Kamerstuk 35300-XV-19

Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

Dossier: Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2020

Gepubliceerd: 21 november 2019
Indiener(s): Michel Rog (CDA)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35300-XV-19.html
ID: 35300-XV-19

Nr. 19 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 21 november 2019

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 17 oktober 2019 voorgelegd aan de Minister en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Bij brief van 13 november 2019 zijn ze door de Minister en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Rog

Adjunct-griffier van de commissie, Kraaijenoord

Inleiding

Hierbij zenden wij u de antwoorden op de vragen gesteld door de leden van de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar aanleiding van de begroting 2020 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Een aantal vragen ligt niet (primair) op het beleidsterrein van ons ministerie. In overleg met een collega-departement hebben wij wel een (feitelijk) antwoord op deze vragen afgestemd. Het gaat om de vragen 2 tot en met 7, 10, 11, 125, 126, 131 en 221 (Ministerie van BZK) en vraag 328 (Ministerie van OCW).

Vragen en antwoorden

Vraag 1

Hoe groot is de pakkans voor werkgevers die zich schuldig maken aan arbeidsdiscriminatie? Is deze groter dan, kleiner dan of gelijk aan 2018?

Antwoord 1

De inzet van de Inspectie SZW op discriminatie op de arbeidsmarkt is met de daarvoor beschikbaar gestelde extra gelden geïntensiveerd. Dit jaar zijn extra inspecteurs in dienst gekomen en dat loopt op naar een verdubbeling van de inzet in de loop van 2020. Deze capaciteit wordt ingezet bij de verkenning van het toezicht op het werving en selectieproces, vooruitlopend op de wetgeving die daarover is toegezegd, als ook bij het toezicht op discriminatie op de werkplek. Sinds de start van het daarvoor ingerichte team binnen de Inspectie, wordt ieder jaar een stijgend aantal inspecties uitgevoerd. Daarmee wordt de «pakkans» ieder jaar vergroot.

De Inspectie SZW beoordeelt geen individuele gevallen van arbeidsdiscriminatie, maar beoordeelt of een werkgever voldoende beleid heeft ontwikkeld en maatregelen getroffen om discriminatie op de werkvloer tegen te gaan. Voor individuele gevallen van discriminatie ligt een klacht bij het College voor de Rechten van de Mens (CRM) of een Antidiscriminatievoorziening (ADV) voor de hand. Ook kan van een concreet geval van discriminatie aangifte worden gedaan bij de politie.

Vraag 2

Hoeveel gemeenten hebben een beleid voor de huisvesting van arbeidsmigranten?

Antwoord 2

Gemeenten kunnen hun beleid voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, waaronder arbeidsmigranten, op hun eigen manier vormgeven. In veel gemeenten vallen arbeidsmigranten onder de verzamelnoemer «urgente doelgroepen». Uit de Monitor Prestatieafspraken 2019 blijkt dat de huisvesting van doelgroepen in 94% van de gevallen in de prestatieafspraken terugkomt. In ongeveer 7% van de prestatieafspraken komen afspraken over de huisvesting van arbeidsmigranten voor. De meeste van deze afspraken zijn gemaakt in Limburgse (32%) of Noord-Brabantse (27%) gemeenten.

Dat een gemeente geen prestatieafspraken heeft specifiek over de huisvesting van arbeidsmigranten hoeft overigens niet te betekenen dat die gemeente geen beleid heeft op dit gebied. De prestatieafspraken gaan immers slechts over het voorstel van woningcorporaties voor de huisvesting van arbeidsmigranten en afspraken kunnen ook met andere partijen worden gemaakt. Uit een analyse van de lokale en regionale woonvisies uit 2017 blijkt dat alle onderzochte woonvisies melding maken van bijzondere doelgroepen en dat 35% van de gemeenten die als prioriteit aanmerkt. Specifiek de huisvesting van arbeidsmigranten wordt bij 30% van de onderzochte woonvisies genoemd.

Vraag 3

Welke maatregelen worden door gemeenten genomen om adequate huisvesting van arbeidsmigranten te organiseren en welke resultaten heeft dit opgeleverd?

Antwoord 3

Het woonbeleid is gedecentraliseerd en gemeenten kunnen dus hun eigen afwegingen maken in hun beleidskeuzes. Gemeenten en provincies zijn daarbij de partijen die besluiten kunnen nemen over aantallen nieuw te bouwen woningen en die de procedures rondom de bouw vormgeven. In vervolg op de Nationale Verklaring huisvesting arbeidsmigranten zijn tot en met 2016 ruim 30.500 plekken gerealiseerd. Verder kunnen gemeenten een specifieke doelgroep opnemen in hun woonvisie, waardoor zij met een lokale woningcorporatie prestatieafspraken kunnen maken over de huisvesting van deze doelgroep. Uit de monitor prestatieafspraken 2019 blijkt dat er in 7% van de gevallen afspraken gemaakt zijn over de huisvesting van arbeidsmigranten.

Daarnaast hebben gemeenten verschillende instrumenten om het splitsen en verkameren van woningen vergunningplichtig te maken.

Vraag 4

Hoeveel extra huisvestingsplekken zijn er door gemeenten in de afgelopen acht jaar, na het advies van de tijdelijke commissie Lessen uit recente arbeidsmigratie (LURA), gerealiseerd?

Antwoord 4

Naar aanleiding van de Tijdelijke commissie LURA is de Nationale Verklaring huisvesting arbeidsmigranten opgesteld en ondertekend door verschillende regio’s. Vanuit deze Nationale Verklaring hebben negen regio’s zelf regionale afspraken gemaakt over een te behalen aantal huisvestingsplekken voor arbeidsmigranten. Wanneer deze bij elkaar worden opgeteld kwam de totale opgave uit op 31.000 plekken. Een uitvraag leert dat er tot en met 2016 ruim 30.500 plekken zijn gerealiseerd.

Vraag 5

Hoe vaak gaan gemeenten akkoord met initiatieven om adequate huisvesting van arbeidsmigranten te realiseren?

Antwoord 5

Er wordt niet bijgehouden hoe vaak gemeenten akkoord gaan met specifieke huisvestingsprojecten. Het is aan de gemeente en de provincie om de afweging te maken of een specifiek project passend is in de huisvestingsbehoefte en of dit past binnen de gestelde kaders van de ruimtelijke ordening.

Vraag 6

Welke maatregelen neemt u om gemeenten te bewegen tot adequate huisvesting van arbeidsmigranten?

Antwoord 6

Door het kabinet wordt breed ingezet op kwalitatief goede huisvesting voor arbeidsmigranten. Sinds 1 januari 2017 geldt op grond van de Wet aanpak schijnconstructies (Was) het verbod op inhoudingen en verrekeningen op het wettelijk minimumloon. Huisvesting vormt daar een van de uitzonderingen op. Er mag voor huisvesting maximaal 25% ingehouden worden op het wettelijk minimumloon onder strikte voorwaarden. Eén van de voorwaarden voor inhoudingen voor huisvesting is dat de huisvesting moet voldoen aan de kwaliteitseisen die zijn overeengekomen in de cao tussen sociale partners. Daarnaast dienen deze kwaliteitseisen te zijn gecontroleerd door een geaccrediteerde instelling. Een voorbeeld van een dergelijke normenset met geaccrediteerde controlerende instellingen is het keurmerk van de Stichting Normering Flexwonen (SNF).

De Minister van BZK heeft bovendien in verschillende deals afspraken gemaakt over de huisvesting van arbeidsmigranten. De woondeals met de Metropoolregio Rotterdam-Den Haag en de regio Eindhoven bevatten afspraken over de huisvesting van arbeidsmigranten en ook in de regiodeal Achterhoek wordt aandacht besteed aan arbeidsmigranten. Daarnaast wordt in het kader van de integrale aanpak van misstanden rond arbeidsmigranten met gemeenten, provincies en sociale partners gesproken over acties om te komen tot adequate huisvesting voor arbeidsmigranten.

Vraag 7

Hoeveel arbeidsmigranten verblijven in huisvesting die niet gecertificeerd is volgens de huisvestingsnorm van de Stichting Normering Flexwonen (SNF)?

Antwoord 7

De Stichting Normering Flexwonen heeft alleen zicht op de huisvesting van huisvesters die zich juist wel hebben aangemeld voor het keurmerk. Zodoende is er geen beeld van hoeveel arbeidsmigranten verblijven in niet-gecertificeerde huisvesting.

Vraag 8

Hoeveel gevallen van uitbuiting van arbeidsmigranten zijn er in 2018 vastgesteld door de Inspectie SZW?

Antwoord 8

In 2018 zijn er 80 intake-gesprekken gevoerd met mogelijke slachtoffers van arbeidsuitbuiting. In 23 gevallen was er geen sprake van mensenhandel. Van de resterende 57 gevallen hebben 2 slachtoffers afgezien van de aangeboden B8 regeling. De overige 55 slachtoffers hebben de aangeboden B8 regeling geaccepteerd. De B8-regeling geeft slachtoffers van mensenhandel vanaf de datum van aangifte drie maanden bedenktijd om te bepalen of zij hun medewerking willen verlenen aan strafrechtelijk onderzoek. Aan het recht op aangifte is een tijdelijk verblijfsrecht gekoppeld. Gedurende de procedure zijn 5 slachtoffers uit de opvang vertrokken, zonder aangifte te doen. De resterende 50 slachtoffers hebben aangifte gedaan van arbeidsuitbuiting. Van de 50 slachtoffers die aangifte hebben gedaan, heeft er één de Nederlandse nationaliteit.

Vraag 9

Welke cijfers zijn er beschikbaar over de bijdrage die Europese Unie (EU)-arbeidsmigranten leveren aan het bruto nationaal product (bnp)?

Antwoord 9

De bijdrage die EU-arbeidsmigranten leveren aan het bruto nationaal product is de toegevoegde waarde die ze leveren. Deze kan benaderd worden door de loonsom.

Uit SEO-onderzoek in 2018 blijkt dat arbeidsmigranten uit Midden-Europa en Oost-Europa ongeveer 2% van de totale loonsom in Nederland in 2016 verdienden. Er waren toen 371.000 werknemers uit MOE-landen werkzaam op de Nederlandse arbeidsmarkt. Dat staat gelijk aan 4,3% van het totaal aantal werknemers in Nederland. Zij bezetten 514.000 banen (4,7% van het totaal aantal banen in Nederland) en 156.000 FTE (3,0% van het totaal aantal FTE in Nederland). (Bron: SEO, «De economische waarde van arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa voor Nederland»)

Er zijn ook migranten uit andere delen van Europa. Gegevens over hun loonsom zijn niet bekend. Wel weten we dat er in totaal 414.100 banen vervuld werden door werknemers afkomstig uit het buitenland met een EU-achtergrond (exclusief personen met een Nederlandse achtergrond) in 2017. Hiervan waren 239.900 banen van werknemers afkomstig uit de EU die als ingezetene staan ingeschreven in het bevolkingsregister. De overige 174.200 banen behoorden tot werknemers afkomstig uit de EU die niet als ingezetene staan ingeschreven. (Bron: CBS, Statline, geraadpleegd op 21-10-2019)

Vraag 10

Hoe groot is het landelijk tekort aan (gecertificeerde) huisvesting van arbeidsmigranten?

Antwoord 10

Een concreet beeld van het landelijk tekort aan (gecertificeerde) huisvesting van arbeidsmigranten kan niet gegeven worden. De afgelopen jaren is geprobeerd het aantal migranten uit Midden- en Oost-Europa dat naar Nederland komt zo goed mogelijk in kaart te brengen. Hiervoor publiceert het CBS de migrantenmonitor. De migrantenmonitor geeft inzicht in het aantal migranten dat in Nederland woont of werkt (geregistreerd in de Basisregistratie Personen (BRP) of de Polisadministratie) uit onder meer Midden- en Oost-Europa (EU-11). Eind 2017 ging het om circa 379.000 mensen. De prognose van de omvang van de groep arbeidsmigranten en hun behoefte aan woonruimte voor de komende jaren is sterk afhankelijk van de economische ontwikkelingen en de inspanningen van gemeenten, werkgevers en huisvesters voor het realiseren van voldoende huisvesting.

Vraag 11

Hoeveel gemeenten hebben het SNF-keurmerk voor de huisvesting van arbeidsmigranten ingebed in het lokale beleid?

Antwoord 11

Er zijn geen gegevens beschikbaar hoeveel gemeenten het SNF-keurmerk voor de huisvesting van arbeidsmigranten hebben ingebed in het lokale beleid. SNF spreekt geregeld met gemeenten over hun werkwijze, maar het is uiteindelijk aan gemeenten zelf om te bepalen hoe zij hun huisvestingsbeleid voor arbeidsmigranten vormgeven.

Vraag 12

Bent u bekend met de gemeentelijke monitor Vluchtelingen aan het werk uit september 2019, uitgevoerd door Kennisplatform Integratie & Samenleving (KIS) in samenwerking met Divosa?

Antwoord 12

Ja. Zie antwoorden op vragen 13 en 14.

Vraag 13

Bent u bekend met de conclusie van deze monitor, namelijk dat de helft van de gemeenten (nog) geen maatregelen heeft getroffen voor het verbeteren van de inburgering van de huidige groep inburgeraars (de zogenoemde en ondertussen groep) met het risico dat deze groep tussen wal en schip belandt?

Antwoord 13

Ja. De uitkomst van de monitor gemeentelijk beleid arbeidstoeleiding vluchtelingen heeft betrekking op de situatie tot en met eerste kwartaal 2019. De Minister heeft met de VNG en gemeenten in het voorjaar bestuurlijke afspraken gemaakt over de periode voor de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel: «En ondertussen». Afgesproken is dat gemeenten zich inzetten om de huidige inburgeraars binnen de wettelijke kaders en mogelijkheden te ondersteunen bij het vinden van passend taalonderwijs en hun inburgeringsproces. Aan gemeenten is hiervoor in de periode 2019–2020 een bedrag van € 40 miljoen beschikbaar gesteld.

Vraag 14

Hoe gaat u ervoor zorgen dat de inburgering van alle nieuwkomers daadwerkelijk verbeterd wordt, onafhankelijk van externe factoren zoals woonplaats?

Antwoord 14

Gemeenten gaan de regie voeren op de uitvoering van het nieuwe inburgeringstelsel. Er wordt gezocht naar een goede balans tussen landelijke kaders in de wet om uniformiteit te garanderen terwijl er op gemeentelijk niveau beleidsvrijheid is voor flexibiliteit, integraliteit en het bieden van maatwerk. Dat betekent dat onafhankelijk van woonplaats iedere nieuwkomer een brede intake (met voor iedereen dezelfde leerbaarheidstoets) en PIP krijgt, en op een leerroute wordt geplaatst die past bij zijn of haar niveau. De Minister van SZW is verantwoordelijk voor de inrichting en de werking van het stelsel als geheel. Als blijkt dat er tekortkomingen zijn in het stelsel, is dit aanleiding om de werking van het stelsel gaandeweg te verbeteren aan de hand van monitoring en evaluatie.

Vraag 15

Heeft u het plan om middelen te oormerken voor maatschappelijke begeleiding? Zo ja, welke middelen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 15

Het kabinet is niet van plan de middelen voor maatschappelijke begeleiding te oormerken. Het kabinet kiest ervoor om alle inburgeringsvoorzieningen, waaronder de maatschappelijke begeleiding, te bekostigen vanuit één specifieke uitkering. Een verdere inperking van de bestedingsvrijheid van gemeenten wordt niet nodig geacht. Het kabinet gaat ervan uit dat gemeenten het belang van de maatschappelijke begeleiding voldoende onderkennen.

Vraag 16

Welke middelen zijn er beschikbaar voor individueel maatwerk per vluchteling?

Antwoord 16

COA ontvangt op dit moment middelen van het Ministerie van SZW om vluchtelingen individueel op de opvanglocaties te begeleiden en maatwerk te bieden. Dit betreft middelen ten behoeve van voorinburgering (€ 17,2 miljoen) en activiteiten in kader van vroege integratie en participatie waaronder screening en matching en taalles vanaf dag een (€ 3,8 miljoen via overige subsidies). Voor inburgeringsplichtige asielstatushouders die zich regulier vestigen, ontvangt de gemeente op dit moment een bedrag van € 2.370 per persoon voor de maatschappelijke begeleiding.

Vraag 17

Kunt u voorbeelden geven van de manier waarop u het samenleven met elkaar in een diverse samenleving stimuleert?

Antwoord 17

Ontmoeten en positief contact vormen een beschermingsfactor tegen negatieve beeldvorming en discriminatie. Werk biedt een goede mogelijkheid voor mensen van verschillende afkomst om elkaar te ontmoeten en vertrouwd te raken met elkaar. Dit benadrukt het belang van het verbeteren van de arbeidsparticipatie en arbeidsmarktpositie van Nederlanders met een migratieachtergrond, via het programma Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt, en de herziening van de inburgering van nieuwkomers. Maar ook de aanpak van arbeidsmarkt- en stagediscriminatie is in dit kader van belang.

Het samenleven met elkaar in een diverse samenleving gaat ook om tolerantie, verantwoordelijkheid voor elkaar en verbinding. Dit komt tot uitdrukking in de verduidelijking van de burgerschapsopdracht aan scholen, waar momenteel een wetsvoorstel voor in behandeling is. Het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat – waaronder de vrijheid van meningsuiting, gelijkwaardigheid, verdraagzaamheid én het afwijzen van discriminatie – maken hier deel van uit.

Lokaal bestuur kan een positieve bijdrage leveren aan een diverse en inclusieve samenleving. Het onlangs gestarte programma Divers & Inclusief, een gezamenlijk initiatief van VNG en het Ministerie van SZW, helpt daarbij1.

De samenleving maak je met elkaar. Veel mensen in Nederland zijn actief om mensen met verschillende achtergronden in contact te brengen met elkaar, zoals bijvoorbeeld de nationale Iftar, interreligieuze dialoogprojecten en bijeenkomsten, gastlessen op scholen, en ontmoetingen of activiteiten in de wijk. Die initiatieven zijn waardevol. Verschillende initiatieven staan op het digitale podium SamenNL om daarmee anderen te inspireren hetzelfde te doen. Om de interreligieuze dialoog te versterken, ondersteunt de Minister van SZW het project Bruggenbouwen van het Overleg Joden, Christenen en Moslims. En in het kader van het VN Decennium voor mensen van Afrikaanse afkomst heeft de Minister van SZW bij het Oranje Fonds en het Prins Bernhard Cultuurfonds twee Fondsen op naam opgericht, om initiatief vanuit de samenleving op het gebied van maatschappelijk welzijn, cultureel erfgoed, inclusie en sociale verbinding ten aanzien van personen van Afrikaanse afkomst te steunen.

Vraag 18

Hoeveel meldingen zijn er dit jaar ontvangen over frauderende taalscholen?

Antwoord 18

In de voortgangsbrief over inburgering (Tweede Kamer, 32 824, nr. 261) die de Minister van SZW naar uw Kamer heeft gestuurd, is de laatste stand van zaken over frauderende taalscholen opgenomen. Daarbij is aangegeven dat het aantal meldingen van fraude, in brede zin, is toegenomen van april 2019 tot 1 september 2019 met 71 meldingen. Het totaal aantal ontvangen meldingen over frauderende taalscholen vanaf 1 januari 2019 is 122.

De meldingen met betrekking tot taalscholen zijn zeer divers en variëren sterk in concreetheid en detailniveau. De Inspectie SZW heeft daarom een kader ontwikkeld voor het wegen van de binnengekomen meldingen. Bij het bepalen van welke meldingen onderzoekswaardig zijn wordt onder andere gekeken of de melding voldoende concrete informatie bevat en er vermoedelijk sprake is van een overtreding.

Vraag 19

Hoeveel frauderende taalscholen zijn er dit jaar strafrechtelijk aangepakt?

Antwoord 19

Zoals de Minister van SZW in zijn voortgangsbrief (Tweede Kamer, 32 824, nr. 261) aangeeft zijn twee aan elkaar gelinkte taalscholen strafrechtelijk onderzocht. Hierbij werd beslag gelegd op gelden die deze taalscholen tegoed hebben bij DUO. Eén van deze taalscholen is inmiddels niet meer actief. Daarnaast lopen op dit moment nog meerdere strafrechtelijke onderzoeken.

Vraag 20

Hoeveel financiële controles heeft Blik op Werk dit jaar gedaan bij taalscholen en hoeveel daarvan bleken frauderend te zijn?

Antwoord 20

Bij alle taalscholen die daarvoor in aanmerking kwamen, is de financiële controle inmiddels uitgevoerd. Op basis van onder andere de financiële controle zijn er 10 keurmerken ingetrokken. Dit betreft circa 4% van het aantal gecontroleerde taalscholen.

Vraag 21

Hoeveel inburgeringsexamens zijn dit jaar (vanwege fraude) ongeldig verklaard?

Antwoord 21

Dit jaar is er bij 17 kandidaten sprake geweest van het ongeldig verklaren van examens in verband met het plegen van onregelmatigheden bij het afleggen van examens. Daarbij hebben de onregelmatigheden in 9 gevallen plaatsgevonden in 2018 en in 8 gevallen in 2019.

Vraag 22

Hoeveel inburgeraars halen hun inburgeringsdiploma niet na drie jaar?

Antwoord 22

Omdat inburgeraars op verschillende momenten in de tijd inburgeringsplichtig zijn geworden kan deze vraag het beste worden beantwoord op basis van de gegevens van een jaarcohort. Het cohort 2013 (inburgeraars die in 2013 hun kennisgeving van de inburgeringsplicht hebben ontvangen) is het verst gevorderd in het inburgeringsproces en dit cohort geeft de beste indicatie van het uiteindelijke percentage inburgeraars dat niet tijdig voldoet aan de inburgeringsplicht. Van cohort 2013 hebben 879 inburgeraars op peilmoment 01-09-2019 verwijtbaar niet tijdig voldaan aan de inburgeringsplicht. Dit is circa 9% van het cohort 2013. Bij het tijdig inburgeren wordt niet alleen gekeken naar het initiële termijn van drie jaar maar ook naar verlengingen die worden gegeven op basis van wet en regelgeving; zoals bij voorbeeld de verlenging in verband met langdurige ziekte of zwangerschap.

Vraag 23

Wat zijn de huidige wachttijden voor het inburgeringsexamen Oriëntatie op de Nederlandse Arbeidsmarkt (ONA)?

Antwoord 23

De wachttijd voor het eindgesprek van het examenonderdeel ONA bedraagt inmiddels minder dan zes weken.

Vraag 24

Wat is het gemiddelde re-integratiebudget per persoon naar alle verschillende inkomensondersteunende regelingen?

Antwoord 24

Zowel UWV als gemeenten beschikken niet over een re-integratiebudget per persoon.

Voor de begeleiding van de doelgroep van Participatiewet ontvangen gemeenten middelen via de algemene uitkering van het Gemeentefonds (ruim € 500 miljoen) en de integratie-uitkering Participatie (circa € 150 miljoen exclusief budget voor de uitvoering van de Wsw). Daarnaast bevat de algemene uitkering middelen voor uitvoering en dienstverlening aan de doelgroep Participatiewet. Deze doelgroep bestaat niet alleen uit mensen met een bijstandsuitkering, maar ook uit niet-uitkeringsgerechtigden, dan wel omdat zij werken met ondersteuning en dus een inkomen hebben, dan wel omdat zij geen recht hebben op een uitkering vanwege de partner- of vermogenstoets.

UWV beschikt over een geïntegreerd taakstellend re-integratiebudget (circa € 200 miljoen) voor de inzet van trajecten en van voorzieningen voor de re-integratieondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (inclusief Wajongers). UWV zet deze middelen in voor de inkoop van trajecten en diensten gericht op het vinden van werk. Daarnaast koopt UWV voorzieningen (waaronder jobcoaching en vervoersvoorzieningen) in voor het ondersteunen van werkenden met een structureel functionele beperking.

Tevens beschikt UWV over middelen voor persoonlijke dienstverlening gericht op werkhervatting (in het regeerakkoord is € 70 miljoen vrijgemaakt voor meer persoonlijke dienstverlening) voor personen met een WW, Wajong of WGA-uitkering. Personen in de WW kunnen verder in aanmerking komen voor het Scholingsbudget van UWV. Hiervoor is bij UWV € 11 miljoen beschikbaar in 2020.

Vraag 25

Wat is de gemiddelde duur van een scholingstraject in de Werkloosheidswet (WW)?

Antwoord 25

Er is geen informatie beschikbaar over de gemiddelde duur van scholing in de WW. UWV stelt geen eisen aan de vorm of duur van scholing zolang de betreffende WW-gerechtigde beschikbaar blijft voor de arbeidsmarkt. Ook bij opleidingen die gefinancierd worden uit het scholingsbudget WW wordt de gemiddelde duur niet bijgehouden.

Een WW-gerechtigde kan ook, in het geval van noodzakelijke scholing, met vrijstelling van voorwaarden scholing volgen in de WW. In dit geval stelt UWV wel eisen aan de duur van de opleiding: maximaal één jaar en in uitzonderlijke gevallen maximaal twee.

Wanneer de betreffende scholing wordt gefinancierd vanuit het scholingsbudget WW kan ook afgeweken worden van de maximumperiode van 2 jaar, in deze gevallen geldt er geen maximum qua duur.

Vraag 26

Wat is de verwachte gemiddelde duur van scholing bij het Stimulering en arbeidsmarktpositie (STAP)-budget?

Antwoord 26

Het STAP-budget biedt ruime bestedingsmogelijkheden en kan worden ingezet voor een uitgebreid aanbod aan arbeidsmarktgerichte en kwalitatief goede scholings- en ontwikkelingsactiviteiten. De scholingsactiviteiten die in aanmerking komen variëren van korte cursussen van enkele uren tot volledige meerjarige opleidingen. Voor meerjarige opleidingen kan het STAP-budget voor ieder volgende jaar met voorrang worden aangevraagd.

De gemiddelde duur van de scholingsactiviteiten zal moeten blijken wanneer het STAP-budget van start gaat. Op dit moment is er geen informatie beschikbaar over de gemiddelde duur van scholingsactiviteiten die vallen onder de huidige fiscale aftrek scholingskosten, die zal worden vervangen door het STAP-budget.

Vraag 27

Wat is het budgettaire effect van het invoeren van een minimumuurloon op basis van een 36-urige werkweek?

Antwoord 27

Het invoeren van een minimumuurloon op basis van een 36-urige werkweek betekent dat de lonen gaan stijgen van werknemers die op minimumloonniveau werken met een werkweek van meer dan 36 uur.

De budgettaire effecten van het invoeren van een wettelijk minimumuurloon zijn sterk afhankelijk van de vormgeving van een dergelijke wet en dienen onderzocht te worden. Zo kunnen bijvoorbeeld arbeidsmarkteffecten leiden tot significante budgettaire effecten.

Er zijn geen directe budgettaire effecten op de sociale zekerheidsuitgaven. De sociale zekerheidsuitkeringen zijn gekoppeld aan het referentiemaandloon via de netto-netto koppeling en deze verandert niet.

Er zijn wel directe budgettaire effecten op het Lage-inkomensvoordeel (LIV) en de loonkostensubsidie (LKS). De tegemoetkomingen van het LIV zijn gebaseerd op een 40-urige werkweek. Als de bandbreedtes van het LIV niet aangepast worden, leidt dit structureel tot extra LIV-uitgaven van € 250 miljoen per jaar. Het invoeren van een minimumuurloon op basis van een 36-urige werkweek leidt ook tot extra LKS-uitgaven van structureel € 77 miljoen per jaar.

Vraag 28

Hoe werkt een verhoging van het minimumloon door in de contractloonontwikkeling? Heeft dat een direct effect of met vertraging? In hoeveel collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s) zijn de laagste loonschalen direct verbonden met het minimumloon?

Antwoord 28

Het precieze effect van een verhoging van het minimumloon op de contractloonontwikkeling is onbekend. Het is mogelijk dat een verhoging van het minimumloon tijdens cao-onderhandelingen doorwerkt in een stijging van het loon in hogere loonschalen. Volgens het CPB zou dit bijvoorbeeld kunnen omdat het minimumloon het nieuwe uitgangspunt vormt voor de nieuwe eis van de laagste loonschaal in de cao-loonschalen, die meestal hoger ligt dan het minimumloon.

Met het WML legt de overheid een bodem op aan werkgevers. Het dient het doel dat werknemers met een voltijdbaan een aanvaardbare tegenprestatie voor hun werkzaamheden ontvangen en daarmee in hun basisbehoeften kunnen voorzien. Het is geen middel om de gemiddelde loonontwikkeling van alle werkenden op te stuwen.

In 2018 is onderzoek gedaan naar 728 bij SZW aangemelde reguliere cao’s. In 346 van deze cao’s is een laagste loonschaal op Wml-niveau opgenomen.

Vraag 29

Wat zou het afschaffen van het Lage-inkomensvoordeel (LIV) betekenen voor de structurele werkgelegenheid?

Antwoord 29

Ex ante heeft het CPB in de publicatie «Kansrijk Arbeidsmarktbeleid» (bron: CPB, Kansrijk arbeidsmarktbeleid, Den Haag 2015) becijferd dat er een positief werkgelegenheidseffect uitgaat van het LIV van 0,1%. Hetgeen overeenkomt met 7.000 extra voltijdsbanen. Onderzoeksbureau SEO is momenteel bezig met een effectevaluatie naar het LIV. Dit onderzoek zal naar verwachting voor de begrotingsbehandeling SZW naar uw Kamer worden gestuurd.

Vraag 30

Wat zou een verhoging van het minimumloon met 2,5% betekenen voor de werkgelegenheid?

Antwoord 30

De relatie tussen het minimumloon en de werkgelegenheid verschilt per land en is afhankelijk van de lokale instituties, de hoogte van het minimumloon en de mate van de verhoging.

Literatuur over het effect van een verhoging van het minimumloon op de werkgelegenheid is diffuus. Diverse internationale studies bieden recentelijk nieuwe inzichten in de werkgelegenheidseffecten van een verhoging van het WML. Het CPB is momenteel bezig deze inzichten in kaart te brengen en zal opnieuw beoordelen wat de werkgelegenheidseffecten zijn. Deze nieuwe inzichten worden in het voorjaar van 2020 gepubliceerd in het kader van de publicatie van Kansrijk Arbeidsmarktbeleid.

Vraag 31

Wanneer wordt het onderzoek naar de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) verwacht?

Antwoord 31

SZW, CPB en Belastingdienst voeren momenteel een onderzoek uit naar het bewustzijn over het fiscale voordeel dat kan worden ontvangen als ouders (blijven) werken. Het experiment probeert ouders die net hun eerste kind hebben gekregen, bewust te maken van de IACK, door ze per brief te informeren. De resultaten zullen naar verwachting in het voorjaar van 2020 beschikbaar komen.

Vraag 32

Wat is de laatste stand van de experimenten in de Participatiewet?

Antwoord 32

De experimenten zijn 1 oktober jl. beëindigd. Aansluitend kunnen gemeenten gebruik maken van de mogelijkheid om de dienstverlening aan de cliënten in het experiment, uit oogpunt van zo zuiver mogelijke effectmeting, met maximaal 3 maanden te verlengen, met behoud van de eis dat dit alleen op vrijwillige basis kan plaatsvinden. In de periode januari – maart 2020 worden de analyses uitgevoerd met betrekking tot volledige dan wel partiële uitstroom naar betaald werk en worden ook de rapportages opgesteld. Op basis van de rapporten van de gemeenten, van het CPB (kwantitatieve effectanalyse) en van ZonMw (procesevaluatie), wordt de Kamer alsmede de Eerste Kamer uiterlijk 1 mei 2020 geïnformeerd over de uitkomsten van de experimenten en de conclusies die daaraan verbonden worden.

Vraag 33

Bij welke punten in de inkomensverdeling is er sprake van een marginale druk boven de 100% en waar wordt dat door veroorzaakt?

Antwoord 33

Vanaf 2020 is nauwelijks meer sprake van werkenden met een marginale druk van meer dan 100%. De belangrijkste reden dat deze situaties bestonden had te maken met de harde inkomensgrens in de huurtoeslag, waardoor huishoudens bij een klein beetje extra inkomen hun hele huurtoeslag konden kwijtraken. Deze harde inkomensgrens wordt vanaf 2020 afgeschaft en vervangen door een meer geleidelijke afbouw van de huurtoeslag. Hierdoor zijn er vanaf 2020 niet of nauwelijks nog werkenden met een marginale druk van meer dan 100%.

Vraag 34

Kunt u een overzicht geven van huishoudens per kwintiel naar ontvangen toeslagen?

Antwoord 34

In navolgende tabel is het aandeel huishoudens dat in 2020 een bepaalde toeslag ontvangt uitgesplitst naar inkomenskwintiel. Het gaat hier om de inkomenskwintielen, zoals ze ook gebruikt worden om de koopkrachtontwikkeling te presenteren. Een deel van de huishoudens in het vierde en vijfde kwintiel ontvangt zorgtoeslag. Op basis van het inkomen van het hoofd (en de eventuele partner) van het huishouden hebben ze daar geen recht op. Maar meerderjarige kinderen of andere inwonende volwassen kunnen op basis van hun inkomen ook recht hebben op zorgtoeslag.

 

Aandeel huishoudens met betreffende toeslag

Aantal hh

Inkomensgroep

Zorgtoeslag

Huurtoeslag

Kindgebondenbudget

Kinderopvangtoeslag

 

1e (<=116% WML)

96%

68%

12%

2%

1.468.000

2e (116–184% WML)

68%

12%

10%

2%

1.468.000

3e (184–268% WML)

17%

0%

16%

5%

1.468.000

4e (268–390% WML)

20%

0%

10%

10%

1.467.000

5e (>390% WML)

26%

0%

1%

11%

1.468.000

Bron: Berekening SZW

Vraag 35

Hoeveel mensen kunnen de algemene heffingskorting niet verzilveren?

Antwoord 35

In totaal hebben ongeveer 13,7 miljoen personen recht op de algemene heffingskorting. Daarvan kunnen circa 3,6 miljoen de algemene heffingskorting niet volledig verzilveren doordat het te betalen bedrag aan belasting lager ligt dan de totale algemene heffingskorting.

Vraag 36

Hoeveel mensen met inkomen betalen geen belasting doordat heffingskortingen worden benut of zelfs niet verzilverd kunnen worden?

Antwoord 36

Ongeveer 13,1 miljoen mensen hebben een bruto inkomen van meer dan 0 euro en hebben recht op minstens één van de heffingskortingen. Daarvan betalen circa 3,3 miljoen mensen geen belasting doordat ze recht hebben op die heffingskortingen en/of aftrekposten.

Vraag 37

Welke kosten heeft u in 2018 en 2019 gemaakt ten behoeve van (leden van) het Koninklijk Huis, bijvoorbeeld de Algemene Ouderdomswet (AOW)? Welk bedrag is hiervoor precies gereserveerd in de begroting van 2020?

Antwoord 37

SZW heeft en geeft geen informatie over individuele uitkeringen aan personen. Op de SZW-begroting staan geen bedragen gereserveerd specifiek voor het Koninklijk Huis.

Vraag 38

Hoe groot is het bedrag dat vrijkomt door het afbouwen van de zelfstandigenaftrek en dat beschikbaar komt voor de arbeidsmarktpositie van zelfstandigen?

Antwoord 38

De extra opbrengst van het afbouwen van de zelfstandigenaftrek na 2022 loopt op tot € 0,3 miljard structureel vanaf 2028. Dit bedrag wordt samen met de structurele oploop als gevolg van grondslagverbreding in de Vpb gereserveerd voor verdere stappen om de arbeidsmarkt rond zelfstandigen te hervormen, bijvoorbeeld in reactie op de Commissie Regulering van Werk. De totale reservering bedraagt € 0,6 miljard.

Vraag 39

Kunt u een overzicht geven van uitlooptermijnen van verschillende uitkeringen onder de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA)?

Antwoord 39

In de tabel hieronder wordt een overzicht gegeven van de uitlooptermijnen. In een brief die begin 2016 aan uw Kamer is verzonden (Tweede Kamer, 26 448, nr. 555) is abusievelijk bij de overgang van IVA naar WGA 35–80 aangegeven dat er geen sprake was van een uitlooptermijn voor het voldoen aan de inkomenseis. In de vervolgfase moet iemand met een WGA 35–80 tenminste 50% van zijn resterende verdiencapaciteit verdienen om de hogere loonaanvullingsuitkering te ontvangen. Net als tijdelijk volledig arbeidsongeschikten (WGA 80–100) wordt bij de overgang van IVA naar WGA 35–80 een periode van 24 maanden geboden om aan die inkomenseis te gaan voldoen. In onderstaande tabel zijn de uitlooptermijnen correct weergegeven.

Van

Naar

Uitlooptermijn

Na gewenningsperiode

IVA

35 min

2 maanden

Geen WIA

IVA

WGA 35–80

24 maanden

Loongerelateerd, loonaanvulling of vervolguitkering

IVA

WGA 80–100

geen

Loongerelateerd of loonaanvullinguitkering

WGA 80–100

WGA 35–80

24 maanden

Loonaanvulling of vervolguitkering

WGA 80–100

35 min

2 maanden

Geen WIA

WGA 35–80

35 min

2 maanden

Geen WIA

Vraag 40

In hoeveel cao's is er een regeling opgenomen voor mantelzorg?

Antwoord 40

In 2018 heeft het Ministerie van SZW onderzoek verricht in hoeverre cao-afspraken over aanpassing van de contractuele arbeidsduur en verlofregelingen afwijken en in hoeverre zij naar aanleiding van nieuwe wetgeving zijn veranderd. Voor dit rapport is gebruik gemaakt van de 97 grootste cao’s inclusief de overheidsakkoorden. In 2017 zijn er 15 cao’s, van toepassing op 10% van de werknemers, die een mantelzorgregeling hebben vastgelegd in de cao. Soms wordt hierbij verwezen naar het wettelijk langdurend zorgverlof, maar wordt deze aangevuld met extra bepalingen over bijvoorbeeld het aanpassen van roosters of het bieden van ondersteuning en maatwerk bij het realiseren van de combinatie van arbeid en zorg.

Overigens bestaat er een wettelijk recht op langdurend zorgverlof van zesmaal de wekelijkse arbeidsduur dat flexibel kan worden opgenomen en benut kan worden voor mantelzorgtaken.

Vraag 41

Kunt u een overzicht geven van de huidige investeringen van werkgevers in de duurzame inzetbaarheid en het geestelijk welzijn van hun werknemers?

Antwoord 41

Onderzoek van AWVN laat zien dat voor € 1,6 miljard cao-afspraken zijn gemaakt in verband met duurzame inzetbaarheid (AWVN, Geld voor Duurzame Inzetbaarheid, 2019). In het onderzoek wordt niet specifiek gekeken naar het beschikbare geld voor het geestelijk welzijn van de werknemers. Daarnaast is er geen onderzoek bekend dat laat zien wat de feitelijke benutting is van deze budgetten.

Vraag 42

Op welke manier zijn zelfstandigen in andere landen verzekerd tegen werkloosheid?

Antwoord 42

De mate waarin zelfstandigen in andere EU-lidstaten verzekerd zijn voor sociale verzekeringen verschilt sterk, omdat de onderliggende sociale verzekeringen ook sterk verschillen. Dat betekent dat er een breed palet aan verzekeringsvormen voor zelfstandigen bestaat, meestal voor zorg en ouderdomspensioen, soms voor ziekte en arbeidsongeschiktheid. De deelname aan die verzekeringen kan vrijwillig of verplicht zijn, kan voor bepaalde beroepsgroepen verschillen, en kan ook groepen «afhankelijke werkenden» betreffen. In een enkel geval is ook werkloosheid verzekerd. Zo kent België een uitkering voor zelfstandigen die in staat van faillissement verkeren, en kent Denemarken een werkloosheidsuitkering voor zelfstandigen, gebaseerd op het fiscale inkomen (en gewerkte uren) in voorgaande jaren. Daarmee wordt in Denemarken nauw aangesloten bij de verzekering voor werknemers, die ook gefiscaliseerd is. Gezien het feit dat op het gebied van de sociale zekerheid de systeemverschillen met Denemarken zeer groot zijn (zo zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de uitvoering), is het moeilijk aan te geven hoe men deze regeling in Nederlandse termen zou moeten waarderen. Voor meer informatie over de sociale zekerheidspositie van zelfstandigen verwijst de Minister van SZW naar een Europese overzichtsstudie uit 2017 «Access to social protection for people working on non-standard contracts and as self-employed in Europe». Zie https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/fb235634-e3a7–11e7-9749-01aa75ed71a1/language-en.

Vraag 43

Hoeveel zou het budgettair beslag zijn van het niet afbouwen van de algemene heffingskorting?

Antwoord 43

Het niet (verder) afbouwen van de algemene heffingskorting (AHK) in het referentieminimumloon van de bijstand heeft invloed op de uitkeringslasten van vijf regelingen. Een hogere AHK leidt, via de systematiek van de netto-nettokoppeling, tot hogere uitkeringen in de bijstand en Anw. Een hoger bijstandsniveau leidt ook tot hogere uitkeringslasten in de IOAW, IOAZ en AIO, omdat deze regelingen het inkomen aanvullen tot bijstandsniveau.

Het niet (verder) afbouwen van de dubbele algemene heffingskorting vergt wetswijziging. Bij het beantwoorden van deze vraag is aangenomen dat de AHK vanaf 2021 niet verder wordt afgebouwd. Op dat moment is de AHK met 30% afgebouwd. Deze situatie is vergeleken met de situatie zoals deze nu is: 3,75 procentpunt per jaar afbouw AHK in de periode 2019 t/m 2021 (in verband met de in het regeerakkoord afgesproken temporisering) en daarna 5 procentpunt afbouw per jaar, totdat de dubbele AHK volledig is afgebouwd (volgens het huidige tijdpad in 2035).

In onderstaande tabel wordt een inschatting gegeven van de kosten die gepaard gaan met het niet verder afbouwen van de AHK vanaf 2021. Belangrijke onzekerheden in deze inschatting zijn de structurele volumes in onderliggende regelingen, het gedragseffect in de bijstand (een hogere uitkering leidt tot meer mensen in de bijstand) en de fiscaliteit in latere jaren (bijvoorbeeld hoogte heffingskorting en schijftarieven). De fiscaliteit heeft, via de systematiek van de netto-nettokoppeling, invloed op het budgettaire effect van het (niet) afbouwen van de heffingskorting.

(x € 1 miljard)

2021

2022

2023

2024

struc.

Kosten niet-afbouwen AHK

0,0

0,1

0,2

0,3

1,3

De structurele kosten van € 1,3 miljard bestaan voor ongeveer € 1,1 miljard uit hogere uitgaven aan de bijstand. Hiervan is circa € 0,9 miljard het directe effect van een hogere bijstandsuitkering (prijseffect), € 0,2 miljard is het gedragseffect. De overige € 0,2 miljard bestaat voor ongeveer de helft uit hogere uitkeringslasten in de AIO. Het overige gedeelte is het gevolg van hogere uitkeringslasten IOAW, Anw en IOAZ.

Vraag 44

Hoeveel jongeren van 18, 19 en 20 jaar werken nu voor het minimumjeugdloon voor hun leeftijd?

Antwoord 44

Deze gegevens zijn helaas niet bekend voor afzonderlijke leeftijden. Er zijn wel gegevens bekend over leeftijdsgroepen, waaronder ook de leeftijdsgroep 15 tot 21 jaar.

Het aantal werknemers tussen de 15 en 21 jaar dat maximaal het voor zijn of haar geldende minimumloon verdient was in 2017 ongeveer 91.800. Uitgedrukt in arbeidsjaren is dit ongeveer 44.200 arbeidsjaren (Bron: CBS, Statline, geraadpleegd op 21-10-2019).

SEO publiceerde in 2018 het aandeel jongeren dat in het eerste kwartaal van 2018 voor het jeugdminimumloon werkt en hanteerde daarbij de leeftijdsgroepen 18 tot 19 jaar (10%) en 20 tot 22 jaar (15%) (SEO, Verkenning effecten aanpassing minimum(jeugd)loon, 2018).

Vraag 45

Wat is de gemiddelde normale arbeidsduur in sectoren waar een cao geldt met een minimumloonschaal?

Antwoord 45

Van de 99 door SZW onderzochte cao’s (bedrijfstakcao’s met 8.000 of meer werknemers en ondernemingscao’s met 2.500 of meer werknemers) zijn van 96 cao’s gegevens over de arbeidsduur bekend. De gemiddelde normale arbeidsduur (gewogen met werknemersaantallen) in deze cao’s bedraagt 37,3 uur.

In totaal zijn de loongegevens van 93 van de 96 cao’s beschikbaar. In 54% van deze cao’s (50 cao’s) ligt de laagste loonschaal (reguliere of aanloopschaal) op Wml-niveau. In de overige 43 cao’s ligt het laagste loon hoger dan het Wml.

Tabel Gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de 50 cao’s met een laagste loonschaal op Wml-niveau, uitgesplitst naar klasse arbeidsduur

klasse

aantal cao’s

36 uur

19

36–38 uur

4

38 uur

12

38–40

8

40 uur

7

totaal

50

In 38% van deze 50 cao’s (19 cao’s) geldt een normale arbeidsduur van 36 uur, 24% van de 50 cao’s (12 cao’s) kent een normale arbeidsduur van 38 uur en 14% van de 50 cao’s (7 cao’s) heeft een normale arbeidsduur van 40 uur. In de overige 12 cao’s komt een afwijkende normale arbeidsduur voor. De gemiddelde normale arbeidsduur in deze 50 cao’s is 37,2 uur.

Vraag 46

Wat is de huidige capaciteit van de Inspectie SZW?

Antwoord 46

De capaciteit van de Inspectie groeit de komende jaren onder invloed van de extra middelen die op grond van het regeerakkoord aan de Inspectie ter beschikking zijn gesteld. In onderstaande tabel is indicatief aangegeven hoe de bezetting van de Inspectie SZW zich de komende jaren ontwikkelt. Vanaf 2020 is de verhoging inclusief 20 fte in verband met de uitbreiding van de opsporingstaken zorgfraude

Tabel Bezetting Inspectie SZW 2018–2023
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Bezetting ultimo jaar1

1.250

1.369

1.424

1.491

1.570

1.568

X Noot
1

Betreft prognoses met uitzondering van 2018; dit jaar is een realisatie.

Vraag 47

Wordt de werk-zorg berekenaar van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) vaak gebruikt?

Antwoord 47

Tussen juni 2017 en juni 2019 hebben ongeveer 150.000 personen de werk-zorg berekenaar gebruikt. Dit is ruim meer dan de gestelde doelstelling van 20.000 bezoekers.

Vraag 48

Geeft de werk-zorg berekenaar van het Nibud altijd dezelfde uitkomsten als wanneer iemand de Belastingdienst zou bellen?

Antwoord 48

De werk-zorg berekenaar biedt de invuller de kans om laagdrempelig, eventueel samen met een partner, op basis van persoonlijke omstandigheden verschillende variaties van werk-zorgverdeling in te voeren en de resultaten te vergelijken op basis van regelgeving zoals de kinderopvangtoeslag en fiscaliteit. Het gaat hierbij dus niet alleen om de huidige situatie maar ook om uitkomsten van mogelijke scenario’s waarin arbeid en zorg anders wordt verdeeld. Bij het bellen naar de Belastingdienst is het lastiger om ter plekke verschillende scenario’s te berekenen, aan te passen en overzichtelijk te maken, daarom zal er meer algemene informatie gegeven worden.

Vraag 49

Wat is de totale transitievergoeding per jaar?

Antwoord 49

De hoogte van de transitievergoeding hangt af van de lengte van het dienstverband en de hoogte van het maandsalaris. De transitievergoeding bedraagt momenteel over de eerste tien jaar van het dienstverband een zesde maandsalaris voor elk half jaar dat het dienstverband heeft geduurd (wat overeenkomt met een derde maandsalaris per dienstjaar). Voor elk half jaar dat een werknemer langer dan tien jaar in dienst is bedraagt de transitievergoeding een kwart maandsalaris (wat overeenkomt met een half maandsalaris per dienstjaar). Wanneer de werknemer bij ontslag 50 jaar of ouder is en het dienstverband 10 jaar of langer heeft geduurd, geldt voor de jaren dat de werknemer ouder was dan 50 jaar een opbouw van een half maandsalaris per half jaar (een maandsalaris per dienstjaar). Er is een transitievergoeding verschuldigd bij een dienstverband van twee jaar of langer.

Deze opbouw gaat met de inwerkingtreding van de Wet arbeidsmarkt in balans per 1 januari 2020 wijzigen. Vanaf dat moment is een transitievergoeding verschuldigd vanaf de eerste dag van het dienstverband. De berekening gaat naar rato plaatsvinden. De opbouw wordt een derde maandsalaris per dienstjaar, ongeacht de lengte van het dienstverband.

Als onderdeel van de evaluatie van de Wwz wordt momenteel onderzoek gedaan naar de kosten voor werkgevers bij ontslag.

Vraag 50

Wat is de verdeling van WW-rechten op dit moment? Hoeveel mensen hebben recht op drie maanden WW, hoeveel op zes maanden, hoeveel op een jaar en hoeveel voor de maximale duur?

Antwoord 50

UWV biedt geen reguliere statistische gegevens met betrekking tot de WW-rechten die iemand heeft opgebouwd.

Per september 2019 waren er 233.364 lopende WW-uitkeringen. De onderverdeling daarvan in verstreken duur was (Bron: UWV, Nieuwsflits Arbeidsmarkt september 2019):

< 6 maanden

125.261

6 tot 12 maanden

48.852

1 tot 2 jaar

43.058

2 jaar of langer

16.193

Vraag 51

Wanneer komen er nieuwe cijfers over het verschil in beloning tussen vrouwen en mannen?

Antwoord 51

In het laatste kwartaal van 2020 komt de «Monitor Loonverschillen mannen en vrouwen» uit op basis van de gegevens uit 2018.

Vraag 52

Hoeveel mensen hebben twee of meer banen als werknemer?

Antwoord 52

Van de 7.322.000 werknemers hadden 539.000 werknemers (7,4%) twee of meer banen (Bron: CBS, Statline, Werknemers; Combibanen, geraadpleegd op 21-10-2019).

Vraag 53

Hoeveel mensen zijn en werknemer en zelfstandige?

Antwoord 53

In 2018 waren 255.000 mensen tegelijk werkzaam als werknemer en als zelfstandig ondernemer. Ongeveer 5,7% van de zzp’ers (61.000 mensen) en 2,3% van de zmp’ers (8.000 mensen) combineerde zijn of haar werk als zelfstandige (1e werkkring) met een baan in loondienst (2e werkkring). Van de werknemers werkte 2,57% naast zijn of haar baan in loondienst (1e werkkring) ook als zelfstandige (2e werkkring): 2,5% (181.000 mensen) deed dat als zzp’er en slechts 0,07% (5.000 mensen) als zmp’er.

Vraag 54

Welke maatregelen nemen andere EU-lidstaten zoal ter bescherming van zelfstandigen zonder personeel (zzp'ers), in het bijzonder kwetsbare zelfstandigen aan de onderkant van de arbeidsmarkt?

Antwoord 54

Zie het antwoord op vraag 42.

Vraag 55

Klopt het dat een werknemer die bij twee verschillende werkgevers (een werkgever die eigenrisicodrager is en een werkgever die verzekerd is via het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)) ziek uit dienst is gegaan, maar eenmaal recht heeft op loonheffingskorting? Hoeveel scheelt dit per maand voor een werknemer ten opzichte van een werknemer die ziek uit dienst gaat bij een werkgever?

Antwoord 55

De loonheffingskorting is opgebouwd uit verschillende heffingskortingen zoals de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Het totale bedrag aan loonheffingskorting waar de werknemer recht op heeft, hangt af van zijn persoonlijke situatie. Als een werknemer bij meerdere werkgevers werkt, kan bij maximaal 1 van de werkgevers de loonheffingskorting worden toepast. Bij de aangifte inkomstenbelasting wordt het bedrag aan heffingskortingen waar de werknemer recht op heeft definitief vastgesteld.

Vraag 56

Wat zou de hoogte van de actuele werkeloosheid zijn als niet de definitie van de International Labour Organization (ILO) wordt gehanteerd, maar de oude definitie van werkeloosheid van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)?

Antwoord 56

De oude CBS-definitie verschilt van de ILO-definitie in drie opzichten. Ten eerste bevat de ILO-definitie van de beroepsgeschikte bevolking ook mensen tussen de 65 en 75 jaar, waar de CBS-definitie alleen rekent met de mensen tussen 15 en 65 jaar. Om deze reden is de beroepsbevolking en daarmee het aantal werklozen onder de ILO-definitie groter dan onder de oude CBS-definitie. Ten tweede rekent de ILO-definitie ook mensen die tussen de 1 en 12 uur werken tot de werkenden, waar het CBS mensen pas als werkende rekende als ze meer dan 12 uur werken. Hierdoor werken er meer mensen volgens de ILO-definitie dan volgens de CBS-definitie. Ten derde behoren ook personen die tussen nu en drie maanden aan de slag gaan tot de werkzame beroepsbevolking onder de ILO-definitie, maar niet onder de oude CBS-definitie. Hierdoor ligt het aantal werklozen lager onder de ILO-definitie dan onder de oude CBS-definitie.

Het aantal werklozen onder de ILO-definitie ligt in de praktijk lager dan het aantal werklozen onder de oude CBS-definitie. In het tweede kwartaal van 2019 bedroeg de werkloze beroepsbevolking onder de ILO-definitie 305.000 mensen. Dat is 38.000 mensen lager dan onder de definitie van het CBS (343.000).

De beroepsbevolking onder de ILO-definitie ligt hoger dan onder de oude CBS-definitie. In het tweede kwartaal van 2019 bedroeg de beroepsbevolking onder de ILO-definitie namelijk 9.246.000 mensen, terwijl de beroepsbevolking onder de oude CBS-definitie 8.155.000 bedroeg.

Het werkloosheidspercentage onder de ILO-definitie is lager dan dat onder de oude CBS-definitie, omdat het aantal werklozen lager is en de beroepsbevolking groter is onder de ILO-definitie. Het werkloosheidspercentage onder de ILO-definitie was in het tweede kwartaal van 2019 gelijk aan 3,3%, terwijl dat onder de oude CBS-definitie gelijk was aan 4,2%.

Vraag 57

Hoeveel sociale werkplaatsen zijn er op dit moment open en actief?

Antwoord 57

De exacte gegevens over het hele land zijn bij SZW niet bekend. Er zijn op dit moment volgens Cedris circa 100 sociale werkbedrijven (inclusief enkele sociale ondernemingen). Door (af)splitsingen en fusies zijn dit er meer dan bij aanvang van de Participatiewet.

Vraag 58

Hoeveel mensen met een beperking zijn momenteel aan het werk?

Antwoord 58

Met ingang van de ontwerpbegroting 2020 presenteren we in tabel 3.2.7 een nieuw kerncijfer: Werk voor mensen met een beperking (p.55). Hiermee geven we informatie over het aantal mensen dat werkt onder de Banenafspraak, onder de Wsw of op een beschutte werkplek onder de Participatiewet. Dit zijn veelal mensen die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Per saldo werkten eind 2018 162.042 mensen onder deze drie wettelijke kaders. Eind 2018 stonden ook nog 105.496 mensen in het doelgroepregister, die nog niet aan het werk zijn geholpen en hadden 1.552 positieve adviezen beschut werk nog niet tot een plaatsing geleid.

De informatie over deze wettelijke kaders geeft echter nog geen volledig beeld van het aantal mensen met een beperking dat werkt of wil werken maar nu thuis zit. In het kader van het programma Onbeperkt meedoen!, dat gebaseerd is op het VN verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, willen we daarom, naast het bovengenoemde kerncijfer Werk voor (kwetsbare) mensen met een arbeidsbeperking, ook de netto arbeidsparticipatie van mensen met een arbeidsbeperking en onvrijwillige werkloosheid en (algemene) werkwens van mensen met een arbeidsbeperking als indicatoren voor de Actielijn werk opnemen.

Over deze opzet is uw Kamer op 6 juni 2019 door de coördinerend Minister van VWS geïnformeerd in de eerste voortgangsrapportage van het programma. Voor het einde van 2019 ontvangt uw Kamer een nadere invulling van de indicatoren die in deze voortgangsrapportage zijn aangekondigd.

Vraag 59

Hoeveel mensen met een beperking zitten nog thuis?

Antwoord 59

Zie het antwoord op vraag 58.

Vraag 60

Wat is het exacte aantal mensen dat er in koopkracht op achteruit gaat wanneer pensioenkortingen doorgevoerd worden?

Vraag 61

Hoe hoog is de koopkrachtachteruitgang in totaal en per hoofd van de groep die erop achteruitgaat?

Antwoord 60 en 61

In hoeverre pensioenfondsen kunnen indexeren of moeten korten is op dit moment niet met zekerheid te stellen. Dit hangt af van de dekkingsgraden zoals die ultimo 2019 zijn. In de met Prinsjesdag gepresenteerde koopkrachtraming zijn inzichten over de dekkingsgraden van pensioenfondsen tot eind juni meegenomen, dit waren de meest actuele gegevens op dat moment. Vlak voor het kerstreces ontvangt uw Kamer de jaarlijkse Loonstrookjesbrief, waarin een bijstelling van het verwachte koopkrachtbeeld van 2020 op basis van de (nog te publiceren) Decemberraming van het CPB wordt opgenomen. In de Decemberraming zullen de dan meest actueel voorhanden inzichten omtrent dekkingsgraden worden meegenomen. Omdat de dekkingsgraden tussen het verschijnen van de Decemberraming en het eind van 2019 nog kunnen veranderen zijn hierna nog (beperkte) bijstellingen mogelijk.

Op basis van het koopkrachtbeeld kan er geen uitspraak gedaan worden over het exacte aantal mensen dat erop voor- of achteruit gaat. CPB en SZW hebben de koopkrachtpresentatie aangepast omdat de raming van het aandeel huishoudens met een positieve en negatieve koopkrachtontwikkeling ten onrechte wordt gezien als een voorspelling van hoeveel mensen er het komende jaar op voor- of achteruitgaan. In de nieuwe presentatie is het percentage huishoudens met een positieve of negatieve koopkrachtontwikkeling geschrapt uit de boxplot. De koopkrachtwaarden van het 25e en 75e percentiel zijn nu met een expliciet cijfer in de boxplot weergegeven, ter illustratie van de spreiding rond de mediane koopkracht. Hiermee wordt meer nuance bij het mediane koopkrachtbeeld beoogd.

Voor de volledigheid zij opgemerkt dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede naar aanleiding van de motie Gijs van Dijk (Tweede Kamer, 32 043, nr. 491) nog in gesprek is met sociale partners, de pensioensector en de toezichthouders. Voor de begrotingsbehandeling informeert hij u over de handelingsperspectieven die uit deze gesprekken zijn voortgevloeid.

Vraag 62

Hoeveel meer werknemers met uitval door ziekte zullen er komen in de verschillende stadia van invoering van verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd?

Antwoord 62

Over mensen in de eerste 2 jaar van ziekte zijn geen of onvoldoende gegevens beschikbaar. Grotendeels betreft dit mensen die onder de loondoorbetaling van de werkgever vallen. Onderstaande tabel geeft realisatiecijfers van UWV voor instroom in de IVA, WGA en WAO van mensen boven de 65 jaar. Deze mensen zouden zonder verhoging van de AOW-leeftijd vanaf 2013 niet de arbeidsongeschiktheidsregelingen ingestroomd zijn. De WAO is een afgesloten regeling, het betreft hier herleving van oude rechten. De instroom van 65-plussers wordt niet apart geraamd, cijfers na 2018 zijn derhalve niet beschikbaar.

Tabel Instroom 65-plussers in IVA, WGA en WAO
 

IVA

WGA

WAO

2013

1

5

138

2014

18

39

116

2015

56

62

98

2016

138

175

12

2017

274

323

15

2018

563

545

158

Vraag 63

Hoeveel allochtonen met een niet-westerse achtergrond genieten een bijstandsuitkering?

Vraag 64

Hoeveel allochtonen met een westerse achtergrond genieten een bijstandsuitkering?

Vraag 65

Hoeveel miljard euro per jaar aan uitkeringen gaat naar niet-westerse allochtonen en hoeveel naar westerse allochtonen?

Antwoord 63, 64 en 65

In juli 2019 ontvingen in totaal 423.000 mensen tot de AOW leeftijd een bijstandsuitkering. Onder hen zijn 218.000 (51,5%) mensen met een niet-westerse migratieachtergrond en 40.000 (9,5%) met een westerse migratieachtergrond.

Welk bedrag met de bijstandsuitkeringen aan mensen met een migratieachtergrond gemoeid is, is niet bekend. De hoogte van een individuele uitkering wordt immers bepaald aan de hand van de persoonlijke situatie en in de financiële verantwoording wordt geen onderscheid naar verschillende groepen gemaakt. De uitgaven aan bijstandsuitkeringen bedragen € 5,536 miljard in 2018. Een vermenigvuldiging met bovenstaande percentages biedt een globale indicatie van het uitkeringsbedrag aan deze specifieke groepen. Het gaat dan om circa € 2,9 miljard voor mensen met een niet-westerse migratieachtergrond en ongeveer een half miljard voor mensen met een westerse migratieachtergrond.

Vraag 66

Wat is bij UWV het aantal fulltime-equivalent (fte) dat specifiek is belast met het opsporen van systematische fraude?

Antwoord 66

Het opsporen van systematische fraude gebeurt bij UWV door het uitvoeren van themaonderzoeken. Het gaat hier met name om gerichte onderzoeken en controles naar georganiseerd en grootschalig misbruik van uitkeringen of subsidies, dan wel om risico-assessments of pilots bijvoorbeeld in de vorm van dossierstudies, verkenningen in het veld of andere vormen van kwalitatief of kwantitatief onderzoek die licht moeten werpen op de omvang, aard en samenstelling van specifieke fraudefenomenen of thema’s. Op peildatum 1 september 2019 waren 128 fte belast met deze taak.

Vraag 67

Kunt u een actueel overzicht verstrekken van de ontwikkeling van de groei van het aantal zzp’ers en de groep flexcontractanten?

Antwoord 67

In het tweede kwartaal van 2019 waren ongeveer 1.093.000 mensen zzp’er. Daarmee bedroeg het aandeel zzp’ers in de werkzame beroepsbevolking ongeveer 12,2%. Ten opzichte van het tweede kwartaal van 2018 waren er 27.000 meer zzp’ers. Omdat de werkzame beroepsbevolking procentueel ongeveer evenveel groeide, bleef het aandeel zzp’ers ten opzichte van 2018 gelijk. Het aandeel zzp’ers in de werkzame beroepsbevolking is vanaf 2003 (8,1%) gestegen tot en met 2015 (12,3%). Daarna bleef dit aandeel min of meer constant.

In het tweede kwartaal van 2019 hadden 1.944.000 werknemers een flexibele arbeidsrelatie. Daarmee bedroeg het aandeel werknemers met een flexibele arbeidsrelatie in de werkzame beroepsbevolking ongeveer 21,7%. Het aantal flexibele arbeidsrelaties is ten opzichte van het tweede kwartaal van 2018 met 18.000 gedaald. Het aandeel mensen met een flexibele arbeidsrelatie daalde met 0,7%. Sinds 2003 is het aandeel werknemers met een flexibele arbeidsrelatie in de werkzame beroepsbevolking (14%) gegroeid tot 2017 (22,7%), met uitzondering van 2004 en 2009. In 2018 daalde het aandeel tot 22,5%.

 

2018 1e kwartaal

2018 2e kwartaal

2018 3e kwartaal

2018 4e kwartaal

2019 1e kwartaal

2019 2e kwartaal

Aantal werknemers met een flexibele arbeids-relatie (x 1.000)

1.929

1.962

2.008

1.981

1.922

1.944

Aandeel in de werkzame beroepsbevolking (%)

22,3%

22,4%

22,7%

22,4%

21,7%

21,7%

Aantal zelfstandige zonder personeel (x 1.000)

1.063

1.066

1.081

1.084

1.105

1.093

Aandeel in de werkzame beroepsbevolking (%)

12,3%

12,2%

12,2%

12,2%

12,5%

12,2%

Werkzame beroepsbevolking

8654

8747

8835

8862

8866

8941

Bron: CBS, Statline, geraadpleegd op 21-10-2019.

Vraag 68

Hoeveel fte heeft UWV ter beschikking om uitvoering te geven aan haar toezicht inzake fraude met uitkeringen?

Antwoord 68

Het tegengaan van fraude is geen activiteit die specifiek is toe te schrijven aan een aantal fte’s. Handhaving is breder dan uitsluitend de werkzaamheden van de medewerkers van de directie Handhaving. Ook voorlichting bij het aanvragen van uitkeringen leidt tot betere naleving van de regels. Het is daarom niet mogelijk een precies aantal fte’s te noemen dat zich met toezicht bezighoudt. De gemiddelde bezetting van de directie Handhaving tot en met oktober 2019 is 431 fte.

Vraag 69

Hoeveel fte is beschikbaar gesteld voor de handhaving van de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB)?

Antwoord 69

De Wab bestaat uit meerdere onderdelen, waar verschillende instanties (Belastingdienst, UWV, Inspectie SZW) een handhavende rol hebben. Uitvoeringsorganisaties, waaronder UWV, worden integraal bekostigd voor de uitvoering van beleid. De kosten die zij maken voor handhaving zijn daar onderdeel van. Fraudebestrijding en handhaving maakt voor veel regelingen namelijk integraal onderdeel uit van de uitvoering. Voor versterking van de handhavingsketen van de Inspectie SZW is in het regeerakkoord 2017–2021 € 50 miljoen per jaar vrijgemaakt conform het Inspectie Control Framework (ICF). Dat betreft de inzet op het gehele inspectiedomein. Ook voor de programma’s die gericht zijn op de bestrijding van oneerlijk werk zal de inspectie-inzet uitgebreid worden de komende jaren. In hoeverre het inspectieteam dat de Waadi-onderzoeken uitvoert zal toenemen, hangt van meerdere factoren af. Niet alleen van het aantal Waadi-verzoeken, maar ook van andere ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de verdere programmering en prioritering ten opzichte van andere risico’s en taken in het toezicht zoals vermeld in het Meerjarenplan 2019–2022 en de jaarplannen.

Vraag 70

Op welke wijze en met welke systematiek wordt de WAB gehandhaafd?

Antwoord 70

De Wab bestaat uit meerdere onderdelen, waar verschillende instanties (Belastingdienst, UWV, Inspectie SZW) een handhavende rol hebben. Zoals uiteen is gezet in hoofdstuk 5 van de memorie van toelichting van de Wab hebben de Belastingdienst en UWV een uitvoeringstoets uitgebracht en heeft de Inspectie SZW een handhavingstoets uitgebracht. Deze partijen zijn ook betrokken bij de totstandkoming van het wetsvoorstel. De verschillende organisaties hebben verschillende wijzen van handhaving en verschillende handhavingsbevoegdheden. Zo ontleent de Belastingdienst zijn bevoegdheden aan de AWR en heeft de Inspectie onderzoeksbevoegdheden op grond van de Waadi. Handhaving van WW-premiedifferentiatie vindt plaats in de reguliere handhaving van de loonaangifte, waaronder boekenonderzoeken. Ook wordt een proces van gegevensuitwisseling ingericht tussen UWV en de Belastingdienst om de handhaving te ondersteunen.

Daarnaast bevat ook de Wab zelf een aantal maatregelen ter stimulering van de naleving en handhaving van de wet. Zo is ter verbetering van de handhaving van premiedifferentiatie en van de oproepmaatregelen geïntroduceerd dat de aard van de arbeidsovereenkomst voortaan op de loonstrook wordt vermeld en zal UWV deze aard via de arbeidsverledensbeschikking en het digitaal verzekeringsbericht onder de aandacht van werknemers brengen. Vermelding op de loonstrook verbetert de handhavingsmogelijkheden doordat de salaris-software van werkgevers veelal dezelfde gegevens gebruikt voor de loonaangifte en de loonstrook. Daardoor zal een werknemer kunnen zien of de werkgever onterecht vermeldt of zijn werknemer een oproepovereenkomst of een vast contract heeft.

Vraag 71

Hoeveel en welke knelpunten zijn er nog in de huidige WAB?

Antwoord 71

Met de Wab worden de knelpunten die nu worden ervaren in het arbeidsovereenkomstenrecht aangepakt. Dit is een stap naar meer balans op de arbeidsmarkt. Bij de evaluatie van de Wab zal worden bezien of de doelen zijn behaald.

Het kabinet ziet daarnaast dat er op de langere termijn wellicht grotere en fundamentelere aanpassingen in de wet- en regelgeving nodig zijn om de arbeidsmarkt goed te laten functioneren. Het kabinet heeft deze vraag belegd bij een onafhankelijke adviescommissie (Commissie Borstlap) die beziet of de stelsels van arbeidsrecht, sociale zekerheid en fiscaliteit nog aansluiten bij de behoeften en omstandigheden van de huidige tijd en de toekomst. De commissie zal begin 2020 advies uitbrengen.

Daarnaast wordt het uitzendregime geëvalueerd en worden wettelijke maatregelen verkend enerzijds om constructies tegen te gaan die bedoeld zijn om niet onder een cao te vallen, en anderzijds om niet-naleving van de Waadi te voorkomen.

Tevens wordt, conform de motie die door de Tweede Kamer is aangenomen, in het ontwerpbesluit dat in september bij de Tweede Kamer is voorgehangen, een uitzondering opgenomen dat gepayrollde werknemers uit de doelgroep banenafspraak en beschut werk volgens een aparte cao en niet volgens het payrollregime beloond mogen worden. Deze uitzondering kan dan in werking treden als een dergelijke cao wordt gesloten. Dit ontwerpbesluit is nu voor advisering naar de Raad van State verzonden.

Tot slot is de Minister, in het kader van de uitvoering van de motie-Wiersma/Heerma (Tweede Kamer, 35 074, nr. 46), met sociale partners in de Stichting van de Arbeid in gesprek over seizoensarbeid in relatie tot WW-premiedifferentiatie naar de aard van het contract. Begin 2020 wordt uw Kamer hier nader over geïnformeerd.

Vraag 72

Is de evaluatie van de Wet werk en zekerheid (Wwz) er al?

Antwoord 72

Nee nog niet. Wel is de procedure om de evaluatie te gunnen inmiddels afgerond en is het onderzoeksbureau in de zomer van start gegaan met de evaluatie van de Wwz. Oplevering van het onderzoek is beoogd medio zomer 2020. Het streven is uw Kamer vervolgens zo spoedig mogelijk te informeren als het onderzoek is afgerond en hiermee te voldoen aan de toezegging om uw Kamer nog in 2020 te informeren over de uitkomsten van de evaluatie.

Vraag 73

Welke concrete stappen zijn door u genomen om de arbeidsmarktpositie van zzp'ers te versterken?

Antwoord 73

Het kabinet werkt hard aan het versterken van de arbeidsmarktpositie van zelfstandigen. In de brief van 24 juni heeft de Minister van SZW u geïnformeerd over de stand van zaken van deze maatregelen. De uitwerking van deze maatregelen is complex maar wordt steeds concreter.

Uitgangspunt is dat wie voltijd werkt, van die inkomsten moet kunnen leven. Om de arbeidsmarktpositie van zzp’ers te versterken, zijn een aantal maatregelen aangekondigd die invulling geven aan het regeerakkoord. Het kabinet is voornemens een minimumuurtarief van € 16 in te voeren om de groep kwetsbare zelfstandigen aan de onderkant van de arbeidsmarkt meer bescherming te bieden. Bij een uurtarief van € 75 acht het kabinet de opdrachtnemer mede vanwege de sterke onderhandelingspositie in staat om de arbeidsrelatie naar eigen inzicht vorm te geven. Het kabinet wil hen meer ruimte geven om te ondernemen. Zij kunnen kiezen voor de zelfstandigenverklaring. Daarnaast wordt een webmodule ingericht om opdrachtgevers en opdrachtnemers meer duidelijkheid te bieden over de aard van de arbeidsrelatie en zo terughoudendheid bij opdrachtgevers om een zelfstandige in dienst te nemen zo veel mogelijk weg te nemen.

De maatregelen voor de onder- en bovenkant van de arbeidsmarkt zijn in de week van 28 oktober in de vorm van conceptwetgeving uitgezet voor internetconsultatie. Zoals gebruikelijk zal ook op basis van de uitvoeringstoetsen de uitvoerbaarheid worden bepaald. Zo mogelijk ontvangt u voor de begrotingsbehandeling een nieuwe voorgangsbrief betreffende de huidige stand van zaken, waaronder de voortgang van de testfase van de webmodule.

In het pensioenakkoord is daarnaast besloten tot het inrichten van een verplichte verzekering tegen arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen en is aan de sociale partners gevraagd hiervoor, in overleg met zzp-organisaties, een voorstel uit te werken. De sociale partners zijn verzocht voor 1 februari 2020 een concreet voorstel hierover uit te brengen.

Vraag 74

Welke kernprocessen van de vier uitvoeringsorganisaties, waarvan een probleemanalyse gemaakt wordt, hebben geen informatie- en communicatietechnologie (ICT)-component?

Antwoord 74

Digitalisering en ICT zijn belangrijke ondersteunende factoren voor de dienstverleningsprocessen van de uitvoering. In die zin zullen er weinig processen zijn die geen ICT-component kennen.

Vraag 75

Op welke wijze is geborgd dat de personen die de probleemanalyse bij de vier uitvoeringsorganisaties uitvoeren, over voldoende ICT-kennis beschikken?

Antwoord 75

De ICT-kennis is op verschillende manieren geborgd. De beide opdrachtnemers van ABDTOPConsult hebben vele jaren ervaring met de besturing van zeer diverse ICT-programma’s. Bij de uitwerking van de probleemanalyse worden deskundigen betrokken van de vier uitvoeringsorganisaties (BD, UWV, SVB, DUO) en van de ministeries (SZW, OCW, FIN, BZK). Zo nemen onder andere de CIO’s van de uitvoeringsorganisaties en ook de deskundigen op het gebied van digitalisering bij BZK deel aan de analyse. Ook worden inzichten benut uit de in- en externe rapporten over de ICT van de organisaties.

Vraag 76

Hoe bereidt u zich, eventueel in samenspraak met de arbeidsmarktregio’s, voor op de gevolgen van de Programma Aanpak Stikstof (PAS)-problematiek voor de werkgelegenheid?

Antwoord 76

Het kabinet zet zich ten volste in om de stikstofproblematiek op te lossen, zodat de vergunningverlening zo spoedig mogelijk weer op gang komt. De kabinetsplannen zijn op meerdere momenten met uw Kamer gedeeld, waaronder per brief op 13 september en 4 oktober 2019. Middels de stap-voor-stap benadering kan de bouwsector prioritair weer aan de slag. Door de woningbouw op korte termijn vlot te trekken, hoopt het kabinet dat de arbeidsmarkteffecten van de stikstofproblematiek beperkt blijven. Het kabinet houdt de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt nauwlettend in de gaten.

Vraag 77

Welke rekenrente hanteren andere lidstaten?

Antwoord 77

Merk op dat cijfers over rekenrentes niet volledig onderling vergelijkbaar zijn: de best beschikbare cijfers bevatten namelijk enkel de besparingen via Instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (de zogenoemde IBPV’s). Tussen de betreffende landen verschilt het belang van besparingen via IBPV’s, verzekeraars en balansreserves van ondernemingen aanzienlijk. Bovendien neemt de rekenrente een verschillende positie en belang in de verschillende toezichtkaders in.

Land

Rekenrente

België

2,7%

Cyprus

2,8%

Duitsland

3,3%

Denemarken

1,4%

Finland

2,8%

Frankrijk

Nb

Ierland

3,0%

Italië

3,4%

Luxemburg

3,7%

Nederland

1,2%

Portugal

2,0%

Spanje

4,2%

VK

3,1%

Zweden

1,6%

Bron: Cijfers voor 2016, uit: EIOPA, 2017 IORP Stresstest Report, pag. 21. Het betreft hier de nationale disconteringsvoet, gewogen naar de uitstaande verplichtingen, zoals deze volgt uit het basisscenario.

Vraag 78

Wanneer komen de sociale partners met een voorstel om de «witte vlek» terug te dringen?

Antwoord 78

Het aanvalsplan van sociale partners is naar verwachting begin 2020 klaar.

Vraag 79

Welke vertegenwoordigers van zzp'ers zijn betrokken bij de werkgroep die een voorstel doet voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering?

Antwoord 79

De Minister heeft de Stichting van de Arbeid gevraagd om begin 2020 met een voorstel te komen voor de invulling van de verzekeringsplicht voor zelfstandigen tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico. In de werkgroep Sociale Zekerheid en Zorg wordt verkend hoe invulling gegeven kan worden aan een betaalbare en toegankelijke verzekeringsplicht voor zelfstandigen. De delegatie van de werkgroep is aan werkgeverszijde aangevuld met een vertegenwoordiger van het Platform van Zelfstandige Organisaties en aan werknemerszijde met een vertegenwoordiger van FNV Zelfstandigen. Zelfstandigenorganisaties die niet vertegenwoordigd zijn in de werkgroep worden in de gelegenheid gesteld hun visie op de vormgeving van de verzekeringsplicht kenbaar te maken tijdens een bijeenkomst van de Stichting van de Arbeid op 21 november. De Minister heeft naar aanleiding van een vraag tijdens het Algemeen Overleg Arbeidsongeschiktheid dit punt nogmaals onder de aandacht gebracht bij de Stichting van de Arbeid.

Vraag 80

Hoeveel huishoudens (in absolute aantallen) leefden in 2017 onder het bestaansminimum? Kunt u deze aantallen uitsplitsen naar personen die werkloos zijn, werken als werknemer en werken als zzp'er?

Antwoord 80

Het CBS heeft geen gegevens gepubliceerd over het aantal huishoudens dat een inkomen onder het sociaal minimum heeft. Onderstaande tabel laat het aantal huishoudens zien met een inkomen tot 101% van het sociaal minimum verdeeld naar de voornaamste inkomensbron van dat huishouden.

Tabel Aantal huishoudens met een inkomen tot 101% van het sociaal minimum in 2017 naar inkomensbron

Voornaamste inkomensbron

Aantal huishoudens (x 1.000)

Werknemer

45,8

Zelfstandige

56,1

Uitkering inkomensverzekering

198,9

Uitkering werkloosheid

7,5

Uitkering arbeidsongeschiktheid

33,7

Uitkering pensioen

157,7

Uitkering sociale voorziening

240,5

Uitkering bijstand

219,3

Uitkering sociale voorziening, overig

21,2

Vraag 81

Welke definitie van een zzp-huishouden is hier gehanteerd?

Antwoord 81

Het CBS heeft geen definitie van een zzp-huishouden. Wel maakt het CBS gebruik van de term zelfstandige als inkomen uit eigen onderneming de voornaamste inkomensbron is. Dit kan over een eigen onderneming gaan met en zonder personeel.

Vraag 82

Wat is de wettelijke grondslag voor de invoering van de webmodule en de status die ontleend kan worden aan de uitkomsten?

Antwoord 82

De webmodule wordt gebaseerd op de huidige wet- en regelgeving en relevante jurisprudentie. De webmodule is een hulpmiddel voor opdrachtgevers om vast te stellen of een bepaalde opdracht buiten dienstbetrekking kan worden uitgevoerd. Als uit de beantwoording van de vragen in de webmodule blijkt dat buiten dienstbetrekking kan worden gewerkt, dan ontvangt de opdrachtgever een zogeheten opdrachtgeversverklaring. Beoogd wordt dat de opdrachtgever hiermee wordt gevrijwaard van betaling en afdracht van loonheffingen, mits overeenkomstig de gegeven antwoorden wordt gewerkt.

De opdrachtgeversverklaring kent overigens geen wettelijke basis. Als een opdrachtgeversverklaring wordt afgegeven, mag de opdrachtgever hiervan uitgaan vanwege het opgewekt vertrouwen.

Vraag 83

Wat is de stand van zaken met betrekking tot het gesprek dat met de Sociaal Economische Raad (SER) zou worden aangegaan in verband met de vraag om een brede maatschappelijke analyse van de groeiende groep werkende armen?

Antwoord 83

Momenteel is de SER bezig met de verkenning over de groep werkende armen. De SER verwacht dit begin 2020 af te ronden.

Vraag 84

Welke maatregelen van de WAB gaan in op 1 januari 2020 en welke gaan later in en op welk moment?

Antwoord 84

Op 1 januari 2020 treden de volgende maatregelen uit de Wab in werking: de wijzigingen in de ketenbepaling, de maatregelen ten aanzien van oproepcontracten, de maatregelen ten aanzien van payrolling met uitzondering van de verplichting om een adequate pensioenregeling te treffen, de introductie van de cumulatiegrond in het ontslagrecht, de wijzigingen in de berekening van de transitievergoeding, de introductie van premiedifferentiatie naar de aard van het contract in de WW en de daarmee gepaard gaande opheffing van de sectorfondsen.

De verplichting om voor payrollwerknemers een adequate pensioenregeling te treffen gaat in op 1 januari 2021, conform de toezegging tijdens de plenaire behandeling van de Wet arbeidsmarkt in balans in de Eerste Kamer. De inwerkingtreding van de compensatieregeling voor de transitievergoeding bij beëindiging van de onderneming wegens pensionering, ziekte of overlijden van de werkgever is ook voorzien voor 1 januari 2021. Van twee herzieningssituaties binnen WW-premiedifferentiatie, die zijn vastgelegd in de lagere regelgeving bij de Wab, wordt in 2021 besloten of, en zo ja wanneer, deze in werking treden (Tweede Kamer, 35 074, nr. 66).

Vraag 85

Kunt u een overzicht geven van de maatregelen die met de WAB in 2020 worden ingevoerd en welke later?

Antwoord 85

Zie het antwoord op vraag 84.

Vraag 86

Wat is het beleid met betrekking tot inspectie en handhaving aangaande de maatregelen van de WAB in 2020 en later?

Antwoord 86

De Wab bestaat uit meerdere onderdelen, waar verschillende instanties een handhavende rol hebben. Zoals uiteen is gezet in hoofdstuk 5 van de memorie van toelichting van de Wab hebben de Belastingdienst en UWV een uitvoeringstoets uitgebracht en heeft de Inspectie SZW een handhavingstoets uitgebracht. De verschillende organisaties hebben verschillende wijzen van handhaving en verschillende handhavingsbevoegdheden. De Inspectie SZW heeft alleen onderzoeksbevoegdheden voor de maatregelen in de Wab die zien op het onderdeel payroll dat in de Waadi is geregeld. De inspectiewijze voor de Waadi sluit aan bij de reguliere inspectiewijze op de Waadi waarbij de Inspectie op verzoek onderzoek kan doen naar de juiste toepassing van arbeidsvoorwaarden. Voor de beantwoording over de vraag van de capaciteit van de handhaving wordt verwezen naar het antwoord op vraag 69.

Vraag 87

Wat zijn de tarieven en wat is het aantal gewerkte uren van zelfstandigen die worden beschouwd als werkende armen?

Antwoord 87

Uit het SCP-onderzoek «Als werk weinig opbrengt» blijk dat er niet een tarief of een bepaald aantal gewerkte uren is dat bij zelfstandigen voor armoede zorgt. Juist de combinatie van een laag tarief met weinig werkzaamheden zorgt voor een inkomen dat onder de niet-veel-maar-toereikend grens van het SCP valt.

Wel kan voor zelfstandigen gesteld worden dat een laag tarief de grootste oorzaak is van een laag inkomen en in mindere mate het aantal gewerkte uren. Bij werknemers is juist het aantal gewerkte uren de voornaamste oorzaak van een laag inkomen en in mindere mate een laag uurloon.

Vraag 88

Hoeveel mensen maakten in de afgelopen vijf jaar gebruik van de fiscale aftrekmogelijkheden voor scholing?

Antwoord 88

De onderstaande tabel geeft het aantal belastingplichtigen dat in de afgelopen jaren gebruik heeft gemaakt van de aftrek scholingsuitgaven op basis van de meest recente aangiftegegevens inkomstenbelasting (IB). Hierbij moet bedacht worden dat aftrek tussen partners verdeeld mag worden. Veelal zal de meestverdienende de aftrek toepassen, ook in het geval dat beide partners aftrekbare scholingsuitgaven hebben. De daling in het gebruik van de fiscale regeling vanaf 2016 is het gevolg van de invoering van het studievoorschot en – ter voorkoming van fiscale weglek – de gelijktijdige uitsluiting van de mogelijkheid van fiscale aftrek van alle belastingplichtigen die recht hebben op studiefinanciering.

Tabel Aantal belastingplichtigen met aftrek scholingsuitgaven

Jaar

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Aantal (x 1.000)

416

420

427

355

368

3541

X Noot
1

Nog niet compleet

Vraag 89

Wanneer wordt het advies van de commissie over schadeafhandelingen beroepsziekten verwacht?

Antwoord 89

De commissie is verzocht om uiterlijk 31 december 2019 haar advies op te leveren.

Vraag 90

Welk aantoonbaar effect heeft kwalitatief betere of financieel aantrekkelijkere kinderopvang op de arbeidsparticipatie?

Antwoord 90

Er zijn diverse factoren die belangrijk zijn die de arbeidsparticipatie bepalen. Goede en financieel toegankelijke kinderopvang zijn hier voorbeelden van. Kinderopvang faciliteert ouders bij de combinatie van arbeid en zorg. De kinderopvangtoeslag draagt bij aan de betaalbaarheid van de kinderopvang. Hoe hoger de kinderopvangtoeslag, hoe financieel aantrekkelijker het is voor ouders om kinderopvang te gebruiken en dus om te werken. Uit onderzoek van het CPB blijkt dat de kinderopvangtoeslag bijdraagt aan de arbeidsparticipatie, vooral omdat werken voor vrouwen met jonge kinderen hierdoor aantrekkelijker wordt (CPB, Kansrijk Arbeidsmarktbeleid, 2015). Volgens deze studie zorgt een extra investering van 500 miljoen voor een toename in de werkgelegenheid van 0,1%.

Naast betaalbare kinderopvang is het voor ouders en kinderen van belang dat de kwaliteit van de kinderopvang goed is. Als ouders twijfels hebben over de kwaliteit van de kinderopvang, zullen ze waarschijnlijk minder snel voor de kinderopvang kiezen. De directe relatie tussen kwaliteit van kinderopvang, gebruik van kinderopvang en arbeidsparticipatie is echter lastig vast te stellen. Uit onderzoek van het SCP blijkt dat ouders die gebruik maken van kinderopvang positiever zijn over de kwaliteit dan ouders die geen gebruik maken van kinderopvang (SCP, Kijk op de kinderopvang, 2018). Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat huishoudens waar positiever over kinderopvang wordt gedacht, relatief vaak gebruik maken van formele opvang én in deze gezinnen de moeder vaak een wat grotere baan heeft. Er kan van deze resultaten echter niet gezegd worden of er sprake is van een causale relatie, omdat het SCP dat met deze studie niet heeft kunnen vaststellen. Ook het CPB geeft aan dat over de relatie tussen kwaliteit en de arbeidsparticipatie relatief weinig bekend is (CPB, Vrouwen aan de top, 2019).

Uit de Landelijke Kwaliteitsmonitor Kinderopvang komt naar voren dat de kwaliteit van de kinderopvang in Nederland over het algemeen voldoende tot goed is (Landelijke Kwaliteitsmonitor Kinderopvang 2018). Dit beeld is al enkele jaren stabiel en ook in internationaal opzicht scoort de Nederlandse kinderopvang goed. Daarbij wordt er met de doorontwikkeling van In-één-oogopslag ingezet op het beter informeren van ouders over de kwaliteit van de opvang. «In-één-oogopslag» is een overzichtelijke, visuele samenvatting van het inspectierapport van de GGD-toezichthouder, bedoeld om ouders eenvoudig een goed en betrouwbaar beeld te geven van de kwaliteit van een opvanglocatie.

Vraag 91

In hoeveel cao's zijn afspraken gemaakt over het hebben van een vertrouwenspersoon?

Antwoord 91

In de nationale enquête arbeidsomstandigheden geeft 61,6% van de ondervraagde werknemers aan de mogelijkheid te hebben om een vertrouwenspersoon te raadplegen, 12,8% heeft die mogelijkheid niet en 25,6% weet het niet.

Daarnaast blijkt uit onderzoek onder de 99 grootste cao’s dat in 62 cao’s afspraken voorkomen over mogelijke maatregelen om ongewenste omgangsvormen op de werkvloer te voorkomen of tegen te gaan. Eén van die maatregelen betreft het aanstellen van een vertrouwenspersoon. Een afspraak daarover komt in 23 van de 99 grootste cao’s voor.

Bron:

  • De nationale enquête arbeidsomstandigheden is een grootschalige enquête onder werknemers in Nederland, uitgevoerd door CBS en TNO.

  • PREVENTIE EN (ZIEKTE)VERZUIMAANPAK 2018, Een onderzoek naar cao-afspraken over preventie en ziekteverzuim, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, juli 2019.

Vraag 92

Hoe is (grofweg) de toedeling naar de leeftijdsgroepen 30 jaar en jonger, 30 tot 45 jaar en 45 jaar en ouder als het gaat om investeringen in loopbaangerichte om- en bijscholing?

Antwoord 92

In algemene zin wordt het merendeel van de scholing van werknemers door werkgevers bekostigd. Er is geen onderzoek dat laat zien hoeveel geld wordt geïnvesteerd door werkgevers of werkenden per specifieke leeftijdsgroep voor loopbaangerichte om- en bijscholing. Wel laat het onderzoek van SCP de scholingsdeelname van werkenden naar leeftijdsgroepen zien (SCP, Grenzen aan leven lang leren, 2019). Uit dit onderzoek blijkt dat in 2016 de scholingsdeelname van de leeftijdsgroep 25–34 jaar lag op 41%. In de leeftijdsgroep 35–44 jaar was de deelname aan scholing in hetzelfde jaar 38%. De scholingsactiviteiten van de leeftijdsgroep 45–54 jaar schommelt rond de 34,5% (tussen 2008 en 2016). Oudere werknemers (55–64 jaar) volgen verhoudingsgewijs de minste scholing, maar zij lopen hun achterstand wel langzaam in: in 2008 volgde 19% actief scholing, in 2016 was dat opgelopen tot 24% (SCP, Grenzen aan leven lang leren, 2019).

Vraag 93

Hoe is verdeling van de individuele leer- en ontwikkelbudgetten tussen de leeftijdsgroepen 30 jaar en jonger, 30 tot 45 jaar en 45 jaar en ouder? Neemt de scholing van 45-plussers procentueel toe?

Antwoord 93

SZW heeft onderzoek gedaan naar afspraken in cao’s over individuele leer- en ontwikkelbudgetten. Daaruit komt naar voren dat private partijen zoals sociale partners en O&O fondsen in toenemende mate individuele budgetten beschikbaar stellen. Van de 5,6 miljoen werknemers voor wie cao-afspraken gelden, beschikten in 2017 ongeveer 1,3 miljoen (24%) werknemers over een individueel leer- en ontwikkelbudget. Het onderzoek geeft echter geen antwoord op de verdeling van die budgetten tussen de verschillende leeftijdsgroepen. Ook geeft het onderzoek geen antwoord op de werkelijke benutting van deze leer- en ontwikkelbudgetten. Voor het eind van het jaar wordt er door SZW vervolgonderzoek uitgezet om beter inzicht te krijgen in het gebruik van de beschikbare individuele leer- en ontwikkelbudgetten.

Zie het antwoord op vraag 92 voor de vraag of de scholing van 45-plussers procentueel toeneemt.

Vraag 94

Hoe wordt het STAP-budget onder de aandacht gebracht van oudere werkenden en werkzoekenden tussen de 55–67 jaar die niet in vaste dienst zijn (zelfstandigen, flexwerkers, uitzendkrachten, uitkerings- en bijstandsgerechtigden)?

Antwoord 94

Uit onderzoek weten we dat ouderen en flexwerkers minder aan scholing doen. Ten opzichte van de huidige fiscale aftrek scholingskosten heeft het STAP-budget als voordeel dat er niet hoeft te worden voorgefinancierd, het budget direct aan de opleider wordt verstrekt en er tot een bedrag van € 1.000 geen eigen bijdrage nodig is om scholing te kunnen volgen. Om de bekendheid te vergroten zal er rondom de invoering van het STAP-budget via een communicatiecampagne uitgebreide aandacht worden besteed. Om ook oudere werkenden en werkzoekenden te bereiken zal de samenwerking worden opgezocht met partijen die in contact staan met deze groepen zoals vakbonden, O&O organisaties, onderwijsinstellingen, uitvoeringsorganisaties en andere betrokkenen. Daarnaast wordt de bekendheid en toegankelijkheid van het STAP-budget voor een deel van deze groepen vergroot via de adviesgesprekken die flankerend worden opgezet.

Vraag 95

Bent u het eens dat Leven Lang Ontwikkelen (LLO) van cruciaal belang is om ouderen, die nog steeds relatief vaak en langdurig werkloos zijn, weer aan het werk te krijgen en te houden? Hoe vertaalt zich dit in een aanvullende beleidsinspanning en investering om ouderen nadrukkelijker mee te nemen in LLO?

Antwoord 95

Door de veranderingen op de arbeidsmarkt is een leven lang ontwikkelen (LLO) voor iedereen- jong en oud- van belang. Op 24 juni 2019 is er naar de Tweede Kamer een brief gestuurd omtrent een leven lang ontwikkelen en ouderen (Tweede Kamer, 30 012, nr. 112). In deze brief is aangegeven dat het kabinet breed inzet op een leven lang ontwikkelen en daarmee op het stimuleren van de eigen regie van mensen op hun loopbaan en het versterken van een positieve leercultuur. Zo wordt er bijvoorbeeld gewerkt aan een publiek-leer en ontwikkelbudget, het zogenoemde STAP-budget. Op 20 september is de conceptregeling van het STAP-budget gestuurd naar de Tweede Kamer (Tweede Kamer, 30 012, nr. 121). Ondersteunend aan het STAP-advies wordt de mogelijkheid tot een adviesgesprek verder uitgewerkt, juist voor mensen die relatief weinig bijscholen, zoals ouderen.

Naast de brede aanpak, zijn er nog enkele specifieke maatregelen voor ouderen die doorlopen in 2020, zoals het Ontwikkeladvies 45+. Tot 10 januari 2020 kunnen werkenden van 45 jaar en ouder een ontwikkeladvies van een loopbaanadviseur krijgen, waarbij de kosten volledig vanuit de subsidieregeling worden vergoed. In een evaluatie is voorzien; de evaluatie van het Actieplan perspectief voor vijftigplussers, waarvan het Ontwikkeladvies 45+ onderdeel is, zal in het voorjaar van 2020 gereed zijn. Daarnaast wordt door de Minister het project Sociale Partners samen vóór Duurzame Inzetbaarheid (SPDI) gefinancierd. In dit project zetten werkgevers (AWVN) en Werknemers (CNV) zich gezamenlijk in om duurzame inzetbaarheid bij bedrijven te vergroten door middel van adviestrajecten.

Vraag 96

Hoe is het gebruik van de fiscale scholingsaftrek bij verschillende subgroepen, uitgesplitst naar aantallen, opleidingsniveau en sector?

Antwoord 96

Van de belastingplichtigen die van de fiscale aftrek scholingsuitgaven gebruik maken, worden door de Belastingdienst geen gegevens geregistreerd over opleidingsniveau of sector. In 2016 heeft het CPB een evaluatieonderzoek uitgevoerd van de fiscale aftrek van scholingsuitgaven (CPB, Evaluatie aftrekpost scholingsuitgaven, 2016). In dit evaluatieonderzoek wordt het gebruik van de fiscale scholingsaftrek alleen uitgesplitst naar opleidingsniveau. Hieruit blijkt dat laagopgeleiden minder gebruik maken van de fiscale scholingsaftrek dan hoogopgeleiden.

Vraag 97

Wat is het doel van het STAP-budget? Wanneer wordt dit STAP-budget als effectief en succesvol beschouwd?

Antwoord 97

De kern van het LLO-beleid is het stimuleren van de eigen regie van mensen op hun loopbaan en hun leven, zodat ze zich kunnen blijven ontwikkelen en hun eigen keuzes kunnen maken. Het doel van het leer- en ontwikkelbudget voor het STAP-budget is om, aanvullend aan andere inspanningen vanuit de overheid en private partijen, de beroepsbevolking in de gelegenheid te stellen deze eigen regie te nemen en zelf te investeren in scholing op het werk. Dit is mogelijk door gerichte post-initiële scholing te stimuleren en toegankelijk te maken door een financiële tegemoetkoming te bieden. Een uitgavenregeling moet, ten opzichte van de huidige fiscale aftrek van scholingsuitgaven, meer evenredig alle doelgroepen in de samenleving ondersteuning bieden door zowel laagdrempelig te zijn voor praktisch als voor theoretisch opgeleiden en voor hogere en lagere inkomens. Het STAP-budget kan als succesvol worden beschouwd wanneer het beschikbare budget wordt besteed aan de in de regeling genoemde bestedingsdoelen, het STAP-budget wordt benut door alle genoemde doelgroepen en de afwenteling van private op publieke middelen beperkt blijft.

Binnen twee jaar na inwerkingtreding zal een evaluatie plaatsvinden van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze subsidieregeling. De evaluatie zal aan beide kamers der Staten-Generaal worden aangeboden.

Vraag 98

Wat zijn de gemiddelde uitgaven aan scholing en duurzame inzetbaarheid voor medewerkers met een vast contract in vergelijking met medewerkers met een flexibele contractvorm? Hoe hebben die getallen zich de afgelopen jaren ontwikkeld?

Antwoord 98

Onderzoek van AWVN laat zien dat voor € 1,6 miljard cao-afspraken zijn gemaakt in verband met duurzame inzetbaarheid (AWVN, Geld voor Duurzame Inzetbaarheid, 2019). Dit bedrag is sinds 2013 verdubbeld. Er is geen onderzoek bekend dat inzicht geeft in de uitgaven aan scholing en duurzame inzetbaarheid voor specifieke groepen.

Wel geeft onderzoek van ROA (ROA, Leren onder werkenden met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt, 2018) inzicht in de scholingsdeelname van werkenden met een tijdelijk contract. Dit onderzoek laat zien dat mensen met een vast contract gemiddeld het vaakst aan een cursus deelnemen (56%). Dit is vergelijkbaar met de cursusdeelname van werknemers met een tijdelijk contact met uitzicht op vast werk (53%). Bij werknemers met een tijdelijk contract zonder uitzicht op een vaste baan ligt de cursusdeelname lager (34%). Deze lage trainingsparticipatie wordt voor een relatief groot deel verklaard door de inhoud van werk en de context waarin wordt gewerkt. De afgelopen twee jaar heeft 43% van de zelfstandigen een training gevolgd.

Vraag 99

Wat is de arbeidsparticipatie in het algemeen en in uren per week onder mannen met kinderen en onder vrouwen met kinderen, uitgesplitst naar de leeftijd van het oudste kind in de clusters van nul tot vier jaar, vijf tot twaalf jaar en ouder dan twaalf jaar?

Antwoord 99

Er is informatie beschikbaar over de arbeidsparticipatie van paren uitgesplitst naar leeftijd van het jongste kind, maar er zijn ook ouders die niet tot een paar behoren.

In het tweede kwartaal van 2019 waren er 2.029.000 huishoudens met thuiswonende kinderen. Het jongste kind was in 33,9% (688.000) van de gevallen nul tot zes jaar, in 22,4% (454.000) van de gevallen 6 tot 12 jaar, in 21,4% (435.000) van de gevallen 12 tot 18 jaar en in 22,3% (453.000) van de gevallen ouder dan 18.

In de tabel hieronder is een overzicht gegeven van het aandeel huishoudens waarin de man of vrouw niet werkt, in deeltijd werkt of voltijd werkt. In de huishoudens waarvan het jongste kind tussen de 0 tot 6 jaar oud is, is in 5,2% van de gevallen de man niet werkzaam. In 0,6% van de gevallen is de man 1 tot 12 uur werkzaam per week, in 0,9% van de gevallen is de man 12 tot 20 uur werkzaam per week, in 13,8% van de gevallen is de man 20 tot 35 uur werkzaam per week en in 79,7% van de gevallen is de man meer dan 35 uur werkzaam per week. Voor vrouwen is dit respectievelijk 19,5%, 5,3%, 10,5%, 49,5% en 15,3%. In huishoudens waarin het jongste kind meerderjarig is zijn deze percentages respectievelijk voor mannen 15,0%, 1,5%, 1,8%, 10,4% en 71,3% en voor vrouwen 25,8%, 7,1%, 11,5%, 41,1% en 14,6%.

% in het totaal aantal huishoudens (paren)

Totaal

Jongste kind

0 tot 6 jaar

Jongste kind

6 tot 12 jaar

Jongste kind

12 tot 18 jaar

Jongste kind meerderjarig

Totaal huishoudens (paren)

100%

100%

100%

100%

100%

           

Huishoudens (paren) waarin de:

         

Man niet werkt

7,9%

5,2%

5,9%

6,7%

15,0%

Man 1 tot 12 uur werkt

0,9%

0,6%

0,7%

0,7%

1,5%

Man 12 tot 20 uur werkt

1,0%

0,9%

0,7%

0,9%

1,8%

Man 20 tot 35 uur werkt

11,3%

13,8%

10,6%

9,4%

10,4%

Man 35 uur of meer werkt

79,0%

79,7%

82,2%

82,3%

71,3%

           

Huishoudens (paren) waarin de:

         

Vrouw niet werkt

19,5%

19,9%

15,6%

16,1%

25,8%

Vrouw 1 tot 12 uur werkt

5,3%

4,2%

5,1%

5,1%

7,1%

Vrouw 12 tot 20 uur werkt

10,5%

8,6%

11,5%

11,3%

11,5%

Vrouw 20 tot 35 uur werkt

49,5%

52,0%

52,6%

51,0%

41,1%

Vrouw 35 uur of meer werkt

15,3%

15,3%

15,0%

17,0%

14,6%

Bron: CBS, Statline, geraadpleegd op 21-10-2019.

NB: het aantal mannen en vrouwen in paren met kinderen komt niet overeen met het aantal mannen met kinderen of het aantal vrouwen met kinderen. Er zijn ook mannen met kinderen en vrouwen met kinderen die niet tot een paar behoren.

Van alle mannen met thuiswonende kinderen (zowel in een paar als buiten een paar) werkt 91,6%. Voor vrouwen is dit percentage 78,1%. Oftewel, van alle mannen die ouder zijn en tot de beroepsgeschikte bevolking behoren (2.112.000) is 91,6% (1.935.000) werkzaam. Voor vrouwen is dit percentage 78,1% (1.879.000 van 2.406.000). Deze gegevens zijn niet uitgesplitst beschikbaar naar leeftijd van de kinderen.

Vraag 100

Wanneer wordt de Kamer nader geïnformeerd over de resultaten van het project Simpel Switchen?

Antwoord 100

De Tweede Kamer zal voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van SZW over de resultaten van het project Simpel Switchen worden geïnformeerd.

Vraag 101

Hoeveel geld zouden gemeenten extra nodig hebben om ook niet-uitkeringsgerechtigden te kunnen begeleiden?

Antwoord 101

Voor de begeleiding van de doelgroep van Participatiewet ontvangen gemeenten middelen via de algemene uitkering van het Gemeentefonds en de integratie-uitkering Participatie. De doelgroep van Participatiewet bestaat niet alleen uit mensen met een bijstandsuitkering, maar ook uit niet-uitkeringsgerechtigden, dan wel omdat zij werken met ondersteuning en dus een inkomen hebben, dan wel omdat zij geen recht hebben op een uitkering vanwege de partner- of vermogenstoets. Gemeenten ontvangen dus reeds middelen om niet-uitkeringsgerechtigden te begeleiden.

Vraag 102

Wat is de verwachte deelname van het scholingsexperiment voor mensen met een uitkering Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten (WGA)? Wanneer is het experiment succesvol?

Antwoord 102

Vooralsnog wordt uitgegaan van circa 3.000 deelnemers. Wanneer begin januari 2020 nader onderzoek is uitgevoerd, wordt het verwachte aantal deelnemers opnieuw bepaald en wordt de maatstaf voor succes nader gedefinieerd (zie ook Tweede Kamer, 29 544, nr. 922).

Vraag 103

Hoe wordt gevolgd wat er gebeurt met de structurele extra € 100 miljoen om armoede onder kinderen aan te pakken?

Antwoord 103

Van deze structurele extra € 100 miljoen gaat jaarlijks € 85 miljoen naar gemeenten. Over de inzet van deze middelen zijn bestuurlijke afspraken met de VNG gemaakt. Deze afspraken worden in 2021 geëvalueerd. In 2018 heeft er een eerste tussenevaluatie plaatsgevonden. Hierover is uw Kamer op 21 november 2018 geïnformeerd (Tweede Kamer, 24 515, nr. 455). In deze brief is ook gemeld hoe de overige € 15 miljoen is ingezet. Daarnaast vindt er dit jaar nog een extra tussentijdse evaluatie plaats naar aanleiding van de motie Bruins c.s. (Tweede Kamer, 24 515, nr. 479). Het eerste kwartaal van 2020 worden de uitkomsten verwacht. Over de uitwerking van deze motie is uw Kamer geïnformeerd via de brief nadere uitwerking ambities kinderarmoede van 2 oktober jl. (Tweede Kamer, 24 515, nr. 494).

Vraag 104

Hoe wordt de effectiviteit gemeten van de ingestelde en gefinancierde maatregelen om armoede onder kinderen aan te pakken?

Antwoord 104

Over de inzet van de structurele extra middelen voor de aanpak van armoede onder kinderen die aan gemeenten ter beschikking worden gesteld zijn bestuurlijke afspraken met de VNG gemaakt. Deze afspraken worden geëvalueerd. Zie hierover het antwoord op vraag 103.

Ook de inzet van de incidentele middelen armoede en schulden 2018–2020 (€ 80 miljoen in totaal voor gemeenten) wordt gemonitord. De middelen zijn via een decentralisatie-uitkering beschikbaar gesteld aan gemeenten. Er is afgesproken dat het Rijk en VNG in samenwerking invulling geven aan monitoring, passend bij de decentrale bevoegdheden van gemeenten en de verantwoording aan de gemeenteraad. Eind 2019 wordt met gemeenten besproken 1) hoe gemeenten de middelen inzetten of nog gaan inzetten 2) hoe zij de landelijke infrastructuur waarderen en 3) of zij behoefte hebben aan andersoortige/aanvullende ondersteuning bij de uitvoering van het schulden- en armoedebeleid. De uitkomsten worden besproken in een Bestuurlijk Overleg VNG. Voor de eindevaluatie in 2021 sluiten we zoveel mogelijk aan bij de evaluatie van de € 85 miljoen voor kinderen in armoede en maken we zoveel mogelijk gebruik van al bestaande bronnen.

Over de uitkomsten van de ambities kinderarmoede (Tweede Kamer, 24 515, nr. 484) zal het kabinet vanaf 2021 tweejaarlijks aan de Eerste Kamer en Tweede Kamer rapporteren.

Vraag 105

Wat heeft een professional in de uitvoering nodig om steviger in positie te zitten om maatwerk te kunnen leveren?

Antwoord 105

Professionals ervaren soms te weinig mandaat, te weinig rugdekking, een gebrek aan regelruimte en soms een gebrek aan medewerking van de partijen die betrokken zijn bij de oplossing voor het huishouden met meervoudige problemen. Het gaat om – naar schatting – 1 – 4% van de huishoudens dat kampt met stapeling van problemen, waarbij bestaanszekerheid in het geding is (zie eindrapport van de Verkenning Regeling Maatwerk Multiprobleem Huishoudens, Tweede Kamer, 34 477, nr. 63). Zelfs wanneer een passende oplossing voorhanden is, kan zich alsnog een langlopende discussie tussen instanties voordoen, bijvoorbeeld over wie wat betaalt of over wie wat moet doen. Intussen escaleert de problematiek.

Een specifieke werkwijze en aanpak kan de professional helpen om deze huishoudens beter en eerder te kunnen helpen. Over de kokers van sectorale wetten en regelgeving heen. In het eindrapport van de Verkenning Regeling Maatwerk Multiprobleem Huishoudens staan meerdere interventies benoemd die momenteel uitgewerkt worden (Tweede Kamer, 34 477, nr. 63). In de gewenste situatie is de professional getraind in het maken van integrale afwegingen en herkent hij situaties die vragen om maatwerk. De professional ervaart rugdekking vanuit het bestuur om af te wijken van de standaard werkwijze en de wettelijke kaders bieden hier de benodigde ruimte toe. Vertrouwen in de professional staat daarbij voorop. Verder helpt het de professional als – op basis van een zorgvuldige afweging – informatie die noodzakelijk is om tot een oplossing te komen, kan worden gedeeld. Ook helpt het als patstellingen tussen instanties worden voorkomen, bijvoorbeeld door de professional de mogelijkheid te geven gebruik te maken van een daadkrachtige escalatieroute. Op onderdelen van de aanpak wordt nader onderzocht of aanpassing van huidige wet- en regelgeving nuttig en noodzakelijk is (Tweede Kamer, 34 477, nr. 63).

Vraag 106

Welke vier ambities heeft u met gemeenten geformuleerd om in 2021 nagenoeg alle kinderen in armoede te bereiken?

Antwoord 106

De Staatssecretaris heeft u geïnformeerd over de ambities kinderarmoede (Tweede Kamer, 24 515, nr. 484). Met deze vier ambities heeft het kabinet met volle inzet invulling gegeven aan het advies van de SER en de moties die hierover in de Eerste en Tweede Kamer zijn ingediend om een reductiedoelstelling op het terrein van kinderarmoede te formuleren. Eén van deze vier ambities is dat in 2021 100% van de gezinnen in de bijstand bereikt worden en 70% van de werkende gezinnen met kinderen met een laag inkomen. Zodat ook deze kinderen mee kunnen doen. Gemeenten worden door een ondersteuningstraject van Divosa en de vier grote armoedepartijen (Vereniging Leergeld, Nationaal Fonds Kinderhulp, Jarige Job en het Jeugdfonds Sport & Cultuur) ondersteund in het bereiken van deze ambitie.

De drie andere ambities luiden: (2) het aantal huishoudens met kinderen dat een laag inkomen heeft laat de komende jaren een dalende trend zien; (3) er komt periodiek inzicht in de brede kansarmoede onder kinderen. Doel is om inzicht te krijgen in wat het voor een kind betekent om in armoede te leven. Daarbij is er aandacht voor de verschillende levensdomeinen zoals zorg, onderwijs en veiligheid en (4) daarnaast wordt er periodiek een kwalitatief overzicht geboden van goede voorbeelden en initiatieven van gemeenten en andere lokale en nationale organisaties gericht op het voorkomen van armoede onder kinderen en de negatieve gevolgen daarvan voor kinderen.

Over de uitkomsten van de ambities rapporteert het kabinet vanaf 2021 tweejaarlijks aan de Eerste Kamer en Tweede Kamer.

Vraag 107

Hoeveel kinderen leven nu in armoede?

Antwoord 107

Uit de recente SCP-publicatie «Armoede in Kaart 2019» valt op te maken dat in 2017 ruim 272.000 kinderen tot 18 jaar in een huishouden leefden met een inkomen onder het niet-veel-maar-toereikendcriterium. Dit komt neer op 8,1%.

Uit CBS-cijfers (bron: CBS, Statline, geraadpleegd 21-10-2019) komt naar voren dat in 2017 bijna 277.000 kinderen (8,5%) een risico op armoede liepen doordat zij leefden in een gezin met een inkomen tot de lage-inkomensgrens.

Vraag 108

Hoeveel gezinnen leven nu in armoede?

Antwoord 108

Het SCP rapporteert op persoonsniveau over armoede. De recente SCP-publicatie «Armoede in Kaart 2019» laat zien dat in 2017 van alle eenoudergezinnen met enkel minderjarige kinderen 13,7% (ruim 40.000 volwassenen) leefde onder de niet-veel-maar-toereikend grens. Voor eenoudergezinnen met meerderjarige kinderen komt dit percentage op 8,1% (44.000 volwassenen). Van de paren met alleen minderjarige kinderen heeft 5,5% (140.000 volwassenen) een inkomen onder de niet-veel-maar-toereikend grens. Voor de paren met meerderjarige kinderen komt dit neer op 2,5% (58.000 volwassenen).

Uit CBS-cijfers (bron: CBS, Statline, geraadpleegd 21-10-2019) over 2017 blijkt dat 15,7% (80.200 huishoudens) van de eenoudergezinnen een risico op armoede liepen doordat zij een inkomen hadden tot de lage-inkomensgrens. Voor paren met kinderen gaat het om 4,1% (79.500 huishoudens).

Vraag 109

Hoe vaak komt armoede voor bij werkenden met een fulltime betrekking?

Antwoord 109

Uit de SCP-publicatie «Als werk weinig opbrengt» kwam naar voren dat 4,6% van de werkenden (320.000) in 2014 in Nederland een inkomen had onder het niet-veel-maar-toereikendcriterium. Hiervan had 55% een baan in loondienst en de overige 45% was werkzaam als zelfstandige. Van deze werkenden met een laag inkomen was 8% als vaste werknemer voltijd (≥35 uur) in dienst. 3% van de werkenden met een laag inkomen werkte voltijds op een tijdelijk contract.

Uit hetzelfde rapport komt ook naar voren dat in 2006–2014 gemiddeld 8% van de zelfstandigen of werknemers met een huisgenoot die zelfstandige is, onvoldoende inkomsten had als zij en hun

huisgenoten samen een arbeidsduur van 41–60 uur per week hadden. Dit is 6% indien het gaat om een zelfstandige of werknemers met zelfstandige huisgenoot die gezamenlijk 61 uur of meer werken.

Vraag 110

Wanneer wordt het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Toeslagen verwacht?

Antwoord 110

Het eerste deel van het IBO Toeslagen is maandag 11 november naar uw Kamer gestuurd. Het tweede deel met kabinetsreactie wordt naar verwachting begin 2020 aan uw Kamer aangeboden.

Vraag 111

Welke knelpunten kunnen ervoor zorgen dat de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet niet in 2021 kan worden toegepast?

Antwoord 111

In haar brief van 8 oktober 2019 heeft de Staatssecretaris van SZW samen met de Staatssecretaris van Financiën en mede namens de Minister voor Rechtsbescherming gewezen op een aantal zaken die nog nader moeten worden ingevuld om een compleet beeld te krijgen van wat er per 1 januari 2021 is afgerond en wat eventueel nog om inzet vraagt. Begin 2020 zal hierover volledige duidelijkheid zijn verkregen. De Staatssecretaris heeft toegezegd de Kamer hierover te berichten.

Vraag 112

In hoeverre maakt u middelen vrij voor de bestrijding van armoede onder 90-plussers?

Vraag 115

Wanneer komt er duidelijkheid of maatregelen om de stapeling van zorgkosten tegen te gaan en de genomen fiscale maatregelen inderdaad het gewenste effect hebben dat 90-plussers minder onder de armoedegrens komen?

Antwoord 112 en 115

Het SCP geeft aan dat de 90-plussers vaker onder de armoedegrens zitten doordat de zorgkosten van het inkomen worden afgetrokken. Daarom heeft het kabinet maatregelen genomen om de stapeling van zorgkosten tegen te gaan, zoals:

  • De invoering van het abonnementstarief in de Wmo;

  • Verlagen marginaal tarief Wlz en Wmo beschermd wonen;

  • Halveren vermogensinkomensbijtelling Wlz en Wmo beschermd wonen;

  • Het bevriezen van het eigen risico;

  • De maximering bijbetaling voor geneesmiddelen.

Bovengenoemde maatregelen om de stapeling van zorgkosten tegen te gaan zijn vanaf 2018 ingegaan en een deel moet nog in 2020 ingaan. Vanaf 2020 wordt de invoering van het abonnementstarief voor Wmo-voorzieningen via een wetswijziging volledig gerealiseerd.

Naast de maatregelen om de stapeling van zorgkosten tegen te gaan ondersteunt het kabinet ouderen met een laag inkomen door het nemen van maatregelen die erop gericht zijn de inkomenspositie van ouderen te verbeteren. Zo gaat de algemene heffingskorting omhoog, wat direct doorwerkt in een hogere netto AOW-uitkering. Voor ouderen met een aanvullend pensioen is de ouderenkorting verhoogd en gaan de belastingtarieven in stapjes naar beneden. Voor paren met een lager inkomen is de zorgtoeslag verhoogd. Al deze maatregelen zijn erop gericht om de netto-inkomens in stappen te verhogen gedurende de kabinetsperiode.

Vraag 113

Kan uit het feit dat in deze tijd van hoogconjunctuur nog altijd meer dan 40% van de bestandsgerechtigde huishoudens, circa 20% van de WW- gerechtigden, en circa 15% van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)- en WIA-gerechtigden een inkomen hebben onder de «niet-veel-maar toereikend-grens», de conclusie worden getrokken dat het sociaal vangnet van de rijksoverheid voor deze groepen huishoudens principieel te kort schiet? Zo nee, waarom niet? Kunt u uw antwoord motiveren?

Antwoord 113

Als een deel van een inkomensgroep onder de niet-veel-maar-toereikend grens van het SCP uitkomt kan niet per definitie worden gesteld dat het sociaal vangnet ontoereikend is. Allereerst nemen de huidige armoedecijfers het gemeentelijk armoedebeleid niet mee. Dat is jammer omdat hier juist de afgelopen jaren extra geld naartoe is gegaan. Tevens is niet het volledige inkomen van huishoudens in beeld. Zo is bijvoorbeeld kinderalimentatie, wat voor gezinnen met kinderen een belangrijk deel van het inkomen kan zijn, niet meegenomen in de berekening van armoede.

Vraag 114

In hoeverre zorgt gemeentelijk (aanvullend) minimabeleid ervoor dat deze groepen huishoudens niet onder de «niet-veel-maar-toereikend-grens» blijven? Kunt u uw antwoord cijfermatig onderbouwen? Kunt u, indien u deze vraag niet (cijfermatig) kunt beantwoorden en onderbouwen, bevorderen dat het effect van gemeentelijk minimabeleid systematisch gemeten gaat worden?

Antwoord 114

De Participatiewet voorziet ten behoeve van de colleges in een instrumentarium om invulling te kunnen geven aan een aanvullende inkomensondersteuning op lokaal niveau. Deze aanvullende inkomensondersteuning is niet gebonden aan de aard van het inkomen, zodat in beginsel ook werkende armen hiervoor in aanmerking kunnen komen. De mate waarin er draagkracht in het inkomen aanwezig wordt geacht, wordt door het college vastgesteld.

Uit de SCP-publicatie «Als werk weinig opbrengt» kwam echter naar voren dat gemeenten werkende armen onvoldoende kennen en werkende armen op hun beurt de gemeentelijke regelingen niet. Op dit moment is een cijfermatige onderbouwing van het effect van gemeentelijk minimabeleid voor deze doelgroep dan ook niet voorhanden. De Staatssecretaris is gezamenlijk met de VNG en Divosa gekomen tot meerdere actielijnen om de groep werkende armen beter te vinden, bereiken en effectief te ondersteunen. Op 12 juli 2019 werd uw Kamer geïnformeerd over deze maatregelen binnen de versterking gemeentelijke aanpak werkende armen (Tweede Kamer, 24 515, nr. 491). De Staatssecretaris zal met de VNG en Divosa in gesprek blijven over de door deze maatregelen gegenereerde inzichten aangaande het gemeentelijk minimabeleid.

Vraag 116

Hoe gaat u het systeem van inkomensondersteunende regelingen waarin steeds meer mensen verstrikt raken passender, toegankelijker, betrouwbaarder en begrijpelijker maken?

Antwoord 116

Op dit moment lopen er verschillende onderzoeken die kijken naar het systeem van inkomensondersteunende regelingen. Zo houdt het IBO Toeslagen het volledige toeslagensysteem goed tegen het licht. Binnen de Brede Maatschappelijke Heroverwegingen wordt onder andere gekeken naar stappen die gezet kunnen worden om te komen tot een inclusievere samenleving. Daarin is speciaal oog voor de inkomensfluctuaties die mensen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie hebben. Tevens loopt een traject om verbeteringen in het belastingsysteem in kaart te brengen (bouwstenentraject). Hierin wordt onder andere gekeken naar opties om de complexiteit te verminderen. Ook het project Simpel Switchen in de participatieketen is erop gericht om mensen meer inzicht te geven in de financiële gevolgen van aan het werk gaan.

Vraag 117

Wat ontbreekt voor een professional in de uitvoering om stevig in positie te zitten om maatwerk te kunnen leveren?

Antwoord 117

Zie het antwoord op vraag 105.

Vraag 118

Op welke manier krijgt de motie van het lid Raemakers c.s (Kamerstuk 34 352, nr. 173) vorm bij het niet vrijblijvend omgaan met de taaleis door gemeenten voor mensen in de participatiewet?

Antwoord 118

De Kamer wordt vóór de begrotingsbehandeling geïnformeerd over de uitvoering van de motie van het lid Raemakers. Daarbij wordt ook het niet vrijblijvend omgaan met de taaleis en de uitkomsten van de evaluatie van de taaleis in de Participatiewet betrokken, alsmede de gesprekken die over de uitvoering van de taaleis zijn gevoerd met gemeenten.

Vraag 119

Kunt u een overzicht geven van de instroom van inburgeraars per leerroute (Route B1, Onderwijsroute en Z-Route) en taalafspraak (Kennis van de Nederlandse Maatschappij (KNM), Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) en Participatieverklaringstraject (PVT)) en de uitstroom (uitgesplitst in vroegtijdige uitstroom en uitstroom door succesvolle afronding)?

Antwoord 119

  • Feitelijke in- en uitstroomcijfers ten aanzien van de leerroutes en MAP zijn nog niet te geven, omdat het nieuwe stelsel pas op 1 januari 2021 in werking zal treden.

  • De Module Arbeidsmarkt & Participatie (MAP) in het nieuwe stelsel is bedoeld voor alle migranten met uitzondering van degenen die de onderwijsroute volgen.

  • Kennis Nederlandse Maatschappij (KNM) is in het nieuwe stelsel onderdeel van alle drie de leerroutes.

  • Het Participatieverklaringstraject (PVT) is in het nieuwe stelsel, net zoals in het huidig stelsel, een verplicht onderdeel voor alle inburgeraars.

Vraag 120

Wat zijn de prioriteringscriteria ten aanzien van de implementatie van nieuw beleid voor de arbeidsmarkt en sociale zekerheid?

Antwoord 120

Het kabinet betrekt uitvoeringsorganisaties intensief bij de uitwerking van nieuw beleid en doet dit onder andere via het uitvoeringspanel gemeenten en het proces rond de uitvoeringstoetsen.

Specifiek aandachtspunt bij de prioritering van nieuw beleid is het ICT verandervermogen van de uitvoerende organisaties. Daarnaast wordt meermaals per jaar een gesprek gevoerd tussen departement, UWV en SVB over alle relevante uitvoeringstrajecten en beleidsmatige voornemens die voor de uitvoering van belang zijn. Belangrijke prioriteringscriteria hierbij zijn het garanderen van continuïteit van de dienstverlening en het uitvoeren van verplichtingen als gevolg van afspraken met uw Kamer en/of voortvloeiend uit het regeerakkoord.

Vraag 121

Hoeveel procent van de beroepsbevolking in Caribisch Nederland had in 2018 betaald werk?

Antwoord 121

Het CBS publiceert tweejaarlijks gegevens over de arbeidsdeelname in Caribisch Nederland, gebaseerd op het zogeheten »Arbeidskrachtenonderzoek». Uit de laatste publicatie (2018) blijkt dat op Bonaire 73% van de bevolking van 15 tot 75 jaar betaald werk heeft. Op Sint Eustatius is dat over hetzelfde jaar 72%, op Saba 66%. Het relatief lagere percentage op Saba houdt verband met de aanwezigheid van de Amerikaanse medische universiteit op het eiland, waardoor in de beroepsbevolking relatief veel studenten zitten.

Vraag 122

Welke maatregelen heeft UWV genomen om de informatievoorziening aan de Inspectie SZW te verbeteren?

Antwoord 122

Tussen UWV en Inspectie SZW vindt in het reguliere proces reeds regelmatig uitwisseling van informatie plaats. Die informatiestroom bestaat uit zowel de jaarplannen als de tertaalrapportages en jaarverslag die altijd op de verantwoordingssite van UWV verschijnen. Andersom biedt de Inspectie SZW de jaarplannen en jaarverslagen ook altijd aan UWV aan om mee te lezen. Verder voert de Inspectie SZW verschillende onderzoeken uit waar UWV bij betrokken is en waarbinnen informatie wordt uitgewisseld. Daarnaast is er twee keer per jaar een Bestuurlijk Overleg, waar informatie op bestuurlijk niveau gewisseld wordt.

Vraag 123

Wat is de stevige opgave voor de Sociale Verzekeringsbank (SVB) precies als het gaat om de internationale component van de uitvoering?

Antwoord 123

De uitvoering van sociale zekerheid is complex waar het gevallen met een buitenland component betreft. Dit hangt onder meer samen met nationale en internationale regelgeving en rechterlijke uitspraken, de beperkte mogelijkheden voor digitale verwerking en de complexe handhaving in het buitenland. De uitvoeringskosten voor internationale zaken zijn relatief hoog en de tijdsbesteding intensief. Daarnaast is de invoering van EESSI, een IT-systeem dat sociale zekerheidsorganen uit de hele EU helpt om sneller en veilig informatie uit te wisselen, een intensief proces voor de SVB.

Vraag 124

Op welk moment kan de Kamer meebeslissen over de vraagstelling met betrekking tot de probleemanalyse en de toekomstverkenning van de uitvoeringsorganisaties?

Antwoord 124

Het kabinet informeert de Kamer in november met een brief over de inhoud en planning van Werk aan Uitvoering. «Werk aan Uitvoering» is begin september 2019 gestart. Naar verwachting zullen analyse en handelingsperspectieven voor de zomer van 2020 beschikbaar zijn. Uw Kamer wordt geïnformeerd over de uitkomsten.

Vraag 125

Hoe groot is het tekort aan huisvestingsmogelijkheden van arbeidsmigranten?

Antwoord 125

Zie het antwoord op vraag 10.

Vraag 126

Wie betaalt de rekening voor het huisvesten van arbeidsmigranten?

Antwoord 126

De werknemer betaalt de huur voor de huisvesting zelf of via inhouding op het loon. Voor deze werknemers geldt dat zij in veel gevallen in het buitenland actief worden geworven voor het werk in Nederland. In veel gevallen hebben zij daardoor geen of weinig connecties in ons land. Werkgevers kunnen in die gevallen hun werknemers helpen aan huisvesting. Daarmee wordt voorkomen dat mensen zonder enig uitzicht op huisvesting naar Nederland komen en op straat belanden.

Bij het verzorgen van de huisvesting kan de werkgever verschillende rollen vervullen. Zo kan de werkgever voor de werknemer bemiddelen, maar hij kan de werknemer ook zelf huisvesting aanbieden of hier met andere partijen afspraken over maken. Het gaat daarbij primair om de eerste huisvesting bij aankomst in Nederland. Bij langer verblijf is het wenselijk dat de werknemer voor huisvesting minder afhankelijk wordt van de werkgever. Wel kan de werkgever de werknemer informeren over de mogelijkheden voor huisvesting.

Het kabinet acht het onwenselijk dat werknemers volledig afhankelijk worden van hun werkgever of dat werkgevers de huisvesting als verdienmodel inrichten. Het is van belang dat voldoende gewaarborgd is dat de werknemer ten minste het wettelijk minimumloon ontvangt. Daarom is op 1 januari 2017 het artikel van de Wet aanpak schijnconstructies (Was) in werking getreden dat inhoudingen op en verrekeningen met het wettelijk minimumloon verbiedt. Onder strikte voorwaarden zijn wel inhoudingen mogelijk voor huisvesting. Inhoudingen voor huisvesting op basis van een schriftelijke volmacht zijn toegestaan tot maximaal 25% van het minimumloon, mits de verhuurder is gecertificeerd door een door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerde certificerende instelling (CI). De certificering moet plaatsvinden overeenkomstig bij cao vastgestelde normen betreffende de kwaliteit van huisvesting van werknemers. Een voorbeeld van een dergelijk keurmerk op basis van cao-eisen is het keurmerk van de SNF.

Vraag 127

Kunnen er technologische middelen worden ingezet om de controlerende taak van de Inspectie SZW te vereenvoudigen?

Antwoord 127

Ja. De Inspectie SZW gebruikt diverse technologische middelen en inzichten uit de gedragswetenschappen en wil de toepassing hiervan verder uitbreiden en door-ontwikkelen. Zoals in het jaarplan 2019 geschetst streeft de Inspectie SZW er bijvoorbeeld naar om in het kader van het informatie gestuurd werken (IGW) van een 2 naar 3 niveau te gaan (het hoogste te bereiken niveau is 5). Zoals in het meerjarenplan 2019–2022 is toegelicht maakt de Inspectie SZW onderscheid tussen (groepen) werkgevers afhankelijk van het (verwachte) naleefgedrag volgens de Werkgeverspyramide (figuur 1 van het meerjarenplan 2019–2022). Dit doet de Inspectie SZW mede op basis van (big) data analyses en risico analyses. Naarmate werkgevers de regels minder naleven, zet de Inspectie zwaardere instrumenten in uit de interventiemix.

Waarbij vervolgens ook weer gebruik wordt gemaakt van technologische middelen zoals de inzet van social media campagnes en de Stoffencheck-app voor werknemers die met gevaarlijke stoffen werken. Uiteraard volgt de Inspectie de technologische ontwikkelingen op het gebied van bijvoorbeeld sensoren en verkent samen met betrokken partijen in de chemische sector als onderdeel van het programma Duurzame Veiligheid 2030 de mogelijkheden om met blockchain technologie het gericht toezicht te ondersteunen. De Inspectie heeft ook een kennis- en innovatieagenda dat zich richt op het ontwikkelen van een kennisnetwerk (met onder andere kennisinstituten, wetenschap en branches) waarbinnen innovaties verder worden verkend en onderzocht. Het gaat dan bijvoorbeeld om technologische mogelijkheden, het stimuleren van gedrags- en cultuurverandering bij werkgevers, maar ook het ontstaan van nieuwe risico’s en de mogelijkheden die tegen te gaan.

Vraag 128

In hoeverre leidt sanctionering tot verbetering van de arbeidsomstandigheden?

Antwoord 128

Zie het antwoord op vraag 451, waar de vragen 128, 132 en 451 in samenhang worden beantwoord.

Vraag 129

Wat is de taakomschrijving van de Europese Arbeidsautoriteit (ELA) en waar is deze taak wettelijk verankerd?

Antwoord 129

De ELA, opgericht met Verordening (EU) 2019/1149 van 20 juni 2019, vormt een zelfstandige Europese structuur in de vorm van een agentschap, die zich systematisch gaat bezighouden met het coördineren van de samenwerking binnen EU bij de handhaving van grensoverschrijdende regelingen. Concreet zal de ELA de activiteiten van lidstaten versterken op het gebied van informatievoorziening aan burgers, overheden en werkgevers. Daarnaast versterkt de ELA grensoverschrijdende samenwerking (bijvoorbeeld ten aanzien van gezamenlijk inspecteren) en bemiddeling tussen lidstaten. De ELA is opgericht door middel van een verordening, waardoor deze rechtstreekse werking heeft. In deze verordening staan geen zaken die wettelijk vastgelegd dienen te worden in het Nederlands recht. Het oprichten van het agentschap heeft geen gevolgen voor de bevoegdheidsverdeling tussen lidstaten en de EU.

Vraag 130

Welke concrete stappen zijn door u genomen om goede arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden voor arbeidsmigranten te bevorderen?

Antwoord 130

In 2017 is de Wet aanpak schijnconstructies (Was) in werking getreden. In de Was is onder andere het verbod op inhoudingen geregeld, is het verbod op contante uitbetaling van het loon opgenomen en is de ketenaansprakelijkheid van beloningen geregeld (alle schakels in de keten zijn verantwoordelijk voor het loon). Daarnaast wordt het uitzendregime geëvalueerd en worden wettelijke maatregelen verkend enerzijds om constructies tegen te gaan die bedoeld zijn om niet onder een cao te vallen, en anderzijds om niet-naleving van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) te voorkomen.

Als onderdeel van het amendement Bruins wordt bovendien een aantal pilots gericht op het voorlichten en beter bereiken van de arbeidsmigranten over hun rechten, financieel ondersteund (Tweede Kamer, 35 000 XV, nr. 31). Dit draagt bij aan het bevorderen van goede arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden voor arbeidsmigranten in de agrarische sector. De aanpak van arbeidsuitbuiting en ernstige benadeling wordt ook geïntensiveerd met het programma Samen tegen Mensenhandel. Verder bevordert de herziene Detacheringsrichtlijn gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde plaats, doordat gedetacheerde werknemers recht krijgen op aanvullende Nederlandse arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden. De herziene Detacheringsrichtlijn dient uiterlijk 30 juli 2020 in Nederlandse wetgeving te zijn geïmplementeerd.

Vraag 131

Voor hoeveel arbeidsmigranten is, in samenwerking met decentrale overheden, sociale partners en maatschappelijke organisaties, huisvesting gerealiseerd?

Antwoord 131

Naar aanleiding van de Tijdelijke commissie LURA is de Nationale Verklaring huisvesting arbeidsmigranten opgesteld en ondertekend door verschillende regio’s. Vanuit deze Nationale Verklaring hebben negen regio’s zelf regionale afspraken gemaakt over een te behalen aantal huisvestingsplekken voor arbeidsmigranten. Wanneer deze bij elkaar worden opgeteld kwam de totale opgave uit op 31.000 plekken. Een uitvraag leert dat er tot en met 2016 ruim 30.500 plekken zijn gerealiseerd.

Vraag 132

Is er een aantoonbaar verband tussen het uitdelen van waarschuwingen en de verbetering van arbeidsomstandigheden? Zo ja, wat is dat verband en hoe is het aantoonbaar?

Antwoord 132

Zie het antwoord op vraag 451, waar de vragen 128, 132 en 451 in samenhang worden beantwoord.

Vraag 133

Kunt u uiteenzetten welke maatregelen er nog meer genomen worden om misstanden rondom arbeidsmigratie tegen te gaan of te voorkomen? In hoeverre zijn deze maatregelen internationaal en/of is er ruimte om internationale maatregelen te treffen?

Antwoord 133

Zoals aangegeven in de brief van 21 juni 2019 (Tweede Kamer, 29 861, nr. 47) zet ik met ministeries, gemeenten, provincies, sociale partners en maatschappelijke organisaties in op een integrale aanpak van de misstanden. Daarbij gaat het onder meer om voorlichting aan arbeidsmigranten in het land van herkomst en in Nederland, registratie van arbeidsmigranten, meer adequate huisvesting en de aanpak van malafide uitzendbureaus.

Verder schreef ik recent in mijn brief over de toekomst van de sociale dimensie van de Europese Unie (Tweede Kamer, 21 501-31, nr. 527) dat de nieuwe Europese Commissie zich zal buigen over de uitdagingen die op Europa afkomen, waaronder arbeidsmobiliteit. Duidelijk is dat zowel de Commissie als dit kabinet zich hard willen maken voor een degelijke implementatie en handhaving van de regels op EU-niveau, zoals deze de afgelopen jaren zijn aangepast. De nieuwe Europese Arbeidsautoriteit (ELA), die op dit moment wordt ingericht, en die in de loop van 2020 operationeel zal worden, zal hierbij een grote rol gaan spelen. Daarnaast zal ook de omgang met derdelanders in Europa in de discussies een belangrijk thema worden.

Vraag 134

Welke Europese wetten en regels en welke uitspraken van het Europees Hof zouden in de weg kunnen staan voor het maken van afspraken tussen Europese lidstaten over het reguleren van arbeidsmigranten ten behoeve van de oorspronkelijk bedoelde opwaartse convergentie van de nationale sociaaleconomische omstandigheden?

Antwoord 134

Opwaartse sociaaleconomische convergentie is één van de doelstellingen van het Europese project en essentieel voor het functioneren van de EU. Het EU-acquis is dan ook zo ingericht dat dit doel optimaal wordt ondersteund. Het vrij verkeer van kapitaal, goederen, diensten en personen is daarvoor essentieel. Deze kernvrijheden van de EU maken dat burgers en bedrijven optimaal profijt hebben van producten en diensten uit heel Europa. Bovendien bieden zij burgers meer kans op werk en inkomensverbetering, doordat zij de mogelijkheid hebben elders in de EU inkomen te verwerven. Het spreekt voor zich dat dit vrij verkeer ook regulering vergt. Voorbeelden daarvan zijn de detacheringsrichtlijn en de handhavingsrichtlijn, die maken dat voor gedetacheerde werknemers uit heel Europa een uitgebreide set van arbeidsvoorwaarden van het werkland gelden, en bieden lidstaten ook de instrumenten om dit uitgangspunt te handhaven. Het staat lidstaten vrij om bilateraal nadere afspraken te maken bij het handhaven van die regels of bij het treffen van maatregelen om de woon- of werkomstandigheden van arbeidsmigranten te verbeteren, voor zover deze verenigbaar zijn met het EU-acquis.

Vraag 135

Wat verklaart de sterk teruggelopen incassoratio sinds 2013 van zowel UWV, SVB als gemeenten?

Antwoord 135

Om helder inzicht te kunnen bieden welk percentage van de fraudevorderingen (ontstaan vanaf 2013) geïnd is, is de presentatie van de incassoratio aangepast. Per jaar is de stand ultimo 2018 aangegeven. Fraudevorderingen worden gedurende 10 jaar geïnd. De incassoratio 2013 geeft aan dat van alle fraudevorderingen ontstaan in 2013 bij gemeenten, UWV en SVB, gedurende zes jaar, respectievelijk 50%, 78% en 68% teruggevorderd is. De percentages bij 2014 betreffen vervolgens vijf jaar terugvordering, 2015 vier jaar en zo verder.

De incassoratio’s per jaar zijn dus niet onderling vergelijkbaar. Deze percentages zijn echter vrijwel stabiel. Van alle vorderingen uit 2013 bedroeg de incassoratio in het eerste jaar 26%, de incassoratio in het eerste jaar van 2018 is 23%.

Vraag 136

Hoeveel capaciteit in fte heeft UWV in 2016, 2017 en 2018 ingezet voor de opsporing van overtredingen?

Antwoord 136

Het opsporen van overtredingen is geen activiteit die specifiek aan bepaalde fte’s is toe te schrijven. Handhaving is nauw verweven met dienstverlening en is daarom breder dan uitsluitend de werkzaamheden van de medewerkers van de directie Handhaving. Ook voorlichting bij het aanvragen van uitkeringen leidt tot betere naleving van de regels. Daarnaast kan bijvoorbeeld een intake signalen van misbruik opleveren. Het is daarom niet mogelijk een precies aantal fte’s te noemen dat zich met opsporing bezighoudt. De gemiddelde bezetting van de directie Handhaving in 2016 bedroeg 462, in 2017 401 en in 2018 403 fte. De gemiddelde bezetting van de directie Handhaving tot en met oktober 2019 is 431 fte.

Vraag 137

Wat is de reden dat de SVB ondanks een stijgend aantal geconstateerde overtredingen minder boetes heeft opgelegd?

Antwoord 137

Het aantal boetes houdt geen gelijke tred met het aantal geconstateerde overtredingen, omdat geconstateerde overtredingen niet altijd beboetbare feiten betreffen. In dit geval zijn vooral meer kleinere overtredingen geconstateerd. Daardoor is het benadelingsbedrag in 2018 niet zo sterk meegestegen als het aantal geconstateerde overtredingen. Kleinere overtredingen worden vaker met alleen een waarschuwing afgedaan.

Vraag 138

Wat is de oorzaak van het fors lager aantal geconstateerde overtredingen bij de WW?

Vraag 139

Valt de daling van het geconstateerde aantal overtredingen bij de uitvoering van de WW te verklaren doordat er minder inzet is geweest of heeft dezelfde inzet minder opsporing van fraude opgeleverd?

Antwoord 138 en 139

De forse daling van het aantal overtredingen bij de WW heeft twee belangrijke oorzaken. In de eerste plaats is het aantal WW-uitkeringen gedaald. Daarnaast is de daling van het aantal overtredingen het gevolg van de invoering van de inkomstenverrekening in de Wet Werk en Zekerheid (Wwz) per 1 juli 2015. Met de invoering van de Wwz vindt er automatische controle en verrekening met de uitkering plaats indien de inkomstenopgave van de uitkeringsgerechtigde verschilt van de gegevens die later beschikbaar zijn in de polisadministratie.

Vraag 140

Betekent de daling van het aantal plaatsingen van mensen met een Ziektewetuitkering door een ander inkoopkader dat er met het inkoopkader van eerdere jaren meer mensen aan het werk kunnen gaan?

Antwoord 140

Nee. De daling van het aantal plaatsingen van mensen met een Ziektewetuitkering komt door een administratieve wijziging. Tot juli 2016 kocht UWV totaalpakketten voor re-integratiedienstverlening in met een looptijd van anderhalf tot twee jaar. Wanneer de klant aan het eind van dat traject aan het werk ging, was zijn Ziektewetuitkering vaak al beëindigd. De plaatsing in werk bleef echter wel meetellen voor de Ziektewet. De effecten hiervan zijn zichtbaar tot en met 2017 in de vorm van een relatief hoog cijfer. Juist omdat Ziektewetuitkeringen naar verhouding kort lopen, koopt UWV tegenwoordig re-integratiediensten in twee stappen van elk maximaal zes maanden in: eerst de dienst Werkfit maken en daarna de dienst Naar werk. Doordat de Ziektewetuitkering vaak al is beëindigd op het moment dat het Werkfit maken-traject is voltooid, komt de vervolgstap Naar werk niet meer voor rekening van de Ziektewet. Hierdoor is het cijfer in 2018 lager dan in 2017. Overigens is het plaatsingspercentage voor de Ziektewet in 2018 met 36% hoger dan in 2017 (33%).

Vraag 141

Hoeveel mensen met een arbeidsbeperking hebben gemeenten aan het werk geholpen?

Antwoord 141

In het Factsheet Banenafspraak informeert UWV ieder kwartaal op basis van de informatie in het doelgroepregister over het aantal werkzame personen binnen de banenafspraak. In de cijfers worden drie categorieën onderscheiden, waaronder de «doelgroep Participatiewet», waar gemeenten verantwoordelijk voor zijn. Eind juni 2019 waren in totaal 116.043 mensen uit het doelgroepregister aan het werk, 36.397 van hen vallen onder de gemeentelijke doelgroep Participatiewet. Bij de nulmeting van de banenafspraak in 2012, waren 1.255 mensen uit de gemeentelijke doelgroep aan het werk.

Daarnaast hebben gemeenten sinds 2015 tot en met juni 2019 in totaal 3.277 mensen met een arbeidsbeperking aan een beschut werkplek geholpen.

Vraag 142

Kunt u nader toelichten wat een verandering in het inkoopkader betekent en waarom dit geleid zou hebben tot een daling van het aantal plaatsingen van mensen met een Ziektewetuitkering?

Antwoord 142

Zie het antwoord op vraag 140.

Vraag 143

Wat wordt bedoeld met de gevolgen van een verandering in het inkoopkader? Kunt u dit toelichten?

Antwoord 143

Zie het antwoord op vraag 140.

Vraag 144

In welke regelingen slaan de sterk oplopende totale Sociale Zekerheid (SZ)-uitgaven tussen 2020 en 2024 neer?

Antwoord 144

De uitgaven aan Sociale Zekerheid nemen naar verwachting toe van € 85,2 miljard in 2020 tot € 96,3 miljard in 2024 (zie ook pagina 25 van de SZW-begroting 2020). Verreweg het grootste gedeelte van deze toename wordt verklaard door de nominale ontwikkeling (aanpassing aan de verwachte loon- en prijsontwikkeling) van de uitkeringsregelingen. De geraamde nominale ontwikkeling over deze periode bedraagt ongeveer € 7,8 miljard.

De uitkeringsregeling die de grootste stijging laat zien is de AOW. De AOW-uitgaven stijgen in de periode 2020–2024 naar verwachting met € 1,8 miljard. Dit komt door een stijging van het aantal AOW-gerechtigden. Daarnaast stijgen de verwachte uitgaven aan WW en het macrobudget Participatiewetuitkeringen met respectievelijk € 0,7 en € 0,6 miljard. Dit komt onder andere door een verwachte stijging in de werkloosheid. Uitgaven aan de WIA (IVA/WGA) stijgen naar verwachting met € 1,5 miljard in de periode 2020–2024. Dit komt grotendeels doordat de WIA een ingroeiende regeling is. Hiertegenover staat een verwachte daling in de WAO-uitgaven van ruim € 1,0 miljard.

Vraag 145

Welk deel van de € 0,8 miljard in 2020 voor de LIV/Loonkostenvoordeel (LKV) is voor de LIV?

Antwoord 145

De begrote uitgaven aan het Lage-inkomensvoordeel (LIV), Loonkostenvoordelen (LKV’s) en het Minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV) bedragen in 2020 samen € 0,8 miljard. De begrote uitgaven aan het LIV bedragen € 505,3 miljoen.

Vraag 146

Is er sprake van enige juridische verplichting op de LIV?

Antwoord 146

De inkomensoverdracht op grond van het LIV is gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht.

Vraag 147

Hoeveel euro ontvangen alle bedrijven tezamen in 2019 aan LIV (jeugd-LIV en gewone LIV) en hoeveel bedrijven ontvingen LIV (jeugd-LIV en gewone LIV) (indien 2019 nog niet bekend is graag voor 2018)?

Antwoord 147

Er is in 2019 (over 2018) circa € 625 miljoen uitbetaald, waarvan ongeveer € 500 miljoen aan LIV en bijna € 125 miljoen aan jeugd-LIV. Voor LIV en jeugd-LIV samen ging het om ruim 130.000 bedrijven.

Vraag 148

Hoeveel van de LIV ontvangende bedrijven waren midden- en kleinbedrijf (mkb)-bedrijven en hoe verhoudt zich dit tot het percentage mkb-bedrijven in Nederland? Kunt u dit in percentages en absolute getallen weergeven (jeugd-LIV en gewone LIV)?

Antwoord 148

De grootte van een bedrijf is geen criterium voor toekenning van het LIV. Dat is de reden dat er geen uitsplitsing naar bedrijfsgrootte beschikbaar is. In dit licht is het niet mogelijk het aandeel MKB-bedrijven dat LIV ontvangt cijfermatig te onderbouwen.

Vraag 149

Hoeveel ontvingen de top 100 LIV (jeugd-LIV en gewone LIV) ontvangers tezamen?

Vraag 150

Hoeveel ontvingen de top 10 LIV (jeugd-LIV en gewone LIV) ontvangers tezamen?

Vraag 151

Hoeveel ontvingen de top 50 LIV (jeugd-LIV en gewone LIV) ontvangers tezamen?

Antwoord 149 tot en met 151

Er zijn hierover geen formele cijfers beschikbaar. Op basis van voorlopige cijfers over 2018 is door UWV een inschatting gemaakt. Rond 16,1% (€ 102,5 miljoen) is in 2019 (over 2018) verstrekt aan de top 100. De top 50 ontving 10,7% (€ 68,4 miljoen) en de top 10 ontving 3,5% (€ 22,4 miljoen). Doordat de Belastingdienst nog openstaande vorderingen kan verrekenen met het toegekende LIV kan het daadwerkelijk uitbetaalde bedrag lager zijn.

UWV geeft aan dat in totaal in 2019 (over 2018) bijna € 625 miljoen aan LIV en Jeugd-LIV verstrekt (realisatiecijfers september 2019). Dit betreffen ook voorlopige cijfers. Definitieve cijfers worden na afloop van het kalenderjaar 2019 bekend bij de publicatie van het jaarverslag van UWV.

Vraag 152

Kunt u een overzicht geven van de top 100 ontvangers van LIV (jeugd-LIV en gewone LIV)? Zo nee, wat is de juridische en staatsrechtelijke onderbouwing hiervan?

Antwoord 152

In de brief van 13 februari 2018 (Tweede Kamer, 25 883, nr. 322) en in antwoord op de Kamervragen van de leden Omtzigt en Heerma (Aanhangsel van de Handelingen Tweede Kamer, 2018–19, 3088) heeft de Minister van SZW een overzicht naar uw Kamer gestuurd met een verdeling van de LIV-gelden over sectoren. Uit dit overzicht blijkt dat de horeca en de detailhandel de grootste ontvangers zijn. Een gedetailleerder overzicht op werkgeversniveau is niet wenselijk, omdat het vertrouwelijke bedrijfsgegevens openbaar maakt.

Vraag 153

Wie is de grootste ontvanger van LIV (jeugd-LIV en gewone LIV)? Indien u geen bedrijfsnamen wilt verstrekken, kunt u dan wel geanonimiseerde gegevens overleggen?

Antwoord 153

Er is in 2019 (over 2018) circa € 625 miljoen uitbetaald, waarvan ongeveer € 500 miljoen aan LIV en bijna € 125 miljoen aan jeugd-LIV. Voor LIV en jeugd-LIV samen ging het om ruim 130.000 bedrijven. De top 10 ontving hiervan 3,5% (€ 22,4 miljoen). In de brief van 13 februari 2018 (Tweede Kamer, 25 883, nr. 322) en in antwoord op de Kamervragen van de leden Omtzigt en Heerma (Aanhangsel van de Handelingen Tweede Kamer, 2018–19, 3088) heeft de Minister van SZW uw Kamer geïnformeerd over hoe de LIV-middelen zijn verdeeld over sectoren. Uit die brief blijkt dat de horeca en de detailhandel de grootste ontvangers zijn. De Minister acht het niet wenselijk om dit soort bedrijfsvertrouwelijke informatie op werkgeversniveau te verstrekken.

Vraag 154

Wat zijn de consequenties van het overschrijden van de ijklijn met € 0,3 miljard?

Antwoord 154

Voor de uitgavenkant van de begroting worden aan het begin van de kabinetsperiode afspraken gemaakt over het maximale uitgavenniveau: het uitgavenplafond. Voor elk jaar wordt een plafond voor de totale uitgaven afgesproken dat niet overschreden mag worden. De uitgavenplafonds van de sectoren Rijksbegroting, Sociale zekerheid en Zorg samen vormen het totale uitgavenplafond. Indien een overschrijding zich voordoet binnen een bepaalde sector, dan dient deze overschrijding in beginsel gecompenseerd te worden binnen dezelfde sector. Alleen de ministerraad kan besluiten om hiervan af te wijken en compensatie te vinden binnen andere sectoren.

De overschrijding van het plafond Sociale zekerheid is in opmaat naar de Miljoenennota 2020 betrokken bij de integrale besluitvorming, zoals benoemd in paragraaf 2 van de Miljoenennota 2020. Bij de integrale besluitvorming heeft het kabinet besloten om de onderschrijding bij de sector Zorg in te zetten als compensatie voor de overschrijdingen bij de sectoren Sociale zekerheid en Rijksbegroting. Door deze compensatie over de sectoren wordt het totale uitgavenplafond niet overschreden. Er zijn dus geen aanvullende maatregelen nodig binnen de sector Sociale Zekerheid om de overschrijding van 0,3 miljard te compenseren.

Vraag 155

Hoe leidt de introductie van een heffingsvrije voet in de Regelingen voor vervroegde uittreding (RVU)-heffing tot functioneel leeftijdsontslag waarbij recht op een WW-uitkering ontstaat?

Antwoord 155

De introductie van een heffingsvrije voet in de RVU-heffing leidt op zichzelf niet tot functioneel leeftijdsontslag. Naar verwachting zullen sociale partners na de introductie van een tijdelijke heffingsvrije voet in de RVU-heffing wel meer dan nu afspraken maken voor vervroegde uittreding. Een deel van die afspraken zou ingevuld kunnen worden met afspraken in cao’s over functioneel leeftijdsontslag. Mensen kunnen daardoor niet-verwijtbaar werkloos worden en recht hebben op een WW-uitkering, mits ze beschikbaar blijven voor de arbeidsmarkt en voldoen aan de verplichtingen die bij de WW horen.

Vraag 156

Wat is het meerjarig integraal investeringsprogramma voor duurzame inzetbaarheid? Uit welke onderdelen bestaat dit programma? Wat is het beoogde resultaat?

Antwoord 156

Het kabinet heeft op 5 juni 2019 een akkoord bereikt met sociale partners over de vernieuwing van het pensioenstelsel. Met dit akkoord is onder andere vanaf 2020 structureel € 10 miljoen vrijgekomen om werkend Nederland te bewegen tijdig te investeren in duurzame inzetbaarheid, gezondheid, up to date houden van vaardigheden, vakmanschap en de organisatie van het werk. Hierbij is specifieke aandacht gewenst voor lager opgeleiden met een laag inkomen en het mkb.

In het najaar wordt in overleg met sociale partners verdere invulling gegeven aan het meerjarige investeringsprogramma en daarmee aan de besteding voor de komende jaren. Uw Kamer wordt hierover in het eerste kwartaal van 2020 geïnformeerd.

Vraag 157

Zit er bij de overige dekking Wet tegemoetkoming loondomein (Wtl) de post LKV omdat mensen sneller met Algemene Ouderdomswet (AOW) kunnen gaan dan gepland?

Antwoord 157

Nee. De invulling van de overige dekking (eenmalige taakstelling van € 200 miljoen) binnen de Wet tegemoetkoming loondomein (Wtl) is nog niet bekend. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderzoekt met werkgevers of voor het geheel aan instrumenten in de Wtl tot een effectievere invulling gekomen kan worden. Dit kan gevolgen hebben voor de vormgeving van zowel het LIV als van de LKV’s.

Vraag 158

Wat is de precieze bestemming van de niet-juridisch verplichte uitgaven in 2020?

Antwoord 158

Een precieze bestemming van de niet-juridisch verplichte uitgaven in 2020 is nog niet bekend. Tabel 2.3 in de begroting geeft aan bij welke financiële instrumenten de niet-juridisch verplichte uitgaven voorkomen. Veel voorkomend zijn subsidies en opdrachten. In de loop van 2020 zal er een invulling aan worden gegeven.

Vraag 159

Is er een einddatum voor toekenning van de LIV voor volwassenen?

Antwoord 159

Nee, er is geen einddatum voor toekenning van het LIV voor volwassenen. Zolang aan de voorwaarden wordt voldaan, heeft de werkgever recht op LIV.

Vraag 160

Waarom is niet besloten de LIV in zijn geheel af te schaffen en de jeugd-LIV onmiddellijk af te schaffen?

Antwoord 160

Het LIV is in 2017 ingevoerd en in 2018 voor de eerste keer uitbetaald. De regeling is dus nog nieuw. Er zijn daarom nog geen harde cijfers beschikbaar over de werkgelegenheidseffecten. Naar aanleiding van Kamervragen van het lid Van Dijk (Aanhangsel van de Handelingen Tweede Kamer, 2018–2019, nr. 2472) heeft de Minister van SZW toegezegd het effect van de regeling op de werkgelegenheid te laten onderzoeken. Deze effectevaluatie wordt naar verwachting voor de Begrotingsbehandeling SZW naar uw Kamer gezonden.

In het Pensioenakkoord is ervoor gekozen het Jeugd-LIV per 2020 (budgettair effect in 2021) te halveren en vervolgens per 2024 (budgettair effect 2025) af te schaffen als dekking voor de temporisering van de verhoging van de AOW-leeftijd. Eerdere afschaffing was vanwege uitvoeringstechnische redenen bij UWV en Belastingdienst niet mogelijk.

In het pensioenakkoord is daarnaast afgesproken dat werkgevers in overleg met het kabinet gaan onderzoeken of voor het geheel aan instrumenten in de Wtl tot een effectievere invulling gekomen kan worden.

Vraag 161

Valt de informatie over de LIV onder de Wet openbaarheid van bestuur (Wob)?

Antwoord 161

Ja. De Wet openbaarheid van bestuur ziet op informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid. Iedereen kan een verzoek om openbaarmaking van deze informatie richten tot het bestuursorgaan dat deze informatie onder zich heeft. Een verzoek om informatie wordt ingewilligd, tenzij een van de uitzonderingsgronden of beperkingen van de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing is. De beschikkingen op basis van de Wet tegemoetkomingen loondomein zijn niet openbaar. Het gaat bij de beschikkingen om bedrijfsvertrouwelijke informatie, waarbij bovendien in de bijlage bij de beschikkingen sprake is van persoonsgegevens van werknemers, zoals BSN, naam, verloonde uren en loongegevens.

Vraag 162

Wanneer is een evaluatie van de LIV voorzien?

Antwoord 162

In de Wet tegemoetkoming loondomein (Wtl) is vastgelegd dat binnen vier jaar na de inwerkingtreding van het LIV de regeling zal worden geëvalueerd op doeltreffendheid en de effecten in de praktijk. Naar aanleiding van Kamervragen van het lid Van Dijk (Aanhangsel van de Handelingen Tweede Kamer, 2018–2019, nr. 2472) heeft de Minister van SZW toegezegd het effect van de regeling op de werkgelegenheid te laten onderzoeken. Deze effectevaluatie wordt naar verwachting voor de Begrotingsbehandeling SZW naar uw Kamer gezonden.

Vraag 163

Onder wiens bevoegdheid valt het vaststellen van premie-gefinancierde uitgaven als deze niet valt onder het budgetrecht van de Staten-Generaal?

Antwoord 163

De premiegefinancierde uitgaven worden niet «vastgesteld» op de manier waarop voor 2020 de begrotingsgefinancierde uitgaven worden vastgesteld. Op de begrotingsgefinancierde uitgaven is het budgetrecht van de Tweede Kamer van toepassing. De geraamde begrotingsgefinancierde uitgaven worden dus vastgesteld zodra het parlement de ontwerpbegrotingswet heeft aangenomen.

De premiegefinancierde uitgaven op de SZW begroting zijn de geraamde uitgaven die lopen via de sociale fondsen. De premie-gefinancierde uitgaven kunnen niet via een amendement worden gewijzigd, omdat de Minister niet zelfstandig kan besluiten meer of minder premie-gefinancierde uitgaven te doen. Dit sluit aan bij het open einde karakter van de socialezekerheidsregelingen. Als het parlement dus meer of minder premiegefinancierde uitgaven wil doen, dan kan dat alleen door de achterliggende socialezekerheidswetgeving te wijzigen.

Vraag 164

Welke initiatieven die bijdragen aan gezonde en veilige arbeidsomstandigheden worden momenteel door u ondersteund?

Antwoord 164

Op dit moment worden uiteenlopende initiatieven op uiteenlopende beleidsthema’s ondersteund, die bijdragen aan gezonde en veilige arbeidsomstandigheden teneinde beroepsziekten te voorkomen. Het gaat daarbij om de meerjarige programma’s, zoals het programma Preventie beroepsziekten dat zich richt op gevaarlijke stoffen en fysieke belasting, het programma Eerlijk, gezond en veilig op arbeidsomstandigheden en eerlijk werk en het programma Toekomst arbeidsgerelateerde zorg op de implementatie van de in 2017 gewijzigde Arbowet. De rode draad in deze programma’s is agendering van gezond en veilig werken en het verspreiden van kennis, het ondersteunen van betrokken partijen en het ontwikkelen van instrumenten waarmee concreet invulling gegeven kan worden aan de doelstellingen. Bij de uitvoering zijn vele partijen betrokken waaronder werkgevers- en werknemersorganisaties, brancheorganisaties, beroepsverenigingen en kennisinstituten.

Vraag 165

Wat was het ziekteverzuim in Nederland gemiddeld, in de vijf sectoren met het hoogste ziekteverzuim en in de vijf sectoren met het laagste ziekteverzuim?

Antwoord 165

Het ziekteverzuim in Nederland was gemiddeld in 2018 4,3%. Dit betekent dat van alle 1000 te werken dagen er 43 wegens ziekte verzuimd zijn.

Ziekteverzuimpercentage
 

2018

 

%

Alle economische activiteiten

4,3

   

5 sectoren met het hoogste verzuim

 

Gezondheids- en welzijnszorg

5,7

Openbaar bestuur en overheidsdiensten

5,6

Industrie

5,4

Waterbedrijven en afvalbeheer

5,3

Vervoer en opslag

5,1

   

5 sectoren met het laagste verzuim

 

Horeca

2,3

Landbouw, bosbouw en visserij

2,5

Financiële dienstverlening

2,8

Informatie en communicatie

2,9

Specialistische zakelijke diensten

2,9

Bron: CBS

Vraag 166

Hoe is de verhoging van het minimumloon geregeld in andere naburige Europese landen? Is er ook sprake van een koppeling met de uitkeringen?

Antwoord 166

De systematiek voor het bepalen van de hoogte van een minimumloon in de verschillende Europese landen kan worden ingedeeld in: 1) landen die indexaties toepassen aan de hand van indicatoren als inflatie of contractloonstijging 2) verhogingen die volgen op een advies van (onafhankelijke) commissies van experts en 3) systemen waarin de overheid het minimumloon vaststelt.

België, Frankrijk, Luxemburg, Malta en Slovenië verhogen hun minimumloon op basis van indexaties. In Griekenland, Ierland, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland bestaan er commissies die leidend zijn in de aanpassing van het WML. In de rest van de landen bepaalt de overheid de hoogte van het minimumloon. Tussen deze landen bestaan er verschillen in de mate waarin sociale partners betrokken zijn en de discretionaire ruimte die de regering heeft. Oostenrijk, Denemarken, Finland, Italië, Noorwegen, Zweden en Cyprus hebben geen wettelijk minimumloon. In het rapport van Eurofound (2019) waarin Europese minimumlonen met elkaar vergeleken worden, staat een uitgebreider overzicht van de verschillende aanpassingsmethoden die Europese landen hanteren (Eurofound (2019), Minimum wages in 2019: Annual review, Publications Office of the European Union, Luxembourg. p.13).

De Nederlandse situatie waarin het minimumloon gekoppeld is aan de sociale uitkeringen is redelijk uniek.

Vraag 167

In welke sectoren komen de uitgaven in het kader van de Wtl terecht en in welke mate?

Antwoord 167

In de brief van 13 februari 2018 (Tweede Kamer, 25 883, nr. 322) en in antwoord op de Kamervragen van de leden Omtzigt en Heerma (Aanhangsel van de Handelingen Tweede Kamer, 2018–2019, 3088) heeft de Minister van SZW uw Kamer geïnformeerd over hoe de LIV- middelen zijn verdeeld over de sectoren. Uit die brief blijkt dat de horeca en de detailhandel de grootste ontvangers zijn.

De sector waarin het bedrijf opereert is overigens geen criterium voor de tegemoetkomingen in het kader van de Wtl. Dat is de reden dat er geen uitsplitsing naar sector beschikbaar is voor jeugd-LIV en LKV.

Vraag 168

Wat is de wettelijke grondslag en reikwijdte van de regeling waardoor familieleden van buitenlandse zelfstandigen zonder vergunning in Nederland mogen werken?

Antwoord 168

Op dit moment mogen familie- of gezinsleden van vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning onder de beperking «zelfstandige» alleen in Nederland als zelfstandige werken. Onderzoek wijst uit dat het aantal buitenlandse zelfstandigen dat in Nederland wil blijven sterk wordt beïnvloed door de mogelijkheid voor partners om te kunnen werken (Werkgroep warm welkom talent, City deal warm welkom talent, Den Haag, mei 2017 en Regioplan beleidsonderzoek, Aantrekkelijkheid van Nederland voor kennismigranten, Amsterdam, november 2018). Om het vestigingsklimaat voor ondernemers te verbeteren wordt geregeld dat familie- of gezinsleden van buitenlandse zelfstandigen kunnen werken zonder in het bezit te hoeven zijn van een tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid. In het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen wordt een bepaling toegevoegd waarmee wordt geregeld dat aan een vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid van een zelfstandige als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 een aantekening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen wordt afgegeven. Deze wijziging is reeds aangekondigd in de brief aan de Tweede Kamer van 3 juni 2019 over Technologie en ondernemerschap; de hoogste tijd voor een nieuwe impuls (Tweede Kamer, 32 637, nr. 374).

Vraag 169

Welke knelpunten worden ervaren bij het in stand houden van een goede overlegstructuur?

Antwoord 169

In Nederland zijn wij gewoon om fundamentele vraagstukken op de arbeidsmarkt niet van bovenaf te willen oplossen, maar juist met alle relevante partijen te willen bespreken: ons «poldermodel». Het overleg met sociale partners heeft de afgelopen decennia geleid tot afspraken en akkoorden waar draagvlak voor is. Enige wrijving is altijd onderdeel geweest van deze overlegstructuur tussen de overheid, vertegenwoordigers van werkgevers en vertegenwoordigers van werknemers en anders werkenden. Dit sociaaleconomisch overleg vindt niet plaats in een vacuüm. De economie en de maatschappij veranderen en dat heeft zijn weerslag op het overlegmodel. Grote trends als flexibilisering, globalisering en technologische verandering kunnen we met al het overleg in de wereld niet zomaar sturen. De zekerheden die werk ooit bood zijn voor steeds meer mensen – werkgevers en werknemers – minder vanzelfsprekend. Van invloed zijn de toenemende diversiteit van werkers en werkvormen, de veranderingen in de machtsverhoudingen, de wens om voldoende omvattende afspraken te maken en vertrouwen in instituties dat niet voor iedereen meer vanzelfsprekend is.

Vraag 170

Hoe wordt de subsidieregeling voor het stimuleren van LLO voor het mkb en specifiek voor de sectoren landbouw, horeca en recreatie vormgegeven?

Antwoord 170

De Tweede Kamer heeft op 11 november jl. een brief ontvangen over enkele LLO onderwerpen. Met deze brief is de Tweede Kamer onder andere geïnformeerd over de hoofdlijnen van de subsidieregeling voor het stimuleren van LLO voor het mkb en specifiek voor de sectoren, landbouw- horeca- en recreatie.

Vraag 171

Hoeveel tewerkstellingsvergunningen zijn er afgegeven in 2019 tot nu toe?

Antwoord 171

Tot en met augustus 2019 zijn 8.219 tewerkstellingsvergunningen dan wel positieve adviezen ten aanzien van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid door UWV afgegeven.

Vraag 172

Voor welke sectoren zijn er tewerkstellingsvergunningen afgegeven en voor welke duur?

Antwoord 172

Er zijn door UWV tewerkstellingsvergunningen en positieve adviezen voor een gecombineerde vergunning tot verblijf en arbeid verleend in de volgende sectoren: horeca, zakelijke dienstverlening, verhuur roerend goed, cultuur/sport en recreatie, industrie, informatie en communicatie, onderwijs, handel, gezondheidszorg/welzijn en cultuur, vervoer en opslag, landbouw/bosbouw en visserij, overheid, financiële dienstverlening, bouwnijverheid, overig en afval- en afvalwaterbeheer en sanering.

De duur is afhankelijk van de arbeidsovereenkomst van de desbetreffende vreemdeling. De maximale duur is in beginsel één jaar. In geval er sprake is van verlening op grond van artikel 8, derde lid, aanhef en onder b of c, van de Wet arbeid vreemdelingen, is de maximale duur drie jaar.

Vraag 173

Zijn er andere EU-landen waar wordt gewerkt met vrijstellingen voor tewerkstellingsvergunningen of gecombineerde vergunningen voor verblijf en arbeid voor familie of gezinsleden van buitenlandse zelfstandigen?

Antwoord 173

Alle EU-landen hebben hun eigen systeem met betrekking tot de toelating van vreemdelingen tot hun grondgebied en arbeidsmarkt. Het is niet bekend hoe alle andere EU-landen omgaan met de toegang tot de arbeidsmarkt voor familie of gezinsleden van buitenlandse zelfstandigen. In Duitsland heeft de aangekomen echtgenote/echtgenoot van een buitenlandse zelfstandige onmiddellijk recht op elke vorm van tewerkstelling in Duitsland.

Vraag 174

Hoe gaan niet-EU-landen/niet-Europese landen om met vrijstellingen voor tewerkstellingsvergunningen of gecombineerde vergunningen voor verblijf en arbeid voor familie of gezinsleden van buitenlandse zelfstandigen?

Antwoord 174

Elk land heeft een eigen systeem met betrekking tot het toelaten van vreemdelingen tot hun grondgebied en arbeidsmarkt. Er zijn geen cijfers bekend over hoe niet-EU-landen/niet-Europese landen omgaan met de toegang tot de arbeidsmarkt voor gezinsleden van buitenlandse zelfstandigen.

Vraag 175

Wat worden de soepelere voorwaarden waarmee werknemers uit het buitenland, via de genoemde pilot, kunnen worden aangetrokken? Betekent dit dat hiermee goedkope arbeidskrachten eenvoudiger kunnen worden aangetrokken?

Antwoord 175

De regeling is bedoeld voor jonge, innovatieve bedrijven voor wie het niet kunnen inzetten van beschikbaar talent van buiten de EU een belemmering vormt voor verdere groei. Zowel Nederlandse start-ups als buitenlandse start-ups die zich in Nederland vestigen kunnen gebruik maken van de regeling. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) zal alle start-ups die gebruik willen maken van de regeling, aan de hand van een toetsingskader beoordelen op innovatief vermogen en schaalbaarheid, de financiële positie, draagkracht en structuur van de onderneming. Daarnaast mag de start-up uit niet meer dan 15 personeelsleden bestaan, kan de start-up in beginsel niet langer dan drie jaar gebruik maken van de regeling en kunnen start-ups maximaal vijf internationale medewerkers via de regeling aannemen.

Voor de medewerker zelf geldt dat moet worden voldaan aan het verlaagd salariscriterium dat geldt voor kennismigranten die vanuit het «zoekjaar hoogopgeleiden» een baan als kennismigrant vinden (momenteel € 2.364 bruto per maand, zonder vakantiegeld). Naast dit salaris, dient de werkgever aan te kunnen tonen dat de medewerker een medewerkersparticipatie (bijvoorbeeld aandelenopties, certificaten van aandelen of stemrechtloze aandelen) in het bedrijf heeft. Parallel aan de kennismigrantenregeling zal er geen opleidingsvereiste aan de medewerker worden gesteld.

Door het specifiek toetsen op innovatief vermogen, financiële draagkracht en de aandeelhoudersstructuur, voorkomen we dat de regeling kan worden gebruikt door bedrijven die via schijnconstructies goedkope kennismigranten naar Nederland willen halen. Ook wordt met deze criteria bewerkstelligd dat het om een tijdelijke situatie gaat, waarna het bedrijf in staat wordt geacht via reguliere kanalen kennismigranten aan te trekken.

Vraag 176

Hoeveel extra banen voor de doelgroep jeugd-LIV zijn er bijgekomen of behouden?

Antwoord 176

Per 1 juli 2017 is het wettelijk minimumloon voor 18- tot en met 22-jarigen verhoogd. Om werkgevers tegemoet te komen in de verhoging van de loonkosten en daarmee ook om de negatieve effecten op de werkgelegenheid voor jongeren te verminderen, is tegelijkertijd het Jeugd-LIV geïntroduceerd. Doel van het Jeugd-LIV is om de mogelijke negatieve werkgelegenheidseffecten van de verhoging van het minimumjeugdloon te mitigeren. De verhoging van het minimumjeugdloon voor 18- tot en met 22-jarige jongeren is niet of nauwelijks van invloed geweest op hun arbeidsparticipatie, blijkt uit het SEO-onderzoek «Verkenning effecten aanpassing minimum(jeugd)loon» van september 2018. Dat er vrijwel geen effect is gevonden op de arbeidsparticipatie is volgens het onderzoek mogelijk het gevolg van het Jeugd-LIV als compensatiemaatregel.

Vraag 177

Bereikt de wet het doel waarvoor deze in het leven is geroepen, namelijk het creëren en behouden van banen voor lage inkomens en waaruit blijkt dit?

Antwoord 177

Ex ante heeft het CPB in de publicatie «Kansrijk Arbeidsmarktbeleid» (bron: CPB, Kansrijk arbeidsmarktbeleid, Den Haag 2015) becijferd dat er een positief werkgelegenheidseffect uitgaat van het LIV van 0,1%. Hetgeen overeenkomt met 7.000 extra voltijdsbanen. Onderzoeksbureau SEO is momenteel bezig met een effectevaluatie naar het LIV. Dit onderzoek zal naar verwachting voor de begrotingsbehandeling SZW naar uw Kamer worden gestuurd.

Vraag 178

Welke definitie van essentieel talent wordt gehanteerd voor de pilot om buitenlandse werknemers makkelijker naar Nederland te kunnen halen?

Antwoord 178

In de regeling is geen definitie van essentieel talent opgenomen. De toegevoegde waarde voor de medewerkers die gebruik kunnen maken van deze regeling wordt aangetoond door het aandeel (bijvoorbeeld aandelenopties, certificaten van aandelen of stemrechtloze aandelen) dat zij krijgen in de jonge, innovatieve onderneming.

Vraag 179

In hoeverre is binnen richtlijn 2014/67/EU geregeld dat behalve de dienstverleners zelf, ook de overheidsinstanties van de lidstaten die werkvergunningen verlenen onderling informatie uitwisselen?

Antwoord 179

De artikelen 6 tot en met 8 van de Handhavingsrichtlijn (2014/67/EU) scheppen tussen de overheidsinstanties van de lidstaten een vrije ruimte van informatie-uitwisseling en onderlinge bijstand als het gaat om het uitwisselen van informatie over de detachering van werknemers. Dit omvat ook informatie over gedetacheerde werknemers voor wie mogelijk een tewerkstellingsvergunning nodig is. Primair heeft deze richtlijn betrekking op de toepassing van arbeidsvoorwaarden van artikel 3 van de detacheringsrichtlijn van de gedetacheerde werknemers.

Vraag 180

In hoeverre is het mogelijk dat de compensatie voor de transitievergoeding als voorschot wordt verstrekt aan ondernemers die hun bedrijf moeten beëindigen wegens pensionering, ziekte of overlijden van de werkgever?

Antwoord 180

De beoogde datum inwerkingtreding van de compensatieregeling transitievergoeding bedrijfsbeëindiging is 1 januari 2021. Er wordt niet voorzien in de mogelijkheid tot het verstrekken van een voorschot op het compensatiebedrag. Het recht op transitievergoeding betreft een civiele aangelegenheid tussen de werkgever en de werknemer. UWV heeft niet de mogelijkheid recht en hoogte van de transitievergoeding zelfstandig vast te stellen. De transitievergoeding is pas verschuldigd door de werkgever nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd en aan de voorwaarden is voldaan, zoals dat het een ontslag op initiatief van de werkgever betreft. Pas nadat de transitievergoeding is betaald kan de hoogte van het compensatiebedrag worden vastgesteld door UWV.

Om de werkgever de mogelijkheid te bieden om de bedrijfsactiviteiten en het personeelsbestand voorafgaand aan de beëindiging geleidelijk te reduceren, wordt mogelijk gemaakt dat de werkgever gespreid over een bepaalde periode meerdere keren een compensatieaanvraag voor betaalde transitievergoedingen indient. Hierdoor worden de financiële lasten voor een werkgever als gevolg van het «voorschieten» van de transitievergoedingen beperkt.

Vraag 181

Wat is de doorlooptijd voor de werkgever om het compensatiebedrag te ontvangen bij de Regeling compensatie transitievergoeding bij langdurige ziekte?

Antwoord 181

Vanaf 1 april 2020 geldt voor de structurele gevallen dat UWV beslist binnen 8 weken na ontvangst van de (volledige) aanvraag om compensatie. UWV betaalt binnen 6 weken nadat de beslissing is genomen. UWV krijgt echter vanaf 1 april 2020 ook aanvragen voor oude gevallen waarvoor compensatie gevraagd kan worden. Voor deze oude gevallen geldt dat UWV beslist binnen 6 maanden na ontvangst van de aanvraag.

Vraag 182

Hoeveel mensen zijn werkzaam via een payrollconstructie en hoe heeft dat aantal zich de afgelopen jaren ontwikkeld?

Antwoord 182

Bij het CBS zijn geen gegevens beschikbaar over de ontwikkeling van het aantal payrollwerknemers. Wel heeft Panteia in 2015 onderzoek gedaan dat inzicht biedt in het aantal payrollwerknemers in 2009 en 2014, en een inschatting geeft voor het jaar 2018 (Panteia, Payrollen in Nederland, 2015). Hieruit blijkt een stijging van het aantal payrollwerknemers in de periode 2009–2014 van 144.700 naar 194.400. Voor 2018 werd het aantal payrollwerknemers ingeschat op circa 200.000. Bij de Belastingdienst zijn in 2018 54.000 arbeidskrachten geregistreerd als payrollkracht. De reden voor het verschil tussen de registratie van de marktverkenning en de registratie van de Belastingdienst zou kunnen zijn dat er nu geen gevolg is in de loonaangifte voor het invullen van code 11 (uitzendkracht) ten opzichte van code 82 (payrollkracht).

Vraag 183

Hoeveel mensen die werkzaam zijn via een payrollconstructie bouwen een aanvullend pensioen op? Hoeveel van hen bouwen een pensioen op wat vergelijkbaar is met hetgeen dat in de betreffende sector gebruikelijk is?

Antwoord 183

Het is niet bekend hoeveel werknemers die werkzaam zijn via een payrollconstructie een aanvullend pensioen opbouwen. Een deel van de payrollbedrijven valt onder de werkingssfeer van StiPP, het bedrijfstakpensioenfonds voor de uitzendsector. StiPP heeft een deel van deze bedrijven vrijgesteld van deelname omdat de betreffende payrollwerknemers deelnemen aan de pensioenregeling van de inlener. Laatstgenoemden bouwen een pensioen op dat vergelijkbaar is met hetgeen in de betreffende sector gebruikelijk is.

Het onderscheid tussen uitzendkrachten en payrollwerknemers is op dit moment niet relevant voor deelname aan de pensioenregeling van StiPP. StiPP kan daarom niet aangeven welk deel van zijn deelnemers werkzaam is via een payrollconstructie.

Vraag 184

Hoeveel bureaus zijn er die zich bezighouden met payrollen en hoe heeft dat aantal zich de afgelopen jaren ontwikkeld? Kunt u dit ook voor het aantal faillissementen van dergelijke bureaus toelichten?

Antwoord 184

Het CBS heeft cijfers over het aantal bedrijven die ingeschreven staan als payrollbedrijf. Bedrijven worden hierbij ingedeeld op hoofdactiviteit. Van het totale aantal bedrijven die payrolling als activiteit hebben kan daarom slechts een schatting worden gemaakt, omdat uitzendbureaus die ook aan payrolling doen (maar niet als hoofdactiviteit) niet in deze statistiek zijn opgenomen. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de ontwikkeling van het aantal payrollbedrijven (die in hoofdzaak payrollen) en het aantal faillissementen van payrollbedrijven naar kwartaal. Uit een marktverkenning van Panteia uit 2013 blijkt dat iets meer dan 45% van de uitzendbedrijven zich ook bezighoudt met payrolling (Panteia, Verschillen tussen Uitzendondernemingen, 2013).

Periode

Aantal payrollbedrijven

Aantal faillissementen payrollbedrijven

2012 1e kwartaal

100

1

2012 2e kwartaal

105

1

2012 3e kwartaal

120

0

2012 4e kwartaal

135

3

2013 1e kwartaal

150

3

2013 2e kwartaal

165

0

2013 3e kwartaal

170

0

2013 4e kwartaal

185

9

2014 1e kwartaal

185

1

2014 2e kwartaal

190

1

2014 3e kwartaal

185

1

2014 4e kwartaal

190

0

2015 1e kwartaal

205

0

2015 2e kwartaal

220

1

2015 3e kwartaal

225

2

2015 4e kwartaal

230

0

2016 1e kwartaal

235

1

2016 2e kwartaal

235

1

2016 3e kwartaal

235

2

2016 4e kwartaal

240

2

2017 1e kwartaal

250

1

2017 2e kwartaal

255

0

2017 3e kwartaal

260

1

2017 4e kwartaal

260

0

2018 1e kwartaal

275

0

2018 2e kwartaal

285

3

2018 3e kwartaal

285

1

2018 4e kwartaal

290

2

2019 1e kwartaal

290

2

2019 2e kwartaal

295

0

2019 3e kwartaal

290

1

Vraag 185

Kunt u een uitsplitsing maken van de juridisch verplichte uitgaven onder artikel 1?

Antwoord 185

Subsidies:

Het juridisch verplichte deel voor subsidies bedraagt 80%. Dit betreft subsidie voor de diversiteitscharter en verschillende subsidies op het terrein van gezond en veilig werken.

Opdrachten:

Het juridisch verplichte deel voor opdrachten bedraagt 13%. De middelen worden ingezet voor onderzoek ten behoeve van Certificering en Normalisatie (NEN) en voor het Nederlands centrum voor beroepsziekten.

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft de uitgaven aan de regelingen Lage-inkomensvoordeel (LIV), Loonkostenvoordelen (LKV’s) en Minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV).

Bekostiging:

Deze middelen dienen voor de bekostiging van de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (CKA) en voor Netspar en zijn 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken:

De bijdragen aan andere begrotingen zijn voor 100% juridisch verplicht. Dit betreft de jaarlijkse bijdrage aan onder meer de Gezondheidsraad en het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb).

Bijdragen aan agentschappen:

De bijdrage aan agentschappen is voor 100% juridisch verplicht. Dit is de jaarlijkse kennisvraag aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

Vraag 186

Wie zijn de beoogde ontvangers van deze subsidies? Kunt u hier een overzicht van geven?

Antwoord 186

  • Fairwork

  • James BV

  • Rutgers

  • Stichting CoMensha

  • Stichting De Burcht

  • Stichting van de Arbeid

  • Evofenedex

  • MKB NL

  • RPS Analyse BV

  • Stichting AVANS Hogeschool

  • Stichting ERM (Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg)

  • Stichting NVAB (Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en bedrijfsgeneeskunde)

  • Stigas Preventief BV

  • Long Alliantie Nederland

  • Stichting Klaas Biersteker Fonds

  • SBI Formaat

  • POV (Producenten Organisatie Varkenshouderij)

  • Stichting OOC (Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Carrosseriebedrijf)

  • Stichting SCVE (Certificering, Vuurwerk & Explosieven)

  • NVRD (Nederlandse Vereniging voor Afval- en Reinigingsmanagement)

  • SER (sociaaleconomische Raad)

  • STL (Stichting Sectorinstituut Transport en Logistiek)

  • De Letselschade Raad

  • Erkende Verhuizers

  • FSO Busvervoer

  • Sociaal Fonds Taxi (SFT)

  • VERAS

  • CNV Jongeren

  • Betonhuis

  • Kunsten ’92

Vraag 187

Waarom is de realisatie van het Minimumjeugdloonvoordeel in 2018 nul en wat is de reden dat voor de jaren 2021–2024 niet de reeks gehalveerd blijft, maar naar bijna € 19 miljoen gaat?

Antwoord 187

Het Minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV) bestaat sinds 2018. Het Jeugd-LIV wordt na afloop van het kalenderjaar aan werkgevers uitbetaald. In 2019 is het Jeugd-LIV over 2018 aan werkgevers betaald, waardoor de realisatie in 2018 gelijk is aan nul.

Met ingang van 2020 (budgettair effect in 2021) wordt het Jeugd-LIV gehalveerd als dekking voor de temporisering van de verhoging van de AOW-leeftijd. Daarnaast dalen de uitgaven vanaf 2021 door de verlaging van de leeftijd die recht geeft op het reguliere minimumloon per 1 juli 2019. Door deze verlaging hebben sommige jongeren vanaf 2020 (budgettair effect in 2021) geen recht meer op het Jeugd-LIV. Een deel van deze groep stroomt door naar het LIV.

Vraag 188

Wat is de reden dat er vanaf 2022 € 3,8 miljoen wordt overgeboekt naar de begroting van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK)?

Antwoord 188

€ 3,7 miljoen hiervan is bestemd voor de uitvoering door TNO van het Maatschappelijk Programma Arbeidsomstandigheden. Voor 2020 en 2021 is deze begrotingsmutatie al verwerkt in de begroting van EZK. Circa € 0,1 miljoen is de jaarlijkse bijdrage van SZW aan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb).

Vraag 189

Wat zijn de resultaten van de Wtl over de afgelopen jaren? Wat wordt bedoeld met een effectievere invulling?

Antwoord 189

De Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) bestaat uit drie instrumenten, namelijk LIV, jeugd-LIV en LKV. Het CPB verwacht van het LIV, naast het behoud van banen, een positief werkgelegenheidseffect van circa 7.000 extra voltijdsbanen. Onderzoeksbureau SEO is momenteel bezig met een effectevaluatie naar het LIV. Dit onderzoek zal naar verwachting voor de begrotingsbehandeling SZW naar uw Kamer worden gestuurd. Harde cijfers zijn nu nog niet bekend, maar zullen blijken uit het onderzoeksrapport van SEO.

Het jeugd-LIV en LKV betreffen nieuwe regelingen die recent per 2018 zijn ingevoerd en pas in augustus van 2019 voor het eerst zijn uitbetaald. Harde cijfers over werkgelegenheidseffecten zijn daarom nog niet voorhanden. In de Wtl is vastgelegd dat de Minister van SZW uw Kamer voor 2022 een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het LKV in de praktijk zal toezenden.

In het pensioenakkoord is afgesproken dat werkgevers in overleg met het kabinet gaan onderzoeken of voor het geheel aan instrumenten in de Wtl tot een effectievere invulling gekomen kan worden. De Minister van SZW is hierover met werkgevers in gesprek, maar het is nu te prematuur om op de uitkomsten van de gesprekken vooruit te lopen.

Vraag 190

Hoeveel geld gaat gepaard met de LKV Banenafspraak?

Antwoord 190

Het LKV Banenafspraak is, net als het LKV voor ouderen, herplaatsten en mensen met een arbeidsbeperking, in 2019 (over 2018) voor het eerst uitbetaald. Bij de publicatie van het jaarverslag van UWV begin 2020 zal de uitsplitsing over de verschillende loonkostenvoordelen bekend zijn. In totaal is ruim € 160 miljoen aan loonkostenvoordelen uitbetaald.

Vraag 191

Klopt het dat er nog steeds minder aanspraak wordt gemaakt op het LKV dan vooraf is ingeschat?

Antwoord 191

Het LKV is per 1 januari 2018 ingevoerd en pas recent (augustus 2019) voor het eerst uitbetaald. Naar verwachting stijgen de uitgaven aan het LKV doordat werkgevers nog bekend moeten raken met de nieuwe systematiek van de loonkostenvoordelen.

Vraag 192

Welke concrete besteding is voor 2020 voorzien van de € 10 miljoen die vanuit het pensioenakkoord beschikbaar is voor duurzame inzetbaarheid

Antwoord 192

Zie het antwoord op vraag 156.

Vraag 193

Hoe is de werkloze beroepsbevolking in absolute aantallen verdeeld over de verschillende uitkeringsregelingen (WW, Bijstand, etc.)?

Antwoord 193

Uit de studie «Participatiepotentieel 2017» van het CBS blijkt dat van de 438.000 personen in de werkloze beroepsbevolking, 106.000 mensen (24,2%) een WW-uitkering hadden, 27.000 mensen (6,2%) een arbeidsongeschiktheidsuitkering hadden, 80.000 mensen (18,3%) een bijstandsuitkering hadden en 229.000 mensen (52,3%) geen uitkering hadden.

Vraag 194

Hoe is het aantal verzuimdagen in Nederland in vergelijking tot andere landen?

Antwoord 194

Uit de EWCS 2015 (meest recente data) blijkt dat 41% van de Nederlandse werkenden 1 tot 15 dagen voor gezondheidsredenen verzuimden van het werk en 9% 15 dagen of meer. Europees gezien geldt dat voor respectievelijk 37% en 8%.

Zie ook: https://www.eurofound.europa.eu/data/european-working-conditions-survey

Vraag 195

Wat is de gewenste inzet en wat is het gewenste resultaat van de genoemde subsidieregelingen?

Antwoord 195

De subsidieregeling van het programma Eerlijk, gezond en veilig werken wil met financiële ondersteuning, projecten van branches, werkgevers- en werknemersorganisaties mogelijk maken. De projecten zijn gericht op preventieve activiteiten die bijdragen aan eerlijk, gezond of veilig werk en projecten die zien op het vergroten van kennis of bewustwording over eerlijk, gezond of veilig werk.

Vraag 196

Wat zijn de kosten van ziekteverzuim nationaal? Wat is dus de maatschappelijke schade?

Antwoord 196

De kosten voor loondoorbetaling bij ziekte liggen in de periode 2015–2017 jaarlijks rond de € 12 miljard. Voor 2018 zijn nog geen gegevens bekend.

Cumulatieve verzuimkosten in de Nederlandse populatie werknemers (15–74 jaar) (x € 1 miljard)

2015

2016

2017

Niet werkgerelateerd verzuim

6,9

6,7

6,7

Gedeeltelijk of hoofdzakelijk werkgerelateerd verzuim

5,1

5,0

5,7

Totaal

12,0

11,7

12,4

Bron: NEA (TNO|CBS).

Genoemde kosten zijn de kosten voor loondoorbetaling aan werknemers (cijfers van ZZP-ers zijn derhalve niet meegenomen). Overige kosten zoals zorgkosten zijn hierin niet opgenomen.

Vraag 197

Welke regels en maatregelen zijn (wetenschappelijk) effectief gebleken om ziekteverzuim te verlagen?

Antwoord 197

In het algemeen is niet eenvoudig aan te geven welke maatregel in welke mate (wetenschappelijk) effectief is.

Beperken van verzuim kan zich op een aantal vlakken richten:

  • (1) Preventie van verzuim door het reduceren van belastende arbeidsomstandigheden.

    Het gaat bijvoorbeeld om preventie van blootstelling aan gevaarlijke stoffen en bewustwording van beroepsziekten. Zo richt het programma «veilig werken met gevaarlijke stoffen» van SZW zich op de aanpak van risico’s van blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Samen met branches en beroepsgroepen worden effectieve interventies, zoals veilige werkwijzen, opgesteld en geïmplementeerd.

  • (2) Beperken van de verzuimduur door verzuimbegeleiding.

    Uit de wetenschappelijke literatuur blijkt dat de verzuimduur beperkt kan worden door interventies die gericht zijn op het verbeteren van het zelfvertrouwen van medewerkers met betrekking tot hun functioneren in het werk. Dit geldt zowel bij psychische als fysieke klachten.2 Een geleidelijke terugkeer naar werk blijkt eveneens van belang.3

  • (3) Verhogen van de verzuimdrempel door bijvoorbeeld invoeren van wachtdagen.

    Financiële incentives lijken in bepaalde gevallen een goede aanvulling te geven op het verzuimbeleid. In de praktijk blijkt dat verzuimprikkels vooral werken als de rest van het verzuimbeleid ook goed op orde is. Dat wil zeggen dat er aandacht is voor preventie van verzuim, dat er een verzuimprotocol is en dat verzuimbegeleiding en re-integratie goed geregeld zijn (Andriessen e.a., 2004).

Vraag 198

Wat is de verklaring van de stijging van het ziekteverzuim volgens het CBS?

Vraag 200

Wat is uw verklaring voor de sterke stijging van 10% van het ziekteverzuim, van 3,9% in 2016 naar 4,3% in 2018?

Antwoord 198 en 200

De stijging van het ziekteverzuim tussen 2016 en 2018 doet zich voor in vrijwel alle bedrijfssectoren, bij mannen en vrouwen en in alle leeftijdsklassen. Bij bedrijven met een grootte tot 10 werkzame personen is het ziekteverzuimpercentage niet toegenomen, bij grotere bedrijven wel.

Het ziekteverzuimpercentage is in 2018 hoger dan in 2016, doordat er relatief meer werknemers verzuimden, namelijk 47,9 tegenover 45,7 procent. Bovendien bleven degenen die verzuimden in 2018 gemiddeld 1,2 dagen meer thuis dan in 2016.

Het jaar 2018 werd begonnen met een bovengemiddeld ziekteverzuim. Het eerste kwartaal van 2018 viel samen met de griepepidemie, die volgens het RIVM duurde van half december 2017 tot in april 2018. Verder speelt een rol dat in een periode van hoogconjunctuur het aantal werkenden toeneemt en daarmee ook het totale verzuim.

Tabel Ziekteverzuim volgens werknemers, 15 tot 75 jaar
 

2016

2017

2018

Alle werknemers

     

Aandeel werknemers dat heeft verzuimd (%)

45,7

44,0

47,9

Gemiddeld aantal keer verzuimd (niet verzuimd is nul keer)

1,1

1,0

1,2

Gemiddeld aantal werkdagen verzuimd (niet verzuimd is nul dagen)

6,8

7,0

7,6

       

Werknemers die verzuimd hebben

     

Gemiddeld aantal keer verzuimd

2,5

2,4

2,7

Gemiddeld aantal werkdagen verzuimd

15,0

16,0

16,2

Bron: NEA (CBS/TNO).

Vraag 199

Wat is uw verklaring voor de sterke stijging van 18% van zelfstandigen met een arbeidsongeval, van 1,1% in 2016 naar 1,3% in 2018?

Antwoord 199

In 2016 waren er 1,2 procent zelfstandig ondernemers met een arbeidsongeval met een verzuim van minimaal 1 dag (dit percentage is een recent bijgesteld cijfer van CBS/TNO)4. Het verschil tussen 2016 en 2018 is statistisch niet significant. Elk ongeval is er overigens één te veel.

Vraag 201

Wat is uw verklaring voor de sterke stijging van 16% van werknemers met een beroepsziekte, van 3,2% in 2016 naar 3,7% in 2018?

Antwoord 201

De stijging van 15,6% (van 3,2% naar 3,7%) in de incidentie van een door een arts bevestigde beroepsziekte lijkt vooral gelegen in de toename van de incidentie van een door een arts bevestigde burn-out-beroepsziekte. Deze incidentie stijgt van 1,3% in 2016, naar 1,6% in 2018.

De stijging kan ook voor een deel samenhangen met een verandering in de vragenlijst. Sinds 2018 is de vragenlijst web-only en kunnen respondenten voor het eerst per afzonderlijke beroepsziekte aangeven of deze is bevestigd door een arts.

Vraag 202

Welke beleidsinstrumenten worden ingezet om de € 50 miljoen ter versterking van de handhaving te alloceren aan preventief handhaven in plaats van reactief handhaven?

Antwoord 202

Om de versterking van de handhaving te verbeteren is er naast de intensivering van de inzet van de Inspectie SZW (zie het antwoord op vraag 203) ook het beleidsprogramma «Eerlijk, Gezond en Veilig Werk» opgezet. Dit programma stimuleert en ondersteunt werkgevers- en werknemersorganisaties in uiteenlopende branches om zich preventief in te zetten voor eerlijk, gezond en veilig werk. Naast het delen van goede voorbeelden en het organiseren van verschillende bijeenkomsten is in 2019 ook een subsidieregeling opengesteld. Dit heeft ertoe geleid dat verschillende branches en partijen dit jaar nog concreet aan de slag gaan met projecten die helpen bij de preventie en/of bewustwording van oneerlijk, ongezond en onveilig werk.

Vraag 203

Wat is de verhouding tussen preventief en reactief handhaven geweest over de afgelopen vijf jaar?

Antwoord 203

In de periode 2016–2018 heeft de verhouding tussen preventief en reactief handhaven op het domein Veilig & Gezond zich als volgt ontwikkeld. Door wijzigingen in het administratiesysteem zijn vergelijkbare cijfers over eerder jaren niet beschikbaar.

Tabel Verhouding actief/reactief Veilig & Gezond (exclusief Brzo)

2016

42:58

2017

30:70

2018

24:76

Door een stijgend aantal meldingen over het domein Veilig & Gezond besteedt de Inspectie een groot deel van haar capaciteit aan reactieve inspecties (waaronder de verplichte ongevalsonderzoeken). De Inspectie SZW zet daarom een belangrijk deel van de met het regeerakkoord ter beschikking gestelde extra ICF-middelen in ter verhoging van de capaciteit voor actieve inspecties. De doorlooptijd van werving, selectie, screening en opleiding leidt ertoe dat conform de vuistregel de extra uitgaven voor capaciteit in enig jaar leiden tot de operationele inzet in een volgend jaar.

Zo wordt de preventieve kant van het werk van de Inspectie SZW verstevigd en de verhouding tussen de inzet op actief en reactief onderzoek meer in evenwicht gebracht. De Inspectie SZW verwacht dit evenwicht 50:50 in de loop van 2020 te bereiken.

Of de balans gemiddeld over het jaar genomen ook op 50:50 uitkomt zal afhangen van de volgende ontwikkelingen:

  • Zoals aangekondigd in de brief van 12 juli 2019 zet de Inspectie in 2020 extra in op arbozorg en implementeert ze een gedifferentieerde aanpak van ongevalsonderzoek. De invloed hiervan op de (mogelijk lagere) inzet van capaciteit voor ongevalsonderzoek is nog niet duidelijk. De ontwikkeling van het aantal arbeidsongevallen is uiteraard nog onzeker. Dit geldt ook voor het verloop en de mobiliteit van personeel.

  • In alle programma’s wordt voorlichting en handhaving ingezet op de naleving van de kernverplichtingen van de Arbeidsomstandighedenwet. Dit voor een betere beheersing van arbeidsrisico’s en daarmee preventie van arbeidsongevallen. Het direct beboeten van bedrijven die geen RI&E, plan van aanpak of basiscontract hebben, draagt daaraan bij. Deze inzet op preventie is nieuw ten opzichte van het ICF. Dit geeft ook aanleiding tot het onderzoeken van mogelijkheden om meer bedrijven op een minder arbeidsintensieve manier te bereiken.

Vraag 204

Hoeveel wordt er in totaal besteed aan de handhavingsketen?

Antwoord 204

In het regeerakkoord 2017 wordt € 50 miljoen per jaar vrijgemaakt voor de handhavingsketen van de Inspectie SZW conform het Inspectie Controle Framework (ICF). In de brief van 31 oktober 2018 over de uitbreiding van de inspectieketen Inspectie SZW bent u nader geïnformeerd over de verdeling van deze middelen. In de brief is aangekondigd dat het totaalbedrag voor de versterking van de inspectieketen wordt verhoogd tot € 50,5 miljoen, waarvan € 1,5 miljoen (3%) voor arbeidsmarktdiscriminatie. In onderstaande tabel is de verdeling van de middelen ter versterking van de inspectieketen per 2023 weergegeven.

Tabel Inzet middelen versterking inspectieketen 2023

Inspectiedoelen

mln.

%

Gezond en veilig werk: balans reactief/actief

8,5

17%

Gezond en veilig werk: blootstelling gevaarlijke stoffen

4,5

9%

Gezond en veilig werk: gezamenlijke BRZO inspecties

2

4%

Gezond/eerlijk werk: arbeidsmarktdiscriminatie

1,5

3%

Eerlijk werk: intensivering aanpak onderbetaling, uitbuiting, schijnconstructies

30

59%

Informatiegestuurd werken

4

8%

Totaal

50,5

100%

Het totale budget (inclusief de extra middelen uit het regeerakkoord) van de Inspectie SZW in 2019 is € 130,8 miljoen, oplopend tot € 153,0 miljoen in 2023.

Vraag 205

Hoeveel cao's zijn in het afgelopen jaar afgesloten en wat was de gemiddelde loonstijging in deze cao's?

Antwoord 205

SZW doet onderzoek in een steekproef van 99 cao’s. Dit zijn de grotere bedrijfstak- (>=8.000 werknemers) en ondernemingscao’s (>=2.500 werknemers). Deze 99 cao’s zijn van toepassing op 85% van het totaalaantal werknemers onder cao.

Voor 2018 is de contractloonmutatie van 95 cao’s bekend. Deze bedraagt 2,1% op niveaubasis en 1,7% op jaarbasis. Van deze 95 cao’s is in 2018 voor 41 cao’s een nieuw akkoord afgesloten. Voor deze 41 cao’s bedraagt de contractloonmutatie op niveaubasis 2,5% en op jaarbasis 1,5%.

Vraag 206

Kan het aantal werknemers dat onder een cao valt, worden weergegeven van 2006–2020?

Antwoord 206

In onderstaande tabel is voor de jaren vanaf 2006 het aantal bij SZW aangemelde cao’s en het daaronder vallend aantal werknemers vermeld. Het is jaarlijks een stand van zaken ultimo het jaar.

Tabel Aantal reguliere cao’s en bijbehorende aantal werknemers, 2009–2018
 

cao’s

werknemers

2006

538

4.814.000

2007

715

5.808.000

2008

716

5.863.500

2009

748

6.149.500

2010

709

6.372.100

2011

688

6.128.500

2012

700

6.002.500

2013

674

5.953.000

2014

701

5.895.000

2015

680

5.486.400

2016

659

5.551.100

2017

658

5.517.600

2018

651

5.615.500

Bron: Cao-afspraken 2018, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mei 2019.

Vraag 207

Wat is uw verklaring voor de sterke stijging van 30% van tewerkstellingsvergunningen, van 7.700 in 2016 naar 10.000 in 2018?

Antwoord 207

De stijging ziet met name op twee categorieën, te weten tewerkstellingsvergunningen voor bijkomende werkzaamheden voor buitenlandse studenten en tewerkstellingsvergunningen voor kennismigranten voor kort verblijf. De stijging van het aantal kennismigranten voor kort verblijf past binnen het streven van het kabinet om Nederland zo aantrekkelijk mogelijk te maken als vestigingsland voor kennismigranten en het algemene beeld dat de kennismigrantenregeling voorziet in een heldere en soepele procedure en Nederland als een aantrekkelijk vestigings- en carrièreland wordt gezien (Tweede Kamer, 30 753, nr. 171). Daarnaast past de stijging van het aantal tewerkstellingsvergunningen voor bijkomende werkzaamheden voor buitenlandse studenten bij de sterke toename van internationale studenten die naar Nederland komen om te studeren, mede ingegeven door overheidsbeleid (Monitor Beleidsmaatregelen 2017–2018, bijlage bij Tweede Kamer, 31 288, nr. 648).

Vraag 208

Wat voor soort contract hebben werknemers die onder een cao vallen, uitgesplitst naar een vast en onzeker contract? Hoe heeft dat aantal zich de afgelopen jaren ontwikkeld?

Vraag 209

Wat voor soort contract hebben werknemers die niet onder een cao vallen, uitgesplitst naar een vast en onzeker contract? Hoe heeft dat aantal zich de afgelopen jaren ontwikkeld?

Vraag 210

Hoeveel verdienen werknemers die niet onder een cao vallen ten opzichte van werknemers die dat wel doen? Hoe heeft dat aantal zich de afgelopen jaren ontwikkeld?

Antwoord 208, 209 en 2010

Exacte cijfers over het aantal werknemers dat wel of niet onder een cao valt zijn niet beschikbaar. Op basis van cijfers die het CBS en TNO hebben verzameld voor de jaarlijkse Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA), aangevuld met gegevens uit het Stelsel van Sociaal-Statistische Bestanden (SSB) is wel een indicatie te geven van het aantal werknemers dat niet onder een cao valt.5Dit betekent echter dat de cijfers kunnen afwijken ten opzichte van andere bronnen.6

De indicatie op basis van de cijfers van CBS/TNO geeft het volgende beeld.

Tabel Werknemers met reguliere cao, 15 tot 75 jaar (vraag 208)
 

2014

2015

2016

2017

2018

 

x 1000

       

Werknemer met vaste arbeidsrelatie

4.007

4.013

4.008

3.980

4.099

Werknemer met flexibele arbeidsrelatie

1.190

1.174

1.229

1.319

1.182

           
 

%

       

Werknemer met vaste arbeidsrelatie

77,1

77,4

76,5

75,1

77,6

Werknemer met flexibele arbeidsrelatie

22,9

22,6

23,5

24,9

22,4

Bron: NEA (CBS/TNO) en SSB.

Tabel Werknemers zonder reguliere cao of cao code niet gevuld, 15 tot 75 jaar (vraag 209)
 

2014

2015

2016

2017

2018

 

x 1000

       

Werknemer met vaste arbeidsrelatie

1214

1231

1265

1314

1422

Werknemer met flexibele arbeidsrelatie

343

356

371

387

409

           
 

%

       

Werknemer met vaste arbeidsrelatie

78,0

77,6

77,3

77,2

77,7

Werknemer met flexibele arbeidsrelatie

22,0

22,4

22,7

22,8

22,3

Bron: NEA (CBS/TNO) en SSB.

Tabel Gemiddeld inkomen uit arbeid van werknemers, 15 tot 75 jaar (vraag 210)
 

2014

2015

2016

2017

 

x 1.000 euro

     

Werknemer met reguliere cao

42,5

42,9

42,9

43,4

Werknemer zonder reguliere cao of cao code niet gevuld

53,8

54,2

53,1

54,9

         

Verhouding zonder/met reguliere cao

1,3

1,3

1,2

1,3

Bron: NEA (CBS/TNO) en SSB.

In bovenstaande tabellen betekent een «vaste arbeidsrelatie»: een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd én een vast aantal uren per week. Een «flexibele arbeidsrelatie»: een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd óf een flexibel aantal uren per week. Tot werknemers met een flexibele arbeidsrelatie behoren: werknemers met een tijdelijk contract, oproepkrachten, invalkrachten, uitzendkrachten, werknemers met flexibele uren met een vast of tijdelijk contract.

«Inkomen uit arbeid» bestaat uit loon, salaris, tantième, spaarloon en uit de beloningen van arbeid die niet in dienstbetrekking is verricht. Ook uit beloningen in natura, zoals de waarde van het privé gebruik van de auto van de werkgever. Het omvat ook loon dat vanuit het buitenland is ontvangen. De weergegeven bedragen zijn inclusief de werknemers- en werkgeversbijdrage in de premies voor de sociale verzekeringen.

Vraag 211

Welke verhouding in de capaciteitsinzet tussen Gezond en Veilig en Eerlijk heeft de Inspectie SZW zich tot doel gesteld?

Antwoord 211

Op basis van de inzet van de middelen conform de doelen genoemd in het ICF en de meerjarenprogrammering van de Inspectie SZW verwacht de Inspectie SZW in 2023 de volgende capaciteitsverdeling:

Capaciteitsinzet

2023

Eerlijk (%)

50

Gezond en Veilig (%)

34

Gevaarlijke Stoffen (%)

13

Arbeidsdiscriminatie (%)

2

Werk en Inkomen (%)

1

c Betreft alleen de capaciteitsinzet in de programma’s.

Vraag 212

Wat gebeurt er met het macrobudget Participatiewetuitkeringen als de werkloosheid oploopt?

Antwoord 212

Het macrobudget Gebundelde Uitkering voorziet gemeenten van middelen voor de bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidies volgens de Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz.

Het budget voor de bijstand ademt mee met de conjunctuur. Hierdoor krijgen gemeenten meer middelen ter beschikking als de werkloosheid oploopt. Het CPB schat het (vertraagde) effect dat een hogere werkloosheid op het bijstandsvolume heeft. De rekenregels van het CPB neemt SZW over in haar ramingen van het macrobudget.

Vraag 213

Wat gebeurt er met het re-integratiebudget in de Participatiewet als de werkloosheid oploopt?

Antwoord 213

De re-integratiebudgetten voor de doelgroep van de Participatiewet maken onderdeel uit van het gemeentefonds. Het re-integratiebudget voor de klassieke doelgroep van de Participatiewet maakt onderdeel uit van de algemene uitkering van het gemeentefonds. Deze middelen volgen de normeringssystematiek van het Gemeentefonds (trap-op-trap-af systematiek). De re-integratiemiddelen voor de nieuwe doelgroep (jonggehandicapten met arbeidsvermogen die niet meer de Wajong of de Wsw kunnen instromen) maken onderdeel uit van de integratie-uitkering Participatie. Deze middelen worden geïndexeerd met de toepasselijke loon- en prijsbijstelling en lopen jaarlijks op met de ten tijde van de invoering van de Participatiewet geraamde toename van deze groep. Vanwege deze systematiek wijzigen, ceteris paribus, de re-integratiebudgetten niet bij oplopende of dalende werkloosheid. Het re-integratiebudget is taakstellend en er is dus geen sprake van een budget per werkloze.

Vraag 214

Wat was de doelstelling van de banenafspraak per ministerie afgelopen jaar? Wat zijn de doelstellingen voor komende jaren?

Antwoord 214

Voor de jaarlijkse doelstelling nemen de ministeries als uitgangspunt het quotumpercentage dat voor een jaar geldt. Voor 2019 was dit percentage 2,14%, voor 2020 wordt dit percentage in het vierde kwartaal van 2019 bekend gemaakt. Dat is ook het beleid voor de komende jaren. Aan de hand van de quotumcalculator en de personeelsomvang kan elk ministerie de eigen doelstelling berekenen.

Vraag 215

In welke mate hebben ministeries voldaan aan hun individuele doelstelling van de banenafspraak? Kunt u per ministerie aangeven wat de behaalde resultaten zijn?

Antwoord vraag 215

De meest recente realisaties betreffen die over het eerste kwartaal van 2019. Onderstaande gegevens zijn gebaseerd op gegevens van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK).

Tabel Doel en realisatie aantal voltijdsbanen van 25,5 uur voor mensen met een arbeidsbeperking in 2019Q1, per ministerie (o.b.v. Q1 2019)1

Ministerie

Doel2

Formele dienstverbanden3

Inleenverbanden

Totaal banen gerealiseerd

Realisatie %

AZ

11,1

7,7

0,0

7,7

69,4%

BZ

84,2

9,0

14,9

23,9

28,4%

BZK

300,2

168,0

15,1

183,1

61,0%

EZK/LNV

298,9

149,8

11,1

160,9

53,8%

FIN

915,5

255,9

49,0

304,9

33,3%

IenW

375,9

185,9

2,0

188,0

50,0%

JenV

1.072,6

288,9

154,4

443,3

41,3%

OCW

136,7

77,2

31,9

109,1

79,8%

SZW

92,2

85,4

2,1

87,5

94,9%

VWS

141,8

65,4

22,5

87,9

62,0%

HCvS

45,8

23,7

4,5

28,2

61,6%

Totaal

3.474,7

1.316,9

307,5

1.624,4

46,8%

Bron: UWV, Binnenwerk, mantelpartijen, ministeries.

X Noot
1

De cijfers zijn gebaseerd op de organisatorische indeling van de ministeries op de desbetreffende peildatum. I.v.m. afronding kan het voorkomen dat sommige totaalwaardes of sommige percentages niet overeenkomen met berekening met de afgeronde waardes in de tabel.

X Noot
2

Het aantal banen onder de kolom «Doel» is gebaseerd op het aantal fte dat ultimo het eerste kwartaal van 2019 in dienst is bij het Rijk. De berekening is gedaan via de rekentool (https://regelhulpenvoorbedrijven.nl/quotumcalculator), waarbij wordt uitgegaan van het na te streven quotumpercentage van 2,14%.

X Noot
3

De banen onder Binnenwerk zijn verdeeld over de ministeries waar de personen zijn gedetacheerd.

De bovenstaande tabel geeft een overzicht per Ministerie van het (quotum)doel en de realisatie van dienstverbanden en inleenverbanden in het eerste kwartaal van 2019. In deze tabel zijn de banen die gerealiseerd worden en de collectieve instroom (Binnenwerk) toegedeeld aan de ministeries die hiertoe de opdrachtgever zijn. De tabel laat ook het realisatiepercentage rijksbreed en per ministerie zien. Hoewel het teleurstellend is dat ministeries nog achterblijven op hun doelstellingen, is het positief dat er ten opzichte van eerdere cijfers een duidelijk stijgende lijn in het aantal dienstverbanden bij het Rijk is te zien. Ten opzichte van vorig jaar, toen er in totaal 887,5 banen waren gerealiseerd, is er dus sprake van bijna een verdubbeling.

De cijfers in de rapportage zijn bovendien exclusief de banen die zijn gerealiseerd via inkoop samen met leveranciers of in samenwerking met andere organisaties zoals Staatsbosbeheer. Samen met leveranciers en contractmanagers wordt een goede vorm van registratie en (rijksbrede) monitoring onderzocht.

Het Ministerie van BZK rapporteert voor de rijksoverheid jaarlijks in de «Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk» aan de Tweede Kamer over de realisatie van de banenafspraak. Dit is voor het laatst gebeurd via de brief van 15 mei 2019 over de resultaten over 2018 (Tweede Kamer, 31 490, nr. 249).

Vraag 216

Hoe wordt gemonitord wat het voorkomen of verminderen van kosten in andere sociale domeinen oplevert vanwege actieve inzet op het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden?

Antwoord 216

De kostenbesparingen die schuldhulpverlening en armoedebestrijding kunnen opleveren in andere domeinen, zoals werk en inkomen en gezondheid, worden niet gemonitord. De kostenbesparingen zijn in opdracht van het Ministerie van SZW eenmalig in 2011 berekend en gepubliceerd in het rapport «Op weg naar effectieve schuldhulp: Kosten en baten van schuldhulpverlening». Rond dezelfde tijd heeft een aantal gemeenten een vergelijkbaar onderzoek laten uitvoeren, dat is gepubliceerd onder de titel «Schuldhulpverlening loont! Een onderzoek naar de kosten en baten van schuldhulpverlening». Schulden kosten de maatschappij veel geld. De vuistregel is dan ook dat investeringen in het voorkomen en oplossen van schulden zich maatschappelijk altijd terugverdienen. Dat geldt zowel voor burgers die incassokosten en boetes voorkomen, gemeenten die bijvoorbeeld besparen op uitkeringen, zorg en maatschappelijke ondersteuning als schuldeisers die allerlei kosten uitsparen van betalingsherinneringen tot deurwaarders en huisuitzettingen vanwege huurachterstanden.

Vraag 217

Bent u het ermee eens dat de bedragen die Nibud en het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) hanteren voor vaste lasten, bijvoorbeeld voor wonen, te laag kunnen zijn voor bepaalde delen van Nederland en in bepaalde woon- en zorgsituaties? Verklaart dit volgens u mede dat veel mensen, volgens het Nibud 2,6 miljoen huishoudens, inkomsten en uitgaven moeilijk of niet in balans kunnen houden? Wat gaat u doen om betreffende huishoudens te helpen?

Antwoord 217

Het Nibud en het SCP zijn onafhankelijk in hun berekeningen. In de minimumbegrotingen gaan zij wel uit van lage vaste lasten. Het kabinet kan echter niet beoordelen of de gehanteerde bedragen voor vaste lasten te laag zijn. Dit verschilt immers per huishouden en de uitgaven aan vaste lasten moeten ook in verband gezien worden met de andere uitgaven die een huishouden moet doen en het inkomen dat binnenkomt.

Het kabinet wil huishoudens meer ruimte bieden in de verdeling tussen inkomsten en uitgaven door ervoor te zorgen dat huishoudens netto meer overhouden. Het kabinet verlaagt daarom de inkomstenbelasting door middel van lagere tarieven en hogere heffingskortingen. Verder steekt dit kabinet meer geld in het kindgebonden budget en de kinderbijslag. Voor lage inkomens verhoogt dit kabinet de zorgtoeslag voor paren. De verhoging van de algemene heffingskorting leidt ook tot een hogere AOW en bijstand.

Vraag 218

Welke stappen onderneemt u om na te gaan of het samenstel van generieke en lokale minimaregelingen en het daarbij gehanteerde sociaal minimum nog voldoende zijn en blijven om mensen volwaardig maatschappelijk te laten participeren?

Antwoord 218

In beleidsafwegingen die het kabinet maakt wordt doorlopend rekening gehouden met de effecten voor de inkomenspositie van mensen met lagere inkomens. Hiertoe worden bijvoorbeeld jaarlijks koopkrachtramingen in de begroting van SZW opgenomen. Momenteel loopt er een evaluatie naar de hoogte van het minimumloon. Daarin wordt bekeken of er bovenop de reguliere indexatie aanleiding is om de hoogte van het WML bij te stellen. Het kabinet kijkt hierbij niet alleen naar de toereikendheid van het minimumloon of de hoogte van de bijstand, maar naar het geheel van de belastingen, inkomensregelingen en toeslagen waar huishoudens recht op hebben.

Vraag 219

Hoeveel procent van de mensen in armoede leeft in de vier grote steden?

Antwoord 219

De recente SCP-publicatie «Armoede in Kaart 2019» laat zien dat in 2017 Amsterdam, Rotterdam en Den Haag in absolute zin de meeste inwoners met een inkomen onder het niet-veel-maar-toereikendcriterium hadden. Van alle personen (inclusief kinderen) met een inkomen onder het niet-veel-maar-toereikendcriterium woonde in 2017 bijna een kwart (24%) in de vier grote steden. Rotterdam heeft met 10,9% het hoogste aandeel arme inwoners (65.200 personen) direct gevolgd door Amsterdam met 10,5% (82.900 personen) en Den Haag met 10,3% (51.000 personen). Utrecht staat qua aantal armen met 23.000 personen in absolute zin op de vierde plaats, maar behoort met een armoedepercentage van 7,5% niet tot de 10 gemeenten met de hoogste armoedepercentages.

Vraag 220

Hoeveel mensen leven in armoede in de vier grote steden?

Antwoord 220

Zie het antwoord op vraag 219.

Vraag 221

Hoeveel sociale huurwoningen zijn er in de vier grote steden beschikbaar in de categorie tot de kwaliteitskortingsgrens, tot de hoge aftoppingsgrens en tot de maximum-huurgrens? Kunt u de bedragen en jaartal erbij vermelden?

Antwoord 221

In de onderstaande tabel vindt u de gevraagde cijfers voor het einde van het jaar 2017. Dit is het meest recente jaar waarover deze cijfers beschikbaar zijn.

Tabel Aantal sociale huurwoningen eind 2017

Gemeenten

Zelfstandige huurwoning: goedkoop

Zelfstandige huurwoning: betaalbaar

Zelfstandige huurwoning: onder huurtoeslaggrens

Totaal sociale huur

Huur tot € 414,02

Huur tot € 635,05

Huur tot € 710,68

Amsterdam

35.742

105.883

19.294

160.919

Den Haag

13.993

48.353

9.058

71.404

Rotterdam

20.533

87.983

14.680

123.196

Utrecht

8.379

30.845

5.132

44.356

Totaal

78.647

273.064

48.164

399.875

Eenheid: aantallen woningen

Bron: dVi (verantwoordingsinformatie corporaties)

Vraag 222

Kunt u aangeven hoeveel mensen in armoede gemiddeld aan huur kwijt zijn in de vier grote steden? Hoeveel hoger liggen de huurprijzen van sociale huurwoningen in de vier grote steden dan in de rest van het land?

Antwoord 222

Specifieke cijfers over huishoudens in armoede zijn niet beschikbaar. Ter indicatie zijn er wel cijfers beschikbaar over hoeveel huishoudens die huurtoeslag ontvangen7, en dus een lager inkomen hebben, gemiddeld betalen aan huur per maand. De meest recente cijfers laten zien dat huurtoeslagontvangers in 2017 gemiddeld € 527 per maand voor de huur van hun woning betaalden. Gemiddeld ontvingen deze huishoudens op jaarbasis € 2.524 huurtoeslag (gebaseerd op gemiddeld 11 maanden huurtoeslag per huishouden).

Voor de vier grote steden geldt het volgende beeld voor 2017 wat betreft de gemiddelde huur van huishoudens die huurtoeslag ontvangen:

 

Gemiddelde huur per maand

Gemiddeld ontvangen bedrag aan huurtoeslag

Amsterdam

€ 514

€ 2.515

Den Haag

€ 526

€ 2.559

Rotterdam

€ 525

€ 2.601

Utrecht

€ 514

€ 2.447

Vraag 223

Hoeveel van de genoemde € 80 miljoen ter beschikking voor het bestrijden van schulden en armoede is reeds ter besteding gekomen?

Antwoord 223

Van de middelen gaat het merendeel (90%, Reeks regeerakkoord: € 27,0 miljoen, 2019: € 22,5 en 2020: € 22,5 miljoen) via een decentralisatie-uitkering naar gemeenten. Gemeenten hebben hiervan reeds € 49,5 miljoen ontvangen.

10% van de middelen wordt ingezet voor de landelijke ondersteuning en kennisontwikkeling. Deze € 8,0 miljoen is inmiddels bijna geheel uitgegeven dan wel verplicht.

Vraag 224

Waaraan wordt de € 80 miljoen besteed?

Antwoord 224

Het Ministerie van SZW en de VNG willen met deze middelen een impuls geven aan de verbetering van de toegang tot en effectiviteit van de gemeentelijke schuldhulpverlening en aan versterking van de lokale regiefunctie van het (kindgericht) armoedebeleid. Dit in lijn met de kabinetsreactie op het advies van de SER «Opgroeien zonder armoede» en op het rapport van de Kinderombudsman «Alle kinderen kansrijk» (Tweede Kamer, 24 515, nr. 430). Hoe gemeenten hier invulling aan geven is afhankelijk van de lokale context.

Het merendeel van de middelen (ongeveer € 72 miljoen) wordt via een decentralisatie-uitkering beschikbaar gesteld aan gemeenten voor versterking van het lokale armoede- en schuldenbeleid. Zie hierover ook de passage in de meicirculaire gemeentefonds 2018 en de brede schuldenbrief (Tweede Kamer, 34 775-B-16 en Tweede Kamer, 24 515, nr. 431). Via de 3D enquête in 2018 zijn gemeenten ondervraagd over de wijze waarop ze deze middelen voornemens zijn uit te geven. Het overgrote deel van de gemeenten meldt in de enquête dat de extra middelen in 2019 ook voor die onderwerpen ingezet zullen worden. Zie hiervoor: https://kennisopenbaarbestuur.nl/media/256283/web_122421_verslag_begroting_3d_2019.pdf.

€ 8 miljoen wordt ingezet ter versterking van de landelijke ondersteuning van gemeenten, door kennisontwikkeling, professionalisering, monitoring en coördinatie en voor de brede schuldenaanpak. Er wordt daarbij voortgebouwd op reeds lopende projecten en programma’s, zoals Vakkundig aan het werk, Schouders eronder en de landelijke alliantie van vrijwilligers in de schuldhulpverlening. Divosa en de VNG zullen daarnaast een uitvraag onder gemeenten doen voor nadere ondersteuningsbehoeften.

Vraag 225

Hoeveel mensen zijn er toegelaten tot een minnelijk traject en hoeveel daarvan zijn zelfstandige in de afgelopen tien jaar?

Antwoord 225

De vraag wordt zo uitgelegd dat is bedoeld het aantal aanmeldingen voor de gemeentelijke schuldhulpverlening in de afgelopen tien jaar. De NVVK publiceert deze cijfers in jaarverslagen. Onderstaande tabel heeft het overzicht over de afgelopen tien jaar. Van het aantal zelfstandigen zijn alleen cijfers over 2017 en 2018 beschikbaar.

Jaar

Aantal aanmeldingen gemeentelijke schuldhulpverlening

Waarvan aantal zelfstandige

2009

53.000

niet gemeten

2010

77.440

niet gemeten

2011

76.043

niet gemeten

2012

84.520

niet gemeten

2013

89.000

niet gemeten

2014

92.000

niet gemeten

2015

90.400

niet gemeten

2016

89.300

niet gemeten

2017

94.200

2.100

2018

86.200

2.000

Vraag 226

Wat is het slagingspercentage voor het minnelijk traject?

Antwoord 226

De vraag wordt zo uitgelegd dat is bedoeld het percentage schuldbemiddelingen en saneringskredieten dat succesvol wordt afgerond, waarna de cliënt schuldenvrij is. De jaarverslagen van de NVVK geven het volgende beeld:

Jaar

Schuldbemiddeling of saneringskrediet succesvol afgerond

2010

70%

2011

72%

2012

69%

2013

68%

2014

70%

2015

66%

2016

64%

Vraag 227

Wat is de instroom in de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) in de afgelopen tien jaar en hoeveel zelfstandig ondernemers zitten daartussen?

Antwoord 227

Gegevens over de instroom in de Wsnp worden gepubliceerd door het Bureau Wsnp, dat onderdeel is van de Raad voor Rechtsbijstand en onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van JenV valt. Onderstaande tabel geeft het overzicht van de instroom van de afgelopen tien jaar. Ongeveer 20% van de instroom bestaat uit (ex-)ondernemers.

Startjaar

Aantal zaken

2009

8.967

2010

11.385

2011

14.727

2012

13.763

2013

12.361

2014

12.264

2015

11.703

2016

9.802

2017

8.363

2018

5.897

Vraag 228

Wat gebeurt er met het re-integratiebudget per werkloze als de werkloosheid oploopt?

Antwoord 228

Zie het antwoord op vraag 213.

Vraag 229

Hoe komt het dat overheidswerkgevers zoveel moeite blijven houden met het aantal beschut werkplekken?

Antwoord 229

Na een stroef begin nemen de aantallen mensen dat op een beschut werkplek werkt nu jaarlijks toe (zie voor nadere informatie het antwoord op vraag 263). Over de achtergronden bij de ontwikkeling van beschut werk wordt u geïnformeerd in het kader van de evaluatie beschut werk die nog voor de begrotingsbehandeling wordt aangeboden.

Vraag 230

Kunt u uiteenzetten wat de oorzaak is voor het niet halen van de doelstelling van de banenafspraak uit het Sociaal Akkoord van 2013 door de overheidswerkgevers?

Antwoord 230

In de brief van 8 september 2017 (Tweede Kamer, 34 352, nr. 65) heeft het toenmalige kabinet de activering van de quotumregeling en enkele andere maatregelen aangekondigd en toegelicht. In deze brief heeft dit kabinet de volgende verklaringen genoemd waarom het voor de overheid lastiger was om het aantal afgesproken banen te halen. De overheid heeft zich voor de banenafspraak voor een relatief grotere opgave gesteld, door af te spreken dat er 25.000 banen voor mensen met een arbeidsbeperking worden gecreëerd, ten opzichte van de 100.000 banen bij de markt. De overheid moet daardoor naar verhouding een groter aantal banen leveren dan de markt. Ook moet de overheid deze banen in een kortere periode realiseren dan de markt. Verder wordt in deze brief genoemd dat de overheid de afgelopen decennia veel geschikte banen voor mensen met een arbeidsbeperking (met name facilitair en uitvoerend werk op laag niveau) heeft geprivatiseerd of aan de markt uitbesteed. Bovendien is het zo dat wanneer mensen met een arbeidsbeperking geprivatiseerde of uitbestede werkzaamheden in opdracht van de overheid uitvoeren, de zogenaamde inkoop van diensten, waaronder bijvoorbeeld groenvoorziening of schoonmaak vallen, zij meetellen bij de sector markt, en niet bij de overheid, terwijl zij zonder de overheid niet tot stand waren gekomen.

Dit zijn verklaringen die het voor de overheidswerkgever lastig maken om de banen te realiseren, maar zij vormen geen excuus voor de overheidswerkgevers om de banen niet te realiseren. Het kabinet vindt dat de overheid alles op alles moet zetten om dit onbenut potentieel te benutten en zo het afgesproken aantal banen te halen. De afspraken uit het Sociaal Akkoord blijven onverkort gelden.

Vraag 231

Welke maatregelen heeft u het afgelopen jaar genomen om meer transparantie in het bestand van werkzoekenden te realiseren en welke resultaten heeft dit opgeleverd?

Vraag 232

Welke maatregelen gaat u nemen om meer transparantie in het bestand van werkzoekenden te realiseren?

Antwoord 231 en 232

In de brief van 23 mei jl. bent u geïnformeerd over de stand van zaken van de uitwerking van de verschillende maatregelen van het Breed Offensief (Tweede Kamer, 34 352, nr. 163). Een agenda die het simpeler moet maken voor werkgevers om mensen met een beperking in dienst te nemen; met voorstellen om werk meer te laten lonen; waarbij werkgevers en werkzoekenden elkaar makkelijker weten te vinden en waarbij mensen niet alleen aan het werk komen maar ook aan het werk blijven.

Transparantie in het bestand van werkzoekenden is een belangrijke voorwaarden om werkzoekenden en werkgevers beter te kunnen matchen. UWV en gemeenten moeten hun werkzoekenden goed in beeld hebben en ook houden, door persoonlijke dienstverlening, om ze in de digitale systemen te kunnen invoeren. Om tot een goede match te komen zijn gesprekken met kandidaten en werkgever nodig. Dat wordt georganiseerd vanuit de regionale Werkgeversservicepunten (WSP’s). Werkgevers kunnen zich ook rechtstreeks melden bij de WSP’s voor het vinden van kandidaten.

Het digitale systeem met mensen uit de doelgroep banenafspraak (Kandidatenverkenner) van UWV wordt geleidelijk door UWV en gemeenten gevuld met steeds meer complete profielen. De periodieke UWV publicatie Transparantie van klantprofielen geeft inzicht in de ontwikkeling van het aantal (anonieme) klantprofielen dat gemeenten en UWV hebben opgesteld voor mensen die behoren tot de doelgroep van de banenafspraak.

Aanvullende maatregel van afgelopen en komend jaar is de Doe agenda Perspectief op Werk, die het Ministerie van SZW samen met het Ministerie van OCW heeft afgesproken met de werkgevers, gemeenten, UWV en het beroepsonderwijs. Een intensievere samenwerking tussen publieke en private partijen in alle 35 arbeidsmarktregio’s moet zorgen voor goede matches tussen werkzoekenden en beschikbaar werk. De 35 arbeidsmarktregio’s worden hierbij in 2019 en 2020 met € 1 miljoen extra per regio per jaar ondersteund (€ 70 miljoen).

Voor de begrotingsbehandeling van SZW wordt de Kamer per brief geïnformeerd over de voortgang van Perspectief op werk en over de afspraken die met UWV en VNG zijn gemaakt over het structureel versterken van de werkgeversdienstverlening en het geven van inzicht in de profielen van de werkzoekenden van UWV en gemeenten op het regionale Werkgeversservicepunt, ook voor werkgevers en private arbeidsbemiddelaars.

Vraag 233

Welke regels zullen worden vereenvoudigd zodat werkgevers en mensen met een arbeidsbeperking elkaar makkelijker kunnen vinden?

Antwoord 233

In de brief van 23 mei 2019 is de Kamer geïnformeerd over de voortgang van Breed Offensief (Tweede Kamer, 34 352, nr. 163). Het Breed Offensief is een brede agenda om de arbeidsmarktkansen voor mensen met een arbeidsbeperking te vergroten. Een agenda die het simpeler moet maken voor werkgevers om mensen met een beperking in dienst te nemen; met voorstellen om werk meer te laten lonen; waarbij werkgevers en werkzoekenden elkaar makkelijker weten te vinden en waarbij mensen niet alleen aan het werk komen maar ook aan het werk blijven. In de brief van 23 mei is – naast vereenvoudigen van (de inzet van) het instrumentarium zelf – aangegeven welke maatregelen het kabinet wil nemen om de werkgeversdienstverlening en matchen in de arbeidsmarktregio’s te versterken. Dit zodat werkgevers en werkzoekenden elkaar makkelijker kunnen vinden. Voor de begrotingsbehandeling SZW wordt uw Kamer aanvullend geïnformeerd over de afspraken die met VNG en UWV zijn gemaakt.

Als onderdeel van Breed Offensief is ook de vereenvoudiging van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten aangekondigd. In de brief van 4 juli 2019 (Tweede Kamer, 34 352, nr. 168) bent u over de nadere uitwerking daarvan geïnformeerd.

Vraag 234

Welk deel van de gemeenten besteedt de gelden voor de bestrijding van armoede onder kinderen daadwerkelijk aan kinderen?

Antwoord 234

De middelen zijn via een decentralisatie uitkering aan gemeenten beschikbaar gesteld. Over de inzet van de middelen zijn bestuurlijke afspraken gemaakt. Deze bestuurlijke afspraken worden gemonitord. Uit de eerste tussentijdse evaluatie inzet extra middelen voor kinderen in armoede blijkt dat 92 procent van de gemeenten de middelen in 2017 heeft ingezet op kinderarmoedebeleid (Tweede Kamer, 24 515, nr. 455).

Vraag 235

Welke beleidsmatige conclusie verbindt u aan uw mening dat het beeld van de armoedecijfers van het SCP (Armoede in Kaart) en SEO (Inkomenspositie ouderen) van oudere migranten 55-plussers sociaal onaanvaardbaar is?

Antwoord 235

Het is ongewenst dat een groep ouderen financieel kwetsbaar is. Via uiteenlopende inkomensondersteunende maatregelen zet het kabinet zich in voor armoedebestrijding en ouderenbeleid. Zie hiervoor de antwoorden van de Minister (verzonden op 22 augustus 2019) (Tweede Kamer, 2018–2019, nr. 3663) op de vragen van het lid Van Brenk (50PLUS) over «gepensioneerden met een lager inkomen die arm zijn of moeilijk rond kunnen komen» (ingezonden 11 juni 2019) en de brief van 21 mei 2019 (Tweede Kamer, 24 515, nr. 488).

Vraag 236

Hoe hoog is de totale schuld aan overheidsorganisaties, zoals UWV, het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) en de Belastingdienst?

Antwoord 236

In de beantwoording wordt specifiek ingegaan op de in de vraag genoemde organisaties.

Bij de beantwoording van deze vraag en de drie hiernavolgende vragen zijn de antwoorden per organisatie weergegeven. De gegeven bedragen en percentages kunnen niet worden samengevoegd. De cijfers moeten gezien worden binnen de context van de wettelijke taken en beleidsregels die per organisatie gelden.

UWV heeft nog € 481 miljoen (schuld uitkeringsgerechtigden) open staan ultimo 2018. Dit betreft gegevens uit het jaarverslag 2018.

Eind 2018 bedroeg het totaalbedrag aan openstaande vorderingen bij het CJIB € 1,3 miljard (schuld justitiële vorderingen, conform financieel Rijksjaarverslag 2018 J&V).

De openstaande schuld bij de Belastingdienst bedraagt € 7,5 miljard (per 31-12-2018). Dit zijn de vorderingen die niet tijdig betaald zijn en waarvoor een invorderingstraject loopt (aanmaning, dwangbevel, etc.). Hiervan heeft € 6,9 miljard betrekking op belastingen en € 0,6 miljard op toeslagen. Van de belastingschulden heeft het merendeel (€ 4,9 miljard) betrekking op zakelijke schulden (loon- en omzetbelasting en vennootschapsbelasting).

Vraag 237

Welk deel van de schuld aan overheidsorganisaties bestaat uit de hoofdsom en welk deel uit aanmaningskosten, rente, kosten van dwangbevelen, etc.?

Antwoord 237

De schuld aan UWV (cijfers 2018) bestaat voor 94% uit de hoofdsom en voor 6% uit overige kosten, zoals rente, aanmaningskosten en kosten dwangbevelen.

Voor het CJIB geldt dat in 2018 voor een totaalbedrag van circa € 1 miljard aan boetes en sancties is ontstaan. 77% betreft de initiële boetes of sancties en 23% betreft extra kosten zoals verhogingen door aanmaningen, administratiekosten en overige kosten. Kosten die deurwaarders aanvullend in rekening brengen bij schuldenaren zijn hierin niet opgenomen.

De openstaande schuld bij de Belastingdienst van € 7,5 miljard bestaat uit hoofdsom, rente en boetes en is exclusief de invorderingskosten. In 2018 ontving de Belastingdienst een bedrag van ruim € 240 miljoen aan invorderingskosten.

Vraag 238

Welk deel van deze schulden wordt jaarlijks afgeschreven omdat de vorderingen oninbaar zijn?

Antwoord 238

In 2018 is door UWV € 19 miljoen afgeboekt aan oninbare vorderingen.

Bij justitiële vorderingen wordt door het CJIB niet afgeboekt, tenzij er sprake is van het bereiken van de executieverjaringstermijn, de uitputting van dwangmiddelen en overige redenen zoals bijvoorbeeld het overlijden van betrokkene. In 2018 betrof dat een bedrag van circa € 135 miljoen.

In 2018 heeft de Belastingdienst bijna € 0,9 miljard afgeschreven op openstaande schulden, waarvan ruim € 0,1 miljard op toeslagen.

Vraag 239

Voor welk deel van de uitstaande vorderingen wordt jaarlijks betalingsregelingen getroffen?

Antwoord 239

UWV heeft in 2018 voor 40% van de uitstaande vorderingen een betalingsregeling getroffen.

Het is voor het CJIB niet te zeggen voor welk deel jaarlijks betalingsregelingen worden getroffen, omdat regelingen vaak ook voorgaande jaren betreffen en/of over jaargrenzen heen doorlopen. In absolute zin zijn in 2018 circa 200.000 regelingen getroffen voor circa 743.000 zaken.

Per 31 december 2018 stond bij de Belastingdienst nog een bedrag van € 1,9 miljard open op betalings- en uitstelregelingen, waarvan € 0,5 miljard betrekking had op toeslagen. Bij terugvordering van toeslagschulden wordt overigens een standaard betalingsregeling met maximaal 24 maandelijkse termijnen aangeboden.

Vraag 240

Welk deel van de originele hoofdsom en van de totale schuld ontvangen schuldeisers gemiddeld na succesvolle voltooiing van de Wsnp?

Antwoordt 240

Het deel dat schuldeisers na een succesvolle voltooiing ontvangen wordt niet geregistreerd. Het is heel divers en sterk afhankelijk van de afloscapaciteit van de persoon met schulden, het aantal en type schuldeisers en de aard van de schulden. De aflossingscapaciteit wordt vastgesteld aan de hand van het «Vrij Te Laten Bedrag» (VTLB). Het vrij te laten bedrag wordt vastgesteld aan de hand van het VTLB-rapport van de Werkgroep Rekenmethode van Recofa. Recofa is een landelijk overlegorgaan van rechters-commissaris in faillissementen en surseances van betaling.

Vraag 241

Welk deel van de originele hoofdsom en van de totale schuld ontvangen schuldeisers gemiddeld na het treffen van een minnelijke regeling?

Antwoord 241

Het deel dat schuldeisers na een succesvolle voltooiing ontvangen wordt niet geregistreerd. Het is heel divers en sterk afhankelijk van de afloscapaciteit van de persoon met schulden, het aantal en type schuldeisers en de aard van de schulden. Gemeenten en instellingen voor schuldhulpverlening die lid zijn van de NVVK gebruiken voor het vaststellen van de aflossingscapaciteit het «Vrij Te Laten Bedrag» (VTLB), zoals dit ook bij de wettelijke schuldsanering (Wsnp) wordt gebruikt. Het vrij te laten bedrag wordt vastgesteld aan de hand van het VTLB-rapport van de Werkgroep Rekenmethode van Recofa. Recofa is een landelijk overlegorgaan van rechters-commissaris in faillissementen en surseances van betaling.

Vraag 242

Kunt u de post overige subsidie algemeen nader uitsplitsen?

Antwoord 242

De post overige subsidies algemeen bevat diverse subsidieverleningen uit het verleden op het werkterrein van SZW. Denk op het terrein van armoede en schulden bijvoorbeeld aan de projectsubsidies aan Divosa (project: Schouders Eronder), Alliantie voor Vrijwillige Schuldhulp (invulling motie Segers, project landelijk netwerk vrijwilligersorganisaties) en SchuldenLab.

Op het terrein van Bevordering Arbeidsparticipatie betreffen dit onder meer subsidies aan de VNG (projecten: Handhaving, Matchen op Werk), Divosa (projecten: Simpel Switchen, Vakmanschap), Branche Vereniging voor Klantmanagers (project: Vakmanschap), de Normaalste Zaak (projecten: pilot Loonkostensubsidie, impuls realisatie 125.000 banen), Edu Nova (projecten Vso\Pro, ingeschakeld) en Movisie (projecten: van thuiszitten naar werk en jongeren realistisch in beeld).

Vraag 243

Waarom wordt het bedrag voor het Besluit bijstand zelfstandigen (Bbz) per 2020 drastisch naar beneden bijgesteld? Welke verslechtering is er per 2020?

Antwoord 243

Met ingang van 2020 wijzigt de financieringssystematiek van Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) op de volgende onderdelen:

  • 1. De middelen voor het Bbz-levensonderhoud van gevestigde, oudere en beëindigende zelfstandigen worden toegevoegd aan de gebundelde uitkering artikel 69 Participatiewet. Dit betekent een structurele verschuiving van dit geld binnen tabel 3.2.2. van «Bijstand zelfstandigen» naar «Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming».

  • 2. Er komt een nieuwe financieringssystematiek voor de Bbz-kapitaalverstrekking, waardoor het verstrekken van voorschotten aan gemeenten komt te vervallen. Deze middelen worden voortaan achteraf uitgekeerd. In 2020 wordt er dus eenmalig geen geld voor kapitaalverstrekkingen verstrekt. Hierdoor vallen de uitgaven eenmalig lager uit.

  • 3. De middelen voor de Bbz-levensvatbaarheidsonderzoeken worden uit de SZW-begroting gehaald en toegevoegd aan de begroting van het gemeentefonds.

Als gevolg van deze wijzigingen dalen met ingang van 2020 de Bbz-uitgaven, zoals deze zijn opgenomen in tabel 3.2.2. onder de titel «Bijstand zelfstandigen». De wijziging van de financieringssystematiek is een budgettair neutrale omzetting. Dat wat op het eerste oog lijkt op een drastische bijstelling naar beneden per 2020 is een verschuiving van middelen.

Vraag 244

Wat is de verklaring van de budgettaire schommelingen in de reeks voor de Bbz?

Antwoord 244

Zie het antwoord op vraag 243.

Vraag 245

Hoe borgen we dat er ook na 2021 gemeenten (budgettair) ondersteund worden om armoede- en schuldenproblematiek aan te pakken?

Antwoord 245

Sinds 2014 ontvangen gemeenten structureel € 90 miljoen voor de bestrijding van armoede en schulden, in het bijzonder bij gezinnen met kinderen. Daarnaast ontvangen gemeenten sinds 2017 € 85 miljoen extra structurele middelen voor de bestrijding van armoede onder kinderen.

Vraag 246

Welke subsidies zijn niet juridisch verplicht?

Antwoord 246

Van de Tijdelijke regeling cofinanciering projecten dienstverlening werkzoekenden en projecten samenwerking en regie arbeidsmarkt (DWSRA) is circa € 3 miljoen niet juridisch verplicht. Dit bedrag is gereserveerd voor de eindafrekening van de individuele subsidies DWSRA.

Vraag 247

Welke opdrachten zijn er gegeven en met welk doel en welke daarvan zijn juridisch verplicht?

Antwoord 247

In algemene zin geldt dat opdrachtverleningen die in 2019 of eerdere jaren zijn vastgelegd qua kaseffecten in een volgend begrotingsjaar kunnen doorlopen. De al verleende opdrachtverleningen met een kaseffect in 2020 (juridisch verplicht) hebben betrekking op onder meer een ondersteuningsprogramma Matchen op Werk, Communicatieplan Perspectief op Werk, Begeleiding Experimenten Participatiewet, Onderhoud Verdeelmodellen Participatiewet.

Vraag 248

Gaan de procedures die nog lopen voor de subsidieregelingen in 2019 nog tot uitputting leiden?

Antwoord 248

Ten tijde van het opstellen van de Begroting SZW 2020 waren de beoordelingen en subsidietoekenningen voor het aanvraagtijdvak voor de regeling armoede en schulden nog niet afgerond. Aanvang september hebben de laatste toekenningen plaatsgevonden. De met deze toekenningen verband houdende kaseffecten in de jaren 2020, 2021 en 2022 konden niet meer in de begrotingsopstelling 2020 worden verwerkt en zullen in 2019 tot een geringe onderuitputting leiden. Deze onderuitputting komt tot uitdrukking in de tweede suppletoire begroting van SZW.

Vraag 249

Wat is het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de Rijnvarenden (CASS)?

Antwoord 249

Het CASS is opgericht op grond van het Verdrag betreffende de Sociale Zekerheid van Rijnvarenden. Het CASS vormt het secretariaat voor de uitvoering van de «Uitzonderingsovereenkomst betreffende de vaststelling van de op Rijnvarenden toepasselijke wetgeving», op grond van artikel 16 van de Verordening (EG) nr. 883/04 inzake de coördinatie van socialezekerheidsstelsels. De leden van deze commissie zijn de lidstaten van de Centrale Commissie van de Rijnvaart (CCR), te weten Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk, Duitsland en Zwitserland. Het CASS heeft een tripartiete structuur: de regeringsvertegenwoordigers en de sociale partners van de lidstaten nemen deel aan de overleggen. In het CASS worden knelpunten geagendeerd die samenhangen met het werken in meerdere lidstaten, zoals de vaststelling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving van werknemers in de binnenvaart. Het CASS komt tweemaal per jaar bijeen.

Aangezien het CASS zich richt op SZW-gerelateerde onderwerpen is de financiering van de contributie van het CASS vanaf 2020 overgegaan van het Ministerie van I&W naar het Ministerie van SZW.

Vraag 250

Welke subsidies zijn nog niet juridisch verplicht en kunnen dus nog heralloceerd worden?

Antwoord 250

Zie het antwoord op vraag 246.

Vraag 251

Hoeveel kost het om de kostendelersnorm af te schaffen voor jongeren die in de jeugdzorg zitten of hebben gezeten (inclusief zwerfjongeren)?

Antwoord 251

Gemeenten hebben de mogelijkheid om de kostendelersnorm niet toe te passen in situaties waarbij iemand tijdelijk inwoont bij een bijstandsgerechtigde. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om mensen in een crisissituatie, daklozen of mensen die dakloos dreigen te raken. De gemeente dient dan vast te stellen dat het gaat om tijdelijk verblijf. Vervolgens behoort het tot de bevoegdheid en de verantwoordelijkheid van de gemeente om al dan niet in specifieke situaties een uitzondering te maken en de kostendelersnorm niet van toepassing te verklaren. Jongeren tot 21 jaar en studenten zijn al uitgezonderd van de kostendelersnorm.

Er is geen informatie beschikbaar over de leeftijd of andere persoonskenmerken van huisgenoten die onder de kostendelersnorm vallen. Dit maakt het op dit moment niet mogelijk om te kwantificeren wat de budgettaire gevolgen zijn van het uitzonderen van jongeren die in de jeugdzorg hebben gezeten of mensen die voorheen gebruik hebben gemaakt van een daklozenopvang.

Vraag 252

Hoeveel kost het om de kostendelersnorm af te schaffen?

Antwoord 252

Harde gegevens over de kosten die gepaard gaan met afschaffing van de kostendelersnorm zijn niet beschikbaar. Er zijn wel inschattingen gemaakt van de besparing door de invoering. Voor de AIO is in de ontwerpbegroting voor 2020 de besparing als gevolg van de kostendelersnorm geraamd op € 23 miljoen. Voor de Anw is de besparing voor 2020 geraamd op € 16 miljoen. Het afschaffen van de kostendelersnorm leidt dus tot een intensivering van € 23 miljoen op de AIO en € 16 miljoen voor de Anw. Voor de bijstand is een harde raming niet beschikbaar. Het actuele aantal kostendelers in de bijstand is wel bekend (43.300 huishoudens), op basis waarvan een tentatieve inschatting kan worden gemaakt van de budgettaire gevolgen van het afschaffen. Dit komt neer op circa € 280 miljoen. Voor de IOAW en IOAZ samen zou de intensivering circa € 6 miljoen (tentatief) bedragen, over realisaties in het Bbz is niets bekend. Voor de toeslagenwet (TW) zijn geen realisatiegegevens bekend, bij invoering van de kostendelersnorm is de besparing op de TW geraamd op € 3 miljoen. In totaal zouden de budgettaire gevolgen van het afschaffen van de kostendelersnorm op grofweg € 330 miljoen komen.

Vraag 253

Hoeveel kost het om mensen die voorheen gebruik hebben gemaakt van een daklozenopvang uit te zonderen van de kostendelersnorm?

Antwoord 253

Zie het antwoord op vraag 251.

Vraag 254

Welke aannames zitten er in de stijging van het macrobudget Participatiewetuitkeringen en in welke verhouding zitten deze in de berekening?

Antwoord 254

Er zijn twee elementen die de oploop van het budget voor bijstand en loonkostensubsidies veroorzaken. Allereerst verwacht het CPB dat de werkloosheid in de jaren na 2020 zal stijgen en dat hierdoor het bijstandsvolume oploopt. Op basis van gegevens uit het verleden heeft het CPB in 2016 rekenregels vastgesteld over de doorwerking van de werkloze beroepsbevolking op het bijstandsvolume. Er wordt aangenomen dat deze relatie door de jaren heen nagenoeg gelijk is gebleven. Daarnaast zorgen beleidseffecten ook voor een hoger macrobudget. Voor elke doorwerking maakt SZW een aparte raming, met bijbehorende aannames. De wijzigingen met de grootste invloed op het bijstandsvolume zijn:

  • De invoering van de Participatiewet, de nieuwe doelgroep die voorheen in de Wajong of de Wsw terecht kon stroomt vanaf 2015 in de bijstand/LKS;

  • De AOW-leeftijdsverhoging, uitkeringsontvangers stromen hierdoor later uit;

  • De WW-duurverkorting, mensen hebben minder lang recht op WW en stromen dus eerder in de bijstand.

Ter indicatie; ongeveer de helft van de stijging van het budget voor de bijstandsuitkeringen tussen 2020 en 2024 wordt veroorzaakt door de minder gunstige conjunctuur, de andere helft van de stijging komt voort uit beleidseffecten.

Vraag 255

Kunt u het volume Participatiewetuitkeringen uitsplitsen naar leeftijdscohorten, man/vrouw en migratieachtergrond of niet?

Antwoord 255

Tabel 3.2.5 geeft de kerncijfers volume Participatiewet. De aantallen geven aan hoeveel huishoudens een uitkering hebben ontvangen en noemt een jaargemiddelde. Onderstaande tabel bevat cijfers over december 2018 op persoonsniveau. Hierdoor is het mogelijk een uitsplitsing naar persoonskenmerken te maken. Voor wat betreft het kenmerk migratieachtergrond betreft het zowel mensen met een westerse als niet-westerse migratieachtergrond.

 

MAN

VROUW

TOTAAL

 

Nederlandse achtergrond

Migratie achtergrond

Nederlandse achtergrond

Migratie achtergrond

 

15 tot 25 jaar

5.440

8.280

6.160

8.270

28.150

25 tot 35 jaar

10.140

22.720

15.560

29.850

78.270

35 tot 45 jaar

12.690

26.050

17.030

38.180

93.950

45 tot 55 jaar

20.930

30.160

26.320

39.450

116.860

55 jaar tot AOW-leeftijd

21.490

25.910

33.210

34.610

115.220

TOTAAL

70.690

113.120

98.280

150.360

432.450

Vraag 256

Wat valt er allemaal onder het begrip voorzieningen Participatiewet?

Antwoord 256

In de statistiek re-integratie Gemeenten (SRG) waaruit de cijfers op bladzijde 54 van de begroting 2020 zijn overgenomen, zijn voorzieningen door het CBS gedefinieerd als «alle re-integratie- en participatie-inspanningen die door een gemeente voor hun doelgroep Participatiewet worden ingezet, waarbij alle inspanningen in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zijn uitgezonderd». Ook activiteiten als intakegesprekken, diagnosestelling en taaltoetsen worden niet tot de voorzieningen gerekend.

Het begrip voorzieningen bevat dus een breed palet aan gemeentelijke instrumenten. Tot en met 2018 werden in de SRG hoofdzakelijk de in de Participatiewet uitgewerkte instrumenten als participatieplaatsen, beschut werk, loonkostensubsidie en jobcoaches apart geregistreerd. De categorie «overig» was daardoor groot. Om de aard en het doel van de door gemeenten ingezette voorzieningen beter te kunnen duiden, worden vanaf 2019 in de SRG meer categorieën onderscheiden, waaronder:

  • Loonkostensubsidie met loonwaardebepaling;

  • Forfaitaire toepassing Loonkostensubsidie;

  • Beschutte werkplek;

  • Participatieplaats;

  • Proefplaatsing;

  • Jobcoach/begeleiding op de werkplek;

  • Werkplekaanpassing;

  • Coaching/begeleiding naar werk;

  • Training/Opleiding;

  • Vrijwilligerswerk;

  • Sociale activering;

  • Vervoersvoorziening.

Vraag 257

Hoe is de ontwikkeling van bijstandsgerechtigden boven de 45 jaar en boven de 55 jaar?

Antwoord 257

In juli 2019 ontvingen in totaal 233.000 mensen van 45 jaar tot de AOW-leeftijd (66 jaar en 4 maanden) een bijstandsuitkering. Dit is 55% van alle bijstandsgerechtigden tot de AOW-leeftijd. Het aandeel ouderen in de bijstand neemt toe, omdat mensen jonger dan 45 meer uit de bijstand uitstromen dan ouderen.

Onderstaande tabel toont het aantal en aandeel ouderen in de leeftijdscategorieën van 45 tot 55 jaar en van 55 jaar tot de AOW-leeftijd aan het einde van het eerste kwartaal in de afgelopen jaren. Daaruit blijkt dat het aantal bijstandsgerechtigden in de leeftijd van 45 tot 55 jaar in absolute aantallen afneemt en het aandeel van deze leeftijdscategorie op het totaal blijft stabiel. Het aantal en aandeel van bijstandsgerechtigden boven 55 jaar nemen beide toe. Ten dele hangt dit samen met de verhoging van de AOW-leeftijd.

 

2017 – 1e kwartaal

2018 – 1e kwartaal

2019 – 1e kwartaal

Totaal

471.590

 

455.420

 

431.560

 

45 tot 55 jaar

126.410

26,8%

122.280

26,8%

115.580

26,8%

55 jaar tot AOW-leeftijd

107.930

22,9%

113.670

25,0%

118.490

27,5%

Bron: CBS, bewerking SZW.

Bijna 70% van alle bijstandsontvangers doet langer dan twee jaar (aaneensluitend) een beroep op bijstand. Bij ouderen ligt dit percentage hoger, namelijk 77% voor de bijstandsontvangers tussen de 45 en 55 jaar en 83% voor bijstandontvangers van 55 jaar en ouder. Onderstaande tabel maakt een verdere opsplitsing naar duur van de lopende uitkering over de bijstandspopulatie aan het eind van het eerste kwartaal 2019.

 

Totaal 1e kwartaal 2019

Twee tot vijf jaar bijstand

Vijf jaar of langer bijstand

Totaal 15 tot AOW-leeftijd

431.560

123.030

28,5%

176.810

41,0%

45 tot 55 jaar

115.580

31.160

27,0%

57.620

49,9%

55 jaar tot AOW-leeftijd

118.490

25.650

21,6%

72.040

60,8%

Bron: CBS, bewerking SZW.

Tot slot geven de in- en uitstroom een beeld van de ontwikkeling in de bijstand. Onderstaande tabel geeft dit weer voor 2018. Aangegeven is welk deel van de uitstromers naar een baan uitstroomt.

 

Totaal eind 2018

Instroom bijstand

Uitstroom bijstand

 

Waarvan naar werk

bereiken AOW-leeftijd

Totaal 15 tot AOW-leeftijd

432.400

92.860

114.840

57.510 (50%)

 

45 tot 55 jaar

116.850

17.410

21.910

11.840 (54%)

 

55 jaar tot AOW-leeftijd

115.210

10.640

11.680

3.710 (32%)

4.240

Bron: CBS, bewerking SZW.

Bij ongeveer een derde van de mensen die instroomt in de bijstand is sprake van her-instroom binnen een jaar na uitstroom. Bij ouderen ligt de her-instroom iets hoger, namelijk op 36%.

Vraag 258

Voor welke doelgroepen wordt loonkostensubsidie ingezet? Zijn gemeenten vrij om dit ook in te zetten voor mensen die formeel geen arbeidsbeperking hebben, maar wel bijvoorbeeld een afstand tot de arbeidsmarkt? Is bekend hoeveel gemeenten dit doen?

Antwoord 258

In de tabel op bladzijde 54 van de begroting SZW wordt gerapporteerd over het aantal loonkostensubsidies Participatiewet die ten laste komen van het macrobudget Gebundelde Uitkering. De doelgroep voor deze loonkostensubsidie is vastgelegd in artikel 6 van de Participatiewet. Tot de doelgroep behoren mensen uit de doelgroep Participatiewet (zoals mensen met een inkomensvoorziening Participatiewet, niet-uitkeringsgerechtigden) van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Ook behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie schoolverlaters uit het praktijkonderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of van een mbo-entreeopleiding bij wie binnen zes maanden nadat zij de school hebben verlaten en zijn gaan werken alsnog blijkt dat zij een verminderde loonwaarde hebben.

Het wettelijk criterium voor deze loonkostensubsidies is dat iemand niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen.

De daadwerkelijke loonwaarde wordt op de werkplek vastgesteld doordat een deskundige de prestaties vergelijkt met een (niet arbeidsbeperkte) werknemer met een soortgelijke opleiding en ervaring. De deskundige is daarvoor opgeleid en gebruikt een beschreven objectieve methode.

De gemeente stelt formeel gezien dus niet vast dat iemand arbeidsbeperkt is, maar stelt het gevolg vast dat iemand daardoor op een specifieke werkplek een beperkte loonwaarde heeft.

Mensen met een loonkostensubsidie kunnen natuurlijk naast een beperkte loonwaarde ook andere kenmerken hebben als een lage opleiding of een langere werkloosheidsduur, die maken dat de afstand tot de arbeidsmarkt groot is.

Vraag 259

Waarom worden in tabel 3.2.7. niet de mensen die werken met een Wet sociale werkvoorziening (Wsw)-indicatie getoond? Vertekent dit de realiteit? Kunt u deze alsnog toevoegen aan de tabel? Op welk percentage anders dan 20% komt het geheel dan uit?

Antwoord 259

De mensen met een Wsw-indicatie die werken zijn in de telling van tabel 3.2.7. meegenomen.

Een deel van deze mensen, degenen die gedetacheerd zijn vanuit de Wsw naar een reguliere werkgever, vallen onder de Banenafspraak. Daarnaast zijn er mensen die werken op een beschutte werkplek onder het de («oude») Wsw of op een («nieuwe») beschutte werkplek onder de Participatiewet. Per saldo zijn over de drie wettelijke kaders eind 2018 bijna 20% meer mensen aan het werk dan eind 2015, toen betrof het 135.814 mensen.

Vraag 260

Hoeveel mensen met een Wsw-indicatie zijn er nu aan het werk? Kunt u dit weergeven in een reeks van de afgelopen tien jaar?

Antwoord 260

Medio 2019 waren circa 81.000 mensen werkzaam in de sociale werkvoorziening (Sw). Onderstaande tabel toont het gemiddeld aantal mensen dat in de afgelopen tien jaar werkzaam was in de Sw.

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

102.231

102.510

102.656

102.165

102.229

102.556

99.492

93.998

89.370

84.973

Vraag 261

Hoeveel mensen zijn er nu aan het werk volgens de banenafspraak? Kunt u dit weergeven in een reeks van de afgelopen jaren?

Antwoord 261

In de monitoring van de banenafspraak wordt gekeken naar de toename van het aantal banen ten opzichte van de nulmeting eind 2012. Als één baan wordt geteld een baan van 25,5 verloonde uren per week. Banen groter of kleiner dan 25,5 uur per week tellen naar rato mee. Door uit te gaan van verloonde uren in plaats van personen, wordt gerealiseerd dat het gaat om substantiële banen en niet om banen van slechts een paar uur.

Uit de officiële meting van de banenafspraak blijkt dat er eind 2018 51.956 extra banen bij reguliere werkgevers zijn gerealiseerd. In totaal, inclusief de 75.179 banen ten tijde van de nulmeting, waren er eind 2018 127.135 banen voor mensen uit de doelgroep banenafspraak. Deze 127.135 banen worden ingevuld door 111.744 mensen. Sinds de nulmeting eind 2012 hebben 45.416 extra mensen een baan in het kader van de banenafspraak. Onderstaande tabel geeft de aantallen van de afgelopen jaren in banen en personen weer.

 

2012

2015

2016

2017

2018

Totaal aantal banen

75.179

96.236

97.733

112.083

127.135

Totaal aantal mensen met een baan

66.328

80.175

85.995

98.896

111.744

Vraag 262

Hoeveel van de gerealiseerde banen van de banenafspraak zitten bij de overheid?

Antwoord 262

Uit de officiële meting van de banenafspraak blijkt dat overheidswerkgevers eind 2018 7.940 extra banen hebben gerealiseerd. Marktwerkgevers hebben 44.017 extra banen gerealiseerd. In totaal gaat het eind 2018 om 51.956 extra banen voor mensen uit de doelgroep banenafspraak. In totaal (inclusief nulmeting) zijn er 127.135 banen voor mensen uit de doelgroep banenafspraak. Daarvan komen 21.763 banen op het conto van overheidswerkgevers.

Vraag 263

Hoeveel mensen hebben een beschutte werkplek? Kunt u dit weergeven in een reeks van de afgelopen jaren?

Antwoord 263

Beschut werk bestaat sinds 2015. De aantallen nemen jaarlijks toe. Eind 2016 werkten er circa 270 mensen in beschut werk, eind 2017 circa 1.180 mensen en eind 2018 waren dat ruim 2.540 mensen. Het meest recente cijfer heeft betrekking op juli 2019; op dat moment waren het er circa 3.270.

Vraag 264

Hoeveel mensen die op de wachtlijst voor de Wsw stonden, hebben nu werk?

Antwoord 264

Eind 2014 stonden 11.147 mensen op de Wsw-wachtlijst. Volgens het SCP-onderzoek «Van sociale werkvoorziening naar Participatiewet» (2018) vonden in 2015 ruim 1.800 van deze mensen een baan en in 2016 betrof het bijna 2.400 mensen. Voor actuelere cijfers verwijzen we naar de eindevaluatie van de Participatiewet die naar verwachting binnenkort zal verschijnen.

Vraag 265

Welke gegevens zijn er beschikbaar over de baankansen en werkgelegenheid van mensen met een arbeidsbeperking en welke onderzoeken zijn hiernaar gedaan? Zijn er onderzoeken gedaan die de baankans en/of werkgelegenheid van de huidige situatie vergelijken met die van enkele jaren terug?

Antwoord 265

Uit SEO-onderzoek (SEO 2019, Jonggehandicapten onder de Participatiewet)8 uit 2019 blijkt dat de 18-jarige jonggehandicapten onder de Participatiewet een hogere baankans hebben (38%) dan de 18-jarige Wajongers van nu (29%).

Uit onderzoek van SCP (SCP 2018, Van sociale werkvoorziening naar Participatiewet)9 uit 2018 blijkt dat de mensen die eind 2014 op de Wsw-wachtlijst stonden in 2016 een baankans hadden van 30% waar dat voor de invoering van de Participatiewet 50% was.

Deze onderzoeken vormen bouwstenen voor de eindevaluatie Participatiewet door het SCP.

Het streven is de eindevaluatie uiterlijk 20 november (voor de begrotingsbehandeling SZW) naar de Tweede Kamer te sturen. Deze eindevaluatie zal ook nieuwe cijfers omvatten over de Wsw-geïndiceerden. Ook voor de evaluatie van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten wordt ernaar gestreefd deze voor de begrotingsbehandeling SZW naar de Tweede Kamer te sturen. Ook in deze evaluatie zullen gegevens staan over onder andere de baankansen van de doelgroep banenafspraak.

Op basis van gegevens van UWV en de jaarlijkse metingen over de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten weten we dat werkgevers eind 2018 bijna 52.000 extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking hebben gerealiseerd ten opzichte van de nulmeting. Het doel voor 2018 was 43.500. Steeds meer mensen met een arbeidsbeperking werken dus bij reguliere werkgevers. Daarmee neemt het aantal mensen met een beperking die aan het werk zijn via de banenafspraak, de Wsw en beschut werk toe van 135 duizend eind 2015 naar 162 duizend eind 2018.

Vraag 266

Hoe kan dat u uitkomt op 20% meer baankans en het SCP op een verlies aan baankans van 50% naar 30%?

Antwoord 266

Het percentage van 20% heeft betrekking op de mensen met een arbeidsbeperking die eind 2018 aan het werk zijn gekomen via de banenafspraak, via de Wsw of via een beschutte werkplek onder de Participatiewet. Per saldo zijn over deze drie wettelijke kaders eind 2018 bijna 20% meer mensen aan het werk dan eind 2015. Het verlies aan baankans van 50% naar 30% heeft betrekking op een specifieke groep van 11.000 mensen die eind 2014 op de Wsw-wachtlijst stonden en focust op de periode 2015 en 2016.

Vraag 267

Onderschrijft u de conclusies van het SCP dat de baankans van mensen met een arbeidsbeperking door de Participatiewet is verslechterd van 50% naar 30%? Heeft u gegevens die iets anders aantonen?

Antwoord 267

Uit onderzoek van SCP uit 2018 blijkt dat mensen die eind 2014 op de Wsw-wachtlijst stonden in 2017 een baankans hadden van 30% waar dat voor de invoering van de Participatiewet 50% was. Het gaat hier om een specifieke groep van 11.000 mensen. Het onderzoek van het SCP focust op een beperkte periode, namelijk 2015–2016. Bij de eindevaluatie Participatiewet uitgevoerd door het SCP zullen actuelere cijfers beschikbaar worden gesteld en kijkt het SCP ook naar de huidige baankans van andere doelgroepen binnen de Participatiewet en vergelijkt deze baankans met de situatie van voor de invoering van de Participatiewet.

Vraag 268

Waarom is gekozen voor de beperkende voorwaarde dat het Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte werkloze Werknemers (IOAW)-recht alleen geldt voor personen die geboren zijn voor 1965?

Antwoord 268

Met de Wet werk en zekerheid is er voor gekozen de IOAW vanaf 2015 geleidelijk af te bouwen.

De gedachte hierachter is dat 50-plussers in principe voldoende kansen op de arbeidsmarkt hebben. De focus is daarom verlegd van bescherming naar activering en ondersteuning bij het vinden van nieuw werk, waarbij ook de sociale partners hun rol pakken. Dit past binnen de van-werk-naar-werk benadering die wordt voorgestaan en sluit aan bij de inspanningen gericht op verbetering van de positie van oudere werknemers conform de aanpak van de Beleidsagenda 2020 van de Stichting van de Arbeid.

Vraag 269

Hoe ontwikkelt de IOAW zich in aantallen personen en uitgaven als gekozen wordt om het recht toe te kennen aan personen van 55 jaar en ouder tot 2024?

Antwoord 269

De IOAW is een uitkering voor werkloze ouderen. Vanaf 2015 is de instroom beperkt tot mensen die vóór 1965 geboren zijn. Hierdoor daalt de instroom ieder jaar. In 2020 geldt een minimale leeftijd van 55 jaar. Wanneer we ook in de jaren na 2020 een minimumleeftijd van 55 jaar aanhouden, zal de instroom niet verder dalen. De uitgaven stijgen ten opzichte van de huidige raming.

Onderstaande tabellen tonen een grove inschatting van de veranderingen in aantallen en uitgaven als de minimumleeftijd constant op 55 jaar wordt gehouden vanaf 2020.

Aantallen x 1.000

2020

2021

2022

2023

2024

Huidig volume

23,3

22,3

21,4

20,4

19,7

Toename

0,9

2,4

4,3

6,0

Totaal

23,3

23,2

23,7

24,7

25,7

Uitgaven x € 1 mln

2020

2021

2022

2023

2024

Huidige stand

343,6

328,6

315,0

300,7

290,9

Toename

13,5

34,6

63,2

88,2

Totaal

343,6

342,1

349,6

363,9

379,0

Vraag 270

Hoe wordt bepaald of een onderneming levensvatbaar is voor de Bbz? Is dit hetzelfde (negatieve) criterium als voor de Wsnp?

Antwoord 270

De gemeente stelt vast of een onderneming levensvatbaar is als onderdeel van de beoordeling of de gemeente op basis van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) aan de ondernemer een (aanvullende) uitkering levensonderhoud en/of lening bedrijfskapitaal kan toekennen. Kort gezegd wordt getoetst of de verdiensten uit de onderneming – tezamen met de andere inkomsten in het huishouden – groot genoeg zijn om in het levensonderhoud van de ondernemer (en de anderen in het huishouden) te voorzien én om de voortgang van de onderneming te bewerkstelligen. Wanneer er sprake is van (in principe kortlopende) schulden kan, bij een levensvatbaar geacht bedrijf, vanuit het Bbz een saneringskrediet worden verstrekt. Vaak wordt voor de uitvoering van het levensvatbaarheidsonderzoek een extern deskundig bureau ingeschakeld of is er hiervoor gespecialiseerd personeel aangenomen. De vorm van het onderzoek is vrij. Divosa heeft een werkwijzer geschreven met handvatten bij het beoordelen van de levensvatbaarheid: https://www.divosa.nl/sites/default/files/publicatie_bestanden/werkwijzer_levensvatbaarheidsonderzoek_en_begeleiding_bbz_juni2013.pdf

De Wsnp is bedoeld voor natuurlijke personen. Daaronder vallen ook natuurlijke personen met een eenmanszaak, die bijvoorbeeld werken als zzp’er of vennoten van een VOF.

Een schuldenaar kan zelf een verzoek tot toelating tot de Wsnp bij de rechtbank indienen (artikel 284 Fw). Het verzoekschrift moet aan een aantal wettelijke eisen voldoen. Zo moet het verplicht een aantal gegevens bevatten, zoals een verklaring afgegeven door de gemeente, gemeentelijke kredietbank of een andere schuldhulpverlenende organisatie (artikel 285 Fw). Vervolgens beoordeelt de rechter of is voldaan aan gestelde voorwaarden voor toelating tot de Wsnp (art. 288 Fw). Een van deze voorwaarden is dat de schuldenaar de schulden niet kan betalen. In beginsel wordt een eigen bedrijf of beroep niet voortgezet tijdens de Wsnp. Een eigen bedrijf of zelfstandig beroep kan met toestemming van de rechter-commissaris alleen tijdelijk worden voortgezet om bijvoorbeeld lopende zaken af te handelen of een akkoord aan te bieden. Daarna dient de schuldenaar zijn activiteiten te stoppen en betaald werk in loondienst te zoeken.

De Wsnp kan dus aan de schuldenaar als natuurlijke persoon uitkomst bieden als de onderneming niet levensvatbaar wordt geacht.

Vraag 271

Hoe verhoudt de gepercipieerde detectiekans zich tot het aandeel mensen in de Participatiewet dat vrijgesteld denkt te zijn van verplichtingen?

Antwoord 271

Er is hier sprake van twee verschillende dingen. In het onderzoek onder cliënten van de Participatiewet dat door de Inspectie van SZW in 2017 is uitgevoerd, geeft 62% van de cliënten aan vrijgesteld te zijn van de arbeids- en re-integratieverplichtingen. Het gaat hier om de ervaring van bijstandsgerechtigden. Dit is iets anders dan de formele ontheffing van verplichtingen die geregistreerd wordt.

Onder de gepercipieerde detectiekans wordt verstaan: de door bijstandsgerechtigde ingeschatte kans dat de uitkeringsinstantie het merkt als een persoon zijn of haar verplichtingen niet nakomt. In 2018 gaat het hierbij om de gepercipieerde detectiekans van 72% ten aanzien van de verplichtingen in de Participatiewet. Dit percentage omvat naast de arbeids- en re-integratieverplichtingen ook de inlichtingenplicht. De gepercipieerde detectiekans ziet dus op meer verplichtingen dan het percentage met betrekking tot de ervaren vrijstelling. Bovendien wordt in het onderzoek ook niet meegenomen of de bijstandsgerechtigde zelf een ontheffing van verplichtingen ervaart.

De twee verschillende cijfers staan zodoende niet in relatie tot elkaar.

Vraag 272

Wat is het niet-gebruik van de Toeslagenwet?

Antwoord 272

Er zijn geen gegevens bekend over hoeveel uitkeringsgerechtigden (mogelijk) recht hebben op een toeslag op de werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering en deze toeslag niet hebben aangevraagd.

Of iemand recht heeft op een toeslag op grond van de Toeslagenwet heeft te maken met de leefsituatie van de uitkeringsgerechtigde. Inkomsten van de uitkeringsgerechtigde en van de eventuele partner of medebewoners, worden meegenomen bij het bepalen of een uitkeringsgerechtigde recht heeft op de toeslag.

Vraag 273

Hoeveel mensen hebben een WIA-uitkering onder bijstandsniveau?

Antwoord 273

Deze beleidsinformatie is niet op korte termijn leverbaar door UWV. De reden hiervoor is dat de reguliere beleidsinformatie niet uitgesplitst is naar dit detailniveau.

Vraag 274

Kunt u uitsplitsen hoeveel mensen een WIA-uitkering krijgen onder de € 1.000, tussen € 1.000- € 1.500, € 1.500- € 2.000, € 2.000- € 2.500, € 2.500- € 3.000 en € 3.000 of meer? Kunt u uw antwoord deze keer wel uitsplitsen naar WGA en Inkomensvoorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA)?

Antwoord 274

Deze beleidsinformatie is niet op korte termijn leverbaar door UWV. De reden hiervoor is dat de reguliere beleidsinformatie niet uitgesplitst is naar dit detailniveau.

Vraag 275

Is het maximummaandloon voor de WIA aangepast de afgelopen jaren, afgezien van indexering? Klopt het dat het maximale bedrag dat aan WIA ontvangen kan worden per maand nu € 3.538 bedraagt? Kunt u dit uitsplitsen naar WGA en IVA?

Antwoord 275

Het maximummaandloon voor de WIA is de afgelopen jaren afgezien van indexering niet aangepast. Het maximale bedrag dat aan IVA kan worden ontvangen bedraagt € 3.538,18. De eerste 2 maanden bedraagt het maximale bedrag dat in de loongerelateerde fase aan WGA kan worden ontvangen € 3.538,18, daarna bedraagt het maximale bedrag dat aan WGA kan worden ontvangen € 3.302,30.

Vraag 276

Hoeveel mensen met een WIA-uitkering ontvangen een maandbedrag van € 3.200 of meer? Hoeveel ontvangen deze mensen tezamen? Kunt u dit uitsplitsen naar WGA en IVA?

Antwoord 276

Deze beleidsinformatie is niet op korte termijn leverbaar door UWV. De reden hiervoor is dat de reguliere beleidsinformatie niet uitgesplitst is naar dit detailniveau.

Vraag 277

Hoeveel mensen met een WIA-uitkering ontvangen een uitkering van € 3.000 of meer? Hoeveel ontvangen deze mensen tezamen? Kunt u dit uitsplitsen naar WGA en IVA?

Antwoord 277

Deze beleidsinformatie is niet op korte termijn leverbaar door UWV. De reden hiervoor is dat de reguliere beleidsinformatie niet uitgesplitst is naar dit detailniveau.

Vraag 278

Wat is er sinds het regeerakkoord precies aan mutaties geweest van de Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof)-premie?

Antwoord 278

Het regeerakkoord dateert van oktober 2017. Besluitvorming over de Aof-premie voor 2018 heeft dus onder het vorige kabinet plaatsgevonden. Onder het huidige kabinet heeft de Aof-premie zich als volgt ontwikkeld:

 

2018

2019

2020

Aof-basispremie

6,27%

6,46%

6,77%

Mutatie ten opzichte van 2018

 

0,19%

0,50%

waarvan

     

Regeerakkoord

 

0,14%

0,11%

Compensatie voor lagere groei zorgpremies

 

0,06%

0,23%

Compensatie hogere Whk-premie

 

– 0,01%

– 0,03%

Verplaatsen WGA-Vangnet vanuit AWF

   

0,10%

Verplaatsen compensatieregeling TV vanuit AWF

   

0,10%

De Aof-basispremie (exclusief de opslag voor kinderopvang van 0,5 procentpunt) is sinds 2018 met een half procentpunt gestegen. Voor een deel komt dat door maatregelen die in het regeerakkoord zijn afgesproken op het terrein van sociale zekerheid, het pakket bedrijfsleven en het milieupakket bedrijven.

Tijdens de kabinetsperiode is het Aof-premietarief een aantal keer gebruikt om de lager dan verwachte ontwikkeling van de zorgpremies te compenseren. Volgens de regels van het inkomstenkader moet immers worden vastgehouden aan de afgesproken beleidsmatige lastenontwikkeling. Als de zorgpremies minder stijgen dan verwacht dan is dat een lastenverlichting voor burgers en bedrijven. Voor bedrijven is deze gecompenseerd via een hogere Aof-premie. Het omgekeerde geldt voor de Whk-premie. Die stelt UWV zelfstandig vast, en deze is afgelopen 2 jaar iets hoger uitgevallen dan verwacht. Daarom wordt de Aof-premie iets lager vastgesteld. Ten tijde van de begroting 2020 van SZW was de kleine stijging van de Whk-premie voor 2020 nog niet definitief bekend, en werd er gerekend met een Aof-basispremie van 6,79 procent.

Tot slot zijn er een paar verschuivingen geweest tussen verschillende sociale fondsen. Zo wordt de compensatieregeling voor de transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid vanaf 2020 gefinancierd vanuit het Aof, en niet langer uit het AWf. Daarvoor is de AWf-premie verlaagd, en de Aof-premie verhoogd. Hetzelfde geldt voor het overhevelen van de WGA-staartlasten vanuit de sectorfondsen naar het Aof. De ontwikkeling van de Aof-premie geeft dus slechts een gedeeltelijk beeld van de totale beleidsmatige lastenontwikkeling voor bedrijven. De totale ontwikkeling van de beleidsmatige lastenontwikkeling wordt in de Miljoenennota toegelicht, onder andere in internetbijlage 3 over het inkomstenkader.

Vraag 279

Welk aandeel mensen in de WGA heeft dit jaar een re-integratiegesprek gehad?

Antwoord 279

Mensen met een WGA-uitkering die niet onder een eigenrisicodrager vallen hebben recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. De Minister van SZW heeft met ingang van 2017 met UWV afspraken gemaakt over de WGA-dienstverlening aan deze groep. Het UWV-werkbedrijf zet de eerste vijf jaar na instroom actief, persoonlijke ondersteuning in. Voor een deel van de WGA80/100 populatie is echter vanwege medische redenen inzet van re-integratie nog niet opportuun. Deze groep blijft in beeld bij de divisie sociaal medische zaken. De overige mensen met een WGA-uitkering die niet onder een eigen risicodrager vallen, kunnen op eigen verzoek ondersteuning ontvangen door UWV. Uit de kwantitatieve informatie bij het achtmaandenverslag blijkt dat ultimo augustus 195.215 mensen een WGA-uitkering hebben, waarvan 168.787 mensen niet onder een eigenrisicodrager vallen en dus aanspraak kunnen maken op ondersteuning bij arbeidsinschakeling door UWV. Eind augustus 2019 maken 77.610 WGA’ers gebruik van deze persoonlijke ondersteuning bij arbeidsinschakeling (46%).

De Minister van SZW heeft gelijktijdig met UWV prestatieafspraken gemaakt over het minimumniveau van deze dienstverlening (gemiddeld 1.8 gesprekken) en het aandeel Wajongers waar UWV minimaal een re-integratiegesprek mee heeft gevoerd. UWV rapporteert sinds 2017 hierover in haar viermaanden-, achtmaanden- en jaarverslag. In de eerste acht maanden van 2019 heeft UWV met 94% van de WIA/WGA klanten minimaal één keer contact gehad (Bron: UWV, Achtmaandenverslag 2019). In 2018 heeft UWV met 93% van alle WIA/WGA klanten minimaal één gesprek gehad (UWV Jaarverslag 2018).

Vraag 280

Welk aandeel mensen in de IVA heeft dit jaar een re-integratiegesprek gehad?

Antwoord 280

UWV voert met mensen met een IVA-uitkering geen re-integratiegesprekken. Mensen met een IVA-uitkering zijn duurzaam en volledig arbeidsongeschikt. Mensen met een IVA-uitkering hebben daarom geen recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling door UWV.

Vraag 281

Is er ook budget beschikbaar voor het scholingsexperiment WGA? Wordt hier ook gekeken naar eerdere aangedragen oplossingen, zoals het behalen van een rijbewijs, een startkwalificatie of een Erkenning van Verworven Competenties (EVC)?

Antwoord 281

Ja. Met het regeerakkoord is hiervoor in totaal € 30 miljoen beschikbaar gekomen. In het najaar van 2019 start UWV in samenwerking met SZW de verdere voorbereiding en nader onderzoek. Eerder aangedragen oplossingen worden daarbij bezien (Tweede Kamer, 29 544, nr. 922).

Vraag 282

Wat wordt bedoeld met het WIA-arbeidsongeschiktheidscriterium wordt aangepast voor mensen die met loonkostensubsidie werken in de Participatiewet?

Antwoord 282

Met de Participatiewet is loonkostensubsidie (LKS) geïntroduceerd voor mensen die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen. In de normale WIA-systematiek worden deze werknemers bij ziekte altijd volledig arbeidsongeschikt verklaard, omdat zij geen regulier werk kunnen verrichten op WML-niveau. Bij de invoering van de Participatiewet is daarom aangegeven dat bij het bepalen van het arbeidsongeschiktheidspercentage in de WIA rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat een werknemer met loonkostensubsidie heeft gewerkt (Bron Staatsblad 2014, nr. 270). Het is om uitvoeringstechnische redenen nog niet mogelijk gebleken een ander WIA-criterium te hanteren voor werknemers die met loonkostensubsidie hebben gewerkt.

Vraag 283

Hoeveel mensen maakten in de afgelopen vijf jaar gebruik van de WIA, Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), WAO en de Toeslagenwet?

Antwoord 283

Bestand in uitkeringen (x 1.000 ultimo)

2014

2015

2016

2017

2018

IVA

61

72

85

98

113

WGA

148

158

168

179

190

WAO

343

315

293

273

254

WAZ

17

15

14

12

11

TW

205

198

155

103

105

Bron: Jaarverslag SZW 2018

NB: Het is niet mogelijk om het aantal uitkeringen in de tabel bij elkaar op te tellen. Mensen die recht hebben op een uitkering op grond van de TW kunnen ook recht hebben op een uitkering op grond van de WIA, WAO of WAZ.

Vraag 284

Op basis van welke aannames worden de ramingen voor de IVA en WGA berekend?

Antwoord 284

De realisatiecijfers van UWV over het jaar 2018 en de eerste 4 maanden van 2019 vormen het startpunt voor de raming van de uitkeringslasten in de IVA en de WGA voor het begrotingsjaar 2020. Vervolgens worden instroom, uitstroom en doorstroom (van de WGA naar de IVA) geraamd om zo te komen tot het aantal uitkeringen in 2020. Hierbij maken we gebruik van instroom-, uitstroom- en doorstroomkansen die gebaseerd zijn op gegevens uit afgelopen jaren. We houden rekening met de omvang en samenstelling van de beroepsbevolking. Ook ontwikkelingen in de AOW-leeftijd worden in de raming meegenomen.

Vraag 285

Wat is de reden dat er geen raming van het aandeel werkenden in de WGA is opgenomen?

Antwoord 285

Het aandeel werkenden in de WGA maakt geen onderdeel uit van de raming van de uitkeringslasten. Het aanvaarden van werk kan -afhankelijk van de hoogte van de verdiensten- zowel leiden tot verhoging als verlaging van de uitkeringslasten. Het aandeel werkenden in de WGA heeft daarmee geen voorspellende waarde voor de uitkeringslasten.

Vraag 286

Kunt u aangeven waar de mensen uit de IVA, WGA en WAO naar uitstromen (werk, bijstand, etc.)?

Antwoord 286

In 2018 zijn circa 10.000 WGA-uitkeringen beëindigd. Hiervan zijn grofweg 4.000 uitkeringen beëindigd wegens herstel, 4.000 wegens pensionering, 1.000 vanwege overlijden en 1.000 vanwege overige redenen. Hoe vaak herstel naar werk plaatsvindt of naar de bijstand is niet precies bekend.

Voor de IVA gold in 2018 dat uitstroom nagenoeg volledig plaatsvond naar pensionering (circa 5.000) of door overlijden (circa 3.000). Herstel vond maar sporadisch plaats vanuit de IVA.

Voor de WAO gold in 2018 dat uitstroom voor het overgrote deel plaatsvond naar pensionering (circa 16.000). Overlijden vanuit de WAO vond circa 3.000 keer plaats. Herstel kwam circa 300 keer voor.

Vraag 287

Wat verklaart de teruggelopen incassoratio sinds 2016?

Antwoord 287

De incassoratio geeft weer in hoeverre vorderingen die zijn ontstaan zijn geïncasseerd ultimo 2018. Concreet betekent dit dat voor een vordering die is ontstaan in 2016 drie jaar zijn geweest om te incasseren, een vordering uit 2017 twee jaar en voor een vordering uit 2018 één jaar. Deze ratio loopt dus terug omdat er voor vorderingen die zijn ontstaan in 2016 meer tijd is geweest om ze te incasseren dan voor vorderingen die later zijn ontstaan.

Vraag 288

Hoeveel zelfstandigen hebben zich in 2019 verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid? Hoeveel procent van de zelfstandigen is dat?

Antwoord 288

Zelfstandigen kunnen zich verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid bij private verzekeraars of als vrijwillig verzekerden bij UWV. Er zijn geen gegevens over het aantal verzekerde zelfstandigen in 2019.

Blijkens de meest recente CBS-informatie was in 2016 19% van de 895 duizend zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) met een hoofdinkomen uit ondernemerschap verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid.

Het aantal vrijwillig verzekerden via UWV (voor zowel WAO, WIA, WW en ZW) bedroeg op 1 januari 2018 ongeveer 17.800 personen.

Vraag 289

Hoeveel premie wordt door zelfstandigen betaald aan Arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV)? Hoeveel is dat in totaal en hoeveel gemiddeld?

Antwoord 289

De premie aan private verzekeraars is afhankelijk van diverse factoren, zoals het beroep, de leeftijd en de gezondheid van de zelfstandige, de wachttijd en de gewenste hoogte van een uitkering. Er zijn bij SZW geen gegevens bekend over de afgedragen premies aan private verzekeraars.

De premie voor de vrijwillige verzekeringen wordt jaarlijks door UWV vastgesteld. Voor 2019 is de WW-premie vastgesteld op 1,80%. De premie WAO is 6,46%, de premie WIA is 7,23% en de premie ZW is 8,25%. Bij de ZW-premie geldt voor alfahulpen een afwijkende premie van 7,40%.

Door het verschil tussen private en publieke verzekering kunnen er geen gemiddelde premiebedragen worden gegeven.

Vraag 290

Hoeveel zelfstandigen ontvangen een uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid? Hoeveel procent is dat?

Antwoord 290

Er zijn bij SZW alleen gegevens bekend over de uitkeringsgraad van publiek verzekerde zelfstandigen die een WIA- of WAO-uitkering ontvangen.

Van de vrijwillig verzekerden via UWV is bekend dat ruim 2.100 personen een WIA- of WAO- uitkering ontvangen. Dit is ongeveer 14% van alle vrijwillig verzekerden.

Vraag 291

In welke regeling komt een zelfstandige die nu arbeidsongeschikt raakt terecht?

Antwoord 291

Een zelfstandige kan zich verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid via private verzekeraars of via de vrijwillige verzekering van UWV. Als de zzp’er die arbeidsongeschikt is geworden aan de voorwaarden voldoet, kan hij of zij een uitkering ontvangen van de private verzekeraar of, als een vrijwillige verzekering is afgesloten, een Ziektewet- of WIA-uitkering van UWV. Als de arbeidsongeschikte zzp’er geen recht heeft op de arbeidsongeschiktheidsuitkering kan hij of zij, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, een beroep doen op de Participatiewet, het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) of de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ).

Vraag 292

Welke criteria worden gehanteerd voor subsidies voor scholing en re-integratie van personen met een arbeidsbeperking en scholingsbelemmering?

Antwoord 292

Over de opzet, deelnemers, uitvoering en resultaten van de Subsidieregeling voor scholing en re-integratie van personen met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen (ESB-regeling) is de Kamer geïnformeerd bij brieven van 9 juni 2017 (Tweede Kamer, 31 224, nr. 39) en 12 juli 2018 (Tweede Kamer, 31 224, nr. 41).

Resumerend voorziet de ESB-regeling in subsidie van UWV aan enkele scholingsinstituten, die met deze subsidie scholings- en arbeidstoeleidingstrajecten bieden aan jongeren die ernstige belemmeringen ondervinden bij het volgen van scholing vanwege één of meer specifieke sociaal-medische beperkingen: meervoudige problematiek waarvan gedragsproblemen een onderdeel zijn, een beperkte, onvoorspelbare en discontinue belastbaarheid en/of een zware zorg- en begeleidingsbehoefte (zoals een zorgindicatie, therapie, handicapmanagement). Verder stelt de ESB-regeling als voorwaarden dat de jongeren 18 jaar of ouder zijn, nog geen basisberoepskwalificatie (MBO2-diploma of hoger) hebben, alsmede geen WIA- of WAO-uitkering. Na afloop van het traject moeten de jongeren in staat zijn tot het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid. Maar zij staan er dan niet meteen alleen voor, omdat de scholingsinstelling waar ze hun traject hebben gevolgd gehouden is om nazorg te bieden. Sinds 1999 wordt de ESB-regeling (en haar voorloper de REA-regeling) uitgevoerd door in grote lijnen steeds dezelfde scholingsinstituten: Bartiméus, Heliomare, Pluryn (verenigd als «REA College Nederland») en EEGA Plus.

De ESB-regeling biedt per kalenderjaar plaats aan ongeveer 220 deelnemers, ofwel een cohort, verdeeld over de scholingsinstituten. De deelnemers van een cohort doorlopen een traject van maximaal drie jaar en zeven maanden, de zogenoemde cohortperiode. De regeling kent een subsidieplafond van € 13,3 miljoen per cohortperiode (per jaar), gefinancierd vanuit het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten (Afj).

Wat betreft de resultaten haalt de helft van de deelnemers een diploma, waarvan 13% een crebo-erkend diploma, 27% een branche-erkend diploma en 10% haalt een ander diploma. Een derde (34%) van de deelnemers behaalt een door de branche erkend deelcertificaat. De helft van de deelnemers (51%) is na het scholingstraject geplaatst op betaald werk. In driekwart van de gevallen gaat het om een contract voor bepaalde tijd en twee derde van de deelnemers werkt minder dan 25 uur. Deelnemers die een opleidingsresultaat hebben gehaald komen vaker aan het werk dan degenen zonder. Gekeken naar de langere termijn blijkt dat voormalige deelnemers vaak veel verschillende dienstverbanden hebben gehad, waarbij het aandeel vaste dienstverbanden in de tijd toeneemt. Deelnemers gaan echter niet in de loop der tijd meer uren per week werken. Daarnaast is van 31% van de deelnemers die door de scholingsinstellingen als niet geplaatst werden gekenmerkt toch een dienstverband aangetroffen in de polisadministratie van UWV. Dit betekent dat nog een aanzienlijk deel van de jongeren aan het werk komt buiten de maximale trajectduur die mag meetellen voor de eindafrekening.

Zoals aangekondigd in de Kabinetsreactie op het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt (Tweede Kamer, 29 544, nr. 952) zal de Tweede Kamer dit najaar geïnformeerd worden over de verkenning vervolg ESB-regeling.

Vraag 293

Welke (type) organisaties krijgen subsidie en voor hoeveel mensen creëren zij daarvan een succesvolle re-integratie?

Antwoord 293

Zie het antwoord op vraag 292.

Vraag 294

In hoeverre is subsidie mogelijk in de vorm van zelf te besteden scholingsbudget of -tegemoetkoming voor arbeidsbeperkten?

Antwoord 294

Zie het antwoord op vraag 292.

Vraag 295

Wat wordt er verstaan onder een geïntegreerd taakstellend re-integratiebudget? Wat betekent het voor de omvang van dit budget als de instroom hoger wordt?

Antwoord 295

UWV krijgt één geïntegreerd re-integratiebudget waarmee het voorzieningen en re-integratietrajecten verzorgt voor arbeidsongeschikten. Voor 2015 waren voorzieningen en re-integratietrajecten apart begroot en was het budget niet geïntegreerd. Dat het budget taakstellend is betekent dat UWV een inspanningsverplichting heeft om het budget in zijn geheel te benutten maar ook om binnen het budget te blijven. De omvang van het budget wordt in overleg tussen SZW en UWV bepaald. UWV raamt de behoefte op basis van het bestand van de doelgroep arbeidsongeschikten.

Omdat voorzieningen een recht zijn wordt eerst een deel van het budget voor voorzieningen separaat gezet. Het overige budget wordt besteed aan trajecten. Als er meer voorzieningen nodig zijn door meer WGA-instroom gaat dit in theorie ten koste van het aantal re-integratietrajecten. In de praktijk wordt de omvang van het budget voldoende groot geraamd. Wanneer mogelijke knelpunten ontstaan door grote veranderingen in de kenmerken van de doelgroep wordt overlegd met UWV.

Vraag 296

Is het aantal Wajong-ontvangers met een uitkering op basis van de Toeslagenwet toegenomen ten opzichte van vorig jaar? Wat is de ontwikkeling van het niet-gebruik van de Toeslagenwet voor deze groep?

Antwoord 296

Ja. Uit de kwantitatieve informatie 2018 van UWV blijkt dat het aantal lopende Wajong-uitkeringen met een aanvullende toeslag op grond van de Toeslagenwet ultimo 2018 21.020 bedroeg. Ultimo 2017 was dit aantal 13.410. Het is niet mogelijk om uitspraken te doen over het niet-gebruik van de Toeslagenwet door Wajongers. Of iemand recht heeft op een toeslag op grond van de Toeslagenwet heeft te maken met de leefsituatie van de betrokkene. Inkomsten van de betrokkene en van de eventuele partner of de persoon waarmee de betrokkene een gezamenlijke huishouding heeft, worden meegenomen bij het bepalen of een betrokkene recht heeft op de toeslag.

Vraag 297

In hoeverre is het zo dat Wajongers die nu vallen onder de oWajong, Wajong2010 of Wajong2015 er financieel op achteruit gaan onder het wetsvoorstel Vereenvoudiging regelgeving Wajong als ze hun baan verliezen en niet binnen twee maanden een nieuwe baan vinden?

Antwoord 297

Om ervoor te zorgen dat werkende Wajongers er zeker van kunnen zijn dat zij door de inwerkingtreding van het wetsvoorstel er niet op achteruit gaan is een overgangsregime ingesteld. Voor alle Wajongers die op het moment van inwerkingtreding werken, vergelijkt UWV de oude uitkering met de uitkering op basis van de nieuwe regels. Als de uitkering op basis van de nieuwe regels lager uit zou komen dan de oude uitkering, krijgt de Wajonger een garantiebedrag. Bijvoorbeeld als iemand nu in de Bremanregeling of in de voortgezette werkregeling zit.

De Wajonger blijft aanspraak maken op het garantiebedrag als hij of zij blijft werken in dezelfde baan met hetzelfde aantal uren of meer uren. Ook als de Wajonger wisselt van baan, blijft hij aanspraak maken op het garantiebedrag op het moment dat hij of zij weer aan het werk gaat en de uitkering onder de nieuwe regels lager is dan het garantiebedrag. Dit is het geval, conform het aangenomen amendement Stoffer en Baudet, zolang de tussenliggende periode minder dan 1 jaar is.

Het is niet mogelijk om te zeggen hoeveel mensen het risico lopen op inkomensachteruitgang na baanverlies van meer dan een jaar. Hiervoor is namelijk een inschatting nodig van het aantal mensen dat op 31 december 2020 werkt en inkomensondersteuning ontvangt die hoger is dan de inkomensondersteuning die de betreffende Wajonger op basis van de geharmoniseerde regeling zou gaan ontvangen. Bovendien is een inschatting nodig van het aantal Wajongers dat na inwerkingtreding van het wetsvoorstel zijn of haar baan verliest.

Vraag 298

Klopt het dat het gevolgen voor de uitkering kan hebben als een Wajonger via zijn werkgever gebruikmaakt van het individueel keuzebudget (IKB), aangezien het sociale verzekeringsloon (sv-loon) wordt verhoogd of verlaagd met het uitbetaalde IKB? Klopt het dat dit voor onwenselijke situaties kan zorgen, bijvoorbeeld een onterecht verlaagde Wajong-uitkering? Zijn er al maatregelen genomen op dit punt en/of welke maatregelen kunt u nemen om te voorkomen dat het IKB-budget voor verrassingen en problemen zorgt voor Wajongers?

Antwoord 298

Het individueel keuzebudget (IKB) is onderdeel van het sv-loon. Als een Wajonger via zijn of haar werkgever gebruik maakt van het IKB kan dit daarom gevolgen hebben voor de hoogte van de uitkering. Dit is niet anders dan bij andere arbeidsongeschiktheidswetten. UWV gaat hierbij uit van het gemiddelde uitbetaalde sv-loon over een beoordelingsperiode. Bij gespreide betalingen van het IKB worden mensen hierdoor niet geconfronteerd met terugvorderingen of nabetalingen.

Vraag 299

Welke financiële gevolgen heeft de Wet vereenvoudiging regelgeving Wajong en hoe worden deze financieel gedekt?

Antwoord 299

Het harmoniseren van de regels voor inkomensondersteuning leidt tot een hogere gemiddelde uitkering voor werkende Wajongers. De uitkeringslasten oWajong stijgen door de maatregel. Door het opheffen van de voortgezette werkregeling Wajong2010, waar naar verwachting alle werkende Wajongers in de Wajong2010 vanaf 2023 in zullen zitten, is sprake van een besparing op de uitkeringslasten Wajong2010. Per saldo zullen deze twee effecten vanaf 2025 tegen elkaar wegvallen. De vertraging in het vaststellen van de definitieve garantiebedragen leidt in 2021 eenmalig tot € 0,5 miljoen hogere uitkeringslasten. Het harmoniseren van de inkomensondersteuning voor werkenden in de oWajong en Wajong2010 betreft daarmee een tijdelijke intensivering van de uitkeringslasten: € 10 miljoen in 2021 en € 2 miljoen in 2022, € 1 miljoen in 2023 en € 0,4 miljoen in 2024. Na 2024 is de wijziging neutraal.

Het vervallen van de AO-klassen in de oWajong zorgt jaarlijks voor ongeveer € 3,8 miljoen aan extra uitkeringslasten. Dit zijn de kosten voor de hogere uitkering voor de mensen die niet werken en geen aanvulling vanuit de toeslagenwet ontvangen.

Daarnaast leidt het schrappen van de uitsluitingsgrond studerende in de Wajong 2015 tot een structurele toename van de uitkeringslasten van € 14,4 miljoen. De toename is voornamelijk toe te schrijven aan de vervroegde instroom in de Wajong2015 van leerlingen 18 t/m 20 jaar de clusters 1 t/m 3 in het voortgezet speciaal onderwijs. Dit zullen jaarlijks ongeveer 1.605 leerlingen zijn.

Ook leidt de implementatie van het wetsvoorstel tot een incidentele intensivering op de uitvoeringskosten van cumulatief circa € 11 miljoen in 2019 tot en met 2022. Vanaf 2022 gaat het om een toename van de uitvoeringskosten met € 0,22 miljoen structureel.

De maatregelen uit het wetsvoorstel vereenvoudiging regelgeving Wajong zijn binnen de begroting gedekt. Hiervoor is geen specifiek dossier aan te wijzen. Voor de bij de stemmingen over het wetsvoorstel aangenomen amendementen is dit wel het geval. De kosten van het amendement Stoffer en Baudet over het uitbreiden van de herlevingstermijn van het garantiebedrag naar 1 jaar bedragen circa € 47 miljoen cumulatief over de jaren 2021–2025. De dekking van dit amendement wordt naar evenredigheid verdeeld over begrotingsartikel 99 van de begroting van SZW in de periode 2021–2025. De kosten van het amendement Renkema en Gijs Van Dijk dat gericht is op het aanvullen van het totale inkomen voor Wajongers die werken met loondispensatie tot tenminste het functieloon bedragen € 2 miljoen structureel. De dekking wordt gevonden in begrotingsartikel 98 (Beleidsondersteunend budget DG SZI) van de begroting van SZW. Aan het aangenomen amendement Bruins c.s. dat regelt dat mensen met duurzaam geen arbeidsvermogen die een Wajong-uitkering ontvangen de mogelijkheid hebben om een beperkt inkomen uit arbeid te ontvangen, zonder dat dit direct volledig verrekend wordt met hun uitkering zijn geen financiële consequenties verbonden.

Vraag 300

Hoeveel mensen in de Wajong werken met een medisch urenbeperking?

Antwoord 300

Sinds de invoering van de Wajong2015 is ook de schattingsmethodiek voor de Wajong veranderd. Dit heeft tot gevolg dat geen urenbeperkingen meer worden vastgelegd. In de oWajong en Wajong2010 gebeurde dit wel. Alleen voor de oWajong is de informatie zodanig ontsloten dat een betrouwbare telling kon plaatsvinden. Van het aantal mensen in de oWajong kon op het moment van de eerste claimbeoordeling 94% voltijds werken, 1% kan maximaal 10 uur werken, 4% maximaal 20 uur en 1% maximaal 30 uur. Op basis van de beschikbare informatie bij UWV is niet te achterhalen in hoeverre dit overeenkomt met het aantal uren dat de betreffende Wajongers daadwerkelijk werken. Wel is bekend hoeveel uren Wajongers werkend bij een reguliere werkgever eind 2018 werkten. Eind 2018 werkten ruim 39.000 Wajongers bij een reguliere werkgever. Daarvan had 29% een aanstelling van maximaal 12 uur per week; 16% een aanstelling van meer dan 12 tot maximaal 20 uur; 17% een aanstelling van meer dan 20 tot maximaal 30 uur en 38% een aanstelling van meer dan 30 uur per week.

Vraag 301

Op basis van welke criteria ontvangen Wajong-gerechtigden een tegemoetkoming van € 179,81?

Antwoord 301

Mensen die op 1 juli recht hebben op een Wajong-uitkering ontvangen in september van dat jaar de tegemoetkoming arbeidsongeschikten.

Vraag 302

Is de tegemoetkoming voor Wajong-gerechtigden een eenmalige tegemoetkoming?

Antwoord 302

Nee. Het betreft een jaarlijkse tegemoetkoming.

Vraag 303

Waarom stijgt de instroom in de Wajong2015 als gevolg van het schrappen van het volgen van een studie als uitsluitingsgrond?

Antwoord 303

De toename is voornamelijk toe te schrijven aan de vervroegde instroom in de Wajong2015 van leerlingen van 18 t/m 20 jaar uit de clusters 1 t/m 3 in het voortgezet speciaal onderwijs. Dit zullen jaarlijks ongeveer 1.605 leerlingen zijn.

Vraag 304

Hoe kan het zo zijn dat de kerncijfers op het gebied van preventie in 2018 ten opzichte van de vorige jaren zoveel lager zijn?

Antwoord 304

De kerncijfers bij preventie (onderdeel fraude en handhaving) zijn voor de Wajong gebaseerd op het door Ipsos uitgevoerde onderzoek «Kennis der verplichtingen en detectiekans». Het rapport geeft geen inzicht in de achterliggende oorzaken waardoor de door Wajongers gepercipieerde detectiekans en de kennis van de verplichtingen de afgelopen jaren is afgenomen. Het Ministerie van SZW en UWV zijn met IPSOS in gesprek over de opvolging van het rapport. In het kader van het wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong wordt de informatievoorziening over de Wajong volledig herzien en worden alle Wajongers geïnformeerd over de wijzigingen in rechten en plichten die de wijzigingen met zich meebrengen.

Vraag 305

Kunt u een overzicht geven per onderdeel waar het re-integratiebudget voor jonggehandicapten aan uit is gegeven het afgelopen jaar? Kunt u een voorspelling doen hoeveel er per onderdeel uitgegeven zal worden onder het wetsvoorstel Vereenvoudiging regelgeving Wajong?

Antwoord 305

In 2018 is € 52 miljoen van het re-integratiebudget jonggehandicapten uitgegeven aan werkvoorzieningen voor Wajongers en € 33 miljoen uitgegeven aan de inkoop van re-integratietrajecten. Daarnaast is € 13 miljoen uitgegeven aan instellingen die in het kader van de ESB-regeling scholing verzorgen aan jonggehandicapten met een ernstige scholingsbelemmering.

Het is niet mogelijk om een voorspelling te doen hoe groot de impact is van het wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong op de benutting van het re-integratiebudget. UWV biedt reeds alle Wajongers met arbeidsvermogen persoonlijke ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Hiertoe zet zij activerende gesprekken in en koopt zij re-integratiedienstverlening in. Het wetsvoorstel beoogt (gepercipieerde) belemmeringen voor Wajongers om (meer) te gaan werken weg te nemen. Dit kan mogelijk effect hebben op het aantal succesvol afgeronde trajecten en het aantal plaatsingen op de arbeidsmarkt. Meer plaatsingen op de arbeidsmarkt kan leiden tot een toename van het aantal te verstrekken werkvoorzieningen (onder andere jobcoaching, vervoersvoorzieningen en intermediaire voorzieningen). Maar omdat dit ook afhankelijk is van andere factoren (conjunctuur, werkgevers, etc.) is het niet mogelijk om hierover een voorspelling te doen.

Vraag 306

Waardoor zijn de uitgaven aan de Inkomensvoorziening Oudere Werklozen (IOW) in 2020 zoveel hoger dan de realisatie in 2018?

Antwoord 306

Het verwachte aantal IOW-uitkeringsjaren (aantal uitkeringen vertaald naar voltijd) ligt in 2020 (8.300) hoger dan in 2018 (5.700). Hier zijn meerdere redenen voor. Dit heeft onder meer te maken met de stijging van de AOW-leeftijd. In 2020 ligt de AOW-leeftijd 4 maanden hoger dan in 2018. Dat betekent dat IOW’ers langer recht hebben op IOW. Daarnaast is de instroom in de IOW hoger bij een hogere AOW-leeftijd. Een andere factor die bijdraagt, is de verkorting van de maximale WW-duur van 38 naar 24 maanden. Dit leidt ertoe dat mensen eerder doorstromen van de WW naar de IOW, met als gevolg een hogere IOW-instroom. Het effect van de WW-duurverkorting Deze ontwikkeling is met name zichtbaar in 2019 en 2020.

Vraag 307

Hoeveel mensen kunnen gebruikmaken van het Ontwikkeladvies 45+?

Antwoord 307

Er is € 15 miljoen budget beschikbaar, goed voor 25.000 ontwikkeladviezen. Daarnaast is er € 2 miljoen beschikbaar voor (groeps)training aan leidinggevenden.

Vraag 308

Welke uitgaven vallen onder de post overige subsidies algemeen?

Antwoord 308

Van de post overige subsidies algemeen is, in relatie met het actieplan Perspectief voor vijftigplussers, in 2020 € 0,5 miljoen bestemd voor de Ambachtsacademie. De Ambachtsacademie verzorgt opleidingen voor wie in het kleinschalig ambacht aan de slag wil, veelal als zelfstandig ondernemer.

Daarnaast is in het kader van het Actieplan € 3,1 miljoen beschikbaar gesteld aan de sociale partners om gezamenlijk duurzame inzetbaarheid te bevorderen bij werkgevers en werknemers. 80% van deze subsidie is reeds als voorschot verstrekt, waardoor er in 2020 nog € 0,6 miljoen op de begroting staat.

Vraag 309

Hoeveel ontwikkeladviezen zijn er al tot besteding gekomen? Wat heeft dat opgebracht?

Antwoord 309

Er zijn (ultimo oktober 2019) ruim 25.000 registraties geweest van de start van een Ontwikkeladviestraject. Niet iedere registratie leidt ook tot een declaratie. Vooralsnog lijkt een klein deel, naar verwachting 10 tot 15%, van de trajecten niet door te gaan of haakt de deelnemer tussentijds af. Bovendien is er na registratie enige tijd nodig om het traject te doorlopen, het advies te verzorgen en de declaratie in orde te maken.

Ultimo oktober 2019 heeft voor ongeveer 16.000 Ontwikkeladviezen (een bedrag van € 9,6 miljoen) een declaratie plaatsgevonden.

De regeling Ontwikkeladvies kent ook een subsidieregeling voor (groeps-)training aan leidinggevenden, om hen beter in staat te stellen hun oudere werknemers te begeleiden in hun loopbaantraject. De vergoeding per traject bedraagt € 300 (voor individuele training) of € 900 (groepstraining). Dit onderdeel kent een kleiner aantal deelnemers. Voor dit onderdeel is tot nu toe een bedrag van bijna € 350.000 gedeclareerd.

De evaluatie van het Actieplan Ouderen werkloosheid, waar het Ontwikkeladvies onderdeel van is, wordt naar verwachting in het voorjaar van 2020 aan de Kamer gestuurd.

Vraag 310

Klopt het dat de compensatie voor het Dagloonbesluit uiteindelijk maar € 1 miljoen bedraagt?

Antwoord 310

Nee, dat klopt niet. In 2017 en 2018 is er respectievelijk € 92,9 miljoen en € 28,5 miljoen uitgegeven aan de Tijdelijke regeling aanpassing Dagloonbesluit. Voor 2019 is nog een restbedrag van € 1 miljoen geraamd.

Vraag 311

Waarom is de leeftijdsgrens van de IOW gebaseerd op het moment waarop iemand werkloos werd en niet op het moment waarop iemands WW- of WIA-uitkering afloopt?

Antwoord 311

Het (tijdelijke) vangnet IOW is ingevoerd naar aanleiding van het verkorten van de WW-duur van 5 jaar (60 maanden) naar 38 maanden. Deze verkorting van de WW-duur had het grootste effect bij oudere werklozen. Iemand die op z’n 60ste werkloos werd had tot aan zijn/haar pensioenleeftijd recht op een WW-uitkering. Door verkorting van de maximale duur van de WW-uitkering waren 60-jarigen, die eerst wel recht hadden op een WW-uitkering tot hun 65ste, vrij kort voor hun pensioenleeftijd alsnog aangewezen op een bijstandsuitkering, die een vermogens- en partnerinkomenstoets kende. Dat vond het kabinet een onevenredig zware teruggang in inkomenszekerheid voor deze groep, waarvan de arbeidsmarktkansen minder gunstig waren dan die van andere groepen.

Het baseren van de leeftijdsgrens van 60 jaar op de laatste dag van de maximale duur van de WW of de WGA zou betekenen dat ook uitkeringsgerechtigden die vóór hun 60ste jaar werkloos worden, aanspraak kunnen maken op een IOW-uitkering tot aan hun pensioengerechtigde leeftijd. Dat is niet de doelgroep die het kabinet beoogt. Het vangnet van de IOW is uitsluitend bedoeld voor de groep vanaf 60 jaar, gezien de minder goede arbeidsmarktkansen van deze groep als men eenmaal werkloos is geworden.

Daarnaast is het recht op een IOW-uitkering niet uitsluitend afhankelijk gemaakt van leeftijd. Om voor een IOW-uitkering in aanmerking te komen moet men tevens voldoen aan bepaalde voorwaarden ten aanzien van de voorafgaande WW-uitkering of WGA-uitkering. Het voldoen aan die voorwaarden wordt op het moment van instroom in de WW of WGA bepaald.

Het kabinet is van mening dat het vangnet IOW nog steeds nodig is en heeft daarom recent een wetsvoorstel dat ziet op verlenging van de IOW met 4 jaren en verhoging van de toetredingsleeftijd naar 60 jaar en 4 maanden bij uw Kamer ingediend.

Vraag 312

Op basis waarvan worden de ontvangsten onder het Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo) geraamd? Hoe verhouden deze ontvangsten zich tot andere sectoren waar de werkgever eigenrisicodrager is?

Antwoord 312

UWV raamt de ontvangsten onder het Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo). SZW neemt deze ramingen meerjarig over. Het bedrag in de begroting 2020 van € 253 miljoen komt uit de Juninota 2019 van UWV en wordt geraamd op basis van de verwachte omvang van de instroom in werkloosheid en de duur en hoogte van de uitkeringen van werklozen in de sector Overheid en Onderwijs.

Enkel werkgevers in de sector Overheid en Onderwijs zijn (verplicht) eigenrisicodrager voor de WW. UWV betaalt de werkloosheidsuitkering aan de werkloze en verhaalt deze op de werkgever waarbij de werkloosheid is ingetreden. Bijbehorende ontvangsten lopen via het Ufo. Andere werkgevers kunnen geen eigenrisicodrager zijn voor de WW. Van hen heeft SZW dus geen WW-ontvangsten door verhaal.

Vraag 313

Wat is het gemiddelde re-integratiebudget per persoon in de WW?

Antwoord 313

Er is geen sprake van re-integratiebudgetten in de WW. Dienstverlening in het kader van re-integratie wordt automatisch aangeboden aan WW-gerechtigden met een zwakke of matige arbeidsmarktpositie. Binnen de dienstverlening wordt op basis van maatwerk gekeken naar de individuele behoeften van de WW-gerechtigde, en wat voor inzet daarbij nodig is.

De dienstverlening WW wordt door UWV intern aangeboden en niet ingekocht. De kosten van de dienstverlening zijn gelijk aan de eigen personeelskosten binnen de opdracht.

Voor verdere toelichting zie het antwoord op vraag 24.

Vraag 314

Wat is het gemiddelde budget per persoon naar kwadrant van de werkverkenner?

Antwoord 314

Er is geen sprake van re-integratiebudgetten in de WW. Voor verdere toelichting zie het antwoord op vraag 24 en 313.

UWV biedt aan WW-gerechtigden met een zwakke of matige arbeidsmarktpositie intensieve dienstverlening aan. Binnen de WW-dienstverlening wordt gekeken naar de situatie en behoeften op individueel niveau. Vanwege deze focus op maatwerk binnen de WW-dienstverlening varieert het aantal uren dienstverlening per WW-gerechtigde. Over het algemeen geldt dat hoe groter iemands afstand tot de arbeidsmarkt (Werkverkennerscore) is, hoe hoger het aantal uren dienstverlening dat diegene ontvangt. Individuele gevallen kunnen hier echter van afwijken.

Vraag 315

Hoeveel mensen zijn er per kwadrant van de werkverkenner?

Antwoord 315

Een benadering van de onderverdeling per kwadrant in procenten is als volgt:

  • 10% scoort 0–25% kans op werkhervatting binnen een jaar

  • 26% scoort 26–50%

  • 37% scoort 51–75%

  • 27% scoort 76–100%

Deze onderverdeling is een gewogen schatting en geen actuele meting. In de bedrijfsprocessen hanteert UWV geen onderscheid in kwadranten, maar bekijkt per persoon de kans op werkhervatting die uit de Werkverkenner komt en past daarop de dienstverlening aan.

Vraag 316

Hoeveel scholingsbudget is er beschikbaar per WW-gerechtigde?

Antwoord 316

De regeling tijdelijk scholingsbudget WW voorziet in bekostiging van 100% van de werkelijke kosten van de scholing, tot een maximum van € 2.500, inclusief BTW, per WW-gerechtigde. In individuele gevallen kan UWV afwijken van het maximumbedrag van € 2.500 per WW-gerechtigde. Voorwaarde hiervoor is dat de uitkeringsgerechtigde naar genoegen van UWV de arbeidsmarktrelevantie inzichtelijk kan maken en dat hij of zij met de scholing een reële kans maakt op werk.

Wanneer de scholing onderdeel uitmaakt van een arrangement met een werkgever, waarbij de werkgever zekerheid heeft gegeven dat een concrete baan na de scholing wordt vervuld, kan UWV ook afwijken van het maximumbedrag van € 2.500 per WW-gerechtigde.

Vraag 317

Aan welke eisen moet iemand voldoen om scholing te kunnen volgen in de WW?

Antwoord 317

Voor WW-gerechtigden is het in principe altijd mogelijk om op eigen initiatief scholing te volgen. Indien UWV scholing noodzakelijk acht om werk te hervatten, kan de werkzoekende het traject volgen met behoud van uitkering en vrijstelling van de sollicitatieplicht. De scholingsregeling WW stelt dat een scholingstraject noodzakelijk is als de werkzoekende zonder scholing geen passende baan kan uitoefenen en het desbetreffende traject relevant is voor de arbeidsmarkt.

Als UWV scholing niet noodzakelijk acht, kan de werkzoekende alsnog een scholingstraject volgen met behoud van uitkering. Er geldt dan echter geen vrijstelling van de sollicitatieplicht. De werkzoekende moet dus beschikbaar blijven voor de arbeidsmarkt en eventueel stoppen met scholing als er een passende baan is en de scholing niet kan worden gevolgd naast het werk.

Vraag 318

Wat zijn de regels rondom scholing in de WW? Moet iemand altijd beschikbaar blijven voor de arbeidsmarkt, ook als het omscholing naar een krapteberoep betreft?

Antwoord 318

Zie antwoord op vraag 317 voor een verdere toelichting op de scholingsregels WW.

Vraag 319

Hoe is de meest recente ontwikkeling van nieuwe WW-uitkeringen aan personen boven de 55 jaar? Is deze opwaarts of dalend?

Antwoord 319

Het aantal nieuwe uitkeringen van 55-plussers is in 2019 met 3,7% gestegen ten opzichte van 2018. Het aantal nieuwe uitkeringen betreft alleen de instroom in de WW. De uitstroom van 55-plussers is in diezelfde periode nog sterker gestegen. Hierdoor is het aantal lopende WW-uitkeringen dat aan 50-plussers wordt verstrekt in september 2019 met meer dan 20.000 gedaald ten opzichte van september 2018 (van 99.000 naar bijna 78.000).

Vraag 320

Wat is precies uitgegeven aan subsidies in 2019 op onder artikel 5? Welk deel van het budget is doorgeschoven naar 2020? Komt dit naar verwachting ook in 2020 ter besteding?

Antwoord 320

De verwachting is dat in 2019 € 0,7 miljoen uitgegeven wordt aan de eindafrekeningen van de subsidieregeling Experimenten Meer Werk en € 0,8 miljoen aan de bevoorschotting van Ambacht Nederland voor het project Werkgelegenheidskansen benutten in kleinschalig ambacht via de Ambachtsacademie.

Daarnaast is er in 2019 € 15,3 miljoen beschikbaar gesteld voor de tijdelijk subsidieregeling Ontwikkeladvies voor Vijfenveertigplussers, waarvan eind september € 5,2 miljoen is uitgegeven.

Omdat de looptijd van de regeling begin 2019 is verlengd sluit deze later (op 10 januari 2020) dan oorspronkelijk was opgenomen in de regeling. Hierom is € 1,6 miljoen doorgeschoven naar 2020.

Vraag 321

Wie beoordeelt en hoe wordt beoordeeld of iemand lijdt aan maligne mesothelioom of asbestose?

Antwoord 321

Of iemand de ziekte maligne mesothelioom of asbestose heeft, wordt in het reguliere medische circuit beoordeeld. Wanneer deze persoon vervolgens een aanvraag indient voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014 (TAS) of de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom en asbestose (TNS) vindt bevestiging van de gestelde diagnose plaats door het NMP (Nederlands Mesotheliomen Panel) of de expertgroep van het NVALT (Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose). In het NMP, dat zich vooral richt op weefselonderzoek, zitten patholoog-anatomen. In de expertgroep van het NVALT zijn dat longartsen. De bevestiging van de diagnose gebeurt op basis van bestaande medische informatie. Er wordt derhalve geen nieuw medisch onderzoek gedaan.

Vraag 322

Wat zou het kosten om voor het aanvullend geboorteverlof te kiezen voor een bodem op het niveau van het minimumloon? Krijgt iemand alsnog een uitkering ter hoogte van het minimumloon als hij of zij met 70% van zijn of haar loon onder het minimumloon uitkomt?

Antwoord 322

De Minister van SZW is niet voornemens om een aanvulling op de uitkering te verstrekken indien de betrokken werknemer met de uitkering onder het niveau van het minimumloon uitkomt. Zoals in de memorie van toelichting bij de Wet invoering extra geboorteverlof (WIEG) is aangegeven, is de Minister van SZW van mening dat ook van de werknemers die het verlof genieten een financiële bijdrage mag worden verwacht. Deze bijdrage komt tot uiting in de vermindering van de inkomsten met 30%. Met de uitkering van 70% van het (maximum)dagloon geeft de Minister van SZW een substantiële compensatie voor de gederfde inkomsten (Tweede Kamer, 34 967, nr. 3).

Daarnaast geldt dat er geen betrouwbare gegevens beschikbaar zijn over het door de individuele werknemer gewerkte aantal uren. Dit gegeven zou wel nodig zijn om de uitkering te kunnen relateren aan het minimumloon op weekbasis. Het is immers anders de vraag of de uitkering onder het niveau van het minimumloon uitkomt bij een voltijdwerkweek, of dat de oorzaak hiervan gelegen is in het feit dat men in deeltijd werkt. In het laatste geval, als men bijvoorbeeld 3 dagen werkt, zou het niet rechtvaardig zijn om de uitkering op te hogen tot het niveau van het volledige minimumloon op weekbasis, maar zou een uitkering van 3/5 deel van het minimumloonniveau moeten volstaan.

Nu betrouwbare gegevens om de hoogte van de aanvulling te berekenen ontbreken en een variant met een bodem dus onuitvoerbaar is, ligt het maken van een raming van de kosten van de aanvullingen niet in de rede.

Vraag 323

Wat zijn de opbrengsten van de campagnes tegen zwangerschapsdiscriminatie tot nu toe?

Antwoord 323

In het najaar van 2017 was er de deelcampagne zwangerschapsdiscriminatie als onderdeel van de meerjarige koepelcampagne «Zet een streep door discriminatie». Deze deelcampagne was gericht op werkgevers en werd relatief laag gewaardeerd door deze doelgroep. In 2018 en 2019 is de bewustwordingsactie «Baby en Baan» ingericht op Facebook, gericht op het vergroten van bewustwording van werkende en werkzoekende vrouwen in de vruchtbare leeftijd over hun rechten op het gebied van zwangerschap en jong ouderschap. Een effectmeting is niet beschikbaar. Wel heeft het uitvoerend bureau laten weten dat de bewustwordingsactie circa 950.000 vrouwen heeft bereikt.

Informatie over rechten bij zwangerschap is bijgevoegd bij de Engelstalige GroeiGids van de GGD en wordt nog opgenomen in de GroeiGids App. Aanvullend wordt met partnerorganisaties ingezet op het bereiken van zwangere vrouwen op plaatsen waar zij zich logischerwijs bevinden. In 2020 zal wederom binnen de campagne tegen arbeidsmarktdiscriminatie aandacht zijn voor zwangerschapsdiscriminatie.

Vraag 324

Wat zijn de werkhervattingskansen in de Ziektewet (ZW) en WIA uitgesplitst naar eigenrisicodragerschap?

Antwoord 324

Hierover zijn beperkt gegevens beschikbaar.

Van de personen die meer dan 65% van hun maatmaninkomen kunnen verdienen en de Ziektewet om die reden is beëindigd, werken ongeveer vier op de tien na twee jaar (UWV-monitor ontwikkelingen Ziektewet 2010–2016). Onder maatmaninkomen wordt verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen.

Het merendeel van de publiek verzekerde WGA-gerechtigden die werken op het moment van de claimbeoordeling, werkt één jaar later nog of weer. Van de publiek verzekerden gedeeltelijk WGA’ers die niet werken op het moment van de claimbeoordeling komt 33% binnen een jaar al dan niet blijvend aan het werk. Voor volledig WGA’ers is dit 25% en voor WIA 35-minners is dit 37% (UWV Monitor Arbeidsparticipatie 2018). Deze gegevens zijn niet beschikbaar voor privaat verzekerde WGA-gerechtigden.

In de Stichting van de Arbeid is een werkgroep gestart die onderzoekt hoe de arbeidsparticipatie van volledig- en gedeeltelijk arbeidsongeschikten kan worden verhoogd. Onderwerpen die hierbij onder andere aan de orde komen zijn: ondersteunende instrumenten, wijze van vaststellen mate van arbeidsongeschiktheid, arbeidsongeschiktheidscriterium, dienstverlening aan mensen die WGA 35min zijn geworden en scholing. De Stichting van de Arbeid streeft ernaar om de uitkomst van de verkenning voor het eind van dit jaar aan te bieden aan de Minister.

Vraag 325

Wat zijn de eerste opbrengsten van de experimenten voor kanker & werk? Komt het geld in 2020 ter besteding voor de vijf gegunde opdrachten?

Antwoord 325

De vijf gegunde opdrachten verlopen tot nu toe volgens planning. De verwachting is dat alle vijf projecten conform planning worden afgerond in 2020, waardoor het via het amendement van Weyenberg (Tweede Kamer, 34 775 XV, nr. 18) beschikbaar gestelde bedrag aan subsidies wordt besteed.

Vraag 326

Hoeveel kinderopvangtoeslag voor de dagopvang voor kinderen vanaf tweeënhalf jaar tot en met vier jaar is uitgekeerd in 2018?

Antwoord 326

Voor de opvang van kinderen in de leeftijd van 2,5 tot en met 4 jaar hebben ouders in 2018 aanspraak gemaakt op circa 780 miljoen kinderopvangtoeslag. Dit betreft circa 700 miljoen voor kinderdagopvang en circa 80 miljoen voor gastouderopvang. Dit bedrag kan nog enigszins wijzigen bij de definitieve vaststelling van de beschikkingen over 2018.

Vraag 327

Kunnen de uitgaven aan kinderopvang van € 1.898.000 worden uitgesplitst naar waaraan het is uitgegeven?

Antwoord 327

De uitgaven aan subsidies in 2018 zijn verdeeld over de volgende onderwerpen:

  • Kwaliteit kinderopvang: € 962.037

  • Harmonisatie kinderopvang: € 142.235

  • Permanente educatie: € 356.317

  • Versterking positie ouders: € 360.523

  • Overige: € 77.723

Vraag 328

Hoeveel is uitgegeven aan voor- en vroegschoolse educatie (vve)?

Antwoord 328

Voorschoolse educatie is onderdeel van het gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid. Gemeenten ontvangen hier middelen voor van de rijksoverheid via de specifieke uitkering gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (spuk goab). Onderstaande tabel geeft de reeks van de middelen die via de specifieke uitkering aan gemeenten zijn verstrekt in het kader van het gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid sinds 2009. In 2014 is uit onderzoek gebleken dat ongeveer 70 tot 80% van deze middelen aan voorschoolse educatie worden besteed door gemeenten. Dit kabinet heeft oplopend tot € 170 miljoen per jaar extra geïnvesteerd in voorschoolse educatie en deze middelen toegevoegd aan de specifieke uitkering gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid – deze middelen zijn volledig voor voorschoolse educatie bestemd. Gemeenten mogen de overige middelen in de specifieke uitkering gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid ook uitgeven aan bijvoorbeeld onderwijstijdverlenging, zomerscholen en schakelklassen. In 2021 wordt een nieuw onderzoek uitgevoerd naar de besteding van gemeenten aan het gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid. Naast de middelen uit de specifieke uitkering kunnen gemeenten er ook voor kiezen om eigen middelen uit het Gemeentefonds hiervoor in te zetten.

Vroegschoolse educatie wordt uitgevoerd in de kleuterklassen van de basisschool. Dit wordt door basisscholen gefinancierd, eventueel met een aanvullende subsidie vanuit de gemeente. Scholen kunnen dit bekostigen uit de lumpsumfinanciering, waarin ook aanvullende middelen voor onderwijsachterstanden zijn opgenomen.

Tabel (Prognose van) de specifieke uitkering aan gemeenten voor het gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid (x € 1 miljoen)

Jaar

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Uitgaven

266

283

289

360

366

366

366

366

366

366

462

492

492

492

492

Vraag 329

Kan precies worden aangegeven wat de niet-juridisch verplichte bedragen zijn op achtereenvolgens de subsidieregelingen gericht op de bevordering van de kwaliteit van de kinderopvang, de versterking van de positie van ouders, het toezicht en de sectorondersteuning in het kader van de Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (IKK) wat opgeteld 65% bedraagt?

Antwoord 329

Het niet-juridisch verplichte bedrag voor subsidieprojecten is een reservering die nog niet verdeeld is over specifieke onderwerpen. Hoewel deze bedragen niet juridisch verplicht zijn, is voorzien dat een groot deel van deze middelen ingezet worden voor (aangekondigde) beleidsvoornemens. De reservering is bestemd voor mogelijke aanvragen vanuit de sector Kinderopvang, waarvan pas bij aanvraag duidelijk is op welk onderwerp deze betrekking heeft.

Vraag 330

Kan precies worden aangegeven wat de niet-juridisch verplichte bedragen zijn op achtereenvolgens de opdrachten zoals kosten voor toezicht en onderzoek wat opgeteld 87% bedraagt?

Antwoord 330

Hoewel deze bedragen niet juridisch verplicht zijn, is voorzien dat een groot deel van deze middelen ingezet worden voor (aangekondigde) beleidsvoornemens. De gereserveerde bedragen die nog niet verplicht zijn voor Opdrachten, zijn als volgt:

  • Opdrachten Caribisch Nederland: € 9.627.000

  • Voor kosten voor Toezicht: € 1.050.000

  • Verbeterplannen KO-toeslag: € 640.000

  • Kosten voor Onderzoek: € 350.000

  • Overige opdrachten: € 435.000.

Vraag 331

Wat is het gemiddelde aantal uren buitenschoolse opvang (BSO) per maand waarvoor toeslag wordt toegekend en wat is de ontwikkeling daarvan over de afgelopen vijf jaar?

Antwoord 331

In onderstaand overzicht wordt het gemiddelde aantal uren BSO per maand weergegeven. In het eerste kwartaal van 2019 was het gemiddelde 37,4 uur.

 

2014

2015

2016

2017

2018

2019 Kwartaal 1

Uren BSO per kind per maand1

36,3

35,5

35,7

36,4

36,9

37,4

Bron: Belastingdienst/Toeslagen, bewerking Ministerie van SZW

De cijfers zijn vooral voor de recente jaren gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van het gebruik.

X Noot
1

Exclusief gastouderopvang

Vraag 332

Wat is het gemiddelde aantal uren per maand gebruik van kinderdagopvang waarvoor toeslag wordt ontvangen?

Antwoord 332

Over het eerste kwartaal van 2019 is het gemiddelde aantal uur kinderdagopvang waarvoor kinderopvangtoeslag is aangevraagd 80,3 uur.

 

2014

2015

2016

2017

2018

2019 Kwartaal 1

Uren kinderopvang per kind per maand1

83,8

80,9

79,7

79,7

78,9

80,3

Bron: Belastingdienst/Toeslagen, bewerking Ministerie van SZW

De cijfers zijn vooral voor de recente jaren gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van het gebruik.

X Noot
1

Exclusief gastouderopvang

Vraag 333

Welk deel van de kinderen van nul, een, twee en drie jaar gaan naar de kinderdagopvang?

Antwoord 333

Onderstaande tabel laat het deelnamepercentage zien per leeftijd op peildatum 31/12/2018. Dit is het aantal kinderen dat naar de kinderdagopvang (inclusief gastouderopvang) gaat met kinderopvangtoeslag als percentage van het totale aantal kinderen in de betreffende leeftijd.

 

0 jaar

1 jaar

2 jaar

3 jaar

Deelnamepercentage

30,0%

53,3%

64,4%

68,3%

Bron: Belastingdienst/Toeslagen, cijferbeeld bewerking Ministerie van SZW

De deelnamepercentages zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van het recht op kinderopvangtoeslag.

Daarnaast krijgt een deel van de 2,5- tot 4-jarigen ook een aanbod van gemeenten. Dit geldt voor kinderen van ouders die niet in aanmerking kunnen komen voor kinderopvangtoeslag en dit geldt voor kinderen met een risico op een achterstand (die komen in aanmerking voor voorschoolse educatie). Als hiermee rekening wordt gehouden, dan komt het bereik voor 2,5- tot 4-jarigen uit op circa 86% in 2017 (Buitenhek, 2017, Monitor bereik van voorschoolse voorzieningen in NL 2017). Kinderen die naar de opvang gaan zonder gebruik te maken van kinderopvangtoeslag of bovengenoemde gemeentelijke middelen, tellen niet in het deelnamepercentage, waardoor het feitelijke deelnamepercentage hoger ligt.

Vraag 334

Welk deel van de kinderen in de leeftijden vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien en elf jaar gaan naar de BSO?

Antwoord 334

Onderstaande tabel laat het deelnamepercentage zien per leeftijd op peildatum 31/12/2018. Dit is het aantal kinderen dat naar de buitenschoolse opvang (inclusief gastouderopvang) gaat met kinderopvangtoeslag als percentage van het totale aantal kinderen in de betreffende leeftijd.

 

4 jaar

5 jaar

6 jaar

7 jaar

8 jaar

9 jaar

10 jaar

11 jaar

Deelnamepercentage

35,8%1

38,6%

37,0%

34,7%

30,9%

25,6%

17,6%

8,2%

Bron: Belastingdienst/Toeslagen, bewerking Ministerie van SZW

De deelnamepercentages zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van het recht op kinderopvangtoeslag.

X Noot
1

Een klein gedeelte van de 4-jarigen maakt nog gebruik van kinderdagopvang. Als deze groep ook wordt meegenomen, komt het deelnamepercentage uit op 38,3%.

Het (kleine) aantal kinderen tussen de 4- tot 11-jarigen dat naar de opvang gaat en gebruik maakt van gemeentelijke middelen en het aantal kinderen dat naar de opvang gaat zonder gebruik te maken van kinderopvangtoeslag of gemeentelijke middelen, telt niet mee in het deelnamepercentage, waardoor het feitelijke deelnamepercentage hoger ligt.

Vraag 335

Wat is de gemiddelde prijs van kinderopvang en BSO voor ouders gecorrigeerd met de ontvangen toeslag?

Antwoord 335

Voor het berekenen van de gemiddelde netto kosten van kinderopvang die ouders betalen is uitgegaan van de gemiddelde tarieven, inclusief het deel dat boven de maximum uurprijs ligt, en toeslagpercentages uit 2018. Het gemiddelde toeslagpercentage komt bij onderstaande tabel uit op circa 70%. Dit is een gemiddelde van alle opvangsoorten voor zowel het eerste als volgende kinderen (waarvoor verschillende toeslagpercentages gelden).

Opvangsoort

Netto kosten per uur na kinderopvangtoeslag

Kinderdagcentra

€ 2,61

Buitenschoolse opvang

€ 2,08

Gastouderopvang 0- t/m 3-jarigen

€ 1,92

Gastouderopvang 4- t/m 11-jarigen

€ 1,38

Bron: Belastingdienst/Toeslagen, bewerking Ministerie van SZW

De cijfers van 2018 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van inkomen, tarieven en gebruik.

De laatste jaren is flink geïnvesteerd in de betaalbaarheid van de kinderopvangtoeslag, door de kinderopvangtoeslag te verhogen. De betaalbaarheid van opvang houdt de aandacht van het ministerie. Door middel van de kwartaalrapportages wordt de ontwikkeling van de uurtarieven gemonitord. Hierin is ook het gebruik van kinderopvang door kinderen met kinderopvangtoeslag opgenomen. Het gebruik is de afgelopen jaren flink toegenomen, wat een positief signaal is voor de betaalbaarheid van kinderopvang.

Vraag 336

Hoeveel kinderen van tweeënhalf tot en met vier jaar gaan naar de dagopvang?

Antwoord 336

Er gaan circa 181.000 van de circa 440.000 kinderen in de leeftijd van tweeënhalf tot en met vier jaar naar de dagopvang (inclusief gastouderopvang) op peildatum 31 december 2018. Dit cijfer is gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van het recht op kinderopvangtoeslag. Kinderen die naar de opvang gaan zonder gebruik te maken van kinderopvangtoeslag, tellen niet in het bovengenoemde aantal. Een deel van de 2,5- tot 4-jarigen krijgt een aanbod van gemeenten. Als deze kinderen worden meegeteld voor het aantal kinderen dat naar de opvang gaat, dan komt het bereik voor 2,5- tot 4-jarigen uit op circa 226.000 in 2017 (Buitenhek, 2017, Monitor bereik van voorschoolse voorzieningen in NL 2017).

Vraag 337

Hoe verhouden naar verwachting de beleidsmatige effecten zich tot de conjuncturele effecten bij de stijging van de netto arbeidsparticipatie?

Antwoord 337

De stijging van de netto arbeidsparticipatie is een positieve ontwikkeling. Er is geen uitsplitsing beschikbaar welke factor in welke mate heeft bijgedragen aan de arbeidsparticipatie. Er liggen diverse oorzaken aan ten grondslag. De aantrekkende economie heeft een positieve invloed op de netto arbeidsparticipatie. Daarnaast heeft dit kabinet diverse maatregelen genomen om werken aantrekkelijker te maken, zoals het verhogen van de kinderopvangtoeslag. Al deze factoren dragen bij aan een stijging van de arbeidsparticipatie.

Vraag 338

Hoe hoog zijn de wachtlijsten in de grote steden voor de kinderopvang voor jonge ouders die een plek zoeken voor hun kind?

Antwoord 338

In het kader van de problematiek rondom de personeelstekorten in de kinderopvang voert het ministerie gesprekken met de sector. Gekeken wordt waar samen opgetrokken kan worden. Het gesprek ziet onder andere op de praktische oplossingen voor krapte maar ook op het imago van werken in de kinderopvang. Hierin geeft de sector ook signalen over de groeiende wachtlijsten, met name op de populaire dagen; maandag, dinsdag en donderdag. De kinderopvangsector heeft het beste zicht op wachtlijsten. Het gesprek wordt voortgezet.

Het laatste wachtlijstonderzoek waar het ministerie zelf opdracht voor heeft gegeven, is uitgevoerd in 2015. De wachtlijsten als percentage van de capaciteit waren toen het grootst in de zeer stedelijke gebieden. Ten opzichte van de meting uit 2012 was er een lichte stijging te zien, maar de wachtlijsten bleven qua omvang beperkt (B&A, 2015, Wachtlijsten en wachttijden kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang – 8e meting). Sindsdien heeft er geen meting meer plaatsgevonden.

De vraag naar opvang is sinds de laatste meting sterk toegenomen. In tijden van arbeidsmarktkrapte is dat ontegenzeggelijk een uitdaging. Het ministerie ziet niet direct de toegevoegde waarde van een nieuwe eigen wachtlijstmeting. De sector heeft goed zicht op de wachtlijsten en probeert hierop in te spelen door het aanbod aan te passen. Wel houdt het ministerie een vinger aan de pols, door het aantal beschikbare kindplaatsen te monitoren in de kwartaalrapportages. Dit laat zien hoe het aanbod reageert op de toegenomen vraag.

Vraag 339

Hoeveel kinderopvangorganisaties hanteren een hogere uurprijs dan de maximum uurprijs? Kan dit verder worden gespecificeerd voor de grote steden?

Antwoord 339

Kinderopvangorganisaties hanteren doorgaans meer dan één unieke uurprijs. Dit hangt onder meer samen met de variatie in contractsoorten die opvangorganisaties aanbieden. Daarnaast kunnen organisaties een hoger tarief rekenen voor optionele extra diensten, zoals flexibele opvang, (warme) maaltijden en uitstapjes. Daardoor is ook niet aan te geven hoeveel kinderopvangorganisaties een uurtarief hanteren die boven de maximum uurprijs ligt.

In onderstaande tabel is het percentage van het totaal aantal uren kinderopvangtoeslag weergegeven, waarvoor de uurprijs hoger is dan de maximum uurprijs. Dit is berekend voor zowel het landelijke beeld als de zeer stedelijke gebieden. De cijfers zijn gebaseerd op het jaar 2018.

Tabel Percentage van het totaal aantal uren kinderopvang waarvoor de uurprijs hoger is dan de maximum uurprijs.
 

landelijk gemiddelde

zeer stedelijke gebieden

Kinderdagcentra1

41%

50%

Buitenschoolse opvang1

62%

65%

Bron: Belastingdienst/Toeslagen, bewerking Ministerie van SZW.

De cijfers van 2018 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van de tarieven en het gebruik.

X Noot
1

exclusief gastouderopvang

In maart 2018 bedroeg het landelijk gemiddelde tarief voor kinderdagopvang € 7,38 en in stedelijke gebieden € 7,49. De maximum uurprijs lag destijds op € 7,45. Het landelijk gemiddelde tarief voor buitenschoolse opvang bedroeg € 7,12 en in stedelijke gebieden € 7,18. De maximum uurprijs lag op € 6,95 (SZW, 2019, Kwartaalrapportage kinderopvang: eerste kwartaal 2019).

In het verleden is de maximum uurprijs zo vastgesteld dat 80% van de kinderopvangorganisaties een uurtarief hanteerde dat op of onder de maximum uurprijs viel. Jaarlijks wordt de kinderopvangtoeslag aangepast voor de gemiddelde loon- en prijsontwikkeling. Dit gebeurt sinds 2005. Uitgaan van de tariefstelling in de markt bij het vaststellen van de maximum uurprijs, brengt het risico dat de tarieven extra worden verhoogd. Kinderopvangaanbieders kunnen namelijk gaan anticiperen op de extra verhoging, wat ten koste gaat van de betaalbaarheid voor ouders. Daarom worden de uurprijzen op basis van objectieve indicatoren (zoals de loon- en prijsbijstelling) geïndexeerd.

De laatste jaren is flink geïnvesteerd in de betaalbaarheid van de kinderopvangtoeslag, door de kinderopvangtoeslag te verhogen. De betaalbaarheid van opvang houdt de aandacht van het ministerie. Door middel van de kwartaalrapportages wordt de ontwikkeling van de uurtarieven gemonitord. In de kwartaalrapportages is ook het gebruik van kinderopvang door kinderen met kinderopvangtoeslag opgenomen. Het gebruik is de afgelopen jaren flink toegenomen, wat een positief signaal is voor de betaalbaarheid van kinderopvang.

Vraag 340

Kunnen er situaties ontstaan dat iemand door gedeeltelijke opbouw van de AOW als alleenstaande een hogere uitkering zou kunnen krijgen dan als paar in de AOW?

Antwoord 340

Ja, dat is mogelijk in specifieke gevallen. Een volledige AOW voor alleenstaanden is 70% van het netto minimumloon en een volledige AOW voor paren is 50% van het netto minimumloon. Naast de leefvorm is de hoogte van de AOW-uitkering afhankelijk van het aantal verzekerde jaren. In de 50 jaar voorafgaand aan de AOW-leeftijd bouwt men per jaar 2% AOW op als men in Nederland woont of in loondienst werkt. Wanneer een van de twee partners slechts enkele jaren verzekerd is voor de AOW, is het mogelijk dat een alleenstaande een hogere AOW ontvangt dan een paar.

Vraag 341

Tot wanneer verwacht u de overbruggingsuitkering uit te keren?

Antwoord 341

Voor de regeling Overbruggingsuitkering AOW worden tot en met 2024 nog uitkeringslasten verwacht.

Vraag 342

Wordt het met het voorstel kinderopvangtoeslag en Wet langdurige zorg (Wlz) ook mogelijk om kinderopvangtoeslag te ontvangen indien een van de partners arbeidsongeschikt (bijvoorbeeld WGA 80–100%) is?

Antwoord 342

De Wet kinderopvang heeft als doel om jonge ouders arbeid en de zorg voor hun kinderen te laten combineren. Om die reden hebben ouders recht op kinderopvangtoeslag (KOT) als zij (beiden) werken of een traject volgen dat de kans op werk vergroot (opleiding, re-integratie en inburgering).

Er is een wetsvoorstel in de maak om gezinnen waarin de ene ouder werkt en de andere ouder een Wlz-indicatie heeft, recht te geven op KOT. De reden hiervoor is dat het bij een Wlz-indicatie een landelijk, uniforme groep betreft van ouders die 24 uur per dag zorg in nabijheid nodig hebben of 24 uur per dag onder permanent toezicht staan. Dat maakt het moeilijk of zelfs onmogelijk voor deze ouders om de zorg voor hun kinderen op zich te nemen. Ze hebben immers zelf zorg nodig. Het gaat om een ernstige en blijvende situatie, zonder uitzicht op herstel of (ander) werk.

Ouders met een Wlz-indicatie betreft een uniforme, afgebakende groep. Het is voor deze gezinnen goed mogelijk om een tegemoetkoming generiek te regelen. Daarom wordt deze uniforme groep gezinnen opgenomen in de Wko.

Bij ouders die wegens arbeidsongeschiktheid niet (meer) kunnen werken en geen traject volgen om de kans op werk te vergroten, gaat het om een meer diverse groep ouders. Zij kunnen mogelijk nog wel voor hun kinderen zorgen. De mate van arbeidsongeschiktheid is namelijk niet alleen afhankelijk van de functionele mogelijkheden en beperkingen van mensen, maar ook van het loonverlies van de werknemer. Als iemand nog slechts een klein gedeelte van het oorspronkelijke loon kan verdienen, kan diegene arbeidsongeschikt worden verklaard, ongeacht eventuele functionele beperkingen.

Voor deze groep ouders is maatwerk nodig, om de regeling aan te laten sluiten bij de gezinssituatie. Dit wordt geboden in de gemeentelijke regeling, Sociaal Medische Indicatie (SMI) genaamd. Ouders kunnen zich tot de gemeente wenden voor een tegemoetkoming voor de kosten kinderopvang op basis van SMI. Er is in het gemeentefonds geld voor deze regeling beschikbaar gesteld.

Vraag 343

Ziet u mogelijkheden om in de stuurgroep die werkt aan de uitwerking van de afspraken over de vernieuwing van het pensioenstelsel een plek voor jongeren vrij te maken?

Antwoord 343

Jongeren worden in de uitwerking van het pensioenakkoord betrokken bij de stuurgroep. Dit gebeurt in de vorm van een klankbordgroep bestaande uit vertegenwoordigers van ouderen- en jongerenorganisaties.

Vraag 344

Wordt de overbruggingsregeling AOW (OBR) ook opengesteld voor mensen die door de temporisering van de AOW-leeftijd met een AOW-gat worden geconfronteerd? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 344

De verhoging van de AOW-leeftijd heeft ertoe geleid dat mensen hun AOW-uitkering later dan de leeftijd van 65 jaar ontvangen. Hierbij kunnen zij geconfronteerd worden met een AOW-gat omdat hun inkomen uit bijvoorbeeld een vut-uitkering op 65 jaar eindigt en niet aansluit op hun verhoogde AOW-leeftijd. Indien voldaan wordt aan de OBR-voorwaarden kunnen burgers aanspraak maken op een OBR-uitkering. De temporisering van de AOW-leeftijdsverhoging leidt ertoe dat mensen in de periode van 2020–2024 hun AOW eerder zullen ontvangen. Voor deze mensen wordt het AOW-gat aldus kleiner. Indien deze mensen OBR-gerechtigd zijn, zal de OBR-uitkeringsduur als gevolg van de temporisering van de AOW-leeftijdsverhoging verkort worden. De temporisering van de AOW-leeftijdsverhoging geeft dan ook geen aanleiding om de OBR uit te breiden.

Vraag 345

Wat kost het om de OBR uit te breiden voor die mensen die door de temporisering van de AOW-leeftijd met een AOW-gat worden geconfronteerd?

Antwoord 345

In het antwoord op vraag 344 wordt aangegeven dat door de temporisering van de AOW-leeftijdsverhoging het AOW-gat voor een bepaalde groep mensen kleiner wordt. Indien deze mensen OBR-gerechtigd zijn, zal de OBR-uitkeringsduur als gevolg van de temporisering van de AOW-leeftijd verkort worden. De temporisering van de AOW-leeftijdsverhoging geeft geen aanleiding om de OBR uit te breiden. Een raming van de kosten om de OBR voor deze groep open te stellen is daarom niet opportuun.

Vraag 346

Kan iemand afzien van de AOW?

Antwoord 346

Ja, iemand kan afzien van de AOW door af te zien van het indienen van een AOW-aanvraag.

Vraag 347

Hoeveel mensen vallen onder de doelgroep OBR?

Antwoord 347

Sinds 1 januari 2013 vindt de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd stapsgewijs plaats. Voor een specifieke groep die reeds met VUT-/prepensioenregeling of een daarmee vergelijkbare regeling zijn gegaan en die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de AOW-leeftijdsverhoging is de OBR ingevoerd. Aangezien de OBR een inkomens- en vermogenstoets bevat en daarnaast het overig inkomen tijdens de uitkeringsduur bepalend is of een OBR-uitkering wordt toegekend, gaat het bij de doelgroep van de OBR om een deel van de populatie die een VUT-/prepensioenregeling of een daarmee vergelijkbare regeling heeft. Op basis van de huidige inschatting van het gebruik en het niet-gebruik van de regeling in combinatie met CBS gegevens wordt de doelgroep over de gehele periode (2013–2022) geschat tussen 30.000 en 40.000 personen.

Vraag 348

Hoeveel mensen hebben zich naar uw inschatting niet kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW-leeftijd?

Antwoord 348

Alle burgers worden geconfronteerd met de verhoging van de AOW-leeftijd en worden geacht zich daarop voor te bereiden. Om die reden is de AOW-leeftijd juist ook stapsgewijs verhoogd. Voor een afgebakende groep personen die zich niet of onvoldoende heeft kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW-leeftijd heeft het kabinet de tijdelijke regeling OBR met terugwerkende kracht tot 1 januari 2013 ingevoerd. De OBR is een tijdelijke regeling die per 1 januari 2023 eindigt. Van deze regeling hebben tot en met 2018 circa 21.400 personen gebruik gemaakt.

Vraag 349

Hoeveel zzp’ers maakten en/of maken aanspraak op een AOV-uitkering die eindigt voordat de (verhoogde) AOW-leeftijd wordt bereikt?

Antwoord 349

SEO doet onderzoek naar het AOW-hiaat in particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. In dit onderzoek wordt ook onderzocht hoeveel zelfstandigen zonder personeel aanspraak maken op een AOV-uitkering die eindigt voordat de verhoogde AOW-leeftijd wordt bereikt. Dit rapport wordt voor de begrotingsbehandeling aan uw Kamer toegezonden.

Vraag 350

Hoeveel mensen hebben een aanvraag in het kader van de OBR ingediend en hoeveel van hen zijn toegelaten tot de OBR?

Antwoord 350

In de periode van 2013 tot en met 2018 zijn in totaal circa 25.500 OBR-aanvragen ingediend. In die periode zijn circa 21.400 OBR-uitkeringen toegekend.

Vraag 351

Wat zijn de meest voorkomende afwijzingsgronden voor een aanspraak op de OBR?

Antwoord 351

De Sociale verzekeringsbank (SVB) heeft desgevraagd laten weten dat een te hoog inkomen de meest voorkomende afwijzingsgrond is.

Vraag 352

Hoeveel mensen maken in totaal gebruik van de OBR in 2020?

Antwoord 352

Voor 2020 is de schatting dat 400 personen instromen in de OBR (Begroting SZW 2019). Vanwege de meerjarige duur van de uitkering wordt er in 2020 ook gebruik gemaakt van de regeling door mensen die in 2018 en 2019 zijn ingestroomd in de OBR. Het gebruik van de OBR in 2020 ligt zodoende hoger dan de instroom in de regeling in 2020. In het kader van de begroting 2020 is verondersteld dat 1.000 mensen in 2020 gebruik maken van de OBR.

Vraag 353

Kan een overzicht worden gegeven van de afgelopen vijf jaar van de raming en de realisatie van de instroom OBR en de raming en realisatie van de uitgaven aan de OBR?

Antwoord 353

Hieronder wordt een overzicht gegeven van zowel de begrote en gerealiseerde uitkeringslasten OBR als van de begrote en gerealiseerde instroom in de OBR voor de jaren 2013 tot en met 2019.

Tabel Overzicht budgettaire ontwikkelingen OBR

Begroting (bedragen x 1 mln.)

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Begroting SZW 2014 (stand)

33

52

65

84

71

53

Begroting SZW 2015 (stand)

 

15

17

21

16

11

7

Begroting SZW 2016 (stand)

   

17

21

17

12

11

Begroting SZW 2017 (stand)

     

4

5

4

4

Begroting SZW 2018 (stand)

       

4

4

4

Begroting SZW 2019 (stand)

         

4

5

Begroting SZW 2020 (stand)

           

4

               

Realisatie (bedragen x1 mln.)

             

Jaarverslag SVB

5

11

4

4

4

4

41

X Noot
1

betreft stand najaarsnota SZW 2019

Tabel Overzicht ontwikkelingen in de instroom OBR

Begroting (aantallen)

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Begroting SZW2014 (stand)

36.000

30.000

29.000

17.000

6.100

3.600

0

Begroting SZW 2015 (stand)

 

8.000

10.200

6.200

2.250

1.400

0

Begroting SZW 2016 (stand)

   

10.200

7.300

3.300

2.300

1.800

Begroting SZW 2017 (stand)

     

2.500

1.800

1.300

1.000

Begroting SZW 2018 (stand)

       

1.200

900

700

Begroting SZW 2019 (stand)

         

1.100

800

Begroting SZW 2020 (stand)

           

700

               

Realisatie (aantallen)

             

Jaarverslag

6.700

8.200

2.400

1.500

1.500

1.000

8501

X Noot
1

betreft stand najaarsnota 2019

Opgemerkt wordt dat het kabinet eerder in zijn brief van 2 september 2016 (Tweede Kamer, 32 163, nr. 41) heeft laten weten dat de instroom in de OBR veel lager uitviel dan waar bij de initiële raming van de uitkeringslasten (Begroting SZW 2014) vanuit is gegaan. Daarbij is aangegeven dat de onderuitputting kan worden verklaard 1) doordat de potentiële doelgroep kleiner was dan bij de initiële raming verondersteld was; 2) doordat de potentiële doelgroep het overbruggingsprobleem (gedeeltelijk) zelf heeft opgelost (bijvoorbeeld doordat het aanvullend pensioen werd gebruikt ter overbrugging) en 3) doordat sprake was van niet-gebruik.

Daarnaast hebben zowel de uitbreiding van de regeling vanaf 2016 in het kader van de versnelde verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd alsmede de verlenging van de regeling tot 1 januari 2023 invloed gehad op de ontwikkeling van de geraamde uitkeringslasten en de geraamde instroom.

Vraag 354

In welk jaar zal de OBR geen instroom meer hebben wanneer niets wordt veranderd aan de huidige regeling?

Antwoord 354

De OBR eindigt per 1 januari 2023. Vanaf dat moment zal er geen nieuwe instroom meer zijn in de regeling.

Vraag 355

Wat is de verwachte volumeontwikkeling in de AOW tussen 2020 en 2040 en hoe verhoudt dit zich tot het aandeel werkenden?

Antwoord 355

Op dit moment behoren circa 11,5 miljoen mensen in Nederland tot de potentiële beroepsbevolking (personen tussen 15 jaar en de AOW-leeftijd) en wonen er in Nederland circa 3,1 miljoen mensen die de AOW-gerechtigde leeftijd gepasseerd zijn. Tegenover elke pensioengerechtigde in Nederland behoren 3,7 mensen tot de potentiële beroepsbevolking.

In 2040 (op het hoogtepunt van de vergrijzing) zullen, uitgaande van de huidige prognoses omtrent de ontwikkeling van de levensverwachting en de 2/3 koppeling conform de afspraken uit het pensioenakkoord, circa 11,24 miljoen mensen in Nederland tot de potentiele beroepsbevolking behoren en wonen er circa 4,19 miljoen AOW-gerechtigden in Nederland. Tegenover elke AOW-gerechtigde in Nederland behoren dan 2,7 mensen tot de potentiele beroepsbevolking.

Bij het basispad voor het pensioenakkoord (sneller ingroeipad AOW-leeftijd naar 67 en een 1 op 1-koppeling) zouden in 2040 op basis van de huidige prognoses omtrent de ontwikkeling van de levensverwachting in 2040 circa 11,46 miljoen mensen tot de potentiele beroepsbevolking behoren en circa 3,96 miljoen mensen AOW-gerechtigd zijn. Tegenover elke AOW-gerechtigde in Nederland zouden dan 2,9 mensen tot de potentiële beroepsbevolking behoren. In onderstaande grafiek is dit weergegeven (zie ook: Eerste Kamer, 2019–2020, 35 223, D).

Vraag 356

Wat is het actuele aantal AOW-gerechtigden dat in het buitenland woont? In welke landen wonen deze personen voornamelijk?

Antwoord 356

Het actuele aantal AOW-gerechtigden in het buitenland is 334.589. Bij deze vraag en de vragen 357 t/m 359 en vraag 361 wordt de top vijf van landen met de meeste personen gegeven. Daarvan wonen 65.078 personen in België, 46.977 in Duitsland, 44.100 in Spanje, 23.088 in Turkije en 15.706 in de Verenigde Staten. De resterende personen wonen in kleinere aantallen verspreid over een groot aantal andere landen.

Vraag 357

Aan hoeveel mensen die buiten Nederland wonen wordt Inkomensondersteuning AOW-gerechtigden (IOAOW) verstrekt en in welke landen wonen deze mensen?

Antwoord 357

Het actuele aantal IOAOW-gerechtigden in het buitenland is 332.785. Daarvan wonen onder meer 65.078 personen in België, 46.977 in Duitsland, 44.100 in Spanje, 23.088 in Turkije en 15.706 in de Verenigde Staten.

Vraag 358

Kunt u een overzicht geven van het huidige aantal gekorte AOW-pensioenen in Nederland naar land van geboorte van de gerechtigde?

Antwoord 358

In Nederland zijn op dit moment 337.498 gekorte AOW-pensioenen. Dit betreft onder meer 145.428 personen van Nederlandse afkomst, 30.696 van Surinaamse afkomst, 22.891 van Marokkaanse afkomst, 21.901 van Turkse afkomst en 14.030 van Nederlands Indische afkomst.

Vraag 359

Kunt u een overzicht geven van het huidige aantal werkenden met een gedeeltelijke AOW-opbouw naar land van geboorte?

Antwoord 359

Op dit moment zijn er in Nederland 906.825 werkende personen onder de AOW-gerechtigde leeftijd met een onvolledige AOW-opbouw vanwege verblijf in het buitenland gedurende de opbouwperiode. 409.139 zijn van Nederlandse afkomst, 93.723 van Turkse afkomst, 78.328 van Marokkaanse afkomst, 46.404 van Poolse afkomst en 29.314 van Duitse afkomst.

Vraag 360

Kunt u een overzicht geven van gepensioneerden en werkenden met een gedeeltelijke AOW-opbouw naar opbouw van tweede pijlerpensioen naar land van herkomst?

Antwoord 360

Ik beschik niet over een dergelijk overzicht omdat de daarvoor benodigde gegevens niet op deze manier verzameld worden.

Vraag 361

Kunt u een overzicht geven van het aantal Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)-gerechtigden naar land van geboorte?

Antwoord 361

Er zijn in totaal 47.727 gezinnen in Nederland met recht op AIO. Van deze gezinnen is het geboorteland van de oudste partner in 7.297 gevallen Suriname, Nederland in 7.128 gevallen, Marokko in 5.699 gevallen, Turkije in 3.670 gevallen en de Nederlandse Antillen in 2.176 gevallen.

Vraag 362

Waar is de inkoopperiode van tien jaar voor AOW-rechten op gebaseerd?

Antwoord 362

Met een beslistermijn van 10 jaar worden immigranten in staat gesteld zelf verantwoordelijkheid te nemen voor het dichten van het eigen AOW-tekort vanwege onvolledige AOW-opbouw. Dit voorkomt dat wanneer mensen uiteindelijk tot de slotsom komen dat de vestiging in Nederland toch definitief zal zijn, de beslistermijn reeds is verlopen.

Vraag 363

Wat zou het betekenen als er geen maximumtermijn voor de inkoop van AOW-rechten wordt gehanteerd?

Antwoord 363

Vanuit het oogpunt van uitvoering kan het lastig zijn om na 20 of 30 jaar nog het inkomen in het buitenland uit de periode voor migratie naar Nederland vast te stellen, waarover de premie geheven moet worden. Ook zou na een lange periode sprake zijn van inflatie- en rente-effecten, waardoor de facto sprake kan zijn van een naar verhouding zeer laag inkoopbedrag. De inkooptermijn van 10 jaar geeft mensen enerzijds de mogelijkheid om eigen verantwoordelijkheid te nemen en voldoende geld te verzamelen om het AOW-tekort te dichten en voorkomt anderzijds de hierboven genoemde effecten.

Vraag 364

Wat is het gemiddelde AOW-gat van de 28.000 Nederlandse ingezetenen van Surinaamse afkomst (inschatting in Kamerstuk 20 361, nr. 179)?

Antwoord 364

Er zijn 13.335 Nederlandse ingezetenen van Surinaamse afkomst die in Nederland wonen en een gehuwden AOW ontvangen. 12.476 van hen hebben een AOW-korting van gemiddeld 23,7% vanwege verblijf in het buitenland gedurende de opbouwperiode.

Er zijn 19.119 Nederlandse ingezetenen van Surinaamse afkomst die in Nederland wonen en een alleenstaanden AOW ontvangen. 17.870 van hen hebben een AOW-korting van gemiddeld 27,68%.

Er zijn 1.970 Nederlanders van Surinaamse afkomst die in het buitenland wonen en een gehuwden AOW ontvangen. 1.941 van hen hebben een AOW-korting van gemiddeld 60,86%.

Er zijn 2.336 Nederlanders van Surinaamse afkomst die in het buitenland wonen en een alleenstaanden AOW ontvangen. 2.293 van hen hebben een AOW-korting van gemiddeld 56,2%.

Vraag 365

Waarom wordt de Algemene Weduwen en Wezenverzekering Caribisch Nederland (AWW) uit de Rijksbegroting gefinancierd in plaats van uit de premie-inkomsten?

Antwoord 365

Bij de staatkundige transitie van 10 oktober 2010 is ervoor gekozen om alle volks- en werknemersverzekeringen in Caribisch Nederland uit de Rijksbegroting te financieren, waarbij de bestaande praktijk van premieheffing is gehandhaafd. Er is daarmee wel degelijk sprake van premie-inkomsten, die ten gunste komen van de Rijkskas. Omwille van de eenvoud is echter afgezien van het vormen van aparte fondsen, die elk een relatief klein volume zouden hebben.

Vraag 366

Hoeveel personen in Caribisch Nederland ontvangen een AWW-uitkering?

Antwoord 366

De AWW (Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES) is een uitkering met een vrij stabiel aantal ontvangers, dat schommelt rond de 300.

Vraag 367

Wat is de verdeling van de ontvangers van een Algemene nabestaandenwet (Anw)-uitkering naar leeftijd en geslacht?

Antwoord 367

Aantallen Anw-uitkeringen per 30 juni 2019 Exclusief 1.119 wezen
 

Ingangsdatum recht voor 1 juli 1996

Ingangsdatum recht vanaf 1 juli 1996

Totaal

Mannen

     

24 jaar en jonger

0

0

0

25–29 jaar

0

6

6

30–34 jaar

0

26

26

35–39 jaar

0

87

87

40–44 jaar

0

177

177

45–49 jaar

4

335

339

50–54 jaar

19

434

453

55–59 jaar

120

392

512

60–64 jaar

629

586

1.215

Totaal

772

2.043

2.815

Vrouwen

     

24 jaar en jonger

0

11

11

25–29 jaar

0

105

105

30–34 jaar

0

371

371

35–39 jaar

0

912

912

40–44 jaar

2

1.565

1.567

45–49 jaar

64

2.719

2.783

50–54 jaar

334

2.756

3.090

55–59 jaar

1.273

2.965

4.238

60–64 jaar

4.604

8.133

12.737

Totaal

6.277

19.537

25.814

       

Totaal Generaal

7.049

21.580

28.629

Bron: Kwartaalbericht SVB, augustus 2019

Vraag 368

Waarom is voor de streefwaarden 2020 voor UWV PM opgenomen?

Antwoord 368

Op 30 september heeft UWV een definitief jaarplan ingediend. Hierin staat een overzicht van prestatie-indicatoren en de streefwaarden die hier voor 2020 aan gekoppeld zijn. Het jaarplan wordt in december aan uw Kamer toegestuurd als bijlage bij de Stand van de uitvoering. De streefwaarden voor UWV in 2020 zijn gelijk aan de streefwaarden voor 2019. Per abuis was dit niet ingevuld.

Vraag 369

Welke externe organisaties en adviesbureaus zijn betrokken geweest bij de totstandkoming van UWV? Welke spelen een rol of hebben een rol gespeeld bij de reorganisaties?

Antwoord 369

Onderstaand overzicht is zo volledig mogelijk, maar niet uitputtend. UWV is in 2002 tot stand gekomen door het fuseren van de uitvoeringsinstellingen Cadans, GAK, GUO, SFB en USZO en opdrachtgever Lisv tot één organisatie. Bij de fusie zijn naast deze organisaties ook onder andere sociale partners, pensioenfondsen, medezeggenschap en het Ministerie van SZW betrokken geweest. Ter voorbereiding op deze fusie zijn meerdere onderzoeken uitgevoerd, onder meer een kosten/batenstudie door de drie adviesbureaus Berenschot, Deloitte en Touche en PriceWaterhouse Coopers. Ook heeft de Minister van SZW in 2001 onderzoek laten doen naar de dienstverleningsaspecten van de fusie door onderzoeksbureau Berenschot.

Daarnaast heeft het toenmalige College van Toezicht Sociale Verzekeringen (CTSV) in 2000 een rapport opgeleverd naar de fusie van de instellingen. Zie het antwoord op vraag 371 voor een overzicht van organisaties die een rol hebben of hebben gespeeld bij reorganisaties.

Vraag 370

Welke externe organisaties en adviesbureaus zijn betrokken geweest bij de ICT-projecten van UWV?

Antwoord 370

Zie het antwoord op vraag 371.

Vraag 371

Welke externe organisaties en adviesbureaus zijn betrokken geweest bij het uitvoeren van andere projecten dan ICT-projecten voor UWV?

Antwoord 371

Voor strategische adviezen koopt UWV diensten in bij leveranciers die onderdeel uitmaken van de zogenoemde raamovereenkomst Strategische Adviesdiensten (SAD). De scope van deze raamovereenkomst richt zich onder andere op grote strategische adviesvragen met betrekking tot toekomstige ontwikkelingen/kantelingen van de organisatie (reorganisaties) en het adviseren over toekomstvisie. Op 1 november 2018 is de raamovereenkomst met acht leveranciers ingegaan:

  • 1. Quint Wellington

  • 2. Gupta Strategists

  • 3. EY

  • 4. M&I Partners & Galan

  • 5. PA Consulting Group

  • 6. CapGemini Consulting

  • 7. Gartner

  • 8. KPMG Advisory

Ook bij ICT-projecten wordt gebruik gemaakt van deze acht partijen. Binnen de scope van deze raamovereenkomst is ook een aantal brede ICT adviesgebieden opgenomen, waaronder:

  • Innovatie waaronder procesinnovatie, IV-innovatie, beleidsinnovatie;

  • Strategische IV-vraagstukken;

  • Organisatieontwerp en inrichting waaronder governance, implementatie, in- of outsourcing;

  • Sourcing-/Hostingstrategie gericht op het IV domein;

  • Portfoliomanagement, voortbrengings- en beheerproces;

  • Digitale Strategie waaronder Cloud, App rationalisatie, Applicatie Program Interface, Business Proces Modelling, Technologie, Infrastructuur en Enterprise Architecture.

Daarnaast heeft UWV een groot deel van het beheer en de ontwikkeling van zijn ICT-landschap uitbesteed. Momenteel heeft UWV zo’n 12 «grote leveranciers» die ICT dienstverlening aan UWV leveren. Denk hierbij aan de bekende namen als IBM, KPN, Capgemini, BT, Xerox etc. Daarnaast zijn er ongeveer 70 «kleine leveranciers». Ook deze organisaties zijn veelvuldig betrokken bij ICT-projecten van UWV.

In het verleden heeft UWV bij reorganisaties ook gebruik gemaakt van adviezen van andere organisaties en adviesbureaus. Zo hebben Twynstra Gudde en Deloitte adviezen uitgebracht bij de IV-transitie. In de vorige IV-sourcingmantel zaten ook andere organisaties, zoals CGI, Ordina en APG.

Bovenstaand antwoord geeft een zo volledig mogelijk overzicht van betrokken organisaties en adviesbureaus maar is niet uitputtend.

Vraag 372

Hoeveel managementfuncties zijn er binnen UWV en hoe staat dit in verhouding tot het aantal uitvoerende functies?

Antwoord 372

Eind augustus 2019 waren er in totaal 878 managementfuncties binnen UWV. In totaal waren er op dat moment 17.905 medewerkers in dienst bij UWV.

Vraag 373

Hoeveel managementfuncties zijn er binnen de SVB en hoe staat dit in verhouding tot het aantal uitvoerende functies?

Antwoord 373

Eind augustus 2019 waren binnen de SVB in totaal 242 medewerkers werkzaam in een managementpositie. Dit ten opzichte van 3.541 uitvoerende medewerkers.

Vraag 374

Hoeveel communicatiefuncties zijn er binnen UWV en hoe staat dit in verhouding tot het aantal uitvoerende functies?

Antwoord 374

Eind augustus 2019 had UWV in totaal 114 medewerkers in dienst met een communicatiefunctie. Hiervan hadden 73 medewerkers een communicatiefunctie binnen het primaire proces (zoals klantcommunicatieadviseur). In totaal waren er op dat moment 17.905 medewerkers in dienst bij UWV.

Vraag 375

Hoeveel communicatiefuncties zijn er binnen de SVB en hoe staat dit in verhouding tot het aantal uitvoerende functies?

Antwoord 375

Eind augustus 2019 waren binnen de SVB in totaal 11 medewerkers werkzaam in een communicatiefunctie. Dit ten opzichte van 3.541 uitvoerende medewerkers.

Vraag 376

Hoeveel medewerkers met tijdelijke contracten werken er bij UWV en hoe staat dit in verhouding tot het aantal vaste medewerkers?

Antwoord 376

Eind augustus 2019 waren er in totaal 17.905 medewerkers in dienst bij UWV. Hiervan hadden 1.690 medewerkers een tijdelijk contract.

Vraag 377

Hoeveel medewerkers met tijdelijke contracten werken er bij de SVB en hoe staat dit in verhouding tot het aantal vaste medewerkers?

Antwoord 377

Eind augustus 2019 waren binnen de SVB in totaal 166 medewerkers, exclusief uitzendkrachten en externen, werkzaam met een contract voor een bepaalde tijd. Hiertegenover staan 2.891 werknemers die met een vast contract werkzaam zijn binnen de SVB.

Vraag 378

Welk deel van de apparaatskosten zijn bestemd voor ICT bij UWV?

Antwoord 378

Zie het antwoord op vraag 390.

Vraag 379

Welk deel van de apparaatskosten zijn bestemd voor ICT bij de SVB?

Antwoord 379

Binnen de apparaatskosten van de SVB in 2020 is 29% van het budget bestemd voor ICT (incl. kosten van intern en extern personeel dat werkzaam is in ICT functies).

Vraag 380

Waarom is er nog geen streefwaarde voor klanttevredenheid beschikbaar? Is dat niet uw verantwoordelijkheid?

Antwoord 380

Het Ministerie van SZW en UWV maken afspraken over prestatie-indicatoren en de streefwaarden die daaraan gekoppeld zijn. Op 30 september heeft UWV een definitief jaarplan voor 2020 ingediend. Hierin staan streefwaardes voor de klanttevredenheid van uitkeringsgerechtigden en werkgevers. Het jaarplan wordt in december aan uw Kamer toegestuurd als bijlage bij de Stand van de uitvoering.

Vraag 381

Hoe staat het met het onderzoek om minderjarige studenten die eerder recht hadden op studiefinanciering, wel recht te geven op kinderbijslag en kindgebonden budget?

Antwoord 381

Dit is betrokken bij de analyse naar de mogelijkheden voor een evenwichtiger stelsel van tegemoetkomingen voor ouders en de (inkomens)effecten voor de verschillende (doel)groepen, die met een brief van 19 oktober aan de Kamer is aangeboden.

Vraag 382

Wat is de actuele artsencapaciteit bij UWV in fte en hoe heeft deze capaciteit zich in de afgelopen vijf jaren ontwikkeld?

Antwoord 382

De brutoartsencapaciteit van de divisie Sociaal-Medische Zaken van UWV bedroeg eind augustus 2019 942 fte. Hiervan was 762 fte beschikbaar voor het uitvoeren van sociaal-medische beoordelingen (netto-artsencapaciteit). De overige 180 fte werd ingezet voor het geven en ontvangen van opleiding en begeleiding. De artsencapaciteit heeft zich de afgelopen vijf jaren als volgt ontwikkeld:

 

Ultimo 2015

Ultimo 2016

Ultimo 2017

Ultimo 2018

Augustus 2019

Bruto artsencapaciteit (in fte)

779

857

840

905

942

Opleiding en begeleiding (in fte)

104

136

128

173

180

Netto artsencapaciteit (in fte)

675

721

712

732

762

Vraag 383

Op welke wijze wordt binnen het UWV Informatieplan (UIP) aandacht besteed aan de verbetering van de gegevensuitwisseling tussen UWV en derde partijen zoals de Belastingdienst?

Antwoord 383

In hoofdstuk vijf van het UWV Informatieplan (UIP) schetst UWV de ontwikkelingen op het gebied van het IV-domein Gegevenshuishouding. Deze trajecten leveren een bijdrage aan het op een betrouwbare en juiste manier leveren van actuele gegevens en informatie uit het domein werk en inkomen aan interne- en externe afnemers, waaronder derde partijen zoals de Belastingdienst.

Zo bedient UWV andere organisaties door het beheren en leveren van gegevens vanuit de Polisadministratie. UWV heeft het plan om de actualiteit van gegevens in de Polisadministratie te verbeteren. Eén van de speerpunten voor de komende jaren is het motiveren van werkgevers om de loonaangifte sneller in te sturen. Dit doet UWV om de bruikbaarheid van de gegevens, zowel intern (bijvoorbeeld voor het WW-proces) en extern te verhogen. Daarnaast gaat UWV fouten in de loonaangifte eerder terugkoppelen.

Vraag 384

Welke concrete resultaten zijn sinds de start in 2016 geboekt vanuit het UIP?

Antwoord 384

In het kader van het UWV Informatieplan (UIP) voert UWV jaarlijks meer dan 100 ICT-projecten uit om zijn ICT stabiel en veilig te houden, om zijn ICT tijdig te vernieuwen en om burgers en medewerkers met moderne diensten te ondersteunen. In de UWV jaarverslagen verantwoordt UWV zich jaarlijks over de belangrijkste resultaten die worden geboekt vanuit het UIP.

Concrete resultaten sinds 2016 zijn onder andere de trajecten die UWV heeft uitgevoerd om zijn ICT landschap te ontkoppelen en minder kwetsbaar te maken, het realiseren van een veilig alternatief voor het e-mailen van gevoelige informatie, het meer robuust maken van het Mijn UWV portaal en het daarnaast bieden van een veilig en robuust werkgeversportaal. Tevens wordt er gewerkt aan het realiseren van één uniforme betaalomgeving voor alle uitkeringen, waarmee het ICT-landschap van UWV minder complex wordt en eenvoudiger te moderniseren. Met het project 1UBO-AW is daarvoor al één betaalstraat voor de arbeidsongeschiktheidswetten gerealiseerd en voorbereidingen zijn getroffen om in 2020 ook de werkloosheidswetten aan te sluiten op de uniforme betaalstraat. Tot slot zijn er verbeteringen en efficiencywinst geboekt door automatiseren en verbeteren van de verwerking van financiële verplichtingen en door het automatiseren van processen.

Vraag 385

Welke randvoorwaarden worden bedoeld als het gaat om zorgvuldig uitbreiden van de inzet van taakdelegatie?

Antwoord 385

Op dit moment werkt de Minister samen met UWV de vormgeving van het onafhankelijk onderzoek naar deze randvoorwaarden nader uit. De nadruk van het onderzoek zal liggen op de juridische randvoorwaarden: welke juridische belemmeringen zouden voor verdere uitbreiding van taakdelegatie moeten worden weggenomen? Ook de eventuele herziening, verduidelijking en uitbreiding van UWV’s Handreiking Taakdelegatie nemen wij als mogelijke randvoorwaarde in het onderzoek mee, ook om uitvoering te geven aan de motie Wiersma/Pieter Heerma (Tweede Kamer, 29 544, nr. 905). Wij hebben daarnaast met UWV afgesproken dat UWV in samenspraak met de betrokken professionals in beeld brengt welke andere randvoorwaarden voor zorgvuldige uitbreiding er zijn. In de Kamerbrief over de stand van de uitvoering van december van dit jaar informeren wij u over de voortgang van het onderzoek en de aanvullende acties van UWV.

Vraag 386

Waar is de Business Case intensivering handhaving en toezicht te vinden?

Antwoord 386

De initiële businesscase is in 2013 aan de Tweede Kamer gezonden (Tweede Kamer, 17 050, nr. 439). De businesscase is in 2015 aangevuld (Tweede Kamer, 17 050, nr. 504). De SVB heeft over de realisatie daarvan in het jaarverslag 2018 gerapporteerd. In Stand van de uitvoering sociale zekerheid juni 2019 is vervolgens aangegeven dat de gerealiseerde businesscase aanleiding gaf om de intensivering structureel voort te zetten (bijlage bij Tweede Kamer, 26 448, nr. 625).

Vraag 387

Kunt u aangeven in hoeverre de tekorten aan artsen bij UWV leidt tot langere wachttijden voor bijvoorbeeld Wajongers als zij gekeurd moeten worden voor bijvoorbeeld een nieuwe baan?

Antwoord 387

De beperkte artsencapaciteit van UWV heeft geen invloed op Wajongers voor wat betreft het starten van een baan. UWV ondersteunt Wajongers met arbeidsvermogen op diverse manieren bij het zoeken en vinden van een (nieuwe) baan, bijvoorbeeld door het voeren van gesprekken, het benaderen van werkgevers, het toekennen van loondispensatie en het inzetten van voorzieningen. Voor deze dienstverlening is geen inzet van een arts nodig. De beperkte artsencapaciteit van UWV kan wel effect hebben op Wajongers die een herbeoordeling aanvragen vanwege een verslechterde of verbeterde gezondheidssituatie. Zij hebben net als andere uitkeringsgerechtigden te maken met de stijgende voorraad herbeoordelingen die UWV moet verrichten. In juni van dit jaar hebben wij u daarom gemeld dat wij UWV gevraagd hebben om taakdelegatie zo snel en zo breed mogelijk verdergaand in te voeren, om de beperkte artsencapaciteit beter te benutten («Stand van de uitvoering sociale zekerheid», bijlage bij: Tweede Kamer, 26 448, nr. 625).

Vraag 388

In hoeverre verwacht u grotere problemen bij uitvoeringsorganisaties in economisch kwetsbare regio’s bij het toekomstbestendig maken van hun uitvoering?

Antwoord 388

Op dit moment wordt de in de begroting genoemde probleemanalyse afgewacht en is hier nu nog geen zicht op.

Vraag 389

Hoeveel mensen zijn in dienst bij UWV en de SVB?

Antwoord 389

Eind augustus 2019 waren er in totaal 17.905 medewerkers in dienst bij UWV en 3.802 medewerkers bij de SVB.

Vraag 390

Welk deel van het budget geeft UWV uit aan haar primaire processen, aan personeel in totaal en aan ICT in totaal?

Antwoord 390

Omdat in hierna genoemde kostencategorieën vergelijkbare kosten zijn opgenomen, zijn de percentages niet optelbaar. UWV voorziet 74% van het budget 2020 uit te geven aan primaire processen (dit betreft de personele en materiële uitgaven aan de primaire divisies en uitvoerende directies). UWV voorziet 78% uit te geven aan personeel. Dit is inclusief intern en extern personeel dat werkzaam is in ICT-functies. UWV voorziet 24% uit te geven aan ICT. Dit is inclusief intern en extern personeel werkzaam in ICT-functies. Exclusief personeel bedraagt het aandeel ICT circa 15%.

Vraag 391

Op basis waarvan is de raming uitvoering UWV lager in 2020 dan in 2019?

Antwoord 391

Wijzingen in het uitvoeringsbudget worden veroorzaakt door beleidswijzigingen en volume-ontwikkelingen in de onderscheiden wetten. De raming van het begrotingsgefinancierde deel van de uitvoeringskosten UWV daalt in 2020 ten opzichte van 2019 vanwege het aflopen van de tijdelijke middelen vanuit SZW voor werkgeversdienstverlening. Deze dienstverlening financiert UWV gedurende deze kabinetsperiode verder vanuit eigen reserves in afwachting van evaluatie (Tweede Kamer, 33 566, nr. 12). Het totale uitvoeringsbudget UWV (begrotings- en premiegefinancierde deel) neemt wel toe. Die stijging wordt veroorzaakt door volumeontwikkelingen bij voornamelijk de WW (premiegefinancierd).

Vraag 392

Kunt u het aanbod van professionele taallessen voor kansrijke asielzoekers uitbreiden en de kansrijke nationaliteiten actualiseren?

Antwoord 392

De Minister deelt de mening dat snelle integratie en taalles vanaf dag één voor asielzoekers met een kansrijke aanvraag van groot belang is, zowel voor de Nederlandse samenleving als de asielzoekers in kwestie. Op dit moment wordt op basis van recente inwilligingspercentages bezien of deze nationaliteiten moeten worden aangepast. Het is daarbij van belang om te benoemen dat niet alle aanvragen van asielzoekers in procedure ook als kansrijk kunnen worden benoemd als wordt gekeken naar de inwilligingspercentages.

Vraag 393

Wat wordt bedoeld met het streven naar evenredigheid op het terrein van onderwijs en arbeidsdeelname?

Antwoord 393

Van evenredigheid is sprake als groepen met een migratieachtergrond eenzelfde positie innemen als een – qua achtergrondkenmerken – vergelijkbare categorie met autochtoon Nederlandse achtergrond. Op het terrein van onderwijs en arbeidsdeelname gaat het dus bijvoorbeeld om eenzelfde aandeel havo/vwo-leerlingen in het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs en op de arbeidsmarkt gaat het om eenzelfde netto participatiegraad en werkloosheidspercentage.

Vraag 394

Hoe gaat u ervoor zorgen dat de inburgering voor alle nieuwkomers daadwerkelijk wordt verbeterd middels het nieuwe inburgeringsstelsel onafhankelijk van hun woonplaats?

Antwoord 394

Zie het antwoord op vraag 14.

Vraag 395

Kunt u overige subsidies nader uitsplitsen?

Antwoord 395

De post overige subsidies heeft betrekking op:

  • Een aantal te verwachten nieuwe subsidies over 2020, waarvan de belangrijkste is van COA voor de vroege integratie en participatie van statushouders;

  • De afwikkeling van een aantal lopende subsidies, waarvan de verplichtingen in voorgaande jaren zijn aangegaan onder andere voor Blik op Werk in het kader van toezicht taalaanbieders inburgering, Ninsee met betrekking tot herdenking slavernijverleden, Pharos rondom koppeling statushouders aan vrijwilligerswerk, het Prins Bernard Fonds en het Oranje Fonds met betrekking tot activiteiten in het kader van het VN Decennium personen van Afrikaanse afkomst.

Overigens zijn uit deze post in het verleden twee subsidies toegekend aan het Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO). De beoordeling van de subsidieverantwoording heeft dit jaar op basis van een reviewrapport bij de ene subsidie geleid heeft tot een lagere vaststelling. Bij de andere subsidie is sprake van een vordering op CMO. Op basis van een evaluatie is vastgesteld dat alhoewel ook in de toekomst zal kunnen worden samengewerkt met CMO, dit niet meer op basis van een subsidierelatie zal zijn.

Vraag 396

Kunt u specificeren hoe groot het aandeel van de bevolking 15 tot 75 jaar is met betaald werk in de volgende categorieën: een uur per week, twee tot tien uur per week, 11 tot 20 uur per week, 21 tot 30 uur per week en meer dan 31 uur per week?

Antwoord 396

Dit is helaas niet mogelijk.

Het CBS heeft wel cijfers over het aantal personen (van 15 tot 75 jaar) dat gemiddeld 1 tot 12 uur, 12 tot 20 uur, 20 tot 28 uur, 28 tot 35 uur of 35 of meer uur per week werkt. Het aandeel van deze groepen in de werkzame beroepsbevolking bedraagt respectievelijk 10,8%, 7,6%, 13,7%, 17,0% en 50,9%. Het aandeel van deze groepen in de beroepsgeschikte bevolking bedraagt respectievelijk 7,4%, 5,2%, 9,4%, 11,7% en 35%.

Vraag 397

Kunt u aan de kerncijfers integratie uit figuur 3.13.1, 3.13.2 en 3.13.3 ook absoluten toevoegen?

Antwoord 397

De cijfers in de genoemde figuren worden door het CBS specifiek samengesteld ten behoeve van de monitoring van het integratiebeleid. Bij de vaststelling van doelbereik van dit beleid gaat het om gelijke dan wel evenredige posities van verschillende groepen ten opzichte van elkaar en daarbij zijn de relatieve posities (percentages per herkomstgroep) van betekenis. Om die reden zijn dan ook uitsluitend deze cijfers beschikbaar en geen absolute aantallen.

Vraag 398

Hoe verhouden de positiever wordende kerncijfers integratie zich tot het beeld dat bepaalde migrantengroepen (Turken en Marokkanen) zich af lijken te keren tegen de Nederlandse samenleving?

Antwoord 398

De kerncijfers integratie kunnen door het CBS worden samengesteld op basis van jaarlijks beschikbare bronbestanden en hebben daarmee een hoge actualiteit (cijfers van 2018). Inzichten in (de ontwikkeling van) subjectieve aspecten als oriëntatie op, gevoelens van binding met en acceptatie door de Nederlandse samenleving worden ontleend aan het periodieke Survey Integratie Migranten (SIM) dat het SCP op mijn verzoek elke vijf jaar uitvoert. Het meest recente SIM dateert van 2015. Om te beoordelen hoe de verbeterende positie die zichtbaar is in de kerncijfers zich verhoudt met de oriëntatie op Nederland moeten de uitkomsten van het SIM2020 worden afgewacht. Die zullen naar verwachting begin 2021 beschikbaar komen.

Vraag 399

Hoeveel mensen komen jaarlijks in aanmerking voor de remigratievoorziening?

Antwoord 399

Sinds de wetswijziging van 2014, waarbij de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een remigratie voorziening, zijn aangescherpt, loopt het aantal aanvragen en toekenningen daarvoor terug. Het beeld voor de toekenningen van de afgelopen jaren ziet er als volgt uit:

2014:

1.560

2015:

888

2016:

217

2017:

170

2018:

145

Vraag 400

Welke doelstellingen had Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt (VIA) en zijn deze gerealiseerd?

Antwoord 400

Het programma Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt (VIA) is opgezet om de arbeidsmarktpositie en -participatie van Nederlanders met een niet-westerse migratieachtergrond te verbeteren. VIA bestaat uit acht pilots. Het doel is om erachter te komen wat werkt om de achterstanden op de arbeidsmarkt van deze Nederlanders te verkleinen. De ambitie is om gedurende en na de looptijd van VIA (2018–2021) inzichten uit de pilots beschikbaar te maken voor werkgevers, gemeenten, UWV en onderwijsinstellingen en zo succesvolle beleidsinterventies op te schalen. Deze stakeholders zijn ook betrokken bij de opzet en uitvoering van de pilots die VIA faciliteert, stimuleert en onderzoekt.

In 2021 beoogt het programma VIA een breed palet aan effectieve maatregelen te bieden waarmee gelijke kansen op de arbeidsmarkt voor Nederlanders met een niet-westerse migratieachtergrond worden gecreëerd en hun arbeidsmarktpositie blijvend kan worden versterkt. Op lange termijn draagt dit bij aan een gelijkwaardige arbeidsmarktpositie.

Het programma is inmiddels vol in uitvoering en over de laatste stand van zaken van het programma wordt uw Kamer vóór de begrotingsbehandeling in november 2019 per brief geïnformeerd.

Vraag 401

Kunt u tabel 3.13.3 ook maken voor dezelfde groepen maar dan voor zij die geen kennisgeving krijgen, niet slagen voor het inburgeringsexamen, etc.?

Antwoord 401

Er zijn realisatiecijfers voor 2018 beschikbaar. Deze zien er als volgt uit:

  • Realisatie «geen kennisgeving ontvangen in 2018»: het aantal «gerealiseerd» dat in de tabel vermeld wordt, is het aantal dat in 2018 daadwerkelijk een kennisgeving heeft ontvangen van de inburgeringsplicht. Er zijn geen gegevens van aantallen inburgeraars die geen kennisgeving hebben ontvangen.

  • Realisatie niet geslaagd voor inburgeringexamen: op basis van realisatiecijfers van DUO (peildatum 1 september 2019) is er in 2019 sprake van zakken bij 23% van de examens.

  • Realisatie geen voorinburgering ontvangen: er is alleen maar de beschikking over de realisatiecijfers van 2018. 74% van de doelgroep is gestart met het programma en 26% is niet gestart met het programma. De voornaamste redenen om niet deel te nemen zijn o.a. medische of psychosociale belemmeringen en zicht op snelle uitstroom naar de gemeente.

  • Realisatie geen maatschappelijke begeleiding ontvangen: gemeenten worden voor de maatschappelijke begeleiding bekostigd op basis van het aantal inburgeringsplichtige asielstatushouders dat zich regulier in die gemeente vestigt. Hiervoor wordt door de gemeente begeleiding geboden. Het is niet bekend in hoeverre hierbij uitval optreedt.

Vraag 402

Hoe zorgt u ervoor dat asielzoekers niet onnodig lang hoeven te wachten met het inburgeren gezien de lange wachttijden voor het indienen van een asielverzoek?

Antwoord 402

Asielzoekers zijn (nog) niet inburgeringsplichtig. Het is van belang dat er stimulerend en activerend aanbod in het kader van integratie en participatie beschikbaar is. Voor asielzoekers en asielstatushouders in de COA-opvang bestaan verschillende projecten, waarvan een groot deel in opdracht of met medewerking van het Ministerie van SZW wordt uitgevoerd. Zo worden asielzoekers en asielstatushouders zo veel mogelijk begeleid naar activiteiten en participatie op en rondom de COA-locatie; kansrijke asielzoekers (waarbij «kansrijkheid» wordt bepaald op basis van inwilligingspercentage) hebben de mogelijkheid om al NT2-lessen te volgen voorafgaand aan vergunningverlening. Na vergunningverlening voert het COA in opdracht van het Ministerie van SZW het programma Voorbereiding op inburgering uit, een programma van 14 weken dat bestaat uit taal, KNM, ONA en persoonlijke begeleiding. Het reguliere inburgeringstraject gaat in nagenoeg alle gevallen pas van start na verhuizing naar de gemeente.

Vraag 403

Hoe verhouden de lange wachttijden bij de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) zich tot de wens van een snelle start met integratie?

Antwoord 403

De lange wachttijden bij de Immigratie en Naturalisatiedienst dragen niet bij aan de beleidsintentie om snel te starten met de integratie. Dat is mede de reden dat de inzet er op gericht is de wachttijden naar beneden te brengen.

Vraag 404

Hoeveel leningen worden als niet inbaar afgeschreven en waarom?

Antwoord 404

Op dit moment wordt er nog gewerkt aan een formele definitie van niet inbare leningen. Hierover zal in het jaarverslag 2019 worden gerapporteerd. Wel kunnen gegevens worden verstrekt van tenietgegane leningen. Er is tot 1 september 2019 spaken van 32 tenietgegane leningen. Hiermee is een bedrag gemoeid van € 112.958. Dit betreft met name leningen van inburgeraars die overleden zijn.

Vraag 405

Hoe kan het dat het aantal inburgeraars met een kwijtgescholden lening ten opzichte van 2018 in 2019 met 8.000 is toegenomen?

Antwoord 405

Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen geldt dat de lening wordt kwijtgescholden wanneer zij binnen de wettelijke termijn aan de inburgeringsplicht hebben voldaan. De stijging van het aantal kwijtgescholden leningen kan worden verklaard uit het feit dat sinds vorig jaar een groep van circa 8.000 asielgerechtigde inburgeringsplichtigen met een lening tijdig aan de inburgeringsplicht heeft voldaan.

Vraag 406

Hoeveel mensen zijn in dienst bij het kerndepartement?

Antwoord 406

Op 30 september waren bij het Ministerie van SZW 3.851 medewerkers in dienst. Gezamenlijk vervullen zij 3.259 FTE. In deze telling zijn ook de medewerkers van de Inspectie SZW en de Rijksschoonmaakorganisatie meegeteld.

Vraag 407

Welk percentage van de loonkosten gaat naar de inhuur van externen, uitgesplitst naar kerndepartement, alle Zelfstandig Bestuursorganen (ZBO’s) en alle Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT’s)?

Antwoord 407

De percentages externe inhuur voor 2018 (het laatst bekende realisatiejaar) zijn voor het kerndepartement en de onder SZW vallende ZBO’s en RWT’s:

 

Percentage externe inhuur

SZW (inclusief Inspectie en RSO)

4,7

UWV (inclusief BKWI)

12,5

SVB

16,6

Inlichtingenbureau

33,6

Bij UWV, de SVB en het Inlichtingenbureau zijn de percentages hoger dan bij SZW. Het gaat hierbij veelal om de inhuur van specifieke expertise op ICT-terrein.

Bij UWV is er sprake van inhuur van flexibel en extern personeel voor een aantal uitvoeringstaken waar (tijdelijk) meer capaciteit voor nodig is of bepaalde expertise die intern niet beschikbaar is. Het gaat hierbij met name om medewerkers in de klantcontactcentra, de flexibele schil van de divisie Uitkeren (arbeidsdeskundigen), IT-medewerkers en verzekeringsartsen.

Bij de SVB is er sprake van extra inzet van externen voor projecten als gevolg van wijziging van wet- en regelgeving en moeilijk vervulbare interne vacatures.

Bij het Inlichtingenbureau is er sprake van inhuur van ICT-personeel voor projecten die voortkomen uit gewijzigde regelgeving en een opdracht om het stelsel van gegevensuitwisseling van werk en inkomen te vernieuwen.

Vraag 408

Waarom neemt het beleidsbudget voor handhaving in 2020 en 2021 af en ten koste van welke beleidsdoelen gaat dit?

Antwoord 408

Aan het beleidsbudget voor handhaving is in 2019 € 2 miljoen toegevoegd voor het programma Toekomst Gegevensuitwisseling Werk en Inkomen (TWI). Hierdoor is het budget in 2019 hoger dan in 2020 en 2021. Over het programma TWI is uw Kamer geïnformeerd middels de brief van 5 maart 2019 (Tweede Kamer, 26 448, nr. 609). Als het extra toegekende budget voor TWI buiten beschouwing gelaten wordt, zijn de beleidsmiddelen voor handhaving op artikel 98 over de jaren gelijk, op enkele kleine fluctuaties na.

Vraag 409

Welke uitgaven onder artikel 98 zijn juridisch verplicht en welke niet?

Antwoord 409

Van de totale uitgaven op artikel 98 is 62% juridisch verplicht (in totaal 20,2 miljoen). Het gaat hier met name om de uitgaven voor subsidies, dienstauto’s, beleidsinformatie en uitvoeringskosten Caribisch Nederland.

Van handhaving, overige opdrachten en bijdrage aan agentschappen en aan andere hoofdstukken zijn nog niet alle uitgaven juridisch verplicht (in totaal 12,6 miljoen).

Vraag 410

Waarom neemt het beleidsbudget voor handhaving in 2020 en 2021 af, en ten koste van welke beleidsdoelen gaat dit?

Antwoord 410

Zie het antwoord op vraag 408.

Vraag 411

Hoe groot is het budget voor de inspectie SZW dat is ondergebracht bij de Rijksdienst Caribisch Nederland?

Antwoord 411

Bij de RCN-unit SZW is een divers aantal taken ondergebracht, zoals uitkeringsverstrekking, afgifte vergunningen (voor tewerkstelling en ontslag) en arbeidsinspectie. Binnen het budget uitvoeringskosten dat de RCN-unit SZW ter beschikking staat, wordt geen uitsplitsing gemaakt naar taakvelden. De capaciteit is wel concreet te duiden. Het bij de RCN-unit SZW ondergebrachte team arbeidsinspectie Caribisch Nederland bestaat uit een coördinator en drie inspecteurs.

Vraag 412

Kunt u een uitsplitsing maken van de onvoorziene uitgaven onder artikel 99?

Antwoord 412

Op artikel 99 staan middelen gereserveerd die op een later moment naar de betreffende beleidsartikelen worden overgeboekt. Het moment daarvoor is als de invulling van het beleid nader uitgewerkt is. Voor 2020 staan er middelen voor de Verander Opgave Inburgering (€ 44 miljoen), Matchen Op Werk (€ 35 miljoen), Breed Offensief (€ 30 miljoen), Loondoorbetaling bij ziekte (€ 12 miljoen), Fraudewet (€ 6 miljoen) en het Scholingsexperiment WGA (€ 5 miljoen). Het overige deel bestaat uit kleinere dossiers en uit loon- en prijsbijstelling die nog moet worden uitgekeerd.

Vraag 413

Kunt u de onvoorziene uitgaven voor loondoorbetaling bij ziekte, Verander Opgave Inburgering (VOI) en het Breed Offensief nader uitsplitsen en toelichten?

Antwoord 413

Loondoorbetaling bij ziekte (€ 12 miljoen in 2020)

In het regeerakkoord zijn afspraken opgenomen over loondoorbetaling bij ziekte en de WIA. Hierbij zijn sociale partners uitgenodigd om binnen de budgettaire kaders met werkbare alternatieven voor deze maatregelen te komen. De in 2020 beschikbare middelen worden besteed aan het alternatieve pakket aan maatregelen om de loondoorbetalingsverplichtingen makkelijker, duidelijker en goedkoper maken. Hierover is de Tweede Kamer middels twee brieven geïnformeerd (Tweede Kamer, 29 544, nr. 873 en Tweede Kamer, 32 716, nr. 37).

De € 12 miljoen aan onvoorziene uitgaven is bestemd voor de maatregelen:

  • Kwaliteitsimpuls om het medisch advies van bedrijfsarts en het medisch oordeel van de verzekeringsarts beter op elkaar af te stemmen;

  • Experimenten die werkhervattingskansen verbeteren in het tweede spoor;

  • Verbeteren van de transparantie rondom loondoorbetaling;

  • Investeren in de ontwikkeling van de MKB-verzuim-ontzorg-verzekering.

Verander Opgave Inburgering (€ 44 miljoen in 2020)

Met het regeerakkoord zijn vanaf 2019 middelen beschikbaar gesteld voor het nieuwe inburgeringsstelsel dat in 2021 in werking treedt. De in 2020 beschikbare middelen worden onder meer besteed aan de ontwikkeling van ICT en aan het pilotprogramma Veranderopgave Inburgering om gemeenten voor te bereiden op de implementatie van het nieuwe stelsel.

Breed Offensief (€ 30 miljoen in 2020)

Voor het wetsvoorstel breed offensief is incidenteel € 53 miljoen gereserveerd, verspreid over 2020 en 2021, onder andere om het proces rondom de loonkostensubsidie meer te stroomlijnen en te uniformeren. De bestemming van de middelen zal ook met gemeenten worden besproken om tot een doelmatige besteding te komen.

Vraag 414

Wat is de reden dat in 2020 € 188 miljoen onverdeeld staat?

Antwoord 414

Deze middelen zijn gereserveerd voor enkele dossiers. Deze dossiers staan uitgesplitst in het antwoord op vraag 412.

Vraag 415

Wat is de reden dat het bedrag onverdeeld in 2020 zoveel hoger is dan in 2019?

Antwoord 415

Ten tijde van begroting 2019 stond er voor 2019 € 173 miljoen gereserveerd. In de begroting 2020 staat voor 2020 € 188 miljoen gereserveerd. In 2019 is het overgrote deel van die € 173 miljoen uitgegeven.

Vraag 416

Wat is er nodig om (nieuwe) voorstellen te kunnen financieren uit dit bedrag onverdeeld?

Antwoord 416

De middelen op artikel 99 zijn gereserveerd voor dossiers in afwachting van verdere invulling van beleid. In het antwoord op vraag 412 staat een onderverdeling van de gereserveerde middelen op artikel 99.

Vraag 417

Wat is de gemiddelde WW-premie per sector en welke sectoren zitten hier significant boven of onder?

Antwoord 417

Voor de gemiddelde WW-premie per sector in de afgelopen jaren (2014 t/m 2019) wordt verwezen naar de UWV-publicatie «Nota premievaststelling sectorfondsen 2019», te raadplegen via https://www.uwv.nl/overuwv/kennis-cijfers-en-onderzoek/premieadviezen-social-fondsen/nota-premievaststelling-sectorfondsen-2019.aspx. De vijf sectoren met gemiddeld de laagste sectorpremies over deze periode zijn 25 Vervoer KLM, 26 Vervoer NS, 4 Baggerbedrijf, 68 Railbouw, en 23 Visserij. De vijf sectoren met gemiddeld de hoogste sectorpremies over deze periode zijn 40 Uitgeverij, 56 Schildersbedrijf, 58 Dakdekkersbedrijf, 28 Taxivervoer, en 52 Uitzendbedrijven.

Vanaf 2020 worden de WW-premies als gevolg van de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) niet meer naar sector gedifferentieerd, maar naar de aard van het contract. In paragraaf 4.3.7 van de memorie van toelichting bij de Wab (Tweede Kamer, 35 074, nr. 3) zijn de verwachte effecten per sector weergegeven.

Vraag 418

Welke consequentie heeft het gegeven dat het Ouderdomsfonds en de WW-fondsen een negatief vermogen hebben ultimo 2020?

Antwoord 418

Het gegeven dat het Ouderdomsfonds en de WW-fondsen naar verwachting ultimo 2020 een negatief vermogen hebben heeft geen enkele budgettaire consequentie.

De sociale fondsen zijn onderdeel van de collectieve sector. Dat betekent dat de uitgaven die gedaan worden uit de fondsen collectieve uitgaven zijn, en de premie-inkomsten van de fondsen collectieve inkomsten zijn. Het jaarlijkse exploitatietekort of -overschot van elk fonds loopt mee in het begrotingstekort van de collectieve sector als geheel. Dat is te zien in de Miljoenennota 2020, internetbijlage 6 over het EMU-saldo, zie de tabel hieronder.

Tabel Miljoenennota 2020, Tabel 6.4 Opbouw EMU-saldo collectieve sector

(in miljoenen euro, – is tekort)

2018

2019

2020

EMU-saldo Rijk

5.386

4.458

– 2.336

EMU-saldo sociale fondsen

6.697

7.824

5.700

EMU-saldo decentrale overheden

– 735

– 1.484

– 1.484

EMU-saldo collectieve sector

11.348

10.797

1.880

EMU-saldo collectieve sector (in procenten bbp)

1,5

1,3

0,2

Voor 2020 wordt voor de hele collectieve sector een begrotingsoverschot verwacht van 0,2 procent bbp, oftewel 1,9 miljard euro. Dat overschot is opgebouwd uit een tekort bij het Rijk zelf, een overschot bij de sociale fondsen (dit zijn zowel de sociale fondsen van SZW als van VWS), en een tekort bij decentrale overheden.

De sociale fondsen zijn verplicht deelnemer aan het geïntegreerd middelenbeheer. Een verwacht overschot in 2020 betekent dus dat de sociale fondsen per saldo meer geld gaan aanhouden bij de schatkist. Hierdoor vermindert de financieringsbehoefte van het Rijk. Andersom betekent een exploitatietekort van de sociale fondsen dat zij per saldo geld zullen lenen van de schatkist, waarvoor het Rijk op zijn beurt dan weer financiering zal aantrekken (door staatsschuld uit te geven). De beleidsdoorlichting schatkistbankieren (Tweede Kamer, 31 935, nr. 53) uit 2019 gaat nader in op deze systematiek.

Dat een negatief fondsvermogen geen enkele budgettaire consequentie heeft wil niet zeggen dat deze geen aandacht verdienen. Zo is bijvoorbeeld bij het Ouderdomsfonds sprake van twee Rijksbijdragen die het jaarlijkse exploitatietekort verminderen. Deze Rijksbijdragen zijn ooit ingesteld omdat de premie-inkomsten niet langer genoeg waren om de uitgaven aan AOW mee te betalen. In 2020 zijn die twee Rijksbijdragen samen 16 miljard euro. Zonder deze Rijksbijdragen zou het Rijk dus een positief EMU-saldo hebben, maar de sociale fondsen juist een tekort. De betaling van rijksbijdragen door het Rijk aan sociale fondsen verandert dus niets aan het totale begrotingssaldo, maar wel hoe dit verdeeld wordt tussen de verschillende onderdelen van de collectieve sector.

Het vermogen van een sociaal fonds aan het einde van het jaar is simpelweg de optelsom van alle eerder jaarlijkse exploitatietekorten en -overschotten. Voor het Ouderdomsfonds geldt dat een negatief vermogen in latere jaren wordt aangevuld door de Rijksbijdrage hoger vast te stellen. Het vermogen zal echter nooit precies op nul uitkomen omdat de Rijksbijdrage al halverwege het jaar definitief wordt vastgesteld terwijl de echte AOW-uitgaven en premie-inkomsten dan nog niet vast staan.

Voor de WW-fondsen is er geen Rijksbijdrage om een eventueel tekort aan te vullen. Het vermogen van de WW-fondsen fluctueert voornamelijk mee met de conjunctuur. In de jaren na de crisis liepen de WW-uitgaven op en de premie-inkomsten terug, waardoor er forse exploitatietekorten zijn geweest. Het daardoor opgebouwde negatieve vermogen wordt ingelopen nu het met de economie weer beter gaat. Vanaf 2017 hebben de WW-fondsen namelijk een positief exploitatiesaldo. Hierdoor is het negatieve vermogen teruggelopen van meer dan 13 miljard eind 2016 naar een geraamde 5 miljard eind 2020.

Vraag 419

Bent u het ermee eens dat in koopkrachtplaatjes verschillende huishoudtypen en regionale verschillen in de kosten van huur zouden moeten meewegen? Bent u het ermee eens dat gangbare koopkrachtplaatjes die dat niet doen per definitie een te rooskleurig en daarmee vertekend beeld geven van de financiële situatie van veel gezinnen? Kunt u uw antwoord motiveren? Wat gaat u hieraan doen?

Antwoord 419

De koopkrachtplaatjes hebben tot doel een algemeen beeld te geven van de koopkrachtontwikkeling als gevolg van economische ontwikkelingen en de effecten van landelijk beleid. De koopkrachtplaatjes zijn niet bedoeld en ook niet geschikt om de koopkracht van individuele huishoudens exact te voorspellen. Zo wordt in deze koopkrachtplaatjes geen rekening gehouden met (regionale) verschillen in bijvoorbeeld loonontwikkeling, inflatie, huren en dergelijken, omdat deze niet op individueel niveau zijn te ramen. De huurontwikkeling loopt als gemiddelde in de koopkrachtplaatjes mee. Het differentiëren van de huur naar regio en/of huishoudtype heeft geen invloed op de gemiddelde koopkrachtontwikkeling, hooguit op de spreiding daarvan. Daarbij kan zowel sprake zijn van een afwijking naar boven als naar beneden.

Vraag 420

In hoeverre zijn lokale lasten zoals onroerendezaakbelasting (OZB) en/of gemeentelijke toeslagen meegenomen in de tabellen?

Antwoord 420

De (gemiddelde) ontwikkeling van de OZB wordt via de inflatie meegenomen in de koopkrachtcijfers. Behoudens bijzondere bijstand en kwijtschelding van lokale lasten die worden meegenomen in de armoedevalcijfers, worden gemeentelijke toeslagen verder niet meegenomen in de koopkrachttabellen in de begroting. Omdat er ook aanzienlijke verschillen zijn in het beleid van individuele gemeenten, is het niet mogelijk dit mee te nemen in de koopkrachtramingen.

Vraag 421

Op welke manier verhouden de koopkrachtcijfers van het Nibud zich tot de koopkrachtcijfers gepresenteerd in de SZW-begroting? Wat zijn de verschillen in berekening?

Antwoord 421

In de SZW-begroting wordt de koopkracht op twee manieren gepresenteerd; enerzijds via specifieke herkenbare voorbeelden, en anderzijds via dwarsdoorsnedes van de totale Nederlandse bevolking (mediane koopkrachtontwikkeling). Die laatste benadering doet meer recht aan de complexe realiteit, terwijl de specifieke voorbeelden eenvoudiger herleidbaar zijn.

De berekeningswijze van de voorbeeldhuishoudens in de SZW-begroting en de 100 voorbeeldhuishoudens die het Nibud publiceert is vrijwel identiek. Er zijn hierbij slechts andere keuzes gemaakt als het gaat over welke huishoudens er gerapporteerd wordt.

Wel is de berekeningswijze van de koopkrachtontwikkeling van de voorbeeldhuishoudens anders dan de koopkrachtcijfers in de boxplot in de SZW-begroting waarbij de mediane koopkrachtontwikkeling wordt gepresenteerd. De mediane koopkrachtontwikkeling wordt berekend op basis van de huishoudens die zitten in het Inkomenspanelonderzoek (IPO) van het CBS. Deze steekproef van 100.000 echte huishoudens geeft een representatief beeld van de gehele Nederlandse bevolking. Daarbij wordt rekening gehouden met de specifieke kenmerken van de huishoudens zoals de verdeling van inkomen over partners, de kosten van de woning, het aantal kinderen, de hoogte van het vermogen et cetera.

Vraag 422

Volgt het brutominimumloon de contractloonstijging waardoor deze bijna gelijke tred houdt met de gestegen marktlonen?

Antwoord 422

Het WML wordt geïndexeerd met het gemiddelde van de procentuele ontwikkeling van de contractlonen in marktsector, de gepremieerde en gesubsidieerde sector en de overheidssector. In onderstaande figuur zijn de ontwikkeling van het brutominimumloon en de contractloonontwikkeling in de markt ten opzichte van 2005 weergegeven. Uit de figuur blijkt dat het brutominimumloon en de contractloonstijging in de markt in de periode 2005–2019 gelijke tred houden.

Vraag 423

Is het waar dat de cao-lonen afgezet tegen de inflatie nog steeds mager en in feite onvoldoende stijgen? Wat gaat u aanvullend doen zodat mensen toch in hun portemonnee gaan voelen dat het echt beter gaat met de economie?

Antwoord 423

In de MEV-raming heeft het CPB de volgende ramingen opgenomen voor de contractloonontwikkeling in de marktsector en de inflatie in 2019 en 2020:

 

Contractloonontwikkeling marktsector

Inflatie (cpi)

2019

2,5%

2,6%

2020

2,5%

1,5%

Hieruit blijkt dat de gemiddelde loonontwikkeling en de inflatie in elkaars verlengde liggen in 2019 en dat de lonen naar verwachting in 2020 harder stijgen dan de prijzen. Uiteraard kan de gerealiseerde loonontwikkeling op individueel niveau van het geraamde gemiddelde afwijken. Naast de ontwikkeling van de lonen profiteren huishoudens van de lastenverlichtingen die in 2020 hun beslag krijgen. Zo groeit in 2020 het tweeschijvenstelsel, met lagere tarieven vanaf de tweede schijf, al volledig in. Daarnaast worden de algemene heffingskorting en de arbeidskorting verhoogd en krijgen alleenstaanden en paren een hogere zorgtoeslag. Het kabinet voert tevens beleid om de marginale druk te verlagen op de trajecten waar deze hoog is, zodat het meer gaat lonen om meer uren te werken. Met dit doeleinde wordt de harde afbouwgrens in de huurtoeslag vervangen voor een geleidelijke variant en wordt de afbouwgrens in het kindgebonden budget voor paren naar boven geschoven.

Vraag 424

Hoe verklaart u dat sinds begin 2016 er maar drie kwartalen waren waarin de loongroei in Nederland boven het Europees gemiddelde lag?

Antwoord 424

Ondanks dat het goed gaat met de economie, zijn de loonstijgingen de afgelopen jaren bescheiden geweest. De oorzaak van de achterblijvende loongroei is niet makkelijk aan te wijzen. In het Achtergronddocument Loongroei, een analyse op bedrijvendata wijst het CPB op een lagere groei van de arbeidsproductiviteit dan in het verleden als belangrijke verklaring voor de lagere loongroei (CPB, Loongroei, een analyse op bedrijvendata, CPB Achtergronddocument, 23 november 2018). Dit wordt onderstreept door data van Eurostat, waarin de arbeidsproductiviteit van landen is afgezet tegen het gemiddelde van de EU-28 (Eurostat, Labour productivity per person employed and hour worked (EU28=100)). Hieruit blijkt dat de gemiddelde arbeidsproductiviteit in Nederland in de periode 2005–2018 steeds boven het Europees gemiddelde ligt. Wel neemt de mate waarin dit geldt af. Waar de Nederlandse productiviteit in 2005 nog 19,2% hoger was dan het Europees gemiddelde is dat in 2018 nog 10,7%. Een andere verklaring voor de achterblijvende loongroei is dat lonen met enige vertraging reageren op de economische ontwikkeling. In de meest actuele economische raming van het CPB (MEV 2020-raming) ligt de verwachting van de gemiddelde contractloonontwikkeling in zowel 2019 als 2020 op 2,5%. Dit zou de hoogste stijging van de contractlonen sinds het uitbreken van de crisis in 2009 zijn.

Vraag 425

Wat is de hoopgevende boodschap die dit kabinet heeft voor mensen, jong en oud, die nog niet voelen dat het beter gaat met de economie, maar juist ondervinden dat zij, alle minima-inkomensregelingen en modelbegrotingen van het Nibud ten spijt, ondanks goede wil, maandelijks niet financieel uitkomen en in armoede en schulden (dreigen te) geraken?

Antwoord 425

Het gaat economisch gezien goed met Nederland. Zo kent Nederland een hoge welvaart. Het bbp per inwoner in Nederland hoort bij de hoogste ter wereld en steeds meer mensen vinden een baan. Ook het aantal armen is de afgelopen jaren sinds de crisis gelukkig afgenomen. Ook is er meer geld beschikbaar voor goede zorg en publieke voorzieningen. Maar uiteindelijk hangt welvaart en welzijn voor een belangrijk deel af van persoonlijke omstandigheden. Een scheiding, verlies van werk of een onderneming die plotseling niet goed meer loopt zijn gebeurtenissen die een grote impact hebben op het inkomen van huishoudens. De overheid kan deze omstandigheden uiteraard niet beïnvloeden, maar kan wel de randvoorwaarden voor brede welvaart scheppen. Het kabinet voert bijvoorbeeld beleid om de inkomenspositie van huishoudens te verbeteren, vangnetten te bieden voor als het (tijdelijk) minder goed gaat en ook inzet op het voorkomen van financiële problemen en betere hulp als die problemen wel ontstaan.

Vraag 426

Welk percentage van het inkomen aan vaste lasten kan iemand met een laag inkomen nog verantwoord maximaal dragen? Is dit het percentage van circa 50% genoemd door het Nibud? Welke kosten worden gerekend tot de vaste lasten? Op welke inkomensondersteuning hebben mensen volgens u recht die toch een groter deel van hun inkomen aan vaste lasten kwijt zijn? Wat moeten mensen doen die geen aanvullende inkomensondersteuning krijgen van de gemeente?

Antwoord 426

Onder vaste lasten verstaat het Nibud uitgaven aan: huur/hypotheek, gas en elektriciteit, water, lokale lasten, telefoon, tv, internet, verzekeringen, onderwijs, kinderopvang, vervoer. Welk percentage aan vaste lasten een huishouden kan dragen verschilt per huishouden. In zijn algemeenheid is het altijd goed als mensen goed letten op de balans tussen hun inkomsten en uitgaven. Want voor een deel zijn vaste lasten onvermijdelijke uitgaven, maar vaak is de hoogte van die uitgaven wel degelijk goed te beïnvloeden.

Naast kritisch kijken naar de uitgaven, is het ook relevant om goed te kijken naar welke ondersteunende regelingen je recht op hebt. De huur- en zorgtoeslag bieden een tegemoetkoming in de kosten voor huur en zorg. Tevens bieden gemeenten maatwerk voor huishoudens die tijdelijk moeilijk in hun levensonderhoud kunnen voorzien. In dit kader is het van belang dat de Participatiewet de colleges de mogelijkheid van het verlenen van aanvullende inkomensondersteuning biedt, waar de verlening van individuele bijzondere bijstand onderdeel van uitmaakt. Het gaat dan om uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten die naar het oordeel van het college door de belanghebbende niet kunnen worden voldaan uit het reguliere inkomen c.q. de algemene bijstandsuitkering.

Vraag 427

Bent u het ermee eens dat voor het verkrijgen van een betrouwbaar koopkrachtbeeld ook de ontwikkeling van lokale lasten zorgvuldig meegewogen moet worden? Zo ja, in hoeverre gebeurt dit en in hoeverre wilt u en kunt u lokale lasten beter meenemen in het koopkrachtbeeld?

Antwoord 427

De (gemiddelde) ontwikkeling van de lokale lasten wordt via de inflatie meegenomen in de koopkrachtcijfers.

Overigens moet het effect van lokale lasten ook niet worden overschat. De inkomsten aan gemeentelijke belastingen bedroegen in 2018 € 5,9 miljard (bron: CBS Statline) tegenover € 337,1 miljard inkomsten voor de rijksoverheid aan belastingen en premies. Dit geeft aan dat het mogelijk is om algemene uitspraken te doen over de koopkrachtontwikkeling op basis van alleen de landelijke regelingen en een gemiddelde ontwikkeling van de lokale lasten. In individuele gevallen blijft het zo dat gemeentelijke ontwikkelingen kunnen afwijken van landelijke ontwikkelingen en daardoor de koopkracht van individuele huishoudens kan afwijken per gemeente.

Vraag 428

Hoe ontwikkelt de gemiddelde koopkracht zich in Nederland voor de groep tussen de 55 en 60 jaar in 2020 naar verwachting? Hoe hoog is hierin het percentage dat leeft op of onder het basisbehoeftebudget en het percentage dat leeft op of onder het «niet-veel-maar-toereikend-budget»?

Vraag 429

Hoe ontwikkelt de gemiddelde koopkracht zich in Nederland bij personen boven de 85 jaar in 2020 naar verwachting? Hoe hoog is hierin het percentage dat leeft op of onder het basisbehoeftebudget en het percentage dat leeft op of onder het «niet-veel-maar-toereikend-budget»?

Antwoord 428 en 429

De mediane koopkrachtontwikkeling van de groepen 55- tot 60-jarigen en 85-plussers ligt in 2020 naar verwachting op respectievelijk 2,3% en 1,3%.

De mediane koopkrachtontwikkeling van de totale groep gepensioneerden komt naar verwachting uit op 1,2%.

De SCP-publicatie Armoede in kaart 2019 geeft inzicht in het aandeel personen met een inkomen op of onder het niet-veel-maar-toereikend-criterium. Binnen de leeftijdsklasse 55 tot en 59 jaar is dit aandeel 4,8%. Bij personen vanaf 85 jaar heeft 7,3% een inkomen tot het niet-veel-maar-toereikend-criterium.

Het SCP hanteert het niet-veel-maar-toereikend-criterium als centrale indicator en publiceert daarom geen uitsplitsingen van het aantal mensen dat leeft op of onder het basisbehoeftebudget. Navraag bij het SCP leert dat 3,1% van de 55 tot en met 59-jarigen onder het basisbehoeftebudget leeft. Voor 85-plussers is dit aandeel 5,4%.

Vraag 430

In hoeverre is er in de koopkrachtberekeningen rekening gehouden met de te verwachten kortingen op de aanvullende pensioenen bij veel fondsen?

Antwoord 430

De koopkrachtraming die met Prinsjesdag is gepresenteerd is gebaseerd op de meest recente raming van het CPB (MEV 2020). In deze raming zijn inzichten tot en met eind juni 2019 verwerkt. Hierbij is ook meegenomen of pensioenfondsen, op basis van de dekkingsgraden eind juni, de pensioenuitkeringen zouden kunnen indexeren of zouden moeten korten. Voor het al dan niet indexeren of korten van pensioenuitkeringen in 2020 is de dekkingsgraad ultimo 2019 doorslaggevend. Ontwikkelingen in de dekkingsgraad tot ultimo 2019 kunnen dus gevolgen hebben voor de geraamde koopkrachtontwikkeling van 2020. Voor de koopkrachtberekeningen wordt gebruik gemaakt van één indexatiepercentage voor alle pensioenfondsen. Dit is een gewogen gemiddelde van alle fondsen. De onderliggende spreiding is door deze systematiek niet zichtbaar in de koopkrachtcijfers.

Bij eventuele kortingen van de pensioenuitkering is het uiteindelijke effect op de individuele huishoudportemonnee onder meer afhankelijk van de omvang van de korting bij een specifiek pensioenfonds en de manier waarop deze over de tijd wordt toegepast. Daarnaast is ook de omvang van het aanvullend pensioen en de AOW-uitkering van belang.

Vraag 431

Is het waar dat gepensioneerden er volgend jaar volgens het Centraal Planbureau (CPB) 1,1% op vooruitgaan, ondanks kortingen? Deelt u de mening dat deze raming leidt tot een onderschatting van de problemen bij pensioenfondsen, omdat in de raming nog wordt uitgegaan van de dekkingsgraden van eind juni en er zonder meer van wordt uitgegaan dat pensioenkortingen gespreid worden over een periode van tien jaar?

Vraag 434

Kunt u het te verwachten koopkrachtbeeld voor gepensioneerden actualiseren, uitgaande van de meest recent bekende dekkingsgraden van pensioenfondsen en andere recente macro-economische gegevens? Hoe waarschijnlijk achten u en het CPB het thans dat eventuele kortingen over tien jaar gespreid zullen worden verwerkt, zodat koopkrachttegenvallers navenant gespreid over tien jaar kunnen worden geïncasseerd?

Vraag 435

Kunt u met de kennis van nu een bandbreedte van mogelijke koopkrachteffecten in 2020 geven, die kunnen optreden indien kortingen volgend jaar inderdaad geheel of ten dele doorgaan? Hoe ziet dit beeld eruit als pensioenfondsen besluiten kortingen in een of een beperkt aantal jaren (minder dan tien) door te voeren?

Antwoord 431, 434 en 435

Het klopt dat in de koopkrachtraming voor 2020 in de MEV van het CPB gepensioneerden er in doorsnee 1,1% op vooruit gaan. Bijna de helft van het inkomen van gepensioneerden bestaat uit de AOW die meeloopt met de gemiddelde cao-ontwikkeling in de markt. Bovendien hebben gepensioneerden voordeel van de lastenverlichting van het kabinet. In de MEV 2020-raming heeft het CPB de dekkingsgraden van pensioenfondsen tot en met eind juni 2019 mee kunnen nemen. Of en in welke mate pensioenfondsen kunnen indexeren of moeten korten hangt af van dekkingsgraden ultimo 2019. Pensioenfondsen hebben in principe de beleidsruimte om kortingen over een maximale periode van 10 jaar uit te smeren. Of pensioenfondsen deze maximale beleidsruimte benutten is een afweging die op het niveau van het individuele fonds wordt genomen en waarop niet vooruitgelopen kan worden. De periode waarover kortingen worden toegepast verandert niets aan de totale omvang van de korting, maar leidt wel tot verschillende jaar-op-jaar gevolgen. De exacte omvang van eventuele kortingen en de keuzes die pensioenfondsen hierbij maken zijn op dit moment nog niet bekend en staan niet vast voor ultimo 2019. Eind van het jaar stuurt de Minister van SZW een brief aan uw Kamer waarin de loonstrookjeseffecten en de gevolgen van de volgende CPB-raming (de Decemberraming) op de koopkrachtraming worden meegenomen.

In de publicatie bij de Macro Economische Verkenning 2020 heeft het CPB een kader opgenomen met de gevolgen voor pensioenen en koopkracht als aan het eind van het jaar de rente 0,5% en de beurskoersen 5% lager uitkomen dan in de raming in de MEV. Dit zou dan leiden tot lagere dekkingsgraden bij pensioenfondsen waardoor minder zou kunnen worden geïndexeerd en pensioenkortingen waarschijnlijker worden. In dit scenario zou de verwachte mediane koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden 0,1%-punt lager uitkomen dan in de raming bij Prinsjesdag. Voor gepensioneerden met een ruimer aanvullend pensioen zijn de effecten groter, oplopend tot 0,2%. Voor de koopkrachtberekeningen wordt gebruik gemaakt van één indexatiepercentage voor alle pensioenfondsen. Dit is een gewogen gemiddelde van alle fondsen. De onderliggende spreiding is door deze systematiek niet zichtbaar in de koopkrachtcijfers. Het mediane koopkrachtcijfer voor gepensioneerden is daarmee ook relatief ongevoelig voor generieke kortingen op de aanvullende pensioenen, indien deze bij sommige maar niet alle fondsen worden toegepast. Het negatieve koopkrachteffect wordt ook enigszins gedempt door de AOW-uitkering, die niet wordt gekort. Het koopkrachteffect wordt negatiever indien het pensioenfonds de keuze maakt de kortingen niet maximaal over de tijd uit te spreiden.

Vraag 432

Hoe groot is het aantal deelnemers en de relatieve omvang van de verplichtingen ten opzichte van de hele pensioensector in procenten van de vijf grootste pensioenfondsen?

Antwoord 432

De verplichtingen van de vijf grootste pensioenfondsen (ABP, PFZW, PMT, PME en Bouw) samen bedraagt circa 58% van de verplichtingen van alle pensioenfondsen; het totaal aantal deelnemers (inclusief gewezen deelnemers en gepensioneerden) voor deze fondsen is circa 44% van het totaal aantal deelnemers. Het aandeel van deze fondsen in het totaal aantal actieve deelnemers is 53%. In het aantal deelnemers is overigens sprake van dubbeltellingen: personen kunnen bij verschillende pensioenfondsen (gewezen) deelnemer of gepensioneerde zijn.

Vraag 433

Wat zijn volgens u onnodige pensioenkortingen en hoe gaat u zich er voor inzetten die te voorkomen?

Antwoord 433

Conform de motie Gijs van Dijk (Tweede Kamer, 32 043, nr. 491) stuurt de Minister de Kamer voor de begrotingsbehandeling een brief waarin hij handelingsperspectieven benoemt om onnodige kortingen te voorkomen.

Vraag 436

Van welke gemiddelde omzetstijging gaan de cijfers voor koopkracht van zelfstandigen uit?

Antwoord 436

Voor de koopkrachtberekeningen maken SZW en CPB gebruik van een model met als bron een steekproef van circa 100.000 huishoudens in Nederland. Hierin zijn ook zelfstandigen representatief opgenomen. De ontwikkeling van de omzet van zelfstandigen is echter niet te voorspellen. Daarom wordt het inkomen uit de eigen onderneming geïndexeerd met de voorspelde contractloonontwikkeling van werknemers in de marktsector.

Omdat de winst van zelfstandigen moeilijk te voorspellen is, werden in het verleden zelfstandigen uit de koopkrachtcijfers gefilterd. Om toch iets te kunnen zeggen over de effecten van beleid, zoals een verandering van bijvoorbeeld de zelfstandigenaftrek, is voor indexatie via de contractloonontwikkeling gekozen. Dat betekent ook dat cijfers over de koopkrachtontwikkeling van zelfstandigen voorzichter moeten worden behandeld dan cijfers over de koopkrachtontwikkeling van werkenden in loondienst. De spreiding van de koopkracht van zelfstandigen zal bijvoorbeeld vermoedelijk groter zijn dan voor werknemers. Voor meer toelichting, zie de conclusies van de werkgroep koopkrachtpresentatie uit 2014: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-381112.pdf

Vraag 437

Wat zijn de meest recente cijfers van cao-loonontwikkeling en omzetontwikkeling zelfstandigen?

Antwoord 437

Het CBS rapporteert maandelijks over de ontwikkeling van de cao-lonen. In onderstaande tabel is de cao-loonontwikkeling per uur van de meest recente 12 maanden weergegeven (bron: CBS, Statline, geraadpleegd 24-10-2019).

2018

Oktober

2,2%

November

2,2%

December

2,2%

2019

Januari

2,0%

Februari

2,2%

Maart

2,2%

April

2,3%

Mei

2,3%

Juni

2,4%

Juli

2,6%

Augustus

2,7%

September

2,6%

Het CBS heeft geen equivalent voor omzetontwikkeling, tarieven of winst van zelfstandigen waarover het rapporteert. Uit de belastingaangiftes kan het inkomen als zelfstandige worden berekend. In navolgende tabel staan de meest recente gemiddelde en mediane inkomens als individuele zelfstandige weergegeven. Het gaat hierbij om iedereen die inkomen als zelfstandige heeft, ook bijvoorbeeld mensen die daarnaast nog in loondienst zijn of een AOW-uitkering hebben. Het inkomen dat daaruit volgt is niet meegenomen in deze tabel (bron: CBS, Statline, geraadpleegd 24-10-2019).

 

Mediaan

Gemiddeld

2011

€ 13.700

€ 26.600

2012

€ 13.300

€ 26.200

2013

€ 13.300

€ 26.000

2014

€ 14.400

€ 27.100

2015

€ 15.000

€ 27.800

2016

€ 16.300

€ 29.200

2017

€ 16.400

€ 30.000

Vraag 438

Wat betekenen de percentages in tabel 5.2.2 in relatie tot een extra verdiende euro? Houdt een werkende alleenstaande in de doorgroeival daar € 66 cent van over?

Antwoord 438

Bij de werkloosheidsval wordt de inkomensvooruitgang bij het aanvaarden van werk weergegeven. Een hoger percentage betekent dat iemand er bij het aanvaarden van werk meer op vooruit gaat dan in het vorige jaar.

Bij de doorgroeival, de herintredersval en de deeltijdval wordt de marginale druk weergegeven. Dat is welk deel van het extra inkomen een huishouden inlevert aan belastingen, minder toeslagen of kosten kinderopvang wanneer er een loonsverhoging of promotie plaatsvindt. Hoe lager de marginale druk, hoe groter de prikkel om meer te gaan werken of verdienen. De werkende alleenstaande die van 100% WML naar 150% WML bruto gaat houdt daar netto 100%-66%=34% netto van over.

Vraag 439

Is er evidence of wetenschappelijk bewijs bij welk percentage marginale druk werkenden vaker of maximaal de keuze maken om meer te gaan werken?

Antwoord 439

Onderzoek van het CPB heeft laten zien dat de hoogte van de marginale druk een beperkt effect heeft op de arbeidsparticipatie. De keuze voor het aantal dagen of uren werk is slechts beperkt gevoelig voor fiscale prikkels. Het is vooral de keuze om wel of niet te gaan werken die sterker wordt beïnvloed met fiscale prikkels, met name die van (alleenstaande) ouders met jonge kinderen. In beide gevallen zijn er geen exacte percentages voor respectievelijk de marginale druk of participatiebelasting bekend. Die zijn erg afhankelijk van persoonlijke situaties en voorkeuren. In Kansrijk Arbeidsmarktbeleid van het CPB is geanalyseerd in hoeverre verschillend fiscaal beleid de arbeidsparticipatie kan verbeteren (Bron: CPB, Kansrijk arbeidsmarktbeleid, 2015).

Vraag 440

Wat is de oorzaak van de uitschieter naar boven bij de marginale druk in het 95-procentpercentiel bij circa € 24.000?

Antwoord 440

De piek in de marginale druk in het 95-procentpercentiel rond € 24.000 wordt veroorzaakt doordat hier verschillende afbouwtrajecten van toeslagen en heffingskortingen samenkomen. Vooral de combinatie van huur- en zorgtoeslag rond dit inkomen zorgt voor een hoge marginale druk. Huurtoeslag bouwt met zo’n 30 à 40% af en de zorgtoeslag met 14%. Het belastingtarief van 37% en het afbouwtraject van de algemene heffingskorting van circa 6% die daarbij komen zorgt in sommige gevallen voor een hoge marginale druk.

Vraag 441

Welke type(n) beroepen hebben een inkomen tussen Wettelijk minimumloon (Wml) en modaal bij voltijd werken?

Antwoord 441

Uit onderzoek van het CBS blijkt dat het gemiddelde loon van de beroepsgroepen dienstverlenend personeel en verkopers, geschoolde landbouwers, bosbouwers en vissers, ambachtslieden, bedieningspersoneel van machines en installaties en assembleurs in 2016 bij voltijds werk tussen Wml en modaal lag (CBS, Uurlonen van werknemers naar beroepsgroep, 2016).

Het gaat hierbij om een gemiddeld loon, het is mogelijk dat ook in andere beroepsgroepen bij voltijds werk een inkomen tussen Wml en modaal verdiend wordt. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om aanloopschalen.

Vraag 442

Welke type(n) beroepen hebben een inkomen tussen Wml en modaal bij deeltijdwerken van 24 uur per week?

Antwoord 442

Op basis van het CBS-onderzoek uit de vorige vraag kan geconstateerd worden dat er veel typen beroepen zijn waarbij met 24 uur per week deeltijd werken een inkomen verdiend kan worden tussen Wml en modaal (CBS, Uurlonen van werknemers naar beroepsgroep, 2016). Voorbeelden hiervan zijn de beroepsgroepen technici en vakspecialisten, administratief personeel, dienstverlenend personeel en verkopers en ambachtslieden.

Vraag 443

Hoe groot is de marginale druk bij een huishoudinkomen met een anderhalfverdiener, waarbij de voltijdwerker een tot twee keer modaal verdient en de deeltijdwerker 16 tot 24 uur per week als docent werkt?

Antwoord 443

In de begroting van SZW is een aantal voorbeelden opgenomen waarvoor de marginale druk is berekend. Deze pogen niet representatief te zijn, maar herkenbaar voor grote groepen mensen. Voor het berekenen van de marginale druk van de in vraag bedoelde situatie is meer individuele informatie nodig, bijvoorbeeld over de aanwezigheid van kinderen in het gezin, het aantal uren kinderopvang, de prijs daarvan of bijvoorbeeld de hoogte van de betaalde zorgpremie. Ook is niet duidelijk wat de brutoinkomensstijging is.

Het Nibud heeft samen met Women Inc. een online rekentool gelanceerd waarmee berekend kan worden wat een dag meer of minder werken voor de individuele portemonnee betekent. Hiermee kan bovenstaande vraag voor nog veel meer gevallen beantwoord worden. De werk-zorgberekenaar is te vinden op: https://werkzorgberekenaar.nibud.nl/.

Vraag 444

Hoe groot is de marginale druk bij een huishoudinkomen met een anderhalfverdiener, waarbij de voltijdwerker een tot twee keer modaal verdient en de deeltijdwerker 16 tot 24 uur per week als verpleegkundige werkt?

Antwoord 444

Zie antwoord 443.

Vraag 445

Hoeveel werknemers verdienen het minimumjeugdloon, uitgesplitst naar leeftijd van 15 tot en met 21 jaar?

Antwoord 445

Zie het antwoord op vraag 44.

Vraag 446

Waar werken werknemers die het minimumjeugdloon verdienen, uitgesplitst naar bedrijfsgrootte van groot, middelgroot en klein?

Antwoord 446

Deze gegevens zijn helaas niet beschikbaar. Er zijn wel gegevens beschikbaar over het aantal banen van werknemers die onder het minimumloon vallen per bedrijfsgrootte, maar deze gegevens kunnen niet uitgesplitst worden aan de hand van de leeftijd van werknemers. Het antwoord op de vraag kan wel benaderd worden door gegevens over het aantal banen vervuld door werknemers onder het jeugdminimumloon per sector te combineren met gegevens over de bedrijfsgrootte per sector.

In 2017 waren er ongeveer 93.700 werknemersbanen van werknemers die het jeugdminimumloon verdienen. Van deze 93.700 banen behoren er 28,3% (26.500) tot de sector «Handel», 16,1% tot de sector «Gezondheids- en welzijnszorg» (15.100), 16% (15.000) tot de sector «Horeca» en 13,3% tot de sector «Verhuur en overige zakelijke diensten».

In de sectoren «Horeca», «Handel» en «Verhuur en overige zakelijke diensten» zijn er relatief meer bedrijven met een bedrijfsgrootte van 1 tot 50 werkzame personen. In de sector «Horeca» is het percentage van bedrijven met 1 tot 50 werkzame personen in dienst gelijk aan 55,4%. In de sector «Handel» is dit 50% en in de sector «Verhuur en overige zakelijke diensten» is dit 24,2%. Het gemiddelde in alle sectoren is 21,4%. In deze sectoren zijn er ook relatief meer bedrijven met 50 tot 100 werkzame personen. In de sector «Gezondheids- en welzijnszorg» zijn er juist relatief minder bedrijven met 1 tot 50 werkzame personen of met 50 tot 100 werkzame personen.

 

Aandeel 1–50 werkzame personen

Aandeel 50 tot 100 werkzame personen

Aandeel 100 werkzame personen of meer

A-U Alle economische activiteiten

21,43%

0,39%

0,44%

       

A Landbouw, bosbouw en visserij

49,99%

0,17%

0,07%

B Delfstoffenwinning

20,65%

3,26%

4,35%

C Industrie

31,92%

1,71%

1,88%

D Energievoorziening

22,22%

0,69%

2,43%

E Waterbedrijven en afvalbeheer

28,91%

2,86%

3,39%

F Bouwnijverheid

15,93%

0,27%

0,20%

G Handel

37,43%

0,62%

0,48%

H Vervoer en opslag

30,59%

0,93%

1,02%

I Horeca

55,43%

0,45%

0,34%

J Informatie en communicatie

16,80%

0,42%

0,34%

K Financiële dienstverlening

11,13%

0,12%

0,17%

L Verhuur en handel van onroerend goed

28,34%

0,34%

0,27%

M Specialistische zakelijke diensten

12,59%

0,16%

0,13%

N Verhuur en overige zakelijke diensten

24,21%

0,98%

1,19%

O Openbaar bestuur en overheidsdiensten

13,75%

8,75%

51,88%

P Onderwijs

9,21%

0,27%

0,82%

Q Gezondheids- en welzijnszorg

16,63%

0,25%

0,59%

R Cultuur, sport en recreatie

10,86%

0,13%

0,10%

S Overige dienstverlening

14,33%

0,14%

0,09%

Bron: CBS, Statline, geraadpleegd op 21-10-2019

Vraag 447

Hoeveel kost het bedrijven indien werknemers van 18 tot en met 21 jaar het wettelijk minimumloon zouden verdienen, uitgesplitst naar bedrijfsgrootte?

Antwoord 447

Het aantal werknemers onder het minimumjeugdloon per bedrijfsgrootte en per leeftijd is niet beschikbaar. Zie vraag 446 voor een uitgebreid overzicht van het aantal banen van werknemers onder het minimumjeugdloon per sector en samenstelling van bedrijfsgrootte per sector.

Het verhogen van het minimumjeugdloon tot het minimumloon voor werknemers tussen de 18 en 21 jaar komt neer op een jaarlijkse stijging van het brutoloon gelijk aan het verschil in het minimumloon en het minimumjeugdloon per maand maal het aantal gewerkte arbeidsmaanden (van een werknemer die voorheen onder het minimumjeugdloon zou vallen).

Als het gehele personeelsbestand tussen de 15 en 21 jaar bestaat uit personen die 18 jaar oud zijn, dan treedt de maximale stijging op. Het minimumloon stijgt namelijk niet voor personen onder de 18 jaar. Voor personen boven de 18 jaar is de kostenstijging kleiner, omdat het minimumloon voor 19-jarigen en 20-jarigen dichter in de buurt ligt van het minimumloon van 21-jarigen.

De maximale stijging van het brutoloon is gelijk aan 1.635,60 € (het bruto minimumloon per maand, voor iemand vanaf 21 jaar) minus 817,50 € (het minimumjeugdloon voor 18-jarigen per maand) maal het gewerkte aantal arbeidsmaanden. In 2017 werkten jongeren tussen de 15 en 21 jaar die onder het minimumjeugdloon vallen totaal 44.200 arbeidsjaren. Dit staat gelijk aan 530.400 arbeidsmaanden. De maximale bruto loonstijging bedraagt daarom 433.761.120 € per jaar.

De werkelijke bruto loonstijging verschilt op basis van de samenstelling van het personeelsbestand. Voor het personeel jongen dan 18 jaar worden er geen hogere kosten gemaakt. De stijging in bruto loon is kleiner naarmate het personeel ouder is dan 18.

Helaas kunnen we niet met zekerheid zeggen hoe de kosten neerslaan bij de verschillende groottes van bedrijven.

Bron: CBS, Statline, geraadpleegd op 21-10-2019

Vraag 448

Wat wordt verstaan onder een effectievere invulling van de Wtl? Betekent dit dat er bezuinigd op ouderen of arbeidsgehandicapten gaat worden?

Antwoord 448

In het pensioenakkoord is afgesproken dat werkgevers in overleg met het kabinet gaan onderzoeken of voor het geheel aan instrumenten in de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) tot een effectievere invulling gekomen kan worden. De Minister van SZW is hierover met werkgevers in gesprek, maar het is nu nog te prematuur om op de uitkomsten van de gesprekken vooruit te lopen. Het is niet de intentie van partijen om in het kader van een effectievere invulling van de Wtl op ouderen en arbeidsgehandicapten te bezuinigen.

Vraag 449

Tot wanneer duurt de besparing van € 14,3 miljoen bij de Wtl, vanwege de noodzakelijke eenmalige dekking van € 200 miljoen?

Antwoord 449

Ter dekking van de temporisering van de verhoging van de AOW-leeftijd is er een eenmalige taakstelling van € 200 miljoen afgesproken voor de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl). Deze taakstelling is vanaf 2022 verwerkt als een structurele besparing van € 14,3 miljoen.

Vraag 450

Wat is de reden dat de boeteontvangsten met € 4 miljoen naar beneden worden bijgesteld?

Antwoord 450

De voor 2019 geraamde ontvangsten zijn neerwaarts bijgesteld, omdat het aantal reactieve onderzoeken is toegenomen. Omdat reactief onderzoek niet risico-gericht is en meer capaciteit vergt, leidt dit tot minder inspecties en daarmee minder boeteoplegging en -ontvangsten. Daarnaast nemen de ontvangsten af als gevolg van de koers van de Inspectie SZW om gedragsverandering niet alleen via risicogerichte inspecties te realiseren, maar ook via andere interventies (zoals bijvoorbeeld (handhavings-)communicatie en druk zetten op de branche). Ook hierdoor nemen opgelegde boetes en de daaruit voortvloeiende ontvangsten af.

Vraag 451

Is een verband tussen het uitdelen van waarschuwingen en de verbetering van arbeidsomstandigheden aantoonbaar? Zo ja, wat is dat verband en hoe is het aantoonbaar?

Antwoord 451, 128 en 132

De relatie tussen het voldoen aan de systeemverplichtingen/kernbepalingen van de Arbowet en het beheersen van de arbeidsrisico’s is in 2015 geanalyseerd. Deze relatie is toegelicht in het jaarverslag 2015 van de Inspectie (paragrafen 1.2.1 en 2.1.1). De analyse toont aan dat het voldoen aan de systeemverplichtingen een indicator is voor het beheersen van de arbeidsrisico’s en daarmee het creëren en in stand houden van goede arbeidsomstandigheden. Het toezicht door Inspectie SZW is er uiteraard op gericht dat werkgevers deze kernbepalingen ook naleven om het gewenste effect; «goede arbeidsomstandigheden» te bewerkstelligen.

Bij niet-naleving wordt handhaving ingezet totdat de betreffende verplichtingen worden nageleefd en daarmee de arbeidsrisico’s worden beheerst. Sanctionering leidt langs die weg tot verbetering van de arbeidsomstandigheden. Overigens doet de Inspectie meer dan alleen sanctionering en wordt ook ingezet op andere interventies, zoals voorlichting en brancheondersteuning.

Het verband tussen sanctionering en het uitdelen van waarschuwingen in het bijzonder en verbetering van de arbeidsomstandigheden komt bijvoorbeeld naar voren uit een vergelijk tussen de handhavingspercentages van «eerste inspecties» en «herinspecties» op het terrein van Gezond en Veilig. Werkgevers die in overtreding waren (57%) zijn bezocht voor herinspectie. In 2018 had 88% van de onderzochte bedrijven de overtredingen opgelost en hoefde er geen vervolghandhaving te worden ingezet. Er is dus sprake van een sterk verband en een meetbaar effect van de sanctionering naar aanleiding van de «eerste inspecties». De handhavingspercentages fluctueren over diverse periodes en terreinen. De Inspectie wil de inzichten in de effecten van de interventies verder vergroten en zet daarom in op doorontwikkeling en uitbreiding van haar effectmetingen.

De effectiviteit van sancties wordt binnen de Inspectie benaderd in relatie tot de effectiviteit van het bredere pallet aan interventies en handhavingsstrategieën. De Inspectie wil effecten de komende jaren meer zichtbaar maken. Concrete (onderzoeks)activiteiten gericht op het inzichtelijk maken van effect hebben zich gericht op het bereik en effect van socialmediacampagnes en de effecten daarvan op het gebruik van zelfinspectietools, de duidelijke verbetering van naleving na een monitoronderzoek bij bedrijven waar met carcinogene, mutagene of reprotoxische stoffen wordt gewerkt en de effectiviteit van startersgesprekken met startende ondernemers.

Vraag 452

Is de subsidie naar aanleiding van de motie-Segers c.s. over € 25 miljoen voor ondersteuning van kwetsbare mensen inmiddels verleend? Zo ja, hoeveel geld is er inmiddels besteed en waar is dit geld aan besteed? Zo nee, wat is de oorzaak hiervan en wanneer wordt verwacht dat het geld besteed kan worden?

Antwoord 452

Besteding van genoemde € 25 miljoen heeft plaatsgevonden.

Voor een bedrag van € 17 miljoen heeft financiële ondersteuning aan Vso/Pro scholen plaatsgevonden (via een Gemeentefondsbijdrage).

€ 4 miljoen is via een subsidie verleend aan Vereniging Leergeld, Stichting Nationaal Fonds Kinderhulp, Stichting Jarige Job en Stichting Jeugdfonds Sport & Cultuur. Met als doel nog meer kinderen in armoede te kunnen bereiken, zodat zij mee kunnen doen (met specifieke aandacht voor werkende ouders).

De overige € 4 miljoen is via een subsidie verleend aan de nieuwe Stichting Alliantie Vrijwillige Schuldhulp. Deze stichting bestaat uit de volgende organisaties: Humanitas, Leger des Heils, Schuldhulpmaatje Nederland, Landelijk Stimuleringsnetwerk Thuisadministratie, Inspraakorgaan van Turken in Nederland en Samenwerkingsverband Marokkaanse Nederlanders. De Alliantie Vrijwillige Schuldhulp werkt aan een landelijk dekkend netwerk van vrijwilligersprojecten. Met als doel een betere dienstverlening door vrijwilligers aan mensen met (problematische) schulden en een groter/beter bereik van deze mensen. Hierdoor zullen uiteindelijk meer mensen beter kunnen worden geholpen.

Vraag 453

Wat is het negatieve of positieve effect voor individuele gemeenten van het laten vervallen van een van de maatstaven voor de berekening van het Bundeling Uitkeringen Inkomensvoorziening Gemeenten (BUIG)-budget, te weten de maatstaf aandeel laagst opgeleiden? In hoeverre gaat het hier om een beoogd effect? Wat is het macro-effect voor gemeenten van het vervallen van deze verdelingsmaatstaf?

Antwoord 453

Het aandeel laagstopgeleiden was tot en met de verdeling van het BUIG-budget 2019 één van de circa 70 maatstaven die de kans op bijstand in een huishouden bepalen. Met de verdeling voor 2020 is deze maatstaf – op advies van de onderzoekers – komen te vervallen. De maatstaf is al een paar jaar statistisch insignificant en heeft niet het teken dat je zou verwachten. Om die reden is de maatstaf nu uit het model gehaald. Macro heeft dit geen effect: het totale budget blijft gelijk. Bij elke aanpassing in het model (en actualisatie van de gegevens om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de feitelijke situatie in een gemeente) is er sprake van herverdeeleffecten. So