Gepubliceerd: 25 september 2014
Indiener(s): Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA), Fred Teeven (staatssecretaris veiligheid en justitie) (VVD)
Onderwerpen: jongeren zorg en gezondheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33983-6.html
ID: 33983-6

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG INVOERINGSWET JEUGDWET

Ontvangen 26 september 2014

De regering is de leden van de fracties erkentelijk voor de snelheid waarmee de Kamer na indiening van het wetsvoorstel het verslag heeft uitgebracht. Een voortvarende behandeling van het wetsvoorstel draagt bij aan een tijdige vaststelling en daarmee duidelijkheid over het wettelijke kader van het nieuwe jeugdstelsel, zoals dat met de Jeugdwet wordt ingevoerd. De leden van de verschillende fracties merken terecht op dat het voorliggende wetsvoorstel in hoofdzaak van technische aard is waarin wijzigingen in ander wetten worden voorgesteld om invoering van de Jeugdwet per 1 januari 2015 mogelijk te maken. De leden van de fracties hebben nog wel vragen bij een aantal artikelen van meer inhoudelijke aard. Deze vragen worden hieronder in deze nota naar aanleiding van het verslag beantwoord.

1. Inleiding

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe het staat met de invoering van het familiegroepsplan en hoe de invoering bij de gemeenten verloopt. Zijn gemeenten er klaar voor en hoe zien de staatssecretarissen toe op de invoering van het familiegroepsplan?

Het gemeentelijk beleid dient onder meer gericht te zijn op het tot stand brengen en uitvoeren van familiegroepsplannen en het verlenen van hulp op basis van familiegroepsplannen (artikel 2.1, onder g, van de Jeugdwet). Aanbieders en instellingen (in zowel het vrijwillig als gedwongen kader) hebben een eigen verantwoordelijkheid in het bieden van ruimte voor een familiegroepsplan (artikel 4.1.2 Jeugdwet). Gemeenten en aanbieders lijken nog niet afdoende voorbereid te zijn op het werken met familiegroepsplannen en hebben op dit onderdeel nog een stap te zetten. Signalen hierover nemen wij serieus. Het Transitiebureau, dat namens het Rijk en de VNG communiceert over de Jeugdwet en handreikingen biedt ter ondersteuning, zal binnenkort met een factsheet komen, om het familiegroepsplan actief onder de aandacht te brengen en zal om aan te geven op welke manier het zowel in de gemeentelijke toegang als bij jeugdhulpaanbieders zijn vorm en plek kan krijgen. Het is aan gemeenten en aanbieders hier een goede invulling aan te geven. Het gaat hier immers om een belangrijke uitwerking van de filosofie die ten grondslag ligt aan de Jeugdwet. Uiteindelijk zal er toezicht zijn op de naleving van deze wettelijke bepaling door de Inspectie.

De leden van de PvdA-fractie vragen vervolgens hoe de bij- en nascholing van professionals verloopt en wat er wordt gedaan om te stimuleren dat professionals werken volgens het principe een gezin-een plan-een coördinerende hulpverlener en met het doel de versterking van de eigen regie van burgers?

Aan de MBO-raad en de Vereniging Hogescholen Nederland is gevraagd om voor 31 oktober 2014 te melden op welke manier zij binnen hun opleidingen aandacht besteden aan het werken volgens het principe een gezin-een plan-een coördinerend hulpverlener. De Vereniging Hogescholen Nederland heeft mondeling reeds gemeld dat zij in de curricula en de uitstroomprofielen van de relevante opleidingen aandacht besteden aan de nieuwe eisen die aan hulpverleners worden gesteld. Hieronder valt onder andere het werken met het principe een gezin-een plan-een coördinerend hulpverlener het doel om het probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken. Ook in de aangeboden bij- en nascholing wordt er rekening gehouden met dit principe. De Vereniging Hogescholen Nederland heeft daarnaast een toekomstgerichte verkenning laten uitvoeren voor het hoger sociaal agogisch onderzoek. De commissie die het onderzoek heeft uitgevoerd ziet een grote urgentie voor aanpassing van de opleidingen in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen. Het bestuur zal de verkenning binnenkort in de algemene ledenvergadering bespreken, waarna het uitgewerkt zal worden.

De leden van de D66-fractie vragen of de regering voornemens is de Jeugdwet, de Invoeringswet Jeugdwet en de wetten met betrekking tot de herziening van de kinderbeschermingsmaatregelen, conform advies van de Raad van State, gelijktijdig in werking te laten treden. De leden van de CDA-fractie vragen waarom de regering op dit punt in de memorie van toelichting een slag om de arm houdt.

Het is inderdaad het voornemen van de regering om de bedoelde wetten tegelijkertijd in werking te laten treden op 1 januari 2015. Dit zal gebeuren bij koninklijk besluit. De inwerkingtredingsbepalingen van de afzonderlijke wetten bieden de mogelijkheid per artikel te bepalen wanneer dat artikel in werking treedt. Denkbaar is dat in een enkel geval, om bijvoorbeeld technische redenen, zou moeten worden bepaald dat een specifiek artikel op een ander tijdstip in werking treedt. Op dit moment bestaat er geen aanleiding om te verwachten dat een dergelijke situatie zich zal voordoen.

2. Aard van de wijzigingen

a. Garantie voor continuïteit van jeugdhulp

De leden van de VVD-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de overgangsregeling inhoudt dat de gemeenten die bedoelde afspraken niet of onvoldoende volledig hebben gemaakt waardoor continuïteit niet gegarandeerd is, wettelijk verplicht worden aan de bureaus jeugdzorg of hun rechtsopvolgers voor het jaar 2015 een budgetgarantie te geven van minimaal 80 procent van het budget voor 2014 van de bureaus jeugdzorg of van hun rechtsopvolgers (inclusief afspraken over overname van medewerkers), voor de bekostiging van de te vervullen taken.

Kunnen deze leden ervan uitgaan dat uit de overgangsregeling alleen de verplichting volgt om afspraken te maken over overname van medewerkers en niet de verplichting om ook daadwerkelijk medewerkers over te nemen?

Gemeenten hebben niet de verplichting om medewerkers over te nemen. Wel is het van belang dat de kennis van de betreffende medewerkers zoveel mogelijk wordt behouden. Daarom wordt gemeenten geadviseerd om bij het onderbrengen van de huidige taken van het bureau jeugdzorg bij een andere organisatie, ook zoveel mogelijk medewerkers over te nemen. Als er sprake is van overgang van personeel dan telt de omzet van deze fte’s mee in de regeling van 80 procent budgetgarantie.

De leden van de PvdA ontvangen ook signalen dat de invoering en vormgeving van de jeugdzorg vaak spaak loopt bij het uitwisselen van privacygevoelige informatie. Op papier is alles goed geregeld, maar de vraag is of het in de praktijk goed werkt. In de praktijk zou gebrek aan juiste gegevens kunnen leiden tot ongewenste situaties, waarbij de continuïteit van zorg na 1 januari 2015 in gedrang zou kunnen komen. Om die reden stellen de leden voor om een uitvoerbaarheidstoets uit te voeren voor de praktijk. Wat vinden de staatssecretarissen van dit voorstel? Wat vinden de staatssecretarissen ervan om gemeenten voorafgaand aan 1 januari 2015 te voorzien van gegevens van jeugdigen die reeds een indicatie hebben of een zorgtraject volgen?

In de loop van oktober 2014 krijgen gemeenten gegevens over jeugdigen ten aanzien van wie een PGB voor de verlening van jeugdhulp is vastgesteld en over jeugdigen die op een wachtlijst staan. De leden van de PvdA-fractie geven aan dat gemeenten voor de transitie meer cijfers wensen hebben over cliënten die in 2014 op grond van de Zvw en de AWBZ zorg krijgen. Gemeenten willen vooraf hun factureringssystemen vullen om te kunnen controleren of de toegekende cliënten in het kader van de Zvw en de AWBZ op grond van het woonplaatsbeginsel terecht aan hun gemeente zijn toegekend. Hierom bieden wij de VNG vanaf oktober 2014 de mogelijkheid het project «initiële vulling» uit te voeren. Dat betekent dat zorgaanbieders na een daartoe dienend verzoek van gemeenten persoonsgegevens dienen te verstrekken aan gemeenten over reeds aangevangen zorg die door gemeenten op grond van de Jeugdwet gecontinueerd dient te worden en die op individueel niveau wordt bekostigd. Dit draagt bij aan een snelle betaling van de facturen aan de betreffende aanbieders. Daarnaast biedt het de gemeente de mogelijkheid om tijdig te controleren of zij inderdaad gemeente is waar de betreffende jeugdige zijn woonplaats heeft; indien dat niet het geval is, dient de gemeente de gegevens zo spoedig mogelijk aan de juiste gemeente door te zenden. Een en ander zal nader worden geregeld in een ministeriële regeling op grond van artikel 10.4 van de Jeugdwet. Omdat hiermee voorzien wordt in het verstrekken van gegevens over bestaande indicaties en lopende zorgtrajecten, achten wij een uitvoerbaarheidstoets niet noodzakelijk.

De leden van de SP-fractie vragen aan de regering of zij kan toelichten welke afspraken de 403 afzonderlijke gemeenten hebben gemaakt met bureau jeugdzorg over de continuïteit van functies en het scheppen van een stabiele infrastructuur? Voor hoeveel gemeenten geldt het wettelijke overgangsregime met een budgetgarantie van 80% van het budget in 2014 en afspraken over de overname van personeel.

Gemeenten hebben op regionaal niveau (in 42 regio’s) afspraken gemaakt met bureaus jeugdzorg over de continuïteit van de functies van bureau jeugdzorg in 2015 en het behoud van de daarvoor benodigde stabiele infrastructuur. Alle regio’s hebben voor eind februari 2014 afspraken gemaakt met de bureaus jeugdzorg over de continuïteit van functies. Over de inhoud van deze afspraken is uw Kamer in maart van dit jaar geïnformeerd (Kamerstukken II 2013/14, 31 839, nr. E), de contractuele afronding vindt in oktober plaats. Indien blijkt dat op basis van de contracten die gemeenten sluiten met de bureaus jeugdzorg de continuïteit van functies niet is gewaarborgd, dan zullen deze gemeenten alsnog onder de overgangsregeling voor de bureaus jeugdzorg komen te vallen. Overigens kunnen de bureaus jeugdzorg een beroep doen op de «Regeling vergoeding bijzondere transitiekosten» als, als gevolg van resterende transitiekosten (bijvoorbeeld de kosten van een wachtgeldregeling), de continuïteit van functies wordt bedreigd.1

De leden van de SP-fractie vragen of de regering de consequenties kan toelichten van het zeker stellen van de continuïteit en kwaliteit op het moment dat gemeenten geen beschikking krijgen over het al aanwezige dossier in verband met privacy recht? In hoeverre denkt de regering dat de al aanwezige zorg onder druk komt te staan?

Omdat de toegangstaak van de bureaus jeugdzorg per 1 januari 2015 verdwijnt, wordt in de Invoeringswet Jeugdwet voorgesteld dat de dossiers voor de toegang naar de rechtsopvolger gaan: de gemeenten (zie het nieuwe artikel 12.3 van de Jeugdwet). Gemeenten krijgen dus de dossiers uit de toegang tot de voormalige jeugdzorg. Deze dossiers mogen worden ingezien door professionals die namens de gemeenten de toegangsfunctie vervullen. De invloed van de stelselwijziging op de zorg die kinderen in 2014 doorlopend naar 2015 genieten, zal dan ook zeer beperkt zijn.

De leden van de SP-fractie vragen voorts in hoeverre de regering kan garanderen dat ieder gezin de huidige zorg kan behouden en dat de continuïteit in stand blijft? Wat moeten gezinnen doen als bijvoorbeeld een jongere die geplaatst is in een kamertrainingscentrum plots zijn of haar plek kwijt is?

De Jeugdwet regelt dat bij de overgang naar het nieuwe jeugdstelsel de rechten van jeugdigen en ouders op jeugdhulp gedurende een jaar in stand blijven. Daarbij is expliciet geregeld dat gemeenten er verantwoordelijk voor zijn dat de jeugdhulp voortgezet kan worden bij dezelfde aanbieder, indien dit redelijkerwijs mogelijk is. In de aanloop naar het nieuwe stelsel zijn regionale transitiearrangementen opgesteld waarmee samenwerkende gemeenten afspraken hebben gemaakt over de continuïteit van zorg, de infrastructuur om de cliënten deze continuïteit van zorg in 2015 te bieden bij de jeugdhulpaanbieders die op 31 december 2014 deze zorg bieden en tevens over het beperken van de frictiekosten. In veel gevallen leidt dit ertoe dat gemeenten overeenkomsten sluiten met de betreffende aanbieders voor het verlenen van jeugdhulp in 2015. In andere gevallen kan een jeugdhulpaanbieder die in het kader van het overgangsrecht jeugdhulp verleent, een factuur sturen naar de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft. De jeugdige behoudt dus in de regel gewoon zijn plek in het kamertrainingscentrum, de bekostiging van deze plaats wordt door gemeenten met de aanbieder geregeld.

De leden van de CDA-fractie vragen naar de reactie van de VNG op de overgangsregeling inzake de bureaus jeugdzorg. Zij vragen of de VNG volledig achter deze overeenkomst staat en deze ergens is vastgelegd en óf de VNG nog randvoorwaardelijke eisen heeft gesteld. Verder vragen deze leden waarop is gebaseerd dat 80% van het budget in 2014 voldoende is voor garantie van continuïteit van zorg. Wanneer wordt verder besloten welke gemeenten in de regeling worden opgenomen. Wanneer wordt deze regeling gepubliceerd? Verder vragen zij hoe het bedrag bepaald wordt dat een individuele gemeente onder de regeling komt te vallen moet betalen. Wat wordt bedoeld met «het aandeel van de betreffende gemeente in het provinciale budget? Is dit een aandeel naar aantal inwoners of naar inwonende cliënten? Is het mogelijk dat een gemeente door onder deze regeling te vallen uiteindelijk goedkoper uit is dan wanneer die gemeente wel alles goed heeft geregeld? Biedt dit daarmee een uitweg voor gemeenten om goedkoper jeugdhulp in te kopen? Worden gemeenten die onder dit regime komen te vervallen gekort op het gemeentefonds? Wat betekent afspraken over het overnemen van personeel? Wie bepaalt uiteindelijk dat er wel of niet voldoende garantie is dat de continuïteit verzekerd is?

De overgangsregeling voor de bureaus jeugdzorg is tijdens een bestuurlijk overleg met de VNG en het IPO op 19 december 2013 met instemming van deze partijen afgesproken (zie ook Kamerstukken II 2012/13, 31 839, nr. 337). Na overleg met IPO, VNG en JZN is besloten om tachtig procent omzet te garanderen. Er komen immers taken te vervallen bij het bureau jeugdzorg, zoals de indicatiestelling en de toegang. Indien uit signalen blijkt dat de continuïteit van functies van bureau jeugdzorg in 2015 niet geborgd is op basis van de contracten met de gemeenten, kan de overgangsregeling alsnog worden toegepast op deze gemeenten. De namen van deze gemeenten zullen dan in een regeling worden opgenomen. Daarnaast kunnen bureaus jeugdzorg die als gevolg van de resterende transitiekosten (wachtgeldregeling, etc.) de continuïteit niet kunnen borgen een beroep doen op de «Regeling vergoeding bijzondere transitiekosten».

Voor het berekenen van de tachtig procent is in overleg met het IPO en de VNG een berekeningswijze vastgesteld. In deze berekeningswijze wordt het bedrag dat een bureau jeugdzorg in 2014 kreeg van de provincie op basis van de doeluitkering, verdeeld over het relatieve aandeel van de gemeente in het totale budget voor de uitvoering van de jeugdwet voor 2015 in die provincie. Het is niet waarschijnlijk dat gemeenten die onder deze regeling zouden komen te vallen uiteindelijk goedkoper uit zijn. Gemeenten worden hiervoor niet gekort op het gemeentefonds. Indien gemeenten afspraken maken met bureau jeugdzorg over het overnemen van personeel, vallen deze afspraken onder de tachtig procent garantie, omdat dit een vermindering van kosten voor bureau jeugdzorg betekent. Gemeenten hebben op basis van de Jeugdwet de plicht om ervoor te zorgen dat er tijdig een infrastructuur is voor de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Het Rijk houdt de vinger aan de pols en beoordeelt op basis van signalen uit het veld of deze continuïteit is gewaarborgd.

De leden van de CDA-fractie geven aan dat instellingen zich nu kunnen melden bij Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ) met een klacht en vragen of cliënten ook ergens met een klacht terecht kunnen? Welke waarde heeft het advies van de TAJ?

Op dit moment wordt er gewerkt aan het opzetten van een meldpunt voor cliënten dat vanaf 1 januari actief zal zijn. Overigens is er sinds kort ook de website www.hoeverandertmijnzorg.nl waarop informatie speciaal voor cliënten is te vinden.

De leden van de PVV-fractie signaleren dat naast Jeugdzorg Nederland, jeugd GGZ, vakbonden en ouderorganisaties nu ook de jeugdwethouders van de vier grote steden (G4) en de 32 grootste gemeenten (G32) de noodklok luiden. Deze leden vragen zich af hoe de garantie voor continuïteit van jeugdhulp gegeven kan worden. De inkoop van jeugdzorg had al geregeld moeten zijn, maar gemeenten hebben geen idee wat ze precies moeten inkopen en tekenen daarom geen contracten. Klopt het dat er tot op heden nog geen enkel contract is getekend? Klopt het dat het Gemeenten volstrekt onduidelijk is hoeveel kinderen zorg behoeven en welke zorg dat dan is? Hoe wordt voorkomen dat gezinnen die hulp nodig hebben vanaf 1 januari 2015 de dupe worden van deze bestuurlijke chaos? Hoe groot acht de regering op basis van de huidige situatie dat per 1 januari a.s. het overgangsregime in werking zal treden? Is de regering van mening dat er per 1 januari 2015 een stabiele infrastructuur geboden kan worden? Op welke manier kan het wettelijke overgangsregime hier verandering in brengen? Wanneer wordt besloten dat het wettelijke overgangsregime in werking zal treden? Wie bepaalt dit? Op basis waarvan?

Bij de meeste gemeenten verloopt het inkoopproces dusdanig dat naar verwachting de overeenkomsten vóór 1 november 2014 getekend zullen zijn. Enkele gemeenten zijn inmiddels zover dat al contracten zijn getekend. Alle gemeenten zijn de inkoop gestart (hetzij via een offerte uitvraag in het kader van openbare of onderhandse aanbesteding, hetzij via het beleggen van inkooptafels in het kader van bestuurlijke aanbesteding, hetzij via een uitnodiging tot het indienen van subsidieverzoeken). De vorm verschilt per type hulp (GGZ, AWBZ, Jeugdzorg, JB&JR, Jeugdzorgplus). Een deel van de hulp wordt lokaal per gemeente ingekocht, een deel regionaal, een deel bovenregionaal en een deel landelijk. Naar de mate waarin gemeenten de regionale, bovenregionale en landelijke inkoop inhoudelijk hebben afgestemd, ontstaat voor aanbieders meer of minder eenduidigheid in de contracten die komende twee maanden worden afgesloten.

Gemeenten hebben in de afgelopen tijd op verschillende manieren inzicht gekregen in de meest recente cijfers over het gebruik van de verschillende vormen van jeugdhulp. Wij begrijpen dat gemeenten graag een zeer concreet beeld zouden hebben van het zorggebruik over 2014, maar wij hebben niet de beschikking over die gegevens. Gemeenten zijn volop met aanbieders in gesprek over het zorggebruik. Om gemeenten te faciliteren zullen gemeenten in de loop van oktober 2014 alle gegevens krijgen over jeugdigen ten aanzien van wie een PGB voor de verlening van jeugdhulp is vastgesteld en over jeugdigen die op een wachtlijst staan. Daarnaast bieden wij de VNG vanaf oktober 2014 de mogelijkheid het project «initiële vulling» uit te voeren. Dat betekent dat zorgaanbieders na een daartoe dienend verzoek van gemeenten persoonsgegevens dienen te verstrekken aan gemeenten over reeds aangevangen zorg die door gemeenten op grond van de Jeugdwet gecontinueerd dient te worden en die op individueel niveau wordt bekostigd. Dit draagt bij aan een snelle betaling van de facturen aan de betreffende aanbieders. Daarnaast biedt het de gemeente de mogelijkheid om tijdig te controleren of zij inderdaad gemeente is waar de betreffende jeugdige zijn woonplaats heeft; indien dat niet het geval is, dient de gemeente de gegevens zo spoedig mogelijk aan de juiste gemeente door te zenden. Een en ander zal nader worden geregeld in een ministeriële regeling op grond van artikel 10.4 van de Jeugdwet.

Met de VNG en de brancheverenigingen zijn wij in gesprek over de huidige, lastige, fase in het transitieproces. Dit gesprek is constructief en met wederzijds begrip voor elkaar standpunten. Over de uitkomsten van dit gesprek informeren wij u zo spoedig mogelijk.

Op dit moment zijn wij met de VNG en de brancheverenigingen in gesprek over maatregelen om de continuïteit van de bovenregionale functies te waarborgen. Ook over de uitkomsten van dit overleg zullen wij u zo spoedig mogelijk informeren.

De leden van de D66 fractie hebben met grote zorg kennisgenomen van de berichten over de inkoopproblemen inzake de jeugdhulp. Deze leden constateren dat er voor de functies van het bureau jeugdzorg een wettelijk overgangsregime is, voor het geval de continuïteit niet gegarandeerd kan worden. Deze leden vragen welke maatregelen de TAJ nog kan nemen als de continuïteit van de jeugdhulp door een bepaald bureau jeugdzorg ondanks de waarborgen een probleempunt blijft.

De TAJ kan zelf bemiddelen tussen gemeenten en bureaus jeugdzorg over de contractafspraken en over de continuïteit van jeugdhulp. Indien dit niet succesvol is kan de TAJ advies geven aan het Rijk om bestuurlijke maatregelen te treffen. Daarnaast geeft de TAJ advies over een vergoeding aan een bureau jeugdzorg voor resterende transitiekosten op basis van de «Regeling vergoeding bijzondere transitiekosten».

b. Overgangsrecht landelijk werkende instellingen en het bieden van jeugdhulp

De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan toelichten hoeveel en welke van de Landelijke Werkende Instellingen zowel uitvoerder is van kinderbeschermingsmaatregelen/jeugdreclassering als jeugdzorgaanbieder? Is het mogelijk hiervan een lijst te ontvangen? Welke organisatie zijn straks niet meer levensvatbaar vanwege de scheiding tussen kinderbeschermingsmaatregelen/jeugdreclassering en het aanbieden van jeugdzorg?

De leden van de D66-fractie constateren dat de landelijk werkende instellingen (LWI’s) straks niet meer zowel de uitvoerders van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering als jeugdzorgaanbieder mogen zijn en dat dit voor de LWI’s flinke financiële risico’s met zich meebrengt. Teneinde de levensvatbaarheid van de LWI’s te garanderen voorziet het voorliggende wetsvoorstel in de mogelijkheid om de combinatie van uitvoerder en aanbieder met een jaar te verlengen. De leden van de D66-fractie vernemen graag van het kabinet hoe zij denken dat voorkomen kan worden dat de LWI’s na een jaar alsnog in de financiële problemen komen?

De vier landelijke werkende instellingen die kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering uitvoeren, zijn de volgende:

  • William Schrikker Groep (WSG)

  • SGJ Christelijke Jeugdzorg

  • Leger des Heils (LdH)

  • Joods maatschappelijk werk (JMW)

Alle instellingen treffen voorbereidingen of hebben al voorbereidingen getroffen om de scheiding tussen jeugdhulp en de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering voor te bereiden. De William Schrikker Groep en het Leger des Heils brengen hun activiteiten in aparte stichtingen onder. De SGJ bereidt een fusie voor met het Leger des Heils (voor de kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering) en voor de jeugdhulp wordt gefuseerd met de jeugdhulpaanbieder Timon. Het JMW werkt voor jeugdbescherming thans samen met de WSG. Zij zullen de komende tijd zoeken naar een oplossing om de jeugdbeschermingszaken buiten het JMW onder te brengen zonder dat de specifieke expertise voor de doelgroep verloren gaat. Het JMW voert geen jeugdreclassering uit. JMW zal naar verwachting wel jeugdhulpverlening blijven aanbieden.

De organisaties bereiden zich dus allen voor op de ontvlechting van de taken als jeugdhulpaanbieder enerzijds en de taken als uitvoerder kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering anderzijds en zij verwachten ook in de toekomst levensvatbaar te zijn.

c. Uitzonderingen op het toestemmingsvereiste bij jeugdhulp

De leden van de PVV-fractie hebben gevraagd naar voorbeelden van jeugdhulpverleningsprogramma’s en geneeskundige behandelingen. Als een jeugdige met een machtiging gesloten jeugdhulp is opgenomen, mag de toepassing van jeugdhulpverleningsprogramma’s namelijk ook tegen zijn wil plaatsvinden voor zover dit noodzakelijk is om de met de jeugdhulp beoogde doelen te bereiken. Geneeskundige behandelingen worden toegepast voor zover dit noodzakelijk is ter afwending van gevaar voor de gezondheid of veiligheid van de jeugdigen of anderen en om de met jeugdhulp beoogde doelen te bereiken.

Voorbeelden van deze jeugdhulpverleningsprogramma’s met als doel dat de jeugdige weer kan deelnemen aan de samenleving zijn: Sociale Vaardigheidstraining (SOVA)-op maat, Agressie Regulatie Training (ART) – op maat, Rots en Water, Dialectische Gedragstherapie (DGT) en Schema-Gerichte Cognitieve Therapie (SCT).

Geneeskundige behandelingen kunnen zowel behandelingen zijn van somatische klachten (bijvoorbeeld suikerziekte of voedselallergie) als van psychische klachten. In dit laatste geval gaat het om een behandeling met medicatie (bijvoorbeeld bij stemmingsstoornissen en psychotische klachten), die voorgeschreven wordt door een psychiater.

De leden van de PVV-fractie vragen voorts hoe toepassing van geneeskundige behandelingen op grond van de Jeugdwet zich verhoudt tot de Wet zorg en dwang. Bij de gesloten jeugdhulp wordt namelijk gebruik gemaakt van psychofarmaca en medicatie tegen ADHD etc.De leden van de PVV-fractie vragen zich ook af of en hoe burgemeesters en wethouders bepalen of deze geneeskundige behandelingen noodzakelijk zijn.

In het kader van gesloten jeugdhulp kunnen op grond van artikel 6.3.2 Jeugdwet tegen de wil van de jeugdige of van degene die het gezag over hem uitoefent geneeskundige behandelingsmethoden worden toegepast, voor zover noodzakelijk ter afwending van gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van de jeugdige of anderen en om de met de jeugdhulp beoogde doelen te bereiken. De kinderrechter kan een machtiging voor gesloten jeugdhulp slechts verlenen indien naar zijn oordeel jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren en de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. Een geneeskundige behandeling in het kader van gesloten jeugdhulp kan dus alleen maar toegepast worden met het oog op het doel van de gesloten jeugdhulp, kort gezegd: het aanpakken van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen.

Op grond van de Wet zorg en dwang kan onder bepaalde voorwaarden onvrijwillige zorg worden toegepast. Hiertoe dient een stappenplan te worden doorlopen. In ieder geval is nodig dat het gedrag van een persoon als gevolg van zijn verstandelijke beperking, dan wel als gevolg van een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie daarvan, leidt tot ernstig nadeel en onvrijwillige zorg noodzakelijk is om dit te voorkomen of af te wenden. Voor zover sprake is van gedwongen medicatie is altijd instemming nodig van een arts. Voor gedwongen opname en verblijf is een rechterlijke machtiging vereist. Gelet op artikel 1, tweede lid, van die wet – waar het begrip «ernstig nadeel» wordt omschreven – is het doel van gesloten jeugdhulp beduidend smaller dan het doel waarvoor in het kader van de Wet zorg en dwang onvrijwillige zorg kan worden verstrekt.

Het is niet aan burgemeesters noch wethouders om te bepalen of een geneeskundige behandeling noodzakelijk is in het kader van gesloten jeugdhulp. In het kader van de Wet zorg en dwang kan een burgemeester (en eventueel een daartoe gemandateerde wethouder) in een crisissituatie gelasten tot onvrijwillige opname van een persoon in een geregistreerde accommodatie voor de duur van ten hoogste drie dagen, maar daarbij dient wel eerst een ter zake deskundig arts te zijn geraadpleegd (artikelen 29 en 30 Wet zorg en dwang).

d. Aanvulling woonplaatsbeginsel 18+

De leden van de PvdA-fractie krijgen signalen dat het woonplaatsbeginsel, zoals geregeld in de Jeugdwet, opnieuw voor problemen zorgt. Op papier (juridisch) zou het beginsel kloppen, maar in de praktijk schijnt het onuitvoerbaar te zijn. Zorgaanbieders en gemeenten kunnen de informatie over het aantal zorgbehoevende kinderen in een bepaalde gemeente niet afstemmen, omdat ze vanwege regels ten aanzien van privacy bepaalde gegevens niet met elkaar mogen uitwisselen. Zorgaanbieders mogen namelijk geen namen uitwisselen met gemeenten en gemeenten mogen zorgaanbieders geen inzage verlenen in Basis Registratie personen (BRP). Het aantal zorgbehoevende jeugdige per gemeente kan hierdoor niet inzichtelijk gemaakt worden, waardoor het moeilijk is te achterhalen welke gemeente verantwoordelijk is voor de zorg van een jeugdige. Hoe gaan de staatssecretarissen dit probleem oplossen?

Om te kunnen voorzien in een kwantitatief en kwalitatief toereikend aanbod hebben gemeenten informatie nodig over de zorgbehoefte in hun gemeente. Eind mei 2014 zijn gemeenten daarom in de meicirculaire geïnformeerd op basis van de meest recente gegevens waar het Rijk over beschikt. Zorgaanbieders en gemeenten mogen inderdaad niet zomaar gegevens van cliënten uitwisselen om te weten welke jeugdige in hun gemeente zorgbehoevend is. Voor het merendeel is deze informatie ook niet nodig. Gegevensoverdracht van cliënten is namelijk niet nodig als:

  • bekostiging geregeld wordt door middel van lumpsum of subsidie;

  • gemeenten uitbesteden aan jeugdhulpaanbieders via raamcontracten;

  • het merendeel van de betreffende groep jeugdigen die jeugdhulp ontvangt uitstroomt in 2015 en geen vervolgjeugdhulp meer nodig heeft;

  • verlenging van de jeugdhulp bepaald wordt door beroepsbeoefenaren.

Vanaf oktober 2014 krijgen gemeenten gegevens over jeugdigen ten aanzien van wie een PGB voor de verlening van jeugdhulp is vastgesteld en over jeugdigen die op een wachtlijst staan. Gemeenten willen vooraf hun factureringssystemen vullen om te kunnen controleren of de toegekende cliënten in het kader van de Zvw en de AWBZ, op grond van het woonplaatsbeginsel terecht aan hun gemeente zijn toegekend. Hierom bieden wij de VNG vanaf oktober 2014 de mogelijkheid het project «initiële vulling» uit te voeren. Dat betekent dat zorgaanbieders na een daartoe dienend verzoek van gemeenten persoonsgegevens dienen te verstrekken aan gemeenten over reeds aangevangen zorg die door gemeenten op grond van de Jeugdwet gecontinueerd dient te worden en die op individueel niveau wordt bekostigd. Dit draagt bij aan een snelle betaling van de facturen aan de betreffende aanbieders. Daarnaast biedt het de gemeente de mogelijkheid om tijdig te controleren of zij inderdaad gemeente is waar de betreffende jeugdige zijn woonplaats heeft; indien dat niet het geval is, dient de gemeente de gegevens zo spoedig mogelijk aan de juiste gemeente door te zenden. Een en ander zal nader worden geregeld in een ministeriële regeling op grond van artikel 10.4 van de Jeugdwet.

De leden van de SP-fractie constateren dat op het moment dat een jeugdige meerderjarig wordt de zorg over zal gaan van de woonplaats van de ouder met gezag naar de feitelijke verblijfplaats van de jeugdige en vragen of de regering kan uitleggen waarom hiervoor is gekozen? Gemeenten zijn straks zelf verantwoordelijk voor de inrichting van de jeugdzorg. Ziet de regering mogelijkheden om gemeenten bij de overdracht van de verantwoordelijkheid de verplichting te geven om de jeugdzorg op dezelfde wijze (hetzelfde traject) voort te zetten? Hoe groot is de kans dat jeugdigen uit het hulpverleningszicht raken vanwege deze praktische wijziging?

De definitie van woonplaats in de Jeugdwet kent het gezag over de jeugdige als uitgangspunt. Daarbij is aangesloten bij het woonplaatsbeginsel van titel 3 van boek 1 van het BW. Artikel 12 van boek 1 van het BW bepaalt dat een minderjarige de woonplaats volgt van hem die het gezag over hem uitoefent.

De definitie van woonplaats in de Jeugdwet kent het gezag over de jeugdige als uitgangspunt. Daarbij is aangesloten bij het woonplaatsbeginsel van titel 3 van Boek 1 van het BW. Artikel 12 van Boek 1 van het BW bepaalt dat een minderjarige de woonplaats volgt van hem die het gezag over hem uitoefent. Overwogen is om in de Jeugdwet aan te sluiten bij het gezag zoals dat tot de achttiende verjaardag gold, maar daarvan is afgezien omdat deze meerderjarigen vaak niet meer bij hun ouders wonen en – gelet op hun leeftijd – in veel gevallen ook niet meer terug gaan naar hun ouders om daar te wonen. In plaats daarvan is gekozen voor de gemeente waar de jeugdige woont, omdat dat het beste past bij een omgevings- en toekomstgerichte hulpverlening. Het feit dat een andere gemeente jeugdhulpplichtig wordt, betekent niet zonder meer dat de jeugdhulp door een andere aanbieder – in de woonplaats van de jeugdige – voortgezet moet worden.

Voor een jeugdige die gedurende een jeugdhulpverleningstraject meerderjarig wordt zal het in verreweg de meeste gevallen het beste zijn als de hulpverlening afgerond kan worden bij dezelfde aanbieder. Overleg hierover tussen de beide gemeenten is dan ook noodzakelijk. In de praktijk zal het hierbij voornamelijk gaan om een voorziening van jeugdhulp waarvan geen «volwassen equivalent» bestaat op grond van de AWBZ of de Zvw en waarbij de jeugdige verblijft in een instelling die niet in de gemeente van zijn woonplaats is gevestigd.

Indien het gaat om een vorm van jeugdhulp waar wel een «volwassen equivalent» van bestaat op grond van de AWBZ of de Zvw, doet zich een dergelijke situatie niet voor, omdat er na de achttiende verjaardag van de jeugdige niet langer sprake is van een jeugdhulpplicht voor een gemeente. Op grond van artikel 1.2 van de Jeugdwet is het college dan niet meer gehouden een voorziening te treffen.

Tegenwoordig komt het steeds vaker voor dat het gezag gedeeld wordt. Welke gemeente wordt verantwoordelijk als ouders in verschillende gemeentes woonachtig zijn, zo vragen de leden van de fractie van de PVV?

Als de gezaghebbende ouders in verschillende gemeenten wonen, dan wordt op grond van artikel 1:12 BW gekeken naar de woonplaats van de ouder waar de jeugdige feitelijk verblijft of laatstelijk heeft verbleven. Voor de toepassing van het woonplaatsbeginsel zal daarom eerst worden bekeken of de jeugdige bij één van hen het hoofdverblijf heeft. Is dit het geval dan is de gemeente van het hoofdverblijf verantwoordelijk. Als de ouders in verschillende gemeenten wonen en de jeugdige bij beide ouders woont, wordt bekeken welke woonplaats als hoofdverblijf kan worden beschouwd en waar de jeugdige dus feitelijk verblijft. De gemeente van het hoofdverblijf wordt dan verantwoordelijk. De rechter kan – als er sprake is van een echtscheiding – het hoofdverblijf bepalen. Als het hoofdverblijf niet door de rechter is bepaald, geven de ouders aan wat het hoofdverblijf van de jeugdige is. Kunnen of willen de ouders dit niet aangeven dan gaan de twee desbetreffende gemeenten met elkaar in overleg. De VNG en het Rijk hebben een uitgebreide factsheet over het woonplaatsbeginsel gepubliceerd op www.voordejeugd.nl.

e. Geen machtiging gesloten jeugdhulp op verzoek van het college bij ondertoezichtstelling

De leden van de SP-fractie fractie vragen of toegelicht kan worden wie met de invoering van de nieuwe Jeugdwet straks de gecertificeerde jeugdinstellingen zijn die een machtiging gesloten jeugdzorg kunnen aanvragen. Ook vragen zij op welke wijze dit precies is geregeld.

Na inwerkingtreding van de Jeugdwet voeren niet langer de bureaus jeugdzorg maar de gecertificeerde instellingen de ondertoezichtstellingen uit. In dat kader kunnen de gecertificeerde instellingen na inwerkingtreding van de Jeugdwet een machtiging gesloten jeugdzorg aanvragen. Zijkunnen dit ook doen voor een reguliere machtiging tot uithuisplaatsing. De gecertificeerde instellingen kunnen ook een machtiging gesloten jeugdhulp aanvragen als zij de voogdij uitoefenen over een minderjarige en die minderjarige gesloten geplaatst moet worden.

f. Vervallen aanwijzingsbevoegdheid

De leden van de PvdA-fractie lezen dat de aanwijzingsbevoegdheid van het Rijk per 1 januari 2015 komt te vervallen. Gelet op de berichten dat een kwart van de gemeenten niet klaar is voor de zorg voor jeugd, is het van belang om waarborgen te stellen. De leden van de PvdA-fractie vinden het verstandig om de aanwijzingsbevoegdheid tijdelijk ook na 1 januari 2015 te behouden en in te zetten tegen gemeenten die niet goed meekomen. Gaan de staatssecretarissen de aanwijzingsbevoegdheid behouden? Zo niet, waarom?

Zoals in de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel is aangegeven, zal in verband met een toezegging aan uw Kamer ter zake, per 1 januari 2015 de aanwijzingsbevoegdheid van het Rijk jegens gemeenten vervallen. Dan geldt in plaats daarvan het generieke instrument van de indeplaatsstelling, zoals geregeld in de Gemeentewet. Artikel 124 Gemeentewet bepaalt kort gezegd dat in geval van taakverwaarlozing door een gemeente, een indeplaatsstelling kan plaatsvinden. Artikel 1.7 van het wetsvoorstel plaatst de Jeugdwet op de bijlage in artikel 124b, eerste lid, van de Gemeentewet, waardoor de bevoegdheid om tot een indeplaatsstelling over te gaan, toekomt aan de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Veiligheid en Justitie. Niet alleen bij een aanwijzing, maar ook bij een indeplaatstelling, dient eerst de interventieladder te worden gevolgd die is beschreven in de memorie van toelichting. Met het instrument van de indeplaatstreding grijpt het Rijk als interbestuurlijke toezichthouder op effectievere wijze in dan met het geven van een aanwijzing doordat de verwaarloosde taak wordt overgenomen (ten laste van de gemeente) totdat deze weer op orde is gebracht.

g. Geen medezeggenschap voor AMA’s

De leden van de PvdA-fractie merken op dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) geen medezeggenschap krijgen, omdat ze niet bekend zouden zijn met de Nederlandse samenleving. De leden van de PvdA-fractie vinden dit een merkwaardige opmerking. Waarom zou het beoordelen van zorg en ondersteuning gepaard moeten gaan met kennis van de Nederlandse samenleving? Zonder voldoende kennis van de samenleving kan men toch een oordeel geven over de zorg en ondersteuning die worden geleverd? Zo niet, waarom zou dat niet kunnen?

Ook de leden van de SP-fractie vragen of de regering uitgebreider kan toelichten waarom amv’s en vluchtelingen geen recht zouden hebben op medezeggenschap? Op welke wijze is deze zeggenschap wel geregeld? Zijn er eventuele mogelijkheden om dit via belangenorganisaties te laten verlopen?

In artikel 38, vijfde lid, van de Wet op de jeugdzorg is onder meer geregeld dat Nidos niet hoeft te voldoen aan de bepalingen inzake de cliëntenraad. Voorgesteld wordt om deze huidige situatie te continueren, omdat Nidos een andere vorm van cliëntenparticipatie hanteert die beter aansluit bij haar cliënten.

De Rijksuniversiteit Groningen doet voor Nidos onderzoek naar het welbevinden en het ontwikkelingsniveau van amv’s in Nederland. Hierdoor krijgt Nidos een beeld hoe de ontwikkeling naar zelfstandigheid van de pupillen verloopt en hoe ze zelf over hun eigen functioneren denken. Ook krijgt Nidos hiermee inzicht in de visie van de pupillen op de omgeving waarin zij opgroeien en de steun die Nidos hen als wettelijk vertegenwoordiger biedt bij het zelfstandig en volwassen worden.

Voorts wordt door de Hogeschool Utrecht jaarlijks een onderzoek uitgevoerd naar de betekenis die jongeren die onder voogdij staan van Nidos geven aan de relatie met hun voogd. Hiertoe worden door studenten gesprekken gevoerd met een aantal jongeren. De gebruikte methode biedt jongeren de mogelijkheid zelf te bepalen wat ze willen zeggen over het functioneren van hun voogd en de verwachtingen die ze van hun voogd hebben.

Om zelf met jongeren in gesprek te komen en te horen waar jongeren in hun begeleiding door Nidos behoefte aan hebben, is Nidos in 2008 begonnen met het organiseren van World Cafés. Deze World Cafés blijken een goede methode om Nidos en haar doelgroep nader tot elkaar te brengen en hun onderlinge relatie te versterken. Bovendien krijgt Nidos door deze World Cafés zicht op de behoeftes die de doelgroep ten aanzien van de begeleiding door Nidos heeft. In 2013 zijn er drie World Cafés georganiseerd rond het thema wonen in een opvanggezin.

Tenslotte worden jongeren gevraagd een evaluatieformulier in te vullen op het moment dat de voogdij beëindigd wordt, zodat de mening van voogdijpupillen kenbaar is over de geboden begeleiding gedurende de periode dat ze onder voogdij van Nidos stonden.

Wij zijn dan ook van mening dat de cliënten voldoende participeren en zien geen reden om medezeggenschap via belangenorganisaties te laten verlopen.

3. Adviezen en consultatie

De leden van de PVV-fractie vragen hoe de overgangsregeling met een garantie voor de bureaus jeugdzorg zich verhoudt tot de alarmerende berichtgeving van de jeugdwethouders.

Voor zover bekend zijn er géén recente alarmerende berichten van jeugdwethouders over de contracten met de bureaus jeugdzorg. Daar waar er sprake was van problemen, is door de TAJ of door de betrokken bewindspersonen gesproken met de betrokken partijen. Deze gesprekken hebben geleid tot goede afspraken tussen gemeenten en de bureaus jeugdzorg.

De leden van de PVV-fractie maken zich, net als de jeugdwethouders, Jeugdzorg Nederland, Jeugd GGZ, vakbonden en ouderorganisaties ernstige zorgen over de continuïteit van de jeugdhulp en twijfelt eraan of de TAJ de zorg wel kan waarborgen. Hoe kan de TAJ de jeugdhulp waarborgen?

De TAJ kan op grond van een melding van een aanbieder of instelling gesprekken voeren met de gemeenten in de regio’s waar deze aanbieder of instelling werkzaam is. Uit deze gesprekken en aangeleverde onderbouwende stukken volgt een probleemanalyse. Dit kan inhouden dat de TAJ bemiddelt tussen gemeenten en aanbieders of instellingen. Ook kan de conclusie luiden dat een gemeente of regio er te weinig aan doet om een functie die niet gemakkelijk vervangbaar is, in stand te houden of de continuïteit van zorg te waarborgen. In dat geval kan de TAJ adviseren aan de Staatssecretarissen om een aanwijzing aan de betreffende gemeenten te geven. Ten slotte kan de TAJ adviseren om een financiële vergoeding toe te kennen, als dit noodzakelijk is om de continuïteit van zorg te realiseren of de frictiekosten te dekken, voor zover de aanbieder of instelling zelf niet over voldoende middelen beschikt.

Deze leden van de PVV-fractie maken zich eveneens grote zorgen om de werkgelegenheid van medewerkers van jeugdzorginstellingen, voor 20% van deze medewerkers staat hun baan op het spel. Hoe verhoudt dit zich tot de overgangsregeling dat garantie ook kan inhouden het overnemen van personeel door gemeenten?

Voor de totale sector jeugd (jeugdzorg, jeugd-ggz, jeugd (l)vb) zijn er in 2014 tot begin september collectief ontslagmeldingen gedaan voor in totaal 1.450 personen. Het valt niet precies aan te geven in hoeveel daadwerkelijke ontslagen dit zal uitmonden. Dit is mede afhankelijk van in hoeverre nog natuurlijk verloop gaat optreden of dat er toch nog wijzigingen gaan optreden in de zorginkoop. Circa de helft van het aantal meldingen heeft betrekking op de bureaus jeugdzorg.

Gemeenten zullen in de meeste gevallen slechts een deel van het personeel dat zich bezighoudt met toegangstaken overnemen of inkopen. Voor een deel van het personeel bestaat er geen werk meer. Als er sprake is van overgang van personeel dan telt de omzet van deze fte’s mee in de regeling van 80% budgetgarantie.

De leden van de PVV-fractie merken op dat diverse zorgaanbieders aangeven dat, als dit per 1 januari 2015 de nieuwe werkelijkheid wordt, er geen sprake meer is van een zachte landing, maar van een crash. Hoe gaat de regering deze crash voorkomen?

Met de brancheverenigingen en de VNG zijn wij in overleg om afspraken te maken om te werken aan rust en aan gerichte maatregelen. Over de inhoud van deze afspraken zullen wij u zo spoedig mogelijk informeren.

De leden van de PVV-fractie zijn benieuwd welke behandelingen zoal geboden worden aan alleenstaande minderjarige asielzoekers. Kan de regering uitvoerig uiteenzetten om welke vormen van zorg en behandeling het gaat?

Een alleenstaande minderjarige asielzoeker krijgt de medische behandeling die een arts noodzakelijk acht. De zorg en behandeling die wordt geboden is zeer uiteenlopend, net als de geboden zorg en behandeling bij andere jongeren zeer uiteenlopend is. Wel ligt een accent op psychische aandoeningen vanwege opgelopen trauma’s bij de voor alleenstaande minderjarige asielzoekers nodig geachte behandelingen. Wel moet opgemerkt worden dat veel behandelingen pas zin hebben als ze afgemaakt kunnen worden. In beginsel worden dergelijke behandelingen pas gestart als duidelijk is dat een jongere kan blijven. Acuut noodzakelijke zorg wordt uiteraard altijd geboden.

4. Regeldruk

In het kader van regeldruk constateert Actal dat de voorziene daling van regeldruk door het afschaffen van de BJZ’s pas een jaar later kan optreden door de introductie van een jaar overgangsrecht. De leden van de CDA-fractie vragen de regering haar standpunt te onderbouwen dat de genoemde regeldruk enkel en alleen door de (af te schaffen) indicatie-stelling wordt veroorzaakt. Bovendien geeft Actal aan dat er door het overgangsjaar kort opeenvolgend drie uitvoeringsmodaliteiten zijn, waardoor er mogelijk extra regeldruk ervaren wordt. De leden van de CDA-fractie vragen de regering tevens te onderbouwen waarom dit volgens haar niet tot additionele regeldrukeffecten zal leiden.

In de memorie van toelichting is aangegeven dat de positieve regeldrukeffecten ontstaan door het schrappen van verplichtingen zoals deze onder de Wet op de jeugdzorg gelden. Het gaat in 2015 reeds om het wegvallen van de verplichte melding van een zorgaanbieder aan bureau jeugdzorg bij het in zorg nemen van een cliënt. Deze wijziging zal niet worden uitgesteld en reeds vanaf de invoeringsdatum van toepassing worden.

De kwantitatieve vermindering van regeldruk blijft weliswaar beperkt, maar dat wil niet zeggen dat naast bovengenoemde niet nog meer positieve effecten te noemen zijn. Veel ervaren regeldruk van zorgprofessionals hangt namelijk niet samen met rijksregels, maar bijvoorbeeld met interne voorschriften van jeugdhulpaanbieders. Hierdoor vallen deze goede ontwikkelingen buiten de kabinetsdefinitie van regeldruk, maar hebben terdege een positief effect.

De afgelopen jaren zijn met het landelijk project RAP (regeldruk aanpak) mogelijkheden en best practices voor regeldrukvermindering in kaart gebracht. Het Rijk zal deze goede voorbeelden verspreiden via de website www.voordejeugd.nl en via de transformatieagenda.

Verder wordt ingezet op het standaardiseren van de gegevensuitvraag en wordt aansluiting gezocht bij geldende kwaliteitseisen, zoals deze in de praktijk al toegepast worden en waardoor toezichtslasten beperkt worden. Dit betekent dat er geen additionele lasten bijkomen, maar op termijn zullen verdwijnen.

5. Artikelsgewijs

Hoofdstuk 1, artikel 1.3, onderdeel A

De leden van de CDA-fractie merken op dat het wetsvoorstel onder andere bijlage 2 van de Algemene wet bestuursrecht wijzigt, waarin de «negatieve lijst» staat van besluiten die zijn uitgezonderd van bezwaar en beroep. Deze leden constateren dat met het wetsvoorstel ook enkele nieuwe besluiten aan de «negatieve lijst» van de Awb worden toegevoegd. Zij vragen om per besluit aan te geven hoe de rechtszekerheid bij deze besluiten gewaarborgd is en op welke wijze beroep tegen deze besluiten aangetekend kan worden.

Nieuw is dat tegen het besluit inzake de schorsing van de machtiging van jeugdigen in een instelling voor gesloten jeugdhulp geen bezwaar en beroep kunnen worden ingesteld (artikel 6.1.12, vijfde lid, Jeugdwet). Hetzelfde geldt voor het besluit van de jeugdhulpaanbieder tot wijziging van het hulpverleningsplan na verlening van de voorwaardelijke machtiging (artikel 6.1.5 Jeugdwet) en het besluit van de jeugdhulpaanbieder om een jeugdige op te nemen in een gesloten jeugdhulpaccommodatie op grond van een voorwaardelijke machtiging (artikel 6.1.6, tweede en derde lid, Jeugdwet).

Hieronder is een opsomming opgenomen van de mogelijkheden om tegen deze beslissingen in beroep te gaan. In alle gevallen is (uiteindelijk) sprake van een onafhankelijke rechter in de zin van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De rechtszekerheid is op deze wijze voor de jeugdige die op basis van een machtiging gesloten jeugdhulp in een accommodatie geplaatst wordt, voldoende geborgd.

Beslissing

Wijze waarop beroep kan worden aangetekend

Beschikking kinderrechter m.b.t. wijziging hulpverleningplan

Beroep bij kinderrechter

Beschikking kinderrechter inzake opneming in gesloten accommodatie op grond van een voorwaardelijke machtiging

Beroep bij kinderrechter

Besluiten toepassing maatregelen die de vrijheid van de jeugdige aantasten

Klacht bij de klachtencommissie

Beroep tegen beslissing klachtencommissie bij de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming

Hoofdstuk 1, artikel 1.6, onderdeel F

De leden van de CDA-fractie merken op dat bij de definitie van pleegkind de regering een onderdeel van de eerdere definitie laat vervallen. De reden die hiervoor wordt aangegeven is dat er geen inrichtingen zijn die onder dat onderdeel zouden vallen. De leden van de CDA-fractie vragen om welke voorheen bestaande inrichtingen dat gaat.

Er zijn geen instellingen meer die onder toezicht vallen van de raad voor de kinderbescherming omdat de inspectie jeugdzorg op deze instellingen toezicht houdt. In het verleden werd de controle op de pleeggezinnen of inrichtingen, waarin een minderjarige door de rechtspersoon-voogd werd geplaatst, uitgeoefend door de raad voor de kinderbescherming. Om deze controle mogelijk te maken, hield de rechtspersoon de raad schriftelijk op de hoogte van de plaatsen waar de minderjarigen zich bevinden. In het kader van de wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen2 is het toezicht op de voogdij wederom bekeken en is de wetgeving in overeenstemming gebracht met de praktijk. Het onderdeel van de Pleegkinderenwet dat nog een functie had opgenomen in artikel 1:241, zevende lid, BW en artikel 1:305 BW, waarin de «oude» controlerende taak van de raad is opgenomen, is gewijzigd.

Deze leden vragen daarnaast of het niet raadzamer zou zijn om de definitie van pleegkind op te nemen in artikel 1.1 van de Jeugdwet, aangezien het de vraag is of de definitie wel gezocht en gevonden zal worden in het artikel dat gaat over de raad voor de kinderbescherming.

Doordat de Pleegkinderenwet vervalt na inwerkingtreding van de wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen en daarmee de definitie van pleegkind, zou er discussie kunnen ontstaan over de definitie van pleegkind in artikel 1:241, derde lid, BW. De definitie van pleegkind was namelijk direct gekoppeld aan de definitie zoals deze opgenomen was in de Pleegkinderenwet. Om discussie te voorkomen is de definitie alsnog overgenomen uit de Pleegkinderenwet.

Zoals uit de formulering van de wettekst blijkt, geldt de definitie alleen voor deze bijzondere situatie en dus niet voor pleegzorg als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Jeugdwet. Het ligt daarom voor de hand de definitie in het betreffende lid op te nemen, conform wij nu voorstellen.

De leden van de CDA-fractie merken op dat in de definitie van pleegkind wordt aangegeven dat het gaat om «Een minderjarige die bij anderen dan zijn ouders, voogd of bloed- en aanverwanten tot en met derde graad wordt verzorgd en opgevoed, niet daaronder begrepen indien hierop krachtens een andere wet toezicht wordt uitgeoefend». De leden van de CDA-fractie vragen op welke andere wetten wordt gedoeld. Gaat het hierbij bijvoorbeeld om de wetgeving met betrekking tot OTS? Kan dit tot gevolg hebben dat alle pleegkinderen inclusief netwerkverpleegkundigen juist niet onder de wet vallen?

Artikel 1:241, derde lid, BW ziet op bijzondere situaties waarbij de minderjarige jonger is dan zes maanden en niet onder voogdij staat van een rechtspersoon. Indien iemand zo’n kind in zijn gezin ter verzorging en opvoeding wil opnemen is hiervoor voorafgaand schriftelijke toestemming van de raad voor de kinderbescherming nodig. Te denken valt aan een moeder die afstand doet van haar kind en aangeeft dat het kind in dat specifieke gezin geplaatst zou moeten worden.

Het gaat hier dus niet om pleegzorg als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Jeugdwet. In de reguliere gevallen wordt een minderjarige echter geplaatst op grond van andere wetten en dan geldt dit artikel dus niet. Zo vallen alle pleegzorgplaatsingen inderdaad onder de Jeugdwet, ook de pleegkinderen die zoals deze leden aangeven, in het kader van een machtiging tot uithuisplaatsing OTS in een pleeggezin worden geplaatst of een netwerkplaatsing. De betreffende definitie in het BW heeft hier geen betrekking op. Verder betreft het de minderjarigen die als buitenlands pleegkind worden opgenomen met het oog op adoptie op grond van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie.

Hoofdstuk 1, artikel 1.6, onderdeel H

De leden van de CDA-fractie vragen waarom in artikel 261 BW de term spoedmachtiging niet expliciet wordt opgenomen, zoals de Raad voor de rechtspraak uitdrukkelijk verzoekt. De Raad vraagt dit, zodat in dat geval de systematiek aansluit op die van de spoedmachtiging voor gesloten jeugdhulp uit art 6.1.12 van de Jeugdwet. Ook de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming geeft aan dat het inconsequent is als de spoedmachtiging tot een gesloten plaatsing wel van een expliciete wettelijke basis is voorzien en de reguliere spoedmachtiging uithuisplaatsing niet. De leden van de CDA-fractie vragen een toelichting waarom deze adviezen niet zijn overgenomen.

De adviezen van de Raad voor de rechtspraak en de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming zijn op dit punt niet overgenomen, omdat ook in die gevallen dat de raad voor de kinderbescherming of het OM een machtiging tot uithuisplaatsing verzoekt, het niet altijd een spoedmachtiging betreft zoals de Raad voor de rechtspraak stelt. Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven, kan het ook gaan om onenigheid tussen het college en het openbaar ministerie of de raad voor de kinderbescherming. Ook in die situaties moet de mogelijkheid blijven bestaan voor het openbaar ministerie of de raad voor de kinderbescherming om een verzoekschrift in te dienen zonder een besluit van de gemeente te overleggen. Daarom is dit advies niet overgenomen.

Voorts vragen de leden van de CDA-fractie waarom er niet voor is gekozen om, zoals de Raad voor de rechtspraak adviseert, een maximale termijn aan een dergelijke machtiging te koppelen.

En daarnaast willen de leden van de CDA-fractie weten waarom het advies niet is overgenomen om een voorlopige-ondertoezichtstelling in de wet op te nemen.

De Raad voor de rechtspraak geeft in zijn advies aan dat van de gelegenheid gebruik zou kunnen worden gemaakt om aan Boek 1 BW een nieuwe maatregel van de «voorlopige uithuisplaatsing» toe te voegen, waarmee aansluiting wordt gezocht bij de systematiek en de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling (v-ots). Op dit moment wordt de duur van een machtiging tot uithuisplaatsing over het algemeen reeds gelijkgesteld met de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. In de praktijk wordt de voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing dus reeds toegepast. Het wettelijk vastleggen van deze mogelijkheid heeft geen toegevoegde waarde.

Hoofdstuk 1, artikel 1.7

Met artikel 1.7 wordt geregeld dat het interbestuurlijk toezicht wordt uitgeoefend door het Rijk in plaats van door de provincie. In de memorie van toelichting wordt uitgelegd dat de Minister via verschillende stappen op de «interventieladder» uiteindelijk tot «indeplaatsstelling» kan besluiten indien een gemeente naar het oordeel van het Rijk haar taken op grond van de Jeugdwet niet naar behoren uitvoert. De leden van de CDA-fractie vragen zich af tot welke trede van de interventieladder de Staatssecretaris inmiddels is gestegen t.a.v. de gemeenten die op 1 augustus 2014 nog niet duidelijk hebben gemaakt bij welke aanbieders zij jeugdhulp gaan inkopen en voor welk budget? Voorts vragen deze leden op welke wijze de regering van plan is om de Tweede Kamer te informeren indien een van de stappen uit de interventieladder wordt ondernomen?

Ervan uitgaande dat de vraag van de leden van de CDA-fractie betrekking heeft op de situatie tot 1 januari 2015, merken wij het volgende op. Op dit momenten vindt bij de elf regio’s waar naar onze mening nu nog onvoldoende duidelijkheid bestaat over de planning of inhoud van de inkoopcontracten, een doorlichting plaats door een pool van externe deskundigen. In de brief van 28 augustus 2014 (Kamerstukken II 2013/14, 31 839, nr. 410) is dat al aangekondigd. Aan de hand van het resultaat van die doorlichting wordt de volgende stap gezet. Als de doorlichting van het inkoopproces daartoe aanleiding geeft, zullen wij bestuurlijk overleg voeren met de gemeenten in de betreffende regio om afspraken te maken over noodzakelijke vervolgstappen. Dit wordt dan aangemerkt als een stap op de interventieladder naar een mogelijke bestuurlijke aanwijzing. Als gemaakte afspraken niet worden nagekomen of er sprake is van een crisissituatie, hetgeen wij uitdrukkelijk niet verwachten, kan direct een vooraankondiging voor een aanwijzing worden gedaan. De betreffende colleges krijgen dan acht weken de tijd hun zienswijze naar voren te brengen en de uitvoering op orde te brengen. Over het verloop van de gang van zaken zullen wij uw Kamer informeren.

De leden van de D66-fractie constateren dat de bevoegdheden aangaande het besluit tot indeplaatsstelling inzake de Jeugdwet bij de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Veiligheid en Justitie komen te liggen. Deze leden constateren dat voorafgaande aan de indeplaatsstelling een aantal stappen dienen te worden gezet op de zogenaamde interventieladder. Deze leden lezen dat de verwachting van het kabinet is dat de indeplaatsstelling in de praktijk in haar zwaarste vorm wellicht nooit behoeft te worden toegepast. Deze leden vragen zich hoe deze vaststelling zich verhoudt tot de huidige situatie met grote inkoopproblemen inzake de jeugdhulp en de daarmee gepaard gaande verwachtte problemen inzake de continuïteit van zorg?

Nadat is geconstateerd dat niet alle gemeenten op schema liggen, zijn zij daarmee geconfronteerd door het Rijk. Vervolgens wordt met bestuurlijke overleggen, met afspraken over de te nemen maatregelen en het tempo, de druk op de samenwerkende gemeenten steeds groter om de gesignaleerde problemen daadwerkelijk op te lossen.

Een van de stappen van de interventieladder betreft de vooraankondiging van een indeplaatsstelling. Deze vooraankondiging zal per brief aan het college van B&W en naar de gemeenteraad worden gestuurd, zodat de raad het college kan aanspreken. Ook wordt de vooraankondiging breder bekendgemaakt (krant, huis-aan-huis-blad of andere geschikte wijze). Zo kan een publiek debat plaatsvinden dat mogelijk het proces van interne verantwoording kan versterken bij de gemeente.

Met het oog op het voorgaande verwachten wij dat het uiterste middel van de indeplaatsstelling niet snel zal volgen. Dat neemt niet weg dat wij wanneer dat aangewezen is, niet zullen aarzelen om er wel toe over te gaan.

Hoofdstuk 1, artikel 1.20

Het vervallen van de taken van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) in het kader van de jeugdhulp leidt er toe dat de Minister van VWS niet langer betrokken is bij het beheer van het LBIO. De leden van de CDA-fractie vragen of dit betekent dat VWS ook niet langer medeverantwoordelijk is voor subsidiëring van het LBIO? Welk subsidiebedrag is hiermee gemoeid? Wordt dit bedrag nu aan CAK overgemaakt om de ouderbijdrage te kunnen innen?

Met het vervallen van de taken van het LBIO zal VWS op het gebied van de ouderbijdrage niet langer medeverantwoordelijk zijn voor de subsidiëring van het LBIO. Het LBIO ontvangt structureel € 2,2 mln subsidie voor deze taak. Het CAK heeft in een uitvoeringstoets aangegeven dat zij de ouderbijdrage voor circa € 1 mln kan innen.

Hoofdstuk 1, artikel 1.34

De leden van de CDA-fractie stellen in verband met artikel 1.34 vragen over de instellingen die nu nog onder de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (Wnt) vallen en onder de Jeugdwet niet meer.

In totaal worden vijf soorten instellingen geschrapt in de Wnt, namelijk:

  • 1. de bureaus jeugdzorg bestaan niet langer onder de Jeugdwet – daarvoor in de plaats worden in de Wnt de gecertificeerde instellingen opgenomen.

  • 2. de jeugdzorgaanbieders – deze worden vervangen in de Wnt door de jeugdhulpaanbieders conform de terminologie van de Jeugdwet.

  • 3. de rechtspersonen die de in de Wet op de jeugdzorg geregelde vertrouwenspersonen beschikbaar stellen – deze worden in de Wnt vervangen door rechtspersonen die de vertrouwenspersonen in het kader van de Jeugdwet beschikbaar stellen.

  • 4. de rechtspersonen die een steunfunctie uitoefenen ingevolge de Wet op de jeugdzorg ten behoeve van de bureaus jeugdzorg en jeugdzorgverleners en die door de overheid kunnen worden gesubsidieerd, worden in de Jeugdwet niet langer geregeld en komen dus ook niet terug in de Wnt.

  • 5. de instellingen als bedoeld in de overgangsbepaling artikel 104 van de Wet op de jeugdzorg, werkzaam ten behoeve van de jeugdzorg, die tot 1 januari 2013 konden worden gesubsidieerd, worden in de Jeugdwet niet meer geregeld en komen dus ook niet terug in de Wnt.

Hoofdstuk 2, onderdeel A, onder 6

De regering stelt dat het vanuit praktisch oogpunt gewenst is om bij meerderjarige jeugdigen de gemeente waar de jongere woont (financieel) verantwoordelijk te maken voor het leveren van de jeugdhulp. De regering geeft zelf aan dat dit tot consequentie kan hebben dat bij het bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd een andere gemeente verantwoordelijk kan worden. De leden van de CDA-fractie vragen zich af of hiermee het gevaar van discontinuïteit van jeugdhulp niet wordt vergroot, doordat niet iedere gemeente een contract met iedere jeugdhulpverlener zal hebben en de inhoud van de contracten van verschillende gemeenten met een en dezelfde jeugdhulpverlener kan verschillen. De leden van de CDA-fractie vragen of het wijzigen van de verantwoordelijke gemeente gevolgen kan hebben voor de continuïteit van de jeugdhulp aan een individuele cliënt? Is het niet beter om bij jeugdigen die voor hun 18e al jeugdhulp kregen, na hun 18e dezelfde woonplaats te blijven hanteren, of in ieder geval de mogelijkheid te bieden om de verantwoordelijkheid daar te houden indien er ongewenste effecten zijn?

De definitie van woonplaats in de Jeugdwet kent het gezag over de jeugdige als uitgangspunt. Daarbij is aangesloten bij het woonplaatsbeginsel van titel 3 van Boek 1 van het BW. Artikel 12 van Boek 1 van het BW bepaalt dat een minderjarige de woonplaats volgt van hem die het gezag over hem uitoefent. Overwogen is om in de Jeugdwet aan te sluiten bij het gezag zoals dat tot de achttiende verjaardag gold, maar daarvan is afgezien omdat deze meerderjarigen vaak niet meer bij hun ouders wonen en – gelet op hun leeftijd – in veel gevallen ook niet meer terug gaan naar hun ouders om daar te wonen. In plaats daarvan is gekozen voor de gemeente waar de jeugdige woont, omdat dat het beste past bij een omgevings- en toekomstgerichte hulpverlening. Het feit dat een andere gemeente jeugdhulpplichtig wordt, betekent niet zonder meer dat de jeugdhulp door een andere aanbieder – in de woonplaats van de jeugdige – voortgezet moet worden.

Voor een jeugdige die gedurende een jeugdhulpverleningstraject meerderjarig wordt zal het in verreweg de meeste gevallen het beste zijn als de hulpverlening afgerond kan worden bij dezelfde aanbieder. Overleg hierover tussen de beide gemeenten is dan ook noodzakelijk. In de praktijk zal het hierbij voornamelijk gaan om een voorziening van jeugdhulp waarvan geen «volwassen equivalent» bestaat op grond van de AWBZ of de Zvw en waarbij de jeugdige verblijft in een instelling die niet in de gemeente van zijn woonplaats is gevestigd.

Indien het gaat om een vorm van jeugdhulp waar wel een «volwassen equivalent» van bestaat op grond van de AWBZ of de Zvw, doet zich een dergelijke situatie niet voor, omdat er na de achttiende verjaardag van de jeugdige niet langer sprake is van een jeugdhulpplicht voor een gemeente. Op grond van artikel 1.2 van de Jeugdwet is het college dan niet meer gehouden een voorziening te treffen.

De leden van de CDA-fractie vragen zich af hoe de definitie van «woonplaats» in het voorstel tot wijziging van artikel 1.1. zich verhoudt tot de tweede nota van wijziging van de Wet langdurige zorg (TK 33891), waarin is bepaald dat meerderjarige licht verstandelijk gehandicapten met gedragsproblemen die op grond van de Jeugdwet een behandeltraject met verblijf zijn begonnen, dit nadat zij meerderjarig zijn geworden voor rekening van de Wlz mogen afmaken.

In artikel 1.2 van de Jeugdwet is geregeld dat het college niet gehouden is een voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen indien er naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op grond van een andere wettelijke bepaling. In de geschetste situatie betreft het een aanspraak op basis van de Wlz. In de Wlz is voorgesteld een vierde lid toe te voegen aan artikel 1.2 Jeugdwet («Het college kan een voorziening weigeren indien het college gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de cliënt aanspraak kan doen gelden op verblijf in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg, dan wel weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande.»). Dit lid is vergelijkbaar met artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015. Hiermee wordt de gemeente de mogelijkheid geboden om een voorziening te weigeren indien de verzekerde met betrekking tot zijn problematiek een recht op zorg op grond van de Wlz heeft of wanneer gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de verzekerde een indicatie voor zorg op grond van de Wlz zou kunnen krijgen, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een indicatiebesluit.

Nu meerderjarige, licht verstandelijk gehandicapten met gedragsproblemen die op grond van de Jeugdwet eerder een behandeltraject met verblijf zijn begonnen, het traject nadat zij meerderjarig zijn geworden voor rekening van de Wlz mogen afmaken, heeft de toepassing van het woonplaatsbeginsel geen gevolgen voor deze categorie van jeugdigen en wordt hun behandeltraject met verblijf bekostigd vanuit de Wlz.

De leden van de D66-fractie constateren dat wordt voorgesteld om voor meerderjarigen uit te gaan van de woonplaats van de jeugdige. De gemeente waar de jongere woont is dan financieel verantwoordelijk voor het leveren van de jeugdhulp. Deze leden vragen welke afspraken in dat kader zijn gemaakt over de overgang en hoe de privacy dan geborgd blijft bij de gegevensoverdracht?

Indien de woonplaats van de jeugdige wijzigt, wordt een andere gemeente verantwoordelijk voor het uitvoeren van de jeugdhulpplicht. De VNG bereidt momenteel een voorstel voor om afspraken te maken over de praktische gevolgen bij de overgang van de ene naar de andere gemeenten. Voor zover het niet gaat om een vorm van jeugdhulp waar een «volwassen equivalent» van bestaat op de grond van de AWBZ of de Zvw, betekent dit voor jeugdigen die gedurende een lopend hulpverleningstraject achttien jaar worden inderdaad dat de ene gemeente persoonsgegevens zal moeten verstrekken aan de andere gemeente. Indien het gaat om een vorm van jeugdhulp waar voor meerderjarigen een aanspraak op grond van de AWBZ of Zvw bestaat, zal de gemeente enkele gegevens moeten overdragen aan een zorgkantoor of een zorgverzekeraar. Zowel de verstrekkende als de ontvangende partij zijn op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens verantwoordelijk voor een veilige en zorgvuldige overdracht van gegevens.

De leden van de D66-fractie krijgen ten aanzien van het woonplaatsbeginsel en de daarmee samenhangende budgetverdeling signalen binnen dat hier knelpunten zitten met betrekking tot de zogenaamde «voogdijkinderen». Dat betreft kinderen waarvan de ouders uit beeld zijn, waardoor zorgaanbieders vaak niet kunnen achterhalen wat de formele woonplaats van de gezagdragende ouder is. De jeugdzorginstellingen hebben nu echter op grond van hun dossiers aan gemeenten moeten doorgeven voor welke kinderen die gemeenten verantwoordelijk zijn en welke kosten ze moeten dragen. Dat leidt tot onduidelijkheden over het budget. Deze leden vragen daarom welke oplossing het kabinet hiervoor aandraagt?

Bij «voogdijkinderen» is geen sprake meer gezaghebbende ouders en wordt op grond van onderdeel 2 van het woonplaatsbeginsel uitgegaan van de plaats van het werkelijk verblijf van de jeugdige. Indien bij een jeugdige (die bijvoorbeeld onder toezicht van een gezinsvoogd staat) nog wel sprake is van gezaghebbende ouders, maar de woonplaats van de gezaghebbende ouders door de jeugdhulpaanbieder niet te achterhalen is, kan de gemeente het gezagsregister raadplegen om de woonplaats vast te stellen.

Aan gemeenten en instellingen wordt ondersteuning geboden om verschillenanalyses te verrichten die aangeven waar de problemen zitten. Er is een Ondersteuningsteam Transitie dat aan de slag gaat met de verschillenanalyses en bekijkt welke oplossingen mogelijk zijn. Daarnaast vindt maandelijks overleg plaats met de brancheorganisaties om knelpunten te inventariseren en daarvoor gezamenlijk oplossingen uit te werken. Instellingen worden gevraagd om zo goed mogelijk het woonplaatsbeginsel toe te passen waardoor voorkomen kan worden dat er te grote verschillen ontstaan met het beschikbare budget. Daarbij worden goede ervaringen in de regio gedeeld met de branches.

Hoofdstuk 2, onderdeel G

De leden van de PVV-fractie vragen of de verplichtstelling van een VOG voor personen die werkzaam zijn in de gemeentelijk georganiseerde toegang, continue screening betreft dan wel het eenmalig inleveren van een VOG-verklaring.

Dit betreft het eenmalig inleveren van een VOG-verklaring. Indien echter de Inspectie of het college redelijkerwijs mag vermoeden dat niet meer voldaan wordt aan de eisen die gelden voor de afgifte van een VOG, dient op grond van artikel 4.1.6, derde lid, van de Jeugdwet de betreffende persoon zo spoedig mogelijk opnieuw een VOG te overleggen, die niet ouder is dan drie maanden.

Hoofdstuk 2, onderdeel J

De periode gedurende welke het certificaat voor een instelling geldig is, wordt teruggebracht van vijf naar drie jaar, om zo beter bij de toepasselijke ISO-norm aan te sluiten. De regering geeft aan dat dit per saldo resulteert in een kostenstijging voor de betrokken te certificeren instellingen van 14% over een periode van vijf jaar. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering een schatting kan geven wat de stijging in totaal in uitvoeringskosten is ten gevolge van deze wijziging (in euro’s).

De snellere hercertificatie betekent een kostenverhoging van circa 14%, wat een gemiddelde kostenstijging per gecertificeerde instelling betekent van circa € 4.119 over drie jaar.

Hoofdstuk 2, onderdeel Q

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat voor recent aangekomen minderjarige vreemdelingen en vluchtelingen een uitzondering wordt gemaakt met betrekking tot medezeggenschap. De regering geeft aan dat Nidos alternatieve vormen ontwikkeld heeft voor het bewerkstelligen van betrokkenheid en feedback met haar doelgroep. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kort kan ingaan op welke alternatieve vormen het hier betreft.

In artikel 38, vijfde lid, van de Wet op de jeugdzorg is onder meer geregeld dat Nidos niet hoeft te voldoen aan de bepalingen inzake de cliëntenraad. Voorgesteld wordt om deze situatie te continueren, omdat Nidos een andere vorm van cliëntenparticipatie hanteert die beter aansluit bij haar cliënten.

De Rijksuniversiteit Groningen doet voor Nidos onderzoek naar het welbevinden en het ontwikkelingsniveau van amv’s in Nederland. Hierdoor krijgt Nidos een beeld van hoe de ontwikkeling naar zelfstandigheid van de pupillen verloopt en hoe ze zelf over hun eigen functioneren denken. Ook krijgt Nidos hiermee inzicht in de visie van de pupillen op de omgeving waarin zij opgroeien en de steun die Nidos hen als wettelijk vertegenwoordiger biedt bij het zelfstandig en volwassen worden.

Voorts wordt door de Hogeschool Utrecht jaarlijks een onderzoek uitgevoerd naar de betekenis die jongeren die onder voogdij staan van Nidos geven aan de relatie met hun voogd. Hiertoe worden door studenten gesprekken gevoerd met een aantal jongeren. De gebruikte methode biedt jongeren de mogelijkheid zelf te bepalen wat ze willen zeggen over het functioneren van hun voogd en de verwachtingen die ze van hun voogd hebben.

Om zelf met jongeren in gesprek te komen en te horen waar jongeren in hun begeleiding door Nidos behoefte aan hebben, is Nidos in 2008 begonnen met het organiseren van World Cafés. Deze World Cafés blijken een goede methode om Nidos en haar doelgroep nader tot elkaar te brengen en hun onderlinge relatie te versterken. Bovendien krijgt Nidos door deze World Cafés zicht op de behoeftes die de doelgroep ten aanzien van de begeleiding door Nidos heeft. In 2013 zijn er drie World Cafés georganiseerd rond het thema wonen in een opvanggezin.

Tenslotte worden jongeren gevraagd een evaluatieformulier in te vullen op het moment dat de voogdij beëindigd wordt, zodat de mening van voogdijpupillen kenbaar is over de geboden begeleiding gedurende de periode dat ze onder voogdij van Nidos stonden.

Wij zijn dan ook van mening dat de cliënten voldoende participeren en zien geen reden om medezeggenschap via belangenorganisaties te laten verlopen.

Hoofdstuk 2, onderdeel AA

De leden van de CDA-fractie merken op dat met hoofdstuk 2, onderdeel AA, de beschikking gesloten jeugdzorg wordt gezonden naar het college, ook bij zaken waarin een OTS of voogdij is uitgesproken. Dit met als doel dat het college zijn rol als regisseur kan blijven uitoefenen. De leden van de CDA-fractie vragen wat dit in de praktijk inhoudt. Welke rol heeft het college als regisseur gelet op het feit dat de gecertificeerde instelling de regie heeft in het kader van OTS en voogdij? In de toelichting wordt immers herhaaldelijk benadrukt dat de verantwoordelijkheid voor de hulpverlening bij de gecertificeerde instelling ligt.

Inderdaad liggen regie en verantwoordelijkheid voor de hulpverlening in het gedwongen kader bij de gecertificeerde instelling. Dit neemt niet weg dat de gemeente ook een regierol heeft, voor de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen alsook voor de uitvoering van de gesloten jeugdhulp. Zo moet de gemeente deze hulp financieren en moet zij oog hebben voor een integrale gezinsgerichte aanpak. Ook is de gemeentelijke regierol evident in het hulpverleningstraject voor en na de gesloten jeugdzorg. Daarom is het noodzakelijk dat de gemeente geïnformeerd wordt over het feit dat er een machtiging gesloten jeugdhulp is verleend. Hiervoor hoeft de gemeente echter niet de gehele beschikking te ontvangen, een notificatie hiervan middels CORV is voldoende. Daarom wordt in de nota van wijziging voorgesteld om de de beschikking niet te zenden aan het college.

Hoofdstuk 2, onderdeel BBB, artikel 10.6

De leden van de D66-fractie constateren dat het uitgangspunt blijft dat de huidige bureaus jeugdzorg en de LWI’s in 2014 worden gecertificeerd. Deze leden vragen hoe dit proces verloopt en of de regering dit kan kwantificeren.

De certificeringstrajecten bij de bureaus jeugdzorg en de LWI’s verlopen voorspoedig. Op 15 september 2014 waren acht instellingen positief beoordeeld door het Keurmerkinstituut. Hiermee is al voor 56% van het cliëntenbestand een positief beoordeelde instelling beschikbaar. Voor twaalf organisaties is het certificatieproces nog bezig.3 Na de laatste check en de inwerkingtreding van de wettelijke grondslag kunnen eind 2014 certificaten worden verstrekt. De laatste check behelst onder andere de implementatie van CORV, het instrument voor het berichtenverkeer tussen gemeente en justitiële instellingen.

Hoofdstuk 2, onderdeel BBB, artikel 10.11

De leden van de D66-fractie constateren dat volgens het kabinet alle gemeenten afspraken hebben gemaakt met de bureaus jeugdzorg over het zekerstellen van de continuïteit van de taken die zij vanaf 2015 moeten vervullen, te weten de toegang, crisisdienst, AMHK en de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Deze leden stellen vast door gemeenten grote voorbehouden zijn gemaakt bij de afspraken en dat die zich nog verder moeten uitkristalliseren. Deze leden vragen hoe zich dat verhoudt met de uitspraken van het kabinet dat de continuïteit van zorg wel in orde komt? Deze leden vragen of het kabinet kan aangeven bij hoeveel gemeenten er sprake is van voorbehouden bij de afspraken?

In 32 regio’s zijn door de gemeenten in de afspraken met de bureaus jeugdzorg voorbehouden gemaakt over de financiering van de resterende frictiekosten. Bureaus jeugdzorg die de resterende frictiekosten niet zelf kunnen financieren, kunnen een beroep doen op de «Regeling vergoeding bijzondere transitiekosten». In 22 regio’s hebben gemeenten eind februari 2014 in de afspraken een voorbehoud gemaakt over de hoogte van het beschikbare budget dat zij ontvangen voor de uitvoering van de Jeugdwet. Gemeenten zijn eind mei 2014 geïnformeerd over dit budget in de meicirculaire en sluiten op basis hiervan contracten met bureaus jeugdzorg. Daarnaast zijn door gemeenten in diverse regio’s nog verschillende andere voorbehouden gemaakt, zoals het voldoen aan de certificeringseisen, transparantie van cijfers, het voldoen aan liquiditeitseisen en de samenwerking met landelijk werkende instellingen. Op basis van monitorgegevens en informatie van de bureaus jeugdzorg en gemeenten blijkt dat, ondanks dat de contracten met gemeenten nog niet zijn getekend, zij wel het vertrouwen hebben dat de continuïteit van functies van bureau jeugdzorg in 2015 zijn geborgd. Mocht alsnog blijken dat dit niet het geval is dan wordt gebruik gemaakt van de eerder genoemde overgangsregeling.

De leden van de D66-fractie vragen daarnaast hoe het staat met de afspraken over de continuïteit van taken met betrekking tot andere vormen van jeugdhulp?

Gemeenten zijn op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk voor de continuïteit van jeugdhulp. Op dit moment koersen gemeenten op het sluiten van contracten per 1 november 2014, waarmee de continuïteit van jeugdhulp per 1 januari 2015 gerealiseerd kan worden. Instellingen die de continuïteit van jeugdhulp niet kunnen realiseren met deze inkoopafspraken, kunnen zich melden bij de TAJ. Daar waar nu al blijkt dat het inkoopproces onvoldoende kans biedt op een resultaat waarmee de continuïteit van zorg kan worden gerealiseerd, wordt onderzocht wat er precies aan de hand is (bijvoorbeeld door doorlichting van het inkoopproces of bestuurlijke ondersteuning) en wordt aangedrongen op samenwerking tussen gemeenten (bovenregionale samenwerking voor inkoop en risicoverevening).

Hoofdstuk 2, onderdeel MM

De leden van de CDA-fractie vragen wat artikel 7.3.4 van de Jeugdwet betekent voor de rechtspositie van een jeugdige die jeugdhulp ontvangt van een instelling voor gehandicaptenzorg. In hoeverre is de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (31 996) voor deze jeugdigen (ook) van toepassing?

Artikel 7.3.4 van de Jeugdwet regelt het uitgangspunt dat voor de verlening van hulp toestemming vereist is van de persoon aan wie hulp wordt verleend. Het artikel regelt ook dat dat uitgangspunt niet geldt als een machtiging voor gesloten jeugdhulp is verleend. Ook indien op grond van de Wet zorg en dwang onvrijwillige zorg wordt verleend, is er sprake van verzet of het ontbreken van instemming. Wat betreft de verhouding tussen beide wetten geldt de Wet zorg en dwang als zogeheten lex specialis ten opzichte van de Jeugdwet. Dat betekent dat indien een gedwongen behandeling van een persoon noodzakelijk is als gevolg van zijn verstandelijke handicap of van een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie daarvan, de bepalingen van de Wet zorg en dwang voorgaan op die van de Jeugdwet.

Hoofdstuk 2, onderdeel OO

De leden van de PVV-fractie merken op dat door het schrappen van het tweede lid ook de jeugdige en zijn ouders in het gedwongen kader in aanmerking kunnen komen voor een persoonsgebonden budget (pgb). Hoe ziet de regering dit voor zich? Mensen willen geen hulp, maar kunnen wel geld krijgen voor hulp. Hoe wordt gecheckt of er wel gebruik gemaakt wordt van professionele hulpverleners en hoe wordt misbruik voorkomen?

Het is juist dat wordt voorgesteld om het pgb ook mogelijk te maken voor jeugdhulp terwijl sprake is van een gedwongen kader. Dit is in overeenstemming met de huidige situatie – ook nu kunnen een jeugdige en diens ouders een pgb ontvangen als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd. Deze rechten willen wij niet ontnemen.

In de Jeugdwet zijn maatregelen getroffen om misbruik en oneigenlijk gebruik tegen te gaan. Zo toetst de gemeente de aanvraag op de genoemde voorwaarden en wordt het pgb niet rechtstreeks betaald aan het gezin, maar doet de Sociale Verzekeringsbank (SVB) de betalingen aan de hulpaanbieder, namens het college.

Voorts maakt de voorgestelde wijziging van artikel 8.1.1, tweede lid, onderdeel a, het mogelijk dat een persoonsgebonden budget wordt verstrekt indien de jeugdige en diens ouders met hulp van de gecertificeerde instelling of met hulp van de aanbieder van gesloten jeugdhulp in staat zijn de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Dit betekent dat de gemeente de hulp van de gecertificeerde instelling kan inschakelen om ervoor te zorgen dat het budget op een juiste en verantwoorde wijze wordt besteed.

Hoofdstuk 2, onderdeel RR

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering voornemens is gebruik te maken van de mogelijkheid genoemd in onderdeel RR van hoofdstuk 2 om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen over de wijze waarop de Sociale Verzekeringsbank (SVB) deze taken uitvoert, en zo ja, wat daarvoor de reden is. Met onderdeel RR van hoofdstuk 2 wordt geregeld dat de SVB naast het verrichten van de betalingen van persoonsgebonden budgetten ook het hiermee verbonden budgetbeheer uitvoert. Dit brengt met zich mee dat gemeenten de SVB informatie zullen moeten verstrekken en dat de SVB aan de gemeente rekenschap zal moeten afleggen over de uitvoering.

Vooralsnog bestaat niet de noodzaak om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen over de wijze waarop de SVB de betreffende taken uitvoert. De SVB zal in het kader van de Wmo 2015 en de Wlz vergelijkbare taken uitvoeren. Dit verhoogt de uniformiteit, de doelmatigheid en de gecoördineerde aanpak van fraude. Met het oog daarop zijn in de Jeugdwet, de Wmo 2015 en de Wlz eensluidende delegatiebepalingen opgenomen, zodat indien noodzakelijk met nadere regels de uniformiteit, de doelmatigheid en de aanpak van fraude verbeterd kunnen worden.

Hoofdstuk 2, onderdeel BBB

De leden van de CDA-fractie merken op dat de regering in de toelichting op Hoofdstuk 2, onderdeel BBB aangeeft dat bij een verhuizing de nieuwe gemeente verantwoordelijk wordt voor de uitvoering van reeds lopende maatregelen in het kader van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. De nieuwe woonplaatsgemeente is in een dergelijk geval niet verplicht de uitvoering bij dezelfde gecertificeerde instelling voort te zetten. De regering geeft aan dat dit in bepaalde situaties wel zinvol kan zijn en dat jongeren en ouders altijd de mogelijkheid hebben om aan de rechter te vragen om een vervangende instelling te zoeken. De leden van de CDA-fractie vragen of dit betekent dat de gemeente via de rechter gedwongen kan worden om alsnog de uitvoering door de instelling te laten plaatsvinden waar de jongere in de vorige gemeente door werd geholpen.

De constatering van de leden van de CDA-fractie is juist. De rechter kan bepalen om de gecertificeerde instelling te laten vervangen door een andere instelling. Dit kan op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, de raad voor de kinderbescherming, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder (artikel 1:259 BW).

Dat leidt ertoe dat de gemeente alsnog de uitvoering bij een eerder betrokken gecertificeerde instelling zal moeten voortzetten.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven