Nr. 2 VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet te wijzigen teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 93 wordt «voorzover» vervangen door «voor zover».

B

Artikel 94 komt te luiden:

Artikel 94

  • 1. Van het ogenblik van de voltrekking van het huwelijk bestaat tussen de echtgenoten van rechtswege een gemeenschap van goederen.

  • 2. De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, alle goederen van de echtgenoten, vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen, met uitzondering van:

    • a. krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen goederen;

    • b. pensioenrechten waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is, alsmede met die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen;

    • c. rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 29 en 30 van Boek 4, vruchtgebruik dat op grond van die bepalingen is gevestigd, alsmede hetgeen wordt verkregen ingevolge de artikelen 34, 35, 36, 38, 63 tot en met 92 en 126, eerste lid en tweede lid, onderdelen a en c, van Boek 4.

  • 3. Het tweede lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op:

    • a. giften van tot de gemeenschap behorende goederen aan de andere echtgenoot;

    • b. goederen, alsmede de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij in de gemeenschap vallen.

  • 4. Goederen, alsmede de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen, blijven buiten de gemeenschap, ook al zijn echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen goederen dan wel de vruchten daarvan in de gemeenschap vallen.

  • 5. Goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, vallen slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.

  • 6. Vruchten van goederen die niet in de gemeenschap vallen, vallen evenmin in de gemeenschap. Buiten de gemeenschap valt hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de gemeenschap valt, alsmede een vordering tot vergoeding die in de plaats van een eigen goed van een echtgenoot treedt, waaronder begrepen een vordering ter zake van waardevermindering van zulk een goed. De eerste en de tweede volzin zijn niet van toepassing voor zover goederen ingevolge het vijfde lid niet in de gemeenschap vallen.

  • 7. De gemeenschap omvat, wat haar lasten betreft, alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden:

    • a. betreffende van de gemeenschap uitgezonderde goederen;

    • b. uit door een van de echtgenoten gedane giften, gemaakte bedingen en aangegane omzettingen als bedoeld in artikel 126, eerste lid en tweede lid, onderdelen a en c, van Boek 4.

  • 8. Bestaat tussen echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt dit goed als gemeenschapsgoed aangemerkt. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers van de echtgenoten.

C

Aan artikel 95 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 3. Indien ondernemingsvermogen buiten de gemeenschap valt, komen ten bate of ten laste van de gemeenschap vergoedingen ten bedrage van de winsten en verliezen van de onderneming voor zover deze in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd.

  • 4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing, indien de onderneming niet op eigen naam, maar voor rekening van een rechtspersoon of een personenvennootschap wordt uitgeoefend, de goederenrechtelijke gerechtigdheid tot het vermogen van die rechtspersoon of personenvennootschap buiten de gemeenschap valt en de echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van die onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen.

D

Artikel 96 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «goederen der gemeenschap» vervangen door: goederen van de gemeenschap.

2. Na het tweede lid, wordt, onder vernummering van het derde tot en met vijfde lid tot vierde tot en met zesde lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Het verhaal op de goederen van de gemeenschap voor een niet tot de gemeenschap behorende schuld van een echtgenoot is beperkt tot de helft van de opbrengst van het uitgewonnen goed. De andere helft komt de andere echtgenoot toe en valt voortaan buiten de gemeenschap. De andere echtgenoot is bevoegd, indien een schuldeiser verhaal op een goed van de gemeenschap zoekt ter zake van een niet tot de gemeenschap behorende schuld, het goed waarop de schuldeiser verhaal zoekt, over te nemen tegen betaling van de helft van de waarde van dat goed uit zijn eigen vermogen. Vanaf het tijdstip van de overneming is dit een eigen goed van deze echtgenoot, dat niet in de gemeenschap valt.

3. In het vierde lid (nieuw) wordt «schuld der gemeenschap» vervangen door «schuld van de gemeenschap» en wordt «goederen der gemeenschap» vervangen door: goederen van de gemeenschap.

4. In het vijfde lid (nieuw) wordt «goederen der gemeenschap» vervangen door: goederen van de gemeenschap.

5. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 7. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze gedragen door de echtgenoot van wiens zijde zij in de gemeenschap zijn gevallen, voor zover de aard van de schulden niet tot een andere draagplicht leidt.

ARTIKEL II

Artikel 61 van de Faillissementswet wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «gefailleerde» vervangen door: schuldenaar.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Het bij huwelijkse voorwaarden of bij voorwaarden van geregistreerd partnerschap buiten de gemeenschap houden van rechten aan toonder en zaken die geen registergoederen zijn, kan slechts worden bewezen zoals bij artikel 130 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek ten opzichte van derden is voorgeschreven.

3. Het derde tot en met zesde lid vervallen.

ARTIKEL III

Artikel V van de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «artikel 94, tweede lid, onder c, en vijfde lid, onder b, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: artikel 94, tweede lid, onder c, en zevende lid, onder b, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

2. In het vierde lid wordt «Artikel 96, derde lid, tweede zin, en vierde lid, tweede zin, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: Artikel 96, vierde lid, tweede zin, en vijfde lid, tweede zin, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

ARTIKEL IV

  • 1. Op een gemeenschap van goederen, ontstaan vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft artikel 94 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, en is artikel 96, zevende lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing.

  • 2. Op schulden die zijn ontstaan vóór de inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht van toepassing zoals dat gold op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet.

  • 3. Artikel 61 van de Faillissementswet is slechts van toepassing op een faillissement dat is uitgesproken na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Op een faillissement dat is uitgesproken vóór dat tijdstip, blijft het recht van toepassing zoals dat gold op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet.

ARTIKEL V

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,