

8.630

8.629

8.577

8.441

Bron: SZW-administratie.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

De Landelijke Cliëntenraad (LCR) is een overlegorgaan ingesteld bij Wet SUWI, waarin landelijke cliëntenorganisaties, vertegenwoordigers van gemeentelijke cliëntenraden en vertegenwoordigers van de centrale cliëntenraden van de SVB en UWV zitting hebben. De LCR heeft tot taak periodiek te overleggen met UWV, de SVB, de gemeenten en de Minister van SZW over onderwerpen op het terrein van werk en inkomen. De Minister van SZW stelt de financiële kaders vast voor de LCR, waarbinnen de LCR een jaarplan dient op te stellen.

3.12 Artikel 12 Rijksbijdragen

A. Algemene doelstelling

De overheid borgt voldoende dekking in sociale fondsen.

De financiering van de sociale fondsen loopt hoofdzakelijk via premie-inning. In een aantal gevallen acht de overheid premieheffing niet wenselijk, bijvoorbeeld om te voorkomen dat premiepercentages blijvend toenemen en daarmee een evenwichtige koopkrachtontwikkeling in de weg staan. In andere gevallen acht de overheid financiering van een regeling via de algemene middelen passender, maar wordt wel gekozen voor uitvoering via de sociale fondsen. De sociale fondsen worden in dat geval via rijksbijdragen voorzien van voldoende financiering.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de sociale fondsen uit de rijksbegroting, al dan niet in aanvulling op premieheffing. Hij is in deze rol verantwoordelijk voor:

  • de vaststelling van de hoogte van de rijksbijdragen aan de desbetreffende sociale fondsen;

  • het betalen van de rijksbijdragen aan de sociale fondsen.

C. Beleidswijzigingen

Per 2022 eindigt de rijksbijdrage aan de compensatieregeling transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid. Deze rijksbijdrage was ingesteld omdat werkgevers in het bijzonder onderwijs wel recht hadden op de compensatieregeling, terwijl ze daar niet aan meebetaalden omdat zij als overheidswerkgever geen premies betalen aan het Algemeen Werkloosheidsfonds. Als gevolg van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren kunnen inmiddels ook overheidswerkgevers gebruik maken van de compensatieregeling. De financiering van de compensatieregeling loopt sindsdien via de premie voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds. Ook overheidswerkgevers betalen deze premie, waardoor de rijksbijdrage niet meer nodig is.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 102 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 12 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

20.184.827

23.166.151

22.837.601

23.067.420

23.515.402

24.455.463

25.455.914

        

Uitgaven

20.162.857

23.166.151

22.837.601

23.067.420

23.515.402

24.455.463

25.455.914

        

Bijdrage aan sociale fondsen

       

Kosten heffingskortingen AOW

2.029.300

2.337.200

2.392.300

2.454.400

2.524.600

2.590.800

2.659.000

Vermogenstekort Ouderdomsfonds

17.851.600

20.561.200

20.197.600

20.358.700

20.729.700

21.599.400

22.529.300

Tegemoetkoming arbeidsongeschikten

160.161

158.348

162.022

165.170

168.106

169.886

170.811

Zwangere zelfstandigen

81.235

87.433

85.679

89.150

92.996

95.377

96.803

Transitievergoeding

40.561

21.970

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

2.052

2.143

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

       

Algemeen

2.052

2.143

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

De uitgaven op artikel 12 Rijksbijdragen zijn voor 100% juridisch verplicht voor het jaar 2022. Per financieel instrument wordt de budgetflexibiliteit onderstaand toegelicht.

Bijdrage aan sociale fondsen

De bijdragen aan sociale fondsen zijn 100% juridisch verplicht. De rijksbijdrage in de kosten van heffingskortingen AOW en het vermogenstekort Ouderdomsfonds zijn juridisch verplicht volgens de Wet financiering sociale verzekeringen. De rijksbijdrage tegemoetkoming arbeidsongeschikten is juridisch verplicht volgens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De rijksbijdrage zwangere zelfstandigen is juridisch verplicht volgens de Wet arbeid en zorg. Hoofdstuk 5.1, Sociale fondsen SZW, gaat nader in op de financiering van de sociale fondsen.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Bijdrage aan sociale fondsen

Rijksbijdrage in de kosten van heffingskortingen AOW

Deze rijksbijdrage compenseert de gewijzigde premieopbrengst die het gevolg is van de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001. De hoogte van deze rijksbijdrage wordt jaarlijks aangepast aan de geraamde kosten van de heffingskortingen en eventuele wijzigingen van de belasting- en premietarieven in de eerste schijf.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de BIKK AOW nemen in 2022 licht toe. Dat komt doordat de omvang van de heffingskortingen toeneemt. En dat komt voornamelijk doordat de hoogte van de arbeidskorting en de algemene heffingskorting jaarlijks worden geindexeerd. De rijksbijdrage in de kosten van heffingskortingen stijgt dan mee.

Rijksbijdrage vermogenstekort Ouderdomsfonds

De uitgaven uit het Ouderdomsfonds worden grotendeels gedekt door de premie-inkomsten. De hoogte van de AOW-premie is echter wettelijk gemaximeerd om te voorkomen dat de groeiende AOW-uitgaven leiden tot een alsmaar stijgende AOW-premie en een onevenwichtige koopkrachtontwikkeling. Dit leidt tot een jaarlijks exploitatietekort in het Ouderdomsfonds. De rijksbijdrage Ouderdomsfonds is bedoeld om het exploitatietekort in het Ouderdomsfonds aan te vullen zodat dat fonds gemiddeld genomen een neutrale vermogenspositie heeft.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de rijksbijdrage vermogenstekort Ouderdomsfonds worden voor 2022 iets lager geraamd dan voor 2021. Dat komt voornamelijk doordat de rijksbijdrage in 2021 hoger is vastgesteld omdat het Ouderdomsfonds in 2020 een vermogenstekort had. Dat gerealiseerde tekort is in 2021 via de rijksbijdrage aangevuld, waardoor deze in 2021 dus hoger is. Daar staat tegenover dat voor 2022 de premie-opbrengsten iets lager worden geraamd dan voor 2021. Ook nemen de uitgaven vanuit het Ouderdomsfonds (de Aow-uitkeringen) door vergrijzing jaarlijks toe. Beide factoren zorgen voor een hogere rijksbijdrage.

Rijksbijdrage tegemoetkoming arbeidsongeschikten

De tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten is onderdeel van de WIA, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), de WAZ en WAO. De tegemoetkomingen voor de categorieën WAO, WAZ, IVA en WGA worden gefinancierd uit een rijksbijdrage die in het Toeslagenfonds wordt gestort. Daarnaast financiert deze rijksbijdrage de uitvoeringskosten van UWV aan de tegemoetkoming. De tegemoetkomingen voor arbeidsongeschikten worden verantwoord op de beleidsartikelen 3 en 4.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de AO-tegemoetkoming, en daarmee ook de rijksbijdrage, stijgen de komende jaren licht. Dat komt door de geraamde stijging van het aantal rechthebbenden in de onderliggende regelingen.

Rijksbijdrage zwangere zelfstandigen

De regeling Zelfstandig en Zwanger (ZEZ) voorziet in een uitkering aan zelfstandigen voorafgaand aan en volgend op de bevalling (zie ook beleidsartikel 6). Deze regeling wordt gefinancierd via een rijksbijdrage aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds. Ook de uitkeringen voor zwangere alfahulpen worden via deze rijksbijdrage gefinancierd. In deze rijksbijdrage zijn daarnaast de uitvoeringskosten van UWV opgenomen.

Budgettaire ontwikkelingen

De geraamde uitgaven aan de ZEZ zijn de komende jaren redelijk constant.

Rijksbijdrage transitievergoeding

De Wet transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid regelt vanaf 1 april 2020 compensatie voor werkgevers voor verstrekte transitievergoedingen aan werknemers van wie de dienstbetrekking is geëindigd na langdurige arbeidsongeschiktheid. De regeling kent terugwerkende kracht tot 1 juli 2015. De compensatieregeling wordt grotendeels gefinancierd via werkgeverspremies. Voor een klein deel is er een rijksbijdrage aan het Algemeen Werkloosheidsfonds.

Budgettaire ontwikkelingen

De rijksbijdrage transitievergoeding wordt per 2022 beëindigd. Deze rijksbijdrage is niet meer nodig omdat ook overheidswerkgevers tegenwoordig een beroep kunnen doen op de compensatieregeling. Daarom wordt de regeling niet meer gefinancierd via een iets hogere Awf-premie maar via een lichte verhoging van de Aof-premie. Ook overheidswerkgevers betalen de Aof-premie, waardoor de compensatieregeling nu volledig uit premies is gefinancierd, en een rijksbijdrage dus niet meer nodig is. Zie ook de toelichting bij het onderdeel beleidswijzigingen in dit artikel.

3.13 Artikel 13 Integratie en maatschappelijke samenhang

A. Algemene doelstelling

De overheid bevordert de maatschappelijke samenhang en sociale stabiliteit door participatie en inburgering van iedereen met een migratieachtergrond en het doen accepteren van culturele diversiteit in de samenleving.

In het integratiebeleid ligt de nadruk op het creëren van sociale stabiliteit in een samenleving die in cultureel opzicht steeds meer divers wordt. Een sociaal stabiele samenleving houdt in dat:

  • mensen zelfredzaam zijn en zonder belemmeringen kunnen meedoen;

  • zij in al hun verscheidenheid met elkaar samenleven;

  • iedereen zich thuisvoelt ongeacht herkomst, religie of levensovertuiging.

Dit wordt gerealiseerd door:

  • het bevorderen van samenhang en het voorkomen van maatschappelijke spanningen;

  • het werken aan een evenredige positie en participatie in de Nederlandse samenleving en aan een evenredig bereik en effectiviteit van voorzieningen voor alle burgers in Nederland;

  • het ervoor zorgen dat nieuwkomers snel de Nederlandse taal machtig zijn en kennis hebben van de Nederlandse samenleving.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert met behulp van onder andere financiële instrumenten de zelfredzaamheid en deelname aan de samenleving van migranten, en het samenleven met elkaar in de diverse samenleving. De samenlevingsvraagstukken verschillen per gemeente of regio. De rol van de Minister bij het oplossen hiervan is een faciliterende. Hij financiert een uitkeringsregeling (Remigratiewet), een leenstelsel voor degenen die moeten inburgeren en voorinburgering en maatschappelijke begeleiding voor nieuwkomers. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het inburgeringsstelsel;

  • de visie en samenhang van het integratiebeleid en de daarvoor benodigde kennis;

  • het aanspreken van de vakdepartementen op hun verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat reguliere voorzieningen toegankelijk en effectief zijn voor alle burgers;

  • de uitvoering van de Remigratiewet, de Wet inburgering en de Wet inburgering buitenland.

Voor personen die vóór 1 januari 2022 inburgeringsplichtig worden, ligt de uitvoering van het inburgerings (onder meer examens)- en leenstelsel bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en de uitvoering van de voorinburgering bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA). Voor personen die vanaf 1 januari 2022 inburgeringsplichtig worden krijgen gemeenten de regierol over de uitvoering van inburgering. DUO blijft ook in het nieuwe stelsel een belangrijke ketenpartner en is verantwoordelijk voor onder andere het vaststellen van de inburgeringsplicht, het vaststellen van de inburgeringstermijnen, de verlenging daarvan, het laten afnemen van examens en de handhaving van de inburgeringsplicht aan het einde van het inburgeringstraject. Het COA blijft voorinburgering aanbieden in nauw contact met gemeenten. De Minister van OCW is eigenaar van DUO en de Minister van J&V is eigenaar van COA. Vanuit deze rol zijn laatstgenoemde ministers verantwoordelijk voor de kwaliteit en continuïteit van de uitvoering en daaronder valt de dienstverlening van DUO respectievelijk COA aan het Ministerie van SZW. Gemeenten krijgen middelen voor uitvoeringskosten via het Gemeentefonds en middelen voor inburgeringsvoorzieningen via een specifieke uitkering.

C. Beleidswijzigingen

Op 1 januari 2022 treedt het nieuwe inburgeringsstelsel in werking. Voor inburgeraars die voor die tijd inburgeringsplichtig zijn geworden, blijft de Wi2013 van toepassing. In het nieuwe stelsel krijgen gemeenten de regie over de uitvoering van inburgering.

In het programma Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt (VIA) is in een achttal pilots onderzocht ‘wat werkt’ om de arbeidsmarktpositie en –participatie van mensen met een migratieachtergrond te verbeteren. Om de lessen uit de pilots in de praktijk te laten landen is met 20 landelijke partijen in de Taskforce Werk & Integratie (sociale partners, gemeente- en onderwijskoepels, UWV, de uitzendbranche, vluchtelingenorganisatie en de Ministeries van SZW en OCW) een werkagenda ontwikkeld. Met een monitor worden ontwikkelingen in de arbeidsmarktpositie van mensen met een (niet-westerse) migratieachtergrond gevolgd.

Toenemende sociaaleconomische ongelijkheid, dalend vertrouwen in de overheid, zoektocht naar identiteit en ervaren vormen van onrecht kunnen polarisatieprocessen versnellen. De ‘sociale weerbaarheidsagenda’ richt zich, vanuit diversiteitsperspectief, op het versterken van (kennis over) democratische waarden én op het versterken van de weerbaarheid en veerkracht onder (kwetsbare) doelgroepen zodat strafbaar of problematisch gedrag, ongewenste buitenlandse invloeden en radicalisering minder kans krijgen zich te ontwikkelen. Hiervoor wordt de Brede Weerbaarheidsagenda 2021-2025 ontwikkeld (Kamerstukken II 2019/20, 30 821, nr. 114). Het geeft aan hoe de Rijksoverheid deze versterking in samenwerking met andere partijen invulling geeft.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 103 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 13 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

179.789

216.556

373.769

318.793

283.441

260.600

256.358

        

Uitgaven

181.996

210.056

373.769

320.793

284.441

261.600

257.358

        

Inkomensoverdrachten

       

Remigratiewet

41.400

40.492

39.566

38.731

37.711

36.556

35.574

Inburgering

3

0

0

0

0

0

0

Subsidies (regelingen)

       

Opbouw kennisfunctie integratie

2.763

2.912

2.600

2.250

2.250

2.250

2.250

Vluchtelingenwerk Nederland

1.084

1.097

1.032

1.032

1.032

1.032

1.032

Overige subsidies algemeen

9.658

15.044

6.758

2.520

1.500

1.500

1.500

Vroege Integratie en Participatie

0

3.800

3.800

3.800

3.800

3.800

3.800

Opdrachten

       

Inburgering en Integratie

9.031

19.299

21.813

11.813

12.063

10.863

11.863

Remigratie

1.619

1.600

1.700

1.700

1.700

1.700

1.700

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

       

COA

14.215

19.334

16.490

16.161

16.161

16.161

16.161

Bijdrage aan agentschappen

       

Agentschap DUO

22.976

26.997

22.917

21.217

19.517

19.517

19.517

Bijdrage aan medeoverheden

       

Gemeenten maatschappelijke begeleiding

0

0

40.646

0

0

0

0

Gemeenten inburgeringsvoorzieningen

0

0

112.423

155.672

160.772

155.163

153.378

Leningen

       

DUO

79.247

79.481

104.024

65.897

27.935

13.058

10.583

        

Ontvangsten

5.068

1.188

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

        

Ontvangsten

       

Algemeen

552

0

0

0

0

0

0

Leningen

4.516

1.188

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

Budgetflexibiliteit

De uitgaven op artikel 13 Integratie en maatschappelijke samenhang zijn voor 97,5% juridisch verplicht voor het jaar 2022. Per financieel instrument wordt de budgetflexibiliteit hieronder toegelicht.

Inkomensoverdrachten

De Inkomensoverdrachten volgen uit wet- en regelgeving op het terrein van de Remigratiewet en zijn daarmee voor 100% juridisch verplicht.

Subsidies

De subsidies zijn voor 67% juridisch verplicht. De subsidies voor opbouw kennisfunctie integratie, Vluchtelingenwerk Nederland en vroege integratie en participatie zijn gebaseerd op meerjarige afspraken met de ontvangende organisaties. Van de post overige subsidies algemeen is 30% juridisch verplicht.

Opdrachten

De opdrachtenbudgetten zijn voor 80% verplicht. De middelen voor opdrachten zijn voor het onderdeel Remigratie geheel juridisch verplicht. De overige middelen zijn voor een groot deel benodigd om noodzakelijke uitgaven te doen in het kader van de inburgeringsexamens en het beheer van het examen- en leenstelsel.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

De bijdrage aan ZBO’s is bedoeld voor de uitvoering van de voorinburgering door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en is daarmee 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan agentschappen

De bijdrage aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) ten behoeve van het beheer van het examenstelsel en de uitvoering van het leenstelsel is gebaseerd op gemaakte afspraken en daarmee 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan medeoverheden

De maatschappelijke begeleiding door gemeenten is vastgelegd in de inburgeringswet. De specifieke uitkering aan gemeenten ten behoeve van inburgeringsvoorzieningen in het nieuwe stelsel is onderdeel van de nieuwe Wet inburgering. Daarmee zijn deze uitgaven 100% juridisch verplicht.

Leningen

Het leenstelsel is gebaseerd op de Wet Inburgering 2013 en daarmee zijn de uitgaven in de vorm van leningen 100% juridisch verplicht.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Het integratiebeleid, dat de maatschappelijke samenhang en sociale stabiliteit bevordert, heeft als einddoel dat groepen met een migratieachtergrond dezelfde maatschappelijke positie innemen als groepen zonder migratieachtergrond. Dit doel komt dichterbij als de verschillen tussen de groepen afnemen. Drie belangrijke indicatoren hiervoor zijn de arbeidsparticipatie, de werkloosheid en het aandeel leerlingen dat in het voortgezet onderwijs de hogere vormen (havo en vwo) volgt.

De figuren 5, 6 en 7 presenteren de ontwikkeling in deze indicatoren: de aandelen van de bevolking met betaald werk, het werkloosheidspercentage en het aandeel leerlingen in de derde klas van het voortgezet onderwijs dat havo of vwo volgt naar achtergrond, generatie en (school-) jaar. De figuren laten verschillen zien zowel tussen de uiteenlopende herkomstgroepen als tussen de generaties binnen dezelfde herkomstgroep.

Figuur 5 Kerncijfers integratie: netto arbeidsparticipatie5 (%)

Bron: CBS, Kernindicatoren Integratie.

Figuur 6 Kerncijfers integratie: werkloze beroepsbevolking6 (%)

Bron: CBS, Kernindicatoren Integratie.

Figuur 7 Kerncijfers integratie: Aandeel havo/vwo-leerlingen in het 3e leerjaar van het voortgezet onderwijs (%)

Bron: CBS, Kernindicatoren Integratie.

Inkomensoverdrachten

Een remigratievoorziening is een maandelijkse uitkering op grond van de Remigratiewet met eventueel een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering. Deze uitkering geldt voor personen die naar Nederland kwamen voor arbeid en vestiging, maar nu een dringende wens tot terugkeer hebben, omdat zij in een uitzichtloze en afhankelijke situatie (uitkering) verkeren en zelf hun remigratie niet kunnen bekostigen. Om voor een dergelijke uitkering in aanmerking te komen gelden criteria zoals leeftijd, verblijfsduur in Nederland, doelgroep en herkomstland. Met de wijziging van de Remigratiewet per 1 juli 2014 zijn de criteria om in aanmerking te komen voor een remigratievoorziening aangescherpt. Daarnaast vervalt per 1 januari 2025 de mogelijkheid om een beroep te doen op een remigratievoorziening.

Budgettaire ontwikkelingen

De budgettaire reeks is gebaseerd op ramingen van de SVB.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 104 Kerncijfers Remigratie
 

Realisatie 20201

Raming 2021

Raming 2022

Aantal remigranten met een periodieke uitkering ( x 1.000 personen, ultimo)2

14

13

13

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

X Noot
2

Inclusief nihil-uitkeringen: de remigrant heeft recht op een remigratie-uitkering, maar na verrekening van andere, exporteerbare uitkeringsgelden wordt het bedrag op nihil vastgesteld.

Subsidies

De post subsidies bestaat uit de jaarlijkse subsidies voor het Kennisplatform Integratie en Samenleving, de steunfunctie helpdesk Vluchtelingenwerk en activiteiten in het kader van de vroege integratie en participatie van statushouders en kansrijke asielzoekers.

In 2022 is de post «Overige subsidies algemeen» lager dan in 2021. Dit houdt verband met een aantal incidentele subsidies dat in 2021 is toegekend in verband met de implementatie van het nieuwe inburgeringsstelsel.

Opdrachten

Uit het reguliere budget worden aanbestedingen bekostigd in verband met ontwikkeling, onderhoud en vernieuwing van inburgeringsexamens, onderzoek en methodiekontwikkeling, en voorlichting op het terrein van integratieonderwerpen (weerbare samenleving en sociale stabiliteit, tegengaan van sociale spanningen binnen een sociaal diverse samenleving, et cetera).

In 2022 is het budget Opdrachten iets hoger dan in 2021. Dit houdt verband met ICT-gerelateerde implementatieactiviteiten ten behoeve van het nieuwe inburgeringsstelsel. Hiervoor zijn incidentele middelen beschikbaar gesteld. Na 2022 neemt de budgettaire reeks af.

Tabel 105 Kerncijfers inburgering
 

Realisatie 2020

Raming 2021

Raming 2022

Inburgeringsplichtige nieuwkomers die een kennisgeving van DUO krijgen (x 1.000 personen, ultimo)

211

27

21

Inburgeraars die slagen voor het inburgeringexamen(x 1.000 personen, ultimo)2

181

16

18

Asielgerechtigde nieuwkomers die deelnemen aan de voorbereiding op inburgering in de opvang van COA (x 1.000 personen, ultimo)

4,53

6,7

6,3

Asielgerechtigde nieuwkomers die deelnemen aan de maatschappelijke begeleiding door gemeenten (x 1.000 personen, ultimo)

91

17

13

X Noot
1

DUO, informatiesysteem Inburgering.

X Noot
2

Dit kan zowel op A2 niveau zijn als op niveau Staatsexamen B1 of B2.

X Noot
3

COA, voortgangsrapportages.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Het Ministerie van SZW verstrekt het COA jaarlijks een bijdrage voor de voorinburgering van asielmigranten in de AZC’s. De budgettaire reeks is gebaseerd op uitvoeringsrapportages van het COA.

Bijdrage aan agentschappen

DUO voert het examen- en leenstelsel inburgering uit. Ook vervult dit agentschap taken op het vlak van de handhaving inburgeringsplicht. DUO ontvangt hiervoor een bijdrage van het Ministerie van SZW. Het jaar 2022 is een overgangsjaar waarin DUO activiteiten uitvoert voor zowel het oude als het nieuwe inburgeringsstelsel.

In 2022 is het geraamde budget voor DUO lager dan in 2021. De belangrijkste reden hiervoor is de extra inzet van DUO in 2021 om de door corona opgelopen achterstanden bij de examens weg te werken. Daarnaast is er voor 2021 en in mindere mate voor 2022 en 2023 budget gereserveerd voor de implementatie van het nieuwe inburgeringsstelsel.

Bijdrage aan medeoverheden

Het Ministerie van SZW verstrekt gemeenten via een decentralisatie uitkering (DU) financiële middelen voor het verlenen van maatschappelijke begeleiding aan inburgeringsplichtige vergunninghouders die zich in een gemeente vestigen. Voor vergunninghouders die na inwerkingtreding van de nieuwe Wet inburgering de inburgeringsplicht krijgen opgelegd, wordt de financiële bijdrage voor maatschappelijke begeleiding onderdeel van de specifieke uitkering voor inburgeringsvoorzieningen.

De specifieke uitkering voor inburgeringsvoorzieningen wordt vanaf 2022 aan gemeenten verstrekt ter financiering van voorzieningen die bijdragen aan het behalen van de inburgeringsplicht. De raming van dit budget is gebaseerd op de Meerjaren Productie Prognose van het Ministerie van J&V en een inschatting van het aantal gezins- en overige migranten op basis van historische gegevens. Ten opzichte van de vorige begroting is de raming naar boven bijgesteld als gevolg van een hogere volumeprognose en een aanpassing voor de loon- en prijsontwikkeling.

Leningen

Het Ministerie van SZW verleent – indien zij of hun partner niet over voldoende financiële middelen beschikken – via DUO leningen aan migranten met de plicht tot inburgering. Het leenstelsel hanteert het draagkrachtbeginsel. Asielmigranten die met succes en tijdig hun inburgering afronden hoeven de lening niet terug te betalen. Voor statushouders die onder het nieuwe stelsel vallen, komt een inburgeringsaanbod van gemeenten in de plaats van de lening. De groep overige migranten zal ook in het nieuwe stelsel gebruik kunnen maken van een sociale lening. Terugbetaling vindt in beginsel plaats in termijnen voor de duur van 10 jaar. Ook inburgeraars die eerst gealfabetiseerd moeten worden, kunnen van het leenstelsel gebruik maken.

Vanwege het uitfaseren van het huidige inburgeringsstelsel is de budgettaire reeks voor leningen aflopend en resteren structureel enkel de leningen aan gezins- en overige migranten. Als gevolg van de coronamaatregelen is er in 2020 minder gebruik gemaakt van inburgeringsleningen. De verwachting is dat er in de jaren 2021 t/m 2023 sprake zal zijn van een inhaaleffect. Daarom is de raming voor die jaren naar boven bijgesteld.

Tabel 106 Kerncijfers leningen
 

Realisatie 2020

Raming 2021

Raming 2022

Toegekende leningen

   

Aantal aan inburgeraars toegekende leningen (x 1.000 personen, ultimo)

11

20

4

    

Terugbetaalde leningen

   

Aantal terugbetalende inburgeraars die in het betreffende jaar een terugbetaling op hun lening doen (x 1.000 personen, ultimo)

18

18

21

    

Kwijtgescholden leningen

   

Aantal inburgeraars met kwijtgescholden lening (x 1.000 personen, ultimo)

18

18

20

Totaalbedrag kwijtgescholden leningen inclusief rente (x € 1 mln)

154

154

170

Ontvangsten

De ontvangsten op dit artikel bestaan uit terugbetalingen van leningen. Op de leningen die terugbetaald moeten worden is het draagkrachtbeginsel van toepassing. De verwachting is daarom dat de ontvangsten beperkt zullen zijn.

4. Niet-beleidsartikelen

4.1 Artikel 96 Apparaat Kerndepartement

A. Budgettaire gevolgen

Tabel 107 Budgettaire gevolgen artikel 96 Apparaat Kerndepartement (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

403.751

441.748

473.679

458.227

452.386

447.761

444.002

        

Uitgaven

387.486

441.838

473.679

458.227

452.386

447.761

444.002

        

Personele uitgaven

       

waarvan eigen personeel

293.498

337.899

374.463

363.196

356.154

353.789

348.747

waarvan externe inhuur

12.657

13.919

6.450

4.721

4.584

4.569

4.569

waarvan overige personele uitgaven

1.801

1.920

2.120

2.335

3.285

3.385

3.385

Materiële uitgaven

       

waarvan overige materiële uitgaven

13.897

21.746

17.588

17.339

17.072

17.590

17.590

waarvan ICT

22.832

16.691

22.793

21.593

24.126

21.318

22.331

waarvan bijdrage aan SSO's

42.801

49.663

50.265

49.043

47.165

47.110

47.380

        

Ontvangsten

52.986

63.088

79.893

79.910

78.459

79.159

75.759

        

Ontvangsten

       

Algemeen

52.986

63.088

79.893

79.910

78.459

79.159

75.759

B. Toelichting op de financiële instrumenten

Personele en materiële uitgaven

De totale begrote apparaatsuitgaven voor het kerndepartement bedragen in 2022 € 473,7 miljoen. Hiervan heeft € 383,0 miljoen betrekking op personele uitgaven en € 90,7 miljoen op materiële uitgaven.

Na 2021 neemt het budget toe voor het versterken van de handhavingsketen in het licht van het Inspectie Controle Framework en om invulling te geven aan de uitkomsten van de parlementaire enquête naar de kinderopvangtoeslag. Daarnaast zijn er in de eerste jaren na 2021 tijdelijk extra uitgaven voor uitvoering van het corona-noodpakket en in 2022 extra uitgaven bij de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO) wegens een doorloop van de transitiefase. In de loop van de jaren neemt het budget verder af vanwege aflopende werkzaamheden voor uitvoering van de Europese subsidieregelingen.

Het verloop van het budget externe inhuur wordt verklaard door uitgaven ten behoeve van het noodpakket in 2021 en 2022.

In 2020 is er een incidentele piek bij ICT vanwege de voorziene overgang naar een nieuwe ICT-leverancier voor de opsporingsdienst van de Inspectie. In de jaren daarna zijn de uitgaven ICT lager.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben voor het grootste deel betrekking op de facturering door RSO van schoonmaakkosten aan de afnemers. Daarnaast zijn er ontvangsten ten behoeve van werkzaamheden van de directie Uitvoering Van Beleid voor de uitvoering van subsidieregelingen.

Rijksschoonmaakorganisatie

De RSO is in 2016 gestart met het uitvoeren van de schoonmaakactiviteiten. Vanaf 2021 zijn alle beoogde departementen aangesloten.

De schoonmakers zijn in dienst van het Rijk. De bijbehorende uitgaven komen ten laste van de begroting van het Ministerie van SZW. De ontvangsten van de RSO zijn gebaseerd op de meerjarige dienstverleningsafspraken met opdrachtgevers. De vergoeding voor locatie- en contractmanagement wordt via budgetoverheveling verrekend. Met de budgetoverheveling wordt het negatieve saldo in zijn geheel afgedekt waarmee de RSO een sluitende begroting heeft.

Tabel 108 geeft een splitsing van de totale apparaatsbedragen in RSO en kerndepartement exclusief RSO.

Tabel 108 Apparaatsuitgaven en -ontvangsten kerndepartement (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Kerndepartement exclusief RSO

       

Uitgaven

339.405

380.971

400.531

384.906

379.065

374.440

370.681

Ontvangsten

5.830

3.992

12.078

7.947

6.496

7.196

3.796

        

Rijksschoonmaakorganisatie

       

Uitgaven

48.081

60.867

73.148

73.321

73.321

73.321

73.321

Ontvangsten

47.156

59.096

67.815

71.963

71.963

71.963

71.963

Naar aanleiding van een toezegging in het wetgevingsoverleg over het jaarverslag 2018 wordt vanaf de begroting 2020 een indicator opgenomen met betrekking tot de medewerkerstevredenheid van de schoonmakers in dienst van de RSO. In onderstaande tabel staat de uitkomst van het eerst gehouden medewerkerstevredenheidsonderzoek (MTO) uit 2017 en de uitkomst van het meest recente MTO van eind 2019. Het MTO vindt tweejaarlijks plaats.

Tabel 109 Medewerkerstevredenheid RSO
 

Realisatie 2017

Realisatie 2019

Tevredenheid medewerkers RSO

8,5

8,6

C. Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten

Tabel 110 Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten inclusief zbo's/rwt's (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Totaal apparaatsuitgaven ministerie

387.486

441.838

473.679

458.227

452.386

447.761

444.002

        

Totaal apparaatskosten ZBO’s/RWT’s1

2.371.962

2.518.963

2.719.197

2.733.621

2.830.943

2.906.104

2.970.218

UWV (inclusief BKWI)

2.064.241

2.234.149

2.376.799

2.393.473

2.476.389

2.551.252

2.608.583

SVB

292.615

267.908

329.857

329.239

343.645

343.943

350.726

IB

15.106

16.906

12.541

10.909

10.909

10.909

10.909

X Noot
1

Dit betreft apparaatskosten samenhangend met zowel begrotingsgefinancierde als premiegefinancierde artikelen binnen de SZW-begroting. De ontvangsten zijn in mindering gebracht op de uitgaven.

In onderstaande tabel zijn de apparaatsuitgaven van het departement onderverdeeld naar de verschillende organisatieonderdelen. De uitgaven voor de RSO en SSO's (onder andere huisvesting en ICT van het gehele kerndepartement) vallen onder de plaatsvervangend SG.

Tabel 111 Apparaatsuitgaven kerndepartement 2022 naar organisatieonderdeel (bedragen x € 1.000)

SG

42.640

pSG

132.008

waarvan RSO

73.148

SZI

38.229

Werk

28.536

Inspectie

159.118

totaal

473.679

4.2 Artikel 98 Algemeen

Inleiding

Met ingang van de begroting van 2022 zijn de uitgaven van artikel 98 toebedeeld aan afzonderlijke beleidsartikelen. Hierdoor kunnen de uitgaven nauwkeuriger verantwoord worden en wordt dit artikel opgeheven.

De verantwoording van de uitgaven van 2021 zal plaatsvinden conform de begroting van 2021.

Tabel 112 Budgettaire gevolgen artikel 98 Algemeen (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

16.578

30.064

0

0

0

0

0

        

Uitgaven

20.195

31.743

0

0

0

0

0

        

Subsidies (regelingen)

       

Overige subsidies algemeen

2.542

3.547

0

0

0

0

0

Opdrachten

       

Handhaving

229

3.436

0

0

0

0

0

Opdrachten overig

9.681

15.308

0

0

0

0

0

Bekostiging

       

Uitvoeringskosten Caribisch Nederland

7.234

7.417

0

0

0

0

0

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

       

Ministerie van Financiën

389

1.700

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

       

Agentschap Rijksdienst Ondernemend Nederland

120

335

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

171

95

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

       

Algemeen

171

95

0

0

0

0

0

4.3 Artikel 99 Nog onverdeeld

A. Budgettaire gevolgen

Tabel 113 Budgettaire gevolgen artikel 99 Nog onverdeeld (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

0

46.124

101.522

91.834

72.242

69.636

74.698

        

Uitgaven

0

54.224

101.443

91.834

72.242

69.636

74.698

        

Nog te verdelen

       

waarvan apparaat

0

3.840

14.206

13.471

12.466

5.588

5.541

waarvan programma

0

50.384

87.237

78.363

59.776

64.048

69.157

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

B. Toelichting op de financiële instrumenten

Op dit artikel staan diverse nog niet verdeelde reserveringen. De grondslag van dit artikel ligt in de Comptabiliteitswet, waarin de mogelijkheid bestaat een artikel voor onvoorziene uitgaven op te nemen. Op dit artikel staan middelen gereserveerd die op een later moment nog uitgedeeld moeten worden als de precieze invulling en voorwaarden bekend zijn. Dit betreft onder andere middelen voor de veranderopgave inburgering (VOI), het Breed offensief, de vereenvoudiging beslagvrije voet, een reservering voor kinderopvang op Caribisch Nederland en diverse reserveringen in het kader van het aanvullend sociaal pakket.

5. Departementspecifieke informatie

5.1 Sociale fondsen SZW

Deze paragraaf beschrijft de financiering van de premie-uitgaven onder het uitgavenplafond Sociale Zekerheid. Onderdeel daarvan zijn de door de Minister van SZW vast te stellen premiepercentages voor de volks- en werknemersverzekeringen. Daarnaast wordt een overzicht gegeven van de exploitatiesaldi en vermogensposities van de sociale fondsen van UWV en SVB.

5.1.1 Premiepercentages 2022

Premievaststelling

Jaarlijks stelt de Minister van SZW de premiepercentages volks- en werknemersverzekeringen vast. De voorstellen hiertoe voor 2022 zijn in tabel 114 opgenomen. Deze premiestelling heeft het kabinet beoordeeld binnen het lastenkader voor huishoudens en bedrijven en de koopkrachtontwikkeling. Het saldo van de premie-inkomsten en de premiegefinancierde uitgaven (het exploitatiesaldo van de fondsen) is onderdeel van het EMU-saldo van de overheid als geheel.

AOW

Het premiepercentage voor de Algemene ouderdomswet (AOW) wordt op hetzelfde niveau vastgesteld als in 2021. Bij het Ouderdomsfonds zijn de premieopbrengsten niet voldoende om de uitgaven te dekken. De inkomsten van het Ouderdomsfonds worden daarom aangevuld door middel van rijksbijdragen (zie ook artikel 12). De AOW-premie wordt gecombineerd geheven met de loon- en inkomstenbelasting. Uit het Ouderdomsfonds worden de uitgaven op grond van de AOW betaald. Die uitgaven bestaan zowel uit het ouderdomspensioen (de AOW-uitkering) als de inkomensondersteuning in aanvulling op het ouderdomspensioen (de IOAOW).

Anw

Het premiepercentage voor de Algemene Nabestaandenwet (Anw) wordt op hetzelfde niveau vastgesteld als in 2021.

AWf

Het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) financiert de WW-uitkeringen van marktwerkgevers. Als gevolg van de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) zijn er vanaf 2020 twee premietarieven binnen het AWf: een laag tarief voor vaste dienstverbanden en een hoog tarief voor flexibele dienstverbanden. Het lage tarief wordt voor 2022 geraamd op 2,20 procent en het hoge tarief op 7,20 procent. Het (gewogen) gemiddelde van de AWf-werkgeverspremie bedraagt dan 3,45 procent. Definitieve vaststelling van de AWf-premie vindt plaats in oktober.

In 2021 is het tarief van de AWf-premie per 1 augustus verlaagd om werkgevers te compenseren voor het niet doorgaan van de baangerelateerde investeringskorting (de BIK). De tabel geeft de premie zoals deze gold aan het begin van 2021.

Ufo

Alleen overheidswerkgevers betalen de Ufo-premie. De Ufo-premie wordt voor 2022 gelijk gehouden op 0,68 procent.

Uniforme opslag kinderopvang

De premieopslag kinderopvang voor 2020 blijft met 0,5 procent gelijk aan die in 2020. De premieopslag kinderopvang wordt door werkgevers betaald door middel van een opslag op de Aof-premie.

Aof

De Aof-premie is (voorlopig) vastgesteld op gemiddeld 6,76 procent. Vanaf 2022 kent de Aof-premie twee verschillende tarieven: een tarief voor kleine werkgevers (tot 25 maal de gemiddelde premieplichtige loonsom) en een tarief voor grotere werkgevers. Definitieve vaststelling van de Aof-premietarieven vindt plaats in oktober.

Whk

De premie voor de Werkhervattingskas (Whk), waaruit de uitkeringen voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) en uitkeringen op grond van de Ziektewet worden betaald, is door UWV voor 2022 vastgesteld op gemiddeld 1,52 procent.

Tabel 114 Premiepercentages sociale verzekeringen (%)

Premie

Fonds

Uitgaven

Betaald door

2021

2022

AOW

Ouderdomsfonds

AOW

Werknemer

17,90

17,90

Anw

Nabestaandenfonds

Anw

Werknemer

0,10

0,10

      

Awf-laag

Algemeen Werkloosheidsfonds

WW, ZW

Werkgever

3,95

3,45

 

Awf - laag tarief

  

2,70

2,20

 

Awf - hoog tarief

  

7,70

7,20

Ufo

Uitvoeringsfonds voor de overheid

WW, ZW, WGA overheid

Werkgever

0,68

0,68

Aof

Arbeidsongeschiktheidsfonds

WGA, IVA, WAO, WAZ, WAZO, ZW

Werkgever

7,03

6,76

 

Aof - kleine werkgevers

   

5,49

 

Aof - grote werkgevers

   

7,05

Aof

Uniforme opslag kinderopvang

Kinderopvang

Werkgever

0,50

0,50

Whk

Werkhervattingskas (rekenpremie)

WGA, ZW

Werkgever

1,36

1,52

5.1.2 Sociale fondsen

Exploitatiesaldi

De premiegefinancierde uitgaven worden vanuit de sociale fondsen betaald. Op basis van de eerdergenoemde premiepercentages voor 2021 en 2022 en de verwachte ontwikkeling van de desbetreffende grondslagen zijn de uitgaven en ontvangsten van de sociale fondsen geraamd in tabel 115 en 116. Hierbij is rekening gehouden met de bijdragen aan de fondsen van het Rijk en de onderlinge betalingen van de fondsen. Het saldo tussen betaalde en ontvangen onderlinge betalingen is voor de sociale verzekeringen negatief, omdat uit enkele van deze fondsen premies voor de zorgverzekering worden betaald. Tegenover deze negatieve saldi staan dus positieve saldi bij de zorgfondsen.

In de onderstaande tabellen worden de arbeidsongeschiktheidsfondsen (het Aof en de Whk) samen weergegeven.

Het exploitatiesaldo van de fondsen is het verschil tussen de premie-inkomsten en de premiegefinancierde uitgaven van de fondsen. In 2022 bedraagt dit saldo naar verwachting bijna € 5,6 miljard voor alle fondsen samen. Het positieve saldo wordt met name veroorzaakt door de arbeidsongeschiktheidsfondsen. Het exploitatiesaldo van de fondsen maakt onderdeel uit van het totale EMU-saldo.

Het exploitatiesaldo van het Anw-fonds is negatief doordat de rijksbijdrage op nul is vastgesteld. Hierdoor wordt het vermogensoverschot in het Anw-fonds langzaam teruggebracht (zie ook tabel 117).

Tabel 115 Overzicht sociale verzekeringen 2021 (bedragen x € 1 mln)
 

AOW

Anw

AO

WW

Totaal

Premies

22.290

153

19.357

6.174

47.974

Bijdragen van het Rijk

22.898

0

239

310

23.448

Ontvangen onderlinge betalingen

0

0

1.386

446

1.833

Saldo Interest

24

‒ 1

45

18

86

Totaal Ontvangsten

45.212

152

21.028

6.949

73.340

      

Uitkeringen/ Verstrekkingen

43.022

318

13.239

4.630

61.209

Uitvoeringskosten

130

9

799

770

1.708

Betaalde onderlinge betalingen

537

21

2.219

903

3.680

Totaal Uitgaven

43.689

348

16.258

6.303

66.597

      

Exploitatiesaldo

1.523

‒ 196

4.770

646

6.744

Bron: SZW en CPB (MEV 2022)

Tabel 116 Overzicht sociale verzekeringen 2022 (bedragen x € 1 mln)
 

AOW

Anw

AO

WW

Totaal

Premies

22.252

151

19.440

7.529

49.372

Bijdragen van het Rijk

22.590

0

243

97

22.930

Ontvangen onderlinge betalingen

0

0

1.483

466

1.950

Saldo Interest

23

‒ 3

88

29

137

Totaal Ontvangsten

44.865

148

21.254

8.121

74.389

      

Uitkeringen/ Verstrekkingen

44.161

310

13.894

4.855

63.220

Uitvoeringskosten

154

9

827

814

1.804

Betaalde onderlinge betalingen

551

19

2.295

930

3.795

Totaal Uitgaven

44.865

338

17.016

6.599

68.819

      

Exploitatiesaldo

0

‒ 191

4.238

1.523

5.570

Bron: SZW en CPB (MEV 2022)

In tabel 117 wordt voor de jaren 2021 en 2022 de verwachte vermogenspositie van de verschillende fondsen weergegeven. De vermogens van de fondsen worden vergeleken met de normen. Een vermogen gelijk aan de norm geeft aan dat het fonds gemiddeld genomen over het jaar over voldoende liquiditeiten beschikt om de uitkeringen te financieren. De middelen van de fondsen worden aangehouden op een rekening-courant bij het Rijk. Indien er sprake is van een vermogenstekort zal het Rijk niet alleen tijdelijk gedurende het jaar maar ook langduriger deze tekorten moeten aanvullen via de rekening-courant.

Het vermogensoverschot van de fondsen stijgt naar verwachting in 2022 naar iets meer dan € 20 miljard. Dat overschot is vooral te danken aan de overschotten in het Anw-fonds en in de arbeidsongeschiktheidsfondsen. Zoals hierboven beschreven daalt het vermogen in het Anw-fonds doordat de rijksbijdrage op nul is gesteld. Het vermogensoverschot van de arbeidsongeschiktheidsfondsen stijgt. De WW-fondsen hebben weliswaar de laatste jaren een exploitatie-overschot, maar de tekorten uit het verleden zijn nog niet ingelopen. De vermogenspositie van de WW-fondsen is daardoor negatief. Dankzij de jaarlijkse rijksbijdrage aan het tekort van het Ouderdomsfonds blijft de vermogenspositie van het Ouderdomsfonds door de jaren heen neutraal, al kunnen er in individuele jaren relatief beperkte tekorten of overschotten zijn.

Tabel 117 Vermogenspositie sociale fondsen (bedragen x € 1 mln)
 

ultimo 2021

ultimo 2022

 

Feitelijk vermogen

Normvermogen

Vermogens-overschot

Feitelijk vermogen

Normvermogen

Vermogens-overschot

Ouderdomsfonds

1.141

1.141

0

1.141

1.170

‒ 29

Anw-fonds

2.956

44

2.911

2.765

44

2.721

Arbeidsongeschiktheidsfondsen

20.532

678

19.854

24.770

709

24.061

WW-fondsen

‒ 6.204

1.879

‒ 8.082

‒ 4.681

1.879

‒ 6.560

Totaal sociale fondsen

18.425

3.742

14.683

23.995

3.802

20.193

Bron: CPB (MEV 2022)

5.2 Koopkracht en specifieke inkomensaspecten

5.2.1 Inleiding

Indit hoofdstuk wordt beschreven hoe de koopkracht zich naar verwachting ontwikkelt in 2022 en welke beleidsmatige veranderingen daarop van invloed zijn.

Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid maakt koopkrachtramingen om de effecten van voorgenomen beleid in beeld te brengen (met inbegrip van de algemene economische ontwikkeling, zoals lonen, prijzen, et cetera). Koopkracht geeft in algemene zin aan hoe het besteedbaar inkomen van huishoudens zich ontwikkelt. Dat is het inkomen dat huishoudens nog kunnen uitgeven na het betalen van belastingen en premies en het ontvangen van toeslagen. De plaatjes zeggen iets over de verandering van de koopkracht ten opzichte van vorig jaar, gecorrigeerd voor verandering in het prijsniveau. Als de koopkracht gedurende een jaar niet verandert, betekent het dat een huishouden in staat is het bestedingspatroon van het voorgaande jaar te handhaven.

De ramingen geven uitsluitend een beeld van de koopkracht wanneer er niets verandert in de persoonlijke omstandigheden van huishoudens (ook wel statische koopkracht genoemd). Hierdoor worden de verdelingseffecten van beleid goed zichtbaar. Statische koopkrachtplaatjes zijn dan ook primair bedoeld om de effecten van overheidsbeleid op het inkomen van verschillende groepen in beeld te brengen, bij een gegeven macro-economische ontwikkeling.

Koopkrachtplaatjes zijn minder geschikt om de daadwerkelijke veranderingen in de portemonnee van individuele huishoudens te voorspellen. Ze onderschatten de verschillen tussen huishoudens flink. Dat komt omdat veranderingen in persoonlijke omstandigheden niet worden meegenomen. In wekelijkheid kan iemand echter werkloos worden of meer geld gaan verdienen, gaan samenwonen of scheiden of ineens voor een eenmalige uitgave staan: allemaal factoren die voor een huishouden vaak een stuk meer invloed hebben op het feitelijke niveau van het besteedbaar inkomen (ook wel dynamische koopkracht genoemd) dan het beleid van het kabinet.

De mediane effecten van de statische en dynamische koopkracht komen nauw overeen blijkt uit onderzoek naar de representativiteit van statische koopkrachtplaatjes. De spreiding van dynamische koopkracht blijkt aanzienlijk groter, dit komt door de invloed van eerdergenoemde factoren op het huishoudinkomen. Een recent ESB-artikel7 laat echter zien dat de statische koopkrachtplaatjes de spreiding van de verandering in koopkracht die huishoudens ervaren, met ruim een factor tien onderschatten. Dit komt deels doordat veranderingen in persoonlijke omstandigheden, zoals veranderingen in huishoudsamenstelling, inkomensbron of woonsituatie, buiten beschouwing worden gelaten. Deze veranderingen hebben veel invloed op de koopkrachtontwikkeling en treden jaarlijks bij bijna een kwart van de bevolking op. Het grootste verschil ontstaat doordat in de statische koopkrachtplaatjes wordt uitgegaan van de gemiddelde nominale contractloonstijging. Dit blijkt goed met de in de praktijk waargenomen mediane stijging van het persoonlijk inkomen overeen te komen, maar laat de spreiding die hierin zit buiten beschouwing. In de praktijk blijken die verschillen aanzienlijk te zijn. Dit draagt voor het grootste gedeelte bij aan de hogere spreiding in de dynamische koopkrachtontwikkeling.

Er bestaat een afruil tussen de hoeveelheid specifieke effecten (zoals spreiding in inkomen) in de statische koopkrachtraming en het inzicht in de effecten van beleid op de koopkrachtontwikkeling. Hoe meer specifieke effecten in de raming worden meegenomen, waardoor deze beter aansluit bij de dynamische koopkrachtontwikkeling, hoe minder zichtbaar de effecten van beleid. Juist op het beleid kan een kabinet direct invloed uitoefenen.

Koopkrachtplaatjes geven weliswaar zicht op de ontwikkeling van het besteedbaar inkomen van groepen en de verschillen die ontstaan als gevolg van beleid, ze zeggen niet alles over het niveau van welvaart dat huishoudens hebben. Daarvoor kan beter gekeken worden naar het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen, waarbij ook rekening wordt gehouden met de omvang van het huishouden. Ook andere factoren zoals het financiële vermogen van huishoudens en het risico op armoede zijn hierbij relevant.

In dit hoofdstuk wordt de verwachte koopkrachtontwikkeling voor 2022 toegelicht. De externe factoren die het koopkrachtbeeld beïnvloeden (conjunctuur) worden beschreven in paragraaf 5.2.2. Vervolgens wordt in paragraaf 5.2.3 ingegaan op de belangrijkste beleidswijzigingen die het koopkrachtbeeld beïnvloeden. In paragraaf 5.2.4 worden de koopkrachtontwikkelingen voor 2022 weergegeven voor verschillende uitsplitsingen van huishoudens (naar inkomen, inkomensbron, huishoudtype en gezinssamenstelling). Het is onmogelijk om voor elk huishouden in Nederland het effect van beleid op de koopkracht te laten zien. Wel wordt de koopkracht­ontwikkeling van oudsher ook weergegeven voor een aantal gestileerde voorbeeldhuishoudens. Deze zijn te vinden in paragraaf 5.2.5.

Verder wordt in paragraaf 5.2.6 ingegaan op de ontwikkeling van financiële prikkels bij werkaanvaarding. Ook wordt er stilgestaan bij de veranderingen in marginale en gemiddelde druk als gevolg van kabinetsmaatregelen. Een uitgebreidere lijst met maatregelen die de koopkracht van verschillende huishoudens raken en een nadere toelichting, is te vinden in paragraaf 5.2.7. De hier gepresenteerde effecten en maatregelen hebben alleen betrekking op Europees Nederland. Paragraaf 5.2.8 bevat een overzicht van de maatregelen die de inkomens op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (Caribisch Nederland) raken.

5.2.2 Externe factoren die het koopkrachtbeeld beïnvloeden

De belangrijke algemene ontwikkelingen die leiden tot het koopkrachtbeeld in 2022 zijn:

  • Een gemiddelde contractloonstijging van 2,2% in de markt;

  • De stijging van het brutominimumloon met 2,4%. Door de koppeling werkt dit ook door naar uitkeringen;

  • Stijging van de consumentenprijzen met 1,8%;

  • Een tabelcorrectiefactor van 1,3%;

  • De stijgende gemiddelde pensioenpremie voor werknemers naar 7,6%;

  • De aanvullende pensioenen worden gemiddeld genomen met 0,4% geïndexeerd;

  • Een toename van de gemiddelde nominale zorgpremie van € 1.478 naar € 1.509.8

5.2.3 Belangrijkste beleidsmatige mutaties

Naast de externe factoren en los van reguliere indexaties zijn de belangrijkste beleidsmatige wijzigingen die het koopkrachtbeeld beïnvloeden:

  • In 2022 wordt het tarief in de eerste schijf met 0,03%-punt verlaagd naar 37,07%. De eerste schijf loopt door tot een inkomen van € 69.398 in 2022. Omdat AOW-gerechtigden geen AOW-premie betalen komt het te betalen tarief in de oude eerste en tweede schijf voor hen uit op 19,17%. Het tarief in de oude derde schijf is voor hen ook 37,07%;

  • Een beleidsmatige verlaging van het afbouwpercentage van de arbeidskorting van 6% naar 5,86%;

  • Een beleidsmatige verlaging van het maximum van de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) met € 395. Het maximumbedrag komt daarmee in 2022 uit op € 2.534;

  • Een verlaging van de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet van 7,00% naar 6,70%. Ook de verlaagde inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet is naar beneden bijgesteld van 5,75% naar 5,45%;

  • Verhoging bedragen kindgebonden budget voor gezinnen met twee of meer kinderen. Vanaf het tweede kind stijgt het bedrag per kind met € 70 in 2022, tot € 1.106 voor het tweede kind en € 1.001 euro per kind vanaf het derde kind;

  • De toeslagpercentages in de kinderopvangtoeslag zijn aangepast, behalve voor de laagste inkomens voor wie het toeslagpercentage op 96,0% blijft. Deze maatregel dient ter dekking van de verhoging van de doelmatigheidsgrens voor terugvorderingen in de toeslagen;

  • Verlaging van het normpercentage in de zorgtoeslag voor alleenstaanden van 1,915% naar 1,848%. Hierdoor stijgt de zorgtoeslag voor alleenstaanden;

  • De kinderbijslag (AKW) wordt in 2022 niet geïndexeerd;

  • In 2022 wordt de zelfstandigenaftrek met in totaal € 360 verlaagd naar € 6.310;

  • De jaarlijkse afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in het referentieminimumloon van de bijstand was gedurende de kabinetsperiode verlaagd van 5%-punt naar 3,75%-punt per jaar. Deze temporisering wordt doorgetrokken naar 2022. De uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner wordt versoberd naar 6⅔% in 2022;

  • Het tarief van aftrekposten, zoals de hypotheekrenteaftrek, wordt verlaagd van 43,0% in 2021 naar 40,0% in 2022.

5.2.4 Algemeen koopkrachtbeeld (boxplottabel en puntenwolk)

De veranderingen in de koopkracht worden berekend met een microsimulatiemodel op basis van een representatieve steekproef van ongeveer 100.000 huishoudens. Samen vormen zij een betrouwbare afspiegeling van alle huishoudens in Nederland. In de berekeningen worden alle verschillende componenten van het inkomen (uit arbeid, onderneming, uitkeringen, toeslagen, pensioen, inkomen uit vermogen en eigen woning, aanmerkelijk belang en eventueel ontvangen alimentatie) meegenomen9.

De complexe realiteit, en ook die van de regelgeving, zorgt ervoor dat effecten van conjunctuur en beleid, ook zonder dynamische veranderingen mee te nemen, niet voor alle huishoudens hetzelfde uitvallen. Dat wordt duidelijk uit de boxplottabel (figuur 8) en de puntenwolk (figuur 9). De boxplottabel10 toont onder meer de mediane statische koopkrachtontwikkeling voor de verschillende huishoudgroepen. De mediaan laat het middelste huishouden zien in een naar koopkrachtontwikkeling gerangschikte verdeling. Dat wil zeggen dat de helft van de huishoudens een lagere koopkrachtontwikkeling heeft en de helft een hogere. De boxplottabel laat ook duidelijk de spreiding van de koopkracht­ontwikkeling zien binnen de verschillende groepen: het dikke blauwe balkje om elke mediaan heen omvat de koopkrachtontwikkeling voor de helft van de huishoudens. De andere helft van de huishoudens heeft een koopkracht­ontwikkeling die hierbuiten valt. Dit zijn de twee staarten van de boxplot. Het uiteinde van de staarten laten de laagste en de hoogste koopkrachtontwikkeling zien voor elke groep. Ten slotte wordt de verwachte koopkracht­ontwikkeling van het eerste en derde kwart (de 50% rond de mediaan) weergegeven om hiermee de spreiding van de verwachte koopkrachtontwikkeling beter inzichtelijk te maken. Door de aanpassing wordt in één figuur duidelijk wat de verwachte mediane koopkrachtontwikkeling is en wat deze is bij het 25ste en 75ste percentiel.

Figuur 8 Boxplot verwachte koopkrachtontwikkeling 2022

De verwachte koopontwikkeling voor 2022 is beperkt. De verwachting is dat de mediane koopkrachtontwikkeling in 2022 uitkomt op 0,1%. Er is echter sprake van spreiding achter dit getal. De inschatting is dat de statische koopkracht­ontwikkeling voor de helft van de Nederlandse huishoudens tussen ‒ 0,1% en 0,3% komt te liggen.

De puntenwolk (figuur 9) laat zien waar de concentratie van koopkrachteffecten zit en hoe groot de spreiding (statisch) is. In de puntenwolk betreft iedere punt een huishouden uit de steekproef.

Figuur 9 Puntenwolk koopkrachtontwikkeling 2022 (statische koopkrachteffecten huishoudens naar bruto huishoudinkomen inclusief specifieke effecten)

5.2.5 Koopkrachtontwikkeling voorbeeldhuishoudens

We berekenen in Nederland al 50 jaar koopkrachtplaatjes. De eerste jaren werd één voorbeeldhuishouden doorgerekend: Jan Modaal. In de loop der tijd is deze set uitgebreid. De voorbeeldhuishoudens zijn versimpelde voorbeelden van herkenbare huishoudtypen die eenvoudig te interpreteren en makkelijker na te rekenen zijn. Weinig huishoudens voldoen precies aan de definitie, maar het gaat erom dat de voorbeeldhuishoudens representatief zijn voor veel soortgelijke huishoudens met een vergelijkbare koopkrachtontwikkeling.

Om die reden worden ook alleen generieke (inkomens)regelingen meegenomen waarop in principe alle vergelijkbare huishoudens aanspraak kunnen maken, zoals de zorgtoeslag en het kindgebonden budget. Specifieke inkomensbestanddelen, zoals de huurtoeslag, de kinderopvangtoeslag, fiscale aftrekposten zoals de hypotheekrenteaftrek, en vermogen blijven in de voorbeeldhuishoudens buiten beeld.

Daarmee doen de voorbeeldhuishoudens minder recht aan de complexe realiteit, zoals de steekproef van echt bestaande huishoudens dat doet. Anderzijds maakt juist de versimpeling dat de voorbeeldberekeningen makkelijk verifieerbaar zijn en daarom voor de meeste mensen goed toe te passen. Daarnaast geeft de eerder gepresenteerde boxplottabel (figuur 8) geen zicht op specifieke groepen zoals mensen in de bijstand, AOW’ers zonder aanvullend pensioen of alleenstaande ouders. Die groepen maken weliswaar een klein aandeel uit van de totale bevolking, maar beleidsmatig zijn ze wel relevant. SZW presenteert daarom naast de koopkrachtontwikkeling op basis van een representatieve steekproef, ook de koopkrachtontwikkeling voor twintig voorbeeldhuishoudens. Deze wordt weergegeven in tabel 118. Voor huishoudens met kinderen wordt in de berekeningen uitgegaan van twee kinderen tussen 6 en 11 jaar oud.

Tabel 118 Koopkrachtontwikkeling voorbeeldhuishoudens 2021 en 2022 in %
 

Raming 2021

Raming 2022

Actieven

  
   

Alleenverdiener met kinderen

  

Modaal1

0,7

‒ 0,5

2x modaal

0,1

‒ 0,2

   

Tweeverdieners

  

Modaal + ½ x modaal met kinderen

0,7

0,2

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

0,4

0,2

2½ x modaal + modaal met kinderen

0,6

‒ 0,3

Modaal + modaal zonder kinderen

1,5

0,0

2 x modaal + modaal zonder kinderen

1,0

0,1

   

Alleenstaande

  

Minimumloon

1,2

0,2

Modaal

1,5

0,0

2 x modaal

0,6

0,2

   

Alleenstaande ouder

  

Minimumloon

‒ 0,4

0,5

Modaal

0,7

‒ 0,8

   

Inactieven

  
   

Sociale minima

  

Paar met kinderen

0,0

‒ 0,2

Alleenstaande

0,1

‒ 0,3

Aleenstaande ouder

‒ 0,1

‒ 0,1

   

AOW (alleenstaand)

  

(alleen) AOW

0,4

0,2

AOW + € 10.000

0,0

0,0

   

AOW (paar)

  

(alleen) AOW

0,2

0,2

AOW + € 10.000

0,1

‒ 0,1

AOW + € 30.000

‒ 0,6

‒ 0,3

X Noot
1

Het modaal inkomen bedraagt in 2022 bruto € 38.000.

5.2.6 Financiële prikkels voor werkaanvaarding

Naast een evenwichtig inkomensbeeld streeft het kabinet een activerend arbeidsmarktbeleid na. Dat houdt onder andere in dat werken en/of meer werken loont en niet leidt tot een armoedeval (verlies aan inkomen). Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar verschillende drempels die mensen kunnen ervaren bij het aanvaarden van (meer) werk.

De werkloosheidsval laat de inkomensvooruitgang zien bij het aanvaarden van werk vanuit een bijstandsuitkering. Een hoger percentage betekent dat werken meer lonend is geworden. Uit tabel 119 blijkt dat er tussen 2021 en 2022 nauwelijks sprake is van verschuivingen in de percentages.

De doorgroeival brengt in beeld welk deel van het extra inkomen een huishouden inlevert aan belastingen, minder toeslagen of kosten kinderopvang wanneer er een loonsverhoging of promotie plaatsvindt. Dit wordt de marginale druk genoemd. Hoe lager de marginale druk, hoe groter de prikkel om meer te gaan werken of verdienen. Op het inkomenstraject tussen 100% en 150% van het minimumloon (van circa € 22.500 naar € 33.500) worden veel heffingskortingen en toeslagen afgebouwd, wat in sommige voorbeelden leidt tot een hoge marginale druk.

De herintredersval toont de marginale druk wanneer de niet-werkende partner uit een kostwinnersgezin (weer) drie dagen aan het werk gaat.

De deeltijdval brengt in beeld hoeveel een huishouden inlevert als een in deeltijd werkende partner een dag meer gaat werken. Ook de deeltijdval wordt gemeten in termen van marginale druk. Tabel 119 laat zien dat de deeltijdval toeneemt bij een huishouden van een meestverdienende partner op tweemaal modaal en een minstverdienende partner die van drie naar vier dagen werk gaat. Dit hangt samen met de aanpassing van de kinderopvangtoeslagtabel ter dekking van de doelmatigheidsgrens in de toeslag.

Tabel 119 Arbeidsmarktprikkels
 

2021

2022

Verschil

Werkloosheidsval (inkomensvooruitgang bij aanvaarden werk vanuit een bijstandsuitkering)

   

Alleenverdiener met kinderen

3%

3%

0%

Alleenstaande

29%

30%

1%

Alleenstaande ouder (gaat 4 dagen werken)

11%

11%

1%

    

Doorgroeival (marginale druk bij hogere beloning werk (van 100% WML naar 150% WML))

   

Alleenverdiener met kinderen

79%

79%

0%

Alleenstaande

68%

68%

0%

Alleenstaande ouder (werkt 4 dagen)

40%

40%

1%

    

Herintredersval (marginale druk bij aanvaarden werk niet-werkende partner)

   

Hoofd minimumloon, partner 3 dagen werk (0,6 x WML)

52%

50%

‒ 2%

Hoofd modaal partner 3 dagen werk (0,5x modaal)

28%

27%

‒ 1%

Hoofd 2x modaal partner 3 dagen werk (0,5x modaal)

25%

23%

‒ 1%

    

Deeltijdval minstverdienende partner (marginale druk bij dag extra werk)

   

Hoofd minimumloon, partner van 3 naar 4 dagen werk (0,8x WML)

46%

46%

1%

Hoofd modaal partner van 3 naar 4 dagen werk (2/3x modaal)

26%

28%

1%

Hoofd 2x modaal partner van 3 naar 4 dagen werk (2/3x modaal)

29%

34%

5%

Naast het monitoren van de verschillende armoedevallen in specifieke voorbeeldsituaties is het ook relevant om te kijken naar de gemiddelde marginale druk, die werknemers over het algemeen hebben. Voor de berekening hiervan is gebruik gemaakt van de eerdergenoemde steekproef. In tabel 120 is de ontwikkeling van de gemiddelde marginale druk voor werknemers weergegeven voor een brutoloonstijging van 3,0%. Dit verschilt van de situatie in tabel 119 waar het gaat om meer uren werken (behalve bij de doorgroeival). De marginale druk geeft hier aan hoeveel procent van de brutoloonstijging niet resulteert in een hoger besteedbaar inkomen. Hierbij wordt rekening gehouden met alle fiscale en inkomensafhankelijke regelingen waar een huishouden mee te maken heeft.

Tabel 120 Gemiddelde marginale druk naar inkomenscategorie voor werknemers

Bruto inkomen

2019

2020

2021

2022

Omvang (2021, in %)

< WML

18,4%

18,2%

18,0%

18,4%

19%

1x ‒ 1,5x WML

50,7%

48,9%

47,7%

48,5%

23%

1,5x ‒ 2x WML

52,3%

51,5%

51,3%

51,3%

21%

2x ‒ 3x WML

53,5%

53,7%

54,0%

54,0%

22%

>3x WML

56,7%

54,9%

56,8%

57,5%

15%

In 2022 ligt de gemiddelde marginale druk voor de meeste inkomens iets hoger dan in 2021. Dit wordt mede veroorzaakt door aanpassing van de kinderopvangtoeslagtabel en de verlaging van het maximum in de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Figuur 10 geeft de gemiddelde marginale druk weer, evenals de extremen (5- en 95-procentpercentielen). Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie van het lid Ester (Kamerstukken I 2017/18, 34 775, nr. O). In Nederland maakt de inkomstenbelasting het grootste deel van de marginale druk uit. Ook de uitgebreide inkomensondersteuning in de vorm van toeslagen met een inkomensafhankelijke afbouw, zoals de zorgtoeslag, verhoogt de marginale druk. Een hoger inkomen betekent dan immers extra afbouw van deze toeslag. Zeker voor groepen met een huishoudinkomen tussen het minimumloon en modaal speelt dit een belangrijke rol. De introductie van een geleidelijk afbouwtraject in de huurtoeslag, het verhogen van het afbouwpunt van het kindgebonden budget voor paren en de invoering van een extra opbouwtraject in de arbeidskorting in deze kabinetsperiode hebben eraan bijgedragen dat de extremen in de marginale druk zijn beperkt.

Figuur 10 Gemiddelde en extreme marginale druk naar inkomensniveau 2022

In de paragraaf tot nu toe is met name aandacht besteed aan de marginale druk. De marginale druk geeft aan welk deel van extra verdiend inkomen, bijvoorbeeld door extra uren werk, niet resulteert in een hoger besteedbaar inkomen. In het vervolg van deze paragraaf wordt ingegaan op de gemiddelde druk. De gemiddelde druk laat zien welk deel van het totale bruto inkomen niet in het besteedbaar inkomen terecht komt.

De werkgroep Koopkracht11 heeft naar aanleiding van de bevindingen van de commissie Draagkracht12 naar de berekening van de gemiddelde druk gekeken. De werkgroep concludeert dat er ruimte is voor verbetering van de berekening zoals die onder meer in de Begroting van het Ministerie van SZW gehanteerd werd.13In deze Begroting is daarom conform het advies van de werkgroep overgestapt op een nieuwe berekeningswijze van de gemiddelde druk. Deze wordt hieronder nader toegelicht.

In figuur 11 wordt, naar aanleiding van de motie van de leden Bruins en Omtzigt (Kamerstukken II 2017/18, 34 785, nr. 59), de gemiddelde belastingdruk op huishoudniveau voor alleenstaanden, alleenverdieners en tweeverdieners in 2022 weergegeven.

Voor deze vraag over gemiddelde druk adviseert de werkgroep koopkracht om voor alle toeslagen en kinderbijslag zowel de toeslag als de bijbehorende kosten mee te nemen in de berekening14. De bijbehorende kosten moeten immers gemaakt worden om voor de toeslag in aanmerking te komen. In de oude berekening gebeurde dat niet. Daar werden voor de huurtoeslag, kindgebonden budget en kinderbijslag wel de toeslag maar niet de kosten meegenomen. Voor de zorg- en kinderopvangtoeslag werden wel al zowel de toeslag als de kosten meegenomen.

In de oude berekening zijn de gemiddelde druk-plaatjes niet vergelijkbaar tussen bijvoorbeeld huurders en woningeigenaren en tussen huishoudens met en zonder kinderen. Door de toeslag wel en de kosten (huur en kosten van kinderen) niet mee te nemen, is met name voor huishoudens met een laag inkomen die huurtoeslag ontvangen en/of kinderen hebben de gemiddelde druk relatief laag: de toeslag heeft een verlagend effect op de gemiddelde druk, terwijl de kosten, die ontbreken in de oude berekening, een verhogend effect hebben. In deze Begroting zijn voor alle toeslagen ook de kosten meegenomen. Hierdoor zijn de gemiddelde drukcijfers tussen de verschillende huishoudtypes vergelijkbaar. Het meenemen van deze kosten verhoogt de gemiddelde druk vooral voor de huishoudens met een laag inkomen en voor huishoudens met kinderen.

De werkgroep Koopkracht heeft specifiek gekeken naar de vraagstelling over gemiddelde druk in de Begroting van het Ministerie van SZW. Als er in de toekomst andere vragen over de gemiddelde druk voorliggen, zal opnieuw gekeken moeten worden naar de invulling van de berekening en is het mogelijk dat andere keuzes gemaakt worden.

Figuur 11 Gemiddelde belastingdruk naar huishoudtype 2022 (nieuwe berekeningswijze)

5.2.7 Maatregelen inkomensbeeld

In deze paragraaf wordt een nadere toelichting gegeven op de maatregelen die de koopkracht van verschillende huishoudens raken. In tabel 121 staan de maatregelen die voor 2022 van belang zijn. Hierbij is ook aangegeven in hoeverre deze maatregelen al dan niet in de puntenwolk en in de boxplottabel in paragraaf 5.2.4 zijn opgenomen. In alle voorstellen voor wetgeving en beleidsmaatregelen waarbij koopkrachteffecten voor specifieke groepen aan de orde zijn, worden deze betreffende effecten ook vermeld.

Tabel 121 Overzicht van beleidsmaatregelen met inkomenseffecten in 2022

Thema

Beleidsmaatregel

Inkomenseffect

In puntenwolk zichtbaar

1. Fiscaal generiek

   
 

Verlagen afbouwpercentage arbeidskorting

+

Ja

 

Verlaging maximum inkomensafhankelijke combinatiekorting

-

Ja

 

Verlagen tarief (nieuwe) eerste schijf box 1

+

Ja

 

Versobering uitbetaling algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner

-

Ja

 

Verlaging zelfstandigenaftrek

-

Ja

 

Fiscale maatregelen met een effect op de inflatie

+/-

Ja (via inflatie)

2. Kinderen

   
 

Verhoging bedragen tweede en verdere kinderen kindgebonden budget

+

Ja

 

Niet-indexeren van de kinderbijslag

-

Ja

3. Zorg

   
 

Verhoging zorgtoeslag voor alleenstaanden

+

Ja

 

Bevriezing van het eigen risico in de zorgverzekering

+

Ja

4. Wonen

   
 

Beperking hypotheekrenteaftrek

-

Ja

 

Geleidelijk afschaffen aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

-

Ja

 

Inkomensafhankelijke hogere huurverhoging

-

Ja (via inflatie)

 

Wijziging DAEB-inkomensgrenzen

+/-

Nee

5. Sociale zekerheid

   
 

Verhoging doelmatigheidsgrens terugvorderingen in toeslagen en dekking via toeslagen

-

Ja

 

(Temporisering) afbouw dubbele algemene heffingskorting in de sociale zekerheid

-

Ja

 

Aanpassing AOW-gerechtigde leeftijd

+/-

Nee

 

Tijdelijke vrijlatingsregeling (breed offensief)

+

Nee

De maatregelen uit de bovenstaande tabel worden hieronder verder toegelicht:

1. Fiscaal generiek

Verlagen afbouwpercentage arbeidskorting

Werkenden met een inkomen uit arbeid hebben recht op arbeidskorting. De arbeidskorting bouwt in 2022 op tot een inkomen van € 36.649. Bij een arbeidsinkomen boven dit bedrag wordt de arbeidskorting geleidelijk afgebouwd. Dit afbouwpercentage ligt in 2021 op 6% en wordt vanaf 2022 verlaagd naar 5,86%. Deze maatregel heeft een beperkt inkomenseffect, omdat het inkomen van de meeste huishoudens relatief dicht bij de start van het afbouwtraject ligt. Voor werkenden in het hoogste inkomenskwintiel is sprake van een positief mediaan inkomenseffect van 0,1%.

Verlaging maximum inkomensafhankelijke combinatiekorting

Ter dekking van het betaald ouderschapsverlof wordt de inkomensafhankelijke combinatiekorting incidenteel verlaagd met € 395 tot een maximumbedrag van € 2.534 in 2022. Voor huishoudens met recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting heeft dit een mediaan effect van ‒ 0,5%.

Verlaging tarief (nieuwe) eerste schijf box 1

In 2022 wordt het tarief in de eerste schijf met 0,03%-punt verlaagd naar 37,07%. De eerste schijf loopt door tot een inkomen van € 69.398 in 2022. Omdat AOW-gerechtigden geen AOW-premie betalen komt het te betalen tarief in de oude eerste en tweede schijf voor hen uit op 19,17%. Het tarief in de oude derde schijf is voor hen ook 37,07%; Alle belastingplichtigen betalen belasting in de eerste schijf. Het inkomenseffect van deze maatregel is beperkt en kleiner dan ‒ 0,1%.

Versobering uitbetaling algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner

De minstverdienende partner die niet genoeg belastbaar inkomen heeft om de algemene heffingskorting te verzilveren, krijgt deze toch uitbetaald als de partner genoeg belasting betaalt. Om de arbeidsparticipatie te bevorderen wordt sinds 2009 stapsgewijs over een periode van vijftien jaar de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner afgebouwd. Het gevolg hiervan is dat de minstverdienende partner een grotere prikkel ervaart om (meer) te gaan werken. De minstverdienende partner geboren vóór 1 januari 1963 is uitgezonderd van de maatregel. Er zijn ongeveer 290.000 huishoudens die te maken hebben met de afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting. De uitbetaling aan de minstverdienende partner bedraagt nog 6⅔% in 2022. Alleenverdienershuishoudens ondervinden een mediaan negatief inkomenseffect van ‒ 0,4%.

Verlaging zelfstandigenaftrek

Sinds 2020 wordt de zelfstandigenaftrek met € 250 per jaar verlaagd. Vanaf 2021 wordt deze afbouw met € 110 per jaar versneld. In totaal wordt de zelfstandigenaftrek in 2022 met € 360 verlaagd naar € 6.310. Netto gaat dit in de meeste gevallen om een afname van € 133. Dit betekent een mediaan inkomenseffect van ‒ 0,2% voor huishoudens met een zelfstandige.

Fiscale maatregelen met een effect op de inflatie

Vanaf 1 januari 2022 gelden er een aantal nieuwe fiscale maatregelen die effecten hebben op de prijzen die de consument betaalt. Zo wordt de maximale catalogusprijs in de bijtelling voor elektrische voertuigen verlaagd.

2. Kinderen

Verhoging bedragen tweede en verdere kinderen kindgebonden budget

In het kader van de augustusbesluitvorming heeft het kabinet besloten om met ingang van 1 januari 2022 het maximumbedrag van het kindgebonden budget vanaf het tweede kind te verhogen. Vanaf het tweede kind stijgt het bedrag per kind met € 70 in 2022, tot € 1.106 voor het tweede kind en € 1.001 per kind vanaf het derde kind. Deze maatregel draagt bij aan het verminderen van het aantal kinderen dat in armoede opgroeit. Gezinnen met twee of meer minderjarige kinderen profiteren van deze maatregel doordat zij een hogere toeslag ontvangen. Het mediane inkomenseffect voor de groep ouders die hierdoor meer kindgebonden budget krijgt is +0,2%.

Niet-indexeren van de kinderbijslag

Vanaf 2022 wordt structureel € 100 miljoen in de uitvoering van UWV en SVB geïnvesteerd. De investering is nodig om de dienstverlening van de uitvoeringsorganisaties aan burgers en bedrijven te kunnen verbeteren. Als dekking hiervoor wordt de kinderbijslag in 2022 en 2023 niet geïndexeerd en in 2024 met 0,1%-punt minder geïndexeerd. Het mediane inkomenseffect in 2022 is beperkt en kleiner dan ‒ 0,1%.

3. Zorg

Verhoging zorgtoeslag voor alleenstaanden

Via de zorgtoeslag wordt een inkomensafhankelijke tegemoetkoming verstrekt die het voor huishoudens met lage en middeninkomens mogelijk moet maken de nominale zorgpremie en het verplicht eigen risico voor de zorgverzekering te betalen. In 2022 wordt het normpercentage van de zorgtoeslag voor alleenstaanden met 0,067%-punt verlaagd tot 1,848%. De verhoging leidt tot een positief mediaan inkomenseffect van +0,1% voor huishoudens met zorgtoeslag.

Bevriezing van het eigen risico in de zorgverzekering

Als gevolg van de motie Kwint c.s. wordt het het verplicht eigen risico van de zorgverzekering in 2022 bevroren op € 385 per jaar per volwassen verzekerde. De bevriezing van het eigen risico en het effect daarvan op de zorguitgaven leidt tot een hogere nominale premie, inkomensafhankelijke bijdrage en zorgtoeslag. De combinatie hiervan kan positief of negatief uitpakken voor huishoudens, afhankelijk van de vraag of zij het eigen risico in 2021 volledig betaalden. Het inkomenseffect is echter beperkt en bedraagt afgerond 0,0%.

4. Wonen

Beperking hypotheekrenteaftrek

De hypotheekrenteaftrek wordt aangepast voor bestaande en nieuwe hypotheken. In 2014 is begonnen het maximale aftrektarief in de vierde schijf stapsgewijs te verlagen. Dit gebeurde in stappen van ½%-punt per jaar. Vanaf 1 januari 2020 is er sprake van een versneld afbouwpad van 3,0%- punt per jaar om vanaf 2023 gelijk te zijn aan het tarief in de eerste schijf van box 1. Voor alle hypotheken wordt in 2022 de aftrek inkomstenbelasting daardoor mogelijk tegen maximaal 40,0%. Huishoudens met een inkomen in het toptarief en een hypotheek (circa 900.000 huishoudens) ondervinden hiervan een inkomenseffect tussen ‒ 0,2% en ‒ 0,3%.

Geleidelijk afschaffen aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

Met ingang van 2019 wordt de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (regeling Hillen) in gelijke stappen in dertig jaren uitgefaseerd. Dit betekent dat per 2022 nog 86⅔% van het verschil tussen het eigenwoningforfait en de daarop drukkende aftrekbare kosten in aanmerking worden genomen. Het inkomenseffect van deze maatregel is beperkt en kleiner dan ‒ 0,1%.

Wijziging systematiek inkomensafhankelijke hogere huurverhoging

Sinds 2013 mogen verhuurders aan huurders met een hoger (midden)inkomen in sociale huurwoningen (niet-geliberaliseerd verhuurde woningen, dus geen vrije sector15) een hogere huurverhoging voorstellen. De systematiek van die regeling wijzigt per 1 januari 2022.

Vanaf 2022:

  • Gelden er twee inkomenscategorieën waarvoor een hogere huurverhoging is toegestaan. Binnen die inkomenscategorieën wordt onderscheid gemaakt tussen eenpersoonshuishoudens en huishoudens van twee of meer personen.

  • Wordt het verschil tussen de toegestane hogere huurverhoging en de ‘reguliere’ maximale huurverhoging groter.

  • Vervalt de uitzondering voor huishoudens van vier of meer personen en voor huishoudens met een of meer AOW-gerechtigden.

Door de hogere toegestane huurverhoging voor huishoudens met een hoger (midden)inkomen kunnen verhuurders van woningen aan die huishoudens sneller een meer bij de kwaliteit van de woning passende huurprijs vragen. Verhuurders (woningcorporaties en andere verhuurders) zijn niet verplicht om die hogere huurverhoging toe te passen.

De nieuwe DAEB-inkomensgrenzen

Met de differentiatie van de DAEB (Diensten van Algemeen Economisch Belang)-inkomensgrens wordt het per 1 januari 2022 mogelijk om de DAEB-inkomensgrens voor toewijzing van DAEB-woningen van woningcorporaties te differentiëren voor eenpersoonshuishoudens en meerpersoonshuishoudens. Daarbij wordt de inkomensgrens voor eenpersoonshuishoudens gehandhaafd op € 40.024 (prijspeil 2021). Voor meerpersoonshuishoudens (bestaande uit twee of meer personen) is voor een periode van drie jaar de DAEB-inkomensgrens vastgesteld op € 44.196 (prijspeil 2021). Zo is de toewijzing van corporatiewoningen in het DAEB-segment doelmatiger gericht op betaalbaarheid voor de doelgroep van woningcorporaties. Voor individuele huishoudens die, ook als hun inkomen boven de DAEB-inkomensgrens ligt, toch door de lokale of persoonlijke situatie moeilijk een passende woning kunnen vinden, is inzet van de vrije toewijzingsruimte mogelijk. Deze wordt per 1 januari 2022 aangepast. Landelijk wordt de vrije toewijzingsruimte 7½%. Wanneer de lokale woningmarkt daarom vraagt, kunnen lokale partijen ervoor kiezen de ruimte op te rekken tot 15%. Dat kan alleen als gemeenten, corporaties en huurdersorganisaties hier prestatieafspraken over maken.

5. Sociale zekerheid

Verhoging doelmatigheidsgrens terugvorderingen in toeslagen en dekking via toeslagen

Met het amendement van de leden Snels en Lodders (Kamerstukken II 2020/21, 35 574, nr. 12) is de doelmatigheidsgrens voor terugvorderingen in de toeslagen per 1 januari 2021 verhoogd van € 48 naar € 98. Het aantal relatief kleine terugvorderingen wordt met 380.000 verminderd. Dit leidt tot lagere ontvangsten waarvoor dekking nodig is. Voor huishouden die door de hogere doelmatigheidsgrens geen terugvordering van toeslagen krijgen, leidt dit tot een positief inkomenseffect. Voor het jaar 2021 is de hogere doelmatigheidsgrens gedekt door aanpassing van de normpercentages in de zorgtoeslag, vanaf 2022 wordt dit gedekt door maatregelen in de zorgtoeslag (normpercentages voor alleenstaanden en paren, valt weg tegen doorlopende verhoging normpercentages), huurtoeslag (ingeboekt als ombuiging in de huurtoeslag) en de kinderopvangtoeslag (tevens ter dekking van de gevolgen van de hogere doelmatigheidsgrens voor het kindgebonden budget). Bij de kinderopvangtoeslag is dit gedekt door verlaging van de toeslagpercentages, waarmee de inkomenseffecten evenredig zijn verdeeld over de inkomensgroepen.16 Hierdoor zijn de inkomenseffecten voor KOT-ontvangers beperkt en in doorsnee oplopend tot ‒ 0,1%. Het toeslagpercentage voor de laagste inkomens blijft ongewijzigd op 96,0%, zij ondervinden geen inkomenseffect.

(Temporisering) afbouw dubbele algemene heffingskorting in de sociale zekerheid

Sinds januari 2012 wordt de dubbele algemene heffingskorting in de sociale zekerheid (exclusief AOW) afgebouwd. In de structurele situatie hebben uitke­ringsgerechtigden, evenals alleenverdieners in de fiscaliteit, recht op eenmaal de algemene heffingskorting. In de augustusbesluitvorming voor 2022 is besloten dat de temporisering van de afbouw van de dubbele heffingskorting in de sociale zekerheid, die gold in de afgelopen kabinetsperiode, in 2022 wordt doorgetrokken. Hierdoor wordt in 2022, de dubbele AHK in de sociale zekerheid met zodat 3,75%-punt wordt afgebouwd in plaats van 5%-punt per jaar. Per saldo resulteert nog steeds een negatief mediaan inkomenseffect van gemiddeld ‒ 0,3% voor bijstandsgerech­tigden.

Aanpassing AOW-gerechtigde leeftijd

In 2013 is gestart met het stapsgewijs verhogen van de AOW-gerechtigde leeftijd. In 2019, 2020 en 2021 was de AOW-gerechtigde leeftijd 66 jaar en 4 maanden. In 2022 wordt de stapsgewijze verhoging hervat, de AOW-leeftijd neemt in 2022 met vier maanden toe tot 66 en 7 maanden.

Tijdelijke vrijlatingsregeling (breed offensief)

Het kabinet wil bevorderen dat werken voor mensen met beperkingen loont. In het conceptwetsvoorstel tot wijziging van de Participatiewet is daarom voorzien in een tijdelijke vrijlatingsregeling voor de duur van één jaar met de mogelijkheid van verlenging van die termijn. Het gaat hier om een vrijlatingsregeling die specifiek van toepassing is op inkomsten uit werkzaamheden die met toepassing van loonkostensubsidie worden verricht. Mensen die werken met loonkostensubsidie én zijn aangewezen op een aanvullende algemene bijstandsuitkering omdat zij in deeltijd werken, gaan er hierdoor in inkomen op vooruit.

5.2.8 Maatregelen Caribisch Nederland

Voor Caribisch Nederland beschikt SZW niet, zoals voor Europees Nederland, over betrouwbare ramingen van de contractloonontwikkeling, de indexatie van de pensioenen en de inflatie. Hierdoor is het niet mogelijk om de koopkrachtontwikkeling kwantitatief te visualiseren, zoals dat voor de Europees-Nederlandse situatie wordt gedaan. Wel wordt de inflatieontwikkeling nauwgezet door het CBS gemonitord. Deze prijsontwikkeling en bijbehorende indexering van uitkeringen komen in deze paragraaf kort aan bod.

Jaarlijkse indexatie ongevallenverzekering

De ongevallenverzekering in Caribisch Nederland wordt vanaf 2022 jaarlijks geïndexeerd. Hierdoor groeit deze uitkering jaarlijks mee met het prijsniveau.

5.3 Horizontale overzichtconstructie integratiebeleid etnische minderheden

Tabel 122 Overzichtconstructie Integratiebeleid etnische minderheden

Nr. hoofdstuk

Ministerie

Artikel

Onderdeel

Doelstelling

Inburgering

   

XV

SZW

13

-

Faciliteren dat inburgeringsplichtigen hun inburgeringsexamen halen.

Arbeid en werkgelegenheid

   

VI

J&V

31

31.2

Om de legitimiteit van het politiewerk te waarborgen, specifieke veiligheids-problemen in de wijk aan te kunnen pakken en om in contact te blijven met verschillende gemeenschappen en daarmee het politiewerk te verbeteren wordt de diversiteit bij de politie verder vergroot. Het diversiteitsbeleid van de politie is gericht op een betere verbinding met de samenleving; een meer inclusieve werkcultuur; meer divers samengestelde teams; en een beter werkproces voor de aanpak van discriminatie.

VII

BZK

7

7.1

Het Ministerie van BZK draagt bij aan een overheid die de maatschappelijke opgaven gezamenlijk adresseert en aanpakt door in haar werkwijze grenzeloos samenwerken centraal te zetten. Dit vergt ook investeringen in het menselijk kapitaal van de overheid en de Rijksdienst in het bijzonder. Daarom wordt er verder vormgegeven aan het Strategisch Personeelsbeleid Rijk 2025, waarin het accent onder andere ligt op aantrekkelijk werkgeverschap, inclusiviteit en permanent ontwikkelen van medewerkers.

Jeugd (en veiligheid)

   

XV

SZW

13

-

Het versterken van maatschappelijke en economische zelfredzaamheid, zodat de maatschappelijke samenhang toeneemt en tegenstellingen worden tegengegaan.

Emancipatie

   

VIII

OCW

25

-

Het versterken van maatschappelijke zelfredzaamheid van bi-culturele LHBTI’s en bijdragen aan de sociale acceptatie op grond van seksuele oriëntatie en/of gender-identiteit in bi-culturele kringen.

Participatie

   

VII

BZK

3

3.1

Een vrij toegankelijke, vraaggerichte woningmarkt met steun voor degenen die dat nodig hebben.

VII

BZK

7

7.2

Uitvoeren van pensioenregelingen voor (voormalige) Nederlandse ambtenaren uit de voormalig overzeese gebiedsdelen en hun nagelaten betrekkingen.

XV

SZW

13

-

Het versterken van maatschappelijke en economische zelfredzaamheid, zodat de maatschappelijke samenhang toeneemt en tegenstellingen worden tegengegaan.

Toelichting

In het interdepartementaal overzicht integratiebeleid etnische minderheden zijn doelstellingen opgenomen uit de departementale begrotingen met specifieke maatregelen en algemene maatregelen, waarbij expliciete beleidsdoelstellingen op het terrein van het integratiebeleid etnische minderheden zijn geformuleerd in de begroting, in beleidsnota’s of in de integratiemonitor. Het overzicht is ingedeeld naar een aantal beleids-terreinen om de samenhang tussen de beleidsmaatregelen van de verschillende ministeries inzichtelijker te maken: Inburgering, Arbeid en werkgelegenheid, Jeugd (en veiligheid), Emancipatie en Participatie. Voor elk beleidsterrein is weergegeven waar de specifieke en algemene maatregelen in de Rijksbegroting zijn te vinden. De maatregelen op andere begrotingshoofdstukken dan die van SZW worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de bewindslieden van de genoemde ministeries.

6. Bijlagen

Bijlage 1: ZBO's en RWT's

Deze bijlage bevat in tabel 123 een overzicht van de zelfstandige bestuurs-organen (ZBO) en rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT) die onder de verantwoordelijkheid van het moederdepartement vallen. In tabel 124 zijn de bijdragen aan de ZBO’s en de RWT’s opgenomen die onder de verantwoordelijkheid van een ander ministerie vallen. De opgenomen bedragen zijn de in de beleidsartikelen verantwoorde uitgaven van de begrotings- en de premiegefinancierde regelingen in de budgettaire tabellen onder de instrumenten «Inkomensoverdrachten», «Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s» en «Subsidies».

Tabel 123 Overzicht Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (vallend onder ministerie van SZW)

Naam organisatie

RWT/ZBO

Begrotingsartikel

Begrotingsramingen (x € 1 mln)

Uitgevoerde evaluatie ZBO onder Kaderwet

Volgende evaluatie ZBO

Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)

ZBO en RWT

1,2,3,4,5,6,11

29.690,2

evaluatie

2026

inclusief

Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI)

Sociale Verzekeringsbank (SVB)

ZBO en RWT

2,6,8,9,10,11,13

48.910,1

evaluatie

2026

Inlichtingenbureau (IB)

RWT

11

12,5

evaluatie

2026

Tabel 124 Overzicht Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (vallend onder andere ministeries)

Naam organisatie

Ministerie

RWT/ZBO

Begrotingsartikel

Begrotingsramingen (x € 1 mln)

ZonMw

VWS

ZBO en RWT

2

0,2

Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)

J&V

ZBO en RWT

13

16,5

Bijlage 2: Verdiepingshoofdstuk

Dit onderdeel bevat het verdiepingshoofdstuk van de SZW-begroting. In deze paragraaf wordt voor alle artikelen op de SZW-begroting de mutatie van uitgaven en ontvangsten tussen de ontwerpbegroting 2021 en de huidige ontwerpbegroting 2022 gedetailleerd toegelicht. Dit gebeurt zowel voor de begrotingsgefinancierde als voor de premiegefinancierde regelingen.

De opbouw van deze tabellen is gelijk aan elkaar. Bij de begrotingsgefinancierde en bij de premiegefinancierde regelingen worden, conform de RBV, de mutaties in de amendementen, de drie incidentele suppletoire begrotingen, de eerste suppletoire begroting (Voorjaarsnota) en de nieuwe mutaties (Miljoenennota) vermeld.

1. Arbeidsmarkt

Tabel 125 Uitgaven beleidsartikel 1 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

5.875.149

1.313.166

1.089.618

1.095.861

875.988

 

Mutaties Nota van wijziging 2021

1.362.531

0

0

‒ 100.000

0

 

Mutaties1e Incidentele suppletoire begroting

4.134.922

0

0

0

0

 

Mutaties 2e Incidentele suppletoire begroting

‒ 29.600

34.600

0

0

0

 

Mutaties 1e suppletoire begroting 2021

241.717

4.049.126

99.167

95.777

138.766

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2021

202

275

281

298

291

 

2. Overboekingen met andere departementen

‒ 1.848

‒ 1.254

‒ 1.280

‒ 1.300

‒ 1.300

 

3. Budgettair neutrale herschikkingen

703

‒ 19.629

‒ 19.293

‒ 19.293

‒ 19.493

 

4. Kasschuiven

‒ 25.185

17.185

0

0

‒ 15.000

 

5. Kasschuif MDIEU

‒ 53.368

‒ 54.939

47.712

49.409

4.610

 

6. Kasschuif NOW

0

‒ 459.631

459.631

0

0

 

7. Bijstelling NOW 1

275.467

26.802

0

0

0

 

8. Bijstelling NOW 2

‒ 370.670

‒ 53.863

‒ 28.349

0

0

 

9. Bijstelling NOW 3.3

‒ 563.756

‒ 193.838

2.430

0

0

 

10. Bijstelling NOW 4.0

‒ 628.000

‒ 120.375

109.875

0

0

 

11. Bijstelling loonsubsidie CN

‒ 4.700

0

0

0

0

 

12. Cie Heerts, opdrachten TSB

0

9.000

12.000

12.000

12.000

 
       

Stand ontwerpbegroting 2022

10.213.564

4.546.625

1.771.792

1.132.752

995.862

1.006.439

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2021 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2021 te brengen.

  • 2. Er zijn 7 overboekingen met andere departementen. De grootste mutatie is de overboeking naar het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van ‒ € 1,3 miljoen voor het adviesbudget voor de Gezondheidsraad.

  • 3. Er is sprake van diverse budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting, waaronder het met ingang van de begroting van 2022 toebedelen van de uitgaven van artikel 98 naar artikel 1.

  • 4. Om beter aan te sluiten bij het kasritme worden onder andere middelen voor de subsidieregeling leren en ontwikkelen in het MKB (SLIM) doorgeschoven (€ 16,0 miljoen van 2021 naar 2022 en € 23,0 miljoen van 2025 naar 2026). Dit heeft onder meer te maken met de doorlooptijd voor de financiële afwikkeling en voor 2021 speelt tevens mee dat veel projectperiodes zijn gewijzigd vanwege onder andere de landelijke coronamaatregelen. Om beter aan te sluiten bij het kasritme wordt tevens € 8,0 miljoen voor Duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen doorgeschoven van 2021 naar 2025.

  • 5. Voor de maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden (MDIEU) is meerjarig in totaal € 1 miljard beschikbaar. Het 1e tijdvak met een subsidieplafond van € 350 miljoen is eind juli 2021 gesloten. De omvang van de totale aanvragen ligt onder dit subsidieplafond. Veel sectoren hebben aangegeven dat zij in het volgende tijdvak begin 2022 alsnog een aanvraag zullen doen, zodat er vooral sprake is van verschuiving van de aanvragen in tijd. Om hier rekening mee te houden wordt een deel van de middelen middels de voorgestelde kas- en verplichtingenschuif doorgeschoven naar latere jaren.

  • 6. Door het harmoniseren van de loketten NOW 3 en 4 (Kamerstukken II 2020/21, 35 420, nr. 357) hebben werkgevers meer tijd om vaststellingsaanvraag in te dienen. Om beter aan te sluiten bij het kasritme schuiven nabetalingen door van 2022 naar 2023.

  • 7. Op basis van de ontvangen informatie van UWV is de raming van het aantal nabetalingen opwaarts bijgesteld voor de NOW 1 (eerste tranche). Dit leidt tot een tegevaller van € 275,5 miljoen in 2021.

  • 8. Op basis van de ontvangen informatie van UWV is de raming van het aantal nabetalingen neerwaarts bijgesteld voor de NOW 2 (tweede tranche). Dit leidt tot een meevaller van € 370,7 miljoen in 2021.

  • 9. Op basis van de ontvangen informatie van UWV blijkt dat de totale subsidieaanvraag voor de NOW 3.3 (vijfde tranche) lager is uitgevallen dan waar eerder rekening mee werd gehouden. Dit leidt tot een meevaller van € 563,8 miljoen in 2021.

  • 10. Op basis van de CPB-raming wordt de prognose van de NOW 4.0 (zesde tranche) naar beneden bijsteld met ‒ € 600,0 miljoen in 2021. Er wordt minder gebruik verwacht van de NOW 4.0 dan waar eerder van werd uitgegaan. Verder is het omzetverliespercentage in de NOW 4.0 begrensd, waardoor bedrijven over maximaal 80% van loonsom een vergoeding kunnen krijgen. Dit leidt tot een neerwaartse bijstelling van ‒ € 28,0 miljoen in 2021. Door de bekendmaking van de data van het vaststellingenloket NOW 4 worden er ook in de jaren 2022 en 2023 nabetalingen verwacht voor de NOW 4.

  • 11. Op basis van de realisaties van het eerste en tweede kwartaal van 2021 zijn de middelen voor de loonsubsidie CN neerwaarts bijgesteld. Verder is in verband met de verlaging van het subsidiepercentage van 80% naar 60% voor het derde kwartaal 2021, de raming voor de loonsubsidie voor het derde kwartaal neerwaarts bijgesteld.

  • 12. Voor de tegemoetkomingsregeling stoffengerelateerde beroepsziekten (TSB) wordt in 2022 € 3,0 miljoen en structureel € 6,0 miljoen vanaf 2023 beschikbaar gesteld voor de medische beoordeling door het landelijk expertisecentrum voor stoffengerelateerde beroepsziekten (LEC-SB) op het opdrachtenbudget. Verder wordt er voor TSB € 6,0 miljoen structureel beschikbaar gesteld voor de onafhankelijke arbeidskundige organisatie op het opdrachtenbudget.

Tabel 126 Ontvangsten beleidsartikel 1 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

24.975

25.110

25.180

25.180

25.180

 

Mutaties 1e suppletoire begroting 2021

1.030.637

1.101.870

282.606

32.604

‒ 11.300

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Kasschuiven

126.870

‒ 318.799

122.502

20.257

38.705

 

2. Bijstelling NOW

656.657

180.618

74.580

22.197

9.570

 
       

Stand ontwerpbegroting 2022

1.839.139

988.799

504.868

100.238

62.155

25.683

  • 1. Om beter aan te sluiten bij het kasritme worden terugontvangsten van de NOW geschoven van 2022 en 2023 naar 2021 en naar latere jaren. Vanwege het afrekenproces zal een deel van ontvangsten in latere jaren worden ontvangen.

  • 2. Op basis van de ontvangen informatie van UWV is de raming van de terugontvangsten NOW 1 tot en met 4 (eerste tot en met zesde tranche) opwaarts bijgesteld. Dit leidt tot € 656,7 miljoen minder ontvangsten in 2021.

Tabel 127 Uitgaven premiegefinancierd artikel 1 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021 reëel

447.570

233.512

233.512

233.512

233.512

 

Mutaties 1e suppletoire begroting 2021

374.388

187.548

192.920

198.368

203.891

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2021

12.579

6.025

6.109

6.194

6.280

 

2. Macro mutaties

‒ 73.616

21.344

21.640

21.939

22.243

 

Stand ontwerpbegroting 2022 reëel

760.921

448.429

454.181

460.013

465.926

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021 nominaal

22.303

19.832

23.488

23.488

23.488

 

Mutaties 1e suppletoire begroting 2021

‒ 9.724

‒ 7.822

‒ 4.524

3.264

11.797

 
       

Nieuwe mutaties:

      

3. Bijstellingen grondslag en indexatiepercentages

0

2.692

4.690

6.762

9.068

 

4. Overheveling loon- en prijsbijstelling 2021

‒ 12.579

‒ 6.025

‒ 6.109

‒ 6.194

‒ 6.280

 

Stand ontwerpbegroting 2022 nominaal

0

8.677

17.545

27.320

38.073

 
       

Stand ontwerpbegroting 2022

760.921

457.106

471.726

487.333

503.999

521.343

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2021 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2021 te brengen.

  • 2. De raming compensatie transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid is meerjarig bijgesteld. De geraamde uitgaven voor 2021 zijn neerwaarts bijgesteld, omdat de verwachte uitgaven die betrekking hebben op aanvragen met terugwerkende kracht lager uitvallen. Dit wordt verklaard doordat - op basis van nieuwe uitvoeringsinformatie - het aantal toekenningen en de gemiddelde compensatie van deze categorie lager uitvallen dan bij de Voorjaarsnota werd geraamd. De geraamde uitgaven vanaf 2022 (waarbij geen sprake meer is van aanvragen met terugwerkende kracht) worden op basis van nieuwe uitvoeringsinformatie per saldo opwaarts bijgesteld. Hoewel de gemiddelde compensatie naar beneden wordt bijgesteld, is het verwachte aantal toekenningen opwaarts bijgesteld.

  • 3. Nominale ontwikkeling als gevolg van bovenstaande mutaties van de uitkeringen (grondslag) en als gevolg van aanpassing van de indexcijfers.

  • 4. Zie bij mutatie nummer 1.

2. Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

Tabel 128 Uitgaven beleidsartikel 2 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

8.148.597

8.216.853

8.155.799

8.094.574

8.053.926

 

Mutaties Nota van Wijziging 2021

110.607

0

0

0

0

 

Mutaties amendement 2021

2.000

0

0

0

0

 

Mutaties 1e Incidentele suppletoire begroting 2021

272.400

0

0

0

0

 

Mutaties 1e suppletoire begroting 2021

41.268

‒ 583.070

‒ 386.111

‒ 281.370

‒ 133.803

 

Mutaties 3e Incidentele suppletoire begroting 2021

‒ 1.405

0

0

0

0

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2021

97.746

101.718

103.724

104.453

106.117

 

2. Macromutaties

‒ 156.093

‒ 472.184

‒ 432.253

‒ 233.760

‒ 146.365

 

3. Overboekingen met andere departementen

321

674

‒ 3.815

‒ 3.916

‒ 3.910

 

4. Budgettair neutrale herschikkingen

118

9.202

13.763

17.213

13.168

 

5. Kasschuiven

‒ 4.425

2.169

1.576

517

54

 

6. Ramingsbijstelling

‒ 3.047

‒ 8.585

‒ 2.933

‒ 1.253

‒ 2.181

 

7. Compensatie verdeelmodel

38.118

0

0

0

0

 

8. Overboeking van begroting naar premie

‒ 4.650

0

0

0

0

 

9. Uitstel LKS-vrijlating bijstand

0

‒ 7.377

3.983

0

0

 

10. Nationaliteitseis

0

‒ 207

‒ 202

‒ 193

‒ 153

 

11. AIO schuldig nalatig

0

0

‒ 103

‒ 129

‒ 155

 

12. Amendement Kwint

0

3.000

3.000

3.000

3.000

 

13. AIO AOW inconsistenties

0

79

67

56

48

 

14. Ramingsbijstelling Tozo

‒ 65.683

0

0

0

0

 

15. Overboeking van premie naar begroting

12.162

0

0

0

0

 

16. Bbz Tozo doorstroom

5.414

125.396

0

0

0

 

17. Bijstand afbouw dubbele AHK

0

1.283

1.614

1.614

1.614

 
       

Stand ontwerpbegroting 2022

8.493.448

7.388.951

7.458.109

7.700.806

7.891.360

8.019.305

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2021 is toegevoegd om de uitkeringslasten op het loon- en prijspeil 2021 te brengen.

  • 2. De raming van het macrobudget Participatiewetuitkeringen is aangepast op basis van de laatste ontwikkelingen in de werkloosheid. Het CPB heeft zijn beeld over de werkloze beroepsbevolking positief bijgesteld. Hierdoor dalen de uitgaven aan bijstandsuitkeringen.

  • 3. Er zijn 6 overboekingen met andere departementen. De grootste mutatie is de overboeking van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Er wordt voor 2021 € 1,3 miljoen overgeboekt voor de bijdrage aan de re-integratiemethode Individuele Plaatsing en Steun (IPS).

  • 4. Er is sprake van diverse budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting, waaronder het met ingang van de begroting van 2022 toebedelen van de uitgaven van artikel 98 naar artikel 2.

  • 5. Om beter aan te sluiten bij het verwachte kasritme worden middelen van subsidies die onderdeel zijn van de intensivering van de armoede- en schulden­aanpak, doorgeschoven van 2021 naar latere jaren. 

  • 6. De mutatie betreft een samenstelling van doorwerkingen van uitvoeringsgegevens op het terrein van onder andere macrobudget Participatiewetuitkeringen, Bijstand Zelfstandigen en Toeslagenwet. Dit leidt tot een meevaller van € 3,0 miljoen in 2021.

  • 7. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft eerder geoordeeld dat verschillende gemeenten zijn benadeeld in de verdeling van het macrobudget Participatiewetuitkeringen. Enkele gemeenten hebben daarom in 2021 een compensatie ontvangen met betrekking tot het verdeelmodel 2015 en 2016.

  • 8. Er is een budgettair neutrale herschikking tussen begrotings- en premiegefinancierde budgetten. In het kader van de herijking van de no-riskpolis voor personen vanuit de banenafspraak en beschut werk in 2021 is € 4,7 miljoen overgeheveld van het macrobudget Participatiewetuitkering naar het budget voor de Ziektewet.

  • 9. Door uitstel van de wetsbehandeling Breed Offensief is de ingangsdatum van 1 januari 2022 niet haalbaar voor de loonkostensubsidie(LKS)-vrijlating en gaat deze pas in op 1 juli 2022.

  • 10. Er is geconstateerd dat het hanteren van de nationaliteitsvereiste in artikel 56 AOW op gespannen voet staat met (internationale) non-discriminatiebepalingen. In de Verzamelwet 2022 wordt dit artikel daarom geschrapt. Door het schrappen van de nationaliteitsvereiste in de AOW krijgt een klein aantal personen recht op een hogere AOW-uitkering op grond van artikel 55 AOW. Een deel van de AOW-gerechtigden ontvangt hierdoor geen aanvulling meer vanuit de AIO tot het sociaal minimum, hetgeen leidt tot een neerwaartse bijstelling op de AIO-uitkeringslasten.

  • 11. Door de door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) gedane uitspraak uit 2020 zullen er minder burgers, dan wel in mindere mate, worden gekort op hun AOW door een schuldig nalatig verklaring. Een schuldig nalatig verklaring wordt door de SVB afgegeven indien de AOW-premie niet is betaald over een bepaald aanslagjaar. In de oude situatie werd deze korting in sommige gevallen aangevuld vanuit de AIO. Deze aanvulling vanuit de AIO zal in deze gevallen door de uitspraak afnemen. De AIO-uitkeringslasten worden hierdoor naar beneden bijgesteld.

  • 12. Door invoering van amendement Kwint c.s. (Kamerstukken II, 2020/21, 35 667, nr. 37) behouden personen die gedwongen worden opgenomen hun uitkering, ter hoogte van het instellingstarief. Dit zorgt voor extra uitkeringslasten.

  • 13. Zoals in de brief over de stand van de uitvoering vermeld (Kamerstukken II 2020/21, 26 448, nr. 652), is uit onderzoek van de SVB gebleken dat voor een aantal AOW-gerechtigden de hoogte van de AOW-uitkering onjuist is vastgesteld. Een herziening van een AOW-uitkering kan gevolgen hebben voor de hoogte van de AIO-uitkering van de betrokkenen. De kosten hiervan worden nu geschat op circa € 0,08 miljoen in 2022.

  • 14. Op basis van nieuwe signalen (snelle monitoring) over realisaties Tozo-3 en Tozo-4 en de verwachte doorstroom naar Tozo-5, is de raming voor 2021 naar beneden bijgesteld.

  • 15. Er is een budgettair neutrale herschikking tussen premie- en begrotingsgefinancierde budgetten. Er is € 12,2 miljoen overgeheveld van uitvoeringskosten UWV naar budget Participatiewetuitkeringen. Bij de correctie van een fout in het verdeelmodel van het macrobudget bijstand 2021 worden vier gemeenten gecompenseerd voor de neerwaartse bijstelling van hun budget.

  • 16. Het stopzetten van de Tozo per 1 oktober 2021 zorgt voor een verhoogde instroom in het Bbz 2004. De uitkeringslasten van het Bbz 2004 zullen toenemen. Bij de verwerking van de budgettaire gevolgen voor 2021 in de 3e ISB is het eerder ingeboekte effect voor doorstroom vanuit de Tozo uitgeboekt. Er is onterecht € 92 miljoen in plaats van € 87 miljoen uitboekt. Met deze correctie van € 5,4 miljoen in 2021 wordt het verschil weer teruggeboekt. Een deel van de zelfstandigen zal ook in 2022 nog gebruik maken van het Bbz 2004. Voorlopige inschatting is dat de Bbz-uitgaven in 2022 daardoor met circa € 125 miljoen toenemen.

  • 17. Als gevolg van de temporisering van de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in het referentieminimumloon, zal de bijstandsuitkering vanaf 2022 hoger uitvallen. Een deel van het eerder ingeboekte gedragseffect voor de afbouw is daarom uitgeboekt.

Tabel 129 Ontvangsten beleidsartikel 2 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

4.415

12.859

120.825

182.426

185.293

 

Mutaties 2e Incidentele suppletoire begroting 2021

0

0

‒ 36.500

‒ 18.200

‒ 50

 

Mutaties 1e suppletoire begroting 2021

958.294

4.939

‒ 66.046

‒ 86.542

‒ 107.826

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Terugontvangsten

778

0

0

0

0

 

2. Bbz bijstelling

0

417

‒ 47

‒ 94

‒ 130

 

3. Bijstelling terugontvangsten Tozo

0

0

0

‒ 2.050

‒ 2.150

 

4. Bijstelling terugontvangsten Tozo 2020

‒ 7.712

0

0

0

0

 
       

Stand ontwerpbegroting 2022

955.775

18.215

18.232

75.540

75.137

74.415

  • 1. Er zijn diverse terugontvangsten bij artikel 2, onder andere van de subsidie kansberoep is er terugontvangst van toegekende subsidies (€ 0,8 miljoen).

  • 2. De raming van de terugontvangsten Bijstand zelfstandigen is bijgesteld naar aanleiding van de uitvoeringsinformatie.

  • 3. Op basis van nieuwe signalen (snelle monitoring) over realisaties Tozo-1, 2 en 4, is de raming naar beneden bijgesteld. Dit zorgt vanaf 2024 voor lagere ontvangsten.

  • 4. Werkelijke terugontvangsten uit de voorlopige verrekening over 2020 zijn lager dan eerder ingeboekt. Daarom is de raming van de ontvangsten in 2021 naar beneden bijgesteld.

3. Arbeidsongeschiktheid

Tabel 130 Uitgaven beleidsartikel 3 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

10.722

10.745

4.767

790

802

 

Mutaties 1e suppletoire begroting 2021

‒ 6

‒ 6

‒ 6

‒ 6

‒ 6

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Budgettair neutrale herschikkingen

4.861

7.655

‒ 795

0

0

 

2. Overboeking van begroting naar premie

‒ 90

‒ 680

‒ 680

0

0

 
       

Stand ontwerpbegroting 2022

15.487

17.714

3.286

784

796

804

  • 1. Er is sprake van diverse budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting.

  • 2. Er is een budgettair neutrale herschikking tussen begrotings- en premiegefinancierde budgetten. De herschikking betreft ‒ € 0,1 miljoen in 2021 en ‒ € 0,7 miljoen in 2022 en 2023 voor het scholingsexperiment WGA in 2021.

Tabel 131 Uitgaven premiegefinancierd artikel 3 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021 reëel

10.598.310

10.759.146

10.976.838

11.168.660

11.325.979

 

Mutaties 1e suppletoire begroting 2021

‒ 64.940

‒ 26.753

22.496

52.741

49.149

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2021

163.675

168.700

172.961

176.552

179.044

 

2. Ramingsbijstelling

38.739

25.291

28.313

23.196

20.415

 

3. Overboekingen tussen begroting en premie

‒ 1.862

‒ 2.393

680

0

0

 

4. Budgettair neutrale herschikking

11.000

0

0

0

0

 

Stand ontwerpbegroting 2022 reëel

10.744.922

10.923.991

11.201.288

11.421.149

11.574.587

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021 nominaal

148.031

282.928

451.835

653.867

885.781

 

Mutaties 1e suppletoire begroting 2021

15.644

59.207

98.926

129.917

149.700

 
       

Nieuwe mutaties:

      

5. Bijstellingen grondslag en indexatiepercentages

0

93.132

152.893

217.260

277.660

 

6. Overheveling loon- en prijsbijstelling 2021

‒ 163.675

‒ 168.700

‒ 172.961

‒ 176.552

‒ 179.044

 

Stand ontwerpbegroting 2022 nominaal

0

266.567

530.693

824.492

1.134.097

 
       

Stand ontwerpbegroting 2022

10.744.922

11.190.558

11.731.981

12.245.641

12.708.684

13.128.652

       
  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2021 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2021 te brengen.

  • 2. Op basis van de uitvoeringsinformatie van UWV zijn de geraamde uitgaven aan de arbeidsongeschiktheidsregelingen bijgesteld. De IVA-uitgaven zijn meerjarig naar beneden bijgesteld. Dit komt voornamelijk door een lager aantal uitkeringen. De WGA-uitgaven zijn meerjarig naar boven bijgesteld. Dit komt voornamelijk door een hoger aantal uitkeringen. De WAO en de WAZ zijn slechts beperkt bijgesteld.

  • 3. Er zijn budgettair neutrale herschikkingen tussen begrotings- en premiegefinancierde budgetten. De herschikkingen betreffen scholingsexperiment WGA en de bijdrage van VWS voor de Individuele Plaatsing en Steun (IPS).

  • 4. Er is sprake van een budgettair neutrale herschikking binnen de SZW-begroting.

  • 5. Nominale ontwikkeling als gevolg van bovenstaande mutaties van de uitkeringen (grondslag) en als gevolg van aanpassing van de indexcijfers.

  • 6. Zie bij mutatie nummer 1.

4. Jonggehandicapten

Tabel 132 Uitgaven beleidsartikel 4 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

3.484.285

3.484.868

3.501.353

3.521.093

3.568.671

 

Mutaties 1e suppletoire begroting 2021

14.858

9.352

1.657

‒ 4.878

‒ 12.425

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2020

53.320

53.940

54.065

54.269

54.869

 

2. Ramingsbijstelling Wajong

‒ 7.586

8.678

13.902

19.895

39.231

 

3. Budgettair neutrale herschikkingen

‒ 1.953

‒ 3.072

0

0

0

 
       

Stand ontwerpbegroting 2022

3.542.924

3.553.766

3.570.977

3.590.379

3.650.346

3.665.168

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2021 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2021 te brengen.

  • 2. Op basis van de realisatiegegevens van UWV is de raming van de uitgaven van de uitkeringslasten Wajong voor 2021 naar beneden bijgesteld. Dit is naar aanleiding van een lagere instroom en een hogere uitstroom in de Wajong2010 dan eerder geraamd. Vanaf 2022 stijgen de uitkeringslasten door een hogere verwachte stijging van het gemiddelde aantal Wajongers in de Wajong2015.

  • 3. Er is sprake van budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting.

Tabel 133 Ontvangsten beleidsartikel 4 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

0

0

0

0

0

 

Mutaties 1e suppletoire begroting 2021

28.416

0

0

0

0

 
       

Stand ontwerpbegroting 2022

28.416

0

0

0

0

0

5. Werkloosheid

Tabel 134 Uitgaven beleidsartikel 5 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

142.369

133.271

168.841

200.396

212.586

 

Mutaties Nota van Wijziging 2021

112.777

0

0

0

0

 

Mutaties 2e Incidentele suppletoire begroting

‒ 1.825

4.724

2.562

0

0

 

Mutaties 1e suppletoire begroting 2021

4.773

‒ 5.896

‒ 18.253

‒ 28.961

‒ 33.660

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2021

2.002

1.974

2.337

2.663

2.791

 

2. Ramingsbijstelling

4.246

2.393

‒ 12.388

‒ 31.951

‒ 38.502

 

3. Kasschuiven

‒ 36.376

36.376

0

0

0

 

4. Budgettaire neutrale herschikkingen

‒ 2.975

109.692

325

0

0

 
       

Stand ontwerpbegroting 2022

224.991

282.534

143.424

142.147

143.215

129.082

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2021 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2021 te brengen.

  • 2. Op basis van uitvoeringsinformatie van UWV is de IOW voor 2021 en 2022 opwaarts bijgesteld. Voor latere jaren zijn de IOW-uitgaven naar beneden bijgesteld, voornamelijk op basis van nieuwe werkloosheidsvoorspellingen van het CPB.

  • 3. Om beter aan te sluiten bij het kasritme worden onder andere middelen van crisisdienstverlening door UWV doorgeschoven van 2021 naar 2022. De declaraties hiervan worden achteraf gedaan en daarom worden diverse uitgaven pas in 2022 gedaan.

  • 4. Er is sprake van budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting. Onder andere de uitvoeringskosten van de impuls banenafspraak zijn overgeboekt van artikel 5 naar artikel 11 uitvoeringskosten UWV. Ook zijn er middelen voor de crisisdienstverlening en MBO praktijk­leren overgeboekt van artikel 99 Nog onverdeeld.

Tabel 135 Ontvangsten beleidsartikel 5 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

0

0

0

0

0

 

Mutaties 1e suppletoire begroting 2021

0

0

0

0

0

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Terugontvangsten

1

0

0

0

0

 
       

Stand ontwerpbegroting 2022

1

0

0

0

0

0

  • 1. Er is een terugontvangst van de tijdelijke subsidieregeling ontwikkeladvies vijfenveertigplussers (€ 1000).

Tabel 136 Uitgaven premiegefinancierd artikel 5 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021 reëel

6.449.130

6.777.079

6.209.473

5.668.406

5.312.052

 

Mutaties 1e suppletoire begroting 2021

‒ 1.243.060

‒ 951.291

‒ 726.557

‒ 459.385

‒ 103.525

 
       

Nieuwe mutaties:

      

1. Loon- en prijsbijstelling 2021

89.546

99.885

93.931

89.196

89.178

 

2. Ramingsbijstelling

‒ 1.282.199

‒ 1.696.329

‒ 1.208.092

‒ 625.851

‒ 391.732

 

Stand ontwerpbegroting 2022 reëel

4.013.417

4.229.344

4.368.755

4.672.366

4.905.973

 
       

Stand ontwerpbegroting 2021 nominaal

91.347

198.725

290.595

377.510

471.948

 

Mutaties 1e suppletoire begroting 2021

‒ 1.801

7.303

16.472

29.240

57.550

 
       

Nieuwe mutaties:

      

3. Bijstellingen grondslag en indexatiepercentages

0

‒ 1.007

6.691

44.389

76.331

 

4. Overheveling loon- en prijsbijstelling 2021

‒ 89.546

‒ 99.885

‒ 93.931

‒ 89.196

‒ 89.178

 

Stand ontwerpbegroting 2022 nominaal

0

105.136

219.827

361.943

516.651

 
       

Stand ontwerpbegroting 2022

4.013.417

4.334.480

4.588.582

5.034.309

5.422.624

5.627.910

  • 1. De loon- en prijsbijstelling 2021 is overgeheveld om de uitkeringslasten op prijspeil 2021 te brengen.

  • 2. Op basis van uitvoeringsinformatie van UWV en nieuwe werkloosheidsvoorspellingen van het CPB verwachten we minder WW-uitkeringen de komende jaren. Dit heeft geleid tot een neerwaartse ramingsbijstelling.

  • 3. Nominale ontwikkeling als gevolg van bovenstaande mutaties van de uitkeringen (grondslag) en als gevolg van aanpassing van de indexcijfers.

  • 4. Zie bij mutatie numme