Gepubliceerd: 6 maart 2018
Indiener(s): Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66)
Onderwerpen: bestuur gemeenten
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/dossier/34824/kst-34824-6?resultIndex=25&sorttype=1&sortorder=4
ID: 34824-6

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 6 maart 2018

Inhoudsopgave

1.

Inleiding

1

2.

Voorgeschiedenis en totstandkoming herindelingsadvies

1

3.

Toets aan het Beleidskader gemeentelijke herindeling

3

4.

Gevolgen van de herindeling

4

4.1.

Wijziging van de provinciale indeling

4

4.2.

Financiële aspecten

7

1. Inleiding

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de fracties van de VVD, het CDA, D66, GroenLinks, de SP, de ChristenUnie en de SGP in het verslag. Bij de beantwoording van de vragen heb ik zoveel mogelijk de volgorde van het verslag aangehouden. In enkele gevallen zijn vragen die eenzelfde onderwerp raken samengenomen.

2. Voorgeschiedenis en totstandkoming herindelingsadvies

De leden van de VVD-fractie vragen om een nadere duiding van de in het voortraject geopperde optie om de nieuwe gemeente in te delen bij de provincie Utrecht, maar onderdeel uit te laten maken van de wettelijke samenwerkingsverbanden in Zuid-Holland. De wijziging van de provinciegrens is van directe invloed op de indeling van de wettelijke gemeenschappelijke regelingen. In de Wet veiligheidsregio’s en de daarbij behorende bijlage waarin de territoriale indeling van de veiligheidsregio’s is vastgelegd, is sprake van territoriale congruentie van de veiligheidsregio’s en provinciale buitengrenzen. Het is noodzakelijk dat regio- en provinciegrenzen op elkaar aansluiten in verband met de positie van de commissaris van de Koning en zijn rol met betrekking tot de veiligheidsregio’s. Zo heeft de commissaris op grond van de Wet veiligheidsregio’s een aantal specifieke bevoegdheden ten aanzien van de gemeenten en de veiligheidsregio in het geval van een ramp, crisis of ordeverstoring van meer dan plaatselijke betekenis. Ook kan de commissaris een aanwijzing geven aan het bestuur van een veiligheidsregio indien de taakuitvoering van de veiligheidsregio tekortschiet. Voorts ziet de commissaris in de responsfase toe op de samenwerking in het regionaal beleidsteam (met onder andere vertegenwoordigers van de politie en de brandweer). Dit zijn bevoegdheden die veelal zullen worden uitgeoefend in bestuurlijk gevoelige en complexe situaties.

Vanwege de genoemde bevoegdheden van de commissaris is het noodzakelijk dat de commissaris inzicht heeft in de bestuurlijke verhoudingen binnen de regio en kan komen tot een eenduidige aanpak, waarbij de gemeenten en de veiligheidsregio met dezelfde commissaris te maken hebben. Afwijken van het uitgangspunt van territoriale congruentie, zoals het geval zou zijn indien de nieuwe gemeente Vijfheerenlanden deel zou uitmaken van de provincie Utrecht en daarnaast van de veiligheidsregio Zuid-Holland-Zuid, zou in de weg staan aan een goede taakuitvoering door de commissaris. Omdat de andere wettelijke samenwerkingsverbanden (GGD en omgevingsdienst) volgens wettelijk voorschrift de buitengrenzen van de veiligheidsregio’s volgen, blijven ook de grenzen van deze samenwerkingsverbanden congruent aan de provinciegrenzen.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe de inwoners, maatschappelijke organisaties en de lokale politiek betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van het voorstel tot herindeling. De drie gemeenteraden, die het initiatief voor de samenvoeging hebben genomen, hebben in het voortraject verscheidene activiteiten ontplooid om het draagvlak onder de inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties te onderzoeken en te bevorderen. Zo heeft Leerdam onder andere discussieavonden en gesprekken met inwoners georganiseerd. Ook de gemeente Vianen heeft gesprekken met inwoners georganiseerd en Zederik heeft dorps- en kerngesprekken gehouden. De drie gemeenten hebben ook informatie verstrekt via sociale media, brieven en artikelen in de (lokale) media. Naast de gemeenten hebben ook de provincies Utrecht en Zuid-Holland bijeenkomsten georganiseerd. Een uitgebreide beschrijving van de wijze waarop inwoners en maatschappelijke organisaties bij de herindeling door de gemeenten zijn betrokken, is opgenomen in § 5.1.1 van het herindelingsadvies en in het logboek maatschappelijk draagvlak (bijlage II bij het herindelingsadvies).

De leden van de SP-fractie vragen of een meerderheid van de inwoners voor de herindeling is en, indien er geen burgerraadpleging heeft plaatsgevonden, waarom daarvoor niet is gekozen. Zoals hiervoor uiteen is gezet, zijn de inwoners van de gemeenten op verschillende momenten geraadpleegd. Het is op grond van het Beleidskader gemeentelijke herindeling primair aan het gemeentebestuur om te bepalen hoe het maatschappelijk draagvlak voor een herindeling wordt onderzocht. Voor de beoordeling van het maatschappelijk draagvlak is niet vereist dat een referendum heeft plaatsgevonden. Op basis van de hierboven beschreven activiteiten in een periode van drie jaar zijn de gemeenten van oordeel dat het maatschappelijk draagvlak voor de herindeling voldoende is.

De leden van de SGP-fractie vragen waarom een deel van de provinciale staten van Utrecht niet heeft ingestemd met het herindelingsadvies. In de provinciale staten van Utrecht hebben de leden van de PVV-fractie en de SP-fractie tegen het herindelingsadvies gestemd, omdat er naar hun mening altijd een referendum plaats moet vinden bij een voornemen tot herindeling. Wel hebben de leden van de PVV-fractie aangegeven dat de gemeenten een zorgvuldig proces hebben doorlopen. De leden van de SP-fractie gaven verder aan dat de keuze voor de provincie Utrecht naar hun mening onzekere consequenties voor de (wettelijke) samenwerkingsverbanden met zich meebrengt. Deze gevolgen zouden volgens deze fractie eerst op detailniveau moeten worden uitgezocht.

Daarnaast vragen deze leden in hoeverre er lessen te trekken zijn uit de constatering van de heer Jansen in zijn adviesrapport «dat het door de provincie Utrecht gehanteerde afwegingskader voor de provinciegrenswijziging in mindere mate uitnodigde om de opvattingen en belangen van partijen uit Zuid-Holland bij de afweging te betrekken». De adviezen van de heer Jansen worden meegenomen bij de herziening van het Beleidskader gemeentelijke herindeling die thans in voorbereiding is. Hierover zal ik in overleg treden met gemeenten en provincies. Mijn streven is het aangepaste beleidskader rond de zomer van 2018 naar de Tweede Kamer te zenden.

Ook vragen deze leden hoe de provinciegrens tussen Zuid-Holland en Utrecht zich gedurende de achterliggende decennia heeft ontwikkeld en of het wenselijk is om grenzen tussen provincies voortdurend ter discussie te stellen. De grens tussen de provincie Utrecht en de provincie Zuid-Holland is de afgelopen decennia enkele keren gewijzigd. Per 1 januari 1989 zijn de gemeenten Zegveld en (een groot deel van) Kamerik (Utrecht) met de gemeente Woerden (Zuid-Holland) samengevoegd, waarbij de nieuwe gemeente Woerden bij de provincie Utrecht werd ingedeeld. De bestuurlijke en maatschappelijke oriëntatie speelde een belangrijke rol bij de keuze voor de provincie Utrecht. Ook in 2002 is de provinciale indeling gewijzigd: de gemeente Vianen (Zuid-Holland) is op haar verzoek deel gaan uitmaken van de provincie Utrecht. Ook hier vormden de maatschappelijke en bestuurlijke oriëntatie op de provincie Utrecht de aanleiding voor het verzoek. De leden van de SGP-fractie merken terecht op dat het ook is voorgekomen dat de provincie Utrecht grondgebied heeft afgestaan. Dit gebeurde in 2002 bij de samenvoeging van de gemeenten Loosdrecht (Utrecht), ’s Graveland en Nederhorst den Berg (Noord-Holland). De nieuw gevormde gemeente Wijdemeren werd uiteindelijk bij de provincie Noord-Holland ingedeeld. Ook hier vormde de bestuurlijke en maatschappelijke oriëntatie op de provincie Noord-Holland de doorslaggevende factor.

De vraag van de leden van de SGP-fractie of het wenselijk is om voortdurend de grenzen tussen de provincies ter discussie te stellen, moet ontkennend worden beantwoord. De praktijk laat echter zien dat daar soms aanleiding toe is wanneer gemeenten aan beide zijden van de grens op goede gronden willen samengaan. De regering acht het niet wenselijk dergelijke initiatieven te blokkeren vanwege de aanwezigheid van de provinciegrens. Dat geldt ook voor de provincies die daarmee te maken hebben gekregen.

3. Toets aan het Beleidskader gemeentelijke herindeling

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering bereid is om artikel 41, zevende lid, van de Wet algemene regels herindeling (Wet arhi) te activeren. Artikel 41, eerste tot en met zesde lid, Wet arhi bevat een regeling voor gemeenschappelijke regelingen die als gevolg van een herindeling wijzigen. In het zevende lid is opgenomen dat deze regeling niet geldt voor gemeenschappelijke regelingen die van kracht zijn voor een gebied waarvan de omvang bij of krachtens wet dan wel bij koninklijk besluit is vastgesteld (wettelijke samenwerkingsverbanden). Omdat artikel 41 Wet arhi niet van toepassing is op de wettelijke samenwerkingsverbanden (veiligheidsregio, GGD en omgevingsdienst) is in het wetsvoorstel een voorziening voor deze samenwerkingsverbanden getroffen. Dit is gebeurd in artikel 10 van het wetsvoorstel door de regeling van artikel 41, eerste tot en met zesde lid, Wet arhi op de wettelijke samenwerkingsverbanden van overeenkomstige toepassing te verklaren. Artikel 41, zevende lid, Wet arhi vormt dus juist de reden dat artikel 10 in het wetsvoorstel is opgenomen. Het zou daarmee in tegenspraak zijn om ook het zevende lid van artikel 41 Wet arhi van overeenkomstige toepassing te verklaren.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen naar de toegankelijkheid en bereikbaarheid van voorzieningen in de nieuw te vormen gemeente. De gemeenteraden van Leerdam, Vianen en Zederik hebben een notitie opgesteld over het wijk- en kerngericht werken in de nieuwe gemeente Vijfheerenlanden. In deze notitie is een aantal speerpunten geformuleerd voor de nieuwe gemeente, waarbij het aan de raad van de nieuwe gemeente is om hieraan invulling te geven. Hierbij zijn maatwerk en het beschikbaar stellen van budget voor initiatieven vanuit de bewoners belangrijke speerpunten. Ook speelt de toegankelijkheid van openbaar vervoer een grote rol bij de bereikbaarheid van voorzieningen in de nieuw te vormen gemeente. De provincie Utrecht heeft in haar OV-beleid aandacht voor kleinschalig vervoer voor kleine kernen en voor flexibiliteit. Voor het openbaar vervoer in het landelijk gebied en de kleine kernen wordt bijvoorbeeld gebruik gemaakt van de regiotaxi. Gelet op het voorgaande ben ik ervan overtuigd dat de bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen ook in de nieuwe gemeente gewaarborgd zal zijn.

De leden van de SGP-fractie vragen aandacht voor de positie van Gorinchem en het toekomstperspectief voor deze gemeente, mede gezien de voorgenomen herindeling van Leerdam, Vianen en Zederik. Een herindeling van Gorinchem is op in elk geval de middellange termijn niet aan de orde: Gorinchem geldt voor deze regio als een bestuurskrachtige gemeente. De provincie Zuid-Holland heeft in haar rapportage Slimmer en Sterker Bestuur van december 2017 aangegeven dat de bijzondere positie van Gorinchem als regionaal centrum extra aandacht verdient en dat de provincie samen met Gorinchem en haar omgeving zal bekijken op welke wijze dit mogelijk is. Ook in de koersnotitie Grenzeloos Samenwerken in en rond de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden van december 2017 is opgenomen dat er wordt gewerkt aan sterke en aantrekkelijke stedelijke kernen (waaronder Gorinchem) om zo de centrumfunctie voor het landelijke gebied op goede wijze te kunnen vervullen. De inzet is daarbij gericht op onderlinge versterking van de stedelijke kernen en op het voorkomen van onderlinge concurrentie.

4. Gevolgen van de herindeling

4.1. Wijziging van de provinciale indeling

De leden van de VVD-fractie vragen de regering om aan te geven hoe zij haar rol ziet ten aanzien van de ontvlechting van de diverse wettelijk verplichte gemeenschappelijke regelingen (veiligheidsregio, omgevingsdienst en GGD). De leden van de fracties van het CDA en de ChristenUnie vragen naar de actuele stand van zaken met betrekking tot het proces van de uit- en intreding van de wettelijke samenwerkingsverbanden.

De voorgenomen herindeling van de gemeenten Leerdam, Vianen en Zederik heeft een wijziging van de provinciale indeling tot gevolg en hiermee van de wettelijke indeling van de veiligheidsregio’s en de daaraan gerelateerde indeling van de gemeentelijke gezondheidsdiensten (GGD) en de omgevingsdiensten. In overleg met de drie gemeenten en beide provincies is voor dit proces een begeleidingscommissie samengesteld waarin zij vertegenwoordigd zijn onder voorzitterschap van een vertegenwoordiger van mijn ministerie. Daarnaast wordt op dit moment op verzoek van deze partijen een projectleider aangesteld om een faciliterende rol te vervullen bij het proces van uit- en intreden van de wettelijke samenwerkingsverbanden. De faciliterende rol van de projectleider laat onverlet dat de partijen zelf (wettelijk) verantwoordelijk blijven voor het (tijdig) maken van afspraken over de gevolgen van de gewijzigde indeling. De taak van de projectleider is om te zorgen voor een procesmatige sturing, zoals het zorgdragen voor tijdige afstemming tussen partijen en het bewaken van het proces als geheel. Als eventuele knelpunten worden gesignaleerd dan kunnen daarover met de betrokken partners (vervolg)afspraken worden gemaakt. Eerder heb ik mijn rol bij de ontvlechting van de wettelijke samenwerkingsverbanden uiteengezet in de brief van 30 januari 2018 (Kamerstukken 34 824, nr. 4). Overigens hebben de wettelijke samenwerkingsverbanden in gesprekken met mijn ministerie aangegeven dat zij zich verantwoordelijk voelen voor het waarborgen van een ononderbroken niveau van dienstverlening en voor een goed verloop van dit proces. Ook hebben zij aangegeven het proces van het uit- en intreden in samenwerking met de betrokken partijen tot een goede afronding te kunnen brengen.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de petitie tegen het onderbrengen van de nieuw te vormen gemeente Vijfheerenlanden bij de provincie Utrecht en vragen welke waarde de regering aan de petitie hecht. De bezwaren die in de petitie worden genoemd zijn niet nieuw: zo wordt in de petitie onder andere uitgesproken dat een (provinciale) scheiding tussen Vijfheerenlanden en de Alblasserwaard ongewenst is. Ook vrezen de initiatiefnemers dat de provincie Utrecht het landelijk gebied van de nieuwe gemeente Vijfheerenlanden als «bouwlocatie» ziet. Eerder in de herindelingsprocedure heeft een groep inwoners deze bezwaren ook reeds als zienswijze ingediend. De gemeenten en de provincie Utrecht hebben deze opvattingen meegewogen in het uitgebreide en zorgvuldig doorlopen herindelingsproces. Zoals bekend is er bij de gemeenten een breed draagvlak voor indeling bij de provincie Utrecht. De bezwaren tegen de keuze voor de provincie Utrecht in verband met eventuele grootschalige woningbouw in het landelijk gebied zijn ongegrond. Op de hoorzitting van de Tweede Kamercommissie van Binnenlandse Zaken op 31 januari 2018 en ook op de informatiebijeenkomst van de provincie Utrecht van 20 december 2016 in Ameide is desgevraagd door de provincie geantwoord dat er geen grootschalige woningbouwplannen zijn voor het landelijk gebied in de nieuw te vormen gemeente Vijfheerenlanden.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen om een nadere reactie van de regering op de brief van de veiligheidsregio over het proces van uit- en intreding en vragen wat de financiële gevolgen van de uit- en intreding zijn voor de wettelijke gemeenschappelijke regelingen. Ook vragen zij de regering nader in te gaan op de democratische legitimatie van de (financiële) besluitvorming in de gemeenschappelijke regelingen waar de betrokken gemeenten en provincies bij betrokken zijn. Ook de leden van de fracties van het CDA, de ChristenUnie en de SGP vragen welke kosten de ontvlechting van de wettelijke samenwerkingsverbanden met zich meebrengt en hoe deze verdeeld worden.

In het proces is het van belang dat eerst wordt vastgesteld welke voorzieningen moeten worden getroffen en dat deze voorzieningen tijdig worden voorbereid. Deze fase is op dit moment in volle gang. Op basis hiervan kan vervolgens, in gezamenlijkheid tussen de samenwerkingsverbanden en de gemeenten die daarvan deel uitmaken, een berekening van zowel kosten als eventuele opbrengsten worden gemaakt. Hierna dienen afspraken te worden gemaakt over de verdeling van (eventuele) kosten. Bij het treffen van voorzieningen die voortvloeien uit de gewijzigde indeling kunnen de deelnemers afwijken van hetgeen in de gemeenschappelijke regeling is opgenomen over wijziging en opheffing van de regeling en het toe- en uittreden van deelnemers. Hierbij is het primair aan de deelnemers zelf om de hoogte van eventuele verrekeningen vast te stellen, waarbij de billijkheid als richtsnoer geldt. De samenwerkingsverbanden en de daarin vertegenwoordigde gemeenten ontlenen hun bevoegdheid om daarover besluiten te nemen aan de wet en de op basis van de wet getroffen gemeenschappelijke regeling. Daarmee is hun democratische legitimatie gegeven. Indien het de deelnemers niet zou lukken overeenstemming te bereiken over de kosten van de te treffen voorzieningen, kunnen de colleges van gedeputeerde staten van Utrecht en Zuid-Holland in onderling overleg tot een verrekening komen. Indien ook zij niet tot overeenstemming zouden komen, wordt het te verrekenen bedrag vastgesteld bij koninklijk besluit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De regering acht de betrokken partijen echter voldoende professioneel om tijdig in te spelen op de implicaties van de provinciegrenswijziging voor hun werkveld.

De leden van de SGP-fractie benadrukken dat het proces van uit- en intreding van de wettelijke samenwerkingsverbanden zorgvuldig moet gebeuren en vragen hoe het «per direct» ingaan van de gewijzigde indeling van deze samenwerkingsverbanden op de datum van herindeling zich verhoudt tot een goede financiële afwikkeling. Het «per direct ingaan» betekent dat er continuïteit zal zijn in de operationele prestaties van de betrokken veiligheidsregio’s en dat het niveau van veiligheidszorg niet nadelig mag worden beïnvloed door het proces van wijziging van beide gemeenschappelijke regelingen. Dat betekent dat er geen onduidelijkheid mag bestaan over de gevolgen van de gemeentelijke herindeling voor de voorzieningen die beide veiligheidsregio’s in stand houden. Het is juist dat de gewijzigde indeling van de wettelijke samenwerkingsverbanden direct op de datum van herindeling van kracht is. Dit houdt onder meer verband met de hierboven beschreven rol van de commissaris van de Koning in de veiligheidsregio. Ook dienen de samenwerkingsverbanden permanent operationeel te blijven. Dit betekent dat de deelnemers al ruim voor de datum van herindeling afspraken moeten maken over de voorzieningen die noodzakelijk zijn om het functioneren van de samenwerkingsverbanden gedurende en na de overgang te verzekeren. Zoals aangegeven zijn de samenwerkingsverbanden daar al mee bezig.

Voor de financiële afhandeling (verrekening) geldt op grond van artikel 10 van het wetsvoorstel dezelfde regeling als voor vrijwillige samenwerkingsverbanden. Dit houdt, zoals hiervoor reeds is beschreven, in dat de deelnemers een eventuele verrekening in beginsel zelf vaststellen.

Er dient dus een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds de voorzieningen die getroffen moeten worden – de verdeling van mensen en middelen over beide veiligheidsregio’s – en anderzijds de financiële afwikkeling daarvan. Indien over de financiële afwikkeling op de datum van herindeling (nog) geen overeenstemming bestaat, hoeft dat er niet aan in de weg te staan dat de noodzakelijke voorzieningen worden getroffen om een ononderbroken niveau van veiligheidszorg te waarborgen.

Voorts stellen de leden van de SGP-fractie enkele vragen over de uittreding van Leerdam en Zederik uit de Veiligheidsregio Zuid-Holland-Zuid en de gevolgen hiervan voor het veiligheidsdomein en de overige gemeenten. Onder meer naar dit aspect van de herindeling heeft de heer Jansen expliciet onderzoek gedaan. In paragraaf 5.1 van zijn rapport concludeert de heer Jansen dat hij geen signalen heeft gevonden die erop wijzen dat de kwaliteit van dienstverlening in het veiligheidsdomein beïnvloed wordt door een provinciegrenswijziging, met welke uitkomst dan ook. Ook constateert de heer Jansen dat betrokken partijen professioneel toegerust zijn om tijdig in te spelen op de implicaties van de provinciegrenswijziging voor hun werkveld, zodat de dienstverlening met ingang van de datum van herindeling op hetzelfde niveau blijft gehandhaafd. Ook geeft de heer Jansen aan dat partijen die hij heeft gesproken, waaronder de omliggende gemeenten, veelal benadrukten dat door wettelijke kaders, zoals de Wet veiligheidsregio’s en de Politiewet, de dienstverlening in het veiligheidsdomein structureel is geborgd.

4.2. Financiële aspecten

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de frictiekostenvergoeding is berekend en of hierbij rekening is gehouden met de gevolgen van de provinciegrenswijziging. Ook vragen zij of de regering bereid is om, indien dit niet het geval is, het gesprek aan te gaan over de frictiekosten in de begeleidingscommissie. De leden van de D66-fractie vragen welke oplossingen voorradig zijn om frictiekosten als gevolg van de herindeling bij de veiligheidsregio’s en omgevingsdiensten op te vangen. Het Rijk beoogt de betrokken gemeenten via de verdeelmaatstaf herindeling in het gemeentefonds een vergoeding te geven voor de frictiekosten. Bij frictiekosten gaat het om de tijdelijke extra kosten die worden gemaakt als gevolg van de herindeling, zoals voorbereidingskosten en de kosten van tijdelijke huisvesting en naamswijziging. Ook de kosten van wijzigingen in gemeenschappelijke regelingen vallen binnen deze definitie. De omvang van de maatstaf herindeling is de uitkomst van een vaste rekenformule die bijvoorbeeld rekening houdt met het aantal gemeenten dat fuseert en het aantal betrokken inwoners.1 Verder maatwerk past niet bij de generieke wijze waarop wordt gekomen tot uitkeringen uit het gemeentefonds. Wel ben ik desgevraagd bereid om met de betrokken gemeenten mee te denken hoe de frictiekosten op het punt van de wijziging van de provinciegrens zo laag mogelijk gehouden kunnen worden.

De leden van de SP-fractie vragen waarop de verwachting is gebaseerd dat de structurele verlaging van de algemene uitkering wordt opgevangen door de te verwachten vermindering van de bestuurskosten en andere efficiencyvoordelen van de nieuwe organisatie. De verlaging van de algemene uitkering houdt vooral verband met het wegvallen van het vaste bedrag dat iedere gemeente ontvangt. In de huidige situatie ontvangt elk van de drie gemeenten dit bedrag; na de herindeling is dat alleen de nieuwe gemeente. De verwachting dat tegenover deze verlaging een structurele financiële besparing staat, is onder meer gebaseerd op het gegeven dat de nieuwe gemeente minder bestuurders zal tellen (van drie naar één burgemeester, gemeentesecretaris en griffier; minder wethouders). De mogelijke efficiencyvoordelen van de nieuwe organisatie houden verband met het samenvoegen van de verschillende organisaties en het kunnen voorzien in meer specialistische functies. In welke mate dergelijke voordelen worden behaald, hangt vanzelfsprekend af van de sturing daarop door de nieuwe gemeente.

Op grond van de maatstaf herindeling krijgen de gemeenten voor de kosten om de herindeling te realiseren (frictiekosten) een uitkering uit het gemeentefonds, die over een periode van vijf jaar wordt uitgekeerd. Het vorige kabinet heeft deze maatstaf verruimd. In dit geval gaat het om een uitkering van circa € 11,75 miljoen. Het ligt dan ook niet in de lijn der verwachting dat er incidentele of structurele financiële tekorten ontstaan als gevolg van de herindeling. Zoals hiervoor beschreven dienen de (eventuele) financiële consequenties van het uit- en intreden van de wettelijke samenwerkingsverbanden nog nader uitgewerkt te worden.

De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre inwoners van de gemeenten Leerdam en Zederik medeverantwoordelijk zijn voor eventuele kosten die de gemeente Vianen maakt als gevolg van een financiële claim met betrekking tot Niemans Beton. Momenteel is hierover een zaak aanhangig bij de Hoge Raad. Indien de gemeente aansprakelijk wordt geacht, komt dit na de datum van herindeling voor rekening van de gemeente Vijfheerenlanden als rechtsopvolger. De rechtelijke procedure over de claim met betrekking tot Niemans Beton is een langlopende kwestie waarover de drie gemeenten zijn geïnformeerd in het kader van het haalbaarheidsonderzoek van Vijfheerenlanden.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren