Kamerstuk 35925-XV-13

Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden inzake vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2022 (Kamerstuk 35925-XV)

Dossier: Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2022

Gepubliceerd: 18 november 2021
Indiener(s): René Peters (CDA)
Onderwerpen: begroting financiën
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35925-XV-13.html
ID: 35925-XV-13

Nr. 13 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 18 november 2021

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 14 oktober 2021 voorgelegd aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Bij brief van 17 november 2021 zijn ze door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De fungerend voorzitter van de commissie, Peters

De adjunct-griffier van de commissie, Van den Broek

Vraag 1

Kunt u een overzicht verschaffen van alle uitgaven specifiek gericht op het bestrijden van armoede onder kinderen en dit uitsplitsen per kanaal? Kunt u aangeven hoe dit budget zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld (vanaf 2017)?

Antwoord 1

Het kabinet heeft deze kabinetsperiode € 900 miljoen extra geïnvesteerd in de ondersteuning van gezinnen met kinderen (hogere kinderbijslag, kinderopvangtoeslag). Dit is ook ten goede gekomen aan gezinnen met kinderen in armoede.

Het kabinet trekt daarnaast sinds 2017 jaarlijks € 100 miljoen extra uit om de armoede onder kinderen aan te pakken. Deze € 100 miljoen is als volgt opgebouwd:

  • € 1 miljoen is er jaarlijks beschikbaar voor kinderen in Caribisch Nederland;

  • € 85 miljoen ontvangen gemeenten jaarlijks via een Decentralisatie Uitkering;

  • € 10 miljoen is er jaarlijks beschikbaar voor de subsidie «Alle Kinderen Doen mee» aan de partijen verenigd onder Sam& (Jarige Job, het Jeugdfonds Sport en Cultuur, Nationaal Fonds Kinderhulp en Vereniging Leergeld). Deze subsidie loopt tot eind 2021 en het voornemen is om de subsidie in 2022 nog met een jaar te verlengen;

  • € 4 miljoen was er tot 2020 beschikbaar voor de subsidieregeling «Kansen voor alle kinderen 2017» en wordt sinds 2020 ingezet voor het actieprogramma Tel mee met Taal.

Bovenop de subsidie Alle Kinderen doen Mee is er via de motie van het lid Segers c.s. in 2018 eenmalig € 4 miljoen extra ter beschikking gesteld aan de partijen verenigd onder Sam& voor de bestrijding van armoede onder kinderen (Kamerstuk 35 000, nr. 25). Daarnaast is er in 2021 via het amendement van het lid Renkema € 2 miljoen extra subsidie beschikbaar gesteld aan deze partijen (Kamerstuk 35 570 XV, nr. 22). Deze subsidie richt zich op het bereiken en helpen van bekende en relatief nieuwe doelgroepen als kinderen van werkende ouders met een laag inkomen als gevolg van de coronacrisis.

In het kader van de intensiveringsaanpak armoede en schulden is er circa € 1 miljoen subsidie aan projecten specifiek gericht op kinderarmoede beschikbaar gesteld (het project «Samenwerken rondom Kinderarmoede» van Divosa en partners en het project «verstevigen aanpak kinderarmoede» van het Jeugd educatie fonds).

Vraag 2

Leven er als gevolg van de coronacrisis meer kinderen in armoede?

Antwoord 2

De meest recent beschikbare cijfers zijn van het CBS (Materiële welvaart in Nederland 2020) en gaan over 2019. In 2019 maakten 251.000 minderjarige kinderen (7,8%) deel uit van een gezin met een inkomen onder de lage-inkomensgrens, 7.000 minder dan in het jaar ervoor (7,9%). In december verschijnen de CBS cijfers over 2020.

Vraag 3

Hoeveel budget wordt volgend jaar extra uitgetrokken voor het terugdringen van armoede onder kinderen, specifiek bedoeld om de gevolgen van de COVID-19 crisis op te vangen? Via welke routes loopt dit?

Antwoord 3

De steun- en herstelpakketten waren erop gericht te voorkomen dat mensen werkloos raakten met alle gevolgen van dien, ook voor de kinderen in het gezin. In het kader van het flankerend beleid is er extra aandacht voor (financieel) kwetsbare groepen (Kamerstuk 35 420, nr. 105). Al deze maatregelen leiden tot behoud of een hoger huishoudinkomen van ook gezinnen met kinderen en dragen daarmee bij aan het bestrijden van kinderarmoede. Komend jaar is er € 45 miljoen extra beschikbaar voor gemeenten voor het gemeentelijke schuldenbeleid en de bijzondere bijstand.

Specifiek gericht op kinderarmoede zijn de volgende middelen vrijgemaakt:

  • In het kader van de intensiveringsaanpak armoede en schulden is er circa € 1 miljoen subsidie aan projecten specifiek gericht op kinderarmoede beschikbaar gesteld (het project «Samenwerken rondom Kinderarmoede van Divosa en partners» en het project «verstevigen aanpak kinderarmoede» van het Jeugdeducatiefonds).

  • Via het amendement Renkema is er in 2021 € 2 miljoen subsidie verleend aan de partijen verenigd onder Sam&. Deze subsidie richt zich op het bereiken en helpen van bekende en relatief nieuwe doelgroepen als kinderen van werkende ouders met een laag inkomen als gevolg van de coronacrisis.

Vraag 4

Kan worden aangeven waar in de begroting uitgaven voor de implementatie van de Europese Kindergarantie (Child Guarantee) zijn gebudgetteerd en kan hier een overzicht van de uitgaven worden gegeven?

Antwoord 4

De uitgaven gericht op het bestrijden van kinderarmoede zijn beantwoord onder vraag 1.

De Europese kindergarantie is een uitwerking van het thema over sociaaleconomische inclusie, gezondheid en educatie uit de Europese Strategie voor de Rechten van het Kind. In het kader van de Europese kindergarantie wordt de lidstaten aanbevolen om kosteloze en effectieve toegang te bieden tot belangrijke diensten aan kinderen met risico op armoede of sociale uitsluiting. Deze diensten zijn departement-overstijgend. Het behelst onder meer toegang tot vroeg- en voorschoolse educatie (vve) en kinderopvang; onderwijs en schoolactiviteiten; gezonde voeding; gezondheidszorg en adequate huisvesting. De aanbeveling strookt grotendeels met bestaand beleid, bij diverse departementen belegd.

Lidstaten waarbij het risico op armoede of sociale uitsluiting voor kinderen in 2017–2019 hoger was dan het EU-gemiddelde, dienen in de financieringsperiode 2021–2027 ten minste 5% van hun aandeel uit het ESF+ te reserveren voor de bestrijding van kinderarmoede of sociale uitsluiting. Andere lidstaten dienen een passend bedrag (appropriate amount) te reserveren. Dit passend bedrag kan ook nul zijn, indien er al nationale middelen naar het bestrijden van kinderarmoede gaan. Het EU-gemiddelde cijfer van kinderen met een risico op armoede of sociale uitsluiting ligt op 22,5%. Nederland zit hieronder (16%) en mag dus zelf een passend bedrag kiezen.

Vraag 5

Wanneer worden er nieuwe bestuurlijke afspraken met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) vastgesteld over armoede onder kinderen en hoe groot wordt de ruimte voor gemeenten om deze middelen breder in te zetten dan alleen voor de ondersteuning in natura, namelijk voor het integraal tegengaan van de oorzaken en negatieve gevolgen van armoede (momenteel 15 – 20%)? Wordt hier dan ook gesproken over oormerking van de middelen?

Antwoord 5

Het vaststellen van nieuwe bestuurlijke afspraken is aan het nieuwe kabinet. In samenspraak met de VNG zal er de komende tijd nagedacht worden over een mogelijk vervolg en verdere invulling van de bestuurlijke afspraken. Hierop vooruitlopend kan ik nog geen uitspraken doen over de inhoud van de nieuwe bestuurlijke afspraken. Binnen de huidige bestuurlijke afspraken hebben gemeenten reeds de ruimte om middelen breder in te zetten dan voor middelen in natura.

Vraag 6

Wordt het akkoord om huishoudens tijdens de pandemie niet van het water af te sluiten bij het niet kunnen voldoen van de rekening voortgezet in 2022? Zo ja, zijn er naar aanleiding van dit akkoord tijdens de pandemie al afspraken gemaakt met de waterbedrijven om bij waterarmoede gezinnen met kinderen niet af te sluiten van het water?

Antwoord 6

Met de afschaling van de coronamaatregelen is ook teruggegaan naar de normale (zorgvuldige) incassoprocedures. Om betalingsachterstanden op de drinkwaterrekening vroegtijdig op te lossen is de drinkwatersector eind 2020 toegetreden tot het Landelijk Convenant Vroegsignalering. Gemeenten en leveranciers van vaste lasten versterken hiermee de samenwerking om inwoners met financiële problemen snel hulp te kunnen aanbieden.

Vraag 7

Hoe worden bij de vormgeving van armoede- en schuldenbeleid kinderen en jongeren (zowel op landelijk als lokaal niveau) betrokken, conform artikel 12 uit het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind?

Antwoord 7

In de bestuurlijke afspraken over kinderarmoede met de VNG (Kamerstuk 24 515, nr. 380) staat centraal dat gemeenten de regie hebben in het armoede- en schuldenbeleid en daarbij aandacht hebben voor de positie van kinderen. Om effectief gebruik en een duurzame positieve impact op de ontwikkeling van het kind te waarborgen, is het van belang dat gemeenten kinderen actief betrekken bij de vormgeving van hun aanpak, conform artikel 12 uit het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Uit evaluatie van deze bestuurlijke afspraken door I&O Research (Kamerstuk 24 515, nr. 608) blijkt dat dit onderdeel voor veel gemeenten een verbeterpunt is. Momenteel betrekt een ruime meerderheid (76%) van de gemeenten kinderen bij de aanpak van kinderarmoede, een kwart (24%) van de gemeenten doet dit niet. Het betrekken van kinderen varieert per gemeente van informeren tot aan het daadwerkelijk met kinderen in dialoog gaan. Het onderwijs speelt een belangrijke rol voor de communicatie met de doelgroep. Het Ministerie van SZW heeft participatie gestimuleerd door in de subsidieregeling Armoede- en Schulden ook projecten gericht op kinderen- en jongerenparticipatie bij gemeenten te ondersteunen, zoals Speaking Minds en Missing Chapter Foundation.

Binnen het Rijk zijn er diverse initiatieven om kinderen en jongeren te betrekken bij beleidsvorming. De afgelopen kabinetsperiode heeft het Ministerie van SZW een traject doorlopen met jongeren van Speaking Minds over opgroeien in armoede. Momenteel vinden diverse verkennende gesprekken plaats om het betrekken van kinderen een onderdeel te laten zijn bij het vormgeven van het armoede- en schuldenbeleid.

Vraag 8

Wat wordt er gedaan met de aanbevelingen uit het onderzoek «Kansrijk armoedebeleid voor kinderen» van de Beleidsonderzoekers?

Antwoord 8

Het onderzoek «Kansrijk armoedebeleid voor kinderen» van de Beleidsonderzoekers biedt een eerste inzicht in de brede kansenarmoede onder kinderen. Dit onderzoek is met de eerste rapportage over de ambities kinderarmoede aan uw Kamer verzonden (Kamerstuk 24 515, nr. 608). Het onderzoek biedt een inzicht in de moeilijke gezinssituaties van kinderen die opgroeien in armoede. De onderzoekers geven aan dat meer integraliteit in de aanpak en regie vanuit het Rijk nodig is. Er is niet één partij die de sleutel tegen kinderarmoede in handen heeft, waardoor samenwerking essentieel is.

Het is aan een nieuw kabinet deze integraliteit nog meer vorm te geven. In de tussentijd zet ik de volgende stappen:

  • 1) gesprek met de VNG over een vervolg van de bestuurlijke afspraken;

  • 2) subsidie armoedepartijen Sam& verlengen tot en met eind 2022;

  • 3) voortzetting van de inzet van ervaringsdeskundigen met Sterk uit Armoede;

  • 4) verdere aansluiting zoeken met relevante programma’s en trajecten, zoals de Gelijke Kansen Alliantie vanuit SZW;

  • 5) in samenwerking met de Ministeries van OCW en VWS de publiek-private samenwerking Alliantie Kinderarmoede ondersteunen; en

  • 6) meer aandacht voor de preventie van geldzorgen.

In het rapport van de Beleidsonderzoekers is tevens aanscherping van het huidige beleid voor bestaanszekerheid aangevoerd als oplossingsrichting voor het beperken van de kans op ernstige of langdurige armoede bij kinderen. Die boodschap is de afgelopen maanden ook door diverse organisaties naar buiten gebracht, zoals door de VNG (De winst van het sociaal domein).

Het is aan een nieuw kabinet om het maatschappelijke en politieke debat te voeren over de bestaanszekerheid van mensen en daarmee samenhangend de hoogte van het minimumloon, de toereikendheid van het sociaal minimum en het toeslagensysteem.

Vraag 9

In welke vijf sectoren is de krapte op de arbeidsmarkt het grootst en wat wordt er gedaan om meer mensen daarvoor te interesseren?

Antwoord 9

Wanneer we kijken naar de vacaturegraad (aantal vacatures per duizend banen) in het 2e kwartaal van 2021, is de krapte het grootst in de sectoren:

  • Horeca (82);

  • Informatie en communicatie (77);

  • Bouwnijverheid (62);

  • Specialistische zakelijke diensten (51);

  • Handel (45).

(Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 22-10-2021).

De oplossing voor krapte in deze sectoren ligt primair bij werkgevers. Zij kunnen werk in hun sector aantrekkelijker maken door lonen te verhogen of op andere manieren betere arbeidsvoorwaarden te bieden (bijvoorbeeld vaste contracten, betere werktijden of een beter loopbaanperspectief). Werkgevers kunnen het best bepalen welke aanpassingen voor hen nodig zijn om meer personeel te werven en te behouden. Bovendien kunnen zij het best de afweging maken of de baten van gemakkelijker vervulbare vacatures voldoende zijn om de kosten die daarvoor gemaakt moeten worden te rechtvaardigen. Om werkgevers te faciliteren, voert het Ministerie van SZW actief beleid om knelpunten op de arbeidsmarkt weg te nemen. Werkgevers kunnen gebruik maken van de dienstverlening in de 35 arbeidsmarktregio’s via zogeheten werkgeversservicepunten. Een werkgeversservicepunt geeft werkgevers kosteloos advies en ondersteunt bij de werving en selectie van personeel via de regionale leerwerkloketten bij leer- en ontwikkelvragen.

Werkzoekenden en werkenden die met ontslag bedreigd worden kunnen dienstverlening ontvangen vanuit 35 regionale mobiliteitsteams. Binnen deze teams gebruiken werkgevers, werknemers, onderwijs, gemeenten en UWV elkaars expertise en dienstverlening bij het bieden van gerichte ondersteuning naar nieuw werk, ook richting krapteberoepen. In de brief Noodpakket banen en economie hebben de Minister en Staatssecretaris het beleid om werkzoekenden te ondersteunen toegelicht (Kamerstuk 35 420, nr. 134).

Beleid op het gebied van leven lang ontwikkelen (LLO) stelt mensen in staat zich aan te passen aan een veranderende arbeidsmarkt. Via de SLIM-regeling wordt geld beschikbaar gesteld aan mkb-ondernemingen die willen investeren in leren en ontwikkelen. Vanaf 2022 komt er een STAP-budget waarmee burgers tot € 1.000 subsidie kunnen krijgen voor het volgen van scholing. Zie voor een overzicht van het LLO-beleid de Routekaart Leren en Ontwikkelen (Kamerstuk 30 012, nr. 135).

Vraag 10

Kan er een overzicht worden gegeven van het aantal werklozen tussen de 60 en de Algemene Ouderdomswet (AOW)-leeftijd in de afgelopen tien jaar, uitgesplitst per leeftijd? (hoeveelheid 60-jarigen, 61-jarigen, enz.)

Antwoord 10

In onderstaande tabel vindt u het aantal werklozen tussen 60 en 67 jaar vanaf 2011. Hierin zijn alleen personen opgenomen die recent naar werk hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn.

Tabel: Aantal werklozen (x 1.000) per jaar per leeftijdscohort
 

60 jaar

61 jaar

62 jaar

63 jaar

64 jaar

65 jaar

66 jaar

67 jaar

Perioden

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

x 1.000

2011

7

5

4

3

2

1

1

1

2012

7

6

5

4

2

2

1

1

2013

11

9

8

5

3

2

2

1

2014

13

11

10

7

5

3

2

3

2015

15

13

11

10

7

2

1

1

2016

12

13

10

10

9

3

1

1

2017

10

9

9

8

7

4

1

1

2018

8

7

8

7

7

4

2

1

2019

5

6

4

6

5

4

2

1

2020

5

4

5

5

5

3

1

1

Bron: CBS, Statline, geraadpleegd op 20-10-2021

Vraag 11

Kan er een overzicht worden gegeven van het aantal arbeidsongeschikten tussen de 60 en de AOW-leeftijd in de afgelopen tien jaar, uitgesplitst per leeftijd? (hoeveelheid 60-jarigen, 61-jarigen, enz.)

Antwoord 11

Het is niet mogelijk om inzicht te bieden in alle arbeidsongeschikte mensen tussen de 60 en de AOW-leeftijd. SZW heeft enkel inzicht in de mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Onderstaande tabellen bieden inzicht in het aantal mensen tussen de 60 en de AOW-leeftijd met een WIA- of WAO-uitkering in de afgelopen 10 jaar. Vanwege de implementatie van de wet vereenvoudiging Wajong is alleen een uitsplitsing te maken voor de afgelopen 3 jaar. Data van eerdere jaren is (nog) niet beschikbaar.

Tabel: Aantal WIA-uitkeringsgerechtigden van 60 jaar en ouder

Leeftijd

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

60

5.321

6.697

7.452

8.585

9.541

10.781

11.670

12.772

14.015

15.268

61

5.395

6.335

7.787

8.477

9.684

10.839

12.132

13.154

14.263

15.516

62

4.265

6.207

7.249

8.749

9.434

10.971

12.175

13.662

14.603

15.763

63

3.621

4.696

6.958

8.037

9.637

10.632

12.243

13.692

15.125

16.069

64

2.796

3.964

5.013

7.406

8.631

10.535

11.752

13.632

15.141

16.658

65

403

889

1.989

4.732

8.605

12.940

14.901

16.474

66

4.491

5.312

Tabel: Aantal WAO-uitkeringsgerechtigden van 60 jaar en ouder

Leeftijd

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

60

25.232

24.293

22.135

20.139

18.338

17.259

15.822

14.816

13.687

12.449

61

27.123

24.846

23.948

21.843

19.840

18.073

17.000

15.617

14.639

13.461

62

29.084

26.723

24.448

23.610

21.508

19.514

17.830

16.762

15.366

14.409

63

31.435

28.670

26.265

24.098

23.255

21.153

19.206

17.552

16.523

15.114

64

33.595

31.102

28.189

25.871

23.728

22.888

20.826

18.893

17.261

16.236

65

2.603

4.450

6.097

11.094

16.476

20.490

18.608

16.968

66

6.067

5.458

Tabel: Aantal Wajong-uitkeringsgerechtigden van 60 jaar en ouder

Leeftijd

2018

2019

2020

60

2.593

2.618

2.698

61

2.439

2.519

2.564

62

2.360

2.376

2.448

63

2.087

2.300

2.286

64

2.005

2.030

2.222

65

1.914

1.955

1.962

66

633

636

Vraag 12

Hoeveel extra kinderen leven als gevolg van de coronacrisis in armoede? Welke trend wordt daarbij verwacht?

Antwoord 12

De meest recent beschikbare cijfers zijn van het CBS (Materiële welvaart in Nederland 2020) en gaan over 2019. In 2019 maakten 251.000 minderjarige kinderen (7,8%) deel uit van een gezin met een inkomen onder de lage-inkomensgrens, 7.000 minder dan in het jaar ervoor (7,9%). December aanstaande verschijnen de CBS cijfers over 2020.

Naar verwachting hebben als gevolg van de coronacrisis tijdelijk meer mensen met armoede te maken gekregen. In voorlopige CBS cijfers (Statline, geraadpleegd 22-10-2021) is een toename zichtbaar in het aantal bijstandsgerechtigden tussen maart 2020 en juli 2021. Sinds maart 2021 is in het aantal bijstandsuitkeringen weer een dalende trend zichtbaar. Het aantal werklozen laat eveneens in 2021 een dalende trend zien. Onzekerheid blijft bestaan maar de economie staat er ondanks de crisis goed voor en ook de prognoses zijn goed.

Vraag 13

In welke mate heeft het overheidsbeleid (zoals de verhoging van de AOW-leeftijd) geleid tot een hogere werkloosheid als gevolg van een toename van het arbeidsaanbod?

Antwoord 13

In algemene zin valt niet te verwachten dat een toename van het arbeidsaanbod door een verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd leidt tot een structurele toename van de werkloosheid. De structurele werkgelegenheidsgroei wordt bepaald door het aanbod: extra aanbod wordt op lange termijn geabsorbeerd door de arbeidsmarkt. De arbeidsmarkt zal via aanpassingen van onder andere de lonen in een nieuw evenwicht komen. Bovendien kan een toename van het arbeidsaanbod resulteren in meer inkomensgroei, en daarmee de vraag naar producten en diensten stimuleren, en zodoende juist ook meer werkgelegenheid tot gevolg hebben.

Het CPB vindt voor Nederland op langere termijn geen bewijs voor verdringing tussen leeftijdsgroepen.1 Volgens het CPB laat de internationale literatuur en analyses op basis van Nederlandse data zien dat er geen, of zelfs een positief, verband is tussen de arbeidsparticipatie van ouderen en de arbeidsmarktkansen van jongeren. Volgens het CPB suggereren deze resultaten dat ouderen en jongeren elkaar aanvullen op de arbeidsmarkt en niet met elkaar concurreren. Dat laat zien dat een toename van het arbeidsaanbod van ouderen niet noodzakelijkerwijs ten koste zal gaan van de baankansen van andere leeftijdsgroepen.

Wel geeft het CPB aan dat op korte termijn en in laagconjunctuur verdringingseffecten mogelijk zijn. In dat licht is het relevant dat de werkloosheid momenteel historisch bezien relatief laag is. Zo was in het tweede kwartaal van dit jaar 3,3% van de beroepsbevolking werkloos, en 3,1% van de beroepsbevolking in de leeftijdscategorie 60–65. Ook de werkloosheidcijfers suggereren dus niet dat recente hervormingen, zoals de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd, direct leiden tot een veel hogere werkloosheid. De huidige krappe arbeidsmarkt illustreert juist dat oudere werknemers op de arbeidsmarkt momenteel juist nodig zijn om aan de vraag naar arbeid te kunnen voldoen. De hogere AOW-gerechtigde leeftijd helpt in die zin om de historische krapte op de arbeidsmarkt te verlichten, waarbij ook geldt dat door de vergrijzing de krapte op de arbeidsmarkt in de toekomst kan toenemen.

Vraag 14

Zijn er concrete doelstellingen over het tegengaan van loon- en inkomensongelijkheid tussen mannen en vrouwen?

Antwoord 14

Voor het tegengaan van inkomensongelijkheid tussen mannen en vrouwen heeft het kabinet zich in de Emancipatienota (Kamerstuk 30 420, nr. 270) het doel gesteld dat het aandeel vrouwen dat economisch zelfstandig is jaarlijks moet stijgen. In cijfers van het CBS is deze stijging te zien, in 2017 was 60,7% van de vrouwen economisch zelfstandig en in 2020 lag dit percentage op 64,3%.2

Uit de Monitor loonverschillen mannen en vrouwen, die het CBS elke twee jaar op verzoek van het Ministerie van SZW uitvoert, volgt dat het beloningsverschil tussen mannen en vrouwen sinds 2008 steeds kleiner wordt.3 Desondanks ligt hier nog steeds een uitdaging. Het kabinet heeft verschillende acties ondernomen om het loonverschil tussen mannen en vrouwen te verkleinen. Zie voor een overzicht van de maatregelen onder andere het Actieplan Arbeidsmarktdiscriminatie 2018–2021. Een van deze maatregelen is de subsidie voor de campagne van WOMEN Inc. om vrouwen en werkgevers bewust te maken van de loonkloof. Ook heeft het kabinet meer indirecte maatregelen getroffen. Een belangrijke stap is de wet voor een bindend vrouwenquotum in het bedrijfsleven om zodoende een evenwichtigere verhouding van vrouwen en mannen in de top (en subtop) te realiseren. Verder is het kabinet aan de slag gegaan met het treffen van voorbereidingen voor de uitvoering van het advies van de Adviesgroep Vinkenburg. Uw Kamer is hier op 8 juli 2021 jl. over geïnformeerd (Kamerstuk 30 420, nr. 360). Onderdeel hiervan is de ambitie om genderdiversiteit in de (sub)top van de Rijksdienst te verhogen.

Tot slot, is er vanuit de Europese Unie een voorstel voor een richtlijn gepresenteerd voor gelijke beloning van mannen en vrouwen door middel van beloningstransparantie en handhavingsmechanismen. Uw Kamer is over deze richtlijn geïnformeerd middels een fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 3086).

Vraag 15

Wat is de gemiddelde arbeidsparticipatie van mensen met een chronische aandoening en mensen met een psychische aandoening? Hoe verhoudt zich dit tot de gezonde beroepsbevolking?

Antwoord 15

In 2016 had ruim 5 op de 10 Nederlanders een chronische aandoening of beperking. Bij jongere leeftijdsgroepen gaat het om grofweg 4 op de 10, bij oudere leeftijdsgroepen neemt dit aandeel toe tot ruim 9 op de 10 bij personen van 75 jaar of ouder.

De impact die mensen ondervinden op hun mogelijkheid tot arbeidsdeelname verschilt aanzienlijk tussen en binnen de typen chronische aandoeningen en beperkingen. Waar in sommige gevallen de aandoening of beperking van dien aard is dat arbeidsdeelname slechts in zeer geringe mate, of in het geheel niet mogelijk is, is er ook sprake van chronische aandoeningen die weinig invloed hebben op de mogelijkheid tot het verrichten van betaalde arbeid. Onderstaande tabel presenteert de arbeidspositie van verschillende subgroepen.

Tabel: Arbeidsmarktpositie, 15 tot en met 74 jaar / 15 tot en met 44 jaar, 2016

In procenten

Werkzame beroepsbevolking

Werkloze beroepsbevolking

Niet-beroepsbevolking

 

15 t/m 74

15 t/m 44

15 t/m 74

15 t/m 44

15 t/m 74

15 t/m 44

Nederlandse bevolking

66

76

5

6

30

18

Zonder chronische aandoening/beperking

76

78

5

6

18

17

Met chronische aandoening/beperking

57

73

4

7

39

21

             

Type chronische aandoening/beperking:

           

Lichamelijk

56

77

3

5

40

18

Zintuiglijk

46

67

3

9

50

24

Psychisch

55

61

7

12

38

27

Verstandelijke beperking

           

Uit de tabel blijkt in de eerste plaats dat verschillen in arbeidsdeelname tussen groepen voor een belangrijk deel gedomineerd worden door verschillen in leeftijd tussen groepen. Veel personen met een chronische aandoening of beperking zijn AOW-gerechtigd en verrichten om die reden geen betaalde arbeid. Bij de jongere helft van de bevolking (15 tot en met 44 jaar) komt de groep met en zonder chronische aandoening of beperking voor wat betreft arbeidsmarktpositie meer overeen dan bij de oudere helft het geval is. Dat geldt vooral voor mensen met een lichamelijke beperking. De arbeidsdeelname van deze groep in de leeftijd van 15 tot en met 44 jaar is bijna gelijk aan de arbeidsdeelname van de groep zonder lichamelijke beperking. Vooral mensen met een zintuigelijke of psychische aandoening zijn relatief minder actief op de arbeidsmarkt.

Vraag 16

Welke maatregelen en middelen worden ingezet om mensen met een chronische aandoening of de gevolgen daarvan vanuit de reguliere medische zorg te begeleiden bij het behouden van of terugkeer naar werk?

Antwoord 16

In de brief van de Minister over de toekomst van de arbeidsgerelateerde zorg van 23 juni jl. aan uw Kamer (Kamerstuk 25 883, nr. 416) worden de verschillende stappen beschreven om de arbeidsgerelateerde zorg te verbeteren. In het kader van de activerende dienstverlening van UWV aan mensen met een Wajong- of WIA-uitkering lopen geen specifieke activiteiten om mensen met een chronische aandoening of de gevolgen daarvan vanuit de reguliere medische zorg te begeleiden bij het weer aan het werk komen. Activerende dienstverlening van deze mensen is maatwerk en gaat uit van de kansen en mogelijkheden van de mensen in de Wajong en WIA, waarbij rekening gehouden wordt met hun relevante belemmeringen. Ongeacht of deze belemmeringen voorkomen uit chronische aandoeningen of andere medische en/of psychische oorzaken kent, zet UWV in het kader van haar dienstverlening persoonlijke gesprekken in en kan indien nodig re-integratietrajecten of scholing inkopen om deze mensen naar werk te begeleiden.

Vraag 17

Hoeveel procent moet het minimumloon stijgen voordat het 60% van het gemiddelde loon bedraagt?

Antwoord 17

Het wettelijk minimumloon (WML) is een maandbedrag dat per 1 januari en 1 juli van een jaar wordt vastgesteld. Per 1 januari 2020 bedroeg het bruto-WML voor personen van 21 jaar en ouder € 1.653,60, per 1 juli was dit € 1.680,00. Gemiddeld bedroeg het bruto-WML in 2020 dus € 1.666,80. Hierin is rekening gehouden met 8% vakantiegeld.

Volgens data van het CBS4 bedroeg het gemiddelde bruto-maandloon exclusief overwerk van werknemers in 2020 gemiddeld € 2.663. Een wettelijk minimumloon op 60% hiervan zou een WML betekenen van € 1.597,80, dit is minder dan het WML gemiddeld in 2020 bedroeg. Kanttekening hierbij is dat het gemiddeld bruto-maandloon het maandloon is van zowel voltijd- als deeltijdwerknemers en daardoor geen zuivere vergelijking bevat. Een vergelijking met het bruto-maandloon van voltijdwerknemers zorgt echter voor een selectie-effect en is daarmee ook geen zuivere vergelijking.

Een alternatief is een vergelijking met het gemiddelde bruto-uurloon. Het gemiddelde bruto-uurloon exclusief vakantiegeld en overwerk van werknemers was in 2020 gemiddeld € 25,50. 60% hiervan komt neer op € 15,30. Het WML is echter een maandbedrag. Bij een voltijdswerkweek van 36 uur correspondeerde dat in 2020 gemiddeld met een uurloon van € 10,69. Bij een voltijdswerkweek van 40 uur volgde in 2020 gemiddeld een uurloon van € 9,62. Een stijging van het minimumloon naar € 15,30 per uur impliceert daarom een stijging van 43% tot 59%. Kanttekening hierbij is dat het sturen op brutobedragen door de progressie in de inkomstenbelasting en door mogelijk recht op toeslagen kan leiden tot een WML dat netto hoger ligt dan 60% van het gemiddelde nettoloon.

Vraag 18

Wat is de arbeidsinkomensquote (AIQ) momenteel en hoe heeft deze zich ontwikkeld sinds 1969?

Antwoord 18

De AIQ geeft het aandeel van de netto toegevoegde waarde weer dat als beloning naar de factor arbeid gaat; het resterende deel gaat naar de factor kapitaal. Volgens de voorlopige cijfers van het CBS lag de AIQ over alle economische activiteiten in 2020 op 77,7%5. In 1969 lag de AIQ op 78,0%6. Deze cijfers zijn terug te vinden op Statline. Bij het interpreteren van deze twee cijfers en de ontwikkeling daarvan over de tijd is echter terughoudendheid geboden. De berekeningsmethode is door de tijd heen meermaals herzien en de huidige rekenmethode is gebaseerd op data die slechts beschikbaar zijn sinds 19957. Bovendien hebben ook andere methodologische keuzes een impact op de hoogte van de AIQ8. Ondanks deze complicaties lijkt er consensus te zijn dat de AIQ in het eerste deel van de jaren zeventig sterk is gestegen en sinds midden jaren zeventig weer is afgenomen, met de sterkste daling in de jaren tachtig9.

Vraag 19

Hoeveel procent van de mensen die in horeca werkt, verdient het minimumloon? En hoeveel is dat bij de detailhandel? Welke ontwikkeling zit er in deze cijfers en hoe verhoudt zich dat tot voorgaande jaren?

Antwoord 19

Uit cijfers van het CBS (bron: CBS, Statline Werkgelegenheid en minimumloon; kenmerken baan, bedrijfsgrootte, SBI2008, geraadpleegd 20-10-2021) blijkt dat in 2019 9,3% van de werkenden in de bedrijfstak horeca het minimumloon verdient. Het betreft 6,3% van de werkenden in de bedrijfstak handel, waar detailhandel onder valt. Wanneer gekeken wordt naar het aandeel werkenden op het minimumloon in deze twee bedrijfstakken, zien we dat het aandeel in beide sectoren afgenomen is in de periode 2010–2019, met 1,39%-punt in de handel en 4,5%-punt in de horeca. De sterke afname in de bedrijfstak horeca heeft voornamelijk te maken met een forse groei in het totaal aantal banen: een relatief groot deel daarvan wordt boven het minimumloon betaald. De afname in de bedrijfstak handel is zowel te verklaren door de groei van het totaal aantal banen, als een absolute afname van het aantal werkenden op het minimumloon.

Vraag 20

Welke actuele onderzoeken zijn er over de sectoren horeca en detailhandel? Hoe staan zij er nu voor? Wat is de winstgevendheid in deze sectoren (nu en afgelopen jaren voor Corona)? Welk deel van de economie beslaan zij? Hoeveel omzet wordt er gedraaid? Hoeveel faillissementen zijn er geweest de afgelopen jaren? Hoeveel mensen zijn er werkzaam en hoeveel ondernemers van welke grootte?

Antwoord 20

Het CPB heeft het afgelopen halfjaar twee studies gepubliceerd naar de economische gevolgen van corona, waarin ook de positie van het mkb, waaronder horeca en detailhandel, is meegenomen (CPB Achtergronddocument (2021), COVID-19 en de gevolgen voor het Nederlandse mkb en banken; CPB notitie (2021), Economische analyse steunpakket 2020). Daarnaast heeft DNB onderzoek gedaan naar de gevolgen van corona voor de financiële situatie van het mkb (DNB analyse (2021), De financiële positie van het Nederlandse mkb één jaar na de Covid-19 uitbraak).

Deze studies kijken naar liquiditeits- en solvabiliteitsgegevens, en wijzen van daaruit op een verhoogd faillissementsrisico voor horecabedrijven. Op basis van de genoemde onderzoeken geldt dat risico niet of nauwelijks voor de detailhandel. Het is nog niet duidelijk of dit verhoogde risico ook tot een reële toename in faillissementen zal leiden. Volgens het CPB is een compleet inzicht in de financiële gevolgen van de coronacrisis voor het mkb vermoedelijk pas begin 2022 te geven.

Het CBS maakt de winstgevendheid van sectoren slechts met vertraging inzichtelijk. De winstgevendheid van horeca en detailhandel is bekend tot en met 2019 (CBS, Statline, geraadpleegd 27-10-2021). De precieze winstgevendheid van deze sectoren tijdens en na de coronacrisis kan nog niet worden vastgesteld. Het bedrijfsresultaat (bedrijfsopbrengsten minus kosten) van de detailhandel was € 5,2 miljard in 2015, € 6,2 miljard in 2016, € 6,4 miljard in 2017, € 7,5 miljard in 2018 en € 7,8 miljard in 2019. Het bedrijfsresultaat van de horeca was € 3,2 miljard in 2015, € 3,4 miljard in 2016, € 3,8 miljard in 2017, € 4,0 miljard in 2018 en € 3,9 miljard in 2019.

In 2019 bedroeg het aandeel van de detailhandel 2,89% van het totaal aan toegevoegde waarde in de economie. In 2020, het laatst beschikbare jaar, was dat 3,12%. In 2019 bedroeg het aandeel van de horeca 1,99% van het totaal aan toegevoegde waarde in de economie. In 2020 was dat 1,38%.

De omzet van de detailhandel in 2019 was € 124 miljard. Deze is in 2020 met 6,0% toegenomen. De omzet van de horeca in 2019 was € 29 miljard. Deze is in 2020 met 34,3% gedaald.

In de detailhandel waren in 2015 538 faillissementen, in 2016 515 faillissementen, in 2017 347 faillissementen, in 2018 361 faillissementen, in 2019 369 faillissementen en in 2020 309 faillissementen. In de horeca waren in 2015 306 faillissementen, in 2016 286 faillissementen, in 2017 260 faillissementen, in 2018 268 faillissementen, in 2019 254 faillissementen en in 2020 286 faillissementen.

In 2019 waren er 999,4 duizend personen werkzaam in de detailhandel, en 641,5 duizend in de horeca. Het CBS heeft het aantal werkzame personen per sector voor 2020 nog niet gepubliceerd.

In de detailhandel zijn in het 4e kwartaal van 2021 155.005 bedrijven. Daarvan zijn er 102.325 met 1 werkzame persoon, 27.260 met 2 werkzame personen, 12.700 met 3 tot 5 werkzame personen, 7.675 met 5 tot 10 werkzame personen, 2.770 met 10 tot 20 werkzame personen, 1.455 met 20 tot 50 werkzame personen, 495 met 50 tot 100 werkzame personen en 330 met 100 werkzame personen of meer. In de horeca zijn in het 4e kwartaal van 2021 67.145 bedrijven. Daarvan zijn er 31.505 met 1 werkzame persoon, 12.655 met 2 werkzame personen, 9.310 met 3 tot 5 werkzame personen, 8.205 met 5 tot 10 werkzame personen, 3.845 met 10 tot 20 werkzame personen, 1.230 met 20 tot 50 werkzame personen, 245 met 50 tot 100 werkzame personen, en 150 met 100 werkzame personen of meer.

Vraag 21

Welke onderzoeken zijn er het afgelopen jaar verschenen betreffende het minimumloon?

Antwoord 21

Het afgelopen jaar zijn er verschillende documenten gepubliceerd die (onder meer) betrekking hebben op het Nederlandse minimumloon:

  • CPB (2020): Kansrijk Arbeidsmarktbeleid – Update Minimumloonbeleid.

  • CPB (2020): Doorrekening invoering minimumuurloon.

  • CPB (2020): Effecten verhogen minimumloon.

  • CPB (2020): Kansrijk Armoedebeleid.

  • CPB (2021): Keuzes in Kaart.

  • Eurofound (2021): Annual review minimum wages 2021.

  • Nibud (2020): Meer bestedingsruimte bij een hoger minimumloon. In opdracht van de FNV.

  • I&O-research (2020): Onderzoek naar het verhogen van het wettelijk minimumloon. In opdracht van de FNV.

  • SER (2021): Zekerheid voor mensen, een wendbare economie en herstel van de samenleving. Betreft een advies.

  • SER (2021): Werken zonder armoede. Betreft een verkenning.

Vraag 22

Hoeveel sociale werkvoorzieningen draaien rode cijfers? Welke zijn dit?

Antwoord 22

Voor de meeste sociale werkvoorzieningen (sw-voorzieningen) geldt dat de exploitatie – zonder rekening te houden met de gemeentelijke bijdrage – verliesgevend is. Volgens inschattingen is 4 op de 5 sw-voorzieningen verliesgevend. Deze conclusie is gebaseerd op informatie van 83 sw-voorzieningen, waarvoor bij Cedris financiële data bekend zijn. Van 11 sw-voorzieningen is onvoldoende informatie bekend. Het is op dit moment niet mogelijk een overzicht te geven welke sw-voorzieningen het exact betreft, aangezien de financiële informatie in vertrouwelijkheid met Cedris is gedeeld en dus niet openbaar gemaakt kan worden.

Omdat de Wsw subsidie taakstellend is, zijn gemeenten er zelf verantwoordelijk voor om eventuele tekorten op de uitvoering van de Wsw aan te vullen én mogen zij zelf besluiten hoe eventuele overschotten worden besteed.

Uit de sectorinformatie blijkt dat in 2020 het tekort € 132 miljoen was. Naar verwachting zal dit tekort de komende jaren teruglopen. Dit komt vooral doordat de uitstroom van Wsw’ers in de nabije toekomst sneller gaat dan eerder gedacht én doordat de gemiddelde loonkosten van Wsw’ers dalen. Verwacht wordt dat rond 2025 een omslag zal plaatsvinden, waarbij het tekort op de exploitatie van alle sw-voorzieningen samen omslaat naar een overschot. Dit betekent dat gemeenten overall geen aanvullende middelen meer hoeven in te zetten voor de uitvoering van de Wsw. De sectorinformatie van Cedris bevestigt dit beeld. Uiteraard zullen hierbij verschillen blijven bestaan tussen de individuele sw-voorzieningen.

In 2020 hebben gemeenten om de nadelige effecten voor de sw-bedrijven van de coronamaatregelen op te vangen een bedrag van € 140 miljoen ontvangen. Deze compensatie is over het algemeen toereikend gebleken, zoals ook uit de sectorinformatie van Cedris blijkt. In 2021 is er een aanvullende tegemoetkoming toegekend van € 35 miljoen voor de periode 1 januari tot 1 juli 2021.

Ik streef ernaar om vóór de begrotingsbehandeling van SZW de reactie op de motie van de leden Slootweg en Van Kent te sturen. In deze motie is de regering verzocht om een quickscan uit te voeren naar eventuele (financiële) problemen bij sociale ontwikkelbedrijven (Kamerstuk 35 644, nr. 6).

Vraag 23

Welke sociale werkvoorzieningen hebben sinds 2015 de deuren moeten sluiten? Hoeveel hebben taken afgestoten en bij hoeveel heeft de gemeente de werkzaamheden overgenomen?

Antwoord 23

In de periode 2014–2021 zijn circa 10 sw-bedrijven opgeheven, opgesplitst of in een andere vorm doorgegaan. Te denken valt aan PAUW-bedrijven, ALESCON, Top-Craft, BGS, TBV en Delta Werkt. Hier lagen niet alleen financiële redenen aan ten grondslag. Ook redenen als andere beleidsvisie op de vormgeving en inzet van de sw-infrastructuur en een niet bestendige samenwerking tussen gemeenten die samen eigenaar zijn van een sw-bedrijf speelden een rol. Hierbij zien we dat wanneer gemeenten een sw-bedrijf opheffen, zij zich veelal aansluiten bij een ander sw-bedrijf, er sprake is van overname of splitsing of dat gemeenten de Wsw’ers zelf in dienst nemen/zorg gedragen voor een passende plaatsing. Zo zijn gemeenten in staat gebleken om aan alle mensen met een Wsw-indicatie, een passend alternatief te bieden in een sw-voorziening.

Vraag 24

Welke controle heeft de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) de afgelopen vier jaar uitgevoerd op de gemeenten in het kader van de verdringingstoets? Welke publicaties zijn hierbij verschenen? Hoeveel fulltime-equivalent (fte) per jaar is hieraan besteed vanaf 2016? Welke follow-up is er geweest van het inspectie rapport uit 2015 over Gemeentelijke aandacht voor verdringing bijstandsgerechtigden? Welke activiteiten heeft de Inspectie verricht op het gebied van werken zonder loon?

Antwoord 24

Het rapport uit 2015 oordeelde positief over het feit dat bijna alle gemeenten in hun re-integratiebeleid voor elk van de doelgroepen die zij daarin onderscheiden ten minste één instrument hebben dat valt onder «werken met behoud van uitkering». Naast het benoemen van de instrumenten zouden gemeenten in hun beleid ook moeten aangeven aan welke voorwaarden de toepassing van een instrument behoort te voldoen, om te zorgen dat er sprake is van additionele activiteiten.

Het betreft een decentrale, gemeentelijke beleidsvrijheid om hieraan invulling te geven. De Inspectie SZW heeft daarin geen taak of bevoegdheid.

De Inspectie heeft vanaf 2016 diverse toezichtonderzoeken uitgevoerd en rapporten uitgebracht in relatie tot bijstandsgerechtigden, zoals op de thema’s de weg naar extra banen, individuele studietoeslag, financiële zelfredzaamheid statushouders, schuldhulpverlening en recentelijk op het thema niet-gebruik bijstand. 10

Vraag 25

Welke problemen met de implementatie vereenvoudiging beslagvrije voet zijn er nog en welke acties zijn ondernomen in dit jaar?

Antwoord 25

Onder meer bij brief van 1 juni 2021 (Kamerstuk 24 505, nr. 603) is uw Kamer geïnformeerd over de knelpunten bij de implementatie van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet. De betrokken partijen in de keten en het ketenbureau van het Ministerie van SZW hebben de oplossing van elk van de knelpunten voortvarend opgepakt. Het knelpunt dat de beslagvrije voet in sommige gevallen lager uitviel dan zou moeten bij mensen die de salarisuitbetaling per vier weken ontvangen in plaats van per maand en het knelpunt bij het vaststellen van het gemiddeld maandinkomen, zijn opgelost door de rekenmodules aan te passen. Bij de berekening van de beslagvrije voet bij bijstandsgerechtigden is ook een knelpunt geconstateerd. Om dit te ondervangen passen partijen een handmatige werkwijze toe, tot zij de geautomatiseerde oplossing in de rekenmodules kunnen toepassen. Sommige partijen kunnen deze gebruiken vanaf 1 januari 2022 en andere partijen in de loop van 2022. De wetswijziging die betrekking heeft op de geautomatiseerde oplossing, is opgenomen in de Verzamelwet SZW 2022.

Elk jaar worden op 1 januari en 1 juli wijzigingen doorgevoerd in de rekenmodules die worden gebruikt voor de berekening van de beslagvrije voet. Dit jaar zijn er ook wijzigingen doorgevoerd op 1 oktober. UWV heeft de 1 oktober-wijzigingen nog niet kunnen doorvoeren. UWV houdt daarom nieuwe beslagen aan, totdat de wijzigingen zijn getest en geaccordeerd. UWV verwacht het testtraject eind november af te ronden. Na akkoord van SZW verwacht UWV in december het leggen van beslagen te kunnen hervatten. Voor de Belastingdienst geldt dat de desbetreffende wijzigingen zijn doorgevoerd. Deze wachten op goedkeuring van SZW. In verband met het opnieuw opstarten van de invordering van belastingschulden na Corona, is het opleggen van nieuwe beslagen pas in 2022 aan de orde. Conform de wet worden langlopende loonvorderingen herzien en correctieverzoeken afgehandeld.

Vraag 26

Wanneer is begonnen met het verlagen van de bijstand (in het kader van de afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon) en op hoeveel procent van de verlaging zitten we nu?

Antwoord 26

Vanaf januari 2012 wordt de dubbele algemene heffingskorting (AHK) in het referentieminimumloon van de bijstand halfjaarlijks, per januari en juli van elk jaar, met 2,5 procentpunt verminderd. Deze afbouw is inmiddels meerdere malen getemporiseerd, meest recent in de augustusbesluitvorming 2021 voor het jaar 2022.

Per 1 juli 2021 is de dubbele AHK in het referentieminimumloon van de bijstand afgebouwd naar 1,6625 keer de AHK. Onderstaande tabel toont het actuele afbouwtraject.

Tijdvak

AHK in het referentie-minimumloon van de bijstand

Afbouw in procentpunt

jul-11

2

 

jan-12

1,975

2,50%

jul-12

1,95

2,50%

jan-13

1,925

2,50%

jul-13

1,9

2,50%

jan-14

1,8875

1,25%

jul-14

1,875

1,25%

jan-15

1,8625

1,25%

jul-15

1,85

1,25%

jan-16

1,8375

1,25%

jul-16

1,825

1,25%

jan-17

1,8125

1,25%

jul-17

1,8

1,25%

jan-18

1,7875

1,25%

jul-18

1,775

1,25%

jan-19

1,75625

1,875%

jul-19

1,7375

1,875%

jan-20

1,71875

1,875%

jul-20

1,7

1,875%

jan-21

1,68125

1,875%

jul-21

1,6625

1,875%

jan-22

1,64375

1,875%

jul-22

1,625

1,875%

jan-23

1,6

2,50%

jul-23

1,575

2,50%

jan-24

1,55

2,50%

jul-24

1,525

2,50%

jan-25

1,5

2,50%

jul-25

1,475

2,50%

jan-26

1,45

2,50%

jul-26

1,425

2,50%

jan-27

1,4

2,50%

jul-27

1,375

2,50%

jan-28

1,35

2,50%

jul-28

1,325

2,50%

jan-29

1,3

2,50%

jul-29

1,275

2,50%

jan-30

1,25

2,50%

jul-30

1,225

2,50%

jan-31

1,2

2,50%

jul-31

1,175

2,50%

jan-32

1,15

2,50%

jul-32

1,125

2,50%

jan-33

1,1

2,50%

jul-33

1,075

2,50%

jan-34

1,05

2,50%

jul-34

1,025

2,50%

jan-35

1

2,50%

Bron: Berekening SZW

Vraag 27

Hoeveel werkende armen zijn er momenteel?

Antwoord 27

De meest recent beschikbare cijfers zijn van het CBS (Materiële welvaart in Nederland 2020) en gaan over 2019. Van de werkende bevolking van 15 tot 75 jaar maakte in 2018 2,4% (circa 180.000 personen) deel uit van een huishouden met een inkomen onder de lage-inkomensgrens. Sinds 2017 is het aandeel werkenden met een laag inkomen nagenoeg stabiel.

Vraag 28

Hoeveel procent van de eigenrisicodragers komt in de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) en hoeveel procent niet-eigenrisicodragers?

Antwoord 28

De WIA kent verschillende regelingen. De IVA voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikte werknemers, en de WGA voor volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikte werknemers en voor gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers. In de WIA kan doorstroom plaatsvinden van de ene naar de andere regeling. De meest voorkomende doorstroom is van WGA volledig (waarin werknemers tussen de 80 en 100% arbeidsongeschikt zijn) naar IVA, gevolgd door WGA gedeeltelijk (waarin werknemers tussen de 35 en 80% arbeidsongeschikt zijn) naar IVA. Doorstroom vindt relatief vaak na twee tot vier jaar plaats. Om een beeld te geven van de instroom per regeling en de eindsituatie per regeling, is gekeken naar werknemers die in 2016 de WIA instroomden. Gekeken is naar de regeling waarin deze werknemers instroomden en in welke regeling ze eind 2020 (hieronder aangeduid als «na vijf jaar») zitten. Het antwoord heeft betrekking op werknemers waarvoor de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte gold (dus niet op vangnetters in de Ziektewet).

Bij instroom is er nauwelijks verschil tussen werknemers met een werkgever die eigenrisicodrager is (ERD-groep) en werknemers met een publiek verzekerde werkgever (publieke groep):

  • 25% respectievelijk 24% komt in WGA gedeeltelijk,

  • 45% bij beide groepen in WGA volledig en

  • 30% respectievelijk 31% in de IVA.

Na vijf jaar is er een verschil ontstaan tussen de ERD-groep en de publieke groep:

  • 29,6% van de ERD-groep en 28,3% van de publieke groep is uitgestroomd.

  • Het aandeel in de IVA van de ERD-groep is gegroeid naar 44%, bij de publieke groep naar 33% (dit is de resultante van doorstroom naar en uitstroom uit de IVA; bij de ERD-groep is 26% van WGA naar IVA gegaan, bij de publieke-groep 15%).

  • Bij de ERD-groep verblijft 15% in de WGA en van de publieke groep 25%.

Vraag 29

Hoeveel procent van de eigenrisicodragers is 35-min en hoeveel procent van de niet-eigenrisicodragers?

Antwoord 29

In 2019 kreeg 31,0% van de werknemers van eigenrisicodragers (ERD-groep) een afwijzing per einde wachttijd en 32,1% van de werknemers van publiek verzekerde werkgevers (publieke groep).

Vraag 30

Bent u bekend met het inkomensverlies dat (met name alleenstaande) ouders ervaren als kinderen 18 jaar worden? Kunt u inzichtelijk maken welke tegemoetkomingen vervallen en welke daarvoor in de plaats komen, en wat dit betekent voor de financiële situatie van ouders?

Antwoord 30

Voor ouders en kinderen veranderen er een aantal zaken als het kind 18 jaar wordt. De ondersteuning voor de kosten van het kind (kinderbijslag en eventueel kindgebonden budget) stopt, en tegelijkertijd krijgen jongeren vanaf hun 18e een zelfstandig recht op sociale voorzieningen en inkomensondersteuning. Het is sterk van de situatie afhankelijk waar zij vervolgens recht op hebben, bijvoorbeeld van of zij thuis wonen, een opleiding volgen of een handicap hebben. Wat de plussen en minnen zijn voor het gezinsinkomen is daarom niet voor iedereen inzichtelijk te maken. Op de site van de rijksoverheid staan alle veranderingen opgesomd bij de vraag «18 jaar worden: wat moet ik regelen?». Hieronder wordt ingegaan op een aantal belangrijke componenten van inkomensondersteuning en studiefinanciering.

De kinderbijslag (circa € 1.285,– per jaar voor een 17-jarige) stopt als het kind 18 jaar wordt. Het verdere mogelijke inkomensverlies, in de vorm van kindgebonden budget, is afhankelijk van het inkomen en de huishoudsituatie. Alleenstaande ouders kunnen recht hebben op de zogenaamde alleenstaande ouderkop (ALO-kop), bij een inkomen rond het minimum is dat € 3.240,– per jaar. Zolang er nog andere kinderen onder de 18 jaar tot het huishouden behoren, blijft de alleenstaande met een minimuminkomen dit recht op ALO-kop houden en vervalt alleen het kindbedrag (maximaal € 1.463 – per jaar). Dit is ook het bedrag dat paren, tot een inkomen van circa € 39.000,– aan inkomen verliezen, als hun oudste kind 18 jaar wordt.

Vanaf de leeftijd van 18 dienen jongeren zelfstandig een zorgverzekering af te sluiten. Daarmee krijgen ze ook recht op zorgtoeslag. Het inkomen van het thuiswonende kind heeft tot 27 jaar geen invloed op de zorgtoeslag, het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag van de ouders, wel op de huurtoeslag. De hoogte van de huurtoeslag wordt bepaald op basis van het verzamelinkomen van het gehele huishouden. Voor thuiswonende kinderen tot 23 jaar geldt in 2021 een vrijstelling van het inkomen van € 5.044.

Indien ouders een bijstandsuitkering ontvangen, is van belang dat vanaf 18 jaar de inkomsten van het thuiswonende kind meetellen voor de vaststelling van de hoogte van de bijstandsaanvulling. De kostendelersnorm geldt nog niet, deze wordt gehanteerd vanaf het moment dat het kind 21 jaar oud wordt. Afhankelijk van de gemeente, kunnen er bij 18 jaar verschillende veranderingen optreden in de aanspraak op regelingen voor minima.

Verder is van belang of jongeren een opleiding volgen. Indien zij op hun 18e naar school gaan op het voortgezet onderwijs, kunnen zij onder voorwaarden een tegemoetkoming in de schoolkosten krijgen. Als zij een vervolgopleiding volgen, krijgen zij afhankelijk van het inkomen van de ouders recht op de aanvullende beurs. Daarnaast hebben mbo-studenten recht op de basisbeurs.

Vraag 31

Hoeveel problemen worden er nog gemeld betreffende de vereenvoudiging Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) en welke problemen betreft dit?

Antwoord 31

Er zijn bij UWV geen nieuwe problemen gemeld betreffende de Wet vereenvoudiging Wajong sinds de problemen in het voorjaar. Net na de implementatie van de Wet vereenvoudiging Wajong waren er problemen met te hoge uitkeringen voor een groep van circa 337 personen en te lage uitkeringen bij een groep van circa 414 personen. Het herstellen van de te lage uitkeringen rondt UWV eind 2021 af. De uitbetaalde te hoge uitkeringen van Wajongers die een te hoge uitkering hadden waarbij er sprake was van samenloop van gedispenseerde en niet gedispenseerde inkomensbestanddelen vordert UWV niet terug. Hierdoor kunnen een te hoge uitkering en het terugvallen op de normale uitkering beide een effect hebben op toeslagen en de algehele inkomenssituatie. UWV begeleidt deze groep daarom met een budgetcoach en past maatwerk toe waar nodig. UWV rondt de acties uiterlijk begin 2022 af. Over beide gevallen is de Kamer uitgebreider geïnformeerd met de brief van 5 juli 2021 (Kamerstuk 35 213, nr. 37).

Vraag 32

Welke problemen worden gemeld door Wajongers die zelfstandige zonder personeel (zzp'er) zijn, en in de problemen komen door een niet-realistische inschatting van het zzp-inkomen (mede door Corona) in het kader van de harmonisatie Wajong en wat doet u om voor deze groep mensen de problemen op te lossen?

Antwoord 32

Zodra een zelfstandige Wajonger aan UWV meldt dat er sprake is van veranderende inkomsten kan UWV met de Wajonger nieuwe afspraken maken over de voorschotuitkering. Wanneer een Wajonger zich meldt dan worden problemen voorkomen. Het is niet bekend hoe vaak Wajongers zich melden. Wajongers die zelfstandige zijn krijgen een voorschotuitkering op basis van een inschatting van het inkomen. Die inschatting maken Wajongers samen met het UWV. UWV wijst hen er dan op dat zij bij veranderende omstandigheden contact kunnen opnemen om de voorschotuitkering aan te passen. Een voorbeeld hiervan is als het inkomen door de coronacrisis anders blijkt uit te vallen dan voorspeld is. Door goede individuele afspraken te maken over een veranderend inkomen kunnen UWV en de Wajonger te hoge terugvorderingen of nabetalingen beperken.

Vraag 33

Welke cijfers heeft u beschikbaar over de ontwikkeling van het aantal kinderen in armoede en hoe verhoudt zich dat tot uw doelstelling?

Antwoord 33

De Kamer is op 12 oktober geïnformeerd over de laatste stand van zaken rond de voortgang op ambitie 2 (Kamerstukken 35 925 XV en 35 925 IV, A). In deze brief wordt gerapporteerd over de meest recent beschikbare cijfers van het CBS (Materiële welvaart in Nederland 2020), deze gaan over 2019. In 2019 maakten 251.000 minderjarige kinderen (7,8%) deel uit van een gezin met een inkomen onder de lage-inkomensgrens, 7.000 minder dan in het jaar ervoor (7,9%). De effecten van de coronacrisis zijn daarnaast nog onzeker. Komende december verschijnen de CBS cijfers over 2020.

Aan de tweede ambitie kinderarmoede: «Het aantal huishoudens met kinderen dat te maken heeft met een laag inkomen laat de komende jaren een dalende trend zien» is de volgende indicatieve streefwaarde toegevoegd: «een afname van het aantal kinderen in armoede van 9,2% in 2015 naar 4,6% in 2030». Een lineaire doorvertaling van deze streefwaarde over de jaren zou betekenen dat het aantal kinderen in armoede aan het einde van 2021 is afgenomen tot 7,2%.

Om de ambities te behalen lijkt derhalve verdergaande inzet nodig. Het nemen van aanvullende maatregelen op het terrein van bestaanszekerheid is aan het volgende kabinet.

Vraag 34

Welke cijfers heeft u beschikbaar over armoede in Nederland?

Antwoord 34

De meest recent beschikbare cijfers zijn van het CBS en gaan over 2019 (Statline, geraadpleegd 22-10-2021). In 2019 maakte 6,2% van de Nederlandse bevolking deel uit van een huishouden met een inkomen onder de lage-inkomensgrens (1.028.900 mensen) en liep daarmee een risico op armoede. Dat is iets minder dan in de twee voorgaande jaren, toen 6,3% van de bevolking van een laag inkomen moest rondkomen. Het percentage personen met een langdurig laag inkomen (>4 jaar) bleef sinds 2017 onveranderd (2,5%, 397.700 mensen).

Naast cijfers van het CBS rapporteert ook het SCP over armoede. De meest recente cijfers van het SCP gaan over 2017 (Armoede in kaart 2019). Volgens de basisbehoefte begroting leefde in 2017 3,8% van de bevolking (618.000 personen) in armoede. Als er ook gekeken wordt naar sociale participatie waren dat 939.000 personen (5,7%).

De Europese Commissie rapporteert eveneens over armoede. De meest recente cijfers gaan over 2019 en komen voor Nederland van het CBS. De EU hanteert de at risk of poverty rate. Men is arm bij een inkomen lager dan 60% van het mediane besteedbare inkomen, waardoor deze indicator feitelijk inkomensongelijkheid meet. In 2020 was 13,6% van de Nederlandse bevolking «at risk of poverty» (13,2% in 2019). Daarnaast maakt de EU ook gebruik van de at risk of poverty or social exclusion indicator. Deze kijkt naast het inkomen ook naar materiële deprivatie en een lage werkintensiteit in het huishouden. In 2020 was 16,3% van de Nederlandse bevolking «at risk of poverty or social exclusion» (16,5% in 2019).

Vraag 35

Om welke reden is er geen loonkostenvoordeel beschikbaar voor jongeren van doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerden die al een stage of vakantiebaantje bij de werkgever hebben gehad?

Antwoord 35

De werkgever komt in aanmerking voor een loonkostenvoordeel als hij een stagiair of iemand met een vakantiebaan aanneemt en voor die persoon over het verstrekte loon loonheffing afdraagt. De stagiair en vakantiekracht worden dan voor de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) aangemerkt als werknemer. Voorwaarde voor het loonkostenvoordeel is dat de stagiair of vakantiekracht onder één van de doelgroepen voor de loonkostenvoordelen valt én binnen drie maanden na de start van de stage of vakantiewerk een doelgroepverklaring aanvraagt. Ook mag hij in de zes maanden voorafgaand aan de start van de stage of vakantiebaan niet bij dezelfde werkgever in dienst zijn geweest. Als aan deze voorwaarden wordt voldaan, dan start het loonkostenvoordeel meteen bij het begin van de stage of het vakantiewerk. Neemt de werkgever de stagiair of vakantiekracht na de stage of vakantiebaan vervolgens in dienst, dan loopt het loonkostenvoordeel door.

Ontving de stagiair tijdens de stage alleen een onbelaste stagevergoeding, bijvoorbeeld een reis- en onkostenvergoeding, en wordt hij na de stage in dienst genomen, dan komt de werkgever in aanmerking voor het loonkostenvoordeel als binnen drie maanden na de start van het nieuwe dienstverband een doelgroepverklaring is aangevraagd. Tijdens de stage met onbelaste stagevergoeding bestaat geen aanspraak op loonkostenvoordeel, omdat de stagiair dan geen werknemer in de zin van de Wtl is.

Vraag 36

Waarvoor worden de middelen crisisdienstverlening (regionale mobiliteitsteam) voor 2022 ingezet? Kan een onderverdeling worden gegeven waar deze gelden aan worden uitgegeven?

Antwoord 36

De middelen crisisdienstverlening (regionale mobiliteitsteams) voor 2022 (in totaal € 166 miljoen) zijn als volgt onderverdeeld. Er is € 98 miljoen beschikbaar voor «Crisisdienstverlening». Dit deel van de middelen is voor de inzet van sociale partners, UWV en (centrum)gemeenten in de 35 regionale mobiliteitsteams, waarmee zij werkenden en werkzoekenden ondersteuning en begeleiding kunnen geven bij het vinden van nieuw werk. Ook de inzet van aanvullende crisisdienstverlening (ontschot budget) om de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen wordt via de inzet van deze middelen vergoed. Er is € 53 miljoen beschikbaar voor «Scholing via praktijkleren in het mbo». Uit deze middelen worden zowel de kosten voor scholing bij een mbo-instelling vergoed (via de regionale mobiliteitsteams) als kosten voor de werkgever die als erkend leerbedrijf een kandidaat een praktijkplaats biedt (via een subsidieregeling). € 15 miljoen komt ten goede aan de Tijdelijke impuls Banenafspraak. Met deze middelen wordt in elke arbeidsmarktregio een herkenbaar aanspreekpunt voor de doelgroep banenafspraak ingesteld. Daarnaast worden vanuit dit budget de kosten voor dienstverlening gericht op het werkfitbehoud van de doelgroep banenafspraak vergoed.

Vraag 37

Wat is de relatie tussen koopkrachtontwikkeling enerzijds en het consumentenvertrouwen anderzijds? Zijn daar eenduidige onderzoeksresultaten voor beschikbaar? Welke onderzoeksresultaten worden gebruikt door de planbureaus en het ministerie?

Antwoord 37

Er zijn geen eenduidige onderzoeksresultaten beschikbaar over de relatie tussen de koopkrachtontwikkeling en het consumentenvertrouwen in Nederland. Het CPB gebruikt het consumentenvertrouwen niet als variabele voor het ramen van economische ontwikkelingen. Wel gebruikt het CPB het consumentenvertrouwen in de monitoring van de economie. Zo speelt het een rol in de verwachtingen over de toekomstige economische ontwikkeling.

Vraag 38

Van de Miljoenennota in totaal is een mooie infographic beschikbaar, is het mogelijk een dergelijke infographic beschikbaar te maken voor deelbegroting XV – SZW?

Antwoord 38

Uiteraard is het mogelijk om infographics te maken van de deelbegroting van SZW. Veel data over uitgaven en inkomsten per begrotingshoofdstuk zijn ook online al beschikbaar, in grafiekvorm of als databestand. Het is wel belangrijk om duidelijk te weten om wat voor cijfers, en welk deel van de (rijks)begroting het dan gaat.

Neem bijvoorbeeld onderstaande infographic die is gepubliceerd bij de Miljoenennota 2022 (te vinden op https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/prinsjesdag/inkomsten-en-uitgaven-van-het-rijk-2022). De cijfers in deze grafiek gaan over de inkomsten en uitgaven van het Rijk en de sociale fondsen (in de publicatie wordt dat kortweg de rijksoverheid genoemd). De inkomsten en uitgaven in de grafiek zijn opgesteld volgens de EMU-definitie, en de uitgaven zijn de netto uitgaven (uitgaven en niet-belastingontvangsten). Het verschil tussen de inkomsten en uitgaven is dus gelijk aan het verwachte EMU-saldo voor 2022 van het Rijk en de sociale fondsen samen (een tekort van € 18,9 miljard, zie ook bijlage 6 bij de Miljoenennota).

Voor een deelbegroting, zoals hoofdstuk XV, is een infographic gebaseerd op de definitie van het EMU-saldo niet logisch. Een departementale begroting heeft immers geen belastinginkomsten, want die worden verantwoord op begroting IXB (Financiën). De inkomstenkant van zo’n infographic zou dus leeg zijn. De uitgaven en niet-belastingontvangsten op begroting XV worden in de memorie van toelichting bij de begroting al weergegeven als staafdiagram. Daarbij wordt er een onderscheid gemaakt tussen de begrotingsgefinancierde uitgaven, die worden gedaan door het departement zelf, en de premiegefinancierde uitgaven, die worden gedaan door de beheerders van de sociale fondsen (bij SZW zijn dat SVB en UWV).

Juist omdat de Minister van SZW er wel beleidsverantwoordelijk voor is, vallen de premie-gefinancierde uitgaven onder het uitgavenplafond sociale zekerheid. Voor een completere infographic over de uitgaven aan sociale zekerheid moet dus eigenlijk gekeken worden naar de uitgaven onder het uitgavenplafond.

Paragraaf 2.2 van de begroting van SZW geeft in tabelvorm een overzicht van de uitgaven onder het uitgavenplafond. In infographic vorm komt dat neer op onderstaande afbeelding. De aansluiting tussen deze uitgaven onder het uitgavenplafond en de infographic bij de Miljoenennota is toegelicht in bijlage 1.4 van de Miljoenennota.

Overigens staan op www.rijksfinanciën onder visuele begroting de budgettaire tabellen uit de begrotingen als (open) data, inclusief mogelijkheden om uitgaven of ontvangsten per begrotingshoofdstuk weer te geven in een cirkel- of staafdiagram.

Vraag 39

Hoeveel mensen zitten er in 2021 langdurig (twee jaar of langer) in de bijstand?

Antwoord 39

Eind maart 2021 zaten er 297.180 mensen (onder de AOW-gerechtigde leeftijd) 2 jaar of langer in de bijstand. Dit is het meest recente meetmoment waarvoor CBS-cijfers over de bijstandsduur beschikbaar zijn.

Vraag 40

Hoeveel mensen zitten er in 2021 recent (drie maanden of korter) in de bijstand?

Antwoord 40

Eind maart 2021 zaten er 43.760 mensen (onder de AOW-gerechtigde leeftijd) zes maanden of korter in de bijstand. Zes maanden of korter is de kortste ontvangstduur waarvoor CBS-cijfers beschikbaar zijn. Eind maart 2021 is het meest recente meetmoment waarvoor CBS-cijfers over de bijstandsduur beschikbaar zijn.

Vraag 41

Kan, per arbeidsmarktregio, worden aangegeven hoeveel mensen er procentueel gezien van de beroepsbevolking in de betreffende regio in de bijstand zitten?

Antwoord 41

Onderstaande tabel geeft een berekening per arbeidsmarktregio van het aantal bijstandsgerechtigden als percentage van de beroepsbevolking. De tabel bevat ter vergelijking ook het landelijk percentage. De berekening gebruikt het gemiddelde over 2020 voor het aantal bijstandsgerechtigden (tot de AOW-leeftijd) en de beroepsbevolking (15–75 jaar). Dit zijn de meest recente cijfers per arbeidsmarktregio.

Tabel: Bijstandsgerechtigden als percentage van de beroepsbevolking, per arbeidsmarktregio

Arbeidsmarktregio

Bijstandsgerechtigden (%)

Achterhoek

2,8%

Amersfoort

3,1%

Drechtsteden

4,7%

Drenthe

4,9%

Flevoland

4,3%

FoodValley

2,9%

Friesland

5,2%

Gooi en Vechtstreek

3,5%

Gorinchem

2,8%

Groningen

6,2%

Groot Amsterdam

6,3%

Haaglanden

7,1%

Helmond-De Peel

3,5%

Holland Rijnland

2,9%

Midden-Brabant

3,9%

Midden-Gelderland

5,7%

Midden-Holland

3,1%

Midden-Limburg

3,5%

Midden-Utrecht

3,7%

Noord-Holland Noord

3,0%

Noord-Limburg

3,5%

Noordoost-Brabant

2,8%

Regio Zwolle

3,3%

Rijk van Nijmegen

5,6%

Rijnmond

7,3%

Rivierenland

2,6%

Stedendriehoek en Noordwest Veluwe

3,7%

Twente

4,9%

West-Brabant

3,6%

Zaanstreek/Waterland

3,7%

Zeeland

3,6%

Zuid-Holland Centraal

3,6%

Zuid-Kennemerland en IJmond

3,9%

Zuid-Limburg

5,8%

Zuidoost-Brabant

3,6%

Nederland

4,6%

Bron: CBS, Statline, geraadpleegd op 18-10-2021, bewerkt. Noot: Bijstandsgerechtigden tot de AOW-leeftijd, gemiddelde over 2020; Beroepsbevolking van 15 tot 75 jaar, gemiddelde over 2020; Circa 0,33% van de Nederlandse beroepsbevolking is niet in te delen naar arbeidsmarktregio.

Vraag 42

Welke instrumenten heeft de Inspectie SZW om arbeidsmisstanden aan te pakken? Kan worden aangegeven wanneer welk instrument wordt ingezet? Wat is de effectiviteit per instrument?

Antwoord 42

De Inspectie SZW werkt risicogericht en programmatisch. Dit houdt in dat de activiteiten in programma’s worden georganiseerd die zich richten op het tegengaan van de belangrijkste risico’s op de arbeidsmarkt. Daarmee wordt ingezet op het behalen van maatschappelijk effect. Met alle ingezette interventies streeft de Inspectie SZW verbetering van de naleving van wet- en regelgeving op haar domein na. Daarbij wordt handhaving altijd als sluitstuk benaderd. Door middel van toezicht en opsporing worden overtredingen onderzocht en waar nodig via het bestuurs- of strafrecht aangepakt. Naast interventies zoals inspecties, handhaving en opsporing zet de Inspectie SZW ook in op onder andere communicatiecampagnes, onderzoek en monitoring.

De Inspectie SZW treedt handhavend op wanneer overtredingen worden geconstateerd.11 Dit wordt gedaan door de inzet van een mix van instrumenten. De Inspectie SZW beschikt over de volgende handhavingsinstrumenten en sanctiemogelijkheden: een waarschuwing, mondelinge afspraak, eis, boete, bestuursdwangmaatregelen (dwangsom en bestuursdwang), (preventieve) stillegging en een proces-verbaal.12 Afhankelijk van de ernst van de situatie wordt bepaald welke mix van interventies ingezet kan worden. De instrumenten worden volgens een escalatieladder ingezet. Wanneer een overtreding wordt geconstateerd kan in eerste instantie een waarschuwing worden gegeven of een eis tot naleving worden gesteld. Bij werkgevers die volharden in de overtreding kan de Inspectie SZW steeds zwaardere maatregelen nemen, zoals het opleggen van een dwangsom of het stilleggen van een bedrijf.

De Inspectie SZW zet interventies in wisselende samenstellingen in. Met deze mix van interventies wordt per situatie gestreefd naar het grootst mogelijke effect. De samenhang tussen instrumenten zorgt voor een effectieve interventiemix. Het «handhavingspercentage» is een indicatie voor in hoeverre de interventies als geheel voor maatschappelijk effect zorgen. De handhavingspercentages voor Gezond & Veilig Werk, BRZO en Eerlijk Werk zijn onderdeel van de Kerncijfers van het Inspectie Control Framework. Deze cijfers zijn opgenomen in het Jaarverslag 2020 van de Inspectie SZW.13

Vraag 43

Hoeveel mensen zitten er in 2021 in de bijstand?

Antwoord 43

Per eind juli 2021 zaten er 428.000 mensen (onder de AOW-gerechtigde leeftijd) in de bijstand.

Dit is het meest recente meetmoment voor wat betreft het aantal mensen in de bijstand waarvoor CBS-cijfers beschikbaar zijn.

Vraag 44

Kan er een overzicht van de afgelopen en de aankomende 20 jaar worden gegeven van de uitgaven aan AOW-uitkeringen ten op zichtte van de fiscale opbrengsten uit tweede pijler pensioenen?

Vraag 45

Wat is, in een overzicht van de afgelopen 20 jaar en de raming voor de aankomende 20 jaar, de hoogte van de fiscale opbrengsten uit tweede pijler pensioenen?

Antwoord 44 en 45

In onderstaande tabel is voor de afgelopen twintig jaar een overzicht gegeven van de tweede-pijlerpensioenuitkeringen, het gemiddelde tarief voor de inkomensheffing, de resulterende inkomensheffing over de pensioenuitkeringen en de uitgaven aan AOW-uitkeringen. Er is geen raming beschikbaar voor de ontwikkeling in de komende twintig jaar. Voor de AOW-uitgaven is in de SZW-begroting een raming opgenomen voor de jaren tot 2026. Zie voor de inkomensheffing ook Bijlage 9 Miljoenennota 2022, pagina 88.

 

Pensioenuitkeringen (miljard euro)

Gemiddeld tarief IH

Inkomensheffing (miljard euro)

Uitgaven AOW

(miljard euro)

2001

20,9

27%

5,7

20,3

2002

23,8

27%

6,5

21,4

2003

24,5

28%

6,9

22,4

2004

25,5

29%

7,3

22,9

2005

26,4

29%

7,7

23,4

2006

29,4

29%

8,4

24,2

2007

31,3

29%

8,9

25,2

2008

31,8

29%

9,1

26,4

2009

33,4

29%

9,6

27,6

2010

34,7

29%

10,1

28,6

2011

37,0

29%

10,6

30,0

2012

38,5

29%

11,0

31,4

2013

39,2

30%

11,7

32,7

2014

39,1

31%

12,0

34,1

2015

38,7

31%

11,9

35,8

2016

39,4

30%

12,0

36,9

2017

40,6

31%

12,5

37,4

2018

41,5

31%

12,7

38,1

2019

43,1

29%

12,4

39,5

2020

44,0

29%

12,6

41,2

2021

44,9

29%

12,8

43,0

2022

46,0

29%

13,1

44,2

2023

     

45,4

2024

     

47,0

2025

     

49,2

2026

     

51,5

Vraag 46

Wat is de hoogte van het vermogen van alle tweede pijler pensioenen? Kan een overzicht van de ontwikkeling hiervan over de afgelopen 20 jaar worden gegeven? Kan een raming van de verwachte ontwikkeling hiervan worden gegeven? Kan dit ook uitgesplitst worden per sector?

Antwoord 46

De grafiek geeft het verloop van het vermogen van de tweede pijler pensioenen bij pensioenfondsen weer. Van de tweede pijler pensioenen bij verzekeraars heeft DNB geen gecumuleerde gegevens. Een raming van de verwachte ontwikkeling van het vermogen is niet beschikbaar. Dit hangt immers sterk af van ontwikkelingen op financiële markten, die zich niet laten voorspellen.

Bron: DNB

Vraag 47

Wat is de hoogte van het koopkrachtverlies onder gepensioneerden als gevolg van het niet-indexeren van het tweede pijler pensioen? Kan hiervan een overzicht worden gegeven over de afgelopen 20 jaar?

Antwoord 47

In de wet- en regelgeving bij het aanvullend pensioen gelden uit het oogpunt van prudentie eisen aan de financiële situatie bij pensioenfondsen voordat pensioenrechten en -uitkeringen mogen worden geïndexeerd voor de prijsontwikkeling. Hierbij wordt gekeken naar de verhouding tussen het vermogen en de verplichtingen van het fonds (de dekkingsgraad). De specifieke eisen zijn beschreven in het Financieel Toetsingskader, dat onderdeel is van de Pensioenwet.

Er bestaat geen integraal overzicht van de mate waarin pensioenfondsen de afgelopen 20 jaar hebben geïndexeerd. Een gemiddelde stand van zaken zou ook niet inzichtelijk zijn, omdat het beeld per fonds verschilt. De mogelijkheden van pensioenfondsen om de pensioenaanspraken van deelnemers (zowel gepensioneerden als werkenden) te indexeren hangen immers af van de financiële omstandigheden van het fonds. Hierdoor verschilt het inkomenseffect van deelnemers van verschillende fondsen. Het beeld tussen fondsen is divers: zo rapporteren pensioenfondsen ABP, PMT, PME en bpfBOUW bijgewerkt tot en met 2020 een cumulatieve indexatieachterstand van respectievelijk 19,95%, 20,0%14 19,49%15 en 11,8%.16 Deze fondsen rapporteren dit cijfer sinds 2009.

Het niet kunnen indexeren van pensioenuitkeringen en -aanspraken zet druk op de koopkracht van huidige gepensioneerden en de toekomstige bestedingsmogelijkheden van de huidige werkenden. Dit effect is groter naarmate sprake is van meer aanvullend pensioen. Hoewel het niet-indexeren invloed heeft op de hoogte van het aanvullend pensioen valt hieruit niet de (toekomstige) koopkrachtontwikkeling van Nederlandse gepensioneerden en werkenden af te lezen. De bestedingsmogelijkheden van (toekomstige) gepensioneerden hangen immers van meer factoren af, zoals de ontwikkeling van andere inkomensbronnen (zoals de AOW-uitkering die de afgelopen 20 jaar steeds is geïndexeerd), toeslagen en de fiscaliteit. Zo hebben gepensioneerden tijdens de kabinetsperiode onder meer profijt gehad van het meermaals verhogen van de ouderenkorting en de algemene heffingskorting (dit leidt direct tot een hogere AOW-uitkering).

Uit de terugblik op het inkomensbeleid17 blijkt dat de cumulatieve mediane koopkrachtontwikkeling van de groep gepensioneerden in de periode 2012–2017 –0,6% bedroeg. Voor de periode 2018–2021 wordt een cumulatieve mediane koopkrachtontwikkeling van de groep gepensioneerden verwacht van +2,5%. Achter deze medianen gaat spreiding schuil, waardoor de werkelijk gerealiseerde koopkrachtontwikkeling lager of hoger uit kan pakken.

Vraag 48

Hoeveel is de koopkracht van huishoudens sinds kabinet Rutte I gestegen in totaal en voor werkenden, mensen met een uitkering en gepensioneerden?

Antwoord 48

Onderstaande tabel toont de dynamische mediane koopkrachtontwikkeling van Nederlandse huishoudens naar voornaamste inkomensbron sinds de aanvang van het kabinet Rutte I. Voor de jaren 2010 en 2011 zijn geen gegevens beschikbaar. De dynamische koopkrachtontwikkeling bevat, in tegenstelling tot de statische koopkrachtcijfers die het kabinet met Prinsjesdag presenteert, ook koopkrachtontwikkeling die het gevolg is van veranderingen in de huishoudsamenstelling of dynamische factoren op de arbeidsmarkt, zoals het maken van promotie. De cijfers per jaar kunnen niet worden opgeteld om tot een cumulatief beeld te komen omdat het mediane huishouden niet noodzakelijkerwijs elk jaar hetzelfde huishouden is. Omdat in de CBS-data bij de categorie «overdrachtsinkomen» zowel inkomen uit sociale voorzieningen (zoals de bijstand), loondervingsuitkeringen (zoals de WW en WIA) als pensioen wordt weergegeven is ervoor gekozen de diverse bronnen uitkeringen en pensioeninkomen los weer te geven.

 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

20201

Inkomen als werknemer

– 0,7

0,4

2,8

2,7

4,9

1,5

1,9

2,7

4,3

Uitkering werkloosheid

– 1,6

– 1,5

0,3

0,6

1,6

0,6

0,8

1,3

0,8

Uitkering arbeidsongeschiktheid

– 1,3

– 1,7

0,9

0,5

1,3

0,3

0,1

1,0

1,6

Uitkering sociale voorzieningen

– 1,6

– 1,5

2,0

1,1

1,4

0,7

0,0

0,7

1,5

Uitkering pensioen

– 1,2

– 2,9

0,8

0,1

0,8

– 0,2

-0,4

0,7

1,0

Bron: CBS, Statline, Koopkrachtontwikkeling personen; huishoudkenmerken, geraadpleegd op 29 oktober 2021.

X Noot
1

Voorlopig cijfer.

Vraag 49

Wat is het netto-inkomen van een alleenstaande bijstandsmoeder met drie kinderen in de leeftijd 6–11 jaar?

Antwoord 49

Het netto-inkomen van dit huishouden bedraagt € 22.582 per 1 januari 2022. In onderstaande tabel vindt u een uitsplitsing van de inkomenscomponenten.

Dit huishouden heeft, afhankelijk van de woonsituatie, ook recht op huurtoeslag en op gemeentelijke minimaregelingen.

Inkomen uit bijstandsuitkering

(1)

€ 13.131

Kinderbijslag

(2)

€ 3.282

Kindgebonden budget

(3)

€ 6.612

Netto zorgkosten1

(4)

€ 443

Netto inkomen

(5 = 1+2+3–4)

€ 22.582

X Noot
1

De netto zorgkosten bestaan uit de nominale VWS-zorgpremie en het gemiddelde bedrag dat huishoudens voor het eigen risico betalen verminderd met de zorgtoeslag.

Vraag 50

Wat is het netto-inkomen van een paar, beiden in de bijstand, met één kind van 10 jaar?

Antwoord 50

Het netto-inkomen van dit huishouden bedraagt € 20.068 per 1 januari 2022. In onderstaande tabel vindt u een uitsplitsing van de inkomenscomponenten.

Dit huishouden heeft, afhankelijk van de woonsituatie, ook recht op huurtoeslag en op gemeentelijke minimaregelingen.

Inkomen uit bijstandsuitkering

(1)

€ 18.759

Kinderbijslag

(2)

€ 1.094

Kindgebonden budget

(3)

€ 1.220

Netto zorgkosten1

(4)

€ 1.004

Netto inkomen

(5 = 1+2+3–4)

€ 20.068

X Noot
1

De netto zorgkosten bestaan uit de nominale VWS-zorgpremie en het gemiddelde bedrag dat huishoudens voor het eigen risico betalen verminderd met de zorgtoeslag.

Vraag 51

Hoeveel is de arbeidskorting toegenomen sinds kabinet Rutte I?

Antwoord 51

De maximale arbeidskorting is toegenomen van € 1.489 in 2010 (exclusief verhoging voor belastingplichtigen tussen 57 en 64 jaar oud) tot € 4.260 in 2022. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat de arbeidskorting in 2022 volledig afgebouwd wordt voor hoge inkomens, terwijl de afbouw in 2010 zeer beperkt was (€ 56). Van de stijging in deze periode was € 2.456 beleidsmatig en € 315 het gevolg van inflatiecorrecties. Het budgettaire beslag van de arbeidskorting is opgelopen van € 9,7 miljard in 2010 tot naar schatting € 25,0 miljard in 2022, een stijging van 158%.

Vraag 52

Hoeveel is de ouderenkorting toegenomen sinds kabinet Rutte I?

Antwoord 52

De maximale ouderenkorting is toegenomen van € 684 in 2010 tot € 1.726 in 2022. Van de stijging in deze periode was € 900 beleidsmatig en € 142 het gevolg van inflatiecorrecties. Het budgettaire beslag van de ouderenkorting is opgelopen van € 1,4 miljard in 2010 tot naar schatting € 4,2 miljard in 2022, een stijging van 204%.

Vraag 53

Hoe kijkt u naar de premieontwikkeling van de midden- en kleinbedrijf (mkb) verzuim-ontzorg-verzekering? Wordt deze gemonitord en geëvalueerd?

Antwoord 53

In het voorjaar is de Tweede Kamer geïnformeerd over de monitoring van de ontwikkelingen rond de MKB verzuim-ontzorg-verzekering (Kamerstuk 29 544, nr. 1046). De MKB verzuim-ontzorg-verzekering is sinds 1 januari 2020 op de markt. Daarbij hebben werkgeversorganisaties en het Verbond van Verzekeraars afspraken gemaakt over de maximering van de weging van het eigen verzuim met als doel onverwacht hoge premiestijgingen als gevolg van het eigen verzuim te voorkomen. Tevens is afgesproken dat deze partijen het convenant jaarlijks evalueren en daarbij aandacht hebben voor schadelastontwikkeling, klachten en klanttevredenheid. De premieontwikkeling wordt dus jaarlijks door werkgeversorganisaties en verzuimverzekeraars gemonitord en geëvalueerd. Het is op dit moment echter nog te vroeg om iets te zeggen over de verwachte premieontwikkeling in 2022.

Vraag 54

Kan een totaaloverzicht worden gegeven van alle beschikbare instrumenten en budgetten gericht op om- en bijscholing en het begeleiden van mensen van werk(loosheid) naar werk?

Antwoord 54

Hieronder een overzicht van de middelen en instrumenten die beschikbaar zijn voor re-integratie, (om)scholing en begeleiding van werk(loosheid) naar werk. Het overzicht is opgesplitst in vier domeinen: gemeenten, UWV, arbeidsmarktregio’s en overige scholingsregeling in het kader van Leven Lang Ontwikkelen. Dit overzicht is beperkt tot de middelen die via SZW beschikbaar worden gesteld. In dit overzicht zitten ook instrumenten die zijn verstrekt tijdens de coronacrisis.

Gemeenten

In 2021 is er circa € 2,68 miljard beschikbaar voor re-integratie vanuit de Participatiewet, in 2022 bedraagt dit circa € 2,53 miljard. Deze bedragen zijn inclusief coronasteun- en herstelpakket. Gemeenten ontvangen deze middelen om mensen te begeleiden en ondersteunen naar werk, zowel voor de klassieke doelgroep (mensen die voorheen onder de wet werk en bijstand vielen) (respectievelijk € 706 en € 644 miljoen), als voor de nieuwe doelgroepen onder de Participatiewet (respectievelijk € 157 en € 172 miljoen). Tevens gaat het om gelden voor de bekostiging van de loonkosten in de WSW (respectievelijk € 1.816 en € 1.717 miljoen).

Aanvullend ontvangen gemeenten ook middelen voor de uitvoering van re-integratie. Deze middelen zijn onderdeel van het cluster Inkomen en Participatie in de algemene uitkering van het Gemeentefonds. In totaal is € 1,61 miljard in 2021 en € 1,66 miljard in 2022 beschikbaar in het subcluster voor apparaatskosten inkomen en participatie, er wordt geen nader onderscheid gemaakt tussen de taken voor inkomensdienstverlening en de taken op het gebied van re-integratie en participatie.

Vanwege de coronacrisis is er in 2021 € 140 miljoen extra uitgetrokken voor gemeenten om de re-integratie dienstverlening op peil te houden en een aanvullende impuls te geven. In 2022 bedraagt dit € 60 miljoen. Daarnaast zijn er middelen beschikbaar gesteld voor SW-bedrijven om schade door corona-maatregelen te compenseren. Voor 1 januari tot 1 juli 2021 gaat dit om € 35 miljoen. Ten slotte is er in 2021 € 6,5 miljoen beschikbaar gesteld aan gemeenten in het kader van heroriëntatie op ondernemerschap voor zelfstandig ondernemers.

UWV

UWV ontvangt volumeafhankelijke budgetten voor het bieden van zowel digitale als persoonlijke dienstverlening aan werkzoekenden en werkgevers, dit is ongeveer € 650 miljoen in 2021 (apparaatskosten UWV)21. Daarnaast ontvangt UWV jaarlijks een taakstellend re-integratiebudget voor het inkopen van re-integratiedienstverlening en werkvoorzieningen voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten inclusief Wajongers (€ 209 miljoen in 2021 en € 214 miljoen in 2022). Voor het scholingsexperiment WGA-gerechtigden is in 2021 € 9,4 miljoen en in 2022 € 9,6 miljoen beschikbaar. Tot en met 2021 is het scholingsbudget WW beschikbaar (€ 26 miljoen in 2021). Met dit budget heeft UWV de mogelijkheid om werklozen in de WW met een hoge kans op langdurige werkloosheid beter te begeleiden naar beroepen waar veel vraag naar is.

Arbeidsmarktregio’s

In de arbeidsmarktregio’s zijn verschillende middelen voor de begeleiding en scholing van werk(loosheid) naar werk. Er is structureel € 17 miljoen beschikbaar voor het versterken van de arbeidsmarktregio’s en voor de landelijke ondersteuning hierbij. In iedere regio is een Leerwerkloket. Het Leerwerkloket helpt en adviseert werkenden, werkzoekenden, scholieren en werkgevers op het gebied van leren en werken. Een Leerwerkloket is een samenwerkingsverband tussen gemeenten, roc’s en UWV. Voor de leerwerkloketten is in zowel 2021 als 2022 € 7,4 miljoen (inclusief € 1,5 miljoen uit het aanvullend sociaal pakket) beschikbaar.

Als onderdeel van het aanvullend sociaal pakket is € 195 miljoen beschikbaar gesteld voor de periode 2020 t/m 2022 voor crisisdienstverlening. Het doel van de crisisdienstverlening is dat mensen die door COVID-19 hun baan dreigen te verliezen of recent hebben verloren, zo veel mogelijk direct naar nieuw werk gaan en dat zij daarbij waar nodig gericht worden geholpen. In regionale mobiliteitsteams zitten werkgeversorganisaties, vakbonden, gemeenten en UWV. Zij werken nauw samen met onderwijsinstellingen en de samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB). De middelen zijn deels voor de personele inzet van de regionale mobiliteitsteams en deels voor de inzet van aanvullende dienstverlening, waarmee scholing en re-integratie kan worden ingekocht. Specifiek voor de doelgroep banenafspraak is een extra impuls beschikbaar van € 36 miljoen. Met deze middelen kan extra begeleiding op de werkplek, begeleiding naar nieuw werk of een Werkfit traject worden geboden. Ook is er € 63 miljoen beschikbaar gesteld voor scholing via praktijkleren in het mbo. Bij scholing via praktijkleren in het mbo gaat het altijd om een combinatie van werken en het doen van een mbo-opleiding of een deel daarvan. Budget bestaat uit het opleidingsdeel dat via de regionale mobiliteitsteams beschikbaar is gesteld en een subsidieregeling voor werkgevers. Tot slot zijn met het aanvullend sociaal pakket middelen voor de Aanpak Jeugdwerkloosheid beschikbaar gesteld om werkloze jongeren, jongeren die met werkloosheid worden bedreigd en kwetsbare schoolverlaters te ondersteunen naar vervolgonderwijs of werk. Voor de specifieke inzet op begeleiding van kwetsbare schoolverlaters is circa € 80 miljoen verstrekt aan scholen en gemeenten in 2021. De Aanpak Jeugdwerkloosheid is met een jaar verlengd tot en met 2022.

Middelen in het kader van Leven lang ontwikkelen

In het kader van de coronacrisis zijn er drie regelingen in het kader van NL leert door in het leven geroepen. Inzet is op het behoud van werk of de overgang naar nieuw werk voor mensen die als gevolg van de coronacrisis in de problemen zijn gekomen, middels ontwikkeladvies, scholing en sectoraal maatwerk. Via NL leert door met inzet van scholing en NL leert door met inzet van ontwikkeladvies komt kosteloze scholing en ontwikkeladvies beschikbaar voor het individu. De subsidie voor NL leert door met inzet van sectoraal maatwerk loopt via sectorale samenwerkingsverbanden die werkenden en werkzoekenden ondersteunen bij de overgang naar ander werk. Vanaf 2021 is hiervoor nog circa € 170 miljoen beschikbaar.

In 2022 gaat middels Stimulering Arbeidsmarktpositie (STAP) de uitgavenregeling ter vervanging van de fiscale aftrek scholingsuitgaven van start ten behoeve van scholing en scholingsadviezen. Met het STAP-budget kan iedereen met een band met de Nederlandse arbeidsmarkt tot € 1.000 subsidie aanvragen via UWV voor het bekostigen van scholingsactiviteiten. De eerste jaren is het totaal beschikbare budget voor deze subsidieregeling ruim € 200 miljoen, vanaf 2026 is jaarlijks structureel € 218 miljoen beschikbaar; dit is inclusief uitvoeringskosten en eventueel financiering van flankerend beleid.

Vraag 55

Kunt u voor de periode 1977–2020 in een figuur aangeven hoe het besteedbaar inkomen en het primaire inkomen zich hebben ontwikkeld?

Antwoord 55

Sinds kort is door de publicatie «Inkomens verdeeld» van het CBS en Universiteit Leiden een tijdreeks beschikbaar met het besteedbaar huishoudinkomen voor de periode 1977–2019. Voor de ontwikkeling van het primair inkomen geldt echter dat de beschikbare data niet verder teruggaan dan het jaar 2000. Dat jaar is dan ook als basis genomen voor de onderstaande figuur. Om de ontwikkeling van het primair inkomen weer te kunnen geven is gebruik gemaakt van twee door het CBS gepubliceerde reeksen: Een reeks voor de periode 2000 tot 2014 en een reeks met de looptijd van 2011 tot 2020. Om een doorlopende reeks te kunnen laten zien is de ontwikkeling van 2014 gebruikt om de twee tijdreeksen aan elkaar te koppelen.

De indicatoren zijn uitgedrukt in indexcijfers, waardoor de ontwikkelingen goed met elkaar vergeleken kunnen worden.

Bron primair inkomen: CBS, Statline, geraadpleegd op 29-10-2021.

Bron besteedbaar huishoudinkomen: Universiteit Leiden, Inkomens verdeeld, geraadpleegd op 27-10-2021.

Vraag 56

Kunt u aangeven in welke gemeenten de inkomensongelijkheid de afgelopen periode het hoogste was?

Antwoord 56

De Gini-coëfficiënt is een maatstaf voor inkomens(on)gelijkheid, waarbij de waarde tussen 0 (totale gelijkheid) en 1 (totale ongelijkheid) ligt. In het CBS-rapport Materiële Welvaart in Nederland wordt over de inkomensongelijkheid in gemeenten in 2018 gerapporteerd. Daaruit blijkt dat in gemeenten als Bloemendaal, Blaricum en Wassenaar de Gini-coëfficiënt (net geen 0,50) boven de landelijke Gini-coëfficiënt (0,29) lag. Het gaat hier om gemeenten met een gemiddeld hoog gestandaardiseerd besteedbaar inkomen. Daarnaast lopen ook in studentensteden de inkomens vaak bovenmatig uiteen.

Vraag 57

Wat zijn de aanbevelingen van de Europese Commissie voor Nederland?

Antwoord 57

Het Europees Semester is tijdelijk aangepast om het complementair te maken aan de implementatie van de faciliteit voor herstel en veerkracht (Recovery and Resilience Facility, RRF). De landspecifieke aanbevelingen beperken zich dit jaar tot het begrotingsbeleid22 van lidstaten, en bieden enkel kwalitatieve sturing vanwege de grote mate van onzekerheid als gevolg van de COVID-19-pandemie.

In de aanbevelingen23 van de Commissie wordt gedifferentieerd tussen lidstaten. Lidstaten met een hoge schuld worden geadviseerd om RRF-middelen te gebruiken voor additionele investeringen ten behoeve van herstel en gelijktijdig prudent begrotingsbeleid te voeren. Lidstaten met een lage schuld, waaronder Nederland, worden geadviseerd om een verruimend begrotingsbeleid te voeren.

De overige aanbevelingen zijn voor alle lidstaten gelijk. Lidstaten worden geadviseerd om de nationaal gefinancierde investeringen op peil te houden. Lidstaten krijgen het advies om, als de economische omstandigheden het toelaten, een budgettair beleid te voeren dat gericht is op het bereiken van prudente begrotingsposities en het waarborgen van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op middellange termijn. Lidstaten krijgen de aanbeveling om bijzondere aandacht te besteden aan de samenstelling van de overheidsfinanciën en aan de kwaliteit van de begrotingsmaatregelen, om te zorgen voor een duurzaam en inclusief herstel. Lidstaten worden opgeroepen prioriteit te geven aan duurzame en groeibevorderende investeringen, en aan structurele budgettaire hervormingen die helpen bij het vinden van financiering voor beleidsprioriteiten en bijdragen aan de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn.

In eerdere jaren werd op een breder palet aan onderwerpen ingegaan en zagen de landspecifieke aanbevelingen onder meer op: de woningmarkt; pensioenen; loongroei; belastingen; zelfstandigen zonder personeel; vaardigheden op de arbeidsmarkt; investeringen in onderzoek, ontwikkeling en innovatie; investeringen in hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en het terugdringen van broeikasgassen; en investeringen in infrastructuur. Zie voor meer achtergronden onder meer de Kamerbrief over het Lentepakket van 201924.

Vraag 58

Wat is er tijdens de coronacrisis precies uitgegeven aan verschillende instrumenten voor om- of bijscholing of heroriëntatie op de arbeidsmarkt?

Antwoord 58

Zie het antwoord op vraag 54

Vraag 59

Hoeveel geld is er precies gereserveerd voor de aanpak van jeugdwerkloosheid en welk deel daarvan is al besteed?

Antwoord 59

De centrumgemeenten hebben in totaal € 3,5 miljoen gekregen voor het coördineren van een regionale aanpak van de jeugdwerkloosheid. De regio’s kunnen daarbij gebruikmaken van verschillende budgetten uit het aanvullend sociaal pakket. Dit zijn de middelen voor de regionale crisisdienstverlening en scholing via praktijkleren in het mbo voor de regionale mobiliteitsteams en de extra middelen voor gemeentelijke dienstverlening. Voor het ondersteunen van kwetsbare schoolverlaters naar vervolgonderwijs en werk zijn er extra middelen verstrekt aan scholen en gemeenten. Dit gaat om circa € 80 miljoen.

Met het doorlopen van het aanvullend sociaal pakket en met het Nationaal Plan Onderwijs is de Aanpak Jeugdwerkloosheid verlengd tot en met 2022 en worden ook volgend jaar middelen verstrekt aan gemeenten en scholen. De wijze waarop de financiële middelen zijn verstrekt, zie hieronder, bepaalt tevens in hoeverre inzicht bestaat over de inzet ervan.

De middelen aan gemeenten zijn verstrekt via een decentralisatie-uitkering met de decembercirculaire gemeentefonds 2020. Over de inzet van deze middelen leggen gemeenten verantwoording af aan de gemeenteraad.

Om aankomende schoolverlaters uit het mbo met een grote kans op werkloosheid te ondersteunen heeft het Ministerie van OCW € 23,5 miljoen aan subsidie verstrekt aan 54 mbo-instellingen. Met deze middelen verwachten de scholen aan 28.604 studenten extra begeleiding te bieden en aan 16.115 schoolverlaters nazorg te leveren. In de jaarverslaglegging leggen de scholen verantwoording af over de inzet van de middelen.

Voor het ondersteunen van jongeren uit het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs hebben de scholen van het Ministerie van OCW in 2021 € 1 miljoen aanvullende bekostiging ontvangen. Verantwoording over deze middelen gaat via de reguliere verantwoording.

Voor het ondersteunen van voortijdig schoolverlaters heeft het Ministerie van OCW een specifieke uitkering van € 4 miljoen voor 2020 en € 4 miljoen in 2021 verstrekt aan de contactgemeenten van de Regionale Meld- en Coördinatiepunten (RMC’s). Zij leggen verantwoording af in de SiSa-bijlage bij de jaarrekening over de besteding van de specifieke uitkering.

In aanvulling hierop voorzien de Ministeries van SZW en OCW in een praktijkgericht onderzoek Aanpak Jeugdwerkloosheid naar de uitvoering. Dit onderzoek start dit najaar. Daarnaast wordt inzicht verkregen in de uitvoeringspraktijk door de ondersteuning die geboden wordt aan partijen in de regio door de Ministeries van SZW en OCW, en de landelijke partners, zoals de Programmaraad Regionale Arbeidsmarkt, Ingrado, Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs en Bedrijfsleven (SBB), de VNG, de Sectorraad Praktijkonderwijs, de Sectorraad Gespecialiseerd Onderwijs, de MBO Raad en het Expertisepunt Loopbaanoriëntatie en -Begeleiding (LOB). Momenteel wordt gezamenlijk een eerste indicatief beeld gemaakt.

Vraag 60

Kunt u een overzicht geven van alle recent afgeronde en lopende experimenten waarbij jongeren ofwel door een vorm van uitkering zonder voorwaarden of een soort basisbaan ondersteund worden?

Antwoord 60

Ik beschik niet over een overzicht van experimenten waarbij jongeren door een onvoorwaardelijke uitkering of een soort basisbaan ondersteund worden. Ook kan ik het opstellen van een dergelijk overzicht niet toezeggen; de uitvoering van de Participatiewet is immers gedecentraliseerd. Gelet op het vangnetkarakter en het behoud van het maatschappelijke draagvlak zijn aan een uitkering op grond van de Participatiewet voorwaarden verbonden zoals de vermogenstoets of arbeids- en re-integratieverplichtingen. Die zijn wettelijk vastgelegd en landelijk van kracht. De Participatiewet kent daarmee geen onvoorwaardelijke uitkering of een basisbaan.

Voor een overzicht van reeds afgeronde experimenten verwijs ik naar een brief van 28 mei 2020 over de experimenten in het kader van de Participatiewet (Kamerstuk 34 352, nr. 194).

Vraag 61

Op welke manier ondersteunt u jongeren in een kwetsbare positie precies?

Antwoord 61

Met de Aanpak Jeugdwerkloosheid zet het kabinet zich samen met gemeenten, scholen en andere partners ervoor in dat elke jongere die dat nodig heeft, passende ondersteuning ontvangt naar vervolgonderwijs of werk. De aanpak richt zich op werkloze jongeren, jongeren die met werkloosheid worden bedreigd en kwetsbare schoolverlaters. De centrumgemeenten hebben middelen gekregen voor het coördineren van een regionale aanpak van de jeugdwerkloosheid. De regio’s kunnen daarbij gebruikmaken van verschillende budgetten uit het aanvullend sociaal pakket. Dit zijn de middelen voor de regionale crisisdienstverlening en scholing via praktijkleren in het mbo voor de regionale mobiliteitsteams en de extra middelen voor gemeentelijke dienstverlening. Gemeenten kunnen deze middelen ook inzetten om kwetsbare jongeren in beeld te houden, bijvoorbeeld door middel van de tool Jongeren in Beeld. Voor de schoolverlaters met een groot risico op werkloosheid zijn er daarnaast specifieke financiële middelen beschikbaar voor scholen en gemeenten om nazorg en vroegtijdige begeleiding naar vervolgonderwijs of werk te bieden. Dan gaat het om jongeren die zonder startkwalificatie het onderwijs verlaten uit het praktijkonderwijs (pro), uit het voortgezet speciaal onderwijs (vso) of door voortijdig schoolverlaten (vsv). En om jongeren uit het mbo die een moeilijke start op de arbeidsmarkt hebben vanwege bijvoorbeeld hun opleidingsrichting of niet-westerse migratieachtergrond.

Bij de uitvoering van hun regionale aanpak kunnen de regio’s rekenen op ondersteuning door de landelijke koepelorganisaties en de Ministeries van SZW en OCW. Op 6 juli hebben de betrokken partijen hun ambities gebundeld in de landelijke Werkagenda Aanpak Jeugdwerkloosheid en concrete afspraken gemaakt om deze ambities te realiseren. In de Werkagenda erkennen de betrokken partijen ook dat de ondersteuning aan jongeren in een kwetsbare positie een structurele uitdaging is. Deze aanpak loopt tot en met 2022. Besluitvorming over de structurele implementatie in wet- en regelgeving en beleid met bijbehorende financiering van deze aanpak en van andere maatregelen uit het Interdepartementale Beleidsonderzoek «Jongeren met afstand tot de arbeidsmarkt» is aan een volgend kabinet.

Daarnaast zijn er met de invoering van de Participatiewet, voor onder andere jonggehandicapten, instrumenten als structurele loonkostensubsidie en beschut werk beschikbaar gekomen. Ook het instrument jobcoach wordt steeds meer ingezet voor jongeren. Uit de evaluatie van de Participatiewet is gebleken dat deze instrumenten bijdragen aan de duurzaamheid van werk.

Tot slot kunnen studenten en scholieren van 18 jaar en ouder die vanwege een structurele medische beperking geen inkomsten uit arbeid (bijvoorbeeld uit een bijbaan) kunnen verwerven naast hun voltijd studie een beroep doen op individuele studietoeslag op grond van de Participatiewet.

Vraag 62

Op welke wijze kunnen gemeenten ondersteuning krijgen van het Rijk als zij een pilot opzetten om kwetsbare jongeren aan het werk te helpen?

Antwoord 62

In de antwoorden op de vragen 59 en 61 is nader ingegaan op welke ondersteuning het kabinet onder andere in het kader van het steun- en herstelpakket biedt om kwetsbare jongeren te ondersteunen richting de arbeidsmarkt. Hierbij werkt het Ministerie van SZW nauw samen met het Ministerie van OCW.

Gemeenten hebben binnen de kaders van de Participatiewet en met de banenafspraak ruime mogelijkheden om de ondersteuning aan kwetsbare jongeren vorm te geven op basis van maatwerk. Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om, al dan niet in de vorm van een pilot, daar vorm aan te geven. Hiervoor bestaat geen specifieke ondersteuning vanuit het Rijk, maar uiteraard is het Ministerie van SZW altijd bereid om met gemeenten van gedachten te wisselen over de vormgeving van ondersteuning aan jongeren. Met het programma Vakmanschap en het kennisprogramma Vakkundig aan het werk bevordert SZW meer methodisch en evidence-based werken door gemeenten onder andere op het terrein van re-integratie.

Vraag 63

Wat is uw visie op de rol van flexwerk op de arbeidsmarkt, nu en in de toekomst?

Antwoord 63

Het kabinet heeft de laatste jaren, onder andere met de Wet arbeidsmarkt in balans, flexibele arbeid verder gereguleerd, en negatieve effecten van specifieke vormen van flexibele arbeid beprijsd. Tevens heeft het kabinet met de introductie van premiedifferentiatie in de WW het aantrekkelijker voor werkgevers gemaakt om vaste contracten aan te bieden. Het is de inzet van het kabinet dat de keuze voor een flexcontract wordt aangeboden wanneer dit past bij de aard van het werk en niet omdat het louter een kostenvoordeel oplevert. Hiermee is een beweging ingezet om de verschillen tussen vaste en flexibele contractvormen te verkleinen. Tegelijkertijd erkent het kabinet dat deze wijzigingen slechts een eerste stap zijn geweest.

Voor werkgevers blijft het noodzakelijk om zich aan te kunnen passen aan veranderende omstandigheden en zo voldoende wendbaar te zijn, zo heeft ook de Commissie Regulering van Werk geconstateerd (Kamerstuk 29 544, nr. 1028). De coronacrisis heeft deze noodzaak nogmaals aangetoond. Flexibiliteit op de arbeidsmarkt is en blijft noodzakelijk. Tegelijkertijd vindt het kabinet het niet wenselijk als de rekening van deze wendbare arbeidsorganisatie voor het grootste deel bij werkenden terechtkomt. Bij economische tegenspoed zijn het vaak de flexwerkers die als eerste geraakt worden in hun inkomenspositie. Met name laagopgeleiden en jongeren ontbreekt het aan de zekerheden die verbonden zijn aan een vast contract. Deze groep heeft een verhoogd risico op armoede. De coronacrisis heeft deze schaduwzijde ook laten zien. Het kabinet vindt het zodoende van belang om het gebruik van externe flexibele contracten, waarbij de rekening van flexibiliteit betaald wordt door werkenden, af te remmen (Kamerstuk 29 544, nr. 1028). De keuzes hiervoor zijn aan een volgend kabinet.

Vraag 64

Hoeveel jongeren tot 21 jaar werken op basis van een flexibel contract? Hoeveel procent van deze jongeren volgt onderwijs?

Antwoord 64

In het totaal zijn er in Nederland 702.000 jongeren van 15 tot 21 jaar werkzaam. Daarvan hebben 159.000 jongeren een vaste arbeidsrelatie, werken 34.000 jongeren als zelfstandige, en werken 510.000 jongeren op basis van een flexibel contract. Van deze groep van 510.000 jongeren met een flexibel contract volgen 474.000 jongeren (93%) formeel onderwijs, en volgen 37.000 (7%) geen formeel onderwijs (bron CBS, Statline, 2021-Q2, geraadpleegd: 21 oktober 2021).

Vraag 65

In hoeverre is de subsidieregeling leren en ontwikkelen (SLIM) sinds het uitbreken van de coronacrisis aangepast met betrekking tot het type sectoren? Is de aanvulling van 41,5 miljoen euro bruikbaar door mkb-organisaties in alle sectoren? Is met de drie SLIM-sectoren afgestemd hoe personeel omgeschoold kan worden naar tekortsectoren met behulp van de SLIM?

Antwoord 65

Met de steunpakketten zijn middelen beschikbaar gekomen om de gevolgen van de coronacrisis op te vangen en de arbeidsmarktpositie van werkzoekenden en werkenden te versterken, aanvullend aan de reguliere middelen voor scholing en ontwikkeling zoals de SLIM-regeling. In het steun- en herstelpakket is respectievelijk € 41,5 miljoen en € 30 miljoen beschikbaar gesteld voor ondersteuning van sectoren bij de begeleiding van werkenden naar ander werk. Omdat beide budgetten gericht zijn op sectorale samenwerkingsverbanden is ervoor gekozen om de twee budgetten te combineren in de regeling NL leert door met inzet van sectoraal maatwerk. Eerder is overwogen om het budget van € 41,5 miljoen tijdelijk toe te voegen aan de SLIM-regeling, maar omdat deze regeling zich met name richt op het mkb is toch besloten om hiervoor een aparte regeling te ontwikkelen. De SLIM-regeling is na het uitbreken van de coronacrisis niet aangepast.

De SLIM-regeling heeft als doel om mkb-bedrijven uit iedere sector en de grootbedrijven uit de landbouw, horeca en recreatiesector te stimuleren een leerrijke werkomgeving te ontwikkelen. De subsidie kan bijdragen aan een volgende stap in de loopbaan, maar omscholing is geen primair doel van de regeling. Voorafgaand aan de publicatie van de regeling is de invulling en vormgeving van de regeling breed afgestemd met sectoren. Deze sectoren kunnen de SLIM-subsidie bijvoorbeeld inzetten om een methode te ontwikkelen om medewerkers in de onderneming te stimuleren verder te leren en te ontwikkelen. Bijvoorbeeld door een bedrijfsschool, een systeem van ontwikkelgesprekken of het vormgeven van een leerrijke werkomgeving.

Vraag 66

Welke alternatieven biedt u aan schijnzelfstandigen in het tegengaan van ongewenste constructies?

Antwoord 66

Werkenden die op papier als zelfstandige werken, maar menen dat zij in de praktijk als werknemer (op basis van een arbeidsovereenkomst) werken, bijvoorbeeld omdat er sprake is van een gezagsrelatie, zullen primair hun rechten als werknemer op moeten eisen langs de civielrechtelijke weg. Dat betekent dat die rechten opgeëist kunnen worden bij de werkgever en als de werkgever dit niet honoreert, kan een werkende naar de civiele rechter stappen.

Het kabinet legt uw vraag zo uit, dat u vindt dat schijnzelfstandigen ondersteuning moeten krijgen bij het opeisen van hun rechten om zo ongewenste constructies tegen te gaan. De Minister van SZW is hierop ingegaan in zijn brief van 10 september 2021 (Kamerstuk 29 544, nr. 1075).

Hierbij is aangegeven dat het voor werkenden met een kwetsbare positie in de praktijk moeilijk kan zijn om hun rechten op te eisen. Inderdaad kunnen zij hierbij belemmerd worden door risico’s die zij eventueel lopen wanneer zij die rechten opeisen. Wel geldt dat werkenden kunnen worden ondersteund door een vakbond of advocaat (mogelijk via gesubsidieerde rechtsbijstand of rechtsbijstandsverzekeraar) om hun rechten op te eisen. Daarnaast kunnen ze gebruik maken van het Juridisch Loket dat gratis juridisch advies aanbiedt.

Het is daarnaast inderdaad van belang dat de overheid schijnzelfstandigheid tegengaat. Daarom is er ook van overheidswege toezicht op de naleving van fiscale, socialezekerheids- en arbeidswetgeving. Verder is het kabinet, vanwege de specifieke kwetsbaarheden van platformwerkers, gestart met de uitwerking van de platformmaatregel mocht een toekomstig kabinet in de context van platformwerk (wettelijke) maatregelen overwegen (zie ook de eerdergenoemde brief van 10 september 2021).

Ten slotte wordt ten behoeve van een komend kabinet gekeken naar opties om het opeisen van het recht door werknemers te bevorderen die onder andere zijn voorgesteld in verkiezingsprogramma’s, het eindrapport van de Commissie Regulering van Werk (Bijlage bij Kamerstuk 29 544, nr. 970) en door het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten (Bijlage bij Kamerstuk 29 861, nr. 53).

Vraag 67

Constaterende dat het kabinet zich inzet voor gelijkere verdeling van werk- en zorgtaken tussen ouders op het gebied van ouderschapsverlof, hoe is het ouderschapsverlof geregeld bij meeroudergezinnen of bij gezinnen waarbij een homoseksueel stel via een draagmoeder ouders geworden zijn?

Antwoord 67

Het recht op ouderschapsverlof is beschikbaar voor de werknemer die als ouder in familierechtelijke betrekking tot het kind staat, dan wel voor de werknemer die blijkens de basisregistratie personen op hetzelfde adres woont als het kind en duurzaam de verzorging en opvoeding van dat kind als een eigen kind op zich heeft genomen. Afhankelijk van de individuele situatie kunnen dus meer dan twee ouders voor hetzelfde kind ouderschapsverlof opnemen.

Vraag 68

Hoe werkt de huidige zwangerschapsverlofregeling voor zwangere transgender mannen? Hoeveel geld kost de regeling voor deze groep? En als deze er nog niet is, wat zijn de geschatte kosten voor een dergelijke regeling?

Antwoord 68

Aan transgendermannen die zwangerschaps- en bevallingsverlof opnemen wordt een uitkering verstrekt zoals dat ook geldt voor vrouwelijke werknemers die zwangerschaps- of bevallingsverlof opnemen. De uitkering bedraagt 100 procent van het dagloon tot maximaal 100 procent van het maximumdagloon. Aan transgendermannen die als zelfstandige werkzaam zijn, wordt vanwege zwangerschap en bevalling een uitkering verstrekt volgens de regeling Zelfstandige en Zwanger (ZeZ-regeling). De maximale uitkering is dan gelijk aan het wettelijk minimumloon. Tot nu toe komt het voor zover bekend zeer sporadisch voor dat een uitkering voor zwangerschaps- en bevallingsverlof aangevraagd en verstrekt wordt aan een transgenderman. De kosten zijn – als onderdeel van het totaal aan uitkeringslasten voor het zwangerschaps- en bevallingsverlof – nihil.

Vraag 69

Wat zijn uw overwegingen om het ouderschapsverlof niet volledig te vergoeden gedurende de verlofperiode?

Antwoord 69

Het kabinet vindt het redelijk dat ook ouders zelf een bijdrage leveren aan de verlofopname, die immers ook bijdraagt aan hun privéleven. Met hun bijdrage dragen werknemers uit dat zij goed gemotiveerd zijn om deel te nemen aan de dagelijkse zorg voor hun kinderen en deze zorg eerlijk willen delen met hun partner.

Vraag 70

Kunt u inschatten wanneer de resultaten van de aangenomen motie Simons en Maatoug (Kamerstuk 29 861, nr. 73) over de juridische definitie van arbeidsuitbuiting verwacht worden?

Antwoord 70

Ik zet mij samen met de Staatssecretaris en Minister van Justitie en Veiligheid in om enerzijds het wettelijke instrumentarium te verbeteren en anderzijds het beter inzetten van de bestaande instrumenten om ernstige benadeling van werknemers aan te pakken. Er heeft reeds een verkenning plaatsgevonden omtrent het eventueel aanpassen van artikel 273f Sr (strafbaarstelling mensenhandel). In de praktijk blijkt namelijk dat een veroordeling gebaseerd op artikel 273f Sr lang niet altijd haalbaar is. De uitkomst van de verkenning is op 1 juli jl. door de Staatssecretaris van J&V naar uw Kamer gestuurd (Kamerstuk 28 638, nr. 200). Uit de verkenning blijkt dat het aanpassen van artikel 273f Sr om meerdere redenen mogelijk en wenselijk is. Verdere informatie met betrekking tot een eventuele herziening volgt in de voortgangsbrief van Samen tegen Mensenhandel van dit najaar. Voor de besluitvorming over herziening van artikel 273f Sr zijn echter een missionair kabinet en financiële middelen nodig.

Vraag 71

Constaterende dat het kabinet werkgevers en werknemers stimuleert om gezonde en veilige arbeidsomstandigheden te creëren, thuis en op locatie, hoe is dit geregeld voor vrouwen die te maken hebben met pijnproblematiek omtrent menstruatie? Wat zouden de kosten zijn van een menstruatieverlof van maximaal één werkdag per maand? Welke onderzoeken worden hierbij in acht genomen door het ministerie? Worden er opties voor een dergelijk verlof verkend?

Antwoord 71

Terecht wordt opgemerkt dat het kabinet werkgevers en werknemers stimuleert om gezonde en veilige arbeidsomstandigheden te creëren. Werkgevers zijn verplicht arbeidsgerelateerde zorg aan te bieden aan werknemers, en werknemers doen er goed aan om daar ook gebruik van te maken, ook in die gevallen waarin (ernstige) menstruatieklachten vrouwen hinderen in hun werk. Daarnaast is het goed om individueel of collectief het gesprek met de werkgever aan te gaan over mogelijke praktische aanpassingen die een oplossing zouden kunnen bieden, zoals bijvoorbeeld werken op flexibele tijdstippen. Zoals bij alle gezondheidsklachten is het bovendien aan te raden dat vrouwen met (ernstige) menstruatieklachten naar hun huisarts gaan, om zo nodig medische zorg te krijgen.

Een realistische raming van de kosten van menstruatieverlof is op dit moment niet mogelijk, omdat dit sterk afhankelijk is van de vormgeving, niet duidelijk is hoeveel vrouwen er gebruik van zouden maken en hoe vaak zij het verlof dan op zouden nemen. Het is daarnaast zeer goed denkbaar dat vrouwen, uit privacyoverwegingen, geen menstruatieverlof zullen opnemen, maar zich ziekmelden. Een regeling voor menstruatieverlof brengt overigens ook het risico mee dat het beeld ontstaat dat een werkgever niet zeker kan zijn van de inzetbaarheid van vrouwen, wat kan leiden tot ongelijke behandeling van vrouwen op de arbeidsmarkt. Gezien dat risico kan menstruatieverlof juist ook een averechts effect hebben. In een verkenning van opties voor menstruatieverlof wordt momenteel niet voorzien.

Vraag 72

Wat zouden de financiële en economische kosten zijn van het invoeren van een wettelijk transitieverlof voor transgender personen? Op welke onderzoeken beraadt u zich hierin?

Antwoord 72

De kosten van transitieverlof zijn sterk afhankelijk van de vormgeving van een dergelijke regeling, zoals de duur van het verlof en de hoogte van de vergoeding. Daarom kan er geen eenduidige inschatting gegeven worden van de kosten. Ter indicatie kan wel gekeken worden naar het onderzoek dat SEOR heeft gedaan in opdracht van het Ministerie van OCW naar de arbeidsmarktpositie van transgenderpersonen (SEOR, 2021, De arbeidsmarktpositie van transgender personen) en enkele varianten die daarin zijn doorgerekend. Volgens dit onderzoek laten jaarlijks circa 500 mensen hun juridische geslacht in de Basisregistratie Personen aanpassen. Voor het scenario van een collectief gefinancierd transitieverlof heeft SEOR de kosten ingeschat op € 8,3 miljoen tot € 11,8 miljoen per jaar, afhankelijk van het vergoedingspercentage (70% of 100%). In deze kostenraming is uitgegaan van een transitieverlof van 120 werkdagen en 500 transities op jaarbasis. Hierbij is niet gekeken naar de wettelijke basis van het transitieverlof.

Daarbij wordt opgemerkt dat de transitie van transgenderpersonen voor iedereen anders verloopt. Het traject dat wordt doorlopen en de duur daarvan verschillen sterk per persoon. Het is namelijk per persoon verschillend of en welke behandelingen men ondergaat en over hoeveel tijd deze worden gespreid. Vaak is met een transitie twee jaar gemoeid, maar een langere of kortere periode is geen uitzondering. In geval van maatwerk om met deze variëteit rekening te houden, zou een transitieverlofregeling complex zijn voor de uitvoering. De uitvoeringskosten, die niet in bovenstaande inschatting van de kosten zijn meegenomen, zijn mede afhankelijk van de mate waarin al dan niet maatwerk wordt geboden.

Vraag 73

Hoe ziet u de ontwikkeling van het aantal uren in een werkweek voor zich, nu en in de toekomst?

Antwoord 73

Het is lastig om de ontwikkeling van het aantal uren in een werkweek over lange termijn te voorspellen. De arbeidsmarkt verandert continu en wordt beïnvloed door veel verschillende factoren zoals technologische ontwikkelingen, flexibilisering en vergrijzing. Ook spelen economische, sociale en culturele elementen een rol bij de keuze van mensen hoeveel uren ze besluiten om te gaan werken. Het CPB veronderstelt in een eerdere publicatie het gemiddelde aantal uren per werkende tot 2060 nagenoeg constant op 30,7 uur per week.25 De beleidskeuzes van (een) volgend kabinet(ten) zijn hierbij ook van belang. Op dit moment is de gemiddelde werkweek in Nederland 31 uur.26 Dit is al tien jaar onveranderd. Mannen werken gemiddeld 36 uur per week en vrouwen werken gemiddeld 26 uur per week.27 Verder laten cijfers in 2019 zien dat dat er ongeveer 9 miljoen werkenden in Nederland waren en dat iets meer dan de helft (4,6 miljoen werkenden) een werkweek heeft van 35 uur of meer. De cao-rapportage van 2020 laat zien dat de gemiddelde normale arbeidsduur in cao’s 37,3 uur bedraagt.28

Vraag 74

Kunt u aangeven in welk kwartaal van 2022 wij de nieuwe langetermijnvisie op het arbobeleid kunnen verwachten? Wie worden er betrokken bij de totstandkoming bij deze langetermijnvisie?

Antwoord 74

Op 15 juni 2021 (Kamerstuk 25 883, nr. 413) heeft de Minister van SZW de Kamer geïnformeerd dat de Hoofdlijnennota Arbovisie 2040 voor advies aan de Sociaal Economische Raad (SER) is voorgelegd. De SER heeft aangegeven meer tijd nodig te hebben dan aanvankelijk was voorzien en verwacht nu haar advies voor het komende zomerreces uit te brengen. Na ontvangst van het advies zal het kabinet haar reactie daarop formuleren. Ik verwacht in de tweede helft van 2022 de Arbovisie 2040 definitief te kunnen vaststellen.

De totstandkoming van de Hoofdlijnennota Arbovisie 2040 is in dialoog gegaan met zoveel mogelijk organisaties en andere belanghebbenden. Er zijn meer dan 20 (video)bijeenkomsten georganiseerd en er is een publieksconsulatie gehouden. Verder hebben veel belanghebbende organisaties schriftelijke bijdragen geleverd met hun opvattingen over de Arbovisie 204029. Op basis van al deze input is de Hoofdlijnennota Arbovisie 2040 geformuleerd.

Na de definitieve vaststelling van de Arbovisie door het kabinet, neem ik samen met de sociale partners en andere stakeholders, de concrete uitwerking van de Arbovisie 2040 ter hand in de vorm van het formuleren van een Beleidsagenda 2023–2026.

Vraag 75

Wat zijn de actuele dekkingsgraden en beleidsdekkingsgraden van de vijf grote fondsen?

Antwoord 75

In de tabel hieronder vindt u de actuele en beleidsdekkingsgraden van de vijf fondsen per 30 september 2021.

Fonds

Actuele dekkingsgraad

Beleidsdekkingsgraad

ABP

105,3%

98,8%

PFZW

102%

96,5%

PME

104,6%

100,6%

PMT

102,5%

98,3%

bpfBOUW

122,2%

115,9%

Vraag 76

Zijn er premiestijgingen aangekondigd bij de vijf grote fondsen?

Antwoord 76

Pensioenfondsen gaan op verschillende manieren om met het vaststellen van de premie van het aankomende jaar. Zo heeft het ABP de premie voor 2022 nog niet vastgesteld, maar al wel aangekondigd dat zij een stijging van de premie verwachten30. Deze stijging is nog niet definitief. Andere fondsen, zoals PFZW en PME, hebben de premies voor 3 jaar vastgesteld. Sinds 2020 is daar dus al bekend dat in 2022 de premies zullen stijgen ten opzichte van 202131. Bij de fondsen PMT en bpfBOUW zijn geen premiestijgingen aangekondigd.

Vraag 77

Constaterende dat op 1 januari 2022 een nieuw inburgeringsstelsel start dat een hoger taalniveau vereist, wat zijn de verwachtingen voor de slagingskansen voor mensen met een migratie-achtergrond voor het hoger vereiste taalniveau? Worden er extra taallessen aangeboden voor mensen met een migratie-achtergrond? Worden deze taallessen in de nieuwe regeling deels ook aangeboden in de opvang? Wat zijn de kosten hiervoor?

Antwoord 77

Met de nieuwe inburgeringswet zet de regering inderdaad in op een hoger taalniveau dan in het huidige inburgeringsstelsel. Niveau B1 geldt daarbij als uitgangspunt, omdat dat het niveau is om goed mee te kunnen doen op de Nederlandse arbeidsmarkt en in de Nederlandse samenleving. Tegelijkertijd wordt, anders dan in het huidige inburgeringsstelsel, rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de inburgeringsplichtige. Het is niet realistisch te verwachten dat alle inburgeringsplichtigen in staat zullen zijn om – binnen de inburgeringstermijn – niveau B1 te behalen. Het stelsel kent daarom drie leerroutes, om ervoor te zorgen dat alle inburgeringsplichtigen op een passend, maar wel het voor hen hoogst haalbare, niveau inburgeren. Niet alle inburgeringsplichtigen zullen dus op niveau B1 moeten inburgeren. Dat geldt bijvoorbeeld voor inburgeringsplichtigen in de Z-route, waarin geen examenplicht geldt, of voor inburgeringsplichtigen in de B1-route die – na 1,5 jaar – «afschalen» en inburgeringsexamen mogen doen op niveau A2. Om inburgeringsplichtigen te stimuleren op het voor hen hoogst haalbare niveau in te burgeren, worden zij gedurende het gehele inburgeringstraject begeleid door de gemeente. Naar verwachting zal deze begeleiding door gemeenten er tevens voor zorgen dat inburgeringsplichtigen eerder met hun inburgering starten, waardoor inburgeringstrajecten niet langer zullen duren dan nu het geval is. Op dit moment is de inschatting dat 60% van de asielstatushouders en 83% van de gezins- en overige migranten zal instromen in de B1-route. Hoeveel inburgeraars uiteindelijk B1 halen, hangt sterk af van de achtergrondkenmerken van de instroom.

Voorafgaand aan de start van de leerroute onder begeleiding van de gemeente, hebben asielstatushouders de mogelijkheid om al in de COA-opvang te starten met taallessen. Binnen het programma voorbereiding op de inburgering is per statushouder 115 uur taalonderwijs beschikbaar, aangeboden door gecertificeerde NT2-docenten. De totale kosten van deze NT2-lessen zijn afhankelijk van het aantal statushouders in de COA-opvang. Voor 2022 is de verwachting dat deze € 14.692.514 (€ 1.538,– per statushouder) bedragen.

Vraag 78

Constaterende dat gezinsmigranten zelf hun taallessen en -examens betalen, wat zijn de individuele kosten voor gezinsmigranten om taallessen en -examens te bekostigen? Zijn er naar verwachting extra kosten in verband met het hoger vereiste taalniveau? Welke obstakels worden er verwacht met betrekking tot de toegang van gezinsmigranten tot het volgen van taallessen en -examens?

Antwoord 78

De kosten voor gezinsmigranten in het nieuwe inburgeringsstelsel zijn afhankelijk van de individuele omstandigheden van de inburgeraar, zoals de hoeveelheid onderwijs dat is gevolgd in het land van herkomst en de leersnelheid van de inburgeraar. Hierdoor kunnen de kosten sterk verschillen per persoon. Het is hierdoor ook mogelijk dat voor een deel van de gezinsmigranten en overige migranten de kosten hoger zullen uitvallen dan in het huidige inburgeringsstelsel. Gezinsmigranten en overige migranten kunnen, op basis van een inkomenstoets, gebruikmaken van een lening bij DUO om het inburgeringsaanbod te bekostigen.

Er mag op basis van de resultaten van het huidige inburgeringsstelsel vanuit worden gegaan dat het overgrote merendeel van alle gezinsmigranten en overige migranten in staat zal zijn aan de vereisten van de B1-route te voldoen. Deze B1-route omvat ook de afschaalmogelijkheid naar taalniveau A2. Statistieken laten immers zien dat zij veelal uit landen komen waar zij in hun jeugd formeel onderwijs hebben genoten. Daarnaast is het huidige ontheffingspercentage voor het inburgeringsexamen in het buitenland bijzonder klein (3%, inclusief medische ontheffingen).

Om te voorkomen dat gezinsmigranten en overige migranten tegen obstakels oplopen bij de toegang tot het volgen van taallessen en -examens, krijgen zij – net zoals asielstatushouders – een brede intake en zal er voor hen een Plan Inburgering en Participatie (PIP) worden opgesteld waarin wordt vastgelegd welke leerroute zij dienen te volgen om aan de inburgeringsplicht te voldoen. Van gemeenten wordt verwacht dat zij ook deze groep inburgeringsplichtigen zo goed mogelijk adviseren over passende inburgeringscursussen en andere aspecten om een goede start in Nederland te maken. Gemeenten worden voor genoemde taken (brede intake, PIP en de begeleiding van gezinsmigranten en overige migranten) bekostigd.

Vraag 79

Welke rol ziet u voor het minimumloontarief in de uitgesproken wens ondersteuning te bieden aan mensen met (beginnende) geldzorgen?

Antwoord 79

De komende periode zal met een diverse groep stakeholders worden gewerkt aan de ontwikkeling van bouwstenen voor een aanpak preventie van geldzorgen. Het is aan een nieuw kabinet om vervolgens met deze bouwstenen aan de slag te gaan. Het minimumloontarief is onderdeel van deze aanpak.

Vraag 80

Kunt u uitweiden over de doelstellingen en bevoegdheden van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR)?

Antwoord 80

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft uw Kamer op 11 juni 2021 (Kamerstuk 30 950, nr. 249) en 24 juni (Kamerstuk 30 950, nr. 250) geïnformeerd over het profiel en de opdracht van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme.

De Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme is onder verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties belast met het bevorderen van de totstandkoming en van de uitvoering van het Nationaal Programma. Dit is een meerjarig programma van doelen en maatregelen om discriminatie en racisme effectief te bestrijden alsmede een jaarlijks actieprogramma.

De Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme heeft de volgende taken:

  • a. het bevorderen en voeren van overleg met en het onderhouden van relaties met maatschappelijke initiatieven, bewegingen en belangengroepen op het terrein van discriminatie, alsmede met betrokken bestuursorganen en bedrijven;

  • b. het doen van een voorstel aan de Minister van BZK voor het meerjarig programma alsmede de jaarlijkse actieprogramma's;

  • c. het bevorderen dat alle betrokken partijen, zowel binnen de overheid als in de samenleving, vanuit hun eigen verantwoordelijkheid, hun rol vervullen om de aanpak van discriminatie te versterken en de doelen van het Nationaal Programma te halen;

  • d. het bewaken van de voortgang van de uitvoering van het Nationaal Programma en daarover rechtstreeks adviseren aan de Minister van BZK;

  • e. het op verzoek bijstaan van de Minister van BZK bij de behandeling van het Nationaal Programma in het parlement, waarbij de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme desgewenst het woord kan voeren over feiten en omstandigheden betreffende het Nationaal Programma;

  • f. het doen van voorstellen voor de agenda van de vergaderingen van de «Stuurgroep voor de aanpak van discriminatie en racisme»;

  • g. het nemen van initiatieven in het opbouwen en in stand houden van draagvlak voor het Nationaal Programma; en

  • h. het bevorderen van de communicatie over het Nationaal Programma.

Vraag 81

Hoe ziet u de rol en inspraak van de inwoners van de eilanden in de uitgesproken doelstellingen?

Antwoord 81

De genoemde doelstellingen verwoorden de inzet in het kader van het ijkpunt bestaanszekerheid, waarvoor de kabinetsbrief van 29 juni 2018 (Kamerstuk 34 775 IV, nr. 45) het startpunt vormt. Aan deze inzet ligt politieke besluitvorming ten grondslag, waarover afstemming heeft plaatsgevonden met de openbare lichamen via de bestuurscolleges. De bestuurscolleges nemen besluiten, gesteund door de gekozen volksvertegenwoordigers in de Eilandsraad na de Eilandsraadsverkiezingen. Het staat de bestuurscolleges vrij om – naast de betrokkenheid van de eilandsraad – inwoners, organisaties en stakeholders te consulteren bij hun standpuntbepaling.

Vraag 82

Was ook in deze crisis zichtbaar dat mensen met een niet-westerse migratie-achtergronden sneller hun baan hebben verloren?

Antwoord 82

Het is inderdaad het gebruikelijke patroon dat de groep met een niet-westerse achtergrond in geval van economische tegenspoed sneller en zwaarder wordt getroffen dan andere groepen en ook weer later profiteert van economisch herstel. Uit de Kernindicatoren Integratie Kernindicatoren integratie (cbs.nl) blijkt dat dit verschijnsel zich ook in het tijdvak 2019–2020 in beperkte mate weer heeft voorgedaan: de werkloosheid onder de niet-westerse groep steeg met 0,9 procentpunt (van 7,3% in 2019 naar 8,2% in 2020). Deze stijging overtreft die bij de bevolking zonder migratieachtergrond, waar de werkloosheid in hetzelfde tijdvak met 0,4 procentpunt steeg (van 2,6% naar 3,0%).

Vraag 83

Welke uitgaven zijn er nu op de SZW-begroting precies al gedaan als opvolging van de kabinetsreactie Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) en de commissie Bosman?

Vraag 84

Welke uitgaven staan nog gepland naar aanleiding van de kabinetsreactie POK en de commissie Bosman?

Antwoord 83 en 84

Als opvolging van de kabinetsreactie POK is er extra budget voor het verbeteren van dienstverlening door UWV en SVB. In het antwoord op begrotingsvraag 216 ga ik verder in op welke investeringen met dit geld gedaan worden bij UWV en SVB. Daarnaast zijn er voor het kerndepartement bestedingsplannen opgesteld voor extra uitgaven aan versterking van de interne organisatie, het oplossen van multiproblematiek en het verbeteren van de informatiehuishouding. De kabinetsreactie op het rapport van de Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties (commissie Bosman) wordt overgelaten aan een volgend kabinet (Kamerstuk 29 362, nr. 290). Hiervoor zijn geen afzonderlijke middelen uitgegeven. De verwachte uitgaven per bestedingsplan en jaar staan in onderstaande tabel.

Bestedingsplan (x € mln)

2021

2022

2023

Structureel

UWV

4

88

120

120

SVB

0,6

17,3

24,5

24,5

SZW – Versterking organisatie

2,5

10,6

10,4

10

SZW – Multiproblematiek

0,8

5

5

5

SZW – informatiehuishouding

0,6

*

*

*

Totaal

8,5

120,9

159,9

159,5

Voor Informatiehuishouding is voor 2021 een startbudget opgesteld, met uitgaven die naar schatting € 560.000 bedragen. Voor volgende jaren is het budget op dit moment nog onduidelijk. Op 1 februari 2022 dienen alle departementen (zo ook SZW) een definitief actieplan IHH Open op Orde aan te leveren bij BZK. Op basis daarvan krijgt SZW gelden toegewezen voor de uitrol van het actieplan 2022–2026.

Vraag 85

Hoe zou u de verhouding tussen vertrouwen en fraudebestrijding omschrijven?

Antwoord 85

In Nederland leven verreweg de meeste burgers de regels na, zo blijkt uit onderzoek. Tegelijkertijd sta ik voor een gepaste reactie als burgers willens en wetens de regels overtreden. Dat zijn de twee kanten van de handhavingsmedaille waar uitvoerders elke dag mee te maken hebben. Vertrouwen kan het uitgangspunt zijn bij handhaving en fraudebestrijding. Dat mag nog meer dan nu centraal staan. Dat begint door in te zetten op preventie. In contact met de burger is het belangrijk om begrijpelijke taal te gebruiken en aan te sluiten bij de belevingswereld van de burger. Tegelijkertijd kan vertrouwen ook worden geschaad als er moedwillig en bewust misbruik wordt gemaakt van sociale voorzieningen, bijvoorbeeld als derden burgers misleiden om hun persoonlijke gegevens af te staan. Dan moet er passend opgetreden kunnen worden.

Vraag 86

Bij welke uitkeringsregelingen op de SZW-begroting is er persoonlijke begeleiding beschikbaar en bij welke niet?

Antwoord 86

Zowel UWV als gemeenten kunnen binnen bepaalde kaders persoonlijke begeleiding bieden bij het ondersteunen van mensen naar (duurzaam) werk.

UWV kan persoonlijke begeleiding inzetten voor:

  • publiek verzekerde mensen met een WW-uitkering;

  • publiek verzekerde mensen met een IOW-uitkering;

  • publiek verzekerde mensen met een WIA/WGA-uitkering;

  • mensen met een Wajong-uitkering die arbeidsvermogen hebben.

UWV heeft deze mogelijkheid niet voor:

  • mensen met een WW-uitkering die onder een eigenrisicodrager vallen;

  • mensen met een WIA/WGA-uitkering die onder een eigenrisicodrager vallen;

  • mensen met een WIA/IVA-uitkering;

  • mensen met een Wajong-uitkering die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben.

Gemeenten kunnen persoonlijke begeleiding inzetten voor:

  • mensen met een bijstandsuitkering;

  • mensen die met een voorziening (bijvoorbeeld loonkostensubsidie) van de gemeente aan het werk zijn;

  • mensen met een IOAW- of IOAZ-uitkering;

  • mensen met een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet;

  • niet-uitkeringsgerechtigden.

Vraag 87

Hoe zou u de impact van de Participatiewet tot nu toe beschrijven?

Antwoord 87

In de brief van 20 november 2019 heeft het kabinet gereageerd op de evaluatie van de Participatiewet (Kamerstuk 34 352, nr. 187). De brief verwijst onder andere naar lopende initiatieven zoals het Breed Offensief. Voor een uitgebreid overzicht van de positieve ontwikkelingen, de aandachtspunten en de daaraan gekoppelde acties verwijs ik naar deze brief. Daarnaast vindt er op dit moment een inventarisatie plaats hoe er in de Participatiewet meer vanuit vertrouwen kan worden gehandeld (Kamerstuk 34 352, nr. 213).

Vlak na het verschijnen van de eindevaluatie brak de coronacrisis uit. Deze crisis heeft een grote invloed gehad op de groepen die onder de Participatiewet vallen. Uit het recente UWV-kennisverslag «Arbeidsparticipatie van mensen met een arbeidsbeperking» blijkt dat mensen in het doelgroepenregister die onder de doelgroep Participatiewet vallen hard getroffen werden in het begin van de coronacrisis. In de eerste helft van 2020 daalde de arbeidsparticipatie van meer dan 46% naar net boven de 44%. Tussen juni en september werd echter een inhaalslag gemaakt en steeg de participatie harder dan in dezelfde periode in 2019, terug naar net onder de 46%. Het blijft belangrijk om dergelijke ontwikkelingen in de gaten te houden om te kijken hoe het gaat met de baankansen van groepen die onder de Participatiewet vallen.

Vraag 88

Kunt u toelichten waarom de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) «over het algemeen goed» presteren? Waaraan is «over het algemeen goed» gerelateerd?

Antwoord 88

UWV en de SVB hebben de dienstverlening de afgelopen jaren, waarin met name de coronacrisis een grote stempel heeft gedrukt, op peil weten te houden. Het tijdig uitbetalen van uitkeringen bleef grotendeels boven de daarvoor gestelde norm. De inzet om persoonlijke dienstverlening aan klanten te leveren is uitgebreid waardoor meer persoonlijk contact met klanten kon plaatsvinden. Ook de klanttevredenheidscijfers bleven hoog en namen zelfs toe ten opzichte van 2019. Zo werd de klanttevredenheid bij UWV eind 2020 gewaardeerd met een 7,4 en een 7,2 door uitkeringsgerechtigden respectievelijk werkgevers. Bij de SVB werd de klanttevredenheid eind 2020 gewaardeerd met een 8,2.

Vraag 89

Kunt u de enorme toename in het jaar 2019 betreffende het aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling verklaren?

Antwoord 89

De toename van het aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling in 2019 wordt met name veroorzaakt door een toename van het aantal geconstateerde overtredingen bij de kinderbijslag. Deze stijging wordt veroorzaakt doordat in 2018 de handhaving op het inkomen van 16- en 17-jarigen met kinderbijslag tijdelijk heeft stilgelegen. De SVB controleert hier gericht op via een koppeling met DUO voor gegevens over BOL/BBL-leerlingen en leerlingen met een startkwalificatie. Deze koppeling is destijds tijdelijk stopgezet vooruitlopend op een nieuwe koppeling met de Polisadministratie. De koppeling met DUO is vanaf 2019 weer hersteld. Zodoende heeft de SVB in 2019 de handhaving met terugwerkende kracht weer opgepakt waardoor er een piek aan geconstateerde overtredingen is ontstaan.

Vraag 90

Is er een verklaring voor de structurele daling van het aantal mensen met een arbeidsbeperking die een baan hebben gevonden in de jaren 2018 tot en met 2020?

Antwoord 90

De vraagsteller veronderstelt dat deze tabel iets zegt over de arbeidsparticipatie van mensen met een beperking. Dat is niet correct. De SZW-begroting biedt met tabel 4 inzicht in het aantal mensen met een WAO/WAZ-, ZW-, WIA- of Wajong-uitkering dat in de jaren 2018 tot en met 2020 door UWV aan het werk geholpen is. De aantallen per regeling zijn op een verschillende manier tot stand gekomen. Bij de Wajong worden alleen de mensen geteld die een arbeidsovereenkomst van minimaal zes maanden voor minimaal twaalf uur per week hebben aanvaard. Bij de WIA, WAO en WAZ worden de mensen geteld van wie het re-integratiedienstverleningstraject is beëindigd omdat ze voor hun resterende verdiencapaciteit werk hebben aanvaard. Voor de Ziektewet worden uitsluitend de mensen geteld die na een re-integratietraject aan het werk zijn gekomen. Naast de gepresenteerde aantallen kunnen ook meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk zijn gekomen.

De tabel laat met name een afname zien in het aantal mensen dat door UWV aan het werk is geholpen in 2020. Deze afname is met name een effect van de coronacrisis. Voor 2019 laten de cijfers nog wel een stijging zien van het aantal mensen in de WIA dat door UWV aan het werk is geholpen. Dit is met name het effect van de uitbreiding van de dienstverleningscapaciteit voor mensen in de WIA/WGA.

Vraag 91

Hoeveel allochtonen met een niet-westerse achtergrond maken gebruik van een bijstandsuitkering?

Antwoord 91

Het Ministerie van SZW houdt de gevraagde informatie zelf niet bij. Wel is op CBS-statline informatie beschikbaar over aantallen mensen in de bijstand: in juli 2021 ontvingen 224.000 personen met een niet-westerse migratieachtergrond een bijstandsuitkering. Dit is het meest recente meetmoment waarvoor CBS-cijfers beschikbaar zijn.

Vraag 92

Hoeveel allochtonen met een westerse achtergrond maken gebruik van een bijstandsuitkering?

Antwoord 92

Het Ministerie van SZW houdt de gevraagde informatie zelf niet bij. Wel is op CBS-statline informatie beschikbaar over aantallen mensen in de bijstand: in juli 2021 ontvingen 40.500 personen met een westerse migratieachtergrond een bijstandsuitkering. Dit is het meest recente meetmoment waarvoor CBS-cijfers beschikbaar zijn.

Vraag 93

Hoeveel miljard euro per jaar aan bijstandsuitkeringen gaat naar niet-westerse allochtonen en hoeveel naar westerse allochtonen?

Antwoord 93

Het is niet mogelijk om het macro-budget uit te splitsen naar achtergrondkenmerken omdat het uitgekeerde bedrag per individu verschilt.

Vraag 94

Wat is het percentage niet-westerse allochtonen, westerse allochtonen en autochtonen dat gebruik maakt van een bijstandsuitkering?

Antwoord 94

Het Ministerie van SZW houdt de gevraagde informatie zelf niet bij. Wel is op CBS-statline informatie beschikbaar over percentages mensen in de bijstand: van de mensen die eind juli 2021 een bijstandsuitkering ontvingen, had circa 52% een niet-westerse migratieachtergrond, circa 10% een westerse migratieachtergrond en circa 38% geen migratieachtergrond. Dit is het meest recente meetmoment waarvoor CBS-cijfers beschikbaar zijn.

Vraag 95

Hoeveel allochtonen met een niet-westerse en westerse achtergrond maken gebruik van de sociale zekerheid?

Antwoord 95

Het Ministerie van SZW houdt de gevraagde informatie zelf niet bij. Wel is op CBS-statline informatie beschikbaar over aantallen mensen in verschillende socialezekerheidsregelingen, uitgesplitst naar persoonskenmerken. Het gaat hier om een groot aantal uitsplitsingen en cijfers en niet voor elke socialezekerheidsregeling zijn cijfers beschikbaar op CBS-statline. Alle cijfers die wel beschikbaar zijn kunnen worden geraadpleegd via de volgende link: StatLine – Personen met een uitkering; kenmerken uitkeringsontvangers (cbs.nl).

In het kader van het programma Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt wordt momenteel een brede monitor ontwikkeld die de komende jaren de kansen en posities van personen met een migratieachtergrond in breder perspectief zal volgen. De eerste meting van de monitor, die deels gebaseerd wordt op de gegevens uit StatLine, zal ik binnenkort met uw Kamer delen.

Vraag 96

Wat is het percentage niet-westerse allochtonen, westerse allochtonen en autochtonen dat gebruik maakt van uitkeringen en sociale regelingen uitgesplitst per uitkering en sociale regeling?

Antwoord 96

Zie het antwoord op vraag 95.

Vraag 97

Hoeveel miljard euro per jaar aan sociale zekerheid gaat naar niet-westerse allochtonen, westerse allochtonen en autochtonen?

Antwoord 97

Zie het antwoord op vraag 93.

Vraag 98

Hoeveel procent van de statushouders maakt gebruik van de bijstand of een andere sociale inkomensregeling en wat zijn de kosten per jaar daarvan? Kan dit worden opgemaakt in een overzicht van de afgelopen 10 jaar?

Antwoord 98

Het percentage statushouders dat gebruik maakt van bijstand of een andere sociale inkomensregeling schommelt door de tijd. Zoals de Minister van SZW uw Kamer geïnformeerd heeft (Aanhangsel Handelingen II 2021/22, nr. 28) is de verblijfsduur van statushouders in Nederland bijvoorbeeld relevant. Hoe langer men in Nederland is, hoe lager de uitkeringsafhankelijkheid. De gevraagde informatie met betrekking tot de kosten is niet beschikbaar. Zie voor toelichting het antwoord op vraag 93.

Vraag 99

Wat is het percentage niet-westerse allochtonen, westerse allochtonen en autochtonen dat een vrijstelling heeft van de sollicitatieplicht?

Antwoord 99

Het Ministerie van SZW, de gemeenten en de uitvoerende organisaties houden de gevraagde informatie niet bij.

Vraag 100

Hoeveel bewuste fraude is er in de afgelopen vijf jaar geconstateerd binnen de sociale zekerheid?

Antwoord 100

De term «bewuste fraude» wordt niet gebruikt voor overtredingen in de sociale zekerheid. Wel wordt bijgehouden in welke mate de overtreding als verwijtbaar is beoordeeld. Zodoende worden boetes in de sociale zekerheid onderscheiden in verminderde verwijtbaarheid, normale verwijtbaarheid, grove schuld en opzet. Daarnaast is er een aparte categorie aangiften, waarbij aangifte wordt gedaan bij het OM. Dit betreft overtredingen met een benadelingsbedrag boven de € 50.000 of meerdere strafbare feiten. Hieraan wordt geen specifieke verwijtbaarheid gekoppeld door de uitvoeringsinstantie aangezien dit aan het oordeel van de strafrechter is.

Opgelegde boetes naar mate van verwijtbaarheid en aangiften bij het OM:

UWV

2016

2017

2018

2019

2020

Verminderde verwijtbaarheid

5.640

6128

834

764

618

Normale verwijtbaarheid

6.159

4265

2.887

2.922

2.360

Grove schuld

0

6

0

1

0

Opzet

16

1

0

0

1

Aangiften OM

104

76

30

42

41

Bron: Jaarverslagen UWV 2016 – 2020.

SVB

2016

2017

2018

2019

2020

Verminderde verwijtbaarheid

240

164

1

49

48

Normale verwijtbaarheid

2.253

2.216

1.749

2.226

1.020

Grove schuld

13

13

2

11

9

Opzet

0

0

0

0

0

Aangiften OM

24

16

34

14

9

Bron: Jaarverslagen SVB 2016 – 2020.

Gemeenten

2016

2017

2018

2019

2020

Verminderde verwijtbaarheid

1

2600

2380

2000

1830

Normale verwijtbaarheid

1

8900

9300

8010

7460

Grove schuld

1

800

410

380

260

Opzet

1

400

320

200

160

Aangiften OM

1

260

340

190

310

Bron: Bijstandsdebiteuren en Fraudestatistiek (BDFS) 2017 – 2020.

X Noot
1

Voor gemeenten zijn deze cijfers pas vanaf 2017 beschikbaar.

Vraag 101

Hoeveel gemeenten geven aan niet te handhaven op de taaleis binnen de bijstand?

Antwoord 101

Het belang van taal voor participatie wordt door gemeenten breed onderschreven. De taaleis heeft de aandacht hiervoor verhoogd. Uit CBS onderzoek (Kamerstuk 34 352, nr. 143) en de evaluatie van de taaleis (Kamerstuk 34 352, nr. 186) blijkt dat de uitvoeringspraktijk divers is. Het merendeel van de gemeenten heeft het bestand gescreend en de helft voert ook taaltoetsen uit. Verplichtingen die worden opgelegd aan bijstandsgerechtigden worden vaak gecombineerd met een re-integratieaanbod. Eventuele sancties die hieruit voortkomen worden dan opgelegd vanuit de re-integratieverplichtingen. Maatregelen vanuit de taaleis worden niet vaak opgelegd. Gemeenten geven aan dat dit niet nodig is omdat bijstandsgerechtigden doorgaans meewerken aan de opgelegde verplichtingen.

Vraag 102

Hoeveel uitkeringen zijn er 100% stopgezet door het niet voldoen aan de taaleis?

Antwoord 102

Maatregelen waarbij inhoudingen op de uitkering plaatsvinden in het kader van de taaleis hoeven zelden opgelegd te worden. Bijstandsgerechtigden werken in de regel mee aan de opgelegde taalverplichtingen. Volgens de laatst beschikbare cijfers zijn in de periode juli 2017 t/m juni 2018 circa 150 verminderingen toegepast (Kamerstuk 34 352, nr. 143). Het is niet bekend of hier, door herhaaldelijk niet te voldoen aan opgelegde verplichtingen, verlagingen van 100% bij zijn.

Vraag 103

Wat is het bedrag dat de afgelopen vijf jaar is ingevorderd aan bewuste fraude met sociale zekerheid en welk bedrag staat er nog open?

Antwoord 103

De term bewuste fraude wordt niet gebruikt in de registratie van boetes voor overtredingen in de sociale zekerheid. Daarnaast wordt het boetebedrag niet per categorie van verwijtbaarheid, zoals verminderde verwijtbaarheid of opzet, bijgehouden. Hierdoor zijn er geen cijfers beschikbaar over het ingevorderde noch openstaande bedrag aan bewuste – dan wel opzet of grove schuld – fraudevorderingen. Wel zijn er cijfers beschikbaar over het percentage dat is ingevorderd over de jaren 2016 – 2020: onderstaand schema bevat de incassoratio‘s ultimo 2020 naar vorderingsjaar (waarbij over 2016 al vijf jaar is teruggevorderd en over 2020 één).

Tabel: Incassoratio benadelingsbedrag + boetevordering ultimo 2020 (%)
 

2016

2017

2018

2019

2020

UWV

73

65

49

42

23

SVB

54

55

42

36

23

Gemeenten

38

36

29

20

12

Bron: Begroting SZW 2022.

Vraag 104

Hoeveel euro is er in de afgelopen vijf jaar kwijtgescholden aan bewuste fraude?

Antwoord 104

Vorderingen wegens overtreding van de inlichtingenplicht in de sociale zekerheid moeten gedurende minimaal 10 jaar worden teruggevorderd. Desalniettemin kan het voorkomen dat vorderingen komen te vervallen doordat deze niet op tijd gestuit zijn, de rechter een schuldregeling heeft opgelegd of doordat de debiteur is overleden. Hoeveel vorderingen ten gevolge van een overtreding van de inlichtingenplicht zijn kwijtgescholden, wordt niet apart geregistreerd. Daarnaast wordt de term bewuste fraude niet gebruikt in de registratie van boetes voor overtredingen in de sociale zekerheid. Hierdoor zijn er geen cijfers beschikbaar over het kwijtgescholden bedrag aan bewuste – dan wel opzet of grove schuld – fraudevorderingen.

Vraag 105

Hoeveel fraude is er in de afgelopen vijf jaar geconstateerd op basis van het schenden van de inlichtingen en vermogenseis binnen de bijstand?

Antwoord 105

Vanuit de beschikbare CBS data kan deze vraag over de jaren 2019 en 2020 worden beantwoord. Over andere jaren zijn deze data niet op dit geaggregeerde niveau beschikbaar. Als het gaat om het aantal nieuwe vorderingen naar aanleiding van schending van de inlichtingenplicht ging het in 2020 om 23.170 nieuwe vorderingen en in 2019 om 17.688. Daarvan lag in 2020 bij 900 vorderingen de aanleiding in het verzwijgen van vermogen of het verzwijgen van inkomsten uit vermogen en in 2019 bij 720.

Vraag 106

Hoeveel bijstands-/uitkeringsfraude is er in de afgelopen vijf jaar geconstateerd op basis van verzwegen bezit in het buitenland (zoals tweede huizen)?

Antwoord 106

Sinds 2018 is in de Bijstands-, Debiteuren en Fraudestatistiek (BDFS) van het CBS inzichtelijk welke overtreding ten grondslag ligt aan de overtreding van de inlichtingenplicht. Zo is het bijvoorbeeld inzichtelijk of het om het verzwijgen van zwarte inkomsten of een onjuiste opgave van de woonsituatie gaat. Dit geldt ook voor het verzwijgen van vermogen, maar dit gegeven is niet nader uitgesplitst naar verzwegen vermogen binnenland of verzwegen vermogen buitenland. In 2018 heeft het CBS echter op verzoek van het Ministerie van SZW een onderzoek bij gemeenten uitgevoerd naar onderzoeken naar verborgen vermogen in het buitenland. Op basis van de respons op de enquête onder gemeenten en het imputeren van non-respons is voor alle gemeenten in Nederland tezamen een schatting gemaakt van de aantallen. Zo kan met 95% zekerheid worden aangegeven dat gemeenten 240 tot 390 onderzoeken gestart zijn. Dit heeft geleid tot 20 tot 30 vorderingen waarbij maximaal 10 boetes opgelegd zijn.

Ook de SVB maakt in haar jaarverslag en handhavingsinformatie geen onderscheid naar de overtreding «verzwegen vermogen in het buitenland». Wel zijn uit eerdere onderzoeken de cijfers bekend over 2018 en 2019. In 2018 is de SVB 155 onderzoeken gestart, waarbij 39 overtredingen van de inlichtingenplicht zijn vastgesteld. In 2019 zijn 144 onderzoeken gestart, waarbij 22 overtredingen van de inlichtingenplicht aangaande verzwegen vermogen in het buitenland zijn vastgesteld.

Vraag 107

Hoeveel uitkeringen (uitgesplitst per uitkering per land) worden er per jaar geëxporteerd en wat zijn de kosten hiervan?

Vraag 108

Hoeveel Werkloosheidswet (WW)-uitkeringen worden er per jaar geëxporteerd (uitgesplitst per land) en wat zijn de kosten hiervan?

Antwoord 107 en 108

Bij de uitvoering van de socialezekerheidsregelingen zijn diverse instanties betrokken. Daarom wordt bij de beantwoording van deze vraag een splitsing gemaakt in de uitkeringen die UWV exporteert en de uitkeringen die de SVB exporteert.

UWV is betrokken bij de uitvoering van de werknemersverzekeringen zoals de WW, WIA, ZW en WAZO, maar ook voor de uitkering van sociale voorzieningen zoals Wajong en TW. Ook voert UWV voor oude gevallen de WAO uit, deze wet is in 2005 door de WIA opgevolgd. In 2020 is er door UWV in totaal aan 37.301 personen een uitkering geëxporteerd voor een bedrag van € 439 miljoen. De WW-uitkering kan alleen worden geëxporteerd als de uitkeringsgerechtigde werk gaat zoeken in de EU, EER of Zwitserland. Het aantal geëxporteerde WW-uitkeringen fluctueert. In 2020 zijn er in totaal 3.052 WW-uitkeringen geëxporteerd met een uitgekeerd bedrag van € 9.383.631.

Hieronder is per uitkering opgenomen naar welke landen de uitkering wordt geëxporteerd, naar hoeveel personen en voor welk bedrag.

Tabel: Export uitkeringen WW, 2020
 

Aantal personen in jaar

Uitgekeerd bedrag

EU

3.033

9.295.014

België

39

134.597

Bulgarije

19

43.901

Cyprus

3

15.239

Denemarken

6

27.904

Duitsland

50

209.273

Estland

3

4.752

Finland

6

40.260

Frankrijk

42

191.107

Griekenland

16

35.958

Hongarije

18

54.426

Ierland

1

2.742

Italië

22

86.424

Kroatië

4

13.549

Letland

9

22.613

Litouwen

12

29.564

Oostenrijk

11

40.667

Polen

2.515

7.307.752

Portugal

30

147.134

Roemenië

39

98.294

Slovenië

2

4.007

Slowakije

33

108.093

Spanje

86

375.057

Tsjechië

12

48.443

Verenigd Koninkrijk1

34

137.182

Zweden

21

116.080

     

EER (en Zwitserland)

19

88.617

Noorwegen

3

7.813

Zwitserland

16

80.804

Totaal

3.052

9.383.631

X Noot
1

Het Verenigd Koninkrijk is op 31 januari 2020 uit de EU getreden. Vanaf 1 januari 2021 valt het Verenigd Koninkrijk niet meer onder de regels en afspraken voor EU/EER-landen. Voor wie in het Verenigd Koninkrijk woont en voor 1 januari 2021 al een WW-uitkering van UWV ontving, verandert er niets.

Tabel: Export uitkeringen WAO, 2020
 

Aantal personen in jaar

Uitgekeerd bedrag

EU

6.224

96.896.685

België

2.102

32.568.607

Bulgarije

41

725.681

Cyprus

5

107.355

Denemarken

32

382.641

Duitsland

1.605

21.978.358

Estland

1

7.822

Finland

16

164.650

Frankrijk

398

6.748.276

Griekenland

76

1.246.045

Hongarije

143

2.327.583

Ierland

34

574.349

Italië

93

1.510.607

Kroatië

52

877.755

Litouwen

4

86.163

Luxemburg

10

150.252

Malta

4

87.365

Oostenrijk

73

1.040.833

Polen

51

960.676

Portugal

217

3.623.312

Roemenië

22

364.436

Slovenië

2

45.545

Slowakije

4

43.235

Spanje

884

15.647.228

Tsjechië

29

507.364

Verenigd Koninkrijk

203

3.235.962

Zweden

123

1.884.586

     

EER (en Zwitserland)

122

1.440.097

Liechtenstein

1

15.083

Noorwegen

58

634.619

Zwitserland

63

790.394

     

Koninkrijk der Nederlanden buiten

   

Europa en Caribisch Nederland

287

4.698.435

Aruba

63

1.052.830

Bonaire, Sint Eustatius en Saba

50

878.682

Curaçao

171

2.736.922

Sint Maarten

3

30.001

Verdragslanden

4.614

78.711.673

Argentinië

6

75.886

Australië

69

970.592

Bosnië en Herzegovina

107

1.702.338

Canada

43

751.468

Chili

12

211.310

Ecuador

3

36.451

Egypte

43

762.029

Filipijnen

66

1.247.016

India

5

77.886

Indonesië

60

1.122.658

Israël

14

300.873

Japan

4

64.124

Jordanië

3

33.747

Kaapverdië

21

274.423

Macedonië

13

170.082

Marokko

640

10.632.810

Montenegro

39

635.045

Nieuw-Zeeland

37

469.074

Panama

2

37.874

Paraguay

1

16.017

Servië

16

330.505

Suriname

307

5.335.560

Thailand

120

2.304.172

Tunesië

39

670.655

Turkije

2.814

48.416.440

Uruguay

1

27.534

Verenigde Staten van Amerika

106

1.641.726

Zuid-Afrika

23

393.380

Niet verdragslanden

59

1.073.253

Algerije

1

4.309

Andorra

1

40.921

Bolivia

1

8.968

Brazilië

28

549.342

China

2

40.509

Costa Rica

5

89.021

Frans Guyana

3

51.041

Gambia

4

84.783

Ghana

2

33.330

Maleisië

1

8.060

Mexico

2

38.839

Pakistan

1

6.334

Rusland

1

2.753

Sri Lanka

2

50.888

Tanzania

1

6.245

Turkmenistan

1

1.764

Uganda

1

10.003

Onbekend

2

46.145

Totaal

11.306

182.820.143

Tabel: Export uitkeringen WAZ, 2020
 

Aantal personen in jaar

Uitgekeerd bedrag

EU

280

3.082.220

België

75

894.730

Bulgarije

1

16.180

Cyprus

1

6.375

Denemarken

7

39.010

Duitsland

75

764.695

Finland

2

2.805

Frankrijk

24

283.808

Griekenland

2

23.740

Hongarije

6

53.982

Ierland

3

42.276

Italië

7

91.204

Kroatië

1

-1.399

Luxemburg

1

16.180

Malta

2

27.130

Oostenrijk

8

76.435

Polen

2

26.120

Portugal

12

133.747

Roemenië

1

4.961

Slowakije

1

6.040

Spanje

35

409.626

Tsjechië

2

20.711

Verenigd Koninkrijk

6

70.855

Zweden

6

73.007

     

EER (en Zwitserland)

8

52.153

Noorwegen

2

16.675

Zwitserland

6

35.479

     

Koninkrijk der Nederlanden buiten

   

Europa en Caribisch Nederland

11

125.591

Aruba

3

43.566

Bonaire, Sint Eustatius en Saba

2

13.592

Curaçao

6

68.432

Verdragslanden

87

1.006.683

Australië

9

37.668

Canada

5

42.636

Ecuador

1

7.551

Egypte

5

50.224

Filipijnen

1

1.158

Indonesië

2

21.738

Israël

3

38.401

Marokko

8

108.637

Suriname

4

39.722

Thailand

10

139.908

Tunesië

1

16.180

Turkije

30

391.821

Uruguay

1

16.180

Verenigde Staten van Amerika

6

88.817

Zuid-Afrika

1

6.040

Totaal

386

4.266.646

Tabel: Export uitkeringen Wajong, 2020
 

Aantal personen in jaar

Uitgekeerd bedrag

EU

173

2.324.507

België

45

627.454

Denemarken

2

31.764

Duitsland

41

556.759

Finland

1

15.001

Frankrijk

18

216.323

Hongarije

4

50.188

Ierland

1

15.001

Italië

7

94.839

Kroatië

1

15.102

Oostenrijk

3

31.178

Polen

1

7.895

Portugal

8

107.392

Spanje

25

352.785

Verenigd Koninkrijk

10

129.648

Zweden

6

73.177

EER (en Zwitserland)

3

25.256

Noorwegen

1

4.630

Zwitserland

2

20.626

     

Koninkrijk der Nederlanden buiten

   

Europa en Caribisch Nederland

18

255.157

Aruba

6

78.598

Bonaire, St Eustatius en Saba

1

15.001

Curaçao

10

150.337

Sint Maarten

1

11.221

     

Overig

121

1.735.754

Australië

8

94.072

Bosnië en Herzegovina

1

15.001

Canada

2

15.074

Colombia

1

13.761

Dominicaanse Republiek

1

15.001

Filipijnen

1

15.001

Indonesië

3

43.864

Irak

1

15.001

Israël

3

37.177

Marokko

9

140.793

Nieuw-Zeeland

1

15.001

Pakistan

1

15.001

Paraguay

1

15.001

Servië

3

44.798

Suriname

13

176.114

Thailand

5

67.657

Turkije

63

937.262

Verenigde Arabische Emiraten

1

16.247

Verenigde Staten van Amerika

2

28.927

Zuid-Afrika

1

15.001

Totaal

315

4.340.674

Tabel: Export uitkeringen IVA (WIA), 2020
 

Aantal personen in jaar

Uitgekeerd bedrag

EU

5.480

71.059.487

België

1.120

21.511.229

Bulgarije

18

391.216

Denemarken

23

300.789

Duitsland

2.654

23.669.698

Estland

1

39.624

Finland

19

192.806

Frankrijk

114

2.585.308

Griekenland

36

593.180

Hongarije

105

2.202.844

Ierland

17

350.690

Italië

44

770.976

Kroatië

16

270.935

Letland

2

11.561

Litouwen

5

82.272

Luxemburg

13

182.160

Malta

4

84.461

Oostenrijk

76

730.788

Polen

543

4.963.250

Portugal

115

1.640.174

Roemenië

11

182.623

Slovenië

3

65.226

Slowakije

20

234.162

Spanje

380

7.421.275

Tsjechië

31

440.305

Verenigd Koninkrijk

51

1.129.928

Zweden

59

1.012.007

     

EER (en Zwitserland)

113

1.841.709

IJsland

2

15.079

Noorwegen

64

1.157.601

Zwitserland

47

669.029

     

Koninkrijk der Nederlanden buiten

   

Europa en Caribisch Nederland

100

2.088.132

Aruba

10

178.443

Bonaire, Sint Eustatius en Saba

20

475.481

Curaçao

68

1.391.393

Sint Maarten

2

42.815

     

Verdragslanden

1.283

28.113.702

Australië

39

532.120

Bosnië en Herzegovina

58

1.278.648

Canada

9

123.339

Chili

2

42.669

Ecuador

2

58.241

Egypte

7

126.818

Filipijnen

17

493.196

India

2

25.638

Indonesië

11

279.918

Israël

4

103.712

Japan

2

49.667

Jordanië

3

91.116

Kaapverdië

9

176.790

Macedonië

6

53.775

Marokko

69

1.532.227

Montenegro

9

171.680

Nieuw-Zeeland

2

67.605

Servië

3

79.182

Suriname

73

1.695.099

Thailand

38

884.779

Tunesië

10

154.080

Turkije

877

19.325.133

Uruguay

1

17.144

Verenigde Staten van Amerika

22

546.732

Zuid-Afrika

7

186.407

Zuid-Korea

1

17.986

     

Niet verdragslanden

4

54.693

Brazilië

1

11.126

Costa Rica

1

28.193

Frans Guyana

1

12.063

Uganda

1

3.312

Totaal

6.980

103.157.723

Tabel: Export uitkeringen WGA (WIA), 2020
 

Aantal personen in jaar

Uitgekeerd bedrag

EU

5.556

61.871.486

België

1.166

16.420.298

Bulgarije

39

533.909

Cyprus

3

27.245

Denemarken

21

294.911

Duitsland

2.352

20.578.767

Finland

12

56.903

Frankrijk

138

1.997.240

Griekenland

32

481.627

Hongarije

90

1.203.423

Ierland

25

326.760

Italië

42

685.530

Kroatië

22

336.934

Letland

5

46.740

Litouwen

8

59.035

Luxemburg

9

79.287

Malta

4

91.390

Oostenrijk

76

932.184

Polen

735

6.120.535

Portugal

117

1.470.086

Roemenië

23

380.818

Slovenië

4

46.734

Slowakije

40

302.312

Spanje

391

6.457.870

Tsjechië

47

509.814

Verenigd Koninkrijk

82

1.229.459

Zweden

73

1.201.671

     

EER (en Zwitserland)

135

1.806.367

Liechtenstein

1

7.231

Noorwegen

88

1.186.419

Zwitserland

46

612.717

     

Koninkrijk der Nederlanden buiten

   

Europa en Caribisch Nederland

132

1.838.269

Aruba

10

183.106

Bonaire, St Eustatius en Saba

25

313.774

Curaçao

90

1.213.256

Sint Maarten

7

128.133

     

Verdragslanden

1.533

25.121.065

Argentinië

2

22.099

Australië

21

235.301

Bosnië en Herzegovina

69

1.401.399

Canada

22

362.201

Chili

3

64.933

Egypte

6

70.217

Filipijnen

12

293.417

India

4

38.260

Indonesië

16

247.687

Israël

8

135.425

Japan

2

34.642

Jordanië

1

37.702

Kaapverdië

5

95.534

Macedonië

10

199.577

Marokko

96

1.505.554

Montenegro

19

280.954

Nieuw-Zeeland

4

56.067

Panama

1

5.103

Servië

0

12.612

Suriname

106

1.575.907

Thailand

23

317.850

Tunesië

13

208.511

Turkije

1.042

17.474.048

Verenigde Staten van Amerika

39

327.796

Zuid-Afrika

8

89.295

Zuid-Korea

1

28.973

Niet verdragslanden

8

84.045

China

1

5.034

Frans Guyana

1

12.821

Georgië

1

211

Puerto Rico

1

33.432

Somalië

1

233

Taiwan

1

4.676

Vietnam

1

1.411

onbekend

1

26.227

Totaal

7.364

90.721.231

Tabel: Export uitkeringen ZW, 2020
 

Aantal personen in jaar

Uitgekeerd bedrag

EU

4.902

27.342.009

België

985

6.792.074

Bulgarije

22

109.700

Denemarken

1

6.871

Duitsland

2.012

9.645.649

Estland

1

40.220

Frankrijk

14

111.308

Griekenland

4

8.370

Hongarije

31

163.523

Ierland

8

33.094

Italië

17

108.260

Kroatië

2

10.697

Letland

13

6.321

Litouwen

27

63.441

Luxemburg

1

972

Oostenrijk

3

23.293

Polen

1.515

8.765.567

Portugal

17

88.208

Roemenië

82

303.508

Slovenië

1

15.546

Slowakije

49

285.523

Spanje

45

305.791

Tsjechië

22

60.183

Verenigd Koninkrijk

18

207.207

Zweden

12

186.683

     

EER (en Zwitserland)

7

58.793

IJsland

1

300

Noorwegen

2

30.797

Zwitserland

4

27.696

     

Koninkrijk der Nederlanden buiten

   

Europa en Caribisch Nederland

14

46.549

Aruba

2

5.328

Bonaire, Sint Eustatius en Saba

3

16.419

Curaçao

7

24.191

Sint Maarten

2

611

     

Verdragslanden

37

239.742

Argentinië

0

0

Australië

2

38.817

Bosnië-Herzegovina

1

315

Hong Kong

1

3.353

India

1

2.969

Israël

1

463

Japan

1

913

Macedonië

2

6.625

Marokko

2

18.315

Servië

1

1.041

Suriname

2

17.813

Thailand

1

570

Turkije

20

144.990

Verenigde Staten van Amerika

2

3.559

     

Niet verdragslanden

9

41.367

Brazilië

1

5.465

Congo

1

5.914

Dominicaanse Republiek

1

2.339

Kenia

1

13.883

Mali

1

5.157

Mexico

1

2.088

Peru

1

768

Wit-Rusland

1

5.440

Onbekend

1

313

Totaal

4.969

27.728.461

Tabel: Export uitkeringen WAZO, 2020
 

Aantal personen in jaar

Uitgekeerd bedrag

EU

2.053

13.427.039

België

830

6.343.191

Bulgarije

4

20.230

Denemarken

2

7.510

Duitsland

772

4.731.844

Estland

2

5.381

Finland

1

6.633

Frankrijk

16

100.410

Griekenland

4

50.132

Hongarije

2

13.206

Ierland

3

14.176

Italië

5

42.330

Letland

3

12.521

Litouwen

6

25.817

Luxemburg

4

28.313

Polen

336

1.607.031

Portugal

4

31.434

Roemenië

18

84.355

Slowakije

9

56.201

Spanje

18

154.594

Tsjechië

2

19.454

Verenigd Koninkrijk

10

59.953

Zweden

2

12.325

     

EER (en Zwitserland)

6

51.420

Zwitserland

6

51.420

     

Koninkrijk der Nederlanden buiten

   

Europa en Caribisch Nederland

9

67.920

Aruba

3

25.053

Curaçao

5

39.375

Onbekend

1

3.492

     

Verdragslanden

14

105.044

Chili

1

2.836

Nieuw-Zeeland

1

18.037

Servië

1

7.725

Suriname

2

2.213

Turkije

5

25.496

Verenigde Staten van Amerika

4

48.737

     

Niet verdragslanden

5

51.651

Algerije

1

17.542

China

1

6.674

Moldavië

1

6.996

Singapore

1

14.093

Onbekend

1

6.346

Totaal

2.087

13.703.075

Tabel: Export uitkeringen TW, 2020
 

Aantal personen in jaar

Uitgekeerd bedrag

EU

271

325.735

België

52

55.013

Bulgarije

5

5.021

Denemarken

1

284

Duitsland

71

117.281

Frankrijk

8

8.734

Griekenland

3

816

Hongarije

7

5.356

Italië

4

2.696

Kroatië

8

33.524

Letland

1

1.226

Oostenrijk

3

5.138

Polen

50

27.598

Portugal

9

6.970

Roemenië

1

84

Slowakije

1

191

Spanje

35

52.859

Tsjechië

3

625

Verenigd Koninkrijk

6

1.034

Zweden

3

1.285

     

EER (en Zwitserland)

3

2.825

Zwitserland

3

2.825

     

Koninkrijk der Nederlanden buiten

   

Europa en Caribisch Nederland

5

10.207

Bonaire, Sint Eustatius en Saba

1

101

Curaçao

4

10.106

     

Verdragslanden

558

2.577.432

Bosnië en Herzegovina

17

54.781

Canada

2

9.741

Ecuador

1

6.977

Filipijnen

1

57

Israël

1

3.923

Kaapverdië

6

57.494

Marokko

280

1.235.952

Montenegro

5

14.411

Servië

2

15.414

Tunesië

6

26.875

Turkije

228

1.121.344

Verenigde Staten van Amerika

9

30.465

     

Niet verdragslanden

5

5.922

Chili

0

1.384

Egypte

1

97

India

1

3.400

Macedonië

1

452

Suriname

2

589

Totaal

842

2.922.122

De volksverzekeringen AOW, Anw en AKW worden uitgevoerd door de SVB. In 2020 is er door de SVB in totaal aan 374.507 personen een uitkering geëxporteerd voor een bedrag van € 1.56 miljard.

Tabel: Export AKW, 2020

Woonland

Aantal

Jaarbedrag x € 1.000

Koninkrijk der Nederlanden buiten Europa en Caribisch Nederland

   

Aruba

170

157

Curaçao

513

429

St. Maarten

50

44

Totaal

733

630

     

Europese Unie

   

België

7.041

7.673

Bulgarije

622

695

Cyprus

9

10

Denemarken

36

39

Duitsland

6.919

7.412

Estland

54

37

Finland

10

11

Frankrijk

408

430

Griekenland

133

153

Hongarije

266

285

Ierland

53

58

Italië

260

286

Kroatië

58

63

Letland

133

139

Litouwen

224

211

Luxemburg

13

13

Malta

11

7

Oostenrijk

61

66

Polen

9.836

10.888

Portugal

403

437

Roemenië

2.010

2.252

Slovenië

21

22

Slowakije

587

652

Spanje

930

1.047

Tsjechië

177

198

Zweden

96

102

Totaal EU

30.368

33.188

     

EER-Landen

   

IJsland

1

0

Liechtenstein

2

2

Noorwegen

51

54

Totaal EER

53

56

     

Andere Verdragslanden

   

Argentinië

9

8

Australie

93

103

Bosnië-Herzegovina

45

50

Canada

78

90

Chili

3

3

Egypte

25

21

India

23

20

Indonesië

153

170

Israël

24

27

Japan

24

28

Kaapverdië

122

139

Macedonië

3

2

Marokko

1.954

1.981

Nieuw-Zeeland

24

26

Servië

102

116

Suriname

231

263

Thailand

15

11

Tunesie

63

72

Turkije

79

83

V.S. van Amerika

806

884

Zuid-Afrika

58

64

Zwitserland

90

97

Overige vd

44

46

Totaal vd

4.064

4.304

     

Niet-verdragslanden

   

Andorra

0

0

Brazilië

12

12

China

41

32

Groot-Brittannië

503

526

Singapore

17

16

Tanzania

5

3

Venezuela

0

0

Overige ov

302

259

Totaal ov

879

848

Totaal generaal

36.097

39.026

Tabel: Export Anw, 2020

Woonland

Aantal

Jaarbedrag x € 1.000

Koninkrijk der Nederlanden buiten Europa en Caribisch Nederland

   

Aruba

3

24

Curaçao

29

295

St. Maarten

0

0

Totaal

32

319

     

Europese Unie

   

België

303

2.638

Bulgarije

3

51

Cyprus

1

11

Denemarken

2

16

Duitsland

380

2.101

Estland

0

0

Finland

0

6

Frankrijk

23

310

Griekenland

12

141

Hongarije

27

246

Ierland

8

81

Italië

33

266

Kroatië

8

53

Letland

5

36

Litouwen

2

4

Luxemburg

3

16

Malta

0

0

Oostenrijk

16

107

Polen

312

2.268

Portugal

37

386

Roemenië

7

66

Slovenië

1

10

Slowakije

15

109

Spanje

133

1.395

Tsjechië

17

139

Zweden

7

48

Totaal EU

1.355

10.502

     

EER-Landen

   

IJsland

1

17

Liechtenstein

0

0

Noorwegen

6

57

Totaal EER

7

74

     

Andere Verdragslanden

   

Argentinië

2

19

Australië

4

57

Bosnië-Herzegovina

8

106

Canada

7

67

Chili

3

34

Egypte

13

198

India

1

7

Indonesië

20

284

Israël

2

25

Japan

1

10

Kaapverdië

17

165

Macedonië

4

60

Marokko

714

10.355

Nieuw-Zeeland

5

68

Servië

11

152

Suriname

51

783

Thailand

14

172

Tunesië

15

261

Turkije

390

5.938

V.S. van Amerika

14

176

Zuid-Afrika

0

0

Zwitserland

10

69

Overige vd

39

491

Totaal vd

1.345

19.496

     

Niet Verdragslanden

   

Andorra

0

0

Brazilië

9

110

China

2

10

Groot-Brittannië

84

880

Singapore

0

0

Tanzania

1

7

Venezuela

1

6

Overige ov

7

64

Totaal ov

104

1.077

Totaal generaal

2.843

31.468

Tabel: AOW 2020

Woonland

Aantal

Jaarbedrag x € 1.000

Koninkrijk der Nederlanden buiten Europa en Caribisch Nederland

   

Aruba

2.374

10.980

Curaçao

5.303

24.097

St. Maarten

292

1.335

Totaal

7.969

36.413

     

Europese Unie

   

België

64.760

276.308

Bulgarije

195

1.578

Cyprus

171

1.128

Denemarken

1.012

3.899

Duitsland

47.830

184.070

Estland

24

193

Finland

435

1.520

Frankrijk

14.399

104.074

Griekenland

2.109

10.933

Hongarije

1.142

10.223

Ierland

1.128

5.786

Italië

7.021

25.500

Kroatië

2.041

7.257

Letland

14

113

Litouwen

43

300

Luxemburg

773

4.000

Malta

213

1.688

Oostenrijk

2.495

11.209

Polen

2.048

7.419

Portugal

5.698

36.116

Roemenië

198

1.731

Slovenië

202

877

Slowakije

99

549

Spanje

42.881

172.703

Tsjechië

486

3.347

Zweden

2.421

9.690

Totaal EU

199.838

882.211

     

EER-Landen

   

IJsland

17

87

Liechtenstein

16

61

Noorwegen

1.508

5.008

Totaal EER

1.541

5.156

     

Andere Verdragslanden

   

Argentinië

174

1.132

Australië

12.351

41.860

Bosnië-Herzegovina

1.232

4.632

Canada

13.547

46.447

Chili

346

1.960

Egypte

99

694

India

200

1.200

Indonesië

1.431

12.114

Israël

1.609

7.014

Japan

2.188

3.468

Kaapverdië

1.097

4.849

Macedonië

457

1.414

Marokko

12.606

73.618

Nieuw-Zeeland

4.655

17.951

Servië

1.778

8.122

Suriname

4.663

27.483

Thailand

1.662

18.880

Tunesië

617

3.093

Turkije

22.772

119.630

V.S. van Amerika

15.221

53.553

Zuid-Afrika

2.686

11.615

Zwitserland

5.536

21.579

Overige vd

3.092

20.347

Totaal vd

110.019

502.653

     

Niet Verdragslanden

   

Andorra

61

405

Brazilië

723

4.711

China

349

891

Groot-Brittannië

12.352

40.049

Singapore

232

1323

Tanzania

36

292

Venezuela

60

323

Overige ov

2.387

15.689

Totaal ov

16.200

63.684

Totaal generaal

335.567

1.490.117

Vraag 109

Hoeveel fraude met export-WW is er in de afgelopen vijf jaar geconstateerd? Hoeveel is daarvan ingevorderd en hoeveel moet nog worden ingevorderd?

Antwoord 109

Cijfers over overtreding van de inlichtingenplicht en de medewerkingsverplichting publiceert UWV elk jaar in de Kwantitatieve Bijlage.38 Overtredingen worden per wet en naar aard van de overtreding weergegeven. Overtredingen met betrekking tot export maken daar onderdeel van uit, maar worden niet afzonderlijk gepubliceerd.

Overigens heeft UWV in 2019 een dossieronderzoek uitgevoerd naar handhavingsacties die verband houden met de export WW. Voor dit onderzoek heeft UWV over de periode september tot en met december 2018 handmatig alle dossiers doorgenomen waarin een maatregel is opgelegd of een uitkering gedeeltelijk of volledig is beëindigd. Uitkomst was dat in circa 13% van alle 1885 exportgevallen in de onderzochte periode een maatregel is opgelegd of de uitkering gedeeltelijk of volledig is beëindigd. Een volledig overzicht is te vinden in de brief van 14 oktober 2019 met betrekking tot de Aanpak bevorderen rechtmatig gebruik export WW (Kamerstuk 21 501-31, nr. 540). Benadrukt moet worden dat het ging om maatregelen en gehele of gedeeltelijke beëindigingen van de uitkering en niet om aangetroffen fraude.

Vraag 110

Hoeveel uitkeringen zijn er in de afgelopen vijf jaar stopgezet naar aanleiding van bewuste fraude?

Antwoord 110

Hoeveel uitkeringen naar aanleiding van een overtreding van de inlichtingenplicht worden stopgezet wordt niet specifiek geregistreerd. Wel valt het stopzetten van de uitkering vaak samen met de sanctionering van een overtreding van de inlichtingenplicht. De term bewuste fraude wordt niet gebruikt in de registratie van overtredingen in de sociale zekerheid. Wel wordt bijgehouden welke mate van verwijtbaarheid bij de overtreding van de inlichtingenplicht hoort. Zie hiervoor de tabel bij vraag 100.

Vraag 111

Hoeveel miljard euro aan sociale zekerheid (uitgesplist naar uitkering en sociale regeling) is er volgens het huidige demissionaire kabinet in totaal uitgegeven aan sociale zekerheid aan immigranten (westers en niet-westers) in de afgelopen 10 jaar?

Antwoord 111

Zie het antwoord op vraag 93.

Vraag 112

Klopt het dat er in de begroting geen rekening gehouden wordt met een eventuele hervorming van het kinderopvangtoeslagenstelsel? Kunt u dit antwoord onderbouwen?

Antwoord 112

De begroting bevat het budgettaire beeld bij staand beleid, inclusief de voorgenomen beleidswijzigingen die het huidige kabinet in de begroting aankondigt. In de begroting is geen rekening gehouden met een eventuele hervorming van het kinderopvangtoeslagenstelsel. Het is aan een volgend kabinet om hier keuzes in te maken en, afhankelijk van gemaakte keuzes, hiervoor middelen te reserveren.

Vraag 113

Waarom loopt het syntheseonderzoek Pilots Veranderopgave Inburgering tot 2023, terwijl de evaluaties van de pilots inmiddels zijn afgerond en het doel van de pilots is dat gemeenten voor de invoering van de nieuwe inburgeringswet gebruik kunnen maken van de bevindingen?

Antwoord 113

Het syntheseonderzoek Pilots Veranderopgave Inburgering wordt verwacht eind 2021. Per abuis is in de begroting het jaartal 2023 in plaats van 2021 opgenomen.

Vraag 114

Constaterende dat het inburgeringsaanbod van Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) overgeheveld wordt naar gemeenten, wat zijn de financiële en economische kosten van deze overheveling? Worden gemeenten daarvoor gecompenseerd? Hoe wordt deze overstap gefaciliteerd, specifiek in termen van kennisoverdracht?

Antwoord 114

In het huidige inburgeringsstelsel zijn inburgeraars zelf verantwoordelijk voor de inkoop van hun inburgeringsaanbod. Dit inburgeringsaanbod omvat onder andere de taalcursus en de onderdelen Oriëntatie op de Nederlandse Arbeidsmarkt (ONA) en het Participatieverklaringstraject (PVT). Inburgeraars kunnen hiervoor, onder voorwaarden, geld lenen bij DUO. DUO verzorgt dus niet het inburgeringsaanbod, maar faciliteert enkel via de lening.

Met de invoering van de Wet inburgering 2021 worden gemeenten verantwoordelijk voor het inburgeringsaanbod. Voor asielstatushouders betreft dit de taalcursus, de Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) en het Participatieverklaringstraject (PVT). Voor gezinsmigranten en overige migranten betreft dit enkel de MAP en het PVT. Gezinsmigranten blijven zelf verantwoordelijk voor de inkoop van hun taalcursus. In april 2020 heb ik bestuurlijke afspraken gemaakt met de VNG over het budget voor de uitvoering van de Wet inburgering 2021. Dit omvat zowel budget voor de inkoop van het inburgeringsaanbod als budget voor uitvoeringskosten. Drie jaar na de inwerkingtreding van de Wet inburgering 2021 vindt een evaluatie naar de betaalbaarheid van het stelsel plaats. De kosten van het inburgeringsaanbod door gemeenten zijn ook onderdeel van deze evaluatie.

Om gemeenten voor te bereiden op hun regierol heb ik in samenwerking met VNG en Divosa een ondersteuningsprogramma ontwikkeld. Dit doen wij onder andere door het maken van handreikingen, het organiseren van kennisbijeenkomsten en de inzet van 35 regiocoördinatoren. Verder draagt het pilotprogramma Veranderopgave Inburgering bij aan het voorbereiden van gemeenten. De ervaringen die gemeenten in de pilots op hebben gedaan, worden met andere gemeenten gedeeld.

Vraag 115

Bij de overheveling van het inburgeringsaanbod van DUO naar gemeenten horen ook lessen Nederlands, wie bepaalt op welke manier dit wordt ingericht? Zal er ondersteuning zijn voor gemeenten om informatie te verspreiden onder haar burgers? Welke voorzieningen zijn er om ervoor te zorgen dat informatie beschikbaar is in de taal van de migrant, zodat zij zich kunnen aanmelden voor het inburgeringstraject?

Antwoord 115

In het huidige inburgeringsstelsel zijn inburgeraars zelf verantwoordelijk voor de inkoop van hun inburgeringsaanbod. Inburgeraars kunnen hiervoor, onder voorwaarden, geld lenen bij DUO. DUO verzorgt dus niet het inburgeringsaanbod.

Met de invoering van de Wet inburgering 2021 worden gemeenten verantwoordelijk voor het inburgeringsaanbod. Voor asielstatushouders betreft dit de taalcursus, de Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) en het Participatieverklaringstraject (PVT). Voor gezinsmigranten en overige migranten betreft dit enkel de MAP en het PVT. Asielstatushouders zijn derhalve niet meer verantwoordelijk voor de inkoop van hun taalcursus, gezinsmigranten wel. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de begeleiding van beide groepen gedurende hun inburgeringstraject. De inhoud van de lessen wordt door de aanbieders verzorgd en is erop gericht om voor te bereiden op de examens.

Om gemeenten voor te bereiden op hun regierol, waaronder ook de advisering van gezinsmigranten bij de aankoop van hun taalcursus valt, heb ik in samenwerking met VNG en Divosa een ondersteuningsprogramma ontwikkeld. Dit doen wij onder andere door het maken van handreikingen, het organiseren van kennisbijeenkomsten en de inzet van 35 regiocoördinatoren. Ondersteunen bij de communicatie met de inburgeraar valt ook binnen dit ondersteuningsaanbod. Hiertoe heeft de VNG op haar forum ruimte gecreëerd voor het delen van goede voorbeelden en wordt door Divosa een animatievideo ontwikkeld die in 9 verschillende talen beschikbaar zal komen. De ondersteuningsbehoefte van gemeenten wordt continu gemonitord en waar nieuwe behoeften ontstaan, wordt daarop ingespeeld.

Vraag 116

Welk contact is er geweest met de eilanden rondom de overwegingen voor het stopzetten van de subsidieregelingen voor Caribisch Nederland?

Antwoord 116

Via de uitvoering, die in handen is van RCN-unit SZW, is er een goed beeld van de situatie op de eilanden en van nut en noodzaak van de steunmaatregelen. In aanvulling op dit beeld is de afbouw van de maatregelen onderwerp van gesprek geweest met vertegenwoordigers van uiteenlopende betrokken partijen (vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en van de lokale overheid).

Vraag 117

Hoe is de jeugdwerkloosheid wanneer deze verdeeld wordt aan de hand van afstudeer-/opleidingsrichting? Welke sectoren zijn niet in staat voldoende werkgelegenheid te verschaffen aan jongeren? Is er, vanuit dit kader, sprake van sectorspecifieke aanpakken van jeugdwerkloosheid?

Antwoord 117

De SEO-monitor (SEO, De impact van de coronapandemie op de overgang van het onderwijs naar de arbeidsmarkt 2021) laat zien dat het erop lijkt dat opleidingsrichtingen die voorafgaand aan de pandemie al relatief lage baankansen boden over het algemeen harder worden getroffen. Er zijn ook opleidingsrichtingen waar de al relatief goede baankansen nog verder stijgen, bijvoorbeeld de mbo-4 opleidingen tot verpleegkundige. Daarnaast is een aantal opleidingen in coronagevoelige sectoren relatief hard geraakt, met een daling van baankansen als gevolg. Dit geldt bijvoorbeeld voor horeca-gerelateerde opleidingen. Door de heropening van deze specifieke sectoren zijn ook de baankansen van deze groep jongeren naar verwachting weer toegenomen.

Het besluit om al dan niet een sectorspecifieke aanpak in te richten is aan de regio. De centrumgemeenten hebben middelen ontvangen om een eigen regionale aanpak vorm te geven met de relevante partijen in de regio, zoals scholen, gemeenten, UWV en SBB. De partijen kunnen, wanneer zij daar aanleiding toe zien, ervoor kiezen om hun aanpak te richten op specifieke sectoren.

Daarnaast hebben scholen middelen ontvangen om studenten te stimuleren door te leren in vervolgonderwijs in een meer kansrijke richting, wanneer de gevolgde opleiding onvoldoende baankansen biedt. Wanneer doorleren niet mogelijk is, begeleiden gemeenten de kwetsbare schoolverlaters naar werk, eventueel in combinatie met bij- en omscholing ter verbetering van de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt. Daarbij kunnen gemeenten onder andere gebruik maken van het budget voor praktijkleren in het mbo, waarbij werken gecombineerd wordt met het doen van een deel van een mbo-opleiding.

Vraag 118

Wat zijn de gevolgen van het verhogen van het minimumloon met 10% voor de koopkracht, de arbeidsparticipatie, het aantal bijstandsuitkeringen, afname van het aantal mensen onder de armoedegrens, de schatkist en voor werkgevers? Hoeveel bedrijven zullen in de problemen komen bij een dergelijke verhoging en in welke sector(en)? Wat zijn de financiële en economische gevolgen wanneer de bijstandsuitkering meestijgt met deze verhoging van het minimumloon?

Antwoord 118

Onder de huidige wet- en regelgeving werkt een verhoging van het wettelijk minimumloon (WML) door in diverse andere regelingen, zoals sociale minimumuitkeringen, het maximumdagloon bij loondervingsuitkeringen, de arbeidskorting en inkomensgrenzen in diverse toeslagen. Bij het inkomenseffect en het effect op de loonkosten van werkgevers hieronder is verondersteld dat het WML stijgt met gevolgen voor de hoogten van sociale minimumuitkeringen, en de inkomensgrenzen in de toeslagen. Van doorwerking op het maximumdagloon en de grenzen in de arbeidskorting is geabstraheerd.

Het budgettair effect van een verhoging van het wettelijk minimumloon (WML) met 10% met behoud van koppeling aan de sociale zekerheid onder bovengenoemde aannames is € 5,1 miljard. structureel. Hierbij stijgen de daglonen van het zittende bestand in de WIA, ZW en WW dus niet mee. Dit betreft een keuze en vereist wetswijzigingen. Reden voor deze keuze is dat anders uitkeringen (ver) boven WML ook meestijgen. Het budgettaire effect betreft een ex-ante effect en houdt geen rekening met de stijging van loonheffing als gevolg van hogere uitkeringen. Dit effect ligt rond de € 0,9 miljard bij een WML verhoging van 10%.

Een WML verhoging met 10% drukt de werkgelegenheid naar verwachting met 0,5%39. Hier zit het effect van een stijgend bijstandsniveau in verwerkt met budgettaire gevolgen van tussen de € 0,6 en € 0,8 miljard. Dit is onderdeel van bovengenoemde € 5,1 miljard. Het effect op het aantal bijstandsuitkeringen is niet bekend.

Een WML verhoging met 10% met koppeling van sociale zekerheid leidt tot een positief, mediaan statisch inkomenseffect voor alle huishoudens van 1,1%. Het mediane inkomenseffect voor de laagste inkomensgroep is +4,3%, voor uitkeringsgerechtigden is dit +3,9%.

Zonder koppeling aan de sociale zekerheid bedraagt het ex-ante budgettair effect € 0,4 miljard en is het negatieve werkgelegenheidseffect 0,1%40.

Het CPB41 schat het effect op het aantal mensen onder de armoedegrens van een gekoppelde WML-verhoging met 5% in op –4,8%. Bij een hogere WML-verhoging neemt het aantal personen onder de armoedegrens sterker af. Hierbij is het CPB enkel uitgegaan van het effect via de uitkeringen, niet van het armoedereducerend effect van de hogere lonen.

Bij een WML-verhoging met 10% stijgen de loonkosten voor werkgevers met circa € 3,5 miljard. De invloed die dit heeft op de loonkosten van een werkgever hangt af van het aantal werknemers van wie het loon stijgt als gevolg van de WML-verhoging. Het is niet bekend of dit financiële problemen oplevert voor bedrijven en zo ja, bij welke.

Vraag 119

Wat zijn de gevolgen van het verhogen van het getrapt verhogen (jaarlijks met ca. een euro) van het minimumloon richting 14 euro per uur (in lijn met het voornemen vanuit Brussel) voor de koopkracht, de arbeidsparticipatie, het aantal bijstandsuitkeringen, afname van het aantal mensen onder de armoedegrens, de schatkist en voor werkgevers? Hoeveel bedrijven zullen in de problemen komen bij een dergelijke verhoging en in welke sector(en)? Wat zijn de financiële en economische gevolgen wanneer de bijstandsuitkering meestijgt met deze verhoging van het minimumloon?

Antwoord 119

Onder de huidige wet- en regelgeving werkt een verhoging van het wettelijk minimumloon (WML) door in diverse andere regelingen, zoals sociale minimumuitkeringen, het maximumdagloon bij loondervingsuitkeringen, de AOW-franchise, de arbeidskorting en inkomensgrenzen in diverse toeslagen. Bij het inkomenseffect en het effect op de loonkosten van werkgevers is verondersteld dat het WML stijgt met gevolgen voor de hoogten van sociale minimumuitkeringen, de AOW-franchise en de inkomensgrenzen in de toeslagen. Van doorwerking op het maximumdagloon en de grenzen in de arbeidskorting is geabstraheerd, omdat dit leidt tot inkomenseffecten tot hoger in de loonverdeling dan door het CPB redelijk wordt geacht. Daarnaast zou het stijgen van de inkomensgrenzen in de arbeidskorting leiden tot herverdeling van lage naar hogere inkomens. De veronderstellingen bij het maximumdagloon en de arbeidskorting zouden wetswijzigingen vergen.

Het wettelijk minimumloon (WML) is een maandbedrag dat per 1 januari en 1 juli van een jaar wordt vastgesteld. Per 1 juli 2021 bedroeg het bruto-WML voor personen van 21 jaar en ouder € 1.701,00. Afhankelijk van de lengte van de fulltime werkweek die in de cao geldt komt dit neer op een uurloon tussen € 9,82 (36-urige werkweek) tot € 10,91 (40-urige werkweek). Het introduceren van een wettelijk minimumuurloon van € 14 per uur komt daarmee uit op een verhoging tot circa 40%. Onderstaande effecten gaan uit van een verhoging ineens, een getrapte verhoging met een euro per jaar bovenop de reguliere halfjaarlijkse indexatie bereikt dezelfde verhoging naar verwachting in vier jaar.

Bij een verhoging van het WML zijn er keuzes te maken over de wenselijkheid van de automatische doorwerking, in bijvoorbeeld uitkeringen en toeslagen. Volgens het CPB42, dat uitgaat van de volledige automatische doorwerking, is het ex-ante budgettair effect van een verhoging van het wettelijk minimumloon (WML) met 40% met behoud van koppeling aan de sociale zekerheid € 24,7 miljard. Dit betreft echter wel een raming uit 2020. Dit drukt de werkgelegenheid met 3,5%. Hier zit het effect van een stijgend bijstandsniveau in verwerkt met budgettaire gevolgen van tussen de € 2,5 miljard en € 3 miljard, het is echter niet duidelijk tot hoeveel extra bijstandsuitkeringen dit leidt. Dit leidt tot een positief, mediaan inkomenseffect voor alle huishoudens van 9,1%. Het mediane inkomenseffect voor de laagste inkomensgroep is +17,8%, voor uitkeringsgerechtigden is dit +16,0%.

Zonder koppeling aan de sociale zekerheid bedraagt het ex-ante budgettair effect € 1,6 miljard en is het negatieve werkgelegenheidseffect 2,0%.

Het CPB43 schat het effect op het aantal mensen onder de armoedegrens van een gekoppelde WML-verhoging met 5% in op 4,8%. Bij een hogere WML-verhoging neemt het aantal personen onder de armoedegrens sterker af. Hierbij is het CPB enkel uitgegaan van het effect via de uitkeringen, niet van het armoedereducerend effect van de hogere lonen.

Bij een WML-verhoging met 40% stijgen de loonkosten voor werkgevers met circa € 41,3 miljard. Dit komt overeen met een stijging met circa 10% van de totale loonkosten en is het gevolg van de omvang van de WML-stijging en het feit dat deze volgens het CPB44 verder doorwerkt in het loongebouw dan een beperktere WML-stijging. De invloed die dit heeft op de loonkosten van een werkgever hangt af van het aantal werknemers van wie het loon stijgt als gevolg van de WML-verhoging. Het is niet bekend of dit financiële problemen oplevert voor bedrijven en zo ja, bij welke.

Vraag 120

Wat zijn de gevolgen van het afschaffen van het minimumjeugdloon (of: het gelijktrekken van het minimumjeugdloon met het minimumloon) voor de koopkracht, de arbeidsparticipatie, het aantal bijstandsuitkeringen, afname van het aantal jongeren onder de armoedegrens, jeugdwerkloosheid en de schatkist en voor werkgevers? Hoeveel bedrijven zullen in de problemen komen bij een dergelijke verhoging en in welke sector(en)?

Antwoord 120

Volgens het CPB45 is het ex-ante budgettair effect van het afschaffen van het wettelijk minimumjeugdloon € 0,4 miljard. Het effect op de werkgelegenheid is nihil en er is geen sprake van een effect op de bijstandshoogte. Het is niet duidelijk of een hoger minimumjeugdloon leidt tot extra bijstandsuitkeringen. Het is niet bekend van welk effect op het aantal mensen onder de armoedegrens sprake is.

Door het afschaffen van het wettelijk minimumjeugdloon stijgen de loonkosten voor werkgevers. Doordat ontvangers van het wettelijk minimumjeugdloon onvoldoende vertegenwoordigd zijn in de inkomensstatistieken is het niet bekend welk inkomenseffect het afschaffen van het wettelijk minimumjeugdloon heeft en met hoeveel de loonkosten van werkgevers toenemen.

Vraag 121

Hoeveel arbeidsmigranten van binnen en buiten de Europese Unie (EU) zijn er in de afgelopen vijf jaar Nederland toegelaten?

Antwoord 121

Er bestaat voor EU-arbeidsmigranten geen toelatingsbeleid. Burgers van de EU/EER-landen en Zwitserland hebben op grond van het vrij verkeer van personen en diensten het recht om vrij in Nederland te verblijven, te werken en diensten te verrichten.

Het CBS houdt in de migrantenmonitor bij hoeveel EU-burgers naar Nederland afreizen, al dan niet voor arbeid. In de onderstaande tabel is de ontwikkeling van het aantal personen met een baan uit de EU-lidstaten (op 31 december van ieder jaar) uitgesplitst naar Midden- en Oost-Europa (EU 11) en de Europese Unie (EU 27) opgenomen. De data is beschikbaar tot eind 2018 (CBS).

Jaar

EU-11

EU-27

2010

158.910

346.830

2011

176.860

368.150

2012

186.820

373.840

2013

196.770

382.090

2014

207.530

398.250

2015

221.990

409.560

2016

258.720

454.880

2017

299.900

508.600

2018

349.000

(3,9% van de werkende beroepsbevolking)

573.600

(6,4% van de werkende beroepsbevolking)

Dit zijn dezelfde cijfers als die vorig jaar in reactie op een vraag naar aanleiding van de begroting zijn aangeleverd. De nieuwe migrantenmonitor van het CBS met cijfers over 2019 wordt namelijk pas aan het eind van dit jaar gepubliceerd. Vanaf 2022 worden de cijfers van de migrantenmonitor meegenomen in de Staat van Migratie (bron: Staat van Migratie 2021).

Bovenstaande cijfers omvatten niet alle werknemers die naar Nederland gedetacheerd worden vanuit een andere EU-lidstaat. In de migrantenmonitor wordt namelijk uitgegaan van de polisadministratie waarin slechts een deel van de gedetacheerden is opgenomen46. Uitspraken over de omvang van het aantal gedetacheerden zijn op basis van de migrantenmonitor dus niet te doen.

Sinds 1 maart 2020 moeten buitenlandse dienstverrichters hun komst, de aard en duur van de werkzaamheden die zij in Nederland verrichten, de dienstontvanger en de gedetacheerde werknemers melden in het online meldloket. De cijfers van het meldloket bieden een globaal beeld van de aard en omvang van detachering naar Nederland in 2020 (zie ook Staat van Migratie 2021). Het totale aantal gemelde werknemers van februari 2020 tot en met december 2020 betreft 315.230. Daarvan hadden 94.417 werknemers een nationaliteit van buiten de EU, EER of Zwitserland en 220.813 een EU-nationaliteit. Dit geeft echter een ietwat vertekend beeld voor wat betreft de verhouding tussen werknemers van binnen en buiten de EU. Binnen deze aantallen zitten namelijk ook veel meldingen die terugslaan op de sector internationaal wegtransport. Het betreft dan relatief veel vrachtwagenchauffeurs van buiten de EU, EER of Zwitserland die voor korte (soms slechts enkele uren) of langere tijd in Nederland rijden. Het totaal aantal gemelde werknemers in de sector internationaal wegtransport bedroeg circa 264.000 in 2020, waarvan 181.000 EU-onderdanen en 83.000 derdelanders. Van de gemelde werknemers in andere sectoren (meer dan 50.000) was driekwart EU-onderdaan en een kwart derdelander.

Zoals ook in de Staat van Migratie aangegeven bieden deze cijfers een globaal beeld van de aard en omvang van detachering naar Nederland in 2020. Omdat de meldingsplicht en het meldsysteem nog nieuw zijn, moeten de cijfers die beschikbaar zijn met de nodige voorzichtigheid worden bezien. Vermoedelijk is nog sprake van ondermelding. Ook is van belang om op te merken dat het om gegevens gaat die de dienstverrichters en dienstontvangers zelf hebben verstrekt. Door middel van intensieve voorlichting voor dienstverleners en dienstontvangers, een laagdrempelig meldsysteem en de mogelijkheid om een bestuurlijke boete op te leggen bij overtreders, wordt bevorderd dat ondernemingen de meldplicht nakomen. Ook is de coronapandemie waarschijnlijk van invloed geweest op het aantal meldingen. De komende tijd wordt verder gewerkt aan de verbetering van de kwaliteit van de gegevens.

Voor arbeidsmigranten van buiten de EU (derdelanders) is de toegang wel in nationale wet- en regelgeving vastgelegd. In de onderstaande tabel is de ontwikkeling van het aantal verleende tewerkstellingsvergunningen (twv) en positieve adviezen voor gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) voor arbeidsmigranten van buiten de EU opgenomen (afgerond op tientallen) (bron: UWV, rapportage UWV uitvoering Wav).

Jaar

buiten EU

2010

13.760

2011

11.970

2012

10.590

2013

8.780

2014

7.200

2015

6.950

2016

7.680

2017

8.900

2018

10.060

2019

13.260

2020

9.225

Onderstaande tabel geeft het aantal ingewilligde aanvragen weer op grond van de nationale kennismigrantenregeling, de Europese Blauwe kaart en voor «overplaatsing binnen een onderneming» (ICT)47, inclusief de ingewilligde aanvragen «wijziging beperking»48 naar deze verblijfsdoelen. De aantallen zijn afgerond op tientallen (bron: IND en Staat van Migratie 2021 voor de cijfers van 2020).

Jaar

Kennismigranten

Europese blauwe kaart

ICT

Totaal

2010

7.010

7.010

2011

7.720

<10

7.720

2012

7.500

<10

7.500

2013

8.360

<10

8.370

2014

8.480

20

8.500

2015

9.600

40

9.640

2016

11.060

70

80

11.220

2017

9.410

90

4.510

14.010

2018

11.980

120

4.820

16.920

2019

13.730

190

4.700

18.620

2020

6.380

150

2.150

8.680

Vraag 122

Hoeveel arbeidsmigranten die in de afgelopen vijf jaar Nederland zijn toegelaten maken gebruik van de sociale zekerheid (uitgesplitst naar uitkering/regeling)?

Antwoord 122

UWV, de SVB en gemeenten voeren geen aparte registraties van arbeidsmigranten. Er zijn daarom geen gegevens beschikbaar op landelijk niveau over het gebruik van uitkeringen door arbeidsmigranten. Algemene informatie kan alleen worden gegeven door data van de uitvoeringsinstanties en het CBS met elkaar te koppelen. Dit gebeurt in de Migrantenmonitor van het CBS. De Migrantenmonitor geeft inzicht in het aantal migranten (NB. niet specifiek arbeidsmigranten) uit andere EU-lidstaten dat in Nederland woont of werkt en geeft ook cijfers over het beroep op sociale zekerheid.49

Overigens hebben arbeidsmigranten die in de afgelopen vijf jaar zijn toegelaten meestal geen recht op een uitkering op grond van de Participatiewet of de BBZ (bijstandsregelingen die uit de algemene middelen worden gefinancierd). Bij een verblijf onder de vijf jaar is namelijk in principe geen sprake van een «duurzaam verblijf». Bij een niet-duurzaam verblijf heeft een beroep op de bijstand meestal gevolgen voor het verblijfsrecht. Als het verblijfsrecht wordt beëindigd is er daarmee ook geen recht op bijstand.50 De IND beoordeelt het verblijfsrecht individueel (Bron: https://ind.nl/Paginas/Algemene-Middelen.aspx).

Vraag 123

Hoeveel arbeidsmigranten werken er in Nederland en wat is hun aandeel in de beroepsbevolking? Hoe hebben deze cijfers zich ontwikkeld sinds 2010? Kunt u hierbij een uitsplitsing maken tussen arbeidsmigranten vanuit de EU en van buiten de EU?

Antwoord 123

Zie het antwoord op vraag 121.

Vraag 124

Wat is het gemiddelde inkomen van arbeidsmigranten die in Nederland werken? Kunt u hierbij een uitsplitsing maken tussen arbeidsmigranten vanuit de EU en van buiten de EU?

Antwoord 124

Er zijn beperkt kwantitatieve gegevens beschikbaar. Het gemiddelde bruto maandloon (inclusief overwerk) van in Nederland werkzame burgers uit landen die al langer deel uitmaken van de EU (EU-14 exclusief Nederland) was in 2019 € 3.259. Voor in Nederland werkzame burgers uit de overige EU-lidstaten die vanaf 2004 zijn toegetreden tot de EU bedroeg dit € 1.868 (bron: CBS, Statline, geraadpleegd op 25-10-2021). De cijfers over 2020 zijn nog niet beschikbaar.

Voor arbeidsmigranten van buiten de EU zijn er ook maar beperkt kwantitatieve gegevens beschikbaar. Het gemiddelde bruto maandloon (inclusief overwerk) van in Nederland werkzame derdelanders was in 2019 € 2.636 (bron: CBS, Statline, geraadpleegd op 25-10-2021). De cijfers over 2020 zijn nog niet beschikbaar.

Vraag 125

Voor hoeveel geld worden uitkeringen (WW, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), Wajong, bijstand, etc.) geëxporteerd naar het buitenland? Welke landen staan in de top-10 qua export van uitkeringen en voor hoeveel geld worden jaarlijks uitkeringen naar die landen geëxporteerd?

Antwoord 125

Bij de uitvoering van de socialezekerheidsregelingen zijn diverse instanties betrokken. Daarom wordt bij de beantwoording van deze vraag een splitsing gemaakt in de uitkeringen die UWV en de SVB exporteren.

UWV is betrokken bij de uitvoering van de werknemersverzekeringen zoals de WW, WIA, ZW en WAZO, maar ook voor de uitkering van sociale voorzieningen zoals Wajong en TW. Het totale uitgekeerde bedrag aan exportuitkeringen door UWV is in 2020 € 439 miljoen. Hieronder staat een tabel opgenomen van landen waar naar absolute aantallen de meeste uitkeringen door UWV naar worden geëxporteerd in 2020. Deze cijfers zijn gebaseerd op de export van de uitkeringen WAO, WAZ, Wajong, WIA (IVA/WGA), ZW, WAZO, WW en TW. In de tabel staat ook opgenomen voor welk bedrag aan uitkeringen naar het desbetreffend land is geëxporteerd.

Top 10 landen aantal export uitkeringen UWV 2020
 

Land

Aantal geëxporteerde uitkeringen

Totaal bedrag geëxporteerde uitkeringen (x € 1.000)

1

Duitsland

9.632

82.252

2

België

6.414

85.347

3

Polen

5.748

29.786

4

Turkije

5.079

87.836

5

Spanje

1.899

31.177

6

Marokko

1.104

15.174

7

Frankrijk

772

12.242

8

Portugal

529

7.248

9

Suriname

509

8.843

10

Verenigd Koninkrijk

420

6.201

Uit de hierboven opgenomen tabel volgt dat het aantal geëxporteerde uitkeringen naar een ander land niet per se samenhangt met het totaal bedrag geëxporteerde uitkeringen per land. Dat komt door de duur en de hoogte van de desbetreffende uitkeringen. Naar Turkije, België en Duitsland wordt het grootste bedrag aan uitkeringen geëxporteerd.

De volksverzekeringen AOW, Anw en AKW worden uitgevoerd door de SVB. Het totale uitgekeerde bedrag aan exportuitkeringen door SVB is in 2020 € 1.56 miljard. Hieronder staat een tabel opgenomen van landen waar naar absolute aantallen de meeste uitkeringen naar worden geëxporteerd in 2020. Deze cijfers zijn gebaseerd op de export van AOW, Anw en AKW.

Top 10 landen aantal export uitkeringen SVB 2020
 

Land

Aantal geëxporteerde uitkeringen

Totaal bedrag geëxporteerde uitkeringen (x € 1.000)

1

België

72.104

286.619

2

Duitsland

55.192

193.583

3

Spanje

43.944

175.146

4

Turkije

23.241

125.651

5

V.S.

16.041

54.612

6

Marokko

15.274

85.954

7

Frankrijk

14.830

104.814

8

Canada

13.632

46.604

9

Verenigd Koninkrijk

12.939

41.455

10

Australië

12.448

42.020

Ook hier geldt dat het aantal geëxporteerde uitkeringen naar een ander land niet per se samenhangt met het totaal bedrag geëxporteerde uitkeringen per land. Naar België, Duitsland en Spanje wordt het grootste bedrag aan uitkeringen geëxporteerd.

Daarbovenop exporteert de SVB ook de remigratiewet, WKB, WKO en Bijstand Buitenland. In 2020 was dit voor een bedrag van € 47 miljoen. Deze cijfers zijn niet meegenomen in bovenstaande tabel omdat de remigratiewet bij uitstek een uitkering is die naar personen in het buitenland wordt overgemaakt. De WKB en WKO zijn toeslagen. De Bijstand Buitenland werd in 2020 naar 114 gerechtigden in 18 landen overgemaakt.

Vraag 126

Wat is de verwachting van de trend rond het aantal toegekende tewerkstellingsvergunningen na de implementatie van het nieuwe wetsvoorstel?

Antwoord 126

Deze wetswijziging van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) beoogt de flexibiliteit van de wetgeving te vergroten, zodat meebewogen kan worden met ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Door in de wet op te nemen dat een tewerkstellingsvergunning voortaan voor een langere periode dan één jaar kan worden verleend, is de verwachting dat de wet op dit punt als minder beperkend wordt ervaren en vaker toegepast zal worden, maar er wordt niet verwacht dat deze wijziging zal leiden tot een substantiële toename van arbeidsmigranten. De toets of er prioriteitgenietend aanbod aanwezig is in Nederland blijft namelijk onveranderd van toepassing. De behoefte van de arbeidsmarkt zal per functie variëren en is ook afhankelijk van economische ontwikkelingen, die zich moeilijk laten voorspellen.

Vraag 127

Met welk bedrag stijgen de kosten (loon en premies) voor werkgevers in totaal, als de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) met 5% en met 10% wordt verhoogd, ontkoppeld van uitkeringen?

Antwoord 127

Onder de huidige wet- en regelgeving werkt een verhoging van het wettelijk minimumloon (WML) door in diverse andere regelingen, zoals sociale minimumuitkeringen, het maximumdagloon bij loondervingsuitkeringen, de AOW-franchise, de arbeidskorting en inkomensgrenzen in diverse toeslagen. Bij het inkomenseffect en het effect op de loonkosten van werkgevers is verondersteld dat het WML stijgt met gevolgen voor de hoogten van sociale minimumuitkeringen, de AOW-franchise en de inkomensgrenzen in de toeslagen. Van doorwerking op het maximumdagloon en de grenzen in de arbeidskorting is geabstraheerd, omdat dit leidt tot inkomenseffecten tot hoger in de loonverdeling dan door het CPB redelijk wordt geacht. Daarnaast zou het stijgen van de inkomensgrenzen in de arbeidskorting leiden tot herverdeling van lage naar hogere inkomens. De veronderstellingen bij het maximumdagloon en de arbeidskorting zouden wetswijzigingen vergen.

Het verhogen van het WML met 5% zonder koppeling aan sociale minimumuitkeringen verhoogt de loonkosten met circa € 0,9 miljard. Een niet-gekoppelde WML-verhoging met 10% verhoogt de loonkosten met circa € 3,4 miljard.

Vraag 128

Klopt het dat het Stimulering ArbeidsmarktPositie (STAP)-budget een leeftijdsgrens bevat, namelijk de AOW-leeftijd, zodat het voor mensen boven de AOW-leeftijd veel duurder wordt om te studeren?

Antwoord 128

Met het STAP-budget wordt beoogd om de eigen ontwikkeling en duurzame inzetbaarheid van de beroepsbevolking te versterken door post-initiële scholing te stimuleren en toegankelijk te maken. Mensen die niet tot de doelgroep van 18 jaar tot AOW-leeftijd behoren, kunnen geen aanspraak maken op deze publieke financiële ondersteuning.

Vraag 129

Wat houdt «een maatschappelijke beweging stimuleren» concreet in, wie wordt hiermee aangesproken?

Antwoord 129

Het meerjarig investeringsprogramma duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen (MIP) is een programma dat een maatschappelijke beweging wil stimuleren door bedrijven en organisaties aan te zetten tot de juiste maatregelen op het gebied van duurzame inzetbaarheid (DI) en leven lang ontwikkelen (LLO). Hoewel er al veel aanbod is van kennis uit wetenschap en praktijk, blijft toepassing van die kennis in bedrijven achter. Met een subsidieregeling worden bedrijven gestimuleerd sneller, vaker en beter kennis op het gebied van DI en LLO te laten toepassen. Daarnaast worden communicatieactiviteiten ingezet om DI en LLO onder de aandacht te brengen en bewustwording van het belang hiervan te vergroten.

Vraag 130

Wat zouden op dit moment de kosten zijn van het lage-inkomensvoordeel (LIV) bij invoering van een wettelijk minimumuurloon op basis van de gewogen gemiddelde arbeidsduur?

Antwoord 130

Invoering van een wettelijk minimumuurloon vergt een wetswijziging. Gezien de standaarddoorlooptijd van een wetswijziging is de vroegst mogelijke invoeringsdatum 1 januari 2024. In uw Kamer ligt een voorstel om het lage-inkomensvoordeel (LIV) per 2024 om te vormen naar een loonkostenvoordeel voor (potentieel) kwetsbare jongeren (Kamerstuk 34 352, nr. 224). Voor het LIV zou dit dan dus geen gevolgen meer hebben. De gevolgen voor het nieuwe loonkostenvoordeel zijn afhankelijk van de definitieve afweging van het nieuwe kabinet over de toekomstige vormgeving van dit instrument.

Indien het LIV na 1 januari 2024 in zijn huidige vorm zou blijven bestaan, hetgeen gezien de beperktere effectiviteit van het instrument niet aan te bevelen is, hangen de budgettaire gevolgen af van de hoogte van de uurloongrenzen van het LIV. Momenteel bestaat er recht op het LIV als een werkgever een werknemer in dienst heeft met een gemiddeld uurloon van minimaal 100% en maximaal 125% van het wettelijk minimumloon. Deze uurloongrenzen worden vastgesteld op basis van een normale arbeidsduur (NAD) van 40 uur. Bij invoering van een minimumuurloon op basis van de gewogen gemiddelde arbeidsduur van 37,3 uur, kunnen de uurloongrenzen van het LIV budgetneutraal worden aangepast. Dit houdt feitelijk in dat het percentage van de maximale uurloongrens wordt verlaagd. Als de uurloongrenzen van het LIV niet worden aangepast, zouden de uitgaven aan het LIV structureel toenemen met circa € 175 miljoen.

Vraag 131

Wat is op dit moment de gewogen gemiddelde arbeidsduur in sectoren waar de collectieve arbeidsovereenkomst (cao) een minimumloonschaal kent?

Antwoord 131

Voor de beantwoording is gebruik gemaakt van het onderzoek naar het laagste schaalbedrag in 783 cao’s uit juli 2020. Deze cao’s zijn van toepassing op 5.546.800 werknemers.

In 387 cao’s, van toepassing op 4.450.600 werknemers, is een Wml-schaal in het loongebouw opgenomen. Van 13 cao’s ontbreken de gegevens over de arbeidsduur. In de overige 374 cao’s, van toepassing op 4.419.400 werknemers, bedraagt de gewogen gemiddelde arbeidsduur per week 37,3 uur.

Uitgesplitst naar sector:

 

markt

37,9 uur

overheid

37,4 uur

zorg

36,0 uur

Uitgesplitst naar economische sector:

 

landbouw

38,0 uur

industrie

37,5 uur

bouwnijverheid

37,9 uur

handel/horeca

37,9 uur

vervoer/communicatie

37,1 uur

zakelijke diensten

38,4 uur

overige diensten

36,7 uur

Vraag 132

Hoeveel werknemers worden ontslagen na twee jaar ziekte?

Antwoord 132

UWV meldt dat er in 2020 3.333 aanvragen voor een ontslagvergunning wegens langdurige arbeidsongeschiktheid zijn ontvangen. In 2021 zijn er tot en met september 2.047 aanvragen ontvangen. Van al deze ontvangen aanvragen, zijn er 4.002 daadwerkelijk inhoudelijk behandeld. De voornaamste reden waarom aanvragen niet inhoudelijk zijn behandeld, is vanwege het intrekken van de aanvraag door de indiener. Van de inhoudelijk behandelde aanvragen wordt in 96% van de gevallen de aanvraag gehonoreerd. Hierbij moet worden opgemerkt dat de cijfers geen volledig beeld schetsen van het aantal werknemers dat na twee jaar ziekte wordt ontslagen. Voor slechts een beperkt deel van de gevallen vraagt de werkgever een ontslagvergunning bij UWV aan. Dit komt omdat het grootste deel (89%) van de dienstbetrekkingen met wederzijds goedvinden wordt beëindigd (bron SEO Economisch onderzoek, Evaluatie Wet werk en zekerheid (Wwz) samenvattende rapportage, Amsterdam juni 2020, p.16).

Vraag 133

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de compensatie voor de transitievergoeding na twee jaar ziekte? Hoeveel aanvragen zijn er met terugwerkende kracht ingediend en om welke bedragen gaat het?

Antwoord 133

De compensatieregeling transitievergoeding in verband met langdurige arbeidsongeschiktheid is op 1 april 2020 in werking getreden. Sindsdien zijn er 101.123 aanvragen ingediend (stand datum 30-09-2021). Hiervan zijn 85.568 aanvragen toegewezen en 12.396 afgewezen. Per saldo zijn er ultimo september 3.159 nog af te handelen aanvragen.

De regeling kent de mogelijkheid om ook voor terugwerkende kracht compensatie aan te vragen. Het gaat om gevallen waarbij tussen 1 juli 2015 en 1 april 2020 een transitievergoeding is betaald na een ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid van de werknemer. Werkgevers hadden daarvoor van 1 april 2020 tot 1 oktober 2020 de tijd. Voor deze «oude gevallen» heeft UWV een beslistermijn van zes maanden. Deze langere beslistermijn geldt ook in geval het opzegverbod is verstreken voor 1 april 2020 en de formele beëindiging en betaling van de vergoeding pas na 1 april 2020 plaatsvindt.

Het aantal aanvragen met terugwerkende kracht bedraagt tot nu toe 75.822 (stand datum 30-09-2021) waarvan 65.401 aanvragen zijn toegekend en 10.101 zijn afgewezen. Per saldo zijn er ultimo september 310 nog af te handelen aanvragen. De gemiddelde hoogte per gecompenseerde transitievergoeding komt over de eerste 9 maanden van 2021 uit op circa € 19 duizend.

Vraag 134

Is er in het kader van Nederland leert door zicht op het aanbod van modulaire opleidingen in de tekortsectoren en tekortberoepen? Is er voldoende aanbod beschikbaar? Wat doet het kabinet om aan te sporen opleidingsaanbod te helpen vergroten?

Antwoord 134

Binnen de Tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van scholing worden scholingsactiviteiten kosteloos beschikbaar gesteld voor iedereen met een band met de Nederlandse arbeidsmarkt. Onder het aanbod bevinden zich ook scholingsactiviteiten gericht op tekortsectoren. Zo bestaat 28% van het huidige aanbod uit scholingsactiviteiten gericht op Industrie, installatie en Techniek en 11% is gericht op Digitale vaardigheden. Vorig jaar stond de regeling open voor de 1e en 2e ronde en vanwege de populariteit van de regeling hebben veel scholingsactiviteiten uit deze rondes op dit moment al het maximumaantal deelnemers bereikt. Van 1 t/m 8 september jl. stond de regeling open voor nieuwe aanvragen voor een totaalbedrag van € 30 miljoen. Begin volgend jaar zal het nieuwe scholingsaanbod beschikbaar worden gesteld via hoewerktnederland.nl en via de opleider. Naar alle waarschijnlijkheid gaat het dan om ongeveer 50.000 tot 80.000 nieuwe scholingstrajecten.

Vraag 135

Kunt u toelichten of er buiten corona andere redenen zijn waarom het werkloosheidspercentage onder jongeren van 15 tot 25 jaar is toegenomen?

Antwoord 135

De coronacrisis heeft jongeren hard geraakt. Zij waren kwetsbaarder omdat ze relatief vaak op flexibele contracten werken en oververtegenwoordigd waren/zijn in sectoren die hard geraakt zijn door de coronacrisis. De cijfers en recente publicaties laten dit ook zien (SCP 2021, een jaar met corona; CPB 2020: Crisis op de arbeidsmarkt: wie zitten in de gevarenzone?). De werkloosheid liep vooral bij de groep jongeren tussen de 15–25 snel op (van 6,3% in maart 2020, naar 11,3% in augustus 2020). Inmiddels is de werkloosheid onder jongeren weer fors gedaald tot 7,3%, en komt daarmee weer steeds dichterbij het niveau van voor corona. De grotere kwetsbaarheid van jongeren in combinatie met het relatief snelle herstel na de crisis, is een bekend patroon in de (internationale) crisisliteratuur. Er zijn het kabinet geen indicaties bekend die wijzen op andere oorzaken van de tijdelijke toename in werkloosheid onder jongeren tijdens de coronacrisis.

Vraag 136

Kunt u bij de kerncijfers arbeidsmarkt de volgende percentages toevoegen:

  • Aantal langdurig openstaande vacatures;

  • Onbenut arbeidspotentieel;

  • Arbeidsparticipatie percentage;

  • Arbeidsparticipatie per arbeidsmarktregio?

Antwoord 136

Naar aanleiding van een vraag bij de begroting voor 2021 over het toevoegen van arbeidsmarktindicatoren aan de begroting zijn de verschillende opties op een rij gezet. Daarbij is een balans gezocht tussen bondigheid en volledigheid. Naar aanleiding daarvan is dit jaar de indicator voor niet-beroepsbevolking (inactieven) aan de kerncijfers toegevoegd. De passage kerncijfers arbeidsmarkt in combinatie met een aantal cijfers op andere plekken in de begroting geeft op hoofdlijnen een goed beeld van de arbeidsmarkt.

De in de vraag genoemde andere mogelijke indicatoren zijn om verschillende redenen niet in de kerncijfers opgenomen. Arbeidsparticipatie in procenten staat reeds opgenomen in artikel 7 kinderopvang. Het aantal langdurig openstaande vacatures is een indicator die lastig te interpreteren is. Vacatures kunnen lang openstaan vanwege verschillende redenen. Het geeft wel een indicatie van de krapte op de arbeidsmarkt, maar de krapte valt ook af te leiden uit de opgenomen indicatoren stijgende arbeidsparticipatie en een dalend werkloosheidscijfer. Het onbenut arbeidspotentieel is een ingewikkelde indicator samengesteld uit meerdere onderliggende indicatoren. Van die onderliggende indicatoren worden het aantal werklozen en de aan de kerncijfers toegevoegde indicator voor niet-beroepsbevolking (inactieven) in de begroting vermeld. Een regionale uitsplitsing van (kern)cijfers op de arbeidsmarkt vergt (te) veel ruimte. UWV publiceert maandelijks regiocijfers over WW-uitkeringen51 en het CBS komt met cijfers over arbeidsparticipatie per provincie52.

Overigens publiceren UWV en het CBS periodiek rapporten over arbeidsmarktcijfers. SZW informeert de Kamer ook in specifieke gevallen over de stand van de arbeidsmarkt, de afgelopen anderhalf jaar bijvoorbeeld in de monitoringsbrief van de steun- en herstelpakketten.

Vraag 137

Wat was de werkloosheid onder jongeren (tot 25 jaar) en onder oudere werknemers (vanaf 55 jaar) tussen 2010 en 2021?

Antwoord 137

In onderstaande tabel vindt u de werkloosheidspercentages voor jonge medewerkers (tot 25 jaar) en oudere medewerkers (vanaf 55 jaar):

 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Leeftijd

%

%

%

%

%

%

%

%

%

%

%

15 tot 25 jaar

11,1

10

11,7

13,2

12,7

11,3

10,8

8,9

7,2

6,7

9,1

55 tot 65 jaar

4,4

4,7

5,3

6,8

7,7

8,1

7,2

5,5

4,5

3,2

2,7

65 tot 75 jaar

2,5

3,2

3,8

4,8

5,7

5,5

4,4

4,4

4,2

3,9

2,6

Bron: CBS, Statline, geraadpleegd op 29-10-2021.

Vraag 138

Wat is de reden dat het ziekteverzuim ondanks de lockdown toch is gestegen?

Antwoord 138

De afgelopen circa vijf jaren is er een stijging te zien geweest in het ziekteverzuim: 4,0% in 2017, 4,3% in 2018, 4,4% in 2019 en 4,75% in zowel 2020 als de eerste twee kwartalen van 2021. Deze cijfers tonen aan dat het ziekteverzuim sinds de covid-maatregelen begin 2020 juist stabiel is gebleven. De stijgende trend uit eerdere jaren heeft zich vooralsnog niet voortgezet tijdens de corona-pandemie. Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 28-10-2021.

Vraag 139

Hoeveel tewerkstellingsvergunningen (twv) zijn verstrekt, voor welke duur zijn deze versterkt, hoe vaak betreft dit werknemers waar kort daarvoor ook al een twv is verstrekt en uit welke landen kwamen deze werknemers?

Antwoord 139

Onderstaande tabel geeft het aantal twv’s en adviezen gecombineerde vergunning verblijf en arbeid (gvva) die zijn afgegeven weer en voor welke duur deze zijn verstrekt. Gegevens over of kort voor afgifte eerder een twv is verstrekt zijn niet beschikbaar (bron: UWV, rapportage UWV uitvoering Wav).

 

2018

2019

2020

2021 (januari t/m april)

<3mnd

3.310

3.668

1.621

295

3–12mnd

4.484

4.509

5.032

1.493

12mnd

15

1.413

127

2