Gepubliceerd: 25 november 2016
Indiener(s): Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD)
Onderwerpen: organisatie en beleid zorg en gezondheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34617-2.html
ID: 34617-2

Nr. 2 VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het recht op kraamverlof uit te breiden teneinde de band tussen de partner en het kind te versterken;

Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet arbeid en zorg wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4:2 komt te luiden:

Artikel 4:2 Kraamverlof

  • 1. Na de bevalling van de echtgenote, de geregistreerde partner, de persoon met wie hij ongehuwd samenwoont of degene van wie hij het kind erkent, heeft de werknemer gedurende een tijdvak van vier weken recht op verlof voor twee dagen waarop hij arbeid pleegt te verrichten met behoud van loon. Het recht bestaat vanaf de eerste dag na de bevalling.

  • 2. Nadat de werknemer het verlof, bedoeld in het eerste lid, heeft opgenomen, heeft hij gedurende het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, voorts recht op verlof zonder behoud van loon voor drie dagen waarop hij arbeid pleegt te verrichten. Bij opname van het verlof verstrekt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, door tussenkomst van de werkgever, een uitkering aan de werknemer.

  • 3. De uitkering, bedoeld in het tweede lid, bedraagt per dag het dagloon. Bij algemene maatregel van bestuur worden ten aanzien van de vaststelling en de herziening van het dagloon nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld, ondermeer over de vaststelling en herziening van het dagloon wanneer de werknemer korter dan een jaar heeft gewerkt bij zijn werkgever.

  • 4. Voor de berekening van de uitkering, bedoeld in het derde lid, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon, bedoeld in hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen, dat de betreffende werknemer in de periode van een jaar, dat eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het recht op de uitkering is ontstaan, verdiende op grond van de arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling waaruit dat recht is ontstaan, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van genoemde wet, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

  • 5. Op een op grond van dit artikel vastgesteld dagloon, is artikel 16 van de Ziektewet van overeenkomstige toepassing.

  • 6. Indien de werknemer op grond van de Eerste Afdeling, Paragraaf 2, van de Ziektewet geen werknemer is in de zin van die wet, bedraagt de uitkering, bedoeld in het tweede lid, per dag het loon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.

  • 7. De werknemer die in aanmerking wenst te komen voor de uitkering, bedoeld in het tweede of zesde lid, doet de aanvraag daartoe door tussenkomst van de werkgever bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen door middel van een door dit instituut beschikbaar gesteld aanvraagformulier, uiterlijk binnen vier weken na het tijdvak, bedoeld in het eerste lid.

  • 8. Indien de aanvraag niet tijdig wordt ingediend, wordt de uitkering verstrekt voor zover het tijdvak waarin er sprake was van het recht op uitkering ligt in het jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag.

  • 9. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan controlevoorschriften vaststellen. Deze voorschriften mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor de juiste uitvoering van dit artikel.

  • 10. De artikelen 3:14, derde lid, en 3:16, eerste tot en met derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

B

Artikel 4:3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de artikelen 4:1 en 4:2» vervangen door: de artikelen 4:1 en 4:2, eerste en tweede lid.

2. In het tweede lid wordt «Het verlof» vervangen door «Het verlof, bedoeld in artikel 4:2, eerste en tweede lid» en wordt «het verlof» vervangen door «het verlof, bedoeld in artikel 4:2, eerste en tweede lid».

C

In artikel 4:6, tweede lid, wordt «het verlof, bedoeld in artikel 4:2» vervangen door: het verlof, bedoeld in artikel 4:2, eerste en tweede lid.

D

In het vierde lid van artikel 6:5, wordt «artikel 4:2» vervangen door «artikel 4:2, eerste en tweede lid» en wordt «van artikel 4:2» vervangen door «van artikel 4:2, eerste lid».

ARTIKEL II

In artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt «hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg» vervangen door: hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1 of artikel 4:2, tweede lid, van de Wet arbeid en zorg.

ARTIKEL III

In artikel 58, tweede lid, onderdeel d, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, wordt «hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg» vervangen door: hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, of artikel 4:2, tweede lid, van de Wet arbeid en zorg.

ARTIKEL IV

In artikel 17a, eerste lid, onderdeel d, van de Werkloosheidswet, wordt «hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg» vervangen door: hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, of artikel 4:2, tweede lid, van de Wet arbeid en zorg.

ARTIKEL V

In artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Toeslagenwet, wordt «hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg» vervangen door: hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, of artikel 4:2, tweede lid, van de Wet arbeid en zorg.

ARTIKEL VI

Titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 635, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt door een puntkomma aan het slot van onderdeel f, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • g. hij een uitkering op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Wet arbeid en zorg geniet.

B

In artikel 670, zevende lid, wordt na «artikel 3:2 van de Wet arbeid en zorg,» ingevoegd: zijn recht op verlof, als bedoeld in artikel 4:2, eerste en tweede lid, van de Wet arbeid en zorg,.

ARTIKEL VII

De Wet financiering sociale verzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 114, onderdeel f, komt te luiden:

  • f. een rijksbijdrage ter hoogte van het door Onze Minister geraamde bedrag aan lasten, bedoeld in artikel 115, eerste lid, onderdelen c en r, voor zover de uitvoeringskosten, bedoeld in dat laatste onderdeel betrekking hebben op de op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, en de op grond van de artikelen 3:30 of 4.2, tweede lid, van de Wet arbeid en zorg te betalen uitkeringen;.

B

Artikel 115, eerste lid, onderdeel c, komt te luiden:

ARTIKEL VIII

Het recht op verlof, bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, van de Wet arbeid en zorg, waarvoor de werknemer een uitkering ontvangt van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen geldt voor kinderen die geboren zijn op of na de datum van inwerkingtreding van de Wet van .................... (Stb. ...) tot wijziging van de Wet arbeid en zorg en enkele andere wetten in verband met de uitbreiding van het kraamverlof teneinde de band tussen de partner en het kind te versterken.

ARTIKEL IX

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

De Minister van Veiligheid en Justitie,

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

De Minister van Defensie,