Gepubliceerd: 15 september 2020
Indiener(s): Kajsa Ollongren (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35570-VII-2.html
ID: 35570-VII-2

Ontvangen 15 september 2020

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Vergaderjaar 2020–2021

GERAAMDE UITGAVEN EN ONTVANGSTEN

Figuur 1 Geraamde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 6.642.953.000

Figuur 2 Geraamde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 666.431.000.

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastenagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld en worden de verplichtingen, ontvangsten en uitgaven van verplichtingen-kasagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,K.H.Ollongren

B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN

1. Leeswijzer

Algemeen

Voor u ligt de begroting 2021 van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII).

Groeiparagraaf

  • De begroting 2021 bouwt voort op de ontwikkeling van de begroting 2020. In deze begroting is een eerste uitwerking opgenomen van de strategische evaluatieagenda, in samenwerking met de rijksbrede operatie Inzicht in Kwaliteit. Doel hiervan is een verbeterd inzicht te verkrijgen in de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid.

  • Nieuw in de begroting 2021 is beleidsartikel 10, waarin de inzet van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) met betrekking tot de versterking van Groningen wordt toegelicht.

  • Nieuw is ook het overzicht rijksuitgaven compensatiepakket Zeeland in bijlage 7, waarin de inzet van het kabinet met betrekking tot het compensatiepakket Zeeland wordt toegelicht.

Beleidsagenda

De beleidsagenda geeft een overzicht van de hoofdlijnen van het beleid. De beleidsagenda wordt afgesloten met de volgende vier overzichten:

  • Overzichtstabel met de belangrijkste beleidsmatige mutaties

  • Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

  • Strategische evaluatieagenda

  • Overzicht van RisicoregelingenIn de beleidsagenda zijn de tabellen ‘Garanties‘ en ‘Achterborgstellingen‘ opgenomen. Het betreft de Rijkshypotheekgaranties en de achterborgstellingen voor het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) en het Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW).

Beleidsartikelen

In de beleidsartikelen staan de beleids- en de financiële informatie over de voorgenomen uitgaven. De begroting van het Ministerie van BZK bevat negen artikelen:

  • artikel 1 Openbaar bestuur en democratie

  • artikel 2 Nationale veiligheid

  • artikel 3 Woningmarkt

  • artikel 4 Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit

  • artikel 5 Ruimtelijke ordening en omgevingswet

  • artikel 6 Overheidsdienstverlening en informatiesamenleving

  • artikel 7 Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid

  • artikel 9 Uitvoering Rijksvastgoedbeleid

  • artikel 10 Groningen versterken en perspectief

Een beleidsartikel is opgebouwd uit de volgende elementen:

  • A. Algemene doelstelling

  • B. Rol en verantwoordelijkheid

  • C. Beleidswijzigingen

  • D. Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

  • E. Toelichting op de instrumenten

Budgetflexibiliteit

De peildatum van de gepresenteerde budgetflexibiliteit (op basis van juridische verplichtingen) is 1 januari 2021.

Niet-beleidsartikelen

De begroting van BZK bevat drie niet-beleidsartikelen:

  • artikel 11 Centraal apparaat

  • artikel 12 Algemeen

  • artikel 13 Nog onverdeeld

Begroting agentschappen

De begroting van BZK kent de volgende acht baten-lastenagentschappen:

  • Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG)

  • Logius

  • P-Direkt

  • Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR)

  • FMHaaglanden (FMH)

  • Shared Service Centrum ICT (SSC-ICT)

  • Rijksvastgoedbedrijf (RVB)

  • Dienst van de Huurcommissie (DHC)

Bijlagen

De begroting van BZK bevat zeven bijlagen:

  • 1. Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak

  • 2. Verdiepingsbijlage

  • 3. Moties en toezeggingen

  • 4. Subsidieoverzicht

  • 5. Evaluatie- en overig onderzoek

  • 6. Specifieke uitkeringen

  • 7. Overzicht rijksuitgaven compensatiepakket Zeeland

Het uitgangspunt is om in de verdiepingsbijlage de beleidsmatige en technische mutaties toe te lichten die groter zijn dan of gelijk zijn aan de ondergrens zoals deze in de Rijksbegrotingsvoorschriften 2020 (RBV 2020) is opgenomen, de zogenaamde staffel, te weten:

Tabel 1 Ondergrens (staffel) op basis van de Rijksbegrotingsvoorschriften 2020

Artikel

Beleidsmatige mutaties (ondergrens in €)

Technische mutaties (ondergrens in €)

1. Openbaar bestuur en democratie

Verplichtingen/Uitgaven: 2 mln.Ontvangsten: 1 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 4 mln.Ontvangsten: 2 mln.

2. Nationale Veiligheid

Verplichtingen/Uitgaven: 5 mln.Ontvangsten: 1 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 10 mln.Ontvangsten: 2 mln.

3. Woningmarkt

Verplichtingen/Uitgaven: 10 mln.Ontvangsten: 5 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 20 mln.Ontvangsten: 10 mln.

4. Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit

Verplichtingen/Uitgaven: 5 mln.Ontvangsten: 1 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 10 mln.Ontvangsten: 2 mln.

5. Ruimtelijke ordening en omgevingswet

Verplichtingen/Uitgaven: 2 mln.Ontvangsten: 1 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 4 mln.Ontvangsten: 2 mln.

6. Overheidsdienstverlening en informatiesamenleving

Verplichtingen/Uitgaven: 2 mln.Ontvangsten: 1 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 4 mln.Ontvangsten: 2 mln.

7. Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid

Verplichtingen/Uitgaven: 1 mln.Ontvangsten: 1 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 2 mln.Ontvangsten: 2 mln.

9. Uitvoering Rijksvastgoedbeleid

Verplichtingen/Uitgaven: 2 mln.Ontvangsten: 2 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 4 mln.Ontvangsten: 4 mln.

10. Groningen versterken en perspectief

Verplichtingen/Uitgaven: 2 mln.Ontvangsten: 2 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 4 mln.Ontvangsten: 4. mln.

11. Centraal apparaat

Verplichtingen/Uitgaven: 5 mln.Ontvangsten: 1 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 10 mln.Ontvangsten: 2 mln.

12. Algemeen

Verplichtingen/Uitgaven: 1 mln.Ontvangsten: 1 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 2 mln.Ontvangsten: 2 mln.

13. Nog onverdeeld

Verplichtingen/Uitgaven: 1 mln.Ontvangsten: 1 mln.

Verplichtingen/Uitgaven: 2 mln.Ontvangsten: 2 mln.

2. Beleidsagenda

2.1 Beleidsprioriteiten

Inleiding

2021 is een bijzonder begrotingsjaar: het staat voor een groot deel in het teken van de gevolgen van het coronavirus. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) heeft verschillende maatregelen genomen om deze gevolgen zo goed mogelijk op te vangen, met oog voor mens, economie en milieu. Ook in 2021 spelen deze maatregelen een rol in de begroting.

De coronacrisis laat eens te meer het belang zien van een sterke democratie, een slagvaardige overheid, een prettige en veilige woonomgeving en een goed functionerende digitale overheid. In 2021 werken we daarom volop verder aan deze onderwerpen.

In 2021 vinden ook verkiezingen plaats. Dit is niet alleen bijzonder voor het Ministerie van BZK vanwege de verantwoordelijkheid voor de verkiezingen zelf, maar ook omdat het betekent dat dit de laatste begroting is van het huidige kabinet.

2.1.1 Sterke en levendige democratie

In een land waar 17 mln. inwoners op een relatief klein oppervlakte wonen, werken, recreëren en samenleven, kunnen we niet zonder betrouwbaar, eigentijds en goed functionerend democratisch bestuur. Grote maatschappelijke opgaven zoals de energietransitie, hebben draagvlak en betrokkenheid van inwoners nodig. We versterken en vernieuwen onze democratie zodat elke stem gehoord wordt, zodat mensen vertrouwen hebben in hun bestuur en zodat inwoners met goede ideeën de ruimte blijven houden voor eigen initiatief. Tegelijk zorgen we ervoor dat onze democratie en het openbaar bestuur veilig, integer en weerbaar zijn.

Verkiezingen en participatie voor een sterke verbinding tussen inwoners en overheid

In 2021 vindt de verkiezing voor de Tweede Kamer plaats. Samen met gemeenten en de Kiesraad zetten we ons in voor goed georganiseerde verkiezingen waarbij we extra aandacht hebben voor de mogelijke gevolgen van corona.

We versterken de verbinding tussen inwoners en hun overheid, tussen kiezers en gekozenen. Niet alleen met betrouwbare verkiezingen, maar ook door te bevorderen dat inwoners meedoen en door democratisch burgerschap vorm te geven. Daarnaast zorgen we voor een goede toerusting en ondersteuning van politieke ambtsdragers, zowel door een goede positionering in beleid en kaders als door het bieden van opleidingsprogramma’s.

Lokale democratie versterken

Gemeenteraden zijn de vertegenwoordigers van de belangen van hun inwoners in de gemeente. Inwoners denken en doen daarnaast ook rechtstreeks mee, bijvoorbeeld door ideeën aan te dragen of zelf initiatief te nemen. Met het samenwerkingsprogramma Democratie in Actie ondersteunen we decentrale overheden bij het versterken van de lokale democratie en het betrekken van inwoners. Met de Quick Scan Lokale Democratie helpen we in 2021 gemeenten, samen met inwoners, in kaart te brengen hoe zij hun lokale democratie kunnen versterken en dit uit te werken in een concrete verbeteragenda (Kamerstukken II 2018/19, 35000VII, nr. 100). Daarnaast ondersteunen we het groeiende aantal gemeenten dat met het uitdaagrecht werkt en verankeren we dit recht in de Gemeentewet. De wet versterking participatie op decentraal niveau beoogt ook de inspraakverordening uit te breiden naar een participatieverordening, zodat inwoners ook kunnen participeren bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Daarnaast zullen de ingezette wetswijzigingen ter versterking van decentrale rekenkamers en gemeenschappelijke regelingen in 2021 tot uitvoering komen.

Quick Scan Lokale Democratie

Hoe gaat het met de democratie in jouw gemeente? En hoe kan het (nog) beter? De Quick Scan Lokale Democratie geeft een beeld, een momentopname, van hoe het staat met de lokale democratie in een gemeente. Het is een digitale vragenlijst die de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders, de ambtelijke organisatie en de inwoners invullen. De vragen gaan bijvoorbeeld over participatie en bewonersinitiatieven. Inhoudelijke experts begeleiden en ondersteunen de gemeenten voorafgaand en na de scan. De scan levert een beeld op dat als uitgangspunt kan dienen voor maatregelen binnen de gemeente en om in gesprek met de inwoners de lokale democratie te versterken.

Samen met decentrale overheden ontwikkelen we digitale participatiemiddelen. Door de coronamaatregelen blijkt de toepassing daarvan relevanter dan ooit. In 2021 stimuleren we dat digitale participatie in steeds meer gemeenten wordt ingezet. Ook met de opgave van de energietransitie helpen we gemeenten bij besluitvorming en participatie. In het Groningse aardbevingsgebied, waar de democratie extra onder druk staat als gevolg van de aardbevingsproblematiek, ondersteunen we gemeenten onder andere met het betrekken van inwoners bij plannen voor de toekomst van de regio.

De coronamaatregelen maken eens te meer duidelijk dat de burgemeester een cruciale rol heeft in het openbaar bestuur. We werken de Agenda Burgemeester (Kamerstukken II 2019/20, 35300VII, nr. 108) uit in concrete acties, om daarmee de rol en positie van de burgemeester te bestendigen.

Wijziging kiesstelsel

Het kabinet is voornemens het kiesstelsel te wijzigen. Straks kan de kiezer een stem uitbrengen op een partij, en zo stemmen op de hele kandidatenlijst, of op één kandidaat van die partij. Kandidaten die kunnen rekenen op de steun van de kiezers worden dan sneller gekozen op basis van de voorkeursstemmen die ze krijgen. De planning is om een wetsvoorstel waarin de Kieswet wordt gewijzigd in het najaar in consultatie te brengen.

Politieke partijen

Met een voorstel tot wijziging van de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) beogen we de onafhankelijke positie van politieke partijen verder te versterken. Dit voorstel bevat onder andere maatregelen om de transparantie over de geldstromen van politieke partijen te vergroten en het risico van onwenselijke buitenlandse beïnvloeding van onze democratie te beperken. Ook wordt met dit voorstel de motie-Jetten c.s. (Kamerstukken II, 2019-2020, 35300, nr. 19) uitgevoerd; als gevolg van deze motie krijgen de landelijke politieke partijen extra subsidie.

Ook het voorstel voor de Wet op de politieke partijen beoogt de onafhankelijke positie van politieke partijen verder te verstevigen. Dit wetsvoorstel zal onder andere regels bevatten over de transparantie van digitale politieke campagnes en de financiering van decentrale partijen.

Jongeren

We willen jongeren meer betrekken bij de politiek. Wat begon onder de noemer Jongerenparlement, zetten we nu in overleg met jongeren en jongerenorganisaties om in een vorm van jongereninspraak, die aansluit bij de wensen die jongeren hebben. Begin 2021 moet de nieuwe vorm van jongereninspraak actief zijn.

Democratisch Burgerschap

We bevorderen democratisch burgerschap, zodat meer mensen kennis hebben van en betrokken zijn bij onze democratie. Hiervoor subsidiëren we een aantal initiatieven uit de samenleving. Daarbij ligt de nadruk op jongeren. ProDemos, het 'Huis voor democratie en rechtsstaat', krijgt subsidie voor het in het Regeerakkoord opgenomen voornemen om alle scholieren tijdens hun schooltijd het parlement te laten bezoeken. Deze bezoeken dragen bij aan het overbrengen van het belang van democratie. Leerlingen leren over de werking van de democratie en versterken hun burgerschapsvaardigheden en –kennis. In 2021 wordt de in 2020 gestarte dialoog slavernijverleden, over het slavernijverleden en de doorwerking daarvan in de hedendaagse samenleving, afgerond. Deze dialoog richt zich op een bredere erkenning en inbedding van dit gedeelde verleden.

Samenwerken aan één slagvaardige overheid

We stellen decentrale overheden in staat goed in te spelen op maatschappelijke opgaven, passend bij hun eigen bestuur, cultuur en regio. Vraagstukken die daarbij spelen zijn onder andere passende bestuurlijke schaal, regionale samenwerking en goede interbestuurlijke en financiële verhoudingen. In gevallen waarin een actieve inzet van de kant van de Rijksoverheid onmisbaar is, nemen we deel in een aantal gebiedsgerichte interbestuurlijke partnerschappen. Over de financiële en sociaaleconomische gevolgen van de corona-aanpak voor de medeoverheden blijven het kabinet en de medeoverheden met elkaar in gesprek. De hoogte en omvang van de reële compensatie vraagt een politiek bestuurlijke afweging, waarbij het uitgangspunt is dat de medeoverheden er als gevolg van de corona-aanpak niet slechter voor komen te staan dan daarvoor.

In vervolg op de Kamerbrief over de Toekomst van het openbaar bestuur (Kamerstukken II 2019/20, 35300VII, nr. 7) is in 2020 met een grote groep bestuurders van medeoverheden gesproken over de toekomst van het openbaar bestuur. Nieuwe bestuurlijke concepten werken we nader uit en passen we waar mogelijk toe. Voorbeelden daarvan zijn federatiegemeenten, herijking van regionale samenwerkingsverbanden en mogelijkheden van taakdifferentiatie. Daarnaast worden de herindelingen die per 1 januari 2019 inwerking zijn getreden geëvalueerd. Op basis daarvan bezien we of aanpassingen in wet- en regelgeving wenselijk zijn.

Met medeoverheden, hun maatschappelijke partners en andere ministeries continueren we in 2021 de meerjarige samenwerking, gericht op de integrale ontwikkeling van een aantal gebieden en regio’s. Het gaat in dit kader – naast onze bijzondere betrokkenheid bij Groningen, Rotterdam-Zuid en Zeeland – allereerst om onze grensoverschrijdende inzet in zeven grensregio’s (en een enkele andere regio waar sprake is van bevolkingsdaling). Hiernaast gaat het om onze inzet in de zes woondealregio’s. Bij de vormgeving van onze inzet maken we met name gebruik van de instrumenten regiodeals (inclusief de inzet van midden uit de regio-envelop), woondeals en – waar het gaat om beleidsinnovatie in het kader van de programma’s (Europese) agenda stad – City Deals en Europese partnerschappen.

We blijven ook in 2021 met gemeenten samenwerken in het sociaal domein. Hiervoor werken we aan randvoorwaarden, zoals de uitvoerbaarheid van het takenpakket met voldoende beleidsvrijheid voor gemeenten, het versterken van de uitvoeringskracht van gemeenten en een betere borging van gegevensuitwisseling.

In het Interbestuurlijk Programma (IBP) werken we samen met gemeenten, provincies en waterschappen aan urgente maatschappelijke vraagstukken. In het laatste jaar van het IBP staan de leerervaringen en resultaten van deze samenwerking centraal. Dat gaat bijvoorbeeld over hoe we optimaal samenwerken aan het behoud van de leefbaarheid in de stad en op het platteland. Ook in 2021 ondersteunen we met een financiële bijdrage de regionale en lokale praktijk van samenwerking aan maatschappelijke opgaven.

Volop werken aan de weerbaarheid van democratie en bestuur

Weerbaar bestuur

Politieke ambtsdragers hebben vaak te maken met bedreiging en intimidatie. Dat is onaanvaardbaar. Druk of dwang van buitenaf mag de democratische besluitvorming nooit verstoren. Voor de weerbaarheid van ons bestuur zorgen we voor een goede rechtspositie van onze politieke ambtsdragers. Daarnaast zorgen we voor goede ondersteuning en waarborgen voor een veilige werk- en leefomgeving, zowel voor henzelf als voor hun gezinnen. Met een adviesteam vanuit het Rijk en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) ondersteunen we gemeenten in hun aanpak van maatschappelijke onrust. Via de beroepsverenigingen faciliteren we ook maatwerkondersteuning, bijvoorbeeld door (online) kennisdeling en (digitale) voorlichting, trainingen en bijeenkomsten. Zo investeren we in de bewustwording en handelingsperspectieven bij intimidatie en bedreiging, onder andere aan de hand van de leidraad veilig bestuur1.

Door het actualiseren van wet- en regelgeving, met handreikingen en met de modelgedragscode integriteit bevorderen we de bestuurlijke integriteit van politieke ambtsdagers. Met de eerste tranche wetsvoorstellen ter bevordering van de bestuurlijke integriteit stellen we onder andere een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) voor bestuurders verplicht. Ook worden bepalingen inzake belangenverstrengeling (stemonthouding, onverenigbare betrekkingen en verboden handelingen) verduidelijkt en bepalingen met betrekking tot het opleggen en opheffen van geheimhouding worden verbeterd. Tevens verstevigen we de rol van de commissaris van de Koning bij ernstige integriteitsschendingen. Inmiddels is ook een tweede tranche aan wetgeving rondom integriteit in voorbereiding. Het streven is om beide wetsvoorstellen in werking te laten treden voor de gemeenteraadsverkiezingen van 16 maart 2022. De inrichting van het Adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers krijgt in 2021 prioriteit.

In 2021 continueren en actualiseren we het interdepartementale programma voor de gebiedsgerichte aanpak van leefbaarheid en veiligheid (Kamerstukken II 2019/20, 30995, nr. 97 en Kamerstukken II 2019/20, 30995, nr. 98). Met het bestuurlijk instrumentarium voor de aanpak van woonoverlast en ondermijnende criminaliteit blijven we in 2021 gemeenten ondersteunen. Dit geldt tevens voor selectieve woningtoewijzing in kwetsbare buurten en wijken waar de leefbaarheid en veiligheid onder druk staan. Daarnaast geven we in 2021 een vervolg aan de uitvoering van de interbestuurlijke actie-agenda vakantieparken.

Desinformatie

Sociale mediaplatforms bieden goede mogelijkheden om actief deel te nemen aan politieke en maatschappelijke discussies. Tegelijk kan desinformatie zich via het internet gemakkelijker verspreiden. Zulke misleidende informatie kan een gevaar vormen voor de politieke en economische stabiliteit of onze nationale veiligheid. Ook bij de Tweede Kamerverkiezing in 2021 kan de verspreiding van desinformatie een negatieve impact hebben. Bijvoorbeeld als misleidende informatie wordt verspreid over de manier, of het tijdstip van stemmen. In 2021 gaan we daarom volop door met onze inzet tegen desinformatie. Samen met andere betrokken partijen zoals maatschappelijke organisaties, media en politieke partijen proberen we te voorkomen dat desinformatie impact heeft, verstevigen we onze informatiepositie en reageren we als het nodig is. Daarnaast blijven we kijken in hoeverre sociale mediabedrijven hierbij voldoende verantwoordelijkheid nemen en bekijken we of nieuwe regels voor deze bedrijven nodig zijn. Desinformatie is niet aan nationale grenzen gebonden. We passen onze acties dan ook voortdurend aan de Europese en internationale ontwikkelingen aan.

Het bestrijden van discriminatie

Discriminatie is een diepgeworteld probleem en het bestrijden ervan vereist de inzet van ons allemaal. Dat kan het kabinet niet alleen. Daarom stimuleert het kabinet de bewustwording en het wederzijds begrip, wordt de meldingsbereidheid vergroot, wordt gewerkt aan en met een kwalitatief hoogstaand stelsel van organisaties, wordt bewezen discriminatie bestraft. Ook zet het kabinet in op zelf het goede voorbeeld geven, naast de specifieke maatregelen die gericht zijn op onder andere arbeidsmarktdiscriminatie of discriminatie op de woningmarkt (Kamerstukken II 2019/20, 30950, nr. 185).

Bescherming van de democratie en grondrechten tegen dreigingen

De Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD) doet onderzoek naar organisaties, personen en andere landen die een (mogelijk) gevaar vormen voor de Nederlandse democratische rechtsorde. De Geïntegreerde Aanwijzing Inlichtingen en Veiligheid (Stcrt. 2018, 68088) is leidend voor de taakuitvoering, aansturing en verantwoording. De dreiging voor de nationale veiligheid kenmerkt zich door een onveranderd blijvend jihadistisch-terroristisch dreigingsbeeld, het aanhouden van spionage en heimelijke (politieke) beïnvloeding door statelijke actoren en een wereldwijde opleving van rechts-extremisme. De verschillende dreigingen zijn met elkaar verweven, versterken elkaar en zijn onderhevig aan veranderende geopolitieke verhoudingen. De onderzoeken van de AIVD dragen bij aan het handelingsperspectief van zowel publieke als private organisaties om in hun taakuitvoering nationale veiligheidsbelangen te behartigen, het functioneren van de democratische rechtsorde te waarborgen of economisch verdienvermogen in stand te houden.

Jihadistische-terrorisme, radicalisering en extremisme

Het jihadistisch-terroristisch dreigingsbeeld wordt nog steeds gekenmerkt door een dreiging van aanslagen in het Westen die uitgaat van zowel mondiaal opererende jihadistische organisaties als van lokale netwerken en individuen. Ondanks de vermindering van de dreiging tegen het Westen, die met name blijkt uit de sterke afname van het aantal aanslagen in Europa, is deze nog steeds aanzienlijk. De aanhouding van diverse personen die ervan verdacht worden betrokken te zijn bij handelingen met een jihadistisch-terroristisch oogmerk, laat zien dat de geweldsdreiging die van Nederlandse jihadisten uit kan gaan nog steeds reëel is.

De AIVD doet onderzoek naar verschillende vormen van extremisme. Extremisme is het actief nastreven en/of ondersteunen van ingrijpende veranderingen in de samenleving die een gevaar kunnen opleveren voor (het voortbestaan van) de democratische rechtsorde, eventueel met het gebruik van ondemocratische methodes (van gewelddadige of niet-gewelddadige aard). De onderzoeken richten zich met name op salafistische aanjagers, links- en rechtsextremisten en anti-overheidsextremisten. De AIVD tracht zicht te krijgen op hun (vaak heimelijke) activiteiten die door de nagestreefde doelen en gebruikte middelen een bedreiging op korte of langere termijn kunnen vormen voor de democratische rechtsorde.

Spionage, cyberdreiging en ongewenste buitenlandse inmenging

Naast digitale en klassieke spionage voeren statelijke actoren heimelijke en ongewenste activiteiten uit met als doel invloed uit te oefenen op onze politiek en economie. Zo kan er sprake zijn van heimelijke politieke beïnvloeding, beïnvloeding en intimidatie van geëmigreerde (ex-)landgenoten (diaspora), sabotage en misbruik van de Nederlandse ICT-infrastructuur. Potentiële digitale verstoring en sabotage van vitale en essentiële infrastructuur worden gezien als één van de grootste cyberdreigingen voor Nederland. De AIVD zet zich in om de weerbaarheid van Nederland en Nederlandse bedrijven op het gebied van spionage en ongewenste buitenlandse inmenging te vergroten.

2.1.2 Duurzaam, betaalbaar, prettig en veilig wonen voor iedereen

Iedereen wil goed kunnen wonen en een woning is meer dan een dak boven het hoofd. Je woning is de plaats waar je leeft, ervaringen deelt en je veilig voelt. De corona-uitbraak leert ons hoe belangrijk het is om een eigen plek te hebben waar je prettig en veilig kan wonen. Gelukkig zijn Nederlanders veelal (zeer) tevreden met hun woning (87%)2. Maar vanzelfsprekend is dat niet. Het woningtekort zorgt dat veel mensen geen geschikte en betaalbare woning kunnen vinden.

Betaalbaar wonen in de huursector

Voor huurders met een laag inkomen is betaalbaarheid vanwege de economische gevolgen van corona extra van belang. Daarom hebben we verhuurders meer mogelijkheden gegeven om mensen te helpen via maatwerk, tijdelijke huurkortingen, of uitstel van huurverhoging. Door de WOZ-waarde, die afgelopen jaren sterk is gestegen, minder bepalend te laten zijn voor de hoogte van de huur willen we zorgen dat woningen betaalbaar blijven. Daarnaast richten we de toewijzing van sociale huurwoningen meer op betaalbaarheid door bij de inkomensgrenzen ook te kijken naar huishoudenssamenstelling.

Voor huurders met een laag inkomen en een hoge huur, nemen we een gerichte maatregel om de huurprijs voor deze huurders sneller in verhouding te krijgen tot het inkomen. Op het moment dat de huurder voldoet aan de gestelde voorwaarde, kan de huurverlaging worden afgedwongen. Met het oog op deze opgelegde verzwaring van de opgave van corporaties en gezien de uitkomsten van het onderzoek naar opgaven en middelen in de corporatiesector (Kamerstukken II 2019/20, 35431, nr. M), wordt tegelijk met deze maatregel het tarief van de verhuurderheffing verlaagd met € 138 mln. per jaar.

Om te zorgen dat iedereen prettig kan wonen ligt er een grote bouwopgave

De opgave om meer woningen te bouwen is groot. Het woningtekort is met 4,3% historisch hoog en voor 2030 moet er op elke 7 tot 8 huizen in Nederland één huis bijkomen3. Vanwege de groeiende bevolking moet de bouwproductie de komende jaren fors stijgen om het woningtekort naar een niveau van 2% in 2035 terug te brengen. Het zal voor 2021 een uitdaging zijn om de woningbouwproductie zo hoog mogelijk te houden. De gezamenlijke ambitie uit de woonagenda van 75.000 woningen per jaar is in 2018 en 2019 gerealiseerd, maar de productie zal in 2021 lager uitvallen. Dat komt met name door vertraging in de vergunningverlening vanwege de stikstof- en coronacrises en PFAS problematiek. Het kabinet heeft in mei een eerste pakket met maatregelen genomen voor 2020, gevolgd door een tweede pakket aan maatregelen in augustus om de bouwproductie met alle betrokken partijen zoveel mogelijk op peil te houden en om de verduurzaming van woningen niet in gevaar te brengen.

Om de woningbouwopgave aan te pakken bouwen we voort op een brede aanpak

In de afgelopen jaren hebben we een solide basis gelegd om op voort te bouwen. Via de woondeals werken we gebiedsgericht en intensief samen met medeoverheden en hun maatschappelijke partners in de regio’s waar het woningtekort het meest urgent is. Binnen elke woondeal hebben we aandacht voor integrale gebiedsontwikkeling, het vernieuwen en revitaliseren van wijken en de bereikbaarheid van gebieden als onderdeel van de verstedelijkingsstrategie. Door de zes woondealregio’s zijn in totaal twaalf binnen- en buitenstedelijke herstructurerings- en uitleggebieden benoemd, waar grootschalige goed bereikbare woongebieden kunnen worden gerealiseerd. Met de betreffende medeoverheden en partners verkennen we in 2021 de realisatiemogelijkheden. Daarnaast zijn er door de woondealregio’s twaalf grootschalige stedelijke vernieuwingsgebieden benoemd met relatief omvangrijke problemen op het gebied van leefbaarheid en veiligheid. Met deze gebieden werken we in 2021 aan een integrale aanpak in het kader van het interbestuurlijk programma leefbaarheid en veiligheid.

In de Nationale Woonagenda hebben we de landelijke aanpak met betrokken stakeholders vormgegeven en ook steeds steviger richting gegeven aan de bouwopgave. Om de aanpak van het woningtekort te versnellen zien we er met provincies op toe dat er regionaal voor minimaal 130% van de woningbehoefte plancapaciteit beschikbaar is en dat die plannen versneld gerealiseerd worden. Bovendien moeten deze plannen ook aansluiten bij de behoefte van verschillende groepen woningzoekenden.

Op gebiedsontwikkeling en woningbouw een sterkere regierol van het Rijk

Met de maatregelen om door te bouwen tijdens de coronacrisis versterken we de regierol van het Rijk op gebiedsontwikkeling en woningbouw en wordt deze verder uitgebouwd. Zo zet het kabinet in op het versnellen van de besluitvorming over grootschalige woningbouwlocaties. Ook wordt om de stikstofproblematiek aan te pakken tot 2030 € 100 mln. per jaar beschikbaar gesteld. We verkennen de noodzaak tot en mogelijkheden voor actief grondbeleid door het Rijk inclusief de inrichting van een mogelijk Rijksontwikkelbedrijf en uitbreiding van het instrumentarium voor doorzettingsmacht, waarbij we concrete doelstellingen voor plancapaciteit, woningbouwproductie en bouwen voor doelgroepen met regio’s afspreken. Via flexpools komt er extra capaciteit en deskundigheid om de procedures voor gebiedsontwikkeling en woningbouw te versnellen.

Tevens haalt het kabinet in het kader van de Investeringsagenda investeringen naar voren om de economie te ondersteunen en de bouw op gang te houden. De komende jaren halen de Ministeries van BZK en Infrastructuur en Waterstaat (IenW) investeringen ter waarde van circa € 1,5 mld. naar voren. Voorbeelden op BZK-terrein hiervan zijn de versnelling van de woningbouwimpuls en verduurzaming van Rijksvastgoed. Deze versnellingen dragen bovendien bij aan beleidsdoelen voor de lange termijn, zoals duurzaamheid en bereikbaarheid.

We ondersteunen de bouw van betaalbare woningen voor starters en mensen met een middeninkomen in regio’s waar de schaarste het grootst is. De projecten die in de eerste tranche van de woningbouwimpuls zijn toegekend worden door gemeenten verder ontwikkeld. Daarbij is ook speciale aandacht voor kwetsbare groepen, zoals daklozen en arbeidsmigranten. Met de maatregelen om door te bouwen intensiveren we de woningbouwimpuls zodat versneld woningen kunnen worden gerealiseerd (waaronder ook woningen voor ouderen en kwetsbare groepen). In 2021 is € 150 mln. extra beschikbaar voor gemeenten om meer betaalbare woningen sneller tot stand te brengen. Ook wordt de transformatiefaciliteit verder aangevuld en ook ingezet om commercieel vastgoed naar woningen om te zetten.

De coronacrisis kan zorgen voor verdere onzekerheid en vraaguitval, waardoor nieuwbouwprojecten kunnen uitvallen of vertraging kunnen oplopen. Het kabinet zal de komende maanden een doorbouwgarantie verder uitwerken, waarbij ook de financiële risico’s en budgettaire impact in kaart worden gebracht. Zo kan snel besluitvorming plaatsvinden over eventuele inzet van dit instrument indien de woningbouw markant sterker dan voorzien dreigt terug te vallen.

Daarnaast hebben corporaties verminderingen in de verhuurderheffing aangevraagd voor de bouw van 115.000 nieuwe sociale huurwoningen in de komende jaren. We verlengen de termijnen van bestaande heffingsverminderingen, om vertraging als gevolg van de coronacrisis op te vangen. Om de bouw van middenhuurwoningen door corporaties te stimuleren, wordt de marktverkenning drie jaar buiten werking gesteld.

We verduurzamen de gebouwde omgeving om ook op lange termijn prettig te blijven wonen

Het kabinet heeft met een groot aantal partijen een ambitieus klimaatakkoord gesloten, om het klimaat te beschermen, zodat we ook op de lange termijn prettig kunnen blijven wonen. Daarmee zetten we een belangrijke stap om in alle gebouwen richting 2050 over te gaan van aardgas naar duurzame warmtebronnen. Een enorme transitie. Om dit succesvol te doen, is het essentieel dat iedereen meegenomen wordt in de aard en omvang van de opgave. De veranderingen vragen om actieve betrokkenheid en bijdragen van iedereen. Draagvlak is cruciaal. Bewoners en gebouweigenaren moeten bereid zijn om over te stappen van aardgas naar andere warmtealternatieven. Voor bewoners en gebouweigenaren is het belangrijk dat de transitie betaalbaar en behapbaar is, dat de gevolgen en de waarborgen die zij hebben duidelijk zijn.

Dat doen we in de wijk, dicht bij mensen

Om mensen mee te nemen in de transitie is het wijkgerichte spoor een belangrijk onderdeel van de aanpak. Met het Programma Aardgasvrije Wijken doen we kennis en ervaring op met de wijkgerichte aanpak. Het hoofddoel is om te leren op welke wijze de aanpak kan worden ingericht en opgeschaald. Dat doen we met proeftuinen en een kennis- en leerprogramma. Inmiddels zijn 27 proeftuinen gestart. In 2020 en 2021 volgen een tweede en derde tranche. We hebben de ambitie om de circa 50.000 woningen en andere gebouwen in de proeftuinen ook daadwerkelijk aardgasvrij (ready) te maken. De bijdragen vanuit het Rijk zijn bestemd voor het afdekken van de onrendabele top in de proeftuinen zodat bewoners een betaalbaar aanbod kunnen krijgen. De middelen zijn vooral voor isolatie en andere CO2-reducerende maatregelen. Centraal staat dat we bewoners goed betrekken en zoveel mogelijk synergie bereiken met andere opgaven in de wijk.

Monitoring en evaluatie zijn hierbij van groot belang. In de eerste helft van 2020 is het plan voor de monitoring en evaluatie in uitvoering genomen. In het plan worden zowel de leervragen, de beleidstheorie als de gekozen monitoringssystematiek uiteengezet en wordt de samenhang beschreven. Naast een kwalitatieve en kwantitatieve analyse, vindt een wetenschappelijke analyse plaats door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Resultaten van de monitoring maken we via een dashboard inzichtelijk en via de jaarlijkse voortgangsrapportages die we aan de Tweede Kamer sturen. In 2022 voeren we een onafhankelijke evaluatie uit. De opzet van de evaluatie sturen we in 2021 naar de Tweede Kamer.

Maar ook individuele gebouweigenaren kunnen bijdragen aan de transitie

Naast de wijkgerichte aanpak is er een individueel spoor, waarin een groeiend aantal gebouweigenaren zelf of samen met anderen investeert in verduurzaming, bijvoorbeeld om te besparen op de energierekening of om zich alvast voor te bereiden op verwarming zonder aardgas. Dit individuele spoor ondersteunen we met financierings- en ontzorgingsarrangementen en subsidie. De inzet is om een breed palet aan aantrekkelijke, toegankelijke en verantwoorde financieringsmogelijkheden te realiseren, zodat iedereen een vorm kan vinden die in de eigen situatie past. Er is een warmtefonds en de drempels voor het verhogen van de hypotheek voor verduurzaming worden verlaagd.

De huursector ondersteunen we met regelingen gericht op aansluiting van huurwoningen op warmtenetten en op kostenreductie en opschaling door innovatie (de Renovatieversneller). Daarnaast geven we samen met partijen uit de utiliteitsector richting aan de verduurzaming via streefdoelen, routekaarten en eindnormen. Dit moet ertoe leiden dat op termijn alle gebouwen een lager energieverbruik hebben en van duurzame energie worden voorzien: via warmtenetten, via all-electric oplossingen, of via hybride vormen met duurzaam gas.

Tenslotte heeft het kabinet extra maatregelen genomen om aan het Urgenda-vonnis te voldoen (Kamerstukken II 2019/20, 32813, nr. 496). Het klimaatakkoord en de maatregelen voor Urgenda geven mensen en bedrijven handelingsperspectief om zelf mee te doen aan de energietransitie.

De ruimtelijke keuzes die nodig zijn maken we in de NOVI

Ruimtelijke keuzes beïnvloeden hoe prettig we in Nederland kunnen leven. Ruimte in Nederland is schaars en onze ambities zijn groot. Naast ruimte voor wonen is ruimte nodig voor onder andere economische activiteiten, infrastructuur, verduurzaming, landbouw, voor recreatie en natuur. De groeiende bevolking maakt deze keuzes nog belangrijker. In regio’s met bevolkingsdaling zijn andere keuzes nodig. Deze regionale opgaven vragen om meer regie en richting vanuit het Rijk.

Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) nemen we als Rijk het voortouw in de ruimtelijke ontwikkeling en geven we weer hoe we alle ambities in de leefomgeving kunnen inrichten. In 2021 starten we met de uitvoering van de NOVI. Daarvoor bouwen we de bestaande gebiedsagenda’s uit tot bredere Omgevingsagenda’s voor alle landsdelen in samenwerking met medeoverheden. We blijven de NOVI en de omgevingsagenda’s aanpassen. De monitor die het PBL in samenwerking met andere onderzoeksinstituten iedere twee jaar uitbrengt zal daarbij helpen. Het eerste concept van de monitor komt in 2020 beschikbaar.

De Omgevingswet gaat helpen om de opgaven in de omgeving aan te pakken

De Omgevingswet zorgt in combinatie met de NOVI voor een samenhangende benadering van de leefomgeving. De Omgevingswet helpt overheden om opgaven in de leefomgeving voortvarend op te pakken. Deze wet biedt mensen en bedrijven een gebruikersvriendelijk loket om vergunningen aan te vragen, meldingen te doen en plannen voor de fysieke leefomgeving te raadplegen. Ook zijn overheden wettelijk verplicht om aan te geven hoe ze mensen en bedrijven meer betrekken bij de visies en plannen voor de fysieke leefomgeving. Omdat de inwerkingtreding van de Omgevingswet is uitgesteld tot 2022, lopen veel activiteiten om het wettelijk stelsel en het digitaal stelsel Omgevingswet (DSO) te implementeren door in 2021. We ondersteunen samen met de VNG, de Unie van Waterschappen (UvW), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en Rijk, de gemeenten, waterschappen, provincies en andere overheden bij de implementatie en invoering van de wet. Dat doen we onder meer door handreikingen te maken en bij aansluiting op het DSO te ondersteunen en (online) trainingen en spreekuren te geven.

Verschillende opgaven vragen om een gebiedsgerichte aanpak

De gebiedsgerichte aanpak van de woondealregio’s en stedelijke vernieuwingsgebieden hanteren we ook in door het Rijk geselecteerde voorlopige NOVI-gebieden. In die gebieden versterken we de sturing op grote transities. De opgaven en de daarvoor benodigde transitie verschillen per regio en vragen om een samenhangende inzet van het Rijk en een gebiedsgerichte aanpak. We maken plannen van aanpak waarin we in beeld brengen welke extra impuls of noodzakelijke samenhang we willen toevoegen aan bestaande trajecten van het rijk en de regio. Het Ministerie van BZK neemt het voortouw bij het opstellen van de Rijksinzet voor diverse NOVI-gebieden. In 2021 organiseren we de eerste nationale NOVI-conferentie om de aanpak in de NOVI-gebieden, omgevingsagenda’s en nationale programma’s te bespreken en ervaringen en ideeën uit te wisselen. Daarnaast wordt specifiek geïnvesteerd in Groningen, Rotterdam-Zuid, Zeeland, de grensregio’s en een enkele andere regio waar sprake is van bevolkingsdaling.

Agenda Stad

Met Agenda Stad zetten steden en rijksoverheid zich samen met maatschappelijke partners in voor innovatie, leefbaarheid en economische groei in Nederlandse en Europese steden. Dit doen we in Nederland met City Deals voor concrete, stedelijke transitieopgaven.

Bijvoorbeeld: een experiment met het plaatsen van elektrische deelauto’s in nieuwe stadsdelen in de City Deal ‘Elektrische deelmobiliteit’. Hierdoor zijn er minder parkeerplaatsen nodig, kan er meer en goedkoper gebouwd worden en verbetert de luchtkwaliteit in de stad. 

In de City Deal ‘Zicht op ondermijning’ hebben we door gezamenlijke analyses nieuwe inzichten opgedaan rond ondermijning, drugs- en vastgoedrisico’s. Met deze inzichten hebben we onder andere vijf drugsprofielen en zes vastgoedrisicoprofielen samengesteld. In een dashboard van het Centraal Bureau voor de Statistiek worden die profielen over heel Nederland, per gemeente en per wijk weergegeven. Zo kan er gerichter onderzoek naar ondermijning worden gedaan.

In Groningen moeten mensen prettig en veilig kunnen wonen

Ook in Groningen moeten mensen prettig en veilig kunnen wonen. Groningers ervaren nog steeds gevoelens van angst, frustratie en onzekerheid als gevolg van de effecten van de gaswinning. Daarom heeft het kabinet besloten versneld te stoppen met de gaswinning uit het Groningenveld. De laatste verwachting is dat de winning vanaf 2022 nihil zal zijn in een gemiddeld jaar. Maar er is nog meer te doen. Voor ons staan de veiligheid, de veiligheidsbeleving en het creëren van perspectief voor de inwoners voorop.

Daarvoor worden gebouwen, die volgens heersende normen niet veilig zijn aardbevingsbestendig gemaakt. De nationaal coördinator Groningen voert deze versterkingsoperatie uit samen met de Provincie en de betrokken gemeenten. Naast de versterking werken we samen aan een toekomstperspectief voor Groningers. In 2018 is daarvoor het nationaal Programma Groningen van start gegaan, waarbij de komende tien jaar € 1,15 mld. ingezet wordt om de economische ontwikkeling, de verduurzaming en de leefbaarheid van de regio te stimuleren. De regio voert zelf de regie over de besteding van de middelen.

Grensregio’s hebben veel onbenut potentieel om prettig te leven, werken en wonen

Aan beide zijden van onze grens met Nedersaksen, Noordrijn-Westfalen, Vlaanderen en Wallonië is sprake van veel economische, ruimtelijke en sociaal-culturele ontwikkelingsmogelijkheden. De grens werkt als barrière waardoor de mogelijkheden in die regio’s maar ten dele worden benut. De bevolkingsontwikkeling stagneert daardoor en dit heeft gevolgen voor het aanbod van voorzieningen en daarmee de leefbaarheid in deze regio’s. Samen met onze partners willen we de leefbaarheid en economische structuur van de grensregio’s en enkele regio’s met bevolkingsdaling versterken. Dat doen we in een interbestuurlijk programma waarin we gebiedsgerichte grensoverschrijdende initiatieven stimuleren, knelpunten aanpakken en de bestuurlijke samenwerking verbeteren via grenslandagenda’s en –conferenties.

Investeren in Zeeland

Provincie Zeeland, Gemeente Vlissingen, Waterschap Scheldestromen en het Rijk hebben op 26 juni 2020 een bestuursakkoord gesloten over de compensatie voor het feit dat de Marinierskazerne niet naar Vlissingen verhuist.

Rijk en regio gaan hiermee een langdurige partnerschap aan waarin zij gezamenlijk uitvoering geven aan de afgesproken maatregelen om de sociaaleconomische structuur in Zeeland en Vlissingen en het beeld van het vestigingsklimaat te versterken. Onderdeel van de maatregelen zijn de Law Delta: een justitiecomplex en een Strategisch kenniscentrum Georgani­seerde Ondermijnende Criminaliteit in Vlissingen, de ontwikkeling van het Delta Kennis­centrum voor water, voedsel en energie met Zeeuwse kennisinstellingen en twee Nederlandse Universiteiten en het verbeteren van de verbindingen van Zeeland en Vlissingen met de Randstad, Brabant en Vlaanderen. Bij het totale pakket aan maatregelen zijn meerdere departementen betrokken. Het totale budget aan Rijkszijde van € 650 mln. in tien jaar tijd wordt inzichtelijk gemaakt met een extracomptabel overzicht bij de begroting van BZK.

2.1.3 Een waardegedreven digitale overheid

De coronacrisis wees ons nog eens op het grote belang van een goed functionerende digitale overheid. Die is, zeker in crisistijd, essentieel om de maatschappij draaiende te houden. Een digitale overheid waarmee je veilig en makkelijk zaken kunt doen. Een digitale overheid die inclusief, betrouwbaar en veilig is.

Een inclusieve digitale samenleving waar iedereen meedoet

Iedereen moet digitaal mee kunnen doen. Door de intelligente lockdown zijn veel volwassenen en kinderen noodgedwongen thuis komen te zitten. Voor werk, school en sociaal contact zijn zij grotendeels aangewezen op digitale hulpmiddelen. Digitalisering biedt zo kansen om toch door te werken en te leren. Mensen hebben ontdekt dat je op afstand kunt beeldbellen met familie, vrienden en collega’s en zo toch sociaal contact kunt hebben. De Raad van Kinderen helpt mee om ouderen te helpen om de kansen te zien van beeldbellen en digitale spelletjes. Behalve dat er meer kansen zijn ontdekt in het benutten van digitalisering, is ook gebleken dat een aanzienlijk deel van de bevolking zonder hulp digitaal vastloopt. Met de actie #allemaaldigitaal zetten we publiek private samenwerking in om kwetsbare mensen van een digitaal apparaat te voorzien. Een aanvulling op de aanpak ‘digitale inclusie’ waar wij al werkten aan een inclusieve digitale samenleving die toegankelijker en begrijpelijker is voor iedereen.

#Allemaaldigitaal

Met de actie #allemaaldigitaal zijn aan kwetsbare mensen tijdens de coronamaatregelen digitale apparaten beschikbaar gesteld, bijvoorbeeld een laptop of een mobiele telefoon. Dat was mogelijk dankzij een publiek-private samenwerking van overheid en bedrijven. Naast deze actie is voor minder digitaal vaardige mensen, die moeite hebben met het gebruik van een laptop of tablet, een telefonische hulplijn (0800-1508) geopend. In 2021 kijken we met partners als Seniorweb, het Nationaal Ouderenfonds en de Koninklijke Bibliotheek hoe we deze hulplijn verder kunnen ontwikkelen.

Deze inzet gaat in 2021 onverminderd door. Daarom zorgen we ervoor dat de dienstverlening van de overheid beter aansluit op de situatie, wensen en behoeften van mensen. Waar dat nodig is, zorgen wij voor maatwerk en zorgen we dat mensen die hulp nodig hebben passende ondersteuning krijgen.

Het contact met de overheid moet voor zo veel mogelijk mensen toegankelijk en begrijpelijk zijn. Overheidswebsites en apps worden verder digitaal toegankelijk gemaakt. Met de ‘Direct Duidelijk Brigade’ bevorderen we dat overheidsorganisaties begrijpelijk communiceren. Door regeldruk te verminderen nemen we ergernissen van mensen weg.

We helpen mensen om beter met technologie om te gaan met een landelijk dekkend cursusaanbod. Ook geven we uitleg hoe digitale dienstverlening, apparaten en technologie werken, zodat mensen deze beter begrijpen en meer vertrouwen. Verder is het belangrijk dat mensen zich bewust zijn van de kansen en risico’s van digitalisering. Om dit te bereiken zetten we in op verschillende activiteiten, zodat mensen mee kunnen blijven doen aan de (digitale) samenleving. Zo gaan we het Informatiepunt Digitale Overheid verder uitbreiden. Ook experimenteren we met manieren om de ondersteuning aan het loket en cursussen digitale vaardigheden beter aan te laten sluiten op het dagelijks leven. Daarmee zorgen we voor hulp die laagdrempelig, persoonlijk en dichtbij is. Dit alles doen we samen met bedrijven en andere organisaties om elkaars kennis en ervaring te delen en te benutten vanuit de Alliantie Digitaal Samenleven.

Een veilige digitale overheid

Een veilige informatiesamenleving vereist dat de maatschappij erop kan vertrouwen dat de dienstverlening van de overheid op een veilige manier verloopt. Digitale veiligheid is dus een randvoorwaarde voor een kwalitatief goede informatievoorziening van de overheid, net als echtheid en toegankelijkheid van informatie.

Daarom gaat de overheid verder met het toepassen van informatieveiligheidsstandaarden voor overheidswebsites. Daarbij is goed oefenen van belang: zo leren we vooraf in te spelen en voorbereid te zijn als het mis zou gaan. Om die reden vindt de Overheidsbrede Cyberoefening elk jaar plaats in de Europese maand van de cybersecurity, in oktober.

Ook voor de digitale veiligheid is het belangrijk dat iedereen in Nederland goed mee kan doen met de digitale transitie. Digitaal vaardige burgers dragen bij aan de digitale veiligheid van henzelf en aan die van anderen. De overheid gaat mee met nieuwe technologieën zoals big data en kunstmatige intelligentie. Maar dat doet ze niet zonder rekening te houden met de van haar verlangde zorgvuldigheid en gebruiksvriendelijkheid en met oog voor de rechten en waarborgen van burgers. Digitale veiligheid is een randvoorwaarde voor veilige en betrouwbare overheidsdienstverlening.

Een toegankelijke en transparante digitale overheid

Een effectieve en verantwoorde inzet van gegevens, algoritmen en broncodes draagt bij aan het vergroten van de overheidstransparantie, het onderbouwen van besluitvormingsprocessen, het oplossen van maatschappelijke problemen en het verbeteren van de dienstverlening door de overheid.

Bij de coronamaatregelen is gebleken dat de inzet van gegevens (data) voor het maken van prognoses en het traceren van risico’s cruciaal is voor het besturen van Nederland. De afgelopen jaren is met NL DIGITAAL: Data Agenda Overheid4 concreet invulling gegeven aan het verder ontwikkelen van het databeleid van de overheid. Het gaat daarbij om het verder op orde krijgen van de data- en informatiehuishouding, het effectief delen van overheidsdata, bijvoorbeeld in de vorm van ‘open data’ en het verantwoord werken met gegevens. Dat gebeurt door gebruik te maken van algoritmische data-analyses en kunstmatige intelligentie. Op deze terreinen valt er binnen de overheid nog het nodige te verbeteren. Dit vraagt om continue verbetering van de centrale data-infrastructuur en toegesneden wet- en regelgeving. We werken ook aan verdere bewustwording in de samenleving en binnen de overheid over de kansen die data en algoritmen bieden. Daarnaast is het nodig deze gegevens en algoritmen op een verantwoorde manier in te zetten, met bescherming van waarden en rechten zoals privacy. Wij willen in 2021 de broncodes van de overheid vrijgeven (‘open, tenzij‘) en zullen het beschikbaar stellen van open source overheidssoftware stimuleren.

In reactie op het Rekenkamerrapport Grip op Gegevens5 werken we aan de versterking van het stelsel van basisregistraties. Het kunnen combineren van gegevens uit (basis)registraties wordt steeds belangrijker om burgers en ondernemers digitale diensten te kunnen bieden. Dat geldt ook voor het oppakken van maatschappelijke opgaven zoals bestrijding van ondermijning, de energietransitie en de woningbouwopgave. Burgers en ondernemers kunnen in 2021 onjuiste gegevens in basisregistraties melden bij een centraal meldpunt. Dat begeleidt en ondersteunt hen bij het (laten) corrigeren van deze gegevens.

In 2021 geven we burgers meer grip op en regie over de gegevens die de overheid van hen heeft. Dit leggen we in wetten en regels vast. Hiermee kunnen burgers de gegevens die de overheid van hen heeft, zoals adres, leeftijd of inkomen, digitaal delen met organisaties buiten de overheid. Parallel hieraan werken we aan de evaluatie en opschaling van experimenten, waarbij het delen van gegevens wordt beproefd. Deze experimenten hebben in 2020 plaatsgevonden. Tenslotte werken we in 2021 aan het beschikbaar stellen van relevante gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) en contactgegevens aan burgers, zodat zij deze onder eigen regie kunnen delen met organisaties.

De BRP verbeteren we op basis van een meerjarige ontwikkelagenda. In 2021 werken we onder andere aan verbetering van het zicht op verblijf van arbeidsmigranten en aan keuzemogelijkheid voor een genderneutrale aanschrijving door de overheid. De Wet BRP wordt aangepast. We voegen een experimenteerartikel toe zodat nieuwe initiatieven sneller beproefd en doorontwikkeld kunnen worden en de verantwoordelijkheden van de minister voor de Landelijke Aanpak Adreskwaliteit (LAA) worden verankerd.

De Wet open overheid (Woo) is een initiatiefwet, die tot doel heeft om overheden transparanter te maken en overheidsinformatie actief te openbaren. In 2019 hebben alle ministeries en hun uitvoeringsorganisaties het wetsvoorstel getoetst op consequenties voor de uitvoering. Deze toetsen hebben geleid tot een aantal suggesties om het wetsvoorstel aan te passen. De initiatiefnemers hebben deze suggesties overgenomen en in juni 2020 een wijziging op hun voorstel ingediend. De verwachting is dat de parlementaire behandeling van de Woo na de zomer van 2020 zal plaatsvinden.

Een digitale overheid die publieke waarden en grondrechten borgt

We zorgen voor het waarborgen van publieke waarden en grondrechten in de informatiesamenleving. Digitale technologie biedt veel kansen voor een persoonlijkere, adequatere en efficiëntere overheid. In breder opzicht bieden technologieën kansen om belangrijke uitdagingen aan te gaan, zoals het tegengaan van klimaatverandering en het indammen van een virus als corona. Bij de inzet van technologieën moeten publieke waarden en grondrechten – zoals non-discriminatie, privacy, menselijke waardigheid en autonomie – altijd gewaarborgd zijn.

Met name bij de opkomst en inzet van nieuwe technologieën kunnen publieke waarden en grondrechten onder druk komen te staan. Een voorbeeld van een snel opkomende technologie is artificiële intelligentie (AI). Ook deze technologie biedt mooie kansen. Zo draagt AI momenteel bij aan het voorspellen van het verloop van het coronavirus en kan het worden ingezet om armoede onder sociale groepen in kaart te brengen. De inzet hiervan kan echter ook risico’s op het gebied van privacy en non-discriminatie met zich meebrengen als het ongericht wordt ingezet of als er fouten in de gebruikte data of modellen zitten.

We ontwikkelen beleid om kansen van digitale technologie te benutten en risico’s voor publieke waarden en grondrechten te benoemen. In 2021 blijven we de maatschappelijke dialoog stimuleren, concrete beleidsinstrumenten ontwikkelen, onderzoek doen en internationaal agenderen. De maatschappelijke dialoog heeft tot doel om bewustwording en begrip over de effecten van technologieën onder burgers te versterken. Dat is voor burgers cruciaal om voor hun belangen op te komen. We zullen in 2021 burgerdialogen over de effecten van technologieën stimuleren en waar nodig voorlichtingsmateriaal ontwikkelen.

Omdat overheden en ontwikkelaars vaak moeite hebben met de vertaling van abstracte kaders naar hun praktijk, werken we aan concrete handvatten. Een voorbeeld hiervan is een instrument dat risico’s voor mensenrechten in kaart brengt wanneer overheden experimenteren met nieuwe technologieën. Ook ontwikkelen we principes voor ontwikkelaars om discriminatie door kunstmatige intelligentie te voorkomen. Naast het ontwikkelen van concrete handvatten, blijven we onderzoek doen om zicht te houden op de effecten van snel opkomende nieuwe technologieën en agenderen we in internationale netwerken het belang van het borgen van grondrechten.

Tijdens de coronamaatregelen is gebleken dat technologie onmisbaar is om het maatschappelijke leven in crisestijden voort te zetten. De samenleving is naar aanleiding van de crisis in rap tempo onomkeerbaar gedigitaliseerd. Nederlanders gingen van het ene op het andere moment over op digitaal werken, winkelen en contact zoeken. Deze versnelde en verdergaande digitalisering zal het toekomstige vertrekpunt zijn. In deze sterk gedigitaliseerde samenleving moeten publieke waarden en grondrechten centraal staan.

2.1.4 Versnelling naar een grenzeloos samenwerkende overheid

Maatschappelijke opgaven doorsnijden de departementale en interbestuurlijke indeling. Dit vereist een samenwerkende en responsieve overheid met meer oog voor gedrag en initiatieven vanuit burgers en samenleving. We zien dat dit meer vraagt van de uitvoering van beleid. De coronamaatregelen hebben meer dan ooit duidelijk gemaakt waar het op aan komt om problemen in de samenleving aan te pakken: een wendbare uitvoering in de publieke sector.

Het Ministerie van BZK, als hoeder van de kwaliteit en integriteit van de overheid als geheel en een goed functionerende Rijksdienst in het bijzonder, jaagt de ontwikkeling naar een wendbare uitvoering aan. Vanuit onze beleidsverantwoordelijke en coördinerende rollen voor zowel overheidsbreed als rijksbreed gemaakte afspraken en dossiers helpen wij de overheid beter te laten samenwerken. Zo werken we als één overheid die maatschappelijke vraagstukken gezamenlijk op de kaart zet en aanpakt.

Dat kan alleen als de overheid een aantrekkelijke werkgever blijft en de rijksbrede bedrijfsvoering de Rijksoverheid maximaal ondersteunt. De kwaliteit van dienstverlening staat daarbij voorop en die verbeteren we continu. De Rijksoverheid heeft ook een voorbeeldrol en draagt zelf bij aan het aanpakken van maatschappelijke opgaven, onder andere met een inclusieve organisatie en duurzame oplossingen in vastgoed en inkoop. Zo dragen we met de rijksbrede bedrijfsvoering bij aan een overheid die maatschappelijke opgaven gezamenlijk adresseert en aanpakt.

Samenwerken aan goede dienstverlening

Wij helpen met het ontwikkelen van een overheidsbrede visie op dienstverlening, het zetten van verdere stappen in de digitale agenda en het doorlichten van wet- en regelgeving. Ook organiseren we een goede bestuurlijke samenwerking tussen eigenaar, opdrachtgever en uitvoeringsorganisatie (opdrachtnemer) door het gesprek aan te gaan over gedeelde problemen en risico’s en gezamenlijk op zoek te gaan naar oplossingen. Goede voorbeelden zetten we in om te inspireren en samen te leren, zoals de digitalisering van dienstverlening via de vooraf ingevulde belastingaangifte en de persoonlijke dienstverlening in de sociale zekerheid.

Goed werkgeverschap is essentieel

De coronamaatregelen hebben in 2020 het werken bij de Rijksdienst veranderd. De lessen die we hieruit kunnen trekken en de veranderingen in de manier van werken bouwen we in 2021 uit en worden verankerd in het werken bij het Rijk. Dit betreft onder meer digitale ondersteuning van werk (e-learning, videoconferencing), verbeterde voorzieningen om op afstand te werken, maar ook aandacht voor behoud van sociale cohesie om aantrekkelijk te blijven als werkgever. Het Rijk werkt daarom aan een nieuwe visie op de werkomgeving van de toekomst.

Met goede collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s) met moderne arbeidsvoorwaarden is en blijft de overheid een aantrekkelijke werkgever. Dit is essentieel voor een goed functionerende en toekomstbestendige publieke sector. Goed werkgeverschap betekent niet alleen aandacht voor maatwerk en keuzevrijheid, maar ook voor het stimuleren van duurzame inzetbaarheid. Zo zetten werkgever en bonden bij de sector Rijk bijvoorbeeld in op een betere verdeling van de capaciteit voor het werken in roosterdiensten.

Uitvoering van het Strategische Personeelsbeleid (SPB) 2025 heeft ook in 2021 prioriteit. Zo wordt het Rijkstraineeprogramma vernieuwd en op basis van een evaluatie (in 2020) wordt de rijksbrede arbeidsmarktcommunicatie herijkt in een meerjarenplan voor de periode 2021-2023.

We ondersteunen overheidswerkgevers bij het maken en behouden van een veilige werkomgeving en bij het tegengaan van agressie en geweld tegen hun medewerkers. We verstrekken onder andere een financiële bijdrage aan enkele gemeenten om te experimenteren met wat wel en wat niet werkt. Ook is er budget voor ambassadeurs die in de eigen regio (centraal) ontwikkeld beleid uitdragen.

Een goed werkgever is inclusief

De Rijksdienst streeft ernaar een inclusieve organisatie te zijn waar medewerkers veilig en integer werken. We investeren in een sterk interdepartementaal netwerk op het vlak van inclusie en diversiteit, waar kennis en ervaringen worden uitgewisseld en gezamenlijke activiteiten worden ontplooid. De Rijksdienst biedt passend werk voor mensen met een arbeidsbeperking, zowel binnen de eigen organisatie als ook binnen inkoopopdrachten bij externe dienstverleners.

Het wetgevingstraject voor de invoering van de EU-klokkenluidersrichtlijn is in gang gezet. De invoering is voorzien voor eind 2021. Als de evaluatie van de Wet Huis voor klokkenluiders uit 2020 hiertoe aanleiding geeft, worden de voorgestelde wetswijzigingen betrokken in het wetgevingstraject voor de invoering van de EU-klokkenluidersrichtlijn. De verkenning naar ondersteuningsmaatregelen voor klokkenluiders (juridisch, psychosociaal en financieel) is inmiddels afgerond. Dit voorstel wordt verder uitgewerkt in 2021.

Het kabinetsstandpunt over de evaluatie van de Wet normering topinkomens (WNT) wordt volgens planning eind 2020 vastgesteld. Dit onderwerp staat in 2021 op de politieke agenda en is met inzet van veel partijen tot stand gekomen. In 2019 en 2020 hebben we praktijkervaringen verzameld die de effectiviteit en doelmatigheid van de wet verder kunnen verhogen.

Maatschappelijk verantwoord omgaan met vastgoed en inkoop

Het kabinet wil Nederland verduurzamen. Daarvoor is een ambitieus klimaat- en duurzaamheidsbeleid opgesteld met een voorbeeldrol voor de Rijksoverheid. De Rijksoverheid zet stappen op weg naar een klimaatneutrale en circulaire bedrijfsvoering en inkoop in 2030, maar de realisatie van een aantal tussendoelen ligt niet op schema. Het doel van 20% zero emissie voertuigen in 2020 wordt bijvoorbeeld niet gerealiseerd. Dit geldt ook voor terugdringen van het eigen restafval en er is nog weinig inzicht in de stand van zaken voor de circulaire ambities. Risico is dat door de gevolgen van corona de benodigde versnelling niet plaatsvindt en er verdere vertraging optreedt in de uitvoering van de inkoopstrategie van het Rijk. Tegelijkertijd geldt dat de inkoopkracht van het Rijk (€ 12 mld. op jaarbasis) een belangrijk en efficiënt instrument kan zijn om de economie toekomstbestendig te maken, zonder volgende crises over ons af te roepen.

Als gevolg van het coronavirus en de stikstofproblematiek zou de bouwsector krimpen. Het Rijksvastgoedbedrijf helpt de sector door zijn productie op peil te houden en werkzaamheden in de vastgoedportefeuille versneld te laten uitvoeren. Door stikstofarm te laten werken en bouwen wordt de sector geholpen de transitie te maken naar een stikstofarm bouwproces.

Ook in 2021 zet het Rijksvastgoedbedrijf de koers voort die met het Regionaal Ontwikkelprogramma is ingezet (Kamerstukken II 2018/19, 31490, nr. 256). Dit programma is bedoeld om met het rijksvastgoed maatschappelijke meerwaarde te realiseren. Voor rijksgronden ontwikkelen we een grondstrategie. In samenwerking met Staatsbosbeheer, Rijkswaterstaat en ProRail onderzoeken we welke gronden kunnen worden ingezet voor het opwekken van hernieuwbare energie. Daarvoor voert het Rijksvastgoedbedrijf gesprekken met onder andere de RES (Regionale Energiestrategie)-regio’s en desbetreffende gemeenten.

EnergieRijk Den Haag

Het programma EnergieRijk Den Haag (ERDH) is een uniek samenwerkingsverband van het Ministerie van BZK, de gemeente Den Haag en de provincie Zuid-Holland. Samen werken we aan het verduurzamen van de belangrijkste dertig (semi-)overheidsgebouwen in het centrum van Den Haag. De drie samenwerkende overheden sturen onder andere de ERDH programmaorganisatie gezamenlijk aan. Ook kijken we regelmatig ‘bij elkaar in de keuken’ om zo van elkaar te leren en ervaringen uit te wisselen. Zo brengen we oplossingen voor de eigen én de gezamenlijke opgave verder. ERDH kijkt en werkt over de grenzen heen door semi-publieke partijen, private partijen en ook het hoger onderwijs actief te laten meedoen in de alliantie. Zo leren we waardevolle lessen over de werkwijze voor de energietransitie in de gebouwde omgeving.

Belangrijke dragers van de verduurzaming van de Rijksoverheid zijn de routekaarten voor de verduurzaming van rijksvastgoed, transitie naar klimaatneutrale en circulaire rijksinfraprojecten en de rijksbrede inkoopstrategie. Dat gebeurt onder meer via de criteria voor Maatschappelijk Verantwoord Inkopen en leernetwerken. Deze ontwikkelingen geven een extra stimulans om de invoering van de inkoopstrategie stevig door te zetten.

ICT, informatievoorziening en informatiebeveiliging binnen de Rijksdienst

Het Ministerie van BZK zet in op het op orde brengen en houden van informatievoorziening (IV) en ICT binnen het Rijk en uitvoeringsorganisaties. Om informatiebeveiliging en ICT bij het Rijk te versterken worden diverse maatregelen uitgevoerd. Het belangrijkste is dat informatie en data veilig en betrouwbaar zijn, dat de ICT robuust en toekomstbestendig is en dat kennis en kunde op het gebied van IV bij de medewerkers op peil is.

De doelstelling voor 2021 is een volgende stap te zetten in het versterken van de digitale weerbaarheid bij het Rijk. We zetten in op het verhogen van de veiligheid door meer rijksoverheidsorganisaties bij het Nationaal Detectie Netwerk (NDN) aan te sluiten. Daarnaast onderzoeken we in overleg met de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) en het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) hoe een doorlopende kwetsbaarhedenscan kan worden ingericht. Naast deze verkenning naar het nut en noodzaak van een extra doorlopende kwetsbaarhedenscan wordt een handreiking voor rijksoverheidsorganisaties opgesteld.

Om beter grip te krijgen op de rijksbrede IV en ICT zetten we vervolgstappen. Zo werken we in 2021 aan de invoering van onder meer het besluit CIO-stelsel Rijksdienst en het kwaliteitskader voor IV-plannen. Het doel hierbij is de rollen, taken en verantwoordelijkheden van de betrokken belanghebbenden binnen het CIO-stelsel Rijksdienst te verhelderen en om de kwaliteit van de IV en ICT-plannen rijksbreed naar een hoger niveau te tillen.

Het Rijks ICT-Dashboard heeft als doel om transparantie in aantallen projecten, kostenschatting en projectduur rondom ICT-projecten binnen het Rijk te verhogen. In 2021 werken we aan het verhogen van de informatiewaarde van het Rijks ICT-Dashboard (onder andere door het toevoegen van meer actuele informatie) en door informatie toe te voegen over ICT-beheer- en onderhoudsaspecten.

Het doel van het Rijksprogramma Duurzaam Digitale Informatiehuishouding (RDDI) is om samenwerking binnen het hele Rijk op het terrein van informatiehuishouding te verbeteren. Daartoe ontwikkelen we kaders en voorzieningen voor het archiveren van websites en e-mail.

Coronamaatregelen in incidentele suppletoire begrotingen

De afgelopen maanden zijn voor een belangrijk deel getekend door de coronacrisis. Het kabinet heeft diverse (nood)maatregelen genomen om de crisis het hoofd te bieden. Deze paragraaf geeft een overzicht van de maatregelen die op de begroting van BZK zijn genomen. Een uitgebreid overzicht is te vinden op https://www.rijksfinancien.nl/corona-visual

Tabel 2 Budgettaire gevolgen coronamaatregelen in incidentele suppletoire begrotingen (bedragen x € 1.000)

Maatregel

Bedrag 2020

2021

Bijbehorende brieven

Incidentele suppletoire begroting inzake maatregelen doorbouwen tijdens de coronacrisis en vergoeding rouwvervoer (Kamerstukken II 2019/20, 35478, nr. 1)

170.000

0

Maatregelen doorbouwen tijdens de coronacrisis (Kamerstukken II 2019/20, 32847, nr. 650)

Incidentele suppletoire begroting inzake corona maatregelen

7.999

0

Steun- en herstelpakket

Toelichting

De begroting van het Ministerie van BZK is in 2020 verhoogd met een bedrag van in totaal € 178 mln. Het betreft ten eerste € 100 mln. woningbouwimpulsmiddelen die vanuit de Aanvullende Post overgeheveld zijn naar de begroting van BZK. De middelen zijn uit 2023 naar voren gehaald, waarbij € 50 mln. wordt ingezet als stimulans voor huisvesting van kwetsbare groepen en € 50 mln. voor het versneld realiseren van betaalbare woningen. Daarnaast is € 20 mln. beschikbaar gesteld voor doorbouwlocaties om gemeenten in staat te stellen vertraging in de planfase aan te pakken en € 50 mln. voor de renovatie en verduurzaming van maatschappelijk vastgoed. Ook wordt er € 8 mln. beschikbaar gesteld voor compensatie voor lokale culturele voorzieningen.

2.2 Belangrijkste beleidsmatige mutaties

Tabel 3 Opbouw uitgaven (bedragen x € 1.000)
 

Art.

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand begroting 2020 (inclusief NvW)

 

6.195.972

5.922.560

5.915.655

6.017.429

6.083.204

        

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 

361.636

363.126

172.908

43.512

43.016

76.199

Mutatie incidentele suppletoire begrotingen 2020

 

199.999

95.550

0

0

0

0

        

Belangrijkste mutaties

       

1 Digitaal hulpmiddel uitslagvaststelling verkiezingen

1

‒ 2.490

‒ 2.600

750

3.250

1.090

0

2 Achtervangvergoeding nationale hypotheekgarantie

3

33.860

0

0

0

0

0

3 Financieringsfaciliteit Binnenstedelijke Transformatie

3

0

20.000

0

0

0

0

4 Huurtoeslag

3

0

‒ 19.000

‒ 38.000

‒ 38.000

‒ 38.000

‒ 38.000

5 Versnellen en intensiveren woningbouwimpuls

3

0

150.000

‒ 50.000

‒ 50.000

0

0

6 Flexpools

3

0

20.000

0

0

0

0

7 STEP

4

‒ 28.451

9.500

18.951

0

0

0

8 SAK

4

‒ 10.000

10.000

0

0

0

0

9 Regionale Energie Strategieën Klimaatakkoord

4

0

12.500

0

0

0

0

10 Impuls doorbouwen verduurzaming sportverenigingen

4

‒ 10.000

0

0

0

0

0

11 Urgenda middelen RRE MKB

4

3.000

30.000

0

0

0

0

12 Verduurzaming woningen (SEEH)

4

0

15.000

15.000

15.000

0

0

13 MOOI regeling

4

0

4.500

9.000

7.500

9.000

0

14 Kasschuif Omgevingswet

5/11

‒ 10.000

10.000

0

0

0

0

15 Basisregistratie Ondergrond

5

‒ 4.070

0

0

0

0

0

16 Gebiedsontwikkeling Woningbouwlocaties

5

0

5.000

0

0

0

0

17 Investeringsfonds Generieke digitale infrastructuur

6

0

0

55.751

0

0

0

18 Niet-huisvestingskosten

9

‒ 500

‒ 10.200

0

0

0

0

19 Niet-bestede middelen 2019 Groningen

10

11.044

0

0

0

0

0

20 Versterkingsoperatie Groningen

10

39.700

6.334

6.334

6.334

0

0

        

Overige mutaties

 

10.834

683

52.328

51.290

‒ 1.720

6.192.061

        

Stand ontwerpbegroting 2021

 

6.790.534

6.642.953

6.158.677

6.056.315

6.096.590

6.230.260

Toelichting

1) Digitaal hulpmiddel uitslagvaststelling verkiezingen

Bij de eerste suppletoire begroting 2020 is meerjarig in totaal € 8,5 mln. beschikbaar gesteld voor investeringen in het digitaal hulpmiddel voor het berekenen van de verkiezingsuitslag en het betrouwbaar gebruik daarvan. Middels deze kasschuif worden de beschikbare middelen in het juiste kasritme gezet.

2) Achtervangvergoeding nationale hypotheekgarantie

De Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) betaalt jaarlijks een achtervangvergoeding voor de Nationale Hypotheek Garantie (NHG) aan het Rijk. De jaarlijkse vergoeding wordt gestort in de daarvoor bestemde risicovoorziening NHG. De afdracht over het boekjaar 2019 bedraagt afgerond € 33,9 mln.

3) Financieringsfaciliteit Binnenstedelijke Transformatie

De Financieringsfaciliteit voor Binnenstedelijke Transformatie wordt geïntensiveerd met € 20 mln. waarmee kortlopende leningen aan ontwikkelaars versterkt kunnen worden om voormalige winkels, kantoren, horecagelegenheden en bedrijventerreinen te herontwikkelen naar woningen.

4) Huurtoeslag

Met een verplichte huurverlaging wordt invulling gegeven aan de motie Kox. Dit leidt tot inverdieneffecten op de huurtoeslag. Afhankelijk van de mate van aanspraak op de huurverlaging leidt dit tot een maximum inverdieneffect van € 38 mln.

5) Versnellen en intensiveren woningbouwimpuls

De woningbouwimpuls wordt geïntensiveerd met € 50 mln. in 2021 voor diverse maatregelen gericht op het wegnemen van knelpunten in de woningbouw in combinatie met wederkerige afspraken over de programmering van de woningbouw. Waaronder het stimuleren van woningbouw voor kwetsbare groepen en ouderen. Daarnaast wordt er € 100 mln. van de woningbouwimpuls naar voren gehaald om in 2021 te investeren.

6) Flexpools

Er wordt € 20 mln. ingezet in 2021 voor flexpools, waardoor er flexibele inzet van capaciteit beschikbaar is voor gemeenten voor ondersteuning in de voorfase van de woningbouw.

7) STEP

De Stimuleringsregeling energieprestatie huursector (STEP) is een regeling voor het verduurzamen van woningen. De aanvragen konden tot eind 2018 worden ingediend. De subsidies worden twee jaar na verlening vastgesteld en uitbetaald. De regeling bleek eind 2018 overtekend, waardoor er een wachtlijst is met aanvragen. Zodra er een aanvraag uitvalt, wordt een aanvraag van de wachtlijst in behandeling genomen. Dit heeft effect op het kasritme, want de termijn van twee jaar gaat dan opnieuw in. Daarnaast speelt ook de corona-uitbraak, waardoor aanvragers verzoeken tot uitstel hebben ingediend. Het tijdig opnemen van de energie-index in woningen gaat moeizamer. Daarom hebben aanvragers een half jaar uitstel gekregen. Middels deze kasschuif wordt het kasbudget in het juiste ritme gezet.

8) SAK

In overleg met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en RVO.nl is besloten dat de wijkgerichte aanpak aardgasvrij koopwoningen (SAK) per 1 januari 2021 in de Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) regeling wordt opgenomen, zodat het aantal verschillende regelingen zoveel mogelijk wordt beperkt. De SAK-middelen uit 2020 schuiven middels een kasschuif door naar 2021.

9) Regionale Energie Strategieën Klimaatakkoord

Vanaf de Aanvullende Post is er € 12,5 mln. overgeheveld naar de begroting van BZK voor de Regionale Energie Strategieën (RES). Het doel van de RES is een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van hernieuwbare energieopwekking, warmte(rest)bronnen en bijbehorende infrastructuur. De RES en transitievisies warmte zullen worden geborgd in met name de gemeentelijke omgevingsvisies en omgevingsplannen, hierop is de Omgevingswet van toepassing. In een RES-regio werken overheden met maatschappelijke partners, netbeheerders, het bedrijfsleven en waar mogelijk bewoners, regionaal gedragen keuzes uit. Dit doen zij voor de opwekking van duurzame elektriciteit, de warmtetransitie in de gebouwde omgeving en de daarvoor benodigde opslag- en energie-infrastructuur. De € 12,5 mln. wordt onder meer ingezet voor een expertpool om regio’s vanuit centraal ontwikkelde kennis en vaardigheden te ondersteunen, het bevorderen van participatie van bewoners en het onderzoeksprogramma Waterbeheer en Regionale Energiestrategieën.

10) Impuls doorbouwen verduurzaming sportverenigingen

Middels de incidentele suppletoire begroting (Kamerstukken II 2019/20, 35478, nr. 1) is € 50 mln. beschikbaar gekomen als investeringsimpuls voor verduurzaming van bestaande sportaccommodaties en scholen in het primair en voortgezet onderwijs. Hiervan wordt € 10 mln. overgeboekt naar het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) om een impuls te geven aan de verduurzaming van sportaccommodaties via de subsidieregeling Bouw en Onderhoud Sportaccommodaties.

11) Urgenda middelen RRE MKB

Dit betreft middelen voor de maatregelen die in het kader van de invulling van het Urgenda-vonnis voor de regeling reductie van energieverbruik (RRE) beschikbaar worden gesteld voor midden- en kleinbedrijven (mkb's). Daarnaast wordt er een subsidie verstrekt voor Natuur & Milieu ten behoeve van het opleidingsprogramma en de bewustwordingscampagne voor monteurs en doe-het-zelvers voor installatie en onderhoud van hybride warmtepompen.

12) Verduurzaming woningen (SEEH)

Voor de verduurzaming van woningen stelt het kabinet € 15 mln. beschikbaar in de jaren 2021 tot en met 2023 om de komende jaren extra ondersteuning te bieden aan woningeigenaren die hun woning verduurzamen. Het budget wordt via de subsidie energiebesparing eigen huis (SEEH)/Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) beschikbaar gesteld.

13) MOOI regeling

In het kader van de Integrale Kennis en Innovatieagenda van het Klimaatakkoord en van het topsectorenbeleid is de missie vastgesteld en geïnstrumenteerd om te komen tot een CO2 vrije gebouwde omgeving in 2050. Dit gebeurt via drie Meerjarig Missiegedreven Innovatieprogramma’s: Versnelling van Energierenovaties (MMIP 3), Duurzame warmte en koude (MMIP 4) en het Energiesysteem in Evenwicht (MMIP 5). Binnen de programma’s ondersteunt het Rijk R&D-investeringen van grootschalige samenwerkingsverbanden tussen marktpartijen en kennisinstellingen. Deze ondersteuning krijgt vorm via de MOOI-regeling. Vanwege grote gebleken belangstelling voor deze MOOI-regeling is besloten hiervoor budget naar voren te halen. Daarmee kan een versnelling worden gegeven aan de benodigde transitie en kunnen bedrijven worden ondersteund om in economisch onzekere tijden te blijven investeren

14) Kasschuif Omgevingswet

De combinatie van een stevige implementatieopgave en de maatregelen rond het coronavirus heeft grote impact op alle partijen die werken aan de Omgevingswet. Dit vraagt extra tijd, de Kamer is daarover in het voorjaar 2020 geïnformeerd (Kamerstukken 2019/2020, 33118, nr. 139). Het Rijk en de koepels van gemeenten, provincies en waterschappen hebben overeenstemming bereikt over een uitstelperiode van één jaar (Kamerstukken 2019/2020, 33118, nr. 145), wat inhoudt dat de nieuwe ingangsdatum 1 januari 2022 wordt. Een deel van de beschikbare middelen komt dit jaar niet tot uitputting en wordt middels een kaschuif meegenomen naar 2021.

15) Basisregistratie Ondergrond

Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) ontvangt een bijdrage voor TNO. TNO verzorgt het kader van de implementatie van de Wet Basisregistratie Ondergrond (BRO) voor de realisatie van de Landelijke Voorziening inclusief BRO-loket.

16) Gebiedsontwikkeling

Voor de uitwerking van gebiedsontwikkelingen wordt een ontwikkelbudget van € 5 mln. beschikbaar gesteld. Over de inzet hiervan wordt in de Bestuurlijke Overleggen in het komende najaar en voorjaar besloten.

17) Investeringspost Generieke infrastructuur

Voor 2022 zijn middelen vanaf de Aanvullende Post overgeheveld naar de begroting van BZK. Het betreft middelen voor gezamenlijke doorontwikkeling en innovatie van de digitale overheid. De bestemming van de Investeringspost wordt afgestemd in de governance van de digitale overheid (Overheidsbreed Beleidsoverleg Digitale Overheid: OBDO). Hierbij zijn de agenda NL DIGIbeter en het Programmaplan Basisinfrastructuur leidend.

18) Niet-huisvestingskosten

Dit betreft overboekingen voor de niet-huisvestingskosten in relatie tot project Renovatie Binnenhof naar de begrotingen van de Staten-Generaal (IIA), de Raad van State (IIB) en het Ministerie van Algemene Zaken (III).

19) Niet-bestede middelen 2019 Groningen

Het Ministerie van EZK boekt de overgebleven budgetten uit 2019 over aan het Ministerie van BZK voor de budgetten die bij Nota van Wijziging op de begroting van 2020 naar de begroting van BZK zijn overgekomen.

20) Versterkingsoperatie Groningen

Voor de versterkingsoperatie Groningen worden middelen overgeheveld van de Aanvullende Post naar de begroting van BZK. De middelen worden onder andere ingezet voor het scholenprogramma, de inpassingskosten voor gemeenten bij de versterkingswerkzaamheden en de rijksbijdrage voor het uitvoeren van sloop/nieuwbouw in de vergeten hoek van Appingedam en de Zandplaten Zuid in Delfzijl.

Tabel 4 Opbouw ontvangsten (bedragen x € 1.000)
 

Art.

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand begroting 2020 (inclusief NvW)

 

729.449

722.547

669.279

662.479

623.481

        

Mutatie 1e suppletoire begroting 2020

 

‒ 3.310

‒ 51.489

‒ 59.800

‒ 57.400

‒ 54.900

‒ 56.200

        

Belangrijkste mutaties

       

1 Waterschapsverkiezingen

1

2.800

2.800

2.800

2.800

2.800

2.800

2 Achtervangvergoeding nationale hypotheekgarantie

3

33.860

0

0

0

0

0

3 Surplus eigen vermogen DHC

3

3.118

0

0

0

0

0

4 Huurtoeslag

3

‒ 6.000

0

0

0

0

0

5 Diverse afrekeningen 2019

5

2.829

0

0

0

0

0

        

Overige mutaties

 

410

‒ 7.427

‒ 3.827

‒ 252

‒ 252

614.128

        

Stand ontwerpbegroting 2021

 

763.156

666.431

608.452

607.627

571.129

560.728

Toelichting

1) Waterschapsverkiezingen

De waterschapsverkiezingen worden een keer in de vier jaar georganiseerd door de gemeenten. De kosten die de gemeenten hiervoor maken worden vergoed door de Waterschappen. Met ingang van 2020 gebeurt dat via een structurele toevoeging aan de algemene uitkering van het gemeentefonds van € 2,8 mln. per jaar. Dit bedrag wordt overgeboekt vanuit de begroting van BZK. Daar tegenover incasseert het Ministerie van BZK jaarlijks eenzelfde bedrag bij de Waterschappen.

2) Achtervangvergoeding nationale hypotheekgarantie

De Stichting WEW betaalt jaarlijks een achtervangvergoeding voor de NHG aan het Rijk. De jaarlijkse vergoeding wordt gestort in de daarvoor bestemde risicovoorziening NHG. De afdracht over het boekjaar 2019 bedraagt afgerond € 33,9 mln.

3) Surplus eigen vermogen DHC

Uit het jaarverslag 2019 blijkt dat het eigen vermogen hoger is dan de toegestane 5% (regeling Agentschappen). Het surplus van € 3,2 mln. vloeit terug naar het moederdepartement.

4) Huurtoeslag

De Belastingdienst verlaagt vanwege de gevolgen van corona tijdelijk de invorderingsrente. Dit leidt tot minder ontvangsten bij de huurtoeslag. Deze lagere rente-ontvangsten worden generaal gecompenseerd.

5) Diverse afrekeningen 2019

Dit betreft ontvangsten als gevolg van diverse afrekeningen 2019 met onder andere het Kadaster, UBR/KOOP en Geonovum.

6) Bijdrage IPO voor beheer DSO-LV

Op 18 december 2018 hebben de UvW, de VNG, het IPO en het Rijk de beheeroverkomst DSO-LV ondertekend. De overeenkomst regelt onder andere de inhoud en de uitvoering van de beheertaak, de financieringen de samenwerkingsafspraken voor een optimale werking van het Digitaal stelsel Omgevingswet landelijke voorziening. Op grond van de beheerovereenkomst DSO-LV draagt het IPO vanaf 1 januari 2020 jaarlijks circa € 1,6 mln. bij aan de kosten.

2.3 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

Tabel 5 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven en bestemming (bedragen x € 1.000)

Art. nr.

Naam artikel (€ totale uitgaven artikel)

Juridisch verplichte uitgaven

Niet-juridisch verplichte uitgaven

Bestemming van de niet-juridisch verplichte uitgaven

1

Openbaar bestuur en democratie (66.153)

58.618 (89%)

7.535 (11%)

Bestuur en regio (2.313)

    

Verbinding inwoner en overheid (2.027)

    

Weerbaar bestuur (1.343)

    

Overig (1.852)

3

Woningmarkt (4.828.368)

4.467.924 (93%)

360.444 (7%)

Woningbouwimpuls (354.000)

    

Woningmarkt (5.524)

    

Overig (920)

4

Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit (437.329)

417.333 (95%)

19.996 (5%)

Energietransitie en duurzaamheid (17.632)

    

Bouwregelgeving en bouwkwaliteit (2.364)

5

Ruimtelijke ordening en omgevingswet (98.757)

84.880 (86%)

13.877 (14%)

Basisregistratie Ondergrond (BRO) (4.679)

    

Gebiedsontwikkeling (3.721)

    

Kadaster (Basisregistraties) (2.205)

    

Ruimtelijk instrumentarium (diversen) (1.352)

    

Overig (1.920)

6

Overheidsdienstverlening en informatiesamenleving (170.330)

142.279 (84%)

28.051 (16%)

Overheidsdienstverlening (8.501)

    

Informatiebeleid (6.249)

    

Identiteitsstelsel (4.435)

    

RVIG (3.828)

    

Overig (5.038)

7

Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid (34.264)

25.488 (74%)

8.776 (26%)

Bedrijfsvoeringsbeleid (5.606)

    

Werkgeversbeleid (2.121)

    

Overig (1.049)

9

Uitvoering Rijksvastgoedbeleid (141.846)

134.177 (95%)

7.669 (5%)

RVB (Bijdrage voor rijkshuisvesting) (3.833)

    

RVB (Onderhoud- en beheerkosten) (2.401)

    

RVB (Bijdrage voor monumenten) (1.435)

10

Groningen versterken en perspectief (114.297)

100.200 (88%)

14.097 (12%)

Versterkingsoperatie (6.334)

    

Nationaal programma Groningen (5.000)

    

Werk en onderzoeksbudget (2.763)

      

Totaal aan niet verplichte uitgaven

€ 460.445

2.4 Strategische evaluatieagenda

In lijn met de derde voortgangsrapportage Inzicht in Kwaliteit (Kamerstukken II 2019/20, 31865, nr. 168) worden in de begroting van 2021 stappen gezet richting een strategische evaluatieagenda (SEA).

De begroting van 2021 is een overgangsjaar waarin nadere invulling wordt gegeven aan de SEA. Dat leidt ertoe dat in plaats van de meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen hier de strategische evaluatieagenda wordt getoond. Het onderstaande overzicht strategische onderzoeken biedt inzicht in en toelichting bij een selectie van strategische onderzoeken in aansluiting op de beleidsprioriteiten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) in 2021. Het volledige overzicht ‘Evaluatie- en overig onderzoek’, inclusief de geplande beleidsdoorlichtingen, is te vinden in bijlage 5.

Tabel 6 Overzicht strategische onderzoeken

Artikelonderdeel

Strategische onderzoeken

Afronding

Sterke en levendige democratie

1.1 Bestuur en regio

Studiegroep Interbestuurlijke en Financiële verhoudingen

2020

Evaluatie Interbestuurlijk Programma (IBP)

2020

Evaluatie programma Sociaal Domein

2021

1.2 Democratie

Monitor Democratie in Actie

2021

Duurzaam wonen en leven in heel Nederland

3.3 Woningbouw

Woningbouwimpuls monitoring

2021

4.1 Energietransitie gebouwde omgeving

Monitoring en evaluatie Programma Aardgasvrije Wijken

2022

Beleidsdoorlichting Energietransitie en duurzaamheid

2021

Een waardegedreven digitale overheid

6.2 Overheidsdienstverlening, informatiebeleid, en informatiesamenleving

Monitor tevredenheid overheids-dienstverlening

2021

6.6 Investeringspost Digitale Overheid

Beleidsdoorlichting investeringspost Digitale overheid

2021

Versnelling naar een grenzeloos samenwerkende overheid

7.1 Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid

Brede evaluatie organisatiekaders van het Rijk

2021

9.1 Doelmatige rijkshuisvesting

Beleidsdoorlichting doelmatige rijkshuisvesting

2021

Toelichting

Sterke en levendige democratie

Het Ministerie van BZK werkt samen met het Rijk en de medeoverheden aan een betrouwbaar, eigentijds en goed functionerend democratisch bestuur. We versterken en vernieuwen de democratie zodat elke stem gehoord wordt, zodat mensen vertrouwen hebben in hun bestuur en zodat inwoners met goede ideeën de ruimte hebben voor eigen initiatief. Evaluatie en onderzoek dragen bij aan het bereiken van deze beleidsprioriteiten.

Studiegroep interbestuurlijke en financiële verhoudingen

Deze studiegroep doet concrete aanbevelingen met betrekking tot de voorwaarden die nodig zijn om gezamenlijk en gelijkwaardig op te kunnen trekken als één overheid. De Studiegroep levert – vertrekkend vanuit de maatschappelijke ontwikkelingen en opgaven – concrete beleidsopties op die de kwaliteit van de interbestuurlijke verhoudingen bevorderen ten bate van het vermogen van het openbaar bestuur om beter in te spelen op maatschappelijke ontwikkelingen en opgaven.

Evaluatie Interbestuurlijk Programma (IBP)

In opdracht van het programmateam Interbestuurlijk Programma (IBP) heeft adviesbureau Andersson Elffers Felix (AEF) een onderzoek uitgevoerd naar de ervaringen met twee jaar IBP. Wat is er in de praktijk terechtgekomen van de IBP-uitgangspunten? Heeft interbestuurlijke samenwerking tot (andere) resultaten geleid? Hoe hebben medewerkers van het Rijk en de koepels hun betrokkenheid bij de opgaven ervaren? De lessen en aanbevelingen uit het onderzoek worden gebruikt bij de uitvoering van het IBP in de komende periode en bij het vervolg na het IBP.

Evaluatie programma Sociaal Domein

Het Programma Sociaal Domein is voor vier jaar ingesteld, de facto tot het aantreden van het volgende kabinet. Het Programma werkt in opdracht van de Brede regietafel Sociaal Domein. Na in de beginfase te hebben ingezet op zestien trajecten heeft het programma zich ontwikkeld naar een netwerk van gemeenten en rijkspartijen. Doel van de evaluatie is om een bijdrage te leveren aan de beslissing om al dan niet door te gaan met het programma, en zo ja, op welke wijze.

Monitor Democratie in Actie

Het kabinet zet in op de versterking van lokale democratie en bestuur. Een belangrijk instrument daarvoor is het samenwerkingsprogramma Democratie in Actie, dat in het najaar van 2018 is gelanceerd. Dit programma is een gezamenlijk initiatief van het Ministerie van BZK, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de beroeps- en belangenverenigingen in het decentraal bestuur. Onderzoeksbureau BMC monitort de uitvoering van het programma. Het doel van monitoring is om periodiek te volgen wat de resultaten en, zo veel als mogelijk, effecten zijn van de ingezette acties. Monitoring vormt zodoende een basis voor de evaluatie. Daarnaast is het streven om al tijdens de uitvoering van het actieprogramma te leren. Wat leveren bepaalde activiteiten op? Zijn er onvoorziene (neven)effecten? Onder welke voorwaarden slaagt of faalt een actie? Wat moet of kan er anders?

Duurzaam wonen en leven in heel Nederland

Met onder andere de bouwopgave en de verduurzamingsopgave staat Nederland voor grote uitdagingen. Ruimte in Nederland is daarbij schaars. Er is behoefte aan kennis hoe we deze opgaven zo doeltreffend en doelmatig mogelijk kunnen uitvoeren, en hoe de overheid zich daarbij het beste kan organiseren. Onderstaande onderzoeken dragen daaraan bij.

Woningbouwimpuls monitoring

De woningbouwimpuls van € 1 mld. beoogt het woningtekort in te lopen door de bouw van betaalbare woningen met een focus op regio’s waar de toegankelijkheid het meest onder druk staat te ondersteunen. De woningbouwimpuls moet zorgen voor de bouw van extra (betaalbare) woningen die anders niet of later gebouwd zouden zijn. Om de effectiviteit vast te stellen wordt gebruik gemaakt van een nulmeting, een jaarlijkse monitor en een eindevaluatie, uiterlijk binnen zeven jaar na beëindiging van het besluit. Met de nulmeting wordt een foto gemaakt van het huidige regionale woningtekort en de stand van de centrale doelen van de woningbouwimpuls. Jaarlijks monitoren we de voortgang van projecten aan de hand van afspraken die we met gemeenten maken. De monitor kan gebruikt worden om de regeling aan te passen als dat nodig blijkt. Op basis van gegevens uit de nulmeting en de monitor wordt de effectiviteit van de impuls geëvalueerd, door projecten die met de impuls tot stand zijn gekomen te vergelijken met vergelijkbare projecten die geen steun hebben ontvangen.

Beleidsdoorlichting energietransitie en duurzaamheid

Met de beleidsdoorlichting wordt onderzocht in hoeverre het beleid op artikel 4.1 duurzaamheid en energietransitie gericht op verduurzaming en het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving doeltreffend en doelmatig is geweest in de periode 2015 tot en met 2020. In de beleidsdoorlichting wordt binnen het verduurzamingsbeleid op artikel 4.1 onderscheid gemaakt in enerzijds het beleid in het kader van het Klimaatakkoord Gebouwde Omgeving (KAGO) en anderzijds het al langer lopende beleid in het kader van het Energieakkoord en het Woonakkoord uit 2013 en alle aanvullende afspraken. Deze onderverdeling wordt gemaakt, omdat het beleid in het kader van het Klimaatakkoord betrekkelijk recent is. Het Klimaatakkoord is gesloten in juni 2019 en is daarmee per 2020 nog maar net in gang gezet.

Monitor en evaluatie Programma Aardgasvrije Wijken

De monitoring van het Programma Aardgasvrije Wijken (PAW) is een belangrijke prioriteit, omdat deze waardevolle informatie biedt voor de wijkgerichte aanpak, de regierol van gemeente daarbinnen en de doorontwikkeling van de aanpak. Deze (ex-post) evaluatie wordt in 2023 opgeleverd en heeft raakvlakken met de evaluatie van de Regionale Energie Strategieën (RES). Tevens vindt er voor 1 oktober 2020 ook een tussentijdse evaluatie (ex-durante) plaats van het PAW.

Interdepartementaal Beleidsonderzoek Ruimtelijke ordening

Ruimtelijke ordening is een domein overstijgend onderwerp. Er is in de laatste jaren sprake van een toenemende ruimtedruk in Nederland vanuit verschillende concurrerende functies. Nederland is nog niet af en het inpassen van alle opgaves is een grote uitdaging. Deze opgaven worden ook samengebracht in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) dient in deze veranderende context te worden bezien. De focus van dit IBO ligt op de governance van de ruimtelijke ordening; hoe ziet het geheel aan sturing op ruimtelijke ordening er uit? Hoe zijn de check’s en balances? Wie heeft welke (beleids)verantwoordelijkheid, beslisbevoegdheid en sturingsinstrumenten?

Monitor NOVI

Uitvoering geven aan de doelstellingen uit de NOVI is een proces voor de lange termijn. Met behulp van een terugkerende cyclus van vier jaar wordt de uitvoering gemonitord. Onderdeel van die cyclus is de tweejarige monitor NOVI. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) brengt in samenwerking met andere onderzoeksinstuten elke twee jaar de ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving in beeld. Door deze ontwikkelingen te vergelijken met doelstellingen of beoogde trends wordt aangegeven voor welke onderwerpen (verdere) beleidsinzet nodig is.

Een waardegedreven digitale overheid

Het Ministerie van BZK werkt aan een inclusieve, digitale, veilige, toegankelijke en transparante overheid. Het Ministerie van BZK kan hier veelal niet alleen voor zorgen en werkt daarom samen met medeoverheden als gemeenten, provincies en uitvoeringsorganisaties als de Belastingdienst en de Kamer van Koophandel (KvK). Evaluatieonderzoek vindt daarom plaats in samenwerking met uitvoeringsorganisaties en andere overheden.

Tevredenheid overheidsdienstverlening

Ter onderbouwing van het digitale inclusiebeleid worden diverse onderzoeken gedaan, die zowel ondersteunend aan de huidige beleidsinstrumenten als richtinggevend aan toekomstig beleid zijn. In onze digitaliserende samenleving staan grootse veranderingen te wachten voor iedereen: niet alleen komen er steeds meer nieuwe toepassingen bij onder de noemer Internet-of-Things, ook worden traditionele, offline producten en diensten in toenemende mate enkel nog online aangeboden. Digitale ongelijkheden zijn daardoor snel aan verandering onderhevig. Doorlopend en vernieuwend onderzoek is nodig om hiertoe beleidsinstrumenten te kunnen ontwikkelen.

De jaarlijkse monitor ‘Oordeel burgers en bedrijven over de overheidsdienstverdeling’ geeft inzicht in de kwaliteit en tevredenheid overheidsdienstverlening en maakt inzichtelijk hoe men de overheidsdienstverlening ervaart. Samen met actieve monitoring op het gebied van digitale toegankelijkheid, vaardigheden en bewustzijn kan het digitale inclusiebeleid bijdragen aan een grotere tevredenheid over de overheidsdienstverlening.

Beleidsdoorlichting investeringspost digitale overheid

De investeringspost bestaat uit interbestuurlijke opgehaalde middelen om innovatie in de Digitale overheid te bundelen. De middelen worden ingezet voor doorontwikkeling en innovatie van generieke digitale infrastructuur (GDI) voorzieningen en/of voor actielijnen zoals opgenomen in NL DIGIbeter. De investeringspost is niet alleen budget van BZK, maar aan het budget is ook bijgedragen door andere ministeries en overheden. De centrale vraag voor deze doorlichting is daardoor: zijn de interbestuurlijk opgehaalde middelen door het Ministerie van BZK doelmatig en doeltreffend ingezet?

Versnelling naar een grenzeloos samenwerkende overheid

Het Ministerie van BZK streeft naar een overheid die haar maatschappelijke taken op professionele wijze uitvoert en waar de samenleving op kan vertrouwen. Goed werkgeverschap, maatschappelijk verantwoord omgaan met vastgoed en inkoop en een veilige informatievoorziening zijn daarbij van groot belang. Er worden uiteenlopende onderzoeken ingezet om het functioneren van de Rijksdienst blijvend te verbeteren.

Brede evaluatie organisatiekaders van het Rijk

De Staatssecretaris van BZK en de Minister van Financiën hebben de wettelijke verplichting om specifieke kaders, die de organisatie van rijksorganisaties met een bepaalde zelfstandige positie reguleren, periodiek te evalueren. In de periode 2020-2021 dienen deze evaluaties uitgevoerd te worden. In afstemming met het Ministerie van Financiën is besloten om deze wettelijke evaluatietaken te combineren in een brede evaluatie.

Beleidsdoorlichting doelmatige rijkshuisvesting

Met de beleidsdoorlichting wordt onderzocht of de uitvoering van het Rijkshuisvestingsbeleid doeltreffend en doelmatig is geweest voor zover voor deze uitvoering middelen van artikel 9 ‘Uitvoering Rijksvastgoedbeleid’ van de begroting van BZK in de periode 2015 tot en met 2020 zijn ingezet. De doorlichting heeft betrekking op zowel artikelonderdeel 9.1 Doelmatige huisvesting als artikelonderdeel 9.2 Beheer materiële activa. In deze doorlichting zal in beeld worden gebracht welke factoren een doelmatige en doeltreffende uitvoering hebben bevorderd of juist belemmerd.

2.5 Overzicht van risicoregelingen

Tabel 7 Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

Uitstaande Garanties 2019

Geraamd te verlenen 2020

Geraamd te vervallen 2020

Uitstaande garanties 2020

Geraamd te verlenen 2021

Geraamd te vervallen 2021

Uitstaande Garanties 2021

Garantieplafond

Totaal plafond

7 Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid

Rijkshypotheekgaranties

17

0

6

11

0

2

9

 

9

           
 

Totaal

17

0

6

11

0

2

9

 

9

Toelichting

Rijkshypotheekgaranties

Het betreft de aflopende regeling Rijkshypotheekgaranties. Bij beschikking van 23 augustus 1974, nr. AB74/U1271, van de Minister van Binnenlandse Zaken, is de mogelijkheid gecreëerd om onder bepaalde voorwaarden een hypotheekgarantie te verlenen voor tijdige betaling van rente en aflossingop een hypothecaire geldlening, die in verband met de aankoop van een woning is afgesloten. Er is nog één garantie geldig. De garantie vervalt in 2024. Het theoretische risico bedraagt in 2021 € 9.000 . Voor deze garantie is geen begrotingsreserve aanwezig en wordt geen premie afgedragen als vergoeding voor de afgegeven garantie.

Overzicht achterborgstellingen

Achterborgstelling Sociale Woningbouw (WSW)

Tabel 8 Achterborgstelling Sociale Woningbouw (WSW) (bedragen x € 1 mln.)

Omschrijving

20191

20202

20212

Achterborgstelling

80.061

84.000

87.100

Bufferkapitaal

526,5

517,9

508,9

Obligo

3.036

3.189

3.308

Stand risicovoorziening

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

X Noot
1

Bron: jaarrekening WSW.

X Noot
2

Prognose.

Toelichting

Het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) staat borg voor de leningen die deelnemende woningcorporaties aantrekken voor de bouw van sociale huurwoningen en andere DAEB-activiteiten (Diensten van Algemeen Economisch Belang) zoals renovatie. Het WSW zorgt er op die manier voor dat deelnemende woningcorporaties toegang hebben tot de kapitaalmarkt tegen zo optimaal mogelijke financieringskosten. De borgstelling is ingebed in een zekerheidsstructuur waarbij verliezen opgevangen worden door de sector zelf (sanering, obligo of eigen risicovermogen van het WSW). Indien deze zekerheden niet toereikend zijn, dan kan het WSW aanspraak doen op het Rijk en de gemeenten – als achterborg – voor renteloze leningen (ieder voor 50%). Deze situatie heeft zich nog nooit voorgedaan en wordt op basis van de huidige prognose ook niet verwacht.

Het WSW stuurt op een zekerheidsniveau van 99%. Dit betekent dat het WSW in een bepaald jaar voor de dekking van zijn eventuele verliezen met 99% zekerheid geen beroep hoeft te doen op de achtervang. Uit de prognoses volgt dat de achterborgstelling (bedrag aan gegarandeerde leningen) komende jaren iets toeneemt. Als gevolg daarvan neemt ook het obligo licht toe. Voor het bufferkapitaal (eigen vermogen plus voorzieningen) wordt in 2021 net als in 2020 een daling voorzien. Dit heeft te maken met de uitgaven die WSW voorziet op basis van de betaalverplichtingen voor de dienst der lening van woningcorporaties Stichting Humanitas Huisvesting (SHH) en Woningstichting Geertruidenberg (WSG).

Achterborgstelling Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW)

Tabel 9 Achterborgstelling Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) (bedragen x € 1. mln.)

Omschrijving

20191

20202

20212

Gegarandeerd vermogen

197.000

202.524

214.501

Risicodragend gegarandeerd vermogen

5.600

Geen prognose

Geen prognose

Bufferkapitaal (Fondsvermogen)

1.437

1.516

1.601

Obligo

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Stand risicovoorziening

201

275

353

X Noot
1

Bron: jaarrekening WEW.

X Noot
2

Prognose.

Toelichting

De Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) is de uitvoerder van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG). Het Rijk vormt de achtervang van het WEW. Dit betekent dat het Rijk een achtergestelde renteloze lening aan het WEW zal verschaffen zodra het WEW onvoldoende vermogen heeft om aanspraken op de garantstelling te kunnen betalen. Tot 2011 vormde het Rijk samen met de gemeenten de achtervang van het WEW. Vanaf 1 januari 2011 vervult alleen het Rijk deze rol. Voor de oude gevallen blijven de gemeenten verantwoordelijk voor 50% van de achtervang. Een geldnemer betaalt voor een hypothecaire lening met NHG een eenmalige premie van 0,7% aan het WEW, waarvan het WEW 0,3%-punt afdraagt aan het Rijk als vergoeding voor diens rol als achtervanger. Deze achtervang vergoeding wordt gestort in de in de tabel genoemde risicovoorziening waaruit een eventuele aanspraak op de achtervang allereerst zal worden opgevangen.

Het gegarandeerd vermogen is het bedrag aan hypotheken waarop een NHG is afgegeven verminderd met het bedrag aan garanties dat is vervallen door volledige aflossing, oversluiting of gedwongen verkopen verminderd met de annuïtaire daling van de garantie. Nieuwe garanties zullen een positief effect op het gegarandeerd vermogen hebben. Het gegarandeerd vermogen is geen weergave van het risico dat het WEW en de overheid (als achtervanger van het fonds) lopen. Tegenover de hypothecaire leningen staat de actuele waarde van de desbetreffende woningen. Het risicodragend gegarandeerd vermogen is het vermogen gecorrigeerd voor de waarde van de desbetreffende woningen bij gedwongen verkoop en is daarmee een inschatting van de maximale schadelast voor het WEW als alle lopende hypotheekgaranties uitmonden in een gedwongen verkoop. Eind 2019 bedroeg het risicodragend gegarandeerd vermogen € 5,6 mld.

3. Beleidsartikelen

3.1 Artikel 1. Openbaar bestuur en democratie

A. Algemene doelstelling

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) werkt aan een slagvaardig en betrouwbaar openbaar bestuur waarop inwoners kunnen vertrouwen. Een openbaar bestuur dat samen met de samenleving in staat is de maatschappelijke opgaven op te lossen. Veranderingen in onze maatschappij beïnvloeden hoe ons bestuur en onze democratie werkt. Om waarden als legitieme besluitvorming, slagkrachtig openbaar bestuur en transparantie daarbij te behouden en democratische waarden en vrijheden te borgen en versterken, is continue aandacht nodig voor de werking en inrichting van democratie en bestuur.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van BZK heeft de zorg voor het goed functioneren van het openbaar bestuur van ons land.

Burgers verlangen in toenemende mate maatwerk van de overheid. Dat vraagt om een overheid die in kan spelen op hun individuele behoeften en om kan gaan met uiteenlopende maatschappelijke opgaven op verschillende schaalniveaus. Daarnaast zijn er grote maatschappelijke opgaven die we als overheden alleen samen met de samenleving kunnen oplossen. Om hier goed op in te kunnen spelen organiseren we de overheid zo dicht mogelijk bij de burger en met betrokkenheid van de burger.

Met het oog op de doelen binnen dit beleidsartikel is een gezamenlijke inzet van gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk nodig. Niet alleen om zo effectief en efficiënt mogelijk te werken, maar met voortdurende aandacht voor de legitimatie van het overheidshandelen. De belangrijkste pijler daarin is de democratische legitimatie, maar vloeit die legitimatie ook voort uit het dagelijks contact tussen overheid en burger.

De slagvaardigheid en legitimatie van het openbaar bestuur vraagt om een zo helder mogelijke taakverdeling tussen de overheden, financiering die daarbij aansluit, draagkracht in de uitvoering, onderlinge afstemming en samenwerking, betrokkenheid van burgers, ruimte voor maatwerk en zorg voor en toerusting van de mensen werkzaam in het openbaar bestuur.

De basis hiervoor ligt in de Grondwet (GW), de Gemeente- en Provinciewet (Gemw en PW), de Financiële-verhoudingswet (FVW), de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr), de Kieswet (KW), de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) en de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek.

De Minister van BZK heeft hierin een stimulerende, financierende, regisserende en uitvoerende rol.

Stimuleren

  • Om de slagvaardigheid van het openbaar bestuur te versterken stimuleert de Minister van BZK de samenwerking tussen overheden en het werken als één overheid, onder meer via het interbestuurlijk programma (IBP) en de regiodeals. De minister bevordert innovatieve werkwijzen via Agenda stad en de City Deals.

  • Ter versterking van het democratisch bestel werkt de Minister van BZK aan een sterkere verbinding van inwoner en overheid, aan betere toerusting en ondersteuning van politieke ambtsdragers en aan een weerbaarder bestuur. De minister stimuleert en faciliteert betrokken partijen en draagt zorg voor kennisontwikkeling en –verspreiding. Concrete voorbeelden zijn het samenwerkingsprogramma Democratie in Actie en Netwerk Weerbaar bestuur.

Financieren

  • Op basis van de FVW is de Minister van BZK - samen met de Staatssecretaris van Financiën (de fondsbeheerders) - verantwoordelijk voor het beheer van het gemeente- en provinciefonds. De middelen voor beide fondsen kennen een eigen begroting (gemeentefonds en provinciefonds) maar het beheer kan niet los gezien worden van de rest van het stelsel. Op basis van de Gemw en PW is de Minister van BZK verantwoordelijk voor het stelsel van decentrale belastingen.

  • Tevens financiert de Minister van BZK de rechtspositionele regelingen van (voormalige) politieke ambtsdragers.

Regisseren

  • Op basis van artikel 2 van de FVW wordt van beleidsvoornemens van het Rijk, die leiden tot een wijziging van de uitoefening van taken of activiteiten door provincies of gemeenten, aangegeven wat de financiële gevolgen zijn van deze wijziging voor provincies of gemeenten. Hiernaast dient te worden aangegeven via welke bekostigingswijze de financiële gevolgen voor de provincies of gemeenten kunnen worden opgevangen. Hierover vindt overleg plaats met de Minister van BZK en de Minister van Financien.

  • Op basis van de Gemw en PW is de Minister van BZK daarnaast verantwoordelijk voor de interbestuurlijke verhoudingen en het Rijksbeleid dat de medeoverheden raakt. De minister coördineert hierbij het overleg tussen het Rijk en de medeoverheden. Door de Wgr waarvoor de Minister van BZK verantwoordelijk is, kunnen gemeenten, provincies en waterschappen samenwerken in publiekrechtelijke constructies.

  • Betrouwbare en transparante verkiezingen zijn essentieel voor het vertrouwen in de democratie. De Minister van BZK is verantwoordelijk voor de KW, die de verkiezingen voor de leden van de Eerste Kamer en Tweede Kamer der Staten-Generaal, het Europees Parlement, Provinciale Staten, algemene besturen van waterschappen, eilandsraden en gemeenteraden regelt.

  • Om de leefbaarheid te vergroten in ondermijningsgevoelige gebieden kan de Minister van BZK op basis van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek op verzoek van de gemeenteraad wooncomplexen of straten aanwijzen waarin aan woningzoekende huurders eisen kunnen worden gesteld of voorrang wordt verleend. Op basis van de Wet aanpak woonoverlast (artikel 151d van de Gemw) is de Minister van BZK stelselverantwoordelijk om hiermee gemeenten de mogelijkheid te bieden ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden tegen te gaan door middel van het opleggen van een gedragsaanwijzing.

Uitvoeren

  • Politieke partijen vervullen een cruciale rol in de democratie. De Minister van BZK voert de Wfpp uit en financiert deze ook.

  • De Minister van BZK geeft uitvoering aan het Nederlandse decoratiestelsel en aan de ontslag- en benoemingsprocedures van burgemeesters, commissarissen van de Koning en leden van de Hoge Colleges van Staat.

  • Om het stelsel van het openbaar bestuur te ondersteunen voert de minister onderzoek uit en ontwikkelt zij kennisproducten, zoals de Staat van het Bestuur en de website www.findo.nl.

C. Beleidswijzigingen

Gebiedsspecifieke inzet

Al sinds de start van het kabinet-Rutte III is er veel aandacht voor regionale vraagstukken en specifieke gebieden. Het Rijk werkt intensief samen met andere overheden om tot betere oplossingen te komen. Opgaven kunnen alleen aangepakt worden als het Rijk samen met de decentrale overheden de handen ineen slaan. Dat vraagt om een gebiedsgerichte aanpak. Dit doen we onder andere in nationale programma’s, regiodeals, City Deals, woondeals en de stedelijke vernieuwingsgebieden in het kader van het programma leefbaarheid en veiligheid. Bij een dergelijke gebiedspecifieke aanpak kijken Rijk en regio samen naar de opgaven die er in het gebied spelen en wordt met regionale partners een integrale maatwerkaanpak ontwikkeld, aansluitend bij de opgaven en kansen.

Investeren in grensregio's

Aan beide zijden van onze grens met Nedersaksen, Noordrijn-Westfalen, Vlaanderen en Wallonië is sprake van de nodige economische, ruimtelijke en sociaal-culturele ontwikkelingsmogelijkheden. Mogelijkheden die niet alleen relevant zijn voor onze grensregio’s maar in meer algemene zin ook voor de ontwikkeling van ons land. Door de barrièrewerking van de grens worden die mogelijkheden tot op heden echter niet of maar ten dele benut. Mede hierdoor stagneert in verschillende grensregio’s de bevolkingsontwikkeling. Dit heeft consequenties voor het aanbod van voorzieningen, die belangrijk zijn voor de sociaal-fysieke leefbaarheid in deze regio’s.

Het Ministerie van BZK en andere betrokken ministeries werken daarom vanaf 2021 - in vervolg op de programma’s Grensoverschrijdende Samenwerking (GROS) en Bevolkingsdaling - samen met de grensregio’s (inclusief Duitse en Belgische partners) verder aan een grensoverschrijdende versterking van de ruimtelijk-economische en sociaal-culturele structuur en verbetering van de sociaal-fysieke leefbaarheid in de onderscheiden grensregio’s. In een hierop gericht nieuw interbestuurlijk programma zal worden voortgebouwd op de beproefde GROS-aanpak langs vier sporen:

  • 1. stimuleren van concrete, gebiedsgerichte grensoverschrijdende initiatieven,

  • 2. aanpakken van algemene en regiospecifieke knelpunten en belemmeringen,

  • 3. uitbouwen en benutten van de inmiddels ontwikkelde grensoverschrijdende governance (onder andere door middel van grenslandagenda’s en -conferenties),

  • 4. anticiperen op mogelijkheden die EU en BeNeLux bieden.

Herzien financiële verhoudingen

Naar aanleiding van diverse moties uit de Tweede Kamer voert BZK het gesprek met gemeenten en provincies over het herzien van de financiële verhoudingen. De fondsbeheerder - de Minister van BZK en de Staatssecretaris van Financiën - hebben de Tweede Kamer geïnformeerd over de voornemens van het kabinet ten aanzien van de financiële verhoudingen (Kamerstukken II 2017/18, 34775B, nr. 18 en Kamerstukken II 2019/20, 35300B, nr. 5). In 2019 is gestart met de herijking van het gemeentefonds. In 2020 is een wetsvoorstel voor de herziening van onder andere het uitkeringsstelsel in consultatie gegaan. In 2020 wordt overleg gepleegd met de betrokken partijen aangaande de wetswijziging.

Daarnaast werkt BZK samen met gemeenten en provincies aan verkenningen naar overige aanpassingen. Voor gemeenten gaat het over het hervormen van het gemeentelijk belastinggebied. Met provincies wordt gesproken over het onderzoeken van alternatieven voor het provinciaal belastinggebied en het integraal herijken van de verdeling van het provinciefonds. Daarnaast is een evaluatie uitgevoerd van de normeringssystematiek op basis waarvan het gemeente- en provinciefonds wordt geïndexeerd. Het doel is om te komen tot overeenstemming over de mogelijke beleidsvarianten en deze mee te geven ter besluitvorming door het volgend kabinet.

Het onderzoek omvat nagenoeg het hele gemeentefonds en is opgesplitst in twee delen: de verdeelmodellen sociaal domein en het «klassieke» gemeentefonds (de overige onderdelen). In het voorjaar van 2020 is besloten tot uitstel van de invoering van de herijkte verdeling naar 1 januari 2022 (Kamerstukken II 2019/20, 35300B, nr. 15). In 2021 zal waar nodig worden gekeken naar flankerende maatregelen ter ondersteuning van de implementatie van de nieuwe verdeling.

Hervormen gemeentelijk belastinggebied

In mei 2020 is het rapport Bouwstenen voor een beter belastinggebied van de ambtelijke werkgroep Herziening gemeentelijk belastinggebied aan de Tweede Kamer aangeboden - als onderdeel van het bouwstenentraject voor een beter belastingstelsel (geïnitieerd door de Staatssecretaris van Financiën). De Tweede Kamer is hierover eerder geïnformeerd in brieven van de Staatssecretaris van Financiën van 15 april 2019 (Bouwstenen voor een beter belastingstelsel, Kamerstukken II 2018/19, 32140, nr. 50) en van de Minister van BZK van 19 oktober 2019 (Toekomst openbaar bestuur, Kamerstukken II 2019/20, 35300VII, nr. 7). De bouwstenen inzake herziening gemeentelijk belastinggebied zijn bedoeld voor het volgende kabinet.

Herijking provinciefonds

Het huidige verdeelmodel van het provinciefonds kent een aantal knelpunten die zijn onder te verdelen in acties voor de korte termijn en acties voor de lange termijn. Voor de korte termijn gaat het onder andere om het oplossen van de vermogensmaatstaf voor Zeeland, waarvoor nu een tijdelijke oplossing is gevonden. Hiervoor moet een structurele oplossing gevonden worden in de herijking van het provinciefonds. Gelet op het feit dat de onderlinge afspraak voor Zeeland na 2022 afloopt, is het streven om uiterlijk 1 januari 2023 het verdeelmodel te herzien. Het besluit tot invoering moet in 2021 genomen worden. De Tweede Kamer wordt hier in het najaar van 2020 over geïnformeerd.

Hervormen provinciaal belastinggebied

Er lopen thans een aantal onderzoeken bij het Rijk die gevolgen kunnen hebben voor de inkomsten van provincies: waaronder het onderzoek naar provinciale opcenten op de motorrijtuigenbelasting. Met het Interprovinciaal Overleg (IPO) is afgesproken een ambtelijk onderzoek te doen naar bouwstenen voor een toekomstig provinciaal belastinggebied. Hierbij worden kansrijke (alternatieve) mogelijkheden voor provinciale belastingen in beeld gebracht. Een nieuw kabinet zal hierover in overleg treden met het IPO.

Evaluatie normeringssystematiek

In 2020 is de werking van de normeringssystematiek geëvalueerd. De huidige systematiek - die door het huidige kabinet is aangepast - is beoordeeld aan de hand van toetsingscriteria en er zijn beleidsvarianten uitgewerkt die door de werkgroep als meest wezenlijk zijn benoemd om de normeringssystematiek, op onderdelen, aan te passen. De voorstellen zijn er op gericht om met name de stabiliteit te verbeteren. De Tweede Kamer wordt in het najaar geïnformeerd over de uitkomsten. Besluitvorming ten aanzien van aanpassing van de normeringssystematiek is aan een volgend kabinet. Het rapport van de evaluatie van de normeringssystematiek, waar ook VNG en het IPO bij betrokken zijn, wordt naar verwachting op korte termijn afgerond en zal in het najaar 2020 aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Als fondsbeheerder zijn wij bereid om, op basis van de evaluatie van de normeringssystematiek samen met gemeenten en provincies in het voorjaar van 2021 verschillende varianten voor de ontwikkeling van het accres in beeld te brengen ten opzichte van de stand bij Voorjaarsnota 2020. Gemeenten en provincies kunnen zo met verschillende varianten rekening houden bij het opstellen van hun begrotingen voor 2022.

Verkiezingen

In 2021 wordt verder gewerkt aan een reeks veranderingen in wet- en regelgeving rond het verkiezingsproces. Het kabinet streeft naar inwerkingtreding van het wetsvoorstel nieuwe procedure vaststelling verkiezingsuitslagen voorafgaand aan de verkiezingen in het najaar van 2021 in het geval van gemeentelijke herindelingen. Het kabinet brengt een wetsvoorstel in procedure dat in het kader van de transitie van de Kiesraad vorm geeft aan de eisen voor gebruik van het digitaal hulpmiddel voor de berekening van de uitslag en de zetelverdeling, en dat vastlegt dat de Kiesraad verantwoordelijk wordt voor ontwikkeling, beheer en onderhoud van dit digitaal hulpmiddel. Het Ministerie van BZK bereidt de eerste experimenten met nieuwe stembiljetten voor die, als de daarop ziende experimentenwet is aanvaard, zullen plaatsvinden bij de herindelingsverkiezingen. Tevens wordt een wetsvoorstel ingediend dat experimenten met het geven van hulp in het stemhokje mogelijk maakt aan kiezers met een verstandelijke beperking. Richting de Tweede Kamerverkiezing geeft het Ministerie van BZK samen met de Vereniging voor Nederlandse gemeenten (VNG), de Nederlandse vereniging voor Burgerzaken (NVVB), de Kiesraad en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) uitvoering aan het Actieplan Toegankelijk Stemmen. De band tussen kiezers en gekozenen wordt versterkt door het wetsvoorstel voor wijziging van het kiesstelsel. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan een advies van de staatscommissie Parlementair Stelsel.

Voor kiezers in het buitenland brengt het wetsvoorstel nieuwe procedure vaststelling verkiezingsuitslagen een aantal verbeteringen mee. Ook gaan we het nieuwe stembiljet voor kiezers buiten Nederland, waar de afgelopen jaren mee is geëxperimenteerd, definitief verankeren in de Kieswet. De grondwetswijziging rond een kiescollege dat wordt gekozen door kiezers in het buitenland ten behoeve van de samenstelling van de Eerste Kamer wordt zo mogelijk voortgezet in tweede lezing. Ondertussen wordt gewerkt aan de voorbereiding van een uitvoeringswet die het mogelijk maakt dat deze kiezers in het voorjaar van 2023 hun stem kunnen uitbrengen voor dit kiescollege.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 10 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1 Openbaar bestuur en democratie (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

66.807

78.829

67.334

66.931

64.916

65.301

60.963

        

Uitgaven

56.472

77.944

66.153

66.931

64.916

65.301

60.963

waarvan juridisch verplicht

  

89%

    
        

1.1 Bestuur en regio

11.213

21.004

9.324

8.199

8.821

8.808

8.908

Subsidies (regelingen)

5.419

4.705

4.358

4.361

4.503

4.493

4.493

Oorlogsgravenstichting (OGS)

3.414

3.414

3.501

3.501

3.501

3.495

3.495

Bestuur en regio

2.005

1.291

857

860

1.002

998

998

Opdrachten

1.879

4.904

4.465

3.543

4.023

4.023

4.123

Bestuur en regio

1.879

4.904

4.465

3.543

4.023

4.023

4.123

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

3.880

1.360

465

259

259

257

257

Diverse bijdragen

3.880

1.360

465

259

259

257

257

Bijdrage aan medeoverheden

0

10.000

0

0

0

0

0

Compensatiepakket Zeeland

0

2.000

0

0

0

0

0

Lokale culturele voorzieningen

0

8.000

0

0

0

0

0

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

35

35

36

36

36

35

35

Bijdragen internationaal

35

35

36

36

36

35

35

        

1.2 Democratie

45.259

56.940

56.829

58.732

56.095

56.493

52.055

Subsidies (regelingen)

29.673

41.803

40.812

39.600

38.448

37.868

33.868

Politieke partijen

17.444

24.714

25.853

25.808

24.808

24.786

21.136

Comité 4/5 mei

113

116

116

116

116

116

116

ProDemos

5.266

7.510

8.125

8.740

8.740

8.725

8.725

Verbinding inwoner en overheid

3.896

5.118

2.493

1.521

1.519

1.507

1.507

Toerusting en ondersteuning politieke ambtsdragers

2.186

3.371

3.227

2.427

2.421

2.400

2.050

Weerbaar bestuur

603

974

899

988

844

268

334

Stichting Thorbeckeleerstoel

165

0

99

0

0

66

0

Opdrachten

3.842

5.547

5.487

10.710

10.035

10.673

10.235

Verbinding inwoner en overheid

2.295

3.141

2.772

8.143

7.943

8.081

7.643

Toerusting en ondersteuning politieke ambtsdragers

277

1.084

930

659

659

659

659

Weerbaar bestuur

1.270

1.322

1.785

1.908

1.433

1.933

1.933

Inkomensoverdrachten

6.274

6.396

6.982

6.982

6.982

6.982

6.982

Toerusting en ondersteuning politieke ambtsdragers

6.274

6.381

6.982

6.982

6.982

6.982

6.982

Vergoeding rouwvervoer

0

15

0

0

0

0

0

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

2.891

1.978

1.339

0

0

0

0

Diverse bijdragen

2.891

1.978

1.339

0

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

496

0

0

0

0

0

0

Verkiezingen

396

0

0

0

0

0

0

Diverse bijdragen

100

0

0

0

0

0

0

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

231

168

170

170

170

170

170

Bijdragen internationaal

231

168

170

170

170

170

170

Bijdrage aan agentschappen

1.852

400

821

1.218

408

800

800

Dienst Publiek en Communicatie

1.852

400

821

1.218

408

800

800

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

0

648

1.218

52

52

0

0

Gemeentefonds (H50)

0

646

1.166

0

0

0

0

Provinciefonds (H51)

0

2

52

52

52

0

0

        

Ontvangsten

21.590

24.765

24.765

24.765

24.765

24.765

24.765

Budgetflexibiliteit

Van het totale uitgavenbudget op artikel 1 is 89% juridisch verplicht en dit kent de volgende onderverdeling:

Subsidies (regelingen)

Het subsidiebudget is voor 96% verplicht. Het betreft onder andere subsidies aan de politieke partijen, de Oorlogsgravenstichting (OGS) en ProDemos.

Opdrachten

Het opdrachtenbudget is voor 50% juridisch verplicht. Het betreft hier ondere andere middelen voor verkiezingen, kenniscentra, monitoring governance regiodeals en onderzoeken door derden.

Inkomensoverdrachten

Het budget voor inkomensoverdracht is voor 100% juridisch verplicht. Het betreft pensioenen en uitkeringen aan voormalige ministers en staassecretarissen en uitkeringen aan vormalige burgemeesters.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Het budget voor bijdrage aan ZBO's/RWT's is voor 100% juridisch verplicht. Dit betreft onder meer bijdragen aan ICTU en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) voor de City Deal 'Zicht op ondermijning'.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Het budget voor bijdrage aan (inter-)nationale organisaties is voor 100% juridisch verplicht. Het betreft onder meer de jaarlijkse bijdrages aan het European Urban Knowledge Network (EUKN) en het Open Government Partnership (OGP).

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor bijdrage aan agentschappen is voor 100% juridisch verplicht. Het betreft een bijdrage aan Dienst Publiek en Communicatie van het Ministerie van Algemene Zaken (AZ) voor de landelijk informerende verkiezingscampagnes.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

Het budget voor bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken is voor 55% juridisch verplicht. Het betreft een bijdrage aan de gemeente Den Haag voor de permanente registratie van kiezers in het buitenland en een bijdrage aan het orgaan voor de Friese taal DINGtiid welke via de provincie Friesland aan DINGtiid ter beschikking wordt gesteld.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

1.1 Bestuur en regio

Subsidies (regelingen)

Oorlogsgravenstichting (OGS)

De Oorlogsgravenstichting (OGS) ontvangt een subsidie voor de uitvoering hiervan op basis van de Subsidieregeling Oorlogsgravenstichting 2019-2022. Namens de Nederlandse overheid onderhoudt de OGS wereldwijd ongeveer 50.000 graven van Nederlandse oorlogsslachtoffers. Deze graven liggen in meer dan vijftig landen, verspreid over vijf continenten. Het zwaartepunt ligt daarbij in Indonesië. Tevens verzorgt de OGS ruim 10.000 graven van militairen van de geallieerde strijdkrachten in Nederland.

Bestuur en Regio

COELO

Het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO) ontvangt een subsidie voor het onderzoek naar een laagdrempelige informatievoorziening over economische en financiële aspecten van medeoverheden.

Ondersteuning Gemeenten

De middelen worden ingezet voor een subsidie aan de VNG gericht op activiteiten van het Verbindend Landelijk Ondersteuningsteam (VLOT), en de visitatiecommissie financiële beheersbaarheid sociaal domein. Het VLOT bestaat uit een team van regioadviseurs en een landelijk kernteam met vertegenwoordigers van de VNG en de Ministeries van BZK, VWS, en Justitie en Veiligheid (JenV). Het VLOT ondersteunt gemeenten en haar ketenpartners in de regio en verbindt landelijke programma's aan en met elkaar op het gebied van bestuur, zorg en veiligheid en (verbindende) thema’s uit het Interbestuurlijk Programma (IBP), opdat de versterkte samenhang tussen deze domeinen bijdraagt aan een blijvende persoonsgerichte aanpak voor kwetsbare mensen. De visitatiecommissie is gericht op de aanpak van tekorten in het sociaal domein en ondersteunt gemeenten bij het krijgen en houden van grip op de uitgaven in het sociaal domein.

Kenniscentrum Europa Decentraal

Het Kenniscentrum Europa Decentraal (KED) ontvangt een subsidie. Dit is een gezamenlijk initiatief van het Ministerie van BZK, het IPO, de VNG en de Unie van Waterschappen (UvW), dat zich richt op toepassing en verspreiding van kennis en expertise over Europees recht bij de medeoverheden.

Opdrachten

Bestuur en regio

Interbestuurlijk programma en sociaal domein

Het Ministerie van BZK werkt samen met andere departementen en de medeoverheden aan de aanpak van urgente maatschappelijke vraagstukken op basis van de programmastart IBP. In 2021, het laatste jaar van het IBP, staan de leerervaringen en resultaten van het werken met het IBP centraal. Hoewel dit het laatste jaar van het IBP is, is het van belang om in te blijven zetten op het gezamenlijk partnerschap van overheden. Er worden middelen ingezet voor het versterken van de interbestuurlijke samenwerking bij maatschappelijke opgaven.

Het Ministerie van BZK ondersteunt gemeenten bij het verbeteren van oplossingen voor personen die in een sociaal-maatschappelijke kwetsbare positie terecht zijn gekomen. We zetten in op het versterken van de positie van gemeenten en de (door)ontwikkeling van een toereikend instrumentarium voor gemeenten, met aandacht voor de uitvoerbaarheid en omvang van het takenpakket. Om gemeenten beter in staat te stellen om gegevens te verwerken ten behoeve van een integrale aanpak bij meervoudige problematiek werken we aan een wetsvoorstel en aan een betere borging van gegevensuitwisseling in de lokale uitvoeringspraktijk. Dit doen we samen met de betrokken departementen, VNG, gemeenten en andere partijen. Dit doen we aan de ene kant door de integrale afweging van voorstellen van Rijkszijde te versterken met een actieve rol en inzet bij vertaling van grote transities en maatschappelijke bewegingen naar programma’s en beleid en (interbestuurlijke) activiteiten. En aan de andere kant door samen met de VNG de interbestuurlijke samenwerking in de uitvoeringspraktijk te versterken, onder andere middels het netwerk van het Programma Sociaal Domein en ondersteuning bij de implementatie van beleidswijzigingen.

Kennisopbouw en -uitwisseling

Kennis is onmisbaar voor een effectief, interbestuurlijk en democratisch gelegitimeerd samenspel tussen overheden. Hierbij staan de inhoudelijke maatschappelijke opgaven voorop, is er sprake van gelijkwaardige partners en één overheid, en worden resultaten - zoals woningbouwafspraken en participatietrajecten - geboekt. De Minister van BZK ondersteunt overheden in het organiseren van hun samenwerking door middel van kennisopbouw en – uitwisseling in het openbaar bestuur en het creëren van een feitelijke basis voor interbestuurlijke afspraken. In 2021 worden diverse opdrachten verstrekt voor monitoren, digitale kennisproducten, symposia, leertrajecten, publicaties en onderzoeken. Voorbeelden hiervan zijn de Staat van het bestuur, Monitor politieke ambtsdragers, Data Financiën Decentrale Overheden en Monitor Sociaal domein. De Minister van BZK ondersteunt medeoverheden, die niet altijd over de benodigde kennis beschikken voor het maken van strategische beleidskeuzes als gevolg van hun toenemende takenpakket. Daartoe wordt vervolg gegeven aan het in 2020 te ontwikkelen functioneel ontwerp voor een regionale kennis- en schakelfunctie.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Diverse bijdragen

Het Ministerie van BZK verleent in 2021 een bijdrage aan de UvW voor het IBP en aan de VNG voor het VLOT en de visitatie commissie financiële beheersbaarheid.

Binnen het IBP werkt BZK samen met andere departementen en medeoverheden aan de aanpak van urgente maatschappelijke vraagstukken In 2021 worden middelen ingezet ten behoeve van het versterken van de interbestuurlijke samenwerking bij maatschappelijke opgaven.

Het VLOT ondersteunt gemeenten en hun partners in de regio en verbindt landelijke programma’s aan en met elkaar opdat zij de samenhang tussen zorg, veiligheid en sociaal domein versterken en komen tot een blijvende persoonsgerichte aanpak voor kwetsbare mensen.

Bijdrage aan medeoverheden

Lokale culturele voorzieningen

In de derde incidentele suppletoire begroting van het Ministerie van BZK (Kamerstukken II 2019/20, 35553, nr. 1) is een bedrag van € 8 mln. toegevoegd aan de begroting in verband met het compenseren van provincies voor de extra kosten die ze gemaakt hebben om de provinciaal gesubsidieerde culturele instellingen te ondersteunen bij het dragen van de gevolgen van de coronacrisis. Dit bedrag zal aan de provincies worden uitgekeerd in de vorm van een specifieke uitkering. Het betreft de volgende bedragen per provincie:

Provincie

bedrag 2020

Fryslân

€ 1.368.221

Groningen

€ 331.058

Drenthe

€ 905.110

Overijssel

€ 1.146.622

Gelderland

€ 214.039

Utrecht

€ 175.257

Flevoland

€ 398.358

Noord-Holland

€ 384.368

Zuid-Holland

€ 139.221

Zeeland

€ 1.386.859

Noord-Brabant

€ 449.734

Limburg

€ 1.101.154

Totaal

€ 8.000.000

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Bijdragen internationaal

Het Ministerie van BZK betaalt een jaarlijkse contributie aan het European Urban Knowledge Network (EUKN), een Europees kennisnetwerk van landelijke overheden die verantwoordelijk zijn voor stedelijke ontwikkeling en beleid. Nederland, vertegenwoordigd door BZK, is in 2021 vice-voorzitter van de General Assembly van het EUKN. Het EUKN houdt zich in 2021 als gebruikelijk bezig met onderzoek, voorlichting, het verzamelen en delen van expertise en het organiseren van internationale bijeenkomsten zoals policy labs voor zijn leden. EUKN is daarnaast zeer nauw betrokken bij de Urban Agenda for the EU (UAEU), onder andere door het ondersteunen van de opeenvolgende voorzitterschappen van de Raad voor de Europese Unie. Daarmee is het EUKN een belangrijke relatie voor het Ministerie van BZK, waarvoor de UAEU een van de EU-prioriteiten is.

1.2 Democratie

Subsidies (regelingen)

Politieke partijen

Politieke partijen ontvangen subsidie op grond van de Wfpp. Een politieke partij komt voor subsidie in aanmerking als zij voldoet aan de in deze wet genoemde voorwaarden. Tijdens de begrotingsbehandeling in 2019 is door het lid Jetten een motie ingediend over het verhogen van het budget voor de ondersteuning van parlementariërs en de subsidie aan politieke partijen. Door het kabinet is besloten het Wfpp budget omwille van motie Jetten c.s. op te hogen met circa € 8,7 mln. (Kamerstukken II, 2019/20, 35300 IIA, nr. 8). De aanpassing van de Wfpp, waarin deze verhoging wordt meegenomen, is aangeboden aan de Tweede Kamer. Na de Tweede Kamerverkiezingen van maart 2021 zal de subsidie conform de Wfpp worden aangepast aan de nieuwe zetelverdeling in de Tweede Kamer.

Tabel 11 Overzicht subsidies politieke partijen (bedragen in €)

Partij

Waarde 2017

Waarde 2018

Waarde 201912

Waarde 2020

VVD

3.332.009

3.207.731

3.112.395

4.504.677

PvdA

2.432.252

1.422.969

1.364.618

2.019.438

SP

1.581.598

1.531.678

1.513.747

2.282.599

CDA

1.924.344

2.138.116

2.058.115

3.054.905

D66

1.870.175

2.140.093

2.054.396

3.009.764

CU

963.474

967.365

927.838

1.355.966

GL

1.250.993

1.712.145

1.670.739

2.475.141

SGP

939.131

882.669

856.545

1.238.351

PvdD

763.276

913.596

881.966

1.194.306

50PLUS

504.017

609.746

683.309

991.155

OSF

366.571

375.519

381.851

563.902

VNL

138.482

0

0

0

DENK

303.606

533.358

607.763

882.919

FvD

589.458

703.746

811.720

1.259.345

     

Totaal

16.959.386

17.138.730

16.925.002

24.832.468

X Noot
1

Het betreft hier voorlopige bedragen voor de jaren 2019 en 2020. 80% daarvan is inmiddels uitgekeerd. Uiterlijk 1 juli van het jaar volgend op het subsidiejaar moeten partijen een definitieve subsidieaanvraag indienen. Als bij de beoordeling daarvan blijkt dat de partijen voldoen aan de voorwaarden, wordt de resterende 20% uitgekeerd. De loon- en prijsbijstellingen 2019 en 2020 moeten nog in deze bedragen worden verwerkt. De reeks loopt nu van 2017 tot en met 2020. Bij de subsidiebedragen uit 2019 en 2020 gaat het om voorlopige bedragen. De Minister van BZK beslist voor 1 november 2020 over de aanvragen tot vaststelling over 2019, die de politieke partijen uiterlijk 1 juli 2020 moesten aanleveren. '

X Noot
2

Het budget voor de Wfpp wordt in de periode 2020-2024 opgehoogd door het kabinet omwille van motie Jetten met een bedrag van € 8.650.000.

De reeks loopt nu van 2017 tot en met 2020. Bij de subsidiebedragen uit 2019 en 2020 gaat het om voorlopige bedragen. De Minister van BZK beslist voor 1 november 2020 over de aanvragen tot vaststelling over 2019, die de politieke partijen uiterlijk 1 juli 2020 moesten aanleveren.

Comité 4/5 mei

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei ontvangt een subsidie om tijdens de jaarlijkse Nationale Viering van de Bevrijding op 5 mei activiteiten te ondernemen om de kennis en het bewustzijn over burgerschap, democratie en rechtsstaat te stimuleren.

ProDemos

ProDemos, Huis voor Democratie en Rechtsstaat, ontvangt een subsidie voor activiteiten gericht op het vergroten van de betrokkenheid en kennis van de democratische rechtsstaat. Tot de activiteiten behoren het verzorgen van bezoeken van scholieren aan het parlement en diverse bijbehorende educatieve programma’s.

Verbinding inwoner en overheid

In het kader van het samenwerkingsprogramma Democratie in Actie ontvangt de VNG een subsidie. Democratie in Actie stimuleert en ondersteunt gemeenten én gemeentelijke spelers ten aanzien van responsief bestuur en democratische initiatieven, onder meer met ruimte voor bewonersinitiatief zoals het Uitdaagrecht.

Het Landelijk Samenwerkingsverband Actieve bewoners (LSA) en de Landelijke Vereniging van Kleine Kernen (LVKK) ontvangen subsidies voor het bevordering van bewonersparticipatie in algemene zin en van burgerbetrokkenheid in dorpskernen.

Om de betrokkenheid bij en kennis over democratie en bewustzijn over burgerschap te stimuleren, ontvangen diverse projecten en activiteiten een subsidie. ProDemos ontvangt subsidie voor de cursus Politiek Actief, waarmee gemeenten inwoners op laagdrempelige manier kunnen laten maken met politiek en bestuur in hun gemeente.

Ten behoeve van evidence based beleid worden meerjarige subsidies aan universiteiten verstrekt voor onderzoeken op thema’s die relevant zijn voor democratie en bestuur, zoals een meerjarig onderzoek naar democratische kernwaarden bij jongeren en een systematische kennisverzameling over politieke ambtsdragers op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau en bij de waterschappen.

Voor de looptijd van de Bestjoersôfspaark Fryske Taal en Kultuer 2019-2023 (BFTK) ) (bijlage bij Kamerstukken II, 2018/19, 35000VII, nr. 83) begroot het Ministerie van BZK jaarlijks € 0,11 mln. voor de leerstoel Friese taal- en letterkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Toerusting en ondersteuning politieke ambtsdragers

Op decentraal niveau zijn er in Nederland ongeveer 12.000 politieke ambtsdragers actief in gemeenten, provincies en waterschappen. Om te zorgen dat er voldoende goed toegeruste politieke ambtsdragers beschikbaar zijn en beschikbaar blijven, verstrekt de Minister van BZK subsidies aan politieke partijen en aan de beroepsgroepen van politieke ambtsdragers en griffiers, waaronder de beroepsverenigingen van politieke ambtsdragers (Nederlands Genootschap van Burgemeesters, Wethoudersvereniging, Statenlid.nu, Nederlandse vereniging van raadsleden) en de Vereniging van Griffiers, en aan de VNG. Samen met de beroepsgroepen, de koepels van medeoverheden en (bestuurdersverenigingen van) politieke partijen wordt via subsidies zorggedragen voor passende eigentijdse inwerk- en opleidingsprogramma’s voor de verschillende beroepsgroepen. Daarnaast wordt middels de subsidies in 2021 ook bijzondere inzet gepleegd om onderlinge kennisdeling en een brede, diverse instroom in het ambt te bevorderen en te zorgen dat mensen na het ambt weer goed landen op de arbeidsmarkt. De maatregelen om meer vrouwen tot het openbaar bestuur toe te laten treden, lopen in 2021 door (Kamerstukken II 2018/19, 30420, nr. 328).

Kennispunt Lokale Politieke Partijen, beheerd door ProDemos, ontvangt in de periode 2020-2024 jaarlijks een subsidie van circa € 0,4 mln. Het Kennispunt biedt fysieke en online trainingen aan verenigingsbesturen en politieke bewindslieden van lokale politieke partijen. In 2021 zullen de resultaten van de onderzoeksagenda in opdracht van het Ministerie van BZK worden gepresenteerd tijdens een grote bijeenkomst voor lokale politieke partijen. Daarnaast staat 2021 in het teken van de verdere professionalisering en verzelfstandiging van het Kennispunt in samenwerking met VNG en de vertegenwoordigers van lokale politieke partijen.

Vanuit het samenwerkingsprogramma Democratie in Actie ontvangt de VNG subsidie om een collectief aanbod aan gemeenteraden te verzorgen om leren en reflecteren te stimuleren en daarmee de kwaliteit van het lokaal bestuur te versterken. Van het aanbod kan in 2021 ook door provinciale staten gebruik worden gemaakt.

Weerbaar bestuur

In het Netwerk Weerbaar Bestuur wordt door het Ministerie van BZK samengewerkt met andere departementen, beroepsverenigingen van politieke ambtsdragers, bestuurdersverenigingen van landelijke politieke partijen, koepels van medeoverheden en diverse andere relevante partners. De gezamenlijke aanpak richt zich op het bevorderen van de integriteit en veiligheid van politieke ambtsdragers. Daarbij wordt ingezet op bewustwording, vroege signalering en ondersteuning bij incidenten binnen het lokaal bestuur. Het Ministerie van BZK verstrekt subsidies aan de netwerkpartners voor (gezamenlijke) activiteiten, waaronder de doorontwikkeling van het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur. Ook wordt via een subsidie aan het Centrum voor Criminaliteitspreventie (CCV) en Veiligheid ondersteuning geboden bij veilig wonen door het faciliteren van een woningscan en een veiligheidsgesprek met advies over basismaatregelen.

Rekenkamers zijn van belang voor sterk lokaal bestuur. De Nederlandse Vereniging voor Rekenkamers en Rekenkamercommissies (NVRR) ontvangt subsidie voor de versterking van de lokale rekenkamers en de ondersteuning van het kwaliteitsbeleid.

Er worden subsidies verstrekt aan o.a. CCV ten behoeve van kennis- en leerbijeenkomsten voor gemeenten, provincies en andere betrokken partijen. Hierin wordt de aanpak van de Actie-agenda vakantieparken 2018-2020 (Kamerstukken II 2018/19, 32847, nr. 453) verder verspreid en kennis gedeeld over de praktijk van de Wet aanpak woonoverlast (Kamerstukken II 2020/21, 32847, nr. 651). Ook wordt in 2021 de leerkring gebiedsgerichte aanpak ondermijnende criminaliteit voortgezet, met name gericht op kwetsbare wijken.

Ten behoeve van de verkenning door het programma Leefbaarheid en Veiligheid (Kamerstukken II 2019/20, 30995, nr. 97 en Kamerstukken II 2019/20, 30995, nr. 98) worden aan de samenwerkende organisaties subsidies verstrekt voor bijvoorbeeld het doen van onderzoek, het delen van kennis en het uitvoeren van pilots. Dit moet resulteren in een beeld van hoe een integrale meerjarige gebiedsgerichte aanpak eruit kan zien, wat in dat kader concrete handelingsperspectieven zijn en wat daarbij de rol van het Rijk kan zijn.

Stichting Thorbeckeleerstoel

De Stichting Professor mr. J.R. Thorbecke Leerstoel ontvangt de tweede termijnbetaling van een meerjarige subsidie ter ondersteuning van de uitvoering van de taken van de leerstoelhouder, zoals onderwijs geven en wetenschappelijk onderzoek doen op het gebied van het decentraal bestuur als bestuurlijk, politiek en juridisch systeem.

Opdrachten

Verbinding inwoner en overheid

De gemeente is voor burgers de meest nabije overheid. Het samenwerkingsprogramma Democratie in Actie stimuleert en ondersteunt gemeenten in het versterken van de verbinding met inwoners (Kamerstukken II 2018/19, 35000VII, nr. 100). Vanuit het programma worden opdrachten verstrekt voor het kennisuitwisseling en - vermeerdering, proeftuinen en pilots om bewoners meer invloed te geven op besluitvorming.

Voor het thema responsieve overheid worden in 2021 ten minste vier kennisuitwisselingsbijeenkomsten voor de Regieraad Responsieve Overheid georganiseerd. De Regieraad denkt mee over oplossingsrichtingen voor belangrijke knelpunten in de contacten tussen overheid en burger en het versterken van het vertrouwen in de overheid en haar doeflmatig functioneren, zoals het versterken van de (aandacht voor de) uitvoering.

Het Ministerie van BZK bereidt de eerste experimenten met nieuwe stembiljetten voor die, als de daarop ziende experimentenwet is aanvaard, zullen plaatsvinden bij de herindelingsverkiezingen. Het ministerie stelt middelen ter beschikking voor vernieuwingen aan het digitaal hulpmiddel uitslagberekening en voor de capaciteit en deskundigheid van de Kiesraad, zodat het digitaal hulpmiddel op een adequate manier beheerd en onderhouden kan worden.

Het Ministerie van BZK zet zich als coördinerend ministerie voor de aanpak van desinformatie in op het vergroten van de weerbaarheid van de samenleving tegen de impact van desinformatie, door onder meer de bevordering van transparantie door online platforms en het vergroten van het inzicht in de aard van de dreiging.

In 2020 heeft de Minister van BZK het Adviescollege dialooggroep slavernijverleden ingesteld (Kamerstukken II 2020/21, 35300VII, nr. 132). In 2021 levert deze dialooggroep het eindrapport op.

In 2021 wordt een streektalensymposium uitgevoerd. Ook wordt een evaluatie uitgevoerd naar het functioneren van de provincie Fryslân als ‘taalskipper Frysk’ (bijlage bij Kamerstukken II 2018/19, 35000VII, nr. 83). De taalskipper coordineert, verbindt en inspireert in overleg met het Rijk en met decentrale betrokkenen het Friese taaldossier in de provincie Fryslân.

Toerusting en ondersteuning politieke ambtsdragers

Om te zorgen dat er voldoende goed toegeruste politieke ambtsdragers beschikbaar zijn en beschikbaar blijven, verstrekt de Minister van BZK - samen met bestuurdersverenigingen van politieke partijen en andere relevante organisaties - opdrachten voor inwerkprogramma’s, opleidingen en leermodules (Kamerstukken II 2018/19, 35000VII, nr. 100). Daarnaast wordt de rolneming van raden, staten en algemene besturen versterkt en worden maatregelen uitgevoerd om een betere afspiegeling in volksvertegenwoordiging en bestuur te realiseren (zoals meer vrouwen en mensen met een beperking).

Weerbaar bestuur

Door het organiseren van bijeenkomsten wordt de kennis en ervaring die de afgelopen jaren is opgedaan op gebied van integiteit en veiligheid van het lokale bestuur en van ondermijning, breder gedeeld. Het gaat daarbij om de activiteiten van het Netwerk Weebaar bestuur, de impuls Weerbaar bestuur, de pilot Integrale Beveiligingsplannen en de Actie-agenda Vakantieparken.

De ondersteuning aan gemeenten op het gebied van de uitvoeringuitvoering van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (Wbmgp) wordt voortgezet. Tevens wordt voorlichting georganiseerd voor belangstellende gemeenten en betrokken partners die een aanvraag overwegen voor de toepassing van selectieve woningtoewijzing op basis van de Wbmgp (bijvoorbeeld ten behoeve van het screenen van woningzoekenden op overlastgevend en crimineel gedrag).

Ten behoeve van de verkenning door het programma Leefbaarheid en Veiligheid (Kamerstukken II 2019/20, 30995, nr. 97 en Kamerstukken II 2019/20, 30995, nr. 98) worden aan de samenwerkende organisaties opdrachten verstrekt voor onderzoek, kennisdeling en het uitvoeren van pilots. Ook wordt de opdracht gegeven voor de uitvoering en onderhoud van de Leefbaarometer.

In 2021 zal verder uitvoering worden gegeven aan de Agenda Toekomst (interbestuurlijk) Toezicht. Daarin is aangegeven langs welke lijnen Rijk, provincies en gemeenten het interbestuurlijk toezicht de komende jaren samen verder willen vormgeven. Ter uitwerking van de Agenda is in 2020 een actieplan opgeleverd dat in de periode 2020-2024 stapsgewijs wordt uitgevoerd.

De Minister van BZK regisseert een maatschappelijke en bestuurlijke discussie met burgers, koepels, beroeps- en bestuurdersverenigingen, gemeenten, provincies en de wetenschap om te bezien of het huidige wettelijke kader is toegesneden op de opgaven voor het lokale bestuur. Hiermee wordt in 2021 uitvoering gegeven aan de Kamerbrief over de toekomst van het openbaar bestuur (Kamerstukken II 2019/20, 35300VII, nr. 7). Verder wordt geïnvesteerd in toerusting en ondersteuning van het lokaal bestuur om optimaal gebruik te maken van bevoegdheden en instrumenten.

De Minister van BZK geeft in 2021, mede namens de Minister van JenV, verder uitvoering aan de Agenda Burgemeester (Kamerstukken II 2019/20, 35300VII, nr. 108). BZK en JenV willen, mede met het oog op maatschappelijke en bestuurlijke ontwikkelingen, dat de burgemeester voldoende is toegerust om zijn rollen en taken waar te maken, ten behoeve van een toekomstbestendig en duurzaam burgemeestersambt. De uitwerking van de agenda richt zich op het verduidelijken van het burgemeestersinstrumentarium en het creëren van een evenwicht in zijn formele bevoegdheden, het verbeteren van de samenwerking en de ketenaanpak in het domein van Openbare Orde en Veiligheid en het versterken van de ondersteuning van burgemeesters door hun gemeentelijke apparaat. De agenda wordt uitgewerkt in samenspraak met de beroepsgroep, om ervoor te zorgen dat deze aansluit bij de behoeften in de bestuurspraktijk en ook op draagvlak van alle betrokken partijen kan rekenen.

De Minister van BZK bereidt een modernisering van de Wet op de lijkbezorging (Wlb) voor. Daarbij wordt niet alleen de mogelijke introductie van nieuwe vormen van lijkbezorging overwogen, maar worden eerst en vooral verbeteringen doorgevoerd ten aanzien van de bestaande vormen van lijkbezorging, begraven en cremeren, in lijn met de wensen van nabestaanden en de uitvoeringspraktijk. Het streven is dat het wetsvoorstel in het voorjaar van 2021 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. Er worden in 2021 opdrachten verstrekt ten behoeve van kwaliteitsborging, scholing en voorlichting over de nieuwe regelgeving.

Inkomensoverdrachten

Toerusting en ondersteuning politieke ambtsdragers

Het Ministerie van BZK financiert de rechtspositionele regelingen van (voormalige) politieke ambtsdragers. Het betreft pensioenen en uitkeringen aan voormalige ministers en staatssecretarissen en uitkeringen aan voormalige burgemeesters.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Diverse bijdragen

Ook in 2021 ontvangen ICTU en het CBS bijdragen ter versterking van de informatiepositie van het lokaal bestuur. De City Deal ‘Zicht op ondermijning’ is inmiddels uitgegroeid tot een intensieve samenwerking tussen veertien gemeenten en de resultaten zijn beschikbaar voor alle gemeenten. Met het dashboard www.zichtopondermijning.nl krijgen gemeenten, toezichthouders en handhavers beter inzicht in patronen die duiden op ondermijnende criminaliteit op gemeente en wijk niveau. Het dashboard zal geïntegreerd worden met de Leefbaarometer en de Veiligheidsmonitor voor een meer integraal beeld op wijkniveau.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisatie

Bijdragen Internationaal

Het Ministerie van BZK levert een jaarlijkse bijdrage ten behoeve van een nationaal contactpunt voor de uitvoering van het programma ‘Europa voor de burger’ dat actief Europees burgerschap bevordert. Vanaf 2021 wordt dit programma naar verwachting geïntegreerd in het nieuwe ‘Burgers, Gelijkheid, Rechten en Waarden Programma’, dat het bevorderen van de betrokkenheid en participatie van burgers aan het democratisch leven van de EU tot doel heeft. Het Ministerie van BZK levert ook in 2021 een jaarlijkse bijdrage ten behoeve van de uitvoering van een nationaal contactpunt voor het nieuwe programma.

Nederland is sinds 2011 lid van het Open Government Partnership (OGP). Nederland ontvangt binnen dit internationale netwerk onder andere ondersteuning bij het opstellen en uitvoeren van het nationale actieplan.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Publiek en Communicatie

De Minister van BZK is verantwoordelijk voor de uitvoering van landelijk informerende verkiezingscampagnes. De campagne ‘Elke stem telt’ is in 2019 opnieuw aanbesteed voor de komende vier jaar en deze wordt in 2021 uitgevoerd voor de Tweede Kamerverkiezing. Hiervoor wordt een bijdrage verstrekt aan de Dienst Publiek en Communicatie (DPC) van het Ministerie van AZ.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

Gemeentefonds (H50)

De gemeente Den Haag is ingevolge de KW verantwoordelijk voor de permanente registratie van kiezers in het buitenland en voor de organisatie van de Tweede Kamer en Europees Parlementsverkiezingen door kiezers in het buitenland. Met de invoering in 2017 van de permanente registratie zijn de verkiezingen toegankelijker geworden voor Nederlanders die buiten Nederland woonachtig zijn. Aan de gemeente Den Haag wordt hiervoor meerjarig een bijdrage verstrekt.

Daarnaast ontvangen de gemeenten die bij de Tweede Kamerverkiezing meedoen aan het experiment centraal tellen in 2021 een bijdrage voor meerkosten die gerelateerd zijn aan corona.

Provinciefonds (H51)

Het orgaan voor de Friese taal DINGtiid ontvangt een jaarlijkse bijdrage. Gelden voor de uitvoering van taken worden middels het provinciefonds via de provincie beschikbaar gesteld aan DINGtiid.

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen grotendeels de bijdragen van de waterschappen ten behoeve van de Waarderingskamer.

3.2 Artikel 2. Nationale Veiligheid

A. Algemene doelstelling

De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) beschermt de nationale veiligheid. Dit doet de AIVD door tijdig dreigingen, internationale politieke ontwikkelingen en risico’s te onderkennen, die niet direct zichtbaar zijn en doet daartoe onderzoek in binnen- en buitenland. De AIVD signaleert, adviseert en deelt gericht informatie met samenwerkingspartners zodat deze de dreiging en risico’s kunnen reduceren. Waar nodig reduceert de AIVD zelfstandig risico’s.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Uitvoeren

  • De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) is verantwoordelijk voor de taakuitvoering van de AIVD. Dit doet de AIVD door het tijdig onderkennen van dreigingen en risico's voor de nationale veiligheid en de nationale belangen in het binnen- en buitenland. De AIVD verricht onderzoek met behulp van bijzondere inlichtingenmiddelen. Op basis van de bevindingen informeert en adviseert de AIVD de samenwerkingspartners met ambtsberichten en analyses (waaronder openbare publicaties). De Minister van BZK legt zo veel als mogelijk in het openbaar verantwoording af aan de Tweede Kamer als geheel of in de vaste Kamercommissie BZK. Waar dat niet kan, vanwege geheimhoudingsnoodzaak, gebeurt dit via de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) van de Tweede Kamer.

  • Voor de taakuitvoering zijn stevige waarborgen ingericht in de vorm van toetsing, toezicht en controle. Dit vanwege de inbreuk in de persoonlijke levenssfeer van mensen die de inzet van bijzondere inlichtingenmiddelen kan hebben. Voor de inzet van een groot aantal bijzondere inlichtingenmiddelen is toestemming nodig van de Minister van BZK. Met de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2017 is na de toestemming van de minister en voorafgaand aan de inzet van een groot aantal bijzondere inlichtingenmiddelen een onafhankelijke toetsing nodig van de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB). Daarnaast houdt de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) toezicht tijdens en na afloop van de inzet van bevoegdheden of op andere werkzaamheden van de AIVD.

C. Beleidswijzigingen

Sinds de begroting van 2020 hebben er geen beleidswijzigingen op dit artikel plaatsgevonden. De AIVD doet haar werk op basis van de door de behoeftestellers opgestelde Geïntegreerde Aanwijzing Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (GA I&V 2019-2022). Deze is in de tussentijd niet aangepast.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 12 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 2. Nationale Veiligheid (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

308.373

316.638

316.767

318.324

318.453

317.872

317.872

        

Uitgaven

296.971

316.638

316.767

318.324

318.453

317.872

317.872

waarvan juridisch verplicht

  

100%

    
        

AIVD apparaat

279.626

300.576

300.705

302.263

302.392

301.810

301.811

AIVD geheim

17.345

16.062

16.062

16.061

16.061

16.062

16.061

        

Ontvangsten

15.306

14.714

14.714

14.714

14.714

14.714

14.714

Budgetflexibiliteit

Omdat het budget als apparaat wordt aangemerkt, is het gehele budget juridisch verplicht verondersteld.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Vanwege het bijzondere karakter van dit begrotingsartikel en de gedeeltelijk geheime uitgaven zijn de uitgaven niet nader uitgesplitst en zijn de apparaatsuitgaven niet opgenomen in het centraal apparaatsartikel.

Ontvangsten

De Unit Veiligheidsonderzoeken (UVO), het samenwerkingsverband tussen de AIVD en de MIVD, verricht veiligheidsonderzoeken voor andere (overheids-)organisaties en brengt daarvoor een tarief in rekening. De ontvangsten hebben hier voornamelijk betrekking op.

3.3 Artikel 3. Woningmarkt

A. Algemene doelstelling

Een vrij toegankelijke, vraaggerichte woningmarkt met steun voor degenen die dat nodig hebben.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Het toegankelijk, betaalbaar en toekomstbestendig mogelijk maken van de woningmarkt voor iedereen, lukt alleen door veel samen te werken en telkens goed alle belangen af te wegen. Als Rijksoverheid, met provincies, gemeenten, woningcorporaties, zorginstellingen, investeerders, projectontwikkelaars, bouwers, makelaars en vele anderen. Ieder heeft een eigen rol, maar altijd samen met anderen.

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) jaagt die samenwerking aan. We nemen zoveel mogelijk belemmeringen weg, bieden perspectief in wetten en regels en bewaken de kwaliteit en duurzaamheid van bouwen en wonen, zodat prettig en betaalbaar wonen voor iedereen mogelijk is én blijft.

Beleid en regelgeving

Onder meer via de Wet op de huurtoeslag (WHT), de huur(prijs)regulering en maatregelen ten aanzien van de koopwoningmarkt is de Minister van BZK verantwoordelijk voor het beleid en de regelgeving met betrekking tot de betaalbaarheid van het wonen. Tevens is de Minister van BZK medeverantwoordelijk voor de regelgeving met betrekking tot de fiscale behandeling van de eigen woning en de hypothecaire leennormen.

De Minister van BZK is verantwoordelijk voor het beleid en de regelgeving inzake de huurtoeslag. Tevens is de Minister van BZK verantwoordelijk voor het budgettair beheer van de huurtoeslag op grond van de WHT.

Regisseren

  • De Minister van BZK voert de regie over een heldere verdeling van rollen en verantwoordelijkheden van de verschillende partijen op het terrein van wonen. Tevens voert de Minister van BZK de regie ten aanzien van het bevorderen van een evenwichtige omvang en verdeling van de woningvoorraad.

  • De Minister van BZK is verantwoordelijk voor de regelgeving ten aanzien van (het stelsel van) woningcorporaties. Woningcorporaties zijn via de Woningwet (Wonw) gebonden aan een begrensd werkdomein waarbinnen zij werkzaamheden met staatssteun mogen uitvoeren. Deze zijn het bouwen, verhuren en beheren van woningen met een lage huur voor huishoudens met een laag inkomen en andere doelgroepen die op de reguliere woningmarkt moeilijk een woning kunnen vinden. Tevens is de Minister van BZK verantwoordelijk voor het beleid en de regelgeving inzake de verhuurderheffing.

  • Tevens draagt de Minister van BZK zorg voor het kapitaalmarktbeleid betreffende investeringen in de woningmarkt, bijvoorbeeld via het beleid ten aanzien van de Nationale Hypotheekgarantie (NHG) en het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW).

Uitvoeren

  • De Minister van BZK draagt zorg voor een adequate uitvoering van een laagdrempelige beslechting van huurgeschillen. In het Burgerlijk Wetboek (art. 7:249 t/m 7:261) is vastgelegd dat huurders en verhuurders een beroep kunnen doen op de Huurcommissie. De organisatie en werkwijze van de Huurcommissie, evenals de administratieve ondersteuning door de Dienst van de Huurcommissie (DHC), is vastgelegd in de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (Uhw).

  • De uitvoering van de verhuurderheffing en de huurtoeslag is onder verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën belegd bij de Belastingdienst respectievelijk bij het directoraat-generaal Toeslagen. De Belastingdienst en Toeslagen zijn ook verantwoordelijk voor de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de verhuurderheffing en huurtoeslag.

C. Beleidswijzigingen

Woningbouwimpuls

Met de inwerkingtreding van het Besluit en de Regeling Woningbouwimpuls op 1 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 32847, nr. 648) hebben gemeenten projectaanvragen ingediend voor de middelen uit het eerste tijdvak. De middelen dienen om een deel van het publieke tekort in de ontwikkeling van een woningbouwlocatie te dekken, zodat deze locaties beschikbaar komen en er meer en sneller betaalbare woningen tot stand komen. Om in aanmerking te komen voor een bijdrage zijn hieraan voorwaarden gekoppeld zoals:

  • de aanvraag heeft betrekking op een afgebakend projectgebied;

  • binnen het woningbouwproject worden ten minste vijfhonderd woningen gerealiseerd;

  • minimaal de helft van de te bouwen woningen zijn betaalbare woningen;

  • het project kent een aantoonbaar publiek financieel tekort;

  • gemeenten en andere medeoverheden dragen ten minste 50% bij aan dat publiek financieel tekort;

  • binnen drie jaar na toekenning van de bijdrage starten met de bouw van de eerste woningen.

In 2021 vindt een tussentijdse evaluatie van de voorwaarden plaats om te bezien of er aanleiding is om de regeling te updaten. Gemeenten waarvan de projectaanvragen uit het eerste tijdvak zijn toegekend zijn gestart met de verdere ontwikkeling van de projecten. Tevens worden in 2021 nieuwe aanvraagtijdvakken opengesteld.

Huurverlaging

Voor huurders met een laag inkomen is betaalbaarheid vanwege de economische gevolgen van de coronapandemie extra van belang. Daarom heeft het kabinet verhuurders meer mogelijkheden gegeven om mensen te helpen via maatwerk, tijdelijke huurkortingen, of uitstel van huurverhoging. Door de WOZ-waarde, die afgelopen jaren sterk is gestegen, minder bepalend te laten zijn voor de hoogte van de huur wil het kabinet zorgen dat woningen betaalbaar blijven. Daarnaast wordt de toewijzing van sociale huurwoningen meer op betaalbaarheid gericht door bij de inkomensgrenzen voor de corporatiesector ook te kijken naar huishoudenssamenstelling.

Kansen voor starters

Om de drempel voor jongvolwassenen bij het voor het eerst kopen van een woning te verlagen, stelt het kabinet personen tussen de 18 en 35 jaar eenmalig vrij van overdrachtsbelasting. Hierdoor zijn zij eerder in staat de kosten koper op te brengen en verbetert hun positie op de woningmarkt, zonder de financiële en macro-economische risico’s te vergroten. Tegelijkertijd verstevigt het kabinet de positie van starters ten opzichte van kopers die niet primair tot doel hebben de woning zelf te bewonen, zoals beleggers. Dit gebeurt door hen uit te sluiten van het verlaagde tarief van 2%. Deze partijen gaan het standaardtarief voor de overdrachtsbelasting betalen (8% in 2021). Deze wijzigingen zijn een wijziging van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet differentiatie overdrachtsbelasting) en treden in werking per 1 januari 2021.

Doorbouwen door corporaties

Corporaties worden verder gestimuleerd om te bouwen en verduurzamen. In 2020 hebben corporaties aanvragen gedaan voor heffingsverminderingen voor de bouw van 115.000 nieuwe sociale huurwoningen in de komende jaren. De termijnen van bestaande heffingsverminderingen worden verlengd, om vertraging als gevolg van de coronacrisis op te vangen. Om de bouw van middenhuurwoningen door corporaties te stimuleren, wordt de marktverkenning drie jaar buiten werking gesteld.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 13 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3. Woningmarkt (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

4.040.201

4.659.999

4.838.493

4.460.490

4.608.221

4.763.468

4.909.193

        

Uitgaven

4.069.601

4.570.517

4.828.368

4.560.490

4.608.221

4.763.468

4.909.193

waarvan juridisch verplicht

  

93%

    
        

3.1 Woningmarkt

4.069.601

4.245.217

4.354.268

4.459.890

4.608.221

4.763.468

4.909.193

Subsidies (regelingen)

21.138

10.890

28.349

8.641

12.441

14.241

9.341

Bevordering eigen woningbezit

3.877

4.000

4.000

5.500

9.300

11.100

6.200

Huisvestingsvoorziening statushouders

100

307

0

0

0

0

0

Binnenstedelijke transformatie

10.000

0

20.000

0

0

0

0

Woningmarkt

7.161

6.583

4.349

3.141

3.141

3.141

3.141

Opdrachten

38.012

39.646

3.435

3.609

2.893

2.804

2.804

WSW risicovoorziening

4.654

1.031

0

0

0

0

0

NHG risicovoorziening

29.768

33.860

0

0

0

0

0

Woningmarkt

3.590

4.755

3.435

3.609

2.893

2.804

2.804

Inkomensoverdrachten

3.996.521

4.178.485

4.311.085

4.436.285

4.581.285

4.729.985

4.880.385

Huurtoeslag

3.996.521

4.178.485

4.311.085

4.436.285

4.581.285

4.729.985

4.880.385

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

2.432

1.224

3.066

3.022

2.944

3.156

3.156

Woningmarkt

2.432

1.224

3.066

3.022

2.944

3.156

3.156

Bijdrage aan medeoverheden

2.350

2.800

0

0

0

0

0

Woningmarkt

2.350

2.800

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

9.148

11.610

8.331

8.331

8.431

12.305

12.305

Dienst van de Huurcommissie

8.816

10.137

7.261

7.261

7.261

7.235

7.235

ILT (Autoriteit Woningcorporaties)

332

1.173

970

970

970

970

970

RVO.nl (Uitvoeringskosten BEW)

0

300

100

100

200

3.381

3.381

RVO.nl (Uitvoeringskosten huisvestingsvoorziening statushouders)

0

0

0

0

0

719

719

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

0

562

2

2

227

977

1.202

Financiën en Nationale Schuld (H9)

0

562

2

2

227

977

1.202

        

3.3 Woningbouw

0

325.300

474.100

100.600

0

0

0

Opdrachten

0

250

250

250

0

0

0

Woningbouwimpuls

0

250

250

250

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

0

324.800

473.600

100.100

0

0

0

Woningbouwimpuls

0

324.800

473.600

100.100

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

0

250

250

250

0

0

0

Woningbouwimpuls

0

250

250

250

0

0

0

        

Ontvangsten

459.522

447.909

406.400

400.400

399.600

380.400

370.100

Budgetflexibiliteit

Van het totale uitgavenbudget op artikel 3 is 93% juridisch verplicht en dit kent de volgende onderverdeling:

Subsidies (regelingen)

Het subsidiebudget is voor 93% juridisch verplicht. Het betreft met name verplichtingen met betrekking tot de Financieringsfaciliteit voor Binnenstedelijke Transformatie. Daarnaast betreft het in het verleden aangegane verplichtingen op basis van de Wet bevordering eigenwoningbezit (BEW), de subsidie voor huisvestingsvoorziening statushouders en subsidies ten behoeve van onderzoek en kennisoverdracht op het terrein van de woningmarkt (onder andere onderzoek naar flexwonen, bevolkingsdaling en woonwagenbeleid).

Opdrachten

Het opdrachtenbudget is voor 12% juridisch verplicht. Het gaat hier hoofdzakelijk om opdrachten voor onderzoek en kennisoverdracht op het terrein van wonen en bouwen.

Inkomensoverdracht

Het huurtoeslagbudget 2021 is voor 100% juridisch verplicht. Jaarlijks wordt een verplichting aangegaan voor het gehele huurtoeslagbudget voor het begrotingsjaar.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Het budget voor bijdragen aan ZBO’s/RWT’s is voor 67% juridisch verplicht. De activiteiten voor (basis)onderzoek en kennisoverdracht hebben betrekking op het terrein van wonen en bouwen, specifiek in samenwerking met onder andere het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS).

Bijdrage aan medeoverheden

Het budget voor bijdrage aan medeoverheden is voor 25% juridisch verplicht. Deze middelen zijn bestemd voor een specifieke uitkering voor gemeenten ten behoeve van het versnellen van de bouw van betaalbare woningen en het inlopen van het woningtekort in met name schaarste regio’s in heel Nederland in het kader van de Woningbouwimpuls. Over het resterende deel zal begin 2021 besluitvorming over plaatsvinden, dit zal volledig ingezet worden voor de Woningbouwimpuls.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor bijdrage aan agentschappen is voor 94% juridisch verplicht. Het betreft bijdragen aan de Inspectie Leefomgeving Transport (ILT) en de Dienst van de Huurcommissie (DHC).

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

Het budget voor bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken is 100% juridisch verplicht. Dit betreft de jaarlijkse opdracht aan de Belastingdienst voor de uitvoering van de inkomensafhankelijke huurstijging en verhuurderheffing.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

3.1 Woningmarkt

Subsidies (regelingen)

Bevordering eigen woningbezit

De BEW is gericht op de bevordering van het eigen woningbezit onder lagere inkomensgroepen. Zoals gemeld aan de Tweede Kamer, is voor nieuwe toekenningen op grond van de BEW geen budget meer beschikbaar (Kamerstukken II 2009/10, 32123XVIII, nr. 74). De meerjarig beschikbare middelen dienen uitsluitend voor de betaling van in het verleden aangegane verplichtingen.

Woningmarkt

De Minister van BZK verstrekt subsidies ten behoeve van onderzoek en kennisoverdracht op het terrein van de woningmarkt om te komen tot op feiten gebaseerde beleidsvorming. Het betreft zowel incidentele subsidies voor onderzoek op het gebied van wonen als structurele subsidies, zoals voor de Woonbond om de positie van de huurder op de woningmarkt te versterken en voor Platform 31 die een onafhankelijke positie inneemt tussen overheid, corporaties, bewoners en overige stakeholders op de woningmarkt en (on)gevraagd advies geeft op diverse volkshuisvestelijke vraagstukken.

Binnenstedelijke transformatie

De bestaande Financieringsfaciliteit voor Binnenstedelijke Transformatie wordt geïntensiveerd met € 20 mln. waarmee kortlopende leningen aan ontwikkelaars versterkt kunnen worden om voormalige winkels, kantoren, horecagelegenheden en bedrijventerreinen te herontwikkelen naar woningen.

Opdrachten

Woningmarkt

Het gaat hier vooral om opdrachten voor onderzoek en kennisoverdracht op het terrein van wonen en bouwen, waarbij de ontwikkelingen op de woningmarkt vragen om actuele gegevens. Het budget wordt besteed aan onder meer verkenningen, dataverzameling, monitoring en het op feiten gebaseerd onderbouwen van beleid.

Inkomensoverdracht

Huurtoeslag

Circa 1,4 mln. huishoudens ontvangen huurtoeslag. De huurtoeslag is een bijdrage in de huurlasten en kan aangevraagd worden als de huur in verhouding tot het inkomen te hoog is. Per saldo is er over de jaren 2020-2023 sprake van meevallers bij de huurtoeslag die in 2024 en 2025 omslaan in tegenvallers. Voornaamste redenen voor deze omslag zijn de harder dan verwachte stijging van de werkloosheid in latere jaren, de hogere ontwikkeling van de hoeveelheid vergunninghouders en de hogere inflatie vanaf 2021. Over de periode 2020-2025 worden minder terugvorderingen verwacht, hetgeen leidt tot lagere ontvangsten.

Om inzicht te geven in de uitwerking van de huurtoeslag op de huurlasten voor ontvangers van huurtoeslag tonen onderstaande grafieken het aandeel van de bruto huur dat per saldo (na aftrek van de huurtoeslag) nog netto door ontvangers van huurtoeslag is verschuldigd. Het percentage is berekend voor voorbeeldhuishoudens met een minimum inkomen en een huur op exact 90% van de diverse huurgrenzen van de huurtoeslag.

Uit de grafieken blijkt dat het aandeel van de bruto huur dat door de ontvanger van huurtoeslag nog zelf netto betaald moet worden in 2021 voor de voorbeeldhuishoudens nagenoeg gelijk blijft ten opzichte van 2020.

De raming voor de huurtoeslag is gebaseerd op de uitvoeringscijfers van Toeslagen en de raming van het Centraal Planbureau (CPB) van voor de coronacrisis. Effecten van corona zijn in de eerste helft van 2020 niet zichtbaar in de realisaties van Toeslagen. De verwachting is dat als gevolg van de oplopende werkloosheid en de daling van inkomens er in de tweede helft van 2020 en in 2021 oplopende uitgaven zullen optreden. Tevens is de verwachting dat meer huurders met terugwerkende kracht huurtoeslag zullen aanvragen.

Voor huurder met een laag inkomen en hoge huur neemt het kabinet een gerichte maatregel om de huurprijs sneller in verhouding te brengen met het inkomen. Op het moment dat de huurder voldoet aan de gestelde voorwaarde, kan bij de corporatie een huurverlaging worden afgedwongen. Dit leidt tot inverdieneffecten op de huurtoeslag. Afhankelijk van de mate van aanspraak op de huurverlaging leidt dit tot een maximaal inverdieneffect van € 38 mln. (€ 19 mln. in 2021).

Figuur 3

Bron: Eigen berekening Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het percentage netto huur is de te betalen huurprijs (bruto huur) minus de huurtoeslag gedeeld door de bruto huur (%-netto huur=(bruto huur -/- huurtoeslag)/bruto huur).

Figuur 4

Bron: Eigen berekening Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het percentage netto huur is de te betalen huurprijs (bruto huur) minus de huurtoeslag gedeeld door de bruto huur (%-netto huur=(bruto huur -/- huurtoeslag)/bruto huur).

Figuur 5

Bron: Eigen berekening Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het percentage netto huur is de te betalen huurprijs (bruto huur) minus de huurtoeslag gedeeld door de bruto huur (%-netto huur=(bruto huur -/- huurtoeslag)/bruto huur).

Figuur 6

Bron: Eigen berekening Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het percentage netto huur is de te betalen huurprijs (bruto huur) minus de huurtoeslag gedeeld door de bruto huur (%-netto huur=(bruto huur -/- huurtoeslag)/bruto huur).

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Woningmarkt

De activiteiten voor (basis)onderzoek en kennisoverdracht hebben betrekking op het terrein van wonen en bouwen, specifiek in samenwerking met bijvoorbeeld het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) en het Kadaster. De ontwikkelingen op de woningmarkt vragen om actuele gegevens over de woningmarkt. Het budget wordt besteed aan onder meer verkenningen, monitoring en op feiten gebaseerd onderbouwen van beleid, en dataverzamelingen.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst van de Huurcommissie

De Huurcommissie ontvangt een bijdrage van het Ministerie van BZK om geschillen te beslechten tussen huurders en verhuurders. De Huurcommissie bestaat uit het Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO) de Huurcommissie en het agentschap de Dienst van de Huurcommissie, die het ZBO ondersteunt in zijn taken. Het werkterrein van de Huurcommissie wordt gevormd door huurwoningen met een gereguleerd huurcontract. Als huurders en verhuurders een geschil hebben over de hoogte van de huurprijs of van de servicekosten en er ook met eventuele hulp van de Huurcommissie onderling niet uitkomen, doet de Huurcommissie op verzoek uitspraak. De Huurcommissie beslecht ook geschillen in het kader van de Wet op het overleg huurders verhuurder (Wohv). Daarnaast doet de Huurcommissie aan voorlichting op het gebied van huurregelgeving en kan zij desgevraagd advies leveren aan huurders en verhuurders in de vrije sector.

ILT (Autoriteit Woningcorporaties)

De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) ontvangt een bijdrage van BZK voor de Autoriteit woningcorporaties (Aw), die namens de Minister van BZK toezicht houdt op de Wet Normering Topinkomens (WNT) bij woningcorporaties.

RVO (Uitvoeringskosten BEW)

De Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) ontvangt een bijdrage voor de uitvoering van de BEW en de verschillende categorieën van de Regeling Vermindering Verhuurderheffing. Deze uitgaven worden verantwoord op artikel 4 vanwege gecentraliseerd opdrachtgeverschap.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

Financiën en Nationale schuld (H9)

Het Ministerie van Financiën ontvangt een bijdrage voor de uitvoering van de inkomensafhankelijke huurstijging en verhuurderheffing.

3.3 Woningbouw

Opdrachten

Woningbouwimpuls

Voor de Woningbouwimpuls worden opdrachten verstrekt voor expertise en beoordeling van de projectaanvragen en voor het doen van onderzoek. Om de effectiviteit van de Woningbouwimpuls vast te stellen wordt gebruik gemaakt van een jaarlijkse monitoring, een voortgangsrapportage en tussenevaluatie. Het budget wordt besteed aan onder meer monitoring, dataverzameling en voortgang van de projecten.

Bijdrage aan medeoverheden

Woningbouwimpuls

De woningbouwimpuls wordt als specifieke uitkering uitgekeerd aan gemeenten. Gemeenten kunnen projectaanvragen indienen voor woningbouwprojecten. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het versnellen van de woningbouw en de beschikbaarheid van voldoende betaalbare woningen voor starters en mensen met een middeninkomen. De aanvragen worden getoetst door een onafhankelijke toetsingscommissie en onder specifieke voorwaarden uitgekeerd aan gemeenten. Met gemeenten worden afspraken gemaakt over monitoring en verantwoording via de SiSa-verantwoording.

Het kabinet neemt maatregelen om op korte en lange termijn voldoende woningen te realiseren en de schokbestendigheid van huishoudens te vergroten. De woningbouwimpuls wordt geïntensiveerd met € 50 mln. in 2021 voor diverse maatregelen gericht op het wegnemen van knelpunten in de woningbouw in combinatie met wederkerige afspraken over de programmering van de woningbouw. Waaronder het stimuleren van woningbouw voor kwetsbare groepen en ouderen. Daarnaast wordt er 100 mln. van de woningbouwimpuls naar voren gehaald om in 2021 te investeren.

Daarnaast wordt er € 20 mln ingezet in 2021 voor flexpools, waardoor er flexibele inzet van capaciteit beschikbaar is voor gemeenten voor ondersteuning in de voorfase van de woningbouw.

Bijdrage aan agentschappen

Woningbouwimpuls

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) ontvangt een bijdrage voor de voorbereiding en uitvoering van de regeling woningbouwimpuls. RVO verzorgt de technische ondersteuning aan gemeenten en vervult de loketfunctie voor de aanvragen.

Ontvangsten

De ontvangsten bestaan uit teruggevorderde huurtoeslag. Terugvorderingen op de huurtoeslag ontstaan tijdens het toeslagjaar door controles van Toeslagen en na afloop van het berekeningsjaar bij de definitieve vaststelling van de bijdrage.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op de woningmarkt. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Naast de fiscale regelingen die in onderstaande tabel zijn opgenomen, heeft ook de vrijstelling van overdrachtsbelasting (OVB) voor stedelijke herstructurering betrekking op dit beleidsartikel. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 14 Fiscale regelingen 2019-2021, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € 1 mln.)

1

2019

2020

2021

Hypotheekrenteaftrek

10.023

9.278

8.752

Aftrek financieringskosten eigen woning

193

181

174

Aftrek periodieke betalingen erfpacht, opstal en beklemming

30

30

30

Aftrek renteen kosten van geldleningen restschuld vervreemde eigen woning

20

19

18

Eigenwoningforfait

‒ 3.405

‒ 3.463

‒ 3.401

Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

652

674

678

Schenk- en erfbelasting Eenmalige vrijstelling eigen woning

188

188

188

Overdrachtsbelasting verlaagd tarief woning

2.715

2.738

1.899

Overdrachtsbelasting nultarief woning starters

1.552

Vermindering verhuurderheffing

177

264

421

Kamerverhuurvrijstelling

10

10

10

X Noot
1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

3.4 Artikel 4. Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit

A. Algemene doelstelling

Stimuleren van een goede kwaliteit van de gebouwde omgeving op de aspecten duurzaamheid, energiezuinigheid, veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en toegankelijkheid.

Met deze doelstelling doet het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) recht aan diverse publieke waarden.

  • De energietransitie in de gebouwde omgeving zorgt voor vermindering van de CO2-uitstoot kan de woonlasten/gebruikslasten voor eigenaren en huurders van gebouwen verminderen. Uitgangspunt daarbij is dat voor steeds meer huishoudens – kopers en huurders - de kosten voor verduurzaming via een lagere energierekening terugverdiend kunnen worden.

  • Gebouwen voldoen aan de eisen van bouwregelgeving op het gebied van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en toegankelijkheid.

  • Vermindering van het gebruik van primaire grondstoffen in de bouw door onder meer zo hoogwaardig mogelijk gebruik van bouw- en sloopafval draagt bij aan de beschikbaarheid en betaalbaarheid van producten en diensten op de langere termijn.

Deze publieke waarden worden op onderdelen concreet gemaakt in de volgende op termijn te bereiken resultaten:

  • vermindering van de CO2-uitstoot van de gebouwde omgeving met minstens 3,4 Mton in 2030 in het kader van de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met minstens 49% ten opzichte van 1990, zoals afgesproken in het Regeerakkoord van het kabinet-Rutte III;

  • aardgasvrije gebouwde omgeving richting 2050. Conform het in het voorjaar 2019 gepubliceerde Klimaatakkoord uitvoering van grootschalige proeftuinen in minimaal honderd wijken gericht op opschaling en het opdoen van kennis en ervaring;

  • samen met maatschappelijke partners 50% minder gebruik van primaire grondstoffen (mineraal, fossiel en metalen) realiseren in 2030 als tussendoel. Dit is in lijn met het programma ‘Nederland circulair in 2050’ met als einddoel een volledig circulaire economie in 2050 (Kamerstukken II 2015/16, 32852, nr. 33). De bouw is hierbij als een van de vijf prioriteiten genoemd;

  • verbetering van de kwaliteit van werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties teneinde het aantal koolmonoxideongevallen te reduceren.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Met het oog op de doelen binnen dit beleidsartikel is de inzet van burgers, instellingen, bedrijven en de gehele overheid noodzakelijk. In het kader van het Klimaatakkoord wordt met partijen gesproken over de noodzakelijke acties en te nemen maatregelen. Rijk, gemeenten, provincies en waterschappen zijn gestart met het Interbestuurlijke Programma (IBP) van 2018 en een gezamenlijke agenda. Het belangrijkste doel van het IBP is een optimale samenwerking tussen de overheden, zodat er rond belangrijke maatschappelijke opgaven een meer gezamenlijke aanpak tot stand komt. De minister heeft hierbij een stimulerende en regisserende rol.

Stimuleren

Op basis van artikel 120 van de Woningwet (Wonw), hoofdstuk 4 van de Wet milieubeheer (Wm) en de Kadasterwet is de Minister van BZK verantwoordelijk voor het stimuleren van energiebesparing en reductie van CO2-uitstoot in de gebouwde omgeving. De Minister van BZK geeft invulling aan deze verantwoordelijkheid door kaderstelling (wet- en regelgeving), het uitvoeren van de acties van het Energieakkoord en het Klimaatakkoord waar het Rijk verantwoordelijk voor is, ondersteuning van innovatie (onder andere door middel van subsidies) en monitoring. De Minister van BZK stimuleert energietransitie in de gebouwde omgeving met verschillende (subsidie)instrumenten, afspraken en ondersteuningsmaatregelen.

Regisseren

Op basis van de artikel 2 van de Wonw is de Minister van BZK verantwoordelijk voor het opstellen en het beheer van de bouwregelgeving en stelselverantwoordelijk voor het borgen van de bouwkwaliteit. Op grond van deze verantwoordelijkheid worden in ieder geval regels gesteld over het bouwen van nieuwe bouwwerken, de staat van bestaande bouwwerken en het gebruiken en slopen van bouwwerken. Deze regels worden gesteld vanuit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid of milieu. Door naleving van deze regels is de minimumkwaliteit van bouwwerken gewaarborgd. Toezicht en handhaving hierop berust bij gemeenten.

C. Beleidswijzigingen

Het beleid ten aanzien van de gebouwde omgeving staat de komende jaren vooral in het licht van de in Parijs afgesproken doelstellingen in 2050 van de reductie van CO2(-emissies) in de gebouwde omgeving. Daarvoor wordt zowel nationaal als Europees beleid geïmplementeerd.

Uitvoering Klimaatakkoord gebouwde omgeving

Het jaar 2021 staat in het teken van de verdere uitvoering van de breed pakket aan maatregelen die zijn afgesproken in het Klimaatakkoord in 2020 ter ondersteuning van woningeigenaren, huurders, verhuurders en gemeenten:

  • de bestaande subsidieregeling van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) voor duurzame warmteopties (ISDE) wordt verbreed, waardoor ook isolatie voor subsidie in aanmerking komt;

  • Gemeenten stellen, met betrokkenheid van stakeholders, uiterlijk eind 2021 een transitievisie warmte op. Daar staat in welke wijken de gemeente voor 2030 aan de slag gaat. Ook het planmatig isoleren van woningen en andere gebouwen kan onderdeel uitmaken van deze aanpak. Bij het opstellen van de Transitievisie Warmte wordt de gemeente ondersteund door het Expertise Centrum Warmte (ECW) en door het Kennis- en Leerprogramma (KLP) van het Programma Aardgasvrije Wijken (PAW).

  • Om kostenreductie in de bouw te bevorderen is het programma van de Renovatieversneller opgezet, bestaande uit een zesjarig ondersteuningsprogramma (€ 30 mln.) en een vierjarige subsidieregeling (€ 100 mln.). De subsidie is bedoeld om woningeigenaren (met name corporaties) te stimuleren om gezamenlijk grote aantallen woningen op innovatieve wijze te laten verduurzamen. Door standaardisatie, ketensamenwerking en industrialisatie zal dit op termijn leiden tot kostenreductie. De regeling wordt via tenders voor samenwerkingsverband van wooneigenaren opengesteld. De eerste tender is in 2020 opengesteld, subsidies hiervoor worden beschikt in 2021 en uitbetaling is in de jaren erna voorzien.

  • Via meerjarige missiegedreven innovatieprogramma’s (MMIP’s) wordt tot 2030 € 250 mln. besteed via drie sporen: 1. Ondersteuning R&D investeringen van grootschalige samenwerkingsverbanden marktpartijen en kennisinstellingen, alsmede kleinschalige korter lopende R&D projecten. 2. Ondersteuning van kleinschaliger initiatieven waarin innovatieve midden- en kleinbedrijven nieuwe en bestaande technologieën via pilots en demonstratieprojecten op een slimme manier producten en diensten gereed maken voor uitrol in de markt. 3. Specifiek voor maatschappelijk vastgoed is het Kennis- en Innovatieplatform Verduurzaming Maatschappelijk vastgoed ontwikkeld. De uitvoering van sporen 1 en 2 vindt plaats door het Ministerie van EZK.

  • In de Regionale Energie Strategieën (RES) worden afspraken uitgewerkt over verduurzaming van de energie- en warmtevoorziening. In dertig RES-regio’s werken overheden met maatschappelijke partners, netbeheerders, het bedrijfsleven en bewoners regionaal gedragen keuzes uit voor opwekking van duurzame elektriciteit, de warmtetransitie in de gebouwde omgeving en bijbehorende infrastructuur. Het Nationaal Programma RES (NP RES) ondersteunt de regio’s hierbij.

    In 2020 is gewerkt aan het opstellen van een concept RES-bod per regio, met 1 oktober als deadline voor het opleveren van het vastgestelde concept RES-bod. Op basis van de uitkomsten van een analyse van deze RES-aanbiedingen door het PBL (februari 2021), samen met het advies van het Nationaal Programma RES (NP RES), werken de regio’s het concept RES-bod uit naar de RES 1.0. Deze moeten ze voor 1 juli 2021 hebben opgeleverd.

    Voor de realisatie van de RES’sen zijn financiële middelen beschikbaar gesteld, bestemd voor de projectorganisatie NP RES, de expertpool RES, de Participatiecoalitie, het Expertisecentrum warmte, een onderzoeksprogramma met betrekking tot waterbeheer en RES en voor ondersteuning van het RES-proces in de regio’s.

  • De Stimuleringsregeling Aardgasvrije Huurwoningen (SAH), bedoeld voor de versnelling en opschaling van de aansluiting van huurwoningen op warmtenetten is in 2020 in het kader van de zogenoemde Startmotor opengesteld. Het budget van € 200 mln. kan in de jaren tot en met 2023 worden uitgeput.

  • In het kader van het doorbouwplan is er voor verduurzaming van maatschappelijk vastgoed € 50 mln. beschikbaar gesteld: € 10 mln. voor verduurzaming van sportfaciliteiten en € 40 mln. voor de verduurzaming van scholen. Deze regelingen worden in 2020 ontwikkeld en de implementatie ervan zal tot en met 2021 lopen.

Urgenda

In het kader van het Urgenda-vonnis worden in 2021 maatregelen uitgevoerd die een aanvulling vormen op eerdere lopende maatregelen en instrumenten.

  • In 2019 is een regeling opengesteld die gemeenten de mogelijkheid bood huishoudens in koopwoningen te ondersteunen bij het reduceren van hun energiegebruik (de Regeling Reductie Energiegebruik). Het ging daarbij om het nemen van eenvoudige energiebesparende maatregelen die helpen het energiegebruik van huishoudens te verminderen (bijvoorbeeld het optimaliseren van CV-installaties, radiatorfolie, LED lampen) en om advies over verdergaande verduurzamingsmogelijkheden (isolatie). Deze regeling wordt uitgebreid naar huurders/huurwoningen. Daarnaast wordt nu ook ingezet op reductie van energiegebruik bij het MKB. 

  • De Regeling Vermindering Verhuurderheffing voor verduurzaming wordt opnieuw open gesteld om zo eerder een versnelling van de verduurzaming bij huurwoningen mogelijk te maken. Het budget waarmee de regeling wordt geopend bedraagt € 150 mln. Naar verwachting zal de regeling per 1 januari 2021 opengaan.

  • Het Warmtefonds wordt ook opengesteld voor de financiering van woningeigenaren die niet in aanmerking komen voor reguliere financiering. Dit in aanvulling op de sinds begin 2020 versterkte financiering aan woningeigenaren en Verenigingen van Eigenaren (VVE's). In het kader van Urgenda wordt de ruimte voor VVE's in het Warmtefonds vergroot. VvE’s met een meerderheidsbelang van corporaties krijgen toegang tot het Warmtefonds, waardoor gemengde complexen verduurzaamd kunnen gaan worden. Het rijksbudget van € 25 mln. zorgt voor een hefboom om een groter budget aan private investering beschikbaar te krijgen. Met de publieke en private middelen worden de leningen aan gemende VvE’s verstrekt.

  • Daarnaast gaan we in 2021 verder met het stimuleren van aansluiting van koopwoningen op warmtenetten in samenwerking met EZK.

  • In het kader van Urgenda-vonnis wordt voor de verduurzaming van maatschappelijk vastgoed in totaal € 25 mln. vrijgemaakt voor een ontzorgingsprogramma waarmee een substantiële start gemaakt in 2020 en verder uitgevoerd in 2021 kan worden met de verduurzaming van met name kleinere partijen in het maatschappelijk vastgoed zoals scholen, sportverenigingen en gemeenten.

Programma aardgasvrije wijken

In het Klimaatakkoord is gekozen om met een wijkgerichte aanpak steden en dorpen planmatig «van het aardgas af te halen». Het streven is om in 2030 1,5 mln. woningen en andere gebouwen via de wijkenaanpak aardgasvrij te maken. Hiervoor is in 2019 het PAW ingericht. Na selectierondes in 2018 en 2020 zal in 2021 een derde uitvraag aan gemeenten worden gedaan voor proeftuinen. In 2022 volgt een uitgebreide evaluatie van het programma. De geselecteerde gemeenten ontvangen een bijdrage vanuit het Rijk om het onrendabele deel van de aanpak naar een aardgasvrije wijk te financieren. Met een uitgebreide monitoring volgt het programma de voortgang van de proeftuinen en haalt zo de lessen en knelpunten op. Via een kennis- en leerprogramma worden de geleerde lessen gedeeld met alle gemeenten en andere betrokkenen. Geconstateerde knelpunten worden waar mogelijk opgelost.

Jaarlijks wordt gerapporteerd aan de Tweede Kamer over de voortgang. Dit zal in 2021 in het eerste kwartaal zijn.

Ontzorging van gebouweigenaren

De komende jaren wordt van steeds meer gebouweigenaren verwacht dat ze verduurzamen. Dat is ingrijpend en kan een aanzienlijke investering vragen. Goede ondersteuning en verdergaande ontzorging zijn cruciaal. In het Klimaatakkoord zijn verschillende maatregelen opgenomen gericht op ontzorging, met als doel dat iedere gebouweigenaar een beroep kan doen op een hoogwaardig ontzorgend aanbod dat onzekerheden en barrières zoveel mogelijk wegneemt. Daartoe wordt onder andere een landelijk digitaal platform ontwikkeld waar gebouweigenaren onafhankelijke informatie kunnen vinden over verduurzamingsmaatregelen, besparingseffecten, subsidie- en financieringsmogelijkheden en duurzame aanbieders en financiers kunnen vinden. Voor energieloketten worden minimumcriteria vastgesteld. Daarnaast wordt onderzocht hoe ontzorgende concepten verder doorontwikkeld en opgeschaald kunnen worden. In de markt wordt onder andere bezien of een keurmerk voor aanbieders van integrale maatregelenpakketten en ontzorgende concepten de ontwikkeling van de markt kunnen stimuleren. Een ontzorgend aanbod is ook cruciaal bij het planmatig aardgasvrij maken van steden en dorpen. Het PAW wordt benut om te bezien wat succesvolle ontzorging kan zijn binnen de wijkenaanpak.

Verduurzamen utiliteitsbouw commercieel en maatschappelijk vastgoed

Zoals afgesproken in het Klimaatakkoord, komt er een eindnorm waaraan alle bestaande utiliteitsbouw in 2050 zal moeten voldoen. Streven is om deze norm in 2021 bekend te maken, zodat gebouweigenaren ruim de tijd hebben om op een natuurlijk moment hun gebouw naar die norm te brengen. Om gebouweigenaren inzicht en handelingsperspectief te geven op welk moment zij welke maatregelen kunnen nemen, worden gebouweigenaren aangemoedigd hun vastgoedportefeuille in kaart te brengen, een verduurzamingsstrategie en –aanpak op te stellen en duurzaamheidsmaatregelen te integreren in hun meerjarenonderhoudsplanningen. Dit is ook relevant voor de wijkaanpak. Grote gebouweigenaren doen dit vaak al, voor maatschappelijk vastgoed en MKB komen er ondersteunende regelingen. De harmonisatie van wet- en regelgeving op het gebied van energiebesparing voor de utiliteitsbouw behoeft in 2021 verdere aandacht, evenals de bijbehorende handhavingsstrategie.In samenwerking met het Ministerie van EZK wordt de mogelijkheid voor verantwoording op concern- of portefeuilleniveau verder onderzocht en uitgewerkt.

Circulair bouwen

Het Ministerie van BZK bevordert de toepassing van circulair bouwen als onderdeel van het Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie 2019-2023. Het Ministerie van BZK continueert in 2021 de uitvoering hiervan in samenwerking met partijen in de bouw en andere overheden voor het bereiken van de doelen van het programma Nederland circulair in 2050 (Kamerstukken II 2015/16, 32852, nr. 33). De Minister van BZK heeft na consultatie van de belanghebbende partijen een wijziging van de bouwregelgeving bij beiden Kamers voorgehangen met het voornemen om de wettelijke milieuprestatie-eis per 1 januari 2021 scherper te stellen (Kamerstukken 2019/20, 33118, nr. 143). Het Ministerie van BZK stimuleert en coördineert in samenwerking met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) de verdere ontwikkeling van een uniforme meetmethode voor circulair bouwen, met name via financiële bijdragen aan de stichting Nationale Milieudatabase (NMD) en het Platform Circulair Bouwen 2023 (CB’23). Het Ministerie van BZK verstrekt voor kennisontwikkeling en –verspreiding financiële bijdragen aan onder meer Cirkelstad en aan de bouw-gerelateerde buyer groups voor circulair inkopen en aanbesteden die worden ondersteund door PIANOo.

Bouwregelgeving

Met inwerkingtreding van het stelsel van de Omgevingswet in 2022 zal het Bouwbesluit 2012 ingetrokken en opgevolgd worden door het Besluit bouwwerken leefomgeving. In de aanloop hier naar toe wordt in 2021 verder gewerkt aan de implementatie van dit besluit. Daarnaast zal in 2021 gewerkt worden aan nieuwe van wijzigingen van het Besluit bouwwerken leefomgeving en de implementatie hiervan, die nodig zijn in het kader van maatschappelijke en politieke ontwikkeling. Zoals de uitwerking van onderdelen van het Klimaatakkoord, onderdeel gebouwde omgeving, en het onderwerp brandveiligheid in (bestaande) woningen.

Stelsel certificeringwerkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties

Op 5 november 2019 is de wijziging van de Wonw in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties in het staatsblad gepubliceerd (Stb. 2019, nr. 383). Het wettelijk stelsel wordt nader uitgewerkt bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) en ministeriele regeling. Het ontwerpbesluit dat hier invulling aan geeft is op 17 december 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2019/20, 32757, nr. 158) en de onderliggende ministeriele regeling (wijziging Regeling Bouwbesluit 2012) is op 1 mei 2020 in consultatie gebracht. Het stelsel volgt op het rapport Koolmonoxide - onderschat en onbegrepen gevaar van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) van november 2015. De inwerkingtreding van het wettelijk stelsel is voorzien per 1 juli 2020. Het betreft een gefaseerde inwerkingtreding waarbij installatiebedrijven achttien maanden de tijd krijgen om zich te laten certificeren. De bepaling dat je als bedrijf gecertificeerd moet zijn om de betreffende werkzaamheden uit te mogen voeren geldt daarom pas per 1 januari 2022. Vanwege deze gefaseerde inwerkingtreding heeft de coronacrisis hier geen effect op.

Nieuwe bepalingsmethode energieprestatie.

Per 1 januari 2021 zal de nieuwe bepalingsmethode voor de energieprestatie van gebouwen, de NTA8800, van kracht worden (Kamerstukken II 2019/20, 30 196, nr. 695). Deze vervangt drie afzonderlijke bepalingsmethoden, waardoor een integrale toetsmethode ontstaat om de energieprestatie te bepalen van zowel woningbouw als utiliteitsbouw en van zowel bestaande bouw en nieuwbouw. Met deze verandering zullen ook de eisen voor nieuwbouw per 1 januari 2021 gaan veranderen naar eisen voor Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG). Dit betreft implementatie van de richtlijn Energieprestatie van Gebouwen (Energy Performance Buildings Directive (EPBD) 2018/2001/EU en 2010/31/EU). Energielabels zullen ook per 1 januari 2021 met de nieuwe bepalingsmethode worden berekend. Het energielabel voor woningen dat aangevraagd wordt via www.energielabelvoorwoningen.nl zal hiermee komen te vervallen. Met de nieuwe bepalingsmethode zullen adviseurs de woning bezoeken voor een opname en zal de woningeigenaar een meer nauwkeurig en uitgebreid label ontvangen.

Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen

In 2021 zal verder worden gewerkt aan de invoering van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (WKB). Het doel van de wet is het verbeteren van de bouwkwaliteit en het versterken van de positie van de bouwconsument. In het kader daarvan is in 2020 is de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB) opgericht. Deze organisatie heeft vooral een toezichthoudende functie. Het is de bedoeling het nieuwe stelsel vanaf 2022 stapsgewijs in te voeren. In 2021 doen marktpartijen door middel van proefprojecten alvast ervaring op, zodat zij goed voorbereid zijn wanneer het stelsel wordt ingevoerd. De TloKB speelt hierin ook een toezichtsrol.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 15 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4. Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit (bedragen x € 1.000)
 

2.019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

245.813

451.649

378.329

305.378

256.813

161.776

162.305

        

Uitgaven

206.163

607.198

437.329

324.329

256.813

161.776

162.305

waarvan juridisch verplicht

  

95%

    
        

4.1 Energietransitie en duurzaamheid

198.792

592.230

432.112

319.158

251.914

156.894

157.423

Subsidies (regelingen)

166.987

370.553

218.971

218.588

192.525

110.602

118.202

Energiebesparing Koopsector

3.664

85.743

18.500

19.500

15.000

0

0

Energiebesparing Huursector

134.309

100.449

37.000

18.951

0

0

0

Energietransitie en duurzaamheid

11.014

68.561

77.071

5.937

3.875

3.852

1.452

Nationaal Energiebespaarfonds (NEF)

18.000

0

0

0

0

0

0

Renovatieversneller

0

0

0

9.000

18.750

29.750

39.750

SAH

0

48.800

19.400

58.200

67.900

0

0

Warmtefonds

0

67.000

67.000

107.000

87.000

77.000

77.000

Opdrachten

1.545

2.837

2.536

1.567

1.700

1.700

500

Energietransitie en duurzaamheid

1.545

2.837

2.536

1.567

1.700

1.700

500

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

1.877

4.710

5.034

0

0

0

0

Energietransitie en duurzaamheid

1.877

4.710

5.034

0

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

0

101.160

40.000

0

0

0

0

Programma reductie energieverbruik

0

101.160

40.000

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

28.383

44.933

59.607

29.042

25.397

17.922

18.222

ILT (Handhaving Energielabel)

0

532

532

528

527

523

523

RVO.nl (uitvoering Energieakkoord)

0

10.145

47.254

17.579

13.991

10.701

10.876

Dienst Publiek en Communicatie

630

70

0

0

0

0

0

Diverse Agentschappen

900

1.500

600

0

0

0

0

RVO.nl (Energiestransitie en duurzaamheid)

26.853

32.686

11.221

10.935

10.879

6.698

6.823

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

0

68.037

105.964

69.961

32.292

26.670

20.499

EGO

0

4.551

10.409

17.660

19.817

19.470

18.299

Gemeentefonds (H50)

0

63.486

94.199

49.000

10.000

5.000

0

Handhaving energielabel C

0

0

1.356

3.301

2.475

2.200

2.200

        

4.2 Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

7.371

14.968

5.217

5.171

4.899

4.882

4.882

Subsidies (regelingen)

6.183

13.586

3.584

3.498

2.778

1.752

1.752

Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

6.183

13.586

3.584

3.498

2.778

1.752

1.752

Opdrachten

1.144

1.219

1.570

1.615

2.063

3.075

3.075

Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

1.144

1.219

1.570

1.615

2.063

3.075

3.075

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

44

50

0

0

0

0

0

Overige bijdragen

44

50

0

0

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

0

50

0

0

0

0

0

Diverse bijdragen bouwregelgeving

0

50

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

0

55

55

55

55

55

55

ILT (Toezicht EU-Bouwregelgeving)

0

55

55

55

55

55

55

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

0

8

8

3

3

0

0

Infrastructuur en Waterstaat (H12)

0

8

8

3

3

0

0

        

Ontvangsten

270

91

91

91

91

91

91

Budgetflexibiliteit

Het totale uitgavenbudget op artikel 4 is 95% juridisch verplicht en dit kent de volgende onderverdeling:

Subsidies (regelingen)

De subsidies zijn voor 92% juridisch verplicht. De meeste subsidies zijn in het kader van de energietransitie en duurzaamheid voor onder andere energiebesparing in de koopsector (SEEH), energiebesparing in de huursector (STEP), SAH, het warmtefonds en PRE (deze zijn geoormerkt).

Opdrachten

De budgetten voor opdrachten voor de beleidsprogramma’s zijn voor 43% juridisch verplicht. Het gaat om opdrachten ter uitvoering van de afspraken voor de energietransitie in de gebouwde omgeving uit het energieakkoord en klimaatakkoord.

Bijdrage aan ZBO/RWT

Er wordt een bijdrage verstrekt ten behoeve van de Regionale Energiestrategie (RES). Deze bijdrage is 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan medeoverheden

De bijdrage voor de reductie van energieverbruik in koopwoningen is 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan agentschappen

De bijdragen aan agentschappen zijn voor 100% juridisch verplicht. Het betreft een agentschapsbijdrage aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

De bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken is 100% juridisch verplicht. Dit betreft een bijdragen voor de RES, grootschalige proeftuinen (honderd wijken aanpak) en de inzet voor het innovatieprogramma CO2-neutrale gebouwde omgeving.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

4.1 Energietransitie en duurzaamheid

Subsidies (regelingen)

Energiebesparing Koopsector

Voor de verduurzaming van woningen stelt het kabinet € 15 mln. beschikbaar in de jaren 2021 tot en met 2023 om de komende jaren extra ondersteuning te bieden aan woningeigenaren die hun woning verduurzamen. Het budget wordt via de subsidie energiebesparing eigen huis (SEEH)/Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) beschikbaar gesteld.

Energiebesparing Huursector

In 2021 continueert de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) in opdracht van het Ministerie van BZK de afhandeling van eerder verleende subsidies van de Stimuleringsregeling energieprestatie huursector (STEP) voor investeringen van verhuurders in energiebesparende maatregelen. Aanvragen konden worden gedaan tot eind 2018. De subsidies worden twee jaar na verlening vastgesteld en uitbetaald in de periode tot aan het voorjaar 2022.

Energietransitie en duurzaamheid

In het kader van de afspraken voor energietransitie in de gebouwde omgeving uit het Energieakkoord verstrekt het Ministerie van BZK in 2021 subsidies aan enkele partijen, waaronder de voorlichtingsorganisatie Milieu Centraal (klantcontact en informatievoorziening over het energielabel voor woningen en andere gebouwen).

Daarnaast worden middelen beschikbaar gesteld aan decentrale overheden om ze te ondersteunen voor het Programmabureau RES, die de regio’s ondersteunt met expertise voor het organiseren van participatie en voor de uitbreiding van de gemeentelijke taken op dit gebied. Tot slot wordt ook subsidie beschikbaar gesteld voor het Warmtefonds in het kader van ontzorging.

In 2021 wordt de regeling voor reductie van energieverbruik in huurwoningen voortgezet. In de praktijk blijken eenvoudige energiebesparende maatregelen te helpen het energiegebruik van huishoudens te verminderen. Het gaat bij kleine maatregelen bijvoorbeeld om zaken als het laten optimaliseren van CV-installaties, het aanbrengen van radiatorfolie, het gebruik van LED lampen en de inzet van energieverbruiksmanagers. De aanpak van gemeenten bestaat uit een scala aan activiteiten zoals het organiseren van informatieavonden voor bewoners en gerichte acties richting eigenaar-bewoners in de vorm van energieadvies.

SAH

Partijen hebben in het Klimaatakkoord afspraken gemaakt om de energietransitie op gang te brengen door zo snel mogelijk 100.000 bestaande huurwoningen te verduurzamen via de Startmotor huursector. De bedoeling van de Startmotor is om in korte tijd voldoende ervaring en schaalgrootte te realiseren bij het aardgasvrij maken van wijken. Ter ondersteuning van de Startmotor is per 1 mei 2020 de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH) ingevoerd. Voor zowel sociale als particuliere huurwoningen kan een bijdrage worden verleend voor het aardgasvrij maken. Bij de SAH staat aardgasvrij voorop en isolatie maakt hier – afhankelijk van de startsituatie van de woningen – in meer of mindere mate onderdeel van uit.

Warmtefonds

In 2021 is € 67 mln. beschikbaar voor het Warmtefonds dat tegen aantrekkelijke voorwaarden financiering verstrekt aan woningeigenaren en VvE's die hun woning verduurzamen. Er is meerjarig geld beschikbaar voor het Warmtefonds tot en met 2030.

Opdrachten

Energietransitie een duurzaamheid

Ter uitvoering van de afspraken voor energietransitie in de gebouwde omgeving uit het Energieakkoord verstrekt het Ministerie van BZK ook in 2021 diverse onderzoeksopdrachten, waaronder voor het enerielabel.

Daarnaast worden gemeenten ondersteund in het oppakken en uitvoeren van hun regierol in de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving door het Kennis- en Leerprogramma (KLP). Gemeenten dienen bij het KLP de kennis, contacten en inspiratie te kunnen vinden om de volgende stap te kunnen zetten richting aardgasvrije wijken. Ook draagt het KLP bij aan de bewustwording van de opgave en de nieuwe rol van gemeenten hierin.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Energietransitie en duurzaamheid

De Unie van Waterschappen (UvW) ontvangt een bijdrage voor het Nationaal Programma Regionale Energiestrategieën (NP RES) ten behoeve van de ondersteuning van de dertig energieregio’s bij het opstellen van hun RES.

Bijdrage aan medeoverheden

Programma reductie energieverbruik

In 2021 wordt de regeling voor reductie van energieverbruik in koopwoningen voortgezet. In de praktijk blijken eenvoudige energiebesparende maatregelen te helpen het energiegebruik van huishoudens te verminderen. Het gaat bij kleine maatregelen bijvoorbeeld om zaken als het laten optimaliseren van CV-installaties, het aanbrengen van radiatorfolie, het gebruik van LED lampen en de inzet van energieverbruiksmanagers. De aanpak van gemeenten bestaat uit een scala aan activiteiten zoals het organiseren van informatieavonden voor bewoners en gerichte acties richting eigenaar-bewoners in de vorm van energieadvies.

Bijdrage aan agentschappen

ILT (Handhaving Energielabel)

In 2021 zet de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) haar werkzaamheden voort op het gebied van de handhaving van de naleving van de verplichtingen met betrekking tot het energielabel in het kader van de Europese richtlijn energieprestatie van gebouwen.

RVO.nl (uitvoering Energieakkoord)

Het betreft de uitgaven voor beheer, onderhoud en verbetering van het energielabelsysteem voor woningen en andere gebouwen op basis van de Europese richtlijn energieprestatie van gebouwen.

Daarnaast worden in het kader van de invulling van het Urgenda-vonnis middelen beschikbaar gesteld voor reductie van energieverbruik van midden- en kleinbedrijven.

Diverse Agentschappen

In 2021 zijn middelen beschikbaar voor het versnellen van de bestaande duurzaamheidsaanpak van het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) door onder andere stimulering van zonnepanelen op rijksgebouwen en het naar voren halen van investeringen voor EnergieRijk Den Haag.

RVO.nl (Energietransitie en duurzaamheid)

Deze middelen zijn bestemd voor het jaarprogramma 2021 dat RVO.nl in opdracht van het Ministerie van BZK uitvoert voornamelijk op het gebied van energietransitie in de gebouwde omgeving. Het programma behelst kennisverspreiding, beleidsonderbouwing en uitvoering van subsidieregelingen. Daarnaast betreft dit ook de bijdrage voor de RVO.nl voor diverse woningmarktregelingen. Deze uitgaven worden hier verantwoord vanwege gecentraliseerd opdrachtgeverschap.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

EGO

In het kader van de Integrale Kennis en Innovatieagenda van het Klimaatakkoord en van het topsectorenbeleid is de missie vastgesteld en geïnstrumenteerd om te komen tot een CO2 vrije gebouwde omgeving in 2050. Dit gebeurt via drie Meerjarig Missiegedreven Innovatieprogramma’s: Versnelling van Energierenovaties, Duurzame warmte en koude, en Energiesysteem in Evenwicht. Binnen de programma’s ondersteunt het Rijk R&D-investeringen van grootschalige samenwerkingsverbanden tussen marktpartijen en kennisinstellingen. Deze ondersteuning krijgt vorm via Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI regeling). Daarnaast wordt geïnvesteerd in kennisopbouw en uitwisseling rondom maatschappelijk vastgoed, via het kennis- en innovatieplatform maatschappelijk vastgoed.

Gemeentefonds (H50)

Dit betreft onder andere voortzetting van het PAW om te leren op welke manier de wijkgerichte aanpak kan worden ingericht en opgeschaald. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van grootschalige proeftuinen (100 wijken aanpak) en een bijbehorend Kennis- en Leerprogramma (KLP).

Daarnaast wordt invulling gegeven aan het Urgenda-vonnis. Daarmee kan versnelde reductie van CO2-uitstoot worden bereikt. Er worden middelen voor de financiering van de verduurzaming van VVE’s gefaciliteerd, en er wordt verduurzaming van maatschappelijk vastgoed en het aansluiten van koopwoningen op warmtenetten financieel gestimuleerd.

Handhaving energielabel C

In het Bouwbesluit is vastgelegd dat per 1 januari 2023 een kantoor energielabel C of beter moet hebben om nog als kantoor gebruikt te mogen worden. Het bevoegd gezag is de gemeente en die gaan hierop handhaven. In aanloop naar 2023 vindt er voorlichting plaats en gaan gemeenten kantooreigenaren aanschrijven en wijzen op de label C plicht.

4.2 Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

Subsidies (regelingen)

Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

In 2021 verstrekt het Ministerie van BZK enkele subsidies in het kader van het streven om de vraaggerichtheid in de bouwsector en de positie van de bouwconsument te versterken Verder worden enkele subsidies verstrekt om het belang van verduurzaming in VvE’s verder onder de aandacht te brengen in het kader van de Wet verbetering functioneren verenigingen van eigenaars (Stb. 2017, 241). Deze wet verplicht VvE’s ertoe om jaarlijks een minimumbedrag te reserveren voor onderhoud en herstel van het gebouw en heeft bij VvE’s de aandacht voor de combinatie van groot onderhoud en verduurzaming vergroot. Tot slot wordt een subsidie verstrekt ten behoeve van de Nederlandse Norm voor de herziening van NPR9998 Aardbevingen.

Opdrachten

Bouwregelgeving en bouwkwaliteit

Het Ministerie van BZK verstrekt ten behoeve van een goed functionerend stelsel van bouwregelgeving ook in 2021 opdrachten voor werkzaamheden van het Nederlands Normalisatie-instituut (NEN), de Helpdesk bouwregelgeving en de Adviescommissie toepassing en gelijkwaardigheid bouwvoorschriften. Vanuit de kerntaak «het wettelijk waarborgen van een maatschappelijk noodzakelijk minimum kwaliteitsniveau van bouwwerken» worden waar nodig wijzigingen in het Besluit bouwwerken leefomgeving aangebracht.

Ter uitvoering van de afspraken in het Regeerakkoord van het kabinet-Rutte III over circulaire bouweconomie wordt deze kabinetsperiode onderzocht hoe de bouwregelgeving effectief kan worden ingezet om de afspraken te realiseren en wordt dit op onderdelen al geïmplementeerd. Ook wordt ondersteunend beleid ingezet voor kennisontwikkeling en – verspreiding. Hiertoe verstrekt het Ministerie van BZK opdrachten aan onder meer de Stichting Bouwkwaliteit en Platform31. In het kader van het innovatieprogramma (voortvloeiend uit de klimaatenvelop) worden middelen vrijgemaakt voor het ontwikkelen van circulaire technieken bij de verduurzaming van de woning- en kantoorvoorraad.

Bijdrage aan agentschappen

ILT (Toezicht EU-Bouwregelgeving)

In 2021 voert de ILT toezicht en handhaving uit op de naleving van de Europese Verordening bouwproducten.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

Infrastructuur en Waterstaat (H12)

Dit betreft onder andere een bijdrage ten behoeve van het Omgevingsloket online, waarbij particulieren en bedrijven een omgevingsvergunning kunnen aanvragen en een vergunning check en melding kunnen doen.

Ontvangsten

Dit betreft ontvangsten uit afrekeningen van eerder verstrekte subsidies door RVO.nl en uit boetes wegens het niet nakomen van verplichtingen met betrekking tot het verstrekken van het energielabel bij verkoop en verhuur van gebouwen.

3.5 Artikel 5. Ruimtelijke ordening en omgevingswet

A. Algemene doelstelling

Een goede kwaliteit van de leefomgeving.

Het beleid is gericht op de realisatie van een veilige, gezonde en aantrekkelijke woon- en leefomgeving en een efficiënt gebruik van onze ruimte, nu en in de toekomst. Daarnaast werkt het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) aan een stelsel van omgevingsrecht, waarmee overheden, burgers en bedrijven gezamenlijk kunnen werken aan een goede omgevingskwaliteit.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Regisseren

De Minister van BZK is samen met de sectorale vakministers verantwoordelijk voor het beleid voor de leefomgeving:

  • de minister is systeemverantwoordelijk voor de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), waaronder kennisontwikkeling voor de uitvoering en de evaluatie en monitoring van de NOVI;

  • de minister is stelselverantwoordelijk voor de Wet op de Ruimtelijke ordening (Wro) en na de inwerkingtreding voor de Omgevingswet;

  • het zorgdragen voor een gestructureerde afstemming met de medeoverheden in het bestuurlijk overleg Wonen, Ruimte en Omgevingswet en met de regio in de vorm van het Bestuurlijk Overleg Leefomgeving.

  • het – via de omgevingsagenda’s – in kaart brengen van de inhoudelijke samenhang tussen de verschillende onderdelen van het ruimtelijk-fysieke domein (o.a. woningbouw, bereikbaarheid, economie, energie, natuur en waterveiligheid);

  • het ontwikkelen van nationale ruimtelijke visies, zoals een ruimtelijke vertaling voor duurzame energieopwekking, -opslag en transport in 2050 en een visie op verstedelijking en het landelijk gebied;

  • de inbreng van ontwerp in ruimtelijke projecten en programma’s bij het Ministerie van BZK en het stimuleren van ontwerp bij projecten en programma’s, zowel interdepartementaal als bij andere overheden.

De Minister van BZK heeft een regisserende rol ten aanzien van de geo-informatie in Nederland en heeft in dat kader een systeemverantwoordelijkheid voor de Nationale Geo-informatie-Infrastructuur. De Minister van BZK geeft aan deze verantwoordelijkheid invulling door:

  • het opstellen, onderhouden en coördineren van nationale en Europese kaders en wet- en regelgeving ten aanzien van interbestuurlijke geoinformatie en de bijbehorende informatievoorziening;

  • het vertalen en implementeren van relevante Europese beleidskaders op het terrein van de geo-informatie;

  • Het stimuleren van de samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven en wetenschap in het kader van de toekomstvisie GeoSamen;

  • het initieel ontwikkelen van de Basisregistratie Ondergrond (BRO);

  • het zorgen voor een toekomst vaste exploitatie van de geo-basisregistraties en basisvoorzieningen en de verdere doorontwikkeling van deze geo-informatie-infrastructuur in het kader van de ontwikkelvisie Doorontwikkeling in Samenhang (DiS-Geo).

De Minister van BZK heeft een ontwikkelende, een faciliterende en een regisserende rol in het kader van de stelselherziening omgevingsrecht. Deze omvat:

  • het ontwikkelen van het stelsel van Omgevingswet, samen met bestuurlijke partners, collega bewindspersonen, uitvoeringsorganisaties, bedrijfsleven en andere belanghebbenden;

  • faciliteren van experimenten vooruitlopend op de Omgevingswet via de Crisis- en Herstelwet;

  • de implementatie van het nieuwe stelsel via het implementatieprogramma Aan de slag met de Omgevingswet met een interbestuurlijk opdrachtgeverschap van Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Interprovinciaal Overleg (IPO) en Unie van Waterschappen (UvW); het ondersteunen van burgers, bedrijven en overheden bij de stelselherziening door het vergroten van kennis over de nieuwe wet- en regelgeving;

  • het implementeren, uitbouwen en in beheer nemen van een landelijke voorziening in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO-LV) die de uitvoeringsprocessen van de Omgevingswet ondersteunt.

C. Beleidswijzigingen

Het uitstel van de inwerkingtredingsdatum (Kamerstukken II 2019/20, 33118, nr. 139) van de Omgevingswet tot 1 januari 2022 (Kamerstukken II 2019/2020, 33118, nr. 145) en de ontwikkelingen rondom corona hebben tot gevolg dat de activiteiten die de uitvoering en invoering van de Omgevingswet ondersteunen, zoals de wet- en regelgeving, afbouw en doorontwikkeling, beheer en uitbouw van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) en invoeringsondersteuning in 2021 doorlopen.

Nationale Omgevingsvisie

De NOVI wordt naar verwachting definitief vastgesteld eind 2020 of begin 2021 en geeft het integrale beleid voor de leefomgeving voor 2030 en verder. De NOVI wordt hiermee ook kaderstellend voor de ruimtelijke ordening. Bij vaststelling vervangt de NOVI op nationaal niveau de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR) en de strategische ruimtelijke delen van het verkeers- en vervoerplan, het nationale waterplan, de natuurvisie en het milieubeleidsplan. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de NOVI als nationale visie onder de Omgevingswet.

Aan de Nationale Omgevingsvisie is een uitvoeringsagenda gekoppeld. Hieraan zal uitvoering worden gegeven na vaststelling van de Nationale Omgevingsvisie. Deze wordt geïmplementeerd door het verbinden van bestaande programma’s en initiëren van enkele nieuwe programma’s. Met medeoverheden worden samenwerkingsafspraken gemaakt en uitgewerkt. Voor de gebiedsgerichte uitwerking en uitvoering worden door Rijk en regio landsdelige omgevingsagenda’s ontwikkeld.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 16 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 5. Ruimtelijke ordening en omgevingswet (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

113.294

108.525

98.757

80.534

78.295

75.752

75.144

        

Uitgaven

123.230

110.756

98.757

80.534

78.295

75.752

75.144

waarvan juridisch verplicht

  

86%

    
        

5.1 Ruimtelijke ordening

58.422

62.743

59.973

48.787

50.042

47.499

46.891

Subsidies (regelingen)

3.156

2.432

2.630

2.480

2.480

2.480

980

Programma Ruimtelijk Ontwerp

1.615

1.233

1.500

1.500

1.500

1.500

0

Basisregistraties

830

880

830

680

680

680

680

Ruimtelijk instrumentarium (diversen)

666

280

300

300

300

300

300

Basisregistraties Ondergrond (BRO)

45

39

0

0

0

0

0

Opdrachten

4.415

7.944

9.813

4.832

4.394

4.536

6.036

Programma Ruimtelijk Ontwerp

1.300

2.246

1.378

1.329

1.461

1.461

2.961

Basisregistratie Ondergrond (BRO)

845

2.338

57

552

0

0

0

Gebiedsontwikkeling

538

1.016

6.121

934

908

1.050

1.050

Geo-informatie

97

34

0

0

0

0

0

Ruimtegebruik bodem (diversen)

77

270

270

265

265

265

265

Ruimtelijk instrumentarium (diversen)

598

1.755

1.702

1.472

1.480

1.480

1.480

Windenergie op zee

0

285

285

280

280

280

280

Nationale Omgevingsvisie

960

0

0

0

0

0

0

Bijdrage aan ZBO's / RWT's

37.179

33.414

35.001

29.168

28.621

28.450

28.550

Kadaster (Basisregistraties)

28.748

25.371

26.205

26.332

26.332

26.186

26.286

Geo-informatie

3.626

4.963

2.136

2.272

2.289

2.264

2.264

Basisregistratie Ondergrond (BRO)

0

0

6.229

493

0

0

0

Diverse bijdragen

4.805

3.080

431

71

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

2.871

9.390

3.110

3.437

5.780

3.310

2.602

Gemeenten

2.550

2.550

0

0

0

0

0

Diverse projecten ruimtelijke kwaliteit

0

6.750

3.110

3.437

5.780

3.310

2.602

Diverse bijdragen

110

90

0

0

0

0

0

Gebiedsontwikkeling

109

0

0

0

0

0

0

Nationale omgevingsvisie

102

0

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

10.801

9.557

9.419

8.870

8.767

8.723

8.723

RVB

3.964

2.496

2.484

2.442

2.413

2.413

2.413

RIVM

100

182

140

126

126

126

126

RWS (Leefomgeving)

6.437

6.429

6.345

6.302

6.228

6.184

6.184

Basisregistratie Ondergrond (BRO)

300

450

450

0

0

0

0

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

0

6

0

0

0

0

0

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (H14)

0

6

0

0

0

0

0

        

5.2 Omgevingswet

64.808

48.013

38.784

31.747

28.253

28.253

28.253

Subsidies (regelingen)

2.367

0

0

0

0

0

0

Eenvoudig Beter

2.367

0

0

0

0

0

0

Opdrachten

2.054

4.485

13.303

11.571

8.505

8.505

8.505

Eenvoudig Beter

535

742

540

1.231

1.231

1.231

1.231

Aan de Slag

1.519

3.743

12.763

10.340

7.274

7.274

7.274

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

29.104

24.141

21.642

18.968

18.540

18.540

18.540

Kadaster

22.381

20.453

21.642

18.968

18.540

18.540

18.540

Geonovum

5.193

1.687

0

0

0

0

0

ICTU

521

813

0

0

0

0

0

Aan de Slag

1.009

788

0

0

0

0

0

Diverse bijdragen

0

400

0

0

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

1.045

461

274

0

0

0

0

Aan de Slag

958

306

274

0

0

0

0

Eenvoudig Beter

87

155

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

30.238

18.926

3.565

1.208

1.208

1.208

1.208

RIVM

201

0

0

0

0

0

0

RWS (Eenvoudig beter)

1.910

2.900

600

600

600

600

600

Aan de Slag

28.127

15.241

2.965

608

608

608

608

Diverse Agentschappen

0

785

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

16.740

8.279

3.824

3.824

3.824

3.824

3.824

Budgetflexibiliteit

Van het totale uitgavenbudget op artikel 5 is 86% juridisch verplicht en dit kent de volgende onderverdeling:

Subsidies (regelingen)

Het subsidiebudget is voor 100% juridisch verplicht. De subsidies worden onder meer verstrekt op basis van het samenhangend stimuleringsprogramma voor de inzet van ruimtelijk ontwerp bij urgente leefomgevingsvraagstukken en voor initiatieven, die een bijdrage leveren aan een goede kwaliteit van de leefomgeving. Daarnaast wordt subsidie verstrekt aan Geonovum en aan het Samenwerkingsverband bronhouders voor de basisregistratie grootschalige topografie.

Opdrachten

Het opdrachtenbudget is voor 67% juridisch verplicht. Het betreft onder meer bijdragen aan het Kadaster, Geonovum en Rijkswaterstaat (RWS) ten behoeve van de ontwikkeling en uitbouw van de Digitale Stelsel Omgevingswet. Bij de eerste suppletoire begroting 2021 worden de middelen naar het juiste instrument en regelingen gerealloceerd. Daarnaast worden er in 2021 diverse opdrachten verstrekt op het gebied van het programma ruimtelijk ontwerp, de Basisregistratie Ondergrond (BRO) en gebiedsontwikkeling.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Het budget voor bijdrage aan ZBO’s/RWT’s is voor 89% juridisch verplicht. Het betreft een bijdrage aan het Kadaster voor beheer en ontwikkeling van de landelijke voorzieningen van basisregistraties, beheer en ontwikkeling van de gezamenlijke verstrekkingsvoorziening voor geo-informatie (Publieke Dienstverlening op de Kaart (PDOK)), het Nationaal GeoRegister (NGR) en ten behoeve van de ontwikkeling, beheer en uitbouw van de Digitale Stelsel Omgevingswet.

Bijdrage aan medeoverheden

Het budget voor bijdrage aan medeoverheden is voor 100% juridisch verplicht. Het betreft onder meer bijdragen aan projecten ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor bijdrage aan agentschappen is voor 99% juridisch verplicht. Het betreft bijdragen aan RWS ten behoeve van de Ruimtelijke Inpassingsplannen en de ontwikkeling van het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO). Daarnaast betreft het een bijdrage aan het RVB voor het slimmer gebruik maken van Rijksvastgoed in het licht van maatschappelijke opgaven, zoals op het gebied van de energietransitie.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

5.1 Ruimtelijke ordening

Subsidies (regelingen)

Programma Ruimtelijk Ontwerp

Een samenhangend stimuleringsprogramma voor de inzet van ruimtelijk ontwerp bij urgente leefomgevingsvraagstukken vormt de kern van de Actieagenda Ruimtelijk Ontwerp 2021-2024. Het stimuleringsprogramma stelt multidisciplinaire teams in staat om ontwerpend onderzoek te betrekken bij concrete transitie- en transformatieopgaven.

Het Ministerie van BZK zal samen met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) medio 2020 een beleidskader opstellen voor de periode 2021-2024 en een uitvoeringsorganisatie opdracht geven een programmaplan op te stellen.

Basisregistraties

Aan de stichting Geonovum wordt een subsidie verleend voor het basisprogramma. In het kader van dit basisprogramma wordt onderzoek uitgevoerd gericht op de ontwikkeling van de basisregistraties en de geo-informatie-infrastructuur.

Ruimtelijk instrumentartium (diversen)

Dit budget is bedoeld voor initiatieven, die een bijdrage leveren aan een goede kwaliteit van de leefomgeving.

Opdrachten

Programma Ruimtelijk Ontwerp

De Actieagenda Ruimtelijk Ontwerp 2021-2024 is gericht op de inzet van ruimtelijk ontwerp bij urgente en complexe maatschappelijke opgaven. De actieagenda zal bestaan uit een aantal onderdelen:

  • een stimuleringsprogramma voor lokale en (boven) regionale initiatieven;

  • het College van Rijksadviseurs (CRa); ten behoeve van advies aan het Rijk in zake omgevingskwaliteit en de inzet van ontwerp bij nationale programma’s en rijksprojecten;

  • een interdepartementaal coördinatieplatform; ten behoeve van de aansturing van het stimuleringsprogramma, de interdepartementale afstemming met het CRa en het borgen van de kwaliteit van ontwerpend onderzoek en implementatie van onderzoeksresultaten en adviezen in het beleid;

  • het O-team; ten behoeve van advies gericht op een effectieve inzet en aansturing van ruimtelijk ontwerp bij gebiedsontwikkeling door lokale of regionale opdrachtgevers. 

Basisregistratie ondergrond (BRO)

Dit betreft middelen die gebruikt worden voor het uitbesteden van beleidsadviezen en onderzoeksopdrachten op het terrein van de Basisregistraties Ondergrond (BRO).

Gebiedsontwikkeling

In het kader van gebiedsontwikkeling worden beleidsinhoudelijke onderzoeksopdrachten en evaluaties aan derden uitbesteed op het gebied van effecten van keuzes voor de leefomgeving bij de uitvoering van het Klimaatakkoord en de RES.

Daarnaast worden er voor zeven stedelijke regio’s verstedelijkingsstrategieën opgesteld. Besluitvorming hierover vindt plaats in het Bestuurlijk Overleg (BO) Leefomgeving en het BO Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). Financiële middelen worden ingezet voor de opstelling van regionale verstedelijkingsstrategieën voor Metropool Regio Amsterdam, de regio Utrecht en de Zuidelijke Randstad, Groningen-Assen, Zwolle, Arnhem-Nijmegen-Foodvalley, Brabantstad en t.b.v. bijdragen aan de gebiedsgerichte bereikbaarheidsprogramma’s in een aantal van deze gebieden.

Voor heel Nederland, verdeeld over vijf landsdelen, worden omgevingsagenda’s opgesteld, die gebiedsgerichte uitvoeringsinstrumenten zijn van de NOVI. Het Ministerie van BZK is systeemverantwoordelijk voor de uitwerking van het rijksbeleid voor de fysiek leefomgeving en werkt vanuit inhoudelijke opgaven samen met de Ministeries van EZK, het Ministerie van IenW, hetMinisterie van OCW en het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). 

Het kabinet neemt maatregelen om op korte en lange termijn voldoende woningen te realiseren en de schokbestendigheid van huishoudens te vergroten. Voor de uitwerking van gebiedsontwikkelingen wordt een ontwikkelbudget van € 5 mln. ingezet, zodat hierover in de Bestuurlijke Overleggen in het komende najaar en voorjaar kan worden besloten.

Ruimtegebruik bodem (diversen)

De uitvoering van de Structuurvisie Buisleidingen (SVB) ziet op het reserveren van ruimte ten behoeve van vervoer van gevaarlijke stoffen. In de structuurvisie faciliteren we de aanleg van buisleidingen met het vrijhouden van ruimte. Een deel van de tracés is vastgelegd in de Structuurvisie Buisleidingen, de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

In de structuurvisie zijn indicatieve tracés opgenomen. Op basis van de brief van de Minister van BZK mede namens de Minister van EZK van 15 juli 2019 (Kamerstukken II 2018/19, 33473, nr. 9), zal geen uitvoering worden gegeven aan de status die het indicatieve tracé Laarbeek-Echt/ Susteren heeft in de Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035. Dit indicatieve tracé is materieel geen onderdeel meer van deze structuurvisie.

Ruimtelijk instrumentarium (diversen)

Naar verwachting zal in 2020 de NOVI worden vastgesteld. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de NOVI onder meer de SVIR vervangen. De financiële middelen voor het Ruimtelijk instrumentarium worden in 2021 daarom met name ingezet voor o.a.;

  • de uitvoering van de NOVI (NOVI-gebieden) en de NOVI-cyclus (een NOVI-conferentie, de monitor van de NOVI en de inrichting van de beleidsevaluatie van de NOVI);

  • de verdere ontwikkeling van een Monitor landschap en het opstellen van een Nationaal ruimtelijke strategie Landelijk Gebied;

  • de stikstofproblematiek en;

  • het beheer en onderhoud van het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening (Wro);

Windenergie op zee

Het Ministerie van BZK werkt samen met de Ministeries van EZK, IenW en LNV aan de Routekaarten 2023 en 2030 voor windenergie op de Noordzee. Daarbij wordt ingezet op meervoudig- en multifunctioneel ruimtegebruik met alle gebruikers van de Noordzee. Ook werkt het Ministerie van BZK mee aan het "Programma Noordzee» voor een optimale ruimtelijke ordening van de Noordzee voor de toekomst.

Bijdrage aan ZBO's / RWT's

Kadaster (Basisregistraties)

Dit betreft een structurele bijdrage aan het Kadaster. De bijdrage is bestemd voor beheer en ontwikkeling van de landelijke voorzieningen van basisregistraties en in enkele gevallen ook voor het actueel houden van de inhoud. Tevens gaat het om beheer en ontwikkeling van de gezamenlijke verstrekkingsvoorziening voor geo-informatie «Publieke Dienstverlening op de Kaart» (PDOK), het Nationaal Geo-Register (NGR) in relatie tot de Europese richtlijn INSPIRE en de beheerkosten van het landelijke online portaal voor ruimtelijke plannen.

Geo-informatie

In het kader van ontwikkeling van de geo-basisregistraties en andere standaardisatie in het geo-domein worden bijdragen verstrekt aan onder andere Geonovum en ICTU. Deze betreffen beheer en ontwikkeling van standaarden, begeleiding van de Europese richtlijn Inspire en de ontwikkeling van een visie op doorontwikkeling van de Geo-basisregistraties.

Basisregistratie Ondergrond (BRO)

Het programma BRO loopt van 2018-2022 en heeft als doel de Basisregistratie Ondergrond te ontwikkelen. Dit gebeurt stap voor stap, elke dag wordt de basisregistratie verder gevuld met data en modellen. Zo zullen in 2022 ca. 24 verschillende data-objecten, variërend van grondwatermetingen tot modellen van de ondergrond beschikbaar zijn.

Om dit doel te bereiken werkt het Ministerie van BZK samen met partners: TNO, Geonovum, ICTU en Kadaster zijn verantwoordelijk voor de realisatie. Deze partners zorgen ervoor dat de data gestandaardiseerd, gevalideerd en gevisualiseerd worden en op twee centrale plekken als open data beschikbaar worden gesteld aan resp. het publiek en aan professionals. ICTU heeft daarbij de opdracht om de implementatie te ondersteunen.

Diverse bijdragen

Het gaat hier om een bijdrage aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) voor het bestand Bodemgebruik.

Bijdrage aan medeoverheden

Diverse projecten Ruimtelijke Kwaliteit

Projecten BIRK

Het Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK) is ingezet ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit in stedelijke centra of stedelijke gebieden. De projecten Breda Stationskwartier, Delft, Dordrecht, Integrale Ontwikkeling Delft-Schiedam (IODS) en Venlo zijn volop in uitvoering.

Projecten Bestaand Rotterdams Gebied (BRG)

De financiële middelen voor BRG zijn een jaarlijkse bijdrage vanuit het Rijk als onderdeel van het Project Mainport Rotterdam, om de doelstellingen van het deelproject BRG te kunnen bereiken. BRG bestaat uit een aantal deelprogramma's en projecten dat tot doel heeft de ruimte in de haven beter te benutten en de leefbaarheid van de regio Rijnmond te vergroten.

Projectnota Ruimte

Het budget is een extra impuls voor de versterking van de economische concurrentiepositie, krachtige steden en platteland, borging belangrijke ruimtelijke waarden en borging van veiligheid. De projecten Nijmegen en Rotterdam zijn volop in uitvoering. De slotbetaling aan het laatste project is voorzien in het jaar 2020. De verwachte einddatum van het laatste project is 2026.

Bijdrage aan agentschappen

RVB

Het Rijksvastgoedbedrijf ontvangt een bijdrage voor het slimmer gebruik maken van Rijksvastgoed in het licht van maatschappelijke opgaven, zoals op het gebied van de energietransitie.

RIVM

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid (RIVM) ontvangt een bijdrage voor het onderhouden en waar nodig verder uitbouwen van het Expertisenetwerk Windenergie en bundelen van kennis op dit terrein en tevens voor het informeren en adviseren op het gebied van magneetvelden onstaan door het transport van elektriciteit door hoogspanningslijnen.

RWS (Leefomgeving) 

Rijkswaterstaat (RWS) ontvangt een bijdrage voor diverse beleidsondersteunende en adviserende activiteiten in het domein van de fysieke leefomgeving, waaronder beheer en exploitatie van het Omgevingsloket-online (OLO).

Basisregistraties Ondergrond (BRO)

RWS ontvangt een bijdrage voor de beleidsondersteunende en adviserende activiteiten in het kader van de Basisregistraties ondergrond.

5.2 Omgevingswet

Opdrachten

Eenvoudig Beter

In 2021 wordt verder gewerkt aan de uitvoering van de Omgevingswet. Voor expertise, onderzoek en evaluatie wordt er budget ingezet in diverse opdrachten.

Aan de Slag

Om de implementatiedoelstelling «iedereen kan werken met en naar de bedoeling van de Omgevingswet» te bereiken worden middelen gebruikt om bevoegd gezagen te ondersteunen bij de invoering en implementatie van de Omgevingswet. Er worden bijeenkomsten, workshops en webinars georganiseerd, handleidingen en voorlichtingsmateriaal gecreëerd en er worden praktijkvoorbeelden gepubliceerd. Dit alles helpt bevoegd gezagen bij het aansluiten van de eigen systemen op het DSO en geeft hen de gelegenheid in de praktijk te oefenen met de Omgevingswet en het DSO.

Bijdrage aan ZBO's / RWT's

Kadaster

Dit betreft een bijdrage aan het Kadaster voor het beheer en uitbouw van het DSO. Voor burgers en bedrijven is het DSO het nieuwe Omgevingsloket dat digitale informatie over de fysieke leefomgeving op een plek ontsluit, inzicht geeft in wat mag op een bepaalde locatie en het proces van vergunningverlening ondersteunt.

Bijdrage aan medeoverheden

Aan de slag

De combinatie van een stevige implementatieopgave en de maatregelen rond het coronavirus heeft grote impact op alle partijen die werken aan de Omgevingswet. Dit vraagt extra tijd en daarover is de Kamer begin april geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 33118, nr. 139). Het Rijk en de koepels van gemeenten, provincies en waterschappen hebben overeenstemming bereikt over een uitstelperiode van één jaar (Kamerstukken II 2019/20, 33118, nr. 145), wat inhoudt dat de nieuwe ingangsdatum 1 januari 2022 wordt. In 2021 is daarom een bedrag van circa € 0,3 mln. beschikbaar voor implementatie van de Omgevingswet.

Bijdrage aan agentschappen

RWS (Eenvoudig Beter)

Ter ondersteuning van het vormgeven van Omgevingswet, wordt er inhoudelijke expertise op het gebied van de fysieke leefomgeving betrokken vanuit RWS.

Aan de Slag

RWS ontvangt een bijdrage voor de uitbouw van het DSO. Voor burgers en bedrijven is het DSO het nieuwe Omgevingsloket dat digitale informatie over de fysieke leefomgeving op een plek ontsluit, inzicht geeft in wat mag op een bepaalde locatie en het proces van vergunningverlening ondersteunt. RWS beheert het Informatiepunt, dat praktische informatie en inhoudelijke uitleg over de Omgevingswet, regelgeving en kerninstrumenten biedt. Het Informatiepunt ontsluit deze kennis via de website en de helpdesk.

Ontvangsten

Dit betreft de bijdrage van de UvW aan het Kadaster voor de basisregistraties.

3.6 Artikel 6. Overheidsdienstverlening en informatiesamenleving

A. Algemene doelstelling

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) zorgt voor:

  • een veilige, gebruiksvriendelijke en inclusieve (digitale) overheidsdienstverlening;

  • een veilig en betrouwbaar identiteitsstelsel waarbij veilig en efficiënt gebruik wordt gemaakt van (persoons)gegevens;

  • bijdragen aan het vertrouwen in de overheid door het verbeteren van de informatiepositie van burgers en bedrijven;

  • zorgdragen voor toegankelijke en transparante overheidsinformatie;

  • het bewaken van rechten en publieke waarden, zoals privacybescherming en zelfbeschikking, in de informatiesamenleving en daarmee bijdragen aan de bewaking van de kernwaarden van de democratie.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van BZK is verantwoordelijk voor het bevorderen van een adequate digitale overheidsdienstverlening, waarbij het belangrijkste doel is dat de dienstverlening toegankelijk is voor iedereen.

In de portefeuilleverdeling zijn onderstaande rollen en verantwoordelijkheden belegd bij de Staatssecretaris van BZK.

Stimuleren

  • De Minister van BZK stimuleert het gebruik van nieuwe digitale technologieën voor het oplossen van maatschappelijke vraagstukken, waarbij de markt ook nadrukkelijk uitgedaagd wordt om mee te denken over antwoorden op maatschappelijke vragen.

Regisseren

  • De Minister van BZK zorgt voor maatregelen die burgers rechten geven en beschermen tegen ongewenste aspecten van digitalisering. De Minister van BZK pakt de rol om voortdurend de beleidsagenda op het terrein van de informatiesamenleving en overheid te herijken aan de eisen van de tijd.

  • De Minister van BZK is stelselverantwoordelijk voor de inrichting en governance van de digitale overheid, waaronder de digitale basisinfrastructuur die deze mogelijk maakt.

  • De Minister van BZK heeft een kaderstellende rol op het gebied van de digitale overheid. Kaderstellen gebeurt in de vorm van wetgeving, standaarden, architectuurkaders en richtlijnen rekening houdend met Europese ontwikkelingen en verplichtingen.

  • De Minister van BZK heeft een coördinerende rol met betrekking tot alle officiële publicaties van de overheid.

Uitvoeren

  • De Minister van BZK is verantwoordelijk voor de inrichting, beschikbaarstelling, instandhouding, werking, beveiliging en betrouwbaarheid van generieke voorzieningen voor elektronisch berichtenverkeer en informatieverschaffing, alsmede voor de voorzieningen voor het inloggen bij overheidsdienstverleners(authenticatie) en registratie van machtigingen in het burgerservicenummer (BSN)-domein.

  • De Minister van BZK is verantwoordelijk voor het beleid rondom het vaststellen van de identiteit alsmede de verstrekking van reisdocumenten op basis daarvan. Ook is de Minister van BZK verantwoordelijk voor de vastlegging van persoons- en adresgegevens in de Basisregistratie Personen (BRP). In dat kader houdt de Minister van BZK toezicht op de uitvoering van de Paspoortwet, monitort de uitvoering van de Wet BRP en ondersteunt de gemeenten die primair verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze wetten. De Minister van BZK faciliteert hiermee het juiste gebruik van persoons- en adresgegevens door andere overheidsinstanties. Het tegengaan van fraude met, en het corrigeren van fouten van, persoons- en adresgegevens en reisdocumenten vormt hiervan een integraal onderdeel.

C. Beleidswijzigingen

Programma vermindering regeldruk burgers (Merkbaar verschil)

Het programma vermindering regeldruk burgers (artikel 1.2) is op verzoek van de Staatssecretaris van BZK op 1 augustus 2019 gevoegd bij het programma Digitale Inclusie. De opgaven van beide programma’s liggen in elkaars verlengde. Met het verbinden van beide programma’s neemt de effectiviteit op de opgaven toe. Dit is versterkt doordat de overdracht gepaard is gegaan met een extra impuls aan zijn inzet op het verbeteren van de overheidsdienstverlening opdat iedereen kan meedoen in onze samenleving.

NL DIGIbeter, agenda digitale overheid

Met een ambitieuze, brede agenda pakken we overheidsbreed kansen en uitdagingen op die de informatiesamenleving biedt. Deze agenda digitale overheid, genaamd NL DIGIbeter wordt ieder jaar herijkt en is onderdeel van de bredere Nederlandse digitaliseringsstrategie van het kabinet.

Om maatschappelijke vraagstukken beter op te pakken en digitale dienstverlening goed te organiseren is een digitale transformatie nodig. Daarbij werken we als één overheid samen; duidelijk voor mensen. We sluiten aan bij de eisen van de tijd en investeren in innovaties met oog voor mensen. We borgen publieke waarden in de digitale samenleving en streven naar inclusieve, veilige (digitale) overheidsdienstverlening. NL DIGIbeter helpt ons bij het realiseren van deze doelen.

We voeren nationale en internationale dialogen over nieuwe technologie en de impact op mensenrechten en smeden we coalities met medeoverheden, uitvoeringsorganisaties, bedrijven, kennisinstellingen en klankbordgroepen met inwoners en bedrijven. Omdat digitalisering zich niet aan landsgrenzen houdt, werken we nauw samen met andere Europese landen en organisaties.

Stelsel van basisregistraties 

Burgers en ondernemers kunnen in 2021 onjuiste gegevens in basisregistraties melden bij een centraal meldpunt. Dat begeleidt en ondersteunt hen bij het (laten) corrigeren van deze gegevens.

We werken aan het beschikbaar stellen van relevante gegevens uit onder andere de BRP aan burgers, zodat zij deze onder eigen regie kunnen delen met organisaties. Dit leggen we in wetten en regels vast.

De BRP wordt op basis van een meerjarige ontwikkelagenda verbeterd. In 2021 werken we onder andere aan verbetering van het zicht op verblijf van arbeidsmigranten en aan keuzemogelijkheid voor een genderneutrale aanschrijving door de overheid.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 17 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 6. Overheidsdienstverlening en informatiesamenleving (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

159.454

185.603

170.330

171.446

113.185

107.636

109.667

        

Uitgaven

170.827

185.603

170.330

171.446

113.185

107.636

109.667

waarvan juridisch verplicht

  

84%

    
        

6.2 Overheidsdienstverlening, informatiebeleid en informatiesamenleving

76.764

79.646

77.798

77.022

77.828

76.015

78.035

Subsidies (regelingen)

2.976

2.999

2.149

1.939

1.917

1.917

1.917

Overheidsdienstverlening

2.976

2.999

2.149

1.939

1.917

1.917

1.917

Opdrachten

4.120

15.236

20.860

23.148

24.071

23.758

25.778

Informatiebeleid

1.961

4.173

7.937

8.054

8.187

8.187

8.187

Overheidsdienstverlening

1.383

9.192

10.707

11.581

12.276

11.963

13.983

Digitale dienstverlening

72

0

0

0

0

0

0

Informatiesamenleving

704

1.871

2.216

3.513

3.608

3.608

3.608

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

17.678

18.559

14.482

12.673

12.673

12.603

12.603

CBS

575

920

35

35

35

35

35

RDW

966

2.519

0

0

0

0

0

KvK

6.167

5.083

5.279

5.279

5.279

6.779

6.779

ICTU

8.964

8.320

8.268

7.159

7.159

5.659

5.659

Kadaster

120

0

0

0

0

0

0

Diverse bijdragen

886

1.717

900

200

200

130

130

Bijdrage aan medeoverheden

579

370

650

650

650

720

720

Waterschappen

579

0

0

0

0

0

0

Gemeenten

0

370

650

650

650

720

720

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

150

754

180

180

85

85

85

Digitale dienstverlening

150

754

180

180

85

85

85

Bijdrage aan agentschappen

50.930

41.548

39.427

38.382

38.382

36.882

36.882

RVO.nl

6.647

7.565

6.527

6.212

6.212

6.212

6.212

Diverse bijdragen

111

1.311

0

0

0

0

0

UBR

11.075

11.299

9.743

9.243

9.243

9.243

9.243

Agentschap Telecom

1.679

1.510

1.600

1.600

1.600

1.600

1.600

Logius

26.056

19.019

21.407

21.177

21.177

19.677

19.677

RvIG

5.362

844

150

150

150

150

150

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

331

180

50

50

50

50

50

Buitenlandse Zaken (H5)

35

50

50

50

50

50

50

Diverse bijdragen

296

130

0

0

0

0

0

        

6.5 Identiteitsstelsel

46.184

39.869

35.432

35.045

35.357

31.621

31.632

Opdrachten

818

3.222

5.476

4.993

5.268

1.532

1.543

Identiteitsstelsel

818

3.222

5.476

4.993

5.268

1.532

1.543

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

8.451

741

0

45

0

0

0

ICTU

8.451

541

0

0

0

0

0

Diverse bijdragen

0

200

0

45

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

313

220

0

51

133

133

133

Gemeenten

313

220

0

51

133

133

133

Bijdrage aan agentschappen

36.602

35.686

29.956

29.956

29.956

29.956

29.956

RvIG

36.602

35.686

29.956

29.956

29.956

29.956

29.956

        

6.6 Investeringspost digitale overheid

47.879

66.088

57.100

59.379

0

0

0

Subsidies (regelingen)

5.379

6.246

5.188

1.629

0

0

0

Doorontwikkeling en innovatie digitale overheid

5.379

6.246

5.188

1.629

0

0

0

Opdrachten

259

17.797

14.385

48.651

0

0

0

Doorontwikkeling en innovatie digitale overheid

259

17.797

14.385

48.651

0

0

0

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

4.627

5.785

5.211

850

0

0

0

KvK

175

662

166

0

0

0

0

ICTU

984

1.200

1.130

520

0

0

0

Diverse bijdragen

3.468

704

175

0

0

0

0

RDW

0

3.219

3.740

330

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

150

0

0

0

0

0

0

Waterschappen

150

0

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

35.564

35.802

32.316

8.249

0

0

0

RVO.nl

2.300

2.767

972

454

0

0

0

UBR

1.478

1.192

398

0

0

0

0

Diverse bijdragen

1.954

409

386

0

0

0

0

Logius

26.332

26.552

26.272

6.202

0

0

0

RvIG

3.500

3.099

2.504

510

0

0

0

DPC

0

1.783

1.784

1.083

0

0

0

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

1.900

458

0

0

0

0

0

Diverse bijdragen

1.900

458

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

18.419

1.271

959

448

423

423

423

Budgetflexibiliteit

Van het totale uitgavenbudget op artikel 6 is 84% juridisch verplicht en dit kent de volgende onderverdeling:

Subsidies (regelingen)

Het subsidiebudget is voor 99% juridisch verplicht. Dit zijn subsidies vanuit het programma Digitale Inclusie en voor innovatie vanuit de Investeringsagenda Digitale Overheid.

Opdrachten

Het opdrachtenbudget is voor 50% juridisch verplicht. Dit zijn opdrachten vanuit het programma Digitale Inclusie en voor innovatie vanuit de Investeringsagenda Digitale Overheid, voor het programma Stelsel van Basisregistraties, de Data Agenda Overheid en voor de Landelijke Aanpak Adreskwaliteit.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Het budget voor bijdrage aan ZBO’s/RWT’s is voor 93% juridisch verplicht. Het betreft onder andere een bijdrage aan de Kamer van Koophandel (KvK) en ICTU voor het beheren en doorontwikkelen van het Digitaal Ondernemersplein, de programma’s Regie op Gegevens en Gebruiker Centraal, de Data Agenda Overheid en het bureau nationaal coördinator Single Digital Gateway.

Bijdrage aan medeoverheden

Het budget voor bijdragen aan medeoverheden is voor 53% juridisch verplicht. Het betreft bijdragen aan gemeenten voor het verstrekken van DigiD’s aan niet-ingezetenen.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Het budget voor bijdrage aan (inter-)nationale organisaties is voor 100% juridisch verplicht. Dit zijn deelnemersbijdragen aan organisaties op het gebied van kunstmatige intelligentie, internationale gegevensuitwisseling en internationale overheidsdienstverlening.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor bijdrage aan agentschappen is voor 95% juridisch verplicht. Het betreft bijdragen aan onder andere Logius en RvIG voor het beheren en doorontwikkelen van diverse voorzieningen voor de Digitale Overheid en voor innovatie vanuit de Investeringsagenda Digitale Overheid, waaronder het eID-stelsel, het BRP-stelsel, het Digitaal Ondernemersplein en de Wettenbank.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Het budget voor bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken is voor 100% juridisch verplicht. Het betreft een bijdrage aan de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor het verstrekken van DigiD’s in het buitenland.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

6.2 Overheidsdienstverlening, informatiebeleid en informatiesamenleving

Subsidies (regelingen)

Overheidsdienstverlening

Ten behoeve van de bevordering van digitale inclusie wordt onder andere subsidie verleend aan lokale initiatieven. Hierbij wordt gekeken of bij succes landelijke opschaling mogelijk is. Dit is een voortzetting van het beleid dat in 2019 is gestart. Daarnaast worden middelen verstrekt aan de alliantie Digitaal Samenleven die zich inzet voor een inclusieve digitale samenleving. Bovendien worden incidentele (project)subsidies beschikbaar gesteld aan aangesloten publieke en private partners voor de uitvoering van gemeenschappelijke uitdagingen.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) ontvangt een subsidie voor het Kenniscentrum Dienstverlening, dat gemeenten ondersteunt bij de verbetering van dienstverlening aan inwoners en ondernemers.

Opdrachten

Informatiebeleid

De overheid (rijk en medeoverheden) gaat verder op de weg van NL DIGIbeter, de agenda digitale overheid met actielijnen op het gebied van innovatie, digitale inclusie, data, publieke waarden en overheidsdienstverlening. Alleen samen maken we Nederland DIGIbeter. De agenda draagt bij aan inclusieve, betrouwbare digitale overheidsdienstverlening en werkt aan de digitale overheid van de toekomst, waarbij de mens centraal staat en we agile kunnen werken.

Elektronische publicaties

Toegankelijke overheidsinformatie versterkt de informatiepositie van burgers en bedrijven en draagt bij aan de publieke verantwoording van de overheid. Het Ministerie van BZK is verantwoordelijk voor verschillende elektronische publicaties waaronder www.wetten.nl en de Staatscourant.

Informatieveiligheid

De overheid heeft de verantwoordelijkheid om de gegevens die haar zijn toevertrouwd te beschermen. Daarom is het van belang dat overheden zorgen dat hun systemen en processen veilig zijn en dat de onlinecommunicatie met burgers en ondernemers op een veilige manier verloopt.

De overheid gaat daarom verder op de in Agenda NL DIGIbeter ingeslagen weg met onder andere de verdere ondersteuning van de overheidsbrede implementatie van de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) door het interbestuurlijk ondersteuningsprogramma (Stcrt. 2019, nr. 26526).

Naast preventie en detectie is ook respons en herstel van belang. Daarom wordt een vervolg gegeven aan de overheidsbrede cyberoefeningen van 2019 en 2020 en wordt in kaart gebracht welke kaders en afspraken nodig zijn om beter voorbereid te kunnen zijn op digitale ontwrichting, zoals is beschreven in de Kabinetsreactie op het rapport inzake Digitale ontwrichting van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) (Kamerstukken II 2019/20, 26643, nr. 673).

Stelsel van basisregistraties

Er worden opdrachten verstrekt aan verschillende partijen voor onderzoek en monitoring van verbeterpunten in het stelsel van basisregistraties.

Overheidsdienstverlening

Voor de implementatie van eID is het Transitiebureau opgericht. Het bureau ondersteunt organisaties en burgers bij de invoering van de Wet Digitale Overheid. Het Transitiebureau organiseert daartoe bijeenkomsten met onder andere burgerpanels, softwareleveranciers en overheidsorganisaties en doet onderzoek naar klantbeleving.

Daarnaast werkt het Ministerie van BZK aan een brede onderzoeksagenda voor digitale inclusie, Op basis hiervan worden, met partners, onderzoeken en experimenten uitgezet in het kader van het bevorderen van digitale inclusie. In 2019 heeft er een nulmeting plaatsgevonden op digitale toegankelijkheid. Dit onderzoek krijgt gevolg, zodat de ontwikkeling van de digitale toegankelijkheid meerjarig inzichtelijk wordt.

Informatiesamenleving

Om publieke waarden en mensenrechten op een duurzame wijze in de informatiesamenleving te borgen, zet het Ministerie van BZK de komende jaren blijvend op dit thema in.

Voorlichting

Publieke waarden en mensenrechten kunnen alleen geborgd worden, wanneer burgers effecten van technologieën begrijpen en op kunnen komen voor hun belangen. Het versterken van bewustwording en begrip ten aanzien van de impact van nieuwe technologieën onder burgers blijft daarom van cruciaal belang. Ook in 2021 zal het Ministerie van BZK daarom inzetten op het stimuleren van de maatschappelijke dialoog over de effecten van nieuwe technologieën.

Het Ministerie van BZK zal in 2021 - in samenwerking met andere instanties - bijeenkomsten over het onderwerp stimuleren en indien nodig voorlichtingsmateriaal ontwikkelen. Van belang hierbij is dat alle groepen in de samenleving worden betrokken.

Ontwikkeling van instrumenten

Voor de borging van publieke waarden en mensenrechten in de informatie­samenleving is het daarnaast van belang dat bestaande juridische kaders worden vertaald naar concrete beleidsinstrumenten voor beleidsmede­werkers en systeemontwikkelaars, om publieke waarden in beleids- en systeemontwikkeling mee te nemen. Hoewel waarden en rechten in belangrijke juridische kaders zoals de Grondwet neergelegd zijn, zijn deze kaders veelal te abstract voor de dagelijkse beleidspraktijk. Het Ministerie van BZK zal daarom in 2021 inzetten op het ontwikkelen van instrumenten zoals codes, principes en handleidingen om belangrijke waarden en rechten in beleid en systemen in te bedden. Waar mogelijk zullen nieuwe instrumenten getest worden in experimenteer omgevingen om effectiviteit te bevorderen en te zorgen voor optimale aansluiting op de beleidspraktijk.

Onderzoek

Omdat de precieze impact van snel opkomende (toepassingen van) nieuwe technologieën vaak nog onduidelijk is (denk bijvoorbeeld aan gezichtsherkenningstechnologie), blijft onderzoek naar kansen en risico’s van opkomende technologieën en handelingsperspectieven van de overheid om kansen te benutten en risico’s te adresseren van wezenlijk belang.

Voor zover (wetenschappelijk) onderzoek niet in deze onderzoeksvragen voorziet, zal het Ministerie van BZK hier onderzoek naar laten uitvoeren. Voorbeelden van (snel) opkomende technologieën met impact op publieke waarden en mensenrechten zijn gedragsbeïnvloedende technologieën, human enhancement, Internet of Things (IoT), augmented and virtual reality (AR en VR), kunstmatige intelligentie (AI).

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

CBS

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) ontvangt een bijdrage voor onderzoeken met betrekking tot het Digitaal Ondernemersplein.

KvK

De Kamer van Koophandel (KvK) ontvangt een bijdrage voor het beheer en de exploitatie van het Digitaal Ondernemersplein. Op Ondernemersplein staat alle informatie van de (semi-)overheid die nodig is om te ondernemen.

ICTU

ICTU ontvangt een bijdrage voor de uitvoering van het Eenduidige Normatiek Single Information Audit (ENSIA) project.

Verder ontvangt ICTU ontvangt een bijdrage voor Gebruiker Centraal, een overheidsbrede kenniscommunity die bijdraagt aan een meer servicegerichte en gebruiksvriendelijke (digitale) overheid. Dat gebeurt door van elkaar te leren door ervaring en kennis uit te wisselen en de opgedane kennis te delen via instrumenten, waaronder ontwerpprincipes, een kennisbank over beeldtaal in brieven, de workshop-in-spelvorm Optimaal Digitaal en het NL Design System.

Vanuit het programma regeldruk wordt ingezet op het vergroten van de toegankelijkheid en begrijpelijkheid van de overheid en het creëren van oplossingen voor burgers die (digitaal) vastlopen.

ICTU blijft in 2021 het gebruik van de Nederlandse Overheid Referentie Architectuur (NORA) stimuleren, de doorwerking ervan naar sectoren afstemmen en propageren, de aansluiting met actueel beleid bewaken, met name op terrein van data, AI, als ook voor ontwikkelingen als bij Common Ground, eID, Stelsel van BR’s en Regie op Gegevens; daarmee de NORA daarmee actueel houden.

Verder ontvangt ICTU een bijdrage voor de Single Digital Gateway. De activiteiten omvatten onder andere het projectbureau en het implementatie traject.

ICTU ondersteunt het Ministerie van BZK en de verstrekkers en bronhouders van basisregistraties bij het onderzoeken en implementeren van verbeteringen in het stelsel van basisregistraties.

Ook ontvangt ICTU een bijdrage voor de programmatische invoering van regie op gegevens. ICTU draagt onder meer bij aan kennisuitwisseling tussen publieke en private partijen over het delen van persoonsgegevens en verdere verbetering van de gebruikersbeleving.

De communicatie over de Digitale Overheid wordt verzorgd door ICTU via de website www.digitaleoverheid.nl. Daarop worden mededelingen en onderzoeken over overheidsbrede digitalisering op een overzichtelijke wijze aangeboden en worden de gebruikers via nieuwsbrieven geattendeerd op nieuwe informatie.

Diverse bijdragen

Het Ministerie van BZK zet zich in voor de Nationale Data-agenda. Dat gebeurt onder andere via een bijdrage aan CBS voor het verder verbeteren van het aanbod van open data binnen het open datastelsel.

Daarnaast ontvangen de koepels van medeoverheden (VNG, IPO en Unie van Waterschappen) bijdragen ten behoeve van pilots in het kader van de implementatie van de Wet open overheid.

Bijdrage aan medeoverheden

Gemeenten

Het Ministerie van BZK geeft een bijdrage aan gemeenten die DigiD’s aan niet-ingezetenen verstrekken.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Digitale dienstverlening

De stichting Routerings Instituut (Inter)Nationale Informatiestromen (RINIS) ontvangt een bijdrage voor het beheer en de doorontwikkeling van het nationale knooppunt in het eDelivery-netwerk voor internationale gegevensuitwisseling tussen overheidspartijen. Daarnaast beheert RINIS ook eTranslation, een bouwblok voor geautomatiseerd vertalen. Verder ondersteunt RINIS ook bij de implementatie van de Single Digital Gateway (SDG) gerelateerde pilots.

Bijdrage aan agentschappen

RVO.nl

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) ontvangt een bijdrage voor het beheren en doorontwikkelen van enkele digitale overheidsvoorzieningen voor bedrijven, zoals Ondernemersplein en de berichtenbox voor bedrijven. RVO.nl maakt informatie over wet- en regelgeving van de overheid voor ondernemers beter toegankelijk en ontsluit deze vanuit het perspectief van de ondernemer via het digitaal ondernemersplein. De berichtenbox voor bedrijven zorgt voor beveiligd berichtenverkeer tussen bedrijven en overheden, zoals op grond van de Dienstenwet (DW) verplicht is in alle EU landen.

RVO.nl ontvangt een bijdrage voor eIDAS. eIDAS verzorgt de Nederlandse aansluiting op het Nederlandse eID stelsel. Nederlandse overheden kunnen zo EU burgers in laten loggen op hun dienstverlening met hun eigen nationale eID middel. Nederlanders kunnen in de nabije toekomst ook inloggen met hun DigiD of eHerkenningsmiddel.

UBR

Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR) ontvangt een bijdrage voor het beheer van de Wettenbank en Overheid.nl.

Agentschap Telecom

Agentschap Telecom ontvangt een bijdrage voor het uitvoeren van toezicht op het stelsel van elektronische toegangsdiensten (eTD) in het bedrijvendomein.

Logius

Logius ontvangt voor diverse programma’s een bijdrage van het Ministerie van BZK:

Toegang

Logius ontvangt een bijdrage voor de doorontwikkeling en voor het beheer en exploitatie van het eID-stelsel (BSNk, Routeringsvoorziening).

Logius ontvangt de bijdrage voor het (technische) beheer van het (afspraken)stelsel van elektronische toegangsdiensten (eTD), voor ondersteuning van overheidsuitvoerders bij het aansluiten op eHerkenning en communicatie naar ondernemers.

e-Factureren

Logius ontvangt een bijdrage voor de doorontwikkeling van e-facturen, voor het ontwikkelen van nieuwe procurement berichten en voor het faciliteren van een onafhankelijk publiekprivaat nationaal forum over e- facturatie en e-procurement.

MijnOverheid

Verder ontvangt Logius een bijdrage voor MijnOverheid. Met MijnOverheid wordt de informatiepositie van MijnOverheid verbeterd. Met de bijdrage worden werkzaamheden gefinancierd in het kader van de doorontwikkeling van Persoonlijke Gegevens. Dit zorgt ervoor dat de gebruikers van MijnOverheid in staat zullen zijn inzicht te krijgen in meer gegevensbronnen dan die reeds nu via MijnOverheid worden ontsloten, daarnaast kunnen gebruikers inzage krijgen in het (gebruik van) in de publieke sector geldige authenticatiemiddelen zoals DigiD, krijgen ze inzicht in bij welke van de in MijnOverheid getoond gegevens het recht op eenmalige verstrekking geldt. Er wordt daarnaast gewerkt aan verbeteringen rondom het (toe leiden naar het) corrigeren van eigen gegevens, het kunnen delen van gegevens met woningcorporaties en een proof-of-concept voor het tonen van verstrekkingsgegevens uit de BRP.

RvIG

De Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) ontvangt een bijdrage voor de beheervoorziening Burgerservicenummer (BV-BSN). De BV-BSN zorgt voor het toekennen van een uniek Burgerservicenummer bij inschrijving in de Basisregistratie Personen en het beheer van deze nummers om een efficiënte koppeling tussen burgers en instanties te maken. Deze voorziening wordt als onderdeel van de digitale basisinfrastructuur vanaf 2020 bijna geheel doorbelast aan de gebruikers.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

Buitenlandse Zaken (H5)

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken ontvangt een bijdrage voor de uitgifte van DigiD’s in het buitenland.

6.5 Identiteitsstelsel

Opdrachten

Identiteitsstelsel

Een veilig en betrouwbaar identiteitsstelsel is nodig voor de vaststelling van wie welke rechten en plichten heeft. De belangrijkste elementen van het huidige identiteitsstelsel zijn de BRP en het stelsel van paspoorten en identiteitskaarten. Het Ministerie van BZK werkt daarnaast aan de ontwikkeling van een digitale identiteit.

Bijdrage aan agentschappen

RvIG

De Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) ontvangt een bijdrage voor het beheer, onderhoud, vernieuwing en verbetering van de centrale voorzieningen voor de BRP en voor beheer en onderhoud van de Persoonsinformatievoorziening Nederlandse Antillen en Aruba Verstrekkingen (PIVA-V). De BRP bevat persoonsgegevens van ingezetenen (inwoners) van Nederland en niet-ingezetenen met een band met de Nederlandse overheid. Deze gegevens worden door circa 800 overheidsorganisaties en derden gebruikt ten behoeve van de uitvoering van hun wettelijke taken. In 2020 is gestart met het stapsgewijs verbeteren en vernieuwen van de BRP. Vanaf 2021 gaat gewerkt worden met een meerjarige ontwikkelagenda. In 2021 staan daarop onder andere wijzigingen in het stelsel ten behoeve van meer regie van de burger op gebruik van persoonsgegevens uit de BRP, wijzigingen ten behoeve van het oplossen van knelpunten voor de burger en wijzigingen in de registratie van niet-ingezetenen, onder andere om meer zicht te krijgen op verblijf van arbeidsmigranten in Nederland.

Daarnaast ontvangt de RvIG een bijdrage voor de Landelijke Aanpak Adreskwaliteit (LAA). Het adresgegeven is belangrijk bij het bepalen van welke rechten en plichten een burger heeft. In LAA werken overheidsorganisaties samen aan het verhogen van de kwaliteit van het adresgegeven in de BRP en het opsporen van adresfraude of misstanden.

Het is belangrijk dat burgers melding kunnen doen als hun identiteitsgegevens onjuist zijn of onjuist gebruikt worden. RvIG ontvangt een bijdrage voor activiteiten rondom ondersteuning van burgers bij identiteitsfraude en -fouten.

Binnen het stelsel van paspoorten en identiteitskaarten staan de aanvraag, uitgifte, en registratie van paspoorten en identiteitskaarten centraal. De Minister van BZK is verantwoordelijk voor het beheer van de stelselvoorzieningen (zoals het basisregister reisdocumenten en de aanvraagstations bij uitgevende instanties) en houdt toezicht op de uitvoering van de Paspoortwet (Ppw) door de uitgevende instanties. Het Ministerie van BZK werkt in 2021 verder aan verbetering van het stelsel in een meerjarig programma. In 2021 wordt daardoor mogelijk dat uitgevende instanties het RPS (Register Paspoort Signaleringen) rechtstreek kunnen gaan raadplegen.

6.6 Investeringspost digitale overheid

De Investeringspost digitale overheid is bestemd voor gezamenlijke doorontwikkeling en innovatie van de digitale overheid, waaronder de generieke digitale (basis)infrastructuur (GDI). De bestemming van de Investeringspost wordt afgestemd in de governance van de digitale overheid (Overheidsbreed Beleidsoverleg Digitale Overheid: OBDO) en wordt opgenomen in de Investeringsagenda Digitale Overheid.

Subsidies (regelingen)

Doorontwikkeling en innovatie digitale overheid

De VNG ontvangt een aantal bijdragen uit de Investeringspost Digitale Overheid:

Common Ground

Common Ground vereenvoudigt zowel de uitwisseling van gegevens binnen en tussen gemeenten als het gebruik van deze gegevens in dienstverleningsprocessen.

Haal Centraal

In het project Haal Centraal ontwikkelen gemeenten en uitvoeringsorganisaties software om gestandaardiseerd gegevens uit de basisregistraties te halen. Dit maakt aansluiting op de basisregistraties eenvoudiger en processen goedkoper.

Totaal Driedimensionaal

Totaal Driedimensionaal heeft als doel om informatie over gebouwen en de omgeving volledig driedimensionaal op te slaan en te verwerken.

Single digital Gateway

De VNG verkent oplossingen om de implementatie van de Single Digital Gateway (SDG) voor de gemeenten, maar ook voor de provincies en waterschappen, op een kosten besparende wijze te doen.

Opdrachten

Doorontwikkeling en innovatie digitale overheid

Om innovatie te stimuleren, is een meerjarig budget gereserveerd voor het interbestuurlijk aanpakken van maatschapelijke uitdagingen. Waaronder ook het verbeteren van de overheidsdienstverlening en basisinfrastructuur. Hiermee worden partijen in de gelegenheid gesteld om gezamenlijk tot oplossingen te komen.

Het doel hierbij is om door middel van het initiëren van een creatief denkproces nieuwe digitale technologieën te ontwikkelen. Dit in relatie tot de drie onderliggende pijlers: ontwikkelen kennisnetwerk, begeleiden use-cases en het uitdagen van de markt. Hierbij worden opdrachten gegund voor het inrichten van een omgeving en begeleiden van creatieve voorstellen en het ontwikkelen van een virtueel innovatieplatform. De besluitvorming vindt plaats conform de spelregels van het Instellingsbesluit Sturing Digitale Overheid.

Ook in 2021 wordt door de Dienst Publiek en Communicatie van het Ministerie van Algemene Zaken (AZ), in samenwerking met andere overheidspartijen, stappen gezet om de dienstverlening vanuit de overheid rondom levensgebeurtenissen te verbeteren. Daarom werken we door middel van experimenten aan gemeenschappelijke uitgangspunten en afspraken voor een interactiestrategie.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

KvK

Dit betreft de verwerking besluitvorming Investeringsagenda 2020-2021 zoals vastgesteld door het OBDO (Overheidsbreed Beleidsoverleg Digitale Overheid) op 23 januari 2020.

ICTU

ICTU ontvangt een bijdrage voor de verdere implementatie van SDG.

Diverse bijdragen

Het Informatiepunt Digitale Overheid wordt verder landelijk uitgerold. Dit informatiepunt is in 2019 gestart met vijftien punten en biedt algemene informatie over landelijke overheidsdiensten, zoals van het UWV, Belastingdienst en het CAK.

Het traject Blauwe Knop zal in 2021 bijdragen aan herkenbare, gestroomlijnde ontsluiting van persoonsgegevens op digitale wijze. Het maatschappelijk doel is burgers een herkenbare, uniforme begrijpelijke en gebruiksvriendelijke wijze van ophalen van eigen data bij overheden te bieden.

RDW

De RDW ontvangt een bijdrage voor het organiseren van het informatiepunt Digitale Overheid. Daarnaast worden opdrachten gegeven voor de ondersteuning van kwetsbare burgers.

Bijdrage aan agentschappen

RVO.nl

RVO.nl ontvangt in 2021 een bijdrage voor de begeleiding van het innovatiebudget, voor de voorziening eIDAS en de SDG.

UBR

UBR ontvangt een bijdrage voor de doorontwikkeling van het Platform Open Overheidsinformatie (PLOOI).

Diverse bijdragen

Het Informatiepunt Digitale Overheid wordt verder landelijk uitgerold. Dit informatiepunt is in 2019 gestart met vijftien punten en biedt algemene informatie over landelijke overheidsdiensten, zoals van het UWV, Belastingdienst en het Centraal Administratie Kantoor (CAK).

Logius

Voor de innovatieve doorontwikkeling van de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI) voorzieningen ontvangt Logius, als de grootste uitvoeringsorganisatie voor deze voorzieningen, een bijdrage voor diverse opdrachten die voortvloeien uit de investeringsagenda. Deze opdrachten zijn onder andere:

Digicampus

Logius ontvangt een bijdrage voor Digicampus. Digicampus is een samenwerking tussen wetenschap, overheid en bedrijfsleven die gericht is op agenderen, innoveren en delen van gebleken successen.

MijnOverheid

Daarnaast ontvangt Logius voor MijnOverheid een bijdrage. Deze bijdrage wordt gebruikt voor de ontwikkeling van een gebruiksvriendelijke app om inzage te krijgen in de eigen gegevens en te verwerken. Via MijnOverheid kunnen burgers zelf hun BRP-gegevens met organisaties uit het maatschappelijk middenveld delen. Een andere ontwikkeling betreft het visueel inzichtelijk maken van officiële bekendmakingen in MijnOverheid.

RvIG

De Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) verkent mogelijkheden om nieuwe technieken en kennis in te zetten voor vernieuwing van het identiteitsstelsel. Er wordt onderzocht of er een nieuwe manier van verstrekken van gegevens uit de BRP mogelijk is, waardoor het gebruik van schaduwadministraties zou kunnen worden teruggedrongen en beter toezicht op gebruik van de gegevens mogelijk wordt. Ook worden er experimenten uitgevoerd in het kader van digitale identiteit.

DPC

De Dienst Publiek en Communicatie (DPC) ontvangt een bijdrage voor het werken aan de transparantie van data en algoritme. Daarnaast ontvangt DPC een bijdrage voor de modernisering van de openbaarmaking van overheidsinformatie.

Ontvangsten

Dit betreft de bijdrage van de UvW ten behoeve van de Investeringspost digitale overheid. Daarnaast ontvangt het Ministerie van BZK bijdragen van andere overheden voor ENSIA.

3.7 Artikel 7. Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid

A. Algemene doelstelling

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) streeft naar een overheid die haar maatschappelijke taken op professionele wijze uitvoert en waar de samenleving op kan vertrouwen.

Ze draagt hieraan bij door randvoorwaarden te creëren voor het optimaal en duurzaam functioneren van ambtenaren en organisaties in de publieke sector én in het bijzonder voor een efficiënte en effectieve rijksbrede bedrijfsvoering.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van BZK heeft bij het streven naar een goed functionerende (Rijks)overheid vooral een regisserende rol. Dit houdt in dat de minister regels en kaders opstelt, afspraken en handreikingen maakt en deze monitort en onderhoudt. Daarnaast heeft de minister coördinerende bevoegdheden waar het gaat om de bedrijfsvoering en is deze verantwoordelijk voor het bedrijfsvoeringsstelsel.

De rol die de Minister van BZK heeft, verschilt per doelgroep en taak. Dit geldt ook voor de reikwijdte. Voor een aantal onderwerpen heeft de rol van de minister een bredere reikwijdte dan de Rijksdienst, namelijk boven-sectoraal: voornamelijk Nederlandse overheidsorganisaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor deze onderwerpen:

  • de rechtspositie, arbeidsvoorwaarden en pensioenen van ambtenaren;

  • een adequaat overlegstelsel en kennispositie van overheidswerkgevers en werknemers over arbeidsvoorwaarden;

  • de normering en openbaarmaking van topinkomens.

Stimuleren

  • De Minister van BZK stimuleert onder andere met subsidies diverse doelen ter bevordering van professioneel werkgeverschap zoals bijvoorbeeld het vergroten van de aantrekkingskracht van het werken bij de overheid bij jongeren en het bevorderen van de kwaliteit van overheidsmanagers.

  • De Minister van BZK stimuleert kennisontwikkeling door bij te dragen aan onderzoek, bijvoorbeeld op het vlak van productiviteitsontwikkeling.

  • De Minister van BZK stimuleert het creëren van baankansen voor arbeidsbeperkten, onder meer door in te zetten op partnerschappen tussen overheidswerkgevers en leveranciers (social return).

  • De Minister van BZK stimuleert de mogelijkheden voor duurzaam samenwerken door rijksbreed vergaderen mogelijk te maken. Dit draagt bij aan het imago van de overheid als aantrekkelijke werkgever. Er wordt gewerkt aan rijksbrede samenwerkingsafspraken en deze zullen worden getest in pilots.

  • De Minister van BZK stimuleert kennisdeling over het verminderen van agressief gedrag tegen publieke werkers. Dit draagt bij aan aantrekkelijk werkgeverschap.

Financieren

  • Een goede samenwerking tussen werknemers, werkgevers en kabinet draagt bij aan de kwaliteit van de publieke sector. Om die reden ondersteunt de minister waar nodig deelnemende partijen met kennis en subsidies om de aanpak van gezamenlijke inhoudelijke opgaven mogelijk te maken. Een voorbeeld hiervan is het subsidiëren van samenwerking en overleg tussen overheidswerkgevers en met werknemersorganisaties rondom pensioenen, de ambtelijke rechtspositie en banen voor mensen met een arbeidsbeperking. Dit draagt bij aan het bevorderen van de aantrekkelijkheid van de overheid als werkgever.

Regisseren

  • De Minister van BZK heeft coördinerende bevoegdheden met betrekking tot de bedrijfsvoering van het Rijk en is verantwoordelijk voor de werking van het stelsel.

  • Dit gaat op voor het stelsel waarin (organisaties van) werkgevers en werknemers in verschillende overheids- en onderwijssectoren afspraken maken over de collectieve arbeidsvoorwaarden.

  • De Minister van BZK heeft rijksbreed een regisserende rol bij het personeelsbeleid rijk, de rijksbrede bedrijfsvoering en bij de banenafspraak voor het rijk. Als het gaat om de integriteit van medewerkers, de rechtspositie van ambtenaren, het ambtelijk vakmanschap, arbeidsvoorwaarden en pensioenen, dan heeft deze rol betrekking op meerdere overheidsorganisaties.

  • Op het gebied van rijksbrede huisvesting, inkoop en faciliteiten stelt de Minister van BZK kaders op voor een efficiënte, effectieve en duurzame bedrijfsvoering. De Minister van BZK adviseert over organisatievormen en werkwijzen en zorgt voor de naleving van de kaders. Bij het vervullen van deze kaderstellende rol is er aandacht voor maatschappelijke verantwoordelijkheid en de voorbeeldrol van de rijksoverheid richting partners. Het gaat daarbij om het benutten van inkoopkracht voor het realiseren van maatschappelijk effect (de duurzame, sociale en innovatieve transitie van Nederland) en in de masterplannen voor de Rijkskantoorhuisvesting wordt rekening

    gehouden met kabinetsbrede ambities op het terrein van duurzaamheid.

  • De Minister van BZK kan op het gebied van ICT samenhangende kaders opstellen voor de informatiesystemen van de Rijksdienst, in samenwerking met de andere ministeries. Zij kan, na interdepartementaal overleg, kaders vastleggen voor het aanwijzen van werkzaamheden die voor alle of een daarbij aangegeven deel van de ministeries zullen worden uitgevoerd, voor verplicht gebruik van bepaalde voorzieningen en voor de wijze waarop gegevens over informatiesystemen wordt verstrekt. De benoeming en het ontslag van CIO’s kan alleen plaatsvinden na overleg met de Minister van BZK.

  • De Minister van BZK regisseert de versterking van de kennis en kunde over digitalisering bij het Rijk, onder andere via het programma Versterking HR-ICT Rijksdienst.

  • Tenslotte houdt de Minister van BZK toezicht op de integrale beveiliging en veiligheid van de Rijksdienst.

Uitvoeren

  • De Minister van BZK zorgt ervoor dat het Rijk zich in de arbeidsmarktcommunicatie als één werkgever profileert en als één werkgever werft.

  • De Minister van BZK zorgt in samenwerking met de andere ministeries voor het realiseren van een hoogwaardig leiding­gevend kader in de Rijksdienst. Dit gebeurt door middel van werving en selectie, loopbaanbegeleiding en een gericht leer- en ontwikkel­aanbod voor een grote groep (top)managers.

  • De Minister van BZK ondersteunt de departementen bij de doelstelling om ten minste 30% van de topfuncties binnen de Rijksdienst vervuld te hebben door een vrouw, en het percentage vrouwen in topfuncties verder te laten stijgen.

  • De Minister van BZK voorziet via shared service organisaties de Rijksdienst van generieke voorzieningen voor bijvoorbeeld faciliteiten, huisvesting, personeelszaken en ICT. Deze dienstverlening zal conform het klimaatakkoord en de inkoopstrategie van het Rijk zoveel mogelijk duurzaam aangeboden worden.

  • De Minister van BZK voorziet in een aantal generieke ICT-voorzieningen voor de Rijksdienst, ter bevordering van eenheid, kwaliteit en efficiëntie van de bedrijfsvoering en van samenwerking tussen rijksambtenaren. Daarnaast werkt zij aan versterking van de kennis en kunde over digitalisering bij het Rijk, onder andere via het programma Rijksacademie voor Digitalisering en Informatisering Overheid (RADIO).

  • De Minister van BZK stuurt door middel van de Masterplannen op de samenstelling en kwaliteit van de Rijkskantoren.

  • De Minister van BZK draagt zorg voor de toepassing van het kader Functionele Werkomgeving Rijk (FWR) in Masterplanprojecten. De FWR maakt het mogelijk dat ambtenaren op een veilige en comfortabele manier, flexibel kunnen werken.

  • De Minister van BZK draagt zorg voor de samenwerking op het gebied van integrale beveiliging en veiligheid over departementale grenzen heen.

  • De Minister van BZK is verantwoordelijk voor de uitvoering van pensioenregelingen van Nederlandse ambtenaren uit de voormalige overzeese gebiedsdelen en hun nagelaten betrekkingen.

C. Beleidswijzigingen

Brede evaluatie organisatiekaders rijk

Naar aanleiding van een van de adviezen van de Staatscommissie parlementair stelsel wordt een brede evaluatie uitgevoerd naar doelmatigheid en doeltreffendheid van de organisatiekaders voor rijksorganisaties op afstand, zoals bijvoorbeeld agentschappen, Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO's), rijksinspecties en planbureaus. De evaluatie levert inzichten op over de effecten van kaderstelling met betrekking tot onafhankelijkheid van de rijksorganisaties, de sturing en governance, de ministeriële verantwoordelijkheid, de publieke verantwoording en de public value van de rijksorganisaties op afstand. Mogelijk levert de evaluatie conclusies en aanbevelingen op omtrent de wenselijkheid van aanpassing van organisatiekaders of van andere typen kaderstelling.

Strategische I-agenda Rijksdienst

Veel van de maatschappelijke diensten stoelen op informatie en ICT. Burgers en bedrijven, maar ook de rijksambtenaren zelf moeten kunnen vertrouwen op goede omgang met data en goed werkende onlinevoorzieningen. De rijksbrede informatievoorziening (IV) wordt versterkt om bij te dragen aan maatschappelijke vraagstukken en ambities. In de Strategische I-agenda Rijksdienst (Kamerstukken II 2019/20, 26643 nr. 683) zijn de maatregelen benoemd die de informatievoorziening, ICT en informatiebeveiliging bij het Rijk en de sturing verbeteren. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de maatregelen ter versterking van de Rijksbrede informatiebeveiliging en informatiehuishouding en aan robuuste, samenhangende gemeenschappelijke ICT-voorzieningen.

De Rijksbrede informatiebeveiliging heeft de komende jaren de hoogste prioriteit. De focus zal primair liggen op weerbaarheid door de versterking van het stelsel door middel van Rijksbrede kaders en afspraken. Zo wordt in 2021 de recent ingerichte functie van Chief Information Security Office Rijk (CISO Rijk) binnen het CIO-stelsel geconsolideerd. De aansluiting van Rijksoverheidsorganisaties bij de Nationaal Detectie Netwerk (NDN) wordt gecontinueerd en wordt de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) in 2021 verder uitgewerkt en geïmplementeerd.

Er wordt nader invulling gegeven aan de recent geactualiseerde Data Agenda Overheid. In dit verband zal onder meer onderzoek worden gedaan naar de opkomende rol van Chief Data Office (CDO) en de wijze waarop deze functie binnen het CIO-stelsel kan worden geborgd.

Ter versterking van het IV–stelsel wordt het besluit CIO-stelsel Rijksdienst en kwaliteitskader IV-plannen in 2021 geïmplementeerd.

Ter bevordering van transparantie aangaande ICT kosten wordt gewerkt aan de uitbreiding van de functionaliteiten van het Rijk ICT-dashboard van alleen vernieuwingstrajecten naar ook onderhoud- en beheertrajecten.

Als opvolger van de ‘Strategische I-agenda Rijksdienst 2019-2021’ wordt in 2021 de nieuwe I-Strategie opgeleverd. Hiermee wordt een betere balans aangebracht tussen korte termijn prioriteiten en lange termijnvisie op digitaliseringsvraagstukken.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 18 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 7. Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

35.758

39.238

34.264

28.364

28.362

28.211

27.963

        

Uitgaven

41.061

39.238

34.264

28.364

28.362

28.211

27.963

waarvan juridisch verplicht

  

74%

    
        

7.1 Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid

32.274

31.140

26.355

21.526

21.524

21.373

21.125

Subsidies (regelingen)

7.646

3.812

3.619

3.793

3.793

3.793

3.768

Diverse subsidies

1.463

758

638

662

662

662

662

Overlegstelsel

2.503

2.824

2.751

2.901

2.901

2.901

2.901

Bedrijfsvoeringsbeleid

280

205

205

205

205

205

205

A&O-fonds

3.400

0

0

0

0

0

0

Kwaliteit management rijksdienst

0

25

25

25

25

25

0

Opdrachten

6.646

9.517

10.063

9.279

9.277

8.726

8.503

Bedrijfsvoeringsbeleid

1.795

4.145

5.426

4.709

4.707

4.140

3.892

Kwaliteit management rijksdienst

2.811

2.773

2.773

2.725

2.725

2.725

2.750

Werkgeversbeleid

2.040

2.450

1.864

1.845

1.845

1.861

1.861

Doorontwikkeling Rijksbrede ICT-voorziening

0

149

0

0

0

0

0

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

2.575

2.275

1.700

1.700

1.700

2.100

2.100

Bedrijfsvoeringsbeleid

392

218

0

0

0

0

0

Werkgeversbeleid

2.183

2.057

1.700

1.700

1.700

2.100

2.100

Bijdrage aan medeoverheden

144

100

0

0

0

0

0

Werkgeversbeleid

144

100

0

0

0

0

0

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

13

50

0

0

0

0

0

Werkgeversbeleid

13

50

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

15.041

15.146

10.748

6.529

6.529

6.529

6.529

Kwaliteitsverbetering

1.431

1.562

0

0

0

0

0

UBR (Arbeidsmarktcommunicatie)

9.161

7.975

8.376

5.441

5.441

5.441

5.441

Werkgeversbeleid

2.579

2.475

2.097

813

813

813

813

Bedrijfsvoeringsbeleid

1.264

1.057

275

275

275

275

275

I-functie Rijk

118

180

0

0

0

0

0

Doorontwikkeling Rijksbrede ICT-voorziening

488

1.897

0

0

0

0

0

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofstukken

209

240

225

225

225

225

225

Bedrijfsvoeringsbeleid

209

240

225

225

225

225

225

        

7.2 Pensioenen en uitkeringen

8.787

8.098

7.909

6.838

6.838

6.838

6.838

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

8.787

8.098

7.909

6.838

6.838

6.838

6.838

Stichting Administratie Indonesische Pensioenen

8.787

8.098

7.909

6.838

6.838

6.838

6.838

        

Ontvangsten

2.108

685

64

64

64

64

64

Budgetflexibiliteit

Van het totale uitgavenbudget op artikel 7 is 74% juridisch verplicht en dit kent de volgende onderverdeling:

Subsidies (regelingen)

Het subsidiebudget is voor 83% juridisch verplicht. Het betreft onder andere de Stichting Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel, Instituut voor Publieke Sector Efficiëntie Studies, Vereniging voor Overheidsmanagement, het European Institute for Public Administration en het Center for People & Buildings.

Opdrachten

Het opdrachtenbudget is voor 11% juridisch verplicht. Het betreft onder meer opdrachten ten behoeve van de brede evaluatie organisatiekaders voor Rijk, arbeidsvoorwaarden, pensioenen, inzet van arbeidsbeperkten, ambtelijk vakmanschap, personeels- en organisatiebeleid Rijk, het Rijks ICT-dashboard en RADIO.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Het budget voor bijdrage aan ZBO’s/RWT’s is voor 100% juridisch verplicht. Het betreft een bijdrage aan Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP). Tevens worden bijdragen verstrekt aan stichting ICTU voor het programma vensters voor bedrijfsvoering en het programma internetspiegel en aan CBS voor het onderhoud en beheer van het WNT-register.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor bijdrage aan agentschappen is voor 91% juridisch verplicht. Het Expertisecentrum Organisatie & Personeel (EC O&P) van UBR ontvangt een bijdrage voor het uitvoeren van de Rijksbrede arbeidsmarktcommunicatie. Daarnaast ontvangt UBR een bijdrage voor het onderhouden van het ZBO-register en voor opdrachten op het gebied van uitvoering personeels- en organisatiebeleid, grenzeloos samenwerken en de RABA/geschillencommissie. Tevens ontvangt UBR een bijdrage voor het programma Versterking HR ICT Rijksdienst.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

Het budget voor bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken is voor 0% juridisch verplicht.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

7.1 Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid

Subsidies (regelingen)

Diverse subsidies

Er worden diverse subsidies verstrekt voor kennisontwikkeling.

Vereniging voor Overheidsmanagement

De Vereniging voor Overheidsmanagement (VOM) is een netwerkorganisatie, die zich richt op de professionalisering van het management binnen het openbaar bestuur. Het Ministerie van BZK verstrekt de VOM een subsidie om diverse initiatieven die daartoe bijdragen te ondersteunen, bijvoorbeeld de periodieke Reuring! Cafés met debatten over management- en organisatievraagstukken en de organisatie van de prijs voor de Beste Overheidsorganisatie van het jaar, waarmee de kennis over succesvolle managementpraktijken, organisatieformules en innovaties aan de oppervlakte komt en breed gedeeld wordt.

Instituut voor Publieke Sector Efficiency Studies

Het Instituut voor Publieke Sector Efficiency Studies (IPSE) is een instituut dat onderzoek doet naar de productiviteitsontwikkeling en doelmatigheid binnen de publieke sector. Om de kennisontwikkeling op dit vlak te ondersteunen ten behoeve van het management van overheidsorganisaties en de beleidsontwikkeling verstrekt het ministerie IPSE een subsidie.

Banen arbeidsbeperkten

Markt en overheid werken samen aan de realisatie van 125.000 banen voor arbeidsbeperkten in de periode tot en met 2025 (Kamerstukken II 2012/13, 33566, nr. 15). Het Ministerie van BZK verstrekt subsidie om de realisatie hiervan te stimuleren. Bijvoorbeeld door bij te dragen aan het bevorderen van afspraken tussen overheidswerkgevers en leveranciers over social return en aan de overheidsbrede Kennisalliantie.

Overlegstelsel

De Minister van BZK draagt bij aan het in stand houden van een adequaat overlegstelsel tussen overheidswerkgevers en vakcentrales over arbeidsvoorwaarden, arbeidsmarktbeleid en andere relevante thema’s. Dit doet de minister onder andere door subsidies te verstrekken aan koepels van overheidswerkgevers en –werknemers. De Stichting Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel (CAOP) ontvangt een subsidie met als doel bij te dragen aan aantrekkelijk werkgeverschap en de kwaliteit en wendbaarheid van overheidsorganisaties.

Bedrijfsvoeringsbeleid

Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI)

In 2021 wordt een doorlopende meerjarige subsidie toegekend aan de Code Verantwoordelijk Marktgedrag, die partijen in de schoonmaak-, catering-, beveiligings- en verhuisbranche oproept om aandacht te hebben voor werkdruk, kwaliteit van het werk, bejegening van werknemers en de verharding van marktverhoudingen.

Fysieke werkomgeving Rijk

De Minister van BZK verstrekt een subsidie aan het kennisinstituut Center for People and Buildings voor de Fysieke Werkomgeving Rijk (FWR). De FWR is een concept voor een werkomgeving voor Rijksambtenaren dat flexibel, tijd- en plaatsonafhankelijk (samen)werken mogelijk maakt. De subsidie heeft tot doel de generieke ontwikkeling van toepasbare kennis in het domein van de kantoorhuisvesting. Daarbij gaat het om het opbouwen van kennis over kwalitatieve en financiële aspecten van de FWR voor kantoorgebouwen van het Rijk.

Kwaliteit management rijksdienst

Er wordt subsidie verstrekt aan het Leiden Leadership Centre (LLC), Universiteit Leiden voor een vijfjarig onderzoeks- en ontwikkelprogramma over publiek leiderschap. Het programma en de onderzoeksthema’s richten zich op actuele leiderschapsvragen, het uitwisselen van ervaring tussen programmapartners en het ontwikkelen van nieuwe kennis en kunde op het terrein van publiek leiderschap.

Opdrachten

Bedrijfsvoeringsbeleid

Strategische I agenda Rijksdienst

Digitalisering is en blijft belangrijk in de dienstverlening van de Rijksdienst aan burgers, bedrijven en de interne bedrijfsvoering. Om deze ambities goed en veilig te kunnen realiseren zet de Rijksdienst daarin een aantal vervolgstappen.

Het programma RADIO dat als doel heeft het in balans brengen en het op peil houden van ICT-kennis en -kunde binnen de Rijksdienst wordt gecontinueerd.

Het Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding (RDDI) gestart in 2019 draagt bij aan het op orde brengen van het informatiebeheer en de kwaliteit van de overheidsinformatie binnen de Rijksoverheid. Het RDDI wordt in 2021 gecontinueerd en verschuift de focus van aanbod- naar meer vraaggerichte initiatieven dat leidt tot nieuwe initiatieven, zoals geautomatiseerd ondersteuning bij WOB-verzoeken en bewustwordingscampagne over goed informatiebeheer.

Duurzame bedrijfsvoering en duurzame inkoop

In 2021 wordt de implementatie en effectuering van de Inkoopstrategie voortgezet. De focus komt te liggen op het volgen en interveniëren op inspanning, resultaat en effect. Daarmee werken we richting de realisatie van doelen zoals opgenomen in onder meer het klimaatakkoord en de kabinetsreactie circulaire economie. Het Rijksbrede ondersteunend instrumentarium wordt geoptimaliseerd, bijvoorbeeld door middel van de inkoopcriteria voor Maatschappelijk Verantwoord Inkopen. Voor de transitie naar duurzaam inkopen wordt onder andere een rijksbreed netwerk opgezet en ondersteund en wordt monitoringsinformatie gedeeld. Vanuit haar voorbeeldrol deelt het Rijk ervaringen actief met andere overheden via de website en social media vanuit de communicatiestrategie Denk, Doe, Duurzaam. Over de voortgang rapporteert de Rijksoverheid via de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk. Zo wordt inzicht geboden in zowel de uitgevoerde activiteiten als de voortgang op gestelde doelen zoals de CO2-uitstoot van de Rijksoverheid, energiebesparing en gerealiseerd werk via social return.

Datagedreven bedrijfsvoeringsbeleid

In 2021 zetten we verdere stappen in de ontwikkeling naar datagedreven bedrijfsvoeringsbeleid. Zo wordt de ICT- werkplek uitgerust met nieuwe programmatuur die beter past bij de werkzaamheden. Verder worden opdrachten verstrekt om de dataopslag (datawarehouses) te vernieuwen of beter in te richten met oog op efficiënter werken en informatiebeveiliging. De reguliere activiteiten zoals opstellen rapportages en monitoring loopt vanzelfsprekend door.

Rijksinkoopstelsel

Een bijdrage wordt verstrekt aan PIANOo (expertisecentrum inkopen en aanbesteden van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK)) en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) voor het MVI- loket van PIANOo en het stimuleren van MVI bij andere overheden. Via dit loket deelt de Rijksoverheid haar ervaringen met andere overheden, waaronder best practices en inkoopcriteria.

Kwaliteit Management Rijksdienst

De beschikbare middelen worden onder meer ingezet voor talent- en leiderschapsprogramma's voor (potentiële) topmanagers en voor een informatiesysteem over de functies en managers in de top van de Rijksdienst.

Om de kwaliteit van het (top)management te versterken, is een passend leer- en ontwikkelaanbod beschikbaar. Dit aanbod is toegesneden op (top)managers bij het Rijk en bestaat uit programma’s op het gebied van talentontwikkeling, leiderschapsontwikkeling en ambtelijk vakmanschap.

Voor een professionele ondersteuning bij werving en selectie, loopbaanbegeleiding en persoonlijke ontwikkeling is het van belang om inzicht te hebben in de beschikbare managementfuncties bij het Rijk en de mobiliteit van (top)managers. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een personeels‐informatiesysteem.

Werkgeversbeleid

Ervan uitgaande dat we in 2021 weer toegaan naar een situatie waarin ook op kantoor gewerkt wordt, is het voornemen om in 2021 wederom (een hernieuwde versie van) een rijksbreed interdepartementaal klantentevredenheidsonderzoek (iKTO) uit te voeren, passend bij de situatie van dat moment.

Integriteit

De Staatssecretaris van BZK richt zich vanuit zijn coördinerende rol op een rijksbrede infrastructuur ter ondersteuning van het integriteitsbeleid van de ministeries. Het komend jaar krijgt het verbeteren van het meldproces bijzondere aandacht om ervoor te zorgen dat elke medewerker binnen de sector Rijk eenvoudig, duidelijk en laagdrempelig integriteitsdilemma’s bespreekbaar kan maken.

Veilig werken

Het Ministerie van BZK ondersteunt en faciliteert werkgevers in het openbaar bestuur bij het creëren en behouden van een veilige werkomgeving voor, en het tegengaan van agressie en geweld tegen hun medewerkers. Zo kunnen gemeenten onder andere experimenteren met wat wel en wat niet werkt bij het creëren van een veilige werkomgeving. Daarnaast worden bijvoorbeeld ook ambassadeurs ingezet die in de eigen regio (centraal) ontwikkeld beleid onder de aandacht brengen en tegelijkertijd ontwikkelingen en/of problemen in het werkveld kunnen signaleren en (bij BZK) kunnen agenderen.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Werkgeversbeleid

Ter ondersteuning van beleidsmakers binnen het openbaar bestuur wordt periodiek BZK-beleid i.s.m. het CBS gemonitord. Daarmee wordt o.a. inzicht gegeven in de ontwikkeling van de tevredenheid en betrokkenheid van personeel, vertrekmotieven, organisatiecultuur en door medewerkers ervaren integriteits- en sociale veiligheidsproblemen. Daarnaast wordt met de ontwikkeling van het register van Overheidsorganisaties (ROO) gewerkt aan een register waarin alle -nu nog separaat opgeslagen- kenmerken van overheidsorganisaties in één openbaar register toegankelijk worden. Met beleidsreconstructies (project ‘het geheugen van BZK’) en interviews met oud-topambtenaren en oud-ministers (project ‘de top kijkt om’) wordt samen met oud-bestuurders en wetenschappers lessen getrokken uit het verleden.

Individuele organisaties binnen het openbaar bestuur kunnen daarnaast gebruik maken van diverse voor hen ontwikkelde benchmarktools (zoals InternetSpiegel medewerkersonderzoek) en participeren in bestaande leergroepen (zoals Vensters voor Bedrijfsvoering) om zicht te krijgen op verbetermogelijkheden in hun bedrijfsvoering. De stichting ICTU ontvangt voor deze activiteiten, die in opdracht van het Ministerie van BZK worden uitgevoerd, een jaarlijkse bijdrage. 

Bijdrage aan agentschappen

UBR (Arbeidsmarktcommunicatie)

UBR Personeel ontvangt een bijdrage voor onder andere het uitvoeren van de rijksbrede arbeidsmarktcommunicatie. Hierbij zorgt UBR Personeel ervoor dat de Rijksoverheid zich positioneert en profileert als één aantrekkelijke werkgever. Dit vertaalt zij door in de externe en interne werving, onder meer via de sites WerkenvoorNederland.nl en mobiliteitsbank.nl. Zij ondersteunt organisatieonderdelen binnen het Rijk bij arbeidsmarktvraagstukken en draagt bij aan betere verbinding met en tussen de organisaties

Het programma Versterking HR-ICT Rijksdienst, dat als doel heeft; het aantrekken en vasthouden van jong talent, het verbeteren van de ICT-expertise en het versterken van de kennisfunctie op I binnen het Rijk, wordt gecontinueerd.

Werkgeversbeleid

UBR ontvangt een bijdrage voor het uitvoeren van diverse opdrachten voor de implementatie van het werkgeversbeleid.

Bedrijfsvoeringsbeleid

Vanuit de stelselverantwoordelijkheid voor het Rijksbrede inkoopstel verstrekt het Ministerie van BZK bijdragen aan agentschappen om het Rijksbrede Strategisch leveranciersmanagement ICT te versterken en nader te professionaliseren. Met Strategisch Leveranciersmanagement Rijk is de sturing op een aantal grote ICT leveranciers waar het Rijk zaken mee doet de afgelopen jaren effectiever en efficiënter georganiseerd. De bijdragen worden ingezet om Rijksbrede elementen van het Strategisch leveranciersmanagement te versterken, door investeringen in onder andere verbetering Maatschappelijk Verantwoord Inkopen, privacy aspecten en verbetering inkoopeisen ten aanzien van veilige software.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

Bedrijfsvoeringsbeleid

Vanuit de stelselverantwoordelijkheid voor het Rijksbrede inkoopstel verstrekt het Ministerie van BZK bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken om het Rijksbrede Strategisch leveranciersmanagement ICT te versterken en nader te professionaliseren. De bijdragen dienen hetzelfde doel als de bijdrage ten behoeve van Strategisch Leveranciersmanagemen onder het instrument bijdragen aan agentschappen.

7.2 Pensioenen en uitkeringen

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Stichting Administratie Indonesische Pensioenen

Dit betreft de bijdrage aan de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP), welke verantwoordelijk is voor de pensioenen voor gewezen overheidspersoneel in de voormalige overzeese gebiedsdelen en hun nagelaten betrekkingen. De rijksbijdrage bestaat uit middelen om de pensioenen en toeslagen uit te keren (inkomens) en middelen om de regeling uit te voeren (uitvoeringskosten).

Ontvangsten

De ontvangsten hebben betrekking op de Garantiewet Surinaamse Pensioenen van de SAIP. Het Ministerie van BZK verrekent jaarlijks een deel van dit bedrag met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

3.8 Artikel 9. Uitvoering Rijksvastgoedbeleid

A. Algemene doelstelling

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) geeft uitvoering aan het Rijksvastgoedbeleid door:

  • het verzorgen van de Rijkshuisvesting van Hoge Colleges van Staat, het Ministerie van Algemene Zaken (AZ) en het Koninklijk Huis, het beheren van monumenten die, naar hun aard, niet geschikt zijn voor Rijkshuisvesting en het uitvoeren van het Rijkshuisvestingsbeleid;

  • het realiseren van een optimaal financieel resultaat en maatschappelijk rendement bij het verwerven, beheren, ontwikkelen en vervreemden van materiële activa van/voor het Rijk voor de realisatie van Rijksdoelstellingen, gerelateerd aan de strategische opgaven van het kabinet.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Uitvoeren

De Minister van BZK is, als opdrachtgever en uitvoerder, verantwoordelijk voor:

  • de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van AZ;

  • de huisvesting van het Koninklijk Huis, voor zover vallend onder de verantwoordelijkheid van de Staat;

  • het beheer en onderhoud van de monumenten die aan het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) zijn toevertrouwd en die naar hun aard niet geschikt zijn voor de huisvesting van rijksdiensten;

  • de doelmatige uitvoeringspraktijk van de Rijkshuisvesting binnen de wettelijke en afgesproken kaders.

Daarnaast is de Minister van BZK als uitvoerder op het terrein van Rijksvastgoed verantwoordelijk voor:

  • het (privaatrechtelijk) beheer van onroerende zaken die aan de Staat toebehoren dan wel zijn toevertrouwd, een en ander voor zover de verantwoordelijkheid voor dat beheer niet bij of krachtens de wet bij een of meer andere ministers is gelegd;

  • de vertegenwoordiging namens het Rijk bij gebiedsontwikkelingsprojecten waarbij meervoudige Rijksdoelstellingen aanwezig zijn. Ook hierbij wordt gestreefd naar een optimale inzet van (overtollige) Rijksactiva en/of financiële bijdragen van het Rijk;

  • ingebruikgeving en vervreemding van (overtollige) onroerende zaken van andere ministeries. Voor zover er op basis van de huidige begrotingsregels van het kabinet sprake is van een generieke middelenafspraak met een minister, wordt de opbrengst uit ingebruikgeving en/of vervreemding door de betreffende minister begroot en verantwoord op de eigen begroting.

C. Beleidswijzigingen

Er zijn geen beleidswijzigingen.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 19 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 9. Uitvoering rijksvastgoedbeleid (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

118.271

123.735

141.846

133.978

133.391

133.436

143.945

        

Uitgaven

118.271

123.735

141.846

133.978

133.391

133.436

143.945

waarvan juridisch verplicht

  

95%

    
        

9.1 Doelmatige Rijkshuisvesting

50.295

54.435

76.631

68.309

67.707

67.752

78.261

Bijdrage aan agentschappen

50.295

54.435

76.631

68.309

67.707

67.752

78.261

RVB (Bijdrage voor huisvesting Koninklijk Huis)

13.823

16.213

16.040

16.049

16.054

16.054

16.054

RVB (Bijdrage voor huisvesting Hoge Colleges van Staat)

22.373

25.388

46.919

39.503

38.900

38.938

49.447

RVB (Bijdrage voor huisvesting Ministerie van AZ)

2.198

2.851

3.245

3.703

3.715

3.722

3.722

RVB (Bijdrage voor monumenten)

4.809

2.870

2.870

2.915

2.899

2.899

2.899

RVB (Bijdrage voor rijkshuisvesting)

7.093

7.113

7.557

6.139

6.139

6.139

6.139

        

9.2 Beheer materiele activa

67.976

69.300

65.215

65.669

65.684

65.684

65.684

Bijdrage aan agentschappen

67.976

69.300

65.215

65.669

65.684

65.684

65.684

RVB

11.926

12.160

12.156

12.154

12.169

12.169

12.169

RVB (Onderhoud- en beheerkosten)

7.092

9.402

4.802

4.802

4.802

4.802

4.802

RVB (Zakelijke lasten)

48.958

47.738

48.257

48.713

48.713

48.713

48.713

        

Ontvangsten

127.681

113.090

121.574

120.282

120.282

102.984

102.984

Budgetflexibiliteit

Van het totale uitgavenbudget van artikel 9 is 95% juridisch verplicht en dit kent de volgende onderverdeling:

Bijdragen aan agentschappen

Het budget voor bijdragen aan agentschappen is voor 95% juridisch verplicht. De overige middelen zijn echter niet vrij besteedbaar omdat hiermee onder andere wordt bijgedragen aan het apparaat van het RVB (waaronder Atelier Rijksbouwmeester).

E. Toelichting op de financiële instrumenten

9.1 Doelmatige rijkshuisvesting

Bijdrage aan agentschappen

RVB (Bijdrage voor huisvesting Koninklijk Huis)

Krachtens artikel vier van de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis worden drie paleizen ter beschikking gesteld aan de Koning. Dit zijn paleis Huis ten Bosch, paleis Noordeinde en het Koninklijk Paleis te Amsterdam. De uitvoering hiervan vindt plaats via de begroting van BZK.

De bijdrage aan het RVB voor huisvesting van het Koninklijk Huis bedraagt € 15,8 mln. en is opgebouwd uit een aantal componenten:

  • Ten eerste € 7,8 mln. rente en afschrijving voor investeringen die via de leenfaciliteit zijn gefinancierd en zijn geactiveerd op de balans van het RVB.

  • Vervolgens € 6,4 mln. voor regulier onderhoud. Hiervoor worden de technische installaties onderhouden, worden storingen verholpen, en worden gebouwen geschilderd, onderhouden en hersteld. Evenzo worden terreinen onderhouden en hersteld. Voor het onderhoud aan de paleizen geldt, vanwege het veelal monumentale karakter van de objecten, een hogere norm dan voor kantoren.

  • Het restant ca. € 1,6 mln. betreft betalingen voor met name kleinere investeringen op basis van wet- en regelgeving (o.a. brandveiligheid) en kosten voor kleinere aanpassingen.

Conform een toezegging van de minister-president gedaan bij de behandeling van de ontwerpbegroting 2016 van de Koning geeft onderstaande meerjarenplanning inzicht in geplande onderzoeken naar en het meerjarig groot onderhoud/renovatie van de paleizen. Over de wijze waarop zulke projecten gefinancierd worden is de Tweede Kamer geïnformeerd in de brief van 2 december 2015 (Kamerstukken II 2015/16, 34300XVIII, nr. 45).

Tabel 20 Onderzoek en renovaties huisvesting Koninklijk Huis (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Onderzoek

100

Renovatie/groot onderhoud:

      

- Paleis Huis ten Bosch

geen

geen

geen

geen

geen

geen

- Koninklijk Paleis Amsterdam

geen

geen

geen

geen

geen

geen

- Paleis Noordeinde

geen

geen

geen

geen

geen

geen

RVB (Bijdrage voor huisvesting Hoge Colleges van Staat) 

Uit de beschikbare middelen in de begroting worden rente en afschrijving, onderhoud en kleine investeringen bekostigd ten behoeve van de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat. In deze begrotingsreeks zijn de kosten van de renovatie van het Binnenhof opgenomen. In 2021 verhuizen de Hoge Colleges van Staat van het Binnenhof naar hun tijdelijke huisvesting en wordt gestart met de renovatie.

De huisvesting van de Algemene Rekenkamer is toe aan een ingrijpende renovatie. Het kabinet heeft besloten om de ontwerpfase van de renovatie van de huisvesting van de Algemene Rekenkamer te starten. Voor de financiering van de ontwerpfase ter hoogte van € 9,1 mln. wordt een beroep gedaan op de leenfaciliteit van het RVB. Na oplevering van het project in 2027 worden middelen voor de hierbij behorende hogere gebruikersvergoeding (bestaande uit afschrijvingen en rente) toegevoegd aan de begroting.

RVB (Bijdrage voor huisvestingen Ministerie van Algemene Zaken)

Uit de beschikbare middelen in de begroting worden rente en afschrijving, onderhoud en kleine investeringen bekostigd ten behoeve van de huisvesting van het Ministerie van AZ. In 2021 wordt het Catshuis geschikt gemaakt voor het gebruik tijdens de tijdelijke huisvesting van het Ministerie van AZ op het terrein.

RVB (Bijdrage monumenten)

Dit betreft de bijdrage aan het RVB voor het beheer en onderhoud van een aantal monumenten die naar hun aard niet geschikt zijn voor huisvesting van Rijksdiensten.

RVB (Bijdrage voor rijkshuisvesting)

Dit betreft activiteiten die in het kader van verschillende beleidsdoelen op het gebied van Rijkshuisvesting worden uitgevoerd. Het RVB draagt onder meer bij aan de realisatie van Rijksdoelstellingen door te werken aan energiebesparing in de Rijkshuisvesting, de duurzaamheid van de gebouwenvoorraad van het Rijk en de doelmatige werking van het Rijkshuisvestingstelsel. En ook door bij te dragen aan de totstandkoming van de Rijkswerkplek en uitvoering te geven aan professioneel publiek opdrachtgeverschap in de bouw. Dit gebeurt door middel van zorgvuldig en transparant aanbesteden, de coördinatie van deze diensten en afstemming met de markt. En ook door werkzaamheden van de Rijksbouwmeester voor de bevordering en bewaking van de kwaliteit van de architectuur, voor de stedenbouwkundige inpassing en van de beeldende kunst. Dit komt tot uiting bij het tot stand brengen, het wijzigen en het beheren van gebouwen, werken en terreinen waarover de zorg van het RVB zich uitstrekt.

Binnen het Rijksvastgoedbedrijf loopt het Programma Groene Technologieën. In 2021 zijn uitgebreidere testresultaten beschikbaar van de toegepaste innovaties bij een tweetal testomgevingen. De succesvolle innovaties worden waar mogelijk opgeschaald binnen de portefeuille van het Rijksvastgoedbedrijf. De planning is dat er in 2021 een aantal nieuwe PGT-projecten gereed is om aanbesteed te worden en enkele experimenten ontwikkeld worden op het gebied van circulair bouwen en op het gebied van verduurzaming van rijkskantoren middels ‘slimme’ (digitale) technologie.

9.2 Beheer materiële activa

Bijdrage aan agentschappen

RVB

Het betreft de bijdrage aan het RVB voor de uitvoering van de wettelijke taak van het (privaatrechtelijk) beheer van onroerende zaken (niet-Rijkshuisvesting) die de Staat toebehoren. Dit beheer betreft met name werkzaamheden rond (ver)huur, (erf)pacht, medegebruik en de verwerking van zakelijke lasten van het Rijk.

RVB (Onderhoud- en beheerkosten)

Het gaat hierbij om uitgaven voor onderhoud en beheer van de onroerende zaken (niet-Rijkshuisvesting) welke in het beheer zijn van het RVB. Beheerkosten zijn (externe) kosten in verband met ingebruikgeving en vervreemding, bijvoorbeeld energie-, beveiligings- en taxatiekosten.

RVB (Zakelijke lasten)

Het gaat hier om de betaling van door gemeenten en waterschappen opgelegde belastingen en heffingen op onroerende zaken in eigendom bij de Staat voor zover het niet de Rijkshuisvesting betreft. Gedacht moet worden aan de onroerendzaakbelasting, waterschapsheffingen en rioolheffingen bij de onroerende zaken van de Staat. De uitgaven bestaan voor circa 80% uit gemeentelasten en voor 20% uit waterschapslasten. De zakelijke lasten die samenhangen met Rijkshuisvesting worden verantwoord op de baten-lastenbegroting van het agentschap RVB.

Ontvangsten

Zakelijke lasten

De ontvangsten betreffen met name terugbetalingen door huurders -niet zijnde Rijksgebruikers- van door het RVB betaalde gebruikerslasten.

Ingebruikgevingen

Het gaat hierbij om de ingebruikgeving (met name verpachting en verhuur) van de onroerende zaken van de Staat voor zover er voor de opbrengst uit ingebruikgeving geen middelenafspraak bestaat.

Vervreemding

Het gaat hierbij om de vervreemding van de (o.a. agrarische) onroerende zaken van de Staat, voor zover voor de opbrengst uit vervreemding geen middelenafspraak bestaat. De opbrengsten uit middelenafspraken worden verantwoord via de begrotingen van het vakdepartement.

Generale ontvangsten

Hieronder vallen de ontvangsten uit de verkoop van bodemmaterialen zoals zand en de ontvangsten uit de veiling van huurrechten van benzinestations langs rijkswegen.

Over de winst van een gedeelte van de generale ontvangsten moet het Ministerie van BZK vennootschapsbelasting afdragen. Deze uitgave vindt plaats op de begroting van BZK op niet-beleidsartikel 12 Algemeen.

3.9 Artikel 10. Groningen versterken en perspectief

A. Algemene doelstelling

De inwoners van Groningen hebben dagelijks te maken met de gevolgen van de gaswinning. Dit brengt gevoelens van angst, frustratie en onzekerheid met zich mee. Dit heeft het Kabinet doen besluiten om versneld de winning uit het Groningenveld af te bouwen.

De schadeafhandeling vindt plaats onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK). De versterkingsoperatie is onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) gebracht. Voor BZK staan de veiligheid, de veiligheidsbeleving en het creëren van perspectief voor de inwoners voorop. Hieraan draagt het Ministerie van BZK langs twee sporen bij:

  • 1. Het aardbevingsbestendig maken van onveilige gebouwen. Gebouwen worden opgenomen en beoordeeld. Wanneer blijkt dat zij niet aan de heersende veiligheidsnorm voldoen worden deze gebouwen versterkt. Deze versterkingsoperatie is publiek gemaakt en de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) heeft de rol van uitvoeringsorganisatie overgenomen. Gezamenlijk met de provincie en de betrokken gemeenten wordt de versterkingsoperatie in de komende jaren uitgevoerd.

  • 2. Het bieden van een toekomstperspectief aan de regio met het Nationaal Programma Groningen (NPG). Het Rijk en de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) hebben gezamenlijk het NPG gevormd om de economische ontwikkeling, de verduurzaming en de leefbaarheid van de regio te stimuleren.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Sinds 16 oktober 2019 is de Minister van BZK verantwoordelijk voor de aansturing van de versterkingsoperatie (Kamerstukken II 2019/20, 34700, nr. 68). De Minister van EZK blijft verantwoordelijk voor het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om te voorkomen dat als gevolg van de gaswinning de veiligheid wordt geschaad.

Over de wijze waarop de versterkingsoperatie publiek wordt ingericht hebben de regionale bestuurders, kabinet en de maatschappelijke organisaties in maart 2019 afspraken gemaakt. De publieke aansturing van de versterkingsoperatie wordt wettelijk vastgelegd. Hiertoe is een wetsvoorstel in voorbereiding dat zo spoedig mogelijk in procedure wordt gebracht. Dit zal een aanvulling zijn op de Tijdelijke wet Groningen die op 11 maart 2020 in het Staatsblad is gepubliceerd (stb. 2020, nr. 85).

Uitvoeren

  • Afgesproken is dat de nationaal coördinator Groningen (NCG) als publieke uitvoeringsorganisatie belast is met het uitvoeren van de versterkingsoperatie zoals deze is vastgelegd in de door gemeenten opgestelde lokale plannen van aanpak. Omwille van een voortvarende uitvoering van deze taak heeft de uitvoeringsorganisatie daar waar het de veiligheid betreft een onbeperkt mandaat. Gezamenlijk met de provincie en de betrokken gemeenten geeft de NCG invulling aan de versterkingsoperatie.

  • Waar mogelijk worden bij deze versterkingsoperatie koppelkansen benut om bij het versterken ook nieuwe economische kansen en een leefbare en aantrekkelijke woon-, werk- en leefomgeving te creëren.

  • Om – aanvullend op de begroting – de Kamer periodiek te informeren over voortgang en ontwikkelingen in het beleid is een dashboard ontwikkeld. Dit dashboard is te vinden op de website van de NCG: www.nationaalcoordinatorgroningen.nl.

  • Op 1 juli 2020 is de Tijdelijke wet Groningen in werking getreden, waardoor de kosten van de schadeafhandeling vanaf de tweede helft van 2020 worden verhaald op de NAM. Met een aanvullende wijziging van de Tijdelijke wet Groningen moet er ook een wettelijke grondslag komen voor een heffing op de NAM ten aanzien van de versterkingskosten die noodzakelijk zijn omwille van de veiligheid.

Regisseren

  • De inzet van het Rijk is dat het Nationaal Programma Groningen (NPG) zo veel mogelijk een programma is van «Groningers voor Groningers» waarbij de regierol en de uitvoering in de regio zelf is belegd. Het Ministerie van BZK is vertegenwoordigd in de coördinatiegroep en ondersteunt de regio waar nodig.

C. Beleidswijzigingen

Versterken

Op 2 juli 2018 verscheen het advies van de Mijnraad over de gevolgen van het beëindigen van gaswinning voor de veiligheid (Kamerstukken II 2017/18, 33529, nr. 498). Daaruit volgde een herijking van de versterkingsopgave in Groningen. De Mijnraad concludeerde dat de versnelde afbouw van gaswinning in het Groningerveld, samen met nieuwe inzichten, een meer gerichte versterkingsoperatie mogelijk maakt, waardoor de situatie sneller veilig is.

De versterking vindt plaats onder regie van de NCG. Dat betekent dat de uitvoering van de versterking ter hand wordt genomen door de NCG als dienstonderdeel van het Ministerie van BZK.

De Adviescommissie voor Veiligheid Groningen (AcVG) is ingesteld. Deze valt onder de brede verantwoordelijkheid voor veiligheid in relatie tot gaswinning van de Minister van EZK. De ACVG beoordeelt de technische en bouwkundige veiligheidsnormen. Op basis daarvan neemt de NCG de uitvoering op zich.

Met de provincie en de betrokken gemeenten is afgesproken dat circa 26.000 gebouwen worden opgenomen en beoordeeld. De prioritering daarvan wordt bepaald door de lokale plannen van aanpak van de gemeenten. Deze plannen worden daarbij beoordeeld door het Staatstoezicht op de Mijnen. Het doel is om gebouwen zo snel mogelijk aan de veiligheidsnorm te laten voldoen met inachtneming van sociaal-maatschappelijke overwegingen.

Wanneer een gebouw niet aan de actuele veiligheidsnorm (de zogenaamde Nederlandse Praktijk Richtlijn; NPR) voldoet, wordt deze versterkt. De NPR wordt geactualiseerd met de nieuwste seismische en bouwkundige inzichten in relatie tot de versnelde afbouw van de gaswinning in het Groningenveld.  Daarnaast ontwikkelen TNO en de NCG de zogenaamde typologie aanpak. Die aanpak houdt in dat niet alle gebouwen meer afzonderlijk hoeven worden opgenomen en beoordeeld, maar dat gewerkt kan worden met standaard beoordelingen en eventuele breed toepasbare maatregelen per type gebouw.

Per 1 augustus 2020 is de geactualiseerde NPR gepubliceerd. Met de regio wordt momenteel het gesprek gevoerd over de consequenties van de invoering van deze nieuwste inzichten en de gevolgen daarvan voor de versterkingsoperatie in de komende jaren.

Naast de nieuwe NPR en de typologie aanpak zijn samen met de regio verschillende versnellingsmaatregelen genomen. In 2020 wordt met de eerste pilotfase van de praktijkaanpak en de bouwimpuls circa 1.100 woningen versneld versterkt . In deze aanpak worden bouwpartijen vanaf het begin tot het einde in het gehele versterkingsproces betrokken, vanaf opname en beoordeling tot de uitvoering van de benodigde maatregelen aan een gebouw. Hiermee kan het aantal opnames en beoordelingen toenemen en de uitvoering versnellen.

Nationaal Programma Groningen

Voor het duurzaam toekomstperspectief van Groningen is op 5 oktober 2018 door de provincie Groningen, de gemeenten in het aardbevingsgebied en het kabinet het startschot gegeven voor een Nationaal Programma Groningen (NPG). Hiervoor is € 1,15 mld. beschikbaar, waarvan € 500 mln. van de NAM afkomstig is. Het programma is gericht op economische structuurversterking, de kwaliteit van de leefomgeving en de energietransitie. In 2020 zijn het programmakader en de verdeling van de financiële middelen vastgesteld, op basis waarvan gemeenten hun lokale programmaplannen schrijven en de provincie haar thematische programmaplan. Ook loopt het project Toukomst, waar Groningers zelf plannen kunnen indienen. Na een bundeling en selectieprocedure zullen naar verwachting in het najaar van 2020 drie grote projecten worden gehonoreerd, die in 2021 worden uitgevoerd.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 21 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 10. Groningen versterken en perspectief (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

0

223.438

109.797

53.649

42.048

31.680

25.280

        

Uitgaven

0

223.838

114.297

53.649

42.048

31.680

25.280

waarvan juridisch verplicht

  

88%

    
        

Subsidies (regelingen)

0

10.410

10.400

0

0

0

0

Energiebesparing woningen bouwkundig versterkingsprogramma

0

10.410

10.400

0

0

0

0

Opdrachten

0

47.579

18.897

18.649

17.048

6.680

280

Werk- en onderzoeksbudget

0

13.109

12.563

12.315

10.714

6.680

280

Versterkingsoperatie

0

34.470

6.334

6.334

6.334

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

0

165.849

85.000

35.000

25.000

25.000

25.000

Nationaal Programma Groningen

0

125.849

75.000

25.000

25.000

25.000

25.000

Compensatie gemeenten en provincie

0

40.000

10.000

10.000

0

0

0

        

Ontvangsten

0

75.000

75.000

25.000

25.000

25.000

25.000

Budgetflexibiliteit

Van het totale uitgavenbudget op artikel 10 is 88% juridisch verplicht en dit kent de volgende onderverdeling:

Subsidies (regelingen)

Het subsidiebudget is voor 100% juridisch verplicht. Het betreft vastgelegde afspraken met de regio om woningeigenaren tegemoet te komen middels een verduurzamingssubsidie indien men de woning gelijk wil verduurzamen tijdens de bouwkundige versterkingsoperatie tot een maximum van € 7.000 per woning.

Opdrachten

Het opdrachtenbudget is voor 52% juridisch verplicht. De juridische verplichtingen komen voort uit in bestuurlijke afspraken toegezegde onderzoeken en voortzettingen van bestaande onderzoeken.

Bijdrage aan medeoverheden

Het budget voor bijdrage aan medeoverheden is voor 94% juridisch verplicht. Het betreft hier onder meer de inpassingskosten die de gemeenten toegezegd hebben gekregen en de invulling van het Nationaal Programma Groningen, waarbij de regio de ruimte krijgt om initiatieven te ontplooien ten behoeve van de ontwikkeling van de regio.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

10.1 Groningen versterken en perspectief

Subsidies (regelingen)

Energiebesparing woningen bouwkundig versterkingsprogramma

Woningen in Groningen die vanwege het risico op aardbevingen niet voldoen aan de veiligheidsnorm worden bouwkundig versterkt. De uitvoering hiervan biedt de gelegenheid om gelijktijdig de woning te verduurzamen tot een maximum van € 7.000 per woning (stcrt. 2018, 27837). Een deel van de totaal beschikbare middelen staat op dit moment op het instrument opdrachten en zal bij de tweede suppletoire begroting 2020 naar het juiste instrument worden overgeheveld.

Opdrachten

Werk- en onderzoeksbudget

Het onderzoeks- en werkbudget bestaat uit de middelen die zijn overgekomen van het Ministerie van EZK uit de enveloppe van het meerjarenprogramma NCG en het werk en onderzoeksbudget van het Ministerie van BZK. Uit deze middelen worden bijvoorbeeld de opdracht aan de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) gefinancierd om de Nederlandse Praktijk Richtlijn voor aardbevingsbesteding bouwen (NPR) te actualiseren, verschillende kennisplatforms en de bijdragen aan de veiligheidsregio en maatschappelijke organisaties.

Versterkingsoperatie

De publieke versterkingsoperatie is ondanks de gevolgen van de corona uitbraak, van start gegaan in het voorjaar van 2020. De kosten van de versterkingsprojecten die in uitvoering worden genomen zijn afhankelijk van diverse factoren. Het is daarom nog te vroeg om op basis van de eerste declaraties aan de NAM een beeld te krijgen van de totale uitgaven in 2020 en verder. Om die reden is er voor gekozen om nu geen bedragen op te nemen in de begroting.

Dit betekent niet dat er geen middelen beschikbaar zijn voor de versterkingsoperatie. Naar verwachting bestaat er dit najaar een beter zicht op het totaal van de uitgaven voor 2020. Bij de tweede suppletoire begroting 2020 wordt de post versterkingsoperatie bijgesteld op basis van het actuele verloop van de uitgaven en de inschatting van de nationaal coördinator Groningen (NCG). De uitgaven voor de versterkingsoperatie worden voorgeschoten door het Rijk en achteraf in rekening gebracht bij NAM. In 2020 gebeurt dat door middel van een declaratie, wanneer de wet Groningen in werking treedt zal dat plaatsvinden via een heffing.

In de begroting wordt dit zichtbaar op de regeling ‘Versterkingsoperatie’ en op de ontvangsten, die van de NAM komen.

Het betreft de volgende kosten:

  • de kosten van de versterkingsoperatie: de uitvoering van de bouwkundige projecten en verschillende bijkomende kosten, zoals tijdelijke huisvesting;

  • de kosten van de uitvoeringsorganisatie: de operationele kosten van de NCG en de bijkomende kosten als ICT en huisvesting. Deze kosten zijn onderdeel van artikel 11 Centraal Apparaat.

De middelen voor het apparaat van de NCG worden op jaarbasis geraamd. Op basis van de gerealiseerde uitgaven en een inschatting van de NCG worden de apparaatskosten van de NCG eveneens bij de tweede suppletoire begroting bijgesteld. Deze worden eveneens per declaratie in rekening gebracht bij NAM.

Versterking uit publieke middelen

Daarnaast is er om sociaal maatschappelijke redenen gekozen om boven op de maatregelen voor veiligheid, uitgaven te doen op gebied van de nieuwbouw van scholen, wijkvernieuwing en gebiedsontwikkeling. Deze kosten kunnen veelal niet in rekening worden gebracht bij de NAM en worden gefinancierd vanuit de aanvullende post van het Ministerie van Financiën bestemd voor Groningen. In 2020 betreft het € 17,7 mln ten behoeve van diverse sloop/nieuwbouw projecten. Voor de benodigde extra bijdrage van het Rijk voor het uitvoeren van sloop/nieuwbouw in de vergeten hoek van Appingedam en de Zandplaten Zuid in Delfzijl zijn eveneens middelen vanuit de aanvullende post toegevoegd aan de begroting van BZK voor de jaren 2021 tot en met 2023.

Bijdrage aan medeoverheden

Nationaal Programma Groningen

In het Akkoord op Hoofdlijnen met Shell en ExxonMobil is afgesproken dat de NAM in totaal € 500 mln. bijdraagt aan het NPG. Het Rijk draagt hier € 650 mln. aan bij. Met het Nationaal Programma Groningen wordt geïnvesteerd in de leefbaarheid van Groningen, maar ook in de energietransitie en economische ontwikkeling van de provincie. Het NPG is een samenwerkingsverband van Rijk, provincie en gemeenten en heeft een looptijd van tien jaar.

Woonbedrijf

In 2019 is het woonbedrijf opgericht. De opkoopregeling wordt doorgezet tot 2024. Hiermee kunnen woningen in het aardbevingsgebied worden gekocht die langdurig te koop staan. De NAM en het Rijk stellen hiervoor middelen beschikbaar. De operationele kosten van het woonbedrijf worden gedekt door het Rijk. De nu beschikbare middelen zullen bij de tweede suppletoire begroting 2020 worden overgeheveld naar het juiste instrument.

Compensatie gemeenten en provincie

De provincie Groningen en de betrokken gemeenten worden gecompenseerd voor de aardbevingsgerelateerde kosten die zij maken. De verwachting is dat de piek van deze kosten zal vallen in de jaren 2020 en 2021 wanneer de versterkingsoperatie op gang komt en dat de activiteiten en de kosten in de jaren erna geleidelijk dalen.

Scholenprogramma

Het scholenprogramma richt zich op het versterken en nieuwbouw van scholen in de provincie Groningen. Om de gestegen kosten in het scholenprogramma te kunnen opvangen wordt in 2020 eenmalig € 20 mln. extra beschikbaar gesteld. De middelen zullen via een specifieke uitkering aan gemeenten worden uitgekeerd.  

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen de bijdragen van de NAM aan het NPG.

4. Niet-beleidsartikelen

4.1 Artikel 11. Centraal apparaat

A. Apparaatsuitgaven Kerndepartement

Op dit artikel worden naast alle personele en materiële uitgaven en ontvangsten van het kerndepartement ook de apparaatsuitgaven van de agentschappen gepresenteerd.

Tabel 22 Budgettaire gevolgen, niet-beleidsartikel 11 Centraal apparaat (bedragen x € 1.000)

Apparaat Kerndepartement

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

476.442

492.710

422.136

409.324

401.698

400.495

386.980

        

Uitgaven

467.234

492.710

422.136

409.324

401.698

400.495

386.980

        

Personele uitgaven

227.752

266.266

210.570

199.616

192.959

192.007

180.589

waarvan eigen personeel

206.082

219.387

185.745

180.014

175.676

173.951

169.033

waarvan inhuur externen

18.043

24.318

11.837

7.342

7.343

7.343

7.343

waarvan overige personele uitgaven

3.627

22.561

12.988

12.260

9.940

10.713

4.213

Materiele uitgaven

239.482

226.444

211.566

209.708

208.739

208.488

206.391

waarvan bijdrage SSO's

220.333

204.727

196.917

196.340

196.877

196.375

195.637

waarvan ICT

2.122

847

200

200

200

200

200

waarvan overige materiele uitgaven

17.027

20.870

14.449

13.168

11.662

11.913

10.554

        

Ontvangsten

78.343

64.152

19.040

18.864

18.864

18.864

18.763

In deze tabel zijn de apparaatsuitgaven van het kerndepartement opgenomen, inclusief het Huis voor Klokkenluiders (HvK) en de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB). De reeks is exclusief de apparaatsuitgaven van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). Deze zijn vanwege het specifieke karakter begroot op beleidsartikel 2.

B. Totaaloverzicht apparaatsuitgaven en -kosten inclusief agentschappen en ZBO/RWT's

De apparaatskosten van BZK bestaan uit de apparaatsuitgaven voor het kerndepartement, de AIVD en de apparaatskosten voor acht baten-lastenagentschappen. In onderstaande tabel staan de structurele apparaatsuitgaven van het kerndepartement en de AIVD aangegeven.

Tabel 23 Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten inclusief agentschappen en ZBO's/RWT's (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Totaal apparaatsuitgaven ministerie

746.564

793.286

722.841

711.587

704.090

702.305

688.791

Kerndepartement

467.234

492.710

422.136

409.324

401.698

400.495

386.980

Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD)

279.330

300.576

300.705

302.263

302.392

301.810

301.811

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de apparaatskosten van de baten-lastenagentschappen, de Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO’s) en de Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT’s).

Tabel 24 Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten agentschappen en ZBO's/RWT's (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Totaal apparaatskosten agentschappen

1.314.739

1.341.106

1.429.909

1.434.160

1.409.357

1.447.551

1.447.689

RvIG

106.660

102.975

107.188

99.293

87.034

129.738

139.605

Logius

207.100

233.702

235.455

239.180

229.996

228.093

219.670

P-Direkt

89.583

91.897

101.467

101.266

99.218

97.929

97.406

UBR

271.502

264.841

285.108

285.108

285.108

285.108

285.108

FMH

128.643

130.471

138.228

138.228

138.228

138.228

138.228

SSC-ICT

216.197

212.705

232.567

241.870

241.870

241.870

241.870

RVB

285.477

292.810

317.085

316.600

315.599

314.390

313.699

DHC

9.577

11.705

12.811

12.616

12.304

12.195

12.103

        

Totaal apparaatskosten ZBO's en RWT's1

192.193

227.860

223.285

214.482

212.948

209.248

209.248

Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP)

1.193

1.360

1.385

1.382

1.348

1.348

1.348

Kadaster

191.000

226.500

221.900

213.100

211.600

207.900

207.900

X Noot
1

BZK verstrekt bijdragen aan vijf begrotingsgefinancierde ZBO’s en RWT’s: Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP), Huis voor Klokkenluiders (HVK) de Huurcommissie, het Kadaster en de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB). De apparaatskosten van het HvK, de TloKB en de Huurcommissie zijn hier niet vermeld, omdat ze respectievelijk worden bekostigd vanuit de apparaatskosten van het kerndepartement (artikel 11) en de apparaatskosten van het agentschap Dienst van de Huurcommissie (DHC). Bij de SAIP worden de apparaatskosten niet alleen door BZK gefinancierd, maar ook door andere opdrachtgevende ministeries en derden. Voor meer informatie over de ZBO’s en RWT’s van BZK zie de bijlage ZBO’s en RWT’s in de begrotingshoofdstukken IIB en VII.

Apparaatsuitgaven per Directoraat Generaal

Om de Tweede Kamer inzicht te bieden in de apparaatsuitgaven per beleidsterrein wordt in onderstaande tabel weergegeven wat de apparaatsuitgaven zijn per onderdeel van het Ministerie van BZK.

Tabel 25 Apparaatsuitgaven per Directoraat Generaal (bedragen x € 1.000)

Directoraat Generaal

2021

Algemene Bestuursdienst (Bureau ABD)

36.801

Bestuur, Ruimte en Wonen (DGBRW)

5.889

Koninkrijksrelaties (DGKR)

1.400

Omgevingswet (PDGOW)

4.713

Overheidsorganisatie (DGOO)

178.830

Vastgoed en Bedrijfsvoering Rijk (DGVBR)

12.545

SG-cluster (SGC)

177.938

Huis voor Klokkenluiders (HVK)

3.700

Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB)

320

  

Totaal apparaat

422.136

4.2 Artikel 12. Algemeen

A. Budgettaire gevolgen

Tabel 26 Budgettaire gevolgen, niet-beleidsartikel 12 Algemeen (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

68.482

42.357

12.706

11.308

10.933

10.963

10.948

        

Uitgaven

66.964

42.357

12.706

11.308

10.933

10.963

10.948

        

Subsidies (regelingen)

979

958

906

758

533

463

448

Diverse subsidies

929

906

854

706

481

411

396

Koninklijk Paleis Amsterdam

50

52

52

52

52

52

52

Opdrachten

621

722

822

822

672

772

772

(Inter)nationale samenwerking

385

376

507

507

357

357

357

Diverse opdrachten

236

346

315

315

315

415

415

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

41

0

0

0

0

0

0

Diverse bijdragen

41

0

0

0

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

119

0

0

0

0

0

0

Diverse bijdragen

119

0

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

22.435

9.000

0

0

0

0

0

SSC-ICT (eigenaarsbijdrage)

22.435

9.000

0

0

0

0

0

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

42.769

31.677

10.978

9.728

9.728

9.728

9.728

Financiën en Nationale Schuld (Belastingdienst)

42.744

31.677

10.978

9.728

9.728

9.728

9.728

Justitie en Veiligheid (H6)

25

0

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

13.145

13.200

0

0

0

0

0

B. Toelichting op de financiële instrumenten

12.1 Algemeen

Subsidies (regelingen)

Diverse subsidies

Dit betreft voornamelijk een subsidie aan de Stichting Parlementaire Geschiedenis voor exploitatie van het Centrum Parlementaire Geschiedenis (CPG). Daarnaast betreft het een subsidie voor een wetenschappelijk samenwerkingsverband van de AIVD met de Technische Universiteit Delft. Omdat artikel 2 "Nationale veiligheid" een apparaatsartikel is waar geen subsidies opgenomen kunnen worden, wordt de subsidie via artikel 12 "Algemeen" verstrekt.

Koninklijk Paleis Amsterdam

Dit betreft de jaarlijkse subsidie voor de openstelling van het Koninklijk Paleis Amsterdam.

Opdrachten

(Inter)nationale samenwerking

Het betreft middelen voor het versterken van de strategische, constitutionele en wetgevende, internationale en economische advisering voor BZK breed. De advisering dient als verbindende spil tussen de (beleids)directies onderling en de politieke en ambtelijke leiding. Hier worden opdrachten verstrekt die ondersteunend zijn aan bovengenoemd doel en daarbij vaak een (specifiek) beleidsveld overstijgend karakter hebben.

Diverse opdrachten

Een veilige informatievoorziening en verbetering van de ICT is een prioriteit. De CIO-office van het departement zorgt voor samenhang in de informatievoorziening en voor de verdere versterking van de beheersing van projecten met een ICT-component, waaronder het meehelpen bij het doorvertalen van beleidsdoelen naar ICT. Het budget voor de CIO-office wordt aangewend om bij te dragen aan de verdere inrichting van strategische advisering en toezicht, IT-governance en securitygovernance, informatievoorziening en professionalisering.

Voorts zijn middelen bestemd voor de inrichting van de crisisbeheersings-organisatie bij BZK en voor fysieke- en informatiebeveiliging van de organisatie op basis van risicomanagement. Naast bovenstaande zal bijzondere aandacht uitgaan naar de verdere versterking en inrichting van de adviescapaciteit op het gebied van Openbare Orde, Inlichtingen en Veiligheid.

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

Financiën en Nationale Schuld (Belastingdienst)

Over de winst op een aantal activiteiten op de begroting van BZK en daaronder vallende agentschappen moet vennootschapsbelasting (VPB) worden afgedragen. Het Ministerie van BZK ontvangt één aanslag van de Belastingdienst. Deze wordt verantwoord op dit artikel. De uitgave aan VPB betreft de verwachte naheffing over 2019 en de voorlopige aanslag voor 2020 over de winst op de generale en een deel van de specifieke ontvangsten van artikel 9 (Uitvoering Rijksvastgoedbeleid) van deze begroting.

4.3 Artikel 13. Nog onverdeeld

A. Budgettaire gevolgen

Tabel 27 Budgettaire gevolgen, niet-beleidsartikel 13 Nominaal en onvoorzien (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

        

Uitgaven

0

0

0

0

0

0

0

waarvan juridisch verplicht

       
        

Nog te verdelen

0

0

0

0

0

0

0

Loonbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

Onvoorzien

0

0

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

5. Begroting agentschappen

5.1 Rijksdienst voor identiteitsgegevens (RvIG)

Inleiding

De Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) is de autoriteit en regisseur van het veilig en betrouwbaar gebruik van identiteitsgegevens en is de uitvoeringsorganisatie op het gebied van persoonsgegevens en reisdocumenten voor het Koninkrijk der Nederlanden. In een constant veranderende samenleving is de veiligheid en betrouwbaarheid van identiteitsgegevens van essentieel belang.

RvIG streeft samen met ketenpartners naar een uitstekende dienstverlening voor burgers. Zowel analoog als digitaal, en toekomstbestendig door innovatie.

RvIG is verantwoordelijk voor de volgende diensten:

  • de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP);

  • de beheervoorziening burgerservicenummer (BV-BSN);

  • het systeem van aanvraag, productie en distributie van reisdocumenten;

  • de persoonsinformatievoorziening van het Caribisch gebied (PIVA);

  • het beheren van voorzieningen ten behoeve van het eIDAS-stelsel;

  • het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude en –fouten (CMI);

  • de Landelijke Aanpak Adreskwaliteit (LAA).

Ontwikkelingen

RvIG vervult een rol in de strategische Digitale agenda Rijkdienst. Hierbij wordt samengewerkt met publieke-, private- en wetenschappelijke partijen. In 2021 worden diverse onderwerpen, waaronder het inzetten van nieuwe technologieën voor authenticatie- en identificatie van personen en persoonsgegevens, nader uitgewerkt. Dit betreft onder andere het zorgen voor een betrouwbare digitale identiteit waarbij de burger meer regie heeft over zijn eigen gegevens (Self Sovereign Identity). Ook het onderzoek naar documentloos reizen zal voortgang vinden (Known Traveler Digital Identity en V-ID).

In 2021 wordt uitvoering gegeven aan de implementatie van de EU-verordening met betrekking tot biometrie op identiteitskaarten, welke per 2 augustus 2021 van kracht zal zijn.

Voor de BRP wordt gewerkt aan een toekomstagenda met als doel om op beheersbare wijze stapsgewijze verbeteringen door te voeren. In het bijzonder is aandacht voor de aanpak van migrantenproblematiek en het versterken van de registratie van het verblijf.

Voor het BSN lopen er ontwikkelingen die kunnen leiden tot een breder gebruik en dus een intensivering met zich mee kan brengen. Daarnaast wordt de implementatie van het BSN binnen Caribisch Nederland voorbereid in opmaat naar de overgang naar de Nederlandse Identiteitsinfrastructuur.

Bij het CMI blijft het aantal meldingen over identiteitsfraude fors toenemen en zal extra aandacht worden besteed aan awareness en de kopieID-app. Daarnaast wordt, mede bij de ontwikkelingen van de digitale identiteit, onderzocht welke preventieve maatregelen aanvullend getroffen kunnen worden. Aanvullend wordt per januari 2021 een meldpunt voor fouten in basisregistraties ingericht waar burgers en geregistreerden zich tot kunnen wenden als zij vastlopen binnen de overheid. De fouten op het terrein van Identiteit kunnen daarin worden meegenomen.

Basis Registratie Personen (BRP)

Op basis van de Wet BRP voert RvIG het beheer over de registratie van ingezetenen, BRP en de Registratie niet-ingezetenen (RNI). Deze registraties hebben als doel om alle overheidsorganisaties te kunnen voorzien van dezelfde persoonsgegevens van de inwoners van ons land. Hierdoor hoeven andere overheden die informatie niet steeds weer bij de burger uit te vragen. Dit zorgt voor een efficiënte dienstverlening en voor minder administratieve lasten voor de burger.

Burgerservicenummer (BSN)

RvIG is verantwoordelijk voor de beheervoorziening BSN. Hieronder valt het beheer van de voorziening voor het genereren, distribueren, toekennen en beheren van Burgerservicenummers. Daarnaast beheert RvIG het foutenmeldpunt voor het melden van vermoedens over BSN-nummerfouten en worden mogelijk dubbelinschrijvingen gecontroleerd via de voorziening permanente monitoring dubbelinschrijvingen.

Reisdocumenten

RvIG ziet in haar verantwoordelijkheid voor het reisdocumentenstelsel toe op de productie van paspoorten en Nederlandse identiteitskaarten (NIK) en het aanvraag- en uitgifte proces bij uitgevende instanties. Daarnaast beheert RvIG de registers ‘Register Paspoortsignalering’ (RPS), Basisregister 'Reisdocumenten’ (BRR) en ‘Verificatieregister Reisdocumenten’ (VR).

In 2021 gaat RvIG verder met de verbetering van het reisdocumentenstelsel. Hierbij wordt onder andere het aanvraag- en uitgifteproces onder handen genomen. Op dit moment vereisen deze kennisintensieve processen nog veel handmatige handelingen. Een simpeler en minder mens-afhankelijk proces zal worden ingericht met als doel o.a. onterechte verstrekking van reisdocumenten en onterecht vervallen van reisdocumenten te voorkomen en zo het betrouwbare imago van het Nederlandse reisdocument hoog te houden. Deze verbetering van het reisdocumentenstelsel (VRS) legt ook de basis voor veranderingen die op termijn in de nog te ontwikkelen visie kunnen worden doorgevoerd.

Caribisch gebied

In 2021 wordt gezamenlijk met de Openbare Lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Caribisch Nederland) gewerkt aan verdere kwaliteitsverbetering van de bevolkingsadministraties. In samenwerking met het Openbaar Lichaam Sint Eustatius wordt over de periode 1 maart 2017 tot 1 maart 2021 duurzame ondersteuning geboden in de vorm van personele inzet van RvIG medewerkers bij de afdeling burgerzaken. Voorbereidingen over de ondersteuning na maart 2021 worden onderzocht. De Openbare Lichamen en landen binnen het Koninkrijk worden nauw betrokken bij de verbetering van het reisdocumentenstelsel.

Electronic Identification Authentication and Trust Services (eIDAS)

Met ingang van 2019 voert RvIG het stelselbeheer over één van de voorzieningen binnen eIDAS. Deze voorziening zorgt ervoor dat op basis van de uit Europa meegegeven set aan gegevens, via een bevraging in de beheervoorziening BSN, een BSN van de betreffende persoon wordt gezocht. Een dienstverlener kan op basis van het BSN zijn diensten aan de burger verlenen. Daarnaast is RvIG in het kader van eIDAS verantwoordelijk voor de toetsing op het gebruik van BSN’s door eIDAS uitvoerende instanties.

Centraal Meldpunt Identiteitsfraude en –fouten (CMI)

RvIG begeleidt naast slachtoffers van identiteitsfraude ook burgers met fouten met betrekking tot hun persoonsgegevens. RvIG fungeert als ketenregisseur en schakelt indien nodig ketenpartners zoals Politie, Belastingdienst, RDW, IND en Logius in.

Landelijke aanpak adreskwaliteit (LAA) 

De LAA kan gezien worden als de samenwerking van de toekomst. Rijksoverheid en uitvoeringsorganisaties werken nauw samen met gemeenten om op basis van risicosignalen risicoadressen te onderzoeken, waarbij ook een huisbezoek wordt afgelegd. Deze intensieve manier van samenwerken over alle lagen van de overheid heen is van grote meerwaarde voor de kwaliteit van de BRP, helpt in het oplossen van maatschappelijke problemen en is tegelijkertijd een effectieve werkwijze in het kader van adres gerelateerde fraude.

Staat van baten en lasten

Tabel 28 Begroting van baten-lastenagentschap RvIG voor het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)
 

Stand Slotwet 2019

Vastgestelde begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

       

Omzet

100.900

73.971

73.619

71.164

66.658

163.972

180.624

waarvan omzet moederdepartement

41.702

48.284

44.493

39.471

41.064

42.811

43.113

waarvan omzet overige departementen

0

0

0

0

0

0

0

waarvan omzet derden

59.198

25.687

29.126

31.693

25.594

121.161

137.511

Vrijval voorzieningen

5.548

27.950

31.898

27.120

21.331

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

106.448

101.921

105.517

98.284

87.989

163.972

180.624

        

Lasten

       

Apparaatskosten

106.660

102.975

107.188

99.293

87.034

129.738

139.605

- Personele kosten

27.335

29.346

29.362

28.679

27.659

28.041

26.433

waarvan eigen personeel

15.946

16.702

22.016

22.751

23.093

23.437

23.790

waarvan inhuur externen

10.872

12.644

7.346

5.928

4.566

4.604

2.643

waarvan overige personele kosten

517

0

0

0

0

0

0

- Materiële kosten

79.325

73.629

77.826

70.614

59.375

101.697

113.172

waarvan apparaat ICT

956

850

958

889

889

889

889

waarvan bijdrage aan SSO's

110

275

275

275

275

275

275

waarvan overige materiële kosten

78.259

72.504

76.593

69.450

58.211

100.533

112.008

Afschrijvingskosten

1.144

2.083

3.146

3.146

3.146

3.146

3.146

- Materieel

812

2.083

3.146

3.146

3.146

3.146

3.146

waarvan apparaat ICT

0

1.970

50

50

50

50

50

- Immaterieel

332

0

0

0

0

0

0

Dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

31.088

37.873

Overige kosten

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Rentelasten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

107.804

105.058

110.334

102.439

90.180

163.972

180.624

        

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

‒ 1.356

‒ 3.137

‒ 4.817

‒ 4.155

‒ 2.191

0

0

Agentschapsdeel Vpb-lasten

0

0

0

0

0

0

0

        

Saldo van baten en lasten

‒ 1.356

‒ 3.137

‒ 4.817

‒ 4.155

‒ 2.191

0

0

Toelichting

Baten

Omzet

De omzet van RvIG is als volgt over de diverse opdrachten begroot:

Tabel 29 Begrootte omzetverdeling RvIG voor het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)
 

Moeder-departement

Overige departementen

Derden

Totaal

BRP

22,7

0

11,4

34,1

BSN

4,9

0

0

4,9

Reisdocumenten

0

0

17,7

17,7

Caribisch Gebied

1,7

0

0

1,7

eIDAS

2,2

0

0

2,2

CMI

1

0

0

1

LAA

10,1

0

0

10,1

Digitale identiteit

1,9

0

0

1,9

     

Totaal

44,5

0

29,1

73,6

Vrijval voorzieningen

Om te voorkomen dat er grote fluctuaties in de kostprijs van reisdocumenten ontstaan als gevolg van de invoering van de 10-jarige geldigheid, heeft RvIG een egalisatiereserve opgebouwd. Deze egalisatiereserve wordt in de dipperiode (2019-2023) aangewend, zodat tarieven in de dipperiode niet hoeven te worden verhoogd als gevolg van de invoering van de 10-jarige geldigheid. Dit maakt realisatie van kostendekkendheid over 10 jaar mogelijk. Vanaf 2019 valt per jaar een deel van het opgebouwde bedrag op de egalisatiereserve vrij om de kostprijs gelijk te houden. In 2021 is dat bedrag € 31,9 mln.

Lasten

Personele kosten

De personele lasten bedragen € 29,4 mln. De verhoging van de eigen personele kosten heeft onder andere te maken met de verambtelijking en de nieuwe taken met betrekking tot eIDAS en LAA. De externe inhuur neemt af ten opzichte van de begroting 2020 ten gevolge de verambtelijking en het afbouwen van het project 4V.

Materiële kosten

Het grootste gedeelte van de lasten betreft de kosten die worden gemaakt voor de productie en distributie van de reisdocumenten, het in stand houden van het BRP-netwerk, het beheer van de centrale verstrekkingvoorziening van de BRP (GBA-V en RNI) en de beheervoorziening BSN, CMI, PIVA-V en Sédula. Voor de uitvoering van de taken maakt RvIG gebruik van geautomatiseerde systemen.

Afschrijvingskosten

Op de materiële activa wordt in 2021 € 3,1 mln. afgeschreven. Dit betreft de afschrijving op de investering van de vernieuwde RvIG-infrastructuur en de in 2019 vervangen systemen ten behoeve van het aanvragen en uitgeven van reisdocumenten.

Saldo van baten en lasten

De kosten voor het beheren van de BRP worden doorberekend aan de gebruikers met een kostendekkend tarief in de vorm van een abonnementsprijs. Deze doorberekening vindt deels via het Ministerie van BZK en deels rechtstreeks aan derden plaats. De kosten voor het beheren van de reisdocumentenketen, innovatie, investering en de kosten van de productie en distributie worden in de huidige systematiek gedekt uit het tarief dat RvIG in rekening brengt bij de uitgevende instanties. De overige opdrachten worden betaald door de opdrachtgever, namelijk het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Uitgangspunt voor de begroting van baten en lasten van RvIG is een kostendekkende exploitatie.

Schuld aan gebruikers BRP

Het exploitatieresultaat over eerdere boekjaren met betrekking tot de BRP wordt met de gebruikers van de BRP vereffend door de staffelprijs van de BRP in 2021 en latere jaren zoveel mogelijk gelijk te houden aan de staffelprijs in 2020. Hierdoor zijn de tarieven in 2021 niet volledig kostendekkend en ontstaat een begroot negatief saldo van baten en lasten. Dit negatieve saldo ad 4,8 mln. wordt met de openstaande schuld aan gebruikers BRP verrekend. Ultimo 2019 bedraagt de openstaande schuld 14,3 mln.

Kasstroomoverzicht

Tabel 30 Kasstroomoverzicht van baten-lastenagentschap RvIG over het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)
  

Stand slotwet 2019

Vastgestelde begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

1.

Rekening courant RHB 1 januari +  depositorekeningen

145.311

120.710

91.706

54.689

24.744

2.630

36.364

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

116.414

73.971

73.619

71.164

66.658

163.972

180.624

 

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

‒ 115.774

‒ 102.975

‒ 107.188

‒ 99.293

‒ 87.034

‒ 129.738

‒ 139.605

2.

Totaal operationele kasstroom

640

‒ 29.004

‒ 33.569

‒ 28.129

‒ 20.376

34.234

41.019

 

-/- totaal investeringen

‒ 15.110

‒ 4.260

‒ 3.448

‒ 1.816

‒ 1.738

‒ 500

‒ 500

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

0

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 15.110

‒ 4.260

‒ 3.448

‒ 1.816

‒ 1.738

‒ 500

‒ 500

 

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

-/- aflossingen op leningen

0

0

0

0

0

0

0

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

0

4.260

0

0

0

0

0

4.

Totaal financieringskasstroom

0

4.260

0

0

0

0

0

5.

Rekening courant RHB 31 december + stand  depositorekeningen (=1+2+3+4)

130.841

91.706

54.689

24.744

2.630

36.364

76.883

Toelichting

Operationele kasstroom

In 2021 vertoont de operationele kasstroom een negatief saldo. Dit wordt met name veroorzaakt doordat vanaf 2019 het aantal aangevraagde 10-jarige reisdocumenten terugloopt, waardoor de kasontvangsten teruglopen.

Investeringskasstroom

Voor 2021 wordt de omvang van de investeringen geraamd op € 3,4 mln. Het grootste deel hiervan betreft investeringen ten behoeve van het programma VRS. Desinvesteringen worden niet verwacht.

Financieringskasstroom

In 2021 wordt naar verwachting geen beroep op de leenfaciliteit gedaan.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Tabel 31 Overzicht doelmatigheidsindicatoren RvIG
 

Stand slotwet 2019

Vastgestelde begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

Omschrijving Generiek Deel

       

Fte-totaal (excl. externe inhuur)

185

215

263

269

269

269

269

Saldo van baten en lasten (%)

‒ 1,3%

‒ 3,0%

‒ 4,4%

‒ 4,1%

‒ 2,4%

0,0%

0,0%

Klanttevredenheid

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

7,7

n.v.t.

7,8

n.v.t.

        

Omschrijving Specifiek Deel

       

Kostprijzen per product (in €)

       

Abonnementsstructuur (B)

2.430

2.430

2.430

2.430

2.430

2.430

2.430

Reisdocumenten: Paspoort 5 jaar

22,60

23,19

23,58

23,98

24,39

24,80

25,22

Reisdocumenten: Paspoort 10 jaar

40,00

41,04

41,74

42,45

43,17

43,90

44,65

Identiteitskaart 5 jaar

5,71

5,86

5,96

6,06

6,16

6,26

6,37

Identiteitskaart 10 jaar

32,59

33,44

34,01

34,59

35,18

35,78

36,39

        

Beschikbaarheid

       

Beschikbaarheid GBA netwerk

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

100,0%

Beschikbaarheid GBA-V

100,0%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

Responsetijd GBA-V

< 3 sec

< 3 sec

< 3 sec

< 3 sec

< 3 sec

< 3 sec

< 3 sec

Beschikbaarheid basisregister

100,0%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

Beschikbaarheid verificatieregister

100,0%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

Beschikbaarheid BSN

100,0%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

99,9%

Toelichting

Fte-totaal

Het aantal fte neemt in 2021 binnen de vastgestelde formatie verder toe, onder andere als gevolg van de in 2019 in beheer genomen nieuwe taken met betrekking tot eIDAS en LAA

Klanttevredenheid

Tweejaarlijks vindt er een klanttevredenheidsonderzoek plaats. Aangezien in 2019 geen klanttevredenheids-onderzoek heeft plaatsgevonden, staat dit onderzoek alsnog gepland voor 2020. Hierdoor verschuift de tweejaarscyclus met een jaar.

Kostprijzen per product

RvIG streeft ernaar om de kostprijzen per product zo constant mogelijk te houden.

De hoogte van de leges die RvIG in rekening brengt bij de uitgevende instanties, zoals de gemeenten, de buitenlandse posten en de Caribische gemeenten (Bonaire, Eustatius en Saba), is exclusief de gemeentelijke leges en eventuele spoedtoeslagen.

Beschikbaarheid

De doelstelling in 2021 met betrekking tot de beschikbaarheid van de diverse ICT-voorzieningen is het halen van de gestelde normen, als opgenomen onder de kwaliteitsindicatoren in bovenstaande tabel.

5.2 Logius

Inleiding

Logius is de dienst digitale overheid en onderdeel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het biedt producten en diensten die organisaties met een publieke taak kunnen gebruiken in hun digitale dienstverlening naar burgers en bedrijven.

Met deze producten en diensten zorgt Logius voor veilige toegang en gegevensuitwisseling binnen de digitale overheid. Dat wordt onder meer gedaan door gebruik te maken van stelsels en standaarden.

Bekende producten van Logius zijn DigiD en MijnOverheid. Dankzij deze producten en diensten kunnen ondernemers digitaal hun belastingaangifte doen, kunnen burgers betrouwbaar en veilig inloggen bij de overheid.

Logius werkt volgens het Scaled Agile Framework (SAFe). Het maakt het mogelijk om kort-cyclisch en wendbaar te kunnen werken en gebruikers, afnemers en leveranciers actief in het productieproces te betrekken. Zo worden de overheid, bedrijven en burgers geholpen bij het snel, eenvoudig en veilig met elkaar digitaal communiceren. Dit alles wordt gedaaan volgens de kenwaarden betrouwbaarheid, vakkundigheid en in eenvoud.

Dienstverlening

Logius biedt dienstverlening op de volgende gebieden:

  • Toegang: Logius biedt inlogmethodes waardoor mensen en organisaties veilig toegang krijgen tot de digitale overheid.

  • Standaarden en stelsels: Via standaarden en stelsels zorgt Logius voor eenduidigheid, herbruikbaarheid en generieke oplossingen binnen de digitale overheid.

  • Gegevensuitwisseling: Logius biedt oplossingen voor elektronisch berichtenverkeer tussen overheden en hun ketenpartners. Dit maakt het ontsluiten en beschikbaar stellen van gegevens mogelijk én hierdoor wordt informatie maar één keer aangeleverd.

Logius voorzien dat naast het borgen van continuïteit en veiligheid van dienstverlening, investeren in het fundament van belang is voor het garanderen van een flexibele en wendbare digitale overheid. De volgende vier elementen vormen tezamen de kapstok voor ons werk in de komende jaren:

  • Continuïteit en veiligheid dienstverlening: Centraal bij Logius staat de continuïteit en veiligheid van de dienstverlening. Dit doet Logius door alles wat het in beheer heeft te onderhouden en hierop kleine doorontwikkeling door te voeren. Dat betekent dat de dienstverlening niet alleen op een solide infrastructuur moet draaien, maar ook blijvend aandacht moet zijn voor beveiligingsaspecten. Incident- en crisismanagement staat dan ook hoog in het vaandel bij Logius.

  • Vernieuwen van het fundament: Logius zet belangrijke stappen om het fundament voor de digitale overheid te vernieuwen, waardoor dit toekomstvast wordt, beter schaalbaar is en flexibel ingezet kan worden. Denk daarbij aan een nieuwe infrastructuur conform cloud-principes en zogeheten microservices. Met deze microservices wordt het mogelijk om bepaalde functionaliteiten generiek te ontwikkelen, zodat hergebruik mogelijk is. Dit is kostenefficiënt. Logius onderneemt hiermee stappen om op termijn af te stappen van ‘grote’, op zichzelf staande voorzieningen. Hiermee wordt de digitale overheid flexibeler, omdat het ons beter in staat stelt in te spelen op nieuwe behoeften.

  • Wet en regelgeving: Logius geeft invulling aan de implementatie van wet- en regelgeving. Denk daarbij aan de wet Digitale Overheid of de Wet elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst. Hiervoor moeten bestaande producten en diensten aangepast worden of moet Logius de dienstverlening richting andere overheidsdienstverleners ontsluiten.

  • Nieuwe ontwikkelingen: Naast het borgen van de continuïteit en veiligheid, het vernieuwen van een toekomstbestendig fundament en het bijdragen aan wet- en regelgeving, draagt Logius ook met nieuwe ontwikkelingen en doorontwikkeling van de dienstverlening bij aan de invulling van de NL Digibeter agenda. Om verder invulling te geven aan de NL Digibeter agenda moet Logius investeren in de ontwikkeling van nieuwe dienstverlening (denk aan de routeringsvoorziening of nieuwe machtigingsoplossingen) en bestaande voorzieningen doorontwikkelen (bijvoorbeeld DigiD Substantieel en Hoog). Hierbij zet Logius ook in op het inrichten van afsprakenstelsels en verdere standaardisatie van de GDI.

  • De sourcing- en verwervingskalender van Logius voor de komende jaren is omvangrijk. Onder andere is er een aantal meerjarige contracten dat afloopt. Dit zorgt voor een stevige workload op het gebied van sourcen, verwerven en migreren, terwijl de dienstverlening daar geen hinder van ondervindt. In 2020 is het Handel en Transport domein (een onderdeel van Digipoort) gemigreerd naar de Douane, dit leidt ertoe dat vaste kosten worden verdeeld over de resterende financieringsbronnen. Qua volume is dit een aanzienlijk deel van de transacties en daardoor is het effect hiervan zichtbaar in de tarieven. Daarnaast is in 2020 het platform dat is ontwikkeld bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat gemigreerd naar Logius, hetgeen een stijging laat zien in de kosten en opbrengsten in 2021 ten opzichte van 2020.

Organisatieontwikkeling

De omvangrijke sourcings- en verwervingskalender met bijbehorende migraties evenals de herbouw van Digipoort zorgen voor een uitdaging waaraan zonder verdere versterking van de formatie de continuïteit en veiligheid van de dienstverlening niet gewaarborgd kan worden. Deze versterking gaat gepaard met professionalisering zoals de introductie van een CIO bij Logius en het versterken van de financiële functie in onze werkwijze. Tegelijkertijd gaat die uitbreiding gefaseerd, vanwege absorptiecapaciteit als organisatie en de betaalbaarheid van onze dienstverlening. In 2021 wordt verder ingezet het leiderschapsprogramma en opleidingen voor alle medewerkers die de nieuwe werkwijze ondersteunen, zoals SAFe-trainingen en trainingen op het gebied van persoonlijke ontwikkeling.

Staat van baten en lasten

Tabel 32 Begroting van baten-lastenagentschap Logius voor het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)
 

Stand Slotwet 2019

1e suppletoire begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

       

Omzet

207.518

234.102

235.855

239.180

229.996

228.093

219.670

waarvan omzet moederdepartement

51.858

59.713

71.925

72.562

69.515

68.539

67.961

waarvan omzet overige departementen

131.177

143.224

124.420

126.645

121.428

120.640

113.972

waarvan omzet derden

24.483

31.165

39.510

39.973

39.053

38.913

37.737

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

207.518

234.102

235.855

239.180

229.996

228.093

219.670

        

Lasten

       

Apparaatskosten

207.100

233.702

235.455

239.180

229.996

228.093

219.670

- Personele kosten

62.348

70.357

73.464

73.731

75.892

75.892

75.892

waarvan eigen personeel

28.491

32.151

37.715

42.465

51.960

51.960

51.960

waarvan inhuur externen

31.238

35.251

32.542

28.059

20.724

20.724

20.724

waarvan overige personele kosten

2.619

2.955

3.207

3.207

3.207

3.207

3.207

- Materiële kosten

144.752

163.345

161.991

165.448

154.104

152.201

143.779

waarvan apparaat ICT

5.249

5.924

5.924

5.924

5.924

5.924

5.924

waarvan bijdrage aan SSO's

403

403

403

403

403

403

403

waarvan overige materiële kosten

139.100

157.019

155.665

159.122

147.778

145.875

137.453

Afschrijvingskosten

402

400

400

0

0

0

0

- Materieel

402

400

400

0

0

0

0

waarvan apparaat ICT

0

0

0

0

0

0

0

- Immaterieel

0

0

0

0

0

0

0

Dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Overige kosten

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere lasten

23

0

0

0

0

0

0

Rentelasten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

207.502

234.102

235.855

239.180

229.996

228.093

219.670

        

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

16

0

0

0

0

0

0

Agentschapsdeel Vpb-lasten

40

0

0

0

0

0

0

        

Saldo van baten en lasten

‒ 24

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Baten

Omzet moederdepartement

De begrote omzet voor 2021 is nagenoeg gelijk aan de begrote omzet voor 2020. De omzet moederdepartement neemt met circa € 12 mln. toe. Deze omzetstijging wordt gerealiseerd door de bijdrage in de herbouw Digipoort van € 4,4 mln., de ontwikkeling van het Logius Cloud Platform van € 4 mln., en het beheer van aan MijnOverheid gerelateerde smartphone applicaties van € 0,8 mln. Tot slot sluit de service officiële bekendmakingen in 2021 aan op MijnOverheid, waarmee € 0,9 mln. gemoeid is en wordt de laatste € 2 mln. omzetstijging gerealiseerd door een bijdrage van het moederdepartement voor dienstverlenging die via het Gemeentefonds verrekend wordt.

Omzet overige departementen

De omzet voor overige departementen daalt met circa € 19 mln. vanwege het vertrek van het Handel & Transport domein naar de Douane (€ 25 mln.) en stijgt door de insourcing van het platform van het Ministerie van IenW (€ 3 mln.) en aandeel van overige departementen in de reguliere dienstverlening (€ 3 mln.).

Omzet derden

De omzet van derden stijgt met circa € 8 mln. ten opzichte van 2020 en dit is voor het belangrijkste deel (€ 5 mln.) te verklaren doordat de UWV gebruik is gaan maken van DigiD Machtigen.

Onderstaande tabel geeft de omzetverdeling weer van het beheer, exploitatie en doorontwikkeling van de dienstverlening.

Tabel 33 Begrootte omzetverdeling Logius voor het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)

Dienstverlening

Moederdepartement

Overige departementen

Derden

Totaal

Beheer & exploitatie

24.975

124.422

39.510

188.904

- Stelselvoorziening

551

12.777

2.409

15.737

- Samenwerkende Catalogi

18

402

76

496

- PKIOverheid

67

1.558

294

1.919

- Digitoegankelijkheid

17

406

77

500

- Haagse Ring

586

6.324

0

6.910

- Netwerkvoorziening

169

1.826

0

1.995

- DigiD

1.951

22.499

14.706

39.156

- MijnOverheid

1.731

23.323

10.531

35.585

- DigiD Machtigingen

0

11.856

5.191

17.047

- Digipoort SBR

838

25.218

3.457

29.512

- Digipoort H&T

0

0

0

0

- Digipoort FS

0

1.899

306

2.204

- Digipoort OTP

0

400

0

400

- Digipoort e-Factureren

238

4.419

0

4.656

- Digipoort Sociaal

0

0

1.663

1.663

- DigiInkoop

285

5.292

0

5.577

- Centrale Catalogi

0

856

0

856

- Diginetwerk

111

418

324

853

- eHerkenning

3.961

0

0

3.961

- Bureau Forum & Standaardisatie

1.442

700

0

2.142

- eID (BSNk, Routeringsvoorziening)

12.791

0

0

12.791

- Standaardplatform

219

4.249

476

4.944

Doorontwikkelingen

46.951

0

0

46.951

- Investeringspost (ICM)

35.000

0

0

35.000

- Beleidsopdrachten

11.951

0

0

11.951

     

Totaal

71.926

124.422

39.510

235.855

Lasten

De overdracht H&T naar de Douane leidt tot verlies van transactiebasis om generieke kosten over te verdelen. Dit leidt tot een stijging van 4,1 mln. op generieke kosten bij de andere producten.

Personele kosten

Ten opzichte van de begroting 2020 stijgen de personele kosten met € 3,1 mln. Belangrijke redenen voor de stijging zijn: de insourcing van het platform van het Ministerie van IenW dit leidt tot een stijging van € 2,4 mln., de gefaseerde versterking van de formatie met € 1,9 mln., de inzet op de smartphone applicaties en de service officiële bekendmakingen € 0,6 mln., indexatie voor externe inhuur € 0,6 mln. en het team dat het Logius Cloud Platform beheert € 4,0 mln. Verder was in 2020 een taakstelling voor MijnOverheid opgenomen van €1,9 mln. die niet realiseerbaar blijkt en daarom in 2021 weer in de kosten is opgenomen. Hiernaast zorgt de migratie van het Handel en Transport domein (een onderdeel van Digipoort) naar de Douane voor een daling met € 3,8 mln. Ook de verambtelijking die voortvloeit uit het huidige en nieuwe formatieplan zorgt voor een daling van € 4,5 mln.

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan voor het grootste deel uit contractkosten voor de dienstverlening van Logius, zoals deze zijn opgenomen bij de omzet. Deze kosten vallen onder overig materieel en bestaan uit kosten voor leveranciers die zorgen voor o.a. applicatiebeheer, infrastructuurbeheer en hosting van de producten. Daarnaast vallen hieronder de contractkosten voor bedrijfsvoering. Een klein deel van de materiële kosten, de kantoorautomatisering en huisvesting, valt onder apparaat ICT en bijdrage SSO’s. De afschrijvingen betreffen afschrijvingskosten voor de investeringen uit 2016 van de migratie van de Digipoort.

Ten opzichte van de begroting 2020 dalen de materiële kosten met € 1,4 mln. Er is sprake van een daling van € 21,1 mln. als gevolg van de migratie van het Handel & Transport domein naar de Douane. Daar staan tegenover een aantal kostenstijgingen. De herbouw van Digipoort leidt tot € 4,4 mln. aan stijging van de kosten. Door de nieuwe aanbesteding van de infrastructuur zullen de voorzieningen gemigreerd worden naar de nieuwe infrastructuur leverancier. Dit kan niet in één keer en systemen zullen tijdelijk moeten dubbeldraaien (4 maanden). Dit leidt tot een stijging van € 2,9 mln. van de kosten. De insourcing van het IenW platform leidt tot een toename van de kosten met € 1,6 mln. Nieuwe dienstverlening zoals smartphone applicaties en de service officiële bekendmakingen leidt tot een stijging van €1,1 mln. Verder was in 2020 een taakstelling voor MijnOverheid opgenomen die niet realiseerbaar blijkt. Deze kosten zijn weer in 2021 opgenomen en leiden tot een stijging van € 4,4 mln. Verder zorgt indexatie voor een stijging van de materiële kosten met € 2,5 mln. Tot slot zorgen overige contract aanpassingen voor een stijging van € 2,8 mln.

Saldo van baten en lasten

Logius heeft een sluitend saldo van baten en lasten begroot voor 2021. Op dit begrote saldo is het volgende risico van toepassing, mogelijk kan het platform van het Ministerie van IenW niet kostendekkend geëxplodeerd worden in 2021 in dat geval is afgesproken dat Logius en het Ministerie van IenW beide 50% bijdragen in dit tekort. Het tekort bedraagt naar verwachting maximaal € 0,7 mln. in 2021 en € 0,3 mln. in 2022.

Kasstroomoverzicht

Tabel 34 Kasstroomoverzicht van baten-lastenagentschap Logius over het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)
  

Stand slotwet 2019

1e suppletoire begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

1.

Rekening courant RHB 1 januari +  depositorekeningen

67.670

72.404

72.404

72.404

72.404

72.404

72.404

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

234.362

234.102

235.855

239.180

229.996

228.093

219.670

 

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

‒ 229.218

‒ 233.832

‒ 235.855

‒ 239.180

‒ 229.996

‒ 228.093

‒ 219.670

2.

Totaal operationele kasstroom

5.144

270

0

0

0

0

0

 

-/- totaal investeringen

0

0

‒ 6.100

‒ 9.700

‒ 9.900

‒ 5.200

‒ 2.100

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

0

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

0

0

‒ 6.100

‒ 9.700

‒ 9.900

‒ 5.200

‒ 2.100

 

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

-/- aflossingen op leningen

‒ 410

‒ 270

0

0

0

0

0

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

0

0

6.100

9.700

9.900

5.200

2.100

4.

Totaal financieringskasstroom

‒ 410

‒ 270

6.100

9.700

9.900

5.200

2.100

5.

Rekening courant RHB 31 december + stand  depositorekeningen (=1+2+3+4)

72.404

72.404

72.404

72.404

72.404

72.404

72.404

Toelichting

Investeringskasstroom

Vanaf 2021 tot en met 2025 wordt geïnvesteerd in de herbouw van Digipoort. Eind 2025 wordt bij de in gebruik name van het herbouwde Digipoort de investering geactiveerd en gaan de afschrijvingskosten landen in de beheer & exploitatiekosten van Digipoort.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Tabel 35 Overzicht doelmatigheidsindicatoren Logius
 

Stand slotwet 2019

Vastgestelde begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

Omschrijving Generiek Deel

       

Verloop kostprijs (basisjaar 2017 = 100)

139

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Verloop kostprijs MijnOverheid

€ 0,47

€ 0,40

€ 0,40

€ 0,40

€ 0,40

€ 0,40

€ 0,40

Verloop kostprijs DigiD

€ 0,12

€ 0,14

€ 0,14

€ 0,14

€ 0,14

€ 0,14

€ 0,14

Verloop kostprijs DigiD Machtigen

€ 0,71

€ 0,73

€ 0,66

n.t.b.

n.t.b.

n.t.b.

n.t.b.

Verloop tarieven (basisjaar 2011 = 100)

94

n.v.t.

94

94

94

94

94

Verloop uurtarief

n.v.t.

83,14

80,24

75,15

74,64

74,64

74,64

Doorlichting BLA's

n.v.t.

n.v.t.

gepland

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Totale omzet Logius

€ 208 mln.

€ 221 mln.

€ 234 mln.

€ 237 mln.

€ 228 mln.

€ 226 mln.

€ 218 mln.

        

Fte overhead

23%

n.v.t.

23%

23%

23%

23%

23%

Fte-totaal (excl. externe inhuur)

329

347

447

547

547

547

547

Saldo van baten en lasten (%)

‒ 0,02%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

Klanttevredenheid (KTO)

niet uitgevoerd

gepland

n.v.t.

7

n.v.t.

7

n.v.t.

Medewerkerstevredenheidsonderzoek (MTO)

7,0

gepland

n.v.t.

7

n.v.t.

7

n.v.t.

Benchmark

uitgevoerd

gepland

gepland

gepland

gepland

gepland

gepland

        

Omschrijving Specifiek Deel

       

DigiD

       

* Aantal DigiD authenticaties

341 mln.

317 mln.

352 mln.

352 mln.

352 mln.

352 mln.

352 mln.

MijnOverheid

       

* Aantal berichten

81 mln.

83 mln.

88 mln.

88 mln.

88 mln.

88 mln.

88 mln.

Digipoort (OTP)

       

* Aantal berichten via Digipoort

193 mln.

197 mln.

193 mln.

197 mln.

67 mln.

67 mln.

67 mln.

        

Beschikbaarheid Dienstverlening

       

DigiD

99,89%

99,50%

99,50%

99,50%

99,50%

99,50%

99,50%

DigiD Machtigen

100,00%

99,50%

99,50%

99,50%

99,50%

99,50%

99,50%

MijnOverheid

99,75%

99,00%

99,00%

99,00%

99,00%

99,00%

99,00%

PKIoverheid

100,00%

99,00%

99,00%

99,00%

99,00%

99,00%

99,00%

Diginetwerk

100,00%

99,90%

99,90%

99,90%

99,90%

99,90%

99,90%

Stelseldiensten (Digimelding, Digilevering, OIN-register, Stelselcatalogus)

100,00%

98,00%

98,00%

98,00%

98,00%

98,00%

98,00%

Digipoort; Procesinfrastructuur (SBR)

       

- Operational Excellence

99,72%

99,70%

99,70%

99,70%

99,70%

99,70%

99,70%

- Baseline

99,06%

95,00%

95,00%

95,00%

95,00%

95,00%

95,00%

- B2

98,96%

99,70%

99,70%

99,70%

99,70%

99,70%

99,70%

Digipoort Single Window

100,00%

99,70%

99,70%

99,70%

99,70%

99,70%

99,70%

Digipoort Logistieke stromen

100,00%

99,70%

99,70%

99,70%

99,70%

99,70%

99,70%

BSN Koppelregister

99,85%

99,20%

99,20%

99,20%

99,20%

99,20%

99,20%

        

Beschikbaarheid eestelijns burgerondersteuning

       

Aanname % Calls ‒ 1e lijns klantcontactcenter

       

- DigiD en DigiD Machtigen

88,00%

97,00%

97,00%

97,00%

97,00%

97,00%

97,00%

- MijnOverheid

99,00%

97,00%

97,00%

97,00%

97,00%

97,00%

97,00%

ServiceLevel Calls 80/20 ‒ 1e lijns klantcontactcenter

       

- DigiD en DigiD Machtigen

60,00%

80,00%

80,00%

80,00%

80,00%

80,00%

80,00%

- MijnOverheid

84,00%

80,00%

80,00%

80,00%

80,00%

80,00%

80,00%

Toelichting

DigiD machtigingen

Voor het gebruik door afnemers is geen opgave gedaan voor de periode na 2021 omdat er voor deze periode te veel onzekerheden zijn. Het tarief voor het gebruik van een machtiging is sterk afhankelijk van besluitvorming en activiteiten rondom het Programma Machtigen, doorontwikkeling, aansluiten en gebruik. Daarom is het nu niet mogelijk om een meerjarenraming af te geven.

Voor de periode na 2021 is op dit moment de verwachting dat het gebruik van DigiD machtigen relatief sterker omhoog gaat dan de exploitatiekosten, en dan dit een dalend effect heeft op de tariefontwikkeling. De toename in gebruik in 2021 wordt verklaard door het aansluiten van UWV op DigiD Machtigen in 2020.

Uurtarief

Het uurtarief daalt van 2021 tot en met 2023 dit komt door geplande verambtelijking van het tot nu toe extern ingehuurde personeel.

Fte totaal

In 2021 stijgt het aantal fte met honderd, waarvan vijfenveertig fte verambtelijking betreft en vijfenvijftig fte versterking van de formatie. In 2022 stijgt het aantal fte wederom met honderd, waarvan vijfenveertig fte verambtelijking betreft en vijfenvijftig fte versterking van de formatie. Dit betreft fte standen ultimo van de jaren, financieel zijn deze stijgingen gemiddeld meegenomen.

Berichten MijnOverheid

Logius stelt als doel om 88 mln. berichten te realiseren. Hiervoor is een actieplan opgesteld, waarbij de focus ligt op de Zorgsector en de J&V keten. Deze extra toename is alleen haalbaar indien dit gezamenlijk (als overheid) wordt opgepakt met een duidelijk perspectief van berichtprijsontwikkeling (position paper in kader van herijking FBS).

5.3 P-Direkt

Inleiding

P-Direkt levert voor circa 138.000 medewerkers en managers, werkzaam binnen de Rijksoverheid, moderne, efficiënte, betrouwbare en direct toegankelijke administratieve dienstverlening voor personeelszaken. De personeelsadministratie, salarisbetaling en informatievoorziening zijn belangrijke eindproducten. Onze dienstverlening wordt gewaardeerd met minimaal een 7.

De kernwaarden van P-Direkt zijn betrouwbaar, efficiënt, klantgericht en innovatief (BEKI). Met elkaar en in deze volgorde geven deze kernwaarden richting aan de ontwikkeling van de dienstverlening van P-Direkt. In het nieuwe masterplan 2020-2025 geeft P-Direkt inzicht hoe de dienstverlening zich in de komende vijf jaar ontwikkelt en hoe P-Direkt in kan spelen op nieuwe ontwikkelingen. Dit alles gebeurt naar aanleiding van de behoefte, in overleg met en in opdracht van de opdrachtgevers en de afnemers en wordt vastgelegd in het periodiek Bestuurlijk Overleg. De hoofdpunten voor 2021 zijn hierna samengevat.

Doorontwikkelen van de huidige dienstverlening

De technologische ontwikkeling gaat snel. Dit opent mogelijkheden om onze bestaande diensten te verbeteren. P-Direkt blijft zich ook in 2021 richten op een moeiteloze zelfservice via een breed palet aan kanalen en een passende informatievoorziening. Daarbij is er specifieke aandacht voor de digi-toegankelijkheid van de groeiende stroom gebruikers met een fysieke beperking. Daarnaast wordt in 2021 een start gemaakt met het vernieuwen van de dashboards en rapporten. Hier is de inzet om meer flexibilteit, snelheid en gebruiksgemak te leveren. Voor informatiespecialisten is het streven om meer zelfservicemogelijkheden te bieden. Met betrekking tot de P-Dossiers werkt P-Direkt aan het verbeteren van de processen rondom dossiervorming, -beheer en –vernietiging.

Verbreden van de dienstverlening

P-Direkt draagt vanuit de bedrijfsvoering bij aan grenzeloos samenwerken en de uitvoering van het strategisch personeelsbeleid Rijk. Dat gaat verder dan alleen dienstverlening op het snijvlak van ICT-en HR- administratie. Daarbij staat voorop dat verbreding moet passen bij de kernwaarden.

  • De digitalisering neemt toe en daarmee ook de kansen en mogelijkheden. Binnen het Rijk klinkt de roep om om e-HRM. In de komende jaren ziet P-Direkt kansen om HR-processen meer en beter te ondersteunen. 

  • Met de toenemende digitalisering neemt de roep om het veilig en vertrouwd ontsluiten van (persoons)gegevens toe. Het streven daarbij is om (persoons)gegevens eenmalig vast te leggen en deze als ‘single source of truth’ te ontsluiten. Hierdoor ontstaat er één bron voor het ontsluiten en koppelen van deze data binnen het Rijk. De wens van P-Direkt om actief te zijn op het gebied van Rijksindentiteiten sluit hierbij aan. P-Direkt heeft de ambitie om op het identiteitendomein een Identiteits Basis Administratie (IBA) op te zetten die de basis gaat vormen voor alle personeelszaken en een (veilige) schakel voor ketenpartners, voor het on- en offboarden van medewerkers en voor het verstrekken van devices.

  • Een andere logische stap in de verbreding van de dienstverlening van P-Direkt is de ontwikkeling van een Rijksbrede roosterapplicatie. Decentraal kunnen organisaties deze roosterapplicatie inzetten om hun eigen roosters te maken. Aan roosters hangen verschillende belonings- en salariscomponenten. P-Direkt zorgt er met de applicatie voor dat direct de juiste componenten worden meegenomen bij de salarisbetaling.

  • Met UBR-P samen blijft P-Direkt werken aan gezamenlijke dienstverlening rondom werving en selectie.

Verdiepen van de dienstverlening

P-Direkt wil de bestaande dienstverlening op een drietal gebieden verdiepen.

  • Binnen de bestaande dienstverlening gebruikt P-Direkt data om stakeholders goed te kunnen bedienen. Door de inzet van data is er echer nog veel meer meerwaarde te leveren. De inzet van data bij beleid, uitvoering, bedrijfsvoering en toezicht kan leiden tot efficiëntere en betere processen. De Rijksoverheid wil data innovatief inzetten en steeds meer toewerken naar een data-gedreven overheid.

  • Als uitvoeringsorganisatie beschikt P-Direkt over veel kennis op het gebied van rechtspositie, verlof en verzuim, privacy, belastingen en uitvoering. P-Direkt wil voldoen aan de behoefte bij de afnemers (o.a. in het kader van de jaarlijkse CAO-onderhandelingen) om deze kennis proactief in te zetten door mee te denken en te adviseren over wet- en procesharmonisatie en een betere rechtspositie in het kader van de ‘één werkgever Rijk’ gedachte. Ook in het primaire proces wil P-Direkt een stapje verder gaan dan alleen administratie maar ook advisering aan medewerkers over hun financiële (rechts)positie.

  • De vraag naar grenzeloos samen en flexibel werken groeit. P-Direkt gaat aan de slag om de belemmeringen van de bestaande hiërarchische structuur weg te werken om dat te kunnen realiseren.

Interne ontwikkelingen

Om de dienstverlening goed te kunnen leveren en om medewerkers een prettige werkomgeving te bieden, werkt P-Direkt aan de eigen organisatie, werkwijzen en ICT.

Door te werken aan de wendbaarheid, continu verbeteren, samenwerking en vakmanschap van medewerkers en managers kan P-Direkt in een steeds sneller veranderende wereld haar kernwaarden waarmaken. Ook in 2021 werkt P-Direkt samen met collega Shared Service-Organisaties (SSO’s) aan een stabiel, transparant en voorspelbaar financieringsklimaat. Afnemers mogen vertrouwen op een redelijke prijs, waarbij geborgd is dat hiermee P-Direkt voldoende inkomsten heeft om de dienstverlening in de afgesproken hoeveelheid en met de afgesproken kwaliteit te leveren Een onmisbare randvoorwaarde voor de dienstverlening van P-Direkt is goed werkende ICT die technologieën als cloudcomputing goed en met oog op de kernwaarden kan omarmen. Het landschap van P-Direkt is complex en vraagt om sterke regie. Regie niet alleen binnen P-Direkt, maar vooral op onze partners en leveranciers. Dit is een zoektocht die P-Direkt de komende jaren samen met de huidige ICT-leverancier aangaat. Er wordt gezocht naar een modus, waarbij samen met de leverancier de basis versterkt kan worden, terwijl klantwensen elders geplaatst worden. Door te werken aan een krachtig fundament kan P-Direkt haar klantbeloftes waarmaken.

Externe ontwikkelingen

Door de situatie rondom corona wordt P-Direkt gevraagd over het realiseren van een 1,5 meter economie. Daarbij hoort dat ook zoveel mogelijk medewerkers thuis moeten kunnen werken. Voor veel administratieve functies is dat mogelijk, maar voor de medewerkers van het contactcenter is de techniek hiervoor nooit ingeregeld. P-Direkt gaat een oplossing bedenken, zodat tijd en plaats onafhankelijk werken mogelijk gemaakt kan worden. Daarbij gaat het dan niet alleen over techniek maar ook over aspecten als proces, cultuur, privacy, security en meetbaarheid van prestaties. In welke vorm en mate dat ook daadwerkelijk gerealiseerd kan worden zal in de loop van 2020 meer duidelijkheid komen.

De situatie rondom corona kan in 2021 invloed hebben op de kwaliteit of de kostprijs van de afgesproken dienstverleningen. Ook hierover zal in de loop van 2020 meer duidelijkheid komen. P-Direkt streeft er naar om het effect op het tarief te minimaliseren en zal daar alsdan passende oplossingen voor aandragen in overleg met eigenaar, opdrachtgevers en afnemers.

Staat van baten en lasten

Tabel 36 Begroting van baten-lastenagentschap P-Direkt voor het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)
 

Stand Slotwet 2019

Vastgestelde begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

       

Omzet

100.903

100.386

107.558

107.542

106.542

105.906

105.906

waarvan omzet moederdepartement

91.252

90.788

97.851

97.593

97.593

97.152

97.152

waarvan omzet overige departementen

9.420

9.598

9.668

9.910

8.910

8.715

8.715

waarvan omzet derden

231

0

39

39

39

39

39

Vrijval voorzieningen

196

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

101.099

100.386

107.558

107.542

106.542

105.906

105.906

        

Lasten

       

Apparaatskosten

89.583

91.897

101.467

101.266

99.218

97.929

97.406

- Personele kosten

50.552

52.877

62.089

61.748

59.747

58.458

57.935

waarvan eigen personeel

41.343

44.121

51.096

51.096

51.096

51.096

51.096

waarvan inhuur externen

8.377

7.463

9.737

9.396

7.395

6.106

5.583

waarvan overige personele kosten

832

1.293

1.256

1.256

1.256

1.256

1.256

- Materiële kosten

39.031

39.020

39.378

39.518

39.471

39.471

39.471

waarvan apparaat ICT

10.879

9.831

9.783

9.923

9.876

9.876

9.876

waarvan bijdrage aan SSO's

25.537

27.002

26.694

26.694

26.694

26.694

26.694

waarvan overige materiële kosten

2.615

2.187

2.901

2.901

2.901

2.901

2.901

Afschrijvingskosten

10.154

8.489

6.091

6.276

7.324

7.977

8.500

- Materieel

162

150

200

200

200

200

200

waarvan apparaat ICT

89

150

150

150

150

150

150

- Immaterieel

9.992

8.339

5.891

6.076

7.124

7.777

8.300

Dotaties voorzieningen

174

0

0

0

0

0

0

Overige kosten

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Rentelasten

333

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

100.244

100.386

107.558

107.542

106.542

105.906

105.906

        

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

855

0

0

0

0

0

0

Agentschapsdeel Vpb-lasten

0

      
        

Saldo van baten en lasten

855

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Baten

Tabel 37 Begrootte omzetverdeling P-Direkt 2021 (bedragen x 1.000)
 

Moeder-departement

Overige departementen

Derden

Totaal

Generieke dienst

90.365

1.216

39

91.620

Specifiek/maatwerk

7.486

8.452

0

15.938

Overige ontvangsten/bijdragen

0

n.v.t.

n.v.t.

0

     

Totaal

97.851

9.668

39

107.558

Omzet Moederdepartement

De structurele budgettaire reeksen van de ministeries voor de P-Direkt basisdienstverlening zijn overgeheveld naar de begroting van BZK. De ministeries ontvangen geen factuur meer voor de basisdienstverlening. Met het overhevelen van deze budgetten voor P-Direkt naar de begroting van BZK, is de opdrachtgeversrol van de ministeries centraal neergelegd bij de centraal opdrachtgever BZK.

De omzet stijgt in 2021 ten opzichte van 2020 door een stijging van de aantallen medewerkers bij de departementen met ongeveer 6.000 individuele arbeidsrelaties (IAR), uitbreiding van het functioneel en technisch applicatiebeheer voor UBR-Personeel applicaties als de Rijksoverheidswebsites in het kader van mobility en HR en de facilitaire dienstverlening aan UBR-Binnenwerk in het kader van de Rijksbrede archiefwerkzaamheden middels arbeidsparticipanten.

Omzet overige departementen

Dit betreft voornamelijk de doorbelasting van maatwerk dienstverlening bijvoorbeeld rondom het controleprogramma «IC over de keten» en meerwerk zoals dataleveringen en interfaces. Daarnaast betreft het de doorbelasting van rijksbrede ICT-voorzieningen zoals de Rijkspas, Rijks Identity Management (RIdM) en Beheervoorziening Rijks Identificerend Nummer (BvRIN).

Omzet derden

P-Direkt levert dienstverlening aan één ZBO met eigen rechtspersoonlijkheid.

Lasten

Personele kosten

De stijging van de kosten van eigen personeel is het gevolg van benodigde extra capaciteit op het contactcenter in verband met uitbreiding van de dienstverlening in kwantitatieve zin, door de stijging van het aantal departementale werknemers, en in kwalitatieve zin (meer controles op juistheid en volledigheid), om te voldoen aan wet- en regelgeving o.a. bij het digitaal archiveren van documenten (gescheiden vastlegging van belangrijke documenten).

De stijging van de kosten van extern personeel is het gevolg van de uitvoering van het Rijksbrede programma roosterplanning (DOOR). Betreft specialistische expertise die oftewel uniek is en niet te internaliseren dan wel niet structureel noodzakelijk en daarom niet efficiënt om in dienst te nemen.

Materiële kosten – Bijdrage aan SSO’s

Dit betreft voornamelijk de kosten van kantoorautomatisering, ICT-applicatiebeheer en de huisvestingskosten. Ook betreft het inbesteding bij collega SSO’s van werkzaamheden ten behoeve van de Rijksbrede ICT-voorzieningen Rijkspas, RIdM en BvRIN en het IDM-beheer voor het Ministerie van BZK.

Materiële kosten – Apparaat ICT

Dit betreft voornamelijk de kosten van systeemlicenties en uitbestede systeemontwikkeling- en beheer. Ook betreft het de uitbesteding van werkzaamheden ten behoeve van de e stijging wordt veroorzaakt door het in beheer nemen van de Rijksbrede ICT-voorzieningen Rijkspas, RIdM en BvRIN en het IDM-beheer voor het Ministerie van BZK.

Materiële kosten – Overige materiële kosten

Dit betreft bureaukosten en overige personeelskosten zoals de dienstreis- en forensenvergoedingen. De stijging wordt voornamelijk veroorzaakt door de stijging van het aantal P-Direkt medewerkers.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten bestaan uit afschrijvingen van de investeringen in de immateriële en materiële vaste activa. Het betreft onder andere de P-Direkt-systemen Payroll, het Portaal, het HR-registratiesysteem, het elektronisch personeelsarchief en het contactcenter/Optimaal Verbinden. P-Direkt is bezig de systemen te moderniseren.

Kasstroomoverzicht

Tabel 38 Kasstroomoverzicht van baten-lastenagentschap P-Direkt over het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)
  

Stand slotwet 2019

Vastgestelde begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

1.

Rekening courant RHB 1 januari +  depositorekeningen

20.399

8.400

12.509

11.698

9.854

8.798

7.795

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

101.917

100.386

107.558

107.542

106.542

105.906

105.906

 

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

‒ 97.424

‒ 91.897

‒ 104.467

‒ 103.266

‒ 101.218

‒ 98.929

‒ 98.406

2.

Totaal operationele kasstroom

4.493

8.489

3.091

4.276

5.324

6.977

7.500

 

-/- totaal investeringen

‒ 3.871

‒ 8.095

‒ 9.700

‒ 8.200

‒ 8.200

‒ 8.200

‒ 8.200

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

1.210

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 2.661

‒ 8.095

‒ 9.700

‒ 8.200

‒ 8.200

‒ 8.200

‒ 8.200

 

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

-/- aflossingen op leningen

‒ 8.622

‒ 7.572

‒ 3.702

‒ 5.920

‒ 6.180

‒ 7.780

‒ 8.600

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

3.900

8.000

9.500

8.000

8.000

8.000

8.000

4.

Totaal financieringskasstroom

‒ 4.722

428

5.798

2.080

1.820

220

‒ 600

5.

Rekening courant RHB 31 december + stand  depositorekeningen (=1+2+3+4)

17.509

9.222

11.698

9.854

8.798

7.795

6.495

Toelichting

Operationele kasstroom

In 2021 verwacht P-Direkt een lagere operationele kasstroom door een afloop van de vorderingen en de schuldpost vooruit gefactureerde termijnen ten behoeve van de bouw optimaal verbinden en het programma roosterplanning Rijk (DOOR).

Investeringskasstroom

In 2021 gaat P-Direkt door met de realisatie van de investeringskalender; de vervanging van software die aan het eind van de levensduur is (o.a. HANA transitie en tooling voor Informatievoorziening en advanced analytics) ten bedrage van ongeveer € 4 mln., de verbetering van de efficiency (o.a. integratiesoftware voor verbeteren van de koppelvlakken) ten bedrage van ongeveer € 3 mln. en nieuwe dienstverlening (o.a. E-HRM, mobility) ten bedrage van ongeveer € 2 mln.

Financieringsstroom 

Voor 2021 en volgende jaren wordt een beroep gedaan op de leenfaciliteit voor de financiering van de systeeminvesteringen. De leningen worden bij aanvang van de dienstverlening of bij oplevering van het gerealiseerde actief in vijf jaar afgelost en afgeschreven.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Tabel 39 Overzicht doelmatigheidsindicatoren P-Direkt
 

Stand slotwet 2019

Vastgestelde begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

Omschrijving Generiek Deel

       

Kostprijzen per product (groep)

676,10

687,60

683,80

683,80

683,80

683,80

683,80

Verloop tarieven/uur (basisjaar 2011 = 100)

117,6

119,6

95,9

95,9

95,9

95,9

95,9

Aantal individuele arbeidsrelaties (IAR)

131.862

132.196

138.187

138.187

138.187

138.187

138.187

Totale omzet basisdienstverlening (x 1.000)

85.822

87.344

91.620

91.410

91.410

91.410

91.410

Totale omzet overige + projecten (x 1.000)

15.081

13.042

15.938

16.132

15.132

14.496

14.496

Fte-totaal (excl. externe inhuur)

595,6

636,0

689,0

689,0

689,0

689,0

689,0

Saldo van baten en lasten (%)

0,85%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

Medewerkerstevredenheid

ng

7

7

7

7

7

7

        

Omschrijving Specifiek Deel

       

Gebruikerstevredenheid

       

De mate waarin medewerkers en managers tevreden zijn over de dienstverlening van P-Direkt

7,3

>7

>7

>7

>7

>7

>7

        

Tijdige afhandeling vragen, klachten, wijzigingen en documenten

       

P-Direkt beantwoordt vragen en klachten binnen 5 werkdagen.

92,4%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

P-Direkt verwerkt wijzigingen binnen 5 werkdagen.

83,8%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

P-Direkt archiveert documenten binnen 10 werkdagen.

50,9%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

De gemiddelde wachttijd per dag aan de telefoon is maximaal 45 seconden.

54 sec

45 sec

45 sec

45 sec

45 sec

45 sec

45 sec

        

Beschikbaarheid systeem

       

Het P-Direktportaal is zeven dagen per week en 24 uur per dag beschikbaar. Op werkdagen geldt een beschikbaarheidsnorm tussen 8.00 uur tot 17.00 uur.

99,5%

98%

98%

98%

98%

98%

98%

        

Bereikbaarheid

       

Het contactcenter is bereikbaar van 8.00 uur tot 22.00 uur

97,4%

98%

98%

98%

98%

98%

98%

        

Betrouwbaarheid

       

P-Direkt zorgt voor volledige en tijdige dataleveringen via interfaces.

100,0%

98%

98%

98%

98%

98%

98%

P-Direkt verwerkt wijzigingen op een juiste manier.

99,2%

98%

98%

98%

98%

98%

98%

Toelichting

Algemeen

P-Direkt streeft naar operational excellence waarbij maximaal wordt afgestemd op de behoefte van de gebruiker. P-Direkt zet methodes in als Lean en Agile/Scrum om te zorgen voor een organisatie die in staat is (continue) kort cyclisch verbeteringen (continue) doorvoeren voor onze klant en processen.

P-Direkt werkt met een Producten- en dienstengids (PDG) inclusief servicelevels. In de PDG zijn de verschillende diensten en activiteiten, leveringsvoorwaarden en de kwaliteitsborging vastgelegd die de ministeries van P-Direkt kunnen verwachten.

Kostprijs per productgroep

P-Direkt realiseert in opdracht van de eigenaar jaarlijks goedkopere basisdienstverlening. P-Direkt heeft ook voor 2021 weer afgesproken om minimaal 1% op de totale kosten van de uitvoering te besparen. In het bestuurlijk overleg van mei 2020 is besloten deze efficiencytaakstelling in 2021 niet personeel in te vullen maar daarvoor (een deel van) de structurele besparing op ICT-storage aan te wenden. Dit is 1 van de maatregelen in 2021 om het contactcenter te versterken en de servicelevels te kunnen blijven halen.

We zien dat de verloop tarief indicator onder de 100% blijft hetgeen laat zien dat P-Direkt ondanks jaarlijks stijgende kostprijzen lagere tarieven dan de starttarieven hanteert: een duidelijk bewijs van de doelmatige bedrijfsvoering die P-Direkt jaarlijks weet te realiseren.

Vanaf 2022 is in het bestuurlijk overleg afgesproken dat de 1% efficiency niet wordt teruggeven aan de opdrachtgever middels een korting op het tarief maar wordt ingezet voor het verbeteren en vernieuwen van de dienstverlening.

Fte totaal

De formatie van P-Direkt groeit in verband met het gestegen aantal individuele arbeidsrelaties (IAR's). Daarnaast is er sprake van een toename in aantal fte bij P-direkt door invoering van nieuwe wet- en regelgeving, zoals de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Dit maakt het werk complexer en uitgebreider, onder andere doordat er meer interne controle moet worden uitgevoerd, en daarvoor is meer capaciteit nodig dan vorigaande jaren.

Specifiek deel ICT diensten

P-Direkt verantwoordt zich naar de centraal opdrachtgever, respectievelijk de achterliggende departementen, door een aantal servicelevels op de dienstverlening en beschikbaarheid/ bereikbaarheid.

Onze servicelevels gelden voor het hele jaar en zijn voor alle klanten hetzelfde. De servicelevels zijn geen doel op zich, maar minimale normen. P-Direkt informeert de stakeholders periodiek over de servicelevels. De behaalde servicelevels worden drie keer per jaar in het bestuurlijk overleg (BO) besproken. Het BO kent naast de directeur P-Direkt (de opdrachtnemer) de volgende deelnemers: de gedelegeerd eigenaar, de centraal opdrachtgever (CO), de financieel deskundige en een vertegenwoordiging van de afnemers.

5.4 Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR)

Inleiding

Als Rijksbrede dienstverlener werkt UBR elke dag aan het beter, sterker en slimmer maken van het Rijk. UBR doet dit door (kennisintensieve) dienstverlening te leveren op het gebied van ICT, personeel, organisatie, inkoop, overheidspublicaties, beveiliging en logistiek. Zo levert UBR op de verschillende terreinen advies-, transitie-, innovatiediensten en is UBR expert in (rijks)beveiliging en in het afhandelen van koeriers- en transportdiensten. UBR biedt dienstverlening aan op bedrijfsvoeringsdomeinen waar ook andere SSO’s van het Directoraat-Generaal Vastgoed en Bedrijfsvoering Rijk (DGVBR) diensten leveren. Komend jaar wordt de samenwerking met de andere SSO’s geintensiveerd om meer samenhang in de dienstverlening te organiseren.

UBR focust op het exploitabel maken van technologische ontwikkelingen, innovatieve dienstverleningsconcepten en nieuwe manieren van werken. Daarmee draagt UBR bij aan het invullen van politiek-bestuurlijke ambities en Rijksbrede prioriteiten. Zo helpt UBR het Rijk bij haar ICT opgaven door tijdelijke expertise te leveren en kennis uit te wisselen. Niet alleen levert UBR interim capaciteit, ook zoeken wij een duurzame oplossing voor het groeiend tekort aan ICT-personeel met de opbouw van het RijksICTGilde voor schaarse hoogwaardig technische ICT-capaciteit van de Rijksoverheid en het programma Rijksaanpak HR-ICT. Belangrijk onderdeel van het HR-ICT programma is het organiseren van traineeships.

Daarnaast draagt UBR bij aan de arbeidsmarktopgaven van de maatschappij en het Rijk voor mensen met een arbeidsbeperking. Zo organiseert UBR de programmaorganisatie Binnenwerk. Deze organisatie creëert banen voor mensen met een arbeidsbeperking. Voor rijksonderdelen verzorgt Binnenwerk het werven, begeleiden en organiseren van banen. Het programma Binnenwerk geeft invulling aan de Wet stimulering arbeidsparticipatie (Stap) en het Bestuurlijk akkoord en Werkagenda Rijk Banenafspraak (Kamerstukken II, 2018/19, 34352, nr. 165)

. Het programma wordt gefinancierd vanuit deelnemende organisaties.

De activiteiten van UBR worden bekostigd uit de omzet gebaseerd op aan afnemers geleverde producten en diensten tegen jaarlijks vastgestelde tarieven (veelal p x q). Het onderdeel Personeel i.o. heeft een belangrijk deel van haar dienstverlening budgetgefinancierd op basis van het doorberekenen van de jaarlijkse kosten naar rato van het aantal individuele arbeidsrelaties (IAR) bij de betreffende departementen.

Staat van baten en lasten

Tabel 40 Begroting van baten-lastenagentschap UBR voor het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)
 

Stand Slotwet 2019

Vastgestelde begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

       

Omzet

279.900

266.379

286.529

286.529

286.529

286.529

286.529

waarvan omzet moederdepartement

104.528

75.608

93.756

93.756

93.756

93.756

93.756

waarvan omzet overige departementen

166.979

183.586

182.073

182.073

182.073

182.073

182.073

waarvan omzet derden

8.393

7.185

10.700

10.700

10.700

10.700

10.700

Vrijval voorzieningen

924

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

280.824

266.379

286.529

286.529

286.529

286.529

286.529

        

Lasten

       

Apparaatskosten

271.502

264.841

285.108

285.108

285.108

285.108

285.108

- Personele kosten

169.368

172.935

191.164

191.164

191.164

191.164

191.164

waarvan eigen personeel

136.577

147.774

161.684

161.684

161.684

161.684

161.684

waarvan inhuur externen

27.776

15.483

21.900

21.900

21.900

21.900

21.900

waarvan overige personele kosten

5.015

9.678

7.580

7.580

7.580

7.580

7.580

- Materiële kosten

102.134

91.906

93.944

93.944

93.944

93.944

93.944

waarvan apparaat ICT

10.928

3.641

4.510

4.510

4.510

4.510

4.510

waarvan bijdrage aan SSO's

18.940

19.724

19.979

19.979

19.979

19.979

19.979

waarvan overige materiële kosten

72.266

68.541

69.455

69.455

69.455

69.455

69.455

Afschrijvingskosten

1.430

1.536

1.419

1.419

1.419

1.419

1.419

- Materieel

411

307

324

324

324

324

324

waarvan apparaat ICT

39

67

23

23

23

23

23

- Immaterieel

1.019

1.229

1.096

1.096

1.096

1.096

1.096

Dotaties voorzieningen

579

0

0

0

0

0

0

Overige kosten

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Rentelasten

0

2

2

2

2

2

2

Totaal lasten

273.511

266.379

286.529

286.529

286.529

286.529

286.529

        

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

7.313

0

0

0

0

0

0

Agentschapsdeel Vpb-lasten

13

0

0

0

0

0

0

        

Saldo van baten en lasten

7.300

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Uitgangspunt voor de begroting van baten en lasten van UBR is een kostendekkende exploitatie. Bij het opstellen van de begroting 2021 is uitgegaan van de 2020 tarieven, geïndexeerd met een gewogen loon- en prijsbijstelling. In de jaren vanaf 2022 is geen rekening gehouden met een indexatie voor loon- en prijsbijstelling. Ingeval van (momenteel nog onvoorziene) grote structurele prijsstijgingen van toeleveranciers berekent UBR dit door in de betreffende tarieven.

Omzet

Hieronder zijn de begrote omzetcijfers voor 2021 per organisatieonderdeel weergegeven:

Tabel 41 Begrootte omzetverdeling UBR voor het jaar 2021 (bedragen afgerond op € 1 mln.)

UBR|Rijks Beveiligings Organisatie (RBO)

€ 84 mln.

UBR|Interdepartementale Post en Koeriersdienst (IPKD)

€ 16 mln.

UBR|Haagse Inkoop Samenwerking (HIS)

€ 16 mln.

UBR|Kennis- en exploitatiecentrum Officiële Overheidspublicaties (KOOP)

€ 21 mln.

UBR|I-Interim Rijk (IIR)

€ 35 mln.

UBR|Organisatie i.o.

€ 14 mln.

UBR|Personeel i.o.

€ 59 mln.

UBR|Ontwikkelbedrijf (OW)

€ 38 mln.

UBR|Bedrijfsvoering & Financiën/Concernstaf (Bv&F/CS)

€ 4 mln.

  

Totaal

€ 287 mln.

De omzetstijging wordt met name gerealiseerd bij UBR|OW als gevolg van de verdere uitrol van het ICT-traineeship. Daarnaast is de verwachting dat conform de trend van de afgelopen jaren de activiteiten van UBR|RBO en UBR|Personeel i.o. licht zullen groeien.

Kosten

De ontwikkeling van de lasten is gerelateerd aan de omzetontwikkelingen bij de organisatieonderdelen van UBR.

Personele kosten

De ontwikkeling van de kosten eigen personeel is met name een gevolg van de ontwikkeling in de groei van de activiteiten bij UBR|OW door de verdere uitrol van het ICT-traineeship. De externe inhuur voor UBR komt naar verwachting uit op € 21,6 mln. in 2021. Om de flexibiliteit in de vraag te kunnen opvangen huurt UBR|Personeel i.o. arbeidsjuristen in en UBR|HIS inkoopdeskundigen. De overige externe inhuur bij UBR|Personeel i.o hangt samen met het business model bij het onderdeel Workflow en de dienstverlening op gebied van recruitment, waarbij gewerkt wordt met een kleine vaste bezetting en aangevuld met een grote flexibele schil van zzp-ers conform afspraken in de Interdepartementale Commissie Organisatie en Personeel.

Materiële kosten

Er worden geen grote ontwikkelingen op het gebied van de materiële kosten verwacht, vanwaar de verwachte materiële kosten in lijn zijn met de vastgestelde ontwerpbegroting 2020 . Dit bestaat voor het grootste gedeelte uit inkoopkosten voor de dienstverlening waarin de uitbestedingskosten bij UBR|RBO een groot aandeel hebben. Daarnaast valt hieronder de bijdrage aan andere SSO’s voor onder andere de huisvestingskosten en de ICT middelen.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten zijn met name immaterieel en betreffen de geactiveerde investeringen in het klantvolgsysteem InBeeld van UBR|Personeel i.o. en de geactiveerde investeringen in het financiële systeem voor UBR en een aantal collega-SSO’s.

Kasstroomoverzicht

Tabel 42 Kasstroomoverzicht van baten-lastenagentschap UBR over het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)
  

Stand slotwet 2019

Vastgestelde begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

1.

Rekening courant RHB 1 januari +  depositorekeningen

35.022

36.252

47.890

48.310

48.730

49.150

49.570

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

327.472

272.322

286.529

286.529

286.529

286.529

286.529

 

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

‒ 314.276

‒ 270.365

‒ 285.109

‒ 285.109

‒ 285.109

‒ 285.109

‒ 285.109

2.

Totaal operationele kasstroom

13.196

1.957

1.420

1.420

1.420

1.420

1.420

 

-/- totaal investeringen

‒ 1.077

‒ 1.000

‒ 1.000

‒ 1.000

‒ 1.000

‒ 1.000

‒ 1.000

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

318

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 759

‒ 1.000

‒ 1.000

‒ 1.000

‒ 1.000

‒ 1.000

‒ 1.000

 

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

-/- aflossingen op leningen

‒ 526

0

0

0

0

0

0

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

0

0

0

0

0

0

0

4.

Totaal financieringskasstroom

‒ 526

0

0

0

0

0

0

5.

Rekening courant RHB 31 december + stand  depositorekeningen (=1+2+3+4)

46.933

37.209

48.310

48.730

49.150

49.570

49.990

Toelichting

Het rekening-courantsaldo ultimo 2021 is een resultante van de ontwikkeling van de operationele kasstroom. De investering in de jaren 2021 t/m 2025 betreft voor € 1 mln. overige materiële vaste activa bij organisatieonderdelen van UBR, waaronder reguliere vervanging van bedrijfsmiddelen en vervoersmiddelen voor UBR|IPKD en UBR|Personeel i.o. (bedrijfsmaatschappelijk werk). Voor de financiering van de investeringen zal naar verwachting geen beroep worden gedaan op de leenfaciliteit.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Tabel 43 Overzicht doelmatigheidsindicatoren UBR
 

Stand slotwet 2019

Vastgestelde begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

Omschrijving Generiek Deel

       

Saldo van baten en lasten (%)

2,6%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

Fte-totaal (excl. externe inhuur)

1.495

1.796

1.984

1.984

1.984

1.984

1.984

Kwaliteitsindicator 1 - MTO

2020

7,5

>7

>7

>7

>7

>7

        

Omschrijving Specifiek Deel

       

UBR

       

Kostprijzen per product (groep) (indexcijfer)

110,1

117,0

     

Tarieven/uur (indexcijfer)

110,2

117,0

     

Omzet per fte

159.773

148.000

     

Tevredenheid dienstverlening

n.v.t.

7,0

     
        

UBR|Personeel i.o.

       

Kostprijzen per product (groep) (indexcijfer)

n.v.t.

n.v.t.

118,6

118,6

118,6

118,6

118,6

Tarieven/uur (indexcijfer)

n.v.t.

n.v.t.

118,6

118,6

118,6

118,6

118,6

Omzet per fte

n.v.t.

n.v.t.

175.955

175.955

175.955

175.955

175.955

Tevredenheid dienstverlening

n.v.t.

n.v.t.

>7

>7

>7

>7

>7

        

UBR|HIS

       

Kostprijzen per product (groep) (indexcijfer)

n.v.t.

n.v.t.

122,0

122,0

122,0

122,0

122,0

Tarieven/uur (indexcijfer)

n.v.t.

n.v.t.

122,0

122,0

122,0

122,0

122,0

Omzet per fte

n.v.t.

n.v.t.

146.961

146.961

146.961

146.961

146.961

Tevredenheid dienstverlening

n.v.t.

n.v.t.

>7

>7

>7

>7

>7

        

UBR|Organisatie i.o.

       

Kostprijzen per product (groep) (indexcijfer)

n.v.t.

n.v.t.

118,6

118,6

118,6

118,6

118,6

Tarieven/uur (indexcijfer)

n.v.t.

n.v.t.

118,6

118,6

118,6

118,6

118,6

Omzet per fte

n.v.t.

n.v.t.

168.331

168.331

168.331

168.331

168.331

Tevredenheid dienstverlening

n.v.t.

n.v.t.

>7

>7

>7

>7

>7

        

UBR|IIR

       

Kostprijzen per product (groep) (indexcijfer)

n.v.t.

n.v.t.

120,5

120,5

120,5

120,5

120,5

Tarieven/uur (indexcijfer)

n.v.t.

n.v.t.

120,5

120,5

120,5

120,5

120,5

Omzet per fte

n.v.t.

n.v.t.

159.334

159.334

159.334

159.334

159.334

Tevredenheid dienstverlening

n.v.t.

n.v.t.

>7

>7

>7

>7

>7

        

UBR|KOOP

       

Kostprijzen per product (groep) (indexcijfer)

n.v.t.

n.v.t.

118,6

118,6

118,6

118,6

118,6

Tarieven/uur (indexcijfer)

n.v.t.

n.v.t.

118,6

118,6

118,6

118,6

118,6

Omzet per fte

n.v.t.

n.v.t.

188.400

188.400

188.400

188.400

188.400

Tevredenheid dienstverlening

n.v.t.

n.v.t.

>7

>7

>7

>7

>7

Beschikbaarheid over alle diensten (url's)

n.v.t.

nvt

99,90%

99,90%

99,90%

99,90%

99,90%

        

UBR|IPKD

       

Kostprijzen per product (groep) (indexcijfer)

n.v.t.

n.v.t.

122,0

122,0

122,0

122,0

122,0

Tarieven/uur (indexcijfer)

n.v.t.

n.v.t.

122,0

122,0

122,0

122,0

122,0

Omzet per fte

n.v.t.

n.v.t.

146.961

146.961

146.961

146.961

146.961

Tevredenheid dienstverlening

n.v.t.

n.v.t.

>7

>7

>7

>7

>7

        

UBR|RBO

       

Kostprijzen per product (groep) (indexcijfer)

n.v.t.

n.v.t.

119,6

119,6

119,6

119,6

119,6

Tarieven/uur (indexcijfer)

n.v.t.

n.v.t.

119,6

119,6

119,6

119,6

119,6

Omzet per fte

n.v.t.

n.v.t.

87.721

87.721

87.721

87.721

87.721

Tevredenheid dienstverlening

n.v.t.

n.v.t.

>7

>7

>7

>7

>7

Toelichting

Fte totaal

De toename van het aantal fte’s in 2021 t.o.v. 2020 is vooral een gevolg van de uitbreiding van de dienstverlening bij UBR|OW.

Groei van UBR is geen doel op zich, UBR zal organisch groeien als gevolg van het vollediger aansluiten van departementen. Hierdoor hoeven de departementen minder in eigen beheer uit te voeren dan wel uit te besteden in de markt.

Klanttevredenheid

Als belangrijke graadmeter voor de kwaliteit hanteert UBR de indicator klanttevredenheid over de dienstverlening per organisatieonderdeel. De onderliggende methodiek bij het vaststellen van dit cijfer en de periodiciteit6 van afname verschilt vanwege de verschillen in dienstverlening per organisatie-onderdeel. UBR streeft minimaal hoger dan een 7 te scoren.

MTO, werkplezier en werkdruk

In 2020 wordt het medewerkerstevredenheidonderzoek (MTO) weer uitgevoerd. UBR stelt zich ten doel om voor het gehele MTO een gemiddelde score van 7,5 te realiseren.

Indexcijfer kostprijzen en tarieven

Bij de vastgestelde begroting voor 2020 is uitgegaan van UBR-brede indexcijfers voor de tarieven en kostprijzen. De afgelopen jaren hebben enkele organisatieonderdelen soms afgeweken van de UBR-brede indexatie. Vandaar dat nu gekozen is om de indexcijfers per organisatieonderdeel te presenteren, waarbij in de gepresenteerde indexcijfers per organisatieonderdeel al rekening is gehouden met deze afwijkingen.

UBR stuurt op haar kostprijs- en omzetontwikkeling door als organisatie mee te bewegen met de vraag naar dienstverlening vanuit alle verschillende afnemers binnen het Rijk. Tegenover de prijscomponent (voornamelijk capaciteitsplanning) gaat het daarbij ook om de veranderende kwaliteit van dienstverlening die gevraagd wordt.

5.5 FMHaaglanden (FMH)

Inleiding

FMHaaglanden (FMH) is de professionele facilitair dienstverlener voor Rijksorganisaties in de Haagse regio. FMH levert werkplekken met faciliteiten die het mogelijk maken dat mensen comfortabel kunnen werken, met aandacht voor service in nabijheid, klanttevredenheid en eenvoud in bekostiging en aansturing. Alle dienstverlening wordt gecontracteerd en geregisseerd en in samenhang op en rond de werkomgeving aangeboden.

In 2021 levert FMH dienstverlening voor de kerndepartementen (uitgezonderd het Ministerie van Algemene Zaken) en diverse Rijksorganisaties in de regio Den Haag. Voor Financiën levert FMH alleen personenvervoer en voor Defensie alleen het Rijksbedrijvencentrum Rijswijk. Daarnaast voert FMH DBFMO (Design, Build, Finance, Maintain, Operate)-contractmanagement uit voor de panden Bezuidenhoutseweg 30 en Rijnstraat 8.

De komende jaren staan voor FMH in het teken van nieuwe aansluitingen, het masterplan Rijkskantoorhuisvesting en verdere kwaliteitsverbetering.

FMH zoekt de verdere kwaliteitsverbetering in vernieuwende en duurzame dienstverlening, betere aansluiting op klantprocessen en intensivering van de samenwerking met onder andere de Rijkspartners binnen het Directoraat Generaal Vastgoed en Bedrijfsvoering Rijk (DGVBR) en de facilitaire concerndienstverleners.

Staat van baten en lasten

Tabel 44 Begroting van baten-lastenagentschap FMH voor het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)
 

Stand Slotwet 2019

Vastgestelde begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

       

Omzet

135.286

137.321

143.273

143.273

143.273

143.273

143.273

waarvan omzet moederdepartement

86.815

96.318

120.400

120.400

120.400

120.400

120.400

waarvan omzet overige departementen

44.920

38.097

19.729

19.729

19.729

19.729

19.729

waarvan omzet derden

3.551

2.906

3.144

3.144

3.144

3.144

3.144

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

135.286

137.321

143.273

143.273

143.273

143.273

143.273

        

Lasten

       

Apparaatskosten

128.643

130.471

138.228

138.228

138.228

138.228

138.228

- Personele kosten

40.469

44.947

49.036

49.036

49.036

49.036

49.036

waarvan eigen personeel

35.592

39.651

44.132

44.132

44.132

44.132

44.132

waarvan inhuur externen

4.877

5.296

4.904

4.904

4.904

4.904

4.904

waarvan overige personele kosten

0

0

0

0

0

0

0

- Materiële kosten

88.174

85.524

89.192

89.192

89.192

89.192

89.192

waarvan apparaat ICT

45

61

41

41

41

41

41

waarvan bijdrage aan SSO's

60.831

52.052

61.042

61.042

61.042

61.042

61.042

waarvan overige materiële kosten

27.298

33.411

28.109

28.109

28.109

28.109

28.109

Afschrijvingskosten

5.840

6.592

4.892

4.892

4.892

4.892

4.892

- Materieel

5.840

6.592

4.892

4.892

4.892

4.892

4.892

waarvan apparaat ICT

0

0

0

0

0

0

0

- Immaterieel

0

0

0

0

0

0

0

Dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Overige kosten

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Rentelasten

242

258

153

153

153

153

153

Totaal lasten

134.725

137.321

143.273

143.273

143.273

143.273

143.273

        

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

561

0

0

0

0

0

0

Agentschapsdeel Vpb-lasten

0

0

0

0

0

0

0

        

Saldo van baten en lasten

561

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Baten

Omzet moeder departement

De omzet moederdepartement heeft met name betrekking op de generieke facilitaire dienstverlening binnen het verzorgingsgebied. De budgetten van de departementen voor de facilitaire dienstverlening (het generieke pakket) zijn overgeheveld naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). De toename betreft enerzijds een verschuiving van de omzet overige departementen naar het moederdepartement en anderzijds meer afname van generieke dienstverlening.

De verschuiving van overige departementen naar het moederdepartement is het gevolg van de overheveling van de budgetten voor de generieke dienstverlening van onder andere de departementen Buitenlandse Zaken (BZ) en Infrastructuur en Waterstaat (IenW) naar BZK.

De toename in de generieke dienstverlening heeft betrekking op uitbreiding van het verzorgingsgebied met de locaties Prinses Beatrixlaan 2, Schedeldoekshaven 131 en extra afname van vervoer

Omzet overige departementen

De omzet overige departementen heeft betrekking op de generieke dienstverlening van de nog niet centraal bekostigde departementen/organisatieonderdelen en de specifieke dienstverlening die geleverd wordt aan de overige departementen. De daling is het gevolg van de overgang van de budgetten voor de generieke dienstverlening van onder andere de departementen Buitenlandse Zaken (BZ) en Infrastructuur en Waterstaat (IenW) naar BZK.

Omzet derden

De omzet derden betreft de facilitaire dienstverlening die geleverd wordt aan de Kansspelautoriteit, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, Autoriteit Persoonsgevens en het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid.

Lasten

Personele kosten

De personele kosten omvatten alle personele uitgaven van de ambtenaren in dienst, gedetacheerde ambtenaren en kosten van uitzendkrachten en inhuur van externen. De toename van de personele kosten is enerzijds een verschuiving van de materiële kosten naar personele kosten. De dienst vervoer wordt grotendeels uitgevoerd door inzet van eigen personeel in plaats van de inkoop van vervoersdiensten bij een externe leverancier. Anderzijds kan de toename worden gerelateerd aan de extra dienstverlening die wordt geleverd.

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan voor een belangrijk deel uit directe inkoopkosten van de dienstverlening (circa 89% van de materiële kosten). De inkoopkosten zijn opgenomen onder de posten bijdrage SSO’s en overige materiële kosten. De toename is het directe gevolg van de extra dienstverlening die wordt geleverd.

In de bijdrage aan SSO’s hebben de kosten voor Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR) een groot aandeel. Dit betreft bijvoorbeeld de kosten voor de Rijksbeveiligersorganisatie in de panden waar FMH de dienstverlening verzorgt. Daarnaast zijn de kosten voor onder andere Rijnstraat 8 door het consortium DBFMO hier opgenomen, aangezien deze kosten via het RVB bij FMH in rekening worden gebracht. De toename van de bijdrage aan SSO’s is het gevolg van de overgang van een aantal schoonmaakcontracten van een externe leverancier naar de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO) en de uitbreiding van de dienstverlening.

Afschrijvingskosten

De overgenomen activa (met name meubilair) van de departementen zijn geactiveerd en worden conform de betreffende regelgeving afgeschreven. Voor nieuwe investeringen is dit eveneens van toepassing. De hoogte van de investeringen en daarmee de afschrijvingslasten zijn afhankelijk van het masterplan Rijkskantoorhuisvesting. Dit kan mogelijk leiden tot hogere afschrijvingslasten dan nu is verwerkt in de begroting.

De daling van de afschrijvingskosten is het gevolg van de overdracht van de audiovisuele dienstverlening aan SSC-ICT.

Rentelasten

Onder deze post zijn alle rentelasten opgenomen die verband houden met de financiering van materiële vaste activa vanuit het Ministerie van Financiën.

Kasstroomoverzicht

Tabel 45 Kasstroomoverzicht van baten-lastenagentschap FMH over het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)
  

Stand slotwet 2019

Vastgestelde begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

1.

Rekening courant RHB 1 januari +  depositorekeningen

12.598

11.334

12.812

13.089

14.805

15.402

17.171

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

150.844

137.321

143.273

143.273

143.273

143.273

143.273

 

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

‒ 132.129

‒ 130.729

‒ 138.381

‒ 138.381

‒ 138.381

‒ 138.381

‒ 138.381

2.

Totaal operationele kasstroom

18.715

6.592

4.892

4.892

4.892

4.892

4.892

 

-/- totaal investeringen

‒ 4.625

‒ 4.088

‒ 2.115

‒ 1.179

‒ 630

‒ 630

‒ 1.000

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

12

0

878

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 4.613

‒ 4.088

‒ 1.238

‒ 1.179

‒ 630

‒ 630

‒ 1.000

 

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

‒ 3.619

0

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

-/- aflossingen op leningen

‒ 4.868

‒ 5.114

‒ 5.493

‒ 3.176

‒ 4.294

‒ 3.124

‒ 2.557

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

4.357

4.088

2.115

1.179

630

630

1.000

4.

Totaal financieringskasstroom

‒ 4.130

‒ 1.026

‒ 3.378

‒ 1.997

‒ 3.664

‒ 2.494

‒ 1.557

5.

Rekening courant RHB 31 december + stand  depositorekeningen (=1+2+3+4)

22.570

12.812

13.089

14.805

15.402

17.171

19.505

Toelichting

Investeringskasstroom

FMH investeert in voornamelijk meubilair. De investeringen hebben met name betrekking op vervanging van activa in het verzorgingsgebied.

De desinvestering heeft betrekking op audiovisuele middelen. Deze dienstverlening wordt overgedragen aan SSC-ICT.

Financieringskasstroom

De relatief hogere aflossing in 2021 is mede het gevolg van de overdracht van de audiovisuele middelen aan SSC-ICT.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Tabel 46 Overzicht doelmatigheidsindicatoren FMH
 

Stand slotwet 2019

Vastgestelde begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

Omschrijving Generiek Deel

       
        

Omzet per productgroep (PxQ)

135.286

137.321

143.273

143.273

143.273

143.273

143.273

Generiek

108.986

119.602

127.874

127.874

127.874

127.874

127.874

Specifiek

26.206

17.719

15.399

15.399

15.399

15.399

15.399

Overig

94

0

0

0

0

0

0

Fte-totaal (excl. externe inhuur)

451

531

571

571

571

571

571

Saldo van baten en lasten (%)

1,2%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

        

Omschrijving Specifiek Deel

       

Verhouding generiek vs specifieke dienstverlening

81:19

87:13

89:11

89:11

89:11

89:11

89:11

Personele kosten als % van totale kosten

30,0%

32,7%

34,2%

34,2%

34,2%

34,2%

34,2%

Materiële kosten als % van totale kosten

70,0%

67,3%

65,8%

65,8%

65,8%

65,8%

65,8%

Apparaatskosten (in €)

45.077

55.210

58.537

58.537

58.537

58.537

58.537

        

Tarieven

       

Regiotarief (facilitair)

  

203

203

203

203

203

        

Tevredenheid

       

Klanttevredenheid

n.v.t.

Tevreden

n.v.t.

Tevreden

n.v.t.

Tevreden

n.v.t.

Tevredenheid specifieke dienstverlening

7,7

7

7

7

7

7

7

Medewerkerstevredenheid

n.v.t.

Tevreden

n.v.t.

Tevreden

n.v.t.

Tevreden

n.v.t.

Toelichting

Omzet per productgroep

De productgroep Generiek is een afgesproken pakket producten en diensten dat wordt afgenomen waarvoor een vaste prijs per vaste verrekeneenheid wordt betaald. De prijs (p) en hoeveelheid (q) staan in principe gedurende het jaar vast.

De productgroep Specifiek heeft betrekking op producten en diensten waarvoor de opdrachtgever afhankelijk van de afgenomen hoeveelheid een prijs per product/dienst betaalt (vb. catering, extra beveiliging, overig vervoer) en/of producten en diensten waarover tussen opdrachtgever en opdrachtnemer aparte afspraken worden gemaakt (vb. uitvoering van maatwerkprojecten).

Fte-totaal

De toename van het aantal fte’s is enerzijds een verschuiving van inkoop naar inzet van eigen personeel. De dienst vervoer wordt grotendeels uitgevoerd door inzet van eigen personeel in plaats van de inkoop van vervoersdiensten bij een externe leverancier. Anderzijds kan de toename worden gerelateerd aan de extra dienstverlening die wordt geleverd.

Saldo van baten en lasten (%)

Het saldo baten en lasten van 0% geeft een sluitende begroting weer.

Verhouding generiek versus specifieke dienstverlening

Dit is het aandeel van de omzet van de generieke dienstverlening op de totale omzet versus het aandeel van de omzet van de specifieke dienstverlening in de totale omzet.

Het aandeel van de generieke dienstverlening neemt verder toe.

Personele- en materiële kosten als % van de totale kosten

Dit betreft de procentuele verhouding van de respectievelijk de personele en materiële kosten in de totale lasten. Het aandeel van de personele kosten in de totale kosten laat een lichte toename zien. Dit komt met name doordat de dienst vervoer met name wordt uitgevoerd met eigen personeel en de uitbreiding van de dienstverlening verhoudingsgewijs een grotere personele inzet kent.

Apparaatskosten

De apparaatskosten hebben betrekking op de personele kosten en de materiële kosten exclusief de inkoopkosten voor de dienstverlening. De toename is ook het gevolg van inzet van eigen personeel voor de dienst vervoer en de extra dienstverlening die wordt geleverd.

Regiotarief (facilitair)

De verrekeningsystematiek voor de generieke dienstverlening is aangepast naar een tarief per m2 BVO. Het regiotarief heeft betrekking op de generieke dienstverlening voor kantoorpanden in het verzorgingsgebied van FMH. Specialty panden (waaronden dienstwoningen) en panden waar FMH beperkte dienstverlening levert zijn uitgesloten. De kosten van het generieke vervoer, de landelijke dienstverlening Kunst die het verzorgingsgebied FMH overstijgt en de kosten van de specialty panden en de panden met beperkte dienstverlening zijn niet opgenomen in het regiotarief.

Ondanks jaarlijkse kostenstijgingen weet FMH het regiotarief op hetzelfde niveau te houden door efficiency.

5.6 Shared Service Centrum ICT (SSC-ICT)

Inleiding

Het SSC-ICT is een in 2014 gevormde fusie-organisatie en momenteel één van de grootste ICT-dienstverleners van het Rijk. Het SSC-ICT levert ICT-diensten aan ongeveer 40.000 rijksambtenaren bij zeven ministeries. De dienstverlening is breed (bijvoorbeeld beheer digitale werkplekken, applicaties, exploitatie van een overheidsdatacentrum), waarbij zowel van standaard- als maatwerk-diensten sprake is. Het belang van SSC-ICT voor een goed functionerende Rijksdienst is daarmee groot.

SSC-ICT is een organisatie in verandering. Op basis van een externe doorlichting in 2019 wordt momenteel hard gewerkt aan structurele verbetering van de dienstverlening. De essentie voor de komende jaren is een scherp onderscheid tussen standaard- en maatwerkdienstverlening en een technische inhaalslag. Hiertoe loopt een transitieprogramma over de volle breedte van de organisatie dat t/m 2021 zal doorlopen.

Staat van baten en lasten

Tabel 47 Begroting van baten-lastenagentschap SSC-ICT voor het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)
 

Stand Slotwet 2019

Vastgestelde begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

       

Omzet

292.465

267.595

292.964

304.683

304.683

304.683

304.683

waarvan omzet moederdepartement

81.371

65.550

70.311

73.124

73.124

73.124

73.124

waarvan omzet overige departementen

210.402

202.045

222.653

231.559

231.559

231.559

231.559

waarvan omzet derden

692

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

937

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

340

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

293.742

267.595

292.964

304.683

304.683

304.683

304.683

        

Lasten

       

Apparaatskosten

216.197

212.705

232.567

241.870

241.870

241.870

241.870

- Personele kosten

112.937

114.428

127.488

132.588

132.588

132.588

132.588

waarvan eigen personeel

79.459

77.984

86.912

90.388

90.388

90.388

90.388

waarvan inhuur externen

30.474

30.999

35.655

37.081

37.081

37.081

37.081

waarvan overige personele kosten

3.004

5.445

4.921

5.118

5.118

5.118

5.118

- Materiële kosten

103.260

98.277

105.079

109.282

109.282

109.282

109.282

waarvan apparaat ICT

81.061

78.130

80.925

84.162

84.162

84.162

84.162

waarvan bijdrage aan SSO's

20.253

15.655

18.505

19.245

19.245

19.245

19.245

waarvan overige materiële kosten

1.946

4.492

5.649

5.875

5.875

5.875

5.875

Afschrijvingskosten

53.068

54.890

52.044

54.126

54.126

54.126

54.126

- Materieel

42.987

45.993

48.943

50.901

50.901

50.901

50.901

waarvan apparaat ICT

42.987

45.993

48.943

50.901

50.901

50.901

50.901

- Immaterieel

10.081

8.897

3.101

3.225

3.225

3.225

3.225

Dotaties voorzieningen

1.354

0

0

0

0

0

0

Overige kosten

0

0

8.353

8.687

8.687

8.687

8.687

Bijzondere lasten

1.558

0

0

0

0

0

0

Rentelasten

203

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

272.380

267.595

292.964

304.683

304.683

304.683

304.683

        

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

21.362

0

0

0

0

0

0

Agentschapsdeel Vpb-lasten

41

0

0

0

0

0

0

        

Saldo van baten en lasten

21.321

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Voor de Ontwerpbegroting 2021 is uitgegaan van de Ontwerpbegroting 2020 en wijzigingen in het dienstverleningspakket. Op basis van interdepartementale besluitvorming is afgesproken een tariefstijging door te voeren van 4% per jaar voor de periode 2020 tot en met 2022. Dit ter dekking van de jaarlijkse loon- en prijsontwikkeling alsmede voor de doorontwikkeling van het Life Cycle Management.

Lasten

Personele kosten

De personele kosten omvatten alle personele uitgaven van de ambtenaren in dienst, gedetacheerde ambtenaren, kosten van uitzendkrachten en inhuur van externen. De stijging in de loonkosten ambtelijk personeel is, naast de jaarlijkse loonontwikkeling, het gevolg van de verder invulling van de personele bezetting in de loop van 2021. Met deze invulling, zowel op kwantitatief als op kwalitatief niveau, heeft SSC-ICT de capaciteit de continuïteit van de dienstverlening te kunnen waarborgen. Als gevolg van een blijvende vraag naar specialistische ICT kennis en de arbeidsmarktproblematiek (schaarste op ICT personeel) stijgt ook het aandeel externe inhuur.

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan voor een belangrijk deel uit de directe inkoopkosten van de dienstverlening, zoals kosten voor de (reguliere) ICT-werkplek en hostingskosten voor applicaties. Daarnaast vallen de kosten voor huisvesting, ICT en de servicekosten BZK onder deze post. SSC-ICT neemt, vanaf 2021, de Audio Visuele dienstverlening over van FM Haaglanden.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten hebben betrekking op investeringen in hard- en software en overige materiële vaste activa. De voor de generieke en gemeenschappelijke basis- en basisplusdienstverlening benodigde activa zijn in eigendom bij SSC-ICT.

Overige lasten

Dit betreft de kosten die worden gemaakt voor maatwerkprojecten en zogenaamde basis+ voorzieningen. Deze kosten zijn niet vooraf meegenomen in de standaard dienstverleningsafspraken met de departementen.

Kasstroomoverzicht

Tabel 48 Kasstroomoverzicht van baten-lastenagentschap SSC-ICT over het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)
  

Stand slotwet 2019

Vastgestelde begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

1.

Rekening courant RHB 1 januari +  depositorekeningen

7.451

17.000

963

963

963

963

963

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

292.630

267.595

292.964

304.683

304.683

304.683

304.683

 

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

‒ 247.985

‒ 212.705

‒ 232.567

‒ 241.870

‒ 241.870

‒ 241.870

‒ 241.870

2.

Totaal operationele kasstroom

44.645

54.890

60.397

62.813

62.813

62.813

62.813

 

-/- totaal investeringen

‒ 33.513

‒ 43.375

‒ 60.300

‒ 60.300

‒ 60.300

‒ 60.300

‒ 60.300

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

1.558

0

0

0

0

1

2

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 31.955

‒ 43.375

‒ 60.300

‒ 60.300

‒ 60.300

‒ 60.299

‒ 60.298

 

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

22.434

0

0

0

0

0

0

 

-/- aflossingen op leningen

‒ 59.373

‒ 54.890

‒ 47.499

‒ 47.499

‒ 47.499

‒ 47.499

‒ 47.499

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

25.400

43.375

60.300

60.300

60.300

60.300

60.300

4.

Totaal financieringskasstroom

‒ 11.539

‒ 11.515

12.801

12.801

12.801

12.801

12.801

5.

Rekening courant RHB 31 december + stand  depositorekeningen (=1+2+3+4)

8.602

17.000

13.861

16.277

16.277

16.278

16.279

Toelichting

De belangrijkste ontwikkeling qua kaseffect, zijn de verwachte investeringen in hard- en software met betrekking tot het applicatielandschap (€ 0,8 mln.), housing en hosting (€ 30,5 mln.), locatie gebonden services (€ 12,0 mln.) en de werkplekomgeving (€ 17,0 mln.).

Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Tabel 49 Overzicht doelmatigheidsindicatoren SSC-ICT
 

Stand slotwet 2019

Vastgestelde begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

Omschrijving Generiek Deel

       

Fte-totaal (excl. externe inhuur)

975

1.046

1.050

1.050

1.050

1.050

1.050

Aantal externe fte's in % van totale fte's

NB

20,1%

20,0%

20,0%

20,0%

20,0%

20,0%

Saldo van baten en lasten (%)

7,3%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

Klanttevredenheid (KTO)

n.v.t.

7

7

7

7

7

7

Gebruikerstevredenheid beleving (GTO)

  

7

7

7

7

7

Medewerkertevredenheid (MTO)

n.v.t.

7

7

7

7

7

7

        

Kostprijs

       

Digitale werkplekomgeving

1.015

1.015

     

Digitale werkplekomgeving basis

  

572

595

595

595

595

Digitale werkplekomgeving online

  

744

773

773

773

773

Digitale werkplekomgeving light

  

291

303

303

303

303

Locatiegebonden werkplek

870

870

     

Basisinrichting kantoorpand

  

57

59

59

59

59

Fat client DWR special

  

962

1.000

1.000

1.000

1.000

Kiosk PC incl. monitor

340

255

676

703

703

703

703

        

Omzet per productgroep (PxQ) (bedragen x € 1.000)

       

Generiek

8.067

8.202

8.203

8.203

8.203

8.203

8.203

Gemeenschappelijk

251.868

240.312

252.242

252.242

252.242

252.242

252.242

Klantspecifiek

32.530

19.081

32.519

32.519

32.519

32.519

32.519

        

Totaal

292.465

267.595

292.964

292.964

292.964

292.964

292.964

        

Omschrijving Specifiek Deel

       

Beschikbaarheid kernsystemen

NB

NB

99,50%

99,50%

99,50%

99,50%

99,50%

Major incidents

77,2%

90,0%

75

75

75

75

75

Gemiddelde hersteltijd storingen

  

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

Geleverd binnen gestelde termijn

89,9%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

LCM hard- en software

  

80,0%

98,0%

98,0%

98,0%

98,0%

Toelichting

Kostprijs

De tarieven zijn opgenomen zoals deze voor 2020 goedgekeurd zijn. De tarieven voor 2021 zijn op het moment van verschijnen van deze begroting nog niet definitief vastgesteld. De onderstaande voorzieningen staan, met toelichting vermeld in de Producten en Dienstencatalogus (PDC) van SSC-ICT.

Digitale werkomgeving

De persoonlijke digitale werkomgeving (DWO) wordt vanaf 2021 weergegeven in drie aparte voorzieningen, namelijk: Basis, Online en Light. Dit heeft te maken met de invoering van een nieuw kostprijsmodel voor het berekenen van de tarieven. Basis betreft de volledige Windowsomgeving met basisfunctionaliteiten en – applicatie. Online betreft de digitale werkplek op Cloudbook, Kiosk PC of een eigen device in combinatie met een token. Light betreft de digitale werkomgeving met beperkte functionaliteiten, voornamelijk voor tablets en smartphones.

Locatie gebonden services betreft het beschikbaar stellen van voorzieningen in de panden zoals netwerkvoorzieningen (LAN en WIFI), Follow-me-printing m.b.v. de rijkspas, telefonie en audio visuele middelen.

Basisinrichting kantoorpanden basisdiensten is conform de Rijks PDC Pandgebonden ICT diensten in het rijkskantoor (V2.0).

Fat client DWO Special betreft een DWO Basis, geïnstalleerd op een laptop.

De Kiosk PC betreft thin client computer waarmee de eigen virtuele ruimte DWR Next werkplek worden ontsloten met gebruikersnaam en wachtwoord.

Omzet

De totale omzet betreft de geraamde kostendekkende opbrengsten welke grotendeels worden gerealiseerd op basis van financiële afspraken met de klanten. Deze worden vastgelegd in het Dossier Financiële Afspraken (DFA). De totale omzet per product/dienst 2021 betreft de begroting conform het Jaarplan SSC-ICT 2020, inclusief een tariefstijging van 4,0% voor loon- en prijsontwikkeling alsmede voor doorontwikkeling Life Cycle Management (LCM).

Fte

Fte totaal betreft de maximale bezetting van ambtelijk personeel welke benodigd is voor continuering van de dienstverlening. Hierbij is 1,0 fte gelijk aan een aanstelling van 36,0 uur per week. Het percentage voor externe fte is bepaald op basis van de totale bezetting.

Klanttevredenheid beleving (KTO)

SSC-ICT streeft naar een volwassen opdrachtgevers-opdrachtnemers relatie. Om de tevredenheid van de stakeholders van SSC-ICT in beeld te krijgen worden periodiek metingen verricht.

Dit betreft de tevredenheid van de stakeholders/opdrachtgevers en klanten in de klantcontacten met SSC-ICT. Dit staat los van de tevredenheid die gemeten wordt bij gebruikers en na projecten. Deze stakeholders/opdrachtgevers en klanten hebben contact met SSC medewerkers op verschillend strategisch/tactische lagen in de organisatie. De norm voor dit onderzoek is een zeven.

Gebruikerstevredenheid (GTO)

SSC-ICT streeft naar een actueel beeld van de tevredenheid van de eindgebruikers over de kwaliteit van de dienstverlening. Dit betreft de beoordeling door de eindgebruiker van de gehele dienstverlening van SSC-ICT in de context waar Shared Service Organisaties voor in het leven zijn geroepen. Tien keer per jaar wordt één tiende deel van de eindgebruikers bevraagd middels een enquête waarin deze vraag is opgenomen. In de maanden augustus en december vindt er geen GTO plaats vanwege de vakanties in die maanden en de daarbij gepaarde lage respons. De norm voor dit onderzoek is een zeven.

Medewerkersonderzoek (MO)

SSC-ICT wil een goede wergever zijn, waarin plezier, betrokkenheid en ontwikkeling van haar medewerkers voorop staan. In periodieke metingen wordt dat beeld binnen de organisatie opgehaald. Dit betreft de periodieke meting van de tevredenheid bij onze medewerkers. Medewerkers worden bevraagd op de volgende modules:

  • werkplezier;

  • inhoud van het werk;

  • samenwerking;

  • loopbaanontwikkeling;

  • werkdruk.

Het onderzoek wordt in het voorjaar en najaar uitgevoerd (najaar is de tweejaarlijkse MTO meting Rijksbreed). De norm voor dit onderzoek is een zeven.

Beschikbaarheid kernsystemen

SSC-ICT streeft naar een hoge beschikbaarheid van haar dienstverlening. Om de basis dienstverlening te kunnen garanderen zijn twintig kernsystemen en kerndiensten gedefinieerd waarvoor een hoge beschikbaarheid gewenst is. Deze kernsystemen zijn voorwaardelijk voor de werkzaamheden van 40.000 Rijksambtenaren.

De twintig kernsystemen/diensten zijn gegroepeerd over vier categorieën. Over deze categorieën wordt de beschikbaarheid gerapporteerd. Met andere woorden, als een van de kernsystemen uit een van deze vier categorieën uitvalt, gaat de beschikbaarheid van die specifieke categorie naar beneden. Voor alle kernsystemen geldt een beschikbaarheidsnorm van 99,5%.

Major Incidents

SSC-ICT streeft naar een minimaal aantal major incidenten om de beschikbaarheid van de dienstverlening zo optimaal mogelijk te houden. Dit betreft het totaal aantal Major Incidenten vanaf het begin van het kalenderjaar. Een major incident wordt als zodanig gedefinieerd als de urgentie (intolerantie van uitstel), de impact (hoeveel gebruikers zijn geraakt) en het escalatierisico (verspreiding) hoog zijn. De norm is 75 major incidents per jaar.

Incidenten hersteld binnen afgesproken tijd.

De duur van verstoringen, veroorzaakt door Major Incidenten, worden bij SSC-ICT zo kort mogelijk gehouden. Dit om ervoor te zorgen dat de beschikbaarheid van de dienstverlening zo optimaal mogelijk blijft. Voor de meting van de tijdsduur van incidenten wordt vanaf 2019 gebruik gemaakt van de indicator MTTR (Mean Time To repair). Hierbij wordt het percentage gemeten van alle incidenten die binnen acht uur zijn opgelost. De norm is dat 90% binnen acht uur moet zijn gerepareerd.

Levertijd standaard diensten

SSC-ICT levert standaard diensten conform afgesproken service levels. Dit betreft de doorlooptijd van aanvragen voor items die in de PDC genoemd staan onder «Servicegroep Rijkswerkomgeving» met een afgesproken maximale levertijd. De norm is dat 90% van de aanvragen binnen de streeftijd is geleverd.

LCM hard- en software

Software in support

SSC-ICT zorgt voor een veilige werkomgeving. Dit betreft het percentage softwarecomponenten waarvoor de leverancier security up-dates (support) levert. Per applicatielandschap is gedefinieerd welke servers daar aan gekoppeld zijn. Per server is inzichtelijk welke software componenten daar op draaien en tot wanneer zij in support zijn. De norm is 80%. Vanaf 2022 wordt dit 98%.

Hardware in support

SSC-ICT wil veroudering van infrastructuur componenten voorkomen. De norm is dat 80% van de gedefinieerde en geregistreerde hardware in support is. Meting vindt plaats voor netwerkcomponenten, servers en storage. Vanaf 2022 zal de norm 98% zijn.

5.7 Rijksvastgoedbedrijf (RVB)

Inleiding

Het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) is de vastgoedorganisatie van en voor de Rijksoverheid en is verantwoordelijk voor het beheer en de instandhouding van de grootste en meest diverse vastgoedportefeuille van Nederland. Het RVB realiseert en beheert zijn vastgoedportefeuille voor zijn gebruikers en zet gebouwen en terreinen in voor de realisatie van economische en maatschappelijke meerwaarde op basis van beleidsdoelen. Het RVB is een baten-lastenagentschap. Zijn vastgoedportefeuille bestaat onder andere uit gevangenissen, rechtbanken, kazernes, vliegvelden, defensieterreinen, ministeries, havens, belastingkantoren, monumenten, musea en paleizen. Het gaat in totaal om 11,7 mln. vierkante meters aan gebouwen en circa 91.000 hectare aan grond.

Het Rijksvastgoedbedrijf heeft een vastgoedportefeuillestrategie (VPS) opgesteld om te komen tot een 'toekomstbestendige vastgoedportefeuille'. Deze is bestand tegen snelle en soms onvoorspelbare schommelingen in de vraag naar vastgoed. Door een strategische samenstelling en opbouw van onze vastgoedportefeuille is het RVB voorbereid op toekomstige ontwikkelingen. De portefeuille draagt daarmee op een effectieve en efficiënte manier bij aan financieel en maatschappelijk rendement voor het Rijk.

Het RVB verzorgt onder andere:

  • de rijkshuisvesting via kantoren en specialties;

  • de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van Algemene Zaken (AZ), de huisvesting van het Koninklijk Huis voor zover vallend onder de verantwoordelijkheid van de Staat en de instandhouding van monumenten in beheer van het RVB;

  • het onderhoud aan en beheer van Defensiegebouwen en terreinen;

  • projectontwikkeling en nieuwbouw voor Defensie;

  • de doelmatige verkoop van overtollig rijksvastgoed en/of geeft dit waar mogelijk in gebruik bij derden;

  • uitgifte in pacht van gronden en de inzet van gronden voor stikstofproblematiek, maatschappelijke doelen en duurzaamheid.

  • de vertegenwoordiging namens het Rijk bij gebiedsontwikkelingsprojecten waarbij meervoudige Rijksdoelstellingen aanwezig zijn.

Het RVB is vraaggestuurd. Deze vraag vloeit met name voort uit de masterplannen voor de kantoorhuisvesting, de huisvestingsbehoeften vanuit de specialties, de wensen voor dienstverlening vanuit Defensie en de behoefte aan te verkopen/ontwikkelen projecten/gebieden. 

Externe ontwikkelingen, zoals nu rond het stikstofdossier en corona kunnen de vraag de komende periode nog behoorlijk beïnvloeden. Dit geldt ook voor de bijdragen die het RVB levert door rijksvastgoed in te zetten voor strategische opgaven op het gebied van duurzaamheid, de bevordering van woningbouw en de inzet van vastgoed voor de (tijdelijke) huisvesting van kansarmen. Het Rijksvastgoedbedrijf helpt de sector door werkzaamheden in de vastgoedportefeuille daar waar mogelijk versneld te laten uitvoeren. Door stikstofarm ontwerpen en bouwen mee te nemen in de uitwerking en aanbesteding wordt de sector geholpen de transitie te maken naar een stikstofarm bouwproces.

De begrotingsposten van het RVB betreffen een deel van de dienstverlening. De staat van baten en lasten geeft daarom onvoldoende inzicht in de productie van het RVB. Dit komt omdat op grond van de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving diverse posten niet tot omzet mogen worden gerekend. Omdat ze niet in de verantwoording mogen worden opgenomen, worden de posten ook niet begroot. Aan het eind van de paragraaf ‘Overzicht doelmatigheidsindicatoren’ is een tabel opgenomen die een beter inzicht geeft in de totale productie van het RVB.

Staat van baten en lasten

Tabel 50 Begroting van baten-lastenagentschap RVB voor het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)
 

Stand Slotwet 2019

Vastgestelde begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

       

Omzet

1.168.767

1.244.654

1.291.990

1.330.495

1.340.797

1.359.628

1.417.490

waarvan omzet moederdepartement

121.190

124.275

138.139

129.105

124.895

125.869

130.405

waarvan omzet overige departementen

900.837

998.404

1.011.837

1.063.763

1.086.991

1.110.363

1.164.827

waarvan omzet derden

146.740

121.975

142.013

137.628

128.911

123.396

122.258

Vrijval voorzieningen

2.960

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

63.735

58.601

63.964

64.056

64.150

62.590

62.620

Rentebaten

32

500

0

0

0

0

0

Totaal baten

1.235.494

1.303.755

1.355.954

1.394.551

1.404.947

1.422.218

1.480.110

        

Lasten

       

Apparaatskosten

285.477

292.810

317.085

316.600

315.599

314.390

313.699

- Personele kosten

222.156

221.380

238.837

238.327

237.457

236.440

235.873

waarvan eigen personeel

191.429

193.380

201.840

201.331

200.460

199.443

198.877

waarvan inhuur externen

30.437

28.000

36.997

36.997

36.997

36.997

36.996

waarvan overige personele kosten

290

0

0

0

0

0

0

- Materiële kosten

63.321

71.430

78.248

78.272

78.142

77.950

77.825

waarvan apparaat ICT

31.722

38.826

24.096

24.196

24.196

24.196

24.196

waarvan bijdrage aan SSO's

0

0

29.891

29.891

29.891

29.891

29.891

waarvan overige materiële kosten

31.599

32.604

24.261

24.185

24.055

23.863

23.738

Afschrijvingskosten

311.082

361.836

389.588

431.138

466.656

482.436

513.905

- Materieel

311.082

361.836

389.588

431.138

466.656

482.436

513.905

waarvan apparaat ICT

0

0

0

0

0

0

0

- Immaterieel

0

0

0

0

0

0

0

Dotaties voorzieningen

0

3.000

0

0

0

0

0

Overige kosten

547.364

0

0

0

0

0

0

Bijzondere lasten

0

550.084

545.940

542.321

518.307

522.237

543.170

Rentelasten

77.327

96.025

103.341

104.494

104.386

103.155

109.337

Totaal lasten

1.221.250

1.303.755

1.355.954

1.394.552

1.404.947

1.422.218

1.480.110

        

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

14.244

0

0

0

0

0

0

Agentschapsdeel Vpb-lasten

311

0

0

0

0

0

0

        

Saldo van baten en lasten

13.933

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Baten

Omzet moederdepartement

De Minister van BZK betaalt de kosten voor een aantal taken aan het RVB. Het gaat met name om de kosten van:

  • het leveren van ondersteuning aan BZK en de uitvoering van het rijksbeleid gerelateerd aan de rijkshuisvesting;

  • het apparaat om de uitvoering van het beheer van materiële activa mogelijk te maken.

  • huisvesting voor de Hoge Colleges van Staat, Ministerie van AZ, de staatspaleizen en Ministerie van BZK.

Omzet overige departementen

De omzet overige departementen omvat opbrengsten voor geleverde producten en diensten aan departementen. Het gaat daarbij met name om ontvangen gebruiksvergoedingen voor kantoren en specialties. Op basis van de overeengekomen huurprijsmethodiek brengt het RVB een gebruiksvergoeding in rekening. In de ramingen van de gebruiksvergoeding is onder meer rekening gehouden met oplevering van projecten vanuit de geactualiseerde masterplannen, het afsluiten van nieuwe contracten en met de verwachte beëindiging van contracten.

Voor wat betreft de dienstverlening aan Ministerie van Defensie is alleen de vergoeding vanuit Defensie voor de apparaatsinzet van het RVB opgenomen, omdat de programmagelden niet tot de omzet mogen worden gerekend.

Uit de meerjarige reeks voor omzet overige departementen blijkt een stijgende lijn. Deze lijn hangt samen met uitbreidingen in de vastgoedportefeuille en een toename van de tarieven als gevolg van vervangingsinvesteringen. Uitbreidingen die voor 2021 zijn voorzien betreffen onder andere opleveringen voor het RIVM en opleveringen van gebruiksklare panden in het kader van de uitbreiding voor de kantorenportefeuille.

Omzet derden

Deze omzet betreft de baten uit verhuur aan musea en internationale organisaties, de baten vanuit de verkoop van onroerend goed en de inkomsten vanuit de exploitatie van een aantal bijzondere objecten zoals parkeergarages. Met ingang van deze begroting wordt in de omzet voor derden nu rekening gehouden met afnemerszaken die extern worden gefactureerd en omzet gerelateerd aan gebiedsontwikkeling. De teruglopende begrotingsreeks hangt samen met de directe afrekeningen. In het verleden jaar was voor diverse internationale organisaties sprake van incidenteel hogere direct te verrekenen bijdragen in de projecten. 

Rentebaten

Dit betreft de baten voorzien vanuit de rekening courantverhouding met het Ministerie van Financiën.

Bijzondere baten

Dit betreft met name het deel van de apparaatsinzet bij projecten dat wordt geactiveerd.

Lasten

Personele kosten

Dit betreft de kosten van het eigen apparaat, met name van salaris- en opleidingskosten van eigen personeel en inzet van externe inhuur. De kosten van inhuur zijn gestegen ten opzichte van de slotwet 2019 door extra werving in verband met de productiegroei en een verdere stijging van de gemiddelde kosten per fte.

Materiële kosten

Deze kosten betreffen met name de kosten voor de eigen huisvesting en van het eigen ICT-gebruik. De bijdrage aan de SSO’s omvat zowel ICT kosten als kosten voor de eigen huisvesting van het RVB. De resterende stijging in de materiële hangt samen met een toename van investeringen in de ICT functie en uitbreiding van het aantal werkplekken.

Afschrijvingskosten

Dit betreft met name de afschrijvingen op geactiveerde waarden van objecten, voortvloeiend uit investeringen vanuit masterplannen kantoren en huisvestingsbehoeften voor specialties. De afschrijvingstermijnen zijn afhankelijk van de categorie: grond/terreinen 0 jaar, erfpacht 5-100 jaar, gebouwen 15-60 jaar, vervoermiddelen 4-6 jaar en inventaris 3-15 jaar. Ook hier nemen de kosten toe als gevolg van nieuwe opleveringen en vervangingsinvesteringen voor rijkshuisvesting. 

Bijzondere lasten

De bijzondere lasten hebben vooral betrekking op de primaire processen van het RVB. In de volgende tabel is een specificatie opgenomen.

Tabel 51 Specificatie bijzondere lasten RVB (bedragen x € 1.000)

Onderdeel

Stand slotwet 2019

Ontwerpbegroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

Markthuren

167.649

170.544

171.532

169.590

156.797

157.065

153.777

DBFMO lasten

66.383

77.938

95.563

98.326

101.090

103.854

123.865

Onderhoud rijkshuisvesting

147.404

125.265

125.000

125.034

125.049

125.308

125.359

Belastingen en heffingen

23.274

23.656

23.816

23.373

23.052

23.091

23.649

Energielasten

34.294

27.565

29.513

31.333

31.826

32.419

32.306

Ontwikkeling en verkoop OG

21.731

40.000

30.300

27.300

25.300

21.300

21.300

Overige bijzondere lasten

86.629

85.116

70.216

67.365

55.193

59.200

62.914

        

Totaal

547.364

550.084

545.940

542.321

518.307

522.237

543.170

Toelichting

Markthuren

Deze post betreft de huren die het RVB aan de markt betaalt. Het beleid is erop gericht departementen en diensten zo veel mogelijk in eigendomsobjecten te huisvesten. Hierdoor nemen de vierkante meters huurhuisvesting en de kosten voor deze huisvesting af.

DBFMO lasten

Dit betreft de lasten van lopende en nieuwe Design Build Finance Maintain Operate (DBFMO) contracten met marktpartijen. Het investeringsdeel (Design, Build en Finance) van deze lasten is omgerekend naar rente en afschrijving en aldaar opgenomen. Deze post bevat dus alleen de vergoeding aan de consortia voor de operationele (Maintenance en Operate) kosten van de objecten. De verwachte toename heeft betrekking op een tweetal grotere nieuwe contracten (RIVM en rechtbank Amsterdam).

Onderhoud

Deze post betreft de kosten voor onderhoud en instandhouding van gebouwen en terreinen voor de rijkshuisvestingsportefeuille.

Belastingen en heffingen

Deze post betreft met name de onroerendezaakbelasting en de waterschapslasten over de voorraad onroerend goed die het RVB inzet voor rijkshuisvesting.

Energielasten

Dit betreft de energielasten in de kantorenportefeuille bij de rijkshuisvesting. Deze kosten worden bij de departementen in rekening gebracht via het regiotarief.

Ontwikkeling en verkoop onroerend goed

Dit betreft de kosten van ingekocht onroerend goed binnen het Kader Overname Rijksvastgoed (KORV) en de restant boekwaarde van verkochte eigen gebouwen en terreinen (niet KORV).

Met ingang van deze begroting worden verkopen zonder resultaat niet meer meegenomen in de post ontwikkeling en verkoop onroerend goed. De kasstromen worden alleen via de balans verwerkt.

Overige bijzondere lasten

De overige lasten betreffen met name de kosten voor wederoplevering bij contracteinde, kleinere investeringen voor de gebruikers, facilitaire leegstand- en ICT-kosten en verwachte waardedaling.

Kasstroomoverzicht

Het kasstroomoverzicht geeft aan hoeveel kasmiddelen beschikbaar zijn gekomen of naar verwachting zullen komen en op welke wijze gebruik is, of zal worden gemaakt van deze middelen.

De operationele kasstromen zijn aanzienlijk hoger dan de inkomsten en uitgaven in de baten-lastenbegroting. Deze kasstromen zijn namelijk inclusief de dienstverlening aan Defensie, de kasstromen vanuit de kas-verplichtingenbegroting en de werkzaamheden buiten begrotings-verband, welke op basis van de verslaggevingsregels niet tot de omzet worden gerekend.

Tabel 52 Kasstroomoverzicht van baten-lastenagentschap RVB over het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)
  

Stand slotwet 2019

Vastgestelde begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

1.

Rekening courant RHB 1 januari +  depositorekeningen

392.041

341.176

331.711

321.969

302.299

280.914

257.555

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

2.172.106

2.061.093

2.463.498

2.460.940

2.416.354

2.430.086

2.492.484

 

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

‒ 1.928.145

‒ 1.762.164

‒ 2.137.874

‒ 2.093.859

‒ 2.013.849

‒ 2.010.241

‒ 2.041.199

2.

Totaal operationele kasstroom

243.961

298.929

325.624

367.081

402.505

419.845

451.285

 

-/- totaal investeringen

‒ 582.919

‒ 647.000

‒ 480.000

‒ 540.000

‒ 456.000

‒ 456.000

‒ 456.000

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

17.535

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 565.384

‒ 647.000

‒ 480.000

‒ 540.000

‒ 456.000

‒ 456.000

‒ 456.000

 

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

‒ 9.526

0

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

-/- aflossingen op leningen

‒ 280.246

‒ 308.394

‒ 335.365

‒ 386.752

‒ 423.890

‒ 443.203

‒ 484.647

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

577.429

647.000

480.000

540.000

456.000

456.000

456.000

4.

Totaal financieringskasstroom

287.657

338.606

144.635

153.248

32.110

12.797

‒ 28.647

5.

Rekening courant RHB 31 december + stand  depositorekeningen (=1+2+3+4)

358.275

331.711

321.970

302.299

280.914

257.555

224.194

Toelichting

Investeringskasstroom

De investeringen in rijkshuisvesting en het daaruit voortvloeiende beroep op de leenfaciliteit in 2020 zijn gebaseerd op lopende en voorgenomen huisvestings- en instandhoudingsprojecten in dit jaar. Bij voorjaar 2021 wordt de leenfaciliteit voor dat jaar geactualiseerd. Het RVB investeert in grond en gebouwen die in de balans onder de post materiële vaste activa worden verantwoord.

Financieringskasstroom

De afdrachten aan het moederdepartement betreffen, conform de Regeling Agentschappen, het surplus op het eigen vermogen. Daarnaast gaat het om de aflossing op lopende en toekomstige leningen in het kader van de rijkshuisvesting, de overname van vastgoed van andere rijksdiensten en aflossingen op leningen voor ontwikkelprojecten.

Het beroep op de leenfaciliteit komt overeen met de investeringsstroom. De investeringen van PPS-marktpartijen en investeringen door het RVB in projecten die buiten de baten- en lasten vallen, zijn daarbij niet opgenomen.

Investeringen Rijkshuisvesting boven € 20 mln.

In ieder geval de volgende grotere projecten zullen (deels) via de leenfaciliteit gefinancierd worden:

Tabel 53 Investeringen in rijkshuisvesting boven € 20 mln. (bedragen x € 1 mln.)

Project

Indicatie investeringsvolume leenfaciliteit

Eerste jaar investering

1. Den Haag, veiligheidsdiensten

Nog niet gegund

2016

2. Den Haag, Binnenhofcomplex

562

lopend

3. Utrecht, PPS nieuwbouw RIVM

188

lopend

4. Amsterdam, PPS Nieuwbouw rechtbank Parnas

140

lopend

5. Apeldoorn, Walterbos Complex

Nog niet gegund

2019

6. Den Bosch, Paleizenkwartier

78

lopend

7. Utrecht, Herman Gorterstraat

83

lopend

8. Rotterdam, Rijkskantorencampus

72

lopend

9. Eindhoven, Rijkskantoor

Nog niet gegund

2019

10. Den Haag, PI Scheveningen Toekomstvast

Nog niet gegund

2017

11. Vught, PI Nieuwe Entree

Nog niet gegund

2017

12. De Bilt, verdichting KNMI-complex

Nog niet gegund

2017

13. Den Haag, Defensie, Plein Kalvermarkt Complex

Nog niet gegund

2018

14. Assen, Mandemaat EZ

Nog niet gegund

2020

15. Veenhuizen, PI

Nog niet gegund

n.t.b.

16. Utrecht, Onderhoud Rechtbank Midden-Nederland

Nog niet gegund

2018

17. Den Haag, Verbouwing Bruggebouw

Nog niet gegund

2018

18. Arnhem, Stationsplein West

Nog niet gegund

2016

19. Haarlem, renovatie Surinameweg

Nog niet gegund

2018

20. Paleis van Justitie, Den Haag

Nog niet gegund

2019

21. Den Haag, Algemene Rekenkamer, realisatie renovatie

Nog niet gegund

2020

22. Utrecht, Griffioenlaan Westraven

Nog niet gegund

2018

23. Almelo, Rechtbank Almelo

Nog niet gegund

2019

24. Den Haag, Koninklijke Bibliotheek

Nog niet gegund

2021

25. Den Haag, Churchillplein 1

Nog niet gegund

2020

26. PI Heerhugowaard

Nog niet gegund

2017

27. PI Alphen aan den Rijn, Beveiliging

Nog niet gegund

2017

28. PI Nieuwegein, wijzigen entree en bezoekzalen

Nog niet gegund

2017

29. PI Alphen aan den Rijn Verbinding

Nog niet gegund

2017

30. PI Krimpen, diverse E&K vervangingsinvesteringenl

Nog niet gegund

2017

31. PI Nieuwersluis, optimalisatie terrein en gebouwen A en C

Nog niet gegund

2017

32. PI Lelystad, integrale renovatie

Nog niet gegund

2019

Toelichting

Ad 2. Den Haag, Binnenhofcomplex

Het budget bedraagt € 475 mln. prijspeil 2015. Hiervan is € 410,4 mln. bedoeld voor de renovatie en € 52,1 mln. voor de tijdelijke huisvestingen. Daarnaast is er nog €12,5 mln. beschikbaar gesteld voor niet-huisvestingskosten. Aan het oorspronkelijk vastgestelde budget (prijspeil 2015) zijn de disclaimers voor indexering, respectievelijk marktwerking, voor veiligheid alsmede de kosten van een jaar uitstel door vertaald naar een budget met een prijspeil van 2020 (Kamerstukken II, 2019/20, 34293, nr. 94)

Ad 4. Utrecht, PPS nieuwbouw RIVM

Het in de tabel vermelde bedrag is de bijdrage van het Rijk in de financiering van het project. De waarde van het met de marktpartij afgesloten contract over 25 jaar bedraagt € 267 mln. Dit betreft zowel investering, als onderhoud als de algehele exploitatie van het pand.

Ad 5. Amsterdam, PPS Nieuwbouw rechtbank Parnas

Het in de tabel vermelde bedrag is de bijdrage van het Rijk in de financiering van dit PPS-project (excl. grond). De waarde van het met de marktpartij afgesloten contract over 30 jaar bedraagt ruim € 230 mln. Dit betreft zowel investering, als onderhoud als de algehele exploitatie van het pand.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Tabel 54 Overzicht doelmatigheidsindicatoren RVB
 

Stand slotwet 2019

Vastgestelde begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

Omschrijving Generiek Deel

       

Fte-totaal (excl. externe inhuur)

2.140

2.122

2.217

2.207

2.197

2.185

2.185

Apparaat-omzetindicator

24,4%

22,2%

25,8%

25,0%

24,7%

24,2%

23,2%

Saldo baten en lasten

13.933

0

0

0

0

0

0

Saldo van baten en lasten (%)

1,1%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

        

Omzet per product (x € 1.000)

       

Ingebruikgeving

928.912

941.052

1.067.105

1.117.664

1.141.431

1.165.050

1.220.248

waarvan extern

17.422

86.837

13.652

12.901

12.901

12.901

12.901

In stand houden vastgoed

75.257

175.358

53.644

53.644

53.644

53.644

53.644

waarvan andere eigenaar

45.429

46.993

31.644

31.644

31.644

31.644

31.644

projectrealisatie

93.236

62.234

79.297

71.245

63.779

63.991

66.655

waarvan andere eigenaar

32.283

32.951

47.334

47.334

47.334

47.334

47.334

Verkoop

31.818

48.312

50.039

46.039

40.039

35.039

35.039

Expertise en advies

38.544

17.697

41.905

41.905

41.905

41.905

41.905

        

Omschrijving Specifiek Deel

       

Rijkshuisvestingvoorraad x 1000 m² BVO

5.770

5.705

5.503

5.396

5.222

5.226

5.300

waarvan verhuurd

4.865

4.826

4.819

4.899

4.847

4.858

4.891

waarvan leeg frictie

46

121

57

78

69

91

91

waarvan leeg renovatie

458

248

316

219

173

166

204

waarvan leeg afstoot

401

510

289

180

114

91

95

Waarvan derden

  

23

20

20

20

20

waarvan eigendom

4.715

4.616

4.457

4.374

4.314

4.321

4.426

waarvan huur

1.055

1.089

1.046

1.022

909

905

875

Gemiddelde leegstand rijkshuisvestingvoor rekening RVB (% t.o.v. voorraad)

NB

NB

NB

NB

NB

NB

NB

ITK rijkshuisvesting

2,20

2,1 ‒ 2,8

2,1 ‒ 2,8

2,1 ‒ 2,8

2,1 ‒ 2,8

2,1 ‒ 2,8

2,1 ‒ 2,8

Doelmatigheid verkoop vastgoed

3874

>0

>0

>0

>0

>0

>0

Projecten binnen budget gerealiseerd

83%

84%

85%

85%

85%

85%

85%

Projecten tijdig gerealiseerd

94%

84%

85%

85%

85%

85%

85%

Productiviteit

1.033

975

1.000

1.025

1.025

1.025

1.025

        

Voorraad beheerde Defensieobjecten

       

Gebouwen x 1000 m² BVO

5.970

5.959

5.814

5.713

5.671

5.640

5.539

Terreinen x 1000 m²

388.602

345.294

346.401

343.119

342.747

342.660

341.964

Toelichting

Omzet per product

Met de producten bestrijkt het RVB de gehele keten van de huisvesting, vanaf de initiële vraag van een afnemer tot en met de realisatie (bouw en/of verbouw), het beheer, ontwikkeling en de afstoot. Het RVB werkt vraaggestuurd. De groei van de omzet voor ingebruikgeving heeft zowel te maken met een toename in de vraag naar huisvesting vanuit de departementen als met het feit dat de voorraad met nieuwe huisvesting verjongt. Daarmee is sprake van hogere afschrijvingslasten, die worden doorberekend in de tarieven.

Bezetting in fte’s

De bezetting van ambtelijk personeel neemt toe als gevolg van de gestegen vraag naar dienstverlening. Fte ontwikkeling sluit aan bij jaarplan 2019, aangevuld met de voorziene uitbreiding voor de kantorenportefeuille.

Apparaat-omzet indicator

Dit betreft de procentuele verhouding van de apparaatskosten van het RVB tot de omzet (totale baten) van de dienst.

Saldo baten en lasten

Het saldo van baten en lasten geeft een sluitend resultaatbeeld.

Rijkshuisvestingsvoorraad in 1.000 m2 BVO

De huisvestingsvoorraad neemt de komende jaren af door verkoop van eerder overtollig gesteld vastgoed. Het overtollig vastgoed is een gevolg van enerzijds het kabinetsbeleid en anderzijds adequate sturing door het RVB. Bij de gepresenteerde afname is rekening gehouden met de gevolgen voor de departementen van kabinetsbesluiten over de masterplannen huisvesting.

Indicator technische kwaliteit (ITK) rijkshuisvesting

Dit betreft het gewogen gemiddelde van de technische conditie van alle gebouwen op een schaal van 1 (nieuwbouw) t/m 6 (extreem slecht). Deze conditie wordt medebepaald door de staat van het onderhoud en (vervangings)investeringen. Op grond van voorraadoverwegingen (o.a. is een pand wel/niet strategisch, blijft het wel/niet in de voorraad) worden economische afwegingen gemaakt over het uitvoeren van onderhoud en investeringen. Voor een deel van de (niet-strategische) voorraad wordt dan een slechtere ITK-score geaccepteerd.

Doelmatigheid verkoop vastgoed.

Doelstelling is objecten te verkopen tegen tenminste de voorgecalculeerde bedragen die in een businesscase waren opgenomen.

Projecten binnen budget gerealiseerd

Het percentage projecten binnen budget gerealiseerd is vanaf 2016 bij de vorming van het RVB gesteld op meer dan 80% met een bijbehorend groeipad. Het getuigt van ambitie om als norm te hebben dat het overgrote deel van de projecten wordt uitgevoerd binnen het afgesproken budget. De ervaring leert dat het prognosticeren van de kosten van vastgoedprojecten niet eenvoudig is. De uitkomsten van aanbestedingen laten zich lastig voorspellen. Daarnaast kunnen tijdens de uitvoering van de projecten tegenvallers aan het licht komen.

Projecten tijdig gerealiseerd

Het percentage projecten tijdig gerealiseerd is vanaf 2016 bij de vorming van het RVB gesteld op meer dan 80% met een bijbehorend groeipad. Deze norm houdt concreet in dat in 2021 minder dan 16% van de projecten later wordt opgeleverd dan met de opdrachtgever is afgesproken. Een deel van de projecten kan vertragen doordat tijdens de uitvoering feiten boven water komen, waar vooraf geen rekening mee is gehouden.

Productiviteit

De productiviteit geeft inzicht in de sturing op directe uren. Hoe meer directe uren worden ingezet, ofwel hoe minder indirecte/overige, hoe beter wordt gepresteerd. Tussen 2018 en 2022 is nog sprake van een groeipad als gevolg van de in uitvoering zijnde harmonisatie en ...

Voorraad beheerde Defensieobjecten in 1.000 m2 BVO. De Defensieobjecten worden door het RVB onderhouden (instandhouding). Defensie voorziet de komende jaren een kleine krimp in haar portefeuille.

Productie RVB

De omzet van het RVB in deze baten-lastenbegroting geeft geen volledig beeld op de werkelijke omvang van de te verrichten werkzaamheden omdat een deel van deze werkzaamheden op grond van de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving niet tot omzet mogen worden gerekend. Het gaat hierbij om de programmakosten voor Defensie, om posten uit de kas-verplichtingenbegroting en om verkopen en ingebruikgevingen op grond van middelenafspraken. In onderstaande tabel zijn al deze werkzaamheden, gebaseerd op kasstromen, opgenomen in een overzicht van de ‘productie’.

Tabel 55 Begrootte productie RVB (bedragen x € 1.000)

Categorie

Ontwerpbegroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

Ingebruikgeving

494.000

516.077

522.605

510.962

519.733

537.269

Onderhoud

354.000

463.175

436.292

387.751

381.010

381.061

Project realisatie

898.000

976.739

1.027.674

950.378

950.957

953.651

Verkoop

146.000

133.635

129.635

124.265

119.265

119.265

Expertise en Advies

201.000

198.627

193.879

173.564

173.564

173.564

       

Totaal

2.093.000

2.288.253

2.310.085

2.146.920

2.144.529

2.164.810

Voor 2021 en 2022 zijn door Defensie aanvullende middelen beschikbaar gesteld voor onderhoud en expertise en advies.

5.8 Dienst van de Huurcommissie (DHC)

Inleiding

Het werkterrein van de Huurcommissie wordt voor het grootste deel gevormd door het gereguleerde deel van de markt voor huurwoonruimte. Als huurders en verhuurders een geschil hebben en er onderling niet uitkomen, dan doet de Huurcommissie op verzoek van de huurder of de verhuurder een uitspraak in geschillen over de hoogte van huurprijzen en servicekosten. De Huurcommissie beslecht ook geschillen in het kader van de Wet op het overleg huurders verhuurder (Wohv) en geschillen die voortvloeien uit klachten van de huurder over het handelen of nalaten van de verhuurder bij de producten en diensten die hij aan de huurder levert.

Het Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO) Huurcommissie (zonder eigen rechtspersoonlijkheid) wordt ondersteund door het agentschap de Dienst van de Huurcommissie (DHC). Voor de huurders en verhuurders presenteert de Huurcommissie zich als één landelijk opererende, onpartijdige en toegankelijke organisatie.

De Huurcommissie is continu gericht op verbetermogelijkheden bij de uitvoering van haar taken: het voorkomen, helpen oplossen en waar nodig beslechten van geschillen tussen huurder en verhuurder. Het gaat daarbij om verbeteringen in de dienstverlening aan huurders en verhuurders, en verbeteringen in de bedrijfsvoering. De Huurcommissie speelt flexibel in op wijzigingen in het aantal en soort informatievragen, veranderingen in de samenleving, het aantal en soort geschillen en op wijzigingen in de huurprijswet- en regelgeving. Uitgangspunt bij deze verbeteringen is het kader van de wet- en regelgeving van het huurprijsbeleid en de Rijksbrede ontwikkelingen die bij alle uitvoeringsorganisaties spelen.

Daarnaast is de Huurcommissie officieel buitengerechtelijke geschillenbeslechter in de zin van de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten, ofwel een Europese Alternative Dispute Resolution (ADR) instantie. De Huurcommissie voldoet aan de eisen die aan de geschillenbeslechter – in dit geval voor huurprijsgeschillen – worden gesteld.

Ook de dienstverlening van de Huurcommissie wordt continu verbeterd. Huurders en verhuurders hebben meer keuzemogelijkheden gekregen en hebben daardoor zelf meer invloed op het verloop van de procedure.

Wetswijzigingen 2021

In 2021 worden twee wetswijzigingen van kracht. De eerste wijziging betreft de wijziging van het Besluit huurprijzen woonruimte (Bhw), waarbij in het woningwaarderingsstelsel de energie-index wordt vervangen door een prestatie-indicator uitgedrukt in kWh/m2 per jaar. De tweede wetswijziging betreft de wijziging in de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (UHW) en de Woningwet (Wonw) middels de Wijziging huurverhogingsmogelijkheden en inkomensgrenzen Woningwet (Kamerstukken II 2019/2020, 35518, nr. 2). De uitvoeringsconsequenties die deze wetswijzigingen met zich mee brengen zijn meegenomen in deze ontwerpbegroting.

In de begroting zijn ook de kosten van het ZBO verwerkt.

Staat van baten en lasten

Tabel 56 Begroting van baten-lastenagentschap DHC voor het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)
 

Stand Slotwet 2019

1e suppletoire begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

       

Omzet

11.101

11.930

12.829

12.634

12.322

12.213

12.121

waarvan omzet moederdepartement

5.271

5.976

6.875

6.680

6.368

6.259

6.167

waarvan omzet overige departementen

0

0

0

0

0

0

0

waarvan omzet derden

5.830

5.954

5.954

5.954

5.954

5.954

5.954

Vrijval voorzieningen

385

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

392

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

11.878

11.930

12.829

12.634

12.322

12.213

12.121

        

Lasten

       

Apparaatskosten

9.577

11.705

12.811

12.616

12.304

12.195

12.103

- Personele kosten

6.810

8.356

8.978

8.816

8.704

8.695

8.603

waarvan eigen personeel

4.833

5.078

5.760

6.525

6.525

6.525

6.525

waarvan inhuur externen

1.639

2.621

2.551

1.641

1.529

1.520

1.428

waarvan overige personele kosten

338

657

667

650

650

650

650

- Materiële kosten

2.767

3.349

3.833

3.800

3.600

3.500

3.500

waarvan apparaat ICT

1.072

1.127

1.127

1.127

1.300

1.300

1.300

waarvan bijdrage aan SSO's

0

0

0

0

0

0

0

waarvan overige materiële kosten

1.695

2.222

2.706

2.673

2.300

2.200

2.200

Afschrijvingskosten

58

17

18

18

18

18

18

- Materieel

58

17

18

18

18

18

18

waarvan apparaat ICT

58

0

18

18

18

18

18

- Immaterieel

0

0

0

0

0

0

0

Dotaties voorzieningen

283

2.171

0

0

0

0

0

Overige kosten

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere lasten

2.292

0

1.456

1.100

0

0

0

Rentelasten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

12.210

13.893

14.285

13.734

12.322

12.213

12.121

        

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

‒ 332

‒ 1.963

‒ 1.456

‒ 1.100

0

0

0

Agentschapsdeel Vpb-lasten

0

0

0

0

0

0

0

        

Saldo van baten en lasten

‒ 332

‒ 1.963

‒ 1.456

‒ 1.100

0

0

0

Toelichting

Baten

Omzet moederdepartement

De reeks bedragen voor omzet moederdepartement in de jaren 2021–2025 heeft betrekking op de bekostiging van de Huurcommissie ten laste van artikel 3 van de ontwerpbegroting 2021 van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Omzet derden

Deze baten betreffen in de eerste plaats de legesopbrengsten die gebaseerd zijn op de veroordeling door de Huurcommissie van geschilpartijen tot vergoeding aan de Staat. De legesontvangsten zijn voor 2021 begroot op € 0,5 mln.

Daarnaast dragen verhuurders conform de UHW bij aan de kosten van de Huurcommissie. De verwachte verhuurdersbijdrage bedraagt in 2021 € 5,5 mln.

Omzet totaal

In het Jaarplan 2020 heeft de Huurcommissie de ambitie genoemd om eind 2021 te streven naar een normale werkvoorraad (de behandeltermijn van een geschil is maximaal vier maanden, met een normale werkvoorraad wordt bedoeld dat DHC nooit meer zaken heeft lopen dan gemiddeld in vier maanden binnenkomen). De verwachte productie voor 2021 is gebaseerd op dit streven. In 2021 worden in totaal 4.126 extra geschillen verwacht als gevolg van de wetswijzigingen.

De Huurcommissie kent diverse afdoeningswijzen voor een geschil. In het kostprijsmodel van de Huurcommissie worden de kostprijzen per afdoeningswijze berekend.

Tabel 57 Begrootte omzetverdeling DHC voor het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

Verstrekken algemene informatie

577

577

577

572

568

Oplossingsgericht afdoen

991

919

786

779

773

Intrekking op basis van specifieke informatie

417

381

316

313

311

Voorzittersuitspraak niet-ontvankelijk

595

586

566

561

557

Voorzittersuitspraak kennelijk redelijk/onredelijk

1.556

1.281

817

810

804

Intrekking naar aanleiding van bemiddeling

266

249

219

217

215

Vaststellingsovereenkomst

31

31

31

31

31

Intrekking naar aanleiding van onderzoeksrapport

1.055

1.079

1.118

1.108

1.100

Uitspraak/advies huurcommissie

7.124

7.314

7.675

7.607

7.549

Wohv geschillen

212

212

212

210

208

Advies geliberaliseerde huurprijs

5

5

5

5

5

      

Totaal

12.829

12.634

12.322

12.213

12.121

Lasten

Apparaatskosten

De apparaatskosten betreffen zowel de Dienst van de Huurcommissie als de salarissen en vergoedingen van de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter, de zittingsvoorzitters, de zittingsleden van de Huurcommissie en de Raad van Advies.

Personele kosten

De personele kosten betreffen met name de salarissen van de vaste medewerkers van de Dienst van de Huurcommissie en het ZBO Huurcommissie, maar ook de inhuur van externe medewerkers. In 2021 zijn de kosten voor externe inhuur relatief hoog, de oorzaak hiervan ligt, naast het streven naar een normale voorraad, in de toename van het aantal geschillen als gevolg van de wetswijzigingen (4.126 extra geschillen). Het streven is om de vaste formatie de komende jaren weer op niveau te krijgen met als gevolg dat de kosten voor eigen personeel de komende jaren stijgen en de kosten voor externe inhuur relatief afnemen.

Materiële kosten

De belangrijkste posten zijn huisvesting, bureaukosten, communicatie en ICT. Als gevolg van de wetswijzigingen en de daarmee samenhangende toename van het aantal geschillen zijn voor de extra benodigde medewerkers extra kosten opgenomen voor huisvesting en werkplekken. Dit verklaart de stijging van de overige materiële kosten.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten zijn conform de door de Minister van Financiën voorgeschreven afschrijvingstermijnen. Afgeschreven wordt op ICT en kantoorinventaris.

Bijzondere lasten

Onder deze post vallen de kosten voor het onderzoeken en werken naar een nieuw zaaksysteem. Nu worden de mogelijkheden voor een nieuw zaaksysteem onderzocht, omdat het oude zaaksysteem niet aan de verwachtingen voldoet. De verwachting is dat het nieuwe zaaksysteem vanaf 2022 operationeel is. In 2021 (€ 1,1 mln.) en 2022 (€ 1,1 mln.) zijn hiervoor extra kosten opgenomen voor testen, aanpassingen en implementeren. Voor 2022 zijn kosten opgenomen, omdat nog niet zeker is dat het systeem vanaf 2022 operationeel is. Vanaf 2023 zijn de kosten voor het nieuwe systeem opgenomen in de reguliere ICT kosten. Onder de post bijzondere lasten vallen ook de uitloopkosten van het programma ‘Eenvoudig naar gezag 2020’ (€ 0,3 mln.) en het project ‘Kwaliteit aan de Poort’ (€ 0,1 mln.). Door het coronavirus heeft de uitvoering hiervan in 2020 vertraging opgelopen waardoor werkzaamheden van de laatste fasen van deze projecten doorschuiven naar 2021.

Saldo van baten en lasten

Het saldo van baten en lasten zal over 2021 € 1,5 mln. negatief zijn.

Kasstroomoverzicht

Tabel 58 Kasstroomoverzicht van baten-lastenagentschap DHC over het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)
  

Stand slotwet 2019

1e suppletoire begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

1.

Rekening courant RHB 1 januari +  depositorekeningen

2.188

5.153

1.925

343

361

379

397

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

16.336

11.930

12.829

12.634

12.322

12.213

12.121

 

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

‒ 14.536

‒ 13.876

‒ 14.267

‒ 13.716

‒ 12.304

‒ 12.195

‒ 12.103

2.

Totaal operationele kasstroom

1.800

‒ 1.946

‒ 1.438

‒ 1.082

18

18

18

 

-/- totaal investeringen

0

0

0

0

0

0

0

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

0

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

0

0

0

0

0

0

0

 

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

‒ 2.380

‒ 3.245

‒ 1.600

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

3.545

1.963

1.456

1.100

0

0

0

 

-/- aflossingen op leningen

0

0

0

0

0

0

0

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

0

0

0

0

0

0

0

4.

Totaal financieringskasstroom

1.165

‒ 1.282

‒ 144

1.100

0

0

0

5.

Rekening courant RHB 31 december + stand  depositorekeningen (=1+2+3+4)

5.153

1.925

343

361

379

397

415

Toelichting

Operationele kasstroom

In de jaren 2021 en 2022 is uitgegaan van een negatief exploitatieresultaat.

Investeringskasstroom

Voor 2021 en volgende jaren is het uitgangspunt dat geen omvangrijke investeringen worden verricht.

Financieringskasstroom

Er wordt geen beroep gedaan op de leenfaciliteit van het Ministerie van Financiën.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Tabel 59 Overzicht doelmatigheidsindicatoren DHC
 

Stand slotwet 2019

Vastgestelde begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

Omschrijving Generiek Deel

       

Gemiddeld integraal tarief/uur

NB

NB

127

129

133

132

131

Fte-totaal (excl. externe inhuur)

60

67

76

87

87

87

87

Saldo van baten en lasten (%)

‒ 3%

0

‒ 11

‒ 9

0

0

0

        

Productie per dienst

       

Huurprijsgeschillen1

4.888

5.698

5.908

5.908

5.910

5.910

5.910

Servicekostengeschillen

1.610

2.287

2.420

2.420

2.420

2.420

2.420

Huurverhogingsgeschillen (inclusief IAH)

3.083

1.983

6.253

6.253

4.980

2.980

2.980

Klachten huurders jegens verhuurders

195

482

500

500

500

500

500

Wohv-geschillen

14

10

15

15

15

15

15

Onderzoeksrapporten rechtbank

0

20

0

0

0

0

0

Onderzoeksrapporten publieksrechtelijke organen

0

10

0

0

0

0

0

Advies geliberaliseerde huurprijs

2

10

5

5

5

5

5

Verklaring over redelijkheid van de huurprijs

0

0

0

0

0

0

0

        

Totaal

9.792

10.500

15.101

15.101

13.830

11.830

11.830

        

Omschrijving Specifiek Deel

       

% Huurpijsgeschillen afgerond binnen 4 maanden

45

90

90

90

90

90

90

% Servicekostengeschillen afgerond binnen 5 maanden

49

90

     

% Huurverhogingsgeschillen afgerond binnen 4 maanden

94

90

90

90

90

90

90

% Wohv-geschillen afgerond binnen 3 maanden

0

90

90

90

90

90

90

% Wohv-geschillen afgerond binnen 4 maanden

0

90

90

90

90

90

90

% ADR-geschillen afgerond binnen 90 dagen

86

>90

>90

>90

>90

>90

>90

X Noot
1

Dit betreft zowel huurverhogingsgeschillen op basis van punten als huurverhogingsgeschillen op basis van inkomen.

Toelichting

Gemiddeld integraal tarief/uur

Het gemiddelde integrale tarief per uur is de uitkomst van de verwachte totale kosten (exclusief projectkosten) in een jaar gedeeld door het totaal aantal productieve uren per jaar. Als de Huurcommissie efficiënter wordt dalen de tarieven. Tot 2023 is een stijging van de tarieven waarneembaar. De oorzaak hiervan is dat de gewijzigde wetgeving de huurverhogingsgeschillen betreft. Deze geschillen zijn relatief snel en vroeg in het proces af te doen. Naarmate dit aantal in de volgende jaren afneemt gaat dit voordeel afnemen, omdat er relatief gezien meer zaken komen die langer in het proces zitten en ook meer kosten met zich meebrengen.

Fte totaal

Het streven is om het aandeel medewerkers in vaste dienst de komende jaren te laten groeien.

Doorlooptijden

De Huurcommissie werkt met twee verschillende doorlooptijden. In de eerste plaats de doorlooptijd voor de hele procedure, gebaseerd op de UHW. Deze telt vanaf het moment dat de verzoeker het voorschot op de leges heeft betaald tot en met het moment waarop de uitspraak wordt verstuurd.

In de tweede plaats de doorlooptijd van ADR-geschillen, zoals de Implementatiewet voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten voorschrijft. Deze telt vanaf het moment dat het dossier van een zaak compleet is.

Voor de geschilbeslechting op basis van de Wohv geldt een wettelijke termijn van acht weken, met de mogelijkheid om indien nodig gemotiveerd een langere doorlooptijd te hanteren. De ervaringen met de Wohv-geschillen leren dat partijen hechten aan overleg onder auspiciën van de Huurcommissie, als gevolg waarvan de termijn van acht weken niet gehaald wordt zonder dat dit op bezwaren van betrokkenen stuit. Om deze reden is als streeftermijn (voor 90% van de Wohv-geschillen) vier maanden geformuleerd. De ADR-doorlooptijd, zoals de Implementatiewet voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten voorschrijft, is 90 dagen. Nadat het dossier eenmaal compleet is, handelt de Huurcommissie minimaal 90% van de zaken binnen de wettelijke termijn van 90 dagen af.

6. Bijlagen

Bijlage 1: Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak

Tabel 60 Overzicht Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (vallend onder Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties)

Naam organisatie1

RWT/ZBO

Begrotingsartikel

Begrotingsramingen

Uitgevoerde evaluatie ZBO onder Kaderwet

Volgende evaluatie ZBO

Huis voor klokkenluiders

ZBO

artikel 11

3.700

N.v.t.2

2021

Kadaster (basisregistraties)

ZBO

artikel 5

48.494

2015

2020

Huurcommissie

ZBO

artikel 3

7.261

2014

2022

Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP)

RWT en ZBO

artikel 7

7.909

N.v.t.3

N.v.t.

Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw

ZBO

artikel 11

1.028

N.v.t.4

2025

Stichting Visitatie Woningcorporaties Nederland

ZBO

artikel 3

 

2019