Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 11 november 2017

De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

De fungerend voorzitter van de commissie, Anne Mulder

De waarnemend griffier van de commissie, Tielens-Tripels

INLEIDING

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 tot het geleidelijk uitfaseren van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (hierna: het wetsvoorstel).

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en naar aanleiding hiervan brengen deze leden het volgende naar voren.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden vragen de regering tevens in te gaan op de vragen en opmerkingen van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB).

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben nog een aantal vragen.

De leden van de SP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel.

De leden van de PvdA-fractie danken de regering voor het toezenden van het wetsvoorstel dat voorziet in de intrekking van het geleidelijk uitfaseren van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (ook de regeling Hillen of de Hillen-aftrek). Het effect hiervan zal zijn dat huishoudens die hun huis afbetaald hebben meer belasting zullen betalen. Zij hebben hierbij enkele vragen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel.

De leden van de fractie van 50PLUS hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben nog de volgende vragen en enkele opmerkingen.

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel.

De leden van de DENK-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben hierover een aantal opmerkingen en vragen.

I. ALGEMEEN

Algemeen

De leden van de VVD-fractie vragen of er nog meer fiscale wetsvoorstellen in het regeerakkoord worden voorzien waarbij systeemwijzigingen noodzakelijk zijn, en die dus ruim voor de datum van inwerkingtreding voor parlementaire behandeling naar de Kamer gezonden zullen worden. Deze leden vragen of er bij de verzending van deze wetsvoorstellen ook aandacht blijft bestaan voor wetsvoorstellen die in samenhang bezien moeten worden. Hoe gaat de regering dat in de toekomst in meer algemene zin borgen bij de verschillende fiscale voorstellen? De leden van de VVD-fractie begrijpen dat in veel gevallen specifieke belastingvoorstellen separaat worden aangeboden. Maar in een aantal gevallen achten zij dit echt minder wenselijk. Wanneer wordt bijvoorbeeld het wetsvoorstel ter verlaging van het percentage van het eigenwoningforfait naar de Kamer gezonden? Kan de regering erop toezien dat dit zo snel mogelijk gebeurt? Of is het zelfs nog mogelijk dat per nota van wijziging de verlaging van het percentage van het eigenwoningforfait al in het onderhavige wetsvoorstel wordt meegenomen?

De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel mensen er gebruik maken van de regeling Hillen en wat de gemiddelde aftrek is. Deze leden wijzen erop dat soms voorgesteld wordt het eigen huis te defiscaliseren. In hoeverre is het effect van het defiscaliseren van de eigen woning ook dat de regeling Hillen effectief wordt afgeschaft? Wat bedoelt de regering met de opmerking dat het zich kan vinden in een verdere vereenvoudiging van de eigenwoningregeling? Wat bedoelt de regering in deze context met vereenvoudiging? In hoeverre is dit in lijn met het Regeerakkoord?

De leden van de VVD-fractie vragen of een frequentieverdeling van de WOZ-waarden van het Nederlandse huizenbestand gegeven kan worden. Wat is de gemiddelde en mediane WOZ-waarde? Hoeveel mensen hebben een huis met een WOZ-waarde van meer dan een miljoen euro? Voorts vragen voorgenoemde leden of de regering kan ingaan op de door de NOB gestelde vragen en opmerkingen bij dit wetsvoorstel.

De leden van de PVV-fractie vragen welke gedragseffecten deze maatregel teweeg brengt. In het bijzonder vragen deze leden in welke mate aflossing op de hypotheekschuld door deze maatregel wordt geremd in het laatste deel van de restschuld, waarbij de hoogte van het eigenwoningforfait de hypotheekrenteaftrek overtreft.

De leden van de CDA-fractie achten de uitfasering van de Hillen-aftrek een pijnlijke maatregel voor belastingplichtigen die nu reeds hebben afgelost, wetende dat zij na aflossing geen eigenwoningforfait zouden hoeven te betalen. Tegelijkertijd is het begrijpelijk dat de oploop in het financiële beslag van de regeling het steeds moeilijker maakt om de regeling te handhaven. Immers niet alleen belastingplichtigen die vrijwillig hebben afgelost vallen of gaan vallen onder de regeling Hillen. Deze regeling kent een breed bereik, zodat ook belastingplichtigen eronder vallen met een voor de hypotheekrenteaftrek verplichte aflossingshypotheek en belastingplichtigen met een kapitaalverzekering eigen woning die voor de hypotheekrenteaftrek verplicht moet worden aangewend ter aflossing van de eigenwoningschuld. Door de lage rente wordt de grens van de regeling Hillen ook eerder bereikt en vallen er meer belastingplichtigen onder, zelfs als zij niets extra hebben afgelost, maar bijvoorbeeld wel een lagere rente hebben gekregen bij een nieuwe rentevaste periode. Hetzelfde geldt voor woningen die sterk in waarde stijgen, maar waar de belastingplichtige niet aflost op de hypotheek. Kan de regering inzichtelijk maken in welk deel van de huidige Hillen-aftrek sprake is geweest van vrijwillige aflossing en in welk deel sprake is van wettelijk verplichte aflossing, lagere rente of een stijging van de waarde van de woning? Kan de regering een inschatting geven bij de huidige lage rentestand, vanaf welke verhouding hypothecaire schuld/WOZ-waarde de belastingplichtige nu onder de Hillen-aftrek valt?

De leden van de CDA-fractie lezen in de toelichting dat: «als gevolg van de per 2013 ingevoerde aflossingseis voor eigenwoningschulden een extra stimulering voor een versnelde aflossing door de regeling Hillen echter niet meer noodzakelijk is.» Voor belastingplichtigen die onder het overgangsrecht vallen geldt echter geen aflossingseis. Voor hen eindigt echter wel de hypotheekrenteaftrek na 30 jaar (maar niet voor 2031). Kan de regering aangeven of hier voldoende prikkel tot aflossen uit volgt? Kan de regering tevens voorrekenen of het in een standaardgeval nog steeds voordeliger is om af te lossen? De regering schrijft dat: «door de aflossingseis belastingplichtigen bovendien veel eerder in aanmerking komen voor toepassing van die regeling. Hierdoor is de regeling op termijn financieel onhoudbaar.» De leden van de CDA-fractie vragen of de oploop van de derving van de Hillen-aftrek die veroorzaakt wordt door de per 2013 ingevoerde aflossingseis ook in dat wetsvoorstel geraamd en gedekt was.

De regering schrijft dat: «vanwege noodzakelijke systeemwijzigingen bij de Belastingdienst deze maatregel op 1 januari 2018 moet vaststaan om op 1 januari 2019 in werking te kunnen treden.» Kan de regering dit toelichten, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Welke aanpassingen zijn er nodig en welk tijdspad is er nodig in verband met voorlopige aangiften? Zij danken de regering voor de voorbeelden in de begeleidende brief, die laten zien hoe geleidelijk de ingroei is. Deze leden merken op dat de netto belasting die rust op een afgeloste woning over 30 jaar maximaal 0,3% van de waarde van de woning bedraagt (toptarief) of 0,2% (algemeen tarief), zolang de waarde van de woning niet hoger is dan de villagrens. De leden van de CDA-fractie merken op dat het aantal maatregelen rondom de eigen woning stapelt en de formule niet eenvoudiger maakt:

  • de bijtelling van het eigenwoningforfait vindt plaats tegen het marginale tarief;

  • de aftrek van de hypotheekrente vindt plaats tegen het standaardtarief;

  • de vermindering in de aftrek (regeling Hillen) vindt plaats als het verschil tussen het eigenwoningforfait en de hypotheekrenteaftrek;

  • bij de afbouw zal er een percentage op het laatste van toepassing zijn.

Het begrip voordelen uit eigen woning (artikel 3.112 van de wet IB 2001) omvat op dit moment niet het netto voordeel van het eigenwoningforfait minus de hypotheekrenteaftrek. Dit begrip omvat alleen het eigenwoningforfait minus de aftrekbare kosten (rente, maar ook erfpacht). De leden van de CDA-fractie constateren dat dit begrip uitgaat van de oude situatie, dat het voordeel en het nadeel tegen hetzelfde tarief bijgeteld en afgetrokken worden. Dat is niet zo ingevolge artikel 2.10, lid 2, wet IB 2001.

Heeft de regering ook overwogen om de kennelijke weeffout recht te zetten en de voordelen uit de eigen woning te formuleren als het eigenwoningforfait minus kosten (rente, erfpacht) plus de correctie van artikel 2.10, lid, 2, Wet IB 2001? De leden van de CDA-fractie vragen of dit niet veel logischer zou zijn, aangezien de voordelen en de nadelen dan tegen hetzelfde tarief belast dan wel afgetrokken worden. Dit past bovendien bij de door de regering genoemde «bron van inkomen», dat is immers fiscaal altijd het saldo van de inkomsten minus de kosten. Deze leden wijzen er daarbij ook op dat de eigen woning een inkomensbestanddeel is waarmee vrij kan worden geschoven tussen partners. Fiscale partners kunnen de bijtelling van het eigenwoningforfait daarmee verlagen door de eigen woning op te geven bij de partner met het laagste tarief. Kan de regering aangeven of hier rekening mee is gehouden in de ramingen? De leden van de CDA-fractie merken op dat door altijd van hetzelfde tarief uit te gaan, de regeling veel eenvoudiger wordt, overzichtelijker wordt en het niet meer uitmaakt welke partner de eigen woning opgeeft.

De leden van de CDA-fractie verzoeken de regering aan te geven hoe de bijtelling uitwerkt door middel van een aantal voorbeelden. Een eigen woning wordt gebouwd met twee bouwdepots, één in box 1 en één in box 3. Het grootste deel van de nieuwbouwwoning wordt gefinancierd met eigen geld.

Een eigen woning is gefinancierd met twee gelijke hypotheken, waarvan er één niet aan de voorwaarden voldoet en in box 3 valt.

Het wetsvoorstel bevat de standaarduitzondering op de referendumwet, zijnde artikel 12 van die wet. Hij wordt namelijk van kracht, onafhankelijk of er een referendum is aangevraagd. De leden van de CDA-fractie vragen of er wel een referendum georganiseerd kan worden, aangezien deze wet tot de begrotingswetten gerekend zou moeten worden en die zijn uitgezonderd van de mogelijkheid tot referendum.

De leden van de D66-fractie zouden graag inzicht krijgen in de totale extra belastinginkomsten als gevolg van deze maatregel in 2021, uitgesplitst naar huishoudens met een bepaalde eigenwoningwaarde. Kan de regering inzicht geven in de totale opbrengst van deze maatregel voor cohorten in de woningwaarde (€ 0–200.000, € 200–400.000, € 400–600.000, € 600–800.000, € 800–1.000.000, en meer dan € 1.000.000), en daarbij ook aangeven om hoeveel huishoudens het gaat per cohort? De leden van de D66-fractie zouden ook graag inzicht krijgen, voor zover mogelijk, in het totale aantal huishoudens dat na uitfasering van de regeling Hillen in 2048 samen de totale geschatte opbrengst van deze maatregel voor zijn rekening neemt.

De leden van de SP-fractie vragen de regering aan te geven of het zo is dat de per 2013 ingevoerde aflossingseis voor eigenwoningschulden ervoor zorgt dat alle sindsdien aangegane hypotheekschulden worden afgelost in dertig jaar tijd. Of bestaan er ontsnappingsmogelijkheden om aan deze eis te ontkomen, zo vragen deze leden. Hoe ziet de opbouw van hypotheken eruit: hoeveel mensen lossen geheel af in 30 jaar en hoeveel mensen blijven na het verlopen van hun hypotheek over met een schuld? Hoeveel mensen wonen nu in een afgelost huis?

De leden van de SP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de tabel die de effecten van de afschaffing van de regeling Hillen weergeeft. Deze leden vernemen hieruit dat de inkomenseffecten in deze kabinetsperiode zeer beperkt zullen zijn. Beaamt de regering dat? Kan de regering ingaan op de vraag hoe de inkomenseffecten na deze kabinetsperiode zijn? Hoe verschuiven de lasten van mensen die geheel afgelost hebben van de hypotheekverplichtingen naar het eigenwoningforfait? Is er een indeling te maken over de verschuiving per prijsklasse woningen (bijvoorbeeld: € 150.000, € 200.000, € 300.000 en € 500.000)? Hoe verhouden deze zich tot de huur die huurders betalen?

De leden van de SP-fractie vragen de regering in hoeverre het in internationaal opzicht gebruikelijk is om de eigen woning als een bron van inkomen aan te merken. Gebeurt dit in andere landen ook? Kan de regering ook ingaan op de vraag of andere landen een net zo ruimhartige aftrek van hypotheekrente kennen? Hoe wordt het inkomen uit de eigen woning in andere landen vastgesteld? Is het in internationaal opzicht gebruikelijk om dit forfaitair vast te stellen?

De leden van de SP-fractie merken op dat de Raad van State de eigenwoningregeling als zeer complex bestempelt. Niet alleen in uitzonderlijke, maar ook in veel voorkomende situaties zoals een verhuizing of het verbreken van een relatie kan de hulp van een deskundige niet worden gemist, aldus de Raad van State. Deze merkt op dat dit een ongewenste situatie is. De leden van de SP-fractie zijn het met de Raad van State eens dat een vereenvoudiging van de eigenwoningregeling gewenst is. Ziet de regering hier mogelijkheden toe? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?

De leden van de SP-fractie vragen de regering uiteen te zetten hoeveel hypotheekrenteaftrek iemand gedurende dertig jaar heeft genoten, wanneer deze een woning bezit met een woningwaarde van € 200.000. Hoeveel is dat bij een woningwaarde van € 400.000, hoeveel bij een woningwaarde van € 600.000, hoeveel bij een woningwaarde van € 800.000 en hoeveel bij een woningwaarde van 1 miljoen euro? Kan de regering dit weergeven voor verschillende inkomensgroepen? Ook vragen de leden van de SP-fractie hoeveel een gemiddelde koopwoning de overheid kost aan hypotheekrenteaftrek.

De leden van de PvdA-fractie danken de regering voor de tabel met daarin de effecten van het wetsvoorstel op het besteedbaar inkomen. Zij merken hierbij op dat de tabel slechts de situatie van 2021 illustreert. De aftrek zal in stappen steeds kleiner worden, tot in 2048 de aftrek geheel is vervallen. Een tabel met de situatie van 2021 geeft dan ook een zeer beperkt beeld van de effecten van het wetsvoorstel. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering dan ook deze tabel ook op te stellen voor de jaren tot en met 2048. Voorts vragen zij hoeveel ouderen met een klein inkomen, die nu nog een verzilveringsprobleem hebben maar na het vervallen van de aftrek geen verzilveringsproblemen meer hebben, dus belasting gaan betalen.

De leden van de ChristenUnie-fractie onderkennen de bij veel woningeigenaren levende gevoelens over deze maatregel. Eerst wordt aflossen gestimuleerd met als uiteindelijke bonus het niet hoeven te betalen van het eigenwoningforfait na aflossing en vervolgens wordt voorgesteld deze bonus te schrappen. Tegelijkertijd geldt voor hypotheken die zijn afgesloten na 1 januari 2013, dat deze moeten worden afgelost. Daarmee wordt aflossen per definitie gestimuleerd. En met name deze maatregel leidt er tevens toe dat de budgettaire impact van de regeling Hillen steeds groter wordt en structureel ruim 1,1 miljard euro gaat bedragen. Deze leden vragen hoe robuust deze raming is. Hoe gevoelig is deze raming bijvoorbeeld voor ontwikkelingen in de huizenprijzen en in het eigenwoningbezit? Zijn er gedragseffecten te verwachten van het geleidelijk afschaffen van de regeling Hillen bij woningeigenaren met betrekking tot het aflossen van hypotheken van voor 1 januari 2013? Zijn de voorgenomen verlagingen van het eigenwoningforfait meegenomen in de structurele opbrengst van het schrappen van de regeling Hillen? Graag zien deze leden de raming en de parameters daaronder nader toegelicht.

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat met het geleidelijk uitfaseren van de regeling Hillen het verschil in behandeling tussen vermogen dat wordt opgebouwd in de eigen woning en vermogen dat wordt opgebouwd in box 3 kleiner wordt. Kan de regering enkele voorbeelden uitwerken van woningeigenaren en huurders die volledig vergelijkbaar zijn qua brutoinkomen, pensioenvoorziening, woonlastenquote, aantal kinderen etc. en alleen verschillen met betrekking tot hun spaargedrag, te weten: de woningeigenaar bouwt vermogen op in de eigen woning en de huurder op de spaarrekening; voorbeelden met en zonder de regeling Hillen. In hoeverre is het wat betreft de regering geoorloofd vermogensopbouw in de eigen woning te vergelijken met vermogensopbouw in box 3, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.

De leden van de 50PLUS-fractie constateren dat mensen die in goed vertrouwen hun hypotheek versneld hebben afgelost, met de bedoeling van de regeling Hillen gebruik te kunnen maken, niet konden vermoeden dat deze regeling zou worden afgeschaft. Zij hebben geen mogelijkheid om alsnog die aflossingen terug te draaien. De leden van de 50PLUS-fractie vragen of de regering kan aangeven wat het aandeel is van de aflossingsvrije hypotheken op het totaal. Hoe is dit aandeel verwerkt in de ramingen ten aanzien van de uitfasering van de regeling Hillen? Hoeveel nieuwe hypotheken zijn afgesloten sedert 2013? Wat is de raming van het aantal nieuwe hypotheken per jaar voor de komende tien jaar? De voorgenoemde leden vragen voorts of wordt erkend dat dit wetsvoorstel eenzijdig het oudere deel van de bevolking treft. Wat is de rechtvaardiging voor het verschil in behandeling tussen mensen die hebben afgelost en mensen die met een aflossingsvrije hypotheek de aflossing vertragen? Welke gedragseffecten ten aanzien van de aflossingen verwacht de regering op macroniveau als gevolg van de uitfasering van de regeling Hillen? Welke gevolgen zijn te verwachten voor de woningmarkt en de woningbouw (productie), naar aanleiding van de uitfasering van de regeling Hillen?

De leden van de 50PLUS-fractie vragen wat de gevolgen zijn voor uitstel van de ingang van de regeling Hillen met respectievelijk 1–2 en 3 jaar? Kan de regering zowel in juridisch opzicht als met een praktisch voorbeeld toelichten waarom de eigen woning in de inkomstenbelasting een bron van inkomen vormt?

Op pagina 1 lezen deze leden: «Als gevolg van de per 2013 ingevoerde aflossingseis voor eigenwoningschulden is een extra stimulering voor een versnelde aflossing door de regeling Hillen echter niet meer noodzakelijk.» Kan de regering hierbij toelichten wat precies de «noodzakelijkheid» van de regeling Hillen was voorafgaand aan 2013? Over welke noodzaak gaat het hier precies en waarom is dat een noodzaak? Beschouwt de regering het niet afschaffen of niet uitfaseren van de regeling Hillen in of voorafgaand aan 2013 als een vergissing die nu hersteld moet worden?

De leden van de 50PLUS-fractie lezen dat: «door de aflossingseis komen belastingplichtigen bovendien veel eerder in aanmerking voor toepassing van die regeling.» Kan de regering kwantificeren met behulp van enkele rekenvoorbeelden, uitgaande van hypotheken die in 2018 worden gesloten op basis van de bestaande aflossingseisen, na hoeveel jaren belastingplichtigen in aanmerking zouden komen voor toepassing van de huidige regeling Hillen? Kan worden uitgelegd waarom nu pas geconstateerd wordt dat de regeling financieel onhoudbaar is? Waarom is in/rond 2012, nog los van het budgettaire aspect, het voorstel tot uitfasering van de regeling Hillen niet gekoppeld ingediend met de andere woningmarktmaatregelen? En waarom wordt nu de koppeling gelegd tussen de maatregelen, terwijl dat destijds niet werd gedaan?

Waarom is bij de uitfasering van de regeling Hillen geen uitzondering gemaakt voor bestaande gevallen, zo vragen de leden van de 50PLUS-fractie. Waarom is voor bestaande gevallen die worden getroffen door de uitfasering van de regeling Hillen niet een specifieke compensatie gegeven, zoals die wel is/wordt gegeven voor mensen met een hypotheekschuld die worden getroffen door het lagere aftrekpercentage? Waarom wordt als onderbouwing van dit wetsvoorstel gegeven het feit dat ouderen een lager marginaal tarief hebben? Wordt erkend dat de reden voor dit lagere tarief het feit is dat AOW’ers geen premie meer betalen zodra de AOW-uitkering ingaat? Wordt erkend dat de AOW nog steeds een volksverzekering is? Kan worden erkend dat werkenden effectief maar 5% tot 10% AOW premie betalen?

De leden van de SGP-fractie vinden het van groot belang dat het aflossen van hypotheekschulden wordt gestimuleerd, althans vooral waar het te hoge schulden en de fiscale aftrek betreft. Daarnaast achten zij de betrouwbaarheid van de overheid van groot belang. Het is vreemd om eerst te stimuleren de hypotheekschuld af te lossen om daarna belasting te heffen. Temeer daar burgers eerst is voorgehouden dat indien volledig zou worden afgelost, geen belasting betaald zou hoeven worden. De leden van de SGP-fractie zijn daarom zeer kritisch over het wetsvoorstel en maken van de gelegenheid gebruik hierover vragen te stellen.

Er wordt geschreven dat de regeling op termijn financieel onhoudbaar is. De leden van de SGP-fractie vinden dit een onterecht argument. Bij de overgang naar verplichte aflossing was bekend dat er op termijn steeds meer gebruik zou worden gemaakt van de regeling Hillen. De doorrekening daarvan zat in het basispad, zodat de effecten op de houdbaarheid verrekend waren. Bovendien, gedurende dertig jaar hebben eigen woning bezitters met een annuïtair af te lossen hypotheek veel minder hypotheekrenteaftrek gehad. Klopt het dat de maatregelen uit het woonakkoord er voor hebben gezorgd dat deze groep per saldo minder geld kost?

Een belangrijke reden voor de introductie van de regeling Hillen was het bevorderen van de aflossing van de eigen woningschuld. Inmiddels is een meer dwingend instrument ingezet, namelijk verplichte aflossing om hypotheekrenteaftrek te kunnen behouden. Dit geldt niet voor oude gevallen. De leden van de SGP-fractie vragen hoe die groep toch wordt gestimuleerd om af te lossen. Immers, dit is de groep met de hoogste risico’s door de hoogte van de hypotheekschulden en deze groep legt ook een relatief groot beslag op de kosten van aftrek. Deze leden vragen wat de huidige verdeling is van het gebruik van de regeling Hillen over de verschillende leeftijdsgroepen. Wat is de verwachte ontwikkeling van het gebruik van de regeling Hillen voor verschillende leeftijdsgroepen in 2048?

Zij vragen voor de volledigheid opnieuw de tabel met effecten op het besteedbaar inkomen op jaarbasis voor 2048. Klopt het dat ouderen in absolute zin iets minder getroffen worden, omdat zij een lager belastingpercentage betalen over het eigenwoningforfait? Welke invloed heeft de regeling Hillen bovenop de te betalen belasting? Daarbij bedoelen de voorgenoemde leden toeslagen, kortingen en eigen bijdragen. Welk mechanisme zit achter de geraamde daling van het eigenwoningforfait-percentage naar 0,65% in 2021? Het uiteindelijke percentage van 2021 wordt geraamd op 0,55%. Is het geraamde percentage voor 2022 0,50%? Immers, er zijn in 2021 nog maar twee van de drie genoemde stapjes gezet.

De WOZ-waarden zijn gemiddeld genomen de afgelopen jaren flink gestegen. Zijn deze stijgingen meegenomen in de ramingen? De leden van de SGP-fractie vragen hoeveel extra opbrengsten aan eigenwoningforfait hierdoor al wordt ingeboekt.

De leden van de DENK-fractie vragen waarom het wetsvoorstel, welke in werking zou moeten treden in 2019, persé nu al behandeld moet worden? Klopt het dat bijna alle andere van de circa 45 belastingmaatregelen pas in de loop van 2018 behandeld worden? Kan de regering aangeven waarom dit voor het onderhavige wetsvoorstel niet zou kunnen? Waarom heeft de regering met dit punt veel meer haast dan met de andere belastingmaatregelen? De voorgenoemde leden vragen verder wat wordt bedoeld met de «noodzakelijke systeemwijzigingen» die dit volgens de regering noodzakelijk maken. Waarom geldt dit argument wel voor de regeling Hillen en niet voor de meeste andere belastingmaatregelen?

De leden van de DENK-fractie vragen of het klopt het dat de regering in zijn algemeenheid voorstander is van administratieve vereenvoudiging en administratieve lastenverlichting. Klopt het dat dit ook vastgelegd is in het Regeerakkoord? Klopt het verder dat dit ook één van de redenen is om te komen tot een twee-schijvensysteem in de inkomstenbelasting in plaats van het huidige vier-schijvensysteem? Waarom kiest de regering dan nu voor een onoverzichtelijke complexe afbouwregeling, waarin ieder jaar cumulatief 3,33% van het verschil tussen de hypotheekrenteaftrek en het eigenwoningforfait in mindering moet worden gebracht? Waarom heeft de regering niet gekozen voor een meer transparante, minder complexe maatregel? Klopt het dat ieder jaar opnieuw een ministeriële regeling moet worden ingediend om het percentage te verlagen?

De voorgenoemde leden vragen of het klopt dat de regering voorstander is van het bevorderen van het eigen woningbezit. Waarom wordt niet het hele eigenwoningforfait afgeschaft? Hoeveel zou dit kosten aan belastinginkomsten? Klopt het dat het eigenwoningforfait afgeschaft zou kunnen worden als de dividendbelasting (1,4 miljard euro) zou blijven voortbestaan en de vennootschapsbelasting niet zou worden verlaagd voor grote bedrijven? Kan met de afschaffing van het eigenwoningforfait niet een administratieve lastenverlichting worden bereikt, omdat de WOZ-waarde dan niet meer van belang is voor de inkomstenbelastingaangifte? Welke andere EU-landen kennen een eigenwoningforfait? Hoe hoog is daar het eigenwoningforfait of de vermogensbelasting op het eerste eigen huis? Klopt het dat het reguliere eigenwoningforfait beleidsmatig met slechts 0,1% verlaagd wordt? Hoe verhoudt dit zich tot de stelling van de Minister-President, geponeerd op 2 november 2017, dat de volledige opbrengstbeperking van de hypotheekrenteaftrek (van 52% en ca. 42% naar ca. 37%) zou worden teruggesluisd in de vorm van een lager eigenwoningforfait? Dit kan toch niet kloppen?

De leden van de DENK-fractie vragen de regering hoeveel de volledige opbrengstbeperking van de hypotheekrenteaftrek bedraagt. Hoeveel bedragen de kosten van het beperken van het eigenwoningforfait met 0,1%? Klopt het, dat de verlaging van de inkomstenbelasting in de tweede tot en met de vierde schijf, naar 36,95% en 49,5%, allang was ingeboekt in wetgeving die het gevolg was van het Regeerakkoord van 29 oktober 2012, en die dus ook in het basispad van het Centraal Planbureau (CPB) was opgenomen? Is dit dus ook weer een sigaar uit eigen doos van de regering? Waarom is tijdens het debat van 2 november 2017 deze belastingverlaging als nieuw gepresenteerd, terwijl deze allang is het basispad zat?

Budgettaire aspecten

De leden van de VVD-fractie vragen de regering hoe rekening wordt gehouden met de verzwaarde financiële last voor huizenbezitters. Welke maatregelen staan tegenover de geleidelijke afbouw van de regeling Hillen die de lasten voor huizenbezitters weer verlichten? Het Ministerie van SZW heeft aangegeven dat vrijwel iedere eigenwoningbezitter (circa 96%) erop vooruitgaat in deze kabinetsperiode. Is hierbij ook specifiek gekeken naar de eigenwoningbezitter die geraakt wordt door het onderhavige wetsvoorstel? Kan een aantal voorbeelden ten aanzien van de koopkracht van verschillende huishoudens worden gegeven die te maken hebben met het afschaffen van de regeling Hillen, waarbij ook de overige maatregelen uit het Regeerakkoord worden meegenomen? Wat is de totale budgettaire opbrengst van het eigenwoningforfait? Kan dit gegeven worden voor de voorgaande vijf jaar en de verwachting voor de komende vijf jaar?

De leden van de PVV-fractie vragen de regering wat de financiële consequentie is als de wet-Hillen één jaar later dan beoogd wordt afgeschaft.

De leden van de PvdA-fractie vragen wat de structurele budgettaire gevolgen zijn als de wet Hillen een jaar later ingaat en afloopt in 2049.

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of de regering voornemens is het «percentage regeling Hillen» op te nemen in de sleuteltabel, zoals ook het aftrekpercentage van de hypotheekrenteaftrek is opgenomen in de sleuteltabel van het Ministerie van Financiën. Indien ja, waarom? Indien nee, waarom niet? Het budgettair belang van de beperking van de regeling Hillen wordt door het CPB becijferd op 0,1 miljard euro in 2021. Is dat een afronding naar boven op basis van een uitfasering in 30 jaar of een afronding naar beneden op basis van uitfasering in 20 jaar? Het budgettair belang van het uitfaseren van de regeling Hillen loopt gestaag op na 2021. Is hier nog een additionele terugsluis aan verbonden na 2021, via een verdere verlaging van het eigenwoningforfait of anderszins?

Wat zijn de gevolgen van het uitfaseren van de regeling Hillen voor de uitgaven aan zorgtoeslag en de huurtoeslag in 2021, 2025 en 2030, ceteris paribus? Wat zijn de gevolgen voor het budgettair beslag van de ouderenkorting in de voorgenoemde jaren? Kunnen de lagere uitgaven aan toeslagen en de verminderde derving van de ouderenkorting specifiek worden teruggegeven middels een extra verhoging van de ouderenkorting? Indien nee, waarom niet? Hoeveel mensen hebben aanspraak op de regeling Hillen met een inkomen onder de inkomensgrens voor toeslagen? Kan per cohort van € 1.000 worden aangegeven wat de gevolgen zijn van een uitgefaseerde regeling Hillen voor de inkomensgroep € 37.000 tot € 46.000 (grofweg het afbouwtraject van de ouderenkorting)?

Deze leden vragen verder wat de budgettaire gevolgen zijn van een uitzondering op de uitfasering van de regeling Hillen voor bestaande gevallen. Wat zijn de budgettaire gevolgen van een uitzondering voor woningen met een WOZ-waarde lager dan € 100.000, € 200.000 en € 300.000?

De leden van de SGP-fractie vragen of de opbrengst van het afschaffen van de regeling Hillen lineair is, zoals wordt aangenomen in tabel 1, budgettaire effecten. Klopt het, dat het geraamde gebruik van de regeling Hillen zonder wijziging sterk oplopend is? Zo ja, klopt het dat bij afbouw het budgettaire effect een sterker opbouwend verloop heeft dan voorgesteld, namelijk zowel door stijgend gebruik als door het jaarlijks afnemende percentage van de regeling Hillen? Is het mogelijk om de hypotheekschuld niet meer als zodanig te laten kwalificeren? Zijn er gevallen te noemen waarvoor deze optie het meest aantrekkelijk wordt door de volledige afschaffing van de regeling Hillen?

Uitvoeringskosten Belastingdienst

De leden van de ChristenUnie-fractie zijn benieuwd hoeveel hoofdbrekens de geleidelijke uitfasering van de regeling Hillen de Belastingdienst gaat kosten in de uitvoering? Hoe hanteerbaar is een dergelijke lange uitfaseringstermijn eigenlijk voor de Belastingdienst?

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel II (artikel 10.6bis van de Wet inkomstenbelasting 2001)

De uitfasering van de Hillen-aftrek vindt zeer geleidelijk plaats met een percentage van 3 1/3 per jaar. De leden van de CDA-fractie vragen de regering waarom dit percentage bij ministeriële regeling wordt aangepast en niet in de wet.

Artikel III onderdelen A, B en C (artikel 3.1, afdeling 3.6a en artikel 10.6bis van de Wet inkomstenbelasting 2001)

De leden van de DENK-fractie vragen of het klopt dat dit artikel iets wil regelen dat in 2048 zou moeten gebeuren. Klopt het dat deze wetswijziging 30 jaar lang zal moeten worden bewaard?

Artikel IV (inwerkingtreding)

De leden van de PvdA-fractie vragen wat de gevolgen zijn als het wetsvoorstel niet meer in 2018 aangenomen wordt. Klopt het dat invoering per 1 januari 2019 dan niet meer mogelijk is? Welke alternatieven ziet het de regering in dat geval?

De afschaffing van de regeling Hillen kent een miljoen belanghebbenden. Onder dit artikel wordt het onmogelijk gemaakt een raadgevend referendum te organiseren op grond van artikel 12 van de Wet raadgevend referendum. De SGP-fractie vraagt of onderbouwd kan worden waarom het wetsvoorstel geen uitstel kan lijden.

BIJLAGE: Ramingstoelichting

De leden van de 50PLUS-fractie lezen in de ramingstoelichting het volgende: «Tevens is voor deze periode rekening gehouden met extra aflossing vanwege de lage rentestand». Kan de regering dat kwantificeren en tevens toelichten? Waarom zorgt de lage rentestand voor extra aflossing en hoeveel is dat? Tevens lezen de voorgenoemde leden dat: «Voor de periode na 2021 aansluiting is gezocht bij de huishoudenprognose van het CBS. Daarbij is aangenomen dat het aandeel eigen woningen constant blijft.» Kan de regering hierbij motiveren waarom er geen rekening wordt gehouden met een daling van het aandeel eigen woningen ten opzichte van een situatie met ongewijzigd beleid? Of hebben de door het kabinet voorgestelde maatregelen op het gebied van de eigen woning per saldo geen enkel gevolg voor het aandeel eigen woningen?

BIJLAGE: Uitvoeringstoets wetsvoorstel wijziging van de wet inkomstenbelasting 2001 tot het geleidelijk uitfaseren van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

De leden van de VVD-fractie lezen in de uitvoeringstoets dat door het uitfaseren van de regeling het verzamelinkomen van de belastingplichtige stijgt. Dit kan beteken dat een toeslaggerechtigde een lagere toeslag ontvangt. Kan daar iets meer duidelijkheid over worden gegeven? Hoe wordt geborgd dat dit niet disproportioneel uitpakt? Welke andere gevolgen kunnen er zijn?

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of de regering technisch kan toelichten waarom het uitfaseren van de regeling Hillen op korte termijn complexiteits-verhogend werkt, omdat het moet worden ingebouwd in de systemen? Waarom is het complexiteits-verhogend als er slechts een keurige lineaire afbouwformule in de systemen moet worden gezet? En vooral: waarom vergt dit (zo) veel tijd?

OVERIG

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of de regering kan aangeven waarom «de effecten op het besteedbaar inkomen op jaarbasis in 2048» niet in termen van koopkracht kunnen worden weergegeven, uitgaande van constante parameters (of constante arrangementen in CPB-terminologie)?

Kan de regering bevestigen dat het percentage eigenwoningforfait in 2048 uitkomt op 0,5% en niet op 0,6%? Zie tabel 4 uit de schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling. Wanneer vindt de verlaging plaats van 0,6% naar 0,5%. Kan de regering deze tabel 4 tevens weergeven op basis van een eigenwoningforfait-tarief van 0,6% en op basis van een eigenwoningforfait-tarief van 0,75%? Kan de regering tevens met behulp van enkele rekenvoorbeelden toelichten hoe de bestaande plannen precies uitwerken boven de villagrens?

De leden van de 50PLUS fractie hebben voorts enkele vragen specifiek met betrekking op de brief van de Staatssecretaris van 3 november 2017 (Kamerstuk 34 785, nr. 9). Deze leden vragen de regering of tabel 2 over de kosten van de Hillen-aftrek kan worden uitgebreid tot het eindjaar van de uitfasering in 2048 en eveneens tot 2025, 2030 en 2035. Voorts vragen deze leden of de tabel kan worden uitgebreid voor woningen met WOZ-waarde van 1,5 en 2 miljoen euro? Kan tabel 2 worden uitgebreid met een veronderstelde stijging van de WOZ-waarde van gemiddeld 2%, respectievelijk 3% per jaar gedurende de periode tot 2025, 2030, 2035 en 2048? Idem dito voor een stijging van de WOZ-waarde van 5% tot en met 2021 en 2025.

De leden van de 50PLUS-fractie vragen de regering of een overzicht kan worden gegeven van de gemiddelde stijging van de WOZ-waarde per provincie vanaf 2013 tot heden. En voor de tien grootste steden? En voor Wassenaar, Bloemendaal en Laren? Wat is de gemiddelde WOZ-waarde voor de provincies Noord- en Zuid-Holland en Utrecht tezamen en het gemiddelde van de overige provincies tezamen? Kan tabel 3 worden uitgebreid met de inkomenseffecten in 2025, 2030, 2035 en 2048, ceteris paribus?

Kan de regering een overzicht geven van tabel 1, 2 en 3 als de uitfasering stopt in 2025, 2030 en 2035?

Kan de regering verder een overzicht worden geven van de in- en uitstroom van gebruikers van de regeling Hillen in de afgelopen 10 jaar? Wat is de raming van in- en uitstroom voor de komende 5, 10 en 15 jaar?

De voorgenoemde leden vragen de regering verder een onderverdeling te geven naar WOZ-waarde van het totale woningbestand met cohorten van € 100.000 tot 1 miljoen euro. Om hoeveel mensen gaat het met een woning met een WOZ-waarde boven 1 miljoen euro?

Kan de regering naast tabel 1 aangeven hoeveel mensen die gebruik maken van de regeling Hillen ouder zijn dan 50 jaar, zo vragen de leden van de 50PLUS-fractie.