Kamerstuk 35300-VIII-184

Compensatie studenten en ondersteuningsmaatregelen onderwijs COVID-19

Dossier: Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2020

Gepubliceerd: 15 mei 2020
Indiener(s): Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35300-VIII-184.html
ID: 35300-VIII-184

Nr. 184 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP EN VOOR BASIS- EN VOORTGEZET ONDERWIJS EN MEDIA

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 mei 2020

COVID-19 heeft grote gevolgen voor het hele onderwijs, van de voorschool tot de universiteit. Kinderopvang, scholen en onderwijsinstellingen hebben de afgelopen twee maanden het onderwijs anders ingericht, op afstand georganiseerd en noodopvang aangeboden voor kwetsbare kinderen.

Door alle betrokkenen in alle sectoren is de afgelopen periode keihard gewerkt aan het mogelijk maken van onderwijs op afstand. Wij zijn trots op wat er door het onderwijsveld onder zulke moeilijke omstandigheden in korte tijd is bereikt. Dit heeft ook op veel plekken geleid tot een innovatieve aanpak die ook voor de toekomst behouden kan blijven in het belang van de leerling en onderwijsteams om goed onderwijs te realiseren. Ondanks deze grote inspanningen lijkt het echter onvermijdelijk dat sommige leerlingen en studenten leerachterstanden en studievertraging oplopen.

In deze brief informeren wij u over de maatregelen die wij op korte termijn nemen om studenten te compenseren, onderwijsachterstanden en studievertraging als gevolg van COVID-19 voor leerlingen en studenten zoveel mogelijk te voorkomen, en scholen, instellingen en werkgevers met stages en leerwerkbanen maximaal te ondersteunen bij het bieden van maatwerk. De maatregelen die we nu nemen zijn:

  • 1. Compensatie voor studenten in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en hoger onderwijs (ho) die bijna afstuderen (maximaal € 200 miljoen), waarbij we ook ingaan op de wijze waarop we deze studenten zullen compenseren voor de opgelopen studievertraging.

  • 2. Ondersteuning gericht op het voorkomen van onderwijsachterstanden en studievertraging bij ve, po, vo en mbo (€ 244 miljoen). We gaan scholen en instellingen de komende tijd buiten het reguliere onderwijsprogramma of ve-aanbod ondersteunen bij het bieden van maatwerk voor kinderen, leerlingen en studenten die extra ondersteuning nodig hebben of studievertraging zullen oplopen.

  • 3. Een offensief tot behoud van stages en leerwerkbanen voor pro, vso vmbo-leerwerktrajecten en mbo (€ 30 miljoen). Het is van belang dat er in het mbo voldoende stageplaatsen en leerwerkbanen zijn tijdens en vooral ook na de crisis als gevolg van COVID-19. Ook zijn extra inspanningen voor leerwerkbanen voor werkenden die willen omscholen en werkzoekenden nodig. We gaan samen met onderwijsinstellingen, studenten, Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs en Bedrijfsleven (SBB) en werkgevers onze maatregelen hierop verder intensiveren.

  • 4. Uitbreiden van de aanvullende bekostiging voor nieuwkomers po en vo met drie maanden (€ 21 miljoen). We bekostigen nieuwkomers één kwartaal extra. Schoolbesturen ontvangen extra geld om deze leerlingen intensief onderwijs te geven om hen een stevige start te geven. Dit lukt nu minder goed in het onderwijs op afstand.

Door het uitvoeren van deze bovenstaande maatregelen investeren we de komende tijd circa € 500 miljoen extra in het onderwijs.

Bij het uitwerken van de diverse maatregelen hebben we gebruik gemaakt van het spoedadvies van de Onderwijsraad. In juni verwachten wij het vervolgadvies, waarin de Raad adviseert over de gevolgen van de COVID-19 voor het onderwijs in het nieuwe schooljaar. Dit zullen we gebruiken om ons beleid te toetsen en verder aan te scherpen.

1. Compensatie voor studenten in het middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs

Op 22 april 2020 hebben uw leden Jetten en Heerma per motie verzocht om de gevolgen van COVID-19 voor studenten in kaart te brengen en studenten waar mogelijk te ondersteunen.1 Met deze brief informeren wij u over de manier waarop we uitvoering geven aan deze motie. We gaan daarbij in op de extra kosten en weggevallen opbrengsten waar OCW rechtstreeks invloed op heeft: het les-, cursus en collegegeld en de basisbeurs of aanvullende beurs.

Eerder is uw Kamer geïnformeerd over een aantal genomen maatregelen om de eerste acute (financiële) nood bij studenten weg te nemen.2 Zo kunnen studenten gebruik maken van de leenmogelijkheden. Als zij nog niet maximaal lenen, kunnen zij hun lening verhogen. Dit kan ook met terugwerkende kracht vanaf het begin van het collegejaar. Daarnaast betracht DUO coulance bij het betalen van het lesgeld en als studenten net niet binnen de diplomatermijn kunnen afstuderen. Het reisrecht is voor studenten in het hoger onderwijs verlengd met drie maanden en studenten kunnen alvast instromen in het vervolgonderwijs, onder de voorwaarde dat zij uiterlijk vóór 1 januari 2021 hun diploma behalen.

Wegvallen inkomsten studenten

De maatregelen van de overheid voor de bestrijding van het virus COVID-19 hebben gevolgen voor verschillende groepen in de samenleving. Ook studenten worden door deze maatregelen geraakt. Veel van hen krijgen te maken met het wegvallen van bijverdiensten omdat bedrijven hun deuren tijdelijk hebben moeten sluiten. Studenten komen daarbij niet altijd in aanmerking voor de generieke regelingen zoals TOZO en NOW. Dit terwijl voor deze groep de kosten van levensonderhoud en de huur van de studentenkamer gewoon door blijven lopen.

Studievertraging door COVID-19

Sinds het uitbreken van de crisis als gevolg van COVID-19 wordt het onderwijs op het mbo, hbo en wo zoveel mogelijk digitaal en op afstand verzorgd. Hiermee leveren zowel instellingen als studenten een grote inspanning om studievertraging zo veel mogelijk te voorkomen. We zetten alles op alles om vertraging te voorkomen en er voor te zorgen dat laatstejaars voor het eind van het studiejaar op 31 augustus hun diploma kunnen halen. Toch is het onvermijdelijk dat er een groep studenten zal ontstaan die studievertraging oploopt als gevolg van COVID-19 en de door het kabinet genomen maatregelen. Met name voor studenten in het mbo en hbo in het laatste jaar van hun opleiding maakt een praktijkonderdeel vaak deel uit van de opleiding, zoals stages, coschappen, practica en beroepspraktijkvorming. Onderwijsinstellingen zetten zich in om hier waar mogelijk alternatieve vormen voor in te richten om studievertraging voor studenten zo veel mogelijk te voorkomen. Toch is het niet altijd mogelijk om deze praktijkonderdelen digitaal en op afstand te organiseren en studievertraging is in dat geval onvermijdelijk. Voor studenten in het laatste jaar van hun opleiding geldt daarbij dat zij deze vertraging niet in een later stadium van de opleiding kunnen inlopen.

Financiële gevolgen studievertraging

In uitvoering van de motie van de leden Jetten en Heerma zijn de financiële gevolgen van de maatregelen als gevolg van COVID-19 voor studenten in kaart gebracht:

  • 1. Extra collegegeld ho (€ 179 per maand)/lesgeld mbo (€ 100 per maand)/cursusgeld mbo (€ 20–€ 50 per maand).

  • 2. Geen recht meer op basisbeurs of aanvullende beurs (door uitloop uit nominale duur); gemiddeld € 300 per maand in mbo en ho. (NB: Voor de studenten uit de laagste inkomens bedraagt de aanvullende beurs per maand maximaal € 374 in mbo en € 403 in ho);

  • 3. Bijverdiensten veelal weggevallen (circa € 400–€ 500 per maand);

  • 4. Later op de arbeidsmarkt, en bovendien verslechterde arbeidsmarkt als gevolg van de economische crisis.

Financiële compensatie voor studenten

Door het wegvallen van de bijverdiensten van studenten, het niet in aanmerking komen van studenten voor generieke regelingen en studievertraging in het laatste jaar die niet altijd te voorkomen of in te halen is, vindt het kabinet het niet meer dan logisch om studenten die in de afrondende fase van hun studie zitten deels te compenseren voor de financiële gevolgen van COVID-19. Daarbij is gekeken naar verschillende opties. De wens voor maatwerk, waarbij voor elke individuele student studievertraging als gevolg van COVID-19 moet worden aangetoond, staat daarbij op gespannen voet met de wens om de uitvoering door onderwijsinstellingen zo goed mogelijk behapbaar te houden, zodat zij zich kunnen blijven richten op het organiseren van het onderwijs op afstand, het voorkomen van studievertraging en het voorbereiden van het onderwijs voor het nieuwe studiejaar.

Daarom is gekozen voor een iets bredere doelgroep, te weten studenten die vlak voor hun afstuderen zitten. Om dat te benaderen, is ervoor gekozen om alle studenten die van september 2020 tot uiterlijk eind januari 2021 een mbo-, hbo of een masterdiploma in het wo behalen in het eerste kwartaal van 2021 eenmalig een bedrag ter compensatie te geven, ter hoogte van maximaal drie maanden les-/cursus-/collegegeld. Dat gaat voor een bbl-student in het mbo om een eenmalige tegemoetkoming van € 150, een bol-student in het mbo ontvangt € 300 en een ho-student € 535. De kosten van deze eenmalige compensatie zullen naar schatting maximaal € 160 miljoen bedragen.

Het voordeel van deze meer generieke maatregel voor deze groep studenten is dat zij niet individueel hoeven aan te tonen dat zij studievertraging hebben opgelopen als gevolg van COVID-19. Dat hoeft ook niet door de onderwijsinstelling op studentniveau te worden geverifieerd. Ook kan deze maatregel (grotendeels) worden uitgevoerd door DUO en worden daarmee de onderwijsinstellingen ontzien die de komende maanden druk bezig zijn met het aanbieden en organiseren van zomerscholen en schakelklassen, en het weer opstarten van stages en de voorbereiding van het nieuwe studiejaar. Alles overziend is dit meest doelmatige maatregel die ook uitvoerbaar wordt geacht.

Naast deze maatregel is er ook een groep die specifieke aandacht verdient. Dat is de groep waarvan het recht op basisbeurs (in de mbo-bol) en aanvullende beurs (mbo-bol en hoger onderwijs) afloopt. Uw Kamer vroeg hier ook nadrukkelijk aandacht voor in het debat over Onderwijs en COVID-19 van 29 april jl. (Kamerstuk 35 300 VIII, nr. 182). In het hoger onderwijs bestaat het recht op de aanvullende beurs voor de nominale studieduur. Dit zou betekenen dat die beurs bij studievertraging wegvalt. Bij bol-studenten geldt dit voor de basisbeurs én de aanvullende beurs. Zij hebben hier recht op vanaf hun 18e en voor een periode van vier jaar, dus zij bereiken de grens van hun recht minder snel. Desalniettemin kunnen er ook in die groep studenten zijn waar de inkomsten uit studiefinanciering wegvallen als gevolg van de studievertraging. Daarom hebben we besloten om alle studenten die in de maanden juli, augustus en september uit hun recht op basisbeurs (in de mbo-bol) of aanvullende beurs lopen eveneens een eenmalige tegemoetkoming te bieden. Voor bol-studenten met alleen een basisbeurs is dit een bedrag van € 800, voor bol-studenten die daarnaast ook een aanvullende beurs hebben gaat het om € 2.000 en voor studenten in het hoger onderwijs met een aanvullende beurs om € 1.500. Dit deel van de compensatie kan DUO al per september 2020 uitkeren aan deze specifieke groep studenten. De kosten van deze eenmalige compensatie zullen naar schatting maximaal € 40 miljoen bedragen.

Met de financiële compensatie voor studenten die bijna afstuderen en voor studenten met studievertraging van wie het recht op basisbeurs en/of aanvullende beurs afloopt, komen we tegemoet aan de breed gedragen wens om deze groep studenten financiële ondersteuning te bieden. Ondertussen werken we met het onderwijs onverminderd door om studievertraging als gevolg van de COVID-19 maatregelen zoveel mogelijk te voorkomen. We hebben daarmee het vertrouwen dat we deze tijd met elkaar zo goed mogelijk door komen.

2. Inhalen achterstanden en voorkomen van studievertraging in onderwijssectoren

De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) heeft informatie verzameld om een representatief beeld te krijgen over hoe het onderwijs zich aanpast aan de huidige omstandigheden. Hieruit blijkt dat in het gehele onderwijsveld grote inspanningen worden verricht, waardoor op korte termijn het overgrote deel van de leerlingen is bereikt met afstandsonderwijs. Het afstandsonderwijs heeft echter beperkingen als het gaat om optimale benutting van de onderwijstijd. Waar het afstandsonderwijs niet goed tot stand komt, heeft dat vaak te maken met de sociaal maatschappelijke en sociaaleconomische situatie van de leerlingen en studenten of met de aard van de vakken, bijvoorbeeld in het beroepsgerichte onderwijs. Sociale ongelijkheid dreigt daardoor versterkt te worden.

Voor de voorschoolse educatie (ve), het primair onderwijs (po), het voortgezet onderwijs (vo) en het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) hebben we eenmalig extra middelen gereserveerd. Hiervoor is eenmalig € 244 miljoen beschikbaar.3 Hiermee kunnen scholen en instellingen in de periode van de zomervakantie van 2020 tot en met de zomervakantie van 2021, leerlingen en studenten ondersteunen bij het inhalen van leerachterstanden door extra programma’s en ondersteuning te bieden naast de reguliere onderwijstijd. Aanbieders van ve kunnen peuters met een ve-indicatie een inhaal- en ondersteuningsprogramma bieden buiten het normale ve-aanbod in de zomer-, herfst- of kerstvakantie van 2020. Voor de ve is hiervoor € 7 mln. beschikbaar, voor het po € 102 mln., voor het vo € 65 mln. en voor het mbo € 68 mln. Daarnaast is er € 2 mln. beschikbaar voor onderzoek, monitoring, uitvoering en communicatie.

Deze additionele middelen zijn voor het mbo tevens bedoeld om te voorkomen dat mbo-studenten geen verdere studievertraging oplopen doordat de beroepspraktijkonderdelen van de opleidingen geen doorgang kunnen vinden. Met het actieplan stages en leerwerkbanen zet SBB alles op alles om te zorgen voor voldoende plekken voor beroepspraktijkvorming. Uit nationaal en internationaal onderzoek weten we dat voor achterstandsleerlingen en studenten met studievertraging extra (onderwijs)tijd of begeleiding een effectieve maatregel is.

Scholen en instellingen kunnen dit organiseren voor leerlingen en studenten die een grote kans hebben op achterstanden, door bijvoorbeeld de thuissituatie, de achtergrond van ouders, een taalbarrière, persoonlijke problematiek of doordat beroepsgerichte vakken op afstand niet goed gegeven konden worden. De invulling van het extra aanbod kan variëren, afhankelijk van de behoefte van leerlingen en studenten: het kan gaan om het «bijspijkeren» van algemeen vormende of beroepsgerichte vakken of om extra aandacht voor de sociaal-emotionele ontwikkeling. Dit kan in de vorm van zomerscholen, herfstscholen, weekendscholen of verlengde schooltijd, maar ook andere opties zijn hierbij denkbaar. Bij de vormgeving van het programma gaat het erom dat de gekozen interventie past bij de doelgroep en dat het aangeboden inhaal- en ondersteuningsprogramma facultatief gevolgd wordt in aanvulling op het reguliere onderwijsprogramma. De regeling is ook bedoeld voor extra ondersteuning of begeleiding bij de beroepspraktijkvorming. In het mbo kunnen instellingen ook extra activiteiten, begeleiding of faciliteiten ontwikkelen of aanbieden om het wegvallen van mogelijkheden om praktijkervaring op te doen, te ondervangen. Voor peuters met een ve-indicatie kunnen aanbieders met deze middelen een extra aanbod doen van 10 tot 16 uur per week voor tenminste twee weken. Dat aanbod is bedoeld om het risico dat deze peuters door de coronamaatregelen lopen op een grotere onderwijsachterstand, tegen te gaan.

Scholen of instellingen kunnen een aanvraag indienen om deze extra ondersteuning vorm te geven voor een deel van hun leerlingen. Scholen die meer leerlingen met een risico op onderwijsachterstanden hebben, kunnen meer subsidie aanvragen om voor een groter deel van hun leerlingen een programma te bieden. Ook krijgen de scholen met veel achterstandsleerlingen voorrang op andere scholen als het budget niet toereikend zou zijn.

Met deze maatregel geven we ook uitvoering aan de motie van de leden Rog en Van Meenen over het wegwerken van onderwijsachterstanden door lente-, zomer- en herfstonderwijs.4

Uitvoering extra ondersteuning

Het is aan de scholen en instellingen om te bepalen welke leerlingen en studenten het meest baat hebben bij extra aanbod en hoe dat vorm moet krijgen. De uitvoering hoeft echter niet altijd te worden vormgegeven door de scholen of instellingen zelf. Scholen kunnen ervoor kiezen om dit uit te besteden, zoals dit bij de lente- en zomerscholen voor het voorkomen van zittenblijven5 bijvoorbeeld al niet ongebruikelijk is. Ook kan een samenwerking plaats vinden tussen meerdere scholen of instellingen. Het is aan scholen en instellingen zelf om daarin keuzes te maken. In dit kader zien wij een belangrijk regierol voor gemeenten die, met de Gelijke Kansen Alliantie (GKA), scholen en instellingen kunnen ondersteunen en met hen op zoek kunnen gaan naar slimme verbindingen tussen partijen en initiatieven. Bij de uitvoering van extra aanbod kunnen ook anderen worden ingeschakeld, zoals studenten van lerarenopleidingen of andere pedagogische opleidingen en (vrijwilligers uit) het bedrijfsleven en (maatschappelijke) instellingen. Uiteraard moet dit passen bij de ondersteuningsbehoefte. Wij zijn hierover in gesprek met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), MBO Raad, Vereniging Hogescholen (VH) en de Vereniging Nederlandse Universiteiten (VSNU) en via de GKA met NL2025. Daarnaast ondersteunen we scholen in het funderend onderwijs bij de uitvoering hiervan ook met handreikingen vanuit het gezamenlijke kennisplatform www.weeropschool.nl.6 Ook biedt deze website scholen de mogelijkheid om hun vragen te stellen bij het loket.

Onderwijspersoneel, leerlingen en studenten hebben recht op een bepaalde hoeveelheid vakantie, voor leraren is dit vastgelegd in de cao. Voor leerlingen en studenten is dit geregeld in de onderwijswet- en regelgeving. Zeker ook in deze tijd is het belangrijk dat leraren, leerlingen en studenten ook een periode écht vrij kunnen zijn als ze dat willen. Zomerscholen of andere voorzieningen buiten de reguliere onderwijstijd kunnen daarom alleen vrijwillig door de eigen leraren worden verzorgd. Ook voor leerlingen en studenten is deelname aan een inhaal- en ondersteuningsprogramma altijd vrijwillig.

3. Offensief tot behoud van stages en leerwerkbanen voor pro, vso, vmbo-leerwerktrajecten en mbo

Om te voorkomen dat onnodig studievertraging optreedt, is het van belang dat er in het mbo sprake is van voldoende stages en leerwerkbanen tijdens en vooral ook na de crisis als gevolg van COVID-19. Uw Kamer is onlangs het actieplan stages en leerbanen van SBB aangeboden.7 Doel van het actieplan is om te zorgen voor voldoende stages en leerbanen voor de ruim 500.000 mbo’ers, aankomende mbo-studenten en werkenden en werkzoekenden die via het mbo worden opgeleid.

In aanvulling op de reeds aangekondigde maatregelen wordt deze aanpak geïntensiveerd. Ook is inmiddels aangekondigd dat leerwerkbedrijven aan het eind van deze maand een tussentijdse betaling kunnen krijgen op de subsidie voor de begeleiding van studenten in het huidige studiejaar (2019–2020). Wij verhogen daarnaast voor conjunctuur- en contactgevoelige sectoren die ook geraakt worden door de genomen maatregelen als gevolg van COVID-19 de hoogte van de subsidieregeling praktijkleren voor de studiejaren 2020–2021 en 2021–2022. Door een extra impuls van jaarlijks € 10,6 miljoen wordt het hiermee ook voor werkgevers in deze sectoren aantrekkelijker gemaakt om leerwerkplekken te creëren of in stand te houden tijdens en na deze crisis. Circa één derde van de mbo-studenten volgt een mbo-opleiding die geraakt wordt door de genomen maatregelen als gevolg van COVID-19. Deze mbo-studenten hebben hierdoor dus moeite om hun beroepspraktijkvorming tijdens hun opleiding goed in te vullen. Ruim voor de start van het studiejaar 2020–2021 zal gecommuniceerd worden welke sectoren hiervoor in aanmerking komen. Voor de sectoren landbouw, horeca en recreatie was al eerder voor een periode van 5 jaar jaarlijks € 10,6 miljoen extra beschikbaar gesteld. Deze additionele ophoging voor 2 jaar is bedoeld voor andere conjunctuur- en contactgevoelige beroepen die ook geraakt worden.

Ook komt er een tijdelijke uitbreiding voor twee jaar voor de acquisitie en ondersteuning van leerwerkbedrijven door SBB in de regio. Uit de vorige crisis blijkt dat er een groot risico is dat de deelname aan de bbl terugloopt als er een tekort aan leerbanen is. Daarnaast hebben wij SBB verzocht extra aandacht te besteden aan jongeren in een kwetsbare positie, zoals studenten in de entreeopleidingen, studenten met een niet-westerse achtergrond die relatief vaker te maken krijgen met stagediscriminatie of studenten die passende ondersteuning nodig hebben op de werkplek. Juist deze doelgroepen hebben vaker moeite om een passende stage of leerbaan te vinden, zeker als het economisch slechter gaat. We hebben SBB verzocht daarbij ook te zorgen voor voldoende stages en leerbanen voor jongeren in het voortgezet speciaal onderwijs (vso), praktijkonderwijs (pro) en het vmbo. Daarnaast zal SBB aanvullende inspanningen verrichten om voor werkenden en werkzoekenden een leerbaan beschikbaar te hebben, zeker in vitale en/of kanssectoren. Voor werkenden en werkzoekenden biedt praktijkleren mogelijkheden voor om- en bijscholing (leidend tot een diploma, mbo-certificaat of praktijkverklaring) en draagt zo bij aan hun directe en duurzame inzetbaarheid. Door nu extra in te zetten op het werven en matchen op passende leerbanen voor werkzoekenden en werkenden, wordt zowel een start gemaakt met, als een impuls gegeven aan het realiseren van de gezamenlijke ambitie van SZW, OCW, VNG, Divosa, UWV, MBO Raad, NRTO, SBB en sociale partners. Daarmee wordt praktijkleren in al zijn vormen en de daarvoor benodigde samenwerking tussen de domeinen mbo en Werk & Inkomen structureel verankerd in de arbeidsmarktregio’s in 2022.

Voor een aanvulling op de subsidieregeling praktijkleren voor de conjunctuur- en contactgevoelige beroepen en extra inspanningen voor acquisitie en ondersteuning door SBB is in totaal eenmalig € 30 miljoen beschikbaar.

Begeleiding van leerlingen binnen het beroepsgerichte onderwijs

Uit overleg met het pro komt naar voren dat scholen zich vooral zorgen maken over twee zaken: het niet kunnen afronden 1) van de stages en 2) van praktijkvakken met bijbehorende certificering. Om de leerlingen de tijd te geven om de stage dan wel de praktijkvakken succesvol af te ronden, is het in gevallen waarin leerlingen dit schooljaar 18 zijn geworden, noodzakelijk om de verblijfsduur binnen het pro te verlengen. Hierover heeft de Sectorraad Praktijkonderwijs al afspraken gemaakt met de inspectie. Met de Stichting Platforms VMBO worden afspraken gemaakt om focus aan te brengen binnen het af te ronden beroepsgerichte programma, maar ook over richtlijnen om de praktijkvakken veilig aan te kunnen bieden.

4. Uitbreiding aanvullende bekostiging nieuwkomers po en vo

Vanuit het nieuwkomersonderwijs komen signalen dat nieuwkomers die de Nederlandse taal nog niet/nauwelijks spreken of die komend schooljaar de overgang zullen maken naar het reguliere onderwijs, in deze periode extra achterstanden hebben opgelopen, aangezien de ouders in veel gevallen de Nederlandse taal niet spreken en het afstandsonderwijs daarmee minder effectief is vormgegeven. Daarom zullen we in het po en vo onderwijs eenmalig de nieuwkomersbekostiging voor de huidige groep nieuwkomers met drie maanden verhogen. Hiervoor stellen we eenmalig € 21 miljoen beschikbaar.

Aandacht voor kwetsbare leerlingen in Caribisch Nederland

In de brief die wij op 15 april aan uw Kamer hebben gezonden, is uiteengezet welke ondersteuning er wordt geboden aan de leerlingen in Caribisch Nederland ten behoeve van het afstandsonderwijs.8 Wij hebben benadrukt dat daarbij de positie van kwetsbare leerlingen extra aandacht behoeft. De Openbare Lichamen BES hebben inmiddels besloten dat de scholen in Caribisch Nederland weer geheel of gedeeltelijk geopend kunnen worden. Wij ondersteunen de scholen bij de gefaseerde heropening en zullen alle leerlingen en studenten die dat nodig hebben de mogelijkheid bieden de achterstanden die zij hebben opgelopen in te lopen. Hierbij wordt zoveel als mogelijk aangesloten bij de maatregelen die in deze brief genoemd worden voor het Europees deel van Nederland.

Door de crisis als gevolg van COVID-19 is nog meer urgentie ontstaan voor het versterken van het onderwijszorgstelsel voor leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte. Wij bevestigen dan ook de toezegging aan uw Kamer de evaluatie van het onderwijszorgstelsel in Caribisch Nederland voor de zomer af te ronden. Komende tijd zullen hierover gesprekken gevoerd worden met de Expertisecentra Onderwijszorg, de scholen en de (jeugd)zorg. Voor het zomerreces zal het evaluatierapport inclusief een beleidsreactie naar uw Kamer worden gestuurd.

Tot slot

Er worden momenteel veel initiatieven opgezet en alle betrokken partijen in de onderwijssector tonen zich bereid om veel werk te verzetten. Daar zijn wij iedereen dankbaar voor in deze lastige tijd.

Om ervoor te zorgen dat er ook een goede monitoring plaatsvindt van de ondersteuning die geboden gaat worden, brengt het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) in kaart welke onderzoeken al lopen en waarvoor nog nieuw onderzoek dient te worden opgezet. Intussen doet de inspectie een COVID-19-monitoronderzoek. De inspectie verzamelt daarbij informatie over wat besturen en scholen in de periode van schoolsluiting gedaan hebben of doen om het onderwijs zo goed mogelijk te continueren en met welke knelpunten ze te maken hebben. In het voorjaar van 2021 rapporteert de inspectie in de jaarlijkse Staat van het Onderwijs over hoe scholen en besturen zijn omgegaan met het onderwijs in tijden van COVID-19. Daarnaast ontvangt de inspectie alle signalen die nu binnenkomen over (afstands)onderwijs dat niet goed functioneert. De inspectie neemt vervolgens, wanneer daar aanleiding toe is, contact op met het bestuur van de betreffende school of instelling om navraag te doen.

Wij zullen dit de komende tijd blijven monitoren en uw Kamer op een passend moment informeren, indien daar aanleiding toe is.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob