Kamerstuk 35470-XV-8

Lijst van vragen en antwoorden, gesteld aan de regering, over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2019 bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Dossier: Jaarverslag en slotwet Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2019

Gepubliceerd: 12 juni 2020
Indiener(s): Michel Rog (CDA)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35470-XV-8.html
ID: 35470-XV-8

Nr. 8 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 15 juni 2019

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de brief van 20 mei 2020 inzake het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2019 bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) (Kamerstuk 35 470 XV, nr. 2).

De Minister en Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben deze vragen beantwoord bij brief van 12 juni 2020. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Rog

Adjunct-griffier van de commissie, Reinders

Vraag 1

Wat zijn de aantallen inburgeraars die elk jaar binnenkomen?

Antwoord 1

Door DUO wordt de inburgering opgelegd via een kennisgeving aan de inburgeraar. In de afgelopen jaren zijn de volgende aantallen kennisgevingen verstuurd (afgerond op 1.000):

  • 2017: 23.000;

  • 2018: 20.000;

  • 2019: 18.000.

Vraag 2

Hoeveel inburgeraars zijn in 2019 succesvol ingeburgerd?

Antwoord 2

In 2019 zijn er 32.000 (afgerond op 1.000) personen geslaagd voor hun inburgeringsdiploma. Dit betreft zowel de verplichte inburgeraars als mensen die op vrijwillige basis hun inburgeringdiploma hebben gehaald.

Vraag 3

Hoeveel mensen zaten er in 2019 vast in een pre-procedure?

Antwoord 3

Het COA kent geen «pre-procedure». Dit is geïnterpreteerd als de groep asielzoekers die in 2019 in afwachting was van de start en afwikkeling van de asielprocedure op zogenaamde procesopvanglocaties (pol). In 2019 betrof dit 12.430 unieke bewoners.

Vraag 4

Hoe lang duurt het gemiddeld van moment van aanmelding asielzoeker tot start inburgering?

Antwoord 4

Het moment waarop een vergunninghouder begint met het inburgeringstraject is niet bekend bij het Ministerie van Justitie & Veiligheid, terwijl het moment van aanmelding als asielzoeker niet geregistreerd is bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of DUO. Het is daarom op deze korte termijn ook niet mogelijk om deze gegevens te betrekken in dit antwoord.

Vraag 5

Hoe lang duurt een volledig inburgeringstraject gemiddeld?

Antwoord 5

De gemiddelde inburgeringstermijn van degenen die in 2019 zijn ingeburgerd bedraagt 36 maanden. Dit betreft de gemiddelde tijd tussen het versturen van de kennisgeving inburgering en de datum voldaan inburgering. Voldaan kan in deze betekenen:

  • Datum diploma;

  • Datum ontheffing;

  • Datum vrijstelling.

Vraag 6

Wat is de streeftijd voor een inburgeringstraject?

Antwoord 6

Er is geen streeftijd voor de inburgeringstermijn. De wettelijke termijn waarbinnen de inburgering gerealiseerd moet worden is 3 jaar. Er zijn verschillende gronden om verlenging te verlenen, bijvoorbeeld bij zwangerschap tijdens de wettelijke inburgeringstermijn.

Vraag 7

Waar ziet u kwetsbaarheden in de uitvoering bij andere partijen, gezien het feit dat de Algemene Rekenkamer erop wijst dat uw afhankelijkheid voor wat betreft de uitvoering op afstand breder is dan alleen de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en het Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen (UWV)?

Antwoord 7

Om de uitvoeringsorganisaties ordentelijk te besturen is het model van de besturingsdriehoek rijksbreed ingevoerd. Daarbij worden de rollen van eigenaar (de SG of pSG), opdrachtgever (de beleids-DG) en die van opdrachtnemer (bestuur of DG van de uitvoeringsorganisatie) onderscheiden. Naast UWV en SVB verrichten ook uitvoeringsorganisaties onder de verantwoordelijkheid van andere ministeries uitvoeringstaken op SZW-terrein. Denk daarbij aan Belastingdienst/Toeslagen voor de kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget, DUO voor de organisaties van inburgeringsexamens, CIZ bij de uitvoering van dubbele kinderbijslag en de RCN-unit voor Caribisch Nederland. De probleemanalyse van het traject «Werk aan uitvoering» (Tweede Kamer, bijlage bij Kamerstuk 31 490, nr. 271) merkt op dat besturing over het algemeen complexer is als uitvoeringsorganisaties voor meerdere opdrachtgevers werken, vanuit meerdere ministeries. De probleemanalyse van het traject «Werk aan uitvoering» constateert dat een integraal interdepartementaal opdrachtgeverschap op dit moment nog onvoldoende gestructureerd is vormgegeven. De opeenstapeling van opdrachten van de verschillende opdrachtgevers wordt nog niet genoeg als geheel bezien en beoordeeld op de gevolgen voor de kwaliteit van de dienstverlening.

Op dit moment wordt gewerkt aan de tweede fase in het traject «Werk aan uitvoering»: concrete handelingsperspectieven voor verbetering van de dienstverlening, wendbaarheid en toekomstbestendigheid die zijn in te zetten voor de korte en langere termijn, en zo mogelijk ook breder toepasbaar zijn voor andere uitvoeringsorganisaties dan alleen de Belastingdienst, UWV, SVB en DUO. Hierbij worden ook handelingsperspectieven geformuleerd voor het verbeteren van de besturingsdriehoek. Deze handelingsperspectieven zullen onderdeel worden van de «Werkagenda voor de uitvoering» waarmee het kabinet een bijdrage levert aan de uitdagingen in de uitvoering.

Vraag 8

Hoe gaat u om met de kritiek van de Algemene Rekenkamer om meer grip op de uitvoering te krijgen en de informatiepositie van de Tweede Kamer te verbeteren?

Antwoord 8

Met het traject Werk aan uitvoering wordt een brede analyse uitgevoerd bij vier grote uitvoeringsorganisaties waaronder UWV en SVB. Het traject heeft als doel om mogelijkheden te schetsen om de dienstverlening te versterken maar ook om de wendbaarheid en de toekomstbestendigheid van UWV, SVB, DUO en Belastingdienst te vergroten. Het traject bestaat uit twee fasen. In fase 1 van Werk aan uitvoering is een grondige analyse gedaan naar de oorzaken van de problematiek. Deze probleemanalyse is op 14 februari jl. naar uw Kamer gestuurd (Kamerstuk 31 490, nr. 271). Fase 1 vormt de basis voor fase 2. Fase 2 is het formuleren van concrete handelingsperspectieven voor verbetering van de dienstverlening, wendbaarheid en toekomstbestendigheid van de uitvoeringsorganisaties. Zowel voor de korte als de lange termijn, en zo mogelijk ook breder toepasbaar dan enkel UWV, SVB, Belastingdienst en DUO. Naar verwachting zijn die handelingsperspectieven, voorzien van een kabinetsreactie in de zomer gereed om naar uw Kamer te sturen. De probleemanalyse laat zien dat de opgave complex is. Er zijn structurele verbeteringen nodig die een ambitieuze en samenhangende aanpak vragen. Hier moeten we samen mee aan de slag: met de uitvoeringsorganisaties, ministeries, kabinet en parlement.

De informatiepositie van de Tweede Kamer is de afgelopen jaren versterkt door het aanbieden van een brief over fraudefenomenen in de sociale zekerheid en het tweemaal per jaar aanbieden van de Stand van de uitvoering met daarin informatie over de uitvoering van de socialezekerheidsregelingen en dilemma’s die daarbij spelen.

In de resultaten van het verantwoordingsonderzoek 2019 doet de Algemene Rekenkamer enkele aanbevelingen om de informatiepositie van het parlement te versterken. De aanbeveling om in de beleidsartikelen die betrekking hebben op de regelingen die UWV uitvoert, gegevens over de rechtmatigheid van de verstrekte uitkeringen op te nemen neemt de Minister in aangepaste vorm over. Zo zal de Minister, om de samenhang tussen de verschillende informatiestromen te verduidelijken, in het jaarverslag onder artikel 11 Uitvoering in het vervolg een verwijzing opnemen naar de rapportage in de jaarverslagen van UWV en de SVB over de rechtmatigheidspercentages van de verstrekte uitkeringen. Verder wordt geadviseerd om in de begroting en verantwoording onder beleidsartikel 5 Werkloosheid een verwijzing op te nemen naar het hoofdstuk Sociale fondsen. De Minister neemt deze aanbeveling over.

Vraag 9

Hoeveel werkgelegenheid zou 500 miljoen euro opleveren als rechtstreeks mensen in dienst genomen worden en met welk jaarsalaris wordt er dan gerekend, in aanmerking genomen dat de Algemene Rekenkamer concludeert dat het niet plausibel is dat de uitgaven aan het lage-inkomensvoordeel (LIV) doelmatig zijn, omdat de jaarlijkse uitgaven aan het LIV (ongeveer 500 miljoen euro) niet tot een groter aantal extra voltijdsbanen leiden dan wanneer u – in theorie – zelf extra banen zou financieren met deze 500 miljoen euro?

Antwoord 9

Het LIV is ingevoerd als onderdeel van een pakket aan lastenverlichting voor werkgevers. Werkgevers worden gecompenseerd in de loonkosten van werknemers die tot 125 procent van het WML verdienen. Hiermee krijgen werkgevers een prikkel om werknemers met een laag loon in dienst te nemen en in dienst te houden. Het doorrekenen van een lastenverlichting naar theoretische, door de overheid gesubsidieerde, voltijdsbanen is een hypothetische exercitie die geen recht doet aan de achtergrond waartegen deze regeling is ingevoerd. Het is bovendien niet mogelijk om een eenduidig aantal te creëren overheidsbanen te verbinden aan de omvang van LIV-budget omdat in dat hypothetische geval niet het volledige budget besteed kan worden aan loonkosten (zoals bij het huidige LIV wel het geval is).

Daar komt bij dat het beleid van dit kabinet zich erop richt om mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt een kans te geven op een reguliere baan bij een reguliere werkgever. De instrumenten binnen de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) dragen daaraan bij. Het als overheid zelf direct financieren van extra banen leidt niet tot een inclusieve arbeidsmarkt. In het Pensioenakkoord is afgesproken dat werkgevers in overleg met het kabinet gaan onderzoeken of voor het geheel aan instrumenten in de Wtl, waaronder het LIV, tot een effectievere invulling gekomen kan worden1. De inzet daarbij is dat de Wtl moet bijdragen aan de inclusieve arbeidsmarkt door werkgevers via gerichte lastenverlichting te ondersteunen zodat zij kwetsbare groepen een kans op de arbeidsmarkt kunnen geven.

Vraag 10

Wat is er dit jaar nodig om volgend jaar niet weer onvolkomenheden bij het financieel beheer van de Rijksdienst Caribisch Nederland-unit (RCN-unit) te constateren?

Antwoord 10

Het financieel beheer is op de goede weg en de rechtmatigheidsproblematiek is aanzienlijk afgenomen. De RCN-unit SZW heeft daarmee een bijzondere prestatie geleverd. Het verbetertraject heeft echter een langere doorlooptijd, zoals om de ICT op orde te brengen (zie het antwoord op vraag 11).

Vraag 11

Welke verbeteringen zijn er doorgevoerd om de onvolkomenheden bij het financieel beheer van de RCN-unit op te lossen?

Antwoord 11

Over 2019 lag het accent op het invoeren van een verbijzonderde interne controlefunctie en het in gang zetten van een integraal verbetertraject voor de ICT.

Het invoeren van de verbijzonderde interne controlefunctie dient ertoe tijdig (tussentijds) bij te kunnen sturen door de RCN-unit SZW, met als doel afname van het foutpercentage. Deze verbijzonderde controlefunctie is nog in opbouw. Hierbij vindt afstemming plaats met de Auditdienst Rijk om deze functie in 2020 waar nodig verder te optimaliseren.

Op basis van een in 2019 afgeronde analyse van een extern bureau is samen met de ICT-leverancier de basis gelegd voor het ontwikkelen van een applicatielandschap dat de RCN-unit SZW in voldoende mate ondersteunt en bijdraagt aan een rechtmatige uitvoering. Hiervoor is een tweejarig contract met de leverancier gesloten, met als ingangsdatum 1 januari 2020.

Vraag 12

Welke verbeteringen zijn er doorgevoerd om de onvolkomenheden bij de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO) op te lossen?

Antwoord 12

In 2019 is een verbetertraject gestart om de eerder geconstateerde tekortkomingen in de bedrijfsvoering van de RSO op te lossen en zijn de eerste stappen naar een structurele verbetering in het financieel beheer gezet. Vanaf eind 2019 is hier aanvullende capaciteit en expertise in de vorm van een taskforce op ingezet. Een belangrijke stap is het beschrijven, implementeren en controleren van de administratieve processen en de bijbehorende beheersmaatregelen. Inmiddels zijn er forse stappen gezet in het actualiseren van deze administratieve processen en het vastleggen daarvan in een handboek, conform de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer.

Vraag 13

Wat is er dit jaar nodig om volgend jaar niet weer onvolkomenheden bij de RSO te constateren?

Antwoord 13

In de eerste helft van 2020 wordt een solide basis gelegd om het financieel beheer volgens de afgesproken en vastgelegde manier uit te voeren. De RSO stuurt hierop, stelt bij waar nodig en verbetert waar mogelijk. Dit is een continu proces. Werken volgens de administratieve procedures moet de normale gang van zaken worden. De RSO zet daarom ook in op verbetering van cultuur en gedrag.

Vraag 14

Is op dit moment de review die is uitgevoerd op de werkzaamheden van de accountants/auditdienst van UWV en de SVB ten behoeve van het certificeren van de jaarrekening beschikbaar en wat zijn de resultaten daarvan?

Antwoord 14

De uitvoering van deze review is op dit moment nog gaande. Over de resultaten kan de Minister daarom nog geen informatie ter beschikking stellen. U zult over de resultaten worden geïnformeerd in de stand van de uitvoering van december 2020.

Vraag 15

Kunt u nader toelichten of het klopt dat u vooral heeft gewerkt aan de directe financiering van de kinderopvang en dat dit samenhangt met het niet eerder ingrijpen toen signalen van de Nationale ombudsman naar boven kwamen over te strikte toepassing van regelgeving?

Antwoord 15

In de periode van 2015 tot 2018 is gewerkt aan het uitwerken van het voorstel voor een nieuwe financieringssystematiek. Dit voorstel had mede ten doel om het aantal terugvorderingen sterk te beperken door middel van de invoering van directe financiering. In het regeerakkoord 2017 (Bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34) is aangegeven dat het voorstel kansrijk was, maar dat een zorgvuldige afweging nodig was vanwege het ingrijpende karakter van de veranderingen. De afweging heeft ertoe geleid dat na gesprekken met DUO en de Belastingdienst het kabinet heeft besloten directe financiering te stoppen en wel verbeteringen door te voeren binnen het huidige stelsel. Deze verbeteringen zijn ook gericht op het terugdringen van het (hoge) aantal terugvorderingen binnen de kinderopvangtoeslag.

In de brief van 12 maart jl. heeft de Staatssecretaris uw Kamer geïnformeerd over hoe destijds met de signalen van de Belastingdienst over de eigen bijdrage voor de kinderopvang is omgegaan (Kamerstuk 31 066, nr. 612). In deze brief heeft de Staatssecretaris ook aangegeven dat zij op haar departement nader onderzoek zal laten verrichten naar signalen die gewisseld zijn over de problematiek van de eigen bijdrage voor de kinderopvang, en de wijze waarop hiermee is omgegaan.

De Staatssecretaris wil nogmaals benadrukken dat zij het betreurt dat destijds geen gevolg is gegeven aan de signalen door proportioneel terugvorderen van de kinderopvangtoeslag mogelijk te maken. In juni vorig jaar hebben de Staatssecretaris van SZW en de Staatssecretaris van Financiën een meer proportionele benadering aangekondigd. Op 9 oktober 2019 is hiertoe het besluit genomen. De Belastingdienst/Toeslagen kan sinds 23 oktober 2019, in lijn met de uitspraak van de Raad van State, de kinderopvangtoeslag proportioneel vaststellen. In de komende periode zal het proportioneel vaststellen opgenomen worden in de wet.

Vraag 16

Wanneer informeert u de Kamer over een effectievere invulling van instrumenten uit de Wet tegemoetkoming loondomein, waaronder het LIV? Waarom is vertraging opgetreden in de informatie over de uitkomsten van overleg met werkgevers, gezien het feit dat in uw reactie op het rapport van de Algemene Rekenkamer wordt gesproken over het toesturen van informatie «voor het zomerreces»?

Antwoord 16

Zoals is opgenomen in de reactie op het rapport van de Algemene Rekenkamer ben ik voornemens uw Kamer voor het zomerreces te informeren over de effectievere invulling van de instrumenten uit de Wtl. De verschuivingen binnen de Wtl hebben grote budgettaire gevolgen. Mede daarom wordt de effectievere invulling van de instrumenten zorgvuldig bezien en vormgegeven. De uitwerking van de effectievere invulling duurt langer dan voorzien.