Gepubliceerd: 15 juni 2012
Indiener(s): Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD)
Onderwerpen: belasting financiƫn ouderen sociale zekerheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33290-9.html
ID: 33290-9

Nr. 9 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 15 juni 2012

1. Inleiding

De regering heeft met belangstelling kennis genomen van de vragen die de fracties hebben gesteld.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de voorgestelde Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd. De leden van de VVD-fractie onderschrijven het idee van een hogere AOW- en pensioenleeftijd om de economie te versterken en de overheidsfinanciën te verbeteren. Daarnaast vinden de leden van de VVD-fractie het belangrijk dat de AOW-leeftijd op termijn aan de levensverwachting wordt gekoppeld. Deze leden hebben nog wel enkele vragen.

De leden van de PvdA-fractie hebben kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel. Hiermee heeft de vijf partijencoalitie het Pensioenakkoord van tafel geveegd en zich een onbetrouwbare onderhandelingspartner getoond. Dit is niet de keuze van de leden van de PvdA-fractie. Deze leden hebben daarnaast nog opmerkingen en vragen over het onderhavige wetsvoorstel.

De leden van de PVV-fractie onthouden zich van het inbrengen van schriftelijke inbreng, omdat de tijdspanne, die beschikbaar is voor het zorgvuldig bestuderen van het wetsvoorstel, het horen van deskundigen, gedupeerden en ouderenorganisaties en het aan de hand daarvan formuleren van vragen en opmerkingen naar de mening van deze leden volstrekt onvoldoende is. Zij wijzen erop dat nog niet eerder in de parlementaire geschiedenis over een wetsvoorstel met een grote impact zo weinig tijd voor een zorgvuldige behandeling is geboden. De leden van de PVV-fractie zullen met het stellen van hun vragen wachten tot de plenaire behandeling van het onderhavige wetsvoorstel.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel om de AOW-leeftijd stapsgewijs te verhogen en vervolgens te koppelen aan de levensverwachting, dat voortkomt uit het Lenteakkoord. Deze leden zijn van mening dat vanwege de stijgende levensverwachting verhoging van de AOW-leeftijd noodzakelijk is. Hiermee kan enerzijds de arbeidsparticipatie worden bevorderd. Dit blijft in de visie van deze leden van belang. Anderzijds kan voor onze kinderen en kleinkinderen het pensioen worden zeker gesteld zonder dat toekomstige generaties met onbetaalbare lasten worden opgezadeld. Voor de leden van de CDA-fractie staat als een paal boven water dat de AOW als volksverzekering de basis moet blijven van het pensioenstelsel, waarop Nederlanders moeten kunnen vertrouwen. Deze leden zouden zich zelfs kunnen vinden in een verhoging in 2015 naar 66 jaar en in 2020 naar 67 jaar, maar zij accepteren de keuze zoals die is gemaakt in het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden zijn van mening dat de sociale partners van cruciaal belang zijn in deze discussie.

De leden van de CDA-fractie hebben in aanvulling hierop nog een aantal vragen/opmerkingen bij het onderhavige wetsvoorstel, die – naast een aantal algemene punten – liggen op een viertal terreinen: de uitvoerbaarheid, de flexibiliteit, duurzame inzetbaarheid en de inkomensgevolgen en inkomensgaten.

De leden van de SP-fractie zien af van schriftelijke inbreng vanwege de extreem korte termijn, die deze leden is gegund hiervoor. De leden van de SP-fractie kondigen aan hun vragen tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel te stellen.

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden menen dat verhoging van de AOW-leeftijd onvermijdbaar is met het oog op de gestegen levensverwachting. Voorts vinden deze leden het verstandig om op korte termijn te beginnen met de verhoging in het kader van de snel verslechterende overheidsfinanciën.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennis genomen van het wetsvoorstel. Deze leden delen de noodzaak, die de regering ziet voor een snellere verhoging van de AOW-leeftijd. Bij het onderhavige wetsvoorstel hebben deze leden nog enkele vragen.

In deze nota naar aanleiding van het verslag gaat de regering in op de vragen en opmerkingen van de verschillende fracties. Om vragen zoveel mogelijk in samenhang te beantwoorden is daarbij op een aantal plaatsen afgeweken van de volgorde van het verslag.

Het wetsvoorstel betreft deels wetten die onder de verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Financiën vallen. De inhoud van deze nota naar aanleiding van het verslag wordt u mede namens de Staatssecretaris van Financiën aangeboden.

Inhoudsopgave

   

Blz.

     

I

ALGEMEEN

3

1.

Noodzaak verhoging pensioenleeftijd

3

2.

Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

3

3.

Overgangsregeling

16

4.

Financiële gevolgen

24

5.

Ontvangen commentaren

27

II

ARTIKELSGEWIJS

28

6.

Artikel VI Inwerkingtreding

28

I ALGEMEEN

1. Noodzaak verhoging pensioenleeftijd

De leden van de D66-fractie vragen hoeveel extra mensen zich op de arbeidsmarkt zullen begeven in de komende jaren en op de langere termijn als gevolg van dit wetsvoorstel.

De korte termijn werkgelegenheidseffecten van dit wetsvoorstel zijn naar verwachting licht en oplopend positief, ondanks de conjuncturele tegenwind. Op de lange termijn zullen de structurele werkgelegenheidseffecten naar verwachting positiever zijn dan die van het wetsvoorstel Verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW 1, omdat er geen mogelijkheid tot eerder opnemen van de AOW wordt geboden.

2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

De leden van de VVD-fractie vragen zich af hoe de ruimte voor opbouw (de staffels) op basis van beschikbare premieregelingen aangepast wordt. Ook vragen deze leden wanneer hierover duidelijkheid wordt gegeven. Ten slotte vragen de leden van de VVD-fractie of het kabinet het ermee eens is dat belangrijk is om snel met de nieuwe staffels te komen. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering de stand van zaken kan melden met betrekking tot de aanpassing en bekendmaking van de premiestaffels.

De leden van de VVD-fractie doelen op het zogenoemde staffelbesluit. In dit beleidsbesluit zijn door de Staatssecretaris van Financiën, in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, premiestaffels gepubliceerd. De leden van de VVD-fractie constateren terecht dat een wijziging van de pensioenrichtleeftijd en de maximum opbouwpercentages zal doorwerken in de premiestaffels uit dit beleidsbesluit. Indien het parlement het nu voorliggende wetsvoorstel aanvaardt, zal ook dit beleidsbesluit hiermee in overeenstemming moeten worden gebracht. Het kabinet is ermee bekend dat pensioenuitvoerders, in het bijzonder pensioenverzekeraars, in verband met de beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2014 belang hechten aan een eerdere bekendmaking van de nieuwe premiestaffels dan kort ná de aanvaarding van dit wetsvoorstel door het parlement. Om aan deze wens tegemoet te komen, zullen op de website van de Kennisgroep Pensioenen van de Belastingdienst (www.belastingdienstpensioensite.nl), vooruitlopend op het na aanvaarding van dit wetsvoorstel nog te wijzigen beleidsbesluit, premiestaffels worden gepubliceerd. Deze staffels zullen per 1 januari 2014 gelden als onderhavig wetsvoorstel door het parlement wordt aanvaard. Bij deze premiestaffels zal rekening worden gehouden met de onlangs verschenen overlevingstafels GBM/GBV 2005/2010. Het beleidsbesluit zal te zijner tijd worden gepubliceerd in de Staatscourant.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom gekozen is om de AOW-leeftijd op termijn te verhogen in stappen van drie maanden. Deze leden vragen voorts waarom bij de verhoging van de pensioenrichtleeftijd is gekozen voor stappen van één jaar. De leden van de CDA-fractie vragen naar de keuze om de AOW-leeftijd te verhogen in stappen van één, twee dan wel drie maanden. De leden van de PvdA-fractie vragen waarom gekozen is de koppeling aan de levensverwachting in te vullen met een stijging van drie maanden per stijging in plaats van een heel jaar. Deze leden vragen met de leden van de CDA-fractie waarom er vijf jaar, en niet tien jaar, van te voren wordt gekeken of de stijging van de levensverwachting leidt tot een verdere verhoging van de AOW-leeftijd.

De regering heeft het uitgangspunt gekozen de AOW-leeftijd met drie maanden per kalenderjaar te laten stijgen om een directere koppeling te maken met de gestegen levensverwachting in dat betreffende jaar. Voor burgers is het dan meteen duidelijk dat er langer moet worden doorgewerkt als mensen langer leven. Wachten met een verhoging van de AOW-leeftijd totdat de levensverwachting is gestegen met een heel jaar, maakt dat uitgangspunt naar de mening van de regering onvoldoende zichtbaar en schuift daarnaast de rekening door naar de jongeren van dat moment.

De regering is zich ervan bewust dat eerdere invoering van de verhoging van de AOW-leeftijd tijdelijke overbruggingsproblemen kan veroorzaken voor mensen die weinig voorbereidingstijd hebben en weinig mogelijkheden hebben het verlies te compenseren. Daarom wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld de verhoging van de AOW-leeftijd geleidelijk in te voeren, zodat de overbruggingsproblemen voor de groep met weinig voorbereidingstijd sterk worden beperkt. Het verzachte invoeringspad betreft een verhoging van de AOW-leeftijd in de jaren 2013 tot en met 2015 met één maand per jaar. Voor de jaren 2016 tot en met 2018 gaat de AOW-leeftijd met twee maanden per jaar omhoog. De regering gaat er van uit dat mensen dan voldoende tijd hebben om zich aan te passen aan en gewend te raken aan de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd. Vanaf 2019 vindt de verhoging plaats met drie maanden per jaar. Dit is de structurele situatie, waarbij vanaf 2024 de jaarlijkse stijging afhankelijk is van de ontwikkeling van de levensverwachting. De stijging van de AOW-leeftijd in een bepaald kalenderjaar als gevolg van de stijging van de levensverwachting wordt vijf jaar voorafgaand aan dat kalenderjaar aangekondigd. De regering acht voor burgers, instellingen en uitvoeringsinstanties een termijn van vijf jaar voldoende om zich aan te passen aan een stijging van de AOW-leeftijd met drie maanden.

Bij de vormgeving van de koppeling van de pensioenrichtleeftijd aan de ontwikkeling van de levensverwachting is ervoor gekozen vast te houden aan de in het wetsvoorstel Verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW gekozen wettelijke vormgeving. In dat wetsvoorstel was voorzien in een verhoging van de pensioenrichtleeftijd met stappen van één jaar. Belangrijkste reden voor deze beslissing is geweest dat de administratieve lasten voor de pensioensector niet teveel worden verhoogd. Doordat een aanpassing van de fiscale pensioenrichtleeftijd geen gevolgen heeft voor reeds opgebouwde aanspraken is bovendien een meer stapsgewijze verhoging van de pensioenrichtleeftijd niet nodig om te komen tot een geleidelijke ophoging van de feitelijke pensioenleeftijd.

De leden van de fracties van de VVD, de PvdA, CDA en D66 stellen vragen over de koppeling aan levensverwachting. De leden van de fracties van VVD, PvdA en D66 vragen of de regering inzicht kan geven in de ontwikkeling van de AOW-leeftijd vanaf 2024.

Vanaf 2024 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. Afhankelijk van de ontwikkeling van de resterende levensverwachting bij 65 jaar wordt de AOW-leeftijd ieder jaar met nul of met drie maanden verhoogd. Een verhoging wordt vijf jaar van tevoren aangekondigd. Voor 2019 wordt dus jaarlijks bezien of de dan geldende prognoses aanleiding geven voor een verhoging van de AOW-leeftijd vijf jaar later. Op basis van de huidige prognoses kan worden verwacht dat de AOW-leeftijd zowel in 2024 als in 2025 met drie maanden wordt verhoogd. In 2025 is de AOW-leeftijd dan 67 jaar en zes maanden. Een verdere verhoging naar 67 jaar en negen maanden is te voorzien in 2027. In 2 032 zou de AOW-leeftijd naar 68 jaar kunnen stijgen.

De leden van de VVD-fractie willen weten welke AOW-leeftijd nu zou zijn bereikt, indien bij de invoering van de AOW gekozen was voor koppeling aan de levensverwachting.

De resterende levensverwachting bij 65 jaar is sinds de invoering van de AOW in 1957 met ongeveer 4,5 jaar toegenomen. Indien vanaf het begin zou zijn gekoppeld aan de gerealiseerde ontwikkeling van de levensverwachting zou de AOW-leeftijd nu dus op 69,5 jaar liggen.

De leden van de CDA-fractie constateren dat het CBS de levensverwachting op 65-jarige leeftijd in de referentieperiode 2000–2009 heeft berekend op 18,26 jaar. Hoe vaak wordt deze levensverwachting aangepast, zo vragen deze leden.

De berekening van de resterende levensverwachting in de referentieperiode wordt niet aangepast.

De leden van de VVD-fractie vragen of bij de berekening van de verhoging van de pensioenrichtleeftijd in verband met de ontwikkeling van de levensverwachting dezelfde formule wordt gebruikt als bij de berekening van de AOW-leeftijd. Verder vragen de leden van deze fractie of een verhoging van de pensioenrichtleeftijd maximaal één jaar per jaar bedraagt. De leden van de fractie van de VVD vragen voorts of is gekozen voor de optie met de laagste administratieve lasten. De leden van de PvdA-fractie vragen om een toelichting op de verschillen in de koppeling van de AOW-leeftijd en pensioenrichtleeftijd aan de ontwikkeling van de levensverwachting. De leden van de CDA-fractie vragen eveneens om een toelichting waarom voor de pensioenrichtleeftijd een ander tempo is gekozen dan voor de verhoging van de AOW-leeftijd.

Voor de berekening van de verhoging in verband met de ontwikkeling van de levensverwachting wordt voor de AOW-leeftijd en de fiscale pensioenrichtleeftijd in beginsel dezelfde formule gebruikt. Beide regelingen hanteren eenzelfde referentieperiode met betrekking tot de door het CBS geraamde macro gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd (2000–2009). Tegelijkertijd zullen bij de uitwerking van de koppeling aan de ontwikkeling van de levensverwachting wel verschillen optreden. Het belangrijkste verschil bestaat hieruit dat – in de structurele regeling – de AOW-leeftijd steeds wordt verhoogd als de geraamde levensverwachting met een kwartaal is toegenomen. De verhoging van de fiscale pensioenrichtleeftijd vindt daarentegen pas plaats – tien jaar voorafgaande aan – het tijdstip dat de door het CBS geraamde levensverwachting met één heel jaar is toegenomen. Dat de verhoging van de pensioenrichtleeftijd steeds plaatsvindt in stappen van één jaar en niet in stappen van een kwartaal is gelegen in het feit dat daarmee de administratieve lasten voor de pensioensector kunnen worden beperkt. Daar komt bij dat voor het bereiken van een geleidelijke verhoging van de feitelijke pensioenleeftijd het niet nodig is dat de fiscale pensioenrichtleeftijd met kleinere stappen wordt verhoogd. Een verhoging van de fiscale pensioenrichtleeftijd heeft immers steeds een gefaseerd effect, omdat de verhoging geen gevolgen heeft voor reeds opgebouwde pensioenrechten. Bij oudere werknemers met veel pensioenopbouw zal de verhoging van de pensioenrichtleeftijd de feitelijke pensioenleeftijd in mindere mate beïnvloeden dan die van jongere werknemers. Afsluitend kan – in reactie op de leden van de VVD-fractie – worden opgemerkt dat de verhoging van de pensioenrichtleeftijd in de structurele regeling nooit hoger kan uitpakken dan één jaar per jaar dat deze leeftijd wordt aangepast.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan aangeven of ze inzicht heeft in mogelijke overgangsmaatregelen die pensioenfondsen treffen.

De regering heeft geen inzicht in eventuele overgangsmaatregelen die vooruitlopend op dit wetsvoorstel nu reeds getroffen worden door individuele pensioenfondsen.

De leden van de VVD-fractie vragen of en op welke wijze de minister actief beleid gaat voeren voor de aanpassing van arbeidscontracten om de ontslagdatum aan te laten sluiten bij de pensioengerechtigde leeftijd.

De regering merkt op dat het aan individuele werkgevers en werknemers en aan cao-partijen is om hun onderlinge afspraken in lijn te brengen met de wetgeving. Het bij wet ingrijpen in lopende contracten zou een vergaande maatregel zijn. Het kabinet acht een dergelijke maatregel ook niet nodig omdat partijen voldoende tijd hebben om individuele en collectieve arbeidsovereenkomsten nog voor 1 januari 2013 aan te passen.

De leden van de PvdA-fractie vragen of verhoging van de AOW-leeftijd per 2013 niet een zware ingreep is ten opzichte van de opbrengst van € 145 miljoen in 2013.

Helaas is de toestand van overheidsfinanciën dermate zorgwekkend dat er van iedereen een bijdrage wordt gevraagd, ook van hen die op korte termijn 65 jaar worden. Evenals de leden van de PvdA-fractie is de regering van mening dat het verhogen van de AOW-leeftijd per 2013 voor sommige mensen tot overbruggingsproblemen kan leiden. Daarom juist is er ook gekozen voor een geleidelijk invoeringspad.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom de AOW leeftijd zo snel wordt verhoogd en waarom er zo wordt ingegrepen op de afspraken die met de sociale partners zijn gemaakt.

De toestand van de overheidsfinanciën is in korte tijd sterk verslechterd. De Tweede Kamer heeft dan ook de urgentie gevoeld om snel in te grijpen en heeft op 26 april ingestemd met het Stabiliteitsprogramma Nederland 2012. In dit Stabiliteitsprogramma worden voor de korte termijn verstrekkende maatregelen aangekondigd. Naast begrotingsmaatregelen zijn hierin ook groeibevorderende maatregelen en structurele hervormingen opgenomen. Een deel van deze maatregelen betreft het versneld verhogen van de pensioenleeftijd. Dit raakt aan het tussen kabinet en sociale partners bereikte Pensioenakkoord en het wetsvoorstel Verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW dat hier de invulling van is. Het pensioenakkoord is tot stand gekomen op een moment dat het kabinet en sociale partners er op konden vertrouwen dat het pakket van € 18 miljard ombuigingen in 2015 voldoende zou zijn om de overheidsfinanciën weer op orde te brengen en de economie uit de crisis te laten komen. Het is echter inmiddels duidelijk geworden dat de overheidsfinanciën er veel slechter voor staan dan verwacht en dat snel extra maatregelen nodig zijn. De problemen zijn omvangrijk en acuut, zodat van iedereen een bijdrage mag worden verwacht. En die bijdrage moet op korte termijn worden gegeven. Wachten tot 2020 met de noodzakelijke verhoging van de pensioenleeftijd is, gezien de staat van de Nederlandse overheidsfinanciën, niet langer mogelijk. Ook voor het eerder opnemen van de AOW is geen financiële ruimte meer, waarmee ook de hieraan gekoppelde maatregelen vervallen. In dit wetsvoorstel wordt daarom voorgesteld de verhoging van de AOW-leeftijd sneller te laten plaatsvinden dan in het pensioenakkoord en het wetsvoorstel Verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW werd voorgesteld.

Voor de leden van de CDA-fractie is het van belang dat oudere werknemers meer gaan werken. Ze vragen het Kabinet aan te geven hoe daar mee om wordt gegaan en waarom er nu geen flankerend beleid is opgenomen in het wetsvoorstel. De leden van de PvdA-fractie vragen waarom alle werkbonussen zijn geschrapt voor werknemers.

De gemiddelde uittreedleeftijd is de afgelopen jaren gestegen van 61 jaar in 2006 tot 63 jaar in 2011. Volgens het CBS stijgt de pensioenleeftijd sinds 2007 voornamelijk als gevolg van de wetswijzigingen en regelgeving gericht op inperking van de regelingen voor vervroegd pensioen. Het uitstellen van de pensioendatum vertaalt zich ook in een hogere netto arbeidsparticipatie. De participatiegraad van 55 tot 60 jarigen steeg met 12 procentpunt naar 68,2% terwijl de participatiegraad onder 60 tot 65 jarigen met 15 procentpunt steeg naar 36%. De regering verwacht dat de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd vanaf 2013 deze trend op korte termijn verder zal versterken. Ook de aanpassingen in het Witteveenkader zullen daaraan bijdragen. Hierdoor verdwijnt de noodzaak om langer doorwerken verder te stimuleren via werkbonussen (welke waren voorzien voor oudere werknemers vanaf 61 jaar en de aanvullende werkbonus zelfs vanaf 58 jaar). Aangezien de gemiddelde uittreedleeftijd momenteel al hoger ligt, zou sprake zijn van een grote deadweight loss.

De leden van de PvdA-fractie vragen ook waarom wel is gekozen voor uitbreiding van mobiliteitsbonussen voor werkgevers.

In het Begrotingsakkoord is besloten de middelen voor doorwerken (zowel werkbonus werknemers als werkbonus werkgevers) te laten vervallen en de middelen voor mobiliteit taakstellend te bevriezen. Er is voor gekozen deze taakstelling in te vullen door het budget voor mobiliteit zoveel mogelijk te richten op groepen met de grootste afstand tot de arbeidsmarkt (uitkeringsgerechtigden en arbeidsgehandicapten). Het kabinet acht specifiek beleid voor deze groepen gewenst en verhoogt de huidige premiekorting voor het in dienst nemen van uitkeringsgerechtigden ouder dan 50 jaar van € 6 500 naar € 7 000. Daarnaast worden de bedragen van bestaande regelingen voor oudere uitkeringsontvangers en arbeidsgehandicapten geharmoniseerd qua hoogte van de bedragen. Hierdoor verbeteren de kansen voor outsiders op de arbeidsmarkt.

De leden van de fracties van de PvdA en CDA vragen of de regering overleg heeft gevoerd met de sociale partners over de voorgestelde maatregelen en vragen naar de uitkomsten van dit overleg.

De maatregelen in het Begrotingsakkoord 2013 en de consequenties hiervan zijn besproken met de sociale partners. Bij deze gelegenheid hebben zij hun teleurstelling geuit over het feit dat het Begrotingsakkoord 2013 op een aantal punten afwijkt van de afspraken uit het Pensioenakkoord. Op 13 juni jl. heeft de Stichting van de Arbeid haar overwegingen per brief kenbaar gemaakt aan de vaste commissie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De leden van de PvdA-fractie vragen op welke manier de regering rekening heeft gehouden met mensen die lang en hard hebben gewerkt tegen een laag inkomen. Hierbij willen zij weten of deze mensen straks nog op hun 65e met pensioen kunnen, en zo ja wat dan de inkomensgevolgen zijn, ook afhankelijk van de hoogte van het aanvullend pensioen. Zij vragen ook welke verzachtende maatregelen de regering in voorliggend wetsvoorstel neemt om hen toch gezond langer door te kunnen laten werken.

Gelet op de verslechterde toestand van de overheidsfinanciën acht de regering het noodzakelijk om de pensioenleeftijd versneld te verhogen. De problemen zijn omvangrijk en acuut, zodat van iedereen een bijdrage mag worden verwacht. In het wetsvoorstel wordt dan ook voorgesteld de verhoging van de AOW-leeftijd sneller te laten plaatsvinden dan in het pensioenakkoord en het wetsvoorstel Verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW werd voorgesteld. Ook mensen die lang en hard hebben gewerkt tegen een laag inkomen zullen in de toekomst langer door moeten werken.

De Beleidsagenda 2020 van de Stichting van de Arbeid en het Vitaliteitspakket zijn er dan ook op gericht om werkgevers en werknemers aan te zetten tot actie en er voor te zorgen dat werkenden gezond en vitaal de pensioengerechtigde leeftijd behalen. Voor mensen die weinig voorbereidingstijd hebben en weinig mogelijkheden hebben het verlies te compenseren is een aantal overgangsmaatregelen genomen, te weten: geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd, een voorschotregeling voor de eerste jaren, mogelijkheid om onder voorwaarden een beroep te doen op de (bijzondere) bijstand, en een overgangsregeling rond de partnertoeslag. De regering is van mening is dat hiermee voldoende tegemoet is gekomen aan tijdelijke overbruggingsproblemen bij onder meer mensen die lang en hard gewerkt hebben tegen een laag inkomen.

De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre de arbeidsmarkt op dit moment al is berekend op langer doorwerken, welke kansen op werk oudere werklozen hebben, welke belemmeringen op de arbeidsmarkt langer doorwerken bemoeilijken, op welke manier deze belemmeringen worden aangepakt en of de regering hierover contact heeft met de sociale partners. De leden vragen tevens wanneer de Tweede Kamer plannen tegemoet kan zien die het voor ouderen ook mogelijk maken om langer door te werken.

Veel ouderen werken momenteel al door. Niet voor niets stijgen de uittreedleeftijd en de arbeidsparticipatie de afgelopen jaren snel. Ook nu is het al mogelijk om te blijven werken na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, als werkgever en werknemer het daarover eens zijn.

Om de duurzame inzetbaarheid van werkenden tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd verder te bevorderen heeft de Stichting van de Arbeid de Beleidsagenda 2020 opgesteld2. Het kabinet ondersteunt de inspanningen van de sociale partners o.a. met het vitaliteitspakket, dat is gericht op het stimuleren van mobiliteit van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. De baanperspectieven voor oudere uitkeringsgerechtigden zijn in het algemeen niet gunstig. Het kabinet acht specifiek beleid hiervoor gewenst en verhoogt de huidige premiekorting voor het in dienst nemen van uitkeringsgerechtigden ouder dan 50 jaar van € 6 500 naar € 7 000. Hierdoor verbeteren de kansen voor outsiders op de arbeidsmarkt. Er komen bovendien nieuwe loopbaanfaciliteiten ten behoeve van duurzame inzetbaarheid. Daarnaast krijgen bedrijven en organisaties faciliteiten om maatregelen ter bevordering van duurzame inzetbaarheid toe te passen op de werkvloer. Het gaat dan met name om maatregelen rond gezondheid, scholing en van-werk-naar-werk. Het Vitaliteitspakket zal, samen met de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd, op 1 januari 2013 in werking treden.

Daarnaast is er het voorstel van wet «Werken na de AOW-gerechtigde leeftijd». De aanleiding voor dit wetsvoorstel is gelegen in een aantal arbeidsrechtelijke belemmeringen, waarmee werknemers en werkgevers geconfronteerd worden bij werken na de AOW-gerechtigde leeftijd. Door het wegnemen van enkele belemmeringen ontstaat een lichter arbeidsrechtelijk regime voor AOW-gerechtigden, waardoor het eenvoudiger en aantrekkelijker wordt om werknemers in dienst te nemen (of te houden) na de AOW-gerechtigde leeftijd. Voor werkgevers wordt het financiële risico kleiner en de flexibiliteit groter. De arbeidsrechtelijke belemmeringen zijn onder meer de verplichtingen van de werkgever bij ziekte van de werknemer (zoals de verplichting tot loondoorbetaling gedurende twee jaar) en de beperkte mogelijkheden tot het afsluiten van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd als gevolg van de zogenoemde ketenbepaling. Het in dienst nemen (of houden) van AOW-gerechtigden wordt aantrekkelijker voor werkgevers en daardoor nemen de mogelijkheden voor AOW-gerechtigden om te blijven werken toe. De overweging van het wetsvoorstel «Werken na de AOW-gerechtigde leeftijd is op 6 juni 2012 bij de Afdeling advisering van de Raad van State aanhangig gemaakt. De planning is dat het wetsvoorstel na advies van de Raad van State na het zomerreces wordt ingediend bij de Tweede Kamer.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering toe te lichten in welke mate het voornemen om AOW’ers aantrekkelijker te maken voor werkgevers strookt met de ambitie om ouderen die nog geen recht op AOW hebben, langer door te laten werken.

Uit onderzoek en diverse berichten in de media3 rijst het beeld dat een deel van de werknemers die willen blijven werken na de AOW-gerechtigde leeftijd de voorkeur geeft aan andersoortig werk en aan meer flexibiliteit dan voor de AOW-gerechtigde leeftijd. Het kan daarbij gaan om werk met een kortere arbeidsduur, aangepaste werktijden en minder tijdsdruk. Sectoren die veel werken met 65-plussers zijn de vervoerssector (o.a. leerlingen-, touringcar- en taxivervoer) en de uitzendsector (o.a. via uitzendbureaus die zijn gespecialiseerd in het bemiddelen van 65-plussers). Door het wetsvoorstel is het voordelig voor de werkgever om 65-plussers in dienst te houden of te nemen vanwege het wegvallen van een aantal werkgeverspremies (o.a. WIA/WAO, WW). Daartegenover staat dat werkgevers als gevolg van de mobiliteitsbonus ook een financieel voordeel hebben bij het aannemen van een uitkeringsgerechtigde ouder dan 50 jaar. Werkgevers komen alleen voor de mobiliteitsbonus in aanmerking voor werknemers jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd. Daardoor zal het risico op verdringing van oudere werknemers, die de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt, naar verwachting beperkt zijn.

De leden van de PvdA-fractie vragen of iedere stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd ingaat per 1 januari van het betreffende kalenderjaar.

De regering bevestigt dat iedere stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd ingaat per de 1e van de januari van het betreffende kalenderjaar. Dit laat onverlet dat personen met hetzelfde geboortejaar een verschillende AOW-leeftijd kunnen hebben. Iemand die geboren is in november 1948 krijgt bijvoorbeeld AOW bij 65 jaar en één maand, en iemand die geboren is in december 1948 bij 65 jaar en twee maanden4.

De leden van de PvdA-fractie vragen of het klopt dat iemands persoonlijke AOW-opbouw elk kalenderjaar kan veranderen doordat de pensioen- en aanvangsleeftijd ieder jaar opschuiven. Moet de SVB vanaf 2013 personen jaarlijks informeren over de gewijzigde opbouwperiode, zo vragen deze leden?

De verhoging van de aanvangsleeftijd en AOW-leeftijd kan iemands persoonlijke AOW-opbouw elk kalenderjaar wijzigen. Dat is ook beoogd. Voor de periode 2013 tot en met 2023 zijn de aanvangsleeftijd en AOW-leeftijd voor mensen die in die periode de volgens het voorliggende wetsvoorstel geldende AOW-leeftijd bereiken reeds bekend. Iemand die geboren is op 21 augustus 1953 weet bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel dat hij of zij op 21 augustus 2019 de dan op basis van dit wetsvoorstel geldende AOW-leeftijd van 66 jaar zal bereiken en dat zijn aanvangsleeftijd 16 jaar zal zijn.

Vanaf 2024 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de ontwikkeling van de levensverwachting. Iemand die bijvoorbeeld is geboren op 5 maart 1960 weet bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel dat zijn AOW-leeftijd in ieder geval 67 jaar zal zijn, omdat in 2023 de AOW-leeftijd is vastgesteld op 67 jaar. Zijn aanvangsleeftijd is dan in ieder geval 17 jaar. De SVB behoeft deze persoon naar de mening van de regering niet jaarlijks te informeren over de gewijzigde opbouwperiode in de periode 2013 tot en met 2023. Naar de mening van de regering kan volstaan worden met de eenmalige melding op verzoek dat zijn of haar opbouwperiode is gewijzigd van 15–65 jaar naar 17–67 jaar. Omdat vanaf 2024 de AOW-leeftijd wordt gekoppeld aan de ontwikkeling van de levensverwachting zal bij die melding wel moeten worden opgenomen dat zijn of haar opbouwperiode kan veranderen als de AOW-leeftijd, en daarmee zijn aanvangsleeftijd, als gevolg van de stijging van de levensverwachting in 2024 of later wordt verhoogd. Dit is inherent aan de gekozen systematiek van koppeling aan de AOW-leeftijd aan de gemiddelde resterende levensverwachting.

De leden van de PvdA-fractie vragen een reactie op de stelling van de Afdeling advisering van de Raad van State in haar advies op dit wetsvoorstel dat het tempo van de verhoging van de AOW-leeftijd feitelijk hoger ligt dan zoals voorgesteld op 66 jaar in 2019 en op 67 jaar in 2023.

De regering onderschrijft de stelling van de Afdeling advisering van de Raad van State niet. Op basis van dit wetsvoorstel geldt de AOW-leeftijd van 66 jaar in 2019 en 67 jaar in 2023. Dit houdt in dat iedereen die in 2019 de leeftijd van 66 jaar bereikt recht krijgt op AOW-pensioen en dat iedereen die in 2023 de leeftijd van 67 jaar bereikt recht krijgt op AOW-pensioen. Recht op AOW ontstaat op de dag waarop iemand de AOW-leeftijd bereikt, die in een bepaald kalenderjaar geldt. Zoals in een voorgaande vraag van deze leden is aangegeven, kunnen personen met hetzelfde geboortejaar daardoor een verschillende AOW-leeftijd hebben. Dit is inherent aan de gekozen systematiek. Anders dan de Afdeling advisering van de Raad van State veronderstelt ligt daarmee het tempo van de verhoging feitelijk niet hoger dan voorgesteld.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan toelichten waarom in geval van een lagere levensverwachting de AOW-leeftijd gelijk blijft en niet daalt. Ook de leden van de CDA-fractie vragen wat er exact gebeurt als de levensverwachting omlaag gaat.

Er is op dit moment geen enkele aanleiding te veronderstellen dat in de toekomst de levensverwachting gaat dalen. Doet zich dit toch voor, dan kan de dan zittende regering de maatregelen nemen die het passend vindt. Het is daarom voorbarig nu vooruit te lopen op de eventuele consequenties van een dalende AOW-leeftijd.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering nog steeds achter het antwoord staat op de vraag van de SGP-fractie over een geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd met één maand per jaar naar 67 jaar5 en waarom de regering er nu toch voor gekozen heeft om de verhoging van de AOW-leeftijd zo geleidelijk in te voeren terwijl tot op heden een dergelijk invoerpad werd afgewezen vanwege de consequenties voor de uitvoering. Deze leden vragen waarom de gekozen geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd wel goed uitvoerbaar is en bijdraagt aan een overzichtelijke en duidelijke regeling.

De regering heeft bij haar eerdere beantwoording aangegeven dat een stapsgewijze verhoging in stappen van een maand vanwege consequenties voor de uitvoering is afgewezen. Dat betekent echter niet dat een stapsgewijze verhoging niet uitvoerbaar zou zijn. Anders dan de leden van de PvdA-fractie wil de regering nu komen tot een snellere verhoging van de AOW-leeftijd dan in eerdere voorstellen, omdat de toestand van de overheidsfinanciën in korte tijd sterk is verslechterd. Er zijn snel extra maatregelen nodig. De problemen zijn omvangrijk en acuut, zodat van iedereen een bijdrage mag worden verwacht. En die bijdrage moet op korte termijn worden gegeven. Wachten tot 2020 met de noodzakelijke verhoging van de pensioenleeftijd is, gezien de staat van de Nederlandse overheidsfinanciën, niet langer mogelijk. Daarom kent dit wetsvoorstel een snellere verhoging van de pensioenleeftijd. Omdat al op korte termijn een aanvang wordt gemaakt met de verhoging van de AOW-leeftijd, is van belang dat die verhoging geleidelijk -aanvankelijk in stappen van 1 maand per jaar – plaats vindt, om overgangsproblematiek te voorkomen. De SVB heeft aangegeven dat invoering van het wetsvoorstel per 1 januari 2013 en een geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd mogelijk worden geacht. Het is aan sociale partners om aanvullende pensioenregelingen en andere arbeidsvoorwaardelijke regelingen aan te passen aan de nieuwe ingangsdata van de AOW. Hetzelfde geldt voor bestaande inkomensvoorzieningen in de derde pijler. Het is aan de betrokken contractpartijen om hun overeenkomsten, indien dat nodig en gewenst wordt geacht, aan te passen aan de nieuwe situatie. Dit wetsvoorstel verplicht daar niet toe.

De leden van de PvdA-fractie vragen op welke wijze pensioenuitvoerders te maken krijgen met de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd, tegen welke problemen zij kunnen aanlopen en welke kosten zij moeten maken om ict-systemen aan te passen aan de AOW-systematiek.

De – geleidelijke – verhoging van de AOW-leeftijd brengt geen wettelijke verplichting tot aanpassing van de pensioenregeling met zich mee. Ook in de huidige praktijk komt het voor dat pensioenregelingen een spilleeftijd kennen die lager is dan de AOW-leeftijd of de fiscale pensioenrichtleeftijd. Pensioenuitvoerders krijgen pas te maken met de verhoging van de AOW-leeftijd als sociale partners de spilleeftijd in pensioenregelingen willen aanpassen aan de nieuwe AOW-leeftijd.

Koppeling van de spilleeftijd in pensioenregelingen aan een geleidelijk stijgende AOW-leeftijd (of aan de fiscale pensioenrichtleeftijd) vergt in principe een éénmalige aanpassing van de pensioenregeling. Dit vergt een inspanning die vergelijkbaar is met de inspanning die nodig zou zijn als de spilleeftijd rechtstreeks in plaats van via de AOW gekoppeld zou worden aan de levensverwachting. De regering heeft geen inzicht in de kosten van de – eenmalige – aanpassing van ict-systemen van pensioenuitvoerders. De regering verwacht hier echter geen structurele kosten en uitvoeringsproblemen. De kosten van de aanpassing van de ict-infrastructuur komen voor rekening van de pensioenuitvoerders en worden gefinancierd uit de premie- en beleggingsopbrengsten.

De geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd kan ertoe leiden dat pensioengerechtigden hun aanvullend pensioen flexibeler zullen willen opnemen. Het individuele gebruik van de wettelijke vervroegings- dan wel uitstelmogelijkheden van het ouderdomspensioen kan daardoor toenemen, wat tot extra uitvoeringskosten kan leiden. Het gaat echter om bestaande mogelijkheden, die pensioenuitvoerders ook nu al moeten aanbieden, en waarvoor aanpassing van de ict-infrastructuur in principe niet nodig is.

De leden van de CDA-fractie vragen naar de compensatieregeling en de ingangseisen rond de flexibele AOW, die waren voorzien in het wetsvoorstel Wet verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW.

Aangezien er geen mogelijkheid voor het flexibel opnemen van de AOW is voorzien in het wetsvoorstel Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd, is ook deze compensatieregeling niet opgenomen. Wel bestaat er de mogelijkheid om een voorschot op de AOW aan te vragen. Dit voorschot is een renteloze lening; hierop wordt geen AOW premie ingehouden.

De leden van de CDA-fractie vragen of de verschuiving van de ingangsdatum van de AOW van de eerste dag van de maand naar de verjaardag gevolgen heeft voor dit wetsvoorstel, inclusief uitvoeringskosten.

Sinds 1 april 2012 is de ingangsdatum van de AOW verschoven van de eerste dag van de maand naar de verjaardag6. Er zijn dus geen gevolgen voor het voorliggende wetsvoorstel.

De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat het verhogen van de pensioenleeftijd, weliswaar ook elders in Europa gebeurt, maar niet op parallelle wijze. Deze leden vragen in hoeverre er effecten zijn te verwachten van de verhoging van de AOW-leeftijd voor de grensregio’s in het kader van Europese richtlijnen, waarbij ook gedacht dient te worden aan problemen met verzekeringen. Deze leden vragen op welke wijze de regering daarmee rekening heeft gehouden.

In verschillende landen binnen de Europese Unie (EU) gelden verschillende pensioenleeftijden. Dit is nu ook al zo. Dit wetsvoorstel verandert niets aan deze situatie. Het verschil in pensioenleeftijden kan ertoe leiden dat in het geval men in meerdere EU-landen pensioen heeft opgebouwd, men recht heeft op het AOW-pensioen in het ene land, maar nog niet in het andere land. Dit aansluitingsprobleem geldt ook voor verzekeringen die uitgaan van de ingangsdatum van het ouderdomspensioen van het ene land en daarmee niet aansluiten op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen van het andere land. Overigens is hierbij van belang op te merken dat het feit dat de pensioenleeftijden verschillen, niet ten koste gaat van opgebouwde rechten. Wanneer een persoon in Nederland een inkomen heeft onder het sociaal minimum, en deze persoon voldoet aan alle overige voorwaarden, kan deze een beroep doen op de WWB.

De leden van de CDA-fractie vragen wat het voordeel is van het voorgestelde invoeringspad ten opzichte van het invoeringspad uit het Pensioenakkoord.

Het geleidelijke, snellere invoeringspad leidt tot eerdere budgettaire besparing. Dit is een voordeel, gezien de snel verslechterde toestand van de overheidsfinanciën. Daarnaast zal de werkgelegenheid eerder toenemen.

De leden van de CDA-fractie vragen of een rechtszaak van jongeren tegen betaalde premies toen zij 15 jaar waren waartegenover later geen recht op AOW staat een kans maakt. De leden van de PvdA-fractie wijzen er op dat de SVB aangeeft dat de gekozen systematiek van artikel 7a wellicht kwetsbaar is als deze zou worden voorgelegd aan de rechter. Deze leden vragen of de regering kan beargumenteren waarom er toch voor wordt gekozen om deze systematiek te hanteren en welke risico’s tot het EVRM hieraan verbonden zijn.

De regering deelt niet de mening van de SVB dat de gekozen systematiek van artikel 7a wellicht bij de rechter kwetsbaar is voor een persoon, bijvoorbeeld een 15-jarige, die actueel verzekerd is en nu premies betaalt terwijl daar in de toekomst geen recht op AOW tegenover staat. Men is verzekerd voor de AOW als men in Nederland woont of, als men geen ingezetene is, in Nederland werkt en dienaangaande aan de loonbelasting is onderworpen. Het betalen van premie is geen voorwaarde voor het verzekerd zijn. Zoals in paragraaf 3.3.4 van de memorie van toelichting is aangegeven7 kent de AOW een systematiek waarin recht op AOW-ouderdomspensioen eerst ontstaat wanneer de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt. De hoogte van dat recht wordt bepaald door de opgebouwde jaren op grond van ingezetenschap in de verzekeringsperiode waarbij voor elk jaar dat men niet verzekerd is geweest een korting van 2% wordt toegepast. In het kader van het Europees Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens (EVRM) vormen opbouwjaren geen opeisbaar recht. Als door het verschuiven van de opbouwperiode er een opbouwmaand of opbouwmaanden vervallen, hoeft dit niet te worden gecompenseerd.

Krachtens jurisprudentie van het Europese Hof van de rechten voor de mens dienen uit de wet voortvloeiende sociale zekerheidsrechten te worden beschouwd als eigendomsrechten waarop het Eerste protocol bij het EVRM van toepassing is. Dit betekent dat het inbreuk maken op opeisbare uitkeringsrechten (reeds toegekende uitkeringen) alleen is toegestaan indien aan een aantal voorwaarden is voldaan, zoals regeling bij wet, aanwezigheid van een legitieme doelstelling van algemeen belang en proportionaliteit van de maatregel. Hoewel AOW-opbouwjaren geen opeisbare rechten vormen, is niettemin naar de mening van de regering voldaan aan de bedoelde voorwaarden van het EVRM. Overigens ziet de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in deze voorwaarden geen belemmering voor de wetgever om ook voor reeds toegekende uitkeringen tot beperking van uit de wet voortvloeiende uitkeringen over te gaan, mits voorzien is in een redelijke overgangsperiode. Het onderhavige wetsvoorstel voorziet in een dergelijke redelijke overgangsperiode omdat de AOW-leeftijd stapsgewijs en geleidelijk wordt verhoogd. Bovendien is voorzien in overgangsmaatregelen, zoals beschreven in paragraaf 3.2 van de memorie van toelichting. Ook in memorie van toelichting, de nota naar aanleiding van het verslag en de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel Verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW8 is hieraan uitvoerig aandacht besteed.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering een opsomming kan geven van de fiscale aanpassingen die na dit wetsvoorstel nog nodig zijn en op welke wijze die in het Belastingplan opgenomen zullen worden.

De leden van de fractie van de CDA constateren terecht dat in het wetsvoorstel uitsluitend de principebeslissing is opgenomen en dat de aanpassing van de overige leeftijdsafhankelijke regelingen op een ander tijdstip nog moet plaatsvinden. Aanpassing van de leeftijdsafhankelijke regelingen in de fiscaliteit is, zoals de leden van de CDA-fractie constateren, voorzien in het aankomende Belastingplan. Zonder pretentie van volledigheid kan hier bijvoorbeeld gedacht worden aan de aanpassing van de uiterste ingangsdata voor pensioenen, levensloop, lijfrenten en vitaliteitssparen, de aanpassing van de regels inzake variabilisering van pensioenuitkeringen, het aanpassen van het tijdstip waarop de fiscale oudedagsreserve afneemt, het uiterste tijdstip waarop aanspraak kan worden gemaakt op de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek, de omzettingsregeling van stakingswinst in een lijfrente, de middelingsregeling, de ouderentoeslag voor box 3, de ouderenkorting en de regeling inzake uitgaven voor specifieke zorgkosten.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering een vergelijking kan geven hoe de opbouw van pensioen via een beschikbare premieregeling zich verhoudt tot de maximale opbouw van een middelloonpensioen bij de huidige zeer lage rekenrente. Gevraagd wordt verder of het klopt dat bij die lage rente de ruimte automatisch verhoogd wordt voor middelloon maar niet voor de beschikbare premieregelingen, zodat die laatste snel ontoereikend worden.

In reactie op de vragen van de leden van de CDA-fractie wordt opgemerkt dat het niet goed mogelijk is op een bepaald tijdstip een vergelijking te maken tussen de opbouw van pensioen via een beschikbare premieregeling en de opbouw van pensioen via een middelloonregeling. De fiscale begrenzing van de verschillende pensioenregelingen haakt aan bij het karakter van de regeling. Dit betekent dat bij beschikbare premieregelingen de fiscale begrenzing plaatsvindt aan de inputzijde (de premie), terwijl bij uitkeringsovereenkomsten als eindloon- en middelloonregelingen de fiscale begrenzing is neergelegd aan de outputzijde (de uitkering). Het naast elkaar plaatsen van een beschikbare premieregeling en een eindloon- of middelloonregeling op een bepaald tijdstip is niet goed mogelijk, omdat de financiering van de twee pensioenstelsels geheel anders is. De risico’s bij een eindloon- en middelloonregeling liggen veelal (voor een deel) bij de werkgever terwijl in een beschikbare premieregeling dit risico te allen tijde bij de werknemer ligt. Een werknemer met een beschikbare premieregeling profiteert daarentegen ook van alle meevallers. Bij eindloon- en middelloonregelingen is de feitelijke premie een resultante van het premiebeleid, het beleggingsbeleid, het behaalde rendement (uit het verleden) en de feitelijke samenstelling van het deelnemersbestand. In een beschikbare premieregeling worden hierover vooraf aannames gedaan waardoor de premie of het verloop hiervan voor lange tijd vast komt te staan. De feitelijke ontwikkeling van het pensioenvermogen heeft zowel in slechte als in goede tijden geen invloed meer op de toekomstige premies. Het op een bepaald tijdstip maken van een vergelijking tussen deze stelsels van pensioenopbouw zou derhalve het hanteren van arbitraire uitgangspunten vergen. Dat neemt niet weg dat bij de vormgeving van de fiscale regelgeving voor de beschikbare premieregeling uitgangspunten zijn vastgelegd die gehanteerd moeten worden bij de omrekening van een uitkeringensysteem naar een beschikbare premiesysteem. Daarbij is beoogd dat de met een premiesysteem en een uitkeringensysteem te behalen pensioenresultaten min of meer moeten kunnen overeenkomen. Bij het formuleren van deze wettelijke uitgangspunten is vanzelfsprekend uitgegaan van het gegeven dat pensioenregelingen duurovereenkomsten zijn. Het betreft immers overeenkomsten met een tijdsverloop van – grof gezegd – 60 jaar (40 jaar opbouwfase, 20 jaar uitkeringsfase). Bij de vaststelling van de wettelijke rekenrente op 4% is derhalve rekening gehouden met een te verwachten gemiddeld rendement op de beleggingsportefeuille. Het portefeuillerendement van een gemiddeld pensioenfonds bestaat daarbij niet alleen uit de rente over (staats)leningen (de gemiddelde kapitaalmarktrente over de afgelopen 40 jaar beloopt overigens nominaal 6,68%), maar ook uit het – op lange termijn gemiddeld veelal hogere – rendement op aandelen en onroerend goed. Daarnaast zijn bij het besluit van 21 december 2009 – onder bepaalde voorwaarden – eveneens premieovereenkomsten die gebruikmaken van premiestaffels met een rekenrente van 3% als pensioenregeling aangewezen. Belangrijkste voorwaarde is dan wel dat in de pensioenregeling is bepaald dat het pensioen inclusief de toegekende indexatie zowel per jaar als in totaal niet uitgaat boven een middelloonpensioen binnen de kaders van hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 (begrenzing op de outputzijde).

De leden van de CDA fractie constateren dat de gelden met betrekking tot werkbonussen ten opzichte van het eerder gesloten pensioenakkoord niet meer in dit wetsvoorstel zijn opgenomen. De gelden met betrekking tot scholing en mobiliteit zitten er nog wel in. De leden van de CDA fractie hechten sterk aan de facetten van scholing en een mobiele arbeidsmarkt. Deze beide facetten bevorderen de duurzame inzetbaarheid van werknemers en dit vinden de leden van de CDA fractie van cruciaal belang. Ze vragen hoe het kabinet van plan is om op korte termijn de duurzame inzetbaarheid van werknemers uit te werken en te bevorderen.

Het bevorderen van de duurzame inzetbaarheid van werknemers is een prioriteit voor het kabinet, opdat werknemers op een goede manier, gezond en productief de AOW gerechtigde leeftijd kunnen bereiken. Primair ligt hiervoor de verantwoordelijkheid bij werkgevers en werknemers, die ervoor moeten zorgen dat ze voor elkaar aantrekkelijk blijven op de arbeidsmarkt. De overheid speelt een aanvullende en faciliterende rol. Om preventief in te zetten op duurzame inzetbaarheid heeft het kabinet sociale partners gevraagd intersectorale scholing te stimuleren. Om van-werk-naar-werk transities te stimuleren is de sociale partners gevraagd een VWNW-budget (een individueel opeisbaar recht op middelen voor bijvoorbeeld scholing bij ontslag) te introduceren in cao’s. Het kabinet realiseert zich dat dit een extra inzet, ook financieel, van de sociale partners vraagt en is bereid hen daarin tegemoet te komen.

Verder zijn maatregelen genomen op de terreinen gezond & veilig werken, scholing en arbeidsmobiliteit9 en zijn ESF-subsidies beschikbaar gesteld voor bedrijven (€ 77,2 miljoen) en sectoren (€ 20 miljoen) die aan de slag willen met duurzame inzetbaarheid. Via het project duurzame inzetbaarheid zet het kabinet nu in op het vergroten van de bewustwording in bedrijven, organisaties en sectoren. Om te bevorderen dat de maatregelen die duurzame inzetbaarheid van werknemers kunnen bevorderen – alle kennis en ervaring die beschikbaar is – sneller en beter wordt toegepast op de werkvloer.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of een sneller invoeringspad noodzakelijk is, gezien de zorgwekkende toestand van de overheidsfinanciën.

Een sneller invoeringspad draagt vanzelfsprekend nog meer bij aan het op orde brengen van de overheidsfinanciën. Dit leidt echter tot grotere overbruggingsproblemen voor mensen met weinig voorbereidingstijd. De regering is van mening dat het voorliggende wetsvoorstel een afgewogen balans tussen deze twee overwegingen biedt.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen om een overzicht van de maatregelen die het kabinet neemt om de arbeidsparticipatie van ouderen te vergroten.

De cijfers van het CBS10 over arbeidsparticipatie en uittreedleeftijd laten zien dat steeds meer ouderen werken en dat ze ook steeds langer doorwerken. De regering verwacht dat de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd vanaf 2013 deze trend op korte termijn verder zal versterken. Binnen het vitaliteitspakket wordt de focus verschoven van het in dienst houden van ouderen naar het in dienst nemen van oudere uitkeringsontvangers en arbeidsgehandicapten. Hierdoor verbeteren de kansen voor outsiders op de arbeidsmarkt. Naast de verhoging van de premiekorting voor oudere uitkeringsgerechtigden, ondersteunt de regering de aanname van oudere werklozen met de volgende instrumenten:

  • Compensatieregeling loonkosten bij ziekte van ouderen en voormalig langdurig werklozen: De werkgever wordt gecompenseerd voor de loondoorbetalingsplicht bij ziekte langer dan 13 weken van een werknemer die 55 jaar of ouder was op 1 juli 2009 en die op het moment van indiensttreding tenminste 52 weken WW-uitkering heeft ontvangen.

  • Proefplaatsing: werken met behoud van uitkering gedurende maximaal 3 maanden (niet alleen voor oudere werklozen);

  • Nieuwe loopbaanfaciliteiten ten behoeve van duurzame inzetbaarheid, zoals het vitaliteitssparen.

  • Maatregelen ter bevordering van duurzame inzetbaarheid op de werkvloer rond gezondheid, scholing en van-werk-naar-werk.

  • Passend Werkaanbod: Het UWV moet aan langdurig werklozen een passend werkaanbod doen (5 000 op jaarbasis). Dit is van toepassing op werklozen die minimaal 52 weken onafgebroken werkloos zijn.

De leden van de Christenunie-fractie willen weten of de regering aanvullende afspraken met de sociale partners overweegt om de arbeidsparticipatie van oudere werknemers te vergroten en zo ja, om welke afspraken het dan gaat of waarom dit niet wordt overwogen.

Op dit moment overweegt de regering geen aanvullende afspraken met de sociale partners anders dan zoals die zijn gemaakt op basis van de Beleidsagenda 2020. Het is eerst zaak om deze maatregelen concreet ten uitvoer te brengen en de effecten daarvan te monitoren. Een eerste meetmoment daarvoor is de komende jaarrapportage Cao-afspraken 2011, waarover het kabinet uw Kamer deze zomer verder verwacht te kunnen berichten. Hierin zal onder meer worden ingegaan op het onderwerp duurzame inzetbaarheid.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe en op welke wijze de Kamer wordt geïnformeerd over de diverse in het wetsvoorstel genoemde algemene maatregelen van bestuur. De leden van de fracties van het CDA en de ChristenUnie vragen de regering in het bijzonder naar de grondslag en inhoud van de algemene maatregel van bestuur om de overige sociale zekerheidswetgeving aan te passen aan de gewijzigde AOW-leeftijd en wanneer de bijzondere delegatiegrondslag gebruikt zal worden zodat mensen rechtszekerheid hebben. De leden van de fracties van het CDA en de ChristenUnie vragen of de regering kan aangeven dat alle sociale zekerheids- en overige uitkeringen zonder extra voorwaarden doorlopen tot de nieuwe AOW-leeftijd, zodat er voor deze groepen geen inkomensgat ontstaat.

In verband met de in het voorliggende wetsvoorstel geregelde verhoging van de AOW-leeftijd is het noodzakelijk de met die leeftijd samenhangende leeftijdsgrenzen in andere (sociale zekerheids- en overige) wetten aan te passen. Die aanpassing is noodzakelijk om te waarborgen dat de overige sociale verzekeringen en voorzieningen zullen doorlopen tot de nieuwe AOW-leeftijd. Op grond van de in het voorliggende wetsvoorstel opgenomen bijzondere delegatiegrondslag (Artikel V) zal deze aanpassing spoedshalve vooreerst plaatsvinden bij algemene maatregel van bestuur (amvb). De regering is voornemens deze amvb op zo kort mogelijke termijn vast te stellen, waarbij wordt gestreefd naar plaatsing in het Staatsblad medio augustus. Direct na plaatsing in het Staatsblad van deze amvb zal er zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel bij de Staten-Generaal worden ingediend, waarin dezelfde wetswijzigingen zullen zijn opgenomen als in de amvb, zodat de beide Kamers van de Staten-Generaal hun bevoegdheden als medewetgever alsnog ten volle kunnen uitoefenen. Daarnaast is het noodzakelijk ook de met de AOW-leeftijd samenhangende leeftijdsgrenzen in op diverse wetten gebaseerde algemene maatregelen van bestuur aan te passen. Zoals te doen gebruikelijk zal deze aanpassing eveneens plaatsvinden bij amvb. Deze amvb zal de gangbare procedure doorlopen en dus niet worden gevolgd door een wetsvoorstel. Met betrekking tot deze amvb hanteert de regering dezelfde planning als met betrekking tot de hiervoor bedoelde amvb. Al de beoogde aanpassingen zijn er op gericht alle sociale zekerheids- en overige uitkeringen te laten door lopen tot de nieuwe AOW-leeftijd, zodat er voor uitkeringsgerechtigden geen inkomensgat ontstaat.

Volledigheidshalve wijst de regering er nog op dat de verhoging van de AOW-leeftijd ook een aanpassing van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers noodzakelijk maakt. Daartoe zal een separaat wetsvoorstel worden ingediend. Voor zover de verhoging van de AOW-leeftijd en pensioenrichtleeftijd noodzaken tot aanpassingen in leeftijdsafhankelijke regelingen die zijn opgenomen in fiscale wetgeving, worden deze direct meegenomen in het Belastingplan.

3. Overgangsregeling

De leden van de fracties van de PvdA, CDA, D66 en VVD vragen waarom een flexibele AOW, zoals was geregeld in het wetsvoorstel Wet verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW, niet is opgenomen in het voorliggende wetsvoorstel en of deze flexibele AOW niet een rol kan spelen in het oplossen van de overbruggingsproblematiek.

Het huidige wetsvoorstel Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd wijkt inderdaad op een aantal punten af van het eerdere wetsvoorstel Verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW, dat een uitwerking was van de afspraken met de sociale partners in het Pensioenakkoord. De mogelijkheid om de AOW flexibel of in deeltijd op te nemen was onderdeel van deze afspraken. Sinds het sluiten van het Pensioenakkoord zijn echter zowel de toestand als het vooruitzicht voor de overheidsfinanciën sterk verslechterd. Daarom heeft de Tweede Kamer in het Begrotingsakkoord 2013 afgesproken dat de eerste verhoging van de AOW-leeftijd al in 2013 zal plaatsvinden en dat er geen flexibele AOW wordt geïntroduceerd. De combinatie van geleidelijke verhoging en de voorschotregeling biedt naar mening van de regering voldoende flexibiliteit. Er is tevens een budgettaire reden om geen flexibele AOW te introduceren. Zoals de leden van de VVD-fractie terecht opmerken zal de korting op de AOW bij het naar voren halen van enkele maanden AOW zeer laag zijn. Naar verwachting zullen grote groepen van deze aantrekkelijke mogelijkheid gebruik maken. Hierdoor lekt vrijwel de hele besparing die het gevolg is van de verhoging van de AOW-leeftijd in de eerste jaren weg. Ook op de lange termijn is de introductie van een flexibele AOW een kostbare maatregel door een negatief effect op de werkgelegenheid: het niet opnemen van deze mogelijkheid levert een houdbaarheidsbijdrage van 0,2% bbp.

De leden van de fracties van PvdA, CDA en D66 vragen hoeveel mensen een beroep zullen doen op de verlenging van de partnertoeslag, en welke uitgaven hiermee gemoeid zijn.

De verlenging van de partnertoeslag heeft alleen gevolgen voor de geboortecohorten november en december 1949. Dit betreft ruim 35 000 personen. Van deze personen hebben er ongeveer 15 000 een jongere partner. Naar verwachting zal twee derde van deze groep partnertoeslag ontvangen. De uitgaven die hiermee gemoeid zijn bedragen in 2015 circa € 50 miljoen.

De leden van de fracties van de PvdA en het CDA vragen hoe groot de groep zal zijn die een beroep doet op de voorschotregeling

De voorschotregeling is toegankelijk voor iedereen die in de periode 2013–2015 de AOW-leeftijd bereikt. Er zijn geen toegangseisen aan verbonden. De regering verwacht dat er ruim gebruik zal worden gemaakt van de regeling, ook door mensen voor wie dit niet strikt noodzakelijk is. Bij de raming van de kosten is verondersteld dat ongeveer 20% van de nieuwe AOW’ers een voorschot aan zal vragen.

De leden van de PvdA-fractie vragen of er nog problemen resteren voor personen die geen beroep kunnen doen op de overgangsregelingen maar wel te maken hebben met weinig voorbereidingstijd.

De voorschotregeling, die is vormgegeven als een renteloze lening, is toegankelijk voor iedereen die in de desbetreffende jaren de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Er zijn dus geen personen met weinig voorbereidingstijd die hier geen beroep op kunnen doen.

De leden van de PvdA-fractie vragen of regering nog steeds staat achter het antwoord op de vraag van de SGP-fractie in de nota naar aanleiding van verslag bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met verhoging en koppeling aan de ontwikkeling van de levensverwachting van de pensioenleeftijd, extra verhoging van het AOW-ouderdomspensioen en introductie van de mogelijkheid het AOW-ouderdomspensioen desgevraagd geheel of gedeeltelijk eerder of later te laten ingaan (Wet verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW)5.

Ook vragen deze leden waarom er in het huidige wetsvoorstel zo weinig rekening wordt gehouden met voldoende voorbereidingstijd.

In het huidige wetsvoorstel gaat de AOW-leeftijd niet in één keer met één jaar omhoog, maar stapsgewijs met drie maanden waarbij voor de eerste periode een verzacht ingroeipad geldt. Anders dan de leden van de PvdA-fractie vindt de regering dat het huidige wetsvoorstel voldoende voorbereidingstijd bevat. Om de mensen die in 2013 65 jaar worden tijdig over de consequenties die de verhoging van de AOW-leeftijd voor hen heeft te kunnen informeren, een zorgvuldige uitvoering te kunnen garanderen en de gewenste besparingen te realiseren streeft de regering ernaar te komen tot een afrondende behandeling door beide Kamers voor het zomerreces. Dat de voorbereidingstijd korter is dan bij het eerdere wetsvoorstel Wet verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering is inherent aan het feit dat met het voorliggende wetsvoorstel de AOW-leeftijd sneller wordt verhoogd dan in dat eerdere wetsvoorstel. Een snellere verhoging van de AOW-leeftijd is noodzakelijk gezien de toestand van de overheidsfinanciën, die in korte tijd sterk is verslechterd. Anders dan de leden van de PvdA-fractie nemen de bij het Begrotingsakkoord 2013 betrokken fracties de verantwoordelijkheid snel te komen tot extra maatregelen. Wachten tot 2020 met de noodzakelijke verhoging van de pensioenleeftijd is, gezien de staat van de Nederlandse overheidsfinanciën, niet langer mogelijk. Dit betekent dat van iedereen een bijdrage mag worden verwacht.

De leden van de PvdA-fractie vragen op welke wijze mensen die in een reeds gesloten beëindigingsovereenkomst zitten (VUT, prepensioen, arbeidsongeschiktheidsregeling), waarbij is uitgegaan van een pensioenleeftijd van 65 jaar, in hun inkomen kunnen voorzien als de AOW-leeftijd inmiddels is verhoogd.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoeveel mensen die gebruik maken van een VUT of vroegpensioen over onvoldoende vermogen of overig inkomen beschikken om het inkomensgat op te vangen. Deze leden vragen tevens hoe de regering het hebben van voldoende vermogen of overig inkomen definieert.

De verhoging van de AOW-leeftijd kan tijdelijke overbruggingsproblemen veroorzaken voor mensen die weinig voorbereidingstijd hebben en weinig mogelijkheden hebben het verlies te compenseren. Daarom wordt de verhoging van de AOW-leeftijd geleidelijk ingevoerd, zodat de overbruggingsproblemen voor de groep met weinig voorbereidingstijd sterk worden beperkt. Daarnaast komt er voor de eerste jaren een voorschotregeling. Deze regeling biedt de mogelijkheid om een voorschot op de AOW te krijgen vanaf de 65e verjaardag. Hiermee kunnen mensen een eventueel inkomensgat overbruggen. Mensen kunnen zelf in een mogelijk inkomensgat voorzien door nu al zo mogelijk iedere maand een bedrag te sparen. Dat spaargeld kan later worden gebruikt om de periode naar de pensioengerechtigde leeftijd te overbruggen. Veel ouderen hebben ook relatief veel vermogen, dat zij (deels) zouden kunnen aanwenden om de gevolgen van een hogere AOW-leeftijd op te vangen. Voor ouderen met een partner kan een beroep worden gedaan op het inkomen van de partner. Het is ook mogelijk dat mensen aan hun pensioenfonds vragen om een deel van het aanvullend pensioen naar voren te halen om het gemis aan AOW op te vangen. Verder kunnen mensen een beroep doen op de (bijzondere) bijstand als ze onder het sociaal minimum dreigen te komen. De SVB wordt gevraagd hier extra op te letten.

De overgangsregeling van het wetsvoorstel komt ook tegemoet aan mogelijke overgangsproblemen voor degenen die gebruik maken van VUT of prepensioen. Met de invoering van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT / prepensioenregelingen en introductie levensloopregeling (Wet VPL) in 2006 is de fiscale faciliëring van VUT- en prepensioenregelingen beperkt tot de groep werknemers die voor 1 januari 2005 55 jaar of ouder was en die uiterlijk op 31 december 2014 de 65-jarige leeftijd bereikt. Deze groep krijgt in geringe mate te maken met de nieuwe AOW-ingangsdatum, doordat deze per 1 januari 2013 en 2014 telkens met 1 maand wordt verhoogd. Dit geleidelijke invoerpad beperkt het overbruggingsproblemen voor deze groep in vergelijking met de structurele situatie, waarin de AOW-leeftijd telkens in stappen van 3 maanden wordt verhoogd. De overbruggingsproblemen worden verder beperkt door de voorschotregeling, waarmee mensen hun AOW in feite over een langere periode uit kunnen smeren om te voorkomen dat ze tijdelijk zonder inkomen zitten.

In de periode 2013–2015 zullen jaarlijks naar schatting 5 000 mensen die nu reeds in een VUT- of prepensioenregeling zitten onvoldoende inkomen of vermogen hebben om het inkomensgat te overbruggen. Hierbij is uitgegaan van de huidige vermogensgrenzen in de bijstand en een inkomensgrens van 110% van het wettelijk minimumloon. Overigens zullen deze mensen veelal ook beschikken over ouderdomspensioen dat zij desgewenst naar voren kunnen halen (dit wordt niet meegerekend in het vermogen).

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering haar verantwoordelijkheid afschuift op pensioenuitvoerders en sociale partners door in de reactie op het advies van de Raad van State te wijzen op de mogelijkheid die zij hebben om inkomensgevolgen voor mensen met een VUT -of prepensioenuitkering te repareren of te verzachten.

De regering merkt op dat het voorkomen van ongewenste inkomensgevolgen maatwerk vergt op individueel niveau. De regering wil geenszins haar verantwoordelijkheid voor het wetsvoorstel en de gevolgen daarvan afschuiven. Daarom heeft de regering naast een langzame verhoging van de AOW-leeftijd in de eerste jaren ook gekozen voor een individuele voorschotregeling in de AOW. De regering heeft echter geen inzicht in de inkomenspositie van individuele vroeggepensioneerden, omdat VUT- en vroegpensioenregelingen verschillen en de hoogte van de uitkering ook tussen mensen in dezelfde regeling verschilt.

Pensioenuitvoerders en sociale partners zijn het beste op de hoogte van de gevallen waarin de verschuiving van de AOW-ingangsdatum ondanks de geleidelijke invoering en de voorschotfaciliteit leidt tot overbruggingsproblemen en negatieve inkomenseffecten voor degenen die van VUT of en vroegpensioen gebruik maken. Zij kunnen hier, beter dan de regering, op inspelen door VUT-regelingen aan te passen of door mensen te wijzen op de wettelijke mogelijkheid om het ouderdomspensioen naar voren te halen. De regering merkt daarnaast op dat het wetsvoorstel geen verplichting kent om pensioenregelingen aan te passen aan de nieuwe ingangsdatum van de AOW. Het is daarmee aan sociale partners om te beslissen of zij de bestaande VUT- en vroegpensioenregelingen aan willen passen aan de nieuwe situatie.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering nog andere maatregelen neemt, naast de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd en de voorschotfaciliteit in de AOW. Deze leden zijn van mening dat de regering de overgangsproblemen voor mensen met een VUT- of prepensioenuitkering bagatelliseert, en vragen om een inhoudelijke reactie.

De regering bagatelliseert het later ingaan van de AOW voor deze groep met één maand (in 2013) tot drie maanden (in 2015) in vergelijking met de huidige situatie niet, maar plaatst het in perspectief. Deze mensen krijgen nog steeds eerder recht op een AOW-uitkering dan de jongere generaties die nu nog werken en die het gros van de AOW betalen. Bovendien hebben ouderen gemiddeld meer vermogen dan jongeren. Mensen met een lopende VUT- of vroegpensioenregeling hebben daarnaast in de meeste gevallen ook aanspraak op een ouderdomspensioen naast de AOW. Later AOW krijgen dan men van tevoren had verwacht is niet leuk, maar de regering is van mening dat de mogelijke problematische inkomensgevolgen door de verhoging van de AOW-leeftijd reeds in 2013 in gang te zetten beperkt zijn, en bovendien afdoende worden ondervangen door de genomen maatregelen in het wetsvoorstel.

De regering is daarom ook van mening dat het geleidelijke invoeringspad voor de verhoging van de AOW-leeftijd en de invoering van een voorschotregeling in de AOW, in combinatie met de mogelijkheden die sociale partners hebben om vroegpensioenregelingen aan te passen en de individuele wettelijke mogelijkheden die mensen hebben om hun ouderdomspensioen naar voren te halen, voldoende waarborgen bieden om te voorkomen dat mensen met een VUT- of vroegpensioenuitkering – tijdelijk – op een inkomen onder het sociaal minimum terecht komen.

De leden van de PvdA-fractie zijn zeer teleurgesteld dat er geen fatsoenlijke overgangsregelingen in het voorliggende wetsvoorstel zijn verwerkt. Zij wijzen er op dat de Raad van State naar hun mening terecht opmerkt dat de beoogde voorschotregeling geen voorschot biedt maar een kortlopende lening en dat ook de SVB aangeeft dat de voorschotfaciliteit niet strookt met de gangbare voorschotsystematiek en een aantal juridische bezwaren constateert. Zij merken op dat de SVB pleit voor een alternatieve regeling die het mogelijk maakt een lening te verstekken die niet het karakter heeft van ouderdomspensioen, omdat dit veel juridische problemen voorkomt. Deze leden vragen of de regering voornemens is om de inhoud en naam van de regeling beter op elkaar te laten aansluiten, zodat de naam ook de lading dekt en vragen de regering een inhoudelijke reactie op de bezwaren van de SVB. Ook vragen deze leden om een reactie van de regering op het alternatief van de SVB.

Naar aanleiding van deze vragen van de leden van de PvdA-fractie merkt de regering op dat het wetsvoorstel voor wat betreft de beoogde voorschotregeling inmiddels is aangepast ten opzichte van het wetsvoorstel dat aan de SVB en aan de Afdeling advisering van de Raad van State is voorgelegd. De opmerkingen van de SVB en het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State hebben betrekking op een op artikel 4:95 van de Algemene wet bestuursrecht te baseren voorschotregeling, zoals die de regering toen nog voor ogen stond. Inmiddels is naar aanleiding van de opmerkingen van de SVB en het advies van de Afdeling advisering in artikel I, onderdeel H, van het voorliggende wetsvoorstel een specifieke voorschotregeling opgenomen. Met deze specifieke regeling (nieuw artikel 22 AOW) die voorziet in het verlenen van een voorschot in de vorm van een renteloze lening, is de regering tegemoetgekomen aan de opmerkingen van zowel de SVB als de Afdeling advisering van de Raad van State.

De leden van de fracties van PvdA, D66 en ChristenUnie hebben vragen over de vormgeving en procedure van de voorgestelde voorschotregeling. Deze leden vragen allen of en zo ja hoeveel rente er over het voorschot wordt gerekend. De leden van de D66-fractie vragen bij welke instantie men het voorschot kan aanvragen en binnen welke termijn een aanvraag moet zijn ingediend. De leden van de PvdA-fractie vragen waarom de voorschotregeling slechts beschikbaar is tot en met 2015 en waarom er niet voor gekozen is de terugbetalingstermijnen langer te maken. Deze leden vragen of het mogelijk is het voorschot kwijt te schelden indien de terugbetaling tot grote financiële problemen leidt en als dat mogelijk is welke instantie tot kwijtschelding kan overgaan. De leden van de D66-fractie vragen wat de consequenties zijn als mensen niet tijdig terugbetalen. De leden van de PvdA-fractie vragen of het tot de vrije beleidsruimte van de SVB behoort om te bepalen onder welke omstandigheden een voorschot kan worden verleend en of er hierin verschillen kunnen ontstaan tussen de diverse SVB-kantoren in het land. Deze leden vragen of iedereen een beroep kan doen op de voorschotmaatregel of dat deze is voorbehouden aan specifieke groepen mensen. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de maximale hoogte van het voorschot. Deze leden vragen voorts op welke wijze en wanneer mensen worden geïnformeerd over de mogelijkheid om een voorschot aan te vragen met de daarbij behorende voorwaarden. De leden van de PvdA-fractie vragen om een rekenvoorbeeld van de voorschotregeling en de vertaling hiervan in de lagere AOW-uitkering gedurende de terugbetalingstermijn. Ook vragen de leden van de PvdA-fractie in hoeverre mensen die tijdelijk door de terugbetaling van het voorschot een lagere AOW-uitkering ontvangen een beroep kunnen doen op huursubsidie, zorgtoeslag, inkomensafhankelijke ouderenkortingen en andere regelingen, en of rekening is gehouden met deze weglek en extra bureaucratische handelingen.

Een aanvraag voor een voorschot wordt ingediend bij de SVB. De SVB informeert mensen over de mogelijkheid van de voorschotverlening en de voorwaarden op hetzelfde moment als waarop de AOW-uitkering kan worden aangevraagd. In de regel is dat zes maanden voor het bereiken van de AOW-leeftijd. Personen die begin 2013 65 jaar worden kunnen het voorschot aanvragen uiterlijk vanaf 1 november a.s. Op het moment dat er een aanvraag is ingediend, is de SVB zonder nadere voorwaarden verplicht het voorschot toe te kennen. Het behoort dus niet tot de vrije beleidsruimte van de SVB om te bepalen onder welke omstandigheden een voorschot kan worden verleend. Er kunnen dus ook geen verschillen ontstaan tussen de verschillende SVB-kantoren. Aangezien het voorschot is bedoeld als overbrugging van een mogelijk inkomensgat van de 65ste verjaardag tot aan het moment waarop de AOW-leeftijd wordt bereikt, dient het voorschot te worden aangevraagd voor de 65ste verjaardag. Iedereen die in 2013, 2014 of 2015 de AOW-leeftijd bereikt12 kan een beroep doen op de voorschotregeling. De regering heeft er voor gekozen voor hen een voorschotregeling in te stellen omdat zij het dichtst bij de AOW-leeftijd zijn en mogelijk als gevolg van de verhoging van de AOW-leeftijd overbruggingsproblemen kunnen ondervinden. Na 2016 gaat de regering ervan uit dat mensen voldoende tijd hebben gehad om zich voor te bereiden op de verhoogde AOW-leeftijd door te sparen, verzekeringen aan te passen en/of hun pensioen naar voren te halen. Daarnaast loopt de overgangsregeling uit de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioenregelingen en introductie levensloopregeling (Wet VPL) in 2015 af. Dat betekent dat er na 2015 geen mensen meer in de bestaande VUT- of prepensioenregelingen zitten.

Een voorschot heeft de vorm van een renteloze geldlening, zo antwoordt de regering op de vragen van de fracties van PvdA, D66 en ChristenUnie. Er wordt dus geen rente gerekend. De hoogte van de het voorschot wordt door de SVB vastgesteld op 6/7e van de hoogte van de eerste volle AOW-maand. De voorschotverlening gaat in op de dag waarop de persoon de leeftijd van 65 jaar bereikt. De terugbetaling geschiedt door verrekening met de netto AOW-uitkering. Een voorschot dient te worden terugbetaald gedurende zes maanden (over 1 maand voorschot), 12 maanden (over 2 maanden voorschot) en 18 maanden (over 3 maanden voorschot). De regering acht de gestelde termijnen voldoende om het voorschot tijdig terug te betalen. Een verleend voorschot kan in beginsel niet door de SVB worden kwijtgescholden. In schrijnende gevallen zal de SVB echter maatwerk leveren.

Concreet betekent dit het volgende. In 2013 bedraagt het netto AOW-bedrag (exclusief vakantiegeld) voor een alleenstaande circa € 1 000 per maand. Het voorschotbedrag bedraagt dan 6/7e van dit netto AOW-bedrag per maand, ofwel circa € 850. Zes maanden lang zal dan vervolgens circa € 140 per maand moeten worden terugbetaald. Dit gebeurt via verrekening met de uitbetaling van het netto ouderdomspensioen. Doordat het voorschot in de vorm van een renteloze lening wordt gegeven, heeft de voorschotverlening en terugbetaling geen gevolgen voor het belastbaar inkomen (verzamelinkomen) van betrokkenen. Hiermee heeft terugbetaling van het voorschot geen gevolgen voor het recht op huurtoeslag, zorgtoeslag, inkomensafhankelijke ouderenkortingen en/of andere regelingen. Er is dus geen sprake van weglek en extra bureaucratische handelingen door de voorschotregeling.

De leden van de PvdA-fractie vragen of mensen die een voorschot op de AOW ontvangen ook AOW-premie moeten betalen over dit voorschot.

Uit het voorgestelde artikel 22, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet kan worden afgeleid dat het op aanvraag aan mensen verleende voorschot de vorm heeft van een renteloze lening. Het verstrekken van deze lening vindt plaats buiten de inkomenssfeer. Noch de toekenning noch de latere verrekening heeft gevolgen voor de AOW-premie.

De leden van de CDA fractie vragen naar de inkomensgevolgen voor mensen met een VUT- en prepensioenuitkering en mensen met private inkomensverzekeringen. Daarnaast vragen de leden van de CDA fractie of een voorschot de enige manier is de pijn te verzachten of dat mensen zelf ook nog andere maatregelen kunnen treffen. Deze leden vragen tevens of er genoeg tijd is voor het treffen van aanvullende maatregelen, en of er sprake is van flankerend beleid.

De leden van de CDA fractie vragen voorts of de regering kan toelichten of na de te treffen overgangsmaatregelen nog problemen resteren voor personen met weinig voorbereidingstijd.

De regering heeft geen inzicht in de inkomenspositie van individuen met een VUT- of prepensioenuitkering, omdat vroegpensioenregelingen onderling verschillen en ook de hoogte van het vroegpensioen tussen mensen binnen dezelfde regeling verschilt. Bovendien zijn de inkomensgevolgen ook afhankelijk van het aanvullend pensioen dat men heeft opgebouwd en van een eventueel derde-pijler-pensioen. Derde-pijler producten worden, evenals private inkomensverzekeringen, individueel afgesloten. Het is de regering niet bekend hoeveel personen een private inkomensverzekering hebben en wat de polisvoorwaarden van die individuele verzekeringen zijn. De regering kan daarom geen inzicht geven in de inkomensgevolgen voor deze groep. De voorschotregeling is voor iedereen die tot en met 2015 de pensioengerechtigde leeftijd bereikt toegankelijk. Er zijn dus geen mensen die hier buiten vallen. Daarnaast kunnen mensen zelf vanzelfsprekend allerlei maatregelen treffen om om te gaan met de verhoging van de AOW-leeftijd. Het heeft de voorkeur van de regering dat zij kiezen voor langer doorwerken. Ook kunnen mensen bijvoorbeeld sparen en zo eventuele overbruggingsproblemen opvangen. Een andere optie is het naar voren halen van een deel van het aanvullend pensioen. Veel ouderen hebben ook relatief veel vermogen, waarop zij zouden kunnen interen. Voor ouderen met een partner kan een beroep worden gedaan op het inkomen van de partner. Dit zijn allemaal individuele maatregelen die geen of weinig voorbereidingstijd vergen, en die ook geen flankerend beleid vanuit de overheid vergen. De voorschotregeling is slechts één van de mogelijkheden.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe groot de regering de kans acht dat als iemand een beroep doet op de WWB en aan de voorwaarden voldoet, tijdig een WWB-uitkering ontvangt ter overbrugging naar de AOW-uitkering.

De regering acht de kans dat de WWB-uitkering tijdig ontvangen wordt om de volgende redenen reëel. Dat een periode moet worden overbrugd tussen het bereiken van de 65-jarige leeftijd en de ingangsdatum van de AOW, is een voorzienbare situatie. De belanghebbende kan daardoor tijdig, voordat hij in bijstandsbehoeftige omstandigheden geraakt, een aanvraag om een WWB-uitkering indienen. Op die aanvraag kan het college een besluit nemen dat ingaat op de datum dat aanvrager de leeftijd van 65 jaar bereikt. Bijstand kan namelijk niet alleen worden toegekend aan personen die in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeren, maar ook aan mensen die in dergelijke omstandigheden dreigen te geraken.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen onder welke voorwaarden mensen een beroep kunnen doen op de bijzondere bijstand. De leden van de PvdA-fractie geven aan dat het voor hen onduidelijk is op welke wijze gemeenten met het instrument bijzondere bijstand de genoemde overbruggingsproblemen kunnen opvangen. Zij vragen om een inhoudelijke toelichting.

Naast algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kan de belanghebbende in de overbruggingsperiode te maken krijgen met uit bijzondere omstandigheden voorvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan die naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Voor laatstbedoelde kosten kan het college bijzondere bijstand verlenen. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om woonkosten boven de huurgrens, of om kosten in verband met ziekte of handicap waarvoor geen voorliggende voorziening beschikbaar is. De bijzondere bijstand kan bij overbruggingsproblemen een aanvulling zijn op, maar geen vervanging van, de algemene bijstand of het daarmee qua hoogte vergelijkbare inkomen. Op deze wijze kan het college met het instrument bijzondere bijstand een bepaald deel van de genoemde overbruggingsproblemen opvangen. Het is aan het college om te bepalen of, en zo ja in welke mate, bijzondere bijstand wordt verstrekt.

Een eerste voorwaarde voor het recht op bijzondere bijstand betreft de persoon van de belanghebbende. Die dient -net als bij de algemene bijstand- een in Nederland woonachtige Nederlander te zijn of een in Nederland woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt en die door de WWB met een Nederlander gelijk wordt gesteld.

De tweede voorwaarde betreft het soort kosten waarvoor bijzondere bijstand kan worden verleend. Hierbij is onderscheid te maken tussen individuele en categoriale bijzondere bijstand. De voorwaarde voor individuele bijzondere bijstand zijn hiervoor vermeld. Categoriale bijzondere bijstand kan worden verleend aan een persoon, behorend tot een bepaalde categorie, zonder dat wordt nagegaan of ten aanzien van die persoon de bepaalde, in de WWB genoemde, kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten aanzien van de categorie waartoe hij behoort aannemelijk is dat die zich in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot bepaalde noodzakelijke kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan. Hierbij geldt voorts als voorwaarde dat het in aanmerking te nemen inkomen van deze persoon niet hoger is dan 110 procent van de op hem van toepassing zijnde bijstandsnorm. Het is aan het college om te bepalen of aan genoemde voorwaarden wordt voldaan.

De leden van de fracties van de PvdA en het CDA vragen hoe groot de groep zal zijn die naar verwachting een beroep zal doen op de bijzondere bijstand als gevolg van de verhoging van de AOW-leeftijd. Zij vragen wat de financiële gevolgen zijn voor gemeenten, en of de regering voornemens is gemeenten hiervoor te compenseren.

Om in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand moet er sprake zijn van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. De verhoging van de AOW-leeftijd is niet zo’n omstandigheid. De verhoging van de AOW-leeftijd kan slechts leiden tot minder financiële ruimte om bedoelde kosten zelf te dragen, maar niet tot een toename van de kosten als zodanig. Een voorbeeld is de persoon die bijzondere kosten heeft in verband met ziekte of handicap. Die kosten nemen niet toe door de verhoging van de AOW-leeftijd, maar de financiële ruimte om zelf die kosten uit te voldoen kan daardoor wel afnemen, waardoor een eerder of groter beroep op de bijzondere bijstand moet worden gedaan. In de praktijk zal het beroep op de bijzondere bijstand dus slechts beperkt toenemen door de verhoging van de AOW-leeftijd. De bestaande middelen zijn toereikend om hier in voorkomend geval in te voorzien.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat mensen onder de armoedegrens terecht komen.

Het vangnet van de WWB voorkomt dat mensen onder de armoedegrens terecht komen. De belanghebbende kan tijdens de overbruggingsperiode een beroep doen op dit vangnet voor zover hij over onvoldoende middelen beschikt om te voorzien in de, hetzij algemene, hetzij bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan.

4. Financiële gevolgen

De leden van de fracties van PvdA en CDA vragen waarop de berekening van het houdbaarheidseffect is gebaseerd. De leden van de D66-fractie zijn benieuwd naar de gevolgen van het wetsvoorstel voor de arbeidsparticipatie.

Bij de houdbaarheidsberekeningen wordt de toekomstige ontwikkeling van de uitgaven en inkomsten van de overheid zo goed mogelijk meegenomen. Daarbij valt te denken aan de geraamde ontwikkeling van onder meer de zorgkosten, belastinginkomsten en aardgasbaten. Bij de berekening van het houdbaarheidseffect van dit wetsvoorstel is het CPB uitgegaan van de meest recente bevolkingsprognose van het CBS. Onderstaande tabel bevat een uitsplitsing van het berekende houdbaarheidseffect. Uit de tabel blijkt dat het werkgelegenheidseffect 0,5% bbp bedraagt.

Tabel 1: houdbaarheidseffect (% bbp, bron: CPB)

Minder AOW-uitkeringen door hogere AOW-leeftijd (netto)

0,9 à 1,0

Weglek overige sociale zekerheid (netto)

– 0,2

Inperking Witteveenkader

0,1

Hogere werkgelegenheid

0,5

Effect op de opbrengsten box 3 en indirecte belastingen

– 0,1

Geleidelijke invoering

– 0,1 à – 0,2

   

Totaal houdbaarheidseffect

1,1

De leden van de PvdA-fractie vragen of het klopt dat de verlaging van de opbouwpercentages voor pensioenen met 0,1%-punt geen additionele bezuiniging van € 700 miljoen oplevert naast de taakstelling op het Witteveenkader van € 700 miljoen. Daarnaast vragen de leden van de PvdA-fractie of de inperking van de pensioenopbouw «gratis» wordt opgelost als jongeren langer doorwerken.

De inperking van het Witteveenkader levert structureel € 700 miljoen op. De opbrengst door aanpassing van het Witteveenkader kan in principe op verschillende manieren worden gerealiseerd. Zo kan het Witteveenkader worden beperkt door het verhogen van de pensioenrichtleeftijd, het verlagen van de maximumopbouwpercentages of het verhogen van de minimumfranchise. In dit wetsvoorstel is gekozen voor een combinatie van een verhoging van de pensioenrichtleeftijd (naar 67 jaar vanaf 2014, daarna koppeling aan de ontwikkeling van de levensverwachting) en een verlaging van de maximum opbouwpercentages (met 0,1%-punt voor zowel eindloon- als middelloonregelingen). De verlaging van de maximumopbouwpercentages komt in de plaats van de verhoging van de minimumfranchise in het Wetsvoorstel verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW. Deze komt in onderhavig wetvoorstel te vervallen omdat de extra verhoging van de AOW ook niet doorgaat. De regering acht het niet wenselijk als er een gat ontstaat tussen de AOW en het inkomen vanaf waar pensioen kan worden opgebouwd. Daarom is ervoor gekozen om de maximum opbouwpercentages iets te verlagen.

Als alleen de fiscale pensioenrichtleeftijd zou worden verhoogd conform het wetsvoorstel, wordt de beoogde opbrengst van € 700 miljoen niet gehaald. De structurele opbrengst zou dan circa 150 miljoen lager uitvallen. Het achterwege laten van de verlaging van de maximumopbouwpercentages kan alleen budgettair neutraal worden gerealiseerd als bijvoorbeeld de pensioenrichtleeftijd verdergaand zou worden verhoogd dan thans wordt voorgesteld.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoeveel jaar mensen met een eind- of middelloonregeling langer moeten doorwerken om de huidige pensioenambitie te kunnen handhaven. Daarnaast vragen de leden van de PvdA-fractie hoeveel minder pensioen werknemers in eind- en middelloonregelingen opbouwen als wordt uitgegaan van 35 jaar opbouw, en op welke manier het voorstel de verschillende generaties raakt.

Stel dat een werknemer op dit moment onder een middelloonregeling valt met een jaarlijkse opbouw van 2,25%, en dat deze werknemer 35 jaar werkt. In totaal bouwt de werknemer 78,75% van het gemiddeld verdiende loon op. Als gevolg van het wetsvoorstel wordt de jaarlijkse opbouw beperkt tot 2,15%. Om eenzelfde ambitie op de dan geldende pensioenrichtleeftijd te kunnen handhaven moet deze werknemer 78,75/2,15 = circa 36½ jaar werken. Een min of meer vergelijkbaar gevolg treedt op bij de voorgestelde inperking van het kader voor eindloonregelingen.

Een werknemer moet in de genoemde situatie dus circa 1½ jaar langer werken om de huidige pensioenambitie te handhaven. Blijft de werknemer echter 35 jaar werken, dan neemt de totale opbouw af van 78,75% naar 75,25% van het gemiddelde loon in geval van een middelloonregeling, en van 70% naar 66,5% van het laatst verdiende loon in geval van een eindloonregeling. In beide gevallen neemt de totale opbouw op de geldende pensioenrichtleeftijd dan af met 3,5%-punt. Degenen die aan het begin van hun loopbaan staan bouwen over de volledige werkzame periode minder pensioen op. Degenen die al pensioen hebben opgebouwd bouwen alleen minder pensioen op vanaf 2014. De inperking van het Witteveenkader heeft immers geen gevolgen voor de reeds opgebouwde aanspraken.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de uitgaven voor de SVB aan uitvoeringskosten, administratieve kosten en nalevingskosten zijn verdisconteerd in de baten van het wetsvoorstel en het houdbaarheidseffect.

In hoofdstuk 5 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel zijn de verschillende baten en lasten apart verantwoord. Paragraaf 5.1 bevat de effecten op de uitkeringslasten en de belastinginkomsten als gevolg van de verhoging van de AOW-leeftijd. Paragraaf 5.2 bevat de financiële gevolgen van de aanpassing van het Witteveenkader. In paragraaf 5.4 wordt ingegaan op de uitvoeringskosten van de SVB en de Belastingdienst, en in paragraaf 5.5 op de administratieve lasten en nalevingskosten voor burgers en bedrijven. In het houdbaarheidseffect (paragraaf 5.3) zijn alle kosten en baten verdisconteerd.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan toelichten of er wijzigingen zijn in administratieve lasten voor pensioenuitvoerders en of er sprake is van hogere toezichtkosten. De leden van de CDA-fractie vragen om een toelichting wat de wijzigingen zijn in administratieve lasten voor pensioenuitvoerders?

De fiscale aanpassingen leiden niet tot structureel nadelige gevolgen voor de administratieve lasten. Ook is er geen sprake van een structurele toename van de toezichtkosten. Het wetsvoorstel leidt incidenteel wel tot een toename van de administratieve lasten en toezichtkosten. De verhoging van de fiscale pensioenrichtleeftijd en de verlaging van de maximum opbouwpercentages zullen er in voorkomende gevallen toe leiden dat pensioenregelingen moeten worden aangepast om binnen het Witteveenkader te blijven. De gewijzigde pensioenrichtleeftijd en opbouwpercentages zullen ook in de pensioensystemen van de pensioenuitvoerders moeten worden verwerkt. Ten slotte zullen ook de pensioendeelnemers over deze aanpassingen geïnformeerd moeten worden. De geschatte omvang van de met deze aanpassingen gemoeide toezichtskosten zijn in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel nader omschreven.

De leden van de CDA-fractie vragen wanneer de structurele besparing van € 700 miljoen van de aanpassing van het Witteveenkader zal zijn bereikt. Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie een toelichting bij de berekening van het houdbaarheidseffect.De structurele besparing van de aanpassing van het Witteveenkader van € 700 miljoen is het houdbaarheidseffect van de maatregel. Dat wil zeggen dat niet alleen het (directe) effect van de lagere pensioenpremies als gevolg van de aanpassing is meegenomen, maar ook het effect van lagere toekomstige belastingopbrengsten als gevolg van lagere pensioenuitkeringen. Daarnaast is ook het effect op de opbrengst van box 3 meegenomen als gevolg van een verschuiving van pensioenbesparingen naar vrije besparingen. De genoemde effecten hebben hun eigen ingroeipad. Om deze op één noemer te brengen, worden de effecten contant gemaakt naar het jaar van invoering van de maatregel. De € 700 miljoen is daarom niet een effect dat na verloop van een zekere tijd wordt bereikt, maar is de netto contante waarde van de verschillende effecten op verschillende tijdstippen. Gelet hierop is er geen concreet jaar te noemen waarin het structurele effect van de maatregelen wordt bereikt.

De leden van de D66-fractie vragen of de regering inzage kan geven in de budgettaire gevolgen voor de jaren 2018, 2019 en 2020.

De budgettaire gevolgen zijn gebaseerd op de begrotingsramingen. Op dit moment zijn deze ramingen tot en met 2017 beschikbaar. De budgettaire gevolgen van het wetsvoorstel voor de jaren 2018, 2019 en 2020 zullen respectievelijk bij begroting 2014, 2015 en 2016 bekend worden.

De leden van de CDA-fractie vragen naar mogelijke gevolgen, ook voor de uitvoeringskosten, voor de nieuwe maatregelen uit het Lenteakkoord door het in het regeerakkoord opgenomen voorstel om de ingangsdatum van de AOW leeftijd precies op de dag waarop men 65 wordt te stellen.

De uitvoeringskosten van de wijziging van de ingangsdatum van de AOW zijn berekend bij het desbetreffende wetsvoorstel13. Dit wetsvoorstel is op 8 december 2011 tot wet verheven en met ingang van 1 april 2012 in werking getreden. Voor de raming van de uitvoeringskosten van het nu voorliggende wetsvoorstel geldt de AOW op 65ste verjaardag als uitgangspunt. De effecten daarvan op de uitvoeringskosten en uitkeringslasten zijn in dit wetsvoorstel dus al meegenomen.

Administratieve lasten

De leden van de VVD-fractie vragen naar de administratieve lastendruk van een verhoging van de AOW-leeftijd van enkele maanden per jaar en de administratieve lastendruk van een verhoging van een jaar in een periode van vier jaar.

De regering veronderstelt dat de leden van de VVD-fractie hier refereren aan de administratieve lastendruk bij koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting. Gezien de termijn waarop deze koppeling plaatsvindt (vanaf 2024) kan de regering geen inzicht geven in de hoogte van deze lasten. In het algemeen kan worden gezegd dat iedere aanpassing van de AOW-leeftijd incidentele administratieve lasten met zich meebrengt. Als de AOW-leeftijd slechts eens in de vier jaar kan worden aangepast in plaats van ieder jaar zullen er dus minder incidentele administratieve lasten zijn. Voor de structurele administratieve lasten is er geen verschil, omdat met verhoging van de AOW-leeftijd geen extra informatieverplichtingen worden gecreëerd.

5. Ontvangen commentaren

De leden van de VVD-fractie vragen wat de regering bedoelt met een actieve benadering door de SVB aan ouderen met weinig voorbereidingstijd en welke uitvoeringskosten daaraan zijn verbonden.

De SVB bevordert de aanvraag voor een AOW-uitkering een half jaar voor het bereiken van de AOW-leeftijd. Met een actieve benadering door de SVB bedoelt de regering dat personen die in de jaren 2013, 2014 en 2015 de AOW-leeftijd bereiken bij die aanvraag worden geïnformeerd over de mogelijkheden van een mogelijk beroep op de Wet werk en bijstand (WWB) als overbrugging van een mogelijk inkomensgat tot aan de AOW-leeftijd. Het is aan de belanghebbende om vervolgens daadwerkelijk de stap naar de gemeente te maken om een aanvraag voor (bijzondere) bijstand te doen. Ook via de reguliere communicatiekanalen van de SVB, zoals de website en het voorlichtingsmateriaal, zal informatie worden verstrekt over de mogelijkheden om een beroep te doen op (bijzondere) bijstand. Er zijn hiervoor geen extra uitvoeringskosten geraamd.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering inzicht heeft in mogelijke uitvoeringsproblemen bij de SVB. Deze leden vragen of het voor hen redelijkerwijs mogelijk is om in te spelen op de voorgestelde aanpassingen.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering welke risico’s kunnen optreden bij de invoering van deze wet en welke financiële gevolgen dat kan hebben. Voorts vragen de leden van de PvdA-fractie of de regering voornemens is de taakstelling voor de SVB voor 2012 en 2013 terug te draaien, om zo de SVB meer tijd en lucht te geven de aanpassingen zorgvuldig door te voeren. De leden willen tevens van de regering vernemen welke taken blijven liggen door de invoering van het onderhavige wetsvoorstel. In dit verband vragen de leden van de ChristenUnie-fractie een reactie van de regering op de aankondiging van de SVB dat de projecten als de wijzigingen van de Anw uit het nog in te dienen wetsvoorstel Vereenvoudiging wet- en regelgeving, de invoering van RNI en de automatisering van herzieningen AIO vertraging oplopen. De leden van de ChristenUnie-fractie zijn benieuwd of de regering deze opmerkingen van de SVB en de besparingsverliezen die hieruit zullen optreden deelt en willen vernemen hoe deze besparingsverliezen worden opgevangen.

De Sociale verzekeringsbank (SVB) heeft aangegeven dat invoering van het voorliggende wetsvoorstel in beginsel mogelijk is. De financiële kaders van de taakstelling blijven het uitgangspunt bij de invoering van het onderhavige wetsvoorstel. Zoals gebruikelijk bij nieuw beleid zal de SVB additioneel budget toegewezen krijgen voor de incidentele en structurele uitvoeringskosten die aan dit voorstel verbonden zijn. Daarnaast treedt als gevolg van de invoering van het wetsvoorstel ook beperkte vertraging op bij automatiseringswerkzaamheden voor het nog in te dienen wetsvoorstel Vereenvoudiging regelingen SVB, de aansluiting op SEPA, systeemaanpassingen voor herzieningen AIO en de invoering van het RNI. Om tijdige invoering mogelijk te maken zal de SVB de beschikbare ICT-capaciteit namelijk met voorrang inzetten voor dit wetsvoorstel. Deze vertraging leidt tot een beperkt en eenmalig besparingsverlies van € 0,2 miljoen. Ook dit besparingsverlies zal in het budgettaire beeld van het wetsvoorstel worden meegenomen.

Er treden geen consequenties op voor de beoogde invoeringsdatum van het RNI.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering of er met een «worst case-scenario» gewerkt wordt en zo ja hoe dat scenario eruit ziet en wat dit betekent voor de activiteiten van de SVB. De leden van de D66-fractie van D66 zijn benieuwd of de regering een vinger aan de pols houdt met betrekking tot de implementatie.

Op basis van het uitvoerbaarheidsoordeel van de SVB ziet de regering op dit moment geen aanleiding voor een worst-case scenario. Uiteraard zal de regering de implementatie door de SVB nauwlettend volgen. De SVB en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid werken intensief samen bij de voorbereiding en implementatie van het onderhavige voorstel.

II ARTIKELSGEWIJS

6. Artikel VI Inwerkingtreding

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de betrokken burgers, bedrijven en instellingen zich kunnen voorbereiden op de voorgestelde wijzigingen. Deze leden vragen welke initiatieven er op dit gebied zijn en op welke wijze de voorgestelde wijzigingen met betrokkenen worden gecommuniceerd. Zij vragen tevens of de voorbereidingstijd voldoende is.

Met deze leden is de regering van mening dat het van belang is oog te hebben voor de uitvoeringsaspecten bij dit wetsvoorstel. De SVB heeft aangegeven dat invoering van het wetsvoorstel per 1 januari 2013 mogelijk wordt geacht. Het is aan sociale partners om aanvullende pensioenregelingen en andere arbeidsvoorwaardelijke regelingen aan te passen aan de nieuwe ingangsdata van de AOW. Hetzelfde geldt voor bestaande pensioenregelingen in de derde pijler. Het is aan de betrokken contractpartijen om hun overeenkomsten, indien dat nodig en gewenst wordt geacht, aan te passen aan de nieuwe situatie. Dit wetsvoorstel verplicht daar niet toe.

De regering is daarnaast van mening dat individuele werkgevers en werknemers en cao-partijen voldoende tijd hebben om individuele en collectieve arbeidsovereenkomsten nog voor 1 januari 2013 aan te passen.

Op de vragen van de leden van de CDA-fractie op welke wijze de voorgestelde wijzigingen worden gecommuniceerd, kan de regering als volgt antwoorden. Zodra het parlement heeft ingestemd met het voorliggende wetsvoorstel komt er informatie op www.rijksoverheid.nl en www.svb.nl. Via bijvoorbeeld radiospots, artikelen en advertenties wordt de burger op deze informatie gewezen. Het ministerie zal bij het informeren van de burgers zoveel mogelijk samenwerken met de SVB.

De leden van de VVD-fractie en de CDA-fractie vragen naar de mogelijke uitvoeringsproblemen bij pensioenfondsen en verzekeraars. De leden van de CDA-fractie en de PvdA-fractie vragen of de regering contact heeft gehad met de pensioenuitvoerders over mogelijke uitvoeringsproblemen en uitvoeringsrisico’s. De leden van de VVD-fractie vragen of het voor de pensioenuitvoerders redelijkerwijs mogelijk is om in te spelen op de voorgestelde aanpassingen. Deze leden vragen tevens of de regering bereid is om de wettelijke termijnen voor het informeren van deelnemers over een wijziging van de pensioenregeling te versoepelen.

Het kabinet heeft contact gehad met het Verbond van Verzekeraars (hierna: het Verbond) over het wetsvoorstel, en verwacht op grond daarvan geen onoverkomelijke uitvoeringsproblemen of uitvoeringsrisico’s bij pensioenuitvoerders. De wijzigingen in het fiscale kader vergen weliswaar aanpassingen van de pensioenregelingen die de fiscale grenzen van het Witteveenkader overschrijden, maar deze aanpassingen hoeven pas in 2014 gereed te zijn. Pensioenuitvoerders hebben daarmee voldoende tijd voor de aanpassing van pensioenregelingen en van hun automatisering. Het kabinet is zich er evenwel van bewust dat aan het ingangstijdstip van de voorgestelde maatregelen een behoorlijke inspanningsverplichting van de pensioenfondsen en pensioenverzekeraars is verbonden. Het kabinet is vanzelfsprekend bereid verzoeken van de pensioenuitvoerders die de implementatie van de voorgestelde wijzigingen kunnen vergemakkelijken welwillend tegemoet te treden, zolang die verzoeken ook passen binnen de randvoorwaarde van budgettaire neutraliteit.

In dat kader kan worden opgemerkt dat de pensioenuitvoerders, net als de leden van de VVD- en CDA-fracties, hebben gevraagd om bekendmaking van de toepasselijke premiestaffels voor beschikbare premieregelingen verondersteld dat dit wetsvoorstel is aanvaard. Verder heeft het Verbond verzocht om actualisering van Vraag en Antwoord 05–046 van de Belastingdienst (hierna: V&A). In deze V&A zijn herrekende (maximum) opbouwpercentages opgenomen bij het hanteren van een lagere pensioenrichtleeftijd in de pensioenregeling. Aan deze beide verzoeken wordt door het kabinet gehoor gegeven door publicaties op de website www.belastingdienstpensioensite.nl. Het Verbond heeft ook gevraagd of kan worden bewerkstelligd dat voor pensioenregelingen die een hoger opbouwpercentage hanteren dan het wettelijk maximum, niet op regelingenniveau een aanwijzing ingevolge artikel 19d van de Wet op de loonbelasting 1964 hoeft te worden aangevraagd, indien het belang van de overschrijding van de maximumopbouwpercentages niet uitgaat boven het belang dat in diezelfde pensioenregeling is gemoeid met een gehanteerde hogere franchise dan de wettelijk minimaal vereiste franchise. Ook op dit punt zal het kabinet de pensioenuitvoerders tegemoetkomen.

Om knelpunten bij de informatieverstrekking aan deelnemers te voorkomen, met name bij pensioenuitvoerders die veel verschillende pensioenregelingen tegelijkertijd moeten aanpassen, zal het kabinet samen met de toezichthouder op de pensioencommunicatie, de Autoriteit Financiële Markten (AFM), in overleg treden met de pensioenuitvoerders om na te gaan of en in hoeverre een versoepeling van de wettelijke termijnen nodig is. Het is immers ook van belang dat deelnemers tijdig geïnformeerd worden over wijzigingen in de pensioenregeling.

De verhoging van de AOW-leeftijd in 2013 brengt, anders dan de wijzigingen in het fiscale kader, geen wettelijke verplichting tot aanpassing van de pensioenregeling met zich mee. Aanpassing van de regeling is alleen nodig als sociale partners de spilleeftijd in de regeling exact gelijk willen houden aan de AOW-leeftijd. De pensioenuitvoerder kan vervolgens aan sociale partners aangeven op welke termijn een dergelijke wijziging uitvoerbaar is. Ook hier verwacht de regering daarom geen onoverkomelijke uitvoeringsproblemen.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, H. G. J. Kamp