Gepubliceerd: 2 november 2020
Indiener(s): de Graaf (D66) , Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en milieu) (VVD)
Onderwerpen: bodem natuur en milieu organisatie en beleid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35618-4.html
ID: 35618-4

Nr. 4 ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT1

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State d.d. 19 augustus 2020 en het nader rapport d.d. 27 oktober 2020, aangeboden aan de Koning door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, mede namens de Minister voor Rechtsbescherming. Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 27 mei 2020, nr. 2020001056, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 19 augustus 2020 nr. W17.20.0153/IV, bied ik U hierbij aan.

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is hierna cursief opgenomen.

Bij Kabinetsmissive van 27 mei 2020, no.2020001056, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, mede namens de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek BES ter uitvoering van het op 23 maart 2001 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie, 2001 (Trb. 2005, 329), met memorie van toelichting.

Deze wet strekt ertoe voor de BES-eilanden uitvoering te geven aan het op 23 maart 2001 gesloten Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie (Bunkerolieverdrag). Dit gebeurt door een nieuwe afdeling 5 aan Titel 6 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek BES toe te voegen. Hierbij is aansluiting gezocht bij het deel van Boek 8 BW dat geldt voor Europees Nederland. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat de aansprakelijkheden die voortvloeien uit het Bunkerolieverdrag ook ingeroepen kunnen worden bij schade door verontreiniging door bunkerolie op de BES-eilanden.

De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over de volgorde tussen de toetreding tot het Bunkerolieverdrag en de implementatie van de uitvoeringswetgeving.

Het Bunkerolieverdrag is in het kader van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) tot stand gekomen en is op 21 november 2008 in werking getreden. Europees Nederland is op 23 maart 2010 toegetreden en het Bunkerolieverdrag is een jaar daarna in werking getreden voor Europees Nederland. Daartoe is Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek gewijzigd.

De toelichting vermeldt dat de wet voorziet in de toetreding van de BES-eilanden tot het Bunkerolieverdrag. Dat is niet het geval, omdat de wet slechts voorziet in de benodigde uitvoeringswetgeving voor de BES-eilanden. Het implementeren van uitvoeringswetgeving is een interne, nationale aangelegenheid. Voor toetreding is een externe verklaring aan de Secretaris-Generaal van de IMO vereist. Pas met het deponeren van deze verklaring treden ook de BES-eilanden toe tot het Bunkerolieverdrag. Het Bunkerolieverdrag treedt dan drie maanden na het deponeren van de toetredingsverklaring in werking voor de BES-eilanden. Het verdient aanbeveling om de uitvoeringswetgeving gelijktijdig met het Bunkerolieverdraq in werking te laten treden.

De Afdeling adviseert in de toelichting expliciet te vermelden op welke wijze de wetgever toetreding van de BES-eilanden tot het Bunkerolieverdrag zal bewerkstelligen en hoe dit zich verhoudt tot de implementatie van de uitvoeringswetgeving.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een opmerking bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.

De vicepresident van de Raad van State,

Th.C. de Graaf

Het voorstel kan na de parlementaire behandeling van kracht worden op de datum waarop het Koninkrijk der Nederlanden, voor het Caribische deel van Nederland (de BES-eilanden), een verklaring tot uitbreiding van de gelding van het verdrag heeft neergelegd bij de depositaris van het verdrag, de Secretaris-Generaal van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) te Londen. De datum van nederlegging van deze verklaring is de datum waarop het verdrag, dat thans alleen geldt voor het Europese deel van Nederland, eveneens van toepassing wordt op het Caribische deel van Nederland. Om te kunnen voldoen aan de eisen van het verdrag dient de in het voorstel opgenomen uitvoeringswetgeving op de datum van nederlegging van de verklaring in werking te treden. De datum van nederlegging van de verklaring tot uitbreiding wordt in overleg met de Nederlandse ambassadeur in Londen afgestemd met de datum waarop de uitvoeringswetgeving in werking treedt.

Ik moge U, mede namens de Minister voor Rechtsbescherming, verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga