Kamerstuk 35915-14

Gewijzigd amendement van het lid Kat c.s. ter vervanging van nr. 10 over het verruimen van de grond voor toelating tot de Wsnp

Dossier: Wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen

Gepubliceerd: 8 juni 2022
Indiener(s): Hülya Kat (D66), Don Ceder (CU), Senna Maatoug (GL)
Onderwerpen: burgerlijk recht organisatie en beleid recht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35915-14.html
ID: 35915-14
Origineel: 35915-10
Wijzigingen: 35915-17

Nr. 14 GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN HET LID KAT C.S. TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 10

Ontvangen 8 juni 2022

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de onderdeelsaanduiding B geplaats en in de tekst vervalt «van de Faillissementswet».

2. Voor onderdeel B (nieuw) worden een aanhef en een onderdeel ingevoegd, luidende:

De Faillissementswet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 285, eerste lid, onder f wordt «een buitengerechtelijke schuldregeling» vervangen door «een oplossing voor de schulden».

Toelichting

Dit amendement voorziet in het aanpassen van artikel 285, lid 1 sub f, de grond wordt gewijzigd op basis waarvan een verzoekschrift tot toelating tot de wettelijke schuldsanering natuurlijke personen kan worden gemotiveerd. Het doel hiervan is om de drempel tot toetreding tot de WSNP te verlagen. Het aantal toelatingen tot de WSNP vertoont al jaren een dalende trend. Veel schuldenaren kunnen niet voldoen aan de toelatingseisen van de WSNP. In 2018 werd slechts 57% van de ingediende verzoeken toegewezen. Dit terwijl de WSNP een doeltreffend instrument is om schuldenaren schuldenvrij te maken. In 93% van de gevallen wordt het WSNP-traject succesvol afgerond. De Tweede Kamer heeft in verschillende moties gevraagd om de aansluiting tussen het minnelijke en het wettelijke traject beter te organiseren.1 Dit amendement draagt daar aan bij.

In de huidige wet staat de vereiste dat een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen moet worden opgesteld als onderdeel van het verzoekschrift. In de praktijk betekent dit dat gemeenten eerst een poging tot een minnelijk traject moeten doen alvorens zij over kunnen gaan tot begeleiding richting een WSNP traject.2 Dit wordt ook als zodanig beschreven in het rapport «Hindernisbaan zonder finish» van de Nationale ombudsman. Hierdoor duurt het in sommige gevallen onnodig lang voordat schuldenaren schuldenvrij kunnen worden.

De indieners beogen met dit amendement ruimte te creëren voor gemeenten om sneller over te gaan tot het begeleiden richting een WSNP-traject. De vereiste dat een poging gedaan moet zijn tot het komen tot een buitengerechtelijke schuldregeling wordt breder geformuleerd als de eis dat dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke oplossing te komen voor de schulden. Het kan immers zo zijn dat er al andere oplossingen zijn geprobeerd dan een schuldregeling of dat een buitengerechtelijke schuldregeling om andere redenen onbereikbaar is.

De indieners willen gemeenten hiermee de ruimte geven om maatwerk te kunnen toepassen. Wel zien de indieners in hoofdzaak twee situaties waarbij dit het geval kan zijn. Enerzijds wanneer een schuldenaar al langere tijd gebruik heeft gemaakt van een andere vorm van schuldhulpverlening zoals budgetbeheer of onder schuldenbewind heeft gestaan. In deze gevallen is de stabilisatiefase van schuldhulpverlening vaak al doorlopen. Het kan dan in het belang van zowel schuldenaar als schuldeiser zijn dat er niet eerst nog een poging tot een minnelijk traject doorlopen hoeft te worden. Anderzijds is in sommige gevallen op voorhand vast te stellen dat een WSNP-traject de voorkeur verdient boven een poging tot een minnelijke oplossing. Bijvoorbeeld omdat bij voorbaat duidelijk is dat een minnelijke schuldregeling weinig tot geen kans van slagen heeft. Dit amendement geeft gemeenten meer mogelijkheden om hier maatwerk toe te passen.

Ook verschaft het rechters een expliciete grond op basis waarvan zij een verzoekschrift tot toelating kunnen goedkeuren zonder dat een verzoeker eerst een (mislukte) poging tot een minnelijk traject heeft hoeven doorlopen. Dit is in lijn de oproep van de Nationale ombudsman dat de WSNP-rechter altijd de ruimte moet krijgen om maatwerk te leveren en rekening te houden met de omstandigheden en de belangen van de verzoeker.3 Uiteraard zal ook bij een beroep op deze grond moeten worden gemotiveerd waarom toelating tot de WSNP gerechtvaardigd is. Dit kan opgenomen worden in de modelverklaring artikel 285 Fw.

Kat Ceder Maatoug