Gepubliceerd: 7 september 2012
Indiener(s): Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA)
Onderwerpen: recht staatsrecht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33268-7.html
ID: 33268-7

Nr. 7 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 7 september 2012

1. Inleiding

Met veel belangstelling heb ik kennis genomen van de opmerkingen en vragen die door de verschillende fracties zijn gemaakt en gesteld. Bij de beantwoording van de vragen is zoveel mogelijk de indeling en volgorde van het verslag aangehouden, met dien verstande dat vergelijkbare vragen zijn samengenomen.

2. Toelichting per onderwerp

2.1. Stembureauleden

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre de regering voornemens is om, als het gaat om de training, te differentiëren tussen voorzitters en andere stembureauleden. De leden van de VVD-fractie kunnen zich voorstellen dat er geen onderscheid in de training wordt gemaakt, omdat alle leden van het stembureau in feite eenzelfde niveau moeten hebben als het gaat om de vereiste kennis en de vaardigheden.

Vooralsnog geldt dat de door het ministerie beschikbaar gestelde instructie geen onderscheid maakt tussen de verschillende stembureauleden. Zoals ook opgemerkt door de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken zijn er gemeenten die met een roulatiesysteem werken waarbij alle leden ook als voorzitter optreden. Andere gemeenten doen dit niet. Met name de voorzitter van het stembureau vervult een speciale functie. Deze is gedurende de dag verantwoordelijk voor de ordehandhaving en bij de stemopneming is hij de eerst verantwoordelijke voor het aansturen van de stembureauleden en voor het invullen van het proces-verbaal. Beide onderwerpen vergen in de training speciale aandacht en zouden er dus toe kunnen leiden dat in de training een aparte, extra module komt voor voorzitters. In gemeenten waar de stembureauleden gedurende de dag rouleren en dus allen het voorzitterschap vervullen, geldt uiteraard al dat deze leden een brede training moeten krijgen. In gemeenten waar de rollen van de stembureauleden scherper zijn gescheiden, is die noodzaak niet aanwezig. Ook voor eventuele tellers die door de gemeente worden aangewezen, geldt dat volstaan kan worden met een training die is gericht op het telproces. Zij hoeven geen training te volgen waarin aandacht is voor de gang van zaken tijdens het uitbrengen van de stemmen.

De leden van de PvdA-fractie vragen of het vast inzetten van gemeenteambtenaren op bezwaren stuit en of hiermee kostenvoordelen kunnen worden behaald in de instructie van leden van het stembureau. Ook vragen deze leden of de inzet van gemeenteambtenaren aparte vermelding in de wet verdient.

In veel gemeenten vervullen gemeenteambtenaren al dan niet op vrijwillige basis de rol van stembureaulid. Kostenvoordelen kunnen hiermee echter vermoedelijk niet of nauwelijks worden behaald. Ook gemeenteambtenaren moeten immers een instructie volgen. Ook voor hen geldt dat zij niet dagelijks dergelijke werkzaamheden verrichten en dat zij dus, net als andere stembureauleden elke keer opnieuw de training moeten volgen. In de tijd dat de ambtenaren de instructie volgen of optreden als stembureaulid kunnen zij hun reguliere werkzaamheden niet verrichten. Het kabinet ziet overigens geen noodzaak de inzet van gemeenteambtenaren als stembureaulid apart in de wet te vermelden. Ook gemeenteambtenaren zullen als stembureaulid moeten worden benoemd en voor hun benoeming gelden geen andere criteria dan voor stembureauleden die geen ambtenaar zijn. Bovendien is al in de Kieswet geregeld (artikel N 5) dat gemeenteambtenaren het stembureau kunnen bijstaan in het telproces. Daarvoor hoeven zij niet apart te worden benoemd.

De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre volksvertegenwoordigers en kandidaten lid kunnen zijn van het stembureau en in hoeverre dit de kwaliteit van de verkiezingen in gevaar brengt. Zij vragen of het wenselijk is hierover nadere bepalingen op te nemen.

Het benoemen van stembureauleden is de verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders. In de Kieswet is geregeld dat stembureauleden geen uiting mogen geven aan hun politieke gezindheid. Het uitsluiten van personen van het lidmaatschap van een stembureau uitsluitend omdat zij politiek actief zijn, acht het kabinet niet wenselijk. Wel deelt het kabinet de mening van de Kiesraad1 dat het wenselijk is terughoudend te zijn bij het benoemen van kandidaten, omdat deze een direct belang hebben bij de uitkomst van de verkiezingen. Het gaat daarbij dan niet zozeer om de vaardigheid van het stembureaulid om zijn individuele belang te kunnen scheiden van het publieke belang dat hij dient als stembureaulid, maar vooral ook om de beeldvorming bij de kiezers. De kiezer kan immers de indruk krijgen dat het betreffende stembureaulid/kandidaat niet «neutraal» is. Ditzelfde kan echter evenzeer gelden voor andere politiek actieve stembureauleden.

De leden van de PVV-fractie vragen op welke wijze gemeenten invulling moeten geven aan de gestelde eis in artikel E 4, tweede lid, onder c, ten aanzien van stembureauleden die in de afgelopen vijf jaar niet veroordeeld mogen zijn voor overtredingen en misdrijven genoemd in hoofdstuk Z van de Kieswet. Zij vragen hoe gemeenten worden ondersteund in de controle van stembureauleden, nu gemeenten geen toegang hebben tot strafregisters.

In de versie van het wetsvoorstel dat in consultatie is gegeven, was de eis opgenomen dat stembureauleden die zijn veroordeeld wegens overtredingen en misdrijven, genoemd in hoofdstuk Z van de Kieswet niet als stembureaulid kunnen worden benoemd. Deze bepaling is echter na advies van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geschrapt, omdat het een te zware belasting zou zijn voor gemeenten om dit te controleren nu gemeenten geen toegang hebben tot strafregisters en het moeten overleggen van een verklaring omtrent het gedrag een te grote administratieve belasting zou zijn voor de stembureauleden. In het nu voorgestelde artikel E 4, tweede lid, onder c, is slechts opgenomen dat stembureauleden die bij de vorige verkiezingen hebben gehandeld in strijd met het bij of krachtens de Kieswet bepaalde niet opnieuw benoemd kunnen worden. Het kabinet meent dat gemeenten dit kunnen controleren door gebruik maken van eigen observatie, van klachten van kiezers en bijvoorbeeld uit zaken die blijken uit het proces-verbaal van het stembureau. In deze bepaling is namelijk geen sprake van een veroordeling; het volstaat dat de gemeente heeft geconstateerd dat iemand heeft gehandeld in strijd met de wet- en regelgeving.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom ervoor is gekozen alleen het volgen van de training verplicht te stellen en geen toets af te nemen. Zij vragen hoe de regering de wens van gemeenten beoordeelt om een eigen selectiebeleid ten aanzien van stembureauleden te kunnen voeren. Ook vragen zij welke zaken eventueel nog bij algemene maatregel van bestuur geregeld zouden moeten worden.

Het kabinet meent dat het niet opportuun is op het niveau van de Kieswet te regelen dat stembureauleden ook (met goed gevolg) een toets moeten afleggen. Op dit moment experimenteren enkele gemeenten al met een toets. Het kabinet volgt die experimenten met belangstelling. Bij algemene maatregel van bestuur zou geregeld kunnen worden welke onderwerpen in de training moeten worden behandeld, of er aparte trainingen moeten zijn voor reguliere stembureauleden, (potentiële) voorzitters, en tellers en de frequentie van de training. Mocht in een later stadium toch een landelijke toets wenselijk worden geacht, kan deze alsnog in een algemene maatregel van bestuur worden geregeld. Dat geldt dan ook voor eventuele consequenties indien men een dergelijke toets niet met goed gevolg aflegt. Bij nota van wijziging heeft het kabinet de grondslag hiervoor verduidelijkt in artikel E 4 van de Kieswet.

Ook vragen de leden van de CDA-fractie wanneer de verschillen in optreden van stembureauleden, zoals de OVSE geconstateerd heeft, te groot zijn volgens de regering.

In de Kieswet is voor veel handelingen precies voorgeschreven hoe deze uitgevoerd dienen te worden. Stembureauleden hebben dus slechts zeer beperkte mogelijkheden hieraan een eigen invulling te geven. Zodra men afwijkt van de wettelijk voorgeschreven regels, is sprake van verschillen die groot zijn en dus voorkomen moeten worden.

De leden van de SGP-fractie vragen wat voor soort training op dit moment gebruikelijk is. Zij wijzen er op dat het belangrijk ervoor te waken dat de voorwaarden zo zwaar worden dat er een gebrek aan vrijwilligers zou kunnen ontstaan en vragen hoe dit kan worden voorkomen.

De digitale training die is ontwikkeld door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is tot 12 september 2012 te raadplegen op www.verkiezingen2012.nl /toolkit. De meeste gemeenten adviseren hun stembureauleden deze digitale training te volgen, naast het volgen van een voorlichtingsbijeenkomst waarin deels naar deze training wordt verwezen en deels een aantal gemeentespecifieke onderwerpen aan de orde kunnen komen en men bijvoorbeeld oefent met het invullen van het proces-verbaal. Veel gemeenten stellen het bijwonen van een dergelijke voorlichtingsbijeenkomst al verplicht en geven soms ook een vergoeding voor het volgen ervan. Het kabinet acht het volgen van een training voorafgaand aan de verkiezing noodzakelijk. Bij het organiseren van de training moet er rekening mee worden gehouden dat ook vrijwilligers als stembureaulid fungeren bijvoorbeeld door de tijdstippen waarop de trainingen worden aan te passen. Het is belangrijk dat vrijwilligers een bijdrage kunnen blijven leveren en stembureaulid kunnen zijn.

2.2. Ter inzage legging processen-verbaal stembureaus en vernietiging stukken

De leden van de PVV-fractie vragen hoe grote gemeenten geacht worden een groot aantal processen-verbaal binnen een korte tijd op hun website te publiceren. Zij vragen of is onderzocht in hoeverre dat technisch haalbaar is.

De Kiesraad en de VNG hebben in hun adviezen gewezen op uitvoeringstechnische problemen als de processen-verbaal van alle stembureaus in korte tijd op internet moeten worden gepubliceerd. De Kiesraad adviseert daarbij de processen-verbaal openbaar te maken via ter inzage legging omdat dit de gebruikelijke methode van openbaarmaking is in de Kieswet. Deze adviezen zijn overgenomen in het wetsvoorstel dat bij de Tweede Kamer is ingediend (Kamerstukken II 2011/12, nr. 33 268, nr. 3, blz. 22). De processen-verbaal van de stembureaus worden derhalve ter inzage gelegd en niet op internet gepubliceerd. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de processen-verbaal van de hoofdstembureaus en de centrale stembureaus wel op internet worden gepubliceerd.

2.3. Nationale waarnemers

De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ook waarnemers aanwijst als het gaat om gemeenteraads- en provinciale statenverkiezingen. Zij vragen of er dan een rol is weggelegd voor de colleges van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten. Verder vragen zij wie bepaalt waar de waarnemers worden ingezet en waarom er in het voorgestelde artikel J 39 een «kan»-bepaling wordt gebruikt. Ook vragen zij of de waarnemers per verkiezing worden aangewezen of voor een langere periode en hoe voorkomen wordt dat waarnemers vanuit bepaalde partijbelangen naar het verkiezingsproces kijken en hoe wordt bevorderd dat er sprake is van neutraliteit.

Volgens het voorgestelde artikel J 39 is het inderdaad zo dat bij gemeenteraadsverkiezingen en provinciale statenverkiezingen de nationale waarnemers door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de Kieswet en het democratisch proces – worden aangewezen. Er is hier geen rol voor de colleges van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten. De waarnemers bepalen zelf, binnen de grenzen van de wet, waar zij waarnemen. Indien zij zich melden bij een gemeente of provincie met het verzoek om te kunnen waarnemen, kunnen zij uiteraard worden doorverwezen naar het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om aangewezen te worden. In het voorgestelde artikel is een «kan»-bepaling gebruikt, zodat de minister niet verplicht is om bij elke verkiezing nationale waarnemers aan te wijzen. Bij het waarnemen van verkiezingen is een belangrijke rol weggelegd voor het maatschappelijk middenveld. Nationale waarnemers zullen veelal gelieerd zijn aan maatschappelijke organisaties. In hoeverre de minister waarnemers aanwijst is afhankelijk van de behoefte van maatschappelijke organisaties om een rol te vervullen bij het waarnemen van verkiezingen en van burgers om als waarnemer aangewezen te worden. De waarnemers zullen per verkiezing worden aangewezen. Het is niet noodzakelijk dat waarnemers neutraal zijn. De waarnemers hebben immers alleen de bevoegdheid om waar te nemen en over hun waarnemingen te rapporteren.

2.4. Eisen aan programmatuur voor het berekenen van de uitslag van de verkiezingen

De leden van de SP-fractie vragen waarom er niet voor is gekozen om alle eisen aan de programmatuur onder de Kieswet te brengen, dan wel op te nemen in het Kiesbesluit.

Er is voor gekozen om de belangrijkste eis over de programmatuur, namelijk de openbaarheid, in de wet zelf te regelen. Op deze wijze is de transparantie wettelijk gewaarborgd. De overige eisen zullen een meer technisch karakter hebben. Door deze eisen in het Kiesbesluit op te nemen kunnen ze beter actueel worden gehouden indien ze vanwege het voortschrijden van de technologie moeten worden gewijzigd.

2.5. Uitbrengen volmachtstem

De leden van de VVD-fractie vragen wat het verschil is tussen in net buiten het stemlokaal en in het stemlokaal geven van een volmacht. In beide situaties is de kiezer in staat om zelf zijn stem uit te brengen. Ook de leden van de SP-fractie vragen of is toegestaan dat de kiezer naar buiten loopt en vervolgens daar een volmacht verstrekt aan een derde en dat een kiezer een volmacht verleent en de gemachtigde derde vervolgens naar een ander stembureau gaat. Zij vragen hoe dit kan worden gecontroleerd.

Het kabinet meent dat de voorgestelde bepaling duidelijkheid schept voor de stembureauleden op dit punt. Dit laat inderdaad onverlet dat een kiezer altijd de mogelijkheid houdt om de volmacht alsnog buiten het stemlokaal te verstrekken zodat deze volmacht bijvoorbeeld in een ander stemlokaal kan worden uitgebracht. Dit is nu eenmaal onlosmakelijk verbonden met het stemmen in een willekeurig stemlokaal en controle daarop is onmogelijk. Desondanks meent het kabinet dat het wenselijk is duidelijk te maken dat het stemmen bij volmacht enkel en alleen bedoeld is voor kiezers die niet zelf, in persoon, aan de stemming kunnen deelnemen. Alleen daarom al meent het kabinet dat deze bepaling een meer dan symbolische werking zal hebben: ook andere kiezers zullen immers ervan getuige zijn dat het niet is toegestaan op deze wijze een volmacht te verlenen, terwijl het voor het stembureau de mogelijkheid biedt de betrokken kiezer desgewenst nadere uitleg te geven over het stemproces zodat deze toch zelfstandig de stem kan uitbrengen.

De leden van de PVV-fractie hebben met onvrede kennis genomen van het voornemen onderzoek te doen naar de mogelijkheid om het stembiljet zodanig aan te passen dat ook kiezers die de Nederlandse taal onvoldoende machtig zijn, zelfstandig hun stem kunnen uitbrengen. Zij vragen zich af of deze kiezers wel weten op wie zij stemmen en waarom.

Het kabinet is van mening dat alle kiesgerechtigden zoveel mogelijk zelfstandig hun stem moeten kunnen uitbrengen. Dat geldt voor blinden, slechtzienden, laaggeletterden en ook voor kiezers die om welke reden dan ook de Nederlandse taal niet goed machtig zijn.

2.6. Kiezers buiten Nederland

De leden van de PVV-fractie vragen welke geldigheidscriteria worden gehanteerd voor stemmen van kiezers in het buitenland, anders dan de in Nederland geldende criteria. De leden van de SP-fractie vragen waarom een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel dat met rode potloden wordt gestemd. De leden van de SGP-fractie vragen of het niet verwarrend is als over de kleur van het schrijfmateriaal twee verschillende bepalingen in de Kieswet komen te staan en of herkenbaarheid van de stem niet voldoende is voor de telling van de stemmen.

De reden om in de Kieswet vast te leggen met welke kleur de stem wordt uitgebracht hangt samen met het feit dat het herkennen van een met een signaalkleur (zoals rood) uitgebrachte stem bij het tellen van de stemmen makkelijker is dan een met een andere kleur uitgebrachte stem. Aangezien in het stemhokje van overheidswege rood schrijfmateriaal ter beschikking wordt gesteld, is het voor kiezers die hun stem in een stemhokje uitbrengen geen enkele belasting deze stem op die wijze uit te brengen. Dit geldt overigens ook voor de kiezers in Caribisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba), aangezien ook zij stemmen in een stemlokaal waarin een rood potlood ter beschikking is gesteld. Voor kiezers buiten Nederland geldt, zoals in de memorie van toelichting aangegeven, dat zij niet altijd rood schrijfmateriaal tot hun beschikking hebben danwel zich niet realiseren dat het gebruiken van een andere kleur tot een ongeldige stem leidt. Dit leidt er toe dat deze kiezers vaker dan de kiezers in Nederland ongeldig stemmen. Dit acht het kabinet onwenselijk.

Voor verwarring hoeft niet te worden gevreesd. Stembureauleden die de stemmen voor kiezers buiten Nederland tellen zijn vrijwel altijd andere dan degenen die in de Nederlandse stemlokalen tellen. Kiezers die eventueel een aantal keren in het buitenland hun stem hebben uitgebracht en daarna in Nederland in een stemhokje stemmen, zullen aldaar het juiste schrijfmateriaal aantreffen zodat de kans zeer gering is dat zij hun stem met een andere kleur uitbrengen.

De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering er alles aan te doen om de verdere vereenvoudigingen voor kiezers buiten Nederland zo spoedig als mogelijk is te regelen en een wetsvoorstel ter zake in te dienen. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan schetsen welke maatregelen zij op het oog heeft om het stemmen voor kiezer buiten Nederland te vergemakkelijken en waarom de benodigde wijziging van de Kieswet niet tegelijk met het wetsvoorstel basisregistratie personen (33 219) is ingediend. Deze leden geven in overweging de betreffende maatregelen alsnog bij nota van wijziging aan het wetsvoorstel toe te voegen, zodat geen tijd verloren gaat.

De maatregelen die het kabinet op het oog heeft om het stemmen voor kiezers buiten Nederland te vergemakkelijken zijn beschreven in de brief van 29 mei 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 31 142, nr. 30). Op het moment van het voorbereiden van dit wetsvoorstel was nog onvoldoende bekend hoe in de regelgeving rondom het wetsvoorstel basisregistratie personen de bepalingen met betrekking tot het register niet ingezeten zouden luiden. Het gebruik van de gegevens in het register niet ingezetenen leidt tot een aantal keuzes die gemaakt moeten worden voor de inrichting van het proces voor de kiezers die vanuit het buitenland mogen stemmen (voor de verkiezingen van de leden van de Tweede Kamer en de leden van het Europees Parlement). Dit punt is aan de orde geweest in het Algemeen Overleg over verkiezingen op 1 februari 2012. In dat Algemeen Overleg is afgesproken dat nadat het wetsvoorstel Basisregistratie Personen in de Tweede Kamer is behandeld en de registratie niet ingezetenen «in de steigers staat», de Kamer een notitie zal krijgen waarin is uitgewerkt hoe van de registratie concreet gebruik gemaakt gaat worden voor de kiezers die vanuit het buitenland mogen stemmen (Kamerstukken II 2011/12, 31 142, nr. 33). Pas na de behandeling van het wetsvoorstel Basisregistratie Personen kan worden bepaald wat er concreet in de Kieswet gewijzigd moet worden en kan de hiervoor benodigde wijziging van de Kieswet in procedure worden gebracht.

2.7. Centrale inlevering van kandidatenlijsten

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering nader kan ingaan op de argumenten van de Kiesraad, dat het niet langer benutten van de kieskringen bij de kandidaatstellingsprocedure de transparantie van het verkiezingsproces ten goede komt en dat er in de praktijk geen reële behoefte meer aan kieskringen bij de kandidaatstellingsprocedure bestaat.

Het argument van de Kiesraad dat het verkiezingsproces transparanter wordt, neemt niet weg dat ook het huidige kiesstelsel met kieskringen transparant is geregeld. Zo worden alle kandidatenlijsten gepubliceerd waarbij ze zijn gerangschikt per kieskring. Verder wordt elke kiezer tijdig de kandidatenlijsten bezorgd die in zijn kieskring gelden. Tot slot is ook op het stembiljet vermeld voor welke kieskring de kiezer stemt.

Het is overigens de vraag of in de praktijk geen reële behoefte meer bestaat aan kieskringen. In elk geval bij de afgelopen zeven Tweede Kamerverkiezingen hebben relatief kleine politieke groeperingen telkens de mogelijkheid benut om in slechts één of enkele kieskringen aan de verkiezing deel te nemen, hoewel zij overigens geen zetel behaalden. Daarnaast hebben politieke groeperingen ook gebruik gemaakt van de mogelijkheid om regionaal gedifferentieerde kandidatenlijsten in te leveren, met uitzondering van de Tweede Kamerverkiezing van 2010. Ook bij de Tweede Kamerverkiezing van 2012 hebben politieke partijen regionaal gedifferentieerde lijsten ingediend, dan wel lijsten voor enkele kieskringen.

De Kieswet zou inderdaad eenvoudiger worden als de mogelijkheid om in de verschillende kieskringen verschillende kandidatenlijsten in te leveren, zou vervallen en de lijsten bij Tweede Kamerverkiezingen in het hele land identiek zijn. De kiezer die met een kiezerspas in een andere kieskring stemt, hoeft er dan geen rekening mee te houden dat de lijsten per kieskring kunnen verschillen en ook de toewijzing van zetels aan de kandidaten binnen de lijst wordt meer inzichtelijk. De keerzijde is echter dat het dan niet meer mogelijk is kandidatenlijsten voor één of slechts enkele kieskringen in te leveren, of kandidatenlijsten per kieskring te differentiëren. Alles afwegend acht het kabinet het voldoende om op dit moment te volstaan met een regeling die de procedure van centrale inlevering van kandidatenlijsten vereenvoudigt.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering het onnodig en onwenselijk vindt dat ook voor een nieuwe lijst die is ontstaan door een lijstineenschuiving waarbij ten minste één partij is betrokken die bij de vorige verkiezing een zetel heeft behaald, ondersteuningsverklaringen moeten worden ingeleverd, een waarborgsom moet worden betaald en een lijstnummer door loting krijgt toegewezen. Dit vragen deze leden ook voor de gevallen dat partijen fuseren of een nieuwe naam krijgen en de partij onder de oude naam/namen niet meer meedoet aan de verkiezingen.

In de Kieswet wordt al in belangrijke mate rekening gehouden met deze overwegingen, mits ten minste één van de politieke groeperingen minimaal één zetel heeft behaald bij de vorige verkiezingen. Voor het overleggen van ondersteuningsverklaringen bestaat namelijk, op grond van artikel H 4, achtste lid, van de Kieswet, een uitzondering voor een politieke groepering die onder een nieuwe aanduiding meedoet aan de verkiezing, en voor politieke groeperingen die hun aanduidingen samenvoegen of gezamenlijk onder een nieuwe naam aan de verkiezing deelnemen. Krachtens de artikelen H 12, H 13, H 14 en I 14 van de Kieswet geldt voor het betalen van een waarborgsom en bij de nummering van kandidatenlijsten eenzelfde regeling, met uitzondering van de situatie dat twee of meer groeperingen samen onder een nieuwe aanduiding deelnemen aan de verkiezing. In dat laatste geval kunnen politieke groeperingen overigens nog steeds als uitzondering worden aangemerkt, namelijk als één van de politieke groeperingen zich opheft en aansluit bij de andere groepering, terwijl die andere groepering zijn statuten aanpast en zijn geregistreerde aanduiding wijzigt, conform de artikelen G 1, G 2 en G 3 van de Kieswet.

Deze laatste methode kan in de praktijk als omslachtig worden ervaren. Bovendien kan dan bij het toekennen van de lijstnummers geen gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om de, bij de vorige verkiezing behaalde, zetels bij elkaar op te tellen. Voor deze tegenstrijdigheden bestaat geen goede reden. In de nota van wijziging die tegelijk met deze nota wordt aangeboden is deze tegenstrijdigheid opgeheven.

2.8. Verschuiving dag van de kandidaatstelling

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de flexibilisering van de periode tussen de dag van de kandidaatstelling en de dag van de stemming in de praktijk zal gaan. Zij vragen of dit per verkiezing kan verschillen en hoe lang van te voren het aantal dagen dat tussen de dag van de kandidaatstelling en de dag van de stemming ligt wordt bepaald.

De voorgestelde flexibilisering is alleen aan de orde bij reguliere verkiezingen en niet bij tussentijdse verkiezingen. De kandidaatstelling kan bij koninklijk besluit worden vervroegd. Dat besluit moet dan op grond van artikel F 1, derde lid, van de Kieswet wel uiterlijk zes maanden voor de oorspronkelijke dag van kandidaatstelling worden bekendgemaakt. Het ligt in de rede dat een eventuele aanpassing van de dag van stemming op grond van het voorgestelde artikel J 1, eerste lid, van de Kieswet in hetzelfde koninklijk besluit wordt geregeld. In de nota van wijziging die tegelijk met deze nota wordt aangeboden is dit verduidelijkt.

De leden van de SGP-fractie vragen of het uitgangspunt steeds een periode blijft die vergelijkbaar is met de wettelijke termijnen.

Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord. De dag van de stemming kan op grond van het voorgestelde artikel J 1, eerste lid, met niet meer dagen worden verplaatst dan het aantal dagen waarmee de dag van kandidaatstelling is vervroegd. De kandidaatstelling kan op grond van het voorgestelde artikel F 1, derde lid, met ten hoogste een week worden vervroegd. Verder geldt als voorwaarde dat er minstens 44 dagen tussen dag van kandidaatstelling en dag van stemming zijn en dat de dag van stemming nooit later kan zijn dan de oorspronkelijke dag van stemming.

2.9. Aanpassing verkiezingsdata

De leden van de VVD-fractie vragen of het verplaatsen van de dag van stemming in maart met twee weken, betekent dat de zittingstermijn van de huidige gemeenteraadsleden wordt verlengd. Zij vragen zich af hoe dat is geregeld.

Het verplaatsen van de dag van stemming betekent inderdaad dat de zittingstermijn van deze gemeenteraadsleden met twee weken wordt verlengd. Dat is geregeld door het moment waarom de gemeenteraadsleden aftreden met eenzelfde periode te verplaatsen, dus van de donderdag in de periode van 10 tot en met 16 maart naar de donderdag in de periode van 23 tot en met 29 maart. Verwezen wordt naar de toelichting bij artikel I, onderdelen D en E, van het wetsvoorstel (Kamerstukken II 2011/12, 33 268, nr. 3, blz. 28).

De leden van de SGP-fractie vragen waarom de huidige bepaling over verplaatsing van de verkiezingsdatum ontoereikend is. Verder vragen zij of de regering, gelet op het advies van de Kiesraad, overweegt de bepalingen over verkiezingsdata meer leesbaar te maken. Tot slot vragen zij of de wijziging van de verkiezingsdatum in maart ook doorwerkt naar de reguliere verkiezingsdatum voor de Tweede Kamer, voor zover deze datum in maart valt.

De huidige regeling is voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2014 ontoereikend, omdat de stemmingsdag namelijk zal vallen op Aswoensdag: de dag die het begin van de vastentijd inluidt en direct na de carnavalsperiode valt. Hoewel de Kieswet de mogelijkheid biedt de verkiezingen met maximaal één week te vervroegen, biedt dat voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2014 geen oplossing, omdat dan de verkiezingen in Noord-Nederland midden in de voorjaarsvakantie zouden vallen. Om die reden is een wetswijziging noodzakelijk. Nu bij de huidige stemmingsdag in maart is gebleken dat deze bij gemiddeld één op de drie verkiezingen zal samenvallen met Aswoensdag of de Biddag voor gewas en arbeid, acht het kabinet het wenselijk de stemmingsdag structureel twee weken later vast te stellen, zodat deze samenloop niet meer kan voorkomen. De voorgestelde mogelijkheid om bij koninklijk besluit, in geval van zwaarwichtige redenen, niet alleen de dag van stemming maar ook de dag van kandidaatstelling te kunnen aanpassen, is noodzakelijk omdat er bij verkiezingen in mei problemen kunnen optreden bij samenloop met de dag van kandidaatstelling en Pasen. De dag van kandidaatstelling zal namelijk door dit wetsvoorstel op een maandag in plaats van een dinsdag vallen. Daarbij levert een vaste periode tussen de dag van stemming en de dag van kandidaatstelling weinig flexibiliteit op om – bij onwenselijke samenloop met feest- en gedenkdagen – zowel een gunstige dag van kandidaatstelling, als een gunstige dag van stemming te kunnen vaststellen.

Het advies van de Kiesraad om de bepalingen over verkiezingsdata meer leesbaar te maken is overgenomen. Artikel J 1 van de Kieswet is naar aanleiding van het advies van de Kiesraad vereenvoudigd.

De vraag of de wijziging van de verkiezingsdatum doorwerkt naar de reguliere verkiezingsdatum voor de Tweede Kamer kan bevestigend worden beantwoord. Dit is geregeld in de onderdelen D en M van het wetsvoorstel.

2.10. Eilandsraadverkiezingen

De leden van de VVD-fractie, de leden van de SP-fractie, de leden van de ChristenUnie-fractie en de leden van de SGP-fractie hebben vragen over het voornemen van de regering om bij de eilandsraadsverkiezingen op Bonaire, Sint Eustatius en Saba de kiesdrempel om in aanmerking te komen voor een restzetel te verhogen van 75 % naar 100 % van de kiesdeler. De leden van de VVD-fractie vragen of de regering heeft overwogen om ook voor Nederlandse gemeenten te bepalen dat een partij minimaal voldoende stemmen moet halen om zelfstandig één zetel te halen om in de raad vertegenwoordigd te zijn. De leden van de SP-fractie zouden graag de drempel van 75 % handhaven tot de reactie van de eilandsraden is ontvangen. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen op welke wijze de bestuurbaarheid van de openbare lichamen ten nadele is beïnvloed door de regels over restzetelverdeling voor kleine raden. Ook vragen deze leden hoe het voornemen om deze regels te wijzigen zich verhoudt tot de toezegging dat legislatieve terughoudendheid wordt betracht. De leden vragen of de bestuurbaarheid van de openbare lichamen dermate is aangetast door de genoemde restzetelverdeling dat een uitzondering op deze toezegging is gerechtvaardigd. Bovendien vragen de leden op basis van welke criteria de regering besluit af te zien van bovengenoemde toezegging. Tot slot vragen de leden van de ChristenUnie-fractie hoe deze voorgenomen wijziging zich verhoudt tot de evaluatie van wetgeving die voor 2015 staat gepland. De leden van de SGP-fractie vragen of wijziging van de regels over de restzetelverdeling noodzakelijk is met het oog op de bestuurbaarheid.

Zoals toegezegd in het nader rapport is de voorgenomen wijziging van de regels over de restzetelverdeling bij de eilandsraadsverkiezingen voorgelegd aan de eilandsraden van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De schriftelijke reacties die hierop zijn gekomen zijn als bijlagen *) bij deze nota naar aanleiding van het verslag gevoegd. De eilandsraad van Bonaire heeft zich uitgesproken vóór het wijzigingsvoorstel. Twee niet in de eilandsraad vertegenwoordigde partijen te weten de Partido pro Hustisia & Union en Awor t’e Ora hebben mij geïnformeerd dat zij tegen het wijzigingsvoorstel zijn. De eilandsraad van Saba heeft schriftelijk laten weten dat zij tegen het wijzigingsvoorstel is. Vanuit Sint Eustatius is geen schriftelijke reactie ontvangen. Aangezien de reacties niet eenduidig zijn, acht het kabinet het vooralsnog niet wenselijk de regels over de restzetelverdeling bij de eilandsraadsverkiezingen te wijzigen. In de nota van wijziging die tegelijk met deze nota wordt aangeboden, wordt het betreffende onderdeel dan ook uit het wetsvoorstel gehaald. Dit betekent dat voor de eilandsraadsverkiezingen dezelfde regels blijven gelden als voor de gemeenteraadsverkiezingen in kleine Nederlandse gemeenten. Indien uit de evaluatie van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba blijkt dat er maatregelen nodig zijn om de bestuurbaarheid van de openbare lichamen te verbeteren, kan een wijziging van de regels over de restzetelverdeling opnieuw worden overwogen.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoeveel invloed de leden van de eilandraden hebben op de zetelverdeling in de Eerste Kamer.

Op dit moment hebben de leden van de eilandsraden geen invloed op de zetelverdeling in de Eerste Kamer. De bepalingen die in de wet van 17 mei 2010 tot wijziging van de Kieswet in verband met de nieuwe staatsrechtelijke positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbaar lichaam binnen Nederland (Stb. 2010, 347) zijn opgenomen met betrekking tot de toekenning van kiesrecht aan de leden van de eilandsraden van Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer kunnen pas in werking treden als de Grondwet voorziet in dit kiesrecht. Het hiertoe strekkende grondwetsvoorstel is in eerste lezing bij de Tweede Kamer aanhangig (Kamerstukken II 2011/12, 33 131).

In het (nog niet in werking getreden) artikel Ya 29 van de Kieswet wordt voor wat betreft het bepalen van de stemwaarde van de openbare lichamen aangesloten bij de regeling die geldt voor de provincies. Een stem uitgebracht in een openbaar lichaam geldt voor een aantal stemmen gelijk aan het getal dat wordt verkregen door het inwonertal van dat openbaar lichaam te delen door het honderdvoud van het aantal leden waaruit de eilandsraad van dat openbaar lichaam bestaat. Blijkens recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek bestaat de bevolking van Bonaire uit 15 700 personen, die van Sint Eustatius uit 3 600 personen en die van Saba uit 1 800 personen. De eilandsraad van Bonaire bestaat uit 9 leden, de eilandsraden van Sint Eustatius en Saba beide uit 5 leden. De stemwaarde zou op dit moment voor Bonaire dus (afgerond) 17 zijn, voor Sint Eustatius 7 en voor Saba 4. Gezamenlijk zouden de stemmen van de leden van de drie eilandsraden gelden voor 208 stemmen. Ter vergelijking: bij de verkiezing van de Eerste Kamer in 2011 golden de stemmen van de statenleden in totaal voor 166 561 stemmen. De Kiesraad heeft in 2011 vastgesteld voor hoeveel zetels van de Eerste Kamer de statenleden van elke provincie hun stem uitbrengen. Omgerekend zouden de openbare lichamen destijds gezamenlijk voor 0,09 zetels invloed hebben op de uitslag.

De leden van de PvdA-fractie vragen of het kabinet het wenselijk acht alle inwoners van de BES-eilanden die er langer dan vijf jaar verblijven stemrecht te verlenen.

Volgens de in het wetsvoorstel voorgestelde regeling zullen alle inwoners van de BES-eilanden die er langer dan vijf jaar legaal verblijven stemrecht krijgen voor de eilandsraadverkiezingen. Deze regeling is conform de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 10 januari 20112 Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven zal de wenselijkheid van deze regeling opnieuw worden bezien als de eilandsraadsleden kiesrecht krijgen voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer.

De leden van de SGP-fractie vragen of de wet niet te onduidelijk wordt met betrekking tot de toekenning van het kiesrecht ten aanzien van vreemdelingen. Zij vragen waarom met het oog op de beoogde wijziging van de Grondwet niet meteen een definitieve regeling wordt getroffen, zodat het aantal personen voor wie het kiesrecht geldt niet steeds wisselt.

Indien vreemdelingen in het Europese deel van Nederland onder bepaalde voorwaarden actief kiesrecht hebben voor de gemeenteraadsverkiezingen en vreemdelingen in Caribisch Nederland geen actief kiesrecht hebben voor de eilandsraadsverkiezingen is er sprake van ongelijke behandeling. Volgens de eerder aangehaalde uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof is er geen rechtvaardiging gegeven voor deze ongelijke behandeling. Hiermee is de ongelijke behandeling in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Op grond van deze rechterlijke uitspraak hebben vreemdelingen in Caribisch Nederland na vijf jaar legaal verblijf actief kiesrecht voor de eilandsraadsverkiezingen. Het in overeenstemming brengen van de Kieswet met deze rechterlijke uitspraak is juist een verduidelijking. Over het passief kiesrecht van vreemdelingen in Caribisch Nederland is tot op heden nog geen rechterlijke uitspraak geweest, maar hier geldt hetzelfde juridische kader inzake het gelijkheidsbeginsel als voor het actief kiesrecht. Om deze reden wordt in het wetsvoorstel ook het passief kiesrecht gegeven aan vreemdelingen die vijf jaar legaal in Caribisch Nederland verblijven. Hiermee wordt onduidelijkheid over het passief kiesrecht voorkomen.

Bij de Tweede Kamer is inmiddels een wijziging van de Grondwet in eerste lezing aanhangig die beoogt om eilandsraadsleden kiesrecht te geven voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer. Indien de eilandsraadsleden kiesrecht krijgen voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer is dit een mogelijke rechtvaardiging voor de bovengenoemde ongelijke behandeling. Zolang deze mogelijke rechtvaardiging er niet is, is het nodig de Kieswet in overeenstemming te brengen met bovengenoemde rechterlijke uitspraak over het gelijkheidsbeginsel.

2.11. De Kiesraad als ZBO

De leden van de PvdA-fractie vragen welke grenzen er zijn aan de onafhankelijkheid van de Kiesraad en welke verantwoordelijkheid de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft, waar hij op aangesproken kan worden.

De minister ziet toe op het (financiële) beheer bij de Kiesraad en op de uitvoering van de taak, maar kan zich niet met de inhoud van de taakuitoefening bemoeien. Eén van de doelstellingen van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (ZBO) is een heldere regeling van de ministeriële verantwoordelijkheid voor zelfstandige bestuursorganen. Om inhoud te kunnen geven aan die ministeriële verantwoordelijkheid bevat de Kaderwet ZBO een aantal verplichtingen van zelfstandige bestuursorganen jegens de betreffende vakminister en ook bevoegdheden van de betreffende minister richting een zelfstandig bestuursorgaan.

De Kiesraad is op grond van de Kaderwet ZBO verplicht het jaarverslag toe te zenden (artikel 18 Kaderwet ZBO), inlichtingen te verschaffen aan de minister (artikel 20 Kaderwet ZBO) en een ontwerp-begroting voor het daaropvolgende jaar toe te zenden (artikel 25 Kaderwet ZBO). Op die manier krijgt de minister de beschikking over de benodigde informatie over het beheer bij en de taakuitvoering door de Kiesraad om daarop te kunnen toezien en om desgevraagd verantwoording af te kunnen leggen aan het parlement.

De mogelijkheden voor de minister om in te grijpen in de taakuitoefening van de Kiesraad zijn echter zeer beperkt. De mogelijkheid om beleidsregels vast te stellen met betrekking tot de taakuitoefening en de mogelijkheid om besluiten te vernietigen (artikel 21 en 22 van de Kaderwet ZBO) zijn ten aanzien van de Kiesraad uitgezonderd vanwege de noodzakelijke onafhankelijke taakuitoefening door de Kiesraad. De minister kan zich dus niet met de inhoud van de taakuitoefening bemoeien. Wel kan de minister, in het (uitzonderlijke) geval van ernstige taakverwaarlozing door de Kiesraad, de noodzakelijke voorzieningen treffen om ervoor te zorgen dat de taak alsnog naar behoren wordt uitgevoerd. De minister dient beide Kamers onverwijld in kennis te stellen van door hem getroffen voorzieningen.

De leden van de CDA-fractie en de SGP-fractie hebben vragen gesteld over de toepassing van de taakverwaarlozingsregeling van artikel 23 Kaderwet ZBO. Zij vragen welke voorzieningen bij taakverwaarlozing getroffen kunnen worden.

Zoals de leden van de CDA-fractie terecht opmerken ziet dit artikel op de uitzonderlijke situatie dat de Kiesraad zijn taak ernstig zou verwaarlozen. Artikel 23 van de Kaderwet ZBO bepaalt in dit verband dat indien naar het oordeel van de minister een zelfstandig bestuursorgaan zijn taak ernstig verwaarloost, de minister de noodzakelijke voorzieningen kan treffen (overigens – behoudens spoedeisende gevallen – nadat de minister het zelfstandig bestuursorgaan in de gelegenheid heeft gesteld zijn taak alsnog naar behoren uit te voeren). Dit artikel is bewust ruim geformuleerd gelet op de veelheid aan situaties die zich zou kunnen voordoen en de verschillende voorzieningen die in dat geval noodzakelijk en passend zouden kunnen zijn. Zo maakt het bijvoorbeeld uit of (de oorzaak van) de taakverwaarlozing is gelegen in de sfeer van het beheer bij de Kiesraad of dat het gaat om verwaarlozing van de taakuitoefening als centraal stembureau. Bemoeienis van de minister is in het eerste geval minder bezwaarlijk dan in het tweede geval. Er valt dus niet in zijn algemeenheid te zeggen welke voorziening zal worden getroffen. In geval van verwaarlozing van de taak van de Kiesraad als centraal stembureau zou deze taak bijvoorbeeld (tijdelijk) kunnen worden opgedragen aan een ander onafhankelijk orgaan. Als gezegd dient de minister beide kamers der Staten-Generaal onverwijld in kennis te stellen van door hem getroffen voorzieningen, zodat ook uw Kamer zal kunnen beoordelen of de getroffen voorzieningen noodzakelijk en passend zijn.

3. Toekomstige wetgeving

De leden van de VVD-fractie vragen welke onderdelen van de Kieswet c.q. het kiesstelsel de regering nog meer voor verbetering vatbaar acht en of die onderdelen allemaal worden opgenomen in het wetsvoorstel dat in de memorie van toelichting wordt aangekondigd. Zij vragen nader in te gaan op de beoogde planning van dit wetsvoorstel. De leden van de PvdA-fractie en die van de CDA-fractie vragen de regering naar de voortgang met het onderzoek naar een ander kiesbiljet en de bijbehorende mogelijkheden van elektronisch tellen. De leden van de SGP-fractie vragen wat de concrete bezwaren van de regering zijn om vooruitlopend op het onderzoek naar het nieuwe stembiljet alvast een regeling te treffen voor hertellingen en herstemmingen.

De vragen van deze leden lenen zich voor gezamenlijke beantwoording. Zoals in de memorie van toelichting en hierboven is aangegeven, bereidt het kabinet een voorstel tot wijziging van de Kieswet voor waarin een aantal van de maatregelen om het stemmen voor kiezers buiten Nederland te vergemakkelijken zullen worden opgenomen. Deze maatregelen hangen samen met de invoering van het register niet ingezetenen en het nieuwe stembiljet. Ook het nieuwe stembiljet en het elektronisch tellen daarvan vergt aanpassing van de Kieswet. Over de voortgang hiervan bent u recent separaat ingelicht. De voorbereiding van een wetsvoorstel dat invoering mogelijk moet maken is inmiddels ter hand genomen zoals u in eerder genoemde brief kunt lezen. Het streven is dit wetsvoorstel nog dit jaar voor advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State voor te leggen voor advies.

Verder is in de evaluatie naar aanleiding van de Tweede Kamerverkiezingen al aangegeven dat de procedure omtrent hertellingen en herstemmingen verduidelijking behoeft (Kamerstukken II 2010/11, 31 142, nr. 25). Naar aanleiding van overleg met de Kiesraad ziet het kabinet er van af een wijziging van de Kieswet op dit punt vooruitlopend op de introductie van een eventueel nieuw stembiljet in procedure te brengen.

4. Advisering

De leden van de SGP-fractie vragen of de openbaarmaking van de uitslagen per stembureau via de Databank Verkiezingsuitslagen voldoende geregeld is en of de uitslagen die ter inzage liggen door ieder vrij gepubliceerd mogen worden, dus ook in deze of een vergelijkbare databank.

De uitslagen die via de databank verkiezingsuitslagen beschikbaar zijn mogen door een ieder vrij worden gepubliceerd en dus ook door anderen worden overgenomen. Hiervoor is geen aparte regelgeving nodig.

De leden van de SGP-fractie vragen of er op dit moment geen enkele mogelijkheid is om kennelijke verschrijvingen in processen-verbaal te corrigeren en wat de betekenis hiervan is voor de geldigheid van de uitslag van de verkiezingen.

In de memorie van toelichting is aangegeven dat niet valt te definiëren wanneer sprake is van correcties die ambtshalve kunnen worden aangebracht. De transparantie en controleerbaarheid van de processen-verbaal zouden daarmee immers ernstig in gevaar komen. Dat laat onverlet dat in het voorkomende geval de gemeente kan aangeven dat er in een proces-verbaal mogelijk sprake is van een kennelijke verschrijving en wat in het concrete geval de vermoedelijke verschrijving is en hoe daarmee is omgegaan. Een concreet voorbeeld verduidelijkt dit mogelijk: in de turflijst bij het proces-verbaal staan 4 turven bij een bepaalde kandidaat, daarachter is echter het getal 5 geschreven. Er blijkt in dit stembureau sprake te zijn van 467 kiezers die aan de stemming hebben deelgenomen. Uitgaande van de 4 turven zou er echter sprake zijn van 466 uitgebrachte stemmen. In dat geval is het aannemelijk dat het getal 5 correct is. Indien de optelling van het aantal op kandidaten uitgebracht stemmen uitkomt echter op 468 stemmen, is waarschijnlijk het aantal van 4 turven correct en het getal 5 dus niet. Indien in hetzelfde proces-verbaal nog een vergelijkbare fout is aangetroffen, zal het niet eenvoudig zijn vast te stellen wat precies de omissie is. Daarom is het van belang dat de gemeente meldt in het proces verbaal N 11 dat zij eventueel omissies heeft aangetroffen en hoe zij hiermee is omgegaan. Daarmee is op transparante wijze aangegeven dat sprake is van omissies en hoe deze zijn opgelost. Introductie van de mogelijkheid om kennelijke verschrijvingen in processen-verbaal te corrigeren zou er op neer komen dat de gemeente de bevoegdheid heeft zelf in het proces-verbaal van het stembureau wijzigingen aan te brengen waarover vervolgens geen verantwoording wordt afgelegd. Voor het vertegenwoordigend orgaan, dat op basis van de processen-verbaal een oordeel moet vormen over de geldigheid van de uitslag, is dergelijke informatie van belang.

5. Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel N (artikel F 2)

De leden van de VVD-fractie vragen wat de bandbreedte is waarbinnen de kandidaatstelling moet plaatsvinden, nu wordt voorgesteld om in artikel F 2 Kieswet geen termijn meer te noemen waarbinnen de kandidaatstelling moet plaatsvinden. Zij vragen hoe hiermee in de praktijk wordt omgegaan.

Artikel F 2 van de Kieswet ziet op de tussentijdse ontbinding van de Tweede Kamer. Artikel 64, tweede lid, van de Grondwet bepaalt dat in een dergelijk geval de eerste samenkomst van de nieuw gekozen Tweede Kamer plaatsvindt binnen drie maanden na (de dagtekening van) het besluit tot ontbinding. Binnen die termijn moet een aantal handelingen plaatsvinden, waaronder de kandidaatstelling, de stemming en de vaststelling van de uitslag. De stemming vindt bij tussentijdse ontbinding (als dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven en in werking treedt) altijd plaats op de 44e dag na de kandidaatstelling. De eerste samenkomst vindt doorgaans plaats op de achtste dag na de stemming, gelijkelijk aan de termijn die op grond van artikel C 1, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen F 1 en J 1 van de Kieswet geldt bij reguliere verkiezingen.

Met de periode van kandidaatstelling tot eerste samenkomst zijn derhalve 52 dagen gemoeid. Dit betekent dat, in verband met de hiervoor genoemde grondwettelijke termijn van drie maanden, de kandidaatstelling nooit later zal plaatsvinden dan de 39e dag na de dagtekening van het ontbindingsbesluit. In sommige perioden van het jaar, bijvoorbeeld indien de maand februari valt in de periode tussen het ontbindingsbesluit en de eerste samenkomst, kan deze maximale bandbreedte kleiner zijn. Dat is eveneens het geval indien het ontbindingsbesluit niet op de vroegst mogelijke datum wordt getekend. Er is – evenals in de huidige Kieswet – niet voorzien in een minimumtermijn tussen de dagtekening van het ontbindingsbesluit en de kandidaatstelling. Doorgaans wordt het ontbindingsbesluit echter op de vroegst mogelijke datum getekend, juist om zo spoedig mogelijk – ook voor de politieke partijen – duidelijkheid te verschaffen over de datum van kandidaatstelling.

De leden van de SGP-fractie vragen waarom de termijn van drie maanden uit de Grondwet voor de duidelijkheid niet wordt overgenomen in de Kieswet.

Het wetsvoorstel strekt ertoe met de bepalingen in de Kieswet beter aan te sluiten bij de grondwettelijke termijn van drie maanden. Het kabinet acht het niet nodig die grondwettelijke termijn in de Kieswet te herhalen.

Onderdeel AL (artikel I 10)

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering heeft overwogen om lijstencombinaties onmogelijk te maken en wat de voor- en nadelen zijn van lijstencombinaties.

Het kabinet ziet geen aanleiding om lijstcombinaties voor andere verkiezingen dan de Eerste Kamverkiezingen onmogelijk te maken. De problemen die spelen bij de Eerste Kamerverkiezingen spelen niet bij andere verkiezingen. Lijstcombinaties worden vaak gevormd door partijen die enige ideologische of politieke verwantschap hebben en als zodanig met hun lijstcombinatie een extra zetel pogen te behalen voor een bepaalde (brede) stroming in de samenleving en voorzien in een behoefte. Bij de verdeling van zetels wordt een lijstcombinatie in eerste instantie beschouwd als één lijst. Omdat het stelsel van restzetelverdeling (grootste gemiddelden) doorgaans in het voordeel werkt van grote partijen, wordt de kans op het verwerven van een (rest)zetel vergroot door lijsten tot een lijstcombinatie te verbinden. Lijstcombinaties betekenen een zekere inbreuk op het beginsel van evenredige vertegenwoordiging omdat een partij die meer stemmen heeft gekregen toch minder zetels kan behalen dan een partij die minder stemmen heeft verworven maar onderdeel is van een lijstcombinatie. Het stelsel van lijstcombinaties maakt bovendien de zetelverdeling voor kiezers minder inzichtelijk, omdat zij zich vaak niet van de lijstcombinatie bewust zijn.

Naar het oordeel van het kabinet wegen de voordelen van lijstcombinaties zwaarder dan de nadelen.

Onderdeel BY (artikel M8)

In artikel M 8 zijn geen uitzonderingen opgenomen voor de vernietiging, terwijl dit in andere bepalingen wel gebeurt. De leden van de SGP-fractie vragen hoe zich dit tot elkaar verhoudt.

De regels met betrekking tot de vernietiging die zijn opgenomen in artikel M 8, vierde lid, hebben slechts betrekking op de pakken, bedoeld in artikel M 8, derde lid. Het betreft hier pakken met retourenveloppen die te laat zijn binnengekomen of niet voldoende zijn gefrankeerd en stembiljetten en briefstembewijzen die niet in de daarvoor bestemde retourenveloppen zijn teruggezonden. Deze bescheiden blijven bij de stemopneming buiten beschouwing en zijn dus ook niet van belang bij de vaststelling van de uitslag en eventuele strafrechtelijke onderzoeken terzake.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J. W. E. Spies

*) Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer