Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 29 juni 2012

De vaste commissie voor Financiën belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

blz.

   

-

Inleiding

1

-

Algemeen

2

-

Kader en proces van regelgeving

3

-

Reikwijdte van de richtlijn en nationaal stelsel voor kleinere verzekeraars

3

-

Inhoud richtlijn solvabiliteit II

5

-

Toezicht

6

-

Lidstaatopties richtlijn solvabiliteit II

7

-

Administratieve lasten en nalevingskosten

8

-

Overgangsrecht

8

-

Overig

8

-

Transponeringstabel

9

-

Artikelsgewijs

9

 

G

9

 

CM

9

 

DN

9

Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden vragen de regering nadere toelichting op een aantal onderdelen van het wetsvoorstel.

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. De leden van de PvdA-fractie verwelkomen dit ontwerp voor een Europees prudentieel en regelgevend kader voor verzekeraars en herverzekeraars. De leden zien dit als een stap binnen een breder proces waarmee het toezicht op de financiële sector op Europees en nationaal niveau wordt versterkt en de risico’s van de financiële sector voor de reële economie worden beperkt en ingedamd. De leden van de PvdA-fractie hebben wel nog een aantal vragen en opmerkingen over het voorliggende wetsvoorstel.

De leden van de fractie van de PVV hebben kennisgenomen van dit wetsvoorstel. Deze leden hebben enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de implementatiewet. Deze leden verwelkomen de komst van dit nieuwe toezichtkader voor verzekeraars. Hier is de afgelopen jaren veelvuldig en nauwgezet over gesproken door de verschillende betrokken partijen. De kern van dit nieuwe toezichtkader is dat de vaststelling van de kapitaalseisen en de buffers zoveel mogelijk op basis van risico-oriëntatie zal plaatsvinden. Bovendien zal de waardering van de activa en passiva zoveel mogelijk marktconform plaatsvinden.

De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden verwelkomen een betere bescherming van verzekeringsnemers.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen het wetsvoorstel. Deze leden willen de regering nog enkele vragen voorleggen.

Algemeen

De nieuwe richtlijn betekent voor de verzekeraars een verzwaring ten opzichte van het huidige regime, zo lezen de leden van de VVD-fractie. De vernieuwing richt zich overigens volledig op het prudentiële toezicht. Waarom is gekozen om het gedragstoezicht ongemoeid gelaten? Op kleinere verzekeraars die niet binnen de reikwijdte van de richtlijn solvabiliteit II vallen, is een aangepast regime van toepassing (Solvency II basic). Waarom heeft de regering ervoor gekozen om de allerkleinste verzekeraars buiten het prudentieel toezicht te plaatsen?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering een volledig overzicht geven welke zaken nu precies via een verordening worden geregeld zullen worden en welke zaken volgens minimumharmonisatie zullen verlopen. Wat zijn precies de mogelijkheden voor nationale koppen? In hoeverre heeft Nederland hier nu gebruik van gemaakt (en waarom)? Voorts vragen de leden van de CDA-fractie wat de gevolgen zijn van deze nieuwe eisen voor de solvabiliteit van de Nederlandse verzekeraars. In hoeverre zijn er stress scenario’s gemaakt? Wat zijn daarvan de belangrijkste uitkomsten? Wat is de verhouding tussen beleidsmatige aanpassingen en aanpassingen met een meer technisch karakter? Hoeveel grote en hoeveel kleine Nederlandse verzekeraars zullen worden geraakt door dit wetsvoorstel?

De leden van de ChristenUnie-fractie hechten grote waarde aan een systeem van sterke en betrouwbare verzekeraars, waarbij risico’s goed in kaart worden gebracht en zoveel mogelijk beperkt worden en consumenten beter beschermd worden tegen solvabiliteitsproblemen bij verzekeraars. Ook dient er een gelijk speelveld te blijven voor verzekeraars binnen Nederland en Europa. In dit opzicht vragen de leden van de ChristenUnie-fractie wat precies wordt bedoeld met de maximumharmonisatie op het terrein van de solvabiliteitsvereisten.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de strengere solvabiliteitseisen zullen uitpakken voor de zorgverzekeraars. Hoe groot zijn de risico’s dat de invoering van de richtlijn zal leiden tot een verhoging van de premies van de (basis)zorgverzekering?

Kader en proces van regelgeving

De leden van de VVD-fractie lezen dat de Europese Commissie onder invloed van de financiële crisis en andere inzichten over toezicht op financiële instellingen een aanvullende richtlijn (Omnibus II) heeft opgesteld waarmee de richtlijn solvabiliteit II wordt gewijzigd. Nadat de richtlijn Omnibus II is vastgesteld kunnen ook de regels en richtsnoeren ten aanzien van Solvency II op de andere wetgevingsniveaus worden vastgesteld. Momenteel wordt nog onderhandeld over de Omnibus II-richtlijn. Tijdens de laatste trialoog is duidelijk geworden dat het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie het niet eens zijn over de inhoud van een aantal maatregelen die voor verzekeraars van groot belang zijn. De leden van de VVD-fractie willen weten over welke maatregelen discussie bestaat tussen de drie partijen. Waar liggen de knelpunten in de onderhandelingen? Welke invloed kan de regering aanwenden om de dialoog alsnog weer op gang te brengen? Wat zijn de gevolgen voor de inwerkingtredingsdatum van de richtlijn solvabiliteit II bij vertraging van de Omnibus II-richtlijn? Welke consequenties hebben deze ontwikkelingen voor de verzekeraars?

Wat is precies de relatie met de invoering van de richtlijn Omnibus II, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Wat is de voorbereidingstijd voor de implementatie? Op welke wijze houdt de regering de vinger aan de pols ten aanzien van de ontwikkelingen in Europees verband? Voorts vragen de leden van de CDA-fractie wat de relatie van de richtlijn solvabiliteit II is met de eisen die in Europees verband aan het toezichtraamwerk voor pensioenfondsen worden gesteld.

De regering geeft aan dat de Omnibus II-richtlijn, de richtlijn solvabiliteit II zal wijzigen. De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan aangeven wat dit betekent voor de inwerkingtreding van de richtlijn solvabiliteit II. Wanneer verwacht de regering dat deze richtlijn volledig zal zijn geïmplementeerd? En wanneer verwacht de regering dat ermee zal worden begonnen?

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de Omnibus II-richtlijn zeer waarschijnlijk van invloed zal zijn op de implementatie van de richtlijn solvabiliteit II (deze zal zeer waarschijnlijk gefaseerd in werking treden). De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe deze gefaseerde inwerkingtreding eruit ziet en hoe zich dit verhoudt tot het overgangsrecht dat geldt voor verzekeraars. Tevens vragen genoemde leden of de regering duidelijk kan maken welke ruimte Nederland heeft bij de implementatie van de richtlijn, aangezien de uitwerking ervan reeds in gang is gezet en middels rechtstreek geldige verordeningen zal plaatsvinden.

Reikwijdte van de richtlijn en nationaal stelsel voor kleinere verzekeraars

De leden van de VVD-fractie lezen dat in het wetsvoorstel wordt voorgesteld dat op een bepaalde groep kleine levens-, schade- en kleine natura-uitvaartverzekeraars, die niet onder de reikwijdte van de richtlijn solvabiliteit II valt, een nationaal regime van toepassing wordt; het zogenoemde Solvency II basic regime. De leden van de VVD-fractie willen weten aan welke eisen verzekeraars vanaf 2014 moeten voldoen die onder het Solvency II basic regime vallen. De bovengrens van de reikwijdte van het Solvency II basic regime komt overeen met de ondergrens van de reikwijdte van de richtlijn solvabiliteit II. De ondergrens wordt nationaal bepaald. Voorgesteld wordt om zeer kleine schade- en natura-uitvaartverzekeraars niet onder toezicht te plaatsen. Hiervoor gelden bepaalde criteria (bruto premie-inkomen van niet meer dan € 1 miljoen en brutotechnische voorzieningen van niet meer dan € 5 miljoen). Kan de regering toelichten waarom gekozen is voor deze criteria? Door het wetsvoorstel moet een aantal onderlinge verzekeraars die thans op basis van een verklaring van DNB verzekeringen afsluiten, alsnog een vergunning aanvragen. De leden van de VVD-fractie zijn bezorgd dat deze procedure hoge kosten met zich meebrengt voor de verzekeraars en een toename betekent van administratieve lasten. Ziet de regering mogelijkheden dat bestaande verzekeraars de verklaring mogen omzetten in een vergunning onder de voorwaarde dat zij aan alle eisen voldoen? De leden van de VVD-fractie willen voorts weten hoe andere Europese lidstaten de regelgeving op nationaal niveau hebben geregeld voor bepaalde kleine groepen verzekeraars.

De leden van de fractie van de SP vragen waarom destijds, nadat het IMF kritiek uitte op het feit dat kleine schadeverzekeraars in de praktijk niet onder prudentieel toezicht staan, ervoor is gekozen om deze daadwerkelijk vrij te stellen van prudentieel toezicht. Kan de regering dat toelichten?

De leden van de SP-fractie vragen of de regering door middel van een schematisch overzicht uitvoerig kan ingaan op de verschillen tussen de richtlijn solvabiliteit II en de richtlijn solvency II basic.

Nederland heeft bij de implementatie van de richtlijn gekozen voor een categorisering in drie doelgroepen: verzekeraars die onder Solvency II vallen, klein verzekeraars (Solvency II basic) en zeer kleine verzekeraars die vrijgesteld zijn van prudentieel toezicht. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe andere lidstaten hier invulling aan hebben gegeven of ook daar kleine verzekeraars die buiten de richtlijn solvabiliteit II vallen onder het aangepaste regime vallen.

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat een vrijstelling van de solvabiliteit II (basis) regels, beperkt moet worden geïnterpreteerd. De bescherming van consumenten moet leidend zijn, niet louter de administratieve lasten voor een verzekeraar. De leden van de PvdA-fractie willen de regering dan ook om verduidelijking vragen over de voorlichtingsplicht van vrijgestelde kleine verzekeraars aan hun consumenten over het feit dat zij niet onder het toezicht van DNB staan. Gaat het hier om een jaarlijks terugkerende kennisgeving, om een kennisgeving bij afname van elk (nieuw) product of een eenmalige kennisgeving per consument? Daarnaast willen de leden van de PvdA-fractie weten hoeveel kleine verzekeraars inmiddels te kennen hebben gegeven zich vrijwillig onder toezicht van DNB te willen laten plaatsen.

Ook de leden van de SP-fractie hebben vragen over de voorlichtingsplicht. Worden er eisen gesteld aan de wijze waarop de consument hierover wordt voorgelicht en over het moment waarop de consument hierover wordt voorgelicht?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wat de consequenties zijn voor de verzekerde/consument. Daarnaast willen deze leden graag weten of de regering voornemens is in aanvullende regelgeving voor te schrijven hoe verzekerden/consumenten precies dienen te worden ingelicht door hun verzekeraar.

Op levensverzekeraars en schadeverzekeraars die jaarlijks bruto-premie-inkomsten hebben van meer dan € 5 miljoen, of een totaal bedrag van meer dan € 25 miljoen aan technische voorzieningen op de balans hebben staan, is de richtlijn van toepassing, zo lezen de leden van de SP-fractie. Kan de regering aangeven waarom voor deze grenzen is gekozen? Kan de regering ook aangeven, welk percentage van het aantal verzekeraars in Nederland bruto-premie-inkomsten van meer dan € 5 miljoen, of een totaalbedrag van meer dan € 25 miljoen aan technische voorzieningen op de balans heeft staan? Hoe groot is het marktaandeel van deze verzekeraars die niet onder het richtlijnregime komen te vallen?

Voor verzekeraars die onder het toezichtregime Solvency II basic komen te vallen, geldt dat dit geen onevenredige lastenverzwaring mag opleveren. De leden van de SP-fractie vragen wat volgens de regering onevenredige lastenverzwaring en wat is de consequentie voor de richtlijn wanneer de lastenverzwaring wel onevenredig is.

De regering geeft aan dat de vrijstelling van prudentieel toezicht geldt voor ongeveer 70 zeer kleine verzekeraars. De leden van de ChristenUnie-fractie willen ook graag weten hoeveel verzekeraars vallen onder het Solvency II basic regime.

Inhoud richtlijn solvabiliteit II

Belangrijk onderdeel van de richtlijn solvabiliteit II is de verplichting voor verzekeraars om activa en passiva op marktwaarde te waarderen. Volledige marktwaardering van de activa en passiva op de balans creëert meer aansluiting met de economische werkelijkheid. De leden van de VVD-fractie vragen waarom voor de verslaggevingregels gekozen is voor waardering op actuele waarde voor zowel activa als passiva en niet voor de waardering van de marktwaarde. De nieuwe verslaggevingregels sluiten niet volledig aan op de verslaggevingregels zoals opgenomen in het Burgerlijk Wetboek (BW) of in de IFRS. Dit betekent dat de jaarstukken die worden opgesteld ten behoeve van het prudentiële toezicht zullen gaan afwijken van wat op grond van het BW of IFRS aan het publiek moet worden verstrekt. De leden van de VVD-fractie zijn bezorgd dat dit in de praktijk een extra lastenverzwaring voor de verzekeraars betekent. Deelt de regering de zorg van de VVD-fractie? Zijn er volgens de regering mogelijkheden om de verslaggevingregels zoals opgenomen in het BW of IFRS gelijk te trekken met de nieuwe verslaggevingregels uit de richtlijn solvabiliteit II? Welke andere mogelijkheden ziet de regering nog om de administratieve lasten te beperken?

De leden van de PvdA-fractie hebben eveneens vragen over de verplichting de activa of passiva tegen marktwaarde te waarderen. De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre in de solvabiliteits- en kapitaalstandaarden rekening is gehouden met het pro-cyclische effect dat kan uitgaan van een waardering tegen marktwaarde. De scherpe stijging en daling van de waardering van activa en passiva was een van de oorzaken van de financiële crisis. In een hoogconjunctuur zullen de hogere waarderingen van de activa van een (her)verzekeraar tegen marktwaarde zeer waarschijnlijk een grotere bedrijfsbalans mogelijk maken, terwijl in een laagconjunctuur de dalende prijzen en waarderingen juist tot een verkleining van de balans kunnen nopen. Dit terwijl een verzekeraar, zeker indien deze arbeidsmarktrisico’s verzekert, juist in een laagconjunctuur voor hogere uitkeringskosten komt te staan. De leden van de PvdA-fractie vragen daarom in hoeverre rekening is gehouden met de mogelijk destabiliserende effecten op de kapitaal- en solvabiliteitspositie van verzekeraars die een waardering tegen marktprijzen van activa en passiva kan hebben.

Door deze richtlijn wordt de zogenaamde eensporigheid voor de verzekeraars losgelaten, zo lezen de leden van de PVV-fractie. Dit komt omdat de waarderingsgrondslagen van deze richtlijn met die van de richtlijn voor de publicatie van de jaarrekening verschillen. Klopt het dat deze verschillen in hoofdzaak zitten in de waardering van activa of passiva en dat er dus eigenlijk twee keer jaarstukken opgemaakt moeten worden? Waarom is er niet voor gekozen om deze twee richtlijnen op het gebied van de verzekeringsmaatschappijen te harmoniseren? Waarom wordt er niet voor gekozen om wettelijk vast te leggen dat deze twee verschillende jaarstukken niet in een en het zelfde document worden gepubliceerd?

Voor minimumkapitaalvereiste (MCR) en Solvency Capital Requirement (SCR) is een interventieladder ingericht, zo lezen de leden van de VVD-fractie. In het eigen vermogen niet meer aan de SCR voldoet, zal binnen twee maanden een plan moeten worden ingediend bij de toezichthouder waarin wordt aangegeven hoe binnen zes maanden de SCR weer op het minimaal vereiste niveau wordt gebracht. In extreme marktomstandigheden kan de periode worden opgerekt. Kan de regering aangeven met hoeveel maanden deze periode maximaal verlengd kan worden? De leden van de VVD-fractie lezen dat een overtreding van de MCR impliceert dat de verzekeraar er nog slechter voorstaat. Hier zal binnen een maand een plan moeten worden ingediend bij de toezichthouder waarin wordt aangegeven hoe binnen drie maanden de MCR weer op het vereiste niveau wordt gebracht. Kan in dit geval ook de periode worden opgerekt als er sprake is van bijzondere (markt)omstandigheden?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wanneer sprake is van «extreme marktomstandigheden» en hoelang de oprekking van deze periode mag duren. Welke «sancties» liggen er verder op het niet nakomen van de SCR- en MCR-vereisten binnen respectievelijk zes en drie maanden?

De leden van de SP-fractie lezen dat is overwogen om de eisen die in de richtlijn solvabiliteit II over openbaarmaking zijn opgenomen, ook van toepassing te verklaren op verzekeraars met beperkte risico-omvang die niet zijn vrijgesteld. Dit zou een disproportionele last opleveren, schrijft de regering. Wil de regering toelichten waarom dit een disproportionele last zou opleveren? Is een last disproportioneel wanneer deze boven een bepaald percentage van de winst of omzet van een verzekeraar komt? Zo nee, onder welke voorwaarden is een last disproportioneel?

In hoofdstuk 4 van de toelichting lezen de leden van de ChristenUnie-fractie: «Een beter risicobeheer kan immers een lagere solvabiliteitseis betekenen». De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering hiermee bedoelt dat solvabiliteitseisen in pijler 1 verlicht kunnen worden indien verzekeraars kunnen aantonen dat sprake is van goed risicomanagement in pijler 2.

Voorts stelt de regering dat de richtlijn bij kan dragen aan een versterking van de stabiliteit van het financiële stelsel door middel van verhoogde transparantie en informatieverschaffing. De leden van de ChristenUnie-fractie willen graag weten hoe deze transparantie er precies uitziet voor de klant/polishouder. Kan de regering hier concrete voorbeelden van geven?

Met betrekking tot de informatieplicht in het geval een verzekeraar te maken heeft met «zorgwekkende ontwikkelingen» vragen de leden van de ChristenUnie-fractie hoe naast de toezichthouder en het publiek ook gericht de polishouders geïnformeerd gaan worden?

Toezicht

De leden van de VVD-fractie lezen dat de ladder van interventie voor de toezichthouder is uitgebreid. De leden van de VVD-fractie willen weten hoe deze uitbreiding in relatie staat tot de pas aangenomen Interventiewet, waarin de interventieladder voor de DNB en het ministerie om in te grijpen bij financiële instellingen is uitgebreid.

De richtlijn solvabiliteit II introduceert een groepstoezichthouder en geeft de groepstoezichthouder met de solotoezichthouder vergelijkbare bevoegdheden, met daarnaast specifieke groepstoezichthouderbevoegdheden, zo lezen de leden van de VVD-fractie. Wie stelt de groepstoezichthouder aan? Wat is het verschil tussen een groepstoezichthouder en een solotoezichthouder? Welke taken en bevoegdheden worden belegd bij de groepstoezichthouder en welke bij de solotoezichthouder? Wat wordt precies de rol van het college van toezichthouders?

Er wordt op toegezien dat de solvabiliteit van verzekeringsgroepen niet te gunstig wordt voorgesteld, zo lezen de leden van de SP-fractie. Op welke wijze wordt hierop toegezien? Welke middelen hebben de verschillende toezichthouders hiervoor tot hun beschikking?

De leden van de SP-fractie zouden graag in een overzicht willen vernemen in hoeverre de rol van DNB wijzigt door onderhavig voorstel van wet.

In hoofdstuk 5 van de toelichting lezen de leden van de ChristenUnie-fractie dat een verzekeraar gedurende een periode van onderschrijding onder verscherpt toezicht zal staan. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wat dit verscherpt toezicht precies inhoudt.

De verzekeraar heeft een verplichting om de toezichthouder op de hoogte te stellen als er (het vermoeden van) onvoldoende kapitaal is om dekking van de MCR te garanderen. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of hier ook een «waarschuwingsmechanisme» kan worden ingesteld zodat de toezichthouder in een vroeg stadium kan signaleren dat de dekking van de MCR in gevaar is. En voorts willen genoemde leden graag weten wat de consequenties zijn voor de verzekeraar als deze de toezichthouder niet op tijd op de hoogte stelt.

Er dient volgens de ChristenUnie een goede balans te zijn tussen micro- en macroprudentieel toezicht. Uit onderzoeken over de kredietcrisis is onder meer gebleken dat het macroprudentieel toezicht onderbelicht is geweest bij de toezichthouder. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de regering wil borgen dat er bij de uitvoering van de richtlijn solvabiliteit II een goede balans wordt gevonden tussen macroprudentieel en microprudentieel toezicht.

Lidstaatopties richtlijn solvabiliteit II

De leden van de VVD-fractie lezen dat de richtlijn solvabiliteit II een drietal lidstaatopties bevat. De regering maakt van twee lidstaatopties geen gebruik (artikel 133, derde lid en artikel 304, eerste lid). In de memorie van toelichting wordt niet duidelijk waarom de regering hier geen gebruik van maakt. Kan de regering deze keuze alsnog nader toelichten?

De leden van de PvdA-fractie zien in de lidstaatoptie van artikel 133, derde lid, een mogelijk additioneel instrument voor de toezichthouder waarvan bij hoge uitzondering gebruik kan worden gemaakt om systeemrisico’s bij verzekeraars het hoofd te bieden. De leden van de PvdA-fractie willen dan ook bij de regering informeren wat de argumentatie is om geen gebruik te maken van de lidstaatoptie van artikel 133, derde lid. Voorts willen de leden van de PvdA-fractie weten of het instrument onder artikel 133 een algemeen instrument is (toepasbaar op alle verzekeraars) of dat het ook mogelijk om onder dit artikel slechts bij individuele ondernemingen in te grijpen. Tot slot willen de leden van de PvdA-fractie eveneens nadere informatie over de argumentatie van de regering om geen gebruik te maken van de lidstaatoptie van artikel 304, eerste lid.

De leden van de PVV-fractie vragen wat de motivering is om bij de zogenoemde lidstaatopties, artikel 51, tweede lid, derde alinea, ervoor te kiezen dat de opgelegde kapitaaltoeslag niet expliciet hoeft te worden. Wat is de reden dat Nederland van de optie in artikel 133, derde lid, en artikel 304, eerste lid, geen gebruik heeft gemaakt?

Nederland maakt geen gebruik van de optie om bepalingen vast te stellen ter beperking van de soorten activa of referentiewaarden waaraan verzekeringsuitkeringen zijn verbonden die worden gedaan wanneer het beleggingsrisico wordt gedragen door een verzekeringnemer/natuurlijk persoon. De leden van de SP-fractie vragen de regering uit te leggen waarom Nederland hiervan geen gebruik maakt.

Administratieve lasten en nalevingskosten

De leden van de CDA-fractie vinden dat de administratieve lasten en de nalevingskosten wel erg fors zijn uitgevallen, namelijk zo’n € 276 mln. Deze kosten zijn voor het grootste deel al genomen. Kan de regering aangeven dergelijke hoge kosten eigenlijk noodzakelijk waren?

Met betrekking tot het Solvency II basic regime wordt een eenvoudiger toezichtregime voorzien. Dit moet onder andere tot uitdrukking komen in minder zware eisen aan de berekeningsmodellen en de rapportageverplichtingen. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering kan aangeven wat deze vereenvoudigingen precies gaan inhouden en welke besparing van administratieve lasten en nalevingskosten dit oplevert. In het verlengde hiervan zouden genoemde leden graag een opsplitsing willen zien van de administratieve lasten en nalevingskosten in hoofdstuk 8 van de toelichting tussen reguliere Solvency II-verzekeraars en Solvency II basic-verzekeraars.

Overgangsrecht

De regering acht het van belang om een soepele overgang te creëren van het oude regime naar het nieuwe regime, zo lezen de leden van de VVD-fractie. Kan de regering aangeven hoe dit in de praktijk geborgd wordt?

De leden van de CDA-fractie vragen welke termijn er wordt gehanteerd voor het overgangsrecht. Vanaf wanneer gaan de Nederlandse verzekeraars over op Solvency II?

Vanuit de verzekeraars is gewezen op het belang van een goed overgangsrecht. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe dit overgangsrecht er nu precies uit ziet.

Overig

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat «too big to fail» een cruciaal probleem is binnen de financiële sector. Ten aanzien van de banken zijn voorstellen gepresenteerd over het scheidbaar maken van bedrijfsonderdelen of afwikkeling na een (mogelijk) faillissement. De leden van de PvdA-fractie vragen of verzekeraars op dit moment ook al aan zulke voorwaarden moeten voldoen? Zo nee, is de regering dan van mening dat het kader voor het afwikkelen van een faillissement bij bancaire instellingen ook op verzekeraars zou moeten worden toegepast? Hierop aansluitend willen de leden van de PvdA-fractie weten hoe de regering de toepasbaarheid van zogenaamde bail-in debt bij een verzekeraar beziet. Dit ter voorkoming en beperking van de kosten voor de belastingbetaler bij een mogelijk faillissement van een verzekeraar.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe het op dit moment staat met de uitwerking van eventuele verdere maatregelen, zoals die op het terrein van pro-cycliciteit en ongewenste volatiliteit in de balans? Wat is het standpunt van de regering? Wat zijn de mogelijke gevolgen op de lange termijn hiervan voor de macro-economie? Wat zijn de actuele ontwikkelingen binnen het Europees Parlement, de Europese Raad en de Europese Commissie (de trialoog)?

Transponeringstabel

De leden van de PvdA-fractie spreken hun zorg uit over de mogelijke toepassing van de normen uit de richtlijn solvabiliteit II op de pensioensector in Nederland middels een in de maak zijnde herziening van de Europese pensioenfondsrichtlijn (IORP Richtlijn). Deze leden zijn van mening dat de beperkte hersteltermijnen, verscherpte waarderingseisen en solvabiliteitsstandaarden zeer negatieve gevolgen kunnen hebben op de Nederlandse pensioenfondsen in een tijd dat deze al onder druk staan. De leden van de PvdA-fractie willen daarom bij de regering informeren hoe de stand van zaken is met betrekking tot de onderhandelingen over deze nieuwe Europese pensioenfondsrichtlijn en de implementatie van de vereisten uit de richtlijn solvabiliteit II. Wordt door de regering actief een coalitie gebouwd met andere landen met aanzienlijke pensioenfondsen om een onverkorte toepassing van de normen uit de richtlijn solvabiliteit II op pensioenfondsen tegen te gaan?

Artikelsgewijs

G

Bij onderschrijding van de solvabiliteitskapitaalvereisten dient een verzekeraar een plan in te dienen bij de toezichthouder, waarin wordt aangegeven hoe de verzekeraar de solvabiliteitsvereisten binnen zes maanden weer op peil weet te brengen. De leden van de SP-fractie vragen de regering aan te geven welke procedure volgt wanneer een verzekeraar niet binnen deze termijn de solvabiliteitskapitaalvereisten op peil weet te brengen. Wat wordt bedoeld met «verscherpt toezicht» in de periode waarin een verzekeraar niet aan de solvabiliteitsvereisten voldoet? Wat is concreet het verschil tussen normaal toezicht en verscherpt toezicht?

CM

In artikel 3:135 wordt geregeld dat DNB kan aangeven welke maatregelen de verzekeraar dient te treffen om weer aan het solvabiliteitsvereiste te voldoen. Is er een beperking aan welke maatregelen DNB kan voorschrijven, zo vragen de leden van de SP-fractie. Zo ja, welke?

DN

Groepen hoeven niet opnieuw de solvabiliteit van de groep uit te rekenen, maar mogen de solvabiliteit van de afzonderlijke verzekeraars bij elkaar optellen, zo lezen de leden van de SP-fractie in artikel 3:281. Wat zijn de voordelen, dan wel de nadelen voor de groep van dergelijke bepaling?

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, Aptroot

De adjunct-griffier van de commissie, Giezen