Gepubliceerd: 27 oktober 2015
Indiener(s): Wilma Mansveld (PvdA)
Onderwerpen: openbare orde en veiligheid organisatie en beleid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33872-19.html
ID: 33872-19

Nr. 19 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 oktober 2015

Op 14 september 2015 vond het wetgevingsoverleg plaats over het – thans bij de Eerste Kamer aanhangige – wetsvoorstel wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving) (Kamerstuk 33 872, nr. 18). Daarin is met u gesproken over het elke twee jaar uit te voeren onderzoek dat ingevolge artikel 5, zesde lid, zal moeten worden verricht naar de doeltreffendheid van de regels die een goede kwaliteit van de uitvoering en handhaving waarborgen. In het overleg heb ik toegezegd u vóór de begrotingsbehandeling te zullen informeren over de wijze van aanpak van het onderzoek. Het gaat daarbij om onderzoek naar de verordening die gemeenten en provincies zullen opstellen voor de uitvoering en handhaving van het zogenoemde basistakenpakket door de omgevingsdiensten, alsmede om onderzoek naar de zorgplicht die voor de overige taken geldt. Het onderzoek zal voor het zomerreces van 2017 worden afgerond.

Het onderzoek zal bestaan uit twee hoofdvragen:

  • 1. Hebben alle bestuursorganen een verordening aangenomen welke regels stelt over de (kwaliteit) van de uitvoering van VTH-taken?; – zijn deze regels afgestemd en uniform per omgevingsdienst?; – zijn deze regels afgestemd en landelijk uniform voor de BRZO-taken?; – worden de VTH-taken uitgevoerd conform gestelde regels?

  • 2. Op welke wijze vullen de bestuursorganen de zorgplicht in voor de niet-basistaken?; -zijn er grote verschillen tussen gemeenten?

Over de aanpak is overleg met IPO en VNG. Er wordt naar gestreefd het onderzoek zo in te richten dat de door omgevingsdiensten, gemeenten en provincies ten behoeve daarvan te verstrekken gegevens zo efficiënt mogelijk kunnen worden verkregen. Een mogelijkheid is daarvoor gebruik te maken van de (zelf)evaluatietool die geschikt is voor de interne verantwoording naar de opdrachtgevers c.q. de raden/staten, maar ook kan worden benut om elke twee jaar een landelijk beeld te verkrijgen. In overleg met IPO en VNG zal een onderzoeksbureau worden gevraagd de mogelijkheden hiertoe te bezien. Het onderzoek zelf zal worden uitbesteed aan een onafhankelijk onderzoeksbureau.

Ten slotte treft u, zoals in het wetgevingsoverleg van 14 september is toegezegd, bijgaand aan de door het IPO en de VNG bestuurlijk vastgestelde modelverordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht1.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld