Kamerstuk 33987-13

Reactie op de notitie met fiscale vragen inzake het voorstel van wet van de leden Swinkels, Recourt en Van Oosten tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken

Dossier: Voorstel van wet van de leden Swinkels, Recourt en Van Oosten tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken

Gepubliceerd: 30 maart 2016
Indiener(s): Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD)
Onderwerpen: burgerlijk recht recht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33987-13.html
ID: 33987-13

Nr. 13 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 maart 2016

Op 17 februari jl. (Handelingen II 2015/16, nr. 56, item 11) heeft de eerste termijn zijdens uw Kamer van de plenaire behandeling plaatsgevonden van het initiatiefwetsvoorstel van de leden Swinkels, Recourt en Van Oosten tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken (Kamerstuk 33 987). De CDA-fractie heeft bij die gelegenheid een notitie ingebracht met fiscale vragen aan zowel de initiatiefnemers als de regering.

Dienaangaande merk ik, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, het volgende op.

De CDA-fractie gaat blijkens haar notitie uit van de veronderstelling dat het initiatiefwetsvoorstel fiscale gevolgen heeft en vraagt daarom om aan de hand van een aantal specifieke casus die gevolgen te schetsen. Deze veronderstelling is volgens de regering echter niet juist. Er zijn aan dit wetsvoorstel geen nieuwe fiscale gevolgen verbonden. In de eerste plaats geldt dat een groot deel van de vragen betrekking heeft op de werking van artikel 87 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit artikel geeft een regeling over de vergoedingsvordering, maar ziet niet op fiscale aspecten. Daarnaast geldt dat de voorgelegde casus zich nu ook al kunnen voordoen en derhalve niet als nieuwe casus uit het initiatiefwetsvoorstel voortvloeien. Ik licht dit hieronder nader toe.

Het wettelijke standaardstelsel in het huidige huwelijksvermogensrecht is de algehele gemeenschap van goederen. Dat houdt in dat het voorhuwelijkse vermogen thans in de gemeenschap valt, evenals giften en erfenissen die tijdens het huwelijk worden verkregen. Indien (aanstaande) echtgenoten dit wensen, kunnen zij hun huwelijksgoederenregime anders regelen. Bij huwelijkse voorwaarden kunnen (aanstaande) echtgenoten geheel of gedeeltelijk van de wettelijke algehele gemeenschap afwijken en een beperkte gemeenschap van goederen tot stand brengen of zelfs elke gemeenschap van goederen uitsluiten. Door middel van huwelijkse voorwaarden kunnen echtgenoten dus bijvoorbeeld bewerkstelligen dat het voorhuwelijkse vermogen niet in de huwelijksgoederengemeenschap valt.

Daarnaast is het voor een schenker of erflater mogelijk om een uitsluitingsclausule in de schenkingsakte of het testament op te nemen, waardoor een schenking of erfenis niet in de algehele gemeenschap van goederen valt.

Het initiatiefwetsvoorstel introduceert als standaardstelsel in het huwelijksvermogensrecht de beperkte gemeenschap van goederen. Krachtens het voorstel vallen voorhuwelijks (privé)vermogen, erfenissen en giften, anders dan dus nu het geval is, niet in de gemeenschap, maar blijven tot het privévermogen van de echtgenoten behoren. Ook in het initiatiefwetsvoorstel bestaat de mogelijkheid om de samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap anders vorm te geven dan de wettelijke standaard. Indien (aanstaande) echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen prefereren, kunnen zij bij aanvang van het huwelijk (of gedurende het huwelijk) door middel van het opstellen van huwelijkse voorwaarden bewerkstelligen dat het voorhuwelijks vermogen wel in de huwelijksgoederengemeenschap valt. Voor de schenker of erflater wordt het mogelijk om door middel van een insluitingsclausule te bewerkstelligen dat een schenking of erfenis wel in de algemene gemeenschap valt.

De voorgestelde wijzigingen komen er per saldo op neer dat ook na de inwerkingtreding van het initiatiefwetsvoorstel alle mogelijkheden die thans op grond van het huwelijksvermogensrecht bestaan om de huwelijksgoederengemeenschap (nader) te regelen, blijven bestaan. De fiscale aspecten zijn dan ook niet wezenlijk anders, maar blijven afhankelijk van de door de (aanstaande) echtgenoten gemaakte keuzes. Als echtgenoten na inwerkingtreding van het initiatiefwetsvoorstel (al dan niet bewust) kiezen voor de standaard beperkte gemeenschap in plaats van de algehele gemeenschap van goederen, heeft dat civielrechtelijke gevolgen. In de praktijk zullen er in de meeste gevallen geen fiscale consequenties zijn. In bepaalde situaties kan dat echter anders liggen. Het blijft daarom voor (aanstaande) echtgenoten van belang dat zij nadenken over de civielrechtelijke en fiscale gevolgen van hun huwelijk. Dat is nu ook al het geval en wordt straks niet anders. Van belang is dat in alle gevallen, dus zowel onder het huidige recht als onder het initiatiefwetsvoorstel, dezelfde fiscale gevolgen kunnen worden gerealiseerd.

Voor de inkomstenbelasting wordt uitgegaan van het door de echtgenoten gekozen huwelijksvermogensrecht. Uitzondering hierop (op grond van artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001) is dat de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen, zoals bijvoorbeeld de hypotheekrenteaftrek alsmede de box 3-inkomsten, naar keuze aan de partners kunnen worden toegerekend. Hierbij is het gekozen huwelijksvermogensrecht dus niet relevant.

Voor de schenk- en erfbelasting wordt eveneens uitgegaan van het door de echtgenoten gekozen huwelijksvermogensstelsel. In het initiatiefwetsvoorstel komen de verschillende mogelijke stelsels niet te vervallen noch worden deze uitgebreid. Indien bijvoorbeeld na de inwerkingtreding van het initiatiefwetsvoorstel echtgenoten trouwen op basis van de standaard beperkte gemeenschap van goederen en gedurende het huwelijk alsnog kiezen voor de algehele gemeenschap van goederen, kan er sprake zijn van een verschuiving van een vermogensbestanddeel van de – op dat moment – rijkere naar de armere echtgenoot. Er is dan evenwel geen sprake van een belaste schenking, omdat het geschonken goed het vermogen van de echtgenoot/schenker nog niet definitief heeft verlaten.

Ook voor de omvang van een nalatenschap is het door de echtgenoten gekozen huwelijksgoederenregime relevant. In geval van een beperkte gemeenschap, verkozen onder het huidige recht of na inwerkingtreding van het initiatiefwetsvoorstel op grond van de standaardregeling, en de echtgenoten

elkaars erfgenaam zijn, komt bij het overlijden van een van de echtgenoten, de helft van de beperkte gemeenschap reeds op grond van het huidige erfrecht toe aan de langstlevende echtgenoot. De nalatenschap bestaat uit de andere helft van de beperkte gemeenschap en het resterende privévermogen van de overleden echtgenoot. De erfbelasting vindt toepassing op de nalatenschap. Hierover is de langstlevende echtgenoot erfbelasting verschuldigd voor zover de nalatenschap meer omvat dan de partnervrijstelling.

Het maakt voor de fiscale behandeling van een schenking of erfenis verder ook geen verschil of sprake is van de huidige wettelijke gemeenschap van goederen met een uitsluitingsclausule voor schenkingen en erfenissen of, na inwerkingtreding van het initiatiefwetsvoorstel, van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, waarbij erfenissen en schenkingen van rechtswege buiten de gemeenschap vallen. Voor de schenk- en erfbelasting is het derhalve niet van belang of men schenkt of nalaat met een uitsluitingsclausule, insluitingsclausule of aan beide echtgenoten.

Over de fiscale behandeling van vergoedingsvorderingen kan ik in algemene zin het volgende opmerken. Sinds 1 januari 2012 regelt artikel 1:87 BW de vergoedingsvordering. Dit artikel wordt in het initiatiefwetsvoorstel niet gewijzigd. De CDA-fractie heeft onder meer gevraagd wat de regering ervan vindt dat de indieners van het initiatiefwetsvoorstel opnieuw de discussie aanwakkeren over de fiscale behandeling van vergoedingsvorderingen, terwijl artikel 5e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) daaraan een einde beoogde te maken.

Naar het oordeel van de regering stellen de indieners artikel 5e van de AWR niet opnieuw ter discussie. Artikel 1:87 BW – dat op grond van zijn plaatsing in titel 6 van Boek 1 BW geldt voor alle huwelijken, ongeacht het op het huwelijk toepasselijke vermogensregime – houdt, kort gezegd, in dat als een vermogensverschuiving plaatsvindt tussen de vermogens van de echtgenoten, er een vergoedingsrecht ontstaat ten laste van de ene echtgenoot en ten gunste van de andere. Het vergoedingsrecht ontstaat als de ene echtgenoot ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een goed dat tot zijn eigen vermogen zal behoren, verkrijgt of indien ten laste van het vermogen van een echtgenoot een schuld ter zake van een tot het vermogen van de andere echtgenoot behorend goed wordt voldaan of afgelost. De waarde van deze vergoedingsvordering fluctueert afhankelijk van de ontwikkeling van de waarde van dat goed. De eigenaar van het goed zal nog steeds de volledige vordering moeten voldoen. Artikel 5e van de AWR regelt overigens dat de (gewezen) echtgenoot met recht op de vergoeding geen fiscaal belang heeft op het onderliggende goed waarop de vergoedingsvordering betrekking heeft. Artikel 5e van de AWR regelt derhalve niet de fiscale behandeling van de vergoedingsvordering zelf; die vindt plaats conform de relevante bepalingen in de diverse belastingwetten.

Ik vertrouw u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur