Gepubliceerd: 14 januari 2021
Indiener(s): Joost Sneller (D66)
Onderwerpen: bestuursrecht recht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35112-21.html
ID: 35112-21

100,0 %
0,0 %

CDA

50PLUS

vKA

PvdD

Krol

D66

GL

VVD

CU

SGP

PVV

DENK

FVD

PvdA

SP


Nr. 21 AMENDEMENT VAN HET LID SNELLER

Ontvangen 14 januari 2021

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

Artikel I, onderdeel Wa, wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het voorgestelde artikel 7.1 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De artikelen 13, 16 en 19 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zijn van overeenkomstige toepassing.

2. In het voorgestelde artikel 7.2, vierde lid, wordt «klachten» vervangen door «bij het college ingediende klachten».

3. Het voorgestelde artikel 7.3, tweede lid, wordt vervangen door:

  • 2. Indien de klacht mede betrekking heeft op een besluit op grond van deze wet waartegen bezwaar open staat, wordt de termijn voor het indienen van bezwaar, bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, opgeschort tot het college advies heeft uitgebracht, dan wel aan de klager en het bestuursorgaan heeft bericht dat geen advies zal worden uitgebracht. De opschorting van de bezwaartermijn vangt aan met ingang van de dag nadat de klager de klacht aan het college heeft gezonden.

  • 3. Indien de klager bezwaar maakt tegen het besluit, bedoeld in het tweede lid, beslist het bestuursorgaan in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht binnen twee weken nadat het college advies heeft uitgebracht, dan wel aan de klager en het bestuursorgaan heeft bericht dat geen advies zal worden uitgebracht.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop klachten worden ingediend en het college tussen het bestuursorgaan en de klager bemiddelt als bedoeld in het eerste lid.

Toelichting

In de tweede termijn van de plenaire behandeling is de vraag aan de orde gesteld of er niet een delegatiebepaling moet worden opgenomen voor procedurele voorschriften inzake het college. Zo is denkbaar dat de bemiddeling geschiedt door één van de leden, of dat de behandeling aan een termijn wordt gebonden, of dat regels worden gesteld voor de gevallen waarin leden van het college zich verschonen bij mogelijke belangenverstrengeling. Dit amendement strekt tot beantwoording van die vraag. Daarbij zijn enkele aspecten geregeld die niet bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden geregeld.

In het voorgestelde artikel 7.1 wordt in het vierde lid, drie artikelen van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van overeenkomstige toepassing verklaard, omdat zij een onderwerp regelen dat niet door de Kaderwet adviescolleges wordt bestreken. Het betreft de artikelen 13, 16 en 19 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. De onderwerpen van de overige artikelen van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zijn niet aan de orde of worden adequaat geregeld in de Kaderwet adviesorganen. Artikel 13 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen bevat een bepaling die belangenverstrengeling tegen gaat en de openbaarmaking van nevenfuncties voorschrijft. Deze bepaling is van toepassing verklaard, omdat de Kaderwet Adviescolleges een dergelijke regeling niet heeft en deze bij het college een extra waarborg geeft. Artikel 16 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen regelt dat het personeel van een zelfstandig bestuursorgaan werkzaam is onder verantwoordelijkheid van dat orgaan en alleen aan dat orgaan verantwoording verschuldigd is. De Kaderwet adviescolleges kent een dergelijke bepaling alleen ten aanzien van de secretaris. Met de taakuitbreiding is aannemelijk dat aan het college meer ondersteuning wordt beschikbaar gesteld dat een secretaris, in welk geval toepassing van artikel 16 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen nuttig is. Tot slot bevat artikel 19 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen een algemene bepaling die een zelfstandig bestuursorgaan oproept tot zorgvuldigheid bij de uitoefening van taken. Ook deze bepaling ontbreekt in de Kaderwet adviescolleges, maar heeft in het geval van het college toegevoegde waarde.

Artikel 7.3, tweede lid, regelt de samenloop met de bezwaarprocedure. Met de voorgestelde tekst wordt voorkomen dat een bestuursorgaan wel profiteert van de opschorting van de beslistermijn op bezwaar, maar verder niet meewerkt aan de bemiddeling. Door mee te werken aan de bemiddeling breidt het bestuursorgaan de beslissing op bezwaar voor. Ook als de bemiddeling niet tot overeenstemming leidt, zal het bestuursorgaan al een afweging hebben gemaakt en een aanloop tot besluitvorming hebben gemaakt. Daarmee heeft een bestuursorgaan na afloop van de bemiddeling niet meer de volle termijn nodig om een beslissing op bezwaar te nemen. Die termijn kan dus worden verkort. Het maakt daarbij niet uit of de klager gebruik maakt van de opschorting, of dat hij gelijktijdig of voor het indienen van de klacht al een bezwaarschrift indient. Een bestuursorgaan dat niet meewerkt aan de bemiddeling snijdt zich dan in de vingers als hij nadat het advies wordt uitgebracht binnen die kortere tijd alsnog op het bezwaarschrift moet beslissen. De voorgestelde amvb kan deze voorziening niet regelen, omdat hierbij van de Algemene wet bestuursrecht wordt afgeweken.

In het derde lid volgt dan de bepaling op grond waarvan bij amvb regels kunnen worden gesteld over de wijze van indienen van de klachten en de inrichting van de bemiddeling.

Sneller