Gepubliceerd: 27 oktober 2020
Indiener(s): Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66)
Onderwerpen: organisatie en beleid sociale zekerheid werk
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35613-4.html
ID: 35613-4

Nr. 4 ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State d.d. 30 september 2020 en het nader rapport d.d. 23 oktober 2020, aangeboden aan de Koning door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 14 juli 2020, no. 2020001396, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen.

Dit advies, gedateerd 30 september 2020, no. W12.20.0271/III, bied ik U hierbij aan.

Het advies treft U hieronder aan, voorzien van mijn reactie.

Bij Kabinetsmissive van 14 juli 2020, no. 2020001396, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet arbeid en zorg, de Wet flexibel werken en enige andere wetten in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad (PbEU 2019, L 188) (Wet betaald ouderschapsverlof), met memorie van toelichting.

Het wetsvoorstel betaald ouderschapsverlof dient ter implementatie van richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van richtlijn 2018/18/EU van de Raad (hierna: Richtlijn (EU) 2019/1158). Richtlijn (EU) 2019/1158 bevat een aantal maatregelen om werknemers beter in staat te stellen arbeid en zorg te combineren. De maatregelen betreffen een breed palet aan mogelijkheden om de verplichtingen van het werk af te stemmen op de zorg voor jonge kinderen en taken in het kader van mantelzorg. Zo voorziet de richtlijn onder andere in tien werkdagen betaald geboorteverlof voor partners en vier maanden ouderschapsverlof per ouder waarvan twee maanden niet overdraagbaar zijn op de andere ouder.

De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over het geboorteverlof voor militaire ambtenaren. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van de toelichting en zo nodig van het wetsvoorstel.

1. Geboorteverlof voor militaire ambtenaren

Werknemers in Nederland hebben momenteel recht op (aanvullend) geboorteverlof wanneer hun vrouw of partner is bevallen.1 Voor militaire ambtenaren is dit recht geclausuleerd. Voor die groep kan het (aanvullend) geboorteverlof momenteel wegens «zwaarwegend dienstbelang» en afgewogen tegen het belang van de militaire ambtenaar geweigerd of eerder beëindigd worden.2 De reden daarachter is dat militairen te allen tijde beschikbaar en inzetbaar moeten zijn. Van een zwaarwegend dienstbelang is in ieder geval sprake bij het varen, het vliegen en oefeningen en de direct daarmee samenhangende werkzaamheden en de daadwerkelijke inzet van de krijgsmacht en de voorbereiding daarop.3

Op grond van richtlijn (EU) 2019/1158 is het weigeren of eerder beëindigen van het geboorteverlof van militaire ambtenaren niet toegestaan, aldus ook de toelichting. Om die reden stelt de regering voor dat ingeval van zwaarwegend dienstbelang het recht op (aanvullend) geboorteverlof blijft bestaan. Indien een zwaarwegend dienstbelang zich tegen onmiddellijke opneming verzet, dient de militaire ambtenaar beide verlofvormen, eerst het geboorteverlof en vervolgens het aanvullend geboorteverlof, dan binnen een jaar na de dag van de bevalling te kunnen opnemen.4 De Afdeling merkt hierover het volgende op.

Richtlijn (EU) 2019/1158 verplicht de lidstaten om te waarborgen dat partners recht hebben op geboorteverlof van tien werkdagen dat «ter gelegenheid van de geboorte van het kind» van de werknemer wordt opgenomen.5 Dit verlof moet «rond het tijdstip van de geboorte van het kind worden opgenomen en moet duidelijk aan de geboorte gekoppeld zijn met het oog op het verstrekken van zorg».6

Dit roept de vraag op hoe de voorgestelde uitzonderingspositie voor militaire ambtenaren zich hiertoe verhoudt. In het bijzonder is het de vraag of het opnemen van de verloven binnen een jaar na de dag van de bevalling nog beschouwd kan worden als «rond het tijdstip van de geboorte». Dat gelet op de bijzondere positie van militaire ambtenaren een goede balans wordt gezocht tussen hun dienstbelangen en zorgtaken is begrijpelijk. Onduidelijk is echter waarom, gelet op de eisen van de richtlijn, een periode van bijvoorbeeld zes maanden niet zou volstaan.

De Afdeling adviseert in de toelichting aandacht te schenken aan het voorgaande en het voorstel zo nodig aan te passen.

Het advies van de Afdeling is ter harte genomen. Bedacht moet worden dat er bij de werkzaamheden van de krijgsmacht soms zwaarwegende dienstbelangen kunnen zijn die opneming van het verlof tijdelijk bemoeilijken, bijvoorbeeld wanneer een militaire ambtenaar op (een langdurige) missie in het buitenland is. Anderzijds dient het geboorteverlof, zoals de Afdeling aangeeft, wel gekoppeld te blijven aan het verlenen van zorg rond de geboorte van het kind. Aanvankelijk werd gedacht hiervoor, in de geschetste omstandigheden, bij militaire ambtenaren een termijn van maximaal een jaar voor te nemen. In overleg met het Ministerie van Defensie is besloten deze termijn terug te brengen tot maximaal negen maanden na de geboorte van het kind.7 Voor anderen geldt een termijn van zes maanden waarbinnen het (aanvullend) geboorteverlof kan worden opgenomen. Hiermee is in mijn ogen een betere balans gevonden tussen enerzijds het zwaarwegend dienstbelang, zoals zich dat in de specifieke omstandigheden waarin de militaire ambtenaar werkzaam is voor kan doen, en anderzijds het recht van de militaire ambtenaar om in de eerste periode na de geboorte van het kind een aantal weken verlof te kunnen nemen.

2. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

Met de opmerking die de Afdeling in de redactionele bijlage van het advies heeft opgenomen is rekening gehouden.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een opmerking bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.

De vice-president van de Raad van State,

Th.C. de Graaf

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om het wetsvoorstel en de memorie van toelichting nog op enige onderdelen aan te passen:

  • allereerst kent de Wet arbeid en zorg niet de uitbreiding en de beperking van de kring van verzekerden, zoals die is opgenomen in de materiewetten van de werknemersverzekeringen (zie bijvoorbeeld de artikelen 3 en 3a van de Ziektewet). Hoewel deze grensnormen in de Wet arbeid en zorg zelf niet zijn terug te vinden, wordt bijvoorbeeld in artikel 3:6 van de Wet arbeid en zorg wel verwezen naar de Ziektewet, waardoor deze grensnormen wel toepasselijk worden. In zowel het voorgestelde artikel 6:3, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg, als de voorgestelde leden 7 van artikel 4:2b en van artikel 6:3 ontbrak een dergelijke verwijzing. Die verwijzingen zijn alsnog opgenomen en toegelicht;

  • ten tweede is in artikel 6:6 van de Wet arbeid en zorg een (bestaande) bepaling opgenomen die het mogelijk maakt om een ingediend verzoek om ouderschapsverlof op te nemen, in te trekken of te wijzigen. Een dergelijke bepaling ontbrak ten aanzien van een ingediend verzoek om aanvullend geboorteverlof op te nemen. Daarin is thans alsnog voorzien (nieuw artikel 4:4a van de Wet arbeid en zorg). Artikel 6:6 van de Wet arbeid en zorg is hiermee in overeenstemming gebracht. Artikel 4:4a zal de dag na plaatsing van de wet in het Staatsblad in werking treden nu dit het reeds bestaande aanvullend geboorteverlof betreft;

  • bij nader inzien bleek nog een aanvulling noodzakelijk van artikel 19, achtste lid, van de Werkloosheidswet, om te voorkomen dat in bepaalde gevallen het recht op een WW-uitkering onbedoeld wordt uitgesloten. Deze aanvulling is toegevoegd aan artikel VI van het wetsvoorstel. De artikelsgewijze toelichting is met het oog hierop aangevuld. Voor de inhoud van de wijziging zij verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel VI, onderdeel B, van het wetsvoorstel;

  • aangepast is verder artikel XII (Samenloop met het wetsvoorstel Uitvoeren breed offensief) nu ten aanzien van laatst genoemd wetsvoorstel, een tweede nota van wijziging is ingediend die wijzigingen aanbrengt in de Wet arbeid en zorg (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 12);

  • ten slotte is in artikel XIII een nieuwe samenloopbepaling opgenomen met betrekking tot het op 2 september jl. ingediende wetsvoorstel wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen, om te voorzien in differentiatie naar grootte van de werkgever bij de premieheffing voor het arbeidsongeschiktheidsfonds en om de systematiek van voortschrijdend cumulatief rekenen aan te passen (Kamerstukken 35 556).

Ik verzoek U het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W12.20.0271/III

  • Toelichten hoe het verstrekken van het BSN van het kind door de Minister van BZK aan het UWV zich verhoudt tot artikel 6, eerste en derde lid van de AVG.