Gepubliceerd: 2 september 2013
Indiener(s): Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA)
Onderwerpen: financieel toezicht financiën
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33632-8.html
ID: 33632-8
Origineel: 33632-2

Nr. 8 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 3 september 2013

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel I, onderdeel A, wordt na subonderdeel 2 een subonderdeel ingevoegd, luidende:

2a. In de definitie van beleggingsinstelling met zetel in een niet-aangewezen staat wordt na «een staat» ingevoegd: , niet zijnde een lidstaat,.

B

In artikel I worden na onderdeel D twee onderdelen ingevoegd, luidende:

Da

Artikel 1:13b wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, aanhef, komt te luiden:

1. Het ingevolge deze wet bepaalde is, onverminderd het tweede lid, ten aanzien van beheerders van beleggingsinstellingen, niet van toepassing op het in Nederland aanbieden van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of beheren van een Nederlandse beleggingsinstelling, door een beheerder van een beleggingsinstelling met zetel in een staat die door Onze Minister is aangewezen op grond van artikel 2:66, eerste lid, of door een beheerder van een beleggingsinstelling met zetel in een niet-aangewezen staat, indien:.

2. Onder vernummering van het tweede lid tot vierde lid, worden twee leden ingevoegd, luidende:

2. De artikelen 3:74c, 4:37l tot en met 4:37o, 4:37q tot en met 4:37z, 5:19a en 5:25c zijn van overeenkomstige toepassing op het in Nederland aanbieden van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of beheren van een Nederlandse beleggingsinstelling, door een beheerder van een beleggingsinstelling met zetel in een staat die door Onze Minister is aangewezen op grond van artikel 2:66, eerste lid, of door een beheerder van een beleggingsinstelling met zetel in een niet-aangewezen staat.

3. Het ingevolge deze wet bepaalde ten aanzien van beheerders van beleggingsinstellingen is van overeenkomstige toepassing op een vergunninghoudende beheerder van een beleggingsinstelling met zetel in een lidstaat, die in Nederland rechten van deelneming aanbiedt in een beleggingsinstelling met zetel in een staat die geen lidstaat is, indien:

a. rechten van deelneming uitsluitend worden aangeboden aan gekwalificeerde beleggers;

b. de staat waar de beleggingsinstelling is gevestigd niet op de lijst van niet-coöperatieve landen en gebieden van de Financial Action Task Force of diens opvolger staat; en

c. de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar de beheerder van een beleggingsinstelling is gevestigd en de toezichthoudende instantie van de staat waar de beleggingsinstelling is gevestigd een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten die ten minste een efficiënte informatie-uitwisseling waarborgt en die de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar de beheerder van een beleggingsinstelling is gevestigd in staat stelt haar toezichthoudende taken uit te voeren.

3. In het vierde lid (nieuw) wordt na «eerste lid, onderdeel c,» ingevoegd: en derde lid, onderdeel c,.

Db

Artikel 1:14 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «geen leningen» vervangen door «leningen» en «geen beleggingsbeleid» vervangen door: beleggingsbeleid.

2. In onderdeel b wordt «niet via dochterondernemingen» vervangen door: dochterondernemingen.

C

In artikel I, onderdeel J, wordt na subonderdeel 1 een subonderdeel ingevoegd, luidende:

1a. In het tweede lid, wordt «2:68» vervangen door: 2:67b, 2:68, 2:69c.

D

In artikel I worden na onderdeel M twee onderdelen ingevoegd, luidende:

Ma

In artikel 1:58, eerste lid, wordt «een beheerder met zetel in een andere lidstaat van een icbe of» vervangen door: een beheerder van een icbe met zetel in een andere lidstaat,.

Mb

Artikel 1:61 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «beheerder met zetel» vervangen door: beheerder van een icbe met zetel.

2. In het tweede en vierde lid wordt «2:65» telkens vervangen door: 2:69b.

3. In het derde lid wordt «instellingen voor collectieve belegging in effecten» vervangen door: icbe’s.

4. In het vierde lid wordt «instelling voor collectieve belegging in effecten» telkens vervangen door: icbe.

E

Artikel I, onderdeel Q, komt te luiden:

Q

Artikel 1:97 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel d, vervalt «of».

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van het eerste lid, onderdeel e, door «, of» wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

f. artikel 1:75, eerste lid, voor zover het betreft de niet-naleving van een met betrekking tot artikel 4:24a, eerste of tweede lid, gegeven aanwijzing.

F

Artikel I, onderdeel R, wordt als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede «vervalt «2:23»» wordt vervangen door: vervallen «2:23,» en «2:69b,».

2. Na «2:3.0g, vierde lid,» wordt ingevoegd: 2:67b,.

G

Artikel I, onderdeel T, subonderdeel 1, onder a, wordt als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede «vervalt «2:23»» wordt vervangen door: vervallen «2:23,» en «2:69b,».

2. Na «2:3.0l, vierde lid,» wordt ingevoegd: 2:67b,.

H

Artikel I, onderdeel U, komt te luiden:

U

Artikel 2:2 wordt als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede «2:68, vierde lid,» vervalt.

2. In de opsomming van artikelen worden in numerieke volgorde ingevoegd: 2:3.0b, vierde lid, 2:3.0d, vierde lid, 2:3.0e, achtste lid, 2:3.0g, vierde lid, en 2:54h, derde lid,.

I

In artikel I wordt na onderdeel U een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ua

In artikel 2:3 wordt «2:67, vijfde lid» vervangen door «2:67b, vierde lid» en vervalt: 2:68, vierde lid,.

J

In artikel I, onderdeel W, wordt na «elektronischgeldinstellingen» ingevoegd: met zetel.

K

Artikel I, onderdeel Z, komt te luiden:

Z

In artikel 2:66, eerste lid, aanhef, wordt na «het aanbieden van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling» ingevoegd: of het beheren van een Nederlandse beleggingsinstelling.

L

In artikel I worden na onderdeel Z vier onderdelen ingevoegd, luidende:

Za

In artikel 2:66a, zesde lid, wordt na «waarin een dergelijk aanbod in het vooruitzicht wordt gesteld, wordt» ingevoegd:, indien een aanbieding niet uitsluitend aan professionele beleggers wordt gedaan,.

Zb

In artikel 2:67b, negende lid, wordt «derde lid» vervangen door: vierde lid.

Zc

In artikel 2:68 wordt, onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid, een lid ingevoegd, luidende:

2. Ingeval een gekwalificeerde deelneming wordt gehouden in een beleggingsmaatschappij verleent de Autoriteit Financiële Markten een vergunning, onverminderd het eerste lid, indien de houder van de gekwalificeerde deelneming in de beleggingsmaatschappij door de Autoriteit Financiële Markten betrouwbaar is bevonden.

Zd

In artikel 2:70 vervalt: in de andere lidstaat gelegen.

M

In artikel I vervalt onderdeel AA.

N

In artikel I, onderdeel TT, wordt de tekst van het voorgestelde artikel 3:62a als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «Een bank of beleggingsonderneming met zetel in Nederland waarvoor een solvabiliteitsvereiste geldt ingevolge artikel 3:57,» vervangen door: Een bank met zetel in Nederland of een beleggingsonderneming met zetel in Nederland die beleggingsdiensten verleent als bedoeld in onderdeel e van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1, of beleggingsactiviteiten verricht als bedoeld in onderdeel a van de definitie van verrichten van een beleggingsactiviteit in artikel 1:1,.

2. In het tweede lid wordt onderdeel a geletterd b.

3. Het derde lid, onderdeel b, wordt als volgt gewijzigd:

a. De zinsnede «tien werkdagen» wordt vervangen door: vijf werkdagen.

b. Onder vervanging van de punt aan het slot van het onderdeel door een komma, wordt een zinsnede toegevoegd, luidende: met dien verstande dat de Nederlandsche Bank de termijn kan verlengen tot tien dagen, indien zij dit met het oog op de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van de onderneming passend acht.

O

In onderdeel QQQa wordt het voorgestelde artikel 4:9a als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid wordt vernummerd tot vijfde lid.

2. Na het tweede lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

3. Tot de gegevens, bedoeld in het eerste lid, behoort tevens het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer.

4. Erkende exameninstituten en Onze Minister zijn ten behoeve van de uitvoering van de krachtens artikel 4:9, derde en vierde lid, gestelde regels bevoegd de in het informatiesysteem opgenomen burgerservicenummers te verwerken.

P

Artikel I, onderdeel UUU, komt te luiden:

UUU

In artikel 4:27, eerste en tweede lid, wordt na «de jaarrekening van» telkens ingevoegd «een afwikkelonderneming met zetel in Nederland,» en wordt «Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling» telkens vervangen door: beheerder van een beleggingsinstelling met zetel in Nederland.

Q

In artikel I, onderdeel VVV, wordt na het opschrift van paragraaf 4.2.4a een artikelopschrift ingevoegd, luidende:

Artikel 4:27a.

R

In artikel I wordt na onderdeel VVV een onderdeel ingevoegd, luidende:

VVVa

In artikel 4:37b wordt «4:37o» vervangen door: 4:37p.

S

Artikel I, onderdeel WWW, wordt als volgt gewijzigd:

1. In subonderdeel 2 wordt «vermogen van de entiteit» vervangen door: eigen vermogen van de entiteit.

2. In subonderdeel 3 wordt «Het eerste en tweede lid» vervangen door: Het tweede lid.

3. Na subonderdeel 4 wordt een subonderdeel ingevoegd, luidende:

4a. In het zesde lid (nieuw) wordt «dient het vermogen» vervangen door: dient het eigen vermogen.

4. Subonderdeel 8 komt te luiden:

8. Het negende lid (nieuw) komt te luiden:

9. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die het eerste lid beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

T

Artikel I, onderdeel YYY, wordt als volgt gewijzigd:

1. In subonderdeel 2 wordt «vermogen van de entiteit» vervangen door: eigen vermogen van de entiteit.

2. In subonderdeel 3 wordt «Het eerste en tweede lid» vervangen door: Het tweede lid.

3. Na subonderdeel 3 wordt een subonderdeel toegevoegd, luidende:

4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

5. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dat lid beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

U

In artikel I, onderdeel ZZZ, wordt na subonderdeel 2 een subonderdeel ingevoegd, luidende:

2a. In het vierde lid wordt de zinsnede «dient het vermogen» vervangen door: dient het eigen vermogen.

V

In artikel I, onderdeel JJJJ, subonderdeel 1, wordt «onderdeel b» vervangen door: onderdeel c.

W

Artikel I, onderdeel KKKK, komt te luiden:

KKKK

Artikel 5:47 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b wordt «5:38, derde lid» vervangen door: 5:38, vierde lid.

2. In onderdeel c wordt «5:38, derde lid» vervangen door «5:38, vierde lid» en wordt «5:39, tweede lid» vervangen door: 5:39, derde lid.

X

In artikel I wordt na onderdeel KKKK een onderdeel ingevoegd, luidende:

KKKKa

In artikel 5:60, eerste lid, wordt «waarin de uitgevende instelling gehouden is de jaarlijkse informatie in verband met de aandelen te verstrekken overeenkomstig artikel 10 van de richtlijn prospectus» vervangen door: waar de aandelen voor de eerste maal na de datum van inwerkingtreding van de richtlijn prospectus aan het publiek worden aangeboden of waar voor de eerste maal toelating tot de handel op een gereglementeerde markt wordt aangevraagd, tenzij hierdoor de lidstaat van herkomst niet volgens de voorkeur van de uitgevende instelling met zetel in een staat die geen lidstaat is, is bepaald en deze achteraf een keuze maakt voor een andere lidstaat van herkomst.

Y

Artikel I, onderdeel MMMM, wordt als volgt gewijzigd:

1. In subonderdeel 3 wordt «3:62a, tweede tot en met vierde lid» vervangen door: 3:62a, derde tot en met vijfde lid.

2. In subonderdeel 4 wordt in de opsomming van artikelen in de numerieke volgorde ingevoegd: 4:37j, eerste en tweede lid.

Z

Artikel I, onderdeel NNNN, wordt als volgt gewijzigd:

1. In subonderdeel 2 wordt «2:30.On» vervangen door: 2:3.On.

2. In subonderdeel 3 wordt «3:62a, tweede tot en met vierde lid» vervangen door: 3:62a, derde tot en met vijfde lid.

3. In subonderdeel 4 wordt in de opsomming van artikelen in de numerieke volgorde ingevoegd: 4:37j, eerste en tweede lid.

AA

Artikel III, onderdeel A, komt te luiden:

A

Artikel 210 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid worden na de eerste volzin twee volzinnen ingevoegd, luidende:

Indien van de vennootschap effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht, bedraagt de termijn vier maanden. Deze termijn kan niet worden verlengd.

2. Aan het achtste lid wordt een zin toegevoegd, luidende:

Geen ontheffing kan worden verleend ten aanzien van het opmaken van de jaarrekening van een vennootschap waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht.

BB

In artikel III, onderdeel B, subonderdeel 2, wordt «artikelen 362, lid 6, laatste volzin» vervangen door: artikelen 362, lid 6, een na laatste volzin.

CC

In artikel III, onderdeel D, wordt aan artikel 452, tweede lid, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

c. de dag waarop de jaarrekening is openbaar gemaakt, bedoeld in artikel 394 lid 1, indien het een effectenuitgevende instellingen betreft met statutaire zetel in Nederland, waarvan effecten alleen zijn toegelaten tot de handel op een met een gereglementeerde markt vergelijkbaar systeem in een staat die geen lidstaat is.

DD

In artikel III, onderdeel E, subonderdeel 2, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, aan de tekst van het voorgestelde vierde lid een onderdeel toegevoegd, luidende:

c. de dag waarop de jaarrekening is openbaar gemaakt, bedoeld in artikel 394 lid 1, indien het een effectenuitgevende instellingen betreft met statutaire zetel in Nederland, waarvan effecten alleen zijn toegelaten tot de handel op een met een gereglementeerde markt vergelijkbaar systeem in een staat die geen lidstaat is.

EE

In artikel VII, onderdeel D, subonderdeel 1, komt onder 2° te luiden:

2° De kolommen behorend bij de toezichtcategorie «Beleggingsinstellingen en aanbieders van beleggingsobjecten» worden als volgt gewijzigd:

a. in de kolom «Personen» komt onderdeel b. te luiden:

b. Beheerders van icbe’s waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:69b van de Wft.;

b. in de kolom «Wetsverwijzing» wordt «artikel 2:69a Wft» vervangen door: artikel 2:69b Wft.

FF

In artikel XII wordt na onderdeel C een onderdeel ingevoegd, luidende:

C0a

Aan artikel 48a wordt een lid toegevoegd, luidende:

5. De Autoriteit Financiële Markten kan in afwijking van artikel 63a de voornaamste bevindingen en conclusies van beoordelingen als bedoeld in het vierde lid openbaar maken, met dien verstande dat die bevindingen en conclusies niet herleidbaar zijn tot andere personen dan de betrokken accountantsorganisaties.

GG

Artikel XVI, onderdeel A, komt te luiden:

A

Artikel 1 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid, onderdeel a, wordt gewijzigd als volgt:

a. In subonderdeel 1 wordt «die ingevolge artikel 1:107, tweede lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°, van die wet geregistreerd is» vervangen door:, niet zijnde een natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap waarvoor op grond van artikel 2:11, tweede lid, of artikel 2:16, vierde lid, van die wet geen vergunning tot uitoefening van het bedrijf van bank vereist is.

b. Subonderdeel 2 komt te luiden:

2°. degene die, geen bank zijnde, in hoofdzaak zijn bedrijf maakt van het verrichten van een of meer van de werkzaamheden die zijn opgenomen onder punt 2, 3, 5, 6, 9, 10 en 12 van Bijlage I van Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking) (PbEU 2006, L 177);.

c. In subonderdeel 12, onder e, wordt de zinsnede «onder 11°» vervangen door: onder 23°.

d. Na subonderdeel 24 wordt een subonderdeel toegevoegd, luidende:

25°. icbe als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op het financieel toezicht;.

2. In het tweede lid wordt de zinsnede «belastingadviseurs als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 11°, en de personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 12° en 13°» vervangen door: de personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 12° en 13°, en belastingadviseurs als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 23°.

HH

Artikel XVI, onderdeel B, komt te luiden:

B

Artikel 3 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het zevende lid, wordt na «Het eerste tot en met zesde lid» ingevoegd: en het achtste lid.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

12. Voor de toepassing van het tweede lid wordt, indien de in het eerste lid bedoelde verplichting rust op een tussenpersoon als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, onder 14°, onder cliënt mede verstaan: de wederpartij van de cliënt bij de door bemiddeling van de tussenpersoon tot stand gebrachte en gesloten overeenkomst inzake onroerende zaken en rechten waaraan onroerende zaken zijn onderworpen.

II

In artikel XVI wordt na onderdeel B een onderdeel ingevoegd, luidende:

B0a

In artikel 4, eerste lid, wordt «artikel 3, derde lid, onderdeel b» vervangen door: artikel 3, vijfde lid, onderdeel b.

JJ

In artikel XVI wordt na onderdeel Ba een onderdeel ingevoegd, luidende:

Bb

In artikel 7, eerste lid, wordt «derde lid, aanhef en onderdelen a, b en d, en vierde lid» vervangen door: vijfde lid, aanhef en onderdelen a, b en d, en zesde lid.

KK

Artikel XVI, onderdeel D, komt te luiden:

D

In artikel 23, vierde lid, en vijfde lid, onderdelen 2° en 3°, wordt «artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 11°, 12° en 13°» telkens vervangen door: artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 11°, 12°, 13° en 23°.

LL

Na artikel XVII wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XVIIa

Artikel VII, zevende lid, van de Wet van 12 juni 2013 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, het Burgerlijk Wetboek, de Wet op de economische delicten en enige fiscale wetten ter implementatie van richtlijn nr. 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) Nr. 1060/2009 en (EU) Nr. 1095/2010 (PbEU 2011, L 174) (Stb. 2013, 228) komt te luiden:

7. In afwijking van artikel 4:37i, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht kan de Stichting Autoriteit Financiële Markten toestaan dat tot en met 21 juli 2017:

a. een buitenlandse beheerder van een beleggingsinstelling met zetel in een staat die geen lidstaat is die een Nederlandse beleggingsinstelling beheert; of

b. een beheerder van een beleggingsinstelling welke beheerder zetel in Nederland heeft en een beleggingsinstelling met zetel in een lidstaat beheert, voor zover die beleggingsinstelling geen vergunning bezit of is geregistreerd;

een bewaarder aanstelt die is gevestigd in een andere lidstaat dan de lidstaat waarin de beleggingsinstelling is gevestigd.

TOELICHTING

ALGEMEEN

§1. Inleiding

Deze nota van wijziging bevat voornamelijk verbeteringen van onvolkomenheden die zijn geconstateerd in het wetsvoorstel, en van een aantal onvolkomenheden in het kader van de implementatie van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen. Verder bevat deze nota een uitwerking van drie punten die zijn aangekondigd in de nota naar aanleiding van het verslag.

Allereerst wordt in het wetsvoorstel de mogelijkheid opgenomen voor de Autoriteit Financiële Markten (AFM) om informatie openbaar te maken over de kwaliteit van individuele accountantsorganisaties. Een uitgebreide toelichting op dit punt treft u hieronder aan in paragraaf twee. Daarnaast wordt een onderdeel van het wetsvoorstel aangepast naar aanleiding van de intussen definitief vastgestelde tekst van de Capital Requirements Directive IV (richtlijn CRD IV). Gebleken is namelijk dat de richtlijn op het punt van de systeemrelevantiebuffer, met beperkte wijziging van het wetsvoorstel kan worden omgezet. De aanpassingen van het wetsvoorstel betreffen de reikwijdte van de verplichting om een kapitaalbuffer aan te houden, alsmede de termijn voor het indienen van het kapitaalconserveringsplan. Tot slot is naar aanleiding van een vraag van de VVD-fractie toegezegd dat de regering zich nader zou buigen over het advies van de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht ten aanzien van de artikelen 2:452 en 454 BW. Het wetsvoorstel wordt naar aanleiding van dit advies zo aangepast dat alsnog in een wettelijke termijn wordt voorzien waarbinnen de AFM op grond van de artikelen 2:452 en 454 BW een verzoek bij de ondernemingskamer kan indienen. Een meer uitgebreide toelichting op de laatste twee onderwerpen treft u aan in de artikelsgewijze toelichting (onderdelen N, CC en DD).

§2. Informatie over de kwaliteit van individuele accountantsorganisaties

De AFM houdt sinds 2006 toezicht op accountantsorganisaties die wettelijke controles uitvoeren. Dit zijn alle controles die verplicht zijn gesteld bij of krachtens de wettelijke bepalingen die zijn genoemd in de bijlage bij de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta). Dit betreft de accountantscontrole ingevolge artikel 2:393 van het Burgerlijk Wetboek en diverse andersoortige controles die van belang zijn voor het maatschappelijk verkeer, zoals controles op jaarrekeningen van gemeenten, provincies en een aantal zelfstandige bestuursorganen.

Voor accountantsorganisaties die wettelijke controles verrichten bij organisaties van openbaar belang (OOB’s) gelden zwaardere eisen dan voor accountantsorganisaties die uitsluitend wettelijke controles verrichten bij niet-OOB’s (zgn. niet-OOB-kantoren). Bij niet-OOB-kantoren onderzoekt de AFM op grond van artikel 48a, eerste lid, van de Wta minimaal één keer in de zes jaar of nog aan de normen van de Wta wordt voldaan, terwijl de kwaliteit van OOB-kantoren op grond van artikel 48a, tweede lid, van de Wta minimaal één keer in de drie jaar door de AFM wordt beoordeeld. De AFM geeft aan de OOB-kantoren in haar toezicht de prioriteit, aangezien de controles van die kantoren van groot belang zijn voor de financiële markten en zij bovendien het grootste deel van het totaal aantal wettelijke controles voor hun rekening nemen.

Op grond van artikel 48a, vierde lid, van de Wta stelt de AFM een verslag op waarin de voornaamste conclusies van de bij een accountantsorganisatie uitgevoerde beoordeling zijn opgenomen. Een afschrift van een dergelijk verslag wordt enkel verstrekt aan de desbetreffende accountantsorganisatie. Op grond van artikel 63a van de Wta geldt immers het uitgangspunt dat vertrouwelijke gegevens in de zin van die wet binnen de muren van de AFM blijven, behoudens de gevallen waarin verstrekking is toegestaan op grond van de Wta. Op grond van artikel 63, derde lid, van de Wta kan de AFM met gebruikmaking van vertrouwelijke gegevens en inlichtingen verkregen bij de uitvoering van haar taak op grond van die wet wel mededelingen doen, indien deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke personen, accountantsorganisaties of auditkantoren. In dat kader publiceert de AFM geregeld rapporten waarin zij algemene bevindingen opneemt die zijn gebaseerd op bij accountantsorganisaties uitgevoerde onderzoeken.

De Europese Commissie heeft op 30 november 2011 voorstellen gepresenteerd voor de hervorming van de accountantsmarkt. Een van de voorstellen betreft het publiceren van de bevindingen en conclusies van kantoorspecifieke onderzoeken van de AFM. De door de Europese Commissie voorgestelde maatregelen zijn begin 2012 publiekelijk geconsulteerd. Een grote meerderheid van de respondenten bleek voorstander te zijn van het openbaar maken van kantoorspecifieke rapporten van de AFM. Mede op basis hiervan heeft het kabinet zich in zijn definitieve standpunt over de voorstellen van de Europese Commissie voorstander getoond van het voorstel om de bevindingen en conclusies van kantoorspecifieke onderzoeken van de AFM te publiceren. Het kabinet heeft daarbij echter aangegeven dat aan enkele randvoorwaarden dient te worden voldaan: informatie mag niet herleidbaar zijn tot controlecliënten en voorafgaand aan de openbaarmaking door de AFM moet hoor en wederhoor plaatsvinden tussen de AFM en betreffende accountantsorganisaties. Daarbij heeft te gelden dat hoor en wederhoor met een accountantsorganisatie slechts behoeft plaats te vinden ter zake van de geconstateerde feiten ten aanzien van de accountantsorganisatie in kwestie.

Ook heeft het kabinet zich rekenschap gegeven van een aantal door de AFM geplaatste kanttekeningen, maar daarbij aangegeven van mening te zijn dat deze niet opwegen tegen de voordelen die met het publiceren van kantoorspecifieke onderzoeken gepaard gaan. Publicatie draagt immers bij aan verdere transparantie over de kwaliteit van accountantsorganisaties.

Over de voorstellen van de Europese Commissie voor de hervorming van de accountantsmarkt wordt sinds begin 2012 in Europees verband onderhandeld. De bekendmaking van de definitieve maatregelen wordt niet eerder dan 2014 verwacht. In beginsel is het kabinet altijd terughoudend met het vooruitlopen op nieuwe Europese regelgeving. Tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat de Tweede Kamer met het aannemen van een aantal amendementen bij de op 1 januari 2013 in werking getreden Wet op het accountantsberoep is vooruitgelopen op een paar andere maatregelen die onderdeel zijn van de voorstellen van de Europese Commissie. Een van deze amendementen is het amendement Van Vliet waarbij OOB’s worden verplicht om na acht aangesloten jaren te wisselen van accountantsorganisatie met een afkoelingsperiode van twee jaar. De bepaling in de Wta waarin deze verplichte kantoorroulatie is opgenomen (artikel 23, onderdeel c) treedt op 1 januari 2016 in werking. In de praktijk betekent dit dat honderden OOB’s nog voor de inwerkingtreding op 1 januari 2016 van accountantsorganisatie moeten wisselen. Mede in dat licht meen ik te kunnen constateren dat er binnen de Tweede Kamer een breed draagvlak bestaat voor de ook in de sector levende wens om vooruitlopend op de Europese regelgeving het publiceren van informatie over de kwaliteit van individuele accountantsorganisaties mogelijk te maken. Met het toevoegen van een nieuw lid aan artikel 48a van de Wta wordt het voor de AFM mogelijk om informatie over de kwaliteit van individuele accountantsorganisaties openbaar te maken.

ARTIKELSGEWIJS

A

In de definitie van «beleggingsinstelling met zetel in een niet-aangewezen staat» was niet expliciet vermeld dat een dergelijke niet-aangewezen staat geen lidstaat kan zijn. Dit gebrek wordt met deze wijziging hersteld.

B

Onderdeel Da

In artikel 1:13b van de Wft wordt een derde lid ingevoegd, ter implementatie van artikel 36 van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen. Per abuis was dit artikel eerder niet geïmplementeerd. Artikel 36 bevat de mogelijkheid voor lidstaten om Europese beheerders van een beleggingsinstelling toe te staan om op hun grondgebied rechten van deelneming in niet-Europese beleggingsinstellingen aan te bieden aan professionele beleggers. Hierbij geldt wel als voorwaarde dat die beheerder van een beleggingsinstelling over een vergunning moet beschikken in de staat waar de beheerder zijn zetel heeft. Artikel 36 van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen biedt in het eerste lid, onderdeel a, lidstaten de mogelijkheid om in dat geval niet aan alle bepalingen van de richtlijn te voldoen. Artikel 21 van de richtlijn (de voorwaarden aan de bewaarder) zou buiten toepassing gelaten mogen worden. In Nederland wordt er echter voor gekozen om alleen beheerders toe te laten die wel aan de voorwaarden met betrekking tot de bewaarder uit artikel 21 voldoen.

Tevens is in artikel 36, tweede lid, van de richtlijn bepaald dat de lidstaten ook strengere eisen mogen stellen. Daarvan wordt gebruik gemaakt met betrekking tot de beleggers waaraan kan worden aangeboden. Artikel 36 ziet op het aanbieden aan professionele beleggers. In het Nederlandse nationale derdelandenbeleid is ervoor gekozen om de mogelijkheden alleen te gebruiken voor het aanbieden aan gekwalificeerde beleggers. Deze afbakening is daarom ook toegepast bij de implementatie van artikel 36 van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen.

Verder wordt de aanhef van het eerste lid van artikel 1:13b aangepast. Hiermee worden twee wijzigingen bewerkstelligd. Ten eerste wordt het nationale derdelandenbeleid ook van toepassing wanneer een beheerder uit een aangewezen of niet-aangewezen staat een Nederlandse beleggingsinstelling beheert, maar niet aanbiedt in Nederland. Bij het nationale derdelandenbeleid dat tijdelijk nog gehanteerd mag worden, wordt de lijn gehanteerd dat de mogelijkheden die voor de implementatie van de richtlijn bestonden voor beheerders uit derde landen, ook in het nationale derdelandenbeleid worden geboden. De vergunningverlening aan beheerders van beleggingsinstellingen en de bepalingen met betrekking tot beheerders uit derde landen zagen voor de implementatie alleen op het aanbieden van rechten van deelneming. Wanneer echter in het verleden werd aangeboden en later alleen nog beheerd, kon op grond van het destijds geldende artikel 1:13, vijfde lid, van de Wft nog steeds worden aangeboden in Nederland. Om het ook binnen het nationale derdelandenbeleid mogelijk te maken om alleen een Nederlandse beleggingsinstelling te beheren, wordt deze mogelijkheid nu opgenomen in de aanhef van artikel 1:13b van de Wft. Ten tweede worden de artikelen die wel van toepassing zijn op beheerders van een beleggingsinstelling uit derde landen aangepast. Per abuis was een aantal artikelen niet opgenomen in de opsomming van artikelen die wel toegepast moeten worden. Deze opsomming is daarom aangepast, zodat ook aan de artikelen 4:37o en 4:37q tot en met 4:37z moet worden voldaan. Verder is thans bepaald dat deze artikelen van toepassing zijn, terwijl de artikelen niet letterlijk toegepast kunnen worden aangezien geen sprake is van een Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling. Daarom wordt de opsomming opgenomen in een apart lid en wordt vermeld dat desbetreffende artikelen van overeenkomstige toepassing zijn.

Onderdeel Db

Ten onrechte was zowel in de aanhef van artikel 1:14 van de Wft als in de onderdelen zelf een ontkenning opgenomen. Dit wordt hersteld.

C

Met de wijziging van artikel 1:48, tweede lid, van de Wft wordt bewerkstelligd dat artikel 1:48 van de Wft ook kan worden toegepast bij de vergunningverlening op grond van de artikelen 2:67b en 2:69c van de Wft.

D

Met de wijziging van de artikelen 1:58 en 1:61 van de Wft wordt gebruik gemaakt van het begrip «beheer(der) van een icbe» zoals dat in artikel 1:1 is opgenomen. De tekst die wordt vervangen sluit niet aan bij die definitiebepaling.

E

Met deze wijziging wordt in de opsomming een onderdeel f toegevoegd, aangezien in het eerste lid van artikel 1:97 al een onderdeel e is opgenomen.

F

In artikel 1:105, onderdeel c, van de Wft vervalt ook de verwijzing naar artikel 2:69b van de Wft, aangezien in dit laatste artikel geen ontheffingsmogelijkheid is opgenomen. Daarbij wordt bewerkstelligd dat achter alle artikelen ook de komma wordt verwijderd uit de opsomming. Verder wordt de ontheffingsmogelijkheid, opgenomen in artikel 2:67b, vierde lid, van de Wft, alsnog opgenomen in artikel 1:105, onderdeel c van de Wft.

G

Met deze wijziging wordt rechtgezet dat in artikel 1:107, tweede lid, onderdeel a van de Wft nog werd verwezen naar een ontheffingsmogelijkheid in artikel 2:69b van de Wft die niet langer bestaat. Ook wordt bewerkstelligd dat achter alle artikelen ook de komma wordt verwijderd uit de opsomming. Verder wordt de ontheffingsmogelijkheid in artikel 2:67b van de Wft alsnog opgenomen.

H

De verwijzing in artikel 2:2 van de Wft naar 2:68, vierde lid, van de Wft vervalt omdat in artikel 2:68 van de Wft geen ontheffingsmogelijkheid is opgenomen.

I

De verwijzing in artikel 2:3 van de Wft naar de artikelen 2:67, vijfde lid en 2:68, vierde lid, van de Wft vervalt omdat in deze artikelen niet langer een ontheffingsmogelijkheid is opgenomen. Tevens wordt de ontheffingsmogelijkheid in artikel 2:67b, vierde lid, ingevoegd.

J

In het opschrift van de nieuwe paragraaf 2.2.1A.1 ontbreekt «met zetel». Met deze wijziging wordt deze omissie hersteld.

K

Deze wijziging van artikel 2:66 bepaalt dat het aangewezen staten beleid ook geldt bij het beheren van een Nederlandse beleggingsinstelling.

L

Met deze wijziging worden vier nieuwe onderdelen ingevoegd. Onderdeel Za regelt dat beheerders die onder de lichtere regeling vallen, bij een (in het vooruitzicht gesteld) aanbod van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling vermelden dat de beheerder niet vergunningplichtig is en er geen doorlopend toezicht op deze beheerder wordt uitgevoerd. Deze verplichting geldt vanuit het oogpunt van consumentenbescherming en is daarom alleen van toepassing bij een aanbod van deelnemingsrechten aan niet-professionele beleggers. Deze inkadering blijkt wel uit de memorie van toelichting bij artikel 2:66a, zesde lid, maar is niet doorgevoerd in de wettekst. Dit gebrek wordt met deze wijziging hersteld. Verder wordt onderdeel Zb ingevoegd waarin een foutieve verwijzing naar het derde in plaats van vierde lid wordt hersteld. Het vierde nieuwe onderdeel dat wordt ingevoegd is onderdeel Zc. Het onderdeel houdt in dat ook bij een beleggingsmaatschappij (een interne beheerder) wordt getoetst of houders van een gekwalificeerde deelneming betrouwbaar zijn. Bij de implementatie van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen is er in eerste instantie voor gekozen deze toetsing alleen op te nemen bij externe beheerders, aangezien tot dusver in de Wft deze toetsing alleen vereist was bij externe beheerders. Uit de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen blijkt echter dat betrouwbaarheidstoetsing van houders van gekwalificeerde deelnemingen ook vereist is bij interne beheerders aangezien in de richtlijn staat dat interne en externe beheerders gelijk behandeld moeten worden. Tot slot wordt een nieuw onderdeel Zd ingevoegd. Dat nieuwe onderdeel strekt tot het vervallen van de zinsnede in artikel 2:70 van de Wft, omdat het juist bijkantoren in Nederland betreft en niet in andere lidstaten gelegen bijkantoren.

M

Voor beheerders van beleggingsinstellingen met zetel in een aangewezen staat, wordt in het wetsvoorstel een aanvullende voorwaarde voorgesteld aan beheerders van beleggingsinstellingen om geen vergunning ex artikel 2:65 van de wet aan te hoeven vragen. Deze extra voorwaarde is dat de betreffende beheerder een wettelijk vertegenwoordiger dient te hebben in Nederland. Deze voorwaarde is opgenomen in de artikelen 2:66 en 2:73 van de Wft, maar kan, mede vanuit het oogpunt van beperking van administratieve lasten, komen te vervallen. Uit nader overleg met de AFM is namelijk gebleken dat deze eis niet strikt noodzakelijk is voor het onderhouden van contact met de betreffende beheerder van een beleggingsinstelling door de toezichthouder. Overigens wordt vanaf 2018 het derdelandenbeleid volledig geharmoniseerd.

N

Bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel was bekend dat in de richtlijn CRD IV het onderwerp systeemrelevantiebuffer zou worden opgenomen, maar op dat moment was onzeker welk tijdspad de onderhandelingen over die richtlijn zouden volgen. Op het moment van indiening van dit wetsvoorstel bij uw Kamer was nog geen definitieve tekst van de richtlijn vastgesteld. Inmiddels is dat wel gebeurd. Op basis van die definitieve tekst is gebleken dat slechts beperkte wijziging van onderhavig wetsvoorstel nodig is om de richtlijn CRD IV op dit punt om te zetten in nationale wetgeving. Bij de aankondiging van deze wijzigingen in de nota naar aanleiding van het verslag, is reeds opgemerkt dat de regering het belangrijk vindt dat ondernemingen snel duidelijkheid krijgen over de systeemrelevantiebuffer. Aangezien dit onderwerp al in het onderhavige wetsvoorstel was opgenomen, wordt in deze nota met enkele beperkte wijzigingsopdrachten de definitieve tekst van CRD IV omgezet teneinde in de gewenste duidelijkheid te voorzien.

De richtlijn bevat twee varianten van een systeemrelevantiebuffer, namelijk een buffercomponent voor mondiaal systeemrelevante instellingen (banken en beleggingsondernemingen) en een component voor andere systeemrelevante instellingen. Omdat beide componenten voldoen aan de aanduiding voor systeemrelevantierisico zoals die is opgenomen in het voorgestelde artikel 3:62a, tweede lid, kan in dat artikel met een enkele aanduiding worden volstaan.

De benodigde wijzigingen betreffen in de eerste plaats de reikwijdte van de verplichting voor banken en beleggingsondernemingen om een kapitaalbuffer aan te houden. Die verplichting is op grond van artikel 128 van de richtlijn CRD IV van toepassing op alle banken alsmede op beleggingsondernemingen die een vergunning hebben voor het handelen voor eigen rekening en beleggingsondernemingen die een vergunning hebben voor het overnemen of plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie. De wijziging van het voorgestelde artikel 3:62a, eerste lid, bewerkstelligt dit.

Bij de implementatie van de richtlijn CRD IV zullen ook de aanduidingen van de overige buffercomponenten worden opgenomen in artikel 3:62a, tweede lid. Met het oog op de continuïteit van de aanduidingen in dat lid, wordt de lettering van het onderdeel dat de systeemrelevantiebuffer betreft, reeds nu aangepast. Het tweede onderdeel van de wijzigingsopdracht zorgt hiervoor.

Daarnaast is in de definitieve richtlijn CRD IV de termijn voor het indienen van een kapitaalconserveringsplan gewijzigd ten opzichte van het concept dat als uitgangspunt diende voor de eerder voorgestelde bepaling in het wetsvoorstel daarover. De daaruit voortvloeiende wijzigingen zijn opgenomen in het derde lid van de wijzigingsopdracht. Op grond van de richtlijn moet een kapitaalconserveringsplan binnen vijf werkdagen worden ingediend, maar kan de toezichthouder die termijn verlengen. Een dergelijke verlenging kan hij op verzoek of uit eigen beweging toestaan. De richtlijn maakt overigens onderscheid tussen de standaardtermijn van vijf werkdagen en de verlengde termijn van tien aaneengesloten dagen.

O

Dit onderdeel voegt twee leden toe aan het voorgestelde artikel 4:9a, dat voorziet in de instelling van het informatiesysteem inzake beroepskwalificaties voor de vakbekwaamheid van werknemers en natuurlijke personen als bedoeld in artikel 4:9 Wft. De nieuwe leden hebben betrekking op het gebruik van het burgerservicenummer. Voorgeschreven wordt dat in het informatiesysteem ook het burgerservicenummer van kandidaten wordt geregistreerd. Dat is nodig omdat de identiteit van de kandidaat vastgesteld dient te worden voordat een kandidaat kan deelnemen aan het examen. Aan de hand van het legitimatiebewijs en het burgerservicenummer zal de identiteit van de kandidaat kunnen worden gecontroleerd, waarna deze gegevens kunnen worden ingevoerd in het informatiesysteem.

Het opnemen en raadplegen van het burgerservicenummer kwalificeert als «verwerken van persoonsgegevens» in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens. Voor het verwerken van het burgerservicenummer is een wettelijke grondslag nodig. Hierin voorzien het nieuwe derde en vierde lid van artikel 4:9a. Het derde lid expliciteert dat in het informatiesysteem ook het burgerservicenummer zal worden opgenomen; het nieuwe vierde lid regelt dat de exameninstituten en de Minister van Financiën bevoegd zijn het burgerservicenummer ook te verwerken.

P

Artikel 4:27 van de Wft wordt aangepast omdat Nederlandse accountants in beginsel alleen Nederlandse rechtspersonen controleren. Nederlandse beheerders van een beleggingsinstelling in de zin van de Wft hoeven dat niet in alle gevallen te zijn.

Q

In dit onderdeel ontbreekt een artikelaanduiding. Met deze wijziging wordt dit hersteld.

R

In artikel 4:37b van de Wft wordt bepaald welke artikelen uit paragraaf 4.3.1.4 van de Wft van toepassing zijn op buitenlandse beheerders van beleggingsinstellingen met zetel in een aangewezen staat, die gebruik maken van artikel 2:66 van de Wft. Buitenlandse beheerders van beleggingsinstellingen met zetel in een aangewezen staat, dienen ook te voldoen aan de aanvullende regels die worden gesteld voor het aanbieden van rechten van deelneming aan niet-professionele beleggers in Nederland. Deze regels gelden ingevolge artikelen artikel 4:37p van de Wft, welk artikel middels het nieuwe onderdeel VVVa alsnog wordt opgenomen bij de van toepassing zijnde artikelen.

S tot en met U

In de artikelen 4:37j, 4:44 en 4:45 wordt «vermogen» vervangen door «eigen vermogen» aangezien de vorderingen van derdeschuldeisers slechts kunnen worden verhaald op het eigen vermogen van de entiteit die de juridische eigendom van de activa van een beleggingsfonds houdt en, buiten de situatie van de artikelen 4:37j, zevende lid, en 4:45, derde lid, niet op het fondsvermogen. Daarnaast wordt hiermee verduidelijkt dat de artikelen 4:37j, zesde lid, en 4:45, vierde lid, van de Wft in lijn met de strekking van de artikelen 4:37, vijfde lid, en 4:45, eerste lid, van de Wft niet de mogelijkheid bieden dat schuldeisers met door de wet erkende redenen van voorrang, zich ook met voorrang op andere fondsvermogens kunnen verhalen die door eenzelfde entiteit die de juridische eigendom van de activa houdt, worden gehouden.

Verder wordt in de artikelen 4:37j en 4:44 de zinsnede «Het eerste en tweede lid» vervangen door «Het tweede lid». Abusievelijk was een uitzondering voor subfondsen opgenomen van het vereiste voor beleggingsfondsen of fondsen voor collectieve belegging in effecten om een entiteit op te richten met als enig statutair doel het houden van de juridische eigendom van de activa van een of meer beleggingsfondsen. Voor subfondsen is deze vermogensscheiding echter ook van belang. De entiteit kan wel de juridische eigendom van de activa ten behoeve van meerdere subfondsen houden. Het tweede lid is namelijk niet van toepassing op subfondsen.

Tevens wordt in de artikelen 4:37j en 4:44 een ontheffingsbevoegdheid opgenomen voor de AFM voor situaties waarbij op een andere manier wordt bereikt dat de activa van de beleggingsfondsen zijn afgescheiden van het vermogen van de beheerder. Voorkomen moet worden dat andere crediteuren van de beheerder, die niets met het beleggingsfonds van doen hebben, zich op het fondsvermogen kunnen verhalen. Daarnaast moet worden voorkomen dat het fondsvermogen wordt ondergebracht bij een entiteit die activiteiten kan ontplooien die kunnen meebrengen dat die entiteit in deconfiture raakt.

V

Met deze wijziging wordt de incorrecte verwijzing naar onderdeel b hersteld.

W

Artikel 5:39, tweede lid, komt niet voor in de opsomming in artikel 5:47, onderdeel b. Dit onderdeel is dienovereenkomstig aangepast.

X

Nu artikel 10 van de richtlijn prospectus is komen te vervallen, wordt met onderdeel KKKKa de verwijzing naar dit artikel in artikel 5:60, eerste lid, vervangen door de procedure voor het bepalen van de lidstaat van herkomst, zoals opgenomen in artikel 2, eerste lid, onderdeel (m), onder (iii), van de richtlijn prospectus. Ingevolge deze procedure wordt de lidstaat van herkomst bepaald door vast te stellen waar de effecten voor de eerste maal na de datum van inwerkingtreding van de richtlijn prospectus aan het publiek worden aangeboden, of waar het eerst toelating tot de handel op een gereglementeerde markt wordt aangevraagd, tenzij hierdoor de lidstaat van herkomst niet is bepaald volgens de voorkeur van de uitgevende instelling met statutaire zetel in een derde land en deze achteraf een keuze maakt voor een andere lidstaat van herkomst.

Y en Z

In de bijlagen bij de artikelen 1:79 en 1:80 is ten aanzien van artikel 3:62a een onjuiste set artikelleden genoemd. De wijzigingen in de onderdelen Y en Z herstellen dit. Ook wordt in onderdeel Z de incorrecte verwijzing naar artikel 2:30.On hersteld.

AA

Met de wijziging opgenomen in artikel III, onderdeel A, van het wetsvoorstel wordt beoogd artikel 2:210 BW wat betreft besloten vennootschappen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, in lijn te brengen met het vergelijkbare artikel voor naamloze vennootschappen (artikel 2:101 BW). Het doel hiervan is te verduidelijken dat zowel de naamloze als de besloten vennootschap, waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, binnen vier maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening en het jaarverslag dienen op te maken en openbaar te maken. De artikelen 2:101 BW en 2:210 BW bleken echter op één punt betreffende vennootschappen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, nog niet in lijn met elkaar te zijn. Artikel 2:101 BW kent namelijk een uitzondering voor naamloze beursvennootschappen op de mogelijkheid van de Minister van Economische Zaken om vanwege gewichtige redenen ontheffing te verlenen van de verplichting tot het opmaken van de jaarrekening; voor naamloze beursvennootschappen kan die ontheffing niet verleend worden. Artikel 2:210 kent een dergelijke uitzondering op de ontheffingsmogelijkheid voor besloten beursvennootschappen niet. Aangezien er geen reden is om deze bepalingen van elkaar af te laten wijken, wordt met onderhavige wijziging de uitzondering ook in artikel 2:210 opgenomen.

BB

In artikel 2:362 lid 9 BW is ten onrechte geen rekening gehouden met de toevoeging van een nieuwe zin aan het zesde lid van artikel 2:362. De verwijzing in het negende lid van artikel 2:362 naar het zesde lid wordt derhalve aangepast.

CC en DD

Naar aanleiding van een vraag van de leden van de VVD-fractie om een reactie te geven op het advies van de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht van de Nederlandse Orde van Advocaten en de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, is in de nota naar aanleiding van het verslag toegezegd dat de regering zich nader zou buigen over de opmerkingen van deze commissie over de artikelen 2:452 en 2:454 BW. Op grond van artikel 2:452 kan de AFM de ondernemingskamer verzoeken te bevelen dat de AFM een nadere toelichting verkrijgt over de financiële verslaggeving. Op grond van artikel 2:454 kan zij verzoeken te bevelen dat een effectenuitgevende instelling een bericht algemeen verkrijgbaar stelt met uitleg over de redenen voor en de gevolgen van het niet voldoen aan de voorschriften voor financiële verslaggeving, dan wel met uitleg over de wijze waarop in de toekomst aan de voorschriften zal worden voldaan.

Zoals ook al in de nota naar aanleiding van het verslag is opgemerkt, wijst de Gecombineerde Commissie er terecht op dat voor uitgevende instellingen met statutaire zetel in Nederland, waarvan effecten alleen zijn toegelaten tot de handel op een met een gereglementeerde markt vergelijkbaar systeem in een staat die geen lidstaat is, thans geen verplichting bestaat om de jaarlijkse financiële verslaggeving aan de AFM te verzenden. Hierdoor is er geen aanknopingspunt voor een wettelijke termijn waarbinnen de AFM op grond van de artikelen 2:452 en 2:454 BW een verzoek tot de ondernemingskamer kan indienen. Dit wordt rechtgezet door de toevoeging aan de opsomming van artikel 2:452, tweede lid, en van artikel 2:454, vierde lid, van een aanknopingspunt voor de AFM-termijn. Dat is het moment van deponering van de jaarrekening bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel (artikel 2:394, eerste lid, BW). Dit moment sluit het beste aan bij de systematiek van de artikelen 2:452 en 2:454, omdat dit het meeste overeenkomt met de datum van toezending van de stukken naar de AFM, zoals voor de andere rechtspersonen in de artikelen 2:452 en 2:454 geldt. Bovendien is de datum van openbaarmaking zichtbaar in het handelsregister.

EE

Voor de doorberekening van toezichtkosten zijn onder toezicht staande instellingen ingedeeld naar toezichtcategorieën. Deze indeling is vastgelegd in bijlage II van de Wet bekostiging financieel toezicht. Vanwege de implementatie van de Alternative Investment Fund Managers Directive (AIFM-richtlijn) ondergaat de samenstelling van de categorie «Beleggingsinstellingen en aanbieders van beleggingsobjecten» een wijziging. De verwijzing naar «Beheerders waaraan een verklaring van ondertoezichtstelling is verleend als bedoeld in artikel 2:69a van de Wft» dient gewijzigd te worden in «Beheerders van icbe’s waaraan een vergunning verleend als bedoeld in artikel 2:69b van de Wft». Tegelijkertijd zou ook de in de naastgelegen kolom van bijlage II opgenomen verwijzing naar «artikel 2:69a Wft» moeten worden gewijzigd in «artikel 2:69b Wft». Bij het indienen van het wetsvoorstel is laatstbedoelde wijziging over het hoofd gezien. Met het thans voorliggende voorstel wordt hierin alsnog voorzien.

FF

Aan artikel 48a van de Wta wordt een nieuw artikellid toegevoegd met het doel om de transparantie over de kwaliteit van individuele accountantsorganisaties te bevorderen. Thans staat de in artikel 63a van de Wta neergelegde geheimhoudingsplicht hieraan in de weg. Met het nieuwe vijfde lid wordt beoogd de transparantie over de kwaliteit van individuele accountantsorganisaties in de toekomst mogelijk te maken.

Het kabinet heeft zich in zijn definitieve standpunt over de voorstellen van de Europese Commissie voor de hervorming van de accountantsmarkt voorstander getoond van het voorstel om de bevindingen en conclusies van kantoorspecifieke onderzoeken van de AFM te publiceren. Het kabinet heeft hierbij aangegeven van mening te zijn dat daarbij wel aan enkele randvoorwaarden moet worden voldaan. Met de toevoeging in het nieuwe vijfde lid dat de bevindingen en de daaruit getrokken conclusies niet herleidbaar mogen zijn tot andere personen dan de betrokken accountantsorganisaties wordt voldaan aan de randvoorwaarde dat informatie niet herleidbaar mag zijn tot controlecliënten. De AFM publiceert nu al geregeld rapporten waarin zij algemene bevindingen opneemt die zijn gebaseerd op bij accountantsorganisaties uitgevoerde onderzoeken. Volgens staande praktijk worden de hierin opgenomen feiten voorafgaand aan de uiteindelijke publicatie afgestemd met de betrokken accountantsorganisaties. Het is de bedoeling dat de AFM in deze rapporten naast algemene bevindingen en conclusies voortaan ook meer kantoorspecifieke informatie opneemt op grond waarvan de gebruikers van deze informatie in ieder geval kunnen vaststellen hoe de betreffende accountantsorganisaties zich tot elkaar verhouden waar het gaat om de mate waarin zij voldoen aan de bij en krachtens de Wta gestelde normen. Gelet op de wijze waarop deze rapporten tot stand komen wordt tevens voldaan aan de randvoorwaarde dat voorafgaand aan de openbaarmaking door de AFM hoor en wederhoor plaats vindt ter zake van de bij een accountantsorganisatie geconstateerde feiten. Opgemerkt zij nog dat de openbaarmaking geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht inhoudt. Het gaat bij de openbaarmaking om een feitelijke handeling, en niet om een handeling gericht op enig rechtsgevolg.

GG en KK

Met subonderdelen 1c en 2 in onderdeel GG en onderdeel KK worden onjuiste of onvolledige verwijzingen in artikel 1 en artikel 23 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) gecorrigeerd. Sinds 1 januari 2013 is de belastingadviseur als aparte instelling opgenomen in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 23° en staat hij niet meer in de opsomming van instellingen in subonderdeel 11°. Waar in de artikelen 1 en 23 wordt verwezen naar de belastingadviseur wordt dan ook een verwijzing naar subonderdeel 23° opgenomen.

Verder vallen icbe’s na de implementatie van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen niet meer onder de definitie van beleggingsinstellingen van artikel 1:1 van de Wft. Derhalve zijn ze als aparte categorie opgenomen in subonderdeel 1d in onderdeel GG.

Subonderdelen 1a en 1b van onderdeel GG waren reeds in het wetsvoorstel opgenomen.

HH

Het nieuwe subonderdeel 1 van onderdeel B voegt een wijziging in van artikel 3 Wwft. Ingevolge het zevende lid van artikel 3 zijn de leden 1 tot en 6 van dat artikel niet van toepassing op trustkantoren, als die trustkantoren diensten verlenen die vallen onder de Wet toezicht trustkantoren. Het achtste lid van artikel 3 Wwft heeft betrekking op het actueel houden van gegevens die zijn verzameld ingevolge de leden 2 tot en met 4. Aangezien deze leden zelf niet van toepassing zijn op trustkantoren geldt dat ook voor het actueel houden van de op grond daarvan verzamelde gegevens. Voor de duidelijkheid is derhalve ook het achtste lid uitdrukkelijk niet van toepassing verklaard.

II en JJ

Met ingang van 1 januari 2013 zijn het derde tot en met zevende lid van artikel 3 Wwft vernummerd tot vijfde tot en met negende lid. Ten onrechte waren in de artikelen 4, eerste lid, en 7, eerste lid, de verwijzingen naar artikel 3, derde en vierde lid, nog niet vervangen door verwijzing naar artikel 3, vijfde en zesde lid. Dat gebeurt nu met de nieuwe onderdelen B0a en Bb.

LL

Met artikel XVIIa wordt de wet ter implementatie van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen gewijzigd, omdat is gebleken dat de Europese Commissie artikel 61, vijfde lid, van die richtlijn anders interpreteert dan in dit artikel is geïmplementeerd. Artikel 61, vijfde lid, laatste zin van de richtlijn moet zo gelezen worden dat hetgeen in dat lid geregeld wordt een tot 22 juli 2017 geldende afwijking vormt van artikel 21, vijfde lid, onderdeel a van die richtlijn. Daarnaast gaf de Europese Commissie aan dat met de zinsnede in dat artikel «ingeval de abi gereglementeerd is» een Europese beleggingsinstelling wordt bedoeld die niet is gereguleerd. Dit betekent dus dat een Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling, waarbij die beleggingsinstelling geen vergunning of registratie heeft, een bewaarder uit een andere lidstaat kan kiezen dan de lidstaat waarin de beleggingsinstelling is gevestigd. Ditzelfde geldt voor een niet-Europese beheerder met een Nederlandse beleggingsinstelling. Uiteraard dient die bewaarder, met uitzondering van artikel 21, vijfde lid, onderdeel a van die richtlijn, wel aan alle andere relevante eisen die uit hoofde van de AIFM-richtlijn aan de bewaarder gesteld worden, te voldoen.

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem