Gepubliceerd: 26 oktober 2016
Indiener(s): Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA)
Onderwerpen: burgerlijk recht economie ondernemen recht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34494-6.html
ID: 34494-6

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 26 oktober 2016

1. Inleiding

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De leden van de VVD-fractie hebben kennis genomen van het voorstel en stellen vraagtekens bij de toegevoegde waarde en nut en noodzaak ervan. In dat verband benadrukken zij dat terughoudend met de introductie van nieuwe wetgeving omgesprongen moet worden.

De leden van de PvdA-fractie en van de SP-fractie hebben met belangstelling kennis genomen en leggen enkele vragen voor.

De leden van de CDA-fractie hebben met gemengde gevoelens kennis genomen: hoewel zij het doel van het voorstel steunen hebben zij vragen bij de toegevoegde waarde ervan.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel en hebben grote twijfels bij de meerwaarde van het voorstel.

In het onderstaande wordt aangesloten bij de indeling van het verslag van de Kamer.

2. Bevoegdheden OR inzake beloningen van bestuurders van grote ondernemingen

De vragen vanuit de genoemde fracties betreffen voor een belangrijk deel vergelijkbare thema’s. De algemene vraag naar de meerwaarde van de voorgestelde wijziging komt vooral voort uit twijfels omtrent de efficiëntie en de effectiviteit ervan. Daarnaast worden vragen gesteld over mogelijke alternatieven, en de regeldruk waarmee de voorgestelde wijziging gepaard gaat, alsmede enkele overige vragen. Hieronder ga ik op onderstaande thema’s in.

De vragen over de efficiëntie van de voorgestelde wijziging betreffen de vraag of het zinvol is aan reeds bestaande bepalingen een min of meer gelijkende bepaling toe te voegen. In reactie daarop benadrukt de regering dat de meningsvorming over een maatschappelijk druk besproken onderwerp als topbeloningen gebaat is bij openheid, juist ook binnen ondernemingen. Een goed gesprek tussen ondernemingsraad en bestuurder/werkgever is de sleutel tot het voorkomen van schade aan de arbeidsverhoudingen. De regering wil dit gesprek dan ook meer ondersteunen dan nu het geval is. In de huidige situatie is in artikel 31d van de WOR weliswaar geregeld dat de ondernemer schriftelijke informatie moet verstrekken aan de ondernemingsraad over de arbeidsvoorwaardelijke regelingen van de werknemers en de beloningsafspraken van het bestuur. Dat zorgt er echter niet voor dat deze tijdens het overleg tussen ondernemingsraad en bestuurder ook daadwerkelijk besproken worden. Door de wijziging van artikel 23, tweede lid, van de wet wordt nu verduidelijkt dat de bestaande, in de wet verspreid neergelegde verplichtingen samen verplichten tot bespreking van de arbeidsvoorwaarden in de overlegvergadering – ook die van bestuurders. Voor de praktijk van de medezeggenschap biedt dat extra duidelijkheid en dat is winst ten opzichte van de bestaande situatie.

De vraag van de Kamer naar de effectiviteit van de voorgestelde wijziging hangt nauw daarmee samen en betreft de vraag of de voorgestelde wijziging de juiste oplossing is voor het in het hierboven genoemde probleem. Niet alleen de noodzaak van het voorstel wordt daarbij in twijfel getrokken, maar ook of de wijziging daadwerkelijk zal leiden tot een verandering in het overleg tussen ondernemingsraad en bestuurder. Vanzelfsprekend is de regering zich bewust dat met deze wijziging een relatief kleine stap wordt gezet. De vraag of de voorgestelde maatregel de oplossing biedt voor het probleem van steeds verder uit elkaar lopende beloningsverhoudingen tussen de top en de gewone werknemers is dan ook in dit opzicht wellicht niet de juiste vraag. Deze wetswijziging moet bijdragen aan een verhoogd bewustzijn en moet de ondernemingsraad een steun in de rug bieden bij het gesprek over de beloningsverhoudingen. Tegen de achtergrond van de nog steeds groeiende loonkloof is het daarom geen onbelangrijke stap. Het gaat er vooral om de discussie te richten en te kanaliseren: het maatschappelijke onbehagen over de salarisgroei van grootverdieners moet ook binnen bedrijven formeel aan de orde komen. De regering gaat niet over de hoogte van beloningen en respecteert dan ook met dit voorstel de bevoegdheden van de betrokken partijen, maar streeft tegelijkertijd wel een grotere bewustwording van alle betrokken partijen na op dit punt. Dat dit voorstel wellicht niet meteen zal leiden tot lagere bestuursbeloningen mag geen argument zijn om nu niets te doen. Het gesprek tussen ondernemingsraad biedt een mogelijkheid om evenwichtige beloningsverhoudingen voor bestuurders en werknemers dichterbij te brengen: de regering wil die mogelijkheid niet onbenut laten en meent ook dat dit voorstel in overeenstemming is met de politiek-maatschappelijke discussie.

Een wetswijziging is naar het oordeel van de regering het meest aangewezen middel, primair vanwege het verplichtende karakter. Aangezien de aandeelhouders verantwoordelijk zijn voor beloning van de bestuurders komt de ondernemingsraad geen instemmingsrecht toe op dit punt. Het door de regering voorgelegde voorstel brengt daarentegen met zich dat bestuurders en medezeggenschapsveld, door middel van publicaties en opleidingen, kennis zullen nemen van de wetswijziging zodat zij er in het overleg samen invulling aan kunnen geven. De regering erkent overigens dat de wetswijziging niet alle hiërarchische obstakels wegneemt. Hoewel de WOR de ondernemer en de ondernemingsraad als gelijkwaardige partners laat overleggen over het belang van de onderneming – inclusief de belangen van de medewerkers daarin – zijn ondernemer en de ondernemingsraadleden hiërarchisch niet gelijk. Deze spanning is echter niet principieel op te heffen. Wat de regering daarom voorstelt is de overlegagenda uit te breiden met een verplicht gesprek over de ontwikkeling van de beloningsverhoudingen binnen de onderneming. Lid zijn van een ondernemingsraad gaat niet samen met schroomvalligheid: het vraagt om mensen die de discussie durven aangaan over zaken die de hele onderneming aangaan. De beloningsverhoudingen zijn bij uitstek zo’n onderwerp. De regering wil juist die discussie stimuleren. Dat de positie van de ondernemingsraad juist zou kunnen worden verzwakt door dit voorstel acht de regering niet waarschijnlijk. Wel is het waarschijnlijk dat de wijziging enige tijd nodig zal hebben om ingeburgerd te raken, zodat het op afzienbare termijn normaal zal zijn dat de bestuurder en ondernemingsraad ook spreken over de beloning van bestuurders.

3. Effecten van de regeldruk

De kern van de wetswijziging is dat bespreking van de ontwikkeling van de beloningsverhoudingen expliciet verplicht wordt, hoewel op basis van de huidige wetgeving een dergelijk gesprek ook reeds plaats zou moeten vinden. In die zin wordt de regeldruk niet verder verhoogd dan reeds het geval was. Bij ondernemingen waar een dergelijke bespreking desondanks niet eerder plaatsvond, zal dit tot enige extra vergadertijd leiden. Dit geldt eveneens voor de in het wetsvoorstel genoemde nalevingskosten.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher