Kamerstuk 35830-XV-1

Jaarverslag Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2020

Dossier: Jaarverslag en slotwet Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2020

Gepubliceerd: 19 mei 2021
Indiener(s): Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35830-XV-1.html
ID: 35830-XV-1

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Ontvangen 19 mei 2021

Vergaderjaar 2020–2021

GEREALISEERDE UITGAVEN EN ONTVANGSTEN

Figuur 1 Gerealiseerde begrotingsgefinancierde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln). Totaal € 59.902.405.000,-

Figuur 2 Gerealiseerde begrotingsgefinancierde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln). Totaal € 1.802.827.000,-

Figuur 3 Gerealiseerde premiegefinancierde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln). Totaal € 62.399.223.000,-

Figuur 4 Gerealiseerde premiegefinancierde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln). Totaal € 226.961.000,-

A. ALGEMEEN

1 1. Aanbieding van het jaarverslag en verzoek tot dechargeverlening

AAN de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik het departementale jaarverslag van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) over het jaar 2020 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 2.37 en 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid decharge te verlenen over het in het jaar 2020 gevoerde financiële beheer.

Voor de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening stelt de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 7.14 van de Comptabiliteitswet 2016 een rapport op. Dit rapport wordt op grond van artikel 7.15 van de Comptabiliteitswet 2016 door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Algemene Rekenkamer over:

  • het gevoerde begrotingsbeheer, financieel beheer, materiële bedrijfsvoering en de daartoe bijgehouden administraties van het Rijk;

  • de centrale administratie van de schatkist van het Rijk van het Ministerie van Financiën;

  • de financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;

  • de totstandkoming van de niet-financiele verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;

  • de financiële verantwoordingsinformatie in het Financieel jaarverslag van het Rijk.

Bij het besluit tot dechargeverlening worden verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken betrokken:

  • het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2020;

  • het voorstel van de slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • het rapport van de Algemene Rekenkamer over het onderzoek van de centrale administratie van de schatkist van het Rijk en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer over de in het Financieel jaarverslag van het Rijk, over 2020 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten over 2020, alsmede over de saldibalans over 2020 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 7.14, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,W. Koolmees

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 2.40, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

2. Leeswijzer

2.1 Opbouw jaarverslag

Het jaarverslag van SZW bestaat uit vijf onderdelen: algemeen, beleidsverslag, jaarrekening, departementspecifieke informatie en bijlagen.

Algemeen

Het onderdeel algemeen omvat:

  • 1. het verzoek tot dechargeverlening;

  • 2. deze leeswijzer.

Beleidsverslag

Het beleidsverslag is opgebouwd uit vier onderdelen.

  • 3. De paragraaf beleidsprioriteiten bevat een uiteenzetting op hoofdlijnen van de bereikte resultaten.

  • 4. De beleidsartikelen verantwoorden meer in detail in hoeverre de doelstellingen van SZW zijn behaald. Tevens is hier de toelichting te vinden op opmerkelijke verschillen tussen de financiële realisatie en de vastgestelde begroting.

  • 5. De niet-beleidsartikelen verantwoorden de financiële afwikkeling van de apparaatsuitgaven kerndepartement, de algemene uitgaven die niet aan de beleidsartikelen zijn toe te rekenen, en de onvoorziene uitgaven en loon- en prijsbijstellingen.

  • 6. De bedrijfsvoeringsparagraaf geeft informatie over de bedrijfsvoering.

Jaarrekening

De jaarrekening is opgebouwd uit drie onderdelen:

  • 7. de verantwoordingsstaat van het Ministerie van SZW;

  • 8. de saldibalans, met de bij dit onderdeel behorende financiële toelichting;

  • 9. de paragraaf WNT-verantwoording.

Departementspecifieke informatie

De departementspecifieke informatie gaat over de sociale fondsen SZW en over de gerealiseerde koopkrachtontwikkeling.

Bijlagen

De bijlagen betreffen de ingevolge de Rijksbegrotingsvoorschriften (RBV) verplichte bijlagen:

  • Toezichtsrelaties rechtspersonen met een wettelijke taak en zelfstandige bestuursorganen;

  • Afgerond evaluatie- en overig onderzoek;

  • Inhuur externen;

  • Focusonderwerp 2020, naleving CW 3.1;

  • Verantwoording EU-middelen in gedeeld beheer.

Daarnaast is een lijst van afkortingen opgenomen.

2.2 Specifieke aandachtspunten

Begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde regelingen

In de begrotingen en de jaarverslagen van het Ministerie van SZW wordt gerapporteerd over zowel begrotingsgefinancierde als premiegefinancierde regelingen. In de beleidsartikelen waar premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten voorkomen zijn deze opgenomen in een afzonderlijke tabel ‘Budgettaire gevolgen van beleid’. In de paragraaf beleidsprioriteiten wordt ingegaan op de ontwikkeling van het totaal van deze uitgaven. De begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten komen een-op-een voort uit de administratie van SZW. De premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten zijn afgeleid uit de jaarverslagen van UWV en de SVB.

Focusonderwerp

De Tweede Kamer heeft als focusonderwerp voor de verantwoording over 2020 het thema «Toepassing van artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet 2016» (CW 3.1) vastgesteld (Kamerstukken II 2019/20, 31 865, nr. 172). Zoals vermeld in de brief van 15 juni 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 31 865, nr. 174) is door het Ministerie van Financiën aan de departementen gevraagd om in hun jaarverslag inzichtelijk te maken op welke wijze ze invulling hebben gegeven aan CW 3.1 bij significante beleidsvoorstellen in het jaar 2020. Voor het Ministerie van SZW is deze informatie opgenomen in bijlage 4 van dit jaarverslag.

Grondslagen voor de vastlegging en waardering

De verslaggevingsregels en waarderingsgrondslagen die van toepassing zijn op de in dit jaarverslag opgenomen financiële overzichten zijn ontleend aan de Comptabiliteitswet 2016 en de daaruit voortvloeiende regelgeving, waaronder de Regeling rijksbegrotingsvoorschriften 2021 en de Regeling agentschappen. Voor de departementale begrotingsadministratie wordt het verplichtingen-kasstelsel toegepast en voor de baten-lasten agentschappen het baten-lastenstelsel. Sinds 1 januari 2018 vallen onder het Ministerie van SZW geen agentschappen meer.

Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt ervoor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. De Europese Commissie heeft aanbevolen dat Nederland in 2020 en 2021 actie onderneemt om de effecten op de werkgelegenheid en de sociale effecten van de crisis te beperken en adequate sociale bescherming van zelfstandigen te stimuleren (aanbeveling 2). In de beleidsprioriteiten wordt ingegaan op de uitwerking van de deze aanbeveling.

Gegevens oude jaren

In dit jaarverslag worden ook kerncijfers gepresenteerd over jaren vóór 2020. Hierbij wordt uitgegaan van de meest recente informatie. Dit betekent dat deze cijfers kunnen afwijken van voorlopige gegevens die in vorige jaarverslagen werden gepresenteerd.

App SZW-cijfers

Meer kwantitatieve gegevens over de ontwikkelingen op het beleidsterrein van SZW zijn te vinden in de app «SZW-cijfers». Deze app bevat een groot aantal gegevens die SZW regelmatig actualiseert.

Afwijkingen van de Rijksbegrotingsvoorschriften

Bij de budgettaire tabellen in het beleidsverslag wordt het verschil tussen de budgettaire raming uit de begroting 2020 en de realisatie voor het jaar 2020 toegelicht indien de afwijking tussen raming en realisatie groter is dan 5% van het begrotingsbedrag of groter is dan € 25 miljoen. Hiermee wordt afgeweken van de RBV-model 3.22e.

Groeiparagraaf

In lijn met de wijzigingen in de begroting 2020 zijn wijzigingen aangebracht in de tabellen met kerncijfers in de beleidsartikelen, zoals het aanpassen van een tabel, het omzetten van een tabel in een figuur of het toevoegen van een figuur. Het doel van deze wijzigingen is het vergroten van het inzicht in de doelstelling van het beleidsartikel.

Op grond van de RBV zijn bijlage 4 (Focusonderwerp 2020, naleving CW 3.1), bijlage 5 (Verantwoording EU-middelen in gedeeld beheer) en een overzicht van de coronasteunmaatregelen (bijlage bij het onderdeel beleidsprioriteiten) aan het jaarverslag toegevoegd.

B. BELEIDSVERSLAG

3. Beleidsprioriteiten

3.1 Het beeld van 2020

De afgelopen regeerperiode heeft het kabinet belangrijke stappen gezet om de werking van de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid te verbeteren. Het kabinet heeft uiteenlopende maatregelen genomen die bijdragen aan een sterke, goed functionerende arbeidsmarkt, met kansen voor iedereen. Dankzij deze stapsgewijze hervormingen stond Nederland er relatief gunstig voor toen de coronacrisis uitbrak. Al snel werd duidelijk dat het virus niet alleen tot een gezondheidscrisis, maar ook tot een economische crisis zou leiden. In intensieve samenwerking met UWV, gemeenten en sociale partners heeft het kabinet noodmaatregelen getroffen. UWV, gemeenten en het departement hebben veel werk verzet om deze maatregelen in recordtempo te realiseren. Door de noodmaatregelen bleef veel werk behouden. Daarnaast boden ze zoveel mogelijk inkomensondersteuning aan mensen die hun inkomen door de crisis plotseling deels of geheel zagen wegvallen. Ook kwam het kabinet met een omvangrijk sociaal pakket met aanvullende maatregelen.

Waar 2019 een jaar van records was, is de arbeidsmarkt in 2020 verslechterd. De uitgangspositie voor de coronacrisis was erg gunstig: de arbeidsmarkt was krap, het aantal werkenden lag op recordhoogte en het aantal werklozen lag op een historisch dieptepunt. De economische gevolgen van de coronacrisis werden uiteindelijk ook voelbaar in de arbeidsmarkt. Het aantal werkenden nam van het hoogtepunt in februari (9.057 duizend) af tot 8.856 duizend in mei. Hierna steeg het aantal werkenden weer. In december (8.979 duizend) was de krimp in het aantal werkenden voor 60% tenietgedaan. De werkloosheid liep van 2,9% in februari en maart op naar het hoogtepunt in augustus (4,6%). Daarna nam de werkloosheid af naar 3,9% in december. Al met al is de schade aan de arbeidsmarkt vanwege het omvangrijke steun- en herstelpakket beperkt gebleven, zeker in internationaal perspectief. Over het algemeen is de krapte op de arbeidsmarkt, gemeten aan de vacature-indicator, fors afgenomen, met uitzondering van krapte in bepaalde sectoren.

De koopkrachtcijfers zijn als gevolg van de coronacrisis lastiger te interpreteren. In de koopkrachtcijfers wordt ervan uitgegaan dat er niets verandert in de persoonlijke omstandigheden van mensen. Door de coronacrisis verliezen sommige mensen helaas hun baan of opdrachten. Deze dynamiek op de arbeidsmarkt komt niet tot uiting in de koopkrachtcijfers. Uitgaande van een statische situatie gingen huishoudens er in 2020 in doorsnee 2,4% op vooruit. Dat is 0,3 procentpunt positiever dan in 2019 met Prinsjesdag werd voorspeld. Onderliggend stegen de contractlonen in de marktsector met 2,7% en bedroeg de inflatie 1,3% (consumentenprijsindexcijfer). De belastingen zijn verlaagd door invoering van het tweeschijvenstelsel en de arbeidskorting en algemene heffingskorting zijn verhoogd.

De grote inspanningen om de coronacrisis het hoofd te bieden, hebben gevolgen gehad voor de lopende beleidsontwikkeling. Op onderdelen zijn vertragingen ontstaan, maar ook in 2020 heeft het kabinet belangrijke resultaten geboekt op de maatregelen uit het regeerakkoord. Zo heeft het kabinet samen met sociale partners de afspraken uit het Pensioenakkoord van 2019 verder uitgewerkt, is de wet voor een nieuw inburgeringsstelsel door de Tweede en Eerste Kamer aangenomen en hebben alle betrokken partijen hard gewerkt aan de implementatie van de Wet beslagvrije voet zodat deze per 1 januari 2021 in werking kan treden.

Het afgelopen jaar kwam echter ook pijnlijk voor het voetlicht dat de overheid er niet altijd is voor de mensen, maar dat de overheid ook mensen ernstig in de knel heeft gebracht. Het eindverslag ‘Ongekend Onrecht’ van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag van december 2020 toont ons een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de Nederlandse overheid. Het vervult het kabinet met een diep gevoel van schaamte. Met het rapport in de hand kijkt het kabinet kritisch naar het functioneren van de Rijksoverheid. Dit mag nooit nog een keer zo misgaan.

De volgende paragrafen in dit onderdeel van het jaarverslag gaan in op het SZW-beleid dat in 2020 is uitgevoerd en in gang is gezet, aan de hand van de drie beleidsprioriteiten: 1) stimuleren van zekerheid en kansen in een nieuwe economie, 2) stimuleren dat mensen naar vermogen meedoen in de samenleving, en 3) beleid valt of staat met uitvoering.

3.1.1 Stimuleren van zekerheid en kansen in een nieuwe economie

Noodmaatregelen corona

De maatregelen die het kabinet heeft genomen (en nog steeds neemt) om de verspreiding van het coronavirus te beteugelen, hebben een enorme impact, zeker ook op de arbeidsmarkt. Om deze effecten zo goed mogelijk op te vangen is het kabinet gekomen met een serie van grootschalige nood- en steunpakketten. De bijlage bij onderdeel 3. Beleidsprioriteiten van dit jaarverslag geeft een overzicht van alle coronasteunmaatregelen op het terrein van SZW.

Werkgevers die door het coronavirus kampen met een substantieel omzetverlies, konden (en kunnen) op grond van de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW) een tegemoetkoming in de loonkosten aanvragen bij UWV. Deze tegemoetkoming is van groot belang om zo veel mogelijk banen te behouden, ook van werknemers met een flexibel contract. De NOW is in 2020 in drie verschillende tranches, met specifieke voorwaarden per tranche, opengesteld.

Zelfstandige ondernemers met financiële problemen door de coronacrisis konden (en kunnen) een beroep doen op de Tijdelijke overbruggingsregeling voor zelfstandig ondernemers (Tozo). Deze regeling is geënt op het Besluit Bijstandverlening zelfstandigen en biedt ondersteuning in de vorm van een aanvullende uitkering voor levensonderhoud en/of een lening voor bedrijfskapitaal. Het kabinet heeft de NOW en Tozo verlengd tot 1 juli 2021, zodat werkgelegenheid en bedrijvigheid zoveel mogelijk behouden blijven.

Voor Caribisch Nederland heeft het kabinet een vergelijkbaar pakket maatregelen ingezet, rekening houdend met de lokale situatie. De Tijdelijke subsidieregeling loonkosten en inkomensverlies Caribisch Nederland biedt werkgevers, zelfstandigen en werknemers op Bonaire, Saba en Sint Eustatius ondersteuning.

Op verzoek van de Tweede Kamer heeft het kabinet de Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten (TOFA) ingevoerd. Deze regeling was bedoeld voor werknemers die door de coronacrisis (bijna) geen inkomsten meer hadden en geen uitkering konden krijgen. Het loket voor de TOFA was geopend van 22 juni tot 27 juli 2020.

In overleg met VNG en Divosa is de Tijdelijke Ondersteuning Noodzakelijke kosten (TONK) gecreëerd. De TONK beoogt huishoudens tegemoet te komen die door de coronacrisis een sterke terugval in inkomsten hebben en daardoor hun noodzakelijke (woon)kosten niet meer kunnen betalen. De TONK loopt van 1 januari tot en met 30 juni 2021. Toekenningen kunnen dus met terugwerkende kracht tot 1 januari 2021 gedaan worden.

Na de zomer is het kabinet, tegelijk met het derde steun- en herstelpakket, met een omvangrijk sociaal pakket van € 1,4 miljard met aanvullende maatregelen gekomen (Kamerstukken II 2019/20, 35 420, nr. 105). Onderdelen van dit pakket zijn een goede begeleiding van werk(loosheid) naar werk, bij- en omscholing, de aanpak van jeugdwerkloosheid en de bestrijding van armoede en schulden. Werkenden, werkzoekenden en werkgevers worden op deze manier ondersteund om in te spelen op de nieuwe economische situatie.

Tegemoetkomingen op grond van de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) met een totaalbedrag van € 743 miljoen werden in 2020 ruim een maand eerder uitbetaald aan het bedrijfsleven. Bovendien vond - anders dan normaal - geen verrekening plaats met openstaande vorderingen bij de Belastingdienst.

In verband met de coronacrisis sloot het kabinet de reguliere kinderopvang (gedeeltelijk) in de periode tussen 16 maart tot 8 juni 2020 en vanaf 17 december tot 8 februari 2021. Om ervoor te zorgen dat ouders in cruciale beroepen en vitale processen aan het werk konden blijven, heeft de sector noodopvang georganiseerd. Voor ouders die de kinderopvang door bleven betalen gedurende de sluitingsperiode in het voorjaar van 2020, heeft het kabinet drie tegemoetkomingsregelingen in het leven geroepen. Deze zijn voor ouders met kinderopgangtoeslag en ouders met gemeentelijke subsidiering reeds uitgekeerd. Voor ouders die gebruik hebben gemaakt van kinderopvang zonder overheidsvergoeding volgt uitkering in 2021. Ook voor de tweede sluitingsperiode is er een tegemoetkoming aan ouders voor de betaalde eigen bijdrage in deze periode.

Pensioenen

Ondanks de uitdagende tijd van de coronacrisis zijn het afgelopen jaar belangrijke mijlpalen gezet op weg naar een nieuw pensioenstelsel (Kamerstukken II 2019/20, 32 043, nr. 520). Samen met sociale partners heeft het kabinet de afspraken uit het Pensioenakkoord uitgewerkt. De Hoofdlijnennotitie van 22 juni 2020 geeft de uitkomsten daarvan weer. Het kabinet heeft de in deze notitie beschreven hoofdlijnen vervolgens verder uitgewerkt in het Wetsvoorstel toekomst pensioenen, en dat van 16 december 2020 tot 12 februari 2021 voorgelegd voor internetconsultatie.

Het in september 2020 ingediende Wetsvoorstel bedrag ineens, RVU en verlofsparen bevat drie onderdelen uit het Pensioenakkoord: de mogelijkheid om een bedrag ineens op te nemen, de versoepeling van de RVU-heffing en de verruiming van verlofsparen (Kamerstukken II 2019/20, 35 555, nr. 2). Het kabinet wil met dit wetsvoorstel, dat in november 2020 is aangenomen door de Tweede Kamer en in januari 2021 door de Eerste Kamer, meer ruimte bieden voor keuzevrijheid in het pensioenstelsel. In overleg met de Stichting van de Arbeid heeft het kabinet in 2020 invulling gegeven aan de tijdelijke subsidieregeling Maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid & eerder uittreden, die de vervroegd uittreedregelingen financieel ondersteunt. Ook heeft het kabinet samen met de Stichting van de Arbeid een eerste invulling gegeven aan het meerjarig investeringsprogramma duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen (MIP). Daarnaast heeft de Stichting van de Arbeid op verzoek van de minister van SZW een aanvalsplan opgesteld met oplossingsrichtingen om de zogenoemde ‘witte vlek’ (werknemers zonder pensioen) kleiner te maken.

In 2020 heeft het kabinet eveneens de voorgenomen uitwerking van het financiële toetsingskader (ftk) voor pensioenfondsen in de periode 2022-2026 opgesteld. Dit transitie-ftk maakt onderdeel uit van het wetsvoorstel dat de uitwerking van het Pensioenakkoord bevat en 16 december 2020 in internetconsultatie is gegaan. Gegeven de uitzonderlijke economische situatie door de coronacrisis, heeft het kabinet in 2020 opnieuw gebruik gemaakt van de bevoegdheid om pensioenfondsen langer de tijd te geven om aan de financiële eisen te voldoen. Om te voorkomen dat pensioenfondsen op korte termijn moeten ingrijpen, heeft het kabinet de vrijstellingsregeling verlengd.

Arbeidsmarkt in balans

Op 1 januari 2020 is de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) in werking getreden. Door deze wet zijn verschillende regels in het arbeidsrecht en in de premieheffing voor de WW gewijzigd. De wet moet de balans tussen vaste en flexibele arbeidsovereenkomsten verbeteren en de verschillen in kosten en risico's tussen een vast en een flexibel arbeidscontract verkleinen.

Arbeidsmarktpositie zelfstandigen

Het kabinet zette zich ook in 2020 in voor verdere versterking van de positie van zzp’ers. De coronacrisis maakte extra duidelijk dat een groot deel van de zelfstandigen zich in een uiterst kwetsbare positie bevindt.

De Stichting van de Arbeid bracht in maart 2020 het advies ‘Keuze voor zekerheid’ uit over de vormgeving van een wettelijke verzekeringsplicht tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico voor zelfstandigen. Het kabinet heeft dit advies in de zomer van 2020 van een reactie voorzien (Kamerstukken II 2019/20, 32 043, nr. 520). Het bleek meer tijd te vergen dan aanvankelijk werd voorzien om uit te werken hoe het voorstel van de Stichting van de Arbeid op een uitvoerbare, uitlegbare en betaalbare wijze kan worden ingericht. Met een brief zal het kabinet de Tweede Kamer informeren over de voortgang.

Bij het wetsvoorstel voor een minimumtarief voor zelfstandigen en een zelfstandigenverklaring brachten de diverse (uitvoerings)toetsen, de gesprekken met het veld en de internetconsultatie een aanzienlijk aantal knelpunten aan het licht. Ook de Commissie Regulering van werk was kritisch op de voorstellen. Daarom heeft het kabinet in 2020 besloten het minimumtarief voor zelfstandigen en de zelfstandigenverklaring niet verder uit te werken (Kamerstukken II 2019/20, 31 311, nr. 235).

Het kabinet ontwikkelt met de webmodule een instrument om opdrachtgevers duidelijkheid en waar mogelijk zekerheid te geven over de kwalificatie van de arbeidsrelatie voor de loonheffingen. De vrijwillige proef met deze Webmodule Beoordeling Arbeidsrelaties is in januari 2021 gestart (Kamerstukken II 2020/21, 31 311, nr. 236). Na afloop van de pilot webmodule beslist het kabinet op welk moment de handhaving (gefaseerd) wordt opgestart, op z'n vroegst is dat 1 oktober 2021. Parallel hieraan start ook het breed maatschappelijk gesprek over de beoordeling van de arbeidsrelatie weer op. Dit gesprek heeft als doel om bij zowel opdrachtgevers als opdrachtnemers bewustzijn en meer draagvlak te creëren voor het wettelijk kader. Ook dient het gesprek om zicht te krijgen op knelpunten waar ze in de praktijk tegenaan lopen.

Leven lang ontwikkelen

Het kabinet heeft de afgelopen jaren samen met sociale partners, opleiders, uitvoeringsorganisaties en regionale samenwerkingsverbanden in Leerwerkloketten hard gewerkt aan nieuwe maatregelen om leren en ontwikkelen voor alle werkenden en werkzoekenden aantrekkelijk en mogelijk te maken. De coronacrisis maakt de noodzaak van een leven lang ontwikkelen nog groter. Bovenop de bestaande inzet heeft het kabinet daarom extra geld uitgetrokken om de ontwikkelingen op het gebied van een leven lang ontwikkelen te versnellen. In de brief van 13 november 2020 heeft het kabinet een routekaart uitgewerkt op leren en ontwikkelen voor de langere termijn (Kamerstukken II 2020/21, 30 012, nr. 135).

Om werkgevers in het mkb te stimuleren tot een sterke leercultuur is per 1 januari 2020 de Stimuleringsregeling leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen (SLIM-regeling) in werking getreden. Er bleek veel belangstelling bij bedrijven om aan de slag te gaan met leren en ontwikkelen. Bij beide eerste geopende tijdvakken waren er veel meer aanvragen dan er budget beschikbaar was.

Op 1 augustus 2020 is de Tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies in werking getreden (Stcrt. 2020, 39785). Veel mensen bleken behoefte te hebben aan een dergelijk ontwikkeladvies: binnen een maand was het maximaal aantal van 22.000 registraties bereikt. Mede naar aanleiding van een motie van de Kamerleden Smeulders en Tielen is de regeling voor ontwikkeladvies per 1 december 2020 opnieuw opengesteld en heeft het kabinet nog eens 55.000 kosteloze ontwikkeladviezen beschikbaar gesteld om zo in deze crisistijd mensen te kunnen ondersteunen bij hun loopbaan. Naast ontwikkeladvies kunnen werkenden en werkzoekenden (inclusief de zelfstandig ondernemers) kosteloos scholing krijgen via de regeling NL Leert Door. Voor dat doel is in 2020 via het tweede steunpakket € 34 miljoen beschikbaar gekomen voor circa 50.000 ‒ 80.000 kosteloze scholingstrajecten.

Eerlijk, gezond en veilig werk

Het kabinet wil mensen gezond, veilig en met plezier laten deelnemen aan het arbeidsproces, zodat mensen tot hun pensioen duurzaam inzetbaar zijn en men ook na het pensioen geen gezondheidsklachten ondervindt die zijn veroorzaakt in het werkende leven. In dat kader lag de focus in 2020 op het veilig werken met gevaarlijke stoffen. Ook is een traject van co-creatie gestart om in 2021 te komen tot een nieuwe visie op arbeidsomstandigheden (de Arbovisie 2040) en heeft het Meerjarenprogramma Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (RI&E) diverse tools ontwikkeld om het voor het mkb makkelijker te maken een RI&E uit te voeren.

Naast deze voorgenomen activiteiten liet het coronavirus zien waarom gezond en veilig werken belangrijk is. Er zijn verschillende activiteiten ondernomen om ook in deze tijd gezond en veilig te kunnen blijven werken, of dat nu thuis was of met extra maatregelen of bescherming op de werkvloer. Zo is het kabinet in 2020 diverse initiatieven opgestart om werkgevers en werknemers te ondersteunen bij vitaal thuiswerken en werkt het aan een toekomstagenda voor thuiswerken. De verschillende sectorprotocollen waarmee bedrijven de maatregelen beschreven die men nam om besmetting met het coronavirus te voorkomen voor klanten, bezoekers en werknemers, maakten ook duidelijk waarom het hebben en actueel houden van een RI&E zo belangrijk is.

De activiteiten van het meerjarenprogramma RI&E sloten hier goed bij aan: de lancering van een vernieuwde website van het steunpunt RI&E en een communicatiecampagne. Daarnaast zet het kabinet in op het verbeteren van de kwaliteit van de RI&E’s, waarbij ook stilgestaan wordt bij het gevaar van blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Want voorkomen is beter dan genezen. Zo valt ook te lezen in het rapport van de Commissie Heerts (Commissie Vergemakkelijking Schadeafhandeling Beroepsziekten, Kamerstukken II 2019/20, 25 883, nr. 389). De commissie adviseert naast preventie, te voorzien in een tegemoetkomingsregeling voor slachtoffers en het verbeteren van de kennisinfrastructuur. Het kabinet heeft dit advies overgenomen en de uitvoering gestart zodat de tegemoetkomingsregeling per 1 juli 2022 kan ingaan.

Op het terrein van gevaarlijke stoffen heeft het kabinet in 2020 voorts de uitvoering van de beleidsreactie asbest verder ter hand genomen en onder meer het Validatie- en Innovatiepunt (VIP) asbest gestart om innovatie binnen de asbestsector te stimuleren. De eerste innovaties zijn in behandeling bij het VIP. Ook ondersteunt het kabinet doelgroepen verder met de opgeleverde Werkwijzer gevaarlijke stoffen.

In 2020 is het eindrapport van de Kwaliteitstafel Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde opgeleverd, waarin geadviseerd wordt over een kwalitatief hoogwaardige arbeidsgeneeskundige zorg nu en in de toekomst (Kamerstukken II 2020/21, 25 883, nr. 391). Het kabinet bereidt een beleidsreactie voor op dit advies, inclusief een evaluatie van het beleidsprogramma over de toekomst van de arbeidsgerelateerde zorg (TAZ).

Per 1 juli 2020 is in vervolg op de motie van Weyenberg (Kamerstukken II 2019/20, 25 883, nr. 376) een verbod op de maaltijdbezorging door jongeren onder de 16 jaar in werking getreden (Stcrt. 2020, 34278).

Het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten, onder leiding van de heer Roemer, heeft in 2020 twee adviezen uitgebracht om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren (Kamerstukken II 2019/20, 29 861, nr. 51 en Kamerstukken II 2020/21, 29 861, nr. 53). Het kabinet heeft de aanbevelingen grotendeels omarmd. In vervolg op het eerste advies heeft het kabinet onder andere het centrale informatiepunt ‘Work in NL’ opgericht, dat arbeidsmigranten in de eigen taal informeert over werken en wonen in Nederland. Om acute misstanden aan te pakken, is in september 2020 verder het Samenwerkingsplatform Arbeidsmigranten en Covid-19 opgericht en zijn afspraken gemaakt met buurlanden en in EU-verband over grensoverschrijdende aspecten en adequate bescherming van arbeidsmigranten (Kamerstukken II 2020/21, 25 295, nr. 911). Het tweede advies gaat over de langere termijn. Ook hier gaat het kabinet actief mee aan de slag en treft voorbereidingen zodat een volgend kabinet de verdergaande hervormingen uit het advies ter hand kan nemen.

In december 2020 heeft Nederland zich als gidsland aangesloten bij de Alliance 8.7, een mondiaal gremium dat zich richt op onder andere het uitbannen van kinderarbeid wereldwijd.

Arbeid en zorg

Het kabinet wil zowel de economische zelfstandigheid van iedereen in Nederland bevorderen als het arbeidsaanbod vergroten, waarbij keuzevrijheid het uitgangspunt blijft. Verlofregelingen spelen hierbij een belangrijke rol. Sinds januari 2019 heeft het kabinet daarom het geboorteverlof voor partners verruimd van twee dagen naar een week. Vanaf 1 juli 2020 is dit verder aangevuld. Wie langer vrij wil, kan in het eerste half jaar na de geboorte maximaal vijf weken extra geboorteverlof opnemen. In die periode hebben partners recht op een uitkering van 70 procent van het dagloon (tot 70 procent van het maximum dagloon).

In vervolg op het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Deeltijdwerk en het IBO Toeslagen heeft het kabinet in 2020 beleidsopties in kaart gebracht rond onder andere het stelsel van kindvoorzieningen. In het eindrapport van de Scenariostudie Vormgeving Kindvoorzieningen zijn vier uiteenlopende scenario’s uitgewerkt die inzicht bieden in de mogelijkheden van een andere inrichting van het stelsel voor kindvoorzieningen. Dit rapport levert daarmee een mooie basis voor discussie de komende tijd over de richting waar het stelsel van kindvoorzieningen naar toe kan gaan (Kamerstukken II 2020/21, 31 322, nr. 424). Daarnaast is het kabinet in 2020 gestart met een verkenning van verbetermaatregelen in de gastouderopvang, met als doel de kwaliteit van de gastouderopvang en het toezicht beter te borgen (Kamerstukken II 2020/21, 31 322, nr. 422). In 2021 zal als vervolgstap worden bezien hoe het toezicht op de kwaliteit van de gastouderopvang verder kan worden versterkt.

Toekomst van werk

Op 23 januari 2020 publiceerde de Commissie Regulering van werk – onder leiding van de heer Borstlap – haar eindrapport. Kort daarvoor publiceerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid het advies «Het betere werk». Met de brief van 11 november 2020 heeft het kabinet zijn reactie op beide rapporten aan de Tweede Kamer verzonden (Kamerstukken II 2020/21, 29 544, nr. 1028). Het kabinet deelt het oordeel van de Commissie Regulering van werk dat de arbeidsmarkt inclusiever kan en moet. Ook in 2020 is hier over de volle breedte van het beleidsterrein van SZW aan gewerkt. Zoals eerder aangegeven is bijvoorbeeld in januari 2021 een proef met de Webmodule Beoordeling Arbeidsrelaties gestart, is de Scenariostudie Kindvoorzieningen in 2020 afgerond en werkt het kabinet de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen uit. Verder geldt in algemene zin dat het kabinet ambtelijk denkwerk in gang heeft gezet zodat het volgende kabinet eventueel extra stappen kan afspreken.

Internationaal

Eind 2020 is een akkoord tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk over de toekomstige relatie tot stand gekomen. SZW heeft daarbij ingezet op het goed borgen van de rechten van burgers. Het gesloten akkoord voorziet in duidelijke afspraken over coördinatie sociale zekerheid en een gelijk speelveld op sociaal terrein.

3.1.2 Stimuleren dat mensen naar vermogen meedoen in de samenleving

Perspectief op werk

Voor mensen met een beperking is het kabinet aan de slag met de aanpak ‘Het Breed Offensief’. Het kabinet wil meer aansluiten bij de behoeften en mogelijkheden van de mensen om wie het gaat en maakt het voor werkgevers eenvoudiger om mensen met een beperking in dienst te nemen en houden. Een ander uitgangspunt is dat werken moet lonen. Het wetsvoorstel Uitvoeren breed offensief is in februari 2020 ingediend bij de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 2). Deze wet voorziet onder meer in vereenvoudiging van het instrument loonkostensubsidie en harmonisering van het aanbod van ondersteunende instrumenten. Ook biedt de wet werkzoekenden en werkgevers expliciet de mogelijkheid om ondersteuning op maat aan te vragen bij de gemeenten. De wetsbehandeling is een aantal keren uitgesteld. De Tweede Kamer heeft inmiddels besloten dat de wetsbehandeling na de verkiezingen plaatsvindt.

In 2020 heeft het kabinet het besluit en de regeling Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen (SUWI) aangepast (Stb. 2020, 228 en Stcrt. 2020, 52452). Per 1 januari 2021 moeten UWV en gemeenten in elk van de 35 arbeidsmarktregio’s werkgevers één publiek servicepunt aanbieden, met hetzelfde basispakket aan diensten. Doel hiervan is dat werkgevers en werkzoekenden van UWV en gemeenten elkaar makkelijker kunnen vinden. Werkgevers kunnen bij het publieke werkgeversservicepunt terecht voor kandidaten, voor informatie over loonkostensubsidie en andere voorzieningen, voor advies over het passend maken van werk en voor informatie over de regionale arbeidsmarktsituatie. Deze werkgeversservicepunten zijn onder de aandacht van werkgevers gebracht in de onlinecampagne ‘Werkgevers anno nu’. Verder heeft UWV in 2020 actuele arbeidsmarkt- en sturingsinformatie per arbeidsmarktregio beter toegankelijk gemaakt in de vorm van een digitaal Dashboard1. In het programma Verbeteren Uitwisselen Matchingsgegevens met UWV en VNG zijn in 2020 voorbereidingen getroffen om in 2021 pilots uit te kunnen voeren met één standaard voor matchingsgegevens en digitale uitwisseling. Centrumgemeenten ontvangen vanaf 2021 jaarlijks financiering voor hun organiserende rol in de arbeidsmarktregio (Kamerstukken II 2019/20, 34 352, nr. 181).

Met de extra impuls Perspectief op Werk zetten werkgevers, vakbonden, UWV, gemeenten, de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB), onderwijs en de Ministeries van SZW en OCW zich in om via betere samenwerking van publieke en private partijen meer mensen die willen en kunnen werken, maar niet zelfstandig aan het werk komen, naar een baan of leerwerkplek te begeleiden. In alle 35 arbeidsmarktregio’s zijn partijen bezig geweest met de uitvoering van regionale actieplannen. Een aantal van deze regionale actieplannen zijn herzien vanwege de veranderde omstandigheden op de arbeidsmarkt. De arbeidsmarktregio’s ontvingen in het kader van Perspectief op Werk een extra impuls van € 1 miljoen in 2020 voor de uitvoering van de regionale actieplannen (na eerder ook € 1 miljoen te hebben ontvangen in 2019). De evaluatie van de extra impuls loopt en in 2021 informeert het kabinet de Tweede Kamer nader door een tussenevaluatie te sturen. Vanwege de coronacrisis zijn de partijen achter Perspectief op Werk gestart met het platform ‘NL Werkt door’ om bedrijven die door de getroffen overheidsmaatregelen een overschot hebben aan personeel te verbinden met bedrijven en organisaties die juist zitten te springen om personeel, bijvoorbeeld in cruciale sectoren als de zorg.

Met het project Simpel Switchen wil het kabinet bereiken dat het voor mensen makkelijker wordt om vanuit een uitkering aan het werk te gaan. Ook een eventuele noodzakelijke stap terug moet mogelijk zijn zonder dat mensen daarbij financiële onzekerheden kennen of rechten verliezen. In het wetsvoorstel Wajong dat de Eerste Kamer in 2020 heeft aangenomen is daarom opgenomen dat mensen die vanuit de Wajong gaan werken, tot aan hun AOW terug kunnen vallen op deze regeling (Kamerstukken II 2018/19, 35 213, nr. 2). Verder is sinds 30 juni 2020 een online rekentool beschikbaar, waarmee het voor mensen met een uitkering mogelijk is om te berekenen wat het betekent voor hun inkomen als zij gaan werken.

In het in 2018 gestarte programma Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt (VIA) test het kabinet verschillende beleidsopties om erachter te komen wat werkt om de achterblijvende arbeidsmarktpositie van Nederlanders met een niet-westerse migratieachtergrond te verbeteren. De coronacrisis heeft een behoorlijke impact gehad op de uitvoering van het programma, maar toch hebben bijna alle pilots in 2020 doorgang kunnen vinden. In november 2020 heeft het kabinet de Tweede Kamer met een voortgangsbrief geïnformeerd over de stand van zaken van het programma en de eerste voorlopige resultaten (Kamerstukken II 2020/21, 29 544, nr. 1029).

Met werkgevers heeft het kabinet in 2020 overeenstemming bereikt om te komen tot een effectievere invulling voor het geheel aan instrumenten in de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) (Kamerstukken II 2019/20, 34 304, nr. 15). Met deze voorstellen wordt de Wtl (nog meer) een arbeidsmarktinstrument dat werkgevers stimuleert om mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt in dienst te nemen en te houden. Samen met betrokken organisaties werkt het kabinet de plannen verder uit. Het streven is om in de loop van 2021 een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer te sturen.

Om de mogelijkheden tot toezicht en handhaving op het gebied van arbeidsmarktdiscriminatie te versterken, is in het Regeerakkoord afgesproken dat aandacht wordt gegeven aan het bestrijden van discriminatie in sollicitatieprocedures met een stevige handhavende rol voor de Inspectie SZW. Met het wetsvoorstel Toezicht gelijke kansen bij werving en selectie, dat in december 2020 bij de Tweede Kamer is ingediend, geeft het kabinet invulling aan deze afspraak uit het Regeerakkoord (Kamerstukken II 2020/21, 35 673, nr. 2).

Armoede en schulden

Het kabinet heeft vier ambities kinderarmoede geformuleerd die richting moeten geven aan de aanpak van kinderarmoede (Kamerstukken II 2018/19, 24 515, nr. 484). In de afgelopen periode zijn belangrijke stappen gezet. Zo blijkt uit de extra tussentijdse evaluatie van de bestuurlijke afspraken dat gemeenten steeds meer kinderen in armoede bereiken (het netto bereik nam toe van 43% in 2017 naar 67% in 2019) en ondersteunen met voorzieningen. Ook het samenwerkingsverband Sam& zag het aantal geleverde voorzieningen aan kinderen in armoede aanzienlijk toenemen (van 264.000 in 2016 tot 398.170 in 2019). Ook in de komende periode blijft onverminderde inzet nodig om de ambities kinderarmoede te realiseren. Zo is het streven om het aantal kinderen in armoede dat wordt bereikt verder te verhogen en om het aantal kinderen in armoede te laten afnemen van 9,2% in 2015 naar 4,6% in 2030. Eind 2021 zal het kabinet voor het eerst rapporteren over de voortgang van de ambities kinderarmoede.

Samen met gemeenten, uitvoeringsorganisaties en maatschappelijke organisaties heeft het kabinet in 2020 onverminderd doorgewerkt aan de uitvoering van de maatregelen uit het Actieplan Brede Schuldenaanpak. Aan de implementatie van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet is in 2020 hard gewerkt, zodat de wet per 1 januari 2021 in werking kon treden. Dit was een intensief traject waarbij heel veel partijen betrokken waren. De inwerkingtreding van de wet zorgt voor betere bescherming van het bestaansminimum van mensen die te maken hebben met beslaglegging op hun inkomen. In 2020 hebben de Tweede en Eerste Kamer ook de wijziging van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening aangenomen. Deze wet zorgt ervoor dat het vroegtijdig signaleren van schuldenproblematiek een wettelijke basis krijgt en noodzakelijke uitwisseling van persoonsgegevens veilig kan plaatsvinden.

Het kabinet heeft zich samen met gemeenten en maatschappelijke organisaties ervoor ingezet dat mensen die het financieel moeilijk hebben door de coronacrisis niet nog verder in de (financiële) problemen terechtkomen. Voor de periode 2020-2022 heeft het kabinet in 2020 een totaalbedrag van € 146 miljoen extra vrij gemaakt voor het tegengaan van armoede en problematische schulden. In de zomer van 2020 heeft het kabinet tijdens rondetafelgesprekken met vele betrokken gemeenten en organisaties concrete maatregelen afgesproken, die ertoe dienen dat mensen niet te lang met hun financiële problemen blijven rondlopen, weten hoe ze schulden kunnen voorkomen, en – als ze schulden hebben - weten waar zij welke hulp kunnen krijgen (Kamerstukken II 2020/21, 24 515, nr. 569).

Samenleving en integratie

De snelste weg voor inburgeraars om mee te doen in de maatschappij is het leren van de Nederlandse taal en het vinden van een baan. Om dit te bereiken werkt het kabinet aan een nieuw inburgeringsstelsel. De bestuurlijke afspraken die het Rijk en gemeenten in april 2020 hebben gemaakt over de Veranderopgave inburgering zijn een belangrijke mijlpaal in de voorbereiding van de invoering van het nieuwe inburgeringsstelsel (Kamerstukken II 2019/20, 32 824, nr. 297). De Wet inburgering 2021 is in 2020 aangenomen door de Tweede en Eerste Kamer (Stb. 2021, 38).

Bij de voorbereiding op het nieuwe inburgeringsstelsel hecht het kabinet aan zorgvuldigheid. Dat betekent onder andere dat de ketenpartners, gemeenten in het bijzonder, voldoende tijd krijgen om zich voor te bereiden op hun nieuwe taak. Omdat er voor een aantal zaken meer tijd nodig bleek, koos het kabinet er in maart 2020 voor om de planning van de wet een half jaar op te schuiven (Kamerstukken II 2019/20, 32 824, nr. 294). De coronacrisis zette bij alle partijen de beschikbare capaciteit om voorbereidingen te treffen op het nieuwe inburgeringsstelsel onder druk. In november 2020 concludeerde het kabinet dat inwerkingtreding van het nieuwe inburgeringsstelsel op 1 juli 2021 niet verantwoord was en besloot de invoering door te schuiven naar 1 januari 2022 (Kamerstukken II 2020/21, 35 483, nr. 63). Samen met de ketenpartners zet het kabinet de voorbereidingen op de invoering van het nieuwe inburgeringsstelsel onverminderd voort en zet het alles op alles om inwerkingtreding per 1 januari 2022 te realiseren.

Voor wat betreft de Taskforce Problematisch gedrag en Ongewenste buitenlandse financiering lag de prioriteit in 2020 op het ontwikkelen van producten zoals de procesbeschrijving, de escalatieladder en het afwegingskader, zodat die gerichter ingezet kunnen worden op de aanpak van complexe casuïstiek. Het Programma Divers & Inclusief, gericht op het bevorderen van samenleven, is in 2020 afgerond met de oplevering van een portfolio met handelingsperspectieven voor bestuurders.

Verbetering levensomstandigheden Caribisch Nederland

Om de inzet op het verbeteren van de bestaanszekerheid van inwoners van Caribisch Nederland te onderstrepen, heeft het kabinet in 2019 een ijkpunt voor het sociaal minimum vastgesteld. Het doel is de kosten terug te brengen tot een redelijk niveau en de inkomens te verhogen, zodat alle inwoners van Caribisch Nederland in de minimale kosten van levensonderhoud kunnen voorzien. Overkoepelend is het van belang om te werken aan de economie en de arbeidsmarkt.

Om de inkomenspositie van werkenden verder te verbeteren, heeft het kabinet per 1 januari 2020 het wettelijk minimumloon op Bonaire, Sint Eustatius en Saba verhoogd met respectievelijk 5 procent, 2 procent en 5 procent bovenop de reguliere inflatiecorrectie. Mensen met kinderen profiteren daarnaast vanaf 1 januari 2020 van een verhoging van de kinderbijslag met circa $ 20 per maand. Met de verhoging van het wettelijk minimumloon zijn de AOV-, AWW- en onderstandsuitkeringen evenredig verhoogd, waardoor ook de inkomenspositie van niet-werkenden en mensen die niet kunnen werken is verbeterd.

In het programma BEST(t) 4 kids hebben het Rijk en de openbare lichamen een belangrijke stap gezet in de richting van de bedragen die voor kinderopvang zijn opgenomen in het ijkpunt voor het sociaal minimum. Vooruitlopend op de wettelijke verankering van het stelsel voor kinderopvang in Caribisch Nederland is voor de periode 2020 ‒ 2021 de tijdelijke subsidieregeling kinderopvang Caribisch Nederland ingesteld (Stcrt. 2020, 26622). Deze regeling stelt kinderopvangorganisaties in staat om te investeren in de kwaliteit van de kinderopvang en maakt de kinderopvang financieel toegankelijker voor de ouders.

3.1.3 Beleid valt of staat met uitvoering

Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag

Het rapport ‘Ongekend Onrecht’ van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) toonde ons een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de Nederlandse overheid. Door een samenspel van hardheden in de wet, vooringenomen handelen en vooral door geen gehoor te geven aan noodsignalen hebben tienduizenden ouders en kinderen hun leven zien veranderen in een moeras van ellende. Dit had nooit mogen gebeuren. Het kabinet neemt een fors pakket maatregelen om de gedupeerde ouders en hun kinderen sneller te helpen én om te voorkomen dat zoiets ooit nog kan gebeuren. De kabinetsreactie op het rapport van de POK beschrijft de inzet van het kabinet op hoofdlijnen (Kamerstukken II 2020/21, 35 510, nr. 4). Het kabinet werkt de maatregelen de komende periode nader uit samen met de uitvoerders, medeoverheden, andere betrokken organisaties en vertegenwoordigers van de verschillende doelgroepen. Nadat de verschillende maatregelen zijn uitgewerkt en van uitvoeringstoetsen zijn voorzien, maakt het kabinet een nadere planning voor invoering van de maatregelen.

Verbetertraject kinderopvangtoeslag

In 2018 heeft het kabinet het verbetertraject kinderopvangtoeslag gestart om de dienstverlening aan ouders te verbeteren en zodoende het aantal (hoge) terugvorderingen terug te dringen. De maatregelen uit dit gezamenlijke programma van het Ministerie van SZW en Belastingdienst/Toeslagen zijn in 2020 stapsgewijs geïmplementeerd met als doel ze vanaf 2021 volledig uit te voeren. Zo zijn kinderopvangorganisaties in 2020 geleidelijk gestart met het maandelijks aanleveren van gegevens over de afgenomen opvang aan Belastingdienst/Toeslagen. Met actuele gegevens kan Belastingdienst/Toeslagen verschillen eerder signaleren naar ouders en de juiste dienstverlening bieden. Het verbetertraject ziet na de implementatie van bovengenoemde maatregelen nog verdere mogelijkheden voor verbeteringen in de dienstverlening richting ouders en in het reduceren van het aantal (hoge) terugvorderingen binnen de kinderopvangtoeslag. Om die reden wordt in 2021 een vervolg gegeven aan het verbetertraject (Kamerstukken II 2020/21, 31 322, nr. 422).

Daarnaast zijn met de Wet verbetering uitvoerbaarheid Toeslagen maatregelen voor de korte termijn getroffen om de menselijke maat in het toeslagenstelsel te versterken, de praktische rechtsbescherming van burgers te verbeteren en schrijnende situaties door het verlies van toeslagen als gevolg van partnerschap te voorkomen (Kamerstukken II 2020/21, 35 574, nr. 2).

Werk aan uitvoering

Via het traject ‘Werk aan uitvoering’ heeft het kabinet de mogelijkheden in kaart gebracht om de dienstverlening te versterken en de toekomstbestendigheid van vier grote uitvoeringsorganisaties (Belastingdienst, UWV, SVB en DUO) te vergroten. De eerste fase van dit traject is in februari 2020 afgerond met de oplevering van een probleemanalyse (Kamerstukken II 2019/20, 31 490, nr. 271). Deze probleemanalyse schetst zeven thema’s als onderliggende oorzaken van de problematiek bij de Belastingdienst, UWV, SVB en DUO. De tweede fase van het traject richtte zich op concrete handelingsperspectieven voor verbetering van de dienstverlening, wendbaarheid en toekomstbestendigheid die zijn in te zetten voor de korte en langere termijn, en zo mogelijk ook breder toepasbaar zijn voor andere uitvoeringsorganisaties dan alleen de Belastingdienst, UWV, SVB en DUO. Het rapport van fase 2 is op 11 september 2020 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2019/20, 31 490, nr. 284). De handelingsperspectieven zullen onderdeel worden van de ‘Werkagenda voor de uitvoering’.

Uitvoering UWV en SVB

Met de brief ‘Stand van de uitvoering sociale zekerheid’ informeert het kabinet de Tweede Kamer periodiek over de ontwikkelingen in de inzet van UWV en de SVB om goede dienstverlening aan te bieden en de dilemma’s die daarbij spelen (Kamerstukken II 2019/20, 26 448, nr. 634 en Kamerstukken II 2020/21, 26 448, nr. 641). UWV en de SVB leverden in 2020 belangrijke prestaties. Zo zorgde UWV voor een snelle en adequate uitvoering van de crisisregelingen NOW en TOFA en de afhandeling van de toegenomen WW-aanvragen. Ook is UWV in samenwerking met gemeenten en sociale partners gestart met de voorbereidingen voor de regionale van-werk-naar-werkdienstverlening. Verder is in 2020 onder meer onderzoek gedaan naar de wijzigingen in wet- en regelgeving die nodig zijn om taakdelegatie bij sociaal medisch beoordelingen zorgvuldig uit te breiden, als onderdeel van een grotere set aan maatregelen in voorbereiding om de toekomst van sociaal-medisch beoordelen veilig te stellen. De SVB voerde als gevolg van de coronacrisis de Tijdelijke tegemoetkoming kinderopvang uit en gaf vorm aan tijdelijke veranderingen rondom de AOW-partnertoeslag en het PGB. Daarnaast is door de SVB onderzoek gedaan naar de balans tussen opdracht en middelen. Zowel UWV als de SVB hebben als gevolg van de coronacrisis aanpassingen moeten doen in de uitvoering en de bedrijfsvoering.

Handhaving

De coronacrisis heeft in 2020 forse impact gehad op het werk binnen toezicht, handhaving en opsporing. Door de beperkingen als gevolg van de coronamaatregelen zijn veel activiteiten (zoals huisbezoeken) niet of in beperkte mate mogelijk geweest. Ook is er in de handhaving rekening mee gehouden dat uitkeringsgerechtigden als gevolg van de beperkingen niet helemaal konden voldoen aan bijvoorbeeld de verschijnings- of sollicitatieplicht. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd via eerdergenoemde brieven Stand van de uitvoering en een bijstelling van het jaarplan 2020 van de Inspectie SZW (Kamerstukken II 2019/20, 35 300 XV, nr. 96). De noodregelingen in het kader van corona, zoals de NOW en de Tozo, zijn met grote snelheid tot stand gekomen. Hierdoor is bij deze regelingen een verhoogd risico op misbruik en oneigenlijk gebruik ontstaan. De bedrijfsvoeringsparagraaf van dit jaarverslag gaat hier nader op in.

UWV, SVB, de gemeenten en de Inspectie SZW zoeken continu de balans tussen dienstverlening, controle en efficiëntie. De signaleringsbrief fraudefenomenen 2020 is als bijlage verstuurd bij de Stand van de uitvoering sociale zekerheid van juni 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 26 448, nr. 634). UWV heeft in 2020 de ZW en de WIA door middel van een extern onderzoek doorgelicht op fraudegevoeligheid. De uitkomsten zijn in december 2020 als bijlage bij de Stand van de uitvoering aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2020/21, 26 448, nr. 641).

Het kabinet vindt dat het beleid rond handhaving in de sociale zekerheid meer balans vergt. Om dit te bewerkstelligen heeft het kabinet in november 2020 drie acties toegezegd (Kamerstukken II 2020/21, 17 050, nr. 596). Het kabinet onderzoekt of het een definitie van uitkeringsfraude in de wet kan introduceren. In deze definitie wordt onderscheid gemaakt tussen ‘overtreding’ en ‘fraude’. Indien een persoon de inlichtingenplicht in de socialezekerheidswetgeving niet naleeft is sprake van een overtreding. Indien een persoon de inlichtingenplicht in de socialezekerheidswetgeving opzettelijk overtreedt of grof nalatig is, is sprake van fraude. Daarnaast richt het een Aanjaagteam Preventie op, vanuit de wens om een stimulans te geven aan preventie. Dit team heeft als doel om een bijdrage te leveren aan het voorkomen van fouten in de uitkeringsaanvraag, bijvoorbeeld door te kijken naar de begrijpelijkheid van de socialezekerheidsregelingen en de communicatie. Ook wordt gebruik gemaakt van de inzichten uit het programma Handhaving en gedragsbeïnvloeding. Tot slot onderzoekt het kabinet hoe we naar een toekomstbestendig handhavingsinstrumentarium kunnen komen, waar voldoende ruimte is om maatwerk te leveren. Dit instrumentarium moet meer mogelijkheden bieden om aan te sluiten bij de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden, zoals de draagkracht. Dit betekent enerzijds dat meer maatwerk geleverd moet kunnen worden, waarbij bijvoorbeeld gedacht kan worden aan het uitbreiden van de mogelijkheid tot het geven van een waarschuwing. Anderzijds kan het bij opzet of grove schuld zeer moeilijk zijn om aan te tonen dat de overtreder het oogmerk had de wet te overtreden en hieruit voordeel te halen. Onderzocht zal worden hoe dit knelpunt opgelost zou kunnen worden.

3.1.4 Kerncijfers

Fraude en handhaving UWV, SVB en gemeenten

Bij het ontvangen van een uitkering gelden diverse verplichtingen, zoals het tijdig verstrekken van gegevens over het inkomen en het melden van samenwonen. De naleving van deze verplichtingen is een belangrijke voorwaarde voor een goed werkend stelsel van sociale zekerheid. UWV, de SVB en de gemeenten zetten diverse instrumenten in om de naleving en handhaving van wet- en regelgeving te bevorderen. Het gaat zowel om voorkomen (bijvoorbeeld voorlichting) als om controleren en sanctioneren (bijvoorbeeld het opleggen van boetes). In de tabellen 1 en 2 is een overzicht gegeven van de kerncijfers op het gebied van handhaving bij UWV, de SVB en gemeenten.

De kerncijfers laten de impact van corona op de handhaving zien. Zowel bij UWV als de SVB zijn er minder overtredingen opgespoord en minder waarschuwingen en boetes uitgedeeld. Dit wordt onder andere veroorzaakt door verminderde mogelijkheden tot huisbezoeken en controles in het buitenland. De daling is daarnaast bij de SVB extra sterk omdat in 2019 een inhaalslag is gedaan op de naleving van de verplichtingen van de Kinderbijslag nadat deze controle in 2018 tijdelijk was opgeschort. Dit leidde tot een piek in het aantal geconstateerde overtredingen over 2019. Van gemeenten zijn dit jaar alleen de kerncijfers tot en met het derde kwartaal bekend. Dit maakt vergelijking met eerdere jaren lastig. Afgaande op de kerncijfers betreffende de eerste drie kwartalen in eerdere jaren is het beeld redelijk stabiel hoewel er sprake is van een lichte daling die mogelijk veroorzaakt wordt door de coronacrisis.

De incassoratio van UWV en de SVB is stabiel. Van oudsher blijft de incassoratio van gemeenten iets achter bij UWV en SVB vanwege het vangnetkarakter van de Participatiewet. 

Kennis der verplichtingen in coronatijd

In 2020 heeft het Ministerie van SZW een onderzoek uitgevoerd naar de invloed van de coronacrisis op het kennis- en belevingsniveau van uitkeringsgerechtigden over hun uitkering. Het onderzoek bouwt qua doelstelling en opzet voort op de onderzoeken Kennis der verplichtingen en (gepercipieerde) detectiekans, zoals die in de afgelopen jaren zijn uitgevoerd. Het onderzoek Kennis der verplichtingen in coronatijd is een eenmalige uitzondering op de reguliere reeks vanwege de grote impact van deze crisis op arbeid en inkomen.

De doelgroep van het onderzoek bestaat uit uitkeringsgerechtigden die een bijstands-, Ziektewet-, WW- of Tozo-uitkering ontvangen. De resultaten laten zien dat er sprake is van fragiel optimisme over de toekomst en dat de kennis van de verplichtingen onverminderd hoog is. Over het algemeen vinden uitkeringsgerechtigden het makkelijk om zich aan de verplichtingen te houden. Desondanks is het tijdens de coronacrisis voor uitkeringsgerechtigden moeilijker om te voldoen aan de sollicitatieplicht, passend werk te vinden, te re-integreren en te herstellen. Daarnaast heeft de crisis grote financiële impact op de ontvangers van een Tozo-uitkering. Zij geven aan de Tozo voor levensonderhoud nodig te hebben en circa de helft van de Tozo-uitkeringen wordt ook ingezet om de onderneming financieel gezond te houden. Vanaf 2021 vindt er weer een regulier onderzoek Kennis der verplichtingen en (gepercipieerde) detectiekans plaats.

Tabel 1 Kerncijfers opsporing UWV, SVB en gemeenten
 

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

 

2018

2019

2020

2018

2019

2020

UWV1

8,3

9,0

6,7

26

25

23

SVB2

3,9

10,5

3,9

7,9

10,6

6,0

Gemeenten3

33

31

174

70

67

404

Totaal

5

5

5

104

103

6

X Noot
1

UWV, Jaarverslag.

X Noot
2

SVB, Jaarverslag.

X Noot
3

CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

X Noot
4

Betreft de stand ultimo 3e kwartaal 2020.

X Noot
5

Dit kerncijfer betreft het aantal vorderingen wegens overtreding van de inlichtingenplicht. Eén overtreding kan meerdere vorderingen tot gevolg hebben. Het aantal overtredingen ligt dus lager. Om die reden toont deze kolom geen totaal.

X Noot
6

Dit totaal kan niet worden berekend.

Tabel 2 Kerncijfers sanctionering UWV, SVB en gemeenten
 

Aantal boetes (x 1.000)

Totaal opgelegd boetebedrag (x € 1 mln.)

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

 

2018

2019

2020

2018

2019

2020

2018

2019

2020

UWV1

4,9

4,8

3,7

4,9

4,3

3,7

5,8

6,6

4,9

SVB2

1,8

2,3

1,1

1,3

1,4

0,9

5,0

9,6

4,6

Gemeenten3

13,7

11,8

6,74

8,7

7,9

4,34

11,3

9,9

5

Totaal

20

19

6

15

14

6

22

26

6

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

SVB, jaarverslag.

X Noot
3

CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

X Noot
4

Betreft de stand ultimo 3e kwartaal 2020.

X Noot
5

Dit kerncijfer is pas in juni 2021 beschikbaar.

X Noot
6

Dit totaal kan niet worden berekend.

Tabel 3 Kerncijfers incassoratio UWV, SVB en gemeenten

Incassoratio benadelingsbedrag + boetevordering ultimo 2020 (%)

2016

2017

2018

2019

2020

UWV1

73

65

49

42

23

SVB2

54

55

42

36

23

Gemeenten3

38

36

29

20

12

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

SVB, jaarverslag.

X Noot
3

CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

Re-integratie

Tabel 4 geeft weer hoeveel mensen met een arbeidsbeperking UWV aan het werk heeft geholpen. In 2020 vonden 10.250 mensen met een arbeidsbeperking een baan, wat beduidend minder is dan in 2019. Dit is toe te schrijven aan de arbeidsmarkt die in 2020 door de coronacrisis vooral voor werkzoekenden met een beperking verslechterd is.

Tabel 4 Aantal door UWV aan het werk geholpen mensen met een beperking1
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Mensen met recht op WAO-/WAZ-uitkering

400

300

400

250

150

2

Mensen met recht op Ziektewetuitkering

2.000

1.800

1.000

750

400

2

Mensen met recht op WIA-uitkering

2.400

2.500

2.900

3.500

3.000

Mensen met recht op Wajong

7.700

8.400

9.000

8.600

6.700

8.000

‒ 1.300

Totaal

12.500

13.000

13.300

13.100

10.250

Bron: UWV, jaarverslag.

X Noot
1

De aantallen zijn op verschillende manieren berekend. Bij de Wajong worden alleen de mensen die een arbeidsovereenkomst van minimaal zes maanden voor minimaal twaalf uur per week hebben aanvaard geteld. Bij de WIA, WAO en WAZ worden de mensen van wie het re-integratiedienstverleningstraject is beëindigd omdat ze voor hun resterende verdiencapaciteit werk hebben aanvaard geteld. Voor de Ziektewet worden uitsluitend de mensen die na een re-integratietraject aan het werk zijn gekomen geteld.

X Noot
2

Door de aard van deze regelingen kan geen streefwaarde worden opgesteld.

3.2 Uitgavenplafond Sociale Zekerheid

Deze paragraaf presenteert een totaaloverzicht van de uitgaven onder het uitgavenplafond Sociale Zekerheid (SZ) voor het jaar 2020. Eerst wordt de opbouw van de totale uitgaven onder het SZ-plafond weergegeven, onderverdeeld naar begrotings- en premiegefinancierde uitgaven. Daarna wordt inzicht gegeven in de onderverdeling van de uitgaven onder het SZ-plafond naar de verschillende regelingen. Ten slotte worden de uitgavenmutaties sinds de begroting 2020 gegroepeerd weergegeven en vindt toetsing van de SZ-uitgaven aan het plafond plaats. Om een goede vergelijking te maken tussen begrote en gerealiseerde uitgaven zijn de uitgaven van de begroting 2020 (prijzen 2019) omgerekend naar prijzen 2020. Daarnaast worden in deze paragraaf de ontvangsten in mindering gebracht op de uitgaven (netto SZ-uitgaven). Om deze twee redenen wijken de gepresenteerde uitgaven af van de uitgaven zoals opgenomen in de beleidsartikelen.

Uit tabel 5 is af te leiden dat de totale uitgaven onder het SZ-plafond € 17,1 miljard hoger zijn uitgekomen dan voorzien bij de begroting 2020. De uitgaven onder het SZ-plafond bestaan uit begrotingsgefinancierde uitgaven en premiegefinancierde uitgaven. De begrotingsgefinancierde uitgaven worden uit belastinginkomsten betaald, de premiegefinancierde uitgaven worden voornamelijk door middel van premies gefinancierd. Het merendeel van de uitgaven op de SZW-begroting valt onder het uitgavenplafond SZ.

Tabel 5 SZ-uitgaven 20201 (x € 1 mln)
 

Realisatie

Begroting

Verschil

 

2020

2020

2020

Totaal uitgaven begrotingsgefinancierd

59.902

40.126

19.777

-/- Correctie dubbeltelling rijksbijdragen

20.639

16.902

3.737

-/- Uitgaven R-plafond

610

663

‒ 53

-/- Correctie ontvangsten begrotingsgefinancierd

509

590

‒ 81

A. SZ-uitgaven begroting

38.145

21.970

16.174

    

Totaal uitgaven premiegefinancierd

62.399

61.600

799

-/- Correctie ontvangsten premiegefinancierd

227

260

‒ 33

B. SZ-uitgaven premie

62.172

61.340

832

    

C. Integratie-uitkering sociaal domein

1.957

1.893

63

    

Totaal SZ-uitgaven (A + B + C)

102.274

85.204

17.070

X Noot
1

Als gevolg van afronding kan de som van de delen afwijken van het totaal.

Op de totaaltelling van de uitgaven vindt een correctie plaats om dubbeltelling te voorkomen die ontstaat doordat sociale fondsen voor een deel gefinancierd worden uit begrotingsmiddelen. Deze zogeheten rijksbijdragen worden verantwoord op artikel 12 van dit jaarverslag. Dit betreft hoofdzakelijk een bijdrage aan het Ouderdomsfonds. De opbrengsten van de AOW-premie zijn namelijk onvoldoende om de ouderdomsuitgaven (AOW) te dekken.

De apparaatsuitgaven en enkele andere uitgaven, waaronder subsidies en opdrachten, behoren tot de uitgaven onder het plafond Rijksbegroting en zijn daarom niet relevant voor het SZ-plafond. Deze uitgaven worden in mindering gebracht op de totaaltelling.

Voor het gedeelte van de ontvangsten dat tot de niet-belastingontvangsten wordt gerekend, wordt eveneens gecorrigeerd. De gerealiseerde begrotingsontvangsten onder het SZ-plafond wijken af van de totale ontvangsten van SZW. De ontvangsten onder uitgavenplafond Rijksbegroting en de niet-plafondrelevante ontvangsten (voornamelijk werkgeversbijdragen kinderopvangtoeslag) worden immers niet onder het SZ-plafond meegenomen.

Rekening houdend met deze correcties bedragen de begrotingsgefinancierde uitgaven onder uitgavenplafond SZ in 2020 € 38,1 miljard, de premiegefinancierde uitgaven bedragen € 62,4 miljard.

Uitgavenontwikkeling

Tabel 6 toont een onderverdeling van de uitgaven die vallen binnen het SZ-plafond naar de verschillende regelingen. Wederom is het startpunt de begroting 2020. Ontvangsten worden in mindering gebracht op de uitgaven.

Tabel 6 Uitgaven SZ-plafond 2018-2020 (x € 1 mln)
 

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Begroting

Verschil

 

2018

2019

2020

2020

2020

Arbeidsmarkt

     

NOW/TOFA/comp CN

0

0

13.206

0

13.206

LIV/LKV/Jeugd-LIV

474

799

743

810

‒ 67

      

Werkloosheid

     

WW-uitgaven (werkloosheid)

4.102

3.656

4.061

3.471

590

Macrobudget participatiewetuitkeringen (bijstand)

6.216

6.085

6.378

6.147

231

      

Arbeidsongeschiktheid/Ziekte en zwangerschap

     

WIA/WAO/WAZ/Wajong

12.806

13.302

13.720

13.473

247

ZW/WAZO/Kraamverlof

2.803

3.061

4.296

3.763

533

      

Ouderdom/Nabestaanden

     

AOW

37.195

38.539

40.257

39.198

1.060

Inkomensondersteuning AOW

930

945

977

966

11

Anw

377

356

338

343

‒ 5

      

Kinderopvang en kindregelingen

     

KOT

2.651

3.088

3.647

3.117

530

AKW/WKB

5.273

5.742

6.350

6.324

26

      

Re-integratie/Participatie

     

Re-integratieuitgaven arbeidsongeschiktheid

175

171

170

208

‒ 39

Integratie-uitkeringen sociaal domein

2.556

1.987

1.957

1.893

63

      

Uitvoeringskosten en overige uitgaven

     

Uitvoeringskosten (UWV/SVB etc.)

1.950

1.973

2.373

2.134

239

Tozo/bijstand zelfstandigen

0

0

2.735

11

2.724

Overige uitgaven

1.587

1.055

1.065

1.336

‒ 271

      

Nominale ontwikkeling

0

0

0

2.009

‒ 2.009

      

Totaal SZ-uitgaven

78.622

80.760

102.274

85.204

17.070

Arbeidsmarkt

De uitgaven aan arbeidsmarkt vallen € 13.139 miljoen hoger uit dan begroot. Hoewel de uitgaven aan het Loonkostenvoordeel (LKV) lager waren, zijn de verschillende noodmaatregelen als gevolg van corona pas gedurende het jaar opgezet en daarom niet opgenomen in de stand bij de begroting 2020. De tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW), de Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten (TOFA) en de compensatie voor loonkosten en inkomstenverlies Caribisch Nederland, zorgden voor de overschrijding. De NOW zorgt bijna voor het gehele effect, met € 13.184 miljoen aan uitgaven in 2020.

Werkloosheid en Bijstand

De uitkeringslasten WW komen € 590 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening gehouden wordt met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling, is de realisatie € 487 miljoen hoger dan begroot. Als gevolg van de coronacrisis is het gebruik van de WW fors toegenomen ten opzichte van wat eerder werd verwacht.

De uitgaven aan het Macrobudget Participatiewetuitkeringen vallen € 231 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening gehouden wordt met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling, is de realisatie € 129 miljoen hoger dan begroot. Ook dit komt met name door een hoger gebruik als gevolg van de coronacrisis.

Arbeidsongeschiktheid en Ziekte en zwangerschap

De uitgaven voor arbeidsongeschiktheid en ziekte en zwangerschap zijn € 780 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. Indien rekening gehouden wordt met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling, is de realisatie € 338 miljoen hoger dan begroot. Het aantal uitkeringen in de IVA is lager en het aantal uitkeringen in de WGA is hoger. Daarnaast is er een lager dan verwachte gemiddelde uitkering, voornamelijk in de WGA. De WAO, WAZ en Wajong komen alle drie lager uit dan begroot.

De ZW komt hoger uit dan begroot. Een belangrijke verklaring voor de hogere ZW-uitgaven zijn de gevolgen van het coronavirus. Dit uit zich onder andere door een sterke toename van het aantal WW-gerechtigden die een beroep doen op de ZW. De uitgaven voor de compensatieregeling transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid komen ook hoger uit dan begroot. Het grootste deel hiervan wordt verklaard door het terugwerkende krachtgedeelte van de regeling (periode juli 2015 – april 2020). Het gemiddelde dienstverband bij ontslag en daarmee de gemiddelde hoogte van de gecompenseerde transitievergoedingen was aanzienlijk hoger dan geraamd.

Ouderom en nabestaanden

De AOW-uitgaven zijn € 1.065 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling is de realisatie € 98 miljoen lager dan begroot. Dit wordt voornamelijk verklaard door een hogere sterfte als gevolg van corona.

Kinderopvang en Kindregelingen

Het saldo van de uitgaven en ontvangsten Kinderopvangtoeslag is € 530 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling, is de realisatie € 471 miljoen hoger dan de begroting. Ondanks de verslechterde conjunctuur in 2020 is het gebruik van kinderopvang sterker gestegen dan verwacht.

De uitgaven aan AKW en WKB zijn € 26 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling, is de realisatie € 83 miljoen lager dan bij begroting. De inkomenspositie van huishoudens met kinderen is, ondanks de coronacrisis, positiever dan destijds verwacht. Daarnaast sluiten de voorschotten van de WKB beter aan bij de beschikkingen (het recht) dan eerder geraamd. Dit heeft geleid tot minder terugontvangsten.

Re-integratie en Participatie

In 2020 is € 39 miljoen minder uitgegeven aan re-integratie arbeidsongeschikten dan begroot. Dit bestaat uit lagere uitgaven aan re-integratie Wajong (€ 13 miljoen) en lagere uitgaven aan re-integratie WIA/WAO/WAZ (€ 26 miljoen). Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling, is de realisatie € 43 miljoen lager dan begroot. De uitgaven aan de integratie-uitkeringen sociaal domein zijn € 63 miljoen hoger dan verwacht bij de begroting 2020.

Uitvoeringskosten en overige uitgaven

De uitvoeringskosten van onder andere UWV en de SVB komen € 239 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstellingen, is de realisatie € 197 miljoen hoger dan begroot.

Als onderdeel van het Noodpakket banen en economie is de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) ingericht gedurende 2020. Aangezien deze regeling er nog niet was ten tijde van de begroting 2020, levert dit € 2.724 miljoen aan extra uitgaven op voor de bijstand zelfstandigen in vergelijking met de stand bij de begroting.

De overige uitgaven zijn € 271 miljoen lager uitgekomen dan begroot. Dit komt onder andere doordat het grootste deel van de reserveringen op artikel 99 (onvoorzien) à € 160 miljoen is overgeboekt naar de betreffende beleidsartikelen.

Toetsing aan het plafond

Tabel 7 laat de ontwikkeling van het SZ-plafond en de netto SZ-uitgaven zien voor het jaar 2020. De SZ-uitgaven worden getoetst aan het plafond.

Tabel 7 Bijstellingen SZ-uitgaven en ijklijn sinds de indiening van de Miljoenennota 2020 (x € 1 mln)
  

Uitgaven

 

SZ-uitgaven bij indiening Miljoenennota 20201

85.204

Budgettaire mutaties

17.070

SZ-uitgaven jaarverslag 2020

102.274

  

Uitgavenplafond (ijklijn)

 

IJklijn SZ-uitgaven bij Miljoenennota 2020

84.916

IJklijnmutaties

17.102

IJklijn SZ-uitgaven jaarverslag 2020

102.018

  

Kadertoetsing (over-/onderschrijding ijklijn) bij indiening Miljoenennota 2020

288

Kadertoetsing (over-/onderschrijding ijklijn) jaarverslag 2020

256

Uitgaven

De geraamde SZ-uitgaven van € 85,2 miljard ten tijde van de begroting 2020 zijn uitgekomen op € 102,3 miljard bij het jaarverslag 2020. Bovenstaand zijn de grootste mutaties toegelicht.

Uitgavenplafond

Het plafond 2020 is € 17,1 miljard hoger vastgesteld dan in de begroting 2020 is opgenomen. De voornaamste oorzaak is een bijstelling van het plafond als gevolg van de noodmaatregelen in verband met de corona uitbraak. Daarnaast is het plafond bijgesteld vanwege overboekingen tussen de plafonds, statistische correcties, nominale ontwikkeling en voor de niet-beleidsmatige mutaties in de WW en bijstand. Het plafond voor 2020 is uiteindelijk vastgesteld op € 102 miljard.

Toetsing SZ-uitgaven aan uitgavenplafond

Door de hogere SZ-uitgaven ten opzichte van de begroting en de iets minder hoge opwaartse bijstelling van het plafond is er sprake van een grotere overschrijding van het plafond dan bij de begroting. Per saldo is er bij jaarverslag 2020 € 0,3 miljard meer uitgegeven dan het voor 2020 geldende plafond.

3.3 Realisatie beleidsdoorlichtingen

Tabel 8 Realisatie beleidsdoorlichtingen

Art.

Naam artikel

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Geheel artikel?

1

Arbeidsmarkt

      

X

Ja

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

      

X

Ja

3

Arbeidsongeschiktheid

X

  

X

   

Nee1

4

Jonggehandicapten

    

X

  

Ja

5

Werkloosheid

  

X

    

Ja

6

Ziekte en zwangerschap

   

X

   

Ja

7

Kinderopvang

 

X

     

Ja

8

Oudedagsvoorziening

     

X

 

Nee2

9

Nabestaanden

     

X

 

Ja

10

Tegemoetkoming ouders

    

X

  

Ja

11

Uitvoering

 

X

     

Ja

12

Rijksbijdragen3

       

N.v.t.

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

   

X

   

Ja

X Noot
1

De beleidsdoorlichting is als IBO (Interdepartementaal Beleidsonderzoek) "Geschikt voor de arbeidsmarkt" in april 2017 opgeleverd.

X Noot
2

Zie voor een toelichting de paragraaf beleidsconclusies in artikel 8 Oudedagsvoorziening van het jaarverslag SZW 2019.

X Noot
3

Het artikel Rijksbijdragen is een technisch artikel. Er wordt op basis van dit artikel geen specifiek beleid gevoerd. Om die reden wordt dit artikel niet doorgelicht. De evaluatie van het beleid waarvoor deze rijksbijdragen zijn bedoeld, vindt plaats wanneer de artikelen waar dit beleid onderdeel van is, worden doorgelicht.

Voor het meest recente overzicht van de programmering van beleidsdoorlichtingen, klik op deze link. Voor de realisatie van andere onderzoeken, zie «Bijlage 2. Afgerond evaluatie- en overig onderzoek».

3.4 Overzicht van risicoregelingen

Asielgerechtigde nieuwkomers die inburgeringsplicht hebben, kunnen via het sociaal leenstelsel een bijdrage krijgen om hun inburgeringsonderwijs te bekostigen. Slechts ingeval deze nieuwkomers onvoldoende inspanningen hebben verricht om het inburgeringsdiploma of NT2-diploma tijdig te behalen dient de lening terugbetaald te worden. Overige nieuwkomers kunnen een beroep doen op het sociaal leenstelsel wanneer zij niet over voldoende middelen beschikken om hun inburgering zelf te bekostigen. In tegenstelling tot de eerste groep dienen zij de lening wel terug te betalen.

In beide gevallen geldt dat de lening niet wordt uitbetaald aan de nieuwkomer maar rechtstreeks aan de onderwijsinstantie.

Voor deze leningen is er geen risicovoorziening ingesteld omdat eventuele verliezen via de begroting worden opgevangen.

Tabel 9 Overzicht verstrekte leningen (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande lening

Looptijd lening

Totaalstand risicovoorziening 2019

Totaalstand mutatie volume risicovoorziening 2020 en 2019

13 Integratie en maatschappelijke samenhang

Leningen inburgering

271.578

divers

0

0

Bron: DUO, administratie.

Bijlage: Overzicht coronasteunmaatregelen

Tabel 10 Overzicht coronasteunmaatregelen (bedragen x € 1 mln)

Maatregel

Verplichtingen 2020

Uitgaven 2020

Relevante Kamerstukken

NOW

13.184

13.184

1e ISB 2020

2e ISB 2020

3e ISB 2020

4e ISB 2020

Kamerbrief noodpakket banen en economie

Kamerbrief noodpakket banen en economie 2.0

Kamerbrief steun- en herstelpakket

Tijdelijke subsidieregeling loonkosten en inkomensverlies Caribisch Nederland

29

29

1e ISB 2020

2e ISB 2020

3e ISB 2020

4e ISB 2020

Kamerbrief tijdelijke subsidieregeling loonkosten en inkomensverlies Caribisch Nederland

Kamerbrief noodpakket banen en economie

Kamerbrief noodpakket banen en economie 2.0

Kamerbrief steun- en herstelpakket

Tozo

3.199

3.199

1e ISB 2020

3e ISB 2020

4e ISB 2020

Kamerbrief noodpakket banen en economie

Kamerbrief noodpakket banen en economie 2.0

Kamerbrief steun- en herstelpakket

TOFA

20

20

3e ISB 2020

Kamerbrief TOFA

Tegemoetkoming eigen bijdrage kinderopvang

296

296

2e ISB 2020

3e ISB 2020

Kamerbrief noodopvang en eigen bijdrage kinderopvang

Noodopvang kinderopvang

23

23

3e ISB 2020

Kamerbrief noodopvang en eigen bijdrage kinderopvang

Eilandelijk beleid Caribisch Nederland

2

2

2e ISB 2020

3e ISB 2020

Kamerbrief noodpakket banen en economie

Kamerbrief noodpakket banen en economie 2.0

Kamerbrief steun- en herstelpakket

Arbeidsbemiddeling Caribisch Nederland

0,2

0,2

4e ISB 2020

Kamerbrief steun- en herstelpakket

Kamerbrief uitwerking aanvullend sociaal pakket

NL leert door

21

14

3e ISB 2020

Kamerbrief noodpakket banen en economie 2.0

Kamerbrief steun- en herstelpakket

Aanvullend sociaal pakket

   

Versnellen brede schuldenaanpak

3

3

4e ISB 2020

Kamerbrief steun- en herstelpakket

Kamerbrief uitwerking aanvullend sociaal pakket

Kamerbrief voortgang uitwerking sociaal pakket

Intensivering armoede- en schuldenaanpak

Re-integratiebudget gemeenten

40

40

4e ISB 2020

Kamerbrief steun- en herstelpakket

Kamerbrief uitwerking aanvullend sociaal pakket

Kamerbrief voortgang uitwerking sociaal pakket

Crisisdienstverlening (regionale mobiliteitsteams)

9

9

4e ISB 2020

Kamerbrief steun- en herstelpakket

Kamerbrief uitwerking aanvullend sociaal pakket

Kamerbrief voortgang uitwerking sociaal pakket

Ondersteuningstrajecten zelfstandigen

1

1

4e ISB 2020

Kamerbrief steun- en herstelpakket

Kamerbrief uitwerking aanvullend sociaal pakket

Kamerbrief voortgang uitwerking sociaal pakket

Aanpak jeugdwerkloosheid

9

9

4e ISB 2020

Kamerbrief steun- en herstelpakket

Kamerbrief uitwerking aanvullend sociaal pakket

Kamerbrief voortgang uitwerking sociaal pakket

Gemeentelijk schuldenbeleid & bijzondere bijstand

20

20

4e ISB 2020

Kamerbrief steun- en herstelpakket

Kamerbrief uitwerking aanvullend sociaal pakket

Kamerbrief voortgang uitwerking sociaal pakket

Intensivering armoede- en schuldenaanpak

NOW

De Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkbehoud (NOW) komt werkgevers tegemoet die door de coronacrisis met omzetverlies te maken hebben. Met de tegemoetkoming NOW kunnen werkgevers werknemers in dienst houden, waardoor banen behouden blijven. Werkgevers die te maken krijgen met minstens 20% omzetverlies kunnen aanspraak maken op de regeling. Werkgevers ontvangen een voorschot op basis van het verwachte omzetverlies. Achteraf vindt de subsidievaststelling plaats op basis van het daadwerkelijke omzetverlies. Ook wordt gekeken of werkgevers de loonsom op peil hebben gehouden.

Tijdelijke subsidieregeling loonkosten en inkomensverlies Caribisch Nederland

Het doel van deze regeling is het voorkomen van werkloosheid en het opvangen van inkomensverlies als gevolg van de acute vraaguitval die optreedt als gevolg van het coronavirus in Caribisch Nederland. Zowel werkgevers als zelfstandig ondernemers kunnen aanspraak maken op de regeling.

Tozo

De Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) heeft als doel ondernemers te ondersteunen tijdens de coronacrisis. De regeling is voor zelfstandig ondernemers, waaronder zzp’ers. Ondersteuning kan worden aangevraagd in de vorm van een aanvullende uitkering voor levensonderhoud en/of een lening voor bedrijfskapitaal.

TOFA

De TOFA was bedoeld voor flexwerkers die minimaal de helft van hun inkomsten zijn kwijtgeraakt en die geen uitkering kunnen krijgen. Dit zijn bijvoorbeeld werknemers met een nul-urencontract, uitzendkrachten en studenten met een bijbaan.

Tegemoetkoming eigen bijdrage kinderopvang

Alle ouders die gebruik maken van kinderopvang en hun factuur tijdens de sluitingsperioden van de kinderopvang volledig door blijven betalen, ontvangen een tegemoetkoming in de eigen bijdrage. De tegemoetkoming geldt voor alle typen formele opvang en voor verschillende financieringsvormen. Namelijk voor ouders die Kinderopvangtoeslag ontvangen, ouders die gebruik maken van een regeling gesubsidieerd door de gemeenten en personen die gebruik maken van kinderopvang zonder overheidsvergoeding.

Noodopvang kinderopvang

Tijdens de 1e sluitingsperiode van de kinderopvang verzorgen gemeenten noodopvang voor kinderen van ouders met een cruciaal beroep. Hiervoor maken gemeenten kosten. Deze regeling betreft een tegemoetkoming aan gemeenten voor deze kosten. De middelen zijn overgeboekt naar het Gemeentefonds.

Eilandelijk beleid Caribisch Nederland

De middelen voor eilandelijk beleid kunnen door de eilanden worden benut voor onder andere kwetsbare inwoners die buiten de Tijdelijke subsidieregeling loonkosten en inkomensverlies Caribisch Nederland vallen of voor inwoners of ondernemers die wel een beroep kunnen doen op de regeling, maar toch aanvullende inkomensondersteuning nodig hebben. De middelen zijn overgeboekt naar het BES-fonds.

Arbeidsbemiddeling Caribisch Nederland

Betreft extra inzet op arbeidsbemiddeling in Caribisch Nederland. Dit om te voorkomen dat als gevolg van de coronacrisis werkloos geworden lokale arbeidskrachten onnodig (lang) aan de kant blijven staan en een (steeds) grote(re) afstand tot de arbeidsmarkt krijgen. De middelen zijn overgeboekt naar het BES-fonds.

NL leert door

Deze maatregel bestaat uit het aanbieden van online scholing en ontwikkel­adviezen en een ondersteunende campagne om de kansen van scholing onder de aandacht te brengen. Dit helpt mensen die door de crisis hun baan zijn verloren of dreigen te verliezen zich te (her)oriënteren op baankansen en daarvoor zo nodig (online) scholing te volgen.

Aanvullend sociaal pakket

Versnellen brede schuldenaanpak

Met de middelen voor de versnelling en intensivering worden initiatieven uitgevoerd die voortvloeien uit diverse rondetafelgesprekken die zijn gevoerd in het kader van de armoede- en schuldenaanpak.

Re-integratiebudget gemeenten

Dit betreft middelen die beschikbaar zijn gemaakt voor de re-integratie van bijstandsgerechtigden, aanvullend op de middelen die gemeenten reeds tot hun beschikking hebben. Doel is dat gemeenten de reguliere dienstverlening aan bijstandsgerechtigden op peil kunnen houden bij een hogere instroom in de bijstand. De middelen zijn grotendeels overgeboekt naar het Gemeentefonds en voor een klein deel naar het BTW-compensatiefonds.

Crisisdienstverlening (regionale mobiliteitsteams)

Een deel van de mensen die als gevolg van de coronacrisis hun baan verliezen of met werkloosheid worden bedreigd, is gebaat bij extra ondersteuning om snel en gericht de weg te vinden naar ander werk. Specifiek voor deze mensen is een nieuwe aanpak van aanvullende (crisis)dienstverlening ontwikkeld, waarin werkgeversorganisaties, vakbonden, gemeenten en UWV samenwerken in regionale mobiliteitsteams om mensen naar werk te begeleiden. De middelen zijn grotendeels overgeboekt naar het Gemeentefonds en en voor een klein deel naar het BTW-compensatiefonds.

Ondersteuningstrajecten zelfstandigen

Dit betreft middelen specifiek voor ondersteuningstrajecten van zelfstandigen. De middelen zijn grotendeels overgeboekt naar het Gemeentefonds en voor een klein deel naar het BTW-compensatiefonds.

Aanpak jeugdwerkloosheid

Jongeren die werkloos dreigen te worden of net zijn geworden en extra ondersteuning nodig hebben, kunnen een beroep doen op de dienstverlening van Regionale Mobiliteitsteams. Naast deze generieke middelen krijgen scholen en gemeenten ook specifiek budget voor een integrale aanpak om kwetsbare schoolverlaters te laten doorleren of te ondersteunen naar werk. SZW en OCW ondersteunen de regio’s in deze aanpak. De middelen zijn grotendeels overgeboekt naar het Gemeentefonds en voor een klein deel naar het BTW-compensatiefonds.

Gemeentelijk schuldenbeleid & bijzondere bijstand

Dit betreft een intensivering in het gemeentelijk schuldenbeleid en de bijzondere bijstand. Doel is om gemeenten te helpen mensen van dichtbij te ondersteunen in het geval van armoede en problematische schulden. De middelen zijn aan de algemene uitkering van het Gemeentefonds toegevoegd.

4. Beleidsartikelen

4.1 Artikel 1 Arbeidsmarkt

A. Algemene doelstelling

De overheid draagt bij aan evenwichtige arbeidsverhoudingen en -voorwaarden door kaders te stellen en waar van toepassing toe te zien op de naleving daarvan. De overheid bevordert en stimuleert een inclusieve arbeidsmarkt en gezonde en veilige arbeidsomstandigheden.

De overheid bevordert het functioneren van de arbeidsmarkt door bescherming te bieden en de belangen van werknemers te waarborgen in evenwicht met de belangen van de onderneming. De overheid voorziet hierbij in een minimumniveau van arbeidsrechtelijke bescherming, onder andere ten aanzien van de arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden, met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Daarnaast draagt zij zorg voor een op de arbeidsmarkt toegesneden arbeidsmigratiebeleid.

De overheid vindt het belangrijk dat werknemers en zelfstandigen hun werk onder goede condities kunnen verrichten. Dit is ook van belang voor het vergroten van de arbeidsparticipatie en de arbeidsproductiviteit, het beperken van uitval door ziekte en arbeidsongeschiktheid, en het bevorderen van de duurzame inzetbaarheid van werknemers.

De overheid geeft invulling aan bovenstaand beleid door de vormgeving van een stelsel van wet- en regelgeving. Ook ziet de overheid toe op de naleving daarvan. Concreet gaat het daarbij om:

  • gezond en veilig werken, waaronder de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en de Arbeidstijdenwet (ATW);

  • arbeidsverhoudingen, waaronder de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (cao), de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (avv) en de Wet op de ondernemingsraden (WOR);

  • arbeidsrechtelijke bescherming, waaronder de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml), wet- en regelgeving met betrekking tot gelijke behandeling en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi);

  • toelating van arbeidsmigranten, waaronder de Wet arbeid vreemdelingen (Wav);

  • de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU);

  • maatregelen tegen schijnconstructies van werkgevers, waaronder de Wet aanpak schijnconstructies (Was);

  • de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl);

  • de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab).

Bij het realiseren van deze doelstelling is een belangrijke taak weggelegd voor sociale partners. Zij zijn verantwoordelijk voor het maken van onderlinge afspraken over arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen en het bieden van veilige en gezonde werkomstandigheden. De overheid bevordert dat sociale partners hier vorm en uitvoering aan geven en voert hiertoe overleg met hen.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert met financiële instrumenten het in dienst nemen van mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt, initiatieven die bijdragen aan gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en aan goede arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden. De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel van minimumeisen. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van dit stelsel;

  • de vaststelling van de hoogte van het wettelijk minimumloon (Wml) en het maximumdagloon;

  • het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen, onder andere door het recht op onderhandeling door sociale partners te waarborgen en het in stand houden van een adequate overlegstructuur met de sociale partners;

  • het bevorderen dat werkgevers en werknemers gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en een goed werktijden- en verzuimbeleid realiseren;

  • het bevorderen dat werkenden gezond en vitaal kunnen doorwerken tot de pensioengerechtigde leeftijd;

  • het zorgdragen voor gelijke kansen voor en tijdens arbeidsdeelname;

  • het stimuleren en faciliteren van postinitiële scholing ten behoeve van het optimaal functioneren van de arbeidsmarkt;

  • de handhaving van de wet- en regelgeving door de Inspectie SZW.

De Minister van Financiën is primair verantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsmarktbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

C. Beleidsconclusies

NOW

Als gevolg van de coronacrisis is de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW) ingesteld. De regeling heeft als doel om getroffen ondernemingen te ondersteunen zodat werk zoveel mogelijk behouden kan blijven. De regeling voorziet in een tegemoetkoming in de loonkosten. Werkgevers ontvangen een voorschot van 80% van de subsidieaanvraag op basis van het verwachte omzetverlies. Achteraf vindt de subsidievaststelling plaats over het daadwerkelijke omzetverlies. Ook wordt gekeken of werkgevers de loonsom op peil hebben gehouden. Op basis van de definitieve subsidievaststelling kan een nabetaling of terugvordering plaatsvinden. In 2020 zijn voor drie NOW-tranches (NOW-1, NOW-2 en NOW-3) aanvraagloketten opengesteld. In oktober is UWV gestart met het definitief vaststellen van de subsidie van de eerste NOW-tranche.

Met behulp van de NOW-regeling zijn veel banen in Nederland behouden gebleven. In de NOW-1 hebben ongeveer 140 duizend werkgevers steun ontvangen, die gezamenlijk ruim 2,6 miljoen werknemers vertegenwoordigden. Hierbij is € 7,9 miljard aan voorschotten verstrekt. In de NOW-2 hebben ruim 63 duizend werkgevers steun ontvangen, die 1,3 miljoen werknemers vertegenwoordigden. Hierbij is € 4,2 miljard aan voorschotten verstrekt. In de derde tranche van de NOW-3 hebben 78 duizend werkgevers steun ontvangen, die 1,3 miljoen werknemers vertegenwoordigden. Hierbij is € 2,8 miljard aan voorschotten verstrekt, waarvan € 0,9 miljard aan voorschot in 2020 is uitgekeerd.

Tijdelijke Overbruggingregeling Flexibele Arbeidskrachten (TOFA)

De TOFA heeft als doel om flexwerkers die door de coronacrisis substantieel inkomensverlies hebben geleden, maar geen aanspraak kunnen maken op een uitkering, tegemoet te komen in de kosten voor hun levensonderhoud. Deze tegemoetkoming bedraagt € 550 bruto per maand en wordt door UWV verstrekt over de maanden maart, april en mei 2020. In 2020 is in totaal € 20,1 miljoen aan tegemoetkomingen gerealiseerd.

Tijdelijke subsidieregeling loonkosten en inkomensverlies CN

In verband met de enorme impact van COVID-19 voor economie en samenleving in Caribisch Nederland, is per 13 maart 2020 de Tijdelijke subsidieregeling loonkosten en inkomensverlies CN in het leven geroepen. Deze regeling heeft tot doel het ondersteunen van bedrijven en (gewezen) werknemers in Caribisch Nederland om de moeilijke periode als gevolg van de coronacrisis door te komen en om ontslagen als gevolg van de crisis te voorkomen.

De doelgroep van de regeling is drieledig. Werkgevers met ten minste 20% omzetverlies hebben recht op een tegemoetkoming in de loonkosten, zelfstandig ondernemers hebben recht op een inkomensaanvulling tot 80% van het wettelijk minimumloon en gewezen werknemers hebben recht op een inkomensondersteuning gerelateerd aan 80% van het laatstverdiende gemaximeerde dagloon. De regeling heeft over 2020 een groot bereik gehad. De subsidie is verstrekt aan circa 3.400 werknemers, 1.000 zelfstandigen en 500 gewezen werknemers.

Wet arbeidsmarkt in balans (Wab)

De meeste maatregelen in de Wab zijn op 1 januari 2020 in werking getreden. Uitzondering zijn de maatregelen ten aanzien van payrollpensioen, die op 1 januari 2021 in werking zijn getreden. De implementatie van een aantal maatregelen ten aanzien van premiedifferentiatie is opgeschort, mede als gevolg van maatregelen die tijdens de coronacrisis zijn gekomen.

Op verzoek van de Tweede Kamer is een aantal quickscans uitgevoerd, waarin eerste signalen zijn opgenomen over de effecten van specifieke maatregelen van de Wab (Kamerstukken II 2020/21, 35 074, nr. 75 en Kamerstukken II 2020/21, 35 074, nr. 76).

Compensatie transitievergoeding

Per 1 april 2020 is de regeling Compensatie transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid (compensatieregeling LAO) in werking getreden. Vanaf dat moment kunnen werkgevers een compensatieaanvraag indienen bij UWV. De mogelijkheid om compensatie aan te vragen voor betaalde transitie-vergoedingen als de onderneming is beëindigd vanwege pensionering of overlijden van de werkgever is in werking getreden per 1 januari 2021. Inwerkingtreding per 1 januari 2021 bleek nog niet mogelijk voor het onderdeel «ziekte of gebreken van de werkgever». Het is nog niet duidelijk wat de nieuwe datum van inwerkingtreding zal kunnen zijn (Kamerstukken II 2020/21, 34 699, nr. 9).

Wet tegemoetkomingen loondomein

De temporisering van de verhoging van de AOW-leeftijd (Kamerstukken II 2018/19, 32 043, nr. 457) wordt deels gedekt met middelen uit de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl). Daarnaast is in het pensioenakkoord de afspraak gemaakt dat werkgevers in overleg met het kabinet onderzoeken of voor het geheel aan instrumenten in de Wtl, waaronder het Lage-inkomensvoordeel (LIV), tot een effectievere invulling gekomen kan worden.

Uitkomst van de gesprekken met werkgevers is de overkoepelende visie dat de Wtl als geheel moet bijdragen aan de inclusieve arbeidsmarkt (Kamerstukken II 2019/20, 34 304, nr. 15). Daarom wordt het LIV omgevormd tot een loonkostenvoordeel specifiek gericht op jongeren met een (potentieel) kwetsbare positie op de arbeidsmarkt. Ook wordt het reeds bestaande loonkostenvoordeel banenafspraak verbreed door deze structureel te maken (nu maximaal drie jaar) en ook beschikbaar te stellen voor mensen uit de doelgroep die al in dienst zijn. Door deze aanpassingen wordt niet alleen het in dienst nemen, maar ook het in dienst houden van mensen uit de doelgroep banenafspraak gestimuleerd.

Wijziging regeling en Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen

Per 1 januari 2020 is een wijziging in het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen in werking getreden waarmee geregeld is dat familie- of gezinsleden van buitenlandse zelfstandigen kunnen werken zonder in het bezit te hoeven zijn van een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid.

Daarnaast worden momenteel de laatste stappen gezet in het benodigde wetgevingstraject voor de realisatie van de pilot essentieel personeel voor startups. Deze regeling maakt het voor startende, innovatieve bedrijven mogelijk om essentieel personeel uit derdelanden aan te nemen tegen een verlaagd salariscriterium in ruil voor een aandeel in het bedrijf. Het streven is dat de pilot in de eerste helft van 2021 van start gaat.

EU-richtlijnen

Als uitvloeisel van EU-richtlijn 2014/67/EU is op 1 maart 2020 de meldingsplicht ingevoerd voor dienstverleners uit andere lidstaten van de EU, EER en Zwitserland die hun werknemers in Nederland laten werken. Dit betekent dat dienstverrichters uit andere EU-lidstaten die werkzaamheden in Nederland starten en daarvoor werknemers detacheren, hiervan melding moeten doen in het online meldloket (www.postedworkers.nl). Op 10 februari 2020 is het online meldloket opengesteld. De Inspectie SZW, de Belastingdienst en de SVB zijn als afnemers aangesloten op het meldloket. Op basis van de gegevens kunnen de afnemers risicoanalyses doen voor de handhaving van wet- en regelgeving. In de tweede helft van 2020 is een voorlichtingscampagne uitgevoerd waarmee de meldingsplicht en de herziene detacheringsrichtlijn onder de aandacht zijn gebracht in Nederland en de belangrijkste Europese landen.

Op 30 juli 2020 is de Implementatiewet herziene detacheringsrichtlijn in werking getreden (implementatie van EU-richtlijn 2018/957). De herziene detacheringsrichtlijn heeft als doel een nieuwe en betere balans te vinden tussen enerzijds het bevorderen van het vrij verkeer van diensten in de Europese Unie en anderzijds de bescherming van de rechten van gedetacheerde werknemers.

Leven lang ontwikkelen

Vanaf 2020 is de SLIM-regeling inwerking getreden. Deze regeling heeft als doel om leren en ontwikkelen in het mkb te stimuleren. In totaal is jaarlijks € 49,4 miljoen beschikbaar. In 2020 is dit budget naar latere jaren geschoven. Er loopt een proces- en effectevaluatie naar de regeling. De eerste resultaten worden in het voorjaar 2021 opgeleverd.

Met de subsidieregeling MKB!dee stimuleert het kabinet mkb-ondernemers belemmeringen weg te nemen om te investeren in opleiding en ontwikkeling en zodoende de leercultuur te bevorderen. Tot nu toe hebben 61 projecten subsidie ontvangen. De meeste projecten zullen in de eerste helft van 2021 zijn afgerond.

De middelen uit het pensioenakkoord om duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen te stimuleren, zijn ingezet voor het ontwikkelen van de quickscan met een inventarisatie van effectieve maatregelen en het voorbereiden van een kennisplatform via duurzameinzetbaarheid.nl. De geplande communicatiecampagne is ingezet ter ondersteuning van de crisismaatregelen NL leert door. De verwachting is dat de subsidieregeling per het derde kwartaal van 2021 wordt opengesteld.

Medio 2020 is het crisispakket NL leert door gepubliceerd, met als doel om werkenden en werkzoekenden te ondersteunen bij het versterken van hun arbeidsmarktpositie door het aanbieden van kosteloze ontwikkeladviestrajecten en scholing.

Met de regeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies is € 51 miljoen beschikbaar gesteld voor kosteloze ontwikkeladviestrajecten. In totaal hebben 77.000 mensen zich laten registeren voor het volgen van een ontwikkeladvies. In november is een eerste quickscan opgeleverd van de kenmerken en eigenschappen van de deelnemers.

Voor NL leert door met inzet van scholing was in 2020 € 34 miljoen beschikbaar. In totaal worden 80.000 scholingstrajecten beschikbaar gesteld via hoewerktnederland.nl. De doelmatigheid en doeltreffendheid van de maatregelen in NL leert door worden onderzocht met de effectevaluatie.

Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden (MDIEU)

Naar aanleiding van de afspraken uit het pensioenakkoord is in 2020 in samenspraak met sociale partners de subsidieregeling voor Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden (MDIEU) uitgewerkt. Hierbij zijn sectorale activiteitenplannen ontwikkeld gericht op het verbeteren van duurzame inzetbaarheid van werkenden en op het wegnemen van knelpunten in het financieren van regelingen voor eerder uittreden (Kamerstukken II 2020/21, 25 883, nr. 406).

Gezond en veilig werken

Op het terrein van gevaarlijke stoffen is in 2020 gestart met het Validatie- en Innovatiepunt (VIP) asbest om innovatie binnen de asbestsector te stimuleren. De eerste innovaties zijn in behandeling genomen bij het VIP. Daarnaast is gestart met de implementatie van het SMA-rt-systeem (Stoffen Manager Asbest Risico Techniek) en de ontwikkeling van de digitale tool SMA-rt nieuwe stijl.

In 2020 is vanuit het traject Arbovisie 2040 een reeks (digitale) inhoudelijke bijeenkomsten georganiseerd om zoveel mogelijk kennis, standpunten en visies op te halen bij betrokken stakeholders. Naast deze co-creatie sessies zijn ook de uitkomsten van de beleidsdoorlichting van begrotingsartikel 1, de evaluatie van de Arbowet en de verkenning verbetering arbobeleidscyclus geanalyseerd. Op basis van deze analyses en de input die is verkregen uit de sessies met betrokken stakeholders is in 2020 gestart met het opstellen van de Hoofdlijnennotitie ten behoeve van de SER-adviesaanvraag waar in 2021 het resultaat van wordt verwacht.

Sinds 2020 richt het programma Preventie Beroepsziekten zich zowel op het voorkomen van nadelige gezondheidseffecten door blootstelling aan gevaarlijke stoffen als op de thema’s fysieke belasting en fysieke onderbelasting in verband met zittend werk. Kennis is verzameld en toegankelijk gemaakt via een multimediale campagne, waarbij ook de reguliere communicatiekanalen van SZW en die van sectoren zijn benut die aan het programma deelnemen. Daarnaast wordt kennis gedeeld in de vorm van masterclasses en webinars (Kamerstukken II 2018/19, 25 883, nr. 347).

Op 4 maart 2020 is een eerste bijeenkomst georganiseerd over het thema fysieke belasting, met prioritaire sectoren, kennisinstituten en met het Europese OSHA (Occupational Safety and Health Agency) instituut als opmaat naar de kick-off van de campagne fysieke belasting op 28 oktober 2020. In deze bijeenkomst zijn de laatste wetenschappelijke inzichten gedeeld, goede praktijken gepresenteerd, informatie over interventies gepubliceerd en is een landingspagina op website Arboportaal gelanceerd.

Op 5 oktober 2020 is het programma Vitaal Bedrijf gelanceerd. Het programma wordt uitgerold door de werkgeversvertegenwoordiging en de stichting Nederland Onderneemt Maatschappelijk! in nauwe samenwerking met SZW en VWS. Vitaal Bedrijf stimuleert dat vitaliteitsbeleid hoger op de agenda komt in organisaties, en dan met name in branches en bedrijven waar gezondheidswinst is te behalen. Daarnaast is de eerste helft van 2020 aanvullend ingezet op vitaal thuiswerken via het communicatietraject «Thuiswerken is Topsport».

In 2020 is gestart met de uitvoering van het Meerjarenprogramma (MJP) om de naleving van de Risico-inventarisatie en Evaluatie (RI&E) verplichting kwantitatief en kwalitatief te verbeteren. Het MJP is opgedeeld in drie programmalijnen die achtereenvolgens zijn gericht op communicatie, toepassing en toezicht en handhaving. Om kleine werkgevers te ondersteunen bij het maken van een RI&E is in 2020 een landelijke campagne gestart en is het digitale startpunt ‘route naar RI&E’ gerealiseerd. Verder zijn de eerste stappen gezet om ervoor te zorgen dat de RI&E verplichting goed kan worden uitgevoerd door werkgevers met behulp van informatievoorziening, instrumenten en advisering en toetsing. Vanuit de derde programmalijn is in 2020 de sectoraanpak arbozorg en de pilot administratieve handhaving uitgevoerd.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 11 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 1 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Verplichtingen

20.914

20.064

486.041

816.502

14.053.826

891.882

13.161.944

        

Uitgaven

19.385

15.854

486.149

813.555

14.014.042

891.167

13.122.875

        

Inkomensoverdrachten

       

Vakantiedagen

3.427

1.805

21

7

0

0

0

Lage-inkomensvoordeel

0

0

473.561

509.639

528.567

505.275

23.292

Minimumjeugdloonvoordeel

0

0

0

123.754

63.325

82.725

‒ 19.400

Loonkostenvoordelen

0

0

0

165.404

150.823

222.000

‒ 71.177

Subsidies

       

Duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen

0

0

0

0

1.292

10.000

‒ 8.708

Stimuleringsregeling LLO in MKB

0

0

0

0

0

49.400

‒ 49.400

Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid

0

0

0

0

13.183.600

0

13.183.600

Compensatie loonkosten en inkomstenverlies CN

0

0

0

0

28.735

0

28.735

Nederland leert door

0

0

0

0

14.400

0

14.400

Tofa

0

0

0

0

20.100

0

20.100

Maatwerkregeling DI en eerder uittreden

0

0

0

0

140

0

140

Overige subsidies algemeen

3.049

3.173

1.712

1.877

2.921

3.845

‒ 924

Opdrachten

       

Opdrachten

8.948

6.807

6.716

7.642

14.384

11.912

2.472

Bekostiging

       

Bekostiging

145

125

100

675

525

1.050

‒ 525

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

       

Ministerie van EZK

0

0

0

0

0

100

‒ 100

Ministerie van VWS

0

0

0

0

100

692

‒ 592

Bijdrage aan agentschappen

       

RIVM

3.816

3.944

4.039

4.557

5.078

4.168

910

CJIB

0

0

0

0

52

0

52

        

Ontvangsten

24.552

29.240

16.717

10.904

11.195

24.000

‒ 12.805

X Noot
1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW. De stand zoals gepresenteerd onder de stand vastgestelde begroting wijkt af van de stand vastgestelde begroting bij de eerste suppletoire begroting, tweede suppletoire begroting, tweede incidentele suppletoire begroting en de slotwet. De reden hiervoor is dat in deze wetten de eerste en tweede incidentele suppletoire begroting, die zijn ingediend tussen de vaststelling van de ontwerpbegroting en de vaststelling van de eerste suppletoire begroting, zijn opgeteld bij vastgestelde begroting en in het jaarverslag niet.

Tabel 12 Premiegefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 1 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Uitgaven

0

0

0

0

1.014.824

852.671

162.153

        

Inkomensoverdrachten

       

Transitievergoeding na 2 jaar ziekte

0

0

0

0

1.014.824

817.128

197.696

        

Nominaal

0

0

0

0

0

35.543

‒ 35.543

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

E. Toelichting op de instrumenten
Inkomensoverdrachten
Lage-inkomensvoordeel

Er is in 2020 (over 2019) in totaal € 528 miljoen uitgekeerd aan ruim 97.000 werkgevers en circa 453.000 werknemers. Dit is € 23,9 miljoen meer dan waar rekening mee is gehouden ten tijde van de begrotingsopstelling. Dit komt doordat er meer banen onder het LIV vielen dan verwacht. Met ingang van 2020 (uitbetaling in 2021) is de tegemoetkoming voor werkgevers per werknemer met een uurloon tussen de 100 en 125% van het minimumloon € 0,51 per uur en maximaal € 1.000 per kalenderjaar.

Minimumjeugdloonvoordeel

De uitgaven aan het minimumjeugdloonvoordeel zijn € 19,4 miljoen lager dan in de begroting is opgenomen. Dit komt doordat er minder banen onder de regeling vielen dan verwacht. Er is in 2020 (over 2019) in totaal € 63,3 miljoen uitgekeerd aan ruim 72.000 werkgevers en ruim 290.000 werknemers.

Loonkostenvoordelen

Er is in 2020 (over 2019) in totaal € 150,8 miljoen uitgekeerd. Dit is € 71,2 miljoen lager dan begroot. Dit komt doordat het gebruik van de LKV’s achterbleef bij de verwachting. Onder het LKV vielen ruim 16.000 werkgevers onder LKV ouderen, circa 8.000 onder LKV Arbeidsgehandicapten, ruim 600 onder het LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten en circa 9.000 onder het LKV Doelgroep Banenafspraak en scholingsbelemmerden. Bij de LKV's waren in 2020 89.000 werknemers betrokken.

Transitievergoeding na 2 jaar ziekte

De uitgaven komen hoger uit dan destijds verwacht. Het grootste deel van deze hogere uitgaven heeft betrekking op het terugwerkende krachtgedeelte van de regeling (periode juli 2015 – april 2020). De hogere uitgaven worden met name verklaard doordat het gemiddelde dienstverband bij ontslag en daarmee de gemiddelde hoogte van de gecompenseerde transitievergoedingen aanzienlijk hoger was dan bij het opstellen van de begroting 2020 werd verwacht.

Subsidies

In 2020 is voor € 13,25 miljard aan subsidies verstrekt. De Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) heeft hierin met € 13,18 miljard verreweg het grootste aandeel. In 2020 is € 13,18 miljard aan UWV beschikbaar gesteld voor de bevoorschotting van de NOW. In totaal is voor de Compensatieregeling Loonkosten en Inkomensverlies Caribisch Nederland in 2020 € 28,74 miljoen gerealiseerd. Voor de crisisgerelateerde subsidieregeling Nederland leert door is in 2020 € 14,4 miljoen uitgegeven en het totale resultaat van de Tijdelijke Overbruggingsmaatregel voor Flexibele Arbeidskrachten (Tofa) is in 2020 uitgekomen op € 20,1 miljoen.

De uitgaven van de subsidieregeling Duurzame inzetbaarheid en Leven Lang Ontwikkelen kwamen lager uit dan begroot. Dit hangt samen met een kasschuif van € 4 miljoen naar latere jaren. Hiernaast is budget overgeboekt naar het opdrachtenbudget voor voorlichtingcampagnes, is er apparaatsbudget beschikbaar gesteld voor personele inzet maatwerk pensioen en duurzame inzetbaarheid en is budget beschikbaar gesteld voor de ondersteuning en het voorzien in goede informatievoorziening/expertise op het gebied van praktijkleren. Dit heeft te maken met de looptijd van de initiatieven. Deze is vaak ongeveer een jaar of langer.

Voor de subsidieregeling SLIM is via een kasschuif € 47 miljoen naar toekomstige jaren geschoven. Tevens is er budget overgeboekt naar UVB voor de uitvoeringskosten. Een reservering voor vaststellingen is niet tot besteding gekomen omdat er geen vaststellingsverzoeken zijn ontvangen.

In 2020 is € 0,14 miljoen besteed aan de tijdelijke Maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden (MDIEU). In de begroting waren hier nog geen kosten voor gereserveerd. De regeling is begin 2021 gestart. In 2020 zijn enkele voorbereidingskosten gemaakt.

Een aantal begrote subsidies die onder de post overige subsidies algemeen vallen op het werkterrein van gezond en veilig werken, is als gevolg van de coronacrisis in vertraging gekomen en gedeeltelijk doorgeschoven naar 2021.

Opdrachten

In totaal is in 2020 € 14,4 miljoen besteed aan opdrachten. Dit is circa € 2,5 miljoen meer dan begroot. Van dit budget is een deel overgeboekt naar andere artikelonderdelen en vakdepartementen. Een aantal campagnes en voorlichtingsactiviteiten is vertraagd als gevolg van de coronacrisis, bijvoorbeeld de campagne arbeid en zorg en communicatie rondom de SLIM-regeling. Op het terrein van gezond en veilig werken heeft een aantal extra opdrachten plaatsgevonden.

Bekostiging

Het budget voor bekostiging laat een onderschrijding zien van € 0,5 miljoen. Budget dat beschikbaar was voor de voortzetting van de subsidie Diversiteit in Bedrijf is overgeboekt naar Subsidies Algemeen artikel 1.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Het Ministerie van SZW heeft in 2020 een bijdrage geleverd aan de begroting van het Ministerie van VWS voor de kosten van de Gezondheidsraad en Vitaal bedrijf. De geplande bijdrage aan het Ministerie van EZK van € 0,1 miljoen voor het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) is niet doorgegaan.

Bijdrage aan agentschappen

Het Ministerie van SZW levert jaarlijks een bijdrage aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De bijdrage is in 2020 € 0,9 miljoen hoger uitgevallen door additionele opdrachten voor de Kwaliteitstafel, Asbest VIP en inzet expertise COVID-19.

Ontvangsten

De ontvangsten op dit beleidsartikel komen € 12,8 miljoen lager uit dan oorspronkelijk begroot. Dit komt met name doordat de boeteontvangsten van de Inspectie SZW met € 9,9 miljoen € 14,1 miljoen lager waren dan verwacht. Door een budgetneutrale herschikking binnen de Begroting SZW zijn de ontvangsten uit eigen bijdragen van werknemers voor aanpassingen aan dienstauto’s en de verkoop van dienstauto’s aan de leasemaatschappij overgeheveld van artikel 98 naar dit artikel. Hierdoor zijn de ontvangsten € 1,3 miljoen hoger dan bij de ontwerpbegroting geraamd.

Lagere boeteontvangsten zijn hoofdzakelijk het gevolg van dat het aandeel reactieve inspecties gemiddeld over het gehele kalenderjaar relatief hoog blijft. Reactieve inspecties kosten meer tijd, waardoor er minder inspecties plaatsvinden en er minder boetes worden opgelegd.

De raming van de boeteontvangsten van de Inspectie SZW is met aanzienlijke onzekerheid omgeven. Zij hangen onder andere af van het type en aantal bedrijven dat wordt bezocht en wat er wordt waargenomen bij deze inspecties. Overigens zijn de boeteontvangsten niet taakstellend voor de Inspectie SZW, waardoor niet wordt gestuurd op het behalen van de geraamde boeteontvangsten. De Inspectie stuurt uiteraard wel op het innen van de opgelegde boetes.

Kerncijfers
Arbeidsmarkt

De uitgangspositie voor de coronacrisis was erg gunstig: het aantal werkenden lag op recordhoogte en het aantal werklozen was historisch laag. De arbeidsmarkt is door de coronacrisis in 2020 verslechterd, alhoewel dit slechts beperkt in de cijfers terugkomt. Het aantal werkenden ligt ongeveer op hetzelfde niveau van 2019 en het aantal werklozen is maar met ongeveer 40 duizend toegenomen.

2020 was een woelig jaar voor de arbeidsmarkt. Aan het begin van de coronacrisis daalde het aantal werkenden en steeg de werkloosheid rap. Tegelijkertijd had de verslechtering groter kunnen zijn. Al met al is de schade aan de arbeidsmarkt vanwege het omvangrijke steun- en herstelpakket beperkt gebleven. In de loop van het jaar trok de arbeidsmarkt weer aan. Het aantal werkenden nam van het hoogtepunt in februari (9.057 duizend) af tot 8.856 duizend in mei. Hierna steeg het aantal werkenden weer. In december (8.979 duizend) was de krimp in het aantal werkenden voor meer dan de helft hersteld. De werkloosheid liep van 2,9% in februari en maart op naar het hoogtepunt in augustus (4,6%). Daarna nam de werkloosheid af naar 3,9% in december. Tezamen met een gunstige uitgangspositie vanuit de eerste drie maanden van 2020, is het resultaat dat de jaargemiddelden relatief weinig afwijken van 2019.

Volgens het CPB en UWV is de impact van corona op de arbeidsmarkt vooral zichtbaar in het aantal gewerkte uren per persoon. Dat reageerde namelijk sterker dan de bovengenoemde indicatoren op de situatie in de economie. Het aantal gewerkte uren lag aan het einde van het tweede kwartaal 7,7% lager dan in het vierde kwartaal van 2020. Na een stijging van 5% in het derde kwartaal, nam het aantal gewerkte uren met 1,2% af in het vierde kwartaal. Het aantal gewerkte uren is in totaal 4,3% afgenomen ten opzichte van het vierde kwartaal van 2019

Tabel 13 Kerncijfers Arbeidsmarkt
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Beroepsbevolking (x 1.000)

8.942

9.017

9.125

9.267

9.308

Werkzame beroepsbevolking (x 1.000)

8.403

8.579

8.774

8.953

8.951

Werkloze beroepsbevolking (x 1.000)

539

438

350

314

357

Werkloosheidspercentage

6,0

4,9

3,8

3,4

3,8

 

15 tot 25 jaar (jeugdwerkloosheid)

10,8

8,9

7,2

6,7

9,1

 

25 tot 45 jaar

4,6

3,7

2,8

2,8

3,3

 

45 tot 75 jaar

5,6

4,4

3,6

2,7

2,4

Bron: CBS, Statline.

Tegelijkertijd zien we dat de crisis de ene groep harder treft dan de andere groep. Zo is de jeugdwerkloosheid in 2020 fors gestegen, terwijl de werkloosheid onder de groep 45-75 is gedaald. Dat jongeren sterk geraakt zijn heeft te maken met de sectoren waarin zij doorgaans werken en de contracten op basis waarvan zij dat doen. Jongeren werken namelijk relatief vaak in sectoren die hard geraakt zijn, zoals de horeca. Daarnaast hebben jongeren vaak flexibele contracten. In onderstaande tabel is te zien dat het aantal flexibele contracten in 2020 is gedaald. Hieruit blijkt ook dat het vooral laagopgeleiden zijn die geraakt zijn door de coronacrisis.

Sinds de coronacrisis is het aandeel vaste contracten en zelfstandigen (verder) opgelopen en er is sprake van een (verdere) afname in het aantal flexibele contracten. Dat is ook te zien in onderstaande tabel. In hoeverre deze ontwikkeling een gevolg is van de coronacrisis of een effect van de Wet arbeidsmarkt in balans is nog niet duidelijk. De ontwikkeling ligt in lijn met de voorgaande jaren. De arbeidsmarkt was voor de coronacrisis historisch gezien erg krap: er waren relatief veel vacatures. Werkgevers waren dan ook naarstig op zoek naar personeel. Inmiddels is de situatie op de arbeidsmarkt veranderd. Het is ingewikkeld de verschillende effecten te onderscheiden. Een gedegen evaluatie is nodig, al is ook dan te verwachten dat niet alle effecten uit elkaar zijn te halen.

Tabel 14 Kerncijfers Werkzame beroepsbevolking, aandeel contractvorm naar opleidingsniveau
 

Vaste arbeidsrelatie

Flexibele arbeidsrelatie

Zelfstandigen

Totaal

Laag (x 1.000)

2018

917

627

239

1.783

2019

923

630

239

1.792

2020

896

531

228

1.655

Midden (x 1.000)

2018

2.173

808

562

3.543

2019

2.248

784

548

3.580

2020

2.254

695

567

3.517

Hoog (x 1.000)

2018

2.202

511

628

3.341

2019

2.315

481

663

3.459

2020

2.485

466

709

3.660

Totaal (x 1.000)1

2018

5.292

1.946

1.429

8.667

2019

5.486

1.895

1.450

8.831

2020

5.635

1.692

1.504

8.832

Bron: CBS, Statline.

X Noot
1

Deze totaaltelling is exclusief het aantal werknemers waarvan het opleidingsniveau onbekend is.

Gezond en veilig werken

Het ziekteverzuim is licht gestegen (van 4,4 naar 4,7). Het aantal incidenten met gevaarlijke stoffen, wat meerjarig schommelt tussen 3 en 6, is in 2020 fors gedaald. Er zijn in 2020 geen incidenten met gevaarlijke stoffen gemeld.

Tabel 15 Kerncijfers gezond en veilig werken
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Werknemers met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)1

1,4

1,6

1,5

1,5

1,2

Zelfstandigen met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)2

1,1

1,3

3

Ziekteverzuim (%)4

3,9

4,0

4,3

4,4

4,7

Aantal incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen5

6

3

1

3

0

Naleving zorgplicht Arbowet (%)6

80,6

81,4

81,97

Werknemers met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)8

3,2

3,79

3,2

Zelfstandigen met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)2

1,9

1,8

3

X Noot
1

CBS/TNO, Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden.

X Noot
2

CBS/TNO, Zelfstandigen Enquête Arbeid. Deze enquête wordt tweejaarlijks uitgevoerd.

X Noot
3

Ten tijde van het opstellen van het jaarverslag was het cijfer voor 2020 nog niet beschikbaar.

X Noot
4

CBS, kwartaalenquête ziekteverzuim.

X Noot
5

Inspectie SZW, administratie.

X Noot
6

Inspectie SZW, monitor Arbo in bedrijf. In 2019 is de Inspectie SZW met terugwerkende kracht overgestapt op een andere noemer bij de berekening van het nalevingspercentage. Reden hiervoor is dat het CBS in 2019 de statistiek waarop Inspectie SZW de noemer bepaalde aanzienlijk heeft aangepast. Daarom is de Inspectie SZW overgestapt op het gebruik van een betere CBS-statistiek voor berekening van de noemer, wat de Inspectie SZW tot nog toe achterwege liet i.v.m. een dan optredende trendbreuk. Dit heeft beperkte invloed op de hoogte van de percentages en is met terugwerkende kracht tot 2016 herberekend.

X Noot
7

Hoewel eerst twee opeenvolgende verslagjaren werden gecombineerd in één tweejaarlijkse publicatie, wordt met ingang van 2019 twee oneven jaren gecombineerd in één publicatie. De volgende publicatie vindt daarom pas plaats in 2022 over de verslagjaren 2019 en 2021. Gezien het nalevingspercentage per jaar berekend kan worden is het nalevingspercentage voor 2019 alsnog opgenomen. Dit cijfer blijkt uit de administratie van de Inspectie SZW.

X Noot
8

CBS/TNO, Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden. In deze enquête wordt tweejaarlijks gevraagd naar beroepsziekten.

X Noot
9

Dit cijfer is aangepast. Dit komt door een achteraf doorgevoerde wijziging in de manier waarop wordt omgegaan met respondenten die in de vragenlijst hebben aangegeven een ‘andere’ beroepsziekte te hebben.

Arbeidsverhoudingen en -voorwaarden

De ontwikkeling van het aantal werknemers dat onder een cao valt hangt samen met het aantal bij SZW aangemelde cao’s in het betreffende onderzoeksjaar. Dit is afhankelijk van de looptijd van cao’s en kan per jaar verschillen, evenals het aantal werknemers dat onder de aangemelde, lopende cao’s valt.

Tussen 2019 en 2020 was er sprake van een afname van het aantal afgegeven tewerkstellingsvergunningen en positieve adviezen voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid. Vanwege de coronamaatregelen en de inreisbeperkingen zijn er minder tewerkstellingsvergunningen en gecombineerde vergunningen aangevraagd/verleend.

Tabel 16 Kerncijfers arbeidsverhoudingen en -voorwaarden
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Aantal werknemers onder cao (x 1.000, ultimo)1

5.551

5.518

5.615

5.654

5.764

 

bij direct aan bedrijfstak- en ondernemingscao's gebonden werkgevers

4.793

4.714

4.790

4.813

4.873

 

bij door algemeen verbindendverklaring gebonden werkgevers

758

804

825

841

891

Aantal verleende tewerkstellingsvergunningen (twv) (x 1.000, ultimo)2

7,7

8,9

10,1

13,3

9,2

X Noot
1

SZW, administratie. Betreft voorlopige cijfers.

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

Handhaving

De Inspectie SZW is toezichthouder en opsporingsinstantie op het terrein van het Ministerie van SZW. Met haar toezicht draagt de Inspectie SZW bij aan gezond, veilig en eerlijk werk en bestaanszekerheid voor iedereen. Ook werkt de Inspectie SZW op het gebied van pgb- en declaratiefraude als opsporingsorganisatie voor het Ministerie van VWS. Net als de strafrechtelijke opsporing op het terrein van SZW vinden deze onderzoeken plaats onder gezag van het Openbaar Ministerie.

Het kabinet Rutte III heeft in 2018 structureel extra middelen vrijgemaakt voor de handhavingsketen van de Inspectie SZW (oplopend tot € 50 miljoen in 2021). Eind 2018 is dat bedrag aangevuld met een extra € 0,5 miljoen voor de aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie bij werving en selectie. Hiermee wordt het belang van handhaving als een randvoorwaarde voor een werkende arbeidsmarkt en een functionerend stelsel van sociale zekerheid bevestigd.

Conform de meerjarenprogrammering 2019–2022 en de brief aan de Tweede Kamer over de uitbreiding van de handhavingsketen Inspectie SZW (Kamerstukken II 2018/19, 29 544, nr. 846) worden de middelen in de periode 2019-2022 vooral benut om extra inspecteurs en rechercheurs te werven en overige benodigde disciplines overeenkomstig te laten groeien. De extra capaciteit wordt ingezet op de thema’s waarop de komende jaren prioriteit ligt: de bevordering van eerlijk werk, waaronder het voorkomen van arbeidsuitbuiting en onderbetaling, de borging van de procesveiligheid en bestrijding van acute en chronische blootstellingrisico’s aan gevaarlijke stoffen bij zowel Brzo bedrijven als overige (chemische) bedrijven. Ook zal de extra capaciteit bijdragen aan het herstellen van de balans tussen ongevalsonderzoeken en preventieve inspecties op het terrein van gezond en veilig werken. Ten slotte wordt intensiever ingezet op de aanpak van arbeids(markt)discriminatie.

Nederland wordt door de uitbraak van het coronavirus en de daarmee verband houdende overheidsmaatregelen geconfronteerd met buitengewone omstandigheden die een enorme impact hebben op het maatschappelijk leven in het algemeen en die ook ingrijpende gevolgen hebben voor de arbeidsmarkt en daarmee voor het werkterrein en de werkwijze van de Inspectie SZW. De Inspectie SZW heeft haar jaarplanning voor 2020 hierop aangepast. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 35 300 XV, nr. 96).

In grote lijnen betreft het de keuze om voor het thema corona in bedrijven actief meldingen op te pakken en informatie uit te vragen en te volgen. Daarnaast is invulling gegeven aan de aanbevelingen van het aanjaagteam arbeidsmigranten (zie de brief van de minister van SZW "Eerste aanbevelingen Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten", 11 juni 2020) en zijn corona kennisrapporten gepubliceerd (Kamerstukken II 2020/2021, 29 861 nr. 54).

De Inspectie SZW organiseert haar activiteiten in 17 programma’s, overeenkomstig de meerjarenprogrammering. In deze programma’s wordt gewerkt met een mix aan interventies. In de uitvoering wordt de samenwerking gezocht met relevante publieke en private partners in de handhavingsketen. Dit alles gericht op maximaal maatschappelijk effect. De resultaten en effecten die in 2020 zijn bereikt beschrijft de Inspectie SZW in haar jaarverslag 2020. Hierbij zal ook inzicht gegeven worden in die activiteiten die als gevolg van de aanpassingen in de jaarplanning niet zijn doorgegaan.

Inspectie Control Framework

Naast het benoemen van de resultaten en effecten van de toezichtprogramma’s, hanteert de Inspectie SZW een set indicatoren zoals opgenomen in tabel 17. Deze indicatoren geven op hoofdlijnen de ontwikkelingen van de in het Inspectie Control Framework (ICF) genoemde punten weer en de bijdrage van de Inspectie SZW aan de realisatie van maatschappelijk effect. De aanpassing in de jaarplanning heeft gevolgen gehad voor de realisatie van de indicatoren zoals opgenomen in tabel 17.

In het jaarplan 2020 was ten aanzien van de indicator ‘actief/reactief’ reeds voorzien dat het tempo van de personeelsuitbreiding niet zodanig was dat over het gehele jaar 2020 de beoogde verhouding van 50/50 capaciteitsinzet op actief/reactief zou worden bereikt. Beoogd werd in het jaarplan deze verhouding aan het einde van 2020 te behalen en daarop aan te sturen. In de bijstelling van het jaarplan werd dit doel niet gewijzigd. Wel werd aangegeven dat de invloed van corona op de indicatoren zou worden bezien.

Ten aanzien van de coronameldingen die vanaf begin maart 2020 begonnen op te lopen, deed zich de volgende paradox voor. Indien het opvolgen van deze meldingen als een reactieve werksoort wordt geteld , brengt dit het doel van 50/50 balans verder weg. Dat zou dan logischerwijs ertoe moeten leiden om aan corona zo weinig mogelijk capaciteit en inzet te besteden. Terwijl het, en dat is de paradox, maatschappelijk gezien juist wenselijk was wél actief opvolging aan meldingen te geven en daarmee in te zetten op preventie van besmettingsrisico’s. Inhoudelijk wijkt de corona aanpak daarmee overigens ook af van reactief werk zoals ongevalsonderzoek dat, naast preventie van toekomstige ongevallen, met name waarheidsvinding en handhaving naar aanleiding van zich reeds voltrokken feiten betreft.

Om dat paradoxale effect te vermijden, is de inzet op coronameldingen op het vlak van gezond en veilig werk als een actieve, op preventie gerichte werksoort beschouwd. Zodat een voor dat corona-effect geschoonde indicator kon worden gebruikt waarmee zoveel mogelijk zicht wordt gehouden op de gewenste ontwikkeling van de capaciteitsinzet én daarop te kunnen blijven sturen zoals in het oorspronkelijke jaarplan beoogd. Onderstaand is inzichtelijk gemaakt welke effecten coronameldingen op de indicator actief/reactief kunnen hebben:

  • verhouding actief/reactief volgens de gehanteerde stuurindicator (realisatie eind 2020, coronameldingen meegeteld als actief): 44/56

  • verhouding actief/reactief (realisatie eind 2020, coronameldingen meegeteld als reactief): 40/60

  • verhouding actief/reactief (realisatie gemiddeld 2020, coronameldingen meegeteld als actief): 32/68

  • verhouding actief/reactief (realisatie gemiddeld 2020, coronameldingen meegeteld als reactief): 29/71

De capaciteitsinzet op coronameldingen was circa 4% van de inzet op het terrein van gezond en veilig werk aan het eind van het jaar en gemiddeld 3% over heel 2020. Dit is relatief bescheiden, maar het betreft ook alleen het onderdeel meldingen. Bedacht moet worden dat met een deel van de ‘actieve capaciteit’ specifiek op corona gerichte projecten zijn uitgevoerd, zoals bij slachterijen, visverwerking, overige Food, Agrarisch en groen en distributiecentra. Inclusief die werkzaamheden is naar schatting circa 9% van de actieve inzet gezond en veilig werk specifiek op corona gericht geweest.

Alle verhoudingsgetallen in de tabel laten zien dat de gewenste ontwikkeling naar balans van capaciteitsinzet actief/reactief nog niet wordt bereikt. Alle maatstaven bewegen wel in de goede richting, in vergelijking tot de realisatie eind 2019.

Ook aan het einde van 2020 kwam de voor corona geschoonde indicator nog niet uit op de 50/50. De drie belangrijkste oorzaken hiervoor zijn:

  • dat het personeelsverloop hoger was dan geraamd. Dit leidt wel tot bijstelling naar boven van de benodigde werving in 2021, maar het drukt in de tussentijd (2020 en 2021) de totaal inzetbare capaciteit op het vlak van gezond en veilig werk. De capaciteitsversterking die in 2020 heeft plaatsgevonden en die nog in 2021 plaatsvindt, is nodig om de komende jaren de beoogde balans te bereiken en vast te houden;

  • de invloed van corona op de mogelijkheid om actieve inspecties te doen. Door de lock-down zijn aan het einde van 2020 actieve inspecties uitgesteld als dat kon, zoals voor monitoringdoeleinden. In die periode is juist extra gewerkt aan het onderhanden werk reactief;

  • een nog niet goed te duiden invloed op de capaciteitsinzet gaat uit van de latere invoering van de gedifferentieerde aanpak ongevalsonderzoek (GAO). Deze was voorzien in maart, maar is door corona per oktober 2020 ingevoerd. Het effect hiervan - tijdelijk of meer structureel - op capaciteitsinzet is nog niet helder. Dit wordt in de evaluatie die plaatsvindt over de GAO onderzocht.

In 2020 heeft de Inspectie SZW in vrijwel alle gevallen deelgenomen aan de gezamenlijke Brzo-inspecties. Op de gebieden informatie gestuurd werken en de inspectiedekking eerlijk werk zijn de nodige stappen gezet, zodat de beoogde doelstellingen in 2023 worden gerealiseerd.

Capaciteitsinzet

De kerncijfers ‘Capaciteitsinzet’ geven weer hoe de beschikbare capaciteit is verdeeld over de diverse domeinen. Er is een wervingsmodel opgesteld waardoor de komende jaren de capaciteitsinzet groeit naar de gewenste inzet op de diverse domeinen.

Effect

Een indicatie op het behalen van het beoogde maatschappelijk effect is de informatie over het handhavingspercentage. Het handhavingspercentage bij eerste inspectie biedt inzicht in de mate waarin de Inspectie SZW erin slaagt risicogericht te inspecteren, dus om werkgevers te bezoeken die de regels overtreden. Dit is voldoende het geval als bij meer dan de helft bij eerste inspectie bezochte bedrijven sprake is van het overtreden van de wet. Het handhavingspercentage bij herinspectie zegt iets over de mate waarin de Inspectie SZW erin slaagt om een gedragsverandering te realiseren bij werkgevers die de regels niet naleven.

De handhavingspercentages eerste inspectie op de domeinen Gezond en Veilig en Eerlijk laten een lagere realisatie zien dan beoogd. Voor een groot gedeelte is dit het gevolg van de wijze van werken gedurende de coronacrisis, zoals het oppakken van coronameldingen, minder vaak ter plekke inspecteren en inzetten van alternatieve, telefonische interventies. Er is zeker geïntervenieerd bij werkgevers en werkgevers namen maatregelen om gezonder en veiliger te werken. Hiervoor zijn vaak andere gedragsinterventies dan handhaving ingezet. Een nadere duiding zal worden opgenomen in het jaarverslag 2020 van de Inspectie SZW.

Tabel 17 Inspectie SZW: Inspectie Control Framework, capaciteitsinzet en effect
 

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Raming 2020

Verschil 2020

Inspectie Control Framework

     

Verhouding actief/reactief in Gezond en Veilig (excl. Brzo; %)

24:76

25:75

44:561

50:50

‒ 6:6

Deelname Inspectie SZW aan gezamenlijke Brzo-inspecties (%)

56

702

98

>90

03

Niveau informatiegestuurd werken (schaal 0-5)4

5

Inspectiedekking Eerlijk werk (%)6

5

Capaciteitsinzet7

     

Gezond en Veilig ( %)

418

42

39

5

Gevaarlijke Stoffen (%)9

11

13

14

5

Arbeidsdiscriminatie (%)10

2

3

3

5

Eerlijk (%)

43

40

42

5

Werk en Inkomen (%)

3

2

2

5

Effect

     

Handhavingspercentage eerste inspectie Gezond en Veilig (excl. Brzo)

57

4611

33

>50

‒ 17

Handhavingspercentage herinspectie Gezond en Veilig (excl. Brzo)

12

1611

20

<50

03

Handhavingspercentage Brzo12

47

4311

41

40

1

Handhavingspercentage eerste inspectie Eerlijk

52

4711

49

>50

‒ 1

Handhavingspercentage herinspectie Eerlijk

27

4211

42

<50

03

X Noot
1

In 2018 en 2019 betreft de realisatie het jaargemiddelde. In 2020 betreft het realisatiecijfer de realisatie eind 2020. Coronameldingen zijn als ‘actief’ meegenomen. Dit wordt nader toegelicht in de tekst.

X Noot
2

De definitie van dit kerncijfer is met ingang van 2019 gelijk getrokken met de definitie zoals deze wordt gehanteerd in de rapportage van de Brzo partners. In het jaarverslag van de Inspectie SZW over 2019 is dit toegelicht.

X Noot
3

Het verschil is aangegeven met 0, aangezien de realisatie binnen de raming valt.

X Noot
4

Definitie niveau 2: "Interne informatie wordt gestructureerd verzameld in de eigen organisatie en informatie geeft antwoord op wat het probleem is". Definitie niveau 3: "Interne en externe informatie wordt gestructureerd verzameld en geanalyseerd. Informatie heeft een sturende rol". Een implementatieplan is opgesteld om in stappen van activiteiten in 2023 niveau 3 te bereiken. In de tussenliggende jaren is de realisatie niet uit te drukken in een realisatiecijfer. In het jaarverslag Inspectie SZW wordt ingegaan op de uitgevoerde activiteiten om het doel in 2023 te realiseren.

X Noot
5

De Inspectie heeft voor de tussenliggende jaren geen tussentijdse doelen geformuleerd. De uitbreiding richt zich op doelen in 2020 of 2023. Voor de tussenliggende jaren zijn geen betekenisvolle doelen mogelijk.

X Noot
6

Dit betreft het aandeel van alle bedrijven waar oneerlijk werk een potentieel risico is en waar de Inspectie SZW toezicht heeft gehouden. Voor 2018, 2019 en 2020 is geen realisatie beschikbaar. Het kerncijfer is geconcretiseerd voor 2020, waarbij naast inspecties ook het bereik van andere interventies wordt meegenomen. In haar Jaarverslag 2020 zal de Inspectie SZW over de stand van zaken rapporteren.

X Noot
7

Betreft alleen de capaciteitsinzet in de programma's.

X Noot
8

In verband met het toevoegen van de categorie 'Arbeidsdiscriminatie' onder capaciteitsinzet (in lijn met het jaarverslag van de Inspectie SZW) is het realisatiecijfer 2018 herberekend. De capaciteitsinzet 'arbeidsdiscriminatie' viel bij de eerdere indeling onder 'Gezond en Veilig'.

X Noot
9

Dit realisatiecijfer betreft zowel de inzet op Brzo-bedrijven als de inzet op gevaarlijke stoffen. Beide onderwerpen worden opgepakt in het programma Bedrijven met Gevaarlijke Stoffen (BmGS).

X Noot
10

Aangezien het jaarverslag van de Inspectie SZW vijf categorieën hanteert, zijn daarom (in lijn met het jaarverslag van de Inspectie SZW) de realisatiecijfers 2018 en 2019 toegevoegd. Deze wijziging is gedaan om de inzet op arbeidsdiscriminatie apart zichtbaar te maken.

X Noot
11

In 2019 is sprake geweest van een wijziging in het registratiesysteem. Dit heeft tot gevolg dat de berekening van het handhavingspercentage vanaf 2019 is gewijzigd. Dit heeft een beperkte invloed op de hoogte van het percentage.

X Noot
12

Bij het inspecteren van Brzo-bedrijven bestaat er geen onderscheid tussen eerste inspecties en herinspecties. De werkwijze is dat de Inspectie SZW blijft inspecteren totdat een onvolkomenheid of overtreding is opgeheven.

4.2 Artikel 2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

A. Algemene doelstelling

De overheid ondersteunt bij het vinden van werk en biedt inkomensondersteuning en aangepaste arbeid aan hen die dat nodig hebben.

Wie kan werken, moet dat ook doen. Dit is in de eerste plaats in het belang van de betrokkene zelf: werk zorgt voor economische en financiële zelfstandigheid, draagt bij aan het gevoel van eigenwaarde en biedt kansen om volop mee te doen in de samenleving. De overheid streeft naar een transparant en activerend sociaal zekerheidsstelsel dat mensen enerzijds ondersteunt en prikkelt om (weer) aan het werk te gaan als dat kan en dat hen anderzijds de zekerheid biedt van een adequaat vangnet als dat echt nodig is.

Mensen hebben de verantwoordelijkheid om in het eigen inkomen te voorzien en nemen daartoe zelf het initiatief. Alleen als het vinden van werk op eigen kracht niet lukt, helpt de overheid hierbij door ondersteuning bij re-integratie of beschut werk aan te bieden. Aan mensen die (tijdelijk) niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien biedt de overheid een sociaal vangnet in de vorm van bijstand. Daarbij streeft de overheid ernaar om het aantal loketten waar uitkeringsgerechtigden mee te maken hebben te beperken.

De overheid biedt inwoners van Caribisch Nederland waar nodig re-integratieondersteuning en inkomensondersteuning op grond van de Onderstandsregeling.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister heeft een systeemverantwoordelijkheid. In dit kader stimuleert de Minister het vinden van werk door middelen beschikbaar te stellen aan gemeenten ten behoeve van re-integratie-inspanningen, sociale werkvoorziening en loonkostensubsidies, en financiert hij de inkomensondersteuning en de loonkostensubsidies.

De Minister is verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstandsniveaus;

  • het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de inkomensvoorziening en de loonkostensubsidies vanuit de Participatiewet, waarin begrepen zijn de IOAW, IOAZ en algemene bijstand voor zelfstandigen;

  • het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de uitvoering van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

  • het houden van systeemtoezicht; het toepassen van interbestuurlijke toezichtinstrumenten indien de medeoverheden op ernstige wijze onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen. Het verzamelen van informatie om op landelijk geaggregeerd niveau te kunnen beoordelen of het systeem werkt, en zo niet, wanneer en in welke vorm aanpassingen van dat systeem wenselijk zijn;

  • de budgetmutaties en de extrapolatie van de meerjarenraming van het in de integratie-uitkering sociaal domein opgenomen SZW-aandeel en de verdeling daarvan die aansluit bij de gedecentraliseerde taak;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB (AIO, bijstand buitenland) en UWV (TW);

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Het Rijk verschaft gemeenten middelen voor de uitvoering en geeft de wet- en regelgeving vorm waarbinnen deze uitvoering plaatsvindt. Binnen deze wettelijke kaders hebben gemeenten beleidsvrijheid om maatwerk te bieden waarmee participatie zo optimaal mogelijk wordt ondersteund. Het Rijk stelt een toereikend macrobudget aan de gemeenten beschikbaar om loonkostensubsidies en bijstandsuitkeringen te betalen. Dit budget wordt zoveel mogelijk op basis van objectieve factoren onder de gemeenten verdeeld. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de rechtmatige en doeltreffende uitvoering van de Participatiewet en aan genoemde wet verwante wetten en voorzieningen. Gemeenten zijn hiermee onder meer verantwoordelijk voor de handhaving van de naleving van verplichtingen door personen die een beroep doen op deze wetten. Bij ernstig onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen in de gemeentelijke uitvoering van de Participatiewet kan de Minister een aanwijzing geven aan een college, overgaan tot het optreden namens een nalatige gemeente dan wel een besluit tot vernietiging door de Kroon voordragen. De interbestuurlijke interventie heeft geen betrekking op de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de uitvoering, welke een louter gemeentelijke aangelegenheid zijn.

C. Beleidsconclusies

Breed Offensief

Om de arbeidskansen van mensen met een beperking te vergroten heeft het kabinet een breed offensief gelanceerd (Kamerstukken II 2018/19, 34 352, nr. 115, nr. 138, nr. 163). Het breed offensief bevat verschillende maatregelen die ervoor moeten zorgen dat meer mensen met een beperking aan het werk komen en blijven. Belangrijke onderdelen zijn het vereenvoudigen van de inzet van het instrument loonkostensubsidie, het bevorderen van ondersteuning op maat, en het werken lonender maken voor mensen met een beperking. Voor een aantal van de voorstellen is wetswijziging noodzakelijk. Het daartoe strekkende wetsvoorstel tot wijziging van de Participatiewet (uitvoeren Breed Offensief) is op 13 februari 2020 bij de Tweede Kamer ingediend (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 2). Op 11 juni 2020 is de Nota naar aanleiding van het verslag naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 8). De wetsbehandeling is een aantal keren uitgesteld. De Tweede Kamer heeft inmiddels besloten dat de wetsbehandeling na de verkiezingen plaatsvindt.

In verband met het voorstel om een gedeelte van de inkomsten van mensen die in deeltijd met loonkostensubsidie werken en nog aanvullende bijstand ontvangen vrij te laten bij de middelentoets, is structureel € 40 miljoen toegevoegd aan het macrobudget voor participatiewetuitkeringen. Voor de overige voorstellen uit het breed offensief is incidenteel € 53 miljoen beschikbaar gesteld. Hiervan is reeds € 22 miljoen ingezet voor maatregelen uit het wetsvoorstel. De bestemming van de resterende middelen wordt momenteel met gemeenten besproken om tot een doelmatige besteding te komen.

Wet Banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten (resultaten vijfmeting)

De banenafspraak uit het Sociaal Akkoord van 2013 heeft tot doel om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen bij reguliere werkgevers. Het kabinet heeft met de sociale partners afgesproken eind 2025 125.000 extra banen voor de doelgroep te creëren. De opgave voor markt en overheid samen voor 2019 was om 55.000 extra banen te realiseren ten opzichte van de nulmeting; 40.000 in de sector markt en 15.000 in de sector overheid. De doelstelling van 55.000 banen is met 61.615 extra banen ruim gehaald (Kamerstukken II 2019/20, 34 352, nr. 196). Met 51.829 banen heeft de sector markt de doelstelling van 40.000 banen ruim overtroffen. De overheidswerkgevers hebben het afgesproken aantal banen voor 2019 niet gehaald. Ten opzichte van de nulmeting heeft de sector overheid 9.786 extra banen gerealiseerd. Het resultaat van de sector overheid over 2019 geeft dus geen aanleiding om de geactiveerde quotumregeling voor de overheid te deactiveren. In juli zal de Tweede Kamer geïnformeerd worden over de realisatiecijfers van 2020.

De Staatssecretaris van SZW heeft in november 2018 (Kamerstukken II 2018/19, 34 352, nr. 137) als onderdeel van het Breed Offensief een vereenvoudiging van de Wet banenafspraak aangekondigd. In juli 2019 (Kamerstukken II 2018/19, 34 352, nr. 168) heeft de Staatssecretaris de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitwerking van de vereenvoudiging. Het wetsvoorstel voor de vereenvoudiging wordt naar verwachting in de loop van 2021 aan de Tweede Kamer aangeboden. Gevolg gevend aan de uitvoering van de motie Nijkerken-de Haan c.s. (Kamerstukken II 2018/19, 34 352, nr. 126) heeft de Staatssecretaris anticiperend op deze vereenvoudiging met het wetsvoorstel deactivering en uitstel quotumheffing het opleggen van de quotumheffing opgeschort tot uiterlijk 1 januari 2022. Deze wet is vanaf 1 januari 2020 in werking getreden (Stb. 2019, 440).

De coronacrisis brengt voor veel werkenden het risico van werkloosheid met zich mee. Er zijn groepen en sectoren op de arbeidsmarkt met een groter risico om hard geraakt te worden door de crisis dan anderen, bijvoorbeeld mensen met een arbeidsbeperking. Het kabinet heeft daarom als onderdeel van het steun- en herstelpakket in totaal € 36 miljoen beschikbaar gesteld in 2020, 2021 en 2022 voor mensen uit de doelgroep banenafspraak (Kamerstukken II 2019/20, 35 420, nr. 105). Het gaat voor 2020 om € 2 miljoen, voor 2021 om € 21 miljoen en voor 2022 om € 13 miljoen. Met dit geld kunnen mensen van werk naar werk worden begeleid en, als dat niet mogelijk blijkt te zijn, zoveel mogelijk werkfit gehouden. De uitwerking vindt plaats in overleg met betrokken partijen.

Tabel 18 Indicatoren banenafspraak
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 20191

Realisatie 20202

Streefwaarde 20203

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten marktsector t.o.v. nulmeting op 1-1-2013

18.957

30.432

44.017

51.829

50.000

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten overheidssector t.o.v. nulmeting op 1-1-2013

3.597

6.471

7.940

9.786

17.500

X Noot
1

Berekening SZW op basis van metingen UWV.

X Noot
2

Realisatiecijfers komen in juni 2021 beschikbaar en worden opgenomen in de begroting van 2022.

X Noot
3

Streefwaarden afkomstig uit memorie van toelichting bij de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten, Tweede Kamer, 2013–2014, 33 981, nr. 3, aantal te realiseren banen voor beoordeling activering quotumheffing.

Armoede en schulden

Op 15 juni 2020 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang en de resultaten van de brede schuldenaanpak (Kamerstukken II 2019/20, 24 515, nr. 533). Die aanpak is gericht op preventie en vroegsignalering van schulden, ontzorgen en realiseren van een maatschappelijk verantwoorde incasso. Het jaar heeft onverminderd in het teken gestaan van wetgeving en het uitvoeren en verder uitwerken van de plannen en maatregelen. Voor zowel de wijziging van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, waarmee het vroegtijdig signaleren van schuldenproblematiek een wettelijke basis krijgt, en de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet, die het bestaansminimum van mensen met schulden beter borgt, is het mogelijk gemaakt om deze op 1 januari 2021 in werking te laten treden. Beide wetten zijn gezien de verwachte toename van mensen met problematische schulden van extra waarde. Het is mede daarom dat het kabinet, hoewel nog niet alle betrokken partijen de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet per 1 januari volledig kunnen uitvoeren, toch tot invoering van deze wet is overgegaan. Er is een korte overgangstermijn geboden om alsnog de implementatie verantwoord te kunnen afronden (Kamerstukken II 2019/20, 24 515, nr. 532). De parlementaire behandeling van de wetgeving gericht op verbreding van het beslagregister (wetsvoorstel stroomlijning keten voor derdenbeslag) zal naar verwachting in 2021 plaatsvinden.

Het kabinet heeft bij de aanpak van armoede bijzondere aandacht voor de positie van kinderen. In 2019 heeft het kabinet in samenwerking met de VNG vier ambities kinderarmoede geformuleerd (Kamerstukken II 2018/19, 24 515, nr. 484). Deze zijn erop gericht dat ieder kind in een gezin met een laag inkomen kan meedoen; op een daling van het aantal huishoudens met kinderen met een laag inkomen; op het bieden van inzicht in kansarmoede onder kinderen; en op het verzamelen en delen van goede voorbeelden. De ambities zijn in 2020 nader uitgewerkt. In lijn met de duurzame ontwikkelingsdoelen streeft het kabinet naar een afname van het aantal kinderen in armoede van 9,2 procent in 2015 naar 4,6 procent in 2030 (Kamerstukken II 2019/20, 24 515, nr. 494). Het kabinet zal elke twee jaar over de voortgang van de ambities rapporteren.

Verder zet het kabinet zich, samen met gemeenten en maatschappelijke organisaties, ervoor in dat mensen die het financieel moeilijk hebben niet nog verder in de financiële problemen komen als gevolg van de corona-uitbraak. Het kabinet heeft in het licht van de coronacrisis een aantal extra tijdelijke maatregelen genomen, zoals noodsteun aan de voedselbanken en afspraken dat in principe geen uithuiszettingen plaatsvinden (Kamerstukken II 2019/20, 35 415, nr. 11).

De verwachting is desondanks dat het aantal mensen met problematische schulden en met een risico op armoede zal toenemen. Voor de aanpak hiervan heeft het kabinet in het kader van het steun- en herstelpakket in totaal € 146 miljoen beschikbaar gesteld in 2020, 2021 en 2022. Het geld gaat voor een belangrijk deel naar gemeenten ten behoeve van het gemeentelijk schuldenbeleid (efficiëntere en snellere dienstverlening) en de bijzondere bijstand. € 11 miljoen is beschikbaar voor een versnelling en intensivering van het armoede- en schuldenbeleid en € 30 miljoen voor het oprichten van een Waarborgfonds om problematische schulden sneller te kunnen afwikkelen (Kamerstukken II 2019/20 24 515, nr. 569).

Herziening bijstandverlening zelfstandigen

Conform het beleidsvoornemen heeft het kabinet met ingang van 1 januari 2020 het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) gewijzigd (Kamerstukken II 2018/19, 31 311 nr. 215). De wijziging van dit besluit heeft betrekking op de volgende vier onderdelen:

  • De financieringssystematiek is vereenvoudigd en meer in lijn gebracht met de financieringssystematiek van de Participatiewet;

  • Wijziging van het aanvraagloket voor bijstandsverlening aan ondernemers in de binnenvaart van centrumgemeenten naar woongemeenten, waardoor op den duur de aparte uitvoeringsstructuur verdwijnt;

  • Beperking van de instroom van oudere zelfstandigen met een niet-levensvatbaar bedrijf tot personen die zijn geboren vóór 1 januari 1960;

  • Verdere uniformering van Bbz 2004 met de Participatiewet. Algemene bijstand wordt niet langer verstrekt in de vorm van een rentedragende lening en bijstand wordt niet langer met terugwerkende kracht verleend.

Onderstand Caribisch Nederland

Conform de aankondiging in de voortgangsrapportage ijkpunt bestaanszekerheid Caribisch Nederland (Kamerstukken II 2018/19, 35 000-IV, nr. 61) zijn de bedragen voor de uitkeringen Onderstand bovenop de indexatie als gevolg van de ontwikkeling van het consumentenprijsindexcijfer beleidsmatig verhoogd. Het betreft een extra verhoging van 5% voor gerechtigden op Bonaire en Saba en 2% voor gerechtigden op Sint Eustatius ingaande 1 januari 2020. Afhankelijk van het telmoment betreft dit circa 650 uitkeringen.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 19 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 2 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Verplichtingen

6.543.926

6.751.201

7.009.665

6.898.061

10.474.111

6.975.855

3.498.256

        

Uitgaven

6.626.117

6.809.474

7.089.379

6.927.241

10.478.338

7.002.798

3.475.540

        

Inkomensoverdrachten

       

Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming

5.711.137

5.900.666

6.215.974

6.084.680

6.378.336

6.147.353

230.983

Participatiebudget

459

1.800

0

700

0

0

0

WSW

17.447

0

0

0

0

0

0

TW

496.400

456.000

448.000

442.200

478.000

440.875

37.125

AIO

245.067

268.134

295.480

309.006

332.007

334.133

‒ 2.126

Tozo en Bijstand zelfstandigen bedrijfskrediet

56.427

42.866

38.877

35.027

3.210.858

10.800

3.200.058

Bijstand overig

1.500

1.500

1.200

1.168

1.000

1.100

‒ 100

Onderstand en re-integratie (Caribisch Nederland)

2.077

2.729

2.736

3.179

4.015

7.016

‒ 3.001

Garanties

       

Garanties

41

5

0

0

0

0

0

Subsidies

       

Sectorplannen

80.284

72.251

37.937

2.745

1.131

0

1.131

Armoede en schulden

3.136

4.181

4.436

4.335

2.507

985

1.522

Cofinanciering dienstverlening

990

4.747

3.924

6.061

6.212

8.000

‒ 1.788

Europees fonds meestbehoeftigen

89

103

117

90

104

100

4

Scholing richting een kansberoep

4.000

34.573

6.474

0

0

0

0

Regionale kansen kinderen

0

1.609

2.615

1.635

184

455

‒ 271

Alle kinderen doen mee

0

6.437

8.880

10.904

9.842

11.576

‒ 1.734

Overige subsidies algemeen

3.862

5.778

5.920

7.447

25.726

5.552

20.174

SBCM

2

2.875

2.280

2.810

2.800

2.800

0

NIBUD

3

304

304

251

375

314

61

Opdrachten

       

Opdrachten

2.183

1.553

1.509

3.125

13.628

19.824

‒ 6.196

Bekostiging

       

Nibud

304

0

0

0

0

0

0

ZonMw

478

1.064

2.403

1.655

1.435

1.739

‒ 304

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

       

ZonMw

236

299

313

223

170

167

3

Bijdrage aan sociale fondsen

       

Pensioenfonds Wsw

0

0

10.000

10.000

10.000

10.000

0

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

       

Contributie CASS

0

0

0

0

8

9

‒ 1

        

Ontvangsten

55.901

48.492

26.622

28.393

25.190

26.020

‒ 830

X Noot
1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW. De stand zoals gepresenteerd onder de stand vastgestelde begroting wijkt af van de stand vastgestelde begroting bij de eerste suppletoire begroting, tweede suppletoire begroting, tweede incidentele suppletoire begroting en de slotwet. De reden hiervoor is dat in deze wetten de eerste en tweede incidentele suppletoire begroting, die zijn ingediend tussen de vaststelling van de ontwerpbegroting en de vaststelling van de eerste suppletoire begroting, zijn opgeteld bij vastgestelde begroting en in het jaarverslag niet.

X Noot
2

In 2016 zijn deze uitgaven onderdeel van de uitgaven WSW.

X Noot
3

In 2016 zijn deze uitgaven verantwoord onder Bekostiging.

Tabel 20 Uitsplitsing verplichtingen van beleidsartikel 2 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

 

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Verplichtingen

6.543.926

6.751.201

7.009.665

6.898.061

10.474.111

6.975.855

3.498.256

waarvan garantieverplichtingen

‒ 170

‒ 55

‒ 5

0

0

0

0

waarvan overige verplichtingen

6.544.096

6.751.256

7.009.670

6.898.061

10.474.111

6.975.855

3.498.256

X Noot
1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

E. Toelichting op de instrumenten
Inkomensoverdrachten
Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming
Tabel 21 Extracomptabel overzicht macrobudget participatiewetuitkeringen (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming

5.711.137

5.900.666

6.215.974

6.084.680

6.378.336

6.147.353

230.983

        

Macrobudget participatiewetuitkeringen1

5.691.569

5.889.610

6.215.974

6.084.680

6.378.336

6.147.353

230.983

Algemene bijstand en loonkostensubsidies

5.304.066

5.466.450

5.774.163

5.658.801

5.968.729

5.716.005

252.724

IOAW

326.349

361.723

377.614

350.537

328.387

343.606

‒ 15.219

IOAZ

28.830

30.493

31.670

31.838

30.719

32.353

‒ 1.634

BBZ2

32.324

30.944

32.527

31.429

47.125

55.389

‒ 8.264

Correctie verdeelmodel

12.075

3.376

3.376

        

Intertemporele tegemoetkoming3

19.568

11.056

     
X Noot
1

Toelichting definitief macrobudget 2020; berekening SZW.

X Noot
2

Tot 2019 betreft dit enkel het budget voor levensonderhoud voor startende ondernemers (BBZ). Vanaf 2020 is het budget voor levensonderhoud voor gevestigde ondernemers hieraan toegevoegd.

X Noot
3

SZW, financiële administratie. De terugbetalingen intertemporele tegemoetkoming zijn conform administratieve voorschriften onder de ontvangsten verantwoord en niet in mindering gebracht op de uitgaven.

Algemene bijstand en loonkostensubsidies

De Participatiewet voorziet in een sociaal vangnet voor personen die niet zelfstandig in hun bestaan kunnen voorzien. Het macrobudget participatiewetuitkeringen voorziet in de middelen voor bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidies, waaronder de middelen voor bijstandsuitkeringen aan startende ondernemers. Dit budget wordt samen met de middelen voor IOAW, IOAZ en Bbz levensonderhoud onder de gemeenten verdeeld. Tot 2019 maakte alleen Bijstand voor levensonderhoud van startende ondernemers onderdeel uit van het macrobudget participatiewetuitkeringen. Vanaf 2020 is ook Bijstand voor levensonderhoud voor gevestigde ondernemers toegevoegd aan het macrobudget participatiewetuitkeringen.

Budgettaire ontwikkelingen

Het macrobudget participatiewetuitkeringen valt in 2020 € 231 miljoen hoger uit dan begroot. Hieronder volgt een toelichting op de bijstellingen voor de algemene bijstand en loonkostensubsidies en de compensatie verdeelmodel. De toelichting voor de IOAW, IOAZ en Bbz levensonderhoud volgt verderop in het artikel.

In 2020 is het definitieve budget aan gemeenten voor algemene bijstand en loonkostensubsidies € 253 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. De stijging is met name het gevolg van de verslechterde conjunctuur (€ 304 miljoen) en de verhoging voor doorwerking van lonen en prijzen (€ 113 miljoen). Hier tegenover staat dat het budget neerwaarts is bijgesteld door verwerking van realisaties in 2019 (- € 165 miljoen). Via de reguliere systematiek van het macrobudget werken realisaties in 2019 volledig door in het budget van uitvoeringsjaar 2020. Er zijn geen additionele effecten ingeboekt als gevolg van Rijksbeleid.

In 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat enkele gemeenten in het verleden zijn benadeeld bij de verdeling van het macrobudget. In 2020 zijn twee gemeenten hiervoor gecompenseerd, in totaal € 3 miljoen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het volume bijstandsgerechtigde huishoudens op grond van de Participatiewet is als gevolg van de verslechterde conjunctuur gestegen ten opzichte van het volume in 2019.

Tabel 22 Kerncijfers volume Participatiewet
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 20201

Begroting 2020

Verschil 2020

Volume Participatiewetuitkering (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

395

398

379

361

361

376

‒ 15

Bron: CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek.

X Noot
1

Betreft voorlopige CBS-cijfers. De cijfers van oktober tot en met december 2020 zijn geraamd.

Tabel 23 bevat informatie over re-integratie- en participatie-inspanningen van gemeenten op grond van de Participatiewet. De voorzieningen die gemeenten aanbieden variëren van sociale activering en vrijwilligerswerk tot training, opleiding en proefplaatsingen op weg naar werk en begeleiding en jobcoaching eenmaal aan het werk. Sinds de invoering van de Participatiewet in 2015 hebben gemeenten beschikking gekregen over het instrument structurele loonkostensubsidie en zijn zij verantwoordelijk voor het naar behoefte creëren van beschut werk. Vanaf 2015 is geen nieuwe instroom meer mogelijk in de Wsw. De tabel bevat tevens informatie over het werknemersbestand van de Wsw.

Tabel 23 Kerncijfers re-integratie door gemeenten
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Aantal voorzieningen Participatiewet (x 1.000, ultimo)1

222

256

270

231

223

Aantal personen met een voorziening Participatiewet (x 1.000, ultimo)1

174

190

198

175

171

Aantal gestarte banen na re-integratievoorziening door gemeenten (x 1.000, ultimo)2

43

45

46

49

143

      

Werkenden met een voorziening Participatiewet (x 1.000, ultimo)1

35

44

52

49

49

 

waarvan personen met een loonkostensubsidie Participatiewet

2,2

9,1

13

18

20

      

Werknemersbestand Wsw (x 1.000, ultimo)4

91

87

83

78

755

Aantal detacheringen als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen4

37

37

38

37

375

Aantal gerealiseerde plaatsen in begeleid werken als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen4

6,5

6,6

6,4

6,7

6,75

X Noot
1

CBS, Statistiek re-integratie gemeenten.

X Noot
2

CBS, Uitstroom na re-integratie.

X Noot
3

Betreft de stand medio 2020.

X Noot
4

Panteia, WSW-rapportage.

X Noot
5

Betreft de stand medio 2020. De realisatiecijfers van geheel 2020 worden opgenomen in begroting 2022.

Tabel 24 bevat informatie over mensen met een arbeidsbeperking die werken onder de Banenafspraak, op een interne plaatsing onder de Wsw of op een beschut werkplek onder de Participatiewet. Dit zijn veelal mensen die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen, maar niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt zijn. Per saldo over de drie wettelijke kaders nam het aantal werkende mensen tussen 2015 en eind 2019 toe. De eerste helft van 2020 nam dit af.

Tabel 24 Kerncijfers Werk voor mensen met een arbeidsbeperking
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 20201

Totaal werkend met een arbeidsbeperking (x 1.000, ultimo)

138

149

162

167

163

 

waarvan werkend binnen de Banenafspraak (x 1.000, ultimo)2

86

99

113

120

116

 

waarvan werkend op een interne plaatsing Wsw (x 1.000, ultimo)3

52

49

47

43

42

 

waarvan werkend met positief advies beschut werk (x 1.000, ultimo)4

5

1,2

2,5

4,0

4,5

X Noot
1

Betreft de stand medio 2020. De realisatiecijfers van geheel 2020 worden opgenomen in begroting 2022.

X Noot
2

UWV, Factsheet banenafspraak 2e kwartaal 2020.

X Noot
3

Onder 'interne plaatsing' valt ook 'werken op locatie' (WOL), waarbij begeleiding plaatsvindt vanuit het Sw-bedrijf. Panteia, Tussentijdse rapportage Wsw-statistiek.

X Noot
4

UWV, Rapportage beschut werk 2e kwartaal 2020.

X Noot
5

Dit cijfer is niet gepubliceerd.

Wetten inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en gewezen zelfstandigen (IOAZ)

De IOAW-uitkering is een aanvulling op het (gezins)inkomen tot bijstandsniveau voor oudere werkloze werknemers. Anders dan bij de Participatiewet hoeven werkloze ouderen, die vaak vermogen in spaargeld of eigen huis hebben, in de IOAW hun vermogen niet aan te spreken.

De IOAZ is een uitkering voor ouderen die noodgedwongen zijn gestopt met hun werk als zelfstandige, omdat de inkomsten daaruit onvoldoende waren. De IOAZ-uitkering vult het (gezins)inkomen aan tot het bijstandsniveau. In de IOAZ wordt rekening gehouden met de bijzondere positie van zelfstandigen en hun (bedrijfs)vermogen.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de IOAW en de IOAZ zijn samen € 17 miljoen lager dan begroot. Bij de IOAW is dit het gevolg van enerzijds het verwerken van de realisaties van 2019 in de raming (- € 19 miljoen). Anderzijds heeft de loon- en prijsbijstelling voor een opwaarts effect gezorgd (€ 4 miljoen). De vertraagde doorwerking vanuit de WW geeft per saldo een klein effect (€ 0,1 miljoen).

De IOAZ is per saldo met € 1,6 miljoen neerwaarts bijgesteld in 2020. Dat is het gevolg van de verwerking van de realisaties (- € 2 miljoen) en de loon- en prijsbijstelling (€ 0,4 miljoen).

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 25 Kerncijfers IOAW en IOAZ
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 20201

Begroting 2020

Verschil 2020

Volume IOAW (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

22

24

24

23

21

23

‒ 2

Volume IOAZ (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

1,8

1,9

1,9

1,9

1,8

2,0

‒ 0,2

Bron: CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek.

X Noot
1

Betreft voorlopige CBS-cijfers. De cijfers van oktober tot en met december 2020 zijn geraamd.

Bijstand zelfstandigen levensonderhoud (Bbz 2004)

Startende ondernemers en gevestigde zelfstandigen kunnen onder voorwaarden voor financiële ondersteuning een beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. De bijstand kan worden verstrekt om te voorzien in de kosten van levensonderhoud of in bedrijfskredieten. Vanaf 2020 worden vanuit het macrobudget middelen verstrekt voor het levensonderhoud voor zowel startende ondernemers als gevestigde zelfstandigen. Tot en met 2019 werden middelen voor levensonderhoud voor gevestigde zelfstandigen buiten het macrobudget verstrekt. De uitgaven voor bedrijfskredieten worden verderop in het artikel toegelicht.

Budgettaire ontwikkelingen

Het Bbz is per saldo met € 8,3 miljoen neerwaarts bijgesteld in 2020. Dat is het gevolg van de verwerking van de realisaties (- € 3,6 miljoen) en de loon- en prijsbijstelling (€ 1 miljoen). Daarnaast is de raming bijgesteld als gevolg van de verlaagde instroom door de Tozo (- € 5,7 miljoen).

Beleidsrelevante kerncijfers

Het volume bijstandsgerechtigde huishoudens op grond van het Bbz is als gevolg van de Tozo gedaald in 2020.

Tabel 26 Kerncijfers Bbz
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 20201

Begroting 2020

Verschil 2020

Volume Bbz (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

3,8

3,8

3,5

3,1

2,5

3,5

‒ 1

Bron: CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek.

X Noot
1

Betreft voorlopige cijfers. De cijfers van oktober tot en met december 2020 zijn ramingen.

Handhaving

De kerncijfers handhaving Participatiewet laten de afgelopen jaren een stabiel beeld zien. Sinds dit jaar maakt de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) onderdeel uit van de Bijstandsdebiteuren en -fraudestatistiek van het CBS. De handhavingscijfers over het 4e kwartaal van 2020 met betrekking tot opsporing en sanctionering zijn nog niet beschikbaar. De ultimo stand van het 3e kwartaal 2020 is iets lager dan de ultimo stand van het 3e kwartaal in voorgaande jaren. Dit is mogelijk te verklaren door de coronacrisis.

Tabel 27 Kerncijfers Participatiewet (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

77

75

72

73

662

Kennis van de verplichtingen (%)

88

88

86

86

802

Opsporing3

Aantal vorderingen in verband met geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)4

30

31

33

31

175

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln.)

71

69

70

67

405

Sanctionering3

Aantal boetes (x 1.000)

11

11

14

12

6,75

Totaal boetebedrag (x € 1 mln.)

9

8,8

8,7

7,9

4,35

  

Ontstaansjaar vordering

  

2016

2017

2018

2019

2020

Terugvordering6

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2020 (%)

38

36

29

20

12

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

I&O Research «Kennis der verplichtingen in de coronacrisis». Als gevolg van een andere insteek van het onderzoek is sprake van een trendbreuk.

X Noot
3

CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

X Noot
4

Dit kerncijfer betreft het aantal vorderingen wegens overtreding van de inlichtingenplicht. Eén overtreding kan meerdere vorderingen tot gevolg hebben. Het aantal overtredingen ligt dus lager.

X Noot
5

Betreft de stand ultimo 3e kwartaal 2020.

X Noot
6

CBS, bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

Toeslagenwet (TW)

De TW vult uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen aan tot het normbedrag voor het relevante sociaal minimum als het totale inkomen (exclusief TW-aanvulling) van de uitkeringsgerechtigde en diens eventuele partner daaronder ligt.

Budgettaire ontwikkelingen

De TW-uitgaven komen € 37 miljoen hoger uit dan begroot. In de begroting was nog gerekend in prijzen 2019. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 11 miljoen) is de realisatie € 26 miljoen hoger dan begroot.

Dit komt grotendeels door een hoger aantal TW-aanvullingen dan verwacht. Door de coronacrisis zijn er meer WW-uitkeringen verstrekt waardoor ook het aantal TW-aanvullingen hierop is toegenomen. Overigens is de gemiddelde uitkeringshoogte binnen de TW wel lager uitgevallen dan geraamd. Deze daling zit met name in lagere TW-aanvullingen op de WW-uitkeringen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 28 Kerncijfers TW
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Gemiddeld jaarvolume TW (x 1.000 uitkeringsjaren)

155

103

108

106

114

106

8

Gemiddelde toeslag per jaar (x € 1)

3203

3703

3456

3.489

3.389

3.527

‒ 138

Bron: UWV, jaarverslag.

Handhaving

Er is een lichte stijging zichtbaar in de onderzochte fraudesignalen en het aantal overtredingen met een financiële benadeling. Het totale benadelingsbedrag laat ook een stijging zien, maar dit past binnen de bandbreedte van de afgelopen jaren. Verder is de incassioratio in lijn met voorgaande jaren.

Tabel 29 Kerncijfers TW (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Opsporing1

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

2,5

2,7

1,8

2,0

2,1

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)2

1,7

2,0

1,2

1,4

1,5

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln.)

5,6

6,7

4,5

4,7

5,9

Sanctionering1

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

0,4

0,1

0,4

0,5

0,4

Aantal boetes (x 1.000)

1,3

1,3

0,8

0,8

0,9

Totaal boetebedrag (x € 1 mln.)

0,9

0,9

0,7

0,6

0,7

  

Ontstaansjaar vordering

  

2016

2017

2018

2019

2020

Terugvordering1

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2020 (%)

57

43

31

29

17

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)

Ouderen met een onvolledig AOW-pensioen kunnen recht hebben op algemene bijstand. Deze bijstand kan worden aangevraagd bij de SVB.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de AIO zijn in 2020 circa € 2 miljoen lager uitgekomen dan in de begroting 2020 werd verwacht. In de begroting was nog gerekend in prijzen 2019. Indien rekening wordt gehouden met de loon- en prijsbijstelling (€ 6,7 miljoen) is de realisatie ongeveer € 9 miljoen lager dan begroot.

Deze lagere realisatie is het gevolg van verschillende ontwikkelingen. De uitgaven kwamen € 9 miljoen lager uit doordat het aantal AIO-gerechtigden lager is uitgekomen dan verwacht. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt doordat een minder groot aantal personen in 2020 een AIO-uitkering heeft aangevraagd dan waar in de begroting rekening mee is gehouden. Daarentegen zijn er wel iets minder AIO-gerechtigden uitgestroomd dan verwacht. Doordat het aantal huishoudens in de AIO lager uit is gekomen dan verwacht hebben er in 2020 ook minder nabetalingen, herzieningen en inhoudingen plaatsgevonden. Dit heeft geleid tot lagere uitgaven van € 12 miljoen. Daarnaast is de gemiddelde uitkering over 2020 iets hoger uitgevallen dan bij begroting geraamd. Dit leidt tot hogere uitkeringslasten van € 11 miljoen. Per saldo leidt dit in vergelijking met de begroting 2020 tot € 9 miljoen lagere uitkeringslasten aan de AIO.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 30 Kerncijfers AIO
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 20201

Begroting 2020

Verschil 2020

Aantal huishoudens AIO (x 1.000, jaargemiddelde)

42

44

46

47

49

51

‒ 2

Bron: CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek

X Noot
1

Betreft voorlopige cijfers. De cijfers van oktober tot en met december 2020 zijn geraamd.

Handhaving

In 2020 zijn vanwege de coronacrisis minder fraudesignalen onderzocht dan in eerdere jaren. Dat heeft ook doorgewerkt naar het aantal geconstateerde overtredingen en afgegeven waarschuwingen en boetes. Veel vorderingen worden over een periode van meerdere jaren geïncasseerd. De incassoratio neemt daardoor toe naarmate het ontstaansjaar van de vordering ouder is. De incassoratio van in 2020 ontstane vorderingen is 12%, dat wil zeggen dat van de in 2020 ontstane vorderingen ongeveer 1/8e deel in hetzelfde jaar is geïncasseerd.

Tabel 31 Kerncijfers AIO (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

77

77

73

67

2

Kennis van de verplichtingen (%)

88

89

87

85

2

Opsporing3

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

4

1,0

0,9

0,6

0,5

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)5

0,9

1,2

0,9

0,8

0,4

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln.)

2,0

2,3

2,0

1,7

1,3

Sanctionering3

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

0,6

1,3

1,4

1,0

0,3

Aantal boetes (x 1.000)

0,4

0,4

0,3

0,3

0,2

Totaal boetebedrag (x € 1 mln.)

0,4

0,5

0,3

0,2

0,2

  

Ontstaansjaar vordering

  

2016

2017

2018

2019

2020

Terugvordering3

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2020 (%)

38

34

23

20

12

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

Door een gewijzigde onderzoeksopzet is het cijfer over 2020 niet beschikbaar. Vanaf 2021 is dit cijfer weer beschikbaar uit het onderzoek "Kennis der verplichtingen".

X Noot
3

SVB, Jaarverslag.

X Noot
4

Dit cijfer is niet beschikbaar.

X Noot
5

Cijfers betreffen alle verwijtbare overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Bijstand zelfstandigen bedrijfskrediet (Bbz 2004)

Startende ondernemers en gevestigde zelfstandigen kunnen onder voorwaarden voor financiële ondersteuning een beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Gemeenten geven uitvoering aan dit besluit. Met het Bbz wordt beoogd kansrijke vanuit een uitkering startende ondernemers een steuntje in de rug te geven en zelfstandigen met tijdelijke financiële moeilijkheden in staat te stellen hun werkzaamheden voort te zetten. De bijstand kan worden verstrekt om te voorzien in de kosten van levensonderhoud of in bedrijfskredieten. Kosten voor levensonderhoud vallen onder het macrobudget participatiewetuitkeringen.

Budgettaire ontwikkelingen

Hier wordt het onderdeel van het Bbz over bedrijfskredieten toegelicht, uitgaven aan levensonderhoud zijn eerder in dit artikel over het macrobudget toegelicht. Per 1 januari 2020 is de financieringssystematiek van het Bbz vereenvoudigd. In 2020 zijn daardoor alleen uitgaven gedaan voor verrekeningen (€ 9 miljoen) en de aanvullende uitkering (€ 2 miljoen). Onder de verrekening zijn ook ontvangsten, deze worden onder ontvangsten toegelicht.

Tijdelijke overbruggingsregeling voor zelfstandige ondernemers (Tozo)

Gemeenten geven uitvoering aan een extra tijdelijke voorziening voor zelfstandigen, de Tijdelijke overbruggingsregeling voor zelfstandige ondernemers (Tozo). Ondernemers van wie het inkomen als gevolg van de coronacrisis onder het sociaal minimum is geraakt, kunnen een beroep doen op ondersteuning voor levensonderhoud in de vorm van aanvullende bijstand. Daarnaast kunnen zelfstandigen met een liquiditeitsprobleem een lening voor bedrijfskapitaal aanvragen. De Tozo betreft een tijdelijke regeling; vanaf 1 juli 2021 is het niet langer mogelijk een aanvraag voor levensonderhoud of bedrijfskapitaal op grond van de Tozo in te dienen. Uitkeringen ten behoeve van levensonderhoud lopen 1 juli 2021 af.

Budgettaire ontwikkelingen

De Tozo is een tijdelijke regeling in 2020 en 2021. Gemeenten geven uitvoering aan de Tozo en ontvangen daarvoor voorschotten. In 2020 is er € 3,2 miljard aan voorschotten over gemeenten verdeeld. Op basis van declaratie worden uiteindelijk de werkelijke uitgaven van gemeenten vergoed. De uitvoeringskosten worden vergoed op basis van een vast bedrag per besluit op aanvraag.

Bijstand overig

‘Bijstand overig’ bestaat in 2020 volledig uit bijstand buitenland. Verlening van bijstand aan een in het buitenland gevestigde Nederlander wordt alleen nog voortgezet ingeval het recht op uitkering vóór 1 januari 1996 is vastgesteld. Sinds 1996 zijn er dus geen nieuwe gerechtigden meer bijgekomen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 32 Kerncijfers Bijstand Buitenland
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Volume bijstand buitenland (x 1.000 gerechtigden, ultimo)

0,2

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0

Bron: SVB, jaarverslag.

Onderstand en re-integratie Caribisch Nederland

De overheid biedt aan inwoners van Caribisch Nederland inkomensondersteuning in de vorm van Onderstand en waar nodig ook re-integratieondersteuning.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de Onderstand voor Caribisch Nederland laat een onderschrijding zien van € 3 miljoen. De verwachte uitgaven zoals opgenomen in de begroting waren te hoog ingeschat. Er is tussen 2019 en 2020 meer gebruik gemaakt van de regeling (zie tabel 33).

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 33 Kerncijfers Onderstand (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Volume Onderstand Caribisch Nederland (x 1.000 huishoudens, ultimo)

0,5

0,6

0,5

0,5

0,7

0,5

0,2

Bron: RCN-unit SZW.

Subsidies

De uitgaven aan subsidies zijn in 2020 per saldo € 19 miljoen hoger uitgevallen dan begroot. Hiervan heeft € 7,1 miljoen betrekking op het overgebleven budget subsidies uit 2019 dat via de eindejaarsmarge is toegevoegd aan de begroting 2020. Verder is er € 5,4 miljoen extra uitgegeven aan maatregelen uit het aanvullend sociaal pakket, waaronder een eenmalige subsidie van € 4 miljoen als vangnet voor calamiteitenfonds Voedselbanken Nederland. Ook zijn er vanwege herschikkingen binnen de SZW begroting voor de vereenvoudiging beslagvrijevoet en Breed Offensief € 7,4 miljoen aan extra subsidieuitgaven. Daartentegen zijn er ook lagere uitgaven in 2020 onder meer als gevolg van diverse budgettair neutrale kasschuiven (-/- € 4 miljoen) van 2020 naar latere jaren en lagere subsidievaststellingen (-/- € 1 miljoen).

Opdrachten

De realisatie op het opdrachtenbudget is circa € 6 miljoen lager dan begroot. Dit heeft hoofdzakelijk te maken met subsidieverstrekkingen waarvoor circa € 10 miljoen aan middelen is verschoven van het opdrachtenbudget naar het subsidiebudget. Daartegenover staan hogere uitgaven voor de versnelling van de brede schuldenaanpak waar het kabinet met het aanvullend sociaal pakket extra middelen voor beschikbaar heeft gesteld, waarvan € 3 miljoen in 2020. Ook zijn er overboekingen met andere departementen verwerkt (per saldo € 3,2 miljoen). De grootste is de overboeking vanuit het Gemeentefonds voor de landelijke ondersteuning arbeidsmarktregio's (€ 4,3 miljoen).

Bekostiging

Aan het meerjarige kennisprogramma vakkundig aan het werk dat door ZonMw wordt uitgevoerd, is in 2020 € 1,4 miljoen uitgegeven.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Voor de meerjarige uitvoering van het kennisprogramma door ZonMw is in 2020 zoals begroot bijna € 0,2 miljoen uitgegeven.

Bijdrage aan sociale fondsen

Met ingang van 2018 wordt een financiële tegemoetkoming van € 10 miljoen per jaar beschikbaar gesteld aan het Wsw-pensioenfonds PWRI onder de voorwaarde dat de werkgevers (de gemeenten) en werknemers die verantwoordelijk zijn voor de pensioenen van de Wsw zelf tot een structurele oplossing komen voor het fonds. De financiële compensatie wordt jaarlijks gegeven tot uiterlijk 2057.

Bijdrage aan internationale organisaties

De uitgaven aan de contributie van het Administratie Centrum voor sociale zekerheid van de Rijnvarenden (CASS) bedroegen circa € 8.000 in 2020.

Ontvangsten

De ontvangsten bedragen in 2020 circa € 25 miljoen. Hiervan heeft € 3,8 miljoen betrekking op de terugbetaling van de intertemporele tegemoetkoming met de gemeentelijke budgetten Participatiewetuitkeringen, zoals afgesproken in het Bestuursakkoord Verhoogde Asielinstroom. Verder waren er in 2020 ontvangsten vanwege terugvorderingen van te hoge voorschotten inzake Rijksvergoedingen, zoals Bijstand zelfstandigen (€ 11 miljoen) en TW (€ 6 miljoen), AIO (€1,9 miljoen), en subsidies (€ 2,5 miljoen).

4.3 Artikel 3 Arbeidsongeschiktheid

A. Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid en stimuleert hen te blijven werken of het werk te hervatten.

De overheid vindt dat werknemers die loon derven als gevolg van arbeidsongeschiktheid verzekerd moeten zijn van een redelijk inkomen. Daarom zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). De WIA omvat twee uitkeringsregimes: de Inkomensvoorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) en de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is bij de introductie van de WIA ingetrokken, maar geldt nog wel voor mensen die vóór 1 januari 2004 door ziekte of gebrek arbeidsongeschikt zijn geworden. Op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) waren ondernemers verplicht verzekerd tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid. De WAZ is per 1 augustus 2004 ingetrokken, maar geldt nog wel voor zelfstandigen die op dat moment een uitkering ontvingen.

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WIA, WAO of WAZ en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

De overheid stimuleert met behulp van financiële prikkels voor zowel uitkeringsgerechtigden als werkgevers dat uitkeringsgerechtigden aan het werk blijven of (op termijn) weer aan het werk gaan. Daarnaast biedt de overheid gerichte re-integratieondersteuning aan uitkeringsgerechtigden die ondersteuning nodig hebben. De overheid kent daarbij een groot belang toe aan de eigen verantwoordelijkheid en het meewerken aan re-integratie door de uitkeringsgerechtigde.

Aan werknemers in Caribisch Nederland wordt met de Ongevallenverzekering (OV) een inkomensvoorziening geboden in geval van arbeidsongeschiktheid door een bedrijfsongeval.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert aan het werk blijven of het werk hervatten met een bijdrage voor re-integratieinspanningen aan UWV. De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderschei-den regelingen;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsongeschiktheidsbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

C. Beleidsconclusies

Medisch advies van de bedrijfsarts leidend bij de toets op re-integratieinspanningen

Op 1 oktober 2020 is het wetsvoorstel waarmee het medisch advies van de bedrijfsarts leidend wordt bij de toets op de re-integratie inspanningen door UWV aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2020/21, 35 589, nr. 2). Dit wetsvoorstel is op 2 februari 2021 controversieel verklaard.

Verbetering poortwachtersproces

In 2020 is het ZonMw programma Verbetering kwaliteit poortwachtersproces gestart, waarmee bijgedragen wordt aan de verbetering van de kwaliteit van het poortwachtersproces en de re-integratie van zieke werknemers door het ontwikkelen van kennis, het stimuleren van implementatie en de borging van kennis. Dit programma komt ook voort uit het pakket met maatregelen rond loondoorbetaling bij ziekte dat eind 2018 is afgesproken (Kamerstukken II 2018/19, 29 544, nr. 873).

Premie Arbeidsongeschiktheidsfonds gedifferentieerd naar grootte van de werkgever

Op 2 september 2020 is het wetsvoorstel waarmee voorzien wordt in differentiatie naar grootte van de werkgever bij de premieheffing voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2020/21, 35 556, nr. 2). Dit wetsvoorstel is door beide Kamers aangenomen, waardoor per 1 januari 2022 kleine werkgevers een tegemoetkoming krijgen in de kosten voor loondoorbetaling bij ziekte via een lager Aof-tarief.

Het arbeidsongeschiktheidspercentage kan gedurende vijf jaar niet verlaagd worden vanwege inkomsten uit arbeid

De uitwerking van het wetsvoorstel om WIA-uitkeringsgerechtigden die het werk hervatten gedurende vijf jaar niet te herbeoordelen is beëindigd. Uit de uitvoeringstoets van UWV is gebleken dat het wetsvoorstel onuitvoerbaar is. UWV geeft aan te verwachten dat het voorstel de angst bij uitkeringsgerechtigden om het werk te hervatten niet wegneemt, omdat een herbeoordeling op basis van medische gronden altijd mogelijk blijft. Vaak hangen inkomsten en een verbetering in de medische situatie ook met elkaar samen. Daarnaast acht UWV het voorstel lastig uitlegbaar en moeilijk te begrijpen voor uitkeringsgerechtigden. In het voorjaar van 2021 is de Tweede Kamer hierover uitgebreider geïnformeerd.

Loonkostensubsidies en het WIA-arbeidsongeschiktheidscriterium

Het wetsvoorstel waarmee het WIA-claimcriterium wordt aangepast voor mensen die met loonkostensubsidie werken in de Participatiewet is uitgesteld en zal op zijn vroegst per 1 januari 2023 in werking kunnen treden. De Tweede Kamer is in een Kamerbrief van december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 32 716, nr. 39) geïnformeerd over de stand van zaken op dit dossier.

Scholingsexperiment WGA

Het scholingsexperiment WGA heeft tot doel sterker in te zetten op scholing van mensen met een WGA-uitkering. Om dit experiment vorm te geven, heeft UWV in 2020 nadere, verkennende onderzoeken uitgevoerd (Kamerstukken II 2020/21, 29 544, nr. 1035). Daarnaast heeft de Stichting van de Arbeid in juli 2020 geadviseerd over de inzet van scholing met het adviesrapport ‘Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen’. Op basis van deze onderzoeken en het advies van de Stichting van de Arbeid is UWV begonnen met de invulling van het experiment. UWV investeert ten eerste in het vakmanschap van de eigen professionals over de inzet van scholing bij re-integratie van mensen met een arbeidsbeperking. Ten tweede is UWV het scholingsaanbod aan het uitbreiden met op werk gerichte taaltrainingen en andere trainingen gericht op versterking van basisvaardigheden. SZW en UWV bezien ten derde gezamenlijk hoe aanvullende scholingstrajecten kunnen worden ingezet binnen het experiment, in het bijzonder leerwerkcombinaties. Deze bouwstenen betekenen tezamen een forse uitbreiding van het scholingsaanbod voor mensen met een WGA-uitkering. UWV zal monitoren of mensen met scholing inderdaad vaker aan het werk komen.

Onderzoek WIA

De jaarlijkse instroom in de WIA is de afgelopen jaren toegenomen. In 2020 is hier een analyse naar gedaan, waarover de Tweede Kamer is geïnformeerd met de brief van 17 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 29 544, nr. 1038). Uit de analyse van de WIA-instroom blijkt dat een groot deel van de stijging is te verklaren door geïmplementeerd beleid en positieve ontwikkeling van de economie. Een positieve ontwikkeling van de economie leidt namelijk tot meer werknemers die verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. Ook is het totaal aantal arbeidsongeschikten (WIA en WAO samen) als aandeel van het aantal verzekerden afgenomen in de afgelopen jaren. Op basis van de analyse heeft het kabinet besloten dat er geen noodzaak is voor het treffen van maatregelen in de WIA. Wel onderstrepen sommige ontwikkelingen het belang van al ingezet beleid en de behoefte aan aanvullend onderzoek. Daarom zal een onderzoek uitgevoerd worden naar de hogere instroomkans van vrouwen in de WIA. Tevens zal in 2021 onderzoek verricht worden naar de eisen die psychische ziektebeelden stellen aan de dienstverlening.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 34 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 3 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Verplichtingen

682

804

813

943

690

3.878

‒ 3.188

        

Uitgaven

682

804

813

943

690

3.878

‒ 3.188

        

Inkomensoverdrachten

       

Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)

682

804

813

643

690

878

‒ 188

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

       

Individuele plaatsing & steun CMD

0

0

0

300

0

0

0

Scholingsexperiment WGA

0

0

0

0

0

3.000

‒ 3.000

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

X Noot
1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

Tabel 35 Premiegefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 3 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Uitgaven

9.199.616

9.455.806

9.701.073

10.143.785

10.459.318

10.544.240

‒ 84.922

        

Inkomensoverdrachten

       

IVA

1.712.782

2.036.404

2.425.658

2.863.571

3.174.480

3.161.439

13.041

WGA

2.327.604

2.492.840

2.646.644

2.838.210

3.091.141

2.978.683

112.458

WGA eigen-risicodragers

327.861

360.864

310.932

313.001

330.000

353.211

‒ 23.211

WAO

4.615.558

4.365.460

4.116.660

3.935.120

3.677.536

3.591.009

86.527

WAZ

154.878

139.221

125.521

114.408

102.447

101.348

1.099

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

       

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW

60.933

61.017

75.658

79.475

83.714

109.617

‒ 25.903

        

Nominaal

0

0

0

0

0

248.933

‒ 248.933

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

E. Toelichting op de instrumenten
Inkomensoverdrachten
Ongevallenverzekering (OV) (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland die door een bedrijfsongeval geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn geraakt, krijgen op basis van de Ongevallenverzekering een uitkering (ongevallengeld). De uitkering is gekoppeld aan het laatstverdiende loon van de werknemer.

Budgettaire ontwikkelingen

De realisatie van de uitgaven aan de ongevallenverzekering in Caribisch Nederland laat een onderuitputting zien ten opzichte van de begroting. De uitgaven op deze regeling kunnen fluctueren. Werkgevers kunnen aanvragen opsparen en ook in een volgend jaar indienen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 36 Kerncijfers Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Volume uitkeringen Ongevallenverzekering (x 1.000, ultimo)

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0

Bron: RCN-unit SZW

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)

De WIA geeft werknemers die na een wachttijd van twee jaar ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn recht op een uitkering, mits aan de voorwaarden daarvoor voldaan is. In de WIA staat werk voorop. Het accent ligt op wat mensen wel kunnen. Tegelijkertijd is er sprake van inkomensbescherming. De WIA wordt uitgevoerd door UWV.

De WIA bestaat uit twee uitkeringsregimes. De IVA verstrekt een loondervingsuitkering aan werknemers die duurzaam volledig arbeidsongeschikt zijn. Wie nog gedeeltelijk kan werken of van wie herstel op termijn nog mogelijk is, krijgt een uitkering op basis van de WGA. Werkgevers kunnen daarbij eigenrisicodrager worden voor de WGA-lasten van hun ex-werknemers. Dit betekent dat ze een lagere premie aan UWV betalen, omdat zij het gros van de verplichtingen van UWV met betrekking tot re-integratie en uitkeringsbetaling overnemen.

Inkomensvoorziening volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA)

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten IVA komen € 13 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 74 miljoen, in tabel 35 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie € 61 miljoen lager dan begroot. De voornaamste oorzaak is een lager aantal uitkeringen. Dit komt doordat minder mensen zijn doorgestroomd uit de WGA dan verwacht en er iets meer mensen dan verwacht de IVA zijn uitgestroomd.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal uitkeringen in de IVA komt lager uit. Dit komt voornamelijk door minder doorstroom vanuit de WGA. Het aantal herbeoordelingen lag in 2020 lager dan in 2019. Voor een deel komt dit door de coronacrisis: door de lockdown waren keuringen en herbeoordelingen soms niet mogelijk.

Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) inclusief WGA eigenrisicodragers

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten WGA komen € 112 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 76 miljoen, in tabel 35 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie € 36 miljoen hoger dan begroot. Dit is een saldo van een hoger aantal uitkeringen en een lagere gemiddelde uitkeringshoogte. De instroom was hoger dan verwacht. Dit heeft deels te maken met de coronacrisis. Keuringen konden in de lockdown veelal niet tijdig plaatsvinden, waardoor een voorschot is verstrekt. Dit voorschot wordt geregistreerd als instroom in de WGA. De doorstroom naar de IVA kwam lager uit dan verwacht, hetgeen ook zorgt voor een hoger bestand in de WGA.

Beleidsrelevante kerncijfers

De instroom in de WGA is duidelijk hoger dan verwacht. Door de aantrekkende economie is (met vertraging) een hogere instroom van zieke werknemers te zien. Daarnaast speelt de coronacrisis een rol. Het effect daarvan op de instroom is hierboven bij budgettaire ontwikkelingen al beschreven. Met vertraging is er ook effect op de uitstroom en doorstroom naar de IVA (als de uitgestelde keuringen alsnog plaatsvinden).

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

De WAO is per 29 december 2005 vervangen door de WIA. De WAO blijft gelden voor werknemers die op 1 januari 2004 een WAO-uitkering ontvingen. De WAO verstrekt uitkeringen tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd. Daarom zullen er nog decennialang mensen zijn die een beroep blijven doen op de WAO. De WAO wordt uitgevoerd door UWV.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten WAO komen € 87 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 84 miljoen, in tabel 35 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie € 3 miljoen hoger dan begroot. Zowel het aantal uitkeringen als de gemiddelde uitkeringshoogte komt ongeveer uit zoals begroot.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 37 Kerncijfers IVA, WGA en WAO
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

IVA, WGA en WAO

       

Bestand in uitkeringen (x 1.000, ultimo)

546

550

556

564

564

560

4

 

waarvan IVA

85

98

113

127

137

140

‒ 3

 

waarvan WGA

168

179

190

200

213

205

8

 

waarvan WAO

293

273

254

237

215

215

0

Bestand als percentage van de verzekerde populatie (%)

8,1

7,9

7,8

7,7

7,5

7,4

0,1

        

Instroom in uitkeringen (x 1.000)

40

42

44

46

50

43

7,0

 

waarvan IVA

9,6

11

12

12

11,6

12,0

‒ 0,4

 

waarvan WGA

30

31

32

34

38,0

30,5

7,5

 

waarvan WAO

0,7

0,7

0,7

0,6

0,6

0,6

0,0

Instroomkans (%)

0,6

0,6

0,6

0,6

0,7

0,6

0,1

        

Uitstroom uit uitkeringen (x 1.000)

40

39

39

38

49,1

47,0

2,1

 

waarvan IVA

6,5

7,2

8,6

8,9

12,9

12,7

0,2

 

waarvan WGA

10

11

10

11

13,7

12,3

1,4

 

waarvan WAO

23

21

20

17,6

22,5

22,3

0,2

Doorstroom van WGA naar IVA (x 1.000)

10,1

10,1

11,7

12,4

11,1

12,7

‒ 1,6

Uitstroomkans WAO + WIA (%)

6,7

6,7

6,5

6,2

8,0

8,4

‒ 0,4

        

WGA

       

Aandeel werkend WGA (%, ultimo)

20

21

20

1

Aandeel werkende WGA'ers met resterende verdiencapaciteit (%)

43

44

46

48

47

1

Bron: UWV, jaarverslag.

X Noot
1

Dit aandeel wordt niet geraamd.

Handhaving

Als gevolg van de coronamaatregelen is het aantal interne en externe fraudemeldingen bij UWV gedaald en zijn de mogelijkheden voor het doen van onderzoek naar mogelijke regelovertreding beperkt. Hierdoor is ook het aantal onderzochte signalen afgenomen. Bijgevolg zijn er minder overtredingen geconstateerd, hetgeen geresulteerd heeft in een lager benadelingsbedrag.

Tabel 38 Kerncijfers IVA, WGA, WAO en WAZ (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

79

79

74

71

2

Kennis van de verplichtingen (%)

88

89

88

90

2

Opsporing3

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

2,8

2,7

4,2

4,6

3,4

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)4

1,1

1,2

1,2

1,7

1,1

Totaal benadelingsbedrag

6,0

7,4

7,2

7,0

6,2

Sanctionering3

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

1,0

0,7

1,4

1,8

1,2

Aantal boetes (x 1.000)

0,9

0,8

0,8

1,0

0,7

Totaal boetebedrag (x € 1 mln.)

0,9

0,8

1,0

1,1

0,9

  

Ontstaansjaar vordering

  

2016

2017

2018

2019

2020

Terugvordering3

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2020 (%)

64

57

48

40

23

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

Door een gewijzigde onderzoeksopzet is het cijfer over 2020 niet beschikbaar. Vanaf 2021 is dit cijfer weer beschikbaar uit het onderzoek "Kennis der verplichtingen".

X Noot
3

UWV, Jaarverslag.

X Noot
4

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)

De WAZ is een verplichte verzekering voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren, directeuren-grootaandeelhouders en meewerkende echtgenoten tegen de inkomensgevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid. De WAZ is op 1 augustus 2004 ingetrokken. Sindsdien kunnen ondernemers zelf bepalen of zij de inkomensrisico’s al dan niet willen afdekken, bijvoorbeeld via een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. De WAZ blijft gelden voor zelfstandigen die op 1 augustus 2004 een uitkering ontvingen. De WAZ wordt uitgevoerd door UWV.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten WAZ komen € 1 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 2 miljoen, in tabel 35 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie € 1 miljoen lager dan begroot. Zowel het aantal uitkeringen als de gemiddelde uitkeringshoogte komt ongeveer uit zoals begroot.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het verschil in het aantal uitkeringen bij de WAZ komt omdat de stand in de begroting was afgerond op duizenden.

Tabel 39 Kerncijfers WAZ
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Bestand in aantal uitkeringen (x 1.000, ultimo)

14

12

11

9,7

8,4

8

0,4

Bron: UWV, jaarverslag.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Voor de re-integratie van uitkeringsgerechtigden in de WIA, WAO, WAZ, ZW en WW zet UWV middelen in om hen zo nodig te begeleiden op weg naar werk en te ondersteunen zodra zij werk hebben. UWV zet deze middelen in voor de inkoop van trajecten en diensten gericht op het vinden van werk. Daarnaast koopt UWV voorzieningen (waaronder jobcoaching en vervoersvoorzieningen) in voor het ondersteunen van werkenden met een structureel functionele beperking. UWV beschikt vanaf 2015 over een geïntegreerd taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en van voorzieningen voor de re-integratieondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (inclusief Wajongers). Dit budget wordt jaarlijks aan UWV beschikbaar gesteld en door UWV verantwoord via de reguliere rapportages. Het begrotingsgefinancierde deel van het re-integratiebudget heeft betrekking op de Wajong en wordt verantwoord in artikel 4.

Budgettaire ontwikkelingen

De premiegefinancierde uitgaven aan re-integratietrajecten zijn op basis van de realisatiegegevens van het UWV circa € 26 miljoen lager uitgevallen dan bij begroting beschikbaar is gesteld. De voornaamste reden is dat door de coronamaatregelen maar in beperkte mate face-to-facedienstverlening mogelijk was.

Tabel 40 Extracomptabel overzicht totaal re-integratiebudget (bedragen x 1.000)
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Premiegefinancierd (WIA/WAO/WAZ/ZW/WW)

60.933

61.017

75.658

79.475

83.714

109.617

‒ 25.903

Begrotingsgefinancierd (Wajong)

160.058

27.800

99.500

91.100

86.000

98.733

‒ 12.733

 

waarvan ESB

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

14.000

‒ 1.000

Totaal beschikbaar budget voor inkoop

206.991

75.8171

162.158

157.575

156.714

194.350

‒ 37.636

X Noot
1

In 2017 sluit het beschikbare budget niet een op een aan op de uitgaven aan re-integratie door UWV. Dit wordt verklaard doordat UWV in 2017 ESF-gelden heeft ontvangen voor oude projecten (€ 36 miljoen). Daarnaast is in 2016 een deel van het re-integratiebudget 2017 (€ 45 miljoen) aan UWV betaald.

4.4 Artikel 4 Jonggehandicapten

A. Algemene doelstelling

De overheid biedt jonggehandicapten arbeids- en inkomensondersteuning.

De Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) bestaat uit drie groepen die elk een eigen doelstelling hebben: de «oude Wajong» (tot 2010), de «Wajong2010» (2010 tot 2015) en de «Wajong2015». Het moment van instroom bepaalt tot welke groep iemand behoort. In de «oude Wajong» staat inkomensondersteuning voorop en is arbeidsondersteuning beschikbaar voor hen die kunnen werken. Voor de «Wajong2010» (mensen die in de periode 2010 tot 2015 zijn ingestroomd) heeft de overheid als eerste doel de arbeidsparticipatie van Wajongers te bevorderen. Als zij perspectief hebben op het verrichten van arbeid staat voor deze Wajongers arbeidsondersteuning centraal. Als onderdeel van de arbeidsondersteuning kunnen zij zo nodig inkomensondersteuning aanvragen. De doelgroep van de Wajong2015 bestaat uit mensen die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. De overheid heeft voor deze groep als doel te voorzien in een inkomensvoorziening. Zij hebben geen recht op arbeidsondersteuning.

Als het totale inkomen van een Wajonger en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert het vinden van werk met een bijdrage voor re-integratieinspanningen aan UWV en de REA-instituten. De Minister financiert de inkomensondersteuning via het verstrekken van uitkeringen. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen uit hoofde van de Wajong;

  • het ter beschikking stellen van middelen voor het aan het werk helpen van mensen die arbeidsmogelijkheden hebben;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV.

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het jonggehandicaptenbeleid te realiseren, zoals bijvoorbeeld de jonggehandicaptenkorting, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

C. Beleidsconclusies

Wet vereenvoudiging Wajong

De beleidsdoorlichting Wajong (Kamerstukken II 2017/18, 30 982, nr. 40) heeft laten zien dat de Wajong, met drie verschillende regelingen en verschillen in rechten en plichten tussen deze regelingen, een complex geheel was geworden. Bovendien was er sprake van een aantal knelpunten dat voor de participatie van mensen met een Wajong-uitkering een belemmering is. In het wetsvoorstel «Vereenvoudiging regelgeving Wajong», dat op 26 mei 2020 is aangenomen door de Eerste Kamer, zijn daarom maatregelen uitgewerkt die ervoor zorgen dat meer (gaan) werken loont, dat Wajongers altijd terug kunnen vallen op de Wajong en dat Wajongers hun uitkering behouden als zij onderwijs volgen. Vanaf september 2020 (conform de motie Ester c.s., Kamerstukken I 2019/20, 35 213, nr. J) betekent dit het schrappen van de studieregeling in de Wajong2010 en het schrappen van de uitsluitingsgrond studerende in de Wajong2015. Vanaf 1 januari 2021 betekent dit het volgende:

  • een aanpassing van de regels voor het eindigen en herleven van het recht op oude Wajong en Wajong2010;

  • harmonisatie van het passend werkaanbod in de oude Wajong en Wajong2010;

  • het afsluiten van de instroom in de oude Wajong;

  • het creëren van een mogelijkheid om af te zien van de oude Wajong;

  • een harmonisering van de regels voor inkomensondersteuning.

Met ingang van 2021 spreken we over twee groepen in de Wajong: een groep met mogelijkheden voor arbeidsparticipatie en een groep die duurzaam geen mogelijkheden voor arbeidsparticipatie heeft.

Met drie aangenomen amendementen is het wetsvoorstel op onderdelen gewijzigd. Het amendement Bruins c.s. (Kamerstukken II 2019/20, 35 213, nr. 15) regelt dat ook Wajongers die duurzaam geen mogelijkheden voor arbeidsparticipatie hebben er direct op vooruitgaan als zij gaan werken. Het amendement Stoffer/Baudet (Kamerstukken II 2019/20, 35 213, nr. 27) regelt dat de termijn waarbinnen het garantiebedrag kan herleven is verlengd naar 12 maanden. Het amendement Renkema/Gijs van Dijk (Kamerstukken II 2019/20, 35 213, nr. 28) regelt dat Wajongers die werken met loondispensatie altijd worden aangevuld tot het loon dat ze zouden hebben ontvangen zonder loondispensatie. De motie Nijkerken-de Haan c.s. (Kamerstukken II 2019/20, 35 213, nr. 20) roept de regering op, op korte termijn te komen tot heldere en goede voorlichting, over de harmonisatie en de gevolgen daarvan richting de mensen die gebruikmaken van de Wajong. Hierbij is het verzoek om cliëntenorganisaties en UWV te betrekken. SZW heeft samen met UWV ingezet op heldere communicatie richting de doelgroep.

Naar aanleiding van het debat in de Eerste Kamer heeft de Staatssecretaris van SZW in de zomer van 2020 met een brief (Kamerstukken I 2019/20, 35 213, nr. R) de Eerste Kamer geïnformeerd over de stappen die moeten worden gezet om de crisisbestendigheid van het garantiebedrag te borgen. De motie Schalk (Kamerstukken I 2019/20, 35 213, nr. M) met daarin de optie om de termijn voor de duur van de crisis met twee jaar te verlengen is daarbij betrokken. Bij de Verzamelwet SZW 2021 is een bevoegdheid gecreëerd om de termijn tijdelijk te kunnen verlengen, indien monitoring en evaluatie daartoe aanleiding geven. In deze brief wordt ook invulling gegeven aan de moties van Pareren (Kamerstukken I 2019/20, 35 213, nr. P) en Ester c.s. (Kamerstukken I 2019/20, 35 213, nr. K). De motie Pareren vraagt om compensatie voor de groep die door de harmonisering van de Wajong erop achteruit gaat. Aan deze motie wordt reeds voldaan met het garantiebedrag. Dit garantiebedrag wordt begin 2021 geëvalueerd, waarna beide Kamers medio 2021 hierover worden geïnformeerd. De motie Ester c.s. roept de regering op om de Wajong maatregelen nauwgezet te monitoren, breed te evalueren en met ingang van 1 juli 2021 jaarlijks over de bevindingen te rapporteren en op basis daarvan mogelijke verbeteringen van het Wajong-beleid te presenteren en over de invoering daarvan met de Kamer te overleggen. Met de brief wordt nader invulling gegeven aan deze motie.

In reactie op het verzoek van senator Oomen heeft de Staatssecretaris met haar brief van 25 mei 2020 (Kamerstukken I 2019/20, 35 213, nr, Q) tevens toegezegd voor een specifieke groep Wajongers die, op het moment van inwerkingtreding van de Wajong maatregelen, sinds januari 2015 onafgebroken hebben gewerkt, de berekening van het garantiebedrag te wijzigen. Het garantiebedrag wordt voor hen vastgesteld op basis van de inkomensregels uit de voortgezette werkregeling. Deze wijziging is bij Verzamelwet SZW 2021 gerealiseerd.

Activering Wajongers met arbeidsvermogen

UWV heeft, ondanks de verslechterde arbeidsmarkt vanwege corona, in 2020 in totaal 6.700 Wajongers aan het werk geholpen. Daarmee heeft UWV de in 2019 opgestelde doelstelling van 8.000 plaatsingen niet gehaald. In 2019 heeft UWV ter vergelijking nog 8.600 Wajongers weten te plaatsen.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 41 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 4 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Verplichtingen

3.274.182

3.202.010

3.280.192

3.329.000

3.430.369

3.386.123

44.246

        

Uitgaven

3.274.182

3.202.010

3.280.192

3.329.000

3.430.369

3.386.123

44.246

        

Inkomensoverdrachten

       

Wajong

3.114.124

3.174.210

3.180.692

3.237.900

3.344.369

3.287.390

56.979

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

       

Re-integratie Wajong

160.058

27.800

99.500

91.100

86.000

98.733

‒ 12.733

        

Ontvangsten

0

18.151

25.626

24.026

22.340

0

22.340

X Noot
1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

E. Toelichting op de instrumenten
Inkomensoverdrachten

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)

De Wajong biedt inkomensondersteuning aan mensen die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden en geen arbeidsverleden hebben en aan hen die tijdens hun studie voor het bereiken van de 30-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden. De Wajong wordt uitgevoerd door UWV.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten van de Wajong zijn in 2020 circa € 44 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. De hogere uitgaven kunnen worden verklaard door de loon- en prijsbijstelling 2020 (circa € 83 miljoen). Daar tegenover staat een daling van de uitkeringslasten bij Voorjaarsnota en bij Miljoenennota op basis van realisatiegegevens van UWV.

Beleidsrelevante kerncijfers

De kerncijfers komen grotendeels overeen met de begroting 2020. Wat opvalt is dat de instroom in de Wajong lager is dan verwacht en dat de uitstroom hoger is dan verwacht. Daarnaast is een lichte daling te zien van het aandeel Wajongers dat werkt. Het aantal geplaatste Wajongers is in 2020 afgenomen van 8.600 naar 6.700. Het aantal Wajongers dat in 2020 het werk verloor is toegenomen. Dit is waarschijnlijk het gevolg van de coronacrisis.

Tabel 42 Kerncijfers Wajong
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Volume Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen, ultimo)

247

245

245

244

243

244

‒ 1

 

waarvan oude Wajong (tot 2010)

177

174

172

168

164

165

‒ 1

  

waarvan met arbeidsvermogen (%)

1

41

41

41

41

41

0

 

waarvan Wajong2010 (2010 tot 2015)

66

65

64

64

63

62

1

  

waarvan werkregeling (%)

76

68

68

68

71

73

‒ 2,0

  

waarvan studieregeling (%)

9,0

7,3

5,8

4,4

0,2

0

0,2

  

waarvan duurzaam geen arbeidsmogelijkheden (%)

15

25

27

27

28

27

1

 

waarvan Wajong2015

3,5

6,2

9,1

12,4

16,3

18

‒ 1,7

        

Instroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)

4,2

4,7

5,2

5,8

6,4

7

‒ 0,6

Uitstroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)

6,1

6,1

6,5

6,8

7,5

6

1,5

        

Aandeel Wajongers met arbeidsvermogen dat werkt (%)

1

50

50

51

50

51

‒ 1

Bron: UWV, jaarverslag.

X Noot
1

cijfers niet bekend

Handhaving

De kerncijfers op het gebied van opsporing en sanctionering zijn in 2020 flink gedaald ten opzichte van het voorgaande jaar. Het aantal onderzochte fraudesignalen is afgenomen, waarbij het aandeel geconstateerde overtredingen nagenoeg gelijk is gebleven. Het gemiddelde benadelingsbedrag is daarentegen gestegen.

Tabel 43 Kerncijfers Wajong (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

77

68

61

72

2

Kennis van de verplichtingen (%)

86

82

79

85

2

Opsporing3

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

3,0

3,7

3,6

3,6

2,3

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)4

1,6

2,4

2,2

2,3

1,4

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

4,6

7,5

5,6

5,6

4,4

Sanctionering3

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

0,8

1,0

0,8

0,7

0,5

Aantal boetes (x 1.000)

1,0

1,1

1,1

1,0

0,7

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,6

0,8

0,8

0,7

0,6

  

Ontstaansjaar vordering

  

2016

2017

2018

2019

2020

Terugvordering3

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2020 (%)

63

50

41

27

12

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

Door een gewijzigde onderzoeksopzet is het cijfer over 2020 niet beschikbaar. Vanaf 2021 is dit cijfer weer beschikbaar uit het onderzoek "Kennis der verplichtingen".

X Noot
3

UWV, jaarverslag.

X Noot
4

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Re-integratie Wajong

Voor jonggehandicapten is een re-integratiebudget beschikbaar om hen zo nodig te begeleiden op weg naar werk en te ondersteunen zodra zij werk hebben. Dit budget is bestemd voor de inzet van trajecten gericht op het vinden van werk, voorzieningen na werkaanvaarding (waaronder jobcoaching) en voor de financiering van de subsidieregeling voor scholing en re-integratie van personen met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen (ESB-regeling). Jonggehandicapten met arbeidsvermogen zijn verplicht om mee te werken aan re-integratie. Specifiek voor jonggehandicapten met arbeidsmogelijkheden die vallen onder de Wajong2010 geldt een acceptatieplicht van passende arbeid. UWV beschikt vanaf 2015 over een geïntegreerd taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en voorzieningen voor de ondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (Wajong, WIA, WAO, WAZ en ZW). Het premiegefinancierde deel van het re-integratiebudget heeft betrekking op de WIA, WAO, WAZ en ZW en wordt verantwoord in artikel 3. In tabel 40 zijn de totale uitgaven aan de inkoop van re-integratietrajecten en werkvoorzieningen te zien, voor zowel WIA/WAO/WAZ/ZW/WW als Wajong.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan re-integratie Wajong zijn in 2020 circa € 13 miljoen lager uitgevallen dan begroot, omdat er als gevolg van de coronacrisis minder re-integratietrajecten en werkvoorzieningen zijn ingekocht dan verwacht.

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen een terugbetaling van UWV aan te veel ontvangen middelen in 2019. Het voorschot dat in 2019 aan UWV is overgemaakt ten behoeve van de Wajong en re-integratie Wajong bleek op basis van het jaarverslag circa € 22 miljoen hoger dan de daadwerkelijke uitgaven in 2019. Dit bedrag is in 2020 terugbetaald.

4.5 Artikel 5 Werkloosheid

A. Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid en stimuleert hen het werk te hervatten.

De overheid biedt werknemers die hun baan verliezen en geheel of gedeeltelijk werkloos worden, bescherming tegen het verlies aan loon als gevolg van werkloosheid. Zij kunnen een beroep doen op een uitkering die voorziet in een tijdelijk loonvervangend inkomen om de periode van werkloosheid te overbruggen. Hiervoor zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Werkloosheidswet (WW). Door middel van instrumenten als bijvoorbeeld de sollicitatieplicht, het besluit passende arbeid en inkomstenverrekening stimuleert de overheid een terugkeer naar werk.

Werklozen die bij instroom in de WW 60 jaar of ouder zijn, komen na afloop van hun WW-recht in aanmerking voor een uitkering op minimumniveau op grond van de Wet Inkomensvoorziening Oudere Werklozen (IOW). Vanaf 2020 stijgt de leeftijdsgrens om voor de IOW in aanmerking te komen naar 60 jaar en 4 maanden.

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WW of IOW en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

Werknemers in Caribisch Nederland ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt de overheid deze verplichting over.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Daarnaast stimuleert de Minister met financiële instrumenten initiatieven die bijdragen aan de werking van de arbeidsmarkt. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • het borgen van het activerend karakter van de regelingen en van hun bijdrage aan de werking van de arbeidsmarkt;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

C. Beleidsconclusies

Inwerkingtreding van uniforme regeling onwerkbaar weer

De Regeling onwerkbaar weer is op 1 januari 2020 in werking getreden. Als een buitengewone natuurlijke omstandigheid (bijvoorbeeld vorst, sneeuw en overvloedige regenval) zich voordoet waardoor de overeengekomen arbeid (gedeeltelijk) niet verricht kan worden én is voldaan aan de voorwaarden voor het doen van een melding, kan een werkgever na het verstrijken van een uniform aantal wachtdagen worden vrijgesteld van de loondoorbetalingsplicht. UWV neemt de loondoorbetaling dan gedeeltelijk over middels een WW-uitkering. Een vergelijkbare regeling bestond ook al voor 1 januari 2020, maar toen was er nog geen sprake van een uniform aantal wachtdagen. Vanwege de zachte winter van 2020 heeft UWV maar een zeer beperkt aantal aanvragen in behandeling hoeven nemen.

Risicomodel verwijtbare werkloosheid 

Naar aanleiding van de WW-fraude die is geconstateerd in het najaar van 2018 heeft UWV onderzoek gedaan naar mogelijkheden tot intensievere controle op verwijtbare werkloosheid. Uit het onderzoek is gebleken dat de inzet van risicomodellen het meest effectief is (Kamerstukken II 2019/20, 26 448, nr. 634). De implementatie van het risicomodel verwijtbare werkloosheid was oorspronkelijk medio 2020 gepland, maar is vanwege de impact van de coronacrisis op de capaciteit binnen UWV uitgesteld naar 2021.

Tijdelijke regeling tegemoetkoming Werknemers Westhaven

De Minister van SZW heeft een tijdelijke financiële tegemoetkoming beschikbaar gesteld voor werknemers die als gevolg van de sluiting van de Hemwegcentrale zijn ontslagen of herplaatst en die daardoor inkomensverlies leiden. De subsidieregeling is op 20 mei 2020 in werking getreden.

Stopzetten regeling werktijdverkorting

Per 17 maart 2020 is de regeling werktijdverkorting (wtv) stopgezet. De uitbraak van het coronavirus heeft geleid tot een ongekend groot beroep op de regeling, waardoor de uitvoering ervan tegen zijn grenzen aanliep. Bovendien wilde het kabinet werkgevers graag sneller en meer financieel tegemoetkomen dan binnen de ingetrokken wtv-regeling mogelijk was. Daartoe is ter vervanging van de wtv de NOW in werking getreden.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 44 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 5 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Verplichtingen

57.069

173.025

104.008

126.669

129.951

115.743

14.208

        

Uitgaven

56.986

166.729

108.108

124.430

131.300

116.911

14.389

        

Inkomensoverdrachten

       

IOW

40.280

65.037

69.600

102.626

116.469

103.680

12.789

Cessantiawet (Caribisch Nederland)

17

24

20

46

36

105

‒ 69

Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit

0

92.900

28.500

0

35

0

35

Tijdelijke regeling tegemoetkoming Westhaven

0

0

0

0

9

0

9

Subsidies

       

Experimenten 50+

0

703

2.108

0

332

0

332

Scholing en plaatsing oudere werklozen

16.189

5.000

331

6

0

0

0

Ontwikkeladvies 45+

0

0

636

10.707

4.733

1.600

3.133

Overige subsidies algemeen

0

1.803

1.872

793

568

1.168

‒ 600

Opdrachten

       

Opdrachten

500

1.262

1.041

272

118

0

118

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

       

Scholing WW

0

0

4.000

9.980

9.000

10.358

‒ 1.358

        

Ontvangsten

0

1.171

3.398

10.789

1.300

0

1.300

X Noot
1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

Tabel 45 Premiegefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 5 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Uitgaven

5.863.820

5.139.206

4.402.744

3.916.464

4.288.372

3.827.525

460.847

        

Inkomensoverdrachten

       

WW

5.863.820

5.139.206

4.402.744

3.916.464

4.288.372

3.724.276

564.096

        

Nominaal

0

0

0

0

0

103.249

‒ 103.249

        

Ontvangsten

386.000

329.026

301.000

260.000

226.961

260.068

‒ 33.107

UFO

386.000

329.026

301.000

260.000

226.961

253.000

‒ 26.039

Nominaal

0

0

0

0

0

7.068

‒ 7.068

E. Toelichting op de instrumenten
Inkomensoverdrachten
Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

De IOW geeft werklozen die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar of ouder zijn, na afloop van hun WW-uitkering recht op een vervolguitkering. Ook gedeeltelijk arbeidsgeschikten die bij aanvang van de loongerelateerde WGA-uitkering 60 jaar of ouder zijn, kunnen na afloop van hun loongerelateerde uitkering recht hebben op IOW. Vanaf 2020 geldt een minimumleeftijd van 60 jaar en 4 maanden bij aanvang van de WW- of WGA-uitkering. De IOW is een tijdelijke regeling die wordt uitgevoerd door UWV.

Budgettaire ontwikkelingen

De IOW-uitgaven komen € 13 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 3 miljoen) is de realisatie € 10 miljoen hoger dan begroot. De uitkeringslasten vallen hoger uit dan geraamd doordat de uitkeringslasten voor 2019 te laag waren bevoorschot aan UWV. Als gevolg hiervan heeft een nabetaling plaatsgevonden in 2020 van zo'n € 5 miljoen. Daarnaast viel de uitkeringshoogte in 2020 hoger uit dan geraamd. Dit komt deels doordat het opwaartse effect van de netto-netto koppeling in de IOW op de gemiddelde uitkeringshoogte te laag was ingeschat. Zoals in tabel 46 is te zien, vielen de volumes in 2020 slechts zeer beperkt hoger uit dan begroot.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 46 Kerncijfers IOW
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Volume IOW (x 1.000 uitkeringsjaren)

3,6

5

5,7

7,6

8,5

8,3

0,2

Bron: UWV, jaarverslag.

Cessantiawet (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt de overheid deze verplichting over.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de Cessantiawet zijn zo'n € 70.000 lager dan begroot. Bij de uitgaven aan deze regeling kunnen tussen de jaren grote verschillen bestaan, afhankelijk van het aantal bedrijven dat failliet is gegaan en het aantal betrokken werknemers. Dat de onderschrijding in 2020 relatief fors is heeft naast reguliere fluctuatie ook te maken met de Tijdelijke Compensatieregeling Loonkosten en Inkomensverlies CN, die ondersteuning biedt aan bedrijven waardoor er minder bedrijven failliet gaan.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 47 Kerncijfers Cessantiawet (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Volume Cessantiawet (x 1.000 uitkeringen)

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

0,0

Bron: RCN-unit SZW.

Werkloosheidswet (WW)

De WW verzekert werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid. Het verlies aan inkomen kan voor een bepaalde periode gedeeltelijk opgevangen worden met een uitkering. Het recht op een WW-uitkering duurt minimaal 3 maanden. De maximale duur is 24 maanden voor uitkeringen die na 1 april 2019 zijn gestart. Hoeveel maanden mensen recht hebben op WW verschilt per persoon, afhankelijk van het aantal jaren dat iemand actief is geweest als werknemer. Per jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer de eerste tien jaar één maand recht op een WW-uitkering op. Vanaf het elfde jaar bouwt een werknemer met elk gewerkt jaar een halve maand recht op WW-uitkering op. Arbeidsjaren van vóór 2016 leveren altijd een volledige maand recht op WW-uitkering op. De WW wordt uitgevoerd door UWV. Hoofdstuk 10, Sociale fondsen SZW, gaat nader in op de financiering van de uitgaven aan de WW.

Budgettaire ontwikkelingen

De WW-uitgaven komen € 564 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 103 miljoen, de post nominaal in tabel 45) is de realisatie € 461 miljoen hoger dan begroot.

De hogere werkloosheidsuitgaven komen door de coronacrisis. Hierdoor zijn meer mensen in de WW gekomen dan voorzien. De gemiddelde uitkering is daarentegen gedaald, omdat de nieuwe instromers in de WW wat jonger waren dan anders. Jongeren verdienen minder, en dus is hun WW-uitkering ook lager.

Beleidsrelevante kerncijfers

De coronacrisis is goed zichtbaar in de volumes van de WW (tabel 48), die zo'n 30.000 uitkeringsjaren hoger uitvallen dan geraamd. De instroom was in alle kwartalen van het jaar hoger, met name in het tweede kwartaal. Het aantal beëindigde WW-uitkeringen is ook behoorlijk groter dan geraamd, omdat een deel van de extra instromers in hetzelfde jaar weer is uitgestroomd, bijvoorbeeld doordat zij hun maximale duur bereikten of nieuw werk vonden. De hoge uitstroom kan ook deels worden verklaard doordat er in 2020 relatief veel jonge mensen de WW zijn ingestroomd. Deze groep heeft gemiddeld genomen een kortere WW-duur en is dus voor een deel ook alweer in 2020 uitgestroomd.

Tabel 49 illustreert dat de werkhervatting met betrekking tot 2020 is gedaald. Een mogelijke verklaring hiervoor is eveneens gelegen in de coronacrisis en de daarmee samenhangende beperkende (lockdown-)maatregelen ten aanzien van meerdere sectoren, waardoor de werkgelegenheid is afgenomen.

Tabel 48 Kerncijfers WW
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Volume WW (x 1.000 uitkeringsjaren)

333

291

241

201

221

191

30

Aantal lopende WW-uitkeringen (x 1.000, ultimo)

412

330

263

223

286

234

52

Aantal WW-instromers (x 1.000)

491

390

336

330

479

341

138

 

waarvan nieuwe uitkeringen (x 1.000)

294

296

443

1

 

waarvan herleefde uitkeringen (x 1.000)2

42

29

36

1

Aantal beëindigde WW-uitkeringen (x 1.000)

525

472

403

369

417

331

86

Bron: UWV, jaarverslag.

X Noot
1

Dit getal wordt niet geraamd.

X Noot
2

Wie na afloop van een WW-uitkering binnen 26 weken weer werkloos wordt, kan de oude WW-uitkering weer terugkrijgen. Dit wordt «herleving» genoemd.

Tabel 49 Werkhervatting uit de WW
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Aandeel werkhervatting binnen 12 maanden na instroom

35

27

31

30

26

 

waarvan leeftijd bij instroom jonger dan 55 jaar

37

28

32

32

27

 

waarvan leeftijd bij instroom 55 jaar en ouder

24

21

24

24

20

      

Aandeel werkhervatting binnen 3 maanden na instroom

16

9

12

13

11

Bron: UWV, jaarverslag.

Handhaving

In de afgelopen jaren is een fors aantal maatregelen aangekondigd en uitgevoerd om misbruik met WW-uitkeringen op te sporen en tegen te gaan. Het betroffen maatregelen om actief overtredingen aan te pakken als ook om het risicomanagement structureel en in gezamenlijkheid tussen UWV en SZW te verbeteren en te borgen. Zo zijn in 2020 de ZW en de WIA op misbruikrisico’s doorgelicht en is gestart met het structureel borgen van het nieuwe risicomanagement binnen UWV en SZW. Ook heeft UWV de drie risicomodellen gericht op verwijtbare werkloosheid, verblijf buiten Nederland en sollicitatieactiviteiten doorontwikkeld. In 2021 wordt gewerkt aan de structurele implementatie van de eerste twee modellen. Daarnaast is verder gewerkt aan een beter adressenbeleid, onder meer door een succesvolle pilot in samenwerking met LAA (Landelijke Aanpak Adreskwaliteit) om de registratie van niet ingezetenen terug te dringen. Ook heeft UWV preventieve maatregelen genomen om regelovertreding te voorkomen, zoals het vertalen van de rechten en plichten verbonden aan de WW, ZW en WIA in zeven talen. De uitvoering van de maatregelen heeft wel vertraging ondervonden door de coronacrisis, met name de maatregelen waarbij direct contact met uitkeringsgerechtigden aan de orde was, zoals onderzoeken naar verblijf buiten Nederland. Desondanks is op vele terreinen voortgang geboekt in een verbeterde aanpak van fraude.

De kerncijfers op het gebied van preventie tonen een afwijkend beeld ten opzichte van de voorgaande jaren. De cijfers zijn in de eerste plaats niet helemaal te vergelijken, aangezien dit jaar het onderzoek op een iets andere manier is uitgevoerd dan de jaren hiervoor (zie paragraaf 3.1.4 in het onderdeel beleidsprioriteiten van dit jaarverslag voor een algemene uitleg). De kennis van de verplichtingen is gedaald van 96% in 2019 naar 91% in 2020. Wordt gekeken naar het effect van de coronacrisis dan is de daling heel licht. Voor uitkeringsgerechtigden waarbij de uitkering voor de crisis is gestart is het 94%, voor uitkeringsgerechtigden die sinds de crisis een uitkering ontvangen is het 89%. Ook de gepercipieerde detectiekans is gedaald van 77% in 2019 naar 61% in 2020. De oorzaak hiervan valt niet eenduidig te geven, maar heeft mogelijk deels te maken met een hoger percentage van mensen met een uitkering gestart tijdens de coronacrisis die aangeven niet te weten hoe deze kans in te schatten (35% versus 20% met een uitkering vóór de start van de crisis). Als gevolg van de coronamaatregelen is het aantal interne en externe fraudemeldingen bij UWV gedaald en zijn de mogelijkheden voor het doen van onderzoek naar mogelijke regelovertreding beperkt. Hierdoor is ook het aantal onderzochte signalen afgenomen. Bijgevolg zijn er minder overtredingen geconstateerd, hetgeen geresulteerd heeft in een lager benadelingsbedrag.

Tabel 50 Kerncijfers WW (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

81

79

78

77

612

Kennis van de verplichtingen (%)

96

97

96

96

912

Opsporing3

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

20

15

3,7

3,4

2,8

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)4

14

10

1,0

1,0

0,8

Totaal benadelingsbedrag (x 1 mln)

22

21

5,5

4,5

3,6

Sanctionering3

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

2,5

4,5

1,7

1,4

1

Aantal boetes (x 1.000)

13

7,8

0,8

0,8

0,6

Totaal boetebedrag ( x 1 mln)

6,8

4,2

1,2

1,1

0,8

  

Ontstaansjaar vordering

  

2016

2017

2018

2019

2020

Terugvordering3

Incassoratio boete + benadelingsbedrag ultimo 2020 (%)

74

68

46

37

25

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

I&O Research «Kennis der verplichtingen in de coronacrisis». Als gevolg van een andere insteek van het onderzoek is sprake van een trendbreuk.

X Noot
3

UWV, jaarverslag.

X Noot
4

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Tijdelijke regeling tegemoetkoming Westhaven

De Minister van SZW stelt een tijdelijke financiële tegemoetkoming beschikbaar voor werknemers die als gevolg van de sluiting van de Hemwegcentrale zijn ontslagen of herplaatst en die daardoor inkomensverlies lijden. De subsidieregeling is op 20 mei 2020 in werking getreden.

Budgettaire ontwikkelingen

Ten tijde van het opstellen van de begroting 2020 was deze regeling er nog niet. Daarom is hier destijds ook niets voor begroot. De uitgaven aan deze regeling bedroegen in 2020 zo'n € 9.000.

Subsidies

Vanuit dit budget worden de subsidies uitgekeerd voor de regeling Experimenten 50+. Vanwege onduidelijkheid over de verantwoording zijn de projecten niet in het laatste kwartaal van 2019 vastgesteld, maar in 2020. Daartoe is € 0,7 miljoen doorgeschoven naar 2020. Doordat de laatste subsidies lager zijn vastgesteld bedraagt de budgetuitputting circa € 0,3 miljoen.

Voor de tijdelijke subsidieregeling ontwikkeladvies vijfenveertigplussers (voorheen 2e loopbaanadvies) is € 3,2 miljoen doorgeschoven van 2019 naar 2020. De totale uitgaven aan het ontwikkeladvies in 2020 komen uit op € 4,7 miljoen. De reden hiervoor is dat de regeling open stond tot 10 januari 2020 en veel declaraties pas eind 2019 zijn ingediend, waardoor deze pas in 2020 konden worden beoordeeld en betaald. De regeling is inmiddels afgerond.

De overige subsidies bestaan uit drie subsidieprojecten, waarvan twee van AWVN en één van de Ambachtsacademie. Het budget is door middel van een kasschuif van € 0,6 miljoen in overeenstemming gebracht met het kasritme van de regelingen.

Opdrachten

De eindevaluatie van Perspectief 50+ is opgeleverd in 2020 in plaats van in 2019 vanwege een extra 2-meting. Omdat de eindevaluatie was voorzien in 2019 stond hiervoor in 2020 geen budget op de begroting. Om te kunnen voldoen aan de verplichting is via de eindejaarsmarge budget overgeheveld naar 2020.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

De Tijdelijke regeling scholingsbudget UWV is eind 2020 afgelopen. De regeling heeft UWV in staat gesteld vele duizenden scholingstrajecten in te kopen voor WW-gerechtigden met een scholingsbehoefte. De uitputting van het budget in 2020 is in grote mate beïnvloed door de coronacrisis. In het voorjaar en begin van de zomer is de uitputting van het budget aanzienlijk teruggelopen vanwege de contactbeperkende maatregelen: intensieve begeleiding van werkzoekenden kon niet meer op locatie, veel opleidingsinstituten sloten tijdelijk de deuren en de richtlijnen van UWV moesten worden aangepast op basis van de snel veranderende arbeidsmarkt. Na de zomer is de uitputting van het budget gestegen, tot een niveau boven initiële verwachting. Reden hiervoor is de hogere instroom in de WW en meer vraag naar scholing richting een kansrijk beroep vanwege het ontbreken van baanperspectieven in bepaalde sectoren. Deze bewegingen hebben samen geleid tot een onderuitputting van € 1,3 miljoen in 2020.

Ontvangsten

Begrotingsgefinancierde ontvangsten

In 2019 is € 1,3 miljoen minder uitgegeven uit het scholingsbudget WW dan geraamd. Dit bedrag is in 2020 terugontvangen van UWV.

Ontvangsten UFO

De overheid is eigenrisicodrager voor de WW. UWV verhaalt de uitkeringslasten op overheidswerkgevers. Deze lasten staan als ontvangsten op dit artikel en zijn in 2020 €26 miljoen lager uitgevallen dan geraamd. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 7 miljoen) is de realisatie € 19 miljoen lager dan begroot.

4.6 Artikel 6 Ziekte en zwangerschap

A. Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van ziekte en stimuleert hen het werk te hervatten. De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van zwangerschap en bevalling en komt tegemoet bij verlofopname wegens geboorte van een kind, adoptie of opname van een pleegkind.

De overheid vindt dat mensen die ziek worden en waarbij de loonbetalingsverplichting bij ziekte voor de werkgever niet van toepassing is, ook verzekerd moeten zijn van een tijdelijk loonvervangend inkomen. Zij kunnen het verlies aan inkomen daarom voor een periode van twee jaar, gelijk aan de periode van de loonbetalingsverplichting, opvangen met een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Door middel van verzuimbegeleiding en re-integratie stimuleert de overheid deze (gewezen) werknemers om zo snel mogelijk weer aan het werk te gaan.

Ook tijdens de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof voorziet de overheid in een tijdelijk loonvervangend inkomen. Op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) komen zwangere werknemers en zelfstandigen in aanmerking voor een uitkering. Ook andere verlofvormen geven recht op een uitkering, namelijk: adoptie- en pleegzorgverlof en aanvullend geboorteverlof.

Mensen die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose door blootstelling aan asbest, kunnen van de overheid een tegemoetkoming of een voorschot op een schadevergoeding ontvangen op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS).

Slachtoffers van het organo psycho syndroom (OPS), ook wel «schildersziekte» genoemd, kunnen in aanmerking komen voor een eenmalige financiële tegemoetkoming.

Werknemers in Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering op grond van de Ziekteverzekering (ZV).

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV en de SVB;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

C. Beleidsconclusies

Wet arbeid en zorg

Op 1 juli 2020 is volgens planning de laatste fase van de Wet invoering extra geboorteverlof (WIEG) in werking getreden. Sindsdien heeft de partner van de pas bevallen moeder, dan wel degene die haar kind erkent, recht op 5 weken aanvullend geboorteverlof tegen 70% van het loon.

Daarnaast is op 28 oktober 2020 het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet arbeid en zorg, de Wet flexibel werken en enige andere wetten in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1158 aangeboden aan de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel gaat onder andere om het invoeren van betaald ouderschapsverlof.

Uitbreiding nabestaandenbegrip TAS

Zoals aangegeven in de begroting 2020 is met ingang van 1 januari 2020 het nabestaandenbegrip in de Regeling TAS 2014 uitgebreid (Stcrt. 2019, 63888). Het doel van de uitbreiding is om de kring van rechthebbende nabestaanden beter aan te laten sluiten op het civiele aansprakelijkheidsrecht. Met de aanpassing kunnen ook erfgenamen met wie het slachtoffer op het moment van overlijden geen gezinsverband vormde (bijvoorbeeld volwassen kinderen die niet langer thuis wonen) aanspraak maken op de tegemoetkoming.

OPS-motie

Op 1 maart 2020 is, naar aanleiding van de OPS-motie, een regeling in werking getreden die OPS-slachtoffers uit coulance financieel tegemoet komt. De regeling is twee maanden later dan gepland in werking getreden omdat het meer tijd vergde dan voorzien om de uitvoering van de regeling goed ingeregeld te krijgen. Deze vertraging heeft niet tot problemen geleid, omdat vervolgens ook bleek dat de behandeling van aanvragen veel sneller mogelijk was dan voorzien.

Onderzoek ZW

Er is in 2020 een analyse gedaan naar de stijgende Ziektewetlasten (Kamerstukken II 2019/20, 29 544, nr. 1038). Uit deze analyse blijkt dat het voor een groot deel verklaarbaar is dat het beroep op de Ziektewet (ZW) in de periode 2013 tot 2019 is toegenomen (nog voor de corona pandemie uitbrak). Dit valt te verklaren door een toename van - en verschuivingen binnen de potentiële doelgroep. Hierdoor vallen meer mensen dan voorheen onder de publieke ZW. Wel is de langere verblijfsduur van de vangnetgroep zwangeren en WW-gerechtigden in de ZW en de oploop in de instroom van WW-gerechtigden aan het einde van de WW-duur nog opvallend. Hier wordt nader onderzoek naar gedaan in samenwerking met UWV.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 51 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 6 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Verplichtingen

6.246

7.578

7.904

7.895

13.108

11.738

1.370

        

Uitgaven

6.246

7.578

7.904

7.652

13.350

11.981

1.369

        

Inkomensoverdrachten

       

TAS

3.830

4.508

4.716

4.296

5.520

4.696

824

Ziekteverzekering (Caribisch Nederland)

2.416

3.070

3.188

3.099

2.963

3.442

‒ 479

OPS-voorzieningsfonds

0

0

0

0

4.700

3.600

1.100

Subsidies

       

Kanker en werken

0

0

0

257

167

243

‒ 76

        

Ontvangsten

429

0

0

0

0

0

0

X Noot
1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW. De stand zoals gepresenteerd onder de stand vastgestelde begroting wijkt af van de stand vastgestelde begroting bij de eerste suppletoire begroting, tweede suppletoire begroting, tweede incidentele suppletoire begroting en de slotwet. De reden hiervoor is dat in deze wetten de eerste en tweede incidentele suppletoire begroting, die zijn ingediend tussen de vaststelling van de ontwerpbegroting en de vaststelling van de eerste suppletoire begroting, zijn opgeteld bij vastgestelde begroting en in het jaarverslag niet.

Tabel 52 Premiegefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 6 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Uitgaven

2.625.808

2.682.956

2.806.325

3.060.903

3.281.109

3.027.932

253.177

        

Inkomensoverdrachten

       

ZW

1.498.216

1.545.151

1.627.534

1.725.947

1.939.940

1.628.811

311.129

WAZO

1.127.592

1.137.805

1.178.791

1.334.956

1.285.497

1.252.913

32.584

WAZO aanvullend geboorteverlof partners

0

0

0

0

55.672

64.041

‒ 8.369

        

Nominaal

0

0

0

0

0

82.167

‒ 82.167

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

E. Toelichting op de instrumenten
Inkomensoverdrachten
Tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS)

Mensen die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose als gevolg van blootstelling aan asbest tijdens het uitoefenen van werkzaamheden in dienstverband kunnen een tegemoetkoming ontvangen op grond van de TAS. In dergelijke gevallen kan de (voormalige) werkgever aansprakelijk worden gesteld en kan een schadevergoeding worden geëist. Dit proces kan soms echter lang duren. Tegelijkertijd is de levensverwachting van mensen met de ziekte maligne mesothelioom laag. De Regeling TAS 2014 heeft tot doel asbestslachtoffers bij leven maatschappelijke erkenning te bieden in de vorm van een tegemoetkoming. De tegemoetkoming wordt in eerste instantie uitgekeerd in de vorm van een voorschot. Wanneer het proces van aansprakelijkheidsstelling uitmondt in de uitkering van een schadevergoeding door de (voormalige) werkgever aan het slachtoffer, dan wordt de uitgekeerde tegemoetkoming met de uitgekeerde schadevergoeding verrekend. De Regeling TAS 2014 wordt uitgevoerd door het Instituut Asbestslachtoffers en de Sociale Verzekeringsbank.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de Regeling TAS 2014 zijn in 2020 € 0,8 miljoen hoger uitgekomen dan in de begroting 2020 werd verwacht. In de begroting was nog gerekend in prijzen 2019. Indien rekening wordt gehouden met de loon- en prijsbijstelling (€ 0,13 miljoen) is de realisatie € 0,7 miljoen hoger uitgevallen dan begroot. Deze hogere uitkeringslasten over 2020 kunnen deels worden verklaard doordat er een nabetaling over 2019 heeft plaatsgevonden in 2020 van circa € 0,25 miljoen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal terugontvangen voorschotten is fors lager uitgevallen dan verwacht. Het daadwerkelijke terugvorderingspercentage is 30% terwijl in de begroting een percentage van 41% werd gehanteerd. Tevens is het aantal toekenningen lager uitgevallen dan in de begroting 2020 werd verwacht.

Tabel 53 Kerncijfers TAS
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Aantal toekenningen voorschot TAS (x 1.000 uitkeringen)

0,4

0,4

0,4

0,3

0,4

0,4

0

 

waarvan toekenning i.v.m. maligne mesothelioom

0,3

0,3

0,4

0,3

0,3

0,4

‒ 0,1

 

waarvan toekenning i.v.m. asbestose

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

0

Aantal terugontvangen voorschotten TAS (x 1.000 uitkeringen)

0,2

0,1

0,2

0,1

0,1

0,2

‒ 0,1

Aantal toekenningen maligne mesothelioom bij leven ten opzichte van totaal aantal toekenningen (%)

85

85

85

86

80

1

Bron: SVB, jaarverslag.

X Noot
1

Dit cijfer wordt niet geraamd.

Ziekteverzekering (ZV) (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering (ziekengeld) op grond van de Ziekteverzekering. De uitkering is gerelateerd aan het loon van de werknemer.

Budgettaire ontwikkelingen

In 2020 wordt op een begrote € 3,4 miljoen een onderschrijding van circa € 0,5 miljoen gerapporteerd. Dit heeft te maken met fluctuaties in de raming.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 54 Kerncijfers Ziekteverzekering (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Volume Ziekteverzekering CN (x 1.000 uitbetaalde ziektedagen)

56

61

63

66

64

63

1

Bron: RCN-unit SZW.

OPS-fonds

De OPS problematiek is het gevolg van blootstellingen aan vluchtige oplosmiddelen in het werk die hoger waren dan volgens de destijds geldende wettelijke voorschriften waren toegestaan. De regeling is in maart 2020 in werking getreden. Bij de opzet van de regeling is zoveel mogelijk aangesloten bij regelingen voor asbestslachtoffers. De regeling wordt uitgevoerd door de SVB.

Budgettaire ontwikkelingen

Ondanks dat informatiebijeenkomsten voor slachtoffers niet door konden gaan in verband met coronamaatregelen, zijn er in 2020 meer aanvragen voor de eenmalige tegemoetkoming ingediend dan verwacht werd voor het eerste uitvoeringsjaar. In totaal is in 2020 € 4,7 miljoen gerealiseerd.

Ziektewet (ZW)

De ZW geeft zieke werknemers het recht op een uitkering als zij geen werkgever meer hebben die in geval van ziekte loon moet doorbetalen. De ZW bevat minimumnormen voor re-integratie. De ZW geldt ook voor een beperkte groep werknemers die wel in dienst zijn van een werkgever, namelijk werknemers die tijdelijk ongeschikt zijn voor het verrichten van hun werk (wegens arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap en orgaandonatie) en werknemers met een zogenaamde no-riskpolis. De werkgever mag de ZW-uitkering dan verrekenen met het loon dat hij moet doorbetalen. De ZW wordt uitgevoerd door UWV of door werkgevers zelf wanneer zij ervoor gekozen hebben om eigenrisicodrager te zijn voor de ZW-uitkeringslasten.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten ZW komen € 311 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 46 miljoen, in tabel 52 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie € 266 miljoen hoger dan begroot. Een belangrijke verklaring voor de hogere ZW-uitgaven zijn de gevolgen van het coronavirus, waardoor het beroep op de ZW hoger uitvalt dan werd verwacht. Vanwege het urgente belang voor de volksgezondheid is met UWV afgesproken dat zogeheten vangnetters die vanwege quarantaine niet kunnen werken, aanspraak kunnen maken op een ZW-uitkering. Het gaat om werknemers die geen werkgever (meer) hebben, zoals uitzendkrachten en eindedienstverbanders. Door de ombuiging van de conjunctuur zijn er bovendien meer werklozen die bij ziekte een beroep doen op de ZW. Daarnaast is het aantal ZW-uitkeringen bij zwangerschappen hoger dan verwacht.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het gemiddeld aantal ZW-uitkeringen is ongeveer 15.000 hoger uitgekomen dan verwacht. Dit verschil wordt vooral verklaard door een hoger beroep van uitzendkrachten en zieke werklozen op de ZW en een hoger aantal ZW-uitkeringen in verband met zwangerschappen.

Tabel 55 Kerncijfers ZW
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Volume ZW (x 1.000 uitkeringen, gemiddelde)

87

90

95

98

107

92

15

Instroom ZW (x 1.000 uitkeringen)

236

252

283

298

325

1

Uitstroom ZW (x 1.000 uitkeringen)

285

300

322

335

365

1

Bron: UWV, jaarverslag.

X Noot
1

In- en uitstroom worden niet geraamd.

Handhaving

De kerncijfers op het gebied van fraude en handhaving tonen een wisselend beeld ten opzichte van voorgaande jaren. Wat betreft preventie is gepercipieerde detectiekans gedaald van 77% naar 57%. Op het gebied van opsporing valt op dat het aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling is afgenomen. Op het gebied van sanctionering is het aantal boetes gedaald.

In 2020 heeft onderzoek plaatsgevonden door KPMG naar misbruikrisico’s in de ZW en WIA. Op basis hiervan wordt door UWV, met betrokkenheid van SZW, een nadere analyse naar deze misbruikrisico’s gedaan, waarbij ook wordt ingegaan op de beheersmaatregelen die door UWV worden ingezet. In de stand van de uitvoering (december 2020) is gemeld dat dit onderzoek naar verwachting is afgerond in het voorjaar van 2021.

Tabel 56 Kerncijfers ZW (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

76

80

77

77

572

Kennis van de verplichtingen (%)

93

95

93

93

872

Opsporing3

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

1,5

3,6

3,5

3,9

3,3

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)4

1,1

2,8

2,6

2,6

2,0

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

3

3,4

2,9

3,5

2,9

Sanctionering3

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

0,3

1,4

1,4

2,1

1,9

Aantal boetes (x 1.000)

   

0,9

1,6

1,4

1,1

0,8

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,5

1

0,8

0,7

0,6

  

Ontstaansjaar vordering

  

2016

2017

2018

2019

2020

Terugvordering3

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2020 (%)

66

64

51

43

21

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

I&O Research «Kennis der verplichtingen in de coronacrisis». Als gevolg van een andere insteek van het onderzoek is sprake van een trendbreuk.

X Noot
3

UWV, jaarverslag.

X Noot
4

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Wet arbeid en zorg (WAZO)

De WAZO bundelt een aantal wettelijke verlofvormen, zoals het zwangerschaps- en bevallingsverlof, kraamverlof, adoptie- en pleegzorgverlof, ouderschapsverlof en kort- en langdurend zorgverlof. Soms bestaat er recht op (gedeeltelijke) loondoorbetaling of op een uitkering (zwangerschaps- en bevallingsuitkering en adoptie- en pleegzorguitkering). Deze uitkeringen op grond van de WAZO worden uitgevoerd door UWV.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten WAZO komen circa € 33 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling van circa € 35 miljoen (onderdeel van de post nominaal van circa € 82 miljoen) komt de realisatie ongeveer € 2 miljoen lager uit dan werd geraamd bij de begroting.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal toekenningen op grond van zwangerschaps- en bevallingsverlof is vanwege een lager geboortecijfer circa 3.000 uitkeringen lager uitgevallen dan bij de begroting werd geraamd.

Tabel 57 Kerncijfers WAZO
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 20181

Realisatie 20191

Realisatie 20201

Begroting 2020

Verschil 2020

Totaal aantal toekenningen zwangerschap- en bevallingsverlofuitkering (x 1.000 uitkeringen)

140

134

140

142

142

145

‒ 3

Aantal toekenningen werknemers (x 1.000 uitkeringen)

129

124

129

130

130

133

‒ 3

Aantal toekenningen zelfstandigen (x 1.000 uitkeringen)

10,5

10,4

11,4

11,5

12,3

11,8

0,5

Bron: UWV, jaarverslag.

X Noot
1

SZW, berekening.

WAZO aanvullend geboorteverlof partners

Het aanvullend geboorteverlof is per 1 juli 2020 ingevoerd. Het verlof duurt maximaal 5 weken. Het verlof dient binnen 6 maanden na de geboorte te worden opgenomen. Ook deze regeling wordt door UWV uitgevoerd.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten aan aanvullend geboorteverlof komen circa € 8 miljoen lager uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling van circa € 2 miljoen (onderdeel van de post nominaal van circa € 82 miljoen) komt de realisatie circa € 10 miljoen lager uit. Hoewel het gemiddeld aantal opgenomen dagen hoger uitviel, kwam het aantal toekenningen lager uit dan geraamd.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal toekenningen komt lager uit dan werd geraamd en het gemiddeld aantal opgenomen dagen is hoger uitgevallen dan geraamd.

Tabel 58 Kerncijfers Aanvullend geboorteverlof
 

Realisatie 20201

Begroting 2020

Verschil 2020

Totaal aantal toekenningen aanvullend geboorteverlof (x 1.000 uitkeringen)

24

36

‒ 12

Gemiddeld aantal opgenomen dagen

22

17,5

4,5

Bron: UWV, jaarverslag.

X Noot
1

SZW, berekening.

Subsidies

Met het amendement van Weyenberg (Kamerstukken II 2017/18, 34 775, nr. 18) is € 500.000 in totaal beschikbaar gesteld voor een subsidieregeling om maatschappelijke initiatieven te ondersteunen die erop zijn gericht (ex-)kankerpatiënten zonder werk meer kans te geven op het vinden van een nieuwe baan. In 2019 zijn met deze subsidieregeling vijf projecten gestart, die allen in 2020 zijn afgerond. In 2020 is er € 167.000 uitgekeerd voor deze projecten.

4.7 Artikel 7 Kinderopvang

A. Algemene doelstelling

De overheid biedt financiële ondersteuning aan werkende ouders voor kinderopvang en bevordert de kwaliteit van kinderopvang.

De overheid hecht aan goede, veilige en financieel toegankelijke kinderopvang, zodat ouders arbeid en zorg kunnen combineren. Voor de bevordering van de arbeidsparticipatie is het belangrijk dat ouders van jonge kinderen actief blijven op de arbeidsmarkt. Bovendien zorgt goede kinderopvang er ook voor dat kinderen worden gestimuleerd in hun ontwikkeling.

De kinderopvangtoeslag houdt formele kinderopvang betaalbaar voor ouders. Om de kwaliteit van kinderopvang te bevorderen heeft de overheid in de Wet kinderopvang (Wko) vastgesteld aan welke eisen de kinderopvangvoorzieningen moeten voldoen. De GGD houdt hier, in opdracht van gemeenten, toezicht op. Daarnaast steunt de Minister via subsidies projecten die de (informatie)positie van ouders versterken. Dit om te zorgen dat ouders hun kind naar een kinderopvangvoorziening kunnen brengen die veilig en van goede kwaliteit is. De kinderopvangondernemers zijn verantwoordelijk voor het goed functioneren van de kinderopvang. Gastouderbureaus en gastouders zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van gastouderopvang. Ouders hebben een eigen verantwoordelijkheid bij de keuze voor een kinderopvangvoorziening en kunnen hun invloed onder andere via de oudercommissies uitoefenen.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel, financiert met de kinderopvangtoeslag (KOT) het gebruik van kinderopvang en stimuleert met subsidies de (informatie)positie van ouders. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • het vaststellen van de hoogte van de kinderopvangtoeslag en de voorwaarden waaronder deze wordt toegekend;

  • het ter beschikking stellen van middelen aan gemeenten via het Gemeentefonds ter financiering van toezicht en handhaving op de kinderopvang;

  • het borgen van de kwaliteit van toezicht en handhaving;

  • Het verstrekken van middelen ten behoeve van de kinderopvang en voor- en naschoolse voorzieningen in Caribisch Nederland in het kader van het programma BES(t) 4 kids;

  • het bevorderen van de kwaliteit en veiligheid van de kinderopvang.

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering van de KOT door de Belastingdienst.

C. Beleidsconclusies

De beoogde beleidsresultaten uit de begroting 2020 zijn grotendeels gerealiseerd. Daarnaast is vanwege de coronacrisis tijdelijk nieuw beleid geïntroduceerd en is gewerkt aan de hersteloperatie kinderopvangtoeslag.

Kinderopvangtoeslag en Wet langdurige zorg

Op 2 december 2020 is de Verzamelwet kinderopvang gepubliceerd (Stb. 2020, 518). Zoals aangekondigd in de begroting van 2020 is hiermee het recht op kinderopvangtoeslag uitgebreid. Per 1 januari 2021 hebben huishoudens waarin de ene partner werkt en de andere partner een permanente Wet langdurige zorg (Wlz)-indicatie heeft ook recht op kinderopvangtoeslag. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is een amendement aangenomen waarmee wordt geregeld dat per 1 januari 2023 dit wordt uitgebreid voor partners met een tijdelijke Wlz-indicatie. Tot die tijd kunnen zij nog wel terecht bij hun gemeenten voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang op basis van Sociaal Medische Indicatie (SMI).

Verbetertraject Kinderopvangtoeslag

Zoals in de begroting van 2020 werd aangekondigd, heeft het kabinet in 2020 stapsgewijs verbetermaatregelen uit het Verbetertraject Kinderopvangtoeslag geïmplementeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31 322, nr. 422). Kinderopvangorganisaties zijn in 2020 geleidelijk gestart met het maandelijks aanleveren van gegevens aan Belastingdienst/Toeslagen. Eind 2020 leverde ongeveer 85% van alle kinderopvangorganisaties al maandelijks gegevens. Met actuele gegevens kan Belastingdienst/Toeslagen verschillen eerder signaleren naar ouders en de juiste dienstverlening bieden. Daarnaast is in 2020 gestart met de persoonlijke begeleiding van burgers met een hoge kans op (hoge) terugvorderingen. Ten slotte is in 2020 de kinderopvangtoeslag app gelanceerd, waarmee ouders makkelijker de aanvraaggegevens kunnen inzien en wijzigen.

Het verbetertraject ziet na de implementatie van bovengenoemde maatregelen nog verdere potentie voor verbeteringen in de dienstverlening richting ouders en in het reduceren van het aantal (hoge) terugvorderingen binnen de kinderopvangtoeslag. Om die reden wordt in 2021 een vervolg gegeven aan het verbetertraject (Kamerstukken II 2020/21, 31 322, nr. 422).

Scenariostudie vormgeving kindvoorzieningen

In 2020 zijn naar aanleiding van de kabinetsreacties op de Interdepartementale Beleidsonderzoeken (IBO) Deeltijdwerk en Toeslagen door middel van een Scenariostudie Vormgeving Kindvoorzieningen (SVK) diverse scenario's uitgewerkt voor het vormgeven van een toekomstig stelsel van kindvoorzieningen (Kamerstukken II 2020/2021, 31 322, nr. 424). Het doel hiervan is het toekomstige kabinet en (politieke) stakeholders handvatten te geven voor de inrichting van het stelsel van kindvoorzieningen. 

Verbetering kwaliteit en toegankelijkheid van kinderopvang in Caribisch Nederland

In het programma BES(t) 4 kids hebben het Rijk en de openbare lichamen een belangrijke stap gezet in de richting van de bedragen die voor kinderopvang zijn opgenomen in het ijkpunt voor het sociaal minimum. Vooruitlopend op de wettelijke verankering van het stelsel voor kinderopvang in Caribisch Nederland is in 2020 de tijdelijke subsidieregeling kinderopvang Caribisch Nederland ingesteld (Stcrt. 2020, 19876). Hiermee worden kinderopvangorganisaties in staat gesteld om te investeren in de kwaliteit van de kinderopvang en wordt de kinderopvang financieel toegankelijker voor de ouders. De openbare lichamen in Caribisch Nederland hebben eilandelijke verordeningen aangenomen. Het grootste deel van de kinderopvangorganisaties heeft in 2020 met steun van BES(t) 4 kids een exploitatievergunning ontvangen. In 2020 is verder het conceptwetsvoorstel voor het stelsel van kinderopvang in Caribisch Nederland opgesteld en ter consultatie voorgelegd aan de eilanden.

Vaccinatie in de kinderopvang

In de kabinetsreactie op het advies van de Commissie kinderopvang en vaccinatie (Kamerstukken II 2019/20, 32 793, nr. 450) zijn enkele vraagstukken geschetst rondom de zorgen van ouders over de veiligheid van kinderen op de kinderopvang vanwege de dalende vaccinatiegraad. SZW is in nauwe samenwerking met VWS gestart met de uitwerking van deze vraagstukken en heeft daarbij ook voorlichting aan de Raad van State gevraagd over vraagstukken die betrekking hebben op onder meer proportionaliteit. Door de coronacrisis heeft dit traject in het afgelopen jaar geen prioriteit gekregen. De Tweede Kamer is hierover eind 2020 geïnformeerd in de Verzamelbrief Kinderopvang (Kamerstukken II 2020/21, 31 322, nr. 422).

Sluiting kinderopvang vanwege coronacrisis

In verband met de coronacrisis was de reguliere kinderopvang in 2020 (gedeeltelijk) gesloten in de periode tussen 16 maart tot 8 juni en vanaf 16 december. Voor ouders in cruciale beroepen en vitale processen is noodopvang georganiseerd. Gemeenten zijn tijdens de eerste sluiting financieel gecompenseerd voor de extra kosten die zij hebben gemaakt voor de noodopvang.

Ouders is gevraagd om de kinderopvangfacturen door te blijven betalen. Voor ouders die de kinderopvang door bleven betalen gedurende de sluitingsperiode in het voorjaar van 2020, zijn drie tegemoetkomingsregelingen in het leven geroepen. Deze zijn voor ouders met kinderopvangtoeslag en voor ouders met gemeentelijke subsidiëring reeds uitgekeerd. Voor personen die gebruik hebben gemaakt van kinderopvang zonder overheidsvergoeding zal de tegemoetkoming in 2021 worden uitgekeerd. Ook voor de tweede sluitingsperiode zal een tegemoetkoming aan ouders worden verstrekt voor de betaalde eigen bijdrage in deze periode.

In 2020 is de koppeling gewerkte uren binnen de kinderopvangtoeslag tijdelijk verruimd. Voor ouders die vanwege de coronacrisis minder uren konden werken, maar tijdens de sluiting van de kinderopvang wel de reguliere factuur doorbetaalden, blijft hierdoor het aantal uren waarvoor zij aanspraak hebben op kinderopvangtoeslag in stand.

Hersteloperatie kinderopvangtoeslag

In 2019 hebben de ouders uit de CAF 11-zaak compensatie ontvangen. Het eindrapport van de Adviescommissie uitvoering toeslagen (AUT) liet zien dat de problematiek breder ging dan CAF-11. Deze kwam, naast de handelwijze van de Belastingdienst in de uitvoering, ook deels voort uit hardheid van de regelgeving rond de KOT. In reactie heeft het kabinet een bredere hersteloperatie met aanpassing van regelgeving aangekondigd.

De herstelorganisatie is in de loop van 2020 opgestart door de Belastingdienst en de benodigde regelgeving is (met terugwerkende kracht) aangepast. Met de Voortgangsrapportage kinderopvangtoeslag wordt regulier een update gegeven van de hersteloperatie. Zo ook over de aangekondigde verruiming en versnelling van het herstel (Kamerstukken II 2020/21, 35 510, nr. 4) na het uitbrengen van het rapport van de Parlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslag ‘Ongekend Onrecht’. Het kabinet neemt een fors pakket maatregelen om de gedupeerde ouders en hun kinderen sneller te helpen én om te voorkomen dat zoiets ooit nog kan gebeuren. De kabinetsreactie op het rapport van de POK beschrijft de inzet van het kabinet op hoofdlijnen (Kamerstukken II 2020/21, 35 510, nr. 4).

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 59 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 7 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Verplichtingen

2.410.340

2.610.668

2.955.372

3.366.289

3.913.026

3.461.212

451.814

        

Uitgaven

2.406.838

2.610.681

2.958.302

3.366.184

3.912.442

3.461.212

451.230

        

Inkomensoverdrachten

       

Kinderopvangtoeslag

2.385.422

2.585.976

2.933.211

3.353.362

3.596.605

3.434.006

162.599

Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO

0

0

0

0

296.200

0

296.200

Subsidies

       

Kinderopvang

1.487

2.307

1.898

1.693

1.248

2.350

‒ 1.102

Subsidies Caribisch Nederland

0

0

0

0

0

200

‒ 200

Versterking T&I vaardigheden kinderopvang

3.392

3.317

2.914

4

1

0

1

Opdrachten

       

Opdrachten Caribisch Nederland

0

0

91

67

953

9.627

‒ 8.674

Overige opdrachten

3.580

4.563

4.417

3.426

2.048

4.502

‒ 2.454

Bekostiging

       

Projectbureau PGV

0

0

0

0

980

0

980

Bijdrage aan agentschappen

       

DUO

12.373

14.415

15.559

7.631

6.827

10.520

‒ 3.693

Justis

256

103

212

1

0

7

‒ 7

Centraal informatiepunt beroepen gezondheidszorg

328

0

0

0

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

       

Versterking Kinderopvang Samenwerking BES(t) 4 kids CN

0

0

0

0

7.580

0

7.580

        

Ontvangsten

1.490.499

1.464.185

1.510.526

1.522.517

1.483.420

1.597.613

‒ 114.193

Werkgeversbijdrage kinderopvang

1.111.430

1.150.719

1.203.577

1.257.158

1.237.337

1.279.935

‒ 42.598

Restituties en overige ontvangsten

379.069

313.466

306.949

265.359

246.083

317.678

‒ 71.595

X Noot
1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW. De stand zoals gepresenteerd onder de stand vastgestelde begroting wijkt af van de stand vastgestelde begroting bij de eerste suppletoire begroting, tweede suppletoire begroting, tweede incidentele suppletoire begroting en de slotwet. De reden hiervoor is dat in deze wetten de eerste en tweede incidentele suppletoire begroting, die zijn ingediend tussen de vaststelling van de ontwerpbegroting en de vaststelling van de eerste suppletoire begroting, zijn opgeteld bij vastgestelde begroting en in het jaarverslag niet.

E. Toelichting op de instrumenten
Inkomensoverdrachten
Kinderopvangtoeslag

Ouders die betaalde arbeid verrichten en ouders die tot een doelgroep behoren zoals omschreven in de Wko, ontvangen een inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderopvang: de kinderopvangtoeslag (KOT). Hierbij geldt de voorwaarde dat zij hun kinderen naar een kinderopvanginstelling of gastouder brengen die voldoet aan de eisen van de Wko en daarom geregistreerd is in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK). De KOT wordt uitgevoerd door Belastingdienst/Toeslagen. DUO verzorgt de inschrijving in het register buitenlandse kinderopvang en de SVB is verantwoordelijk voor de uitbetaling van de aanvulling op de KOT in het buitenland.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan kinderopvangtoeslag zijn in 2020 € 163 miljoen hoger uitgekomen dan in de begroting 2020 werd verwacht. In de begroting was nog gerekend in prijzen 2019. Indien rekening wordt gehouden met de loon- en prijsbijstelling is de realisatie € 97 miljoen hoger dan begroot. Dit bedrag is het gevolg van verschillende effecten. De uitgaven kwamen € 115 miljoen hoger uit doordat het gebruik van kinderopvang in 2020 hoger is uitgekomen dan verwacht. Met name het aantal uren per kind kwam hoger uit dan verwacht. Het aantal kinderen met kinderopvangtoeslag was licht hoger. In 2020 waren er € 22 miljoen lagere uitgaven als gevolg van een beter dan verwachte aansluiting van de voorschotbetalingen bij de vastgestelde hoogte van de kinderopvangtoeslag. Het resterende verschil van € 4 miljoen wordt verklaard door overige posten.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal huishoudens met kinderopvangtoeslag en het aantal kinderen dat daarmee naar de opvang gaat zijn beide licht hoger uitgekomen dan in de begroting 2020 was geraamd. Er gingen met name meer kinderen naar de dagopvang. Het gemiddelde urengebruik per kind is ruim 3% hoger uitgevallen. Onderliggend was er in de eerste maanden een voortzetting van de groei in het gebruik, die sterker was dan voorzien. Hoewel er daarna een lichte afname was als gevolg van de coronacrisis, komt het gebruik van kinderopvang in 2020 per saldo hoger uit dan werd verwacht. Mede als gevolg van de steunmaatregelen en de tegemoetkoming van de eigen bijdrage bleef de afname van het gebruik tijdens de coronacrisis beperkt.

Na een stijging in de afgelopen jaren lijkt het gebruik van kinderopvang onder huishoudens met een verzamelinkomen tot 1,5 keer modaal in 2020 op basis van voorlopige cijfers iets af te nemen. Dit beeld kan echter nog wijzigen bij vaststelling van de definitieve inkomens, dit was ook in eerdere jaren het geval.

De gemiddelde uurtarieven zijn hoger uitgekomen dan verwacht. Dit was met name het geval voor de dagopvang, waar het gemiddelde uurtarief € 0,26 hoger is uitgekomen.

Tabel 60 Kerncijfers gebruik kinderopvang (jaargemiddelden)1
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Aantal huishoudens dat gebruik maakt van kinderopvangtoeslag (x 1.000)

445

482

524

551

556

552

4

        

Aantal kinderen met kinderopvangtoeslag (x 1.000)

       

0-12 jaar

674

726

785

824

833

826

7

0-4 jaar (dagopvang)

318

344

375

390

392

387

5

4-12 jaar (buitenschoolse opvang)

356

382

410

435

441

439

2

        

Deelname kinderen met kinderopvangtoeslag (%)

       

0-12 jaar

31

33

36

38

39

38

1

0-4 jaar (dagopvang)

46

50

54

57

57

56

1

4-12 jaar (buitenschoolse opvang)

24

26

28

30

30

30

0

        

Aantal uren per kind per maand

       

0-12 jaar

56,9

57,4

58,1

59,5

60,7

58,9

1,8

0-4 jaar (dagopvang)

79,5

80,0

80,5

82,9

85,0

82,9

2,1

4-12 jaar (buitenschoolse opvang)

36,7

37,1

37,7

38,5

39,0

37,7

1,3

        

Gebruik kinderopvangtoeslag naar verzamelinkomen (aantal kinderen met kinderopvangtoeslag x 1.000)

       

Tot 130% Wml

65

70

77

80

74

75

‒ 1

130% Wml tot 1 1/2 x modaal

167

179

189

193

173

195

‒ 22

1 1/2 x modaal tot 3 x modaal

340

368

401

425

454

437

17

3 x modaal en hoger

102

109

117

126

132

121

11

        

Aantal uren per kind met kinderopvangtoeslag

       

Tot 130% Wml

69

70

71

75

79

74

5

130% Wml tot 1 1/2 x modaal

53

54

56

57

59

56

3

1 1/2 x modaal tot 3 x modaal

54

54

55

56

57

56

1

3 x modaal en hoger

64

64

65

66

67

65

2

Bron: SZW, berekening op basis van informatie van CBS en Belastingdienst.

X Noot
1

De cijfers van 2020 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers, die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van inkomen en gebruik. Voor 2019 is het merendeel van de beschikkingen definitief vastgesteld. Voor 2018 en eerdere jaren zijn vrijwel alle beschikkingen en onderliggende gegevens definitief.

Tabel 61 Kerncijfers kinderopvang bijdragen sectoren en ouders1
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Bijdragen sectoren (in %)

       

Collectief

67

69

70

73

72

73

‒ 1

 

waarvan Overheid

30

34

38

43

45

44

1

 

waarvan Werkgevers

37

35

32

30

27

29

‒ 2

Ouders

33

31

30

27

28

27

1

        

Wettelijke maximum uurprijs (in €)

       

Dagopvang

6,89

7,18

7,45

8,02

8,17

8,17

0

Buitenschoolse opvang

6,42

6,69

6,95

6,89

7,02

7,02

0

Gastouderopvang

5,52

5,75

5,91

6,15

6,27

6,27

0

        

Gemiddelde tarieven van kinderopvanginstellingen (in €)2

       

Dagopvang

6,98

7,19

7,46

8,08

8,28

8,02

0,26

Buitenschoolse opvang

6,84

7,00

7,22

7,38

7,51

7,42

0,09

Gastouderopvang

5,68

5,84

6,00

6,21

6,25

6,17

0,08

        

Ouderbijdrage eerste kind in € per uur voor gezinsinkomen3

       

130% Wml

0,56

0,45

0,46

0,35

0,36

0,36

0

1 1/2 x modaal

1,77

1,70

1,77

1,60

1,63

1,63

0

3 x modaal

5,00

4,79

4,97

4,70

4,79

4,79

0

        

Ouderbijdrage volgend kind in € per uur voor gezinsinkomen

       

130% Wml

0,41

0,37

0,38

0,34

0,35

0,35

0

1 1/2 x modaal

0,45

0,47

0,48

0,47

0,47

0,47

0

3 x modaal

1,14

1,19

1,24

1,19

1,22

1,22

0

Bron: SZW, berekening op basis van informatie van Belastingdienst.

X Noot
1

De cijfers van 2020 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers, die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van uurtarieven. Voor 2019 is het merendeel van de beschikkingen definitief vastgesteld. Voor 2018 en eerdere jaren zijn vrijwel alle beschikkingen en onderliggende gegevens definitief.

X Noot
2

De cijfers over de gemiddelde uurprijs zijn gebaseerd op de uurprijzen die ouders aan de Belastingdienst/Toeslagen doorgeven. Deze kunnen afwijken van de door de ouders werkelijk betaalde uurprijzen. Het betreft de gemiddelde uurprijzen, waarbij gewogen is naar gebruik. Ter illustratie: de uurprijs van gebruikers die 60 opvanguren afnemen weegt drie keer zo zwaar mee bij bepaling van het gemiddelde als de uurprijs van gebruikers die 20 opvanguren afnemen.

X Noot
3

Kosten van kinderopvang per uur voor ouders, gegeven de maximum uurprijs en de toeslag die ouders ontvangen.

Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO

In 2020 is een vergoeding verstrekt aan ouders met kinderopvangtoeslag die in de periode waarin kinderopvang wegens de kabinetsmaatregelen rondom corona gesloten was, hun eigen bijdrage hebben doorbetaald. De vergoeding heeft betrekking op de periode 16 maart tot en met 7 juni 2020 en is uitgekeerd door de SVB.

Budgettaire ontwikkelingen

In 2020 is € 296 miljoen uitgegeven aan tegemoetkoming van de eigen bijdrage voor de periode waarin de kinderopvang was gesloten.

Subsidies

De uitgaven voor subsidies zijn € 1,3 miljoen lager dan begroot. Het geraamde budget voor subsidies voor Caribisch Nederland is niet tot realisatie gekomen. Daarnaast is er voor een lager bedrag aan projectsubsidies Kinderopvang aangevraagd dan het geraamde budget hiervoor.

Opdrachten

Het opdrachtenbudget voor Caribisch Nederland is voor een bedrag van € 7,9 miljoen ingezet ter versterking van de kinderopvang in Caribisch Nederland. Dit is geboekt op een apart budget voor bijdrage aan medeoverheden. Bij de begroting 2020 maakten deze middelen nog onderdeel uit van het opdrachtenbudget voor Caribisch Nederland.

De uitgaven aan opdrachten kinderopvang zijn € 2,5 miljoen lager dan was voorzien. Er is minder uitgegeven aan onderzoek door vertraging vanwege de coronacrisis. Daarnaast was er een overboeking van € 0,5 miljoen naar het Ministerie van OCW, grotendeels voor inspectie van het onderwijs.

Bekostiging

Er is bijna € 1 miljoen uitgegeven aan projectbureau PGV voor de coördinatie op het toezicht op de kinderopvang. PGV is wettelijk aangewezen voor deze taak.

Bijdrage aan agentschappen

De bijdrage aan agentschappen is € 3,7 miljoen lager uitgekomen dan was begroot. Er is € 1 miljoen structureel overgeboekt naar de Belastingdienst voor extra uitvoeringskosten als gevolg van aanpassingen in de Wet Kinderopvang met betrekking tot peuteropvang. Daarnaast waren op de begroting middelen gereserveerd voor extra kosten voor de kinderopvangregisters voor het autorisatiebesluit. Deze middelen zijn niet tot besteding gekomen.

De gerealiseerde uitgaven van € 6,8 miljoen zijn ingezet voor de uitvoering van het Landelijk Register Kinderopvang en het Personenregister Kinderopvang.

Bijdrage aan medeoverheden

De middelen bestemd voor versterking van de kinderopvang in Caribisch Nederland zijn overgeheveld naar een apart budget voor bijdrage aan medeoverheden. Bij de begroting 2020 waren deze middelen (€ 7,9 miljoen) nog onderdeel van het opdrachtenbudget voor Caribisch Nederland. Uiteindelijk is in 2020 voor versterking van de kinderopvang in Caribisch Nederland € 7,6 miljoen uitgegeven.

Ontvangsten

De restituties en overige ontvangsten zijn € 72 miljoen lager uitgekomen dan verwacht. Dit is vooral het gevolg van lagere ontvangsten uit de toeslagjaren 2018 en 2019. De Belastingdienst slaagt er steeds beter in om de kinderopvangtoeslag die ouders ontvangen aan te laten sluiten bij hun rechten. Dit effect blijkt sterker te zijn dan verwacht. Hierdoor hoeft er minder teruggevorderd te worden en daardoor nemen de ontvangsten af. Dat is een positieve ontwikkeling. Daarnaast heeft de tijdelijke pauzering van dwanginvorderingen tot iets minder terugontvangsten in 2020 geleid.

De ontvangsten werkgeversbijdrage kinderopvang zijn € 43 miljoen lager door een lagere premiegrondslag dan in de begroting 2020 was voorzien.

Kerncijfers

Het aantal gewerkte uren per week is bij zowel vrouwen in het algemeen als bij moeders met jonge kinderen toegenomen in 2019 en bleef vrijwel stabiel in 2020.

Tabel 62 Ontwikkeling in gewerkte uren van vrouwen en moeders met jonge kinderen (gemiddelde binnen de groep vrouwen met een baan van meer dan 1 uur, jaarcijfers)
 

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Vrouwen 15 tot 75 jaar

26,1

26,3

26,2

Moeders met jonge kinderen (0-11 jaar)

26,6

26,8

26,9

Bron: CBS, Enquête beroepsbevolking.

De netto arbeidsparticipatie van ouders is in 2019 in alle categorieën gestegen. In 2020 is de netto arbeidsdeelname van moeders gestegen, met name onder alleenstaande moeders. Onder vaders is de netto arbeidsparticipatie in 2020 daarentegen licht gedaald.

Tabel 63 Netto arbeidsparticipatie (%)
 

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Totaal mannen en vrouwen 15 tot 75 jaar

67,8

68,8

68,4

    

Moeders (lid van ouderpaar)

79,0

80,4

80,5

Vaders (lid van ouderpaar)

91,7

92,1

91,7

    

Alleenstaande moeders

65,9

66,2

68,5

Alleenstaande vaders

76,6

80,4

79,8

    

Moeders met jonge kinderen (0-11)

77,8

79,4

80,1

Vaders met jonge kinderen (0-11)

94,0

94,2

93,9

Bron: CBS, Enquête beroepsbevolking.

4.8 Artikel 8 Oudedagsvoorziening

A. Algemene doelstelling

De overheid biedt een basispensioen aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. De overheid stimuleert de opbouw van en stelt kaders voor de houdbaarheid van aanvullende arbeidspensioenen en draagt zorg voor toezicht op de naleving daarvan.

Het kabinet vindt dat iedere gepensioneerde een basispensioen dient te hebben. Daarom verschaft zij een basispensioen (AOW) aan diegenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. Dit is de eerste pijler van het Nederlandse pensioenstelsel. Daarnaast bevordert de overheid het opbouwen van toekomstbestendige aanvullende pensioenen, zodat werknemers na hun pensionering niet te maken krijgen met een grote inkomensachteruitgang. Momenteel bouwt ruim 87% van de werknemers een aanvullend arbeidspensioen op door verplichte deelname aan pensioenregelingen die vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers meestal beheren. Dit betreft de tweede pijler van het Nederlandse pensioenstelsel. Met regelgeving en toezicht waarborgt de overheid een zorgvuldig beheer van de ingelegde pensioengelden. In de derde pijler van het pensioenstelsel kunnen mensen facultatief op eigen initiatief individuele pensioenproducten afsluiten.

De overheid biedt inkomensondersteuning aan AOW-gerechtigden (IOAOW) en biedt een overbruggingsuitkering aan mensen die per 1 januari 2013 reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling of een daarmee vergelijkbare regeling en die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd (OBR).

Inwoners van Caribisch Nederland die de AOV-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, ontvangen een basispensioen op grond van de Algemene Ouderdomsverzekering (AOV).

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefi-nancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen en de aanvullende arbeidspensioenen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen voor zover de overheid hier zelf verantwoordelijkheid voor draagt;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB;

  • de vormgeving van het toezicht met betrekking tot de arbeidspensioenen door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM);

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het pensioenbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

C. Beleidsconclusies

Wetsvoorstel toekomst pensioenen

Op 22 juni 2020 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de resultaten van de stuurgroep voor de uitwerking van het pensioenakkoord, zoals uiteengezet in de «Hoofdlijnennotie uitwerking Pensioenakkoord» (Kamerstukken II 2019/20, 32 043, nr. 519). Deze hoofdlijnennotitie heeft betrekking op de vormgeving van een nieuw pensioencontract, de afspraken over de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel, het nieuwe fiscale kader en de juridische analyse. De Tweede Kamer is op 6 juli 2020 geïnformeerd over het totaalpakket aan maatregelen (Kamerstukken II 2019/20, 32 043, nr. 520). Vervolgens zijn de afspraken uit de Hoofdlijnennotitie verder uitgewerkt resulterend in het Wetsvoorstel toekomst pensioenen, dat op 16 december 2020 voor acht weken is opengesteld voor consultatie.

Wetsvoorstel bedrag ineens, RVU en verlofsparen

De wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen is in november 2020 aangenomen door de Tweede Kamer. De Eerste Kamer heeft de wet in januari 2021 aangenomen, waarna de wet is gepubliceerd in het Staatsblad (Stb. 2021, 20). De maatregelen RVU en verlofsparen treden met terugwerkende kracht per 1 januari 2021 in werking. De beoogde invoeringsdatum voor bedrag ineens betreft 1 januari 2023. De drie maatregelen uit de wet volgen uit de afspraken die het kabinet met de sociale partners heeft gemaakt in het pensioenakkoord. Alle drie de maatregelen hebben betrekking op de keuzes die mensen maken rondom de pensioendatum. Daarnaast vertegenwoordigen ze een gezamenlijk doel, te weten het mogelijk maken van maatwerk ten aanzien van het arbeidsvoorwaardelijk pensioen. Maatwerk wordt beoogd door mensen de mogelijkheid te bieden een gemaximeerd deel van het pensioenvermogen op te nemen als een bedrag ineens en keuzemogelijkheden om eerder te kunnen stoppen met werken.

Ten aanzien van het bedrag ineens is naar aanleiding van de Tweede Kamer behandeling een tweede nota van wijziging opgesteld. Deze regelt dat een deelnemer op de pensioeningangsdatum ook kan kiezen om het bedrag ineens uitgekeerd te krijgen in februari volgend op het jaar waarin de deelnemer de AOW-datum bereikt. Vanwege de complexiteit en (on)uitvoerbaarheid van deze mogelijkheid zal in overleg met de pensioensector worden gezocht naar een oplossing en indien noodzakelijk de wetgeving worden aangepast.

Wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding

In 2020 is de (schriftelijke) voorbereiding van het wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding in de Tweede Kamer afgerond en is het wetsvoorstel aangemeld voor plenaire behandeling. Vanwege de coronacrisis heeft de behandeling nog niet plaatsgevonden, de Tweede Kamer heeft voorrang gegeven aan spoedwetgeving. De beoogde inwerkingtreding is via een nota van wijziging opgeschoven naar 1 januari 2022.

Matiging stijging AOW-leeftijd

In lijn met de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd (Stb. 2019, 246) is de AOW-leeftijd in 2020 gelijk gebleven op 66 jaar en 4 maanden. In 2020 is de Wet verandering koppeling AOW-leeftijd aangenomen (Stb. 2020, 503). Met deze wet is geregeld dat de 1-op-1-koppeling van de AOW- en pensioenrichtleeftijd aan de ontwikkeling van de resterende levensverwachting, per 1 januari 2025 wordt vervangen door een 2/3-koppeling (Stb. 2020, 503). Dit betekent dat elk jaar levenswinst zich vertaalt in gemiddeld acht maanden langer doorwerken en gemiddeld vier maanden langer AOW-pensioen. De koppeling van de pensioenrichtleeftijd aan de levensverwachting is op vergelijkbare wijze aangepast.

Uitkeringsverhoging Caribisch Nederland

De in de Voortgangsrapportage ijkpunt bestaanszekerheid (Kamerstukken II 2018-2019, 35 000 IV, nr. 61) aangekondigde verhoging van de AOV-uitkering is per 1 januari 2020 daadwerkelijk gerealiseerd. Deze extra verhoging van 5% voor Bonaire en Saba en 2% voor Sint Eustatius is betrokken bij de regeling waarmee de indexatie is vastgesteld (Stcrt. 2019, 62805).

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 64 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 8 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Verplichtingen

24.118

24.175

23.009

25.215

24.903

25.100

‒ 197

        

Uitgaven

24.118

24.175

23.009

25.215

24.903

25.100

‒ 197

        

Inkomensoverdrachten

       

MKOB

1.017

0

0

0

0

0

0

Overbruggingsregeling AOW

3.900

4.363

4.006

3.509

1.904

2.247

‒ 343

AOV inclusief tegemoetkoming (Caribisch Nederland)

19.197

19.794

19.003

21.706

22.999

22.853

146

Tijdelijke regeling inkomensondersteuning AOW

4

0

0

0

0

0

0

Opdrachten

       

Opdrachten

0

18

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

2.124

0

0

0

174

0

174

X Noot
1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

Tabel 65 Premiegefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 8 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Uitgaven

36.940.400

37.412.346

38.124.879

39.483.700

41.234.597

41.321.030

‒ 86.433

        

Inkomensoverdrachten

       

AOW

36.004.000

36.466.225

37.195.249

38.538.717

40.257.440

39.197.808

1.059.632

Inkomensondersteuning AOW

936.400

946.121

929.630

944.983

977.157

966.353

10.804

        

Nominaal

0

0

0

0

0

1.156.869

‒ 1.156.869

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

E. Toelichting op de instrumenten
Inkomensoverdrachten
Overbruggingsregeling AOW (OBR)

De OBR geldt voor mensen die per 1 januari 2013 reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling of een daarmee vergelijkbare regeling en die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd. De regeling is per 1 oktober 2013 in werking getreden, werkt terug tot 1 januari 2013 en sluit voor nieuwe instroom per 1 januari 2023. Vanaf 2016 is de OBR uitgebreid voor mensen die tussen 1 januari 2013 en 1 juli 2015 met vroegpensioen zijn gegaan. De OBR overbrugt voor deze groep alleen het AOW-gat voor zover dat het gevolg is van de versnelde verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd omdat deze groep zich niet op die versnelling heeft kunnen voorbereiden (deze doelgroep heeft dus een kortere duur van de OBR dan de doelgroep die vóór 1 januari 2013 met vut- of prepensioen is gegaan). De OBR kent een inkomenseis en een partner- en vermogenstoets (exclusief eigen woning en pensioenvermogen). De OBR wordt uitgevoerd door de SVB.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de OBR komen € 0,3 miljoen lager uit dan begroot. In de begroting was nog gerekend in prijzen 2019. Indien rekening wordt gehouden met de loon- en prijsbijstelling (€ 0,03 miljoen) is de realisatie € 0,4 miljoen lager dan begroot. Deze lagere realisatie is het gevolg van verschillende ontwikkelingen. De instroom van personen die recht hebben vanaf 65 jaar (langere duur OBR) is in zowel 2019 als 2020 iets lager uitgevallen, daarentegen is de gemiddelde uitkering van deze groep iets hoger dan verwacht. Per saldo heeft dit geleid tot lagere uitgaven aan de langere duur OBR. Tegelijkertijd zijn de uitkeringslasten aan personen die recht hebben op de OBR in verband met de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd (kortere duur OBR) hoger uitgevallen dan verwacht bij begroting 2020. Per saldo is het effect van de lagere uitkeringslasten voor de OBR met een langere duur, groter dan die van hogere uitkeringslasten OBR met een kortere duur.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 66 Kerncijfers Overbruggingsregeling
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Instroom OBR (x 1.000 uitkeringen)

1,5

1,5

1,0

0,8

0,4

0,4

0

Bron: SVB, jaarverslag.

Algemene Ouderdomsverzekering (AOV) (Caribisch Nederland)

Inwoners van Caribisch Nederland die de AOV-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, ontvangen een ouderdomspensioen op grond van de AOV. Naast het ouderdomspensioen wordt op Sint Eustatius en Saba een tegemoetkoming verstrekt die recht doet aan de prijsverschillen tussen de eilanden.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan AOV zijn in 2020 € 0,1 miljoen hoger uitgekomen dan in de begroting 2020 werd verwacht. Op de totale uitgaven van € 23,0 miljoen is dit een minimale bijstelling. Het volume van de AOV stijgt over de jaren licht.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 67 Kerncijfers AOV (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Volume AOV (x 1.000 personen, ultimo)

4,1

4,2

4,2

4,3

4,3

4,3

0

Bron: RCN-unit SZW.

Algemene Ouderdomswet (AOW)

De AOW is een volksverzekering en heeft als doel het verschaffen van een basispensioen aan degenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. De AOW wordt uitgevoerd door de SVB. Hoofdstuk 10, Sociale fondsen SZW, gaat nader in op de financiering van de uitgaven aan de AOW.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten AOW komen € 1.060 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 1.206 miljoen, in tabel 65 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie circa € 146 miljoen lager dan begroot. Dit wordt grotendeels verklaard doordat het aantal AOW'ers lager uitviel dan verwacht vanwege hogere sterfte als gevolg van corona. Daarnaast valt de gemiddelde AOW-uitkering lager uit doordat de indexatie van de AOW-uitkering, de gemiddelde AOW-opbouw en het percentage alleenstaanden (die recht hebben op een hogere AOW-uitkering) lager uitvielen dan waar bij het opstellen van de begroting vanuit is gegaan.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal personen met een AOW-uitkering is lager uitgekomen dan verwacht ten tijde van het opstellen van de begroting. Het percentage personen met een onvolledige AOW-uitkering komt overeen met de verwachting.

Tabel 68 Kerncijfers AOW
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Volume AOW (x 1.000 personen, jaargemiddelde)

3.364

3.387

3.411

3.423

3.483

3.490

‒ 7

Personen met een onvolledige AOW-uitkering (% van totaal, ultimo)

19

19

19

19

19

19

0

Bron: SVB, jaarverslag.

Handhaving

Uit onderstaande kerncijfers blijkt dat de uitkomsten in 2020 over een brede linie lager liggen dan in 2019. Dit wordt verklaard door de beperking van interventiemogelijkheden en handhavingsactiviteiten als gevolg van de coronamaatregelen.

Tabel 69 Kerncijfers AOW (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

67

61

52

57

2

Kennis van de verplichtingen (%)

88

84

82

67

2

Opsporing3

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

4

11

13

9,4

5,8

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)5

0,9

0,9

0,7

0,6

0,4

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

3,2

3,3

3,1

3,0

2,0

Sanctionering3

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

0,5

0,5

0,4

0,6

0,3

Aantal boetes (x 1.000)

0,5

0,5

0,4

0,4

0,3

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,6

0,7

0,6

0,7

0,4

  

Ontstaansjaar vordering

  

2016

2017

2018

2019

2020

Terugvordering3

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2020 (%)

64

65

49

33

22

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

Door een gewijzigde onderzoeksopzet is het cijfer over 2020 niet beschikbaar. Vanaf 2021 is dit cijfer weer beschikbaar uit het onderzoek "Kennis der verplichtingen".

X Noot
3

SVB, jaarverslag.

X Noot
4

Dit cijfer is niet beschikbaar.

X Noot
5

Cijfers betreffen alle verwijtbare overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Inkomensondersteuning AOW

In 2015 is een inkomensondersteuning voor AOW-gerechtigden geïntroduceerd die afhankelijk is van de opbouwjaren op grond van de AOW. De regeling wordt uitgevoerd door de SVB en gefinancierd uit het Ouderdomsfonds. De inkomensondersteuning AOW-gerechtigden (IOAOW) wordt verstrekt aan iedereen die in aanmerking komt voor een AOW-uitkering en woonachtig is in de EU/EER/Zwitserland, verdragslanden of Caribisch Nederland. Hierdoor krijgen alleen personen die woonachting zijn in een niet-verdragsland geen inkomensondersteuning AOW (0,1% van de AOW-gerechtigden).

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten inkomensondersteuning AOW komen € 11 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 15 miljoen, in tabel 65 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie € 5 miljoen lager dan begroot. Dit wordt voornamelijk verklaard doordat het aantal AOW'ers lager uitviel dan verwacht vanwege hogere sterfte als gevolg van corona.

Aanvullende arbeidspensioenen

Aanvullend pensioen is een arbeidsvoorwaarde. Sociale partners zijn verantwoordelijk voor de inhoud en de reikwijdte van pensioenregelingen. De overheid stelt regels om te bevorderen dat toezeggingen ook daadwerkelijk worden nagekomen en draagt zorg voor toezicht op de naleving daarvan.

Beleidsrelevante kerncijfers

Als kerncijfers zijn het totaal aantal pensioenfondsen opgenomen en het aantal pensioenfondsen met een dekkingsgraad onder de 130% (het vereist eigen vermogen), alsmede de daarbij betrokken deelnemers en gepensioneerden. De maatstaf van 130% is gekozen omdat een dergelijke dekkingsgraad gemiddeld genomen toereikend is om de pensioenverplichtingen na te komen. De afgelopen twee jaren is vrijstelling gegeven van de verplichting om naar het vereist eigen vermogen te herstellen wegens bijzondere economische omstandigheden.

Het aantal pensioenfondsen neemt af. Het gaat hierbij vooral om pensioenfondsen met een geringe omvang. Door schaalvergroting met andere pensioenfondsen kan beter worden voldaan aan de eisen die worden gesteld aan een verantwoord beheer.

Tabel 70 Kerncijfers aanvullende pensioenen
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Totaal aantal pensioenfondsen1

219

219

208

203

196

 

Aantal pensioenfondsen met dekkingsgraad ≤130%2

214

204

190

193

192

 

Aantal bij deze fondsen betrokken deelnemers (x 1.000)

5.295

5.362

5.555

5.705

5.8403

 

Aantal bij deze fondsen betrokken gepensioneerden (x 1.000)

3.210

3.250

3.325

3.389

3.4513

Bron: DNB, Statistiek toezicht pensioenfondsen.

X Noot
1

Pensioenfondsen zonder eigen verplichtingen, bijvoorbeeld de volledig herverzekerde fondsen, kennen geen dekkingsgraad en zijn daarom niet opgenomen in de tabel.

X Noot
2

Beleidsdekkingsgraad

X Noot
3

betreft voorlopige cijfers. Definitieve cijfers komen 30 juni 2021 beschikbaar.

4.9 Artikel 9 Nabestaanden

A. Algemene doelstelling

De overheid beschermt nabestaande partners en wezen voor zover nodig tegen de financiële gevolgen van het verlies van partner of ouders.

De overheid vindt dat mensen die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s) en die vanwege de zorg voor een kind of arbeidsongeschiktheid niet (volledig) in een eigen inkomen kunnen voorzien, verzekerd moeten zijn van financiële ondersteuning. Daarom regelt zij in deze gevallen op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) een nabestaandenuitkering voor de overblijvende partner en een wezenuitkering voor kinderen die beide ouders hebben verloren.

Inwoners van Caribisch Nederland die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s), hebben op grond van de Algemene weduwen- en wezenverzekering (AWW) recht op een uitkering.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

C. Beleidsconclusies

Compensatie vervallen recht hoge nabestaandenuitkering

Op 13 december 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep een groep Anw-gerechtigden in het gelijk gesteld in hun bezwaar tegen het vervallen van de hoge Anw-uitkering voor nabestaanden met een minderjarig kind per 1 januari 2015. In 2020 heeft de SVB gevolg gegeven aan de uitspraak. Betrokkenen die op 31 december 2014 buiten de EU/EER of Zwitserland woonden met recht op een hoge nabestaandenuitkering (ter hoogte van 90% van het wml), en die op 1 januari 2015 niet verzekerd waren voor de AKW (waarmee recht op kindgebonden budget inclusief alleenstaandeouder-kop kan ontstaan) behouden het recht op een hoge Anw-uitkering zolang zij aan de voorwaarden voldoen.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 71 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 9 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Verplichtingen

1.072

1.111

1.020

1.194

1.172

1.227

‒ 55

        

Uitgaven

1.072

1.111

1.020

1.194

1.172

1.227

‒ 55

        

Inkomensoverdrachten

       

AWW (Caribisch Nederland)

1.072

1.111

1.020

1.194

1.172

1.227

‒ 55

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

X Noot
1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

Tabel 72 Premiegefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 9 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Uitgaven

424.300

398.729

377.000

355.757

338.139

350.289

‒ 12.150

        

Inkomensoverdrachten

       

Anw

417.300

391.797

370.478

349.507

332.268

337.220

‒ 4.952

Tegemoetkoming Anw

7.000

6.932

6.522

6.250

5.871

5.936

‒ 65

        

Nominaal

0

0

0

0

0

7.133

‒ 7.133

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

E. Toelichting op de instrumenten
Inkomensoverdrachten
Algemene weduwen- en wezenverzekering (AWW) (Caribisch Nederland)

Inwoners van Caribisch Nederland die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s), hebben op grond van de AWW recht op een uitkering. De SZW-unit bij de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN) is verantwoordelijk voor de uitvoering van deze regeling in Caribisch Nederland.

Budgettaire ontwikkelingen

De realisatie van de AWW komt met € 55.000 lager uit dan de verwachte uitgave waarmee rekening was gehouden bij de begroting. Dit heeft te maken met reguliere fluctuaties in de raming. Het volume en daarmee gebruik van de regeling is licht gestegen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 73 Kerncijfers AWW (Caribisch Nederland)
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Volume AWW (x 1.000 personen, ultimo)

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0

Bron: RCN-unit SZW.

Algemene nabestaandenwet (Anw) inclusief tegemoetkoming Anw

De Anw is een volksverzekering en regelt, onder voorwaarden, bij overlijden een uitkering voor de partner en een wezenuitkering voor kinderen die beide ouders hebben verloren. Daarnaast ontvangt iedere Anw-gerechtigde maandelijks de Anw-tegemoetkoming. De Anw wordt door de SVB uitgevoerd.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten van de Anw komen in 2020 circa € 5 miljoen lager uit dan begroot. Als rekening gehouden wordt met de in de begroting voorziene loon- en prijsbijstelling (€ 7,1 miljoen, in tabel 72 de post nominaal) is de realisatie circa € 12 miljoen lager dan begroot. De uitkeringslasten vallen met name lager uit vanwege een lager aantal Anw-gerechtigden dan begroot.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal Anw-gerechtigden neemt van jaar op jaar af, met name omdat het aantal gerechtigden met een uitkering op grond van overgangsrecht sinds de invoering van de Anw in 1996 gestaag afneemt. Het aantal Anw-gerechtigden is eind 2020 lager uitgevallen dan in de begroting geraamd.

Tabel 74 Kerncijfers Anw
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Volume Anw (x 1.000 personen, ultimo)

34

31

29

28

26

27

‒ 1

        

Volume nabestaandenuitkering (x 1.000 personen, ultimo), ingang recht voor 1 juli 1996

10

8,6

7,3

6,3

5,1

5,2

‒ 0,1

        

Volume nabestaandenuitkering (x 1.000 personen, ultimo), ingang recht na 1 juli 1996

23

22

21

20

19

20

‒ 1

 

waarvan met kind

8,9

8,9

8,7

8,3

7,8

8,4

‒ 0,6

 

waarvan op grond van arbeidsongeschiktheid

14

13

12

12

12

12

0

        

Volume wezenuitkering (x 1.000 personen, ultimo)

1,3

1,2

1,1

1,1

1,1

1,2

‒ 0,1

Bron: SVB, jaarverslag.

Handhaving

Alle aantallen en bedragen zijn in 2020 lager dan in 2019. Dit heeft maken met de beperking van de interventiemogelijkheden en handhavingsactiviteiten door de coronamaatregelen. Bijvoorbeeld de fraudesignalen zijn gedaald van 758 naar 233. De incassoratio van cohort 2020 is laag. Door het relatief lage aantal terugvorderingen verloopt de ontwikkeling van de incassoratio niet volgens een vast patroon. Daarom worden de incassoratio’s gedurende een periode van tien jaar gevolgd.

Tabel 75 Kerncijfers Anw (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

80

86

82

77

2

Kennis van de verplichtingen (%)

83

85

89

83

2

Opsporing3

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

4

3,4

0,9

0,8

0,2

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)5

0,1

0,1

0,1

0,1

<0,1

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

2,6

1,2

1,3

0,9

0,3

Sanctionering3

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

Aantal boetes (x 1.000)

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,2

0,2

0,1

0,1

0,1

  

Ontstaansjaar vordering

  

2016

2017

2018

2019

2020

Terugvordering3

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2020 (%)

39

43

30

9,5

3,5

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

Door een gewijzigde onderzoeksopzet is het cijfer over 2020 niet beschikbaar. Vanaf 2021 is dit cijfer weer beschikbaar uit het onderzoek "Kennis der verplichtingen".

X Noot
3

SVB, jaarverslag.

X Noot
4

Dit cijfer is niet beschikbaar.

X Noot
5

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

4.10 Artikel 10 Tegemoetkoming ouders

A. Algemene doelstelling

De overheid biedt een financiële tegemoetkoming aan ouders of verzorgers voor de kosten van kinderen.

De overheid biedt ouders of verzorgers een financiële tegemoetkoming voor de kosten voor verzorging en opvoeding van kinderen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de kinderbijslagvoorziening BES (Caribisch Nederland). Gezinnen met een laag of middeninkomen komen daarnaast in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van de Wet op het kindgebonden budget (WKB).

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de tegemoetkoming met uitkeringsregelingen. Hij is in deze rol verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • de vaststelling van het niveau van de tegemoetkoming op grond van de AKW, de WKB en de kinderbijslagvoorziening BES;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de AKW door de SVB;

  • de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor de rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de WKB door de Belastingdienst.

C. Beleidsconclusies

Aanpassing voorwaarden kinderbijslag voor 16- en 17-jarigen

De eisen die in de kinderbijslag worden gesteld aan 16- en 17-jarigen zijn per 1 januari 2020 vervallen. Het gaat om de bijverdiengrens en het verlies van het recht op tegemoetkomingen wanneer het kind gaat studeren aan het hoger onderwijs. Door het vervallen van deze eisen behouden ouders van 16- en 17-jarigen het recht op kinderbijslag en kindgebonden budget. Dit is geregeld via een amendement op de Verzamelwet SZW 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 35 275, nr. 2). De dekking is gevonden in het niet-indexeren van de kinderbijslagbedragen in 2020.

Verhoging inkomensgrens kindgebonden budget voor paren

Met ingang van 2020 is, conform het regeerakkoord, de inkomensgrens voor paren voor het kindgebonden budget verhoogd. Dit om ouders met midden­inkomens extra te ondersteunen (Kamerstukken II 2017/18, 35 010, nr. 2). Het kindgebonden budget voor paren met middeninkomens is vanaf 2020 met bijna € 500 miljoen geïntensiveerd. Hierdoor hebben in 2020 meer ouderparen recht op kindgebonden budget en ontvingen (een deel van de) ouderparen die al kindgebonden budget ontvingen een hoger bedrag.

Verhoging maximumbedrag in het kindgebonden budget vanaf het derde kind

In 2020 is de voorbereiding getroffen om per 1 januari 2021 het maximumbedrag in het kindgebonden budget vanaf het derde kind te verhogen met € 617,- per jaar (Stb. 2020, 477). Dit betreft een intensivering van in totaal € 150 miljoen. Door het inkomensafhankelijke karakter van het kindgebonden budget komt deze maatregel specifiek ten goede aan gezinnen met een laag of middeninkomen, mits zij voldoen aan de voorwaarden voor het kindgebonden budget. De maatregel maakt daarmee onderdeel uit van de ambitie om kinderen in armoede beter te bereiken en het verlagen van het aantal huishoudens met kinderen dat onder de armoedegrens leeft.

WKB-herstelactie

Begin 2019 is de Tweede Kamer geïnformeerd over een omissie in de uitvoering van het kindgebonden budget (Kamerstukken II 2018/19, 35 010, nr. 6). Dit betreft de toekenning aan ouders die recht hadden op kindgebonden budget, na dit recht eerder verloren te hebben. De aanvraag van deze ouders had automatisch moeten worden opgestart, maar hierin voorzag het systeem van Belastingdienst/Toeslagen niet. Ouders krijgen over die jaren kindgebonden budget nabetaald. De omissie in het systeem is medio 2019 verholpen en in de tweede helft van 2019 heeft een deel van de herstelbetalingen (circa € 160 miljoen) plaatsgevonden. In 2020 is voor circa € 294 miljoen uitbetaald. Wat resteert is circa € 25 miljoen aan herstelbetalingen waar Belastingdienst/Toeslagen nog onvoldoende gegevens van ouders heeft om tot uitbetaling over te gaan. In 2021 zullen, indien mogelijk, de resterende betalingen plaatsvinden.

Onderzoeken dubbele kinderbijslag intensieve zorg en onderwijsredenen

Ouders kunnen in aanmerking komen voor een verdubbeling van de kinderbijslag voor hun kind dat uitwonend is onder andere om onderwijsredenen (DKOR) of voor hun thuiswonend kind als er sprake is van een intensieve zorgbehoefte (DKIZ). Naar aanleiding van de doorlichting van artikel 10 Tegemoetkoming ouders zijn twee vervolgonderzoeken uitgevoerd naar deze twee tegemoetkomingen. Onlangs zijn de onderzoeken samen met een kabinetsreactie aangeboden aan de Tweede Kamer.

Verhoging kinderbijslag Caribisch Nederland.

De in de Voortgangsrapportage ijkpunt bestaanszekerheid (Kamerstukken II 2018-2019, 35 000 IV, nr. 61) aangekondigde verhoging van de kinderbijslag BES is per 1 januari 2020 daadwerkelijk gerealiseerd. Deze extra verhoging van USD 20 per maand is betrokken bij de regeling waarmee de indexatie is vastgesteld (Stcrt. 2019, 62805). Door de beleidsmatige verhoging in 2019 en 2020 is de kinderbijslag daarmee ten opzichte van 2018 verdubbeld.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 76 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 10 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Verplichtingen

5.468.559

5.441.004

5.493.447

5.936.534

6.553.288

6.550.142

3.146

        

Uitgaven

5.468.559

5.441.004

5.493.447

5.936.534

6.553.288

6.550.142

3.146

        

Inkomensoverdrachten

       

AKW

3.323.000

3.320.400

3.360.989

3.635.727

3.648.851

3.619.325

29.526

Kinderbijslagvoorziening BES

1.868

2.050

1.857

3.239

4.486

3.762

724

WKB

2.143.517

2.118.554

2.130.601

2.297.568

2.899.951

2.927.055

‒ 27.104

TOG-kopje

174

0

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

261.245

244.399

218.189

191.310

198.758

222.204

‒ 23.446

X Noot
1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

E. Toelichting op de instrumenten
Inkomensoverdrachten
Algemene Kinderbijslagwet (AKW)

De AKW biedt ouders een tegemoetkoming in de kosten die het opvoeden en verzorgen van kinderen onder de 18 jaar met zich meebrengt. De AKW wordt uitgevoerd door de SVB.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten AKW komen € 30 miljoen hoger uit dan begroot. Dit komt voornamelijk door aanpassing van de voorwaarden voor kinderbijslag voor 16-/17-jarigen (zie beleidsconclusies). Hierdoor hebben meer ouders recht op AKW. Daarentegen waren er in 2020 minder kinderen dan verwacht, voornamelijk als gevolg van een lagere immigratie door de coronapandemie.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal gezinnen en telkinderen met kinderbijslag is licht hoger uitgekomen dan de stand uit de begroting 2020. Dit is het per saldo effect van meer kinderen/gezinnen die recht hebben gekregen op AKW door aanpassing van de voorwaarden voor 16-/17-jarigen en het lagere aantal kinderen door de coronapandemie. Daarnaast is het aantal dubbele uitkeringen vanwege thuiswonende kinderen met intensieve zorg en het aantal uitkeringen voor extra tegemoetkoming toegenomen.

Tabel 77 Kerncijfers AKW
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Aantal gezinnen AKW (x 1.000, jaargemiddelde)

1.913

1.907

1.901

1.891

1.884

1.876

8

Aantal telkinderen AKW (x 1.000, jaargemiddelde)1

3.405

3.386

3.372

3.353

3.342

3.333

9

        

Aantal dubbele AKW uitkeringen ( x 1.000, ultimo jaar):

       

Kind uitwonend vanwege onderwijsredenen

1,5

1,5

1,3

1,1

1,0

2

Kind thuiswonend met intensieve zorg

23,2

26,3

29,0

31,0

32,2

2

Kind uitwonend vanwege ziekte of handicap

1,3

1,2

1,1

1,1

1,0

2

        

Extra tegemoetkoming AKW (x 1.000)

7,2

8,3

8,1

8,8

9,6

2

Bron: SVB, jaarverslag of SVB, administratie.

X Noot
1

Eeen administratieve teleenheid die gebruikt wordt bij het vaststellen van de hoogte van de kinderbijslag. Bijvoorbeeld: een gehandicapt kind geldt voor de kinderbijslag als twee telkinderen waardoor het in aanmerking komt voor dubbele kinderbijslag.

X Noot
2

Deze cijfers worden niet geraamd.

Handhaving

De kerncijfers op het gebied van preventie voor de AKW zijn niet langer beschikbaar omdat dit niet langer deel uitmaakt van het onderzoek kennis der verplichtingen. Dit is omdat de wet na afschaffing van de bijverdiengrens voor 16-/17-jarigen te weinig verplichtingen kent om zinvol onderzoek naar te verrichten. De afschaffing van de deze eisen met ingang van 2020 heeft er ook toe geleid dat het aantal geconstateerde overtredingen en het benadelingsbedrag ten opzichte van 2019 is afgenomen. De incassoratio met betrekking tot terugvorderingen in cohort 2020 bedraagt 33%. Dit is nagenoeg gelijk aan 2019, toen de incassoratie na afloop van het lopende jaar 32% was (inmiddels gegroeid tot 49%).

Tabel 78 Kerncijfers AKW (fraude en handhaving)
  

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

71

70

69

67

2

Kennis van de verplichtingen (%)

77

71

73

72

2

Opsporing3

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

4

0,8

0,5

0,4

0,3

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)5

1,2

1,3

2,2

9

3,0

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

1,0

1,0

1,5

4,9

2,3

Sanctionering3

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

4,4

5,2

3,1

8,6

3,9

Aantal boetes (x 1.000)

1,6

1,4

1,0

1,6

0,6

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,4

0,4

0,3

0,4

0,2

  

Ontstaansjaar vordering

  

2016

2017

2018

2019

2020

Terugvordering3

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2020 (%)

82

81

59

49

33

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

Dit cijfer is niet langer beschikbaar. De AKW zal niet langer deel uitmaken van het onderzoek kennis der verplichtingen omdat de wet na afschaffing van de bijverdiengrens voor 16/17 jarige te weinig verplichtingen kent om zinvol onderzoek naar te verrichten.

X Noot
3

SVB, jaarverslag.

X Noot
4

Dit cijfer is niet beschikbaar.

X Noot
5

Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

Wet kinderbijslagvoorziening BES

De kinderbijslagvoorziening BES biedt ouders en verzorgers die op Bonaire, Sint Eustatius en Saba wonen een tegemoetkoming voor de kosten van opvoeding en verzorging van kinderen die nog geen 18 jaar zijn. De kinderbijslagvoorziening BES wordt uitgevoerd door de RCN-unit SZW namens de Minister van SZW.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de Kinderbijslagvoorziening zijn € 0,7 miljoen hoger dan begroot. Dit hangt voornamelijk samen met een hoger aantal kinderen dan bij begroting rekening mee is gehouden (zie ook tabel 79).

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 79 Kerncijfers Wet kinderbijslagvoorziening BES
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Aantal kinderen kinderbijslagvoorziening BES (x 1.000, ultimo)

4,2

4,3

4,4

4,7

4,7

4,3

0,4

Bron: RCN-unit SZW.

Wet op het Kindgebonden Budget (WKB)

Het kindgebonden budget (WKB) is een inkomensafhankelijke tegemoetkoming van de overheid in de kosten van kinderen voor gezinnen tot een bepaald inkomen en vermogen. De WKB wordt uitgevoerd door Belastingdienst/Toeslagen. Indien sprake is van een aanvulling op buitenlandse gezinstoeslagen, is de SVB verantwoordelijk voor de uitbetaling van de WKB.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten WKB komen € 27 miljoen lager uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 60 miljoen), is de realisatie € 87 miljoen lager dan begroot.

De lagere uitkeringslasten hebben meerdere oorzaken. Ten eerste is het recht van ouders tot op heden lager dan aanvankelijk verwacht (circa ‒ € 152 miljoen). Dit komt voor een deel doordat diverse intensiveringen in de WKB (zie beleidsconclusies) nog niet in volle omgang zijn ingegroeid (circa ‒ € 20 miljoen). Daarnaast speelt hier mee dat de ingeschatte inkomens voor 2020 van ouders tot op heden hoger zijn dan eerder werd verwacht en dat het aantal kinderen lager is uitgekomen als gevolg van de coronapandemie. Samen leidt dit tot minder uitgaven WKB dan begroot (circa ‒ € 130 miljoen). Ten tweede weet Belastingdienst/Toeslagen (los van het corona-effect) de afgelopen jaren steeds beter op voorhand het recht van ouders te schatten. Dit leidt tot lagere bevoorschottingen (i.e. uitgaven) gedurende het jaar (circa ‒ € 38 miljoen). Daarentegen zijn de uitgaven voor de WKB-herstelactie € 89 miljoen hoger uitgevallen. Dit komt doordat een deel van de uitgaven, die in 2019 gepland stonden, met vertraging zijn uitgekeerd en doordat een extra groep in aanmerking is gekomen voor herstel (Kamerstukken II 2018/2019, 35 010, nr. 25). Daarnaast is er meer uitgekeerd aan nabetalingen over oude toeslagjaren (circa € 11 miljoen).

De impact van de coronapandemie op de inkomens van huishoudens is vooralsnog niet terug te zien in de uitgaven WKB. De verwachting is dat dit volgt in de vorm van nabetalingen nadat ouders hun inkomen wijzigen in het Toeslagenportaal (bijvoorbeeld na het doen van de aangifte inkomstenbelasting) of wanneer Belastingdienst/Toeslagen het definitieve recht voor 2020 bepaalt (start medio 2021).

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal huishoudens en kinderen dat recht heeft op WKB is lager dan begroot. Dit is in lijn met de hierboven beschreven ontwikkelingen. Wel is te zien dat het aantal huishoudens en kinderen flink is gegroeid ten opzichte van 2019 als gevolg van de intensiveringen. Het totaal aantal huishoudens en kinderen neemt naar verwachting nog toe op het moment dat Belastingdient/Toeslagen het definitieve recht gaat bepalen. Dit proces start vanaf medio 2021. Het aantal alleenstaanden is nagenoeg constant gebleven aangezien nagenoeg alle alleenstaanden recht hebben op WKB.

Tabel 80 Kerncijfers WKB
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Aantal huishoudens WKB (x 1.000, jaargemiddelde)

760

804

791

747

961

1.025

‒ 64

Aantal kinderen WKB (x 1.000, jaargemiddelde)

1.402

1.485

1.466

1.385

1.758

1.970

‒ 212

Aantal alleenstaande ouders WKB (x 1.000, jaargemiddelde)

320

332

339

339

341

339

2

Bron: Ministerie van Financiën, Belastingdienst.

Ontvangsten

De ontvangsten komen per saldo € 23 miljoen lager uit dan begroot. De voorschotten van de WKB sluiten beter aan bij het definitieve recht van ouders dan eerder geraamd. Dit heeft geleid tot circa € 32 miljoen minder terugontvangsten dan begroot. Daarentegen is in 2019 aan de SVB circa € 8 miljoen te veel bevoorschot voor de AKW. Dit bedrag heeft SZW terugontvangen in 2020.

4.11 Artikel 11 Uitvoering

A. Algemene doelstelling

De overheid voorziet de uitvoeringsorganisaties van financiële middelen voor een rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering van socialezekerheidsregelingen, binnen de kaders die de overheid stelt.

De uitvoering van de socialezekerheidswetten vindt mede plaats door ZBO’s en RWT’s. De Minister van SZW bepaalt de kaders waarbinnen de uitvoering tot stand komt en stelt uitvoeringsbudget ter beschikking aan Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) inclusief het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI), de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en het Inlichtingenbureau (IB). Hij maakt daarbij prestatieafspraken en stuurt op rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering. Hiertoe is een planning- en controlcyclus ingericht tussen de uitvoeringsorganen en het ministerie.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor het doen uitvoeren van de socialezekerheidswetgeving door de uitvoeringsorganen en draagt zorg voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving (wet SUWI) waarbinnen de uitvoeringsorganen opereren;

  • de vormgeving van het stelsel van socialezekerheidswetten die UWV en de SVB uitvoeren;

  • de vaststelling van de budgetten die aan UWV, de SVB en het IB beschikbaar worden gesteld met daarbij passende prestatieafspraken;

  • de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering door UWV, de SVB en het IB en de verantwoording daarover;

  • de vaststelling van de omvang van de middelen die aan de Landelijke Cliëntenraad (LCR) beschikbaar worden gesteld.

Prestatie-indicatoren UWV en SVB

In onderstaande tabellen zijn indicatoren voor UWV en de SVB weergegeven die de doelmatigheid, rechtmatigheid en klantgerichtheid van de uitvoering weergeven.

Tabel 81 Indicatoren uitvoering UWV
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 20201

Begroting 20202

Verschil 2020

Doelmatigheid: Percentage realisatie uitvoeringskosten binnen budget

100

96

100

100

96

≤100

03

Rechtmatigheid: Percentage rechtmatigheid

99

99,2

98,9

99,1

994

≥99

0

Klantgerichtheid: Cijfer klanttevredenheid uitkeringsgerechtigden

7,1

7,2

7,1

7,1

7,4

≥7,0

03

X Noot
1

Jaarverslag 2020 UWV.

X Noot
2

Deze streefcijfers zijn opgenomen in het jaarplan 2020 van UWV dat in december 2019 aan de Tweede Kamer is verstuurd.

X Noot
3

Het verschil is aangegeven met 0, aangezien de realisatie binnen de raming valt.

X Noot
4

In dit cijfer is niet de rechtmatigheid van de NOW- subsidieverstrekking meegenomen. In het jaarverslag van het UWV wordt dit nader toegelicht.

Tabel 82 Indicatoren uitvoering SVB
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 20201

Begroting 20202

Verschil 2020

Doelmatigheid: Reële efficiency-groei

0

‒ 2,5

0,2

0,1

5,6

1,53

4,1

Rechtmatigheid: Percentage rechtmatigheid

99,9

99,9

100

100

100

99

1,0

Klantgerichtheid: Cijfer klanten4

7,7

8,0

8,2

8,0

0,2

X Noot
1

Jaarverslag 2020 SVB.

X Noot
2

Deze streefcijfers zijn opgenomen in het jaarplan 2020 van de SVB dat in december 2019 aan de Tweede Kamer is verstuurd.

X Noot
3

Norm is 1,5% efficiëntiegroei (kostenbesparing los van volume- en beleidswijzigingen) voor de grote wetten, uitzonderingen op specifieke wetten.

X Noot
4

Het klanttevredenheidsonderzoek vindt tweejaarlijks plaats.

C. Beleidsconclusies

Voor de beleidswijzigingen per wet wordt verwezen naar de overige beleidsartikelen.

Implementatie wet- en regelgeving

In 2020 hebben de SVB en UWV maatregelen getroffen om de tijdelijke crisismaatregelen als gevolg van corona mogelijk te maken. Zoals de NOW en TOFA bij UWV en het uitkeren van de Tijdelijke tegemoetkoming kinderopvang door de SVB. Overige wet- en regelgeving waar in 2020 aan is gewerkt bij UWV zijn onder andere de voorbereidingen voor de implementatie van de wet vereenvoudiging beslagvrije voet, die per 1 januari 2021 is ingevoerd.

Stand van de uitvoering

In december 2020 is de ‘Stand van de Uitvoering Sociale Zekerheid’ aan de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2020/21, 26 448, nr. 641). In deze brief wordt toelichting gegeven op de ontwikkelingen, prestaties en de dilemma's van de uitvoeringsorganisaties UWV en de SVB. Dat UWV en de SVB belangrijke steunpilaren in de samenleving zijn blijkt ook uit de coronacrisis, waar de zbo's belangrijke prestaties leveren. Dit geldt zowel voor de crisisregelingen als de reguliere uitvoering. De coronacrisis heeft geleid tot tijdelijke aanpassingen in processen. Sommige taken worden niet, of minder snel opgepakt. Dit heeft effecten gehad op werkzaamheden ten aanzien van handhaving en sociaal-medisch beoordelen. Een aantal ICT-projecten heeft vertraging opgelopen.

Werk aan Uitvoering

Om de uitvoering van de sociale zekerheid op de middellange en lange termijn toekomstbestendig en wendbaar te maken, is in 2020 gestart met het uitwerken van de handelingsperspectieven uit het rapport Werk aan Uitvoering Fase II (Kamerstukken II 2019/20, 31 490, nr. 284) dat in september 2020 naar de Tweede Kamer is gestuurd. In de kabinetsreactie wordt op hoofdlijnen ingegaan op de benodigde aanpak die de beweging zoals geschetst in Werk aan Uitvoering in gang zal zetten voor de komende tien jaar.

Daarnaast is in 2020 het rapport «Ongekend onrecht» verschenen van de Parlementaire ondervragingscom­missie Kinderopvangtoeslag. De kabinetsreactie op dit rapport bevat maatregelen gericht op het versterken van de dienstverlening bij alle onderdelen van de overheid (Kamerstukken II 2020/21, 35 510, nr. 4).

De aanbevelingen uit het parlementair onderzoek van de Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties (TCU) zijn hierbij ook van belang. De TCU heeft onderzoek uitgevoerd naar de oorzaken van terugkerende problemen bij uitvoeringsorganisaties. De bevindingen en aanbevelingen van de TCU sluiten aan bij en liggen in het verlengde van de kabinetsreactie op het rapport ‘Ongekend onrecht’ van de POK en de kabinetsreactie Werk aan Uitvoering (WaU).

Gevolgen van de coronacrisis op de uitvoering WW door UWV

UWV heeft in 2020 te maken gehad met een grote, onverwachte stijging van de WW-instroom als gevolg van de coronamaatregelen. Ondanks de ondersteunende maatregelen zoals de Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW) is het aantal WW-aanvragen aanzienlijk gestegen. UWV handelde in de eerste acht maanden van 2020 60% meer WW-aanvragen af dan in dezelfde periode in 2019, namelijk 444.600 tegenover 278.700. Logischerwijs heeft dit effecten gehad op de dienstverlening door UWV.

Om de toestroom aan WW-aanvragen aan te kunnen, heeft UWV in samenspraak met SZW direct een aantal ingrijpende maatregelen moeten treffen om de capaciteit te verhogen. Veruit het grootste gedeelte van de capaciteitswinst is behaald met maximale opschaling van personeel en maatregelen binnen de kaders van wet- en regelgeving. Ook zijn er tijdelijke maatregelen ingesteld bovenop de bestaande wet- en regelgeving. Hierbij betrof het vooral maatregelen gericht op de handhavings- en controletaken van UWV. Inmiddels zijn deze tijdelijke maatregelen teruggedraaid, op een enkele maatregel na. De maatregelen zijn toegelicht in de Kamerbrieven Stand van de Uitvoering van juni en december 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 26 448, nr. 634 en Kamerstukken II 2019/20, 26 448, nr. 641).

Dankzij deze ingrijpende maatregelen heeft UWV in 2020 98% van de WW-betalingen op tijd kunnen verstrekken, ruim boven de norm van 90%. Verder is de dienstverlening aan werkzoekenden in de loop van de coronacrisis op niveau gebleven.

Dienstverlening WGA en Wajong

Met het regeerakkoord heeft het kabinet vanaf 2019 € 70 miljoen structureel vrijgemaakt voor het versterken van persoonlijke dienstverlening van UWV aan WW-, Wajong- en WGA-gerechtigden. In 2020 heeft UWV in overleg met SZW de WGA-dienstverlening langs twee lijnen van actie verder opgebouwd. De eerste actielijn is gericht op het verder op orde krijgen van de basis. Naast de inzet van meer persoonlijke contact heeft UWV vorig jaar gewerkt aan de introductie van nieuwe methoden om interventies nog gerichter in te kunnen zetten. De tweede actielijn betreft de verdere doorontwikkeling van de WGA-dienstverlening. In oktober 2019 is het effectonderzoek naar de impact van de intensievere dienstverlening (persoonlijke dienstverlening en inkoop re-integratietrajecten) gestart en dit heeft in 2020 zijn beslag gekregen. Daarnaast is in 2020 bezien welke aanvullende mogelijkheden er zijn om met scholing de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. De dienstverlening aan mensen met een arbeidsbeperking kon in 2020 grotendeels doorgang vinden ondanks de uitdagende omstandigheden. Wel hebben de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt geleid tot een afname van het aantal plaatsingen, heeft UWV reeds ingekochte re-integratietrajecten verlengd en is de inzet van het aantal nieuwe re-integratietrajecten afgenomen. Over het effect van de coronacrisis op de WGA-dienstverlening heeft de Algemene Rekenkamer gerapporteerd in het Verantwoordingsonderzoek 2020, Begrotingshoofdstuk XV SZW.

Sociaal-medisch beoordelen

Doordat face-to-face spreekuren een groot deel van 2020 onmogelijk waren, zijn tot half juni alle beoordelingen uitgevoerd op basis van het dossier en/of telefonisch contact. Complexe beoordelingen zijn daardoor veelal opgeschoven. Het beroep op de Ziektewet steeg in 2020 minder dan verwacht door corona. De terugkeer van een aantal grote eigenrisicodragende uitzendbureaus per 1 januari 2020 naar het publieke bestel onder invloed van de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) leidde ook tot een stijging van het beroep op de ZW.

Regionale van-werk-naar-werk-dienstverlening

In 2020 is UWV gestart met het inrichten van mobiliteitsteams in drie arbeidsmarktregio's om werkgevers te ondersteunen bij het vinden van nieuw werk voor hun werknemers. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met (centrum)gemeenten, sociale partners en onderwijs en is gericht op zowel werkzoekenden, werknemers als zzp'ers. De dienstverlening zal in 2021 landelijk verder worden uitgerold.

Handhaving UWV

Door coronamaatregelen is het aantal interne fraudemeldingen in 2020 aanzienlijk gedaald. Vanwege de druk op de organisatie is er minder prioriteit gelegd op het aangeven van meldingen. Een aantal telefonische controles is stopgezet.

Dienstverlening SVB

De afgelopen jaren heeft de dienstverlening van de SVB steeds een tijdelijke financiële impuls gekregen. Deze tijdelijke impulsen worden structureel zodat de SVB met deze extra middelen meer mogelijkheden heeft te voldoen aan de met SZW afgesproken normen. Op dit moment staat de tijdigheid van de regelingen AKW internationaal, AKW nationaal, AOW internationaal en de AIO onder druk. In 2020 heeft de SVB gewerkt aan terugdringing van niet-gebruik van de AIO. De aanpak hiervan wordt in 2021 voortgezet.

In 2020 heeft de SVB de verkiezing Overheidsorganisatie van het jaar 2020 gewonnen.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 83 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 11 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Verplichtingen

433.006

490.919

496.490

519.087

589.863

499.637

90.226

        

Uitgaven

433.006

490.919

496.242

519.222

589.977

499.637

90.340

        

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

       

Uitvoeringskosten UWV

324.638

376.001

372.983

396.851

434.577

378.730

55.847

Uitvoeringskosten SVB

100.687

107.544

116.267

112.726

139.415

113.476

25.939

Uitvoeringskosten IB

7.003

6.709

6.257

8.963

15.279

6.731

8.548

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

       

Landelijke Cliëntenraad

678

665

735

682

706

700

6

        

Ontvangsten

16.367

15.649

11.638

52.252

173

0

173

X Noot
1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

Tabel 84 Premiegefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 11 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Uitgaven

1.527.338

1.547.245

1.465.842

1.506.518

1.782.864

1.676.731

106.133

        

Bijdragen aan ZBO's/RWT's1

       

Uitvoeringskosten UWV

1.411.327

1.423.525

1.326.271

1.359.118

1.629.664

1.489.524

140.140

Uitvoeringskosten SVB

116.011

123.720

139.571

147.400

153.200

144.839

8.361

        

Nominaal

0

0

0

0

0

42.368

‒ 42.368

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

X Noot
1

Deze bedragen hebben alleen betrekking op de uitvoering van het SZW-beleid door de zbo's.

E. Toelichting op de instrumenten
Bijdrage aan ZBO's/RWT's

De Minister van SZW stelt de financiële kaders vast voor UWV (inclusief BKWI), de SVB en het IB, waarbinnen deze organisaties hun jaarplannen dienen op te stellen. Deze financiële kaders hebben alleen betrekking op de uitvoering van SZW-taken door genoemde zbo’s. In de jaarplannen nemen UWV en de SVB een verdeling van de uitvoeringskosten naar wet en/of fonds op. De Minister stuurt in eerste aanleg op het totaalbudget per organisatie. Uitgangspunt daarbij is dat de organisaties zelfstandig de uitvoering organiseren en over de realisatie via het jaarverslag verantwoording afleggen aan de Minister van SZW.

De uitvoeringskosten van UWV en de SVB wijzigen gedurende de jaren als gevolg van beleidswijzigingen en van volumeontwikkelingen in de onderscheiden wetten. Voor een nadere toelichting op de volumeontwikkelingen wordt naar de desbetreffende artikelen verwezen.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitvoeringskosten UWV komen circa € 196 miljoen hoger uit dan begroot. De uitvoeringskosten SVB komen circa € 34 miljoen hoger uit dan begroot. Belangrijkste oorzaken hiervan zijn de gedurende het lopende jaar toegekende loon- en prijsbijstelling, voor UWV de toekenning voor de tijdelijke crisismaatregelen zoals NOW en TOFA en de extra incidentele toekenning als gevolg van coronagerelateerde problematiek bij het UWV. Bij de SVB worden de hoger dan begrote uitvoeringskosten vooral veroorzaakt door toekenningen van middelen ten behoeve van het project EESSI, ICT en dienstverlening.

In de tabellen 85 en 86 zijn de gerealiseerde uitvoeringskosten van UWV en de SVB toegedeeld aan de onderscheiden wetten en regelingen. Deze toedeling is extracomptabel.

Tabel 85 Extracomptabel overzicht begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde uitvoeringskosten UWV (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

UWV (incl. BKWI)

1.735.965

1.799.526

1.699.254

1.755.969

2.064.241

      

Begrotingsgefinancierd

324.638

376.001

372.983

396.851

434.577

IOW

1.907

2.000

2.068

2.586

2.547

Wajong

108.170

159.888

150.000

141.938

165.237

Re-integratie Wajong

86.631

85.000

96.000

123.860

110.340

Basisdienstverlening

80.053

84.627

91.640

93.778

83.050

Dienstverlening Mobiliteit Centrum Kolenketen Westhaven (MCKW)

0

0

0

0

763

Uitvoeringskosten WW 50+

13.600

240

0

0

0

Beoordeling gemeentelijke doelgroep

19.340

18.100

17.900

20.000

20.000

WSW-indicatiestelling

5.313

4.120

4.193

4.048

2.065

Scholingsvouchers kansberoep

900

4.100

0

0

0

Tijdelijke regeling aanpassing Dagloonbesluit

0

9.210

2.050

0

0

Scholingsbudget WW

0

0

700

1.020

780

Scholingsexperiment WGA

0

0

0

0

500

NOW1.0

0

0

0

0

19.200

NOW2.0

0

0

0

0

8.200

NOW3.0

0

0

0

0

5.800

TOFA

0

0

0

0

3.100

BKWI

8.724

8.716

8.432

9.620

12.908

      

Premiegefinancierd

1.411.327

1.423.525

1.326.271

1.359.118

1.629.664

WAO

80.358

80.253

82.777

84.435

68.185

IVA

98.874

96.107

101.955

128.844

64.926

WGA

244.844

221.657

242.184

258.050

335.363

WAZ

3.744

3.713

3.081

2.931

3.070

WW

649.324

620.660

539.084

542.251

626.189

ZW

270.853

263.765

294.935

310.854

373.890

WAZO

10.484

11.950

9.848

11.103

10.521

Re-integratie WAZ/WAO/WIA/ZW

56.312

54.320

87.908

126.805

106.626

Toevoeging aan bestemmingsfonds/egalisatiereserve

‒ 3.466

71.100

‒ 35.500

‒ 106.155

40.981

Tabel 86 Extracomptabel overzicht begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde uitvoeringskosten SVB (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

SVB

216.698

231.264

255.838

260.126

292.615

      

Begrotingsgefinancierd

100.687

107.544

116.267

112.726

139.415

AKW

67.722

74.344

84.088

71.216

97.326

TAS

821

1.023

1.023

1.278

2.980

KOT/WKB

4.375

5.527

4.333

8.333

5.634

AIO

22.647

22.571

23.299

28.901

30.916

Bijstand buitenland

270

268

265

265

224

Overbruggingsregeling AOW

2.652

1.575

1.066

600

503

Remigratiewet

2.200

2.236

2.193

2.133

1.832

      

Premiegefinancierd

116.011

123.720

139.571

147.400

153.200

AOW

105.674

115.009

127.058

135.800

142.500

Anw

10.337

8.711

12.513

11.600

10.700

Bijdrage aan nationale organisaties

De Landelijke Cliëntenraad (LCR) is een overlegorgaan ingesteld bij Wet SUWI waarin landelijke cliëntenorganisaties, vertegenwoordigers van gemeentelijke cliëntenraden en vertegenwoordigers van de centrale cliëntenraden van de SVB en UWV zitting hebben. De LCR heeft tot taak periodiek te overleggen met UWV, de SVB, de gemeenten en de Minister van SZW over onderwerpen op het terrein van werk en inkomen. De Minister van SZW stelt de financiële kaders vast voor de LCR, waarbinnen de LCR een jaarplan dient op te stellen.

Ontvangsten

De ontvangsten bedragen in 2020 circa € 0,2 miljoen. Dit betreffen verrekeningen over rijksvergoedingen met betrekking tot de uitvoeringskosten van UWV en de SVB over 2019.

4.12 Artikel 12 Rijksbijdragen

A. Algemene doelstelling

De overheid borgt voldoende dekking in sociale fondsen.

De uitgaven die worden gedaan door de sociale fondsen worden hoofdzakelijk gefinancierd via premie-inning. In een aantal gevallen acht de overheid (volledige) financiering via premieheffing niet wenselijk, bijvoorbeeld om te voorkomen dat premiepercentages blijvend toenemen en daarmee een evenwichtige koopkrachtontwikkeling in de weg staan. In andere gevallen acht de overheid financiering van een regeling via de algemene middelen passender, maar wordt wel gekozen voor uitvoering via de sociale fondsen. De sociale fondsen worden in dat geval via rijksbijdragen voorzien van voldoende financiering.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de sociale fondsen uit de algemene middelen, al dan niet in aanvulling op premieheffing. Hij is in deze rol verantwoordelijk voor:

  • de vaststelling van de hoogte van de rijksbijdragen aan de desbetreffende sociale fondsen;

  • het betalen van de rijksbijdragen aan de sociale fondsen.

C. Beleidsconclusies

Op 1 januari 2020 is de Wet houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid van kracht geworden. Deze wet regelt een vergoeding voor werkgevers voor de kosten van de transitievergoeding die zij moeten betalen als een werknemer vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid uit dienst gaat.

De compensatieregeling transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid wordt uitgevoerd door UWV. Het recht op compensatie werkt terug tot 1 juli 2015, waardoor er in de eerste jaren sprake is van hogere uitgaven. Bij het opstellen van de wet was het idee dat de uitgaven aan de regeling ten laste zouden komen van het Algemeen werkloosheidsfonds (Awf). Om de uitgaven te financieren is de Awf-premie licht verhoogd. Voor financiering via het Awf is gekozen omdat overheidswerkgevers geen Awf-premie betalen. Daar stond tegenover dat overheidswerkgevers, in principe, ook geen recht hadden op compensatie. Een uitzondering daarop zijn de werkgevers in het openbaar onder bijzonder onderwijs. Zij betalen geen Awf-premie, maar hebben wel recht op compensatie. Voor het openbaar onderwijs regelt de wet daarom een nieuwe rijksbijdrage aan het Awf die hun deel van de compensatieregeling financiert. Deze rijksbijdrage is dus in 2020 voor het eerst verstrekt.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 87 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 12 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Verplichtingen

12.806.406

12.420.196

13.852.630

17.426.873

20.184.827

16.901.655

3.283.172

        

Uitgaven

12.806.406

12.420.196

13.852.630

17.426.873

20.162.857

16.901.655

3.261.202

        

Bijdrage aan sociale fondsen

       

Kosten heffingskortingen AOW

2.033.300

2.114.100

2.165.400

2.209.900

2.029.300

2.041.100

‒ 11.800

Vermogenstekort Ouderdomsfonds

10.525.800

10.083.600

11.462.600

14.881.500

17.851.600

14.587.800

3.263.800

Tegemoetkoming arbeidsongeschikten

175.574

147.471

154.140

160.212

160.161

157.464

2.697

Tegemoetkoming Anw-gerechtigden

7.075

6.643

0

0

0

0

0

Zwangere zelfstandigen

64.657

68.382

70.490

175.261

81.235

74.730

6.505

Transitievergoeding

0

0

0

0

40.561

40.561

0

        

Ontvangsten

1.747

423

2.472

8.410

2.052

0

2.052

X Noot
1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

E. Toelichting op de instrumenten
Bijdrage aan sociale fondsen

De bijdragen aan de sociale fondsen worden overgemaakt van de begroting van SZW aan verschillende fondsen bij SVB en UWV. Hoofdstuk 10, Sociale fondsen SZW, gaat nader in op de financiering van de sociale fondsen.

Rijksbijdrage in de kosten van heffingskortingen (BIKK) AOW

Deze rijksbijdrage compenseert de gewijzigde premieopbrengst die het gevolg is van de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001. De hoogte van deze rijksbijdrage wordt jaarlijks aangepast aan de geraamde kosten van de heffingskortingen en aan wijzigingen van de belasting- en premietarieven in de eerste schijf.

Budgettaire ontwikkelingen

De rijksbijdrage is iets lager uitgevallen dan in de begroting verwacht. Dit komt doordat de geraamde omvang van de heffingskortingen gedurende 2020 naar beneden is bijgesteld.

Rijksbijdrage vermogenstekort Ouderdomsfonds

De uitgaven uit het Ouderdomsfonds worden maar deels gedekt door de premie-inkomsten. De hoogte van de AOW-premie is namelijk wettelijk gemaximeerd om te voorkomen dat de groeiende AOW-uitgaven leiden tot een alsmaar stijgende AOW-premie en een onevenwichtige koopkrachtontwikkeling. Dit leidt tot een jaarlijks exploitatietekort in het Ouderdomsfonds. De rijksbijdrage Ouderdomsfonds is bedoeld om het exploitatietekort in het Ouderdomsfonds aan te vullen zodat er een neutrale kaspositie voor dit fonds bestaat.

Budgettaire ontwikkelingen

De rijksbijdrage is hoger uitgevallen dan in de begroting werd geraamd. Dit komt voornamelijk doordat de geraamde inkomsten vanuit AOW-premie zijn gedaald. Daarnaast is het in 2019 gerealiseerde vermogenstekort van het Ouderdomsfonds in 2020 via de rijksbijdrage aangevuld.

Rijksbijdrage tegemoetkoming arbeidsongeschikten

De tegemoetkoming arbeidsongeschikten is een jaarlijkse vergoeding voor de extra ziektekosten van mensen die (gedeeltijk) arbeidsongeschikt zijn. De tegemoetkoming is opgenomen in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (IVA en WGA), de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De tegemoetkomingen voor de categorieën WAO, WAZ, IVA en WGA worden gefinancierd uit een rijksbijdrage die in het Toeslagenfonds wordt gestort. In deze rijksbijdrage zijn ook de uitvoeringskosten van UWV opgenomen. De uitgaven aan de tegemoetkomingen voor arbeidsongeschikten worden verantwoord op de beleidsartikelen 3 en 4.

Budgettaire ontwikkelingen

De rijksbijdrage is aangepast aan de onderliggende uitgaven. De rijksbijdrage komt daarmee iets hoger uit dan geraamd in de begroting.

Rijksbijdrage zwangere zelfstandigen (ZEZ)

De regeling Zelfstandig en Zwanger (ZEZ) voorziet in een uitkering aan zelfstandigen voorafgaand aan en volgend op de bevalling (zie ook beleidsartikel 6). Deze regeling wordt gefinancierd via een rijksbijdrage aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds. Ook de uitkeringen voor zwangere alfahulpen worden via deze rijksbijdrage gefinancierd. In deze rijksbijdrage zijn daarnaast de uitvoeringskosten van UWV opgenomen.

Budgettaire ontwikkelingen

De rijksbijdrage is aangepast aan de onderliggende uitgaven. De rijksbijdrage komt daarmee iets hoger uit dan geraamd in de begroting.

Rijksbijdrage transitievergoeding

De Wet transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid regelt vanaf 1 april 2020 compensatie voor werkgevers voor verstrekte transitievergoedingen aan werknemers van wie de dienstbetrekking is geëindigd na langdurige arbeidsongeschiktheid. De regeling kent terugwerkende kracht tot 1 juli 2015. Dit wetsvoorstel wordt grotendeels gefinancierd via werkgeverspremies. Voor een klein deel is er een rijksbijdrage aan het Algemeen Werkloosheidsfonds.

Budgettaire ontwikkelingen

De rijksbijdrage is niet gewijzigd.

4.13 Artikel 13 Integratie en maatschappelijke samenhang

A. Algemene doelstelling

De overheid bevordert de maatschappelijke samenhang en sociale stabiliteit door participatie en inburgering van iedereen met een migratieachtergrond en het doen accepteren van culturele diversiteit in de samenleving.

In het integratiebeleid ligt de nadruk op het doen ontstaan van sociale stabiliteit in een samenleving die in cultureel opzicht steeds meer divers wordt. Een sociaal stabiele samenleving houdt in dat:

  • mensen zelfredzaam zijn en zonder belemmeringen kunnen meedoen;

  • zij in al hun verscheidenheid met elkaar samenleven;

  • iedereen zich thuisvoelt ongeacht herkomst, religie of levensovertuiging.

Dit wordt gerealiseerd door:

  • het bevorderen van samenhang en het voorkomen van maatschappelijke spanningen;

  • het werken aan een evenredige positie en participatie in de Nederlandse samenleving en aan een evenredig bereik en effectiviteit van voorzieningen voor alle burgers in Nederland;

  • het ervoor zorgen dat nieuwkomers snel de Nederlandse taal machtig zijn en kennis hebben van de Nederlandse samenleving.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert met behulp van onder andere financiële instrumenten de zelfredzaamheid en deelname aan de samenleving van migranten, en het samenleven met elkaar in de diverse samenleving. De samenlevingsvraagstukken verschillen per gemeente of regio. De rol van de Minister bij het oplossen hiervan is een faciliterende. Hij financiert een uitkeringsregeling (Remigratiewet), een leenstelsel voor degenen die moeten inburgeren en voorinburgering en maatschappelijke begeleiding voor nieuwkomers. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • de vormgeving, het onderhoud en de werking van het inburgeringsstelsel;

  • de visie en samenhang van het integratiebeleid en de daarvoor benodigde kennis;

  • het aanspreken van de vakdepartementen op hun verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat reguliere voorzieningen toegankelijk en effectief zijn voor alle burgers;

  • de uitvoering van de Remigratiewet, de Wet inburgering en de Wet inburgering buitenland.

De uitvoering van het inburgering (onder meer examens)- en leenstelsel, en de voorinburgering is belegd bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) respectievelijk het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA). De Minister van OCW is eigenaar van DUO en de Minister van J&V van COA. Vanuit deze rol zijn laatstgenoemde ministers verantwoordelijk voor de kwaliteit en continuïteit van de uitvoering en daaronder valt de dienstverlening van DUO respectievelijk COA aan het Ministerie van SZW. De uitvoering van de maatschappelijke begeleiding van asielmigranten is belegd bij de gemeenten, die hiervoor middelen krijgen via het Gemeentefonds.

C. Beleidsconclusies

Veranderopgave Inburgering (VOI)

In de begroting van 2020 werd in de beleidswijzigingen gemeld dat we in 2021 het nieuwe inburgeringsstelsel wilden starten en dat er in 2020 nog pilots plaatsvinden. De beoogde inwerkingtredingsdatum van de nieuwe wet van 1 juli 2021 is inmiddels bijgesteld. Nu wordt volop gekoerst op 1 januari 2022. Met de pilotmiddelen en andere middelen hebben gemeenten zich kunnen voorbereiden op de komst van de nieuwe wet.

Survey Integratie Migranten

In 2020 is het SCP in opdracht van SZW het veldwerk gestart voor een nieuwe editie van het Survey Integratie Migranten. Dit onderzoek levert inzicht in de stand en ontwikkeling van de sociaal-culturele positie van bevolkingsgroepen met een migratieachtergrond in de Nederlandse samenleving ten opzichte van die zonder migratieachtergrond. Het veldwerk is echter als gevolg van de coronacrisis enkele malen opgeschort geweest en sterk vertraagd. Het veldwerk wordt nu in het 1e kwartaal van 2021 afgesloten en het databestand komt in de loop van 2021 beschikbaar. Deze informatie vormt belangrijke input voor het beleid op het terrein van integratie en maatschappelijke samenhang voor de komende jaren. Daarbij kan gedacht worden aan het streven naar evenredigheid en gelijkheid op het terrein van onderwijs en arbeidsdeelname.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 88 Begrotingsgefinancierde budgettaire gevolgen van beleidsartikel 13 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Verplichtingen

278.628

309.023

278.398

221.009

179.789

253.368

‒ 73.579

        

Uitgaven

250.574

328.040

290.084

220.838

181.996

252.868

‒ 70.872

        

Inkomensoverdrachten

       

Remigratiewet

44.105

42.500

42.000

41.890

41.400

43.186

‒ 1.786

Inburgering

116

51

11

3

3

0

3

Subsidies

       

Opbouw kennisfunctie integratie

2.708

2.841

2.644

2.746

2.763

2.736

27

Landelijk Overleg Minderheden

30

26

0

0

0

0

0

Vluchtelingenwerk Nederland

1.298

1.343

1.092

1.030

1.084

1.032

52

Overige subsidies

3.510

7.721

4.661

8.727

9.658

5.850

3.808

Opdrachten

       

Inburgering en Integratie

7.614

10.522

7.748

8.675

9.031

12.945

‒ 3.914

Remigratie

1.696

1.596

1.493

1.593

1.619

1.700

‒ 81

Bijdrage aan agentschappen

       

DUO

10.640

14.661

17.771

18.280

22.976

18.800

4.176

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

       

COA

74.577

76.073

22.212

10.755

14.215

16.927

‒ 2.712

Bijdrage aan medeoverheden

       

Gemeenten maatschappelijke begeleiding

0

0

0

0

0

25.226

‒ 25.226

Gemeenten inburgeringsvoorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Leningen

       

DUO

104.280

170.706

190.452

127.139

79.247

124.466

‒ 45.219

        

Ontvangsten

4.727

10.378

3.191

4.218

5.068

1.000

4.068

Ontvangsten algemeen

3.587

7.955

702

775

552

0

552

Leningen

1.140

2.423

2.489

3.443

4.516

1.000

3.516

X Noot
1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

E. Toelichting op de instrumenten

Het integratiebeleid, dat de maatschappelijke samenhang en sociale stabiliteit bevordert, heeft als einddoel dat groepen met een migratieachtergrond dezelfde maatschappelijke positie innemen als groepen zonder migratieachtergrond. Dit doel komt dichterbij als de verschillen tussen de groepen afnemen. Drie belangrijke maten hiervoor zijn de arbeidsparticipatie, de werkloosheid en het aandeel leerlingen dat in het voortgezet onderwijs de hogere vormen (havo en vwo) volgt.

De figuren 5, 6 en 7 presenteren de ontwikkeling in deze indicatoren: de aandelen van de bevolking met betaald werk, het werkloosheidspercentage en het aandeel leerlingen in de derde klas van het voortgezet onderwijs dat havo of vwo volgt naar achtergrond, generatie en (school)jaar. De figuren laten verschillen zien zowel tussen de uiteenlopende herkomstgroepen als tussen de generaties binnen dezelfde herkomstgroep.

Figuur 5 Kerncijfers integratie: netto arbeidsparticipatie (%)2

Bron: CBS, Kernindicatoren Integratie.

Figuur 6 Kerncijfers integratie: werkloze beroepsbevolking (%)3

Bron: CBS, Kernindicatoren Integratie.

Figuur 7 Kerncijfers integratie: Aandeel havo/vwo-leerlingen in het 3e leerjaar van het voortgezet onderwijs (%)

Bron: CBS, Kernindicatoren Integratie.

Inkomensoverdrachten

Remigratiewet

De Remigratiewet biedt een uitweg aan personen die naar Nederland kwamen voor arbeid en vestiging, maar nu een dringende wens tot terugkeer hebben doordat zij in een uitzichtloze situatie van afhankelijkheid (uitkeringssituatie) verkeren en zelf hun remigratie niet kunnen bekostigen. Om personen die daarvoor in aanmerking komen, in staat te stellen naar hun herkomstland terug te keren, kan een remigratie-uitkering worden aangevraagd. De SVB voert de Remigratiewet uit.

Budgettaire ontwikkelingen

De Remigratiewet is in 2014 aangescherpt op onder meer het leeftijdscriterium. Hierdoor komen minder personen in aanmerking voor een remigratie-uitkering. Vanaf 1 januari 2025 kunnen geen nieuwe aanvragen meer op grond van de Remigratiewet worden gedaan. Hierdoor dalen de jaarlijkse uitgaven aan uitkeringen. In 2020 bleek dat het bedrag aan uitkeringen in de begroting uiteindelijk te hoog is geraamd. De uitgaven vielen circa € 1,8 miljoen lager uit.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 89 Kerncijfers Remigratie
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Aantal remigranten met een periodieke uitkering ( x 1.000 personen, ultimo)1

14

14

14

14

14

14

0

Bron: SVB, jaarverslag.

X Noot
1

inclusief nihil-uitkeringen: de remigrant heeft recht op een remigratie-uitkering, maar na verrekening van andere, exporteerbare uitkeringsgelden wordt het bedrag op nihil vastgesteld

Subsidies

Op het artikelonderdeel Subsidies is circa € 3,9 miljoen meer uitgegeven dan in de begroting was opgenomen. Het verschil treedt met name op bij de incidentele (overige) subsidies. Het betreft dan vooral nieuwe subsidies voor projecten in het kader van de Veranderopgave inburgering, een aangenomen amendement voor respectvol samenleven en verhoging van enkele lopende subsidies.

Opdrachten

Op het artikelonderdeel Opdrachten worden opdrachten aan derden ten behoeve van onder meer de ontwikkeling en het beheer van examens, onderzoeken in verband met de beleidsontwikkeling of -evaluatie, en communicatieactiviteiten verantwoord. De uitgaven zijn circa € 4 miljoen lager uitgevallen dan in de begroting werd aangenomen. De oorzaak hiervan is onder meer gelegen in het uitstel van de invoeringsdatum van de nieuwe Wet inburgering. Hierdoor zijn bepaalde activiteiten en uitgaven eveneens uitgesteld. Daarnaast was meer tijd nodig voor de aanbesteding van een aantal opdrachten, waardoor de uitgaven pas in 2021 zullen plaatsvinden. Ook zijn aanbestedingstrajecten uitgesteld omdat de precieze activiteiten of opdrachtformuleringen meer tijd behoefden.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 90 Kerncijfers inburgering
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Inburgeringsplichtige nieuwkomers die een kennisgeving van DUO krijgen (x 1.000 personen, ultimo)1

34

23

20

18

21

18

3

Inburgeraars die slagen voor het inburgeringsexamen of NT2-examen (x 1.000 personen, ultimo)1

10

13

24

32

18

23

‒ 5

Asielgerechtigde nieuwkomers die deelnemen aan de voorbereiding op inburgering in de opvang van COA (x 1.000 personen, ultimo)2

13

8,4

4,6

4,6

4,5

5,0

‒ 0,5

Asielgerechtigde nieuwkomers die deelnemen aan de maatschappelijke begeleiding door gemeenten (x 1.000 personen, ultimo)2

20

26

11

7

9

10

‒ 1

X Noot
1

DUO, informatiesysteem Inburgering.

X Noot
2

COA, voortgangsrapportages.

Bijdrage aan agentschapppen

Op dit artikelonderdeel is de bijdrage opgenomen die SZW aan DUO geeft voor het uitvoeren van het leen- en examenstelsel in verband met de inburgering van nieuwkomers. De bijdrage aan DUO is in 2020 circa € 4,2 miljoen hoger uitgevallen dan in de begroting voorzien werd. Dat is voor een groot deel veroorzaakt door de extra maatregelen die door DUO zijn getroffen in verband met corona. Zo is er extra personeel ingehuurd om de openstelling van examenlocaties na de eerste lockdown te kunnen veruimen. Ook zijn er extra examenlocaties ingehuurd.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

De bijdrage aan COA is bedoeld voor trajecten voorinburgering die in de AZC's door vergunninghouders in afwachting van hun plaatsing bij een gemeente gevolgd kunnen worden. In 2020 is als gevolg van de coronamaatregelen het aantal trajecten achtergebleven bij de verwachtingen. Hierdoor vallen de uitgaven in 2020 € 2,7 miljoen lager uit dan voorzien. Het budget is hiervoor eerder bij 1e en 2e suppletoire wet neerwaarts bijgesteld.

Bijdrage aan medeoverheden

De bijdrage aan gemeenten betreft de vergoedingen voor maatschappelijke begeleiding van statushouders. Van het budget ad € 25,2 miljoen is in 2020 € 16,9 miljoen overgeboekt naar het Ministerie van BZK die dat bedrag vervolgens weer heeft verstrekt aan de gemeenten. De gemeenten krijgen hun bijdrage achteraf op grond van het aantal in 2019 gehuisveste asielstatushouders met inburgeringsplicht.

Circa € 8 miljoen is bij najaarsnota ingeleverd, omdat het aantal gehuisveste vergunninghouders en daardoor het aantal trajecten maatschappelijke begeleiding in 2019 lager was uitgevallen.

Leningen

In 2020 is door DUO circa € 45,2 miljoen minder uitgegeven aan leningen voor inburgeraars dan in de begroting geraamd was. De oorzaak daarvan ligt voor het grootste deel in de coronamaatregelen. Het inburgeringsonderwijs en de -examens hebben een tijd stil gelegen. Nadat er weer meer mogelijkheden kwamen voor klassikaal onderwijs en voor examens golden er nog wel beperkende maatregelen door corona, zoals de 1,5 meter regel. Dit maakte het lastig om examens af te leggen en om klassikaal onderwijs te volgen.

Het gebruik van de leningen nam door genoemde ontwikkelingen af. Pas in de laatste 2 maanden van het jaar kwam het gebruik van de leningen weer op peil.

Tabel 91 Kerncijfers leningen
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2020

Verschil 2020

Toegekende leningen

       

Aantal aan inburgeraars toegekende leningen (x 1.000 personen, ultimo)

26

23

14

11

11

12

‒ 1

        

Terugbetaalde leningen

       

Aantal terugbetalende inburgeraars die in het betreffende jaar een terugbetaling op hun lening doen (x 1.000 personen, ultimo)

3

5

5

13

18

6

12

        

Kwijtgescholden leningen

       

Aantal inburgeraars met kwijtgescholden lening (x 1.000 personen, ultimo)

2

5

10

21

18

20

‒ 2

Totaalbedrag kwijtgescholden leningen inclusief rente (x € 1 mln)

8

32

78

181

154

162

‒ 8

Bron: DUO, Informatiesysteem Inburgering.

Ontvangsten

Bij de ontvangsten ging het in 2020 naast een terugbetaling van de SVB in verband met de afrekening Remigratiewet, om terugbetalingen van leningen en betalingen van boetes. Vorig jaar werd circa € 4,1 miljoen meer ontvangen dan in de begroting geraamd was. Omdat asielstatushouders bij goed resultaat de lening niet behoeven terug te betalen en terugbetalingen naar draagkracht gaan is het lastig een juiste inschatting te maken van de te verwachten ontvangsten.

5. Niet-beleidsartikelen

5.1 Artikel 96 Apparaat Kerndepartement

Dit artikel bevat alle personele en materiële uitgaven en bijbehorende ontvangsten van het Ministerie van SZW. In beleidsartikel 11 zijn de bijdragen aan zbo's verder toegelicht.

Budgettaire gevolgen

Tabel 92 Apparaatsuitgaven Kerndepartement Budgettaire gevolgen (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Verplichtingen

252.321

274.694

309.776

353.723

403.751

372.070

31.681

        

Uitgaven

255.510

265.018

302.402

351.632

387.486

372.070

15.416

        

Personele uitgaven

       

eigen personeel

189.394

198.259

230.573

262.756

293.498

289.376

4.122

inhuur externen

5.846

5.004

11.348

10.935

12.657

5.772

6.885

overige personele uitgaven

2.385

2.779

2.199

2.181

1.801

2.734

‒ 933

        

Materiële uitgaven

       

ICT

6.013

5.556

6.962

15.178

22.832

13.269

9.563

bijdrage aan SSO's

38.607

38.187

41.254

45.478

42.801

45.050

‒ 2.249

overige materiële uitgaven

13.265

15.233

10.066

15.104

13.897

15.869

‒ 1.972

        

Ontvangsten

13.563

22.300

26.216

41.730

52.986

51.666

1.320

X Noot
1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

Toelichting

Personele en materiële uitgaven

Eigen personeel

De uitgaven komen € 4,1 miljoen hoger uit dan begroot. Aan de ene kant zien we hogere uitgaven door verwerken van de loonbijstelling uit de nieuwe cao. Tevens heeft er uitbreiding van de capaciteit van SZW plaatsgevonden voor ondersteunende werkzaamheden bij de uitvoering van het noodpakket. Aan de de andere kant zijn uitgaven lager uitgevallen dan begroot vanwege de effecten van corona: minder reisbewegingen door thuiswerken en een uitstel van invulling van vacatures.

Inhuur externen

De € 6,9 miljoen hogere uitgaven dan begroot komen met name doordat er externe inhuur is ingezet op automatiseringsprojecten. De hiervoor beschikbare middelen zijn gedurende het jaar overgeboekt vanaf het ICT-budget. Daarnaast heeft er inhuur plaatsgevonden voor het oplossen van tijdelijke personeelstekorten, die ten tijde van de begroting niet waren voorzien.

Overige personele uitgaven

De uitgaven voor post-actieven komen € 0,9 miljoen lager uit dan begroot en zijn ook lager dan in de afgelopen jaren. De voornaamste redenen hiervoor is een lagere instroom dan verwacht. Daarnaast valt de gemiddelde uitkering voor een WW-gerechtigde lager uit.

ICT

De verhuizing van de ICT-omgeving van het onderdeel Opsporing van de Inspectie SZW van DICTU naar de Belastingdienst is niet zoals ten tijde van de Begroting 2020 was voorzien in 2019 gerealiseerd, maar pas in 2020. De vertraging van de verhuizing heeft geleid tot extra kosten in 2020. Een deel van deze uitgaven stond onder Bijdrage aan SSO's.

Bijdrage aan SSO's

Op dit budget hebben in 2020 een aantal budgetmutaties plaatsgevonden, waardoor de uitgaven op de post Bijdrage aan SSO's € 2,2 miljoen lager uitvallen dan begroot. Allereerst heeft er een herschikking plaatsgevonden met ICT. Hierdoor verschuiven de uitgaven voor de ICT-omgeving van de Inspectie naar de post ICT, zie boven. Daarnaast is er een budgetoverheveling naar het Ministerie van BZK geweest voor ICT-kosten van Doc-Direkt. Deze uitgaven worden door het Ministerie van BZK verantwoord.

Overige materiële uitgaven

De materiële uitgaven zijn lager uitgekomen dan begroot doordat enerzijds een deel van de uitgaven betrekking heeft op externe inhuur en onder deze post wordt verantwoord. Anderzijds zijn de vergaderkosten door corona lager uitgevallen.

Ontvangsten

De hogere uitgaven doen zich voor bij de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO), zie hieronder bij tabel 93 voor een toelichting. Bij de overige onderdelen zijn niet alle begrote ontvangsten gerealiseerd.

Rijksschoonmaakorganisatie

De RSO is in 2014 gestart. In 2016 is begonnen met het uitvoeren van schoonmaakactiviteiten. De schoonmakers zijn in dienst van het Rijk. De deelnemende departementen betalen voor het schoonmaken een vergoeding aan het Ministerie van SZW. De uitgaven van de RSO komen ten laste van de begroting van het Ministerie van SZW. Ter financiering van aanloopkosten van de RSO is voor de eerste jaren een transitiebudget voorzien, omdat de inkomsten in de eerste jaren onvoldoende zijn om de uitgaven te dekken. 2020 was het laatste transitiejaar voor de RSO, waarin de resterende opdrachtgevers conform planning zijn aangesloten op de dienstverlening.

Tabel 93 laat de apparaatsuitgaven van RSO afzonderlijk zien. De uitgaven en ontvangsten van RSO vallen hoger uit dan bij begroting was voorzien door aanpassing aan het prijsniveau van 2020 en doorontwikkeling van de organisatie, wijziging van dienstverleningsafspraken en een bijstelling van het aansluitschema van departementen. Hiertegenover staan lagere uitgaven doordat er vanwege corona minder reisbewegingen en opleidingen nodig zijn geweest.

Tabel 93 Extracomptabele tabel apparaatsuitgaven kerndepartement en apparaatsuitgaven RSO (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Kerndepartement exclusief RSO

       

Uitgaven

245.314

243.805

274.118

313.209

339.405

325.047

14.358

Ontvangsten

3.576

2.396

4.126

7.006

5.830

7.642

‒ 1.812

        

Rijksschoonmaakorganisatie

       

Uitgaven

10.196

21.213

28.284

38.423

48.081

47.023

1.058

Ontvangsten

9.987

19.904

22.090

34.724

47.156

44.024

3.132

Naar aanleiding van een toezegging in het wetgevingsoverleg over het jaarverslag 2018 wordt een indicator opgenomen met betrekking tot de medewerkerstevredenheid van de schoonmakers in dienst van de RSO. In onderstaande tabel staat de uitkomst van het eerst gehouden medewerkerstevredenheidsonderzoek (MTO) uit 2017 en de uitkomst van het meest recente MTO van eind 2019. Het MTO vindt tweejaarlijks plaats.

Tabel 94 Medewerkerstevredenheid RSO
 

Realisatie 2017

Realisatie 2019

Tevredenheid medewerkers RSO

8,5

8,6

Totaaloverzicht

Tabel 95 geeft een samenvatting van de apparaatsuitgaven van het kerndepartement, het (voormalig) Agentschap SZW en van de zbo’s en rwt’s van het ministerie. De toelichting op de ontwikkeling bij het kerndepartement is te vinden bij tabel 92. Zie beleidsartikel 11 en bijlage 1 voor een toelichting op de zbo’s/rwt’s.

Tabel 95 Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten inclusief agentschappen en zbo's/rwt's (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Totaal apparaatsuitgaven Ministerie

255.510

265.018

302.402

351.632

387.486

372.070

15.416

        

Totaal apparaatskosten agentschap

16.106

15.332

47

0

0

0

0

Agentschap SZW

15.997

15.332

47

0

0

0

0

        

Totaal apparaatskosten zbo’s en rwt’s1

1.943.346

2.021.872

1.949.782

1.972.820

2.371.962

2.175.668

196.294

UWV (inclusief BKWI)

1.726.331

1.784.939

1.695.784

1.746.661

2.064.241

1.906.737

157.504

SVB

210.012

230.224

247.718

217.196

292.615

262.200

30.415

IB

7.003

6.709

6.280

8.963

15.106

6.731

8.375

X Noot
1

Dit betreft zowel begrotingsgefinancierde als premiegefinancierde kosten. De ontvangsten artikel 11 zijn in mindering gebracht op de uitgaven.

Bezetting

De grootste stijging in bezetting heeft zich in 2020 voor gedaan bij de RSO. Dit houdt verband met de aansluiting van een aantal departementen op de RSO in dat jaar. Daarnaast zijn er uitbreidingen bij beleid, bedrijfsvoering en de Inspectie.

Tabel 96 Bezettingsoverzicht (fte)
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Kerndepartement exclusief RSO

2.226

2.227

2.429

2.558

2.691

RSO

260

398

616

755

1.047

Bezetting totaal ultimo

2.486

2.625

3.045

3.313

3.738

5 5.2 Artikel 98 Algemeen

Op dit artikel worden de niet naar beleidsartikelen toe te rekenen budgetten verantwoord.

Tabel 97 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 98 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Verplichtingen

36.414

35.474

28.335

33.528

16.578

30.185

‒ 13.607

        

Uitgaven

34.334

32.974

22.559

25.081

20.195

32.758

‒ 12.563

        

Subsidies

       

Artikel 98

1.714

2.367

2.582

3.626

2.542

2.500

42

Opdrachten

       

Handhaving

627

641

478

369

229

4.402

‒ 4.173

Opdrachten overig

11.448

8.399

13.952

14.924

9.681

17.079

‒ 7.398

Bekostiging

       

Uitvoeringskosten Caribisch Nederland

3.666

4.010

4.158

4.851

7.234

5.991

1.243

Bijdrage aan agentschappen

       

Agentschap SZW

15.077

16.234

47

0

0

0

0

Rijksdienst Ondernemend Nederland

387

286

144

171

120

422

‒ 302

Agentschap CJIB

112

111

96

65

0

164

‒ 164

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

       

Ministerie van Financiën

1.303

926

1.102

1.075

389

2.200

‒ 1.811

        

Ontvangsten

798

1.460

745

1.632

171

854

‒ 683

X Noot
1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW.

Subsidies

De gerealiseerde uitgaven hebben betrekking op subsidies aan de VNG voor ondersteuning LSI-structuur en gegevensuitwisseling W&I.

Opdrachten

Handhaving

Van het handhavingsbudget op artikel 98 is als budgettair neutrale herschikking gedurende de begrotingsuitvoering € 4,2 miljoen naar andere budgetten overgeboekt, onder andere:

  • voor handhavingsactiviteiten uitgevoerd door de SVB en UWV (€ 1,2 miljoen);

  • voor het uitvoeren van activiteiten van het Inlichtingenbureau (€ 1,1 miljoen);

  • voor het uitvoeren van onderzoek gedragsexperiment (€ 0,2 miljoen);

  • een overboeking naar het Ministerie van OCW voor onderzoek Digitale Tech & Werk uitgevoerd door NWO (€ 0,3 miljoen);

  • een overboeking naar het Ministerie van BZK voor beheerskosten ENSIA (€ 0,1 miljoen);

  • een overboeking naar het Ministerie van VWS voor het nationaal doorbraakprogramma uitgevoerd door het Instituut voor Publieke Waarden (€ 1,3 miljoen).

Opdrachten overig

De realisatie op het budget voor Opdrachten overig is € 7,4 miljoen lager dan begroot. De gerealiseerde lagere uitgaven treden deels op bij de uitgaven van Inspectie SZW die zijn overgeheveld naar artikel 1 en daar worden verantwoord (€ 4,0 miljoen). Mede in relatie tot de grote drukte rond de steunmaatregelen (waaronder Tozo) zijn diverse uitgaven bij onderzoeks-opdrachten, primaire processen, voorlichting en overige opdrachten lager uitgevallen dan begroot (€ 3,4 miljoen). De gerealiseerde uitgaven voor opdrachten overig bestaan uit onderzoek (€ 3,8 miljoen), kosten primair proces (€ 0,9 miljoen), voorlichting (€ 0,6 miljoen), beleidsinformatie aangeleverd door het CBS en Panteia (€ 3,8 miljoen) en overige opdrachten (€ 0,6 miljoen).

Bekostiging

Gedurende het jaar is het budget opgehoogd, zodat de uitvoering van Tijdelijke subsidieregeling loonkosten en inkomensverlies CN inzake de coronacrisis en de ICT-ontwikkeling van de in voorbereiding zijnde Wet kinderopvang CN gerealiseerd konden worden.

Bijdrage aan agentschappen

Rijksdienst ondernemend Nederland

De gerealiseerde uitgaven van € 0,1 miljoen hebben betrekking op certificeringskosten voor de subsidieregeling ESF EGF, deze zijn € 0,3 miljoen lager uitgevallen dan begroot, er hebben in het geheel geen uitgaven meer plaatsgevonden bij deze subsidieregeling.

Agentschap Centraal Justitieel Incasso Bureau

De uitgaven en ontvangsten van Inspectie SZW zijn overgeheveld naar artikel 1 en worden daar verantwoord.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

De bijdrage aan het Ministerie van Financiën ten behoeve van controle-werkzaamheden ESF is € 1,8 miljoen lager dan begroot. De controlewerk-zaamheden van de ESF-projecten zijn aan het afnemen.

Ontvangsten

De gerealiseerde ontvangsten (€ 0,2 miljoen) hebben betrekking op ontvangsten en restituties op afrekeningen subsidies en opdrachten over voorgaande jaren.

5.3 Artikel 99 Nog onverdeeld

Op dit artikel worden de uitgaven verantwoord voor loon- en prijsbijstelling en voor onvoorziene uitgaven.

Tabel 98 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 99 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Verplichtingen

0

0

0

0

0

185.573

‒ 185.573

        

Uitgaven

0

0

0

0

0

185.573

‒ 185.573

        

Loonbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

programma

0

0

0

0

0

0

0

apparaat

0

0

0

0

0

0

0

        

Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

programma

0

0

0

0

0

0

0

apparaat

0

0

0

0

0

0

0

        

Onvoorzien

0

0

0

0

0

185.573

‒ 185.573

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

X Noot
1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW. De stand zoals gepresenteerd onder de stand vastgestelde begroting wijkt af van de stand vastgestelde begroting bij de eerste suppletoire begroting, tweede suppletoire begroting, tweede incidentele suppletoire begroting en de slotwet. De reden hiervoor is dat in deze wetten de eerste en tweede incidentele suppletoire begroting, die zijn ingediend tussen de vaststelling van de ontwerpbegroting en de vaststelling van de eerste suppletoire begroting, zijn opgeteld bij vastgestelde begroting en in het jaarverslag niet.

Overige beleidsuitgaven

De grondslag voor dit onderdeel ligt in de Comptabiliteitswet, waarin de mogelijkheid bestaat een artikel op te nemen ten behoeve van de voorlopige verwerking van de loon- en prijsindexering, een taakstelling of een ander nog te verdelen begrotingsbedrag.

Onvoorzien

Gedurende de begrotingsuitvoering in 2020 zijn diverse bedragen, waaronder € 3,6 miljoen voor het Breed Offensief, overgeheveld naar de betreffende beleidsartikelen. Daarnaast zijn overboekingen met andere departementen en begrotingen verwerkt. Zo is naar het Gemeentefonds € 35 miljoen overgeboekt voor de 2e tranche van de decentralisatie-uitkering Perspectief op Werk en € 34,4 miljoen voor de uitvoeringskosten van het nieuwe inburgeringsstelsel. Ook zijn er diverse kasschuiven (€ 68 miljoen) doorgevoerd naar latere jaren om beter aan te sluiten bij het benodigde kasritme van de betreffende reserveringen. Nadat bij 2e suppletoire begroting reeds vrijgevallen middelen zijn afgeboekt resteerde een bedrag van € 1,8 miljoen waar uiteindelijk geen beroep meer op is gedaan.

Gedurende de begrotingsuitvoering in 2020 zijn daarnaast meerdere reserveringen op artikel 99 getroffen voor corona-gerelateerde maatregelen. Deze reserveringen zijn overgeboekt naar betreffende beleidsartikelen en begrotingen voor begrotingsjaar 2020. In de paragraaf «Beleidsprioriteiten» staat een overzicht van alle corona-gerelateerde uitgaven van SZW.

6. Bedrijfsvoeringsparagraaf

Deze paragraaf bevat een rapportage over de bedrijfsvoering van het Ministerie van SZW. Het jaar 2020 was een bijzonder jaar voor heel Nederland. De uitbraak van het coronavirus heeft ook zijn impact gehad op de bedrijfsvoering van SZW, zowel op de manier van werken (digitaal op afstand) als op de inhoud. Belangrijke onderwerpen in de bedrijfsvoering van 2020 waren het beleid rond de beheersing van misbruik en oneigenlijk gebruik - in het bijzonder bij de noodregelingen in het kader van de coronacrisis -, de rechtmatigheid van de uitgaven in het kader van de noodregelingen en het inkoopbeheer. SZW heeft zich ingespannen om de gehele bedrijfsvoering op afstand zo goed mogelijk door te laten lopen. Aandachtspunten hierin worden hieronder toegelicht.

6.1 Uitzonderingsrapportage

Rechtmatigheid

Onzekerheid Rijksdienst Caribisch Nederland Unit SZW

Als gevolg van de reisrestricties in het eerste kwartaal 2021 in verband met corona waren er beperkingen in de uitvoering van de controlewerkzaamheden ter plaatse. Over 2020 zijn daarom de totale bedragen van alle door de Rijksdienst Caribisch Nederland Unit SZW (RCN-unit SZW) betaalde uitkeringen in Caribisch Nederland aan te merken als onzeker.

Door het ontbreken van voldoende informatie is het niet mogelijk een uitspraak te doen over de rechtmatigheid van de uitkeringen over 2020 en de getrouwheid van de verantwoording daarover. Het departement beschikt niet zelf over de vereiste (controle)informatie en er kan door beperkingen in de uitvoering van de controlewerkzaamheden van de Auditdienst Rijk (ADR) als gevolg van de reisrestricties ditmaal geen gebruik gemaakt worden van bevindingen van de ADR. Hierdoor bestaat onzekerheid ten aanzien van de rechtmatigheid en getrouwheid op alle uitkeringen in Caribisch Nederland. Dit resulteert voor de Wet algemene ouderdomsverzekering BES (oudedagsvoorziening), de Algemene weduwen- en wezenverzekering BES (nabestaandenvoorziening), de Wet ziekteverzekering BES en de Wet ongevallenverzekering BES tot een overschrijding van de rapportagetolerantie op artikelniveau. Bij de artikelen 3, 6, 8 en 9 is hierdoor sprake van het overschrijden van de rapporteringstolerantie. De onzekerheid wordt veroorzaakt door de gebleken onmogelijkheid om transacties over het gehele verantwoordingsjaar te controleren. Deze situatie is helaas onvermijdelijk door de zeer uitzonderlijke omstandigheden vanwege corona.

Artikel 98

Begrotingsartikel 98 is bedoeld voor departementsbrede uitgaven die niet zinvol kunnen worden toegerekend aan een beleidsartikel. In 2020 constateerde de ADR een begrotingsonrechtmatigheid met betrekking tot het onjuist verantwoorden van uitgaven op artikel 98. SZW heeft daarom in 2020 diverse onderdelen herverdeeld over andere artikelen. De resterende onderdelen worden in de ontwerpbegroting 2022 herverdeeld, waarmee artikel 98 wordt opgeheven.

Onrechtmatige inkoop artikel 2

Eind 2020 heeft een onrechtmatige inkoop van € 2,9 miljoen plaatsgevonden ten behoeve van de implementatie Wet vereenvoudiging beslagvrije voet. Voor deze uitgave ontbrak een wettelijke grondslag. SZW heeft een evaluatie uitgevoerd naar de procesgang met als doel om maatregelen te implementeren die herhaling in de toekomst dienen te voorkomen. Deze onrechtmatigheid leidt overigens niet tot een overschrijding van de tolerantiegrens.

Tabel 99 Overzicht overschrijdingen rapporteringstoleranties fouten en onzekerheden (bedragen x € 1.000)

(1) Rapporteringstolerantie

(2) Verantwoord bedrag in € (omvangsbasis)

(3) Rapporteringstolerantie voor fouten en onzekerheden in €

(4) Bedrag aan fouten in €

(5) Bedrag aan onzekerheden in €

(6) Bedrag aan fouten en onzekerheden in €

(6a) Waarvan bedrag aan fouten en onzekerheden gerelateerd aan noodmaatregelen in €

(7) Percentage aan fouten en onzekerheden t.o.v. verantwoord bedrag = (6)/(2)*100%

(7a) Waarvan percentage aan fouten en onzekerheden gerelateerd aan noodmaatregelen t.o.v. verantwoord bedrag = (6a)/(2)*100%

Verplichtingen

        

Artikel 98 Algemeen

16.578

1.658

4.485

0

4.485

0

27,1%

0,0%

Uitgaven/ontvangsten

        

Artikel 3 Arbeidsongeschiktheid

690

69

0

690

690

0

100,0%

0,0%

Artikel 6 Ziekte en zwangerschap

13.350

1.335

0

2.963

2.963

0

22,2%

0,0%

Artikel 8 Oudedagsvoorziening

25.077

2.508

0

22.999

22.999

0

91,7%

0,0%

Artikel 9 Nabestaanden

1.172

117

0

1.172

1.172

0

100,0%

0,0%

Artikel 98 Algemeen

20.366

2.037

9.034

0

9.034

0

44,4%

0,0%

Totstandkoming niet-financiële verantwoordingsinformatie

Er zijn geen bijzonderheden te melden.

Begrotingsbeheer, financieel en de materiële bedrijfsvoering

In deze subparagraaf is de voortgang toegelicht op de onvolkomenheden die de Algemene Rekenkamer in haar Verantwoordingonderzoek 2019 heeft aangemerkt en de (deels overlappende) bevindingen die de ADR in haar Auditrapport 2019 heeft aangemerkt.

Financieel beheer Rijksdienst Caribisch Nederland Unit SZW

In lijn met de ontwikkeling over de voorafgaande jaren zijn in 2020 wederom stappen gezet om de bedrijfsvoering te versterken en te verbeteren. De Rijksdienst Caribisch Nederland Unit SZW (RCN-unit SZW) werkt hard om deze lijn door te zetten door onder meer het voortzetten van de in 2019 gestarte verbijzonderde interne controle en een meerjarig (2020/2021) verbetertraject voor de ICT. De voor de coronacrisis in het leven geroepen noodregelingen hebben een groot beslag gelegd op de capaciteit van de RCN-unit SZW. Dit heeft de doorontwikkeling van de verbijzonderde interne controle enigszins gehinderd. De werking van de maatregelen die getroffen zijn ten behoeve van het financieel beheer is door het beslag van de werkzaamheden voor de noodregelingen op de capaciteit en de in de uitzonderingsrapportage genoemde reisbeperkingen voor de ADR nog niet vastgesteld.

Financieel beheer Rijksschoonmaakorganisatie

Het financieel beheer bij de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO) heeft in 2020 een belangrijke verbeterslag doorgemaakt. Vanaf eind 2019 is er extra capaciteit en expertise ingezet om het financieel beheer te verbeteren, met als belangrijk resultaat dat de administratieve processen zijn geactualiseerd en vastgelegd in een AO/IB-handboek medio 2020. Ook is ingezet op de bijbehorende benodigde verbetering in het werken volgens de processen. Dit is een doorlopend aandachtspunt. Daarnaast resteren er verbeterpunten specifiek op het inkoopbeheer zoals de (borging van de) volledigheid van het contractenregister en het verplichtingenregister.

In 2020 heeft de RSO een accountstructuur met opdrachtgevers opgezet op operationeel, tactisch en strategisch niveau, waarin ruimte is voor het bespreken en monitoren van (financieel administratieve) aandachtspunten.

Inkoopbeheer

In 2020 heeft SZW een verbeterplan inkoopbeheer uitgevoerd. In dit verbeterplan zijn de aanbevelingen van de ADR uit het auditrapport 2019 uitgewerkt in verschillende projecten. De resultaten en afspraken uit de projecten hebben geleid tot een verfijning van het SZW-inkoopbeleid en een inkoophandboek. Specifiek is er aandacht besteed aan inkoopdossiervorming, contractregistratie en inkoop tot 15.000 euro. De spendanalyse (het instrument waarmee SZW rechtmatigheid van inkopen kan vaststellen) is in 2020 verder uitgewerkt, met name zijn onrechtmatigheden beter in beeld gebracht. Daarnaast is er een zogenaamd audittrail (een overzicht van de gezette stappen in het proces) geschreven waarin de totstandkoming van de spendanalyse is uitgewerkt.

Overige aspecten van de bedrijfsvoering

SZW heeft over 2020 een positieve In Control Verklaring voor informatiebeveiliging afgegeven. Op basis van het interne verantwoordingsproces en externe onderzoeken zijn er geen bijzonderheden of risico’s te melden. In paragraaf 6.2 wordt ingegaan op de beveiligingsrisico’s die het thuiswerken met zich meebrengt.

6.2 Rijksbrede bedrijfsvoeringsonderwerpen

Misbruik en oneigenlijk gebruik (MenO) risico’s en ontwikkelingen betreffende het MenO-beleid

SZW brengt bij nieuwe en gewijzigde wet- en regelgeving de risico's op misbruik en oneigenlijk gebruik (MenO-risico’s) in kaart. Zo neemt SZW in de memorie van toelichting van nieuwe wetten een passage over MenO op. Deze MenO-risico-inschattingen worden in nauwe samenwerking met de relevante uitvoerder(s) gemaakt. Bij elke regeling is in meer of mindere mate sprake van restrisico’s, bijvoorbeeld door afhankelijkheid van derden of beperkingen vanuit de Algemene Verordening Gegevensbescherming. De restrisico’s kwantificeren is complex. Deze restrisico’s worden conform standaard werkwijze na afweging - indien acceptabel - door het verantwoordelijk management geaccepteerd. SZW heeft maatregelen getroffen in de processen om MenO-risico’s te beheersen, bijvoorbeeld via voorlichting door SZW en uitvoerders aan aanvragers. Uitvoerders hebben bevoegdheden om de rechtmatigheid van aanvragen vast te stellen. Verder melden uitvoerders fraudesignalen aan SZW, onder andere via de jaarlijkse signaleringsbrief fraudefenomenen die met de Tweede Kamer wordt gedeeld. Ten slotte neemt SZW via de verantwoordingscyclus met de uitvoerders per regeling de geconstateerde fraude-aantallen en fraudebedragen op in het jaarverslag.

Het tijdig afronden van een adequate MenO-risico-inschatting is een blijvend aandachtspunt. Om de kwaliteit van de risico-inschattingen te verbeteren wordt elke substantiële (in euro's of complexiteit) MenO-risico-inschatting tegengelezen door een onafhankelijke functionaris. Sinds begin 2020 maakt MenO als operationeel risico prominenter deel uit van de interne P&C-cyclus doordat de stand van zaken ten aanzien van het MenO-risico standaard wordt meegenomen in de algemene risicoanalyses. Dit zorgt ervoor dat het MenO-risico expliciet aan bod komt bij de bespreking van de stand van zaken van de risico’s. Begin 2021 is gestart met een periodieke update van het interne MenO-beleid.

In 2020 heeft SZW een aantal noodregelingen gemaakt die onder hoge tijdsdruk tot stand zijn gekomen en tot een snelle uitbetaling moesten leiden. De insteek is te allen tijde geweest om deze noodregelingen, ondanks de tijdsdruk, rechtmatig uit te voeren en MenO zoveel mogelijk te voorkomen.

Voor alle noodregelingen is een MenO-risico-inschatting gemaakt die, indien de uitkomsten hier aanleiding toe gaven, besproken zijn met en geaccordeerd door de verantwoordelijke bewindspersoon. Om tijd te winnen zijn deze risico-inschattingen in plaats van volgtijdelijk direct in nauwe samenwerking met de uitvoering tot stand gekomen. De risico-inschattingen laten zien dat er bij de noodregelingen een verhoogd risico op MenO is, bijvoorbeeld doordat in de uitvoering wordt gesteund op eigen verklaringen vanuit de aanvragers. Vanwege de snelheid waarmee de regelingen moesten worden geïmplementeerd, is ervoor gekozen dit verhoogde risico te accepteren of was het niet mogelijk om alle benodigde beheersmaatregelen (tijdig) in te (laten) regelen. Dit speelt onder andere bij de Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW), de Tijdelijke Overbruggingsregeling Zelfstandige Ondernemers (Tozo), de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling Kinderopvangtoeslag (TTKO) en de Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten (TOFA). De Tweede Kamer is regelmatig geïnformeerd over de MenO risico’s van de noodregelingen per brief (Kamerstukken II 2019/20, 35 420, nr. 95, Kamerstukken II 2020/21, 35 420, nr. 108 en bijlage 5 bij de Najaarsnota) en in januari 2021 is de Tweede Kamer in een besloten briefing geïnformeerd over de MenO-risico’s bij de NOW. In de alinea «noodregelingen in het kader van de coronacrisis» in paragraaf 6.3 wordt specifieker ingegaan op de NOW en de Tozo.

Bij de verlenging van de noodregelingen zijn waar mogelijk aanvullende maatregelen getroffen om de MenO-risico’s te verkleinen, bijvoorbeeld door aanvullende voorwaarden bij nieuwe of verlengingsaanvragen en het aanleveren van aanvullende informatie. Alhoewel er hierdoor in sommige gevallen minder risico wordt gelopen, is het MenO-risico hiermee nog altijd aanwezig. Vanwege de specifieke kenmerken van de noodregelingen (zoals het verstrekken en op een later moment afrekenen van voorschotten bij de NOW) en de wijze van verantwoorden door gemeenten (de afrekening over 2020 vindt medio 2022 plaats) is het waarschijnlijk dat onrechtmatigheden ten aanzien van de noodregelingen ook in komende jaren voorkomen. De exacte impact is op dit moment nog niet bekend.

SZW registreert (vermoedens van) misbruik van subsidies in een departementaal misbruikregister. In 2020 is vastgesteld dat twee subsidie-ontvangers ten onrechte zijn opgenomen in dit register en niet actief geïnformeerd zijn over opname in het register. In 2021 wordt het proces aangepast, zodat deze geheel in lijn is met het protocol departementale register van ernstige onregelmatigheden bij subsidies.

Grote lopende ICT-projecten

SZW kende in 2020 zes lopende projecten als onderdeel van de rapportage grote en risicovolle ICT-projecten: Vereenvoudiging beslagvrije voet, aansluiting van UWV op Electronic Exchange of Social Security (EESSI), aansluiting van de SVB op EESSI en vereenvoudiging Wajong zijn doorlopende projecten die al eerder gestart zijn. Stimulering arbeidsmarktpositie (STAP) en veranderopgave inburgering (VOI) zijn in 2020 gestart.

UWV en de SVB leggen in hun jaarverslagen verantwoording af over grote en/of risicovolle ICT-projecten. Deze projecten worden op het Rijks ICT-dashboard opgenomen en minimaal éénmaal per jaar geactualiseerd. Voor wat betreft UWV lopen in 2020 zes projecten die zijn opgenomen op het Rijks ICT-dashboard: datafabriek, herontwerp WW Klant, basisplatform App Diensten, verwerving datacenter, digitalisering werkprocessen bezwaar en beroep en toekomstvast input management. Bij SVB loopt een groot ICT-project: VBS FIN (dit betreft de vervanging van het huidige financiële systeem FMS).

Open standaarden en open source software

Geen bijzonderheden te melden.

Betaalgedrag

SZW betaalde in 2020 94,9% van de facturen tijdig en voldeed daarmee niet aan de Rijksbrede norm om 95% van de facturen binnen 30 dagen te betalen. Over het algemeen verliep het facturatieproces binnen SZW goed. Via monitoring kon SZW knelpunten in het proces signaleren en veelal tijdig oplossen. Eén gesignaleerd knelpunt dat nog niet is opgelost betreft het (te) laat inboeken van facturen bij een organisatieonderdeel van SZW dat daarvoor afhankelijk is van een derde partij.

Audit Committee

Het Audit Committee (AC) is in 2020 drie keer samengekomen. Het AC heeft daarin de ambtelijke leiding van SZW onder andere geadviseerd over procesverbetering van het risicomanagement en over de risicoanalyses van delen van het departement. In aanwezigheid van UWV en de SVB sprak het AC verder over ketenrisico’s tussen beleid en uitvoering. De (tussentijdse) bevindingen van de ADR en de voortgang bij het aanpakken van deze bevindingen zijn ook regelmatig door het AC besproken, met bijzondere aandacht voor het financieel beheer bij de RCN-unit SZW en het financieel beheer bij de RSO. Ook dacht het AC mee op een aantal onderwerpen, zoals de impact van corona op de bedrijfsvoering en het beleidsterrein van SZW, MenO-aspecten van de NOW-regeling en sturing en toezicht op de SVB en UWV. Ten slotte is in 2020 een start gemaakt met de voorbereiding van de komende zelfevaluatie van het AC.

Departementale checks and balances

Geen bijzonderheden te melden.

Normenkader financieel beheer

Geen bijzonderheden te melden.

Bedrijfsvoeringsrisico’s en/of problemen als gevolg van de coronacrisis

Door de plotseling massale schaal van thuiswerken nam in 2020 de kans toe dat beveiligingsrisico’s bij het digitaal ondersteund thuiswerken zich zouden voordoen. SZW (SSC-ICT) heeft daarom geïnvesteerd in de veiligheid van ICT-voorzieningen en in het bewustzijn bij medewerkers over veilig digitaal thuiswerken. Voor de risico’s door (al dan niet bewust) menselijk handelen bij digitaal ondersteund thuiswerken, online vergaderen en voor de beperkingen van berichtenapps werd preventief via verschillende wegen voortdurend aandacht gevraagd. Interne incidentmeldingen zijn opgepakt en gemonitord. Er hebben geen grote incidenten plaatsgevonden.

In de beginperiode van de coronacrisis heeft SZW extra ICT-middelen aangeschaft en verstrekt aan werknemers zodat zij thuis op een ergonomisch verantwoorde manier konden werken. Daarnaast besteedde SZW aandacht aan de mentale gezondheid van werknemers ten tijde van het langdurig thuiswerken en gemis van collega’s in de nabijheid. Er is veel digitaal aanbod ontwikkeld voor de mentale fitheid. Een voorbeeld hiervan zijn de online Arbo gerelateerde cursussen.

Er waren er ook werknemers die vanwege de aard van hun werk op locatie of op kantoor moesten werken, in het bijzonder de schoonmakers van de RSO en inspecteurs en rechercheurs van de Inspectie SZW. Ook voor hen zijn er maatregelen getroffen zodat zij op een veilige manier hun werkzaamheden konden blijven uitvoeren. Via Risico Inventarisaties en Evaluaties (RI&E) is inzichtelijk gemaakt welke risico’s er bestonden en hoe daar mee om te gaan. Op de kantoorwerkplekken zijn bijvoorbeeld schermen geplaatst, looproutes ontwikkeld en zijn schoonmaakwerkzaamheden aangepast. Voor het uitvoeren van werkzaamheden op locatie zijn persoonlijke beschermingsmiddelen aangeschaft.

6.3 Belangrijke ontwikkelingen en verbeteringen in de bedrijfsvoering

Noodregelingen in het kader van de coronacrisis

In reactie op de ontwikkelingen rondom het coronavirus heeft het kabinet met grote snelheid en onder hoge maatschappelijke druk verschillende steun- en herstelpakketten opgezet. Belangrijk hierin was dat snel tot uitbetaling overgegaan kon worden, zodat bedrijven en zelfstandigen hun financiële verplichtingen konden nakomen. Om deze redenen hebben de regelingen noodgedwongen een grofmazig karakter gekregen. Bij de nadere uitwerking heeft SZW geprobeerd zo goed mogelijk te laveren tussen het doel van de regeling, de uitvoerbaarheid en het bieden van maatwerk, met oog voor de menselijke maat en vertrouwen in burger en werkgever. Over de dilemma’s hierin heeft SZW de Kamer ook actief geïnformeerd. Het opstellen van de noodregelingen was vanwege de unieke situatie een leerproces, waarin SZW gaandeweg het jaar is gegroeid.

Voor de noodregelingen geldt vanwege de snelheid waarmee deze zijn opgezet een verhoogd risico op misbruik en oneigenlijk gebruik (MenO). In paragraaf 6.2 is dit nader beschreven. Met name bij de Tozo en de NOW blijven MenO-risico’s bestaan en deze hebben zich ook voorgedaan. SZW heeft over de beheersing van deze risico’s in 2020 regelmatig contact gehouden met de ADR en hun aanbevelingen daarover zo veel mogelijk direct opgepakt. Ook deed de Algemene Rekenkamer (AR) tussentijdse aanbevelingen in het onderzoek naar MenO-beleid van de NOW-regeling.

De begroting van SZW is in 2020 meerdere malen bijgesteld om de kosten van de noodregelingen te verwerken. Om een goede informatievoorziening richting de Tweede Kamer en de rechtmatigheid van de begroting te borgen heeft SZW bijstellingen na aankondiging van nieuwe steunpakketten en/of aanpassingen in lopende steunpakketten via Incidentele Suppletoire Begrotingen (ISB) aan de Tweede Kamer gecommuniceerd. Voor het begrotingsjaar 2020 heeft SZW in totaal vier ISB’s gestuurd, inclusief een Nota van wijziging op de derde ISB.

Risico’s Tozo

Voor de Tozo is vanwege de benodigde snelheid en de grote aantallen aanvragen besloten om de controle bij de beoordeling van de aanvraag beperkt vorm te geven. Zo mag de gemeente bij bepaalde uitkeringsvoorwaarden uitgaan van de verklaringen van de zelfstandige ondernemer (bijvoorbeeld bij het inkomen). De aard van de regeling rechtvaardigt dat meer MenO-restrisico’s worden aanvaard dan bij de reguliere regeling gebruikelijk is, maar van gemeenten wordt verlangd de risico’s zoveel mogelijk te adresseren met beheersmaatregelen. Bijvoorbeeld middels steekproefsgewijze controle achteraf. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor het voeren van adequaat MenO-beleid. De gemeentelijke accountant betrekt het MenO-beleid in het oordeel over de verantwoording. Om de risico’s op MenO en onrechtmatige bestedingen te verkleinen heeft SZW, in samenwerking met VNG en Divosa, gemeenten bijgestaan bij de uitvoering en de rechtmatigheidscontrole achteraf, onder andere door het opstellen van handreikingen en Toolkits, het aanpassen en uitleggen van de regelgeving, overleg met de Koninklijke Nederlandse Beroepsorgansiatie van Accountants en opdrachtverlening aan Stichting Inlichtingenbureau voor de levering van signalen door middel van bestandskoppelingen. Vanwege de druk op gemeenten om snel te handelen en het feit dat de Tozo pas werd gepubliceerd toen gemeenten al veel aanvragen in behandeling hadden moeten nemen, konden gemeenten tijdens Tozo 1 niet altijd volledig zijn in hun controle van alle uitkeringsvoorwaarden, bijvoorbeeld de controle of er recht is op een andere sociale voorziening. Via de hardheidsclausule uit de Tozo wordt daarom ook rijksvergoeding aan gemeenten verstrekt voor bepaalde onrechtmatige bestedingen bij Tozo 1 (Kamerstukken II 2020/21, 35 420, nr. 213). Daarnaast is de afwikkeling geregeld met betrekking tot Tozo 1, 2 en 3 indien de gemeente de identiteit van de aanvrager materieel wel heeft vastgesteld maar formeel niet correct (Kamerstukken II 2020/21, 35 420, nr. 191). Vanaf Tozo 4 is er geen algemene toepassing van de hardheidsclausule geregeld. Voor onverschuldigd verstrekte voorschotten, op Tozo-aanvragen ingediend voor 22 april 2020, worden gemeenten gecompenseerd voor een vooraf bepaalde forfaitaire oninbaarheid (Kamerstukken II 2020/21, 35 420, nr. 213).

Risico’s NOW

De NOW heeft als doel om zoveel mogelijk baanbehoud te realiseren bij acute en zware terugval in de omzet van ten minste 20%. De noodzaak van het op zeer korte termijn beschikbaar stellen van voorschotten en het achteraf vaststellen van subsidie leveren reële (MenO) risico’s op. De grootste risico’s zijn omzet- en loonsomverschillen tussen hetgeen wat is opgegeven als verwachting en hetgeen dat uiteindelijk is gerealiseerd. In samenwerking met de NBA zijn er accountantsprotocollen opgesteld voor de accountants.

Voor zover mogelijk zijn de risico’s in beeld en geadresseerd met beheersmaatregelen. De beheersmaatregelen worden gemonitord en aangescherpt indien nodig. Toch zijn er ook onderwerpen binnen de NOW-regelingen waarop geen actie kan worden ondernomen, waaronder bijvoorbeeld de aanbeveling van de AR om meer rechtmatigheidscontroles in de voorschotfase uit te voeren. Ondanks het risico op MenO in de voorschotfase, is na intensief overleg met UWV gekozen om capaciteit vooral in te zetten op rechtmatigheidscontroles ten tijde van de subsidievaststelling. Meer controles vooraf zouden de snelheid waarmee werkgevers hun voorschot krijgen ernstig verminderen en zouden, gezien de beperkte capaciteit, ten koste gaan van de controles achteraf. Een andere aanbeveling van de AR met betrekking tot accountantsreviews zal worden uitgevoerd.

Ontwikkelingen bij zelfstandige bestuursorganen en andere externe uitvoerders

Toezicht op zelfstandige bestuursorganen

In 2020 is tweemaal een stand van de uitvoering sociale zekerheid aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2018/19, 26 448, nr. 634 en Kamerstukken II 2019/20, 26 448, nr. 641). Het doel van deze stand van uitvoeringen is het op een actieve manier openheid te geven over prestaties en dilemma’s in de uitvoering van de zelfstandige bestuursorganen (zbo’s). Ook is de Tweede Kamer in genoemde brief (Kamerstukken II 2019/20, 26 448, nr. 630) geïnformeerd over de voortgang en vertraging van handhavingsmaatregelen en –activiteiten in de sociale zekerheid. In 2020 is een evaluatie uitgevoerd naar de sturing van en het toezicht op de SVB en het UWV. De evaluatie concludeert dat de werkbaarheid en effectiviteit van de sturing de afgelopen jaren sterk zijn vergroot en dat de versterking van het risicomanagement en het onafhankelijke toezicht door SZW in relatie tot de sturing nadere aandacht behoeft. Bij de verdere ontwikkeling van risicomanagement zoeken SZW, UWV en de SVB samen actief naar de optimale vorm voor het delen van informatie en geleerde lessen. Voor het toezicht is gestart met een doorontwikkeling die in 2021 tot een nieuwe meerjarige werkwijze moet leiden. Bij de aanbieding van de Structuur Uitvoering Werk en Inkomen (SUWI)jaarverslagen 2020 van de zbo’s wordt een oordeel gegeven over de verslagen, waarbij wordt ingegaan op het doelbereik aan de hand van de prestaties van de reguliere uitvoering en de rechtmatige besteding van de publieke middelen. De bevindingen en risico’s vanuit het toezicht worden hierbij meegenomen.

Kinderopvangtoeslag

Eind 2019 is de hersteloperatie kinderopvangtoeslag (KOT) opgestart. In 2019 hebben de ouders uit de Combiteam Aanpak Facilitators (CAF) 11-zaak compensatie ontvangen. Het eindrapport van de Adviescommissie uitvoering toeslagen (AUT) liet zien dat de problematiek breder ging dan CAF-11. Deze kwam, naast de handelwijze van de Belastingdienst in de uitvoering, ook deels voort uit hardheid van de regelgeving rond de KOT. In reactie heeft het kabinet een bredere hersteloperatie met aanpassing van regelgeving aangekondigd. De hersteloperatie is in de loop van 2020 opgestart door de Belastingdienst en de benodigde regelgeving is (met terugwerkende kracht) aangepast. De Bedrijfsvoeringsparagraaf van het ministerie van Financiën geeft nadere toelichting bij de hersteloperatie. Met de Voortgangsrapportage kinderopvangtoeslag wordt regulier een update gegeven van de hersteloperatie. Zo ook over de aangekondigde verruiming en versnelling van het herstel (Kamerstukken II 2020/21, 35 510, nr. 4) na het uitbrengen van het rapport van de Parlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslag (POC KOT) ‘Ongekend Onrecht’.

Het afgelopen jaar is een start gemaakt met de verdere versterking van de samenwerking tussen SZW (als opdrachtgever kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget), het directoraat-generaal Toeslagen (als opdrachtnemer) en het ministerie van Financiën (als eigenaar). Binnen SZW is departement-breed ingezet op overkoepelende ondersteuning van de rol als opdrachtgever voor het DG Belastingdienst en het DG Toeslagen en zijn trajecten in gezamenlijkheid opgestart, bijvoorbeeld het Verbetertraject kinderopvangtoeslag. De samenwerking tussen SZW, het DG Toeslagen, DG Belastingdienst, en andere toeslagdepartementen is in 2020 verder geïntensiveerd en dit zal worden voortgezet in 2021, zoals ook begin 2021 is aangegeven in de kabinetsreactie POC KOT.

Einde transitieperiode Rijksschoonmaakorganisatie

2020 was het laatste transitiejaar voor de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO), waarin de resterende opdrachtgevers conform planning zijn aangesloten op de dienstverlening. Ter afronding van deze transitiefase heeft bestuurlijke besluitvorming plaatsgevonden ten aanzien van het toekomstige financieringsmodel en de tariferingsstructuur van de RSO. Daardoor kan de RSO vanaf 1 januari 2021 werken met een gestandaardiseerd dienstverleningspakket met gestandaardiseerde tarieven.

C. JAARREKENING

7. Departementale verantwoordingsstaat

Tabel 100 Departementale verantwoordingsstaat 2020 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) (bedragen x € 1.000)
         

Art.

Omschrijving

Vastgestelde begroting (1)1

Realisatie (2)

Verschil (3)= (2) - (1)

  

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

 

TOTAAL

39.665.388

39.695.100

1.923.357

59.969.252

59.902.405

1.802.827

20.303.864

20.207.305

‒ 120.530

           

1

Arbeidsmarkt

891.882

891.167

24.000

14.053.826

14.014.042

11.195

13.161.944

13.122.875

‒ 12.805

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

6.975.855

7.002.798

26.020

10.474.111

10.478.338

25.190

3.498.256

3.475.540

‒ 830

3

Arbeidsongeschiktheid

3.878

3.878

0

690

690

0

‒ 3.188

‒ 3.188

0

4

Jonggehandicapten

3.386.123

3.386.123

0

3.430.369

3.430.369

22.340

44.246

44.246

22.340

5

Werkloosheid

115.743

116.911

0

129.951

131.300

1.300

14.208

14.389

1.300

6

Ziekte en zwangerschap

11.738

11.981

0

13.108

13.350

0

1.370

1.369

0

7

Kinderopvang

3.461.212

3.461.212

1.597.613

3.913.026

3.912.442

1.483.420

451.814

451.230

‒ 114.193

8

Oudedagsvoorziening

25.100

25.100

0

24.903

24.903

174

‒ 197

‒ 197

174

9

Nabestaanden

1.227

1.227

0

1.172

1.172

0

‒ 55

‒ 55

0

10

Tegemoetkoming ouders

6.550.142

6.550.142

222.204

6.553.288

6.553.288

198.758

3.146

3.146

‒ 23.446

11

Uitvoering

499.637

499.637

0

589.863

589.977

173

90.226

90.340

173

12

Rijksbijdragen

16.901.655

16.901.655

0

20.184.827

20.162.857

2.052

3.283.172

3.261.202

2.052

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

253.368

252.868

1.000

179.789

181.996

5.068

‒ 73.579

‒ 70.872

4.068

           

96

Apparaatsuitgaven kerndepartement

372.070

372.070

51.666

403.751

387.486

52.986

31.681

15.416

1.320

98

Algemeen

30.185

32.758

854

16.578

20.195

171

‒ 13.607

‒ 12.563

‒ 683

99

Nog onverdeeld

185.573

185.573

0

0

0

0

‒ 185.573

‒ 185.573

0

               
X Noot
1

Stand inclusief amendementen, moties en NvW. De stand zoals gepresenteerd onder de stand vastgestelde begroting wijkt af van de stand vastgestelde begroting bij de eerste suppletoire begroting, tweede suppletoire begroting, tweede incidentele suppletoire begroting en de slotwet. De reden hiervoor is dat in deze wetten de eerste en tweede incidentele suppletoire begroting, die zijn ingediend tussen de vaststelling van de ontwerpbegroting en de vaststelling van de eerste suppletoire begroting, zijn opgeteld bij vastgestelde begroting en in het jaarverslag niet.

8. Saldibalans

Tabel 101 Saldibalans per 31 december 2020 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) (bedragen x € 1.000)

Activa

31-12-2020

 

31-12-2019

 

Passiva

31-12-2020

 

31-12-2019

        

Intra-comptabele posten

        

1)

Uitgaven ten laste van de begroting

59.902.396

 

39.075.588

2)

Ontvangsten ten gunste van de begroting

1.802.820

 

1.896.175

3)

Liquide middelen

0

 

0

     

4)

Rekening-courant RHB1

0

 

0

4a)

Rekening-courant RHB

58.181.168

 

37.227.921

5)

Rekening-courant RHB Begrotingsreserve

0

 

0

5a)

Begrotingsreserves

0

 

0

6)

Vorderingen buiten begrotingsverband

84.546

 

51.747

7)

Schulden buiten begrotingsverband

2.954

 

3.239

8)

Kas-transverschillen

0

 

0

     

Subtotaal intra-comptabel

59.986.942

 

39.127.335

Subtotaal intra-comptabel

59.986.942

 

39.127.335

          

Extra-comptabele posten

        

9)

Openstaande rechten

0

 

0

9a)

Tegenrekening openstaande rechten

0

 

0

10)

Vorderingen

906.080

 

1.017.202

10a)

Tegenrekening vorderingen

906.080

 

1.017.202

11a)

Tegenrekening schulden

0

 

0

11)

Schulden

0

 

0

12)

Voorschotten

33.186.808

 

15.386.195

12a)

Tegenrekening voorschotten

33.186.808

 

15.386.195

13a)

Tegenrekening garantieverplichtingen

0

 

0

13)

Garantieverplichtingen

0

 

0

14a)

Tegenrekening andere verplichtingen

329.613

 

357.635

14)

Andere verplichtingen

329.613

 

357.635

15)

Deelnemingen

0

 

0

15a)

Tegenrekening deelnemingen

0

 

0

Subtotaal extra-comptabel

34.422.501

 

16.761.032

Subtotaal extra-comptabel

34.422.501

 

16.761.032

          

Totaal

94.409.443

 

55.888.367

Totaal

94.409.443

 

55.888.367

X Noot
1

Rijkshoofdboekhouding

Toelichting bij de saldibalans

Het intracomptabele deel van de saldibalans (financiële posten 1 t/m 8) bevat het resultaat van de financiële transacties in de departementale administratie die een directe relatie hebben met de kasstromen. Deze kasstromen worden via de rekening-courant met het Ministerie van Financiën bijgehouden.

Het extracomptabele deel bevat het saldo van de overige rekeningen die met tegenrekeningen in evenwicht worden gehouden.

De cijfers in de saldibalans zijn vermeld in duizendtallen en afgerond naar boven. Hierdoor kunnen bij het subtotaal en het totaal afrondingsverschillen optreden.

Ad 1 en 2 Uitgaven ten laste en ontvangsten ten gunste van de begroting

Onder de posten uitgaven en ontvangsten zijn de per saldo gerealiseerde uitgaven en ontvangsten opgenomen.

De bedragen komen overeen met de bedragen uit de verantwoordingsstaat. Door een andere afrondingssystematiek is er een verschil met de verantwoordingsstaat waar per artikel naar boven wordt afgerond.

Ad 3 Liquide middelen

De post liquide middelen is opgebouwd uit het saldo van de banken en de contante gelden. Het Ministerie van SZW heeft geen contante gelden en geen saldo op haar bankrekeningen.

Ad 4 en 4a Rekening-courant Rijkshoofdboekhouding

Deze post geeft per saldo de financiële verhouding met de Rijkshoofdboekhouding weer. Het bedrag per 31 december 2020 is in overeenstemming met de opgave van de Rijkshoofdboekhouding.

Ad 5 en 5a Begrotingsreserves

Een begrotingsreserve is een geoormerkte meerjarige budgettaire voorziening die op een afzonderlijke rekening-courant bij het Ministerie van Financiën wordt aangehouden. Het Ministerie van SZW heeft geen begrotingsreserves.

Ad 6 Vorderingen buiten begrotingsverband

Deze post betreft het saldo van de uitgaven waarvan verrekening met derden nog zal plaatsvinden. Een uitgavensaldo op 31 december zal nog van derden ontvangen moeten worden (is dus een saldo van openstaande vorderingen).

Tabel 102 Vorderingen buiten begrotingsverband (bedragen x € 1.000)
     

Openstaand ultimo 2020

Europese gelden

    

81.082

RSO doorbelasting

    

3.420

Omzetbelasting

    

23

Diversen

    

21

Totaal vorderingen buiten begrotingsverband

    

84.546

Ad 7 Schulden buiten begrotingsverband

Deze post betreft het saldo van de ontvangsten waarvan verrekening met derden nog zal plaatsvinden. Een ontvangstensaldo op 31 december zal nog aan derden afgedragen moeten (is dus een saldo van openstaande schulden).

Tabel 103 Schulden buiten begrotingsverband (bedragen x € 1.000)
     

Openstaand ultimo 2020

Frictiekosten RWI

    

1.482

Europese gelden

    

1.390

In beslag genomen gelden

    

12

Derdenrekeningen

    

24

Omzetbelasting (Vorderingen)

    

42

Diversen

    

4

Totaal schulden buiten begrotingsverband

    

2.954

Ad 8 Kas-transverschillen

Op deze post worden bedragen opgenomen die zijn verantwoord in de uitgaven en ontvangsten, maar nog niet daadwerkelijk per kas zijn uitgegeven en ontvangen. Het Ministerie van SZW heeft geen kas-transverschillen.

Ad 9 en 9a Openstaande rechten

Rechten ontstaan doordat op grond van wettelijke regelingen, in de toekomst aanspraak bestaat op gelden van derden (bijvoorbeeld belastingen, college- en schoolgelden) of doordat het recht bestaat om bankbeslagen, cryptomunten, aandelen en andere geldelijke zaken te gelde te maken. Beiden doen zich bij het Ministerie van SZW niet voor.

Ad 10 en 10a Vorderingen

Onder de post vorderingen wordt het totaalbedrag van de saldi opgenomen van de betreffende rekening(en) uit de administratie. Het totaalsaldo betreft de per 31 december openstaande vorderingen.

Tabel 104 Vorderingen totaal (bedragen x € 1.000)
 

Ministerie

UVB

Inspectie SZW

S&I

RSO

Openstaandultimo 2020

Vorderingen

582.920

12.903

35.522

272.612

2.123

906.080

Tabel 105 Vorderingen naar opeisbaarheid (bedragen x € 1.000)
 

Ministerie

UVB

Inspectie SZW

S&I

RSO

Openstaandultimo 2020

Direct opeisbaar

582.920

12.903

35.522

1.036

2.123

634.504

Op termijn opeisbaar

0

0

0

0

0

0

Geconditioneerde vorderingen

0

0

0

271.576

0

271.576

Totaal

582.920

12.903

35.522

272.612

2.123

906.080

Van de opeisbare vorderingen (niet de geconditoneerde vorderingen) worden de onderstaand specificaties gegeven naar ouderdom.

Tabel 106 Opeisbare vorderingen naar ouderdom (exclusief toeslagen) (bedragen x 1.000)

Insteljaar

Ministerieexclusief toeslagen

UVB

Inspectie SZW

S&I

RSO

Openstaandultimo 2020

t/m 2017

747

12.746

19.978

330

0

33.802

2018

31

11

2.834

144

0

3.020

2019

127

35

5.550

195

117

6.024

2020

988

110

7.160

366

2.006

10.630

Totaal

1.893

12.903

35.522

1.036

2.123

53.476

Tabel 107 Opeisbare vorderingen naar ouderdom (toeslagen) (bedragen x 1.000)

Toeslagjaar

Openstaand1 januari 2020

Bijstelling

Ingesteldevorderingen

Ontvangsten

Afboekingen

Openstaandultimo 2020

t/m 2017

449.862

0

18.567

85.473

34.547

348.409

2018

88.294

0

115.931

115.064

4.492

84.669

2019

65.631

0

177.153

154.176

4.436

84.171

2020

0

0

143.035

77.394

1.862

63.779

Totaal

603.787

0

454.685

432.107

45.337

581.028

Deze toeslagen hebben betrekking op kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget.

Onderstaand wordt per onderdeel een toelichting gegeven.

Ministerie

Van de openstaande vorderingen is een bedrag van ruim € 1 miljoen toe te wijzen aan niet-bestuurlijke boetes. De door de Inspectie SZW opgelegde openstaande bestuurlijke boetes in 2006 of eerdere jaren tellen op tot een openstaand saldo € 0,7 miljoen. Dit betekent een afname van ruim € 0,7 miljoen ten opzichte van vorig jaar. De inning van de bestuurlijke boetes die na 2006 zijn opgelegd wordt door het CJIB verricht (zie onder Inspectie SZW).

Kwijtschelding vorderingen kinderopvangtoeslag

Begin 2021 deelde de staatssecretaris van Financiën – T&D dat zij nader ingaat op de plannen om gedupeerden in de toeslagenaffaire met een schone lei te laten beginnen. De toeslag- en belastingschulden van de gedupeerde ouders en eventuele partner worden kwijtscholden. Deze kwijtschelding raakt de post vorderingen in de saldibalans ultimo 2020 niet, omdat de toezegging begin 2021 is gedaan.

Per 18 januari 2021 waren circa 18.600 ouders in beeld die mogelijk direct gedupeerd zijn, met openstaande terugvorderingen kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget van in totaal bijna € 180 miljoen. Dit is exclusief de vorderingen bij eventuele partners. Het aantal ouders dat in aanmerking komt en de totale openstaande vorderingen die het betreft staan nog niet definitief vast. Inmiddels is een proces van besluitvorming en uitwerking in gang gezet om kwijtschelding verder vorm te geven. Indien de openstaande vorderingen uiteindelijk zijn kwijtgescholden, zal dit ook in de post vorderingen in de saldibalans worden verwerkt.

UVB

Alle openstaande vorderingen bij UVB hebben betrekking op subsidies, inclusief de vorderingen uit hoofde van Europese gelden.

Inspectie SZW

Deze vorderingen bestaan uit de door de Inspectie SZW opgelegde boetes vanaf 2007.

S&I

DUO voert de administratie uit voor de directie Samenleving en Integratie ten behoeve van de Wet Inburgering. Het openstaande bedrag van € 272,6 miljoen bestaat voor € 271,6 miljoen uit leningen en € 1,0 miljoen uit openstaande aflossingstermijnen. De vorderingen bij DUO betreffen de openstaande aflossingstermijnen die aan de leningen onttrokken zijn.

Rijksschoonmaakorganisatie (RSO)

Vanaf 2016 valt de RSO onder budgettaire verantwoordelijkheid van SZW. De administratie is uitbesteed aan de Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR). De RSO is verantwoordelijk voor de schoonmaak van de Rijkspanden van de aangesloten departementen. Het totaalbedrag van de openstaande vorderingen ad € 2,1 miljoen bestaat uit in rekening gebrachte bedragen voor verrichte schoonmaakwerkzaamheden.

Ad 11 en 11a Schulden

Onder de post Schulden wordt het totaalbedrag van de saldi opgenomen van de betreffende grootboekrekening(en) uit de administratie. Het totaalsaldo betreft de per 31 december openstaande schulden. Het Ministerie van SZW heeft geen schulden.

Ad 12 en 12a Voorschotten

Voorschotten zijn bedragen die aan derden zijn betaald vooruitlopend op later definitief vast te stellen of af te rekenen bedragen. Onder de post Voorschotten wordt het totaalbedrag van de saldi opgenomen van de betreffende (grootboek)rekeningen uit de administratie. Het totaalsaldo betreft de per 31 december openstaande voorschotten.

Tabel 108 Voorschotten incl. UVB (bedragen x € 1.000)
   

Ministerie

UVB

Openstaand ultimo 2020

Voorschotten

  

33.017.313

169.495

33.186.808

Ministerie

In de onderstaande specificaties worden de openstaande voorschotten van het Ministerie verantwoord naar ouderdom en artikel. Hiervan is een totaalbedrag van € 7.191,6 miljoen toe te wijzen aan voorschotten toeslagregelingen. De uitgaven die hiermee samenhangen zijn verantwoord onder de post uitgaven van artikel 7 en 10. In totaal gaat het om respectievelijk KOT ad € 4.330,6 miljoen en WKB € 2.861,0 miljoen.

Tabel 109 Voorschotten naar ouderdom (exclusief toeslagen, exclusief UVB) (bedragen x € 1.000)

Ontstaansjaar

 

Saldo 1-1-2020

Verstrekt

Afgerekend

Openstaand ultimo 2020

t/m 2017

 

55.261

0

13.464

41.797

2018

 

56.085

0

32.234

23.851

2019

 

8.651.158

0

8.603.753

47.405

2020

 

0

25.716.012

3.383

25.712.629

Totaal

 

8.762.504

25.716.012

8.652.834

25.825.682

De openstaande voorschotten (exclusief toeslagen en exclusief UVB) waren ultimo 2019 € 8,8 miljard. Ultimo 2020 zijn de openstaande voorschotten € 25,8 miljard. De toename in 2020 wordt voornamelijk veroorzaakt door de voorschotten die verstrekt zijn in verband met de coronacrisis ter ondersteuning van ondernemers en ZZP-ers via respectievelijk de tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) met € 13,2 miljard aan voorschot en de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers (Tozo) met € 3,2 miljard aan voorschot.

Tabel 110 Voorschotten naar ouderdom (toeslagen) (bedragen x € 1.000)

Toeslagjaar

 

Saldo 1-1-2020

Verstrekt

Afgerekend

Openstaand ultimo 2020

t/m 2016

 

80.518

0

58.759

21.759

2017

 

958.608

0

834.635

123.973

2018

 

4.993.737

36.481

4.129.145

901.073

2019

 

496.004

5.141.995

0

5.638.000

2020

 

0

506.827

0

506.827

Totaal

 

6.528.869

5.685.304

5.022.540

7.191.632

De voorschotten van het toeslagjaar 2021 betreffen de eerste maandelijkse voorschottermijn, die in december 2020 is uitbetaald.

Tabel 111 Voorschotten naar artikel (bedragen x € 1.000)

Art

Omschrijving

    

Openstaand ultimo 2020

1

Arbeidsmarkt

    

13.213.913

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

    

4.151.672

3

Arbeidsongeschiktheid

    

0

4

Jonggehandicapten

    

3.430.300

5

Werkloosheid

    

125.986

6

Ziekte en zwangerschap

    

9.974

7

Kinderopvang

    

4.646.173

8

Oudedagsvoorziening

    

1.904

9

Nabestaanden

    

0

10

Tegemoetkoming ouders

    

6.520.705

11

Uitvoering

    

573.600

12

Rijksbijdragen

    

237.400

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

    

96.059

96

Apparaatsuitgaven kerndepartement

    

2.040

98

Algemeen

    

7.587

99

Nominaal en onvoorzien

    

0

Totaal

     

33.017.313

Tabel 112 Voorschotten UVB (bedragen x € 1.000)
   

ESF/EGF/EUSF

Subsidies departement

Totaal 2020

Saldo 1 januari

  

83.587

11.237

94.824

Verstrekt

  

84.161

11.974

96.135

Subtotaal

  

167.748

23.211

190.959

Afgerekend

  

11.590

9.874

21.464

Saldo 31 december

  

156.158

13.337

169.495

Tabel 113 Voorschotten UVB naar ouderdom (bedragen x € 1.000)

Ontstaansjaar

 

Saldo 1-1

Verstrekt

Afgerekend

Openstaand

  

2020

  

ultimo 2020

t/m 2017

 

13.660

0

5.074

8.586

2018

 

41.581

0

12.496

29.085

2019

 

39.583

0

2.028

37.555

2020

 

0

96.135

1.866

94.269

Totaal

 

94.824

96.135

21.464

169.495

Ad 13 en 13a Garantieverplichtingen

Garantieverplichtingen zijn voorwaardelijke financiële verplichtingen van de overheid om aan een private partij buiten de «sector overheid», die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet. Garantieverplichtingen worden administratief volledig verwerkt als verplichting. Dit zijn dus voorwaardelijke financiële verplichtingen. In het algemeen leiden garantieverplichtingen niet of slechts voor een bepaald (meestal klein) percentage tot betaling. Het Ministerie van SZW heeft geen garantieverplichtingen.

Ad 14 en 14a Andere verplichtingen

Met andere verplichtingen worden alle verplichtingen exclusief de garantieverplichtingen, bedoeld. Het gaat om onvoorwaardelijke financiële verplichtingen die op een later moment tot betaling (kasuitgaven) leiden.

Tabel 114 Opbouw andere verplichtingen (bedragen x € 1.000)
   

Ministerie

UVB

Totaal 2020

Saldo 1 januari

  

136.641

220.994

357.635

Aangegane verplichtingen in het verslagjaar inclusief negatieve bijstellingen

  

59.969.260

6.132

59.975.392

Subtotaal (A)

  

60.105.901

227.126

60.333.027

Tot betaling gekomen in het verslagjaar

  

59.902.396

101.017

60.003.413

Subtotaal (B)

  

59.902.396

101.017

60.003.413

Saldo 31 december (A - B)

  

203.504

126.109

329.613

Tabel 115 Andere verplichtingen UVB (bedragen x € 1.000)
 

ESF 2

EGF

EFMB

EUSF

Totaal 2020

Saldo 1 januari

7.827

1.145

1.502

210.521

220.994

Aangegane verplichtingen in het verslagjaar inclusief negatieve bijstellingen

‒ 5.624

0

0

11.756

6.132

Subtotaal (A)

2.203

1.145

1.502

222.277

227.126

Tot betaling gekomen in verslagjaar

2.203

350

593

97.871

101.017

Subtotaal (B)

2.203

350

593

97.871

101.017

Saldo 31 december (A - B)

0

795

909

124.406

126.109

Tabel 116 Andere verplichtingen Ministerie naar artikel (bedragen x € 1.000)

Art

Omschrijving

 

Openstaand 1 januari 2020

Correctie beginstand 1 januari 2020

Aangegaan 2020 (incl. negatieve bijstelling)

Betaald 2020

Openstaand ultimo 2020

1

Arbeidsmarkt

 

13.745

13.938

14.053.825

14.014.041

67.467

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

 

48.115

0

10.474.111

10.478.337

43.889

3

Arbeidsongeschiktheid

 

0

0

689

689

0

4

Jonggehandicapten

 

0

0

3.430.368

3.430.368

0

5

Werkloosheid

 

4.518

0

129.951

131.300

3.169

6

Ziekte en zwangerschap

 

242

0

13.107

13.350

0

7

Kinderopvang

 

7.124

0

3.913.026

3.912.441

7.709

8

Oudedagsvoorziening

 

0

0

24.903

24.903

0

9

Nabestaanden

 

0

0

1.171

1.171

0

10

Tegemoetkoming ouders

 

0

0

6.553.287

6.553.287

0

11

Uitvoering

 

114

0

589.862

589.976

0

12

Rijksbijdragen

 

0

0

20.184.826

20.162.856

21.970

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

 

16.183

0

179.789

181.996

13.976

96

Apparaatsuitgaven kerndepartement

 

16.448

16

403.751

387.486

32.729

98

Algemeen

 

30.151

‒ 13.938

16.577

20.194

12.597

99

Nominaal en onvoorzien

 

0

0

0

0

0

Totaal

  

136.641

16

59.969.243

59.902.396

203.504

Toelichting correcties beginstand per 1 januari 2020.

  • Er heeft een verschuiving plaats gevonden van uitgaven artikel 98

    naar artikel 1 van € 13.938. Deze post hoort bij openstaande verplichtingen van de Inspectie waarvan de beleidsuitgaven sinds de begroting 2020 in plaats van op artikel 98 op artikel 1 worden verantwoord.

  • De beginstand van arikel 96 is niet juist en moet worden verhoogd met € 16. Dit verschil is ontstaan vanwege een correctie die in januari 2020 per abuis is verwerkt in boekjaar 2019 in plaats van boekjaar 2020.

In 2020 hebben geen omvangrijke negatieve bijstellingen plaatsgevonden op een eerder aangegane verplichting. Hierbij hanteren we een ondergrens van € 25 miljoen. Op het apparaatsartikel zijn er geen omvangrijke bijstellingen geweest (uitgaande van een grens van 10% met een minimum van € 1 miljoen).

Niet uit de saldibalans blijkende bestuurlijke verplichtingen

Met ingang van 2012 is de bekostiging van de Rijksgefinancierde wetten en regelingen, waarvan de uitvoering is opgedragen aan de SVB en UWV, gewijzigd van kasbasis naar transactiebasis. Om budgettaire redenen is er voor gekozen de per 1 januari 2012 door SZW op transactiebasis nog verschuldigde bedragen niet aan de SVB en UWV uit te betalen. Deze permanente schulden bedragen ultimo 2020 € 848,3 miljoen aan de SVB en € 162,6 miljoen aan UWV. Deze schulden worden niet eerder door SZW voldaan dan dat het desbetreffende fonds, wet of regeling is opgeheven c.q. beëindigd. Daarnaast is er in dit verband sprake van een permanente vordering op de SVB ter grootte van € 1,3 miljoen. De genoemde bedragen hebben in 2020 geen wijzigingen ondergaan.

Verplichting WKB

Gebleken is dat de automatische toekenning van de WKB door de Belastingdienst in het verleden niet altijd goed is verlopen. De actie om dit te herstellen is door de Belastingdienst in 2019 gestart. Het grootste deel van de herstelactie is in 2020 afgerond. De Belastingdienst heeft van een aantal groepen huishoudens nog onvoldoende gegevens om tot uitkering over te gaan. Afronding van de herstelactie wordt op basis van deze informatie in 2022 verwacht. Voor het herstellen is geen feitelijke verplichting aangegaan.

Ad 15 en 15a Deelnemingen

Onder de post Deelnemingen worden alle deelnemingen inclusief deelnemingspercentage opgenomen, zoals in een Besloten of Naamloze Vennootschap, internationale instellingen of C.V. Het Ministerie van SZW heeft geen deelnemingen.

9. WNT-verantwoording 2020 Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

De Wet normering topinkomens (WNT) bepaalt dat de bezoldiging en eventuele ontslaguitkeringen van topfunctionarissen in de publieke en semi-publieke sector op naamsniveau vermeld moeten worden in het financieel jaarverslag. Deze publicatieplicht geldt tevens voor topfunctionarissen die bij een WNT-instelling geen - al dan niet fictieve - dienstbetrekking hebben of hadden. Daarnaast moeten van niet-topfunctionarissen de bezoldiging (zonder naamsvermelding) gepubliceerd worden indien deze het wettelijk bezoldigingsmaximum te boven gaan. Niet-topfunctionarissen zonder dienstverband vallen echter buiten de reikwijdte van de wet.

Voor dit departement heeft de publicatieplicht betrekking op onderstaande functionarissen. De bezoldigingsgegevens van de leden van de Top Management Groep zijn opgenomen in het jaarverslag van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het algemeen bezoldigings­maximum bedraagt in 2020 € 201.000.

Er zijn bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geen functionarissen die in 2020 een bezoldiging boven het wettelijk bezoldigingsmaximum hebben ontvangen.

D. DEPARTEMENTSPECIFIEKE INFORMATIE

10. Sociale fondsen SZW

Deze paragraaf presenteert de exploitatiesaldi en vermogensposities van de sociale fondsen. De informatie is bedoeld als achtergrondinformatie bij het jaarverslag. De daadwerkelijke verantwoording van uitgaven en inkomsten van de fondsen vindt plaats via de jaarverslagen van de SVB en UWV. De cijfers in deze paragraaf zijn gebaseerd op informatie van het CPB (CEP 2021) en sluiten niet precies aan op de jaarverslagen van UWV en de SVB. De reden hiervoor is dat SZW een ander boekhoudstelsel (kas-verplichtingenstelsel) voert dan UWV en de SVB (baten-lastenstelsel).

Exploitatiesaldi

Een groot deel van de uitgaven aan sociale zekerheid loopt via de sociale fondsen. In tabel 117 en tabel 118 zijn de exploitatierekeningen van de fondsen weergegeven. De arbeidsongeschiktheidsfondsen (Aof en Whk) en de WW-fondsen (Awf en Ufo) worden geïntegreerd weergegeven. Zowel de begrote bedragen als de gerealiseerde bedragen zijn weergegeven in prijzen 2020. Het exploitatiesaldo is het verschil tussen de ontvangsten en de uitgaven van een fonds. Naast de premieontvangsten behoren ook de rijksbijdragen en renteontvangsten tot de inkomsten van een fonds. De uitgaven bestaan naast de uitkeringen voornamelijk uit uitvoeringskosten. Daarnaast vinden tussen de fondsen onderlinge betalingen plaats. Het saldo tussen ontvangen en betaalde onderlinge betalingen is voor de sociale fondsen negatief, omdat uit deze fondsen ook premies worden betaald voor de zorgverzekering van uitkeringsgerechtigden. Tegenover de uitgave door de sociale fondsen van SZW staan dus inkomsten bij de zorgfondsen.

Tabel 117 Overzicht sociale verzekeringen SVB 2020 (x € 1 mln)
 

Ouderdomsfonds (AOW)

Anw-fonds

 

Begroting

Realisatie

Begroting

Realisatie

Premies

25.202

22.128

151

117

Bijdragen van het Rijk

16.629

19.881

0

0

Ontvangen onderlinge betalingen

0

0

0

0

Saldo Interest

49

33

‒ 2

‒ 1

Totaal Ontvangsten

41.880

42.041

149

115

     

Uitkeringen / Verstrekkingen

41.321

41.235

350

338

Uitvoeringskosten

138

137

11

10

Betaalde onderlinge betalingen

565

519

22

21

Totaal Uitgaven

42.024

41.890

383

369

     

Exploitatiesaldo

‒ 144

151

‒ 234

‒ 254

Bron: SZW (financiële administratie) en CPB (CEP 2021).

Tabel 117 laat zien dat het ouderdomsfonds een postief exploitatiesaldo had, terwijl vooraf een klein tekort werd geraamd. Tegelijkertijd zijn de premie-ontvangsten lager uitgevallen dan geraamd. Dat wordt echter meer dan gecompenseerd door de bijdragen van het Rijk, die gedurende 2020 naar boven zijn bijgesteld. De inkomsten en uitgaven van het nabestaandenfonds zijn iets lager uitgevallen, maar het exploitatiesaldo is vrijwel gelijk aan wat vooraf werd verwacht.

Tabel 118 Overzicht sociale verzekeringen UWV 2020 (x € 1 mln)
 

Arbeidsongeschiktheidsfondsen

WW-fondsen

 

Begroting

Realisatie

Begroting

Realisatie

Premies

18.270

18.194

8.214

8.648

Bijdragen van het Rijk

325

237

114

127

Ontvangen onderlinge betalingen

1.220

1.312

620

876

Saldo Interest

77

40

66

35

Totaal Ontvangsten

19.893

19.782

9.013

9.686

     

Uitkeringen/Verstrekkingen

12.640

12.961

4.332

5.539

Uitvoeringskosten

521

523

907

872

Betaalde onderlinge betalingen

2.003

2.099

903

1.180

Totaal Uitgaven

15.163

15.582

6.141

7.591

     

Exploitatiesaldo

4.731

4.200

2.872

2.094

Bron: SZW (financiële administratie) en CPB (CEP 2021).

Het expoitatiesaldo van de arbeidsongeschiktheidsfondsen is iets lager (minder positief) uitgevallen dan verwacht. Dat komt vooral doordat er tijdens een economische neergang minder premies binnen komen. Daarnaast waren de uitkeringslasten hoger dan geraamd, met name door meer uitgaven aan de ziektewet. Hetzelfde is ook te zien bij de werkloosheidsfondsen, waar de uitgaven aan uitkeringen flink hoger zijn uitgevallen.

Vermogenspositie

In tabel 119 worden de vermogensposities van de sociale fondsen vermeld. Hierbij zijn wederom de arbeidsongeschiktheidsfondsen en de werkloosheidsfondsen geïntegreerd weergegeven. Het aanwezige vermogen neemt jaarlijks toe of af met het exploitatiesaldo (zie tabellen 117 en 118). Net als het exploitatiesaldo is ook de vermogenspositie grotendeels gebaseerd op cijfers van het CPB (CEP 2021). De vermogensposities sluiten daarom niet precies aan op de jaarverslagen van UWV en de SVB.

Tabel 119 Vermogens sociale fondsen ultimo 2019 en 2020 (x € 1 mln)
 

Feitelijk vermogen ultimo 2019

Exploitatiesaldo 2020

Feitelijk vermogen ultimo 2020

    

Ouderdomsfonds (AOW)

586

151

737

Anw-fonds

3.402

‒ 254

3.149

Arbeidsongeschiktheidsfondsen

13.108

4.200

17.308

WW-fondsen

‒ 8.072

2.094

‒ 5.977

    

Totaal sociale fondsen

9.024

6.191

15.216

Bron: SZW (financiële administratie) en CPB (CEP 2021)

De sociale fondsen hebben eind 2020 naar verwachting een positief vermogen van iets meer dan 15 miljard euro. In 2017 hadden de sociale fondsen nog een negatief vermogen. Met name het positieve exploitatiesaldo van de arbeidsongeschiktheidsfondsen heeft bijgedragen aan het huidige vermogen, maar ook de werkloosheidsfondsen hebben afgelopen jaren een overschot laten zien.

De sociale fondsen (en de beheerders, UWV en SVB) zijn onderdeel van de collectieve sector. Hun tekort of overschot houden ze aan op een rekening-courant bij het Rijk. De sociale fondsen kunnen daardoor altijd over voldoende middelen beschikken. Dat is ook nodig, omdat het recht op een uitkering niet afhankelijk is van de geraamde uitgaven. Als iemand recht op een uitkering heeft, dan krijgt hij die dus ook. Omdat de sociale fondsen onderdeel van de collectieve sector zijn, werkt het exploitatiesaldo van de fondsen wel door in het EMU-saldo van de collectieve sector als geheel.

11. Koopkracht

De koopkrachtontwikkeling wordt gepresenteerd in een boxplot waarin de koopkrachtontwikkeling van het 25ste, 50ste (mediaan, het middelste huishouden in een naar koopkrachtontwikkeling gerangschikte verdeling) en 75ste percentiel van de verschillende groepen is weergegeven. In de boxplot wordt de spreiding rondom de mediane koopkrachtontwikkeling zichtbaar.

In de koopkrachtberekeningen wordt ervan uitgegaan dat er niets verandert in de persoonlijke omstandigheden van mensen. Daardoor geven ze een goede inschatting van de effecten van de economie en van het beleid van de overheid op het inkomen van verschillende groepen huishoudens, maar ze zijn voor veel mensen minder geschikt om de eigen koopkracht te voorspellen. Zeker in de terugblik op 2020, waarin door de gevolgen van het coronavirus personen hun baan of opdrachten verloren, zullen verschillende huishoudens zich niet goed herkennen in de statische koopkrachtramingen. Dat maakt dat in deze periode de statische koopkrachtplaatjes, waarin onder andere is verondersteld dat de arbeidsmarktstatus van personen niet wijzigt, met nog meer nuance dan gebruikelijk moeten worden bekeken.

Figuur 5 Boxplot koopkrachtontwikkeling 2020, links raming bij Miljoenennota (SZW-begroting 2020, bij MEV 2020), rechts realisatie bij Jaarverslag 2020 (CEP 2021)

De mediane koopkracht komt in 2020 uit op 2,4%. Dit is 0,3 procentpunt hoger dan bij Begroting 2020 werd verwacht. Belangrijke verklaringen zijn de hoger dan verwachte loonontwikkeling in de marktsector (stijging van 2,7% in plaats van eerder geraamde 2,5%) en de lager dan verwachte inflatie (toename cpi van 1,3% in plaats van eerder geraamde 1,5%). In 2020 lag de gerealiseerde koopkrachtontwikkeling van de helft van de huishoudens tussen 1,5% en 3,2%.

De standaardkoopkrachttabel voor het jaar 2020 staat in tabel 120.

Tabel 120 Koopkrachtcijfers 2020 (mutaties in %)
 

Raming bij Miljoenennota 20201

Realisatie bij Jaarverslag 20202

Actieven

  

Alleenverdiener met kinderen

  

modaal

4,8

5,2

2x modaal

1,6

2,7

Tweeverdieners

  

modaal + 1/2 x modaal met kinderen

4,4

5,2

2 x modaal + 1/2 modaal met kinderen

1,6

2,4

2 1/2 x modaal + modaal met kinderen

2,0

2,7

modaal + modaal zonder kinderen

2,2

3,0

2 x modaal + modaal zonder kinderen

1,9

2,8

Alleenstaanden

  

minimumloon

1,6

2,3

modaal

2,2

3,0

2 x modaal

1,7

2,6

Alleenstaande ouder

  

minimumloon

0,6

1,1

modaal

1,6

2,1

Inactieven

  

Sociale minima

  

paar met kinderen

1,1

1,3

alleenstaande

1,4

1,8

alleenstaande ouder

0,9

1,1

AOW (alleenstaand)

  

(alleen) AOW

2,1

2,5

AOW + € 10.000 aanvullend pensioen

0,9

1,2

AOW (paar)

  

(alleen) AOW

1,7

1,9

AOW + € 10.000 aanvullend pensioen

0,8

1,1

AOW + € 30.000 aanvullend pensioen

0,5

0,8

X Noot
1

Berekeningen ministerie van SZW op basis van raming CPB (MEV 2020) en gegevens van het ministerie van VWS.

X Noot
2

Berekeningen ministerie van SZW op basis van raming CPB (CEP 2021).

E. BIJLAGEN

Bijlage 1: Toezichtrelaties rechtspersonen met een wettelijke taak en zelfstandige bestuursorganen

Deze bijlage bevat informatie over het toezicht op rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT's) en zelfstandige bestuursorganen (ZBO's). De bijlage bestaat uit een overzichtstabel met RWT’s en ZBO’s die onder het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vallen, de begrote en gerealiseerde bijdrage vanuit het moederdepartement, overige departementen en eventuele bijzonderheden.

Tabel 121 Overzichtstabel inzake RWT’s en ZBO’s van Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (bedragen x € 1.000)

Naam ZBO/RWT

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)

40.017.668

46.833.031

38.483

31.802

Ja

Bijzonderheden

De genoemde bedragen zijn op basis van de totale collectieve bijdragen (inclusief premiegelden) zoals verantwoord in het jaarverslag van UWV.

 

In 2020 heeft UWV € 26,5 miljoen onttrokken uit hun bestemmingsfonds frictiekosten voor dienstverlening. Van het budgetresultaat is € 67,5 miljoen toegevoegd aan de egalisatiereserve van UWV.

BKWI

12.908

11.774

0

0

Nee

Bijzonderheden

 

Sociale Verzekeringsbank (SVB)

45.487.600

45.714.300

87.800

87.700

Ja

Bijzonderheden

De genoemde bedragen zijn op basis van de totale collectieve bijdragen (inclusief premiegelden) zoals verantwoord in het jaarverslag van de SVB.

Inlichtingenbureau (IB)

14.779

14.779

119

119

Nee

Bijzonderheden

 

Bijlage 2: Afgerond evaluatie- en overig onderzoek

Onderzoek van 2017 en eerder is vindbaar via het webarchief van rijksoverheid.nl. Alle onderzoeken aangeboden aan het parlement zijn ook te vinden op overheid.nl.

Tabel 122 Artikel 1 - Arbeidsmarkt

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

1a. Beleidsdoorlichtingen

  
 

Arbeidsmarkt

2020

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
 

Definitieve evaluatie duurzame inzetbaarheid in het MKB

2016

 

Evaluatie Wet aanpak schijnconstructies (WAS)

2016

 

Effecten van algemeen verbindend verklaring

2016

 

Eerste fase Evaluatie Duurzame Inzetbaarheid Regio's en Sectoren

2017

 

Functioneren certificatiestelsel asbest

2017

 

Profijt van de overheid: Voorzieningen verdeeld

2017

 

Evaluatie Handhavingsbeleid Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Foto van het beleid en de uitvoering van de handhaving sociale zekerheidswetten

20171

 

Evaluatie Handhavingsbeleid Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Lessen voor de toekomst voor de handhaving van de socialezekerheidswetten ten aanzien van de inlichtingenplicht (artikel 1 en 11)

2017

 

Evaluatie Wet uniformering loonbegrip

2017

 

Monitor en tussenevaluatie sectorplannen (artikel 1, 2, 5 en 11)

2017

 

Evaluatie handhaving arbeidswetten, Lessen voor de toekomst voor de handhaving van de arbeidswetten

2018

 

Evaluatie Informatievoorziening(structuur) grensoverschrijdende arbeid

2018

 

Tussenrapportage Effectmeting van de Brug-WW en scholingsvouchers (artikel 1 en 2)

2018

 

Tussenevaluatie sectorplannen (artikel 1, 2, 5 en 11)

2018

 

Gedragsexperiment Scholing stimuleren met kleine interventies

2018

 

Effecten van de verhoging van het minimumjeugdloon

20182

 

Effectmeting Brug-WW en scholingsvouchers (artikel 1 en 2)

2019

 

Eindevaluatie Regeling Cofinanciering Sectorplannen (artikel 1, 2, 5 en 11)

20193

 

Effecten openbaarmaking inspectiegegevens van Inspectie SZW

2019

 

Evaluatie Wet aanpak schijnconstructies

2019

 

Evaluatie geïntegreerde territoriale investering

2019

 

Evaluatie wettelijk minimumloon 2011 ‒ 2018

2019

 

Evaluatie ESF-regeling Geintegreerde en Territoriale Investering

2019

 

Tweede fase Evaluatie Duurzame inzetbaarheid Regio's en sectoren

20204

 

Evaluatie Wijzigingen Arbowet

20205

 

Evaluatie Wet werk en zekerheid (artikel 1 en 5)

2020

 

Evaluatie wet werken na de AOW (artikel 1, 5 en 8)

2020

 

Evaluatie mobiliteitsbonussen, in dienst nemen arbeidsgehandicapten en uitkeringsgerechtigden ouder dan 56 jaar (artikel 1 en 5)

20206

 

Evaluatie arbeidsgerelateerde zorg

20207

 

Evaluatie ESF-regeling duurzame inzetbaarheid regio's en sectoren

2020

 

Evaluatie DWSRA eindrapport

2020

 

Evaluatie ESF Actieve Inclusie: Vijfde verdiepende onderzoek over 2019

2020

 

Evaluatie wettelijk minimumloon 2011 ‒ 2018

2020

 

Evaluatie Wet Flexibel werken

2021

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

2a. MKBA's

  
 

Niet van toepassing

 

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
 

Invloed herziene Europese richtlijn drukapparatuur op nationaal regime

20168

 

Nulmeting arbeidsgerelateerde zorg

2016

3. Overig onderzoek

  
 

Mantelzorg, Arbeidsparticipatie en Gezondheid

2016

 

Duurzame inzetbaarheid van werknemers met een lage sociaal economische status

2016

 

Witte vlekken op pensioengebied 2013 (artikel 1 en 8)

2016

 

Langer doorwerken met arbeidsbeperking

2016

 

Evaluatie ESF-regeling Duurzame inzetbaarheid voor bedrijven

2016

 

Kansen op uitstroom

2016

 

Evaluatie ontslaggronden WWZ

2016

 

Hoe vinden werkzoekenden met een arbeidsbeperking en werkgevers elkaar?

2016

 

Onderzoek verantwoord opdrachtgeverschap gezond en veilig werken

2017

 

Kansen taakdelegatie bedrijfsartsen

2017

 

Toegang beroepsmatige gezondheidgegevens

2017

 

Onderzoek naar (wijze implementatie van) MBO lesmateriaal gezond en veilig werken

2017

 

Zelfstandigen Enquête Arbeid

2017

 

Verkenning scholingspremie en nationaal scholingsfonds

2017

 

Leeftijdsdiscriminatie op de Arbeidsmarkt in de Wervings- en Selectiefase

2017

 

Rapport aanpak dreigend tekort bedrijfsartsen

2017

 

Onderzoek samenhang arbocatalogus en branche RI&E

2017

 

Tweede monitor Wet aanpak schijnconstructies

2017

 

Onderzoek ketenaansprakelijkheid

2017

 

Onderzoeksrapport Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten in de Wwz

2017

 

De kosten van ontslag met wederzijds goedvinden voor werkgevers

2017

 

Sectoranalyse stagemisbruik na studeren

2018

 

Gedragsexperiment rondom tiptrack AWVN

2018

 

Mid-term evaluation of the European Globalisation Adjustment Fund

2018

 

Monitor Wet Aanpak schijnconstructies

2018

 

Opkomst en groei kluseconomie in Nederland

2018

 

Karakteristieken en tarieven ZZP’ers

2018

 

Ervaren regeldruk werkgevers

2018

 

Aanvulling onderzoek samentelregeling

2018

 

Monitor loonverschillen mannen en vrouwen 2016

2018

 

De gewijzigde Arbowet

2018

 

Onderzoek naleving Wet op de Ondernemingsraden

2018

 

Inclusieve globalisering

2018

 

Onderzoek TNO: Veilig asbest saneren op hoogte

20189

 

Karakteristieken en tarieven ZZP'ers

201810

 

Verdringing op de arbeidsmarkt

2018

 

Preventie en (ziekte)verzuimaanpak 2018

2018

 

Arbeidsaanbod

2018

 

Witte vlek op pensioengebied 2016 (artikel 1 en 8)

2018

 

Verkenning effecten aanpassingen minimum(jeugd)loon

2018

 

Persoonlijkheid en duurzame inzetbaarheid, jong geleerd oud gedaan

2019

 

Rapportage cao-afspraken 2018

201911

 

Onderzoeksrapport Kwaliteit beslissingen over tekortkomingen van asbestbedrijven is verbeterd

201912

 

Onderzoek Europese vergelijking verplichtingen Gezond en Veilig Werken

201913

 

Monitor arbeidsmarkt april 2019

2019

 

Jongeren met afstand tot de arbeidsmarkt in beeld

2019

 

Opdrachtgeverschap gemeenten Wmo 2015

2019

 

Arbobalans 2018

2019

 

Monitor verantwoord opdrachtgeverschap

2019

 

Op naar een verdere implementatie van het keuzedeel VBFVGW

2019

 

Onderzoek Omgaan met ongewenste omgangsvormen

2019

 

Onderzoek Informatiebehoefte rond vertrouwenspersonen

2019

 

Herhaling virtuele praktijktests arbeidsmarktdiscriminatie

2019

 

Voortgangsrapportage arbeidsmarktdiscriminatie

2019

 

Eindrapportage verkenning financiële en juridische aspecten uitzonderings-AMVB artikel 8a Waadi

2019

 

Staat van eerlijk werk 2019

2019

 

Rapportage stimuleren naleving WOR

2019

 

Arbo in bedrijf 2018

2019

 

De verbindende samenleving

2019

 

De nieuwe Arbowet: stand van zaken van de implementatie en uitvoering

2019

 

Het AOW-hiaat in particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen

201914

 

Onderzoek initiatieven eerlijk werk

2019

 

Verdringing (update)

201915

 

Overzicht CAO afspraken in afwijking op Wwz

201916

 

Monitor loonverschillen mannen en vrouwen 2018

202017

 

Monitor arbeid, zorg en kinderopvang (artikel 1, 6 en 7)

2020

 

Haalbaarheidsonderzoek Brzo/risiconorm

18

 

Kwalitatief onderzoek effecten wwz op aanname-en ontslagbeleid van werkgevers en hun omgang met flexibele arbeidskrachten

202019

 

de positie van uitzendwerknemers

202020

 

Driehoeksrelaties

202021

 

Huidig inkomensondersteuningsysteem onvoldoende om armoede tegen te gaan

2020

 

Arbobalans 2020

2020

 

simpel switchen op de kaart

2020

 

Enforcing the minimum wage in international road transport

202022

 

Open Hiring: zijn wie je bent

2020

 

Tweede voortgangsrapportage actieplan arbeidsmarktdiscriminatie

2020

 

Delphi-studie stand de Wetenschap Arbeidsmarktdiscriminatie

2020

 

discriminatie bij werving en selectie - ervaringen van recruiters

2020

 

focusgroep arbeidsdiscriminatie

2020

 

leeftijdsdiscriminatie in vacatureteksten

2020

 

monitor arbeidsmarktdiscriminatie 2015-2019

2020

 

Werktijdverkorting

2020

 

Laagste loonschalen in CAO's

2020

 

Nulmeting compensatie transitievergoeding bij bedrijfsbeeindiging

202123

 

Situatie van uitzendwerknemers inclusief situaties van oneigenlijk gebruikk van uitzenden

2020

 

Functies van uitzenden en andere driehoeksrelaties op de Nederlandse arbeidsmarkt

2020

 

Anoniem solliciteren

202124

 

Individuele leer- en ontwikkelbudgetten: onderzoek naar het gebruik en naar effectieve (gedrags)interventies om gebruik te bevorderen

202225

 

Budget voor leren en ontwikkelen: hoe gebruik te bevorderen

202226

X Noot
1

In begroting 2017 opgenomen onder de titel Evaluatie handhavingsbeleid SZW m.b.t. sociale zekerheidswetten».

X Noot
2

In begroting 2019 opgenomen onder de titel «Tussentijdse evaluatie jeugdlonen».

X Noot
3

In begroting 2020 opgenomen onder de titel «Monitoring en evaluatie sectorplannen».

X Noot
4

Dit onderzoek stond gepland voor 2019 maar is begin 2020 afgerond.

X Noot
5

In begroting 2019 opgenomen onder de titel «Evaluatie gewijzigde Arbowet 2017».

X Noot
6

Dit onderzoek is onderdeel van de overkoepelende evaluatie «Actieplan Perspectief voor vijftigplussers» en wordt in 2020 aangeboden aan de Tweede Kamer.

X Noot
7

De afronding van het onderzoek is in verband met Covid-19 vertraagd.

X Noot
8

Het onderzoek is gedeeld met de betrokken branches en is in 2017 gepubliceerd op het Arboportaal.

X Noot
9

In begroting 2020 opgenomen onder de titel «Hijskranen en werkbakken». Dit onderzoek stond gepland voor 2019 maar is in 2018 opgeleverd.

X Noot
10

In begroting 2019 opgenomen onder de titel «Karakteristieken van de zzp-populatie en de arbeidsmarkteffecten van de nieuwe zzp-maatregelen in het kader van het regeerakkoord».

X Noot
11

De onderzoeksresultaten van «De financiële positie van cao-fondsen in 2017» is opgenomen in dit rapport.

X Noot
12

In begroting 2020 opgenomen onder de titel «Verbetering asbeststelsel».

X Noot
13

In begroting 2020 opgenomen onder de titel «Europese vergelijking van verplichtingen m.b.t. arbeidsongevallen».

X Noot
14

In begroting 2020 opgenomen onder de titel «Onderzoek AOV-AOW hiaat».

X Noot
15

Er zal geen update plaatsvinden van het onderzoek «Verdringing op de arbeidsmarkt».

X Noot
16

Dit onderzoek is onderdeel van de halfjaarlijkse rapportage Wwz aan de TK

X Noot
17

In begroting 2020 opgenomen onder de titel «Gecorrigeerde beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen per bedrijfstak».

X Noot
18

Dit onderzoek is niet uitgevoerd omdat er geen geschikte partij is gevonden.

X Noot
19

Er is voor gekozen om dit onderzoek mee te laten lopen in de evaluatie van de Wwz.

X Noot
20

In begroting 2020 opgenomen onder de titel «Situatie van uitzendwerknemers inclusief situaties van oneigenlijk gebruik van uitzenden».

X Noot
21

In begroting 2020 opgenomen onder de titel «Functies van uitzenden en andere driehoeksrelaties op de Nederlandse arbeidsmarkt».

X Noot
22

in begroting 2020 opgenomen onder de tital: «Internationale vergelijking handhaving wml in het wegtransport»

X Noot
23

De start van het onderzoek is vertraagd vanwege Covid-19. Naar verwachting wordt het onderzoek alsnog in 2021 opgeleverd.

X Noot
24

Dit onderzoek stond gepland voor 2020 maar kon door de coronacrisis niet worden uitgevoerd. Naar verwachting wordt dit onderzoek in 2021 afgerond.

X Noot
25

Het onderzoek is vertraagd doordat de coronacrisis veel invloed heeft op de twee sectoren die in de pilots meedoen: elektrotechnische detailhandel en retail non-food. De pilots zijn door de coronacrisis later van start gegaan en ook de werkgeversenquête is uitgesteld.

X Noot
26

Dit onderzoek is hetzelfde onderzoek als opgenomen onder de titel «Individuele leer- en ontwikkelbudgetten: onderzoek naar het gebruik en naar effectieve (gedrags)interventies om gebruik te bevorderen» en wordt in 2022 afgerond.

Tabel 123 Artikel 2 - Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

1a. Beleidsdoorlichtingen

  
 

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

2020

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
 

Evaluatie ESF-regeling Actieve Inclusie, eerste verdiepende rapportage

2016

 

Evaluatie Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs)

2016

 

Thermometer Wsw (0-meting)

2016

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2015 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2016

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2016 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2017

 

Evaluatie Regionale werkbedrijven

2017

 

Evaluatie ESF-regeling Actieve Inclusie, tweede verdiepende rapportage

2017

 

Monitor en tussenevaluatie sectorplannen (artikel 1, 2, 5 en 11)

2017

 

Ervaringsonderzoeken Participatiewet

2017

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2017 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2018

 

Thermometer Wsw

2018

 

Eindrapport effecten bijzondere incassobevoegdheden en overheidspreferenties

2018

 

Tussentijdse evaluatie SITS

2018

 

Tussentijdse evaluatie subsidieregeling armoede en schulden

2018

 

Tussentijdse evaluatie subsidie EFMB

2018

 

Effectiviteit en werking loonkostensubsidie en loondispensatie

2018

 

Evaluatie eerste bestuurlijke afspraken kinderen in armoede

2018

 

Evaluatie subsidieregeling Kansen voor alle kinderen

2018

 

Tussenevaluatie sectorplannen (artikel 1, 2, 5 en 11)

2018

 

Evaluatie individuele studietoeslag (artikel 2 en 4)

2018

 

Tussenrapportage Effectmeting van de Brug-WW en scholingsvouchers (artikel 1 en 2)

2018

 

Eindevaluatie implementatie en uitvoering ESF-Actieve Inclusie

2018

 

Subsidieregeling EFMB (Europees Fonds voor de Meest Behoeftigen)

2018

 

Evaluatie Individuele studietoeslag Participatiewet

2018

 

Evaluatie ESF-regeling Actieve Inclusie, derde verdiepende rapportage

2019

 

Evaluatie GTI

2019

 

Subsidieregeling Scholing richting een kansberoep

2019

 

Onderzoek wet taaleis 2018

20191

 

Eindevaluatie Regeling Cofinanciering Sectorplannen (artikel 1, 2, 5 en 11)

2019

 

Effectmeting Brug-WW en scholingsvouchers (artikel 1 en 2)

2019

 

Monitor en eindevaluatie Participatiewet

2019

 

Evaluatie ESF-regeling Actieve Inclusie, vierde verdiepende rapportage

2019

 

Meer kansen voor mensen met een arbeidsbeperking?

20192

 

Evaluatie beschut werk

20193

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2018 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2019

 

Evaluatie experimenten Participatiewet

2020

 

Thermometer Wsw 2-meting

20204

 

persoonlijke begeleiding in de bijstand

2020

 

Campagne-effectonderzoek «schuldvrij»

2020

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2019 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2020

 

subsidieregeling cofinanciering projecten dienstverlening werkzoekenden en projecten samenwerking en regie arbeidsmarkt

2020

 

Evaluatie Subsidieregeling armoede en schulden

20215

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

2a. MKBA's

  
 

Zelfstandig in en uit de bijstand

20196

 

MKBA kwetsbare jongeren

20217

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
   

3. Overig onderzoek

  
 

Het telt wat wel en niet meetelt; verkennend onderzoek naar het meetellen van verloonde uren bij inkoop van diensten in de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten

2016

 

Quickscan 4 Evaluatie Sectorplannen

2016

 

Inventarisatie verordeningen tegenprestatie

2016

 

Praktijkroute banenafspraak

2016

 

De weg naar extra banen

2016

 

Handhaving van de verplichtingen in de Participatiewet

2017

 

Quickscan 5 Evaluatie Sectorplannen

2017

 

Flextensie werken met behoud van uitkering

2017

 

Eindrapportage Schuldhulpverlening in Nederland

2017

 

Onderzoeksrapport Normbatenregeling Bbz

2017

 

Eindrapport van budget naar besteding

2017

 

Vermogens en schulden van huishoudens

2018

 

Quickscan 6 Evaluatie Sectorplannen

2018

 

Wsw-jaarrapport 2017

2018

 

Onderzoek invordering schulden door rijksoverheidsorganisaties

2018

 

Extra uitvraag Tegenprestatie

2019

 

Verkennend onderzoek Europese incassomodellen

2019

 

Ervaringsonderzoek werkgevers Participatiewet

20198

 

Ervaringsonderzoek doelgroep Participatiewet

20198

 

Ervaringsonderzoek gemeenten Participatiewet

20198

 

Ervaringsonderzoek cliëntenraden Participatiewet

20198

 

Langdurig in de bijstand

20199

 

Rekentool Verdeelmodel Gebundelde Uitkering

201910

 

Psychische klachten en werk en inkomen (artikel 2 en 5)

2019

 

Onderzoek onder overheidsschuldeisers aan mensen met betalingsachterstanden wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden bij de schuldenaar, met specifieke aandacht voor (ex)dak- en thuisloze jongeren

2019

 

Realisatie vereenvoudiging vaststelling beslagvrije voet

2019

 

Eindrapport verrijking businesscase gegevensuitwisseling derdenbeslag

2019

 

Eindrapport verkenning Regeling Maatwerk Multiprobleem Huishoudens

2019

 

Wsw-statistiek jaarrapport 2018

2019

 

Uitkomsten TSD-onderzoek Participatie zonder startkwalificatie jongvolwassenen

2019

 

Gezondheidsproblemen in WW en bijstand (artikel 2 en 5)

201911

 

Verkenning aansluiting minnelijke schuldhulpverlening en wettelijke schuldsanering

2019

 

Niet-gebruik AIO

2020

 

Schulden problematiek in beeld: Huishoudens met geregistreerde problematische schulden 2015-2018

2020

 

Wsw-statistiek jaarrapport 2019

2020

 

detacheren werkt!

2020

 

De weg naar werk

2020

 

Ontwikkelpotentieel baancreatie

2020

 

Onderzoek re-integratiekosten nieuwe doelgroep participatiewet

202012

 

Huishoudens in de rode cijfers 2020

2020

X Noot
1

In begroting 2019 opgenomen onder de titel «Evaluatie Wet Taaleis».

X Noot
2

In begroting 2019 opgenomen onder de titel «evalutatie wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten».

X Noot
3

In begroting 2020 opgenomen onder titel 'Evaluatie effecten maatregelen beschut werk'

X Noot
4

In begroting 2020 opgenomen onder titel: 'Thermometer Wsw'

X Noot
5

Dit onderzoek stond gepland voor 2020 maar zal in 2021 opgeleverd worden.

X Noot
6

In begroting 2019 opgenomen onder de titel «Evaluatie Bbz».

X Noot
7

De start van het onderzoek is vertraagd. Naar verwachting wordt het onderzoek in 2021 aangeboden aan de kamer.

X Noot
8

De vier ervaringsonderzoeken maken onderdeel uit van de «monitor en eindevaluatie Participatiewet».

X Noot
9

Dit onderzoek is onderdeel van de eindevaluatie van de Participatiewet

X Noot
10

In begroting 2019 opgenomen onder de titel «Analyses rekentool verdeelmodel».

X Noot
11

In begroting 2019 opgenomen onder de titel «Gezondheid als factor bij instroom en uitstroom bij WW en Bijstand».

X Noot
12

In begroting 2020 opgenomen onder de titel: Aannames (ex ante) en kosten (realisaties) van arbeidsondersteuning aan de nieuwe doelgroep Participatiewet'.

Tabel 124 Artikel 3 - Arbeidsongeschiktheid

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

1a. Beleidsdoorlichtingen

  
 

Arbeidsongeschiktheid

20171

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
 

Evaluatie modernisering ZW (finale effectmeting) (artikel 3 en 6)

2016

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2015 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2016

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2016 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2017

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2017 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2018

 

Aanvulling beleidsevaluatie artikel 3 Arbeidsongeschiktheid

2018

 

Evaluatie Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) (artikel 3 en 6)

2018

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2018 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2019

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2019 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2020

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

2a. MKBA's

  
 

Niet van toepassing

 

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
 

Niet van toepassing

 

3. Overig onderzoek

  
 

UWV-monitor Arbeidsparticipatie 2015

2016

 

Instroom in de WIA

2018

 

Onderzoek De rol van private verzekeraars in het hybride WGA-stelsel

20192

 

Onderzoek beweegredenen werkgevers keuze WGA- en ZW-markt (artikel 3 en 6)

20193

 

Onderzoek ZZP'ers en hun gedrag ten aanzien van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen

2019

 

Het AOW-hiaat in particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (artikel 3 en 8)

2019

 

Rapportage beschut werk 2e kwartaal 2020

2020

 

Onderzoek doelgroepgrootte banenafspraak: update 2020

2020

 

Duurzaamheid van werk binnen de banenafspraak 2018-2019

2020

 

De no-riskpolis in breder perspectief (artikel 3 en 6)

2020

X Noot
1

De beleidsdoorlichting is als IBO (Interdepartementaal Beleids Onderzoek) «Geschikt voor de arbeidsmarkt» in april 2017 opgeleverd.

X Noot
2

In begroting 2019 opgenomen onder de titel «Onderzoek beleid private aanbieders in het hybride stelsel WGA».

X Noot
3

In begroting 2019 opgenomen onder de titel «Onderzoek beweegredenen bewegingen hybride WGA- en ZW markt».

Tabel 125 Artikel 4 - Jonggehandicapten

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

1a. Beleidsdoorlichtingen

  
 

Jonggehandicapten

2018

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2015 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2016

 

Evaluatie ESB-regeling

2017

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2016 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2017

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2017 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2018

 

Evaluatie individuele studietoeslag (artikel 2 en 4)

2018

 

Effectiviteit en werking loonkostensubsidie en loondispensatie

2018

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2018 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2019

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2019 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2020

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

2a. MKBA's

  
 

Niet van toepassing

 

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
 

Niet van toepassing

 

3. Overig onderzoek

  
 

Onderzoek naar het begrip ‘arbeidsvermogen’

2017

 

Arbeidsmarktpatronen van mensen die werk(t)en met een jobcoach

2020

Tabel 126 Artikel 5 - Werkloosheid

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

1a. Beleidsdoorlichtingen

  
 

Werkloosheid

2016

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2015 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2016

 

Regeling vrijwilligerswerk in de WW

2017

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2016 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2017

 

Eindrapportage inhoudelijke effectevaluatie trainingen 50-plus WW

2017

 

Monitor en tussenevaluatie sectorplannen (artikel 1, 2, 5 en 11)

2017

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2017 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2018

 

Tussenevaluatie sectorplannen (artikel 1, 2, 5 en 11)

2018

 

Experiment premiekorting ouderen

2018

 

Tussentijdse evaluatie Overbruggingsregeling transitievergoeding kleine werkgevers

2018

 

Tussenrapportage evaluatie DWSRA

2018

 

Monitorrapport actieplan 50plussers

20191

 

Eindevaluatie Regeling Cofinanciering Sectorplannen (artikel 1, 2, 5 en 11)

2019

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2018 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2019

 

Evaluatie Wet werk en zekerheid (artikel 1 en 5)

2020

 

Eindrapport Evaluatiekader Actieplan Perspectief voor Vijftigplussers

20202

 

Experimenten Meer Werk: Innovatief Ouderen naar Latent Werk Begeleiden

20193

 

Evaluatie mobiliteitsbonussen, in dienst nemen arbeidsgehandicapten en uitkeringsgerechtigden ouder dan 56 jaar (artikel 1 en 5)

20204

 

Evaluatie wet werken na de AOW (artikel 1, 5 en 8)

2020

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2019 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2020

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

2a. MKBA's

  
 

Niet van toepassing

 

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
 

Niet van toepassing

 

3. Overig onderzoek

  
 

Zichtbaar maar niet in beeld

2016

 

Onderzoekskader Evaluatie Actieplan Perspectief voor vijftigplussers

2016

 

Monitorrapportages WW en WGA

2016

 

Onderzoek Achtergronden van beperkt gebruik van de Brug-WW

2017

 

Psychische klachten en werk en inkomen (artikel 2 en 5)

2019

 

Onderzoeksrapport Kansen op instroom uit WW bekeken (art. 5 en 13)

2019

 

Onderzoek Gegevensuitwisseling Matchen op werk (Mow)

2019

 

Gezondheidsproblemen in WW en bijstand (artikel 2 en 5)

20195

X Noot
1

In begroting 2019 opgenomen onder de titel «Effectmeting maatregelen Actieplan perspectief voor vijftigplussers».

X Noot
2

dit onderzoek bevat ook de evaluatie in in de begroting van 2020 is opgenomen onder de titel: 'subsidieregeling ontwikkeladvies vijfenveertigplussers'

X Noot
3

In begroting 2020 opgenomen onder de titel: 'Subsidieregeling Experimenten meer werk voor vijftigplussers'

X Noot
4

Dit onderzoek is onderdeel van de overkoepelende evaluatie «Actieplan Perspectief voor vijftigplussers» en wordt in 2020 aangeboden aan de Tweede Kamer.

X Noot
5

In begroting 2019 opgenomen onder de titel «Gezondheid als factor bij instroom en uitstroom bij WW en Bijstand».

Tabel 127 Artikel 6 - Ziekte en zwangerschap

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

1a. Beleidsdoorlichtingen

  
 

Ziekte en Zwangerschap

2017

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
 

Evaluatie modernisering ZW (artikel 3 en 6, finale effectmeting)

2016

 

Theorie en praktijk re-integratie tweede spoor

20161

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2015 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2016

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2016 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2017

 

Effectiviteit van re-integratie in het tweede spoor

2017

 

Evaluatie pilots ZW

2017

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2017 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2018

 

Evaluatie flexibel bevallingsverlof

20182

 

Effectiviteit no-riskpolis

20183

 

Evaluatie Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) (artikel 3 en 6)

2018

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2018 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2019

 

Effectiviteit no-riskpolis, deelonderzoek II

20204

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2019 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2020

 

Evaluatie subsidieregeling Kanker en werkzoekenden

20215

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

2a. MKBA's

  
 

Niet van toepassing

 

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
 

Niet van toepassing

 

3. Overig onderzoek

  
 

Kanker & Werk: Problemen van werkgever en werknemer

2016

 

Verlofregelingen arbeid en zorg naar arbeidsrelatie

2018

 

Nulmeting evaluatie WIEG

20186

 

Oorzaken, gevolgen en risicogroepen van burn-out

2019

 

Kwalitatief onderzoek Loondoorbetaling en re-integratie langdurig zieke werknemers

2019

 

Onderzoek beweegredenen werkgevers keuze WGA- en ZW-markt (artikel 3 en 6)

20197

 

Het AOW-hiaat in particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen

20198

 

De no-riskpolis in breder perspectief (artikel 3 en 6)

2020

 

Monitor arbeid, zorg en kinderopvang (artikel 1, 6 en 7)

2020

X Noot
1

Bij begroting 2016 aangekondigd onder de titel «Vervolgonderzoek loondoorbetaling bij ziekte».

X Noot
2

Bij begroting 2018 aangekondigd voor afronding in 2017. Het onderzoek plus de kabinetsreactie is in maart 2018 aangeboden aan het parlement.

X Noot
3

Bevat het deelnonderzoek opgenomen in begroting 2020.

X Noot
4

Dit onderzoek is medio 2020 aangeboden aan de TK ipv 2019.

X Noot
5

De resultaten van de subsidieregeling worden uiterlijk medio 2021 aangeboden aan de Tweede Kamer

X Noot
6

Er is geen eindrapport, data zijn terug te vinden op de CBS website.

X Noot
7

In begroting 2019 opgenomen onder de titel «Onderzoek beweegredenen bewegingen hybride WGA- en ZW markt».

X Noot
8

In begroting 2020 opgenomen onder de titel «Onderzoek AOV-AOW hiaat».

Tabel 128 Artikel 7 - Kinderopvang

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

1a. Beleidsdoorlichtingen

  
   

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
 

Monitor gemeentebrede dagarrangementen

2016

 

Evaluatie Commissie Gunning (inclusief evaluatie <continue screening>)

20161

 

Subsidieregeling Versterking vaardigheden taal- en interactievaardigheden beroepskrachten en gastouders in de kinderopvang – een onderzoek naar de ervaren effecten

20172

 

Eindevaluatie Subsidieregeling versterking taal- en interactievaardigheden beroepskrachten en gastouders in de kinderopvang

20213

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

2a. MKBA's

  
 

Niet van toepassing

 

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
 

Verwachte maatschappelijke effecten van de bestuurlijke afspraken ‘een aanbod voor alle peuters'

20184

 

Verwachte kostenverandering baby-norm kinderopvang

20185

3. Overig onderzoek

  
 

Nulmeting aanwezigheid oudercommissies en alternatieve vormen van ouderparticipatie

2016

 

Het gebruik van kinderopvang door ouders met lagere inkomens

2016

 

Kwaliteit ouderparticipatie crèches (OPC's)

2016

 

Ouderbetrokkenheid bij de overdracht

2016

 

Condities voor kwaliteit kindvriendelijke overgang

2016

 

Wachtlijst en capaciteitsonderzoek

2017

 

Kwaliteitsonderzoek (monitor) Kinderopvang (KDV, BSO, PSZ, GO) (jaarlijkse monitor 2017-2023)

2017

 

Peuterspeelzaalwerk NL: Facts en Figures

2017

 

Interactievaardigheden in de kinderopvang

2017

 

Enquête monitoring transitie kinderopvang

2017

 

Wachtlijsten en wachttijden kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang ‒ 8e meting

2017

 

De pedagogische kwaliteit van de ouderparticipatiecrèche in 2016

2017

 

Verschillen in GGD-toezicht in kaart gebracht

2018

 

Ketenregie bij continue screening kinderopvang

2018

 

Landelijk rapport gemeentelijk toezicht kinderopvang 2017

2018

 

Kijk op kinderopvang

20186

 

Eindrapportage Vervolgonderzoek harmonisatie PSZ

2018

 

Kostprijsmonitor

20187

 

LKK-rapport meting 2017-2018

2019

 

Onderzoek stand van zaken harmonisatie peuterspeelzaalwerk

2019

 

Nulmeting kinderopvang Caribisch Nederland

2019

 

Eindrapport samenwerken in het toezicht op de kinderopvang

2019

 

Landelijk rapport gemeentelijk toezicht kinderopvang 2017

2019

 

Prikken voor elkaar; onderzoek door Commissie kinderopvang en vaccinatie

2019

 

Onderzoek informatiebehoefte kinderopvang

20198

 

Programma Kwaliteit Kinderopvang (ZonMw)

20209

 

Stimuleren gebruik formele dagopvang door kinderen van ouders met lage SES

2020

 

Eindrapport onderzoek signalen kinderopvangtoeslag SZW

2020

 

Kwaliteit van de babyopvang in Nederland

2020

 

Tussenrapportage scenariostudie vormgeving kindvoorzieningen

2020

 

Monitor arbeid, zorg en kinderopvang (artikel 1, 6 en 7)

2020

 

Gedragsexperiment verbetertraject terugvorderingsproblematiek KOT

202110

X Noot
1

In begroting 2016 opgenomen onder de titel ‘Evaluatie continue screening».

X Noot
2

De in begroting 2018 aangekondigde eindevaluatie ‘subsidieregeling versterking taal- en interactievaardigheden beroepskrachten en gastouders in de kinderopvang wordt opgeleverd in 2020. De hyperlink verwijst naar de tussentijdse effectmeting.

X Noot
3

De eindevaluatie van deze subsidieregeling wordt uiterlijk medio 2021 aangeboden aan de TK.

X Noot
4

Dit onderzoek stond gepland voor 2017 maar is in maart 2018 gepubliceerd.

X Noot
5

In begroting 2016 opgenomen onder de titel ‘effecten beroepskracht-kindratio».

X Noot
6

In begroting 2016 opgenomen onder de titel «keuzes van ouders».

X Noot
7

De resultaten van de opzet voor een kostprijsonderzoek voor de kinderopvangsector zijn van dien aard dat is besloten om met de sectorpartijen opnieuw te bekijken hoe hieraan een alternatief vervolg kan worden gegeven. De Tweede Kamer is in maart 2018 per kamerbrief hierover geïnformeerd.

X Noot
8

In begroting 2020 opgenomen onder titel 'informatiebehoefte ouders kinderopvang'

X Noot
9

in 2021 volgen meer onderzoeksresultaten van het programma

X Noot
10

dit onderzoek is verplaatst naar 2021

Tabel 129 Artikel 8 - Oudedagsvoorziening

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

1a. Beleidsdoorlichtingen

  
 

Oudedagsvoorziening

2019

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
 

Onderzoek vrijwillige voortzetting pensioenfonds voor zelfstandigen

2016

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2015 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2016

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2016 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2017

 

Evaluatie Wet aanpassing financieel toetsingskader (FTK)

2018

 

Evaluatie Wet versterking bestuur pensioenfondsen

2018

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2017 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2018

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2018 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2019

 

Onderzoek SEO Effect verhoging AOW-leeftijd

2019

 

Onderzoek SEO Samen ouder worden

20191

 

Evaluatie Wet pensioencommunicatie

2019

 

Evaluatie wet werken na de AOW (artikel 1, 5 en 8)

2020

 

Evaluatie vrijstelling voor nettolijfrenten en nettopensioen

2020

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2019 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2020

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

2a. MKBA's

  
 

Niet van toepassing

 

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
 

Herverdelingseffecten van verschillende projectierentes in verbeterde premieregelingen

2016

3. Overig onderzoek

  
 

Monitor twee-woningenregel

2016

 

Witte vlekken op pensioengebied 2013 (artikel 1 en 8)

2016

 

Impact van een overstap van een uniform naar life-cycle beleggingsbeleid in de opbouwfase

2016

 

Onderzoek SVB gebruik en niet-gebruik OBR

2016

 

Flexibilisering AOW

2017

 

Witte vlek op pensioengebied 2016 (artikel 1 en 8)

2018

 

Passende zekerheden: pensioen

20192

 

Onderzoeksrapport Beleving pensioenen

2019

 

Onderzoek CBS Inkomens- en arbeidsmarktpositie van de jongere partners van AOW-gerechtigden

2019

 

Samen ouder worden

20203

 

Lage rente en de toekomst van pensioenen

2020

 

Het AOW-hiaat in particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (art. 3 en 8)

2019

 

Gezondheid en arbeidsparticipatie rond AOW-leeftijd

20194

 

Het effect van het Pensioenakkoord op uitvoeringskosten

20205

 

Monitor doorwerken tot AOW leeftijd

20216

X Noot
1

In begroting 2019 opgenomen onder de titel «Leefvormdifferentiatie - betekenis voor oudedagsvoorziening».

X Noot
2

In de zomer van 2018 is besloten om dit onderzoek, dat EZK en SZW gezamenlijk zouden uitvoeren, niet meer uit te voeren. Dit als gevolg van groeiende onzekerheden rondom de totstandkoming van een Pensioenakkoord, waar het onderzoek een bijdrage aan zou leveren.

X Noot
3

In begroting 2020 opgenomen onder de titel: 'Leefvormdifferentiatie - betekenis voor oudedagsvoorziening'

X Noot
4

in begroting opgenomen onder de titel: 'Gezond naar het pensioen'

X Noot
5

in begroting opgenomen onder de titel: 'Vergelijking uitvoeringskosten in het oude stelsel'

X Noot
6

onderzoek wordt in 2021 afgerond.

Tabel 130 Artikel 9 - Nabestaanden

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

1a. Beleidsdoorlichtingen

  
 

Nabestaanden

2019

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2015 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2016

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2016 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2017

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2017 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2018

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2018 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2019

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2019 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2020

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

2a. MKBA's

  
 

Niet van toepassing

 

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
 

Niet van toepassing

 

3. Overig onderzoek

  
 

Experiment Anw inlichtingenplicht

2017

 

Klantervaringen Anw-uitkering

20191

X Noot
1

In begroting 2019 opgenomen onder de titel «Behoeften en beleving nabestaanden».

Tabel 131 Artikel 10 - Tegemoetkoming ouders

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

1a. Beleidsdoorlichtingen

  
 

Tegemoetkoming ouders

2018

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2015 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2016

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2016 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2017

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2017 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2018

 

Evaluatie wetsvoorstel hervorming kindregelingen

2018

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2018 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2019

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2019 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2020

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

2a. MKBA's

  
 

Niet van toepassing

 

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
 

Niet van toepassing

 

3. Overig onderzoek

  
 

Monitor alleenstaande ouders

2016

 

Besteding kindregelingen, (hoe) werkt het labelen van budget?

2018

 

Onderzoek herallocatie middelen artikel 10 Tegemoetkoming Ouders

2019

 

(Inkomens)effecten van een evenwichtiger stelsel van tegemoetkomingen

2019

 

Effecten van dubbele kinderbijslag bij intensieve zorg

20211

 

Effecten van dubbele kinderbijslag om onderwijsredenen

20211

X Noot
1

Beide onderzoeken zijn vertraagd als gevolg van COVID-19. De onderzoeken worden, samen met een kabinetsreactie, in 2021 aangeboden aan de kamer.

Tabel 132 Artikel 11 - Uitvoering

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

1a. Beleidsdoorlichtingen

  
 

Niet van toepassing

 

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
 

Evaluatie toegevoegde waarde leerwerkloketten

20161

 

SUWI dienstverlening en governance SVB

2016

 

Monitor en tussenevaluatie sectorplannen (artikel 1, 2, 5 en 11)

2017

 

Evaluatie Handhavingsbeleid Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Lessen voor de toekomst. Lessen voor de toekomst voor de handhaving van de socialezekerheidswetten ten aanzien van de inlichtingenplicht (artikel 1 en 11).

20172

 

Tussenevaluatie sectorplannen (artikel 1, 2, 5 en 11)

2018

 

Eindevaluatie Regeling Cofinanciering Sectorplannen (artikel 1, 2, 5 en 11)

2019

 

Evaluatie van de sturing van en het toezicht op de SVB en UWV

20203

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

2a. MKBA's

  
 

Niet van toepassing

 

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
 

Niet van toepassing

 

3. Overig onderzoek

  
 

Rekenkamerrapport UWV, balanceren tussen ambities en middelen

2016

 

Privacy Impact assessment toegang SUWI

20174

 

Regeldruk SZW

2017

 

Internationale vergelijking van (rijks)incassomodellen en de toepasbaarheid (van onderdelen) daarvan binnen het Nederlandse systeem

20195

 

Domeinoverstijgende fraude

20196

 

Balans opdracht en middelen SVB

2020

 

Toekomstverkenning uitvoering werk en inkomen

20217

X Noot
1

Dit onderzoek stond gepland voor 2015 maar is in mei 2016 naar de Tweede Kamer verstuurd.

X Noot
2

In begroting 2017 opgenomen onder de titel «Evaluatie handhavingsbeleid SZW m.b.t. sociale zekerheidswetten».

X Noot
3

In begroting 2020 opgenomen onder de titel < Evaluatie aansturing en toezicht> .

X Noot
4

Dit onderzoek stond gepland voor 2016 maar is in april 2017 naar de Tweede Kamer verstuurd.

X Noot
5

Dit onderzoek staat opgenomen onder artikel 2 onder de titel «Verkennend onderzoek naar Europese incassomodellen».

X Noot
6

Onderzoek is niet openbaar.

X Noot
7

Dit onderzoek stond gepland voor 2020 maar wordt in 2021 aangeboden aan de Tweede Kamer.

Tabel 133 Artikel 13 - Integratie en maatschappelijke samenhang

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

1a. Beleidsdoorlichtingen

  
 

Integratie en maatschappelijke samenhang

2017

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
 

Evaluatie Landelijk overleg minderhedenbeleid

2017

 

Evaluatie Kennisplatform Integratie en Samenleving

2017

 

Tussenmeting Actieplan zelfbeschikking

2017

 

Pre-evaluatie inburgering

2017

 

Tussentijdse evaluatie Taaleis

2017

 

Evaluatieonderzoek zelfbeschikking

2018

 

Evaluatie Wet inburgering 2013

2018

 

Evaluatie waardeoverdracht nieuwkomers

2018

 

Monitor inburgering buitenland

2018

 

Evaluatie wetswijziging remigratie

2018

 

Evaluatie training Omgaan met Extreme Idealen (OMEI)

2019

 

Rapport Verkenning jongeren en polarisatie

20191

 

Evaluatie buurtmonitor integratie

2019

 

Verbinding zoeken en bruggen bouwen

2019

 

Een nieuwe kijk op de Wet Inburgering 2013

2020

 

Evaluatie programma Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt

20202

 

Evaluatie werkclub tussenrapport

20203

 

Evaluatie programma voorbereiding op inburgering

2020

 

Evaluatie ESS

20214

 

Evaluatie VOI

20215

 

Overkoepelend evaluatieonderzoek culturele interventies

20216

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

  

2a. MKBA's

  
 

Niet van toepassing

 

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

  
 

Tussenrapport evaluatiekader VIA

2018

3. Overig onderzoek

  
 

Gewoon getrouwd. Onderzoek naar kindhuwelijken en religieuze huwelijken in Nederland

20167

 

Verdiepende studie 2015, de effecten van het integratiebeleid in Nederland

20168

 

Jaarrapport Integratie 2016

2016

 

Monitor anoniem solliciteren en netwerkbijeenkomsten

2016

 

De diverse samenleving door de ogen van burgers

2016

 

Verdiepend onderzoek inburgeraars (cohort 2013)

2016

 

Onderzoek asielzoekers statushouders vrijwilligerswerk

2016

 

Hoofdonderzoek maatschappelijke aansluiting kinderen EU-migranten

2017

 

Inburgering: Eerste resultaten van de Wet Inburgering 2013

2017

 

Deelonderzoek inburgeraars: inburgeringsonderwijs

2017

 

Onderwijs in het inburgeringsproces

2017

 

Monitor basisexamen Inburgering Buitenland 2016

2017

 

Onderzoek naar een barometer culturele diversiteit

2017

 

Pilot-study niet actieve inburgeringsplichtige

2018

 

Rapport Verdere integratie op de arbeidsmarkt (VIA)

2018

 

Vrijwilligerswerk: stimulans voor tijdige participatie en integratie?

2018

 

Jaarrapport Integratie 2018

2018

 

Actieonderzoek 5 pilots weerbaar opvoeden

2019

 

Kansen op de arbeidsmarkt van hoger opgeleide migrantenjongeren

20199

 

Pilot barometer culturele diversiteit

201910

 

Discriminatie in de werving en selectiefase

201911

 

Transnationalisering extreemrechts: de invloed van critical events in het buitenland op de activiteiten, populariteit en zichtbaarheid van extreemrechts in Nederland

201912

 

Draagvlak en animo imamopleiding

2019

 

Onbenut potentieel kwetsbare jongeren

2019

 

De mens Centraal? Onderzoek naar de kansrijke koppeling

2019

 

Onderzoeksrapport bureau Duwtje - Het juiste duwtje voor een beter passend taalniveau

2019

 

Onderzoek 'Inzicht in (non-)bereik onder kinderen van inburgeringsplichtingen in de voorschoolse educatie

2019

 

Onderzoeksrapport Langetermijneffecten re-integratie

2019

 

Turkse Nederlanders en hun binding met Nederland

2019

 

Onderzoeksrapport Kansen op instroom uit WW bekeken (art. 5 en 13)

2019

 

Financieel ontzorgen van statushouders op weg naar zelfredzaamheid: een precaire balans

2019

 

Financiële zelfredzaamheid van statushouders: een proces van begeleid loslaten

2019

 

Rapport veldonderzoek kosten wet inburgering

2019

 

Werkgevers over diversiteit op de werkvloer

2019

 

Triggerfactoren antizwart racisme

202013

 

Jaarrapport integratie 2020

2020

 

Longitudinaal cohortonderzoek asielzoekers en statushouders

2020

 

Asiel en integratie 2020- cohortonderzoek asielzoekers en statushouders

2020

 

Verkenning bevolking 2050

2020

 

Verkenning naar informele scholing in Nederland

2020

 

Rapport VN Rapporteur Racisme 2019

2020

 

Rapport focusgroepen moslimdiscriminatie

2020

 

monitor basisexamen inburgering buitenland 2019

2020

 

invloed van migratieachtergrond bijstandsgerechtigden op netto effectiviteit van werkloon

2020

 

monitor sociale inclusie (meting 4)

2020

 

Linguistic integration of adult migrants: requirements and learing opportunities

2020

 

(Quick)scan inburgeringsmarkt

202014

 

Vormen van mentoring en coaching die medewerkers met een niet-westerse migratieachtergrond helpen te behouden

202015

 

Steun voor de Nederlandse rechtsstaat onder statushouders

202016

 

Perspectief op taalverwerving bij nieuwkomers met een ontheffing

202017

 

Customer Journey Map Inburgering

202017

 

Inventarisatie good practices inzet gemeenten

202017

 

Survey Integratie migranten 2020

202118

 

Werkzame elementen die een inclusieve cultuur bij een werkgever versterken

202119

X Noot
1

In begroting 2019 opgenomen onder de titel «Onderbouwing en effectiviteit van jeugdinterventies die worden ingezet bij de preventie van radicalisering en polarisatie».

X Noot
2

In begroting 2020 opgenomen onder de titel: 'Evaluatiekader programma Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt(VIA)'.

X Noot
3

In begroting 2020 opgenomen onder de titel: 'Arbeidsmarktintegratie asielstatushouders Werkclub'.

X Noot
4

Dit onderzoek staat in de begroting 2020 dubbel aangegeven onder de titel «het effect van inburgering op participatie». Het onderzoek is vertraagd als gevolg van COVID-19. Naar verwachting wordt het onderzoek in 2021 opgeleverd.

X Noot
5

onderzoek is vergraagd als gevolg van COVID-19. Naar verwachting wordt het onderzoek in 2021 opgeleverd

X Noot
6

Dit onderzoek is 2020 uitgevoerd maar door vertraging in verband met COVID-19 is de publicatie verschoven naar 2021.

X Noot
7

In begroting 2016 stond dit onderzoek, genaamd ‘informele (kind)huwelijken’, gepland voor 2015 maar het is in februari 2016 naar de Tweede Kamer gestuurd.

X Noot
8

Dit onderzoek is gepubliceerd door het SCP onder de titel «Integratie in zicht».

X Noot
9

Het onderzoek valt onder het rapport «Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt».

X Noot
10

Dit onderzoek stond gepland voor 2018 maar is op 31 januari 2019 gepubliceerd door CBS.

X Noot
11

In begroting 2019 opgenomen onder de titel «Discriminatie bij werving en selectie op de arbeidsmarkt, replicatie van de virtuele praktijktest».

X Noot
12

Dit onderzoek is niet doorgegaan omdat er bij NCTV een soortgelijk initiatief liep.

X Noot
13

Dit onderzoek stond gepland voor 2019 maar zal worden afgerond in 2021, in verband met een langer durend inkooptraject.

X Noot
14

onderzoek is achterhaald en is daarom niet tot uitvoering gebracht

X Noot
15

Dit onderzoek is uiteindelijk niet in uitvoering gekomen. Het thema is meegenomen in één van de pilots die in het kader van VIA worden uitgevoerd.

X Noot
16

staat in begroting 2020 onder de naam 'binding, gedrag en rechtshandhaving'.

X Noot
17

dit onderzoek is uiteindelijk niet in uitvoering gekomen. Thema is ondergebracht in pilots in kader van de veranderopgave inburgering.

X Noot
18

onderzoek is vertraagd als gevolg van COVID-19. Naar verwachting wordt het onderzoek in 2021 opgeleverd

X Noot
19

dit onderzoek is uiteindelijk niet in uitvoering gekomen. Thema wordt opnieuw ondergebracht in een nog op te zetten onderzoek met uitvoering in 2021.

Bijlage 3: Inhuur externen

Uitgaven voor inkoop van adviseurs en tijdelijk personeel

Vanaf 2011 geldt als norm voor externe inhuur 10% van de personele uitgaven (motie Roemer). In onderstaande tabel staan de totale uitgaven voor externe inhuur van het kerndepartement en de Rijksdienst Caribisch Nederland.

Tabel 134 Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Verslagjaar 2020 (bedragen x € 1.000)

Programma- en apparaatskosten

 

1. Interim-management

381

2. Organisatie- en Formatieadvies

492

3. Beleidsadvies

846

4. Communicatieadvisering

1.375

Beleidsgevoelig (som 1 t/m 4)

3.093

  

5. Juridisch advies

354

6. Advisering opdrachtgevers automatisering

4.577

7. Accountancy, financiën en administratieve organisatie

1.869

(Beleids)ondersteunend (som 5 t/m 7)

6.800

  

8. Uitzendkrachten (formatie & piek)

3.121

Ondersteuning bedrijfsvoering

3.121

  

Totaal uitgaven inhuur externen

13.015

In 2020 bedroeg het totaal van de personele uitgaven € 308,5 miljoen. Dit is de som van € 295,5 miljoen personele uitgaven en € 13,0 miljoen externe inhuur. Het percentage externe inhuur komt hiermee op 4,2. Dit is een kleine stijging ten opzichte van het niveau van 2019 (4,1).

Rapportage overschrijding maximumuurtarief externe inhuur

Vanaf 2011 geldt dat ministeries rapporteren over het maximumuurtarief buiten de raamovereenkomsten om (motie De Pater – Van der Meer). Het maximumuurtarief vormt een aanvulling op het sturingsinstrumentarium externe inhuur (de procentuele uitgavennorm).

Tabel 135 Inhuur externen buiten raamovereenkomsten

Inhuur externen buiten raamovereenkomsten

2020

Aantal overschrijdingen maximumuurtarief

0

Toelichting

nvt

Bijlage 4: Focusonderwerp 2020, naleving CW 3.1

Het onderwerp ‘Toepassing van artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet 2016’ (CW 3.1) is focusonderwerp voor de verantwoording over 2020. CW 3.1 bepaalt dat voorstellen, voornemens en toezeggingen een toelichting moeten bevatten waarin wordt ingegaan op de nagestreefde doelstellingen, doeltreffendheid, doelmatigheid, beleidsinstrumenten die worden ingezet en financiële gevolgen. Bij voorstellen die tot een substantiële beleidswijziging leiden is ook een evaluatieparagraaf vereist conform de motie Van Weyenberg en Dijkgraaf (Kamerstukken II 2016/17, 34 725, nr. 8).

Pilot naar vergroten vindbaarheid CW 3.1

In het kader van de Operatie Inzicht in Kwaliteit vond in de periode 1 juni 2020 tot 12 februari 2021 een pilot plaats waarbij Kamerbrieven of voorstellen over nieuw of gewijzigd beleid met significante financiële gevolgen dienden te worden voorzien van een afzonderlijke bijlage waarin de verplichte aspecten van CW 3.1 worden toegelicht (Kamerstukken II 2019/20, 31 865, nr. 168). Voorts dienden voorstellen voor wet- of regelgeving voorzien te worden van herkenbare kopjes in de memorie of nota van toelichting die corresponderen met de onderdelen van CW 3.1. Aanleiding voor deze pilot vormde onder meer een onderzoek van de rapporteurs voor de Operatie Inzicht in Kwaliteit, Sneller en Snels, waarin werd aanbevolen om de vindbaarheid van toelichtingen te vergroten zodat de dialoog hierover met de Tweede Kamer kan worden verbeterd (Kamerstukken II, 2018/19, 31 865, nr. 152).

Bij SZW liepen beleidsvoorstellen met significante financiële gevolgen (meer dan € 20 miljoen in enig jaar) die tussen 1 juli 2020 en 12 februari 2021 naar de Tweede Kamer zijn verzonden mee in de pilot. In totaal waren dit zeven trajecten (zie tabel). De eerste zes trajecten zijn voorzien van een CW 3.1-bijlage. Alhoewel deze trajecten eigenlijk voorstellen voor wet- of regelgeving betroffen is toch gekozen voor een bijlage, omdat het eerste traject een hoofdlijnenbrief betrof en de andere vijf trajecten al in een vergevorderd stadium waren ten tijde van de aankondiging van de pilot. Voor het laatste traject ‘Verhogen WKB vanaf derde kind’ is gewerkt met kopjes in de nota van toelichting.

Tabel 136 Overzichtstabel voorstellen pilot CW 3.1

Onderwerp voorstel

Vindplaats

Hoofdlijnenbrief effectievere WTL

Vindplaats

Gedifferentieerde AOF-premie naar grootte werkgever en aanpassing VCR

Vindplaats

Keuzerecht bedrag ineens als onderdeel van de wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen

Vindplaats

Uitbreiden verlofsparen als onderdeel van de wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen

Vindplaats

Vrijstelling RVU-heffing als onderdeel van de wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen

Vindplaats

Wet betaald ouderschapsverlof

Vindplaats

Verhogen WKB vanaf derde kind

Vindplaats

Toepassing en naleving CW 3.1 bij SZW

Op basis van alleen deze pilot is het moeilijk vast te stellen in hoeverre het opstellen van een afzonderlijke bijlage de toepassing en naleving van CW 3.1 heeft verbeterd. Bij SZW waren veel trajecten al in een vergevorderd stadium ten tijde van de aankondiging van de pilot. CW 3.1 is na de start van de pilot dan ook niet op een wezenlijk andere manier toegepast dan daarvoor, maar er is door middel van de pilot wel extra aandacht gekomen voor het expliciet maken van deze onderbouwing en is daardoor ook vindbaarder aan de Tweede Kamer aangeboden.

Het Ministerie van Financiën voert periodiek halfjaarlijkse rijksbrede monitors uit over de naleving van CW 3.1. van de voorstellen met significante financiële gevolgen. Met naleving wordt bedoeld het aanwezig zijn van een toelichting in voorstellen aan de Tweede Kamer op de elementen van CW 3.1 en de evaluatieparagraaf. Voor het hele jaar 2020 is er door het Ministerie van Financiën in het kader van het focusonderwerp gekozen om een steekproef te nemen van alle voorstellen die naar de Tweede Kamer zijn gegaan en deze te beoordelen op de naleving van CW 3.1. Op basis van deze monitor over 2020 kan wel een algemeen beeld gegeven worden van de naleving van de onderbouwing bij SZW4, namelijk: in alle gevallen was er een toelichting op de doelen, de gekozen beleidsinstrumenten en de nagestreefde doeltreffendheid aanwezig; indien van toepassing was er in bijna alle gevallen ook een toelichting op de financiële gevolgen aanwezig; bij de helft van de voorstellen was geen toelichting opgenomen over de nagstreefde doelmatigheid; ten slotte, wat betreft de evaluatieparagaaf, ontbrak hierin nog vaak een evaluatieplan. Dat laatste volgt vaak wel in een later stadium.

Monitoren en evalueren van coronamaatregelen

Vanwege de politieke en maatschappelijke druk om snel sociaaleconomische steunpakketten op te tuigen om de economische schade van de coronamaatregelen te beperken, in combinatie met beperkte ambtelijke capaciteit, is voor de corona-gerelateerde voorstellen van SZW geen CW 3.1-bijlage meegestuurd.

Uiteraard worden de verschillende steunmaatregelen van SZW wel gemonitord en geëvalueerd. Op 18 december is de Tweede Kamer door de Ministers van Financiën, EZK en SZW geïnformeerd over de beoogde evaluatie-aanpak van de budgettair meest omvangrijke sociaaleconomische steunpakketten op het terrein van Financiën, EZK en SZW (Kamerstukken II 2020/21, 35 420, nr. 227).  Daarin staat beschreven dat de evaluaties van de steunmaatregelen NOW en Tozo vooralsnog zijn voorzien voor 2023. In de tussentijd worden de verschillende steunpakketten gemonitord en wordt de Tweede Kamer periodiek geïnformeerd over het gebruik van deze maatregelen.

Bijlage 5: Verantwoording EU-middelen in gedeeld beheer

Europees Sociaal Fonds en Europees Fonds voor Meest Behoeftigen

Op basis van de informatie uit de verklaringen en rapporten van de managementautoriteit, certificeringsautoriteit en auditautoriteit en alle overige informatie en met inachtneming van hetgeen na punt 3 vermeld wordt, wordt geconstateerd dat inzake het ESF en EFMB over de periode 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020:

  • 1. de door Nederland opgezette systemen en daarin vervatte maatregelen voor het beheer en de controle van de gelden naar behoren hebben gefunctioneerd;

  • 2. de jaarrekening van de Certificeringsautoriteit, in de context van bovengenoemde informatie volledig, nauwkeurig en waarachtig is;

  • 3. de uitgaven die ter vergoeding bij de Europese Commissie zijn ingediend (per saldo € 29.912.701, aandeel overheidsuitgaven € 17.548.494, aandeel ESF € 15.247.063) in alle materiële opzichten wettig en regelmatig zijn.

Bovenstaande constateringen en eventuele punten van voorbehoud zijn beperkt tot zaken van materieel belang en vloeien direct voort uit audits en laten onverlet inherente interpretatie van Europese regelgeving. De bekende onderzoeken en/of correctievoorstellen in verband met de goedkeuring van de ingediende rekeningen door de Europese Commissie zijn opgenomen in de toelichting.

Toelichting

Verklaring Certificeringsautoriteit

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft, in de functie van Certificeringsautoriteit, verklaard dat de jaarrekening volledig, nauwkeurig en waarachtig is, dat de in de jaarrekening opgenomen uitgaven in overeenstemming zijn met het toepasselijke recht en zijn gedaan voor concrete acties die zijn geselecteerd aan de hand van de voor het operationeel programma geldende criteria en dat de bepalingen van de fondsspecifieke verordeningen in acht zijn genomen.

Rapportages Auditautoriteit

De Auditdienst Rijk heeft, in de functie van Auditautoriteit, geoordeeld dat het toegepaste beheers- en controlesysteem naar behoren functioneert, de jaarrekening een getrouw beeld geeft, en de uitgaven in de jaarrekening wettig en regelmatig zijn. Tevens worden de beweringen in de beheersverklaring van de managementautoriteit door de uitgevoerde auditwerkzaamheden niet in twijfel worden getrokken.

Beheersverklaring Managementautoriteit

De Managementautoriteit heeft verklaard dat de informatie in de jaarrekening naar behoren wordt weergegeven. Dit betekent dat de uitgaven die in de jaarrekening zijn opgenomen, zijn gebruikt voor het beoogde doel, zoals gedefinieerd in onderhevige verordening en overeenkomstig zijn met het beginsel van goed financieel beheer en het beheers- en controlesysteem de nodige garanties biedt met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, in overeenstemming met het toepasselijke recht.

Bekende lopende onderzoeken en/of correctievoorstellen (Europese Commissie, Europese Rekenkamer, OLAF)

De Europese Commissie bepaalt uiteindelijk de EU-conformiteit van de nationale implementatie en uitvoering van EU-regelgeving. De Europese Commissie kan financiële correcties opleggen als zij concludeert dat EU-regelgeving niet op de juiste wijze door de lidstaat is geïnterpreteerd en/of uitgevoerd. Het antifraude-DG van de Europese Commissie (OLAF) kan onderzoeken starten naar onregelmatigheden, waaronder vermoedens van fraude met EU-subsidies.

Ultimo 2020 loopt er een onderzoek vanuit de Europese Commissie.

Sinds het vorige verantwoordingsmoment heeft de Managementautoriteit een vermoeden van fraude bij OLAF gemeld.

Bijlage 6: Lijst van afkortingen

Tabel 137 Lijst van afkortingen

AC

Audit Committee

ADR

Auditdienst Rijk

AFM

Autoriteit Financiële Markten

AIO

Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen

AKW

Algemene Kinderbijslagwet

AMvB

Algemene Maatregel van Bestuur

Anw

Algemene Nabestaandenwet / Nabestaandenfonds

AO/IB

Administratieve Organisatie en Interne Beheersing

Aof

Arbeidsongeschiktheidsfonds

AOV

Algemene Ouderdomsverzekering Caribisch Nederland

AOW

Algemene Ouderdomswet / Ouderdomsfonds

AR

Algemene Rekenkamer

Arbo

Arbeidsomstandigheden

ATW

Arbeidstijdenwet

AUT

Adviescommissie uitvoering toeslagen

avv

Algemeen verbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten

Awf

Algemeen Werkloosheidsfonds

AWVN

Algemene Werkgeversvereniging Nederland

AWW

Algemene Weduwen- en Wezenverzekering Caribisch Nederland

AZC

Asielzoekerscentrum

Bbz

Besluit bijstandsverlening zelfstandigen

BES

Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (samen Caribisch Nederland)

BIKK

Bijdrage In Kosten heffingskortingen

BKWI

Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen

BmGS

Bedrijven met Gevaarlijke Stoffen

Brzo

Besluit risico’s zware ongevallen

BSO

Buitenschoolse Opvang

BZK

(Ministerie van) Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

CAF

Combiteam Aanpak Facilitators

cao

Collectieve arbeidsovereenkomst

CASS

Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de Rijnvarenden

CBS

Centraal Bureau voor de Statistiek

CEP

Centraal Economisch Plan

CJIB

Centraal Justitieel Incassobureau

CMD

Common Mental Disorders

CN

Caribisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius, Saba)

COA

Centraal Orgaan opvang Asielzoekers

CPB

Centraal Planbureau

Ctgb

College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden

C.V.

Commanditaire Vennootschap

CW

Comptabiliteitswet

DG

Directoraat-generaal

DI

Duurzame inzetbaarheid

DICTU

Dienst ICT Uitvoering

Divosa

Vereniging van directeuren van gemeentelijke sociale diensten

DKIZ

Dubbele kinderbijslag voor thuiswonende kinderen met intensieve zorg

DKOR

Dubbele kinderbijslag voor uitwonende kinderen om onderwijsredenen

DNB

De Nederlandsche Bank

DUO

Dienst Uitvoering Onderwijs

DWSRA

Dienstverlening Werkzoekenden en projecten Samenwerking en Regie Arbeidsmarkt

EER

Europese Economische Ruimte

EESSI

Electronic Exchange of Social Security Information

EFMB

Europees Fonds voor Meest Behoeftigen

EGF

Europees Globalisatiefonds

ENSIA

Eenduidige Normatiek Single Information Audit

ESB-regeling

Subsidieregeling scholing en re-integratie van personen met arbeidsbeperkingen en Ernstige Scholingsbelemmeringen

ESF

Europees Sociaal Fonds

ESS

Expertise-unit Sociale Stabiliteit

EU

Europese Unie

EUSF

Europese Unie Solidariteitsfonds

EZK

(Ministerie van) Economische Zaken en Klimaat

fte

Fulltime equivalent

ftk

Financieel toetsingskader

GGD

Gemeentelijke of Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst

GO

Gastouderopvang

GTI

Geïntegreerde Territoriale Investering

Havo

Hoger algemeen voortgezet onderwijs

IB

Inlichtingenbureau

IBO

Interdepartementaal Beleidsonderzoek

ICF

Inspectie Control Framework

IOAOW

Inkomensondersteuning AOW-gerechtigden

IOAW

Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte werkloze Werknemers

IOAZ

Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte gewezen Zelfstandigen

IOW

Inkomensvoorziening Oudere Werklozen

ISB

Incidentele suppletoire begroting

IVA

Inkomensvoorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten

J&V

(Ministerie van) Justitie en Veiligheid

Jeugd-LIV

Tegemoetkoming verhoging minimumjeugdloon, of Minimumjeugdloonvoordeel

KDV

Kinderdagverblijf

KOT

Kinderopvangtoeslag

LAO

(Regeling Compensatie transititievergoeding bij) langdurige arbeidsongeschiktheid

LCR

Landelijke Cliëntenraad

LIV

Lage-inkomensvoordeel

LKK

Landelijke Kwaliteitsmonitor Kinderopvang

LKV

Loonkostenvoordeel

LLO

Leven Lang Ontwikkelen

LRK

Landelijk Register Kinderopvang en peuterspeelzalen

LSI

Landelijke Stuurgroep Interventieteams

mbo

Middelbaar Beroepsonderwijs

MDIEU

Maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden

MenO

Misbruik en Oneigenlijk Gebruik

MEV

Macro-economische Verkenning

MIP

Meerjarig investeringsprogramma duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen

MJP

Meerjarenprogramma

mkb

Midden- en kleinbedrijf

MKBA

Maatschappelijke Kosten-Batenanalyse

MKOB

Mogelijkheid Koopkrachttegemoetkoming voor Oudere Belastingplichtigen

Mln

Miljoen

Mow

Matchen op werk

MTO

Medewerkerstevredenheidsonderzoek

NBA

Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants

NCTV

Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid

Nibud

Nationaal instituut voor budgetvoorlichting

NOW

Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid

NT2

Nederlands als tweede Taal

NvW

Nota van Wijziging

NWO

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

OBR

Overbruggingsregeling AOW

OCW

(Ministerie van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

OLAF

Europees Bureau voor fraudebestrijding

OMEI

Omgaan met Extreme Idealen

OPC

Ouderparticipatiecrêche

OPS

Organo Psycho Syndroom

OSHA

Occupational Safety and Health Agency

OV

Ongevallenverzekering Caribisch Nederland

P&C-cyclus

Planning- en controlcyclus

PGB

Persoonsgebonden budget

PGV

(Stichting Projectenbureau) Publieke Gezondheid en Veiligheid Nederland

POK

Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag

PSZ

Peuterspeelzaal

PWRI

Pensioenfonds Werk en (Re-)Integratie

RBV

Rijksbegrotingsvoorschriften

RCN

Rijksdienst Caribisch Nederland (unit Sociale Zaken en Werkgelegenheid)

RHB

Rijkshoofdboekhouding

RI&E

Risico-inventarisatie en -evaluatie

RIVM

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

RSO

Rijksschoonmaakorganisatie

RVU

Regelingen voor vervroegde uittreding

RWI

Raad voor Werk en Inkomen

rwt

Rechtspersoon met een Wettelijke Taak

S&I

Directie Samenleving en Integratie

Sam&

Samenwerkingsverband van Leergeld Nederland, Jeugdfonds Sport & Cultuur, Nationaal Fonds Kinderhulp en Stichting Jarige Job

SBB

Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven

SBCM

Stichting Beheer Collectieve Middelen

SCP

Sociaal en Cultureel Planbureau

SER

Sociaal-economische Raad

SES

Sociaal-economische status

SITS

Sociale Innovatie en Transnationale Samenwerking

SLIM

Stimuleringsregeling leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen

SMA-rt

Stoffen Manager Asbest Risico Techniek

SMI

Sociaal Medische Indicatie

SSC-ICT

Shared Service Center ICT

SSO

Shared Service Organisatie

STAP

Stimulering arbeidsmarktpositie

Stb.

Staatsblad

Stcrt.

Staatscourant

SUWI

Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen

SVB

Sociale Verzekeringsbank

SVK

Scenariostudie Vormgeving Kindvoorzieningen

Sw

Sociale werkvoorziening

SZ

Sociale Zekerheid

SZW

(Ministerie van) Sociale Zaken en Werkgelegenheid

T&D

Toeslagen en Douane

T&I

Taal- en interactievaardigheden

TAS

Regeling Tegemoetkoming Asbestslachtoffers

TAZ

Toekomst Arbeidsgerelateerde Zorg

TCU

Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties

TNO

Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek

TOFA

Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten

TOG

Tegemoetkoming Onderhoudskosten thuiswonende Gehandicapte kinderen

TONK

Tijdelijke Ondersteuning Noodzakelijke Kosten

Tozo

Tijdelijke overbruggingsregeling voor zelfstandig ondernemers

TSD

Toezicht Sociaal Domein

TTKO

Tijdelijke tegemoetkomingsregeling Kinderopvangtoeslag

TW

Toeslagenwet

Twv

Tewerkstellingsvergunning

UBR

Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk

Ufo

Uitvoeringsfonds voor de overheid

USD

Amerikaanse dollar

UVB

Directie-onderdeel Uitvoering Van Beleid

UWV

Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen

VBFVGW

Verdieping Blijvend Fit Veilig en Gezond Werken

VIA

Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt

VIP

Validatie- en Innovatiepunt

VN

Verenigde Naties

VNG

Vereniging Nederlandse Gemeenten

VOI

Veranderopgave inburgering

vut

Vervroegde uittreding

Vwo

Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs

VWS

(Ministerie van) Volksgezondheid, Welzijn en Sport

W&I

Werk en Inkomen

Waadi

Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs

Wab

Wet arbeidsmarkt in balans

WagwEU

Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie

Wajong

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten

WAO

Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering

Was

Wet aanpak schijnconstructies

Wav

Wet arbeid vreemdelingen

WaU

Werk aan Uitvoering

WAZ

Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen

WAZO

Wet Arbeid en Zorg

WGA

Regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten

Wgs

Wet gemeentelijke schuldhulpverlening

Whk

Werkhervattingskas

WIA

Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen

WIEG

Wet Invoering Extra Geboorteverlof

WKB

Wet op het Kindgebonden Budget

Wko

Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen

Wlz

Wet langdurige zorg

Wml

Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag / Wettelijk minimumloon

Wmo

Wet maatschappelijke ondersteuning

WNT

Wet Normering bezoldiging Topfunctionarissen publieke en semipublieke sector

WOL

Werken op locatie

WOR

Wet op de Ondernemingsraden

Wsw

Wet sociale werkvoorziening

Wtl

Wet tegemoetkomingen loondomein

Wtv

Regeling werktijdverkorting

WW

Werkloosheidswet

Wwz

Wet werk en zekerheid

zbo

Zelfstandig Bestuursorgaan

ZEZ

Regeling Zelfstandig En Zwanger

ZonMw

Nederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie

ZV

Ziekteverzekering Caribisch Nederland

ZW

Ziektewet

zzp

Zelfstandige zonder personeel