Kamerstuk 33240-VI-1

Jaarverslag Ministerie van Veiligheid en Justitie 2011

Dossier: Jaarverslag en slotwet Ministerie van Veiligheid en Justitie 2011

Gepubliceerd: 16 mei 2012
Indiener(s): Opstelten (minister veiligheid en justitie) (VVD)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33240-VI-1.html
ID: 33240-VI-1

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aangeboden 16 mei 2012

Gerealiseerde uitgaven van het departement 2011 verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelenGerealiseerde uitgaven 2011 totaal € 11 438,5 miljoen

Gerealiseerde uitgaven van het departement 2011 verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelenGerealiseerde uitgaven 2011 totaal € 11 438,5 miljoen

Gerealiseerde ontvangsten van het departement 2011 verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelenGerealiseerde ontvangsten 2011 totaal € 1 521,6 miljoen

Gerealiseerde ontvangsten van het departement 2011 verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelenGerealiseerde ontvangsten 2011 totaal € 1 521,6 miljoen

Inhoudsopgave

   

blz.

     

A.

ALGEMEEN

7

1

Aanbieding van het jaarverslag en verzoek tot déchargeverlening

7

     

2

Leeswijzer

11

     

B.

BELEIDSVERSLAG

15

3

Beleidsprioriteiten

15

     

4

Beleidsartikelen

20

11

Nederlandse rechtsorde

20

12

Rechtspleging en rechtsbijstand

27

13

Rechtshandhaving en criminaliteitsbestrijding

39

14

Jeugd

63

17

Internationale rechtsorde

75

21

Contraterrorisme- en nationaal veiligheidsbeleid

79

23

Veiligheidsregio’s en Politie

91

25

Veiligheid en bestuur

104

29 

 Inspectie openbare orde en veiligheid

112

     

5

Niet beleidsartikelen

115

91

Apparaatsuitgaven kerndepartement

115

92

Nominaal en onvoorzien

116

93

Geheime uitgaven

116

     

6

Bedrijfsvoeringsparagraaf

117

     

7

De Raad voor de rechtspraak

121

     

C.

JAARREKENING

124

De departementale verantwoordingsstaat

124

     

9

De departementale saldibalans

125

     

10

De baten-lastendiensten

133

1

Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)

134

2

Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB)

144

3

Nederlands Forensisch Instituut (NFI)

149

4

Justitiële Uitvoeringsdienst Toetsing, Integriteit, Screening (Dienst Justis)

157

5

Gemeenschappelijk Dienstencentrum ICT (GDI)

163

6

Korps landelijke politiediensten (KLPD)

168

     

11 

Publicatieplicht op grond van de wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens bij het ministerie van veiligheid en justitie 

173

     

12

Toezichtsrelatie ZBO’s en RWT’s

174

     

D.

BIJLAGEN

178

13

Overzicht niet-financiële informatie over de inkoop van adviseurs en tijdelijk personeel

178

     

14

Overzicht van in 2011 tot stand gekomen wetten

180

     

15

Lijst met afkortingen

182

     

16

Trefwoordenlijst

189

     

17

Stroomschema’s

191

A. ALGEMEEN

HOOFDSTUK 1 – AANBIEDING VAN HET JAARVERSLAG EN VERZOEK TOT DECHARGEVERLENING

AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

AAN de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik, mede namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, het departementale jaarverslag van het jaar Ministerie van Veiligheid en Justitie over het jaar 2011 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Veiligheid en Justitie decharge te verlenen over het in het jaar 2011 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

  • a. het gevoerde financieel beheer en materieelbeheer;

  • b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

  • c. de financiële informatie in het jaarverslag;

  • d. de betrokken saldibalans;

  • e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

  • a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2011;

  • b. het voorstel van de slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • c. het rapport van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2011 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2011, alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2011 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

HOOFDSTUK 2 – LEESWIJZER

Algemeen

In dit departementaal jaarverslag 2011 legt de Minister van Veiligheid en Justitie, mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verantwoording af over het gevoerde beleid, de bereikte resultaten van dit beleid en de kosten van het beleid in 2011.

In dit departementaal jaarverslag wordt verantwoord over het gevoerde beleid en beheer over het jaar 2011. Daarbij geldt als uitgangspunt dat dit jaarverslag de spiegel is van de begroting.

In oktober van 2010 is het kabinet Rutte-Verhagen aangetreden, hetgeen voor het toenmalige Ministerie van Justitie heeft geresulteerd in een aantal wijzigingen. De beleids- en interdepartementale herkavelingen die de resultante zijn van het Regeerakkoord resulteerden in (inhoudelijke) aanpassingen van de begrotingen. Daaraan is uiting gegeven door het opstellen van de Incidentele Suppletoire begroting (ISB) (TK 32 780, nr. 1). In dit jaarverslag wordt dan ook gekeken naar de realisatiestanden over het jaar 2011 in vergelijking tot de begroting na de wijzigingen voortvloeiend uit de Incidentele Suppletoire Begroting.

Dit jaarverslag valt uiteen in:

  • deel A Algemeen;

  • deel B Beleidsverslag;

  • deel C Jaarrekening;

  • deel D Bijlagen.

Deel A – Algemeen

In deel A zijn opgenomen het verzoek tot dechargeverlening aan de Voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer van de Staten-Generaal en deze leeswijzer.

Deel B – Beleidsverslag

In deel B wordt ingegaan op de beleidsmatige resultaten. Hoofdstuk 3 «Beleidsprioriteiten» geeft inzicht in de voortgang van de kabinetsdoelstellingen. Het begrotingsjaar 2011 is het eerste jaar waarin dit kabinet invulling heeft gegeven aan de in het Regeer- en Gedoogakkoord geformuleerde beleidsprioriteiten en -doelstellingen

Hoofdstuk 4 «Beleidsartikelen» schetst per beleidsartikel de resultaten van het in 2011 gevoerde beleid. Dit op basis van de doelstellingen zoals geformuleerd in de begroting 2011. De realisatie van deze doelstellingen wordt in dit jaarverslag toegelicht.

Hoofdstuk 5 bevat de niet-beleidsartikelen. In deel B is tevens de Bedrijfsvoeringparagraaf (hoofdstuk 6) en het hoofdstuk Raad voor de rechtspraak (hoofdstuk 7) opgenomen.

De indeling van de beleidsartikelen volgt de indeling van de Incidentele Suppletoire Begroting, te weten:

  • 11. Nederlandse rechtsorde

  • 12. Rechtspleging en rechtsbijstand

  • 13. Rechtshandhaving en criminaliteitsbestrijding

  • 14. Jeugd

  • 17. Internationale rechtsorde

  • 21. Contraterrorisme- en nationaal veiligheidsbeleid

  • 23. Veiligheidsregio’s en Politie

  • 25. Veiligheid en bestuur

  • 29. Inspectie openbare orde en veiligheid.

Naast deze beleidsartikelen kent Veiligheid en Justitie ook een drietal niet-beleidsartikelen, te weten:

  • 91. Algemeen

  • 92. Nominaal en onvoorzien

  • 93. Geheim

Het beleidsverslag bevat zowel financiële als niet-financiële informatie. Deze zijn aan verschillende kwaliteitsnormen onderhevig. De auditdienst controleert de comptabele rechtmatigheid van de financiële informatie. Zij geeft in de controleverklaring bij het jaarverslag een oordeel over het getrouwe beeld van de financiële informatie. Van de niet-financiële informatie wordt door de auditdienst alleen onderzocht of ze op deugdelijke wijze tot stand is gekomen en of ze niet strijdig is met de financiële informatie.

Deel C – Jaarrekening

Deel C bestaat uit de verantwoordingsstaat van het departement, de departementale saldibalans en de samenvattende verantwoordingsstaat van de baten-lastendiensten. Per baten-lastendienst wordt de balans, de staat van baten en lasten en het kasstroomoverzicht gepresenteerd. Ook is hier het overzicht van de uit publieke middelen gefinancierde topinkomens opgenomen.

In de beleidsartikelen in deel B is het jaarrekeninggedeelte terug te vinden in de tabellen budgettaire gevolgen van beleid met bijbehorende financiële toelichting. In de toelichtende paragraaf zijn verschillen en mutaties toegelicht die groter zijn dan € 5 miljoen, dan wel politiek of anderszins relevant. Mutaties die in eerdere begrotingsstukken (waaronder suppletoire begrotingen) aan de Tweede Kamer zijn gemeld, zijn in de financiële toelichting op hoofdlijnen toegelicht.

Deel D – Bijlagen

Deel D bevat de volgende bijlagen:

  • Een overzicht toezichtrelatie ZBO/RWT

  • Overzicht niet-financiële informatie over inkoop van adviseurs en tijdelijk personeel

  • Overzicht in 2011 in werking getreden wetsvoorstellen

  • Lijst met afkortingen en

  • Trefwoordenlijst

Tevens zijn als sluitstuk van het jaarverslag stroomschema’s opgenomen voor de strafrechtsketen, voor de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften en voor bestuurlijke boete. Deze schema’s bieden inzicht in de diverse organisatieonderdelen die deel uitmaken van de keten en hun onderlinge relaties.

Afspraken ten aanzien van de begroting 2011

Zoals in de begroting 2011 is vermeld, zijn over een aantal punten specifieke afspraken gemaakt met het Ministerie van Financiën. De afspraken die ook doorwerken in deze verantwoording worden hieronder gememoreerd.

Met het aantreden van het nieuwe Kabinet, in oktober 2010, is de verantwoordelijkheid voor een samenhangend jeugdbeleid overgegaan van de voormalige Minister voor Jeugd en Gezin naar de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).

Beleidsverantwoordelijkheden die voor de totstandkoming van Jeugd en Gezin behoorden tot de verantwoordelijkheid van andere ministeries dan VWS – zoals beleid rond kinderbescherming en rond inkomensondersteuning van gezinnen – zijn belegd bij de ministeries van Veiligheid en Justitie (VenJ) respectievelijk Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Het onderdeel jeugdbescherming valt sindsdien onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie. Jeugdbescherming is toegevoegd aan operationele doelstelling 14.1. De formulering van de operationele doelstelling 14.1 «een zorgvuldige uitvoering van en toezicht op interlandelijke adoptie en zaken van internationale kinderontvoering in het licht van de relevante verdragen en Europese verordeningen op dit terrein» is in dit jaarverslag daarop niet aangepast.

Met ingang van diezelfde datum is de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel verantwoordelijk voor het beleid ten aanzien vreemdelingenzaken, met inbegrip van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en de grensbewaking in vreemdelingenzaken. De Rijkswet op het Nederlanderschap valt sindsdien onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties.

Over de voormalig artikelonderdelen 15.3.1 «DJI-Vreemdelingenbewaring» en 15.3.2 «DJI-Uitzetcentra» wordt in dit jaarverslag verantwoord in het nieuwe artikel-onderdeel 13.7 «Vreemdeligenbewaring en uitzetten».

De aangelegenheden op het terrein van veiligheid, behoudens de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD), vallen thans onder verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie. Het betreft de artikelen 21 tot en met 29. Waarbij opgemerkt dat de middelen voor terrorismebestrijding niet langer worden verantwoord op operationele doelstelling 13.6 «terrorismebestrijding» maar onder de nieuwe operationele doelstelling 21.4 «Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding».

De onderdelen van de voormalig BZK-artikelen 21 tot en met 29, die betrekking hebben op apparaat, zijn gecentraliseerd op het artikel 91 «Algemeen».

Positionering apparaatsuitgaven

Alle apparaatsbudgetten van beleids- en stafdirecties zijn – met uitzondering van het apparaatsbudget van de Directie Wetgeving – bij het niet-beleidsartikel 91 «Effectieve besturing van het Justitie-apparaat» ondergebracht. De apparaatsbudgetten van de Directie Wetgeving staan op de artikelen 11 «Nederlandse rechtsorde» en 17 «Internationale rechtsorde».

Subsidies

Bij de tabellen met de budgettaire gevolgen van beleid worden subsidieverplichtingen niet gespecificeerd.

Toelichten van programma- en apparaatsuitgaven met volume- en prijsgegevens

In overleg met het Ministerie van Financiën zijn apparaats- en programma-uitgaven niet toegelicht met volume- en prijsgegevens indien het Ministerie van Veiligheid en Justitie dit niet zinvol acht.

Raad voor de rechtspraak

In de Wet op de rechterlijke organisatie is de verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering geattribueerd aan de gerechten en aan de Raad voor de rechtspraak. Daarmee heeft de Minister van Veiligheid en Justitie geen directe verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering. Wel heeft de Minister een verantwoordelijkheid als toezichthouder.

De bekostigingswijze van de Raad is volledig gebaseerd op outputfinanciering. Over de Raad voor rechtspraak is een apart hoofdstuk opgenomen (deel B, hoofdstuk 7).

Gehanteerde toerekeningssleutels

Het komt voor dat een budgethouder of een organisatie-eenheid een bijdrage levert aan meerdere doelstellingen. Indien geen betere informatie voorhanden is, zijn bij de verantwoording over de begroting van het jaar 2011 de toerekeningssleutels toegepast zoals werden gehanteerd bij de begroting 2011.

Derdeninformatie

Daar waar informatie van derden is opgenomen, wordt dit specifiek in de toelichting bij de betreffende operationele doelstelling vermeld.

Positionering baten-lastendiensten

De bijdragen aan alle uitvoerende diensten, inclusief de baten-lastendiensten van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, worden wat betreft de begrotingsindeling aangemerkt als programma-uitgaven.

Overige punten

Het Ministerie van Veiligheid en Justitie draagt aan de diverse baten-lastendiensten (DJI, CJIB, NFI, Dienst Justis, GDI en KLPD) een jaarlijkse bijdrage af. Omdat deze diensten vaak beschikken over meerdere inkomstenbronnen en zij onder andere hun uitgaven ten laste moeten brengen van het jaar waarin de prestatie is geleverd is het niveau van de gerealiseerde uitgaven ten laste van het ministerie (de rijksbijdrage) meestal niet gelijk aan de kosten van het agentschap in het betreffende kalenderjaar. In de begroting en het jaarverslag zijn de (gerealiseerde) rijksbijdragen op de betreffende operationele doelstellingen vermeld. Voor een juist beeld van de kosten en het exploitatieresultaat van de baten-lastendiensten wordt verwezen naar de specifieke verantwoording over de baten-lastendiensten (deel C, hoofdstuk 10).

In dit jaarverslag voor het eerst wordt verantwoord over het KLPD. Dit is het eerste verslagjaar dat deze dienst deel uitmaakt van de begroting van Veiligheid en Justitie. Met ingang van het jaar 2011 wordt de bijdrage voor de IND verantwoord in het departementaal jaarverslag van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

B. BELEIDSVERSLAG

HOOFDSTUK 3 – BELEIDSPRIORITEITEN

1. Inleiding

Het kabinet maakt op het gebied van Veiligheid en Justitie duidelijke keuzes en hecht aan een daadkrachtige aanpak. Het resultaat is er dan ook naar. Een aanzienlijk aantal maatregelen is in 2011 uitgevoerd. Er zijn grote wetgevingstrajecten gestart en belangrijke koerswijzigingen in gang gezet.

In de brief van de Minister-President aan de Tweede Kamer (TK 32 773, nr. 1) waarin de 17 hervormingen van dit kabinet zijn beschreven, worden op het terrein van Veiligheid en Justitie twee hervormingen aangekondigd: de vorming van een nationale politie en de aanscherping van het strafrecht. In dit jaarverslag wordt de stand van zaken gegeven van deze hervormingen. Daarnaast geeft het jaarverslag in dit hoofdstuk een overzicht van de uitvoering van het Regeerakkoord.

Hervormingen

De belangrijkste hervorming op het gebied van Veiligheid en Justitie is, zoals gesteld, de invoering van de nationale politie. Een nieuwe efficiënte en effectiever opererende politieorganisatie onder één beheer, met minder bureaucratie en méér kwaliteit is cruciaal voor het daadwerkelijk veiliger maken van Nederland. In maart 2011 werd het Uitvoeringsprogramma nationale politie naar de Tweede Kamer gezonden en in mei van dat zelfde jaar werd de kwartiermaker nationale politie benoemd. Het wetsvoorstel (wijziging Politiewet) werd in juni naar de Tweede Kamer gezonden. Het wetsvoorstel is in november 2011 met algemene stemmen door de Tweede Kamer aanvaard en vervolgens naar de Eerste Kamer gezonden voor verdere behandeling (TK 30 880).

De tweede hervorming is de aanscherping van het strafrecht. Het kabinet is van oordeel dat taakstraffen ongeschikt zijn voor de bestraffing van ernstige zeden- en geweldsmisdrijven. Het wetsvoorstel, dat de mogelijkheden beperkt om een taakstraf op te leggen voor dergelijke misdrijven, is op 15 november 2011 door de Eerste Kamer aanvaard en op 1 januari 2012 in werking getreden. Ook wordt voor ernstige gewelds- en zedendelicten de verjaringstermijn verlengd. Een wijziging van het Wetboek van Strafrecht dat dit regelt is in september 2011 naar de Tweede Kamer gezonden.

Het kabinet heeft in maart 2011 een wetsvoorstel in consultatie gedaan dat regelt dat minimumstraffen opgelegd kunnen worden in geval van recidive bij misdrijven waarop een gevangenisstraf van 8 jaar of meer is gesteld.

De positie van slachtoffers van criminaliteit wordt versterkt. Daartoe is in 2011 een aantal wetsvoorstellen in consultatie gegaan.

2. Realisatie beleidsprioriteiten

Bij het aantreden van het nieuwe kabinet is het hoofdstuk Veiligheid uit het Regeerakkoord nader uitgewerkt, waarbij 4 grote thema’s zijn geïdentificeerd, te weten:

  • De buurt veiliger, voor bewoner en ondernemer.

  • Offensief tegen ondermijnende en georganiseerde criminaliteit.

  • Slagkracht voor professionals.

  • Versterking van de rechtsstaat.

Over deze thema’s zijn resultaatafspraken gemaakt met alle partners in de veiligheidsketen.

2.1. De buurt veiliger, voor bewoner en ondernemer

Burgers moeten veilig door het leven kunnen gaan; thuis, op straat en bij evenementen, tijdens het werk of waar dan ook. Overlast en criminaliteit moet stoppen, intimidatie, agressie en geweld worden hard aangepakt. Overheid, bedrijven en burgers nemen ieder hun eigen verantwoordelijkheid in deze en werken samen aan meer veiligheid.

Het kabinet heeft een breed scala aan maatregelen aangekondigd waarvan een aantal resultaten al zichtbaar is:

  • De hardere aanpak van overvalcriminaliteit onder sturing van de Taskforce Overvallen heeft in 2011 geleid tot een daling van 12% vergeleken met 2010.

  • De overlast van problematische jeugdgroepen is door intensieve samenwerking tussen Openbaar Ministerie (OM), politie en gemeenten aangepakt en heeft geleid tot doorbreking van de groepsdynamiek. Alles wijst er op dat nu reeds (zomer 2011) 41% van de 89 in beeld gebrachte problematische jeugdgroepen is aangepakt.

  • Met betrekking tot de aangekondigde invoering van adolescentenstrafrecht (mede ter ondersteuning van de aanpak van bovengenoemde jeugdgroepen) is 2011 een jaar van beleidsvorming en -voorbereiding geweest. Het wetsvoorstel (de wijziging van een aantal wetten) dat hiervoor nodig is, is eind 2011 in consultatie gegaan.

  • De pakkans voor high impact delicten is gestegen naar 31%.

  • In mei en oktober 2011 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de wijze waarop dit kabinet het coffeeshopbeleid gaat aanscherpen (TK 24 077, nr. 259 en 265). De gedoogcriteria zijn aangescherpt: coffeeshops worden besloten clubs alleen toegankelijk voor leden, een coffeeshop heeft maximaal 2000 leden, geen lidmaatschap voor anderen dan ingezetenen van Nederland van 18 jaar of ouder, en de minimale afstand tussen coffeeshops en scholen bedraagt 350 meter. In december 2011 heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd over de gefaseerde invoering van het nieuwe beleid (TK 24 077, nr. 266).

  • Met het oog op de invoering van een dierenpolitie is in 2011 gestart met een specifieke, hierop gerichte opleiding. Eind 2011 waren er 131 dierenagenten full time aan de slag. Het meldnummer 1-4-4 Red een dier is in oktober operationeel geworden. Tegelijkertijd werd door het OM met ingang van 1 oktober het strafvorderingsbeleid verzwaard.

  • Op 7 december is het Wetsvoorstel verruiming fouilleringsbevoegdheden naar de Tweede Kamer gezonden (TK 33 112).

2.2. Offensief tegen ondermijnende en georganiseerde criminaliteit

Georganiseerde misdaad is een sluipende bedreiging voor de integriteit van ons financieel-economische stelsel en ondermijnt het functioneren van de rechtsstaat. Veel lokale, zichtbare overlast en criminaliteit zijn een rechtstreeks gevolg van niet zichtbare, criminele organisaties.

  • Het kabinet heeft als een van de doelstellingen van de aanpak van georganiseerde criminaliteit een verdubbeling van het aantal aangepakte criminele samenwerkingsverbanden van 20% in 2009 tot 40% in 2014. De nadruk ligt hierbij op de aanpak van mensenhandel en -smokkel, drugscriminaliteit, milieucriminaliteit, witwassen en cybercrime. In 2011 is het aantal projectmatige onderzoeken naar criminele samenwerkingsverbanden verder gestegen, waarmee in de eerste fase van de opsporingsketen een realisatie van 30% is bereikt. Deze stijging komt overeen met de afspraken die zijn gemaakt in het kader van de landelijke prioriteiten voor de politie. Het is op dit moment nog te vroeg om te beoordelen in hoeverre deze stijging van het aantal gestarte onderzoeken zich ook evenredig doorvertaalt naar opgelegde sancties (strafrechtelijk dan wel anderszins) tegen (leden van) criminele samenwerkingsverbanden. De cijfers van strafrechtelijke veroordelingen in 2011 wijzen daar nog niet op. Maar omdat het hier doorgaans langdurige en complexe onderzoeken betreft wordt doorwerking in de sanctie-oplegging naar verwachting pas in 2013 zichtbaar.

  • Om het motto van deze regering «Misdaad mag niet lonen!» kracht bij te zetten is het OM dit jaar gestart met het programma «Afpakken». Dit samenwerkingsverband tussen OM, politie en bijzondere opsporingsdiensten heeft geleid tot de vorming van twee landelijke specialistische teams die zich, in samenwerking met onder andere de FIOD en de Nationale recherche, bezighouden met de aanpak van criminele, financiële dienstverleners.

  • Op 1 juli 2011 is de wetgeving ter verruiming van de mogelijkheden om crimineel vermogen af te pakken, in werking getreden.

  • De bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit is versterkt door structurele financiering van de Regionale informatie- en expertise Centra op basis van het beleidskader (TK 29 911, nr. 54) en het verruimen van de mogelijkheden die Bibob biedt.

  • Witwassen van door criminaliteit verkregen vermogen is een bedreiging van de rechtsstaat doordat het de verwevenheid van onder- en bovenwereld mogelijk maakt. Om hiertegen drempels op te werpen is in 2011 een tweetal wetsvoorstellen naar de Tweede Kamer gezonden (het wetsvoorstel naar aanleiding van de aanbevelingen van de Commissie Hammerstein en het wetsvoorstel informatieplicht derdegeldenrekening notarissen (TK 32 250 en TK 32 700)

  • Met het oog op digitale veiligheid en de aanpak van digitale criminaliteit is in februari de Nationale Cyber Security Strategie naar de Tweede Kamer gezonden (TK 26 643, nr. 174). Hierin beschrijft het kabinet de aanpak van cyber security. In juni werd de Cyber Security Raad geïnstalleerd die het kabinet adviseert over de uitvoering van de strategie. In de Raad hebben publieke, private en wetenschappelijke partijen zitting. De samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven is in de Diginotar-kwestie beproefd en effectief gebleken. De geleerde lessen worden benut bij de uitwerking van de strategie. Ten slotte werd eind december het Cyber Security Beeld Nederland naar de Tweede Kamer gezonden (TK 26 643, nr. 220).

  • In december 2011 werd een wijziging van de Wet bescherming persoonsgegevens in consultatie gegeven waarin een meldplicht voor datalekken wordt geregeld.

  • Het controleren, identificeren en overdragen van illegale vreemdelingen aan de strafrechtsketen is versterkt. In 2011 is daartoe de implementatie van Progis afgerond.

2.3. Slagkracht voor professionals

Dit kabinet werkt aan slagvaardig opererende opsporings- en vervolgingsdiensten. Onnodige bureaucratie wordt verminderd waardoor er meer blauw op straat komt. In de uitvoering van hun publieke taak worden professionals beter beschermd tegen agressie en geweld. Prioriteit werd in 2011 gegeven aan:

  • De voorbereiding van de invoering van de nationale politie (zoals reeds eerder gemeld).

  • De bestrijding van bureaucratie. Op 18 februari 2011 is het Actieprogramma «Minder regels, meer op straat» aan de Tweede Kamer gestuurd. Dit actieprogramma, waarin Veiligheid en Justitie nauw samenwerkt met politie en OM, moet leiden tot 25% minder administratieve lasten voor de politie in 2014 (in 2012 5%, 2013 10% en in 2014 de laatste 10%). Door het wegnemen van ergerlijke bureaucratie, het slimmer organiseren van politiewerk en versterking van het vakmanschap wordt het aantal direct inzetbare uren politiewerk verhoogd met een equivalent van circa 1 000 fte. In 2013 en 2014 is dat respectievelijk 3 000 en 5 000 fte. Deze uren komen binnen de afgesproken operationele sterkte van 49 500 fte in de vorm van productiviteitsverhoging beschikbaar voor uitvoering van de primaire politietaken.

  • Om de heterdaadkracht bij de politie te vergroten zijn in 2011 enkele pilots gestart. Doel van de pilots is meer heterdaad aanhoudingen en snellere afdoening.

  • Ten slotte is een uitgebreid aanvalsprogramma ICT opgesteld. Dit programma moet leiden tot een landelijke, uniforme informatiehuishouding. Het aanvalsprogramma werd in september 2011 naar de Tweede Kamer gezonden.

2.4. Versterking van de rechtsstaat

In een rechtsstaat dient de overheid borg te staan voor onder meer de beschikbaarheid van onafhankelijke en goede rechtspraak, adequate toegang tot het recht, vlot verlopende procedures, een snelle en consequente tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen en zorg voor slachtoffers. Om deze borging houdbaar en betaalbaar te houden dient de strafrechtsketen effectiever ingericht te worden en geschikt gemaakt te worden voor de toekomst.

  • Om de kwaliteit van de rechtspleging voor de toekomst te borgen en de rechtspraak slagvaardiger te maken, is in september 2011 het wetsvoorstel Herziening gerechtelijke kaart aan de Tweede Kamer aangeboden (TK 32 891, nr. 2). Het wetsvoorstel is in december door de Tweede Kamer aangenomen.

  • Om de toegang tot het recht in stand te houden, zijn financiële en innovatieve maatregelen nodig. In het Regeerakkoord is de maatregel geformuleerd dat de rechtspraak meer dan tot nu toe moet worden bekostigd door degenen die daar gebruik van maken. Procederende partijen gaan daarom een hogere bijdrage leveren in de kosten van deze procedures. Personen met lage inkomens worden gecompenseerd. De voorstellen tot wijziging van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand zijn met de Tweede Kamer besproken (TK 31 753, nr. 39 en TK 33 071, nr. 6). Het stelsel van geschiloplossing dient bij de tijd te zijn, in te spelen op veranderende wensen en behoeften in de samenleving. Om dit stelsel ook in de toekomst goed te laten functioneren, is innovatie noodzakelijk. In 2014 dient geschiloplossing voor de burger merkbaar beter (eenvoudiger, sneller en/of effectiever) te verlopen. Daartoe is in 2011 een innovatieagenda opgesteld, die in oktober aan de Tweede Kamer is verzonden (bijlage bij TK 33 071, nr. 5).

  • Om te komen tot een betere en snellere afdoening van strafzaken zijn in 2011 twee initiatieven in gang gezet. In april is in een drietal regio’s het programma herontwerp keten strafrechtelijke handhaving van start gegaan. Doel van het programma is dat ketenbreed (van politie tot en met rechtspraak) professionals zelf komen tot optimalisering van de eigen werkprocessen. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie biedt hierbij een methodiek aan en externe begeleiding. Daarnaast is in een vijftal andere regio’s door politie en Openbaar Ministerie (OM) met ingang van maart gestart met snelle selectie en afdoening van eenvoudige strafzaken van veel voorkomende criminaliteit aan de voorkant. Doel is om binnen 3 dagen na aanhouding te komen tot eerste èn finale beoordeling van de zaak.

In het Regeerakkoord zijn maatregelen aangekondigd om slachtoffers een sterkere positie te geven.

Daartoe is in 2011 een aantal wetsvoorstellen in consultatie gegaan en naar de Tweede Kamer gezonden:

  • Wetsvoorstel conservatoir beslag door de staat ten behoeve van het slachtoffer.

  • Wijziging van het wetboek van Strafvordering in verband met regeling herziening ten nadele (Wet herziening ten nadele (TK 32044. ). Dit wetsvoorstel is in december 2011 in de Tweede Kamer aangenomen.

  • Wetsvoorstel nadere voorzieningen voor het slachtoffer (onder andere uitbreiding spreekrecht).

  • Ten slotte is er reeds op 1 januari 2011 een aanwijzing van het OM uit gegaan waarin is vastgelegd dat personen die zichzelf in eigen huis of bedrijf verdedigen tegen overvallers of inbrekers niet worden geconfronteerd met een aanhouding, tenzij de rechter-commissaris op vordering van het OM besluit tot inbewaringstelling van de zelfverdediger.

Andere onderwerpen die in het regeerakkoord aan de orde zijn gesteld en hierboven niet genoemd zijn, betreffen:

  • Prioritaire handhaving van het kraakverbod;

  • Beperking instroom Tbs en andere maatregelen op dat terrein;

  • Intensivering snelheidscontroles en zwaardere boetes bij substantiële snelheidsovertredingen;

  • Verbetering van de aanrijtijden van de politie;

  • Cybercrime

Deze onderwerpen komen aan de orde in hoofdstuk 4 «Beleidsartikelen», onder andere in de artikelen 13 en 23.

HOOFDSTUK 4 – BELEIDSARTIKELEN

11. NEDERLANDSE RECHTSORDE

Realisatie begrotingsuitgaven Veiligheid en Justitie € 11 438,5 miljoenart. 11 Nederlandse rechtsorde 0,13%

Realisatie begrotingsuitgaven Veiligheid en Justitie € 11 438,5 miljoenart. 11 Nederlandse rechtsorde 0,13%

Algemene doelstelling

Een goed functionerende rechtsorde waarbinnen samenleving en burger tot hun recht komen.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Zorg voor een goed functionerende rechtsorde komt onder meer tot uitdrukking in het beheer en onderhoud van de algemene wetboeken op het terrein van strafrecht en strafvordering, burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht en de Algemene wet bestuursrecht. Ook blijft het, ongeacht de politieke context, noodzakelijk om de kwaliteit van wetgeving te bewaken en te bevorderen. Deze taak strekt zich steeds meer uit tot internationale regelgeving die haar weerslag heeft op de nationale rechtsorde. In 2011 lagen zwaartepunten bij:

  • stroomlijning van bestuurlijke processen en een effectiever bestuur;

  • waarborgen van de toegang tot het recht en betere dienstverlening door de overheid;

  • een betrouwbare en slagvaardige rechtspleging;

  • coherentie tussen nationale en Europese rechtsorde en uitvoering van Europees rechtelijke instrumenten.

De verwezenlijking van deze doelstelling vindt in belangrijke mate plaats door uitvoering van het wetgevingsprogramma van het kabinet op het terrein van Veiligheid en Justitie. De voortgang wordt gevolgd door de bewindspersonen en de Ministerraad. Onder «Doelbereiking» wordt meer specifiek ingegaan op de stand van zaken.

Externe factoren

Nieuwe sociale, culturele en economische ontwikkelingen hebben hun weerslag op het recht en de wet. Hetzelfde geldt voor zeer uiteenlopende factoren als demografische ontwikkelingen, (terrorisme)dreigingen, de bevolkingsintensiteit en de betekenis daarvan voor economie en milieu.

De uitvoering van het wetgevingsprogramma is afhankelijk van democratische besluitvorming en de maatregelen die nodig zijn ter uitvoering van de wettelijke instrumenten.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Onder «Doelbereiking» wordt specifiek ingegaan op de stand van zaken en op de realisatie van de doelstellingen op regeldruk en administratieve lasten.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Omschrijving

Doelstelling

Start

Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

       

Nationale wetgeving en wetgevingsbeleid

11.1

2011

2011

 
         

Overig evaluatieonderzoek

       

Praktijkervaringen in België met de ontbinding van de overeenkomst door de misleide consument

11.1

2010

2011

www.wodc.nl

Ontwikkeling aantal regels

Figuur: Aantal geldende wetten, amvb’s en ministeriële regelingen per 1 januari 2004–2012 zoals opgenomen in het Basiswettenbestand (exclusief BES-regelgeving en materieel uitgewerkte regelingen)

Figuur: Aantal geldende wetten, amvb’s en ministeriële regelingen per 1 januari 2004–2012 zoals opgenomen in het Basiswettenbestand (exclusief BES-regelgeving en materieel uitgewerkte regelingen)

In verband met een gewijzigde meetmethodiek verschillen deze getallen van die in voorgaande jaren gepresenteerd zijn. Zo vallen bijvoorbeeld regelingen die gepubliceerd, maar nog niet of niet meer (materieel) in werking waren op de peilmomenten thans buiten de tellingen.

Eén element van kwalitatief goede wetgeving is dat geen onnodige regelgeving wordt gemaakt. Het aantal geldende regelingen op een bepaald moment zegt niets over de vraag of regelgeving wel of niet onnodig is, maar het aantal regelingen is wel medebepalend voor de regeldruk die wordt ervaren. Waar in het rapport «Alle regels tellen» (2004) nog een gestage groei van het regelingenbestand sinds 1980 werd geconstateerd, is in de periode sinds 2004 het aantal geldende wetten, AMvB’s en ministeriële regelingen min of meer constant gebleven. Per 1 januari 2012 bedroeg het totaal aantal regelingen 9 568 (tegen 9 419 per 1 januari 2011).

De ontwikkeling van de administratieve lasten

Met de komst van het kabinet Rutte per oktober 2010 en de wijzigingen in de departementale indeling zijn nieuwe beginstanden voor de administratieve lasten vastgesteld en zijn tevens nieuwe streefwaarden geformuleerd. De streefwaarden uit de begroting voor 2011 zijn daarom niet meer van toepassing.

In het regeerakkoord is een streefwaarde voor de reductie van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven opgenomen van 10% tot en met 2012. Voor de reductie van de administratieve lasten voor burgers geldt tot en met 2012 een nullijn. De administratieve lasten voor burgers worden berekend in tijd en geld. De uitvoering van de streefwaarden tot en met 2012 op het terrein van Veiligheid en Justitie verloopt volgens planning.

Streefwaarden administratieve lasten
 

Realisatie 2011

Begroting 2011

Administratieve lasten bedrijven uit regelgeving van Veiligheid en Justitie

7,1%

10 % t/m 2012

Administratieve lasten burgers (in tijd) uit regelgeving van Veiligheid en Justitie

1,8%

0 % t/m 2012

Administratieve lasten burgers (in out-of-pocket kosten) uit regelgeving van Veiligheid en Justitie

5,8% 

0 % t/m 2012

Budgettaire gevolgen van beleid x € 1 000
           

Realisatie

Begroting

Verschil

   

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Verplichtingen

11 450

12 289

17 149

17 515

13 293

14 596

– 1 303

                 

Apparaat-uitgaven

11 237

12 187

15 322

18 454

14 737

14 596

141

                 

11.1

(Nationale) wetgeving

6 238

6 219

7 528

7 820

6 501

6 125

376

11.1.1

Directie Wetgeving

6 238

6 219

7 528

7 820

6 501

6 125

376

                 

11.2

Wetgevingskwaliteitsbeleid

4 999

5 968

7 794

10 634

8 236

8 471

– 235

11.2.1

Directie Wetgeving

4 999

5 968

7 794

10 634

8 236

8 471

– 235

                 

Ontvangsten

608

34

34

886

32

0

32

Financiële toelichting

Binnen dit artikel hebben zich geen wijzigingen voorgedaan die een toelichting behoeven.

Operationele doelstelling 11.1

Het tot stand brengen van wet- en regelgeving ter uitvoering van de grondwettelijke opdracht het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk- en strafprocesrecht in algemene wetboeken en algemene regels van bestuursrecht bij wet vast te leggen.

Coherente rechtsorde

Doelbereiking

De wetten Herziening regeling processtukken en Versterking positie rechter-commissaris zijn tot stand gebracht. Het WODC-onderzoek «Vergroting slagvaardigheid strafrecht» is afgerond.

Boek 10 BW is in 2011 door de Eerste Kamer aanvaard en op 1 januari 2012 in werking getreden. De Europese regels over consumentenkrediet hebben voor een deel hun beslag gekregen in titel 2A van boek 7 BW, die op 25 mei 2011 in werking is getreden. Een ontwerp voor huurkoop en een ontwerp voor modernisering van de pandbelening zijn in 2011 op www.internetconsultatie.nl verschenen.

Het bevorderen van toegang tot het recht

Nieuwe wetsvoorstellen die de toegang tot het recht op een effectieve en efficiënte wijze willen bevorderen zijn het in 2011 door de Tweede Kamer aanvaarde wetsvoorstel prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en het in 2011 ingediende wetsvoorstel aanpassing Wet collectieve afwikkeling massaschade.

Het wetsvoorstel Verhoging griffierechten is in 2011 bij de Tweede Kamer ingediend. Ook het wetsvoorstel disclosure ligt in de Tweede Kamer. Ter uitvoering van een toezegging aan de Eerste Kamer is een wetsvoorstel ingediend dat enkele technische onvolkomenheden repareert in de in 2010 in werking getreden wet griffierechtenstelsel burgerlijke zaken.

De geschillenregeling collectief beheer is in 2011 gestart op vrijwillige basis, vooruitlopend op behandeling van het wetsvoorstel Versterking toezicht collectieve beheerorganisaties in de Tweede Kamer in 2012. De schriftelijke behandeling in de Tweede Kamer van het wetsvoorstel aanpassing bestuursprocesrecht, dat onder meer is gericht op versobering en finale geschilbeslechting, is afgerond in 2011. Ook de schriftelijke behandeling van het wetsvoorstel digitale aanbrenging dagvaarding is afgerond.

Vertrouwen in de rechtsorde

Het wetsvoorstel herziening ten voordele is door de Tweede Kamer aangenomen. De Tweede Kamer heeft de behandeling van het wetsvoorstel Herziening ten nadele afgerond.

Inspelen op behoeften van de economie

In mei 2011 ontvouwde de staatssecretaris zijn plannen voor een modern auteursrecht in het digitale tijdperk in de beleidsnota Auteursrecht 20@20. De Afdeling advisering van de Raad van State bracht advies uit over het wetsvoorstel auteurscontractenrecht. In mei 2011 ging de Eerste Kamer akkoord met de invoering van het monistisch bestuursmodel voor naamloze vennootschappen. Ondernemingen kunnen kiezen voor een model met een bestuursorgaan en afzonderlijk toezichthoudend orgaan, of het in Anglo-Amerikaanse bedrijven gebruikelijke model met uitvoerende en toezichthoudende bestuurders in één orgaan. In het najaar is het wetsvoorstel aanpassing wetten aan de flex BV door de Tweede Kamer aanvaard. Daarmee wordt ook overige, waaronder fiscale, wetgeving in overeenstemming gebracht met de nieuwe flexibele BV vorm. In nauwe samenwerking met het Ministerie van SZW zijn de wetsvoorstellen die zien op de verhoging van de pensioenleeftijd en de verhoging van de AOW aan de Tweede Kamer aangeboden. De aanvaarding door de Tweede Kamer van het wetsvoorstel buitengerechtelijke incassokosten in 2011 brengt verduidelijking van de aanvaardbaarheid van incassokosten dichterbij en maakt inning van vorderingen gemakkelijker en goedkoper.

Betere dienstverlening door de overheid

Het wetsvoorstel elektronische burgerlijke stand is in 2011 aanvaard door de Tweede Kamer.

Bevorderen dat mensenrechten gerespecteerd worden

In 2011 is het wetsvoorstel College voor de rechten van de mens aanvaard. Dit college zal als taak krijgen om de rechten van de mens, in het bijzonder het recht op gelijke behandeling, in Nederland te beschermen en de naleving ervan te bevorderen. Verder is in 2011 veel energie besteed aan de hervormingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de toetreding van de Europese Unie tot het EVRM, hetgeen onder andere heeft geresulteerd in een Kamerbrief van 3 oktober waarin een kabinetsstandpunt is neergelegd. Het Ministerie heeft een actieve rol gespeeld in de onderhandelingen op internationaal niveau op dit terrein. Bij de verantwoordelijkheid om mensenrechten te bevorderen kan tevens worden gewezen op de ongeveer 250 adviezen die gegeven zijn bij de totstandkoming van regelgeving en beleid. Ten slotte houdt de bevordering van mensenrechten ook in dat verantwoording wordt afgelegd aan internationale toezichtmechanismen. Zo heeft het Ministerie in 2011 veel aandacht besteed aan het bezoek van het CPT (Committee for the prevention of torture) aan ons land en aan enkele honderden zaken die tegen Nederland aanhangig zijn bij het EHRM en de diverse VN-comités. Dit betreft individuele klachten tegen een (vermeende) schending van verdragen door de Nederlandse Staat.

Implementatie Europese en internationale regelgeving

In 2011 is de parlementaire behandeling afgerond van het wetsvoorstel ter implementatie van de richtlijn dataprotectie. Onderhandelingen zijn gestart over de richtlijn toegang raadsman tot politieverhoor, de richtlijn inzake het Europees onderzoeksbevel en de richtlijn inzake het recht op informatie in het strafproces. De Tweede Kamer is akkoord gegaan met het wetsvoorstel uitvoering richtlijn mediation.

Ook in 2011 is veel regelgeving tot stand gekomen ter uitvoering van Europese richtlijnen of werking van verordeningen, waaronder de wet verzekering zeeschepen, de wet uitvoering verdrag en verordening internationale inning levensonderhoud, goedkeuring van het adoptieverdrag, uitvoering van de aanpassing van het verdrag van Montreal over schade als gevolg van ongevallen met vliegtuigen, uitvoering van de EU richtlijn consumentenkrediet, uitvoering van de EU richtlijn verslaggevingvoorschriften bij fusie en splitsing, uitvoering van de EU richtlijn financiële zekerheidsovereenkomsten en de uitvoering EU richtlijn timeshare overeenkomsten.

Indicator

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

In hoofdstuk 14 is de voortgang van de belangrijkste onderwerpen en wetgevingsinitiatieven weergegeven die in de begroting 2011 expliciet zijn genoemd.

Kwaliteit algemene wetboeken en wetgeving (operationele doelstelling 1) 

(sub) doelstelling

Indicator/verwijzing

Streefwaarde 2011

Realisatie 2011

Coherentie tussen nationale en Europese rechtsorde

Snelheid implementatie Europese richtlijnen, percentage binnen de Europese normen, zoals beschreven in het Scoreboard van de interne markt

– In 0% van de geldende richtlijnen termijnoverschrijding van meer dan 2 jaar (Nederland 0%)

Achterstand per 10 mei 2011: 1 richtlijn (dit is 0.0007% op het totaal van de geldende richtlijnen).

– In ten hoogste 1% van de geldende richtlijnen termijnoverschrijding (Nederland nu: 0,5%)

Achterstand per 10 mei 2011: 1,3%

Bron: Interne Markt-scoreboard, nr. 23, september 2011

Operationele doelstelling 11.2

Het bevorderen van de kwaliteit van wetten en regels, van de onderlinge samenhang en consistentie van de wetgeving en het versterken van de juridische functie binnen de Rijksoverheid.

Doelbereiking

Heldere, uitvoerbare en rechtmatige wetgeving is noodzakelijk voor een rechtsorde waarin mensen vertrouwen stellen. Mensen moeten ruimte krijgen zich te ontplooien en hun onderlinge relaties vorm te geven. Bedrijven moeten kunnen ondernemen en zo bijdragen aan economisch herstel. De leefomgeving moet worden beschermd.

Wetgeving kan daaraan bijdragen door duidelijke regels en kaders te bieden. Regelgeving moet daarvoor voldoen aan hoge kwaliteitseisen en departementen dienen voldoende juridische kwaliteit te leveren. Speerpunten in 2011 waren: aandacht voor nut en noodzaak van wetgeving en voor de uitvoerbaarheid ervan, ruimte voor burgers, professionals, bedrijven en medeoverheden en versnelling van procedures en van het wetgevingsproces zelf.

Kwaliteit van wetgeving

De kwaliteit van wetgeving wordt structureel bewaakt met de volgende instrumenten: opleiding (Academies voor wetgeving en voor overheidsjuristen), kennisdeling (Kenniscentrum wetgeving), interdepartementale samenwerking en beleidsontwikkeling (ICCW, ICER) en toetsing aan algemeen aanvaarde kwaliteitscriteria (Aanwijzingen voor de regelgeving).

Vernieuwing en verbetering van het wetgevingsproces

In 2011 heeft het kabinet besloten tot structurele toepassing van internetconsultatie over nieuwe voorstellen tot regelgeving en tot toepassing van het integraal afwegingskader voor beleid en wetgeving. De digitale ondersteuning van het wetgevingsproces (het programma Legis) is verder ontwikkeld – internetconsultatie is een van de producten van het programma – en ondersteunt onder andere de toepassing van het systeem van vaste verandermomenten. Door nieuwe regelgeving alleen op een beperkt aantal momenten in het jaar in werking te laten treden, worden de uitvoeringslasten van bedrijfsleven en uitvoeringsorganisaties beperkt.

Door tijdens de voorbereiding doorlopend teksten te produceren vergemakkelijkt het programma de kennisneming van nieuwe regelgeving.

Integraal afwegingskader beleid en regelgeving

Het kabinet heeft in 2011 besloten dat voorstellen voor nieuw beleid en regelgeving aan het integraal afwegingskader worden getoetst en aldus de gemaakte keuzes aan de hand van zeven concrete vragen duidelijk te verantwoorden.

Versterking van de juridische functie van het Rijk

Tegelijk met de invoering van het nieuwe functiegebouw Rijk is besloten dat voor de medewerkers die belast zijn met de juridische kerntaken rijksbreed dezelfde functie-eisen gaan gelden. Zo wordt een gezamenlijk personeelsbeleid bevorderd (bijvoorbeeld op het punt van opleiding) en de mobiliteit van juristen tussen de ministeries vergemakkelijkt. Stroomlijning van werkprocessen draagt daar ook aan bij. De beschikbare capaciteit is ingezet op de belangrijkste kabinetsdoelstellingen.

Indicator

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Rijksbrede wetgevingskwaliteit (operationele doelstelling 2) 

(sub) doelstelling

Indicator/verwijzing

Streefwaarde 2011

Realisatie 2011

Systematisch monitoren wetgevingskwaliteit en daar algehele beleidslijn t.b.v. wetgevingskwaliteit uit destilleren

Wetsevaluaties worden systematisch bijeengebracht in het clearing house wetsevaluatie en daar aan de hand van een analysekader geanalyseerd om informatie te verzamelen over de werking van wetgeving.

Nieuwe wetsevaluaties bijeenbrengen in het clearing house wetsevaluatie. Het clearinghouse wetsevaluatie stelt in 2011 een tussenrapportage op, die door de Minister van Veiligheid en Justitie aan het parlement wordt gezonden

31 wetsevaluaties zijn geplaatst op de website kenniscentrum wetgeving.

Integrale voorbereiding van beleid en wetgeving en verantwoording van gemaakte keuzes

Toepassing werkwijze van het integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (IAK) en verantwoording van gemaakte keuzes in beleid- en regelgevingsvoorstellen.

Zoveel mogelijk beleidsnota’s en wetsvoorstellen worden voorbereid met behulp van het IAK en dat de gemaakte keuzes expliciet worden verantwoord in de beleidsnota of toelichting bij een wetsvoorstel.

Kabinetsbesluit april 2011 dat elk voorstel voor beleid en regelgeving een adequaat antwoord moeten geven op de zeven IAK-vragen.

Vaste verandermomenten (VVM)

Toepassing VVM en verantwoording hierover in de toelichting bij een wettellijke regeling.

Systematisch monitoren hoeveel van de in werking getreden regelingen toepassing geven aan VVM en in hoeverre hierover verantwoording wordt afgelegd in de toelichting bij een wettelijke regeling.

In 2011 is een digitaal systeem ontwikkeld om toepassing VVM systematisch te monitoren. In 2012 vindt evaluatie plaats.

Voor een overzicht van de in 2011 tot stand gekomen wetten wordt verwezen naar Hoofdstuk 14 «Overzicht van de in 2011 tot stand gekomen wetten».

12. RECHTSPLEGING EN RECHTSBIJSTAND

Realisatie begrotingsuitgaven Veiligheid en Justitie € 11 438,5 miljoenart. 12 Rechtspleging en rechtsbijstand 13,4%

Realisatie begrotingsuitgaven Veiligheid en Justitie € 11 438,5 miljoenart. 12 Rechtspleging en rechtsbijstand 13,4%

Algemene doelstelling

Een doeltreffend en doelmatig rechtsbestel.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

De activiteiten in 2011 zijn er op gericht geweest om de afspraken uit het Regeerakkoord uit te voeren. In het Regeerakkoord is opgenomen dat de rechtspraak op civiel en bestuursrechtelijk terrein vanaf 2013 zo veel mogelijk wordt bekostigd door degenen die daar gebruik van maken. De ingangsdatum van deze maatregel is met een half jaar vervroegd, zodat de besparingen zich eerder voordoen.

Voorts is het de inzet van het kabinet te komen tot een beter functionerend rechtsbestel. De versterking van het toezicht op de juridische beroepen is een van de maatregelen die daar aan bijdraagt.

Externe factoren

Het goed functioneren en de inrichting van de (stelsels van) rechtspraak en rechtsbijstand wordt mede beïnvloed door een aantal externe factoren. Dit betreft met name Europese wetgeving en jurisprudentie. Daarnaast wordt het beroep op het rechtsbestel mede beïnvloed door economische, demografische en sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

De bevoegdheid van de Minister van Veiligheid en Justitie ten aanzien van het rechtsbestel is beperkt, slechts voorwaardenscheppend. Toch is de Minster van Veiligheid en Justitie verantwoordelijk voor de doeltreffendheid en doelmatigheid van het rechtsbestel als zodanig.

Deze «normen» voor een adequaat rechtsbestel laten zich niet in indicatoren vatten, die in één oogopslag de beleidseffectiviteit in beeld brengen. Met behulp van monitoren, trendrapportages, beleidsdoorlichtingen en beleidsevaluaties wordt op kwantitatieve, maar ook op kwalitatieve wijze inzicht verkregen in de effecten van het beleid om de toegang tot de rechtspleging te bevorderen (12.2). Voor de rechtspraak (12.3) kan dit slechts met kwalitatieve indicaties.

Daarnaast zijn bij de operationele doelstellingen een aantal input, throughput en outputindicatoren opgenomen die samen inzicht bieden in de effectiviteit van beleidsinstrumenten op de geformuleerde doelstellingen.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

 Omschrijving

Doelstelling

Start

Afgerond

Vindplaats

Overig evaluatieonderzoek

       

Monitor rechtsbijstand en geschiloplossing

12.2

2011

2012

 

Raadslieden bij politieverhoor

12.3

2010

2012

 

Monitor rechtsbijstand en geschiloplossing

De uitgaven aan gesubsidieerde rechtsbijstand zijn de afgelopen jaren sterk toegenomen. Deze monitor behoort bij het Programma Rechtsbijstand en Geschiloplossing, een programma van het Ministerie van Veiligheid en Justitie dat gericht is op het realiseren van zowel verbeteringen in de kwaliteit van de dienstverlening door de overheid binnen het justitiedomein als structurele besparingen op de gesubsidieerde rechtsbijstand en de rechtspraak. Naast de maatregelen zelf bespreekt deze nulmeting ook de terreinen waarop deze maatregelen betrekking hebben. Zoals de aantallen toevoegingen die zijn vastgesteld, de aantallen rechtszaken die zijn gestart of gevoerd en de uitgaven die aan deze toevoegingen en rechtszaken zijn gedaan over de periode 2000–2009.

Raadslieden bij politieverhoor

Naar aanleiding van Europese rechtspraak (onder andere Salduz) is er een nieuwe regeling ontworpen om tegemoet te komen aan het recht van de verdachte op rechtsbijstand voorafgaand aan en – in sommige gevallen ook – tijdens het politieverhoor. De betreffende regeling, de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor (2010A007), is per 1 april 2010 in werking getreden en blijft in beginsel in de huidige vorm van kracht tot uiterlijk 1 april 2014.

De regeling wordt op dit moment onderzocht door de Erasmus Universiteit. Dit onderzoek betreft een procesevaluatie, een planevaluatie, rechtsvergelijking met de regeling en de praktijkervaringen in Engeland en Wales en een outputevaluatie naar de implicaties bij de politieorganisatie, de piketcentrale en de Raad voor Rechtsbijstand van de invoering van de regeling. Aandachtspunten zijn de samenwerking tussen de genoemde organisaties, de omvang van de verleende rechtsbijstand, de vraag hoe jongeren deze rechtsbescherming ervaren en hoe zij ermee omgaan. Een andere vraag is of de waarde van het verhoor als opsporingsmethode is gedaald, met als mogelijk gevolg een grotere inzet van andere opsporingsmethoden zoals observatie en tappen. Het onderzoek wordt medio 2012 afgerond.

Budgettaire gevolgen van beleid x € 1 000
           

Realisatie

Begroting

Verschil

   

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Verplichtingen

1 359 205

1 314 339

1 490 881

983 503

1 534 994

1 466 004

68 990

waarvan garanties

             
                 

Programma-uitgaven

1 314 684

1 346 680

1 435 514

1 436 132

1 536 183

1 466 004

70 179

                 

12.2

Adequate toegang tot het rechtsbestel

447 536

444 942

482 093

483 277

524 239

513 200

11 039

12.2.1

Raden voor rechtsbijstand

419 619

420 012

455 200

458 368

495 618

481 901

13 717

12.2.2

Overig

27 917

24 930

26 893

24 909

28 621

31 299

– 2 678

                 

12.31

Slagvaardige en kwalitatief goede rechtspleging

867 148

901 738

953 421

952 855

1 011 944

952 804

59 140

12.3.1

Raad voor de rechtspraak – gerechten

825 370

857 353

907 413

904 692

962 718

913 197

49 521

12.3.2

Hoge Raad

28 057

28 671

30 546

32 949

33 227

24 168

9 059

12.3.3

Overige diensten

13 721

15 714

15 462

15 214

15 999

15 439

560

                 

Ontvangsten

176 444

182 519

194 389

199 380

249 019

218 882

30 137

Waarvan griffieontvangsten

156 305

162 850

185 140

190 743

241 433

211 026

30 407

X Noot
1

miv de ontwerpbegroting 2010 is de beleidsdoelstelling 12.1 hernummerd tot 12.3.

Verplichtingen

Financiële toelichting

De verschillen tussen vastgestelde begroting 2011 en realisatie 2011 zijn in overeenstemming met hetgeen onder uitgaven wordt toegelicht.

Uitgaven

Op operationele doelstelling 12.2 «adequate toegang tot het rechtsbestel» is € 11,1 miljoen aan het budgettaire kader toegevoegd. In de uitvoering van het optimaliseringsprogramma verkeershandhaving zijn door sterke afhankelijkheid van andere partijen onvoorziene vertragingen ontstaan. Zo moeten gemeenten bij de vervanging van flitspalen in veel gevallen nieuwe bouwvergunningen afgeven en heeft Rijkswaterstaat als wegbeheerder veel invloed bij de plaatsing van trajectcontrolesystemen langs rijkswegen.

Een deel van de subsidie voor de Raad voor Rechtsbijstand bestemd voor het jaar 2010 is pas in 2011 tot uitbetaling gekomen. Daarvoor is het budget in 2011 opgehoogd.

Op operationele doelstelling 12.3 «slagvaardige en kwalitatief goede rechtspleging» is een toename geweest van het aantal zaken voor de rechtspraak. Ook de bestuursrechtspraak heeft te maken gehad met een stijgende capaciteitsbehoefte, onder andere door een toename van bijstandszaken en sociale verzekeringszaken. Het ministerie heeft € 25 miljoen bijgedragen ter dekking van de toename van het aantal zaken.

Daarnaast is een vordering van de Raad voor de rechtspraak op het ministerie inzake de egalisatierekening van bijna € 17 miljoen afgelost. Deze vordering is ontstaan bij het inwerkingtreden van het baten-lastenstelsel per 2005. Daarnaast heeft de Raad voor de rechtspraak een bijdrage ontvangen van € 1,5 miljoen om de implementatiekosten samenhangende met het wetsvoorstel verhoging griffierechten te kunnen financieren.

Ontvangsten

Het verschil tussen de vastgestelde begroting en de gerealiseerde ontvangsten wordt met name verklaard door inwerkingtreding van de nieuwe Wet griffierechten burgerlijke zaken (WGBZ). Hierdoor zijn de griffieontvangsten met 5% stegen. De ontvangstenraming is bij Voorjaarsnota reeds aangepast.

Operationele doelstelling 12.2

Burgers en bedrijven hebben toegang tot een passende en effectieve vorm van geschillenbeslechting en/of rechtspleging.

Doelbereiking

In 2011 heeft de toegang tot het rechtsbestel in relatie met de financiële taakstellingen op de gefinancierde rechtsbijstand en de verhoging van de griffierechten in de politieke en publieke belangstelling gestaan. Bij de uitvoering van de financiële taakstellingen is veel aandacht besteed aan het toegankelijk houden van het rechtsbestel. Daarbij is in het bijzonder gelet op een evenredige verdeling van lasten en bijzondere aandacht gegeven aan de gevolgen van de taakstellingen voor de personen met een gering inkomen.

De verschillende instrumenten die bijdragen aan de toegankelijkheid van het rechtsbestel hangen met elkaar samen en beïnvloeden elkaar in meer of mindere mate. Wijzigingen in de gefinancierde rechtsbijstand beïnvloeden zowel de rechtshulpverlening door advocaten als het aanbod en de kwaliteit van zaken die aan de rechterlijke macht worden voorgelegd. Dat betekent dat steeds een balans moet worden gevonden tussen enerzijds de doelmatigheid van de rechtspleging en geschillenoplossing en de daarmee gemoeide uitgaven en anderzijds de kwaliteit en rechtstatelijkheid van het stelsel. Vanuit dit beleidsperspectief zijn de onderstaande instrumenten in 2011 ingezet.

Rechtsbijstand en alternatieve geschillenbeslechting

Programma rechtsbijstand en geschiloplossing

Op 1 juli 2011 is de AMvB diagnose en triage (Stb. 2011, 322) van kracht geworden. Deze maatregel heeft tot doel de zelfredzaamheid van de burger te versterken en door financiële prikkels te stimuleren dat het juridische probleem aan het Juridisch Loket voorgelegd wordt op een moment dat de kwestie nog niet is geëscaleerd en oplossingen buiten rechte nog mogelijk zijn.

Juridische beroepsgroepen

Raadsman en politieverhoor

Het wetvoorstel Raadsman en politieverhoor is in de maanden april tot en met juni 2011 aan een openbare consultatieprocedure onderworpen. De resultaten van de consultatie zijn geanalyseerd en besproken met de meest betrokken partijen, wat heeft geleid tot een aangepast wetsvoorstel dat – na verkregen advies van de Raad van State – naar verwachting medio 2012 aan de Tweede Kamer wordt voorgelegd.

Op 15 november 2011 is de AMvB Salduz van kracht geworden (Stb. 2011, 526). Deze AMvB voorziet in een vergoedingsregeling voor de advocaat die een verdachte voorafgaande aan het politieverhoor bijstaat (het zogenoemde Salduz consult). De AMvB bevat tevens een vergoedingsregeling voor de bijstand van een advocaat aan minderjarige verdachten tijden het politieverhoor.

Verbeteren van maatschappelijk vertrouwen in notariaat en het professioneel handelen van advocatuur

In 2011 is de wijziging van de Wet op het notarisambt door het parlement aanvaard (Besluit van 13 december 2011) in verband met de invoering van een informatieplicht ten aanzien van gegevens betreffende de bijzondere rekening, bedoeld in artikel 25 van die wet (informatieplicht derdengeldenrekening notariaat) (Stb. 2011, 557) ). Deze wet treedt in de loop van 2012 inwerking. De wijziging van de Advocatenwet (TK 32382) is in 2011 in de Tweede Kamer in behandeling genomen. De voorbereidingen voor een wijziging van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn in 2011 aangevangen.

Het WODC heeft in 2011 een rapport uitgebracht inzake de kwaliteit van de notariële dienstverlening (Bijlage bij TK 23 706 nr. 71).

Hierin wordt geconcludeerd dat het notariaat te lijden heeft van de economisch moeilijke vastgoedmarkt. Het WODC signaleert daarbij dat vaste notaristarieven geen oplossing bieden voor het geringere aanbod van werk. Het WODC stelt dat notarissen hun kantoororganisatie moeten aanpassen aan de gewijzigde omstandigheden, meer moeten innoveren en zich meer moeten profileren op andere aspecten van de notariële dienstverlening dan de vastgoedpraktijk.

Kwaliteit juridische beroepen

In de hiervoor genoemde wetsvoorstellen wordt door het versterken van het wettelijk toezicht en de wettelijke tuchtrechtspraak de basis gelegd voor het vergroten en bestendigen van het maatschappelijk vertrouwen in het functioneren van de juridische beroepen. Voorts wordt in de wetsvoorstellen de taakopdracht en de daarbij behorende bevoegdheden inzake het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de beroepsuitoefening expliciet neergelegd bij de onderscheiden beroepsorganisaties. De kwaliteit van de beroepsuitoefening kan door de beroepsorganisaties worden bevorderd door het stellen van verplichte kwaliteitsnormen in verordeningen en het monitoren daarvan door middel van peerreviews.

Schuldsanering

Als gevolg van de economische recessie heeft de groei van de schuldenproblematiek natuurlijke personen zich ook in het jaar 2011 doorgezet. Het beroep op de Wet schuldsanering nam zowel bij particulieren als bij ondernemers toe. In samenwerking met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is verder vorm gegeven aan een samenhangend stelsel van eerstelijns schuldhulp waarna schuldsanering via de rechter mogelijk is. De Raad voor rechtsbijstand heeft met het oog daarop in het voorjaar 2011 een advies uitgebracht omtrent de verbindingen tussen het buitengerechtelijke en het gerechtelijke traject en de toegang tot de rechter in schuldsaneringszaken. De Raad voor rechtsbijstand blijft zich inzetten voor een kwalitatief goede beroepsgroep van bewindvoerders, bijvoorbeeld door een nieuwe auditronde op te starten. Centraal staat dat de insolventierechter die de benoemingen verricht kan vertrouwen op de afwikkeling door de bewindvoerder.

Kengetallen

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Alternatieve geschillenbeslechting

Mediation

           

Aantal

         

Realisatie

Begroting

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Slagingspercentage mediations binnen het justitiële domein (%)

57

59

58

60

56

60

– 4

Verwijzing door de rechter

3 355

3 708

4 183

4 500

3 067

4 500

– 1433

Verwijzing door het Juridisch Loket

2 137

2 419

2 198

2 500

4 274

2 500

1 774

Afgegeven mediation toevoegingen

4 570

5 524

6 798

6 500

7 341

6 500

841

Bron: Raad voor de Rechtsbijstand en Raad voor de rechtspraak

Er is sprake van een toename van het aantal toevoegingen mediation van 13% ten opzichte van zowel de begroting 2011 als de realisatie 2010. Met name de verhoogde inzet vanuit het Juridisch Loket verklaart deze toename.

Geschillencommissies

Het jaarverslag van de stichting geschillencommissies consumentenzaken kan worden gedownload via: www.degeschillencommissie.nl

Rechtsbijstand

Rechtsbijstand x € 1 000
         

Realisatie

Begroting

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Programmauitgaven Rechtsbijstand

             
               

Strafzaken (ambtshalve)

             

Aantal afgegeven toevoegingen

102 617

105 534

101 467

99 927

99 451

99 804

353

Uitgaven (mln.)

€ 110,7

€ 115,5

€ 114,4

€ 111,5

€ 120,5

€ 111,4

– € 9,1

               

Strafzaken (regulier)

             

Aantal afgegeven toevoegingen

50 688

51 596

54 079

54 412

50 096

56 468

– 6 372

Uitgaven (mln.)

€ 34,9

€ 36,2

€ 39,7

€ 41,7

€ 37,2

€ 43,2

– € 6,0

               

Civiele zaken

             

Aantal afgegeven toevoegingen

216 888

222 715

234 890

243 281

227 199

241 117

– 13 918

Uitgaven (mln.)

€ 153,6

€ 167,9

€ 185,9

€ 199,8

€ 195,0

€ 197,6

– € 2,6

               

Inverzekeringstellingen

             

Aantal toevoegingen

82 465

82 368

85 579

90 678

125 916 

93 647

32 269

Uitgaven (mln.)

€ 20,8

€ 21,4

€ 23,2

€ 24,8

€ 30,5 

€ 26,1

€ 4,4

               

Lichte adviestoevoeging

             

Aantal afgegeven toevoegingen

19 846

24 000

15 155

12 257

8 363 

12 157

– 3 794

Uitgaven (mln.)

€ 4,8

€ 5,6

€ 3,8

€ 2,8

€ 2,0 

€ 2,7

– € 0,7

               

Asiel

             

Instroom asielzoekers in AC

8 384

14 173

16 163

15 150

14 630 

17 000

– 2 370

Aantal afgegeven toevoegingen

16 038

19 230

23 267

27 000

28 728 

25 500

3 228

Uitgaven (mln.)

€ 21,7

€ 34,3

€ 33,2

€ 45,2

€ 46,3 

€ 49,2

– € 2,9

               

Het Juridisch Loket

             

Aantal klantencontacten

599 383

639 000

770 252

777 955

755 821

785 657

– 29 836

Uitgaven (mln.)

€ 20,7

€ 21,5

€ 21,8

€ 21,8

€ 24,0 

€ 21,8

€ 2,2

               

Uitvoeringslasten Rechtsbijstand

             

Raad voor Rechtsbijstand

€ 22,2

€ 23,6

€ 30,5

€ 29,7

€ 29,2 

€ 29,5

– € 0,3

               

Totaal uitgaven (mln.)

€ 389,2

€ 426,0

€ 452,4

€ 477,1

€ 484,8 

€ 481,5

€ 3,3

Bron:Raad voor de Rechtsbijstand

De aantallen afgegeven toevoegingen wijken af van de aantallen die vermeld worden in het Jaarverslag van de Raad voor de rechtsbijstand. Dit heeft te maken met het feit dat voor de financiering de aantallen over de periode september t-1 tot en met augustus jaar t worden gehanteerd.

Toelichting kengetallen

In het «Overzicht budgettaire gevolgen van beleid» staat voor de Raad voor rechtsbijstand een bedrag van € 458,4 miljoen opgenomen voor het jaar 2010. Het verschil met de bovengenoemde € 477,1 miljoen is te verklaren door een kasschuif van € 7,8 miljoen naar 2011 en een eenmalige afboeking van € 10 miljoen in het kader van de afbouw van de voorschotregeling aan advocaten. Daarnaast worden via de rechtspraak kosten rechtsbijstand betaald die te maken hebben met de inzet van deurwaarders en deskundigen.

Voor 2011 staat in het overzicht budgettaire gevolgen van beleid een uitgave van € 495,4 miljoen. Het verschil met de bovenstaande uitgave van € 484,8 miljoen heeft te maken met de kasschuif van € 7,8 miljoen toegepast in 2010 en de kosten die via de rechtspraak worden betaald voor rechtsbijstand op het gebied van deurwaarders en deskundigen van in totaal € 2,8 miljoen.

In ambtshalve strafzaken zijn de gemiddelde kosten per toevoeging toegenomen ten opzichte van de begroting. Dit is een gevolg van een toename van de bewerkelijke strafzaken waarvoor meer uren worden toegekend.

Reguliere straftoevoegingen zijn met 11% ten opzichte van de begroting afgenomen. Vanaf 2009 zien we een afname van het aantal toevoegingen in reguliere strafzaken. Dit beeld komt ook naar voren uit de PMJ-cijfers voor strafzaken.

Het aantal toevoegingen in civiele zaken is afgenomen met 6% ten opzichte van de begroting 2011. Het ingezette beleid op het gebied van de proactieve overheid en de introductie van diagnose en triage bij het Juridisch Loket per 1 juli 2011 zouden bijgedragen kunnen hebben aan deze afname. Dit beleid vormt onderdeel van de taakstelling van € 50 miljoen uit het Programma «Rechtsbijstand en Geschiloplossing».

Door invoering van consultatie voorafgaand aan het politieverhoor is het aantal piketdiensten met 32 269 toegenomen ten opzichte van de begroting. Een stijging van 34%. Ten opzichte van 2010 is sprake van een toename van 25%. De uitgaven zijn met € 3,5 miljoen gestegen ten opzichte van voorgaand jaar.

De invoering van een hogere eigen bijdrage heeft geleid tot een geleidelijke afname van het aantal lichte adviestoevoegingen. Dit is een dalende trend vanaf 2008, die zich nu lijkt te stabiliseren.

De invoering van de nieuwe asielprocedure per 1 juli 2010 heeft geleid tot een toename van 12,6% ten opzichte van de begroting. Echter ten opzichte van 2010 is sprake van een lichte daling van 1,6%. Per ingestroomde asielzoeker worden gemiddeld bijna 2 toevoegingen voor een procedure afgegeven.

De invoering van diagnose en triage bij het Juridisch Loket betekent een toename van de inzet en dus de kosten, die er toe moeten leiden dat uiteindelijk minder toevoegingen hoeven te worden afgegeven. Doordat gemiddeld meer tijd wordt besteed per klant is het aantal contacten met 4% afgenomen ten opzichte van de begroting.

In totaal wijken de totale kosten voor rechtsbijstand niet veel af van het begrote bedrag van € 481,5 miljoen. De afname van de kosten voor regulier straf, civiele zaken en asielzaken van in totaal € 11,6 miljoen worden teniet gedaan door de toename van de kosten betreffende ambtshalve strafzaken, piketdiensten en het Juridisch Loket van in totaal € 15,7 miljoen.

Voor meer informatie over de rechtsbijstand wordt verwezen naar de jaarlijks uit te brengen Monitor Gesubsidieerde Rechtsbijstand.

Schuldsanering

Voor meetbare gegevens ten aanzien van schuldsanering wordt verwezen naar de Monitor Wet Schuldsanering natuurlijke personen, Zevende meting (TK 33 000 VI, nr. 10). De raad voor rechtsbijstand heeft in samenspraak met de faillissementsrechters, verenigd in Recofa, de modellen voor de Wsnp-rechtspraktijk in 2011 vernieuwd.

De monitor verschaft een trendmatig en cijfermatig beeld van de uitvoeringspraktijk van de Wsnp, zoals het aantal aanvragen, de instroom in de Wsnp, uitkomsten van Wsnp-trajecten, dwangakkoorden, doorlooptijden en proces en aanbod van bewindvoerders. Daarnaast beoogt de monitor antwoord te geven op de vraag naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van de Wsnp. Uit de monitor blijkt onder andere dat het percentage succesvol afgeronde schuldsaneringsprocedures stabiel rond de 70% blijft liggen. Naast voormelde reguliere onderwerpen is aandacht besteed aan een aantal beleidsontwikkelingen op het terrein van de Wsnp, zoals de pilot toevoegingen bewindvoerders, jurisprudentie ten aanzien van de 285-verklaring, het breed wettelijk moratorium incassostop en de vergoeding van bewindvoerders.

Operationele doelstelling 12.3

Optimale randvoorwaarden voor een doelmatig en doeltreffend rechtsbestel.

Doelbereiking

Mede door de instelling van de Raad voor de rechtspraak en de invoering van het principe van integraal management bij het besturen van de gerechten is de rechtspraak zelf verantwoordelijk voor het eigen beheer. De Minister van Veiligheid en Justitie is niet verantwoordelijk voor de doelmatigheid van de rechterlijke organisatie, wel heeft de minister een toezichthoudende verantwoordelijkheid.

Dit betekent dat in dit beleidsartikel de beleidsdoelstelling van de Minister van Veiligheid en Justitie ten aanzien van de rechtspleging wordt toegelicht. Daarnaast is in dit jaarverslag een apart hoofdstuk (7) Raad voor de rechtspraak opgenomen, waarin de feitelijke vertaling van de aan de rechterlijke organisatie ter beschikking gestelde bijdrage in concrete beleidsdoelstellingen en prestaties van de Raad en de gerechten wordt gegeven.

In 2011 is, evenals in de afgelopen jaren, ingezet op een doelmatig functionerend rechtsbestel. Door samenwerking in de keten wordt bereikt dat het rechtsbestel doelmatig functioneert. Aan het efficiënt en doelmatig werken binnen het rechtsbestel is gewerkt door het uitvoeren van de herziening van de gerechtelijke kaart, de verbetering van de digitale toegankelijkheid en het bevorderen van het gebruik van moderne technologie. Wegens de stijgende instroom bij de rechtspraak zijn deze projecten ook noodzakelijk.

Herziening gerechtelijke kaart

Met het wetsvoorstel herziening gerechtelijke kaart (TK 32 891, nr. 1, 2, 3) wordt de gebiedsindeling van de rechtbanken (arrondissementen) en gerechtshoven (ressorten) gewijzigd. Het aantal arrondissementen wordt teruggebracht van negentien naar tien en het aantal ressorten van vijf naar vier. Zo ontstaan mogelijkheden om de behandeling van zaken beter te organiseren. De rechtspraak krijgt ook meer ruimte om zich te specialiseren. Verder biedt de nieuwe indeling meer mogelijkheden om maatwerk te leveren en de rechtspraak zichtbaarder te maken voor de burger.

Voor het Openbaar Ministerie betekent het wetsvoorstel een vermindering van het aantal arrondissementsparketten tot tien. De grenzen van de nieuwe gerechtelijke kaart zijn bovendien leidend voor de vorming van de nationale politie (wetsvoorstellen TK 30 880 en TK 32 822). Met een volledige geografische congruentie van de organisatie van eerstelijnsrechtspraak, Openbaar Ministerie en politie wordt de eenduidigheid bevorderd. De Tweede Kamer heeft op 6 december 2011 ingestemd met het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel is thans in behandeling bij de Eerste Kamer.

Visie toekomst forensisch onderzoek

De evaluatie van het experiment met de inschakeling van particuliere forensische onderzoeksinstituten is begin 2012 gereed gekomen. Met gebruikmaking daarvan wordt in de eerste helft van dit jaar een standpunt bepaald over een mogelijke structurele rol van particuliere forensische onderzoeksinstituten.

Betere digitale toegankelijkheid en bevorderen gebruik moderne technologie

De digitale toegankelijkheid van de rechtspraak is op een aantal punten verbeterd, bijvoorbeeld doordat advocaten per 1 augustus de mogelijkheid hebben gekregen digitaal te procederen bij de bestuursrechter. Ook is het gezagsregister en het huwelijksgoederenregister beter digitaal ontsloten. Forse vooruitgang is geboekt op het terrein van videoconferentie (telehoren). Vijftien van de negentien rechtbanken hebben op dit moment zittingszalen met voorzieningen voor telehoren. De goede ervaringen van Nederland worden gedeeld met andere EU-landen, waardoor het grensoverschrijdend gebruik van videoconferentie wordt bevorderd.

Normstellende rol Hoge Raad

In 2011 is gewerkt aan de implementatie van de aanbevelingen van de Commissie normstellende rol Hoge Raad (Commissie Hammerstein). De aanbevelingen van deze commissie hebben geleid tot twee wetsvoorstellen; het wetsvoorstel prejudiciële vragen en het wetsvoorstel Versterking cassatierechtspraak (TK 32 576).

College voor Mensenrechten en Gelijke Behandeling

Op 22 november 2011 is het wetsvoorstel (TK 32 467, Handelingen 2011–2012, nr. 8, item 3) College voor de rechten van de mens (CRM) door de Eerste Kamer aanvaard.

Griffierechten

In het Regeerakkoord is de maatregel geformuleerd dat de rechtspraak meer dan tot nu toe wordt bekostigd door degenen die daar gebruik van maken. Slechts vijf procent van de geschillen komt voor de rechter. Het gebruik van de rechtspraak is niet gelijk verdeeld over alle Nederlanders. Het kabinet vindt het daarom gerechtvaardigd dat procederende partijen een hogere bijdrage leveren in de kosten van deze procedures. Personen met lage inkomens worden gecompenseerd.

Op 31 oktober 2011 is het wetsvoorstel verhoging griffierechten naar de Tweede Kamer verzonden (TK 33 108, nr. 1, 2, 3). In het nieuwe stelsel worden on- en minvermogenden en de middeninkomens – in totaal zestig procent van de bevolking – gecompenseerd, waardoor de toegang tot het recht gewaarborgd blijft. Het kabinet streeft naar inwerkingtreding van het wetsvoorstel op 1 juli 2012.

Gelijktijdig met het wetsvoorstel is een innovatieagenda rechtsbestel naar de Tweede Kamer verzonden (TK 33 071, nr. 5).

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Belangrijke kengetallen voor het functioneren van de rechtspraak zijn de verwachte instroomontwikkelingen in relatie tot de financiering van de rechtspraak. Meer informatie daaromtrent is te vinden in hoofdstuk 7 «Raad voor de rechtspraak». In het jaarverslag van de Raad voor de rechtspraak wordt ingegaan op de volume- en prestatiegegevens, concrete ontwikkelingen en de gevolgen voor de doorlooptijden.

Kengetallen

Meerjarige instroomontwikkeling rechtspraak 
   

Realisatie

Begroting1

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Totaal instroom

1 732 646

1 833 438

1 961 242

1 975 184

 1 801 177

1 987 063

– 185 886

Jaarlijkse mutatie

– 1%

6%

7%

1%

 -9%

   

Bron: Raad voor de rechtspraak

X Noot
1

Vanaf 2011 worden akten en verklaringen bij kanton niet meer meegeteld als product; indien dit wel het geval zou zijn, zou de mutatie in 2011 + 3% bedragen.

Meerjarige productieontwikkeling rechtspraak 
   

Realisatie

Begroting1

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Totaal productie

1 725 301

1 827 279

1 934 225

1 959 617

1 806 870

1 880 382

– 1 880 382

Jaarlijkse mutatie

– 1%

6%

6%

1%

– 8%

– 2,4%

 

Bron: Raad voor de rechtspraak

X Noot
1

Vanaf 2011 worden akten en verklaringen bij kanton niet meer meegeteld als product; indien dit wel het geval zou zijn, zou de mutatie in 2011 -2% bedragen.

Toelichting kengetallen

Zowel de instroom als het aantal afgehandelde zaken is in 2011 afgenomen ten opzichte van 2010. In 2011 stroomde er ongeveer 1,8 miljoen zaken in bij de gerechten. Het aantal afgehandelde zaken bedroeg eveneens ongeveer 1,8 miljoen.

De daling ten opzichte van 2010 is ogenschijnlijk groter dan in de werkelijkheid het geval is: vanaf 2011 worden akten en verklaringen bij kanton niet meer meegeteld als product. Rekening houdend met deze technisch correctie is er nog steeds sprake een daling van het aantal zaken.

De daling zit met name bij het relatief goedkope product kanton en bij de vreemdelingenkamers. Bij de andere producten is er sprake van een stijging. Rekening houdend met de diverse zaakzwaarten, uitgedrukt in de diverse prijzen, is er in 2011 sprake van een stijging van werklast ten opzichte van 2010.

Gerealiseerde instroom Hoge Raad

Gerealiseerde instroom Hoge Raad

Gerealiseerde uitstroom Hoge Raad

Gerealiseerde uitstroom Hoge Raad
Gerealiseerde instroom en uitstroom Hoge Raad
   

Realisatie

Begroting

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Straf

             

Instroom

3 943

3 685

3 554

3 685

3 919 

3 450

469

Uitstroom

3 419

3 375

3 695

3 681

4 070 

3 700

370

               

Civiel

             

Instroom

582

585

569

653

557 

620

– 63

Uitstroom

498

588

586

627

652 

650

2

               

Belasting

             

Instroom

760

748

868

1 030

1 042 

1 000

42

Uitstroom

939

1 037

1 079

1 081

1 038 

1 050

– 12

               

Totaal

             

Instroom

5 285

5 018

4 991

5 368

5 518

5 070

448

Uitstroom

4 856

5 000

5 360

5 389

5 760

5 400

360

Bron: Hoge Raad

Toelichting kengetallen

De instroom bij straf is aanmerkelijk hoger uitgekomen dan verwacht. Bij de sector civiel was voor het eerst in jaren de instroom substantieel lager dan het jaar ervoor. De totale uitstroom van zaken is bijna 7% hoger geweest dan opgenomen in de ontwerpbegroting. Deze stijging kwam bijna geheel voor rekening van de strafsector. Als gevolg van deze uitkomsten is de werkvoorraad ten opzichte van 2010 met circa 5% afgenomen.

13. RECHTSHANDHAVING EN CRIMINALITEITSBESTRIJDING

Realisatie begrotingsuitgaven Veiligheid en Justitie € 11 438,5 miljoenart. 13 Rechtshandhaving en criminaliteitsbestrijding 27,5%

Realisatie begrotingsuitgaven Veiligheid en Justitie € 11 438,5 miljoenart. 13 Rechtshandhaving en criminaliteitsbestrijding 27,5%

Algemene doelstelling

Het bestrijden van criminaliteit en terrorisme door een doelmatige en effectieve preventie, rechtshandhaving en sanctietoepassing.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

De trend dat de criminaliteit in Nederland daalt, heeft zich ook in 2011 doorgezet (bron: Integrale Veiligheidsmonitor 2010, politiestatistiek 2010). De aanpak van georganiseerde criminaliteit is verder verstevigd. Dat geldt evenzeer voor de bestrijding van cybercrime en financieel-economische criminaliteit. Voor elk van deze onderwerpen is een versterkingsprogramma uitgevoerd door het Openbaar Ministerie (OM) en de politie. Ook het openbaar bestuur speelt een steeds belangrijkere rol bij het tegengaan van dit soort criminaliteit.

Externe factoren

Het goed functioneren van de strafrechtketen wordt mede bepaald door externe factoren. Opvallend is dat, anders dan menigeen verwachtte, de economische crisis en stijging van de werkloosheid geen, althans nog geen, aantoonbaar effect hebben gehad op de criminaliteit. De uitbouw van de ketensamenwerking gaat gestaag voort en uiteraard hebben ook op het internationale vlak in 2011 ontwikkelingen plaatsgevonden. De val van het kabinet Balkenende IV heeft wel op een aantal beleidsterreinen tot een zekere vertraging geleid, omdat bepaalde beleidsdossiers, zoals het drugsbeleid, «controversieel» zijn verklaard tot het moment van aantreden van het nieuwe kabinet.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Indicatoren

 

Nulwaarde

 

Doel

 

 Realisatie

   

2012

2014

2015

2011

Gewelddadige vermogenscriminaliteit

         

aantal overvallen1

 2 572

2 100

< 1 900

 

2 275

percentage overvallers dat binnen twee jaar recidiveert2

54% 

nnb

40%

 

PM

percentage bedrijven dat preventieve maatregelen neemt3

73% 

nnb

>85%

 

PM

           

ondermijnende en financieel-economische criminaliteit

         

aantal aangepakte criminele samenwerkingsverbanden (csv’s)4

20% 

27%

40%

40%

30%

           

Afnemen crimineel vermogen

         

crimineel vermogen dat langs strafrechtelijke weg wordt afgepakt

€ 30,8 mln.

€ 35,8 mln.

€ 55,8 mln.

€ 75,8 mln.

€ 28,9 mln.

           

Aanpak cybercrime

         

aantal grote internationale zaken dat wordt opgepakt door het Team High Tech Crime 5

5

8–10

 

20

8

           

Aanpak kinderporno

         

percentage aan OM aan te leveren zaken6.

480 

516

600

 

385

X Noot
1

Bron: LORS. Het jaar 2010 wordt als nulwaarde gehanteerd.

X Noot
2

Bron: Fijnaut c.s., 2010. In 2012 wordt (cf methodiek Fijnaut) onderzoek gedaan naar recidive van overvallers (binnen 2 jaar) op basis van de gegevens van 2011.

X Noot
3

Bron: Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven 2010 (de monitor met cijfers over 2011 verschijnt in de zomer van 2012).

X Noot
4

Eind 2009 wordt als nulsituatie gehanteerd. De genoemde percentages gelden nadrukkelijk als globale streefwaarden. Criminele samenwerkingsverbanden zijn namelijk vaak fluïde werkverbanden die in een bepaalde periode actief zijn en geen vaste groepen die kunnen worden uitgedrukt in mathematische rekeneenheden. Voor 2011 was het streefcijfer 24%, de realisatie ligt daar met 30% ruim boven. De cijfers hebben betrekking op het aantal opgestarte en nog lopende opsporingsonderzoeken naar criminele samenwerkingsverbanden, nog niet op het verdere vervolg in de strafrechtelijke keten (veroordelingen).

X Noot
5

De gepresenteerde cijfers hebben betrekking op de bedragen die strafrechtelijk zijn ontnomen via de zgn. Plukzewetgeving. Daarnaast worden ook bezittingen en financiële middelen afgenomen via verbeurdverklaring, maar die cijfers zijn in deze tabel niet meegenomen.

Bron: KLPD (2011). In 2011 zijn 8 volwaardige high tech crime onderzoeken afgerond en zijn 5 nieuwe onderzoeken opgestart. Vier onderzoeken lopen door naar 2012.

X Noot
6

Bron: Jaarbericht OM 2010. De daling ten opzichte van 2011 is vooral te verklaren doordat veel opsporingscapaciteit uit verschillend korpsen is ingezet in de zaak tegen Robert M..

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Omschrijving

Doelstelling

Start

Afgerond

Vindplaats

Effectenonderzoek ex ante

       

Proces- en effectevaluatie van een in het buitenland effectief gebleken preventieve aanpak van geweld

13.1

2007

2011

www.wodc.nl

         

Overig evaluatieonderzoek

       

Proces- en effectevaluatie Kwaliteitsmeter Veilig Uitgaan

13.1

2010

2011

www.wodc.nl

Evaluatie aanpak huiselijk geweld periode 2002–2011

13.1

2010

2011

www.wodc.nl

Beleidsmonitor bestrijding witwassen

13.3

2010

2011

www.wodc.nl

Handhavingsstelsels

13.3

2011

2011

www.wodc.nl

Monitor experiment inschakeling particuliere forensische onderzoeken

13.3

2010

2012

 

Effectiviteit van opsporingsmiddelen: DNA-V

13.3

2010

2012

1

Effectiviteit van opsporingsmiddelen: ANPR

13.3

2010

2012

1

Proces- en effectevaluaties gedragsinterventies:

       

– Arva

13.4

   

1

– CoVa

13.4

2008

2012

 

– Leefstijltraining

13.4

   

2

– Korte leefstijltraining

13.4

2010

2011

www.wodc.nl

– Agressie Regulatie Training in een niet-justitiële setting (scholen)

13.4

2009

2011

www.wodc.nl

Literatuursynthese effectiviteit interventies voor risicogroepen voor geweldpleging

13.4

2009

2011

www.wodc.nl

Evaluatie verplichting tot aangifte door Tbs-kliniek van eenvoudige mishandeling

13.4

2010

2011

www.wodc.nl

Evaluatie verzelfstandiging Van Mesdagkliniek

13.4

2010

2011

www.wodc.nl

Procesevaluaties Justitiële Voorwaarden

13.4

   

3

Procesevaluatie observatieafdelingen Teylingereind

13.4

2009

2011

www.wodc.nl

Evaluatie nieuw slachtofferloket

13.5

2008

2011

www.wodc.nl

Ontwikkelingstraject Monitor slachtofferzorg

13.5

2010

2011

www.wodc.nl

Oorzaken van tegenvallende opbrengsten uit boetes en transacties a.g.v. verkeersovertredingen

13.3

2010

2011

www.wodc.nl

Evaluatie vervroegde invrijheidstelling

13.4

2010

2011

www.wodc.nl

Vraag en aanbod gedragsinterventies

13.4

2010

2011

www.wodc.nl

Monitor nazorg 2009–2010

13.4

2010

2011

www.wodc.nl

Procesevaluatie van de gedragsinterventie Cova+

13.4

2010

2011

www.wodc.nl

X Noot
1

Het project is uitgesteld.

X Noot
2

Het project is niet doorgegaan.

X Noot
3

Noottekst niet aanwezig.

In oktober 2011 is de evaluatie van het landelijk beleid met betrekking tot huiselijk geweld van 2002–2011 gereedgekomen. Uit dit onderzoek blijkt dat er dankzij de in die jaren geleverde inspanningen veel is bereikt om geweld in huiselijke kring in Nederland tegen te gaan. Evengoed blijft een krachtige aanpak nodig; het onderzoek doet daarvoor waardevolle aanbevelingen.

In maart 2011 is de tweede monitor Nazorg ex-gedetineerden gepubliceerd door het WODC. In de monitor wordt de situatie van (ex-) gedetineerden onderzocht op de volgende vijf leefgebieden: ID-bewijs, onderdak, inkomen, schulden en zorg. De tweede monitor Nazorg ex-gedetineerden is grotendeels op dezelfde manier uitgevoerd als de eerste meting, waardoor ook is gekeken naar de verschillende resultaten tussen de twee metingen. In de zomer van 2012 wordt de derde monitor Nazorg ex-gedetineerden opgeleverd.

Voorts heeft het WODC onderzoek verricht naar de volgende onderwerpen:

  • evaluatie verzelfstandiging FPC Dr. S. van Mesdag te Groningen (TK 24 587 nr. 453 );

  • Tbs-behandeling geprofileerd: een gestructureerde casussenanalyse (TK 29 452 nr. 144);

  • evaluatie verplichte aangifte strafbare feiten in de Tbs;

De eerste twee rapporten zijn, voorzien van een beleidsreactie, aan de Tweede Kamer gezonden.

Beleidsmonitor bestrijding witwassenverzameling statistische gegevens tbv FATF-evaluatie

De afgelopen jaren zijn diverse maatregelen genomen ter verbetering van de bestrijding van witwassen. In 2008 verscheen een rapport van de Algemene Rekenkamer (AR) over het bestrijden van witwassen en terrorismefinanciering. In dat rapport concludeert de AR dat de verantwoordelijke departementen onvoldoende inzicht hebben in de prestaties van de handhaving en dat de Ministeries (Veiligheid en Justitie, Financiën en BZK) onvoldoende regie voeren en sturen op handhavingsprestaties. De nu te ontwikkelen beleidsmonitor heeft als doel deze departementen inzicht te verschaffen zodat de departementen beter in staat zijn om regie te voeren en doelmatiger te sturen op prestaties.

De monitor moet uitvoering geven aan een aanbeveling uit het rapport en beoogt inzicht te bieden in prestaties en middelen. Daarnaast worden binnen de FATF landen onderworpen aan wederzijdse evaluaties. De monitor besteedt aandacht aan de vraag of witwassen door het ingezette beleid meer en beter wordt bestreden en gaat tevens na of middelen effectief worden ingezet. Met het oog op de evaluatie wordt de monitor nader uitgebreid.

Handhavingsstelsels

Aan de hand van wetten (Wetboek van Strafrecht; wetten met een bestuurlijke boete), het beleid (Polaris-richtlijnen, rechterlijke oriëntatiepunten straftoemeting, beleidsregels) en toelichtende documenten heeft in het onderzoek een reconstructie plaatsgevonden van de factoren die de hoogte van boetes en de vormgeving van het boetestelsel bepalen. Daarbij is tevens een vergelijking tussen straf- en bestuursrecht gemaakt.

Monitor experiment inschakeling particuliere forensische instituten

Bij politie, OM, rechtspraak en verdediging is sprake van een groeiende behoefte aan snelle, specialistische en kwalitatief goede forensische dienstverlening. Particuliere instituten kunnen hier een rol van betekenis spelen, ook uit het oogpunt van contra-expertise. Onderzocht wordt het aanbod en gebruik van deze diensten, expertise, doorlooptijden en de kwaliteit van de dienstverlening.

Het experiment heeft een looptijd van twee jaar en is gestart op 1 februari 2010. De evaluatie van het experiment is toegezegd in een brief van de Minister van Justitie aan de Tweede Kamer (TK 31 700-VI, nr. 150). In deze brief is daarnaast een onderzoek toegezegd waarin wordt nagegaan welke instituten de afgelopen jaren al zijn ingezet bij de uitvoering van forensisch onderzoek en welke forensische expertise in dat onderzoek is ingezet. In dat onderzoek wordt ook in kaart gebracht welke voorwaarden er in Nederland gelden op het terrein van kwaliteit, veiligheid en snelheid bij de uitvoering van forensisch onderzoek en hoe experts de effecten en neveneffecten beoordelen van het inschakelen van particuliere en universitaire instituten bij het forensische onderzoek in Nederland. Dit onderzoek is inmiddels in uitvoering. De twee onderzoeken samen moeten een fundament opleveren voor de ontwikkeling van een visie op de vormgeving van forensisch onderzoek op de lange termijn.

Effectiviteit van opsporingsmiddelen

Binnen het Ministerie van Veiligheid en Justitie wordt momenteel een visie ontwikkeld op het thema technologie en opsporing. De bedoeling is om technologie (waaronder cameratoezicht, biometrie, netwerkanalyses en DNA-onderzoek) meer en beter in te zetten in de opsporing. Om na te gaan welke technologieën kansrijk zijn in de opsporing is effectiviteitsonderzoek wenselijk.

Een onderdeel hiervan is het ontwikkelen van methodologie om vast te stellen hoe relatief nieuwe technieken doorwerken in de keten. Door dit steeds op dezelfde manier vast te stellen kunnen technologieën met elkaar worden vergeleken en kunnen gefundeerde (investerings)keuzes worden gemaakt.

Automatic NumberPlate Recognition (ANPR) is een technologie waarbij «intelligente» camera’s worden gebruikt om kentekens van voertuigen vast te leggen. Op dit moment is er weinig zicht op wat ANPR oplevert. Hoewel er tal van aanwijzingen zijn dat ANPR een substantiële bijdrage kan leveren aan de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten, is onduidelijk om welke aantallen het gaat, of hierin nog andere factoren dan ANPR een rol spelen en of de mogelijkheden bij de uitvoering en implementatie optimaal benut worden. Uit dit onderzoek moet blijken welke resultaten er met ANPR behaald kunnen worden. Ook moet duidelijk worden hoe de bijdrage van ANPR aan het ophelderingspercentage verder vergroot kan worden.

Op 1 februari 2005 is de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA-V) in werking getreden. Op dit moment is er weinig inzicht in wat de wet DNA-V oplevert. Hoewel er tal van aanwijzingen zijn dat de wet DNA-V een substantiële bijdrage levert aan de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten, is onduidelijk om welke aantallen het gaat, of hierin nog andere factoren dan de wet DNA-V een rol spelen en of de mogelijkheden bij de uitvoering van de wet DNA-V optimaal benut worden. Uit dit onderzoek moet blijken welke resultaten er met DNA-onderzoek behaald zijn sinds de wet is ingevoerd. Ook moet duidelijk worden hoe de bijdrage die de wet DNA-V levert aan het opsporingspercentage verder vergroot kan worden. Hierbij wordt ook de ontwikkeling van de groei van de DNA-databank meegenomen.

Daarnaast loopt er nog een evaluatieonderzoek naar opsporingsmiddelen, te weten aftappen.

Budgettaire gevolgen van beleid x € 1 000
           

Realisatie

Begroting

Verschil

   

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Verplichtingen

2 349 592

2 722 045

2 938 544

3 075 007

3 160 590

3 015 024

145 566

waarvan garanties

3 631

134

293

286

773 

   
                 

Programma-uitgaven

2 504 516

2 694 104

2 939 067

2 913 129

3 146 012

3 015 024

130 988

               

13.1

Preventieve maatregelen

11 865

15 322

19 315

27 793

33 959

24 499

9 460

13.1.1

Dienst Justis

596

4 313

4 537

9 501

14 944

9 739

5 205

13.1.2

Overig

11 269

11 009

14 778

18 292

19 015

14 760

4 255

                 

13.2

Opsporing en forensisch onderzoek1

72 929

0

0

0

0

0

0

13.2.1

NFI

57 911

0

0

0

0

0

0

13.2.2

Overig

15 018

0

0

0

0

0

0

                 

13.3

Handhaving en vervolging1

564 701

716 149

794 078

811 137

836 973

805 007

31 966

13.3.1

Rechtshandhaving

19 774

82 941

115 972

129 084

120 580

139 369

– 18 789

13.3.2

Openbaar Ministerie

544 927

570 903

611 165

615 642

641 026

594 017

47 009

13.3.3

NFI

0

62 305

66 941

66 411

75 367

71 621

3 746

                 

13.4

Tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties

1 793 652

1 886 853

2 055 808

2 000 713

2 072 595

1 989 876

82 719

13.4.1

DJI-gevangeniswezen regulier

1 103 134

1 043 547

1 164 888

1 035 610

1 089 129

996 535

92 594

13.4.2

DJI-Forensische zorg

403 169

532 803

577 162

672 255

675 146

691 467

– 16 321

13.4.3

Reclasseringsorganisaties

148 227

211 715

236 982

241 569

241 589

266 433

– 24 844

13.4.4

SRN – taakstraffen

41 403

0

0

0

0

0

0

13.4.5

CJIB

92 221

93 503

70 050

43 978

60 022

28 340

31 682

13.4.6

Overig

5 498

5 285

6 726

7 301

6 709

7 101

– 392

                 

13.5

Slachtofferzorg

31 001

32 331

33 996

33 072

48 147

48 183

– 36

13.5.1

Slachtofferhulp Nederland (SHN)

13 334

14 706

15 407

17 384

32 222

26 725

5 497

13.5.2

Schadefonds Geweldsmisdrijven (SGM)

17 667

17 625

18 589

15 688

15 925

21 458

– 5 533

                 

13.6

Terrorismebestrijding

30 368

43 449

35 870

40 414

0

0

0

13.6.12

NCTb

27 241

40 352

32 697

37 374

0

0

0

13.6.23

IND

3 127

3 097

3 173

3 040

0

0

0

                 

13.74

Vreemdelingenbewaring en uitzetten

255 514

203 288

185 782

167 128

154 338

147 459

6 879

13.7.14

Vreemdelingenbewaring

205 606

160 693

142 443

127 648

119 586

112 227

7 359

13.7.24

Uitzetcentra

49 908

42 595

43 339

39 480

34 752

35 232

– 480

                 

Ontvangsten

841 973

818 542

846 774

842 826

839 386

914 428

– 75 042

Waarvan Boeten en Transacties

718 012

731 143

763 625

746 106

732 241

859 705

– 127 464

Waarvan Pluk-ze

23 572

23 401

39 116

33 885

30 820

30 820

0

X Noot
1

In 2007 heeft er een wijziging plaatsgevonden in de budgettenstructuur. Hierdoor is een aantal budgetten verplaatst.

X Noot
2

Naar 21.4.1

X Noot
3

Overgeheveld naar Begrotingshoofdstuk VI, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

X Noot
4

Voorheen 15.3.1 en 15.3.2

Verplichtingen

Financiële toelichting

Het verschil tussen de vastgestelde begroting en de realisatie op de verplichtingen wordt voornamelijk verklaard door reallocatie van budgetten vanuit andere begrotingsartikelen naar artikel 13. Zie voor een verdere toelichting onderstaande toelichting bij Uitgaven.

Uitgaven

Operationele doelstelling 13.1 «Preventieve maatregelen»

Op dit artikelonderdeel is meer uitgegeven dan oorspronkelijk begroot. Dit wordt met name veroorzaakt door een hogere bijdrage aan Justis, extra ontvangen middelen voor de Taskforce overvallen en de bijdrage aan het Centrum Criminaliteitspreventie Veiligheid (CCV).

Operationele doelstelling 13.3 «Handhaving en vervolging»

Op dit artikelonderdeel is meer uitgegeven dan oorspronkelijk begroot. Dit is voor een deel te wijten aan de extra middelen voor het aanpakken van meer misdaadgroepen. Dit moet leiden tot een verdubbeling van gepakte criminele organisaties. De uitbreiding vraagt om extra personele inzet en investeringen en technische voorzieningen zoals het Vastgoed Intelligence Centre (VIC). Ook zijn er aanvullend middelen ter beschikking gesteld voor het bestrijden en vervolgen van misdaden met een groot maatschappelijk effect (High Impact Crime). Dit betreft het aanpakken van kinderporno en roofovervallen maar ook het oplossen van zogenaamde «Cold Cases». Ook zijn extra kosten gemaakt om te zorgen dat slachtoffers beschikken over goede en actuele informatie over de voortgang van dossiers. Daarnaast zijn er middelen beschikbaar gesteld voor de versterking van de positie van de slachtoffers.

Operationele doelstelling 13.4 «Tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties»

Op dit artikelonderdeel is meer uitgegeven dan oorspronkelijk begroot. Dit is met name veroorzaakt door hogere kosten bij de Dienst Justitiële Inrichtingen voor Functioneel Leeftijdsontslag en Tweede Carrière. Daarnaast is aan het CJIB een vordering afbetaald. In het verleden is niet alle productie van het CJIB gefinancierd waardoor een vordering op het moederdepartement is ontstaan van circa € 1,7 miljoen. Deze vordering is in 2011 afgelost zodat het CJIB over voldoende kasmiddelen kan beschikken. Vanwege minder instroom van (verkeers)boetes valt ook de doorbelasting van de administratiekosten lager uit. Hierdoor is een tekort ontstaan op de financiering van het CJIB, waardoor aanvullende bijdrage vanuit het moederdepartement noodzakelijk was.

Ontvangsten

  • Het verschil tussen de vastgestelde begroting en gerealiseerde ontvangsten wordt met name verklaard door lagere ontvangsten op Boeten en Transacties. Daar is een tekort ontstaan van circa € 127 miljoen. Het aantal opgelegde (verkeers)boetes is teruggelopen. Verder heeft een aantal technische mutaties plaatsgevonden waardoor meer ontvangsten zijn ontvangen. Zo heeft de DJI de definitieve productiecijfers over het jaar 2010 afgerekend, zodat wordt bekostigd op de geleverde output. Ook zijn er bij de eindafrekening van de subsidies van de drie reclasseringsorganisaties over de jaren 2008 tot en met 2010 middelen teruggevloeid naar het departement.

Operationele doelstelling 13.1

Het voorkomen en verder terugdringen van criminaliteit en het effectief bestrijden van huiselijk geweld.

Doelbereiking

Een effectieve en efficiënte rechtshandhaving is gebaat bij een combinatie van preventie en repressie. Bij preventie van criminaliteit heeft niet alleen de rijksoverheid verantwoordelijkheden, maar ook de samenleving als geheel. Elke burger, elke ondernemer, maar ook elke organisatie en overheid kan bijdragen aan de preventie van criminaliteit.

De aanpak van geweld

Instrumenten

In 2011 is het programma «Expressief geweld in het (semi-)publieke domein» afgerond. In het programma is gewerkt aan de aanpak van geweld in buurten en op scholen door:

  • het ontwikkelen van een dadergerichte aanpak voor geweldplegers.

  • het stimuleren van buurtbemiddeling, leerlingbemiddeling, gedragscodes, de ontwikkeling van preventieprojecten op scholen en het opzetten van preventienetwerken tegen geweld.

  • het treffen van maatregelen tegen risicofactoren voor geweldpleging: alcohol, wapenbezit en schadelijk beeldmateriaal. Zo zijn de consequenties van de invoering van alcoholregistratie door de politie bij geweld inzichtelijk gemaakt, is het NFI gevraagd te onderzoeken wat de drempelwaarden voor alcohol en drugs als strafverzwaringsgrond bij geweld kunnen zijn, is het wettelijk verbod op vlindermessen, valmessen en stiletto's geregeld, zijn checklisten voor preventieve controle op wapens in de horeca en op scholen verspreid en is de naleving van de leeftijdsgrenzen van Kijkwijzer voor films en PEGI voor games aanzienlijk verbeterd.

  • de inzet van Agressie Regulatie Training op scholen en het in kaart brengen van effectieve interventies bij de aanpak van risicogroepen voor geweld.

Tegengaan van huiselijk geweld

In 2011 is nadruk gelegd op kinderen in een huiselijk geweldsituatie. Dit betreft zowel kinderen die zelf mishandeld worden, als kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld tussen hun ouders.

Voor de aanpak van kindermishandeling is een nieuw Actieplan aanpak kindermishandeling «Kinderen Veilig» 2012–2016 gereed gekomen (TK 31 015, nr. 69). Uit in 2011 afgerond onderzoek naar de omvang van kindermishandeling blijkt dat er in 2010 naar schatting 119 000 kinderen slachtoffer waren van kindermishandeling. In 2011 ondernomen acties uit het Actieplan zijn:

  • 1. het meer bekendmaken van ketenpartners met de mogelijkheid en wenselijkheid van het inzetten van huisverbod in geval van kindermishandeling. Daartoe is er onder andere een bijeenkomst georganiseerd in december 2011, in samenwerking met het Ministerie van VWS en de VNG. Grotere bekendheid met het huisverbod maakt dat het middel wellicht vaker wordt ingezet.

  • 2. het ondersteunen en evalueren van regionale initiatieven voor een nieuwe multidisciplinaire aanpak van kindermishandeling. Op 28 november 2011 zijn de eerste multidisciplinaire centra voor kindermishandeling in Leeuwarden en Haarlem door de Staatssecretarissen van VenJ en van VWS geopend.

Om de steunpunten huiselijk geweld en de advies- en meldpunten kindermishandeling beter op elkaar aan te sluiten is -als eerste stap- de samenwerking tussen beide instanties verplicht gesteld in het wetsvoorstel verplichte meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling. Het wetsvoorstel voor een verplichte meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling is op 27 oktober 2011 naar de Tweede Kamer gestuurd (TK 33 062, nr. 2).

In 2011 is een nieuwe gedragsinterventie voor daders van partnergeweld ontwikkeld die helaas niet is goedgekeurd door de Erkenningscommissie Gedragsinterventie Justitie. Besloten is daarom de Terugvalpreventietraining Huiselijk geweld die Reclassering Nederland heeft ontwikkeld kwalitatief te laten verbeteren.

In 2011 is een databank met effectieve interventies voor geweld in huiselijke kring gelanceerd. In deze databank zijn methoden uit de praktijk verzameld, inclusief beschrijvingen. Aan de hand hiervan kunnen professionals vaststellen of de methode geschikt is voor hun eigen praktijksituatie. De databank bevat inmiddels 15 interventies.

In het najaar van 2011 is de effectevaluatie van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) gestart, in samenwerking met het Ministerie van VWS. Deze effectevaluatie volgt op de procesevaluatie naar de Wth, die eind 2010 gereed is gekomen en die in februari 2011 naar de Tweede Kamer is verstuurd (TK, 28 345, nr. 112).

Aanpak van criminaliteit tegen het bedrijfsleven

Bij de aanpak van criminaliteit tegen het bedrijfsleven lag de nadruk sterk op het terugdringen van winkelcriminaliteit. De eerder opgestarte proeftuinen onder meer gericht op de aanpak van rondtrekkende dadergroepen en interne criminaliteit zijn in 2011 voortgezet. Naast de proeftuinen is er een landelijke vertrouwenslijn voor slachtoffers van afpersing ingericht. Bij de aanpak van transportcriminaliteit is het daarop gerichte convenant in uitvoering. Voor de aanpak van koperdiefstal is een convenant gesloten om het anoniem aanbieden van koper te verminderen en gestolen koper beter op te sporen.

Herziening Toezicht Rechtspersonen

Om de controle op rechtspersonen te verbeteren, is onder het vorige kabinet gestart met het project Herziening Toezicht Rechtspersonen. Dit project heeft onder andere geleid tot de inwerkingtreding van de Wet controle op rechtspersonen op 1 juli 2011. De verklaring van geen bezwaar, die vereist was bij de oprichting en bij een statutenwijziging van een besloten vennootschap of naamloze vennootschap, is komen te vervallen. In plaats daarvan vindt op basis van de nieuwe wet doorlopende screening van rechtspersonen plaats. Deze doorlopende screening maakt het mogelijk om rechtspersonen vaker te controleren op mogelijk misbruik. De controle op rechtspersonen is in 2011 beperkt en beheerst gestart en zal zich de komende jaren verder ontwikkelen en verfijnen.

Verklaring Omtrent het Gedrag

Bij de beoordeling van een aanvraag voor de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) beoordeelt de Dienst Justis of een persoon een relevant antecedent op zijn naam heeft staan, dat een risico oplevert voor een goede uitoefening van de functie of taak.

In 2011 is gestart met de continue screening van taxichauffeurs (in plaats van eens in de vijf jaar) om daarmee te voorkomen dat chauffeurs na het plegen van bepaalde delicten langer dan wenselijk op de taxi blijven rijden.

Mede op basis van de aanbevelingen van de Commissie Gunning naar aanleiding van de Amsterdamse zedenzaak heeft het kabinet besloten een vorm van continue screening tot stand te brengen van personen die werkzaam zijn in de kinderopvang (TK 32 500 VI, nr. 95). In dit verband is ook gestart met het betrekken van justitiële gegevens uit het buitenland bij de beoordeling van de VOG van personen uit EU-lidstaten die in Nederland met kinderen willen gaan werken. Het Europees Parlement heeft op 27 oktober 2011 ingestemd met de richtlijn tot bestrijding van seksueel misbruik en uitbuiting van kinderen, die dient als juridische basis voor de uitwisseling van justitiële gegevens met het buitenland. Vooruitlopend op de definitieve invoering van de richtlijn in 2013 worden justitiële gegevens uit andere EU-lidstaten opgevraagd voor de beoordeling van VOG-aanvragen in enkele gemeenten, waaronder Amsterdam.

Het doel van de Wet bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (Wet Bibob) is te voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten faciliteert.

Als gevolg van de gewijzigde begrotingspresentatie wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 25 «Veiligheid en bestuur».

Vrijwilligers

Vrijwilligersorganisaties die met kinderen werken, kunnen bij het voorkomen en signaleren van integriteitsschendingen gebruikmaken van het stappenplan en de toolkit «In Veilige Handen». Om te voorkomen dat een begeleider met ongepast gedrag opnieuw bij een (andere) organisatie aan de slag gaat, heeft de vrijwilligerssector zich uitgesproken voor een registratielijst. Op deze lijst worden alleen mensen opgenomen die volgens een vastgestelde tuchtprocedure zijn veroordeeld. In 2011 heeft het College Bescherming Persoonsgegevens toestemming verleend voor het beheren van een dergelijke registratielijst. Aan de Vereniging Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk (NOV) is een driejarige projectsubsidie verleend voor het opstarten van een registratielijst en het inrichten van een tuchtcommissie. Met ingang van januari 2012 is gestart met het verstrekken van de gratis VOG aan de vrijwilligers die met kinderen werken bij de scouting, sportclubs en werken als begeleiders van jeugdkampen.

Kansspelbeleid

Het kansspelbeleid voorziet in een gereguleerd aanbod van kansspelen en is gericht op het bestrijden van excessen, zoals verslaving, witwassen en andere vormen van criminaliteit. In 2011 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de visie van Veiligheid en Justitie op modernisering van het kansspelbeleid (TK 24 557, nr. 124). Het parlement heeft ingestemd met de hiertoe benodigde wijziging van de Wet op de kansspelen. In april 2012 is de Kansspelautoriteit ingesteld.

Indicator

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

1. Wapengerelateerd geweld

Wapengerelateerd geweld
         

In %

     

Realisatie

Streefwaarde

Verschil

 

2007*

2010**

2011

2011

 

Incidenten in percentages op scholen

24,0

20

n.n.b.

20,4

 

Rond scholen

18,0

15

n.n.b.

15,3

 

In de horeca

7,0

5

n.n.b.

6,0

 

Rond horeca

23,0

21

n.n.b.

19,6

 

* Bron: SGBO «Wapens weren – onderzoek naar de aanpak van wapenbezit op het voortgezet onderwijs en in de horeca (nulmeting)»

** Bron: BMC «Wapens weren – Onderzoek naar de aanpak van wapenbezit op het voortgezet onderwijs en in de horeca (éénmeting)»

2. Naleving van de leeftijdsgrenzen Kijkwijzer en PEGI

De naleving verschilt per branche, maar is gestegen van gemiddeld 14% in 2008 naar gemiddeld 46,4% bij de laatste meting in september 2011. De doelstelling van gemiddeld 70% is niet gerealiseerd door het achterblijven van onder andere de videotheek- en de warenhuisbranche.

3. Daling criminaliteit tegen ondernemingen.

Daling criminaliteit tegen ondernemingen
         

Doelstelling

 

2007

2008

2009

2010

2011

Diefstal bij detailhandel

1 500 000

1 727 000

1 527 000

1 674 000

1 125 000

Geweld tegen bedrijfsleven (% slachtoffer)

         

– bouw

2,2%

1,8%

1,7%

1,7%

1,5%

– detailhandel

6,7%

5,6%

5,4%

5,9%

5,25%

– transport

7,3%

4,2%

4,6%

5,3%

5,25%

– zakelijke dienstverlening

3,6%

2,8%

2,6%

2,4%

3,0%

– horeca

10%

9,1%

8,0%

8,5%

7,5%

Bron: Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven 2010.

Sinds 2010 wordt de monitor Criminaliteit en Bedrijfsleven om het jaar uitgevoerd. Over het jaar 2011 zijn er geen actuele cijfers beschikbaar.

Kengetallen

4. Integriteit

Integriteit (aantal Bibob-adviezen en Bibob-adviezen ernstig gevaar)
   

Realisatie

Begroting

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 2011

Aantal adviezen

197

265

237

212

240

400

– 160

Waarvan ernstige mate van gevaar

118

113

100

92

107

n.v.t

n.v.t.

Bron: Justis

Het Bureau Bibob heeft het afgelopen jaar 240 adviezen afgegeven. Dit betekent dat sprake is van een stijging ten opzichte van de afgegeven adviezen in 2010. Tegelijkertijd zijn er minder adviezen aangevraagd dan was begroot voor 2011 mede doordat de voorziene wetswijziging Bibob vertraging heeft opgelopen.

Aantal aangevraagde en geweigerde VOG’s 
         

Realisatie

Begroting

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

2011

Aantal aangevraagde VOG’s

373 072

471 300

460 073

504 033

538 771

500 000

38 771

Waarvan geweigerd in de beschikkingsfase op basis van antecedenten

     

4 064

3 332

3 000

332

Bron: Justis

Operationele doelstelling 13.3

Het bestrijden van criminaliteit door een effectief en doelmatig instrumentarium van opsporing en vervolging

Doelbereiking

In 2011 is een krachtige en noodzakelijke impuls gegeven aan de aanpak van gewelddadige vermogenscriminaliteit (met name overvallen) en criminele jeugdgroepen. Hetzelfde geldt voor de geïntegreerde aanpak van minder zichtbare, maar voor de samenleving en voor de rechtsstaat zeer ondermijnende vormen van criminaliteit zoals georganiseerde misdaad en financieel-economische criminaliteit. Belangrijk thema daarbinnen was de geïntensiveerde aanpak van georganiseerde hennepteelt, die in 2011 en forse impuls heeft gekregen. De geïntegreerde aanpak van georganiseerde en financieel-economische criminaliteit is in 2011 verder uitgebouwd, goede voorbeelden daarvan zijn het succesvol afgeronde project Emergo (aanpak verwevenheid onderwereld en bovenwereld in de binnenstand van Amsterdam) en de eerste resultaten van het in 2011 gestarte aanpak van georganiseerde misdaad in Brabant (B5) waarover de Tweede Kamer is geïnformeerd (TK 29 911, nr. 49). Ook de aanpak van vastgoedfraude en daaraan gerelateerde witwaspraktijken heeft in 2011 veel aandacht gekregen. In de omvangrijke vastgoedfraudezaak «Klimop» heeft de rechter in eerste aanleg inmiddels uitspraak gedaan: op 27 januari 2012 heeft de rechtbank Haarlem tot vier jaar celstraffen opgelegd in de strafzaken tegen 11 verdachten en 4 aan hen gelieerde BV's. De uitvoering van het beleidsprogramma «aanpak misbruik en criminaliteit in de vastgoedsector 2008–2011» ligt op koers. Internationale samenwerking is een steeds vanzelfsprekender onderdeel van de criminaliteitsbestrijding, al is het alleen al omdat veel vormen van criminaliteit grensoverschrijdend van aard zijn. Er is sprake van goede operationele samenwerking met buurlanden maar ook met herkomst- en transitlanden van grensoverschrijdende criminaliteit, daarbij maken Openbaar Ministerie en politie waar nodig goed gebruik van EU-organisaties als Europol en Eurojust en de inzet van gemeenschappelijke onderzoeksteams.

Versterkingsprogramma’s voor aanpak georganiseerde misdaad, financieel-economische criminaliteit en cybercrime;

Instrumenten

Georganiseerde misdaad en financieel economische criminaliteit zijn sluipende bedreigingen voor de integriteit van ons financieel-economische stelsel en ondermijnen het functioneren van de rechtsstaat. Fraude en corruptie tasten het vertrouwen in onze samenleving aan. Witwassen van criminele opbrengsten vormt een bedreiging voor de integriteit van de financiële markten. Veel lokale, zichtbare overlast en criminaliteit zijn een rechtstreeks gevolg van niet zichtbare, criminele organisaties.

  • Bij de aanpak van georganiseerde misdaad is het accent gelegd op mensenhandel en -smokkel, drugscriminaliteit, (ernstige) milieucriminaliteit, witwassen en cybercrime. Deze prioriteiten zijn opgenomen in de «landelijke prioriteiten» van de politie en het OM voor de periode 2011–2014. Ook in de beleidsbrief voor de bijzondere opsporingsdiensten (2011–2014) zijn doelstellingen geformuleerd voor de aanpak van fraude en ondermijnende criminaliteit.

    Concrete doelstelling is verdubbeling van het aantal aangepakte criminele organisaties, waardoor het percentage aangepakte groepen moet stijgen van 20% (= nulsituatie in 2009) naar 40% (= eindsituatie in 2014), met als tussendoelen: 21,4 % (2010), 24% (2011), 27% (2012), 33% (2013). Deze kwantitatieve doelstellingen zijn opgenomen in de landelijke prioriteiten voor de politie.

  • Misdaad mag niet lonen! Om dit motto kracht bij te zetten zijn de afgelopen periode verschillende maatregelen genomen om het afnemen van crimineel vermogen verder te intensiveren. In 2011 is het programma «afpakken» van het OM, de politie en de bijzondere opsporingsdiensten gestart. Er zijn door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) en de Nationale Recherche (NR) gezamenlijk twee landelijke specialistische teams ingesteld die zich specifiek bezig houden met de aanpak van criminele financiële dienstverleners die faciliteren bij het buiten het zicht van Veiligheid en Justitie brengen van criminele vermogens. In overleg met onder meer de Belastingdienst is de integrale aanpak van afnemen van crimineel vermogen verder ontwikkeld.

  • Op 1 juli 2011 is de wetgeving ter verruiming van de mogelijkheden om wederrechtelijk verkregen voordeel af te nemen in werking getreden. Deze wetgeving biedt meer mogelijkheden om in een vroeg stadium beslag te leggen op crimineel vermogen en geeft in executiefase meer opsporingsbevoegdheden om criminele vermogens op te sporen.

  • De laatste jaren is veel ervaring opgedaan met de geïntegreerde aanpak van ondermijnende criminaliteit waarbij het gaat om de samenwerking tussen overheidspartijen gericht op de meest effectieve inzet van preventieve, strafrechtelijke, bestuursrechtelijke, civielrechtelijke en/of fiscale instrumenten. De ervaringen met deze aanpak zijn omgezet in structurele voorzieningen. De geïntegreerde aanpak is landelijk geborgd en bestendig gemaakt. Deze samenwerking vindt op vergelijkbare wijze in alle regio’s plaats door middel van de infrastructuur van de RIEC’s (zie ook bij operationele doelstelling 25.1).

  • Belangrijk onderdeel van de aanpak van georganiseerde misdaad is het tegengaan van witwassen (het witwassen van misdaadgeld via vastgoedtransacties en de focus op de rol van juridische en financiële dienstverleners). In 2011 is voortvarend uitvoering gegeven aan de maatregelen uit het beleidsprogramma «aanpak misbruik en criminaliteit in de vastgoedsector». Onder andere door het opwerpen van drempels door middel van wet- en regelgeving (de behandeling van het wetsvoorstel informatieplicht derdengeldenrekening notarissen, TK 32 700, nr. 2) en in diverse gezamenlijke projecten van operationele diensten. Ook de eerdergenoemde landelijke opsporings- en vervolgingsteams die zich exclusief richten op de belangrijkste «financiële dienstverleners» dragen bij aan de aanpak van witwasconstructies.

  • In februari 2011 is de Nationale Cyber Security Strategie aan de Tweede Kamer gezonden (TK 26 643, nr. 174). Deze strategie richt zich op een integrale aanpak voor cyber security, waarbij ieder z`n eigen verantwoordelijkheid neemt. Dit vormt de uitwerking van de maatregelen uit het Regeerakkoord: het kabinet komt met een integrale aanpak van cybercrime. In het kader hiervan is op 30 juni jl. de Cyber Security Raad geïnstalleerd, waarin wetenschap, publieke en private partijen zitting hebben. Deze Raad zorgt voor samenhang en afstemming in de activiteiten op het terrein van Cyber Security op strategisch niveau. Per augustus 2011 maakt Govcert deel uit van het Nationale Cyber Security Centrum dat per 1 januari 2012 operationeel is.

  • Zowel bij de inrichting van het Nationale Cyber Security Centrum als bij het Cyber Security Beeld Nederland en de visie op het brede juridische kader worden de recente ontwikkelingen met betrekking tot cybercrime in het algemeen en de recente digitale inbraak bij DigiNotar specifiek, meegenomen. Waar het gaat om de aanpak van cybercrime is een aantal resultaten geboekt: het organisatie en inrichtingsplan is gereed aan de hand waarvan het team high tech crime bij het Korps landelijke politiediensten (KLPD) uitgebreid wordt. Er is een bedrijvenmeldpunt skimming geopend door de minister, het programma aanpak cybercrime voor de politie wordt gecontinueerd tot 2015 zodat ook tijdens de reorganisatie van de politie een blijvende impuls wordt gegeven aan de versterking van de aanpak van cybercrime en het Openbaar Ministerie sluit in haar planvorming met betrekking tot de aanpak van cybercrime aan bij de ontwikkelingen bij de politie.

  • Ten slotte werd eind december, in navolging van het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland, het Dreigingsbeeld Cybersecurity naar de Tweede Kamer gezonden (TK 26 643, nr. 220).

Programma versterking strafrechtelijke milieuhandhaving (in ontwikkeling)

Binnen het programma «Versterking strafrechtelijke milieuhandhaving» is verder gewerkt aan de uitvoering van acties ter verbetering van de aanpak van zware milieucriminaliteit: verbetering van de sturing op (zware) milieuzaken (instelling Strategische milieukamer en verbetering van het selectieproces binnen politie en Bijzondere Opsporingsdiensten), oplevering van onderdelen van de kwaliteitsmonitor voor de strafrechtelijke milieuhandhaving en een criminaliteitsbeeld, uitvoering van een samenwerkingsproject (proeftuin) in Rotterdam voor de aanpak van zware criminaliteit (thema: EVOA). Verder is gewerkt aan een adequate inrichting van de politiemilieutaak binnen de nationale politie en zijn binnen de politieonderwijsorganisatie de opleidingen t.a.v. milieuhandhaving en -opsporing verbeterd. De Algemene Maatregel van Bestuur Bestuurlijke strafbeschikking milieu  is in werking getreden. In de nieuwe Gerechtelijke kaart is de gespecialiseerde milieurechter opgenomen, omdat versterking van de strafrechtelijke milieuhandhaving alleen zin heeft als ook aan de kant van de bestuurlijke milieuhandhaving de noodzakelijke verbeteringen worden uitgevoerd. Daarom heeft het Ministerie van VenJ samen met het Ministerie van I&M en bestuurlijke partners gewerkt aan de totstandbrenging van Regionale uitvoeringsdiensten, waarin gemeenten, provincies en Rijk een deel van hun milieuhandhavingstaken onderbrengen, en waar sprake is van verbetering van de noodzakelijke afstemming en informatieuitwisseling tussen de bestuurlijke en strafrechtelijk handhaving.

Ontraceerbare veroordeelden

Het TES heeft tot september 2011 enkele duizenden vonnissen onderzocht. 1700 hiervan zijn in behandeling door bijvoorbeeld een EAB-signalering, paspoortsignalering en lopende rechtshulpverzoeken om uitlevering van de getraceerde veroordeelden.

De ervaringen en de resultaten van het TES en van de overeenkomstige teams bij de korpsen, zoals het Team Regionale Opsporing Gesignaleerden (ROG) van het korps Amsterdam-Amstelland, worden uitgewisseld als good practices.

Openbaar Ministerie

Wat betreft de bijdrage van het OM aan de versterking van de aanpak van georganiseerde misdaad, van financieel-economische criminaliteit en van cybercrime wordt verwezen naar de tekst hierover over de versterkingsprogramma’s op genoemde thema’s.

Kengetallen

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Productie en prestaties Openbaar Ministerie
         

Realisatie

Begroting

Verschil

Arrondissementsparketten

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Rechtbankzaken

             

Afdoeningen

261 500

264 900

260 000

210 100

229 400

250 100

– 20 700

Overdracht aan buitenland

200

200

100

100

100

300

– 200

Onvoorwaardelijk sepot

27 100

31 400

31 200

23 800

30 400

25 100

– 5 300

Transactie, strafbeschikking en voorwaardelijk sepot

73 500

72 800

77 100

60 700

67 100

75 000

– 7 900

Voegen (ter berechting of ad info)

11 600

12 000

8 600

5 100

4 600

12 200

– 7 600

Dagvaarding

149 200

148 500

143 000

120 500

127 200

137 600

– 10 400

w.v. Meervoudige kamer (inclusief economisch en militair)

13 800

14 500

14 800

13 900

15 300

13 100

2 200

Politierechter (inclusief economisch en militair)

121 100

119 600

115 500

96 300

102 000

112 100

– 10 100

Kinderrechter

14 300

14 500

12 700

10 300

9 800

12 400

– 2 600

Interventiepercentage (%)

88

86

87

88

85

90

– 5

Gemiddelde doorlooptijd (vanaf instroom OM in dagen)

137

158

174

171

167

130

37

               

Doorloopsnelheid jeugd binnen 3 maanden afgedaan (%)

77

79

79

81

76

80

– 4

               

Kantonzaken

             

Afdoeningen

268 700

241 000

243 000

209 400

181 100

235 800

– 54 700

waarvan sepot, transactie, strafbeschikking, voegen en overdracht buitenland

104 500

91 400

84 500

45 800

93 800

94 300

– 500

waarvan dagvaarding

164 200

149 600

158 500

163 500

87 300

141 500

– 54 200

               

Mulderzaken

             

Uitstroom beroepen Openbaar Ministerie

376 500

329 500

360 200

313 400

281 400

346 300

– 64 900

               

Hoger beroep (ressortsparketten) (uitstroom)

             

Rechtbankappellen (incl. intrekkingen)

16 100

12 800

13 600

15 700

16 900

14 000

2 900

Kantongerechtsappellen (incl. intrekkingen)

7 900

5 700

4 800

4 900

4 500

5 000

– 500

Mulderberoepen

1 700

1 600

2 300

2 300

1 800

2 300

– 500

Klachten artikel 12 Sv

2 300

2 500

2 400

2 500

2 400

2 600

– 200

Toelichting kengetallen

De productie van het aantal rechtbank- en kantonzaken is lager dan volgens de prognoses werd verwacht. Positieve ontwikkeling is dat de in- en uitstroom van rechtbankzaken in 2011 weer is gestegen, met respectievelijk 8% en 7% ten opzichte van 2010. Hierbij is de toepassing van de strafbeschikking meer dan verdubbeld naar 26 000 zaken.

De dalende trend in de instroom van kantonzaken is voornamelijk het gevolg van de implementatie van de OM-afdoening en het onder vigeur brengen van de WAHV (Wet Mulder) van art. 30 WAM (onverzekerd rijden). Daardoor daalt het aantal zaken dat aan de rechter wordt voorgelegd fors. Het OM zet de strafbeschikking ook in om de voorraden te verminderen. In 2011 zijn onder andere ongeveer 32 000 zittingsgerede zaken omgezet naar een strafbeschikking.

De doorlooptijd van afgeronde rechtbankzaken is per saldo nagenoeg onveranderd. 51% is binnen 180 dagen na het eerste verhoor afgedaan. Achter dit cijfer zitten twee grote bewegingen. Oude voorraden worden weggewerkt. Dit trekt de gemiddelde doorlooptijd van deze zaken omhoog. De invoering van ZSM leidt tot een versnelling van doorlooptijden.

ZSM leidt er ook toe dat zaken die voorheen door de politie werden geseponeerd nu aan de selectietafel door het OM worden beoordeeld en relatief vaak geseponeerd worden.

Daarnaast leidt het wegwerken van oude voorraden tot relatief veel sepots. Deze stijging van het sepotpercentage, alsmede een stijging van het percentage vrijspraken, verklaren de daling in het interventiepercentage.

Prestatiegegevens Financial Intelligence Unit Nederland (FIU NL)
         

Realisatie

Begroting

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Aantal ongebruikelijke transacties

214 042

388 800

163 900

183 400

167 200

403 000

– 235 800

Aantal verdachte transacties

45 656

54 600

32 100

29 800

23 200

58 000

– 34 800

Bron: FIU Net

Centraal Informatiepunt Onderzoek en Telecommunicatie (CIOT)
         

Realisatie

Begroting

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Aantal aanbieders

64

101

114

153

172 

160

12 

Aantal v ragen

1 901 024

2 800 000

2 930 941

2 592 320

2 328 595 

3 200 000

– 871 405 

Hit-rate (%)1

84–94

88–94

90–94

93

 91

96

– 5 

Bron: Centraal Informatiepunt Onderzoek en Telecommunicatie

X Noot
1

Hit-rate is het aantal hits gedeeld door het aantal vragen maal 100%. De hit-rate wordt bepaald door het aantal aangesloten aanbieders, de kwaliteit van de vragen en de kwaliteit van de aangeleverde gegevens. Een hit op een vraag kan een of meerdere antwoorden bevatten.

Toelichting kengetallen

De autonome realisatie van de bevragingsmodule van het CIOT is afhankelijk van de behoefte van de (bijzondere) opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten ((B)OID-en).

Volume en prestatiegegevens

Unit Landelijke Interceptie (ULI)
         

Realisatie

 

20071

2008

2009

2010

2011

Aantal telefoonnummers waarvoor een bevel tot aftappen is gegeven

12 4911

26 425

24 724

22 006

24 718

Gemiddeld aantal taps per dag

1 6811

1 946

2 121

1 635

1 638

Percentage taps op mobiele lijnen

84%1

90%

86%

   

Percentage taps op vaste lijnen

16%1

10%

14%

   

IP-taps2

     

1 704

3 331

Gemiddeld aantal IP- taps per dag

     

131

339

Aantal aanvragen op historische gegevens3

     

24 0124

49 695

Bron: Korps landelijke politiediensten

X Noot
1

Cijfers over de tweede helft 2007.

X Noot
2

Dit betreft zowel Internettaps als emailtaps.

X Noot
3

Zoals verkeersgegevens en identificerende gegevens.

X Noot
4

Cijfers over de tweede helft van 2010. De cijfers over de eerste helft van 2010 zijn niet betrouwbaar, omdat nog niet alle regiokorpsen al hun historische aanvragen indiende via de ULI

Toelichting kengetallen

De jaarlijkse tapstatistieken maken deel uit van het departementaal jaarverslag.

Dit is toegezegd bij brief van 13 november 2007 (TK 30 517, nr. 5) en daaropvolgend bij brief van 27 mei 2008 (TK 30 517, nr. 6)

Ten opzichte van 2010 is het aantal telefoontaps met 12,3% gestegen. Het aantal telefoontaps in 2011 ligt iets onder het aantal van 2009. Het onderscheid tussen vaste telefoonaansluitingen en mobiele telefoons is sinds 2010 komen te vervallen. Door ontwikkelingen in de markt zijn deze gegevens onbetrouwbaar geworden, omdat vaste aansluitingen steeds vaker zijn gekoppeld aan mobiele nummers.

Bij IP-taps gaat het zowel om internettaps als e-mailtaps. In vergelijking met 2010 is het het aantal IP-taps in 2011 bijna verdubbeld. Deze toename is toe te schrijven aan de enorme vlucht van het gebruik van smartphones. Een deel van de IP-taps op smartphones wordt dubbel geteld. De techniek laat het nu nog niet toe om deze cijfers afzonderlijk te meten.

Het WODC heeft het gebruik van de telefoon- en internettap onderzocht. De uitkomsten van dit onderzoek worden aangeboden aan de Tweede Kamer.

FIU-NL is medio 2011 overgegaan op een nieuw ICT-systeem. Voor 2011 zijn de realisatiecijfers conform het nieuwe syssteem opgenomen. Dit zorgt voor een trendbreuk in de cijfers.

Doorontwikkeling Veiligheidshuizen

Om de samenwerking in Veiligheidshuizen daadkrachtig voort te zetten en verder te optimaliseren, geeft het kabinet een impuls aan de doorontwikkeling van Veiligheidshuizen. Via de samenwerking in Veiligheidshuizen wordt ernstige overlast en criminaliteit effectief en slagvaardig aangepakt. Het programma richt zich erop de Veiligheidshuizen en deelnemende organisaties te stimuleren en ondersteunen in het vormgeven en optimaliseren van de integrale probleemgerichte aanpak rond risicogroepen met complexe problematiek. Knelpunten in beleid en regelgeving die belemmerend werken voor de samenwerking, worden opgelost.

Doelstellingen programma Doorontwikkeling Veiligheidshuizen

De inspanningen binnen het Programma richten zich erop dat in 2014 een situatie is ontstaan waarin de Veiligheidshuizen:

  • een regionale functie hebben;

  • zich primair richten op ernstige overlast;

  • multidisciplinair zijn;

  • beschikken over heldere afspraken tussen de partners;

  • een helder besturingssysteem hebben en hanteren;

  • op casusniveau een volledig en integraal beeld hebben;

  • (meer) zicht hebben op de effectiviteit van de interventies en maatschappelijk rendement; en

  • structureel blijven werken aan innovatieve integrale werkwijzen.

Resultaten in 2011

  • Als onderdeel van de bekostiging van de Veiligheidshuizen is de nieuwe verdeelwijze van de structurele VenJ-bijdrage in de laatste fase van ontwikkeling. Deze verdeelwijze, via de 25 regiogemeenten van de veiligheidsregio’s, stimuleert regionalisering en benadrukt de regierol van gemeenten in het Veiligheidshuis.

  • Bij 25% van de Veiligheidshuizen is GCOS (Generiek Casusoverleg Ondersteunend Systeem), een informatiesysteem ter ondersteuning van casusoverleggen, inmiddels geïmplementeerd. Bij 35% van de veiligheidshuizen wordt de implementatie voorbereid.

  • Er zijn referentieprocessen ontwikkeld voor de vier meest voorkomende casusoverleggen in Veiligheidshuizen. Deze overleggen geven inzicht in de werkzame bestanddelen en betrokkenheid van individuele ketenpartners.

Operationele doelstelling 13.4

Het bestrijden van criminaliteit met een effectieve en doelmatige tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties en maatregelen.

Doelbereiking

Een groot deel van de maatschappelijke overlast als gevolg van criminaliteit wordt veroorzaakt door recidivisten. De aanpak om recidive terug te dringen is persoonsgericht: zowel bij de strafoplegging, de straftoepassing, als bij de nazorg wordt gekeken naar de specifieke problematiek van het individu en wordt bij voorkeur gekozen voor een traject waarbij repressie en preventie hand in hand gaan. Daarbij is het essentieel dat detentie wordt gevolgd door een goed nazorgtraject. Goede nazorg draagt bij aan het verminderen van de lokale overlast en het vergroten van de veiligheid.

Om de recidive te verminderen is verder een nauwe samenwerking tussen verschillende justitiepartners nodig, maar ook met niet-justitiële partners, zoals gemeenten, zorginstellingen en woningcorporaties. Zo worden justitiële en maatschappelijke interventies goed op elkaar afgestemd.

Ruimere toepassing justitiële voorwaarden

Instrumenten

In 2011 is verder ingezet op het beleid ten aanzien van meer voorwaardelijke sancties met bijzondere voorwaarden. De ketensamenwerking is in ieder arrondissement verbeterd, doordat de nadruk meer is komen te liggen op het nakomen van landelijk vastgestelde ketenafspraken en termijnen. De ketenpartners geven zelf aan dat een van de grote winsten van Justitiële Voorwaarden is dat de ketenpartners elkaar beter hebben gevonden. Daarnaast is het meer vanzelfsprekend dat er feedback wordt gegeven. Ook ervaren de ketenpartners dat de kwaliteit in de keten is verbeterd en dat structurele contactrollen zijn ingevuld.

De belangrijkste mijlpalen voor 2011 zijn:

  • De wetswijziging van de regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de wijziging van de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling treden op 1 april 2012 in werking (TK, 30 300 VI, nr. 164).

  • In 2011 heeft voor het eerst een peiling van de kwaliteit van reclasseringsadviezen onder Officieren van Justitie en rechters plaatsgevonden. Deze gaven aan dat de kwaliteit van adviezen sinds de introductie van de nieuwe adviesformats is verbeterd. Ook hebben zij rapportcijfers toegekend aan reclasseringsadvies en aan reclasseringsadvies beknopt, respectievelijk een 7.7 en een 7.1.

  • De toezichten duren gemiddeld langer en het mislukkingspercentage daalt.

  • Ten opzichte van 2010 is in 2011 het aantal schorsingen van de preventieve hechtenis met bijzondere voorwaarden met 3% gestegen. Het aantal gedetineerden dat naast de algemene voorwaarden ook met bijzondere voorwaarden voorwaardelijk in vrijheid is gesteld is in 2011 met 4% gestegen.

  • De groei van het aantal (deels) voorwaardelijke veroordelingen blijft uit. Er zijn twee maatregelen die zien op vergroting van het rendement van het adviesproces:

    • doelmatig laten groeien van het aantal adviesaanvragen met 6%;

    • stijgen van het aantal geleverde adviesrapporten met concrete bijzondere voorwaarden met 2 procentpunten.

  • In het kader van forensische zorg zijn in totaal 4 224 toeleidingen van verslaafden geweest in 2011. Hiermee zijn de groeidoelstellingen behaald.

Tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen

Een eerste vereiste is de beschikbaarheid van voldoende sanctiecapaciteit. In dat kader is in 2009 het Masterplan Gevangeniswezen 2009–2014 opgesteld. Belangrijk elementen van dit masterplan zijn enerzijds de doelmatige benutting van de totale celcapaciteit en anderzijds de regionale plaatsing van gedetineerden, zodat strafproces en reïntegratie beter op elkaar aansluiten. Over 2011 verbleef 63% van de gedetineerden volgens het regionaliteitsbeginsel in een penitentiaire inrichting.

Modernisering Gevangeniswezen (MGW)

De persoonsgerichte aanpak van gedetineerden is de kern van het programma «Modernisering Gevangeniswezen (MGW)», dat in 2011 verder geïmplementeerd is. Die aanpak bestaat onder meer uit regionale plaatsing van gedetineerden, het aanbieden van gedragsinterventies, evenals het aanbieden van een dagprogramma dat maximaal is ingericht op het bevorderen van een succesvolle terugkeer in de maatschappij. In 2011 is binnen MGW meer de nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van de gedetineerde bij de resocialisatie komen te liggen.

Het detentie- en re-integratieplan vormt de basis voor de resocialisatie van alle gedetineerden. Bij de invulling van het plan wordt gekeken naar: de criminogene factoren, het gedrag van de gedetineerde, recidive, de motivatie en de zorgbehoefte. Ten behoeve van dit plan is in alle penitentiaire inrichtingen in 2011 een gestandaardiseerde screening ingevoerd met als doel dat uiterlijk tien werkdagen na binnenkomst een conceptplan is opgesteld. Tijdens de detentieperiode wordt dit plan aangevuld.

Daarnaast is een nieuw beleidskader detentiefasering opgesteld (TK 27 270, nr. 61). In de nieuwe opzet worden keuzes voor detentiefasering integraal onderdeel van het detentie- en re-integratieplan en wordt verlof alleen toegekend als daarmee een re-integratiedoel wordt gediend. Maatschappelijke aspecten, zoals de belangen van slachtoffers en nabestaanden, inschatting van het recidiverisico, vluchtgevaar, en (de ernst van) het gepleegde delict dienen expliciet bij deze afweging te worden betrokken.

ISD-Maatregel

Het beleid ten aanzien van (zeer actieve) veelplegers is voortgezet, met name in het kader van de ISD-maatregel (plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders).

Nazorg

Het programma «Sluitende aanpak nazorg» is per 1 april 2011 afgerond. Nazorg is nu een integraal onderdeel van de staande organisatie van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Het Samenwerkingsmodel Nazorg is in 2011 geactualiseerd en herbevestigd. Hierin zijn ook de resultaten van de pilots schuldhulpverlening en arbeidstoeleiding opgenomen. Met het UWV zijn in november 2011 afspraken gemaakt om de (digitale) dienstverlening binnen de PI’s voort te zetten.

Eind 2011 waren er 406 gemeentelijke coördinatoren nazorg werkzaam bij verschillende gemeenten en Veiligheidshuizen. Deze coördinatoren vervullen, samen met de Medewerkers Maatschappelijk Dienstverlening (MMD’ers) binnen het Gevangeniswezen, een spilfunctie in het regelen van nazorg. Om de informatie-uitwisseling tussen het gevangeniswezen en de PI te verbeteren zijn er in het najaar van 2011 «gebruikersbijeenkomsten DPAN» georganiseerd. De uitkomsten hiervan moeten leiden tot een meer gebruiksvriendelijk Digitaal Platform Aansluiting Nazorg (DPAN).

Tot slot zijn er in november van 2011 vier regionale bijeenkomsten Nazorg georganiseerd. Er is een werkwijze «Schuldhulpverlening vanuit detentie» ontwikkeld en een werkwijze «Arbeidstoeleiding vanuit detentie».

Tbs/forensische zorg

Het kabinet zet in op verhoging van kwaliteit en effectiviteit van de Tbs-maatregel (TK 29 452, nr. 138). Gedurende 2011 is dan ook verder gewerkt aan verbetering en veilige tenuitvoerlegging van de Tbs-maatregel. De ministeriële regeling «verlof terbeschikkinggestelden» is gewijzigd vanwege de maatregel «Eén jaar geen verlof». Op grond van deze maatregel is in 2011 18 maal het verlof voor de duur van een jaar ingetrokken, omdat de Tbs-gestelden in kwestie ongeoorloofd afwezig zijn geweest of als verdachte van een strafbaar feit zijn aangemerkt. Verder is samen met vertegenwoordigers van de FPC's een aantal prestatie-indicatoren vastgesteld. De prestaties van de afzonderlijke FPC's worden in 2012 aan ieder van de FPC's teruggekoppeld. Het aantal concludente rapportages van het Pieter Baan Centrum (PBC) nam toe in 2011, ook bij die verdachten die niet meewerkten aan het onderzoek of anderszins moeilijk observeerbaar waren. Met het PBC zijn afspraken gemaakt om de resultaten in 2012 verder te verbeteren.

Vernieuwing Forensische Zorg

Bij de uitvoering van het programma «Vernieuwing Forensische Zorg» in 2011 zijn de volgende doelstellingen behaald:

  • het Gevangeniswezen, de Reclasseringsorganisaties en het NIFP zijn voor alle justitiabelen die forensische zorg nodig hebben, gaan werken met een integraal informatiesysteem, dat zorgt voor een betere matching tussen zorgaanbod en zorgvraag;

  • vanaf eind 2011 worden alle justitiabelen in zorg geplaatst op basis van een plaatsingsbesluit namens de Minister van Veiligheid & Justitie;

  • de facturatie forensische zorgprestaties in Diagnose Behandel- en BeveiligingsCombinaties (DBBC’s) is op gang gekomen;

  • de Nota van wijziging bij het wetsvoorstel Forensische Zorg is bij de Tweede Kamer ingediend (TK 32 398, nr. 10);

  • het interim-besluit forensische zorg, dat vooruitlopend op inwerkingtreding van het wetsvoorstel forensische zorg een wettelijk kader voor het forensisch zorgstelsel creëert, is per 1 januari 2011 in werking getreden.

Indicatoren

Ontwikkeling recidive

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

In de periode van 2002–2010 dient de 7-jaarsrecidive onder ex-gedetineerden te dalen met 10%-punt en de 2-jaars recidive met 7,7%-punt. De WODC-Recidivemonitor is de belangrijkste informatiebron voor de uiteindelijke toets of deze doelstelling is behaald. In de brief aan de Tweede Kamer over sanctietoepassing en recidivebestrijding van 26 oktober 2011 (TK 29 270, nr. 60) is aangegeven dat we op de goede weg zijn. In 2002 bedroeg het 2-jarig recidivepercentage 55,1% en in 2007 49,4%. Er is inmiddels dus al sprake van een daling van 5,7%-punt. In 2013 wordt bekend of de recidivedoelstelling daadwerkelijk is gerealiseerd.

Vernieuwing forensische zorg

Het Programma Vernieuwing Forensische Zorg (VFZ) draagt bij aan vermindering van recidive. Een kwantitatieve indicator om te bepalen of de goede stappen worden gezet, is het aantal beschikbare zorgplaatsen in en ten behoeve van het gevangeniswezen. Evenals in 2010 bedroeg in 2011 het aantal plaatsen 700 in het gevangeniswezen en 320 in de geestelijke gezondheidszorg. De daadwerkelijke bezetting bedroeg in 2011 700, respectievelijk 197.

Justitiële voorwaarden

Kengetallen

     

Realisatie

Begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2011

 

Aantal kandidaten voorwaardelijke invrijheidstelling1

30

430

1 076

1 0082

1 300

– 292

Aantal verslaafden dat onder justitiële voorwaarden naar zorg wordt geleid

3 736

4 000

4 096

4 224

6 0003

– 1 776

             

Instroom toezicht opdrachten reclassering

           

Toezicht schorsing preventieve hechtenis

2 934

3 186

3 608

4 501

   

Toezicht voorwaardelijke veroordeling

10 217

10 558

9 766

9 454

   

Totale instroom reclassering4

13 151

13 744

13 374

13 955

   

Bron: Impactanalyse voorwaardelijke invrijheidstelling 2007 en 2009 en Recidivebrief 2008 (TK 24 587, nr. 299)

X Noot
1

De instroom van de v.i. wordt bepaald door het aantal gedetineerden dat de aanvraagprocedure ingaan (kandidaten). Het aantal gedetineerden dat daadwerkelijk met v.i. gaat ligt lager.

X Noot
2

Dit betreft een voorlopig aantal, cijfers t/m november 2011

X Noot
3

Het begrotingscijfer voor het jaar 2011 is nog gebaseerd op initiële ramingen van extra in te kopen trajecten JVZ op basis van het in 2009 geraamde budget. In 2010 zijn deze ramingen echter bijgesteld omdat bleek dat met het aanbod van circa 4 000 extra trajecten in voldoende mate aan de vraag kon worden beantwoord.

X Noot
4

De instroom van toezichtsopdrachten bij de reclassering is verschoven van de voorwaardelijke veroordeling naar de preventieve hechtenis. Dit was op voorhand niet voorzien, de verschuiving komt mede doordat bij de implementatie van de ketenafspraken in eerste instantie is ingezet op het meer toepassen van schorsingen van de preventieve hechtenis met bijzondere voorwaarden. Het algemene beeld van de keten is dat voor de voorwaardelijke veroordeling wordt gewacht op de invoering van de wet voorwaardelijke sancties Stb. 2011, nr. 545. Voor 2012 wordt een groei verwacht van 6 procent op de totale instroom.

Toelichting Kengetal

Het begrotingscijfer voor het jaar 2011 is nog gebaseerd op initiële ramingen van extra in te kopen trajecten JVZ. In 2010 zijn deze ramingen bijgesteld, omdat bleek dat met het aanbod van circa 4 000 extra trajecten in voldoende mate aan de vraag kon worden beantwoord.

Kengetallen

Nazorg

Kengetal

     

Realisatie

Begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2011

 

Percentage screeningen en informatieoverdracht aan gemeenten1

60

80

90

90

100

– 10

Percentage dekking gemeentelijke contactpersonen

75

90

90

90

100

– 10

Bron: voortgangsrapportage VbbV

X Noot
1

Bij gedetineerden die korter dan twee weken verblijven, worden alleen naam, adres, woonplaats, datum van binnenkomst en verwachte ontslagdatum doorgegeven.

Toelichting kengetallen

In 90% van de gevallen is tijdig informatie overgedragen aan gemeenten via DPAN. In geval van zeer kortgestraften is screening op de leefgebieden niet haalbaar. In die gevallen wordt alleen melding van detentie gemaakt. Eind 2011 was in 98% van de gemeenten (406) een gemeentelijke nazorgcoördinator werkzaam.

Operationele doelstelling 13.5

Het bijdragen aan de beperking van schade van slachtoffers door een effectieve slachtofferzorg.

Doelbereiking

Op 1 januari 2011 is de Wet Versterking positie slachtoffers in het strafproces (Wet VPS) in werking getreden. Hiermee zijn de rechten van slachtoffers uitgebreid en is de positie van slachtoffers in het strafproces wettelijk verankerd. De dienstverlening aan slachtoffers is verder verbeterd door de komst van het Informatiepunt Detentieverloop (IDV) bij het openbaar ministerie, de uitbreiding van de dienstverlening van Slachtofferhulp Nederland met de voorziening casemanagement voor nabestaanden, die vanaf 2011 als reguliere voorziening beschikbaar is en de landelijke dekking van slachtofferloketten.

Versterking positie slachtoffers

Instrumenten

Met de inwerkingtreding van de Wet VPS is de positie van slachtoffers aanzienlijk versterkt. Volgens de Wet VPS hebben slachtoffers onder andere recht op informatie en correcte bejegening en is het voegingscriterium verruimd. Ook het onderdeel dat ziet op de verplichte verschijning van ouders ter terechtzitting is op 1 januari 2011 in werking getreden.

Meer doelmatigheid in de keten

Ketensamenwerking is essentieel voor een goede dienstverlening aan slachtoffers. Sinds 1 januari 2011 is het IDV operationeel, dat informatie verstrekt over het detentieverloop van veroordeelden aan slachtoffers en nabestaanden van spreekrechtwaardige delicten. Om de juiste informatie te verkrijgen wordt nauw samengewerkt met betrokken organisaties in de strafrechtsketen. Een kwalitatieve monitor (interviews met slachtoffers over de ervaren kwaliteit van de dienstverlening) is ontwikkeld om de uitvoering van de Wet VPS door de strafrechtsketen in kaart te brengen. De eerste resultaten worden in 2012 bekend.

Betere dienstverlening aan slachtoffers

In 2011 is de landelijke dekking van slachtofferloketten gerealiseerd. Hier werken Openbaar Ministerie, Slachtofferhulp Nederland en politie samen en kunnen slachtoffers terecht voor ondersteuning en informatie. Het protocol Maatwerk is van kracht geworden, waarmee een uniforme werkwijze is vastgesteld voor de omgang van Openbaar Ministerie, Slachtofferhulp Nederland en politie met nabestaanden van slachtoffers van levensdelicten.

Kengetallen

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Aantal uitkeringen uit Schadefonds geweldsmisdrijven (SGM)
             

Aantal

         

Realisatie

Begroting

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Aantal positieve beslissingen SGM

4 689

4 459

5 459

5 266

4 481

6 4001

– 1919

Bron: Jaarverslagen SGM

X Noot
1

Kaderbrief SGM 2011

Toelichting kengetallen

Ten opzichte van 2010 is het aantal positieve beslissingen met circa 15% afgenomen. Het grote verschil ten opzichte van het voor 2011 geraamde aantal laat zich verklaren uit enerzijds de te hoog gebleken raming (gebaseerd op de periode januari tot en met mei 2010) en anderzijds uit méér afwijzingen (in verband met termijnoverschrijding, medeschuld en niet-voldoen aan het criterium «ernstig letsel»).

Aantal slachtoffer-dadergesprekken
             

Aantal

         

Realisatie

Begroting

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Aantal slachtoffer-dadergesprekken

366

904

1 050

1 075

1 211

1 250

– 39

Bron: Jaarverslagen Slachtoffer in Beeld

Toelichting kengetallen

De omvang van de dienstverlening door Slachtoffer in Beeld nam in 2011, zoals was voorzien in de ontwerpbegroting, substantieel toe.

Aantal slachtoffers dat juridische ondersteuning ontvangt van Slachtofferhulp Nederland (SHN)
             

Aantal

         

Realisatie

Begroting

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Juridische ondersteuning

             
 

1

49 241

42 599

43 311

46 398

43 2002

3 198

X Noot
1

Vanwege een gewijzigde registratiewijze zijn cijfers over 2007 niet beschikbaar.

X Noot
2

Kaderbrief SHN 2011.

In toenemende mate verschuift de dienstverlening van SHN van vormen van emotionele ondersteuning naar de meer juridische vormen van dienstverlening, als «verhalen schade», «begeleiding in strafproces», «schriftelijke slachtofferverklaring», «spreekrecht» en «voegingscontroles». Ook in 2011 zette deze ontwikkeling zich door.

Aantal slachtoffers dat emotionele ondersteuning ontvangt van Slachtofferhulp Nederland (SHN)
             

Aantal

         

Realisatie

Begroting

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Emotionele ondersteuning

1

43 544

39 678

34 471

31 977

34 0002

– 2 023

Bron: Jaarverslag Slachtoffer in Beeld (2008–2010)

X Noot
1

Vanwege een gewijzigde registratiewijze zijn cijfers over 2007 niet beschikbaar.

X Noot
2

Kaderbrief SHN 2011.

De verschuiving in vormen van dienstverlening heeft zich in 2011 ten aanzien van vormen van emotionele ondersteuning, meer dan was voorzien, voorgedaan.

Aantal slachtoffers dat praktische ondersteuning ontvangt van Slachtofferhulp Nederland (SHN)
             

Aantal

         

Realisatie

Begroting

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Praktische ondersteuning

1

28 910

23 867

35 524

33 557

29 2002

4 357

Bron: Jaarverslagen Slachtofferhulp Nederland

X Noot
1

Vanwege een gewijzigde registratiewijze zijn cijfers over 2007 niet beschikbaar.

X Noot
2

Kaderbrief SHN 2011.

Toelichting kengetallen

De op basis van de realisatiecijfers over de eerste maanden van 2010 verwachte daling van de omvang van de praktische dienstverlening in 2011 heeft zich in veel geringere mate voorgedaan.

Operationele doelstelling 13.7

Vreemdelingenbewaring: het in detentie houden van personen die niet of niet meer rechtmatig in Nederland verblijven met het oog op het al dan niet gedwongen verlaten van Nederland.

Doelbereiking

De capaciteit voor vreemdelingenbewaring was voldoende om vreemdelingen in bewaring te stellen en te houden indien dit aangewezen was.

Voor een volledig overzicht van de gebleken capaciteitsbehoefte en beschikbaar gestelde capaciteit voor vreemdelingenbewaring wordt verwezen naar de baten-lastenparagraaf van DJI.

14. JEUGD

Realisatie begrotingsuitgaven Veiligheid en Justitie € 11 438,5 miljoenart. 14 Jeugd 7,5%

Realisatie begrotingsuitgaven Veiligheid en Justitie € 11 438,5 miljoenart. 14 Jeugd 7,5%

Algemene doelstelling

Het beschermen van jeugdigen tegen aantasting van een goede opvoedings- en leefsituatie op het terrein van interlandelijke adoptie en internationale kinderontvoering en het bestrijden en voorkomen van jeugdcriminaliteit.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Het beschermen van jeugdigen tegen aantasting van een goede opvoedings- en leefsituatie en het bestrijden van jeugdcriminaliteit.

Externe factoren

De Minister van Veiligheid en Justitie heeft geen invloed op het aantal kinderen dat voor landelijke adoptie in aanmerking komt. Evenmin heeft hij invloed op het aantal kinderontvoeringen.

De omvang van jeugdcriminaliteit en de benodigde jeugdbescherming is deels afhankelijk van ontwikkelingen in de samenleving die niet direct door Veiligheid en Justitie zijn te beïnvloeden, zoals sociale problemen en demografische veranderingen.

Met het aantreden van het kabinet Rutte-Verhagen is in oktober 2010 de verantwoordelijkheid voor een samenhangend jeugdbeleid overgegaan van de voormalige Minister voor Jeugd en Gezin naar de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).

Beleidsverantwoordelijkheden die voor de totstandkoming van een afzonderlijke portefeuille «Jeugd en Gezin» behoorden tot de verantwoordelijkheid van andere ministeries dan VWS – zoals beleid rond kinderbescherming en rond inkomensondersteuning van gezinnen – zijn belegd bij de ministeries van Veiligheid en Justitie respectievelijk Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Het onderdeel jeugdbescherming valt sindsdien onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Jeugdbescherming is toegevoegd aan operationele doelstelling 14.1.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

 Omschrijving

Doelstelling

Start

Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

       

Interlandelijke adoptie en internationale kinderontvoering

14.1

2011

2012

Tenuitvoerlegging van jeugdsancties

14.2

2009

2010

www.wodc.nl

         

Effectenonderzoek ex-post

       

Verschijningsplicht ouders minderjarige verdachten

14.2

2011

2011

www.wodc.nl

         

Overig evaluatieonderzoek

       

Evaluatie gedragsmaatregel jeugdstrafrecht

14.2

2005

2011

www.wodc.nl 1

Procesevaluatie gedragsinterventies:

       

– Procesevaluatie Agressie Regulatie op Maat

14.2

2009

2011

www.wodc.nl 1

– Procesevaluatie Sova op Maat

14.2

2010

2011

www.wodc.nl

         

Validering/verbetering landelijk instrumentarium jeugdstrafrechtketen

14.2

2010

2011

www.wodc.nl

Evaluatie Verbetertraject Toezicht Jeugd

14.2

2010

2010

www.wodc.nl

Overkoepelend eindrapport PIJ

14.2

2011

2012

www.wodc.nl

X Noot
1

Herziene opleverdatum.

Budgettaire gevolgen van beleid x € 1 000
           

Realisatie

Begroting

Verschil

   

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Verplichtingen

1 015 149

481 470

528 109

419 600

892 592

898 952

– 6 360

waarvan garanties1

80 673

0

0

0

0

0

0

                 

Programma-uitgaven

802 018

517 921

526 011

445 169

857 624

898 952

– 41 328

                 

14.1

Uitvoering jeugdbescherming

339 487

8 635

7 020

6 721

384 049

430 732

– 46 683

14.1.1

RvdK – civiele maatregelen

115 593

4 960

5 070

4 798

90 867

90 523

344

14.1.2

Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO)

4 206

0

0

0

3 609

3 502

107

14.1.3

Bureaus Jeugdzorg – voogdij en OTS

205 096

0

0

0

286 869

330 047

– 43 178

14.1.4

Overig

14 592

3 675

1 950

1 923

2 704

6 660

– 3 956

                 

14.2

Tenuitvoerlegging justitiële sancties jeugd

442 739

509 286

518 991

438 448

442 912

443 672

– 760

14.2.1

DJI – jeugd

337 872

333 010

324 912

253 982

267 399

251 362

16 037

14.2.2

RvdK – strafzaken

45 556

97 564

102 679

98 264

93 597

81 753

11 844

14.2.3

HALT

11 742

12 909

12 540

12 986

11 979

12 364

– 385

14.2.4

Bureaus Jeugdzorg – Jeugdreclassering

47 569

53 390

57 877

60 194

62 928

59 875

3 053

14.2.5

Overig

0

12 413

20 983

13 022

7 009

38 318

– 31 309

                 

14.3

Opvang AMV's

19 792

0

0

0

30 663

24 548

6 115

14.3.1

Opvang en Voogdij AMV's

19 792

0

0

0

30 663

24 548

6 115

                 

Ontvangsten

11 838

4 010

12 850

8 048

20 179

5 450

14 729

X Noot
1

Het feitelijk risico van de verleende garanties aan particuliere jeugdinrichting betreft borgstellingen ten behoeve van het restantbedrag van leningen die particuliere inrichtingen zijn aangegaan ter financiering van de gebouwen. Het daadwerkelijke risico dat het ministerie van Veiligheid en Justitie loopt vanwege de verleende garantie kan als laag worden gekwalificeerd.

Verplichtingen

Financiële toelichting

14.1 «Uitvoering jeugdbescherming»

Het verschil tussen de vastgestelde begroting en de realisatie op de verplichtingen wordt voornamelijk verklaard door het programma jeugdbescherming. De afrekening van de subsidie jeugdbescherming 2010 heeft een meevaller van circa € 4,9 miljoen opgeleverd. Daarnaast blijken de cliëntenaantallen in de jeugdbescherming lager geraamd. Ook is er sprake van minder partneralimentatie en dit heeft geleid tot minder uitgaven bij het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen. Door vertraging in de voortgang van het project werkstroommanagement is er minder uitgegeven.

14.2 «tenuitvoerlegging sancties Jeugd»

Het verschil tussen de vastgestelde begroting en de realisatie op de verplichtingen wordt voornamelijk verklaard door het programma «Jeugdcriminaliteit».

De vermindering instroom bij jeugdreclassering heeft zich in de praktijk niet in volle omvang voorgedaan zoals uitgegaan bij de najaarsnota. Er zijn minder gedragsbeïnvloedende maatregelen (GBM) opgelegd dan bij de start van GBM ingeschat. De implementatie van het Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafketen (LIJ)en Prokid is uitgesteld naar 2012 omdat de financieringskosten en het systeem nog niet aan de eisen voldoen.

In het kader van passende nazorg is circa € 2 miljoen minder subsidie verleend omdat de vraag minder was dan geraamd. Ook bij de Veiligheidshuizen is circa € 1,5 miljoen minder verplicht dan aanvankelijk geraamd vanwege het niet tijdig of niet in de begrote omvang starten van enkele (deel) onderzoeken. De overige circa € 3 miljoen heeft betrekking op diverse andere kleine projecten.

14.3 «opvang AMV’s»

Het verschil tussen de vastgestelde begroting en de realisatie op de verplichtingen wordt voornamelijk verklaard door het feit dat voor voogdij AMV’s verplichtingen zijn aangegaan in 2011 terwijl dit geraamd is 2012.

Uitgaven

Het verschil tussen de vastgestelde begroting en de realisatie op de uitgaven wordt voornamelijk verklaard door hetgeen toegelicht bij de verplichtingen.

Daarnaast was op artikelonderdeel 14.1 «Uitvoering jeugdbescherming» in 2011 tijdelijk extra instroom geraamd bij de jeugdbescherming van bureau jeugdzorg als gevolg van de invoering van een project om de doorlooptijden in de totale jeugdbeschermingsketen te verbeteren. De verwachte extra instroom heeft zich echter niet in volle omvang voorgedaan waardoor het opwaartse effect in de uitgaven per saldo achterwege is gebleven.

Op artikelonderdeel 14.3 «opvang AMV’s» wordt het verschil tussen de vastgestelde begroting en de realisatie op de uitgaven voornamelijk verklaard door extra instroom en betalingen voor GGZ ziektekosten en pleegvergoeding

Ontvangsten

  • Er hebben een aantal technische mutaties plaatsgevonden waardoor er meer ontvangsten zijn gerealiseerd. De outputfinanciering 2010 van DJI en de projectbijdragen 2010 zijn afgerekend zodat de bijdrage aansluit op de geleverde producten en diensten en er dus sprake is van een juiste financiering van de output.

  • Er zijn meer ontvangsten dan begroot. Dit heeft voornamelijk betrekking op bedrijfsvoeringgerelateerde opbrengsten en ontvangen zwangerschapsgelden vanuit UWV, die betrekking hebben op voorgaande jaren.

Operationele doelstelling 14.1

Een zorgvuldige uitvoering van en toezicht op interlandelijke adoptie en zaken van internationale kinderontvoering in het licht van de relevante verdragen en Europese verordeningen op dit terrein.

Doelbereiking

Om te voldoen aan de uitgangspunten en waarborgen van het Haags Adoptieverdrag en het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het kind (IVRK) is gewaarborgd dat ouders voorlichting krijgen (uitgevoerd door de Stichting Adoptie Voorziening), wordt toezicht uitgeoefend op de vergunninghouders (deze zijn verantwoordelijk voor de adoptiebemiddeling) en is vormgegeven aan het gezinsonderzoek (uitgevoerd door de Raad voor de Kinderbescherming).

De Centrale Autoriteit internationale kinderontvoering voerde activiteiten uit ter bescherming van jeugdigen in het kader van internationale kinderontvoering onder meer door het geven van voorlichting en het bieden van procesvertegenwoordiging. In 2011 is de verkorting van de duur van de teruggeleidingsprocedure bij inkomende zaken geformaliseerd.

Interlandelijke adoptie

Instrumenten

In 2011 heeft een expertmeeting plaats gevonden over het thema special needs. Aanleiding hiervoor was de constatering dat het profiel van adoptiefkinderen in snel tempo verandert. In toenemende mate worden kinderen met «special needs» voor interlandelijke adoptie in aanmerking gebracht, terwijl gezonde jonge kinderen in toenemende mate in eigen land in gezinnen kunnen worden ondergebracht. Ook is in 2011 begonnen met de beleidsdoorlichting interlandelijke adoptie.

Om de kwaliteit van het adoptieproces te verbeteren is gedurende het jaar 2011 wederom ingezet op toezicht op de kwaliteit van de «matching».

  • In 2011 is gestart met de evaluatie van het Kwaliteitskader vergunninghouders interlandelijke adoptie. Deze evaluatie wordt begin 2012 afgerond.

  • Het wetsvoorstel wijziging Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) om de Regeling Tegemoetkoming adoptiekosten te kunnen invoeren, is in 2011 aangenomen en is op 1 januari 2012 in werking getreden. De regeling geldt tot 1 januari 2013. Het verzoek van de Tweede Kamer om met een mogelijk alternatief voor deze regeling te komen zal bij de herijking van het beleid en aanpassing van de Wobka in 2012 worden meegenomen.

Internationale kinderontvoering

  • De Centrale Autoriteit biedt ondersteuning bij teruggeleiding van het ontvoerde kind, zowel naar als uit Nederland. Daarnaast bemiddelt de Centrale Autoriteit ook in internationale omgangszaken. De procesvertegenwoordigende taken van de Centrale Autoriteit zijn per 1 januari 2012 beëindigd en overgedragen aan de advocatuur. Door de overgangsregeling in het ter zake aangenomen wetsvoorstel, oefent de Centrale Autoriteit nog enige maanden een procesvertegenwoordigende taak uit.

  • In 2011 is in inkomende zaken de doorlooptijd van de teruggeleidingsprocedure verkort tot in beginsel zes maanden, inclusief de gerechtelijke procedure(s) en de tenuitvoerlegging van de teruggeleidingsbeschikking. De mogelijkheid van cassatie is per 1 januari 2012 beperkt tot cassatie op initiatief van de procureur-generaal bij de Hoge Raad.

Tarieven jeugdbescherming en jeugdreclassering

De Algemene Rekenkamer heeft in 2011 onderzoek gedaan naar de kostprijs van jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen. De Rekenkamer constateert (TK 31 839 nr. 158) dat de administraties van de bureaus niet zodanig uniform zijn ingericht dat de kostprijs per maatregel kan worden berekend.

In het belang van de kinderen in de jeugdbescherming en jeugdreclassering was het echter noodzakelijk om in 2011 tot de vaststelling van de nieuwe tarieven over te gaan zodat de kinderen op adequate wijze beschermd worden. Het eerder uitgevoerde tariefherijkingsonderzoek van september 2010 is dan ook als uitgangspunt genomen voor het akkoord dat medio december 2011 met het IPO en de groot-stedelijke regio’s is bereikt over de nieuwe tarieven. Voor 2011 zijn met terugwerkende kracht de tarieven verhoogd, wat gecumuleerd tot een verhoging van € 7,5 miljoen heeft geleid.

Decentralisatie Jeugdzorg

Het kabinet wil een eenvoudiger stelsel van zorg en ondersteuning voor jeugd, waarin kinderen, ouders en andere opvoeders in elke gemeente gemakkelijker terechtkunnen met vragen over opgroeien en opvoeden. Zo worden zij eerder en sneller op maat geholpen, als het niet op eigen kracht lukt. Een stelsel dat kinderen stimuleert en ondersteunt om mee te doen en een bijdrage te leveren aan de samenleving. In lijn met het regeer- en gedoogakkoord moet er ook één financieringsysteem komen voor het stelsel van de jeugdzorg.

Om de gefaseerde overheveling van taken naar de gemeente mogelijk te maken, zijn in 2011 bestuurlijke afspraken gemaakt tussen Rijk, VNG en IPO in de Bestuurlijke Afspraken 2011-2015. Daarbij zijn voorwaarden gesteld aan de bovenlokale uitvoering van de jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringstaken, kwaliteitscriteria voor gemeenten en uitvoerende instellingen, toezicht en financiering. Tevens zijn afspraken gemaakt over de verantwoordelijkheid van gemeenten voor de JeugdzorgPlus (gesloten jeugdzorg), geestelijke gezondheidszorg voor jongeren (jeugd-GGZ), zorg voor jeugd met een licht verstandelijke handicap, de jeugdbescherming en de jeugdreclassering. In 2011 is gestart met het ontwikkelen van kwaliteitseisen voor instellingen die jeugdbescherming en jeugdreclassering gaan aanbieden aan gemeenten in het nieuwe stelsel jeugd.

Uiterlijk 2015 moet de decentralisatie van alle onderdelen van de jeugdzorg een feit zijn. De komende jaren worden gebruikt om de decentralisatie voor te bereiden (TK 31 839, nr. 142).

Beleidsontwikkeling jeugdketen Caribisch Nederland (CN)

Veiligheid en Justitie voert op de BES-eilanden gefaseerd verbetermaatregelen door.

▪ Civiele jeugdketen CN

In 2011 is verder gewerkt aan het opbouwen en versterken van de jeugdvoorzieningen op de BES-eilanden. In 2011 is een behoorlijke verbetering aan voorzieningen (ambulant, pleegzorg en residentiële zorg) gerealiseerd, waarmee de preventie beter tot uitvoering gebracht kan worden en meer passende hulp en jeugdbescherming kan worden geboden.

De Inspectie jeugdzorg heeft voor Caribisch Nederland een toezichtplan opgesteld voor 2011–2015.

▪ Strafrechtelijke jeugdketen CN

De uitvoering van de Jeugdreclassering staat nog in de kinderschoenen. Sinds juni 2010 worden jeugdreclasseringstaken uitgevoerd door de voogdijraad in samenwerking met het OM, de leerplichtambtenaar, de politie en de school. Er zijn samenwerkingsafspraken gemaakt met de gezinsvoogdij en de ambulante jeugdzorg om de jeugdzorgketen sluitend te maken. Er is een casusoverleg gekomen voor jongeren die met het strafrecht in aanraking (dreigen) te komen en een casusoverleg jeugdzorg.

De Raad voor de Rechtshandhaving is verantwoordelijk voor de toezichthoudende taak op de (jeugd)strafrechtsketen.

De Raad voor de Rechtshandhaving kan aan de Inspectie Jeugdzorg vragen toezicht uit te oefenen op de detentie van jeugdigen in aparte jeugdcellen in de Justitiële Inrichting Caribisch Nederland op Bonaire (JICN). Dit vindt in goede afstemming met de Inspectie Sanctietoepassing/IOOV plaats.

De Raad voor de Rechtshandhaving heeft inmiddels aan de Inspectie Jeugdzorg gevraagd toezicht uit te oefenen op de strafrechtelijke taken van de voogdijraad in Caribisch Nederland.

Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen

Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) int en stelt de ouderbijdragen vast op grond van de Wet op de jeugdzorg. Met ingang van 2010 is de pleegvergoeding verhoogd. De verwachting was dat de afschaffing van de ouderbijdragen (zie TK 31 279, nr. 9) halverwege 2011 zou zijn gerealiseerd. De staatssecretaris van VWS zal een voorstel doen voor het vervolg van het wetsvoorstel Verbetering positie pleegouders.

Regeldruk en administratieve lasten vermindering

In 2011 is de éénmeting «ervaren regeldruk» gedaan (bijlage bij TK 31 839, nr. 124). De ervaren regeldruk is hoog. Het onderzoek laat zien dat de stelselwijziging jeugdzorg een kans biedt om de landelijke regels terug te dringen. Maar dat is maar een deel van het verhaal. Een belangrijke oorzaak van de regeldruk is de wijze waarop het werk van professionals is ingericht en de wijze waarop jongeren, ouders en professionals zich tot elkaar verhouden en met elkaar omgaan. Mede op basis van de uitkomsten van de éénmeting is in 2011 besloten op welke wijze verder wordt samen gewerkt door politiek, overheid en veldpartners aan de vermindering van regeldruk en administratieve lasten.

Aan het verminderen van regeldruk en administratieve lasten wordt gewerkt langs drie lijnen:

  • Goede praktijkvoorbeelden van professionals en cliënten en succesvolle acties van het Programma Regeldruk Aanpakken (RAP) breed te verspreiden;

  • Quick wins te zoeken voor het verminderen van onnodige regeldruk in het huidige stelsel;

  • De zorg voor jeugd meer fundamenteel aan te pakken door de stelselwijziging en door ter sturen op professionaliteit en kwaliteit.

Kengetallen

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Kwaliteitverbetering en innovatie in de jeugdzorg

Inventarisatie kwaliteitstrajecten

In het nieuwe stelsel voor jeugd komen veel domeinen samen, wat een coherent kwaliteitsbeleid noodzakelijk maakt. In 2011 is samen met VWS een inventarisatie en vergelijking uitgevoerd om te bezien hoe initiatieven zich tot elkaar verhouden en of er mogelijke lacunes zijn.

Uit de inventarisatie blijkt dat er veel kwaliteitsinstrumenten zijn ontwikkeld. De inventarisatie is in juni 2011 voorgelegd aan experts en veldpartijen uit de brede zorg voor jeugd. Over de inventarisatie en vergelijking bestaat consensus met veldpartijen. Met experts van veldpartijen is over een toekomstvisie voor het kwaliteitsbeleid gesproken. De inventarisatie en uitkomsten van de consultatie dienen als uitgangspunt voor een visie op het kwaliteitsbeleid in de justitiële en brede jeugdzorg.

Professionalisering in de jeugdzorg

Op 1 december 2011 is overeenstemming bereikt over juridische vormgeving van de verplichte registratie en het tuchtrecht in de jeugdzorg.

Er komt een in de wet verankerd systeem met één register voor de beroepen jeugdzorgwerker (HBO) en gedragswetenschapper in de jeugdzorg (WO), alsmede tuchtrechtspraak in verschillende, aan de beroepsgroepen gerelateerde kamers van het in te stellen tuchtcollege.

Om te bereiken dat professionals met uitsluiting van anderen worden ingezet binnen de gebieden waarop zij deskundig zijn, moest een effectieve norm worden ontwikkeld die helder maakt met welke werkzaamheden alleen geregistreerde medewerkers mogen worden belast. Daarbij is aangesloten bij het begrip verantwoorde zorg zoals dat nu reeds is opgenomen in de Wet op de jeugdzorg. De wet geeft niet aan wat de norm precies inhoudt, doch gaat ervan uit dat professionals in concrete situaties zeer goed kunnen aangeven of er sprake is van verantwoorde zorg. Ook de Inspectie Jeugdzorg hanteert in toetsingskaders de norm verantwoorde zorg. Samen met relevante partners is de nadere uitwerking hiervan ter hand genomen.

Kengetallen inspectie Jeugdzorg
         

Realisatie

Begroting

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Aantal uitgebrachte rapporten

   

92

 

n.n.b.

75

 

Aantal behandelde klachten / signalen over de jeugdzorginstellingen

   

211

 

n.n.b.

270

 

Aantal behandelde meldingen / calamiteiten vanuit jeugdzorginstellingen

   

839

 

n.n.b.

900

 
Kengetallen Bureaus Jeugdzorg in %
         

Realisatie

Begroting

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Aantal voodij

5 198

5 402

6 071

6 694

6 726

6 950

– 224

Aantal voorlopige voogdij

369

208

167

136

210

212

– 2

Aantal ondertoezichtstelling (OTS)

28 279

30 212

32 775

33 118

37 772

40 407

– 2 635

Gemiddelde duur OTS in jaren

3,3

3,1

3,1

2,9 

2,9 

3,1

– 0,2

Bronnen: gegevens over de jaren 2007 t/m 2010 zijn realisatiecijfers, geleverd door Bureaus Jeugdzorg. De gegevens over de 2011 zijn gebaseerd op ramingen van Veiligheid en Justitie

Operationele doelstelling 14.2

Het voorkomen dat jeugdigen delicten plegen en wanneer zij dat wel doen, niet in herhaling vervallen (het verminderen van recidive).

Doelbereiking

Jeugdcriminaliteit brengt zowel de samenleving als de ontwikkeling van de individuele jongere veel schade toe en moet daarom worden voorkomen. In de aanpak is een samenhangend pakket aan maatregelen ondergebracht. Speerpunten vervat in het Programma «Aanpak Jeugdcriminaliteit» waren vroegtijdig ingrijpen, een persoonsgerichte aanpak, een snelle en consequente jeugdketen, passende nazorg en de aanpak van recidive onder strafrechtelijk werkgestrafte jeugdigen. De verbeterplannen van de Justitiële Jeugdinrichtingen zijn gericht op het verhogen van de kwaliteit van de opvoeding en effectiviteit van de behandeling in de Justitiële Jeugdinrichtingen.

Vroegtijdig ingrijpen/Aanpak 12-minners

Instrumenten

Jeugdigen die vroeg beginnen met het plegen van strafbare feiten, hebben een grote kans dit gedrag lange tijd voort te zetten. Het tijdig signaleren en beïnvloeden van dit gedrag draagt bij aan het voorkomen van criminele carrières. Daarom is – in het kader van de verbeterde aanpak van 12-minners – ingezet op:

  • 1. Vroegtijdige signalering van risico’s bij kinderen op basis van gegevens in de politieregistratie. Risicokinderen, die zijn gesignaleerd met Pro-kid, een in 4 pilots uitgetest en gevalideerd signaleringsinstrument, worden doorverwezen naar Bureau Jeugdzorg. Als gevolg van een aantal technische onvolkomenheden is de landelijke invoering uitgesteld naar 2012.

  • 2. Verbeterde politieregistratie 12-minners met delictgedrag: verbetering van de registratie is de basis voor risicosignalering door Pro-Kid en een sluitende aanpak van 12-min verdachten.

  • 3. Verhogen pakkans: Naar aanleiding van pilotprojecten is in 2011 een advies beschikbaar gekomen over hoe de pakkans het beste kan worden verhoogd. Pakkans verhogen kan door systematisch de uit onderzoek vastgestelde maatregelen toe te passen en uit te voeren op de diverse (criminele ) jeugdgroepen. De combinatie van gevalideerde maatregelen, focus en inzet van betrokken mensen vormen de kernelementen van de werkzame bestanddelen.

Persoonsgerichte aanpak

De effectiviteit van sancties neemt toe wanneer deze aansluit op de problematiek van de jongere. De persoonsgerichte aanpak is bevorderd door:

  • 1. Erkenning van een volledig pakket aan gedragsinterventies. Eind 2011 zijn er van het beoogd pakket van 21 gedragsinterventies voor jeugdige justitiabelen 16 gedragsinterventies erkend en 3 voorlopig erkend.

  • 2. De inzet van een gericht diagnose-instrumentarium voor de jeugdstrafketen. In september 2011 is tot de landelijke uitrol besloten.

Snelle en consequente Jeugdketen

Een sanctie dient snel te volgen op een overtreding of misdrijf gepleegd door een jongere. Op deze manier ervaart de jongere de relatie tussen de misstap en de straf.

  • 1. Het hanteren en naleven van realistische doorlooptijden in de jeugdstrafrechtketen. Een aantal verbetermaatregelen is geïmplementeerd (ook in de fase van hoger beroep) en de scores op de Kalsbeeknormen worden periodiek gemonitord.

  • 2. Beter toezicht op de naleving van de voorwaarden die worden opgelegd bij een vonnis. Op basis van het rapport Redesign Toezicht is geconcludeerd dat er verbeteringen mogelijk en wenselijk zijn in de mate waarin de jeugdstrafrechtsketen consequent optreedt. Dit ziet met name toe op jeugdigen die veroordeeld zijn.

Aanpak recidive onder strafrechtelijke werkgestrafte jeugdigen

De Raad voor de Kinderbescherming is in september 2011 gestart met het project Kwaliteit van Werkstraffen als deelproject van het project Aanpak recidive werkstraffen jeugd. Dit project loopt tot het najaar 2012 en beoogt de werkstraffen kwalitatief te verbeteren opdat de slagingskans wordt vergroot. In 2011 zijn de volgende resultaten behaald:

  • 1. Er is een geactualiseerd werkproces werkstraffen opgesteld en in de regio geëvalueerd.

  • 2. Er is een plan ontwikkeld om te komen tot professionalisering van de coördinatoren taakstraffen. Dit plan wordt in 2012 uitgevoerd.

In verschillende deelprojecten wordt in 2012 verder toegewerkt naar resultaten.

Verbeterplannen Justitiële Jeugdinrichtingen

In voorgaande jaren zijn veel maatregelen gerealiseerd om de begeleiding en behandeling van jongeren in een Justitiële Jeugdinrichting (JJI) op een kwalitatief hoger plan te brengen. 2011 Heeft daarbij in het teken gestaan van borging van die kwaliteitsverbeteringen (onder andere bijscholing van huidig personeel) in een periode waarin de beschikbare capaciteit fors is verminderd.

  • 1. Op 1 juli 2011 is wetgeving in werking getreden die onderdeel uitmaakte van het kwaliteitsverbetertraject. Het betreft onder meer regeling van de verplichte nazorg, de pedagogische time-out regeling en de wettelijk regeling van nachtdetentie.

  • 2. In 2011 het onderzoek «Onderwijs in Justitiële Jeugdinrichtingen en gesloten jeugdzorg» uitgevoerd. Het onderzoek geeft informatie over de aansluiting van het onderwijs bij het onderwijsniveau en de specifieke behoefte van jongeren in Justitiële Jeugdinrichtingen. Ook is informatie verzameld over scholen die zijn aangesloten bij de Jeugdzorgplus

Het capaciteitsplan JJI’s (TK, 24 587 nr. 403) waarover de Tweede Kamer eind 2010 is geïnformeerd, is in 2011 uitgevoerd. Ten aanzien van de nieuwbouw van Teylingereind is een overeenkomst met VWS en Avenier gesloten ter exploitatie van plaatsen ten behoeve van Jeugdzorgplus.

Adolescentenstrafrecht

Met betrekking tot de aangekondigde invoering van adolescentenstrafrecht (mede ter ondersteuning van de aanpak van bovengenoemde jeugdgroepen) is 2011 een jaar van voorbereiding en beleidsvorming geweest. Het wetsvoorstel (wijziging van een aantal wetten) voor de invoering van een Adolescentenstrafrecht is eind 2011 in consultatie gegaan. Het adolescentenstrafrecht behelst een breed pakket aan maatregelen om de criminaliteit van risicojongeren effectiever aan te kunnen pakken, waarmee een samenhangend sanctiepakket voor 15 tot 23 jarigen wordt gerealiseerd. Het wetsvoorstel biedt meer flexibiliteit bij het opleggen van sancties rond de leeftijdsgrens van 18 jaar, waardoor beter rekening kan worden gehouden met de ontwikkelingsfase van jongvolwassenen. Naar verwachting wordt het wetsvoorstel in 2012 aan de Tweede Kamer gezonden.

Indicatoren

De belangrijkste indicator voor beoogde beleidseffecten vormt het recidivepercentage. Aanvullend worden indicatoren gehanteerd die inzicht geven in de doorlooptijd in de jeugdstrafrechtketen, de kwaliteit van de gedragsinterventies voor jeugdigen en het bereik van de nazorg. Deze gegevens bieden in gezamenlijkheid zicht op de effecten van verschillende in te zetten beleidsinstrumenten ter bestrijding van de jeugdcriminaliteit en het voorkomen van recidive.

Doorlooptijden Jeugdstrafrechtketen

Doorlooptijden Jeugdstrafrechtketen
           

Realisatie

Begroting

Verschil

   

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Percentage binnen de normtijd (%) voor:

Norm

             

1e verhoor:

               

Haltverwijzing

7 dgn

67

74

76

76

76

80

– 4

Ontvangst pv

1 mnd

74

74

82

80

78

80

– 2

Start Halt-afdoening

2 mnd

63

72

76

69

88

80

8

Afdoening OM

3 mnd

77

79

79

81

79

80

– 1

Vonnis ZM

6 mnd

57

54

62

62

61

80

– 19

                 

Melding Raad:

               

Afronding taakstraf

160 dgn

80

81

80

84

86

80

6

Rapport Basisonderzoek

40 dgn

60

63

65

72

65

80

– 15

Bron: Parket Generaal (factsheets doorlooptijden jeugdstrafketen)

Aan de hand van de factsheets kan worden geconcludeerd dat de doorlooptijden zijn gestabiliseerd in 2011. De WIA-werkgroep is ingesteld om er voor te zorgen dat de doorlooptijden een punt van aandacht blijven en derhalve wordt door deze werkgroep toegezien op de waarborging.

Nazorg na verblijf in een JJI op strafrechtelijke titel

Indicator

Bereik nazorgtraject
         

Realisatie

Begroting

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Percentage jongeren dat nazorg krijgt aangeboden

70

80

85

100

100

100

 

Percentage jongeren waarvoor een trajectberaad is gehouden

– 

– 

90

95

95

97

 

Bron: Raad voor de Kinderbescherming

Toelichting indicator

Vroegtijdig ingrijpen

Begin 2012 is een één-meting uitgevoerd waarbij wordt gemeten over de periode september – oktober 2011. Daaruit wordt een landelijk beeld gebouwd, gebaseerd op de bevindingen in de 4 steekproefregio’s.

Verbetering JJI’s

In 2011 zijn alle JJI’s Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling Zorgsector (HKZ) gecertificeerd. Hiermee is een stevige basis gelegd voor de kwaliteit van de primaire processen en een sluitend systeem van periodieke toetsing, evaluatie en bijstelling ontwikkeld.

Operationele doelstelling 14.3

Voorzien in de voogdij van alleenstaande minderjarige vreemdelingen.

Doelbereiking

De Minister van Veiligheid en Justitie draagt zorg voor het voorzien in de voogdij van alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Hiertoe subsidieert het Ministerie van Veiligheid en Justitie op grond van het Besluit subsidie rechtspersonen voor voogdij en gezinsvoogdij vreemdelingen de Stichting Nidos die deze voogdijtaak uitoefent. In 2011 zijn nieuwe normprijzen vastgesteld voor de begeleidingskosten en de verzorgingskosten. De Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel is verantwoordelijk voor het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen.

Instrumenten

De Minister van Veiligheid en Justitie subsidieert de Stichting Nidos, die de voogdijtaak voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen uitoefent. De Inspectie Jeugdzorg heeft in 2011 haar rapport uitgebracht over de wijze waarop Nidos zijn voogdijtaak uitoefent. In september 2011 is dit rapport aan de Tweede Kamer aangeboden (TK 27 062, nr. 72).

Indicatoren

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Voogdij (prestatiegegevens NIDOS)
     

Realisatie1

Begroting

Verschil

 

2009

2010

2011

2011

 

Aantal jongeren onder voogdij aan het begin van het jaar

2 495

2 964

3 031

2 911

120

Aantal instroom jongeren onder voogdij

1 426

1 254

1 055

950

105

Aantal uitstroom jongeren onder voogdij

967

1 285

1 360

1 125

235

Gemiddelde bezetting voogdij

2 669

2 952

2 882

2 850

32

Gemiddelde bezetting opvang door Nidos

1 717

1 808

1 894

2 234

– 340

Gemiddelde prijs voogdij per jongere

5 228

5 258

5 866

5 838

28

Gemiddelde prijs verzorging jongere in Nidosopvang

5 083

5 384

5 280

4 809

471

Gemiddelde prijs opvang per jongere (inclusief voogdij)

10 311

10 642

11 228

10 647

581

Bron: Nidos

X Noot
1

Deze realisatiecijfers zijn voorlopig.

Toelichting Indicatoren

Door het lagere aantal jongeren in Nidos-opvang zijn de kosten voor begeleiding gestegen. De toename in voogdijkosten per jongere is hiermee verklaard.

17. INTERNATIONALE RECHTSORDE

Realisatie begrotingsuitgaven Veiligheid en Justitie € 11 438,5 miljoenArt. 17 Internationale rechtsorde 0,02%

Realisatie begrotingsuitgaven Veiligheid en Justitie € 11 438,5 miljoenArt. 17 Internationale rechtsorde 0,02%

Algemene doelstelling

Bevorderen van de ontwikkeling van de Europese en internationale rechtsorde.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Veiligheid en Justitie heeft bijgedragen aan een slagvaardig en democratisch Europa door actief bij te dragen aan de totstandkoming en aanscherping van verschillende richtlijnen waarover in 2011 akkoord is bereikt, bij het geven van vorm en inhoud aan het Nederlandse voorzitterschap van de Benelux en door het uitvoeren van projecten in enkele lidstaten om het wederzijds vertrouwen in de rechtspleging te vergroten.

Externe factoren

De ontwikkeling van de Europese en internationale rechtsorde krijgt gestalte in onderhandelingen in de Europese Unie met de Europese lidstaten, in interactie met internationale organisaties, zoals de Raad voor Europa en de Verenigde Naties, en tussen staten onderling. De uitkomst van internationale besluitvorming is dan ook vrijwel altijd een onderhandelingsresultaat.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

De maatschappelijke effecten van de bijdrage van Nederland aan de ontwikkeling van de Europese en de internationale rechtsorde zijn moeilijk uit te drukken in indicatoren. Er worden wel doelen en voorwaarden geformuleerd voor de Nederlandse Veiligheid en Justitie-inzet (het zo optimaal mogelijk inventariseren van de Nederlandse belangen en de verspreiding daarvan in de internationale context). De inzet van het ministerie van Veiligheid en Justitie is vaak onderdeel van inspanningen van meerdere partijen, waardoor de effecten alleen als geheel zichtbaar zijn.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

 

Doelstelling

Start

Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

       

Internationale rechtsorde

17.1

nvt

nvt

n.v.t.

Veiligheid en Justitie evalueert de internationale functie periodiek. Daarmee probeert VenJ de effectiviteit van de internationale functie te borgen. Onder operationele doelstelling 17.1 is aangegeven op welke wijze Veiligheid en Justitie bijdraagt aan vrijheid, veiligheid en recht in Europa en internationaal. Daarbij worden ook meetbare gegevens benut (input en output). In 2010 (WODC/Clingendael) heeft de laatste evaluatie plaatsgevonden. In 2011 zijn aanpassingen gedaan, samenhangend met de nieuwe VenJ-organisatie. De uitkomsten van de evaluatie zijn daarbij leidend geweest.

De in 2011 geplande beleidsdoorlichting van artikel 17.1 is, na afstemming met het ministerie van Financiën, opgeschort. Dit mede met het oog op de wijzigingen die voorkomen uit de nieuwe begrotingssystematiek «Verantwoord Begroten». Die systematiek maakt dat artikel 17 met ingang van 2013 als zodanig geen onderdeel meer uitmaakt van de ontwerpbegroting, maar onderdeel wordt van artikel 91 «Apparaatsuitgaven» van het kerndepartement.

Budgettaire gevolgen van beleid x € 1 000
           

Realisatie

Begroting

Verschil

   

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Verplichtingen

2 073

2 123

2 464

2 359

2 112

1 651

461

                 

Apparaat-uitgaven

2 030

2 113

2 444

2 415

2 116

1 651

465

                 

17.1

Internationale regelgeving

2 030

2 113

2 444

2 415

2 116

1 651

465

17.1.1

Directie Wetgeving

2 030

2 113

2 444

2 415

2 116

1 651

465

                 

Ontvangsten

90

4

4

87

4

0

4

Financiële toelichting

Binnen dit artikel hebben zich geen wijzigingen voorgedaan die een toelichting behoeven.

Operationele doelstelling 17.1

Het bijdragen aan een Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.

Doelbereiking

Veiligheid en Justitie heeft bijgedragen aan de ontwikkeling en instandhouding van de instituties die aan de Europese en internationale rechtsorde verbonden zijn, aan Europese en internationale regelgeving en structuren voor justitiële en politiële samenwerking. Daarbij is actief gestuurd op het realiseren van Nederlandse prioriteiten in het Stockholm Programma, in Europese wetgeving en in praktische en operationele samenwerking ter vergroting van vrijheid, veiligheid en recht binnen de Unie.

Op het terrein van Europees burgerschap en grondrechten, de Europese justitiële ruimte en veiligheid, heeft Veiligheid en Justitie actief bijgedragen aan de totstandkoming en aanscherping van verschillende richtlijnen waarover in 2011 akkoord is bereikt.

Veiligheid en Justitie heeft actief en met resultaat vorm en inhoud gegeven aan het Nederlandse voorzitterschap van de Benelux in 2011 en heeft op diverse niveaus met de counterparts in België en Duitsland samengewerkt op het justitieel en veiligheidsbeleid.

Slagvaardige instituties voor de mensenrechten

Instrumenten

Het mensenrechtenbeleid in Europees en internationaal verband vraagt om een slagvaardig Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken heeft de Minister van Veiligheid en Justitie in oktober 2011 een brief aan de Tweede Kamer gestuurd (TK 32 500-Y, nr. Y). Hierin is het kabinetsstandpunt ten aanzien van de hervormingen van het EHRM verwoord. Ook wordt onder andere de verdere inzet in het Interlaken-proces beschreven. De implementatie van de Interlaken- en Izmirverklaring is voortgezet in 2011. De laatste cijfers over de werkachterstanden van het EHRM lijken een voorzichtig positief effect van Protocol 14 te laten zien: er worden meer zaken afgedaan, de achterstand lijkt te slinken.

Veiligheid, vrijheid en recht binnen de Europese Unie

In 2011 is de uitvoering van het JBZ-beleidsprogramma 2010–2014 van de EU, het Stockholm Programma, voortgezet. Veiligheid en Justitie heeft actief aangestuurd op het concreet vormgeven van de Nederlandse prioriteiten in het Stockholm Programma en de Tweede Kamer is daar actief bij betrokken. De Tweede Kamer is in juni 2011 geïnformeerd over de voortgang van de uitvoering van het Stockholm Programma (TK 32 317 nr. 63).

Opbouw van de nationale rechtsorde in andere landen en vertrouwen in de rechtsordes van de EU lidstaten

Het Ministerie van Veiligheid en Justitie biedt hulp bij de opbouw van de rechtsstaat in derde landen en draagt bij aan de regeringsbrede inzet bij de opbouw van fragiele staten.

Kroatië, Roemenië en Bulgarije worden meerjarig geadviseerd over de hervorming en versterking van de justitieketen. In Bulgarije en Roemenië betrof dat in 2011 projecten gericht op mensenhandel, mediation, het gevangeniswezen en politiesamenwerking. Een project gericht op het versterken van een vakvereniging voor Bulgaarse rechters is in 2011 succesvol afgerond. In Kroatië betrof dat de structuur van het Ministerie van Justitie. In Indonesië vond kennis overdracht plaats over wetgevingskwaliteit en is met de anticorruptiecommissie kennis uitgewisseld over opsporingsmiddelen.

Met inzet van het Asser Instituut zijn een vijftigtal wetgevingsjuristen uit de landen van de Westelijke Balkan, Rusland en Turkije geschoold in het implementeren van regels die voortvloeien uit het EU-acquis. Ook zijn een vijftigtal magistraten uit die regio getraind in Nederlandse en internationale uitgangspunten van een solide en modern rechtsbestel.

Veiligheid en Justitie heeft in 2011 naast tientallen politiefunctionarissen tien civiele «Rule of Law»-experts gedetacheerd bij de EU-missies in Afghanistan, Irak en Kosovo.

In het kader van de bevordering van het wederzijds vertrouwen in de rechtspleging is ook een pilotproject gestart met Frankrijk en Duitsland betreffende rechtsstaatmonitoring. Ook zette in 2011 Nederland zich in om rechtstatelijke elementen in het nieuwe Schengen-evaluatiemechanisme op te nemen.

Indicatoren

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Bevorderen internationale rechtsorde
 

Indicator/

Realisatie

 

Streefwaarde

 

verwijzing

2010

2011

2011

Bevorderen mensenrechten

– Appèls tot tenuitvoerlegging van uitspraken van EHRM in bilaterale ministeriële contacten met Raad van Europa-lidstaten

 

In bilaterale contacten is, zo mogelijk, aandacht gevraagd voor de tenuitvoerlegging van uitspraken van het EHRM. Daarnaast is Nederland actief deelnemer aan het Comité ter toezicht op tenuitvoerlegging van Hof-uitspraken (CMDH)

– Sneller en adequater tenuitvoerlegging van uitspraken van het EHRM door lidstaten van de Raad van Europa

 

– Toetreding EU tot het EVRM

 

Nederland is actief deelnemer aan de toetredings-onderhandelingen. Zorgvuldigheid staat daarbij voorop.

– Voorspoedig verloop van de toetredings-onderhandelingen tussen de EU en de Raad van Europa in 2011

Nederlandse prioriteiten in JBZ-meerjarenprogramma

– Nederlandse prioriteiten en wensen uit het Stockholm-programma worden ook opgenomen in de voorstellen van de Europese Commissie

 

In de geannoteerde agenda en de verslagen van de JBZ-Raad wordt gerapporteerd over de wijze waarop Nederland heeft ingezet op het opnemen van Nederlandse prioriteiten in Europese wetgeving. In 2011 had dit onder meer betrekking op gegevensuitwisseling over kindermisbruik, versterking van de positie van slachtoffers, de toegang tot een advocaat bij het politieverhoor en de afschaffing van de exequaturprocedure in burgerlijke en handelszaken (Brussel I).

– Verwerking van de Nederlandse prioriteiten en wensen in de voor 2011 voorziene concrete voorstellen van de Europese Commissie. 

21. CONTRATERRORISME- EN NATIONAAL VEILIGHEIDSBELEID

Realisatie begrotingsuitgaven Veiligheid en Justitie € 11 438,5 miljoen Art. 21 Contraterrorisme- en nationaal veiligheidsbeleid 0,6%

Realisatie begrotingsuitgaven Veiligheid en Justitie € 11 438,5 miljoen Art. 21 Contraterrorisme- en nationaal veiligheidsbeleid 0,6%

Algemene doelstelling

Het voorkomen van en prepareren op dreigingen tegen de nationale veiligheid en zorgen dat burgers, bedrijfsleven en overheidsorganisaties goed voorbereid zijn op mogelijke crises.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Om tijdens een aanslag of crisis adequaat en effectief te kunnen reageren, is geïnvesteerd in oefeningen en opleidingen, op rijksniveau, op het niveau van de veiligheidsregio’s en op lokaal niveau. Burgers en bedrijfsleven zijn door voorlichtingscampagnes zich meer bewust geworden van hun eigen verantwoordelijkheid in het kader van de nationale veiligheid en de risico’s die aan de orde zijn (TK 30 821, nr. 12). Op internationaal niveau is gewerkt aan gezamenlijke methoden om risico’s in beeld te brengen, de aanpak van specifieke dreigingen, zoals terrorisme en cybersecurity, op elkaar af te stemmen en kennis en informatie te delen tijdens crisissituaties zoals de aardbeving in Japan, de EHEC-uitbraak en dergelijke.

Externe factoren

De voorbereiding op aanslagen en crises is in 2011 verder versterkt. Voor het realiseren van een samenleving waarin burgers en bedrijven goed worden beschermd tegen grootschalige dreigingen is steun, inzet en samenwerking van en tussen de partners in veiligheid van belang.

De snelle technologische ontwikkelingen op het gebied van informatietechnologie en de sterke verwevenheid van ICT met ons dagelijks leven, maken ons land kwetsbaarder voor verstoringen van deze techniek. Daarom is, samen met het bedrijfsleven en andere overheden, in 2011 stevig ingezet op de weerbaarheid tegen spionage en op cybersecurity.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

De maatschappelijke effecten in het kader van crisisbeleid en terrorismebestrijding laten zich door het grote aantal activiteiten en instrumenten en de afhankelijkheid van derden bij de realisatie van de doelstellingen niet in kwantitatieve maar kwalitatieve termen uitdrukken.

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Omschrijving

Doelstelling

Start

Afgerond

Vindplaats

Overig evaluatieonderzoek

       

Analyse pilot dreigingsmanagement

21.4

2011

2012

 
Budgettaire gevolgen van beleid x € 1 000
           

Realisatie

Begroting

Verschil

   

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Verplichtingen

0

0

0

90 680

59 107

55 635

3 472

               

Programmauitgaven

0

0

0

85 415

70 217

56 969

13 248

                 

21.1

Nationale veiligheid

0

0

0

19 409

4 621

9 783

– 5 162

21.1.1

Nationale veiligheid

0

0

0

19 409

4 621

9 783

– 5 162

                 

21.2

Nationaal CrisisCentrum

0

0

0

19 217

19 535

14 794

4 741

21.2.1

Nationale veiligheid

0

0

0

19 217

19 535

14 794

4 741

                 

21.3

Onderzoeksraad voor veiligheid

0

0

0

9 415

11 587

11 236

351

21.3.1

Nationale veiligheid

0

0

0

9 415

11 587

11 236

351

                 

21.4

Terrorsimebestrijding

0

0

0

37 374

34 474

21 156

13 318

21.4.1

NCTV

0

0

0

37 374

34 474

21 156

13 318

                 

Ontvangsten

0

0

0

134

1 427

0

1 427

Uitgaven

Financiële toelichting

21.1 «nationale veiligheid»

In verband met de verdere ontwikkeling van de crisisstructuur op rijksniveau is een budget van € 1,8 miljoen gerealloceerd naar operationele doelstelling 21.2 «Nationaal CrisisCentrum». Naar aanleiding van de gateway review is NL-Alert in drie regio’s verder getest. Hierdoor is de planning van de invoering van NL-Alert aangepast. De bijbehorende publiekscampagne ad € 1,1 is miljoen uitgesteld tot 2012. De kosten voor het zogenaamde Analistennetwerk en de Denktank bleken € 0,9 miljoen lager te zijn dan begroot. Verder is de besteding achtergebleven omdat enkele projecten vertraging hebben opgelopen.

21.4 «Terrorismebestrijding»

  • Als voorbereiding op de vorming van het Nationaal Cyber Security Centrum is het Computer Emergency Response Team (CERT) van de Nederlandse overheid onderdeel geworden van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. De middelen (€ 6,5 miljoen) zijn aan het budgettaire kader van artikel 21.4 toegevoegd. Daarnaast is aanvullend een bedrag van € 2,2 miljoen geïnvesteerd door het kabinet waarmee een impuls wordt gegeven aan het actieplan van de Cyber Security Strategie.

  • In 2011 is een bedrag van € 2,3 miljoen extra geïnvesteerd in de beveiliging van de burgerluchthaven in Nederland waaronder beveiligingsmaatregelen in Caribische Nederland die vereist zijn als gevolg van internationale verdragen.

  • In 2011 is een tweetal projecten afgerond waarmee een bedrag van € 1,5 miljoen meer is uitgegeven dan geraamd: voor het project cameratoezicht is in 2011 € 0,5 miljoen extra uitgegeven en voor het project dat tot doel heeft de informatiepositie in de veiligheidsketen te verbeteren, is € 1 miljoen uitgegeven.

Operationele doelstelling 21.1

Het systematisch identificeren en beoordelen van mogelijke dreigingen op de nationale veiligheid en het in kaart brengen en waar nodig versterken van de strategische capaciteiten die nodig zijn om de dreigingen op de nationale veiligheid te voorkomen dan wel om er mee om te gaan.

Doelbereiking

Het kabinet Rutte-Verhagen heeft de werkwijze van de Strategie Nationale Veiligheid en de Nationale Risicobeoordeling, zoals vastgesteld door het vorige kabinet, voortgezet. Met deze werkwijze zijn potentiële risico’s scherp in beeld gebracht ter voorbereiding op mogelijke gevaren.

In 2010 heeft de Nationale Risicobeoordeling plaatsgehad. Naar aanleiding daarvan heeft het kabinet extra ingezet op de thema’s cybersecurity en internationale bedreigingen van de nationale veiligheid, waaronder schuivende (economische) machtsverhoudingen en geopolitieke invloed op energie-, grondstof- en voedselzekerheid.

Daarnaast is aangegeven dat, gezien nieuwe typen dreigingen en crises, een sectoroverstijgende en bovenregionale of nationale aanpak noodzakelijk is. Hiertoe is de samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven (en in het bijzonder de vitale infrastructuur) sterk verbeterd waar het gaat om het vergroten van de continuïteit van de vitale processen en daarmee het voorkomen van maatschappelijke ontwrichting.

Investeringen in een participerend veiligheidsbeleid hebben er toe geleid dat burgers en bedrijven hun eigen verantwoordelijkheden kennen en meer zelfredzaam en weerbaar zijn geworden, onder andere op het terrein van mogelijke crises.

Het systematisch identificeren en beoordelen van mogelijke dreigingen op de nationale veiligheid

Instrumenten

Nationale Risicobeoordeling en Strategische Verkenningen

In 2011 is de Nationale Risicobeoordeling 2010 uitgebracht, waarover in de Voortgangsbrief Nationale Veiligheid aan de Tweede Kamer is gerapporteerd (TK 30 821, nr. 12). Inmiddels is gestart met de Nationale Risicobeoordeling 2011, waarbij een actualisatie van polarisatie- en radicalisering-scenario’s plaatsvindt, een nieuwe risicoanalyse met betrekking tot grieppandemie heeft plaatsgevonden naar aanleiding van geleerde lessen tijdens de recente Nieuwe Influenza A (H1N1) uitbraak en risicoanalyses worden uitgevoerd met betrekking tot elektromagnetische verstoringen, terrorisme en de internationale invloed op onze nationale veiligheid.

Europees programma voor de bescherming van Vitale Infrastructuur (EPCIP)

De implementatie van de richtlijn ten aanzien van de identificatie en aanmerking van Europese vitale infrastructuren (met betrekking tot transport en energie) is ruim gehaald waardoor Nederland heeft voldaan aan de rapportage-vereisten. Samen met het Ministerie van Infrastructuur & Milieu en het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie is in Europees verband gewerkt aan de totstandkoming van het EPCIP-programma en aan de herziening van de richtlijn.

Het EPCIP-programma en de herziening van de richtlijn worden in 2012 nader uitgewerkt en vastgesteld.

EU-brede risico-analyse

In Europees verband is bijgedragen aan de ontwikkeling van de conclusies over de door de Europese Commissie opgestelde richtlijnen voor EU-brede risicoanalyse. Deze conclusies zijn in april door de Justitie en Binnenlandse Zaken Raad aangenomen en sluiten goed aan op de in Nederland ontwikkelde methodiek voor risicoanalyse.

Het in kaart brengen en waar nodig versterken van de strategische capaciteiten die nodig zijn om de dreigingen op de nationale veiligheid te voorkomen dan wel om er mee om te gaan.

Continueren van de samenwerking tussen veiligheidsregio’s, de vitale sectoren en de rijksoverheid en landelijke aanpak van veiligheidsregio’s met betrekking tot de bescherming van vitale infrastructuur

Eén van de eisen uit de Wet veiligheidsregio's betreft afspraken tussen regio's en crisispartners. In 2011 was het optimaal ondersteunen van de veiligheidsregio’s bij de daadwerkelijke samenwerking tussen veiligheidsregio’s en vitale sectoren inzake de (voorbereiding op de) rampenbestrijding en crisisbeheersing een belangrijke doelstelling. Het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft geld beschikbaar gesteld voor het project «Vitale Partnerschappen in Veiligheid». Hierin wordt samengewerkt op basis van convenanten die gelden als landelijk standaarddocument met de mogelijkheid om in de uitwerking regiospecifieke aandachtspunten te benoemen. Er zijn convenanten opgesteld voor vitale sectoren drinkwater, gas en elektra, en telecom. Er is blijvend aandacht voor het verhogen van het aantal geïmplementeerde convenanten. In 2011 is gestart met het ontwikkelen van samenwerking tussen de veiligheidsregio’s en andere sectoren zoals Rijkswaterstaat en de waterschappen, het spoor en defensie.

Verbeteren multidisciplinaire samenwerking bij CBRN

In 2011 zijn procesbeschrijvingen gemaakt van de multidisciplinaire CBRN-processen, voor een betere operationele samenwerking op het terrein van CBRN. Ook is een inventarisatie gemaakt van alle loketten waar hulpdiensten ten tijde van een CBRN-incident kennis en advies kunnen krijgen. Dit overzicht dient mede als basis voor de inrichting van een éénloketfunctie voor first-responders. Een multidisciplinaire kerngroep opleidingen is opgericht waarin opleidingsactiviteiten op het terrein van CBRN tussen de kolommen worden afgestemd en multidisciplinaire activiteiten worden vormgegeven. Interdepartementaal is een verdere invulling gegeven aan de implementatie van het EU CBRN Actieplan. Nederland ligt op schema bij de implementatie van dit Actieplan.

In oktober 2011 vond de nationale oefening 2011 plaats, Indian Summer, die zich richtte op een grootschalig CBRN-incident (zie ook OD 21.2).

Programma Intensivering Civiel-Militaire Samenwerking (ICMS)

In nauwe samenwerking met het Ministerie van Defensie is bijgedragen aan de implementatie van het programma Intensivering Civiel-Militaire Samenwerking (ICMS). De uitvoering hiervan verliep beleidsmatig en financieel volgens plan, zoals in 2006 medegedeeld aan de Tweede Kamer (TK 30 300, nr. 106). Naar verwachting wordt het traject op de voorziene einddatum, in december 2012, afgerond.

Daarnaast is in het kader van de in het Regeerakkoord gemaakte afspraken over het vaker inzetten van de krijgsmacht bij de vorming van gecombineerde teams met politie en andere diensten, samen met Defensie een toetsingskader aangeboden aan de Tweede Kamer (TK 33 000, nr. 6). Hierin is conform de toezegging aan de Kamer een uiteenzetting gegeven van de uiteenlopende vormen van militaire bijstand aan de nationale civiele autoriteiten en van de toetsing die aan de besluitvorming vooraf gaat.

Nafase

Het is noodzakelijk om goed voorbereid te zijn op de fase ná de directe bestrijding van een ramp. Daartoe is het interdepartementale project «versterking van de nafase bij rampen» opgezet. Eén van de activiteiten bestond uit het verkrijgen van (meer) inzicht in rollen, taken en verantwoordelijkheden van de verschillende departementen die betrokken zijn bij de nafase. Ook zijn de momenten waarop besluitvorming over de nafase van een ramp moet plaatsvinden in kaart gebracht. Op basis hiervan is een eerste versie van een samenhangend kader gemaakt dat als handvat kan dienen om op het goede moment het proces van de nafase te starten en dit proces gestructureerd te laten verlopen. Dit concept-kader is ingezet bij de oefening Indian Summer en zal ook gebruikt worden bij daadwerkelijke crises.

Verbinding leggen tussen nationaal en regionaal veiligheidsbeleid

In 2011 is gewerkt aan de kwaliteit van de rampenbestrijding en crisisbeheersing door verbinding te leggen tussen nationaal en regionaal veiligheidsbeleid, ondermeer bij nationale en regionale crisisplannen en aansluiting tussen de nationale risicobeoordeling en regionale risicoprofielen. Zo is door verschillende regio's meegewerkt aan het opstellen van landelijke scenario's, zijn landelijke experts ingeschakeld bij regionale risicoprofielen, worden crisisthema's gezamenlijk nader uitgewerkt en vindt er bestuurlijk en operationeel overleg plaats over de verschillende crisisplannen. Ook is veel aandacht geweest voor opleiden, trainen en oefenen op nationaal en regionaal niveau, inclusief de afstemming tussen beide niveaus.

Vormgeven stelsel voor toezicht en monitoring op de veiligheidsregio’s

Naast de structurele en thematische onderzoeken van de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid is in 2011 met elke veiligheidsregio een voortgangsgesprek gevoerd. Ook is de eindrapportage van het project Aristoteles opgeleverd. Dit project was gericht op prestatiemeting en prestatieverantwoording voor en door veiligheidsregio's. Daarnaast zijn specifiek voor de brandweer binnen het project Cicero, dat tot doel had een kwaliteitsbeheersingssysteem voor de veiligheidsregio’s te ontwikkelen, een auditsystematiek en de bijbehorende kwaliteitsinstrumenten opgezet.

Opstellen interdepartementaal analysekader ten behoeve van toetsing van staatsnoodrecht

Doel was om een toetsings/analysekader op te leveren voor alle ministeries om te bezien of de huidige (sectorale) noodwetgeving nog aan de eisen van «moderne» crisisbeheersing voldoet. Omwille van de inhoudelijke samenhang is in 2011 besloten hier geen apart project voor op te zetten, maar de toetsing van het staatsnoodrecht mee te nemen in de ontwikkeling van voorstellen voor de versterking van de regierol van het rijk. De eerste resultaten hiervan worden in 2012 verwacht.

Participerend veiligheidsbeleid

Zelfredzaamheid van de burger verder versterken

Zoals aangegeven in de Voortgangsbrief Nationale Veiligheid (TK 30 821, nr. 12) heeft het project Zelfredzaamheid bij rampen en crises belangrijke handvatten opgeleverd om de wijze waarop mensen zelfredzaam zijn te verbeteren. De inspanningen op rijksniveau hebben het bewustzijn van burgers dat ook zij een rol hebben tijdens noodsituaties verhoogd. Het verder stimuleren van zelfredzaamheid moet op lokaal en regionaal niveau gebeuren. In 2011 is door middel van regiobijeenkomsten en de stimulering van de oprichting van een kennis- en expertisecentrum Zelfredzaamheid de opgedane kennis overgedragen aan de veiligheidsregio’s. Brandweeropleidingen zijn zodanig aangepast dat hulpverleners al tijdens hun basisopleiding leren hoe (zelf)redzaamheid gestimuleerd kan worden en hoe er het beste mee kan worden omgegaan. Tijdens noodsituaties kan zelfredzaam handelen vergroot worden met behulp van NL-Alert. In verband met aanpassing van de planning voor de invoering van NL-Alert is de publiekscampagne naar 2012 verschoven.

Vergroten weerbaarheid vitale sectoren

In 2011 is gewerkt aan de vergroting van de weerbaarheid van de vitale sectoren. Zo heeft de Minister van Veiligheid en Justitie een intentieverklaring afgesloten met VNO-NCW en MKB Nederland om de weerbaarheid tegen spionage door buitenlandse inlichtingendiensten te vergroten en is er een handleiding Kwetsbaarheidsanalyse Spionage (KWAS) ontwikkeld, waarmee bedrijven en overheden hun kernbelangen en de kwetsbaarheid ervan in kaart kunnen brengen en concrete maatregelen kunnen nemen. Verder zijn er awareness-presentaties over de gevaren van spionage gehouden, zijn vitale sectoren gestimuleerd continuïteitsplannen op te stellen voor uitval van elektriciteit en ICT, is voor de respons op ICT-incidenten een ICT-responsboard opgericht en de oprichting van een Nationaal Cyber Security Center gerealiseerd, waarin publieke en private partners samenwerken om de cyber security te versterken. Daarnaast wordt er in het kader van de Strategie Nationale Veiligheid nauw samengewerkt met de Commissie Vitale Infrastructuur bij VNO-NCW.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Zie de toelichting bij de algemene doelstelling.

Operationele doelstelling 21.2

Een effectieve nationale crisisresponsorganisatie voor de aansturing van crisisbeheersing.

Doelbereiking

Toenemende complexiteit vraagt van de overheid een eenduidig en daadkrachtig beleid voor crisisbeheersing. Snelheid en zorgvuldigheid zijn, hoewel onderling soms op gespannen voet, essentiële randvoorwaarden voor crisisbesluitvorming. In crisistijd gelden andere vormen van interdepartementale samenwerking, omdat de veiligheid dat vraagt. Het Nationaal Crisiscentrum (NCC) is de bestuurlijke responsorganisatie op nationaal niveau ten tijde van een crisis dat werkt voor en met departementen. Voor die samenwerking is de afgelopen jaren intensief geïnvesteerd in het traject Crisisstructuur op Rijksniveau. Om optimaal te kunnen functioneren in de responsfase lag in 2011 een belangrijke rol in de preparatiefase. Dat betekent dat activiteiten zijn ontplooid op het gebied van zowel de planvorming als het opleiden, trainen en oefenen en de inzet van technische middelen voor uitwisseling van informatie en voor crisiscommunicatie.

Interdepartementale samenwerking in crisissituatie

Instrumenten

Doorontwikkeling van de crisisstructuur op rijksniveau

De herziene crisisstructuur heeft onder meer geleid tot een opleidingsprogramma voor crisisbeleidsadviseurs van de diverse ministeries. Naast diverse kleinere oefeningen zijn er dilemmatrainingen voor de ministers en staatssecretarissen georganiseerd. De trainingen, gebaseerd op een terroristische dreiging vanuit de cyberproblematiek, hadden tot doel de ministers en staatsecretarissen tot afgewogen strategische besluiten te laten komen. Dit resulteerde vervolgens in de ministeriële desk top oefening «Copy Paste» op 28 april met het thema cybersecurity. Van belang was eveneens de oefening Indian Summer op 12 en 13 oktober. De oefening was een combinatie van de vijfjaarlijks terugkerende Nationale stafoefening Nucleair en de jaarlijkse grote nationale crisisoefening. Het doel was om de respons, zoals plannen, procedures en capaciteiten van de regionale en nationale crisisbeheersing te beoefenen, gericht op de nucleaire rampenbestrijding.

De inspanningen tot verbeterde interdepartementale samenwerking bewezen zich in 2011 bij een aantal incidenten, dreigingen en crises, zoals de brand bij Moerdijk, het schietincident in Alphen, de evacuatie na het vliegtuigongeval in Libië, de gevolgen van Fukushima, zowel hoog water in de winter als aanhoudende droogte in lente- en herfstmaanden, de EHEC-bacterie en de problematiek van beveiligingscertificaten bij DigiNotar. Onderdeel van de verbetering van de interdepartementale samenwerking ten behoeve van snelle crisisbesluitvorming is de realisatie van een technisch informatieknooppunt, een koppelvlak van crisismanagementsystemen. Alle aangesloten crisispartners kunnen zo eenduidig en tijdig informatie delen. In 2011 heeft de aanbesteding en gunning van dit interdepartementale informatieknooppunt plaatsgevonden.

Preparatie

Inzet van NL-Alert

Omdat informatievoorziening tijdens een noodsituatie essentieel is voor zelfredzaam handelen, is het project NL-Alert opgezet. Iedereen die dat wil, kan met behulp van NL-Alert, bij noodsituaties met zijn mobiele telefoon gealarmeerd worden en een concreet handelingsperspectief geboden krijgen. De uitkomst van een gateway review op het project NL-Alert toonde aan dat NL-Alert een hoog innovatief karakter, veel draagvlak maar ook risico’s kent. Voortzetting van het project NL-Alert werd wenselijk geacht, waarbij voorafgaand aan een eventuele landelijke invoering NL-Alert in drie regio’s verder getest moest worden. Dit leidde tot aanpassing van de planning. Uit de succesvolle testen tijdens de pilots is gebleken dat NL-Alert een waardevolle toevoeging is aan de bestaande alarmerings- en risicocommunicatiemiddelen. In 2011 zijn voorbereidingen getroffen om NL-Alert in 2012 in te voeren in alle veiligheidsregio's.

Vormgeven van het Nationaal Crisisplan, de LOS en evalueren en zonodig aanpassen van Nationaal handboek Crisisbesluitvorming

Het generieke nationale crisisplan is in conceptvorm gereed. De specifieke nationale crisisplannen «extreem weer» en «ICT-uitval» zijn in 2011 gerealiseerd.

De aanbevelingen die de evaluatie van het Landelijk Operationeel Coördinatie Centrum (LOCC) in 2010 heeft opgeleverd, hebben in 2011 de basis gevormd voor de doorontwikkeling en verdere professionalisering van het LOCC. De intensivering van de samenwerking met het NCC heeft in 2011 geleid tot een gezamenlijke communicatiestrategie naar de veiligheidsregio’s en de eerste aanzet tot een professionalisering van de Frontofficefunctie voor onder andere LOCC en NCC. Ook is nadere invulling gegeven aan de uitbreiding van het LOCC met de gemeentelijke kolom. Per 1 maart 2011 is de opschaling van het LOCC naar de Landelijke Operationele Staf bij instellingsbesluit geregeld en zijn de voorzitter en leden van de Landelijke Operationele Staf (LOS) benoemd. Daarnaast is in 2011 een programma ontwikkeld en uitgevoerd voor de operationalisering van de LOS. Deze activiteiten leiden tot een effectievere crisisresponsorganisatie.

Inzet van Risico-signalering en – alertering

Op basis van actuele en korte termijn voorziene potentiële risico’s en dreigingen worden (interdepartementale) risicosignaleringen en factsheets gerealiseerd. Dit sluit aan bij de werkwijze van de Strategie Nationale Veiligheid en de Nationale Risicobeoordeling waarin potentiële risico’s voor de middellange en lange termijn in kaart worden gebracht.

Invoering van netcentrisch werken en LCMS

De implementatie van de netcentrische werkwijze is in bijna alle regio’s afgerond. Wat nog resteert, is de migratie naar een nieuw landelijk crisismanagementsysteem (LCMS). Met het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid (NIFV) zijn afspraken gemaakt over het onderbrengen van het beheer van de netcentrische werkwijze (inclusief het LCMS).

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Zie de toelichting bij de algemene doelstelling.

Operationele doelstelling 21.3

Wegnemen van structurele veiligheidstekorten binnen het Koninkrijk door de uitvoering van onafhankelijk onderzoek naar ernstige ongevallen, rampen of dreiging daartoe.

Doelbereiking

De Onderzoeksraad voor veiligheid (OVV) fungeert als onafhankelijk onderzoeksorgaan, dat op eigen gezag kan besluiten tot het doen van onderzoek naar de oorzaak van (ernstige) ongevallen en rampen of een dreiging daartoe. De aanbevelingen van de OVV zijn gericht aan overheden en bedrijfsleven om een bijdrage te leveren aan het vergroten van de structurele veiligheid binnen het Koninkrijk.

Instrumenten

In de praktijk is de OVV actief binnen de sectoren: luchtvaart, scheepvaart, railverkeer, wegverkeer, defensie, gezondheid van mens en dier, industrie, buisleidingen en netwerken, bouw en dienstverlening, water en crisisbeheersing en hulpverlening.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

De werkzaamheden van de raad zijn gekoppeld aan het zich voordoen van een voorval of een reeks van voorvallen.

De minister heeft een toezichthoudende rol als het gaat om de bij algemene maatregel van rijksbestuur of algemene maatregel van bestuur aangewezen voorvallen verplicht te onderzoeken.

De onderzoeken die zijn gedaan in 2011 zijn te vinden op www.onderzoeksraad.nl.

Operationele doelstelling 21.4

Het risico op en de vrees voor terroristische aanslagen in Nederland zo veel mogelijk verkleinen, alsmede het op voorhand beperken van schade als gevolg van een mogelijke aanslag.

Doelbereiking

In Nederland zijn ruim 20 instanties betrokken bij de bestrijding van terrorisme. De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) heeft tot taak een doeltreffende coördinatie, samenwerking en afstemming van beleid en uitvoering te ontwikkelen. Dit betreft niet uitsluitend een preventieve taak, maar is ook noodzakelijk op het moment van concrete dreiging.

Wegnemen voedingsbronnen terrorisme

Instrumenten

Jihadisme

In 2011 is geïnvesteerd in kennis en handelingsperspectief van lokale professionals (jongerenwerkers, docenten, politieagenten, etcetera). Er zijn meer dan 450 lokale professionals getraind in het herkennen en omgaan met radicalisering, 162 van hun managers zijn voorgelicht, en voor rond de 2000 toekomstige professionals zijn op hogescholen gastlessen verzorgd. Er is een netwerk opgericht van een vijftigtal geselecteerde en getrainde professionals, dat in 2011 al tweemaal bijeengekomen is. In 2011 is geen beroep gedaan op het specialistennetwerk door lokale autoriteiten voor ondersteuning bij reïntegratie van gesignaleerde jihadisten.

Counter-narrative

Voor de aanpak van het jihadisme is in 2011 in samenwerking met internationale partners ingezet op het ondermijnen van extremistische boodschappen. Zo is een non-gouvernementele organisatie (NGO) ondersteund die zich sterk maakt voor de slachtoffers van terrorisme door het financieren van een vijftal mini-documentaires, dat het persoonlijk leed van slachtoffers en nabestaanden in beeld heeft gebracht. Verder heeft een drietal internationale expertmeetings in 2011 geresulteerd in een multilateraal gedragen project ter versterking van bestaande tegengeluiden tegen het jihadisme.

Internet

In 2011 is ingezet op het verminderen van de aanwezigheid van jihadistische boodschappen op het internet met een strafbare inhoud. Voorts is in 2011 op initiatief van Nederland een Europees project gestart met als doel een samenwerkingsverband te organiseren tussen de internetsector en lidstaten om het illegaal gebruik van internet voor terroristische doeleinden beter te kunnen tegengaan (het Clean IT-project).

Herkenning Digitale Informatie en Fingerprinting

Binnen dit programma worden projecten uitgevoerd die betrekking hebben op het beter en geautomatiseerd herkennen van objecten, personen en teksten uit websites of databestanden. In 2011 zijn 2 projecten afgerond, is besloten om 2 projecten te vervolgen en zijn 7 nieuwe projecten van start gegaan.

Het project «Videosearch Openbare Orde en Veiligheidsdomein» heeft door middel van deelname aan een internationale benchmark onderzocht wat er op technisch gebied mogelijk is bij het «zoeken in videocollecties». Daarnaast is het project «Optical Character Recognition» afgerond. Binnen dit project is onderzoek gedaan naar het geautomatiseerd lezen van tekst in Flash websites. Het project «Photo Response Non Uniformity» heeft een tool opgeleverd waarmee kan worden beoordeeld of beelden met een bepaalde camera zijn gemaakt. Besloten is dit project in 2012 voort te zetten. Het project «Entiteitsextractie» heeft een prototype applicatie opgeleverd waarmee het mogelijk is grote datasets structureel te doorzoeken. Ook dit project wordt vervolgd.

In 2011 is de Universiteit van Tilburg een onderzoek gestart naar de privacybestendigheid van de tools die in ontwikkeling zijn binnen het programma Herkenning Digitale Informatie en Fingerprinting. Daarnaast is het «iColumbo» project gestart. Dit project richt zich op de verduurzaming en verdere uitrol van het internet recherche netwerk (iRN) van de politie. In samenwerking met de Radboud Universiteit is een onderzoek gestart naar de veiligheid en privacybestendigheid van dit netwerk. Het project «Virtuele Muis» onderzoekt een techniek waarbij websites geautomatiseerd gelezen kunnen worden door middel van een virtuele gebruiker die op alle zichtbare onderdelen klikt. Ook is er een project gestart waarin wordt onderzocht wat de mogelijkheden zijn van een technologie die beeldmerken automatisch kan herkennen. Het project «Dreigtweets» richt zich op het ontwikkelen van een applicatie waarmee de ernst van bedreigingen via Twitter beter kan worden ingeschat.

Signaleren en wegnemen terrorismedreiging

Bewaken en beveiligen – solistische dreigers

In het stelsel Bewaken en Beveiligen werken verschillende organisaties, waaronder het OM, politie, bestuurlijke organisaties, inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de NCTV, samen om zorg te dragen voor het veilig en ongestoord functioneren van personen, objecten en diensten, ongeacht dreiging of risico. De groep solistische dreigers krijgt speciale aandacht binnen het stelsel Bewaken en Beveiligen. Geradicaliseerde eenlingen (solistische dreigers van wie een terroristische dreiging uitgaat) vormen een strategische prioriteit in de Nationale Contraterrorismestrategie 2011–2015. De aanpak van solistische dreigers heeft zich in 2011 gericht op een beleidsmatige aanpak, een fenomeenduiding/analyse van deze groep en een operationele aanpak. In het kader van de beleidsmatige aanpak is in 2011 gestart met het ontwikkelen van preventietrainingen voor professionals. Ook is in samenwerking met politie Haaglanden, HALT en het Openbaar Ministerie een bewustwordingscampagne voor middelbare scholieren gestart. Afgelopen jaar zijn verschillende onderzoeken gestart om een fenomeenduiding van de groep te maken. De operationele inzet betreft de pilot dreigingsmanagement die in januari 2011 bij het KLPD van start is gegaan, waarin zorg, politie en inlichtingendiensten samenwerken om de preventieve aanpak bij gekende, verwarde bedreigers vorm te geven. Na signalering, identificatie en het taxeren van dreiging en risico's door het pilotteam zal, in geval van verwarde bedreigers waar dreiging en risico vanuit gaat, in overleg worden getreden met de gemeente of regio voor toeleiding naar een persoonsgerichte (zorg)aanpak. De NCTV coördineert dit project, dat moet leiden tot een betere informatiecoördinatie en zorgvoorziening aan solistische dreigers. In 2011 is bijzondere aandacht geschonken aan de juridische aspecten voor het delen van informatie tussen alle betrokken partners. Er is een start gemaakt met het opstellen van een juridisch kader waarin op alle onderdelen verwijzing naar wetgeving, toelichting en uitleg schriftelijk wordt vastgelegd. Het pilotteam is afgelopen jaar ook ingezet bij het beoordelen van de benodigde beveiligingsmaatregelen rondom solistische dreigers tijdens nationale evenementen zoals Koninginnedag, de Nationale Herdenking, Veteranendag en Prinsjesdag.

Beveiliging burgerluchtvaart – PNR

De NCTV was in 2011 betrokken bij de onderhandelingen over een voorstel van de Europese Commissie betreffende het verzamelen van Passenger Name Records (PNR-gegevens) in de EU ten behoeve van criminaliteits- en terrorismebestrijding. De onderhandelingen zijn nog gaande en worden in 2012 voortgezet.

(Zelfgemaakte) explosieven

Het deelprogramma «Zelfgemaakte explosieven» is erop gericht de fabricage en inzet van zelfgemaakte explosieven te bemoeilijken en loopt parallel aan het Europees Actieplan over de beveiliging van explosieven. Op nationaal niveau is de Strategie ter voorkoming misbruik (zelfgemaakte) explosieven gerealiseerd. Ook is in 2011 een technisch referentiesysteem voor explosieven opgeleverd: het nationale Bom Data Systeem.

CBRN-terrorisme

Gezien de disproportionele effecten die een aanslag met chemische, biologische, radiologische of nucleaire (CBRN-) middelen teweeg kan brengen wordt de kans op CBRN-terrorisme geminimaliseerd door het treffen van weerstandsverhogende maatregelen bij risicovolle CBRN-onderzoeksinstellingen – zoals ziekenhuizen, laboratoria en universiteiten. Implementatie van deze maatregelen bij de objecten loopt tot 2013 en ligt op koers. Bij de betrokken instellingen wordt gewerkt aan het op niveau brengen en houden van de beveiliging, bijvoorbeeld door het verzorgen van security awareness trainingen en verschillende oefentrajecten. Ook heeft de derde in een reeks van multi-disciplinaire internationale CBRN/E oefeningen plaatsgevonden.

Security Awareness & Performance

Om het veiligheidsbewustzijn van medewerkers te stimuleren, is de workshop «Zeker van je Zaak» ontwikkeld in samenwerking met de Politieacademie en de TU Delft. Met de workshop hebben leidinggevenden een effectief instrument in handen om hun personeel aan de hand van divers lesmateriaal te leren waar ze op moeten letten en hoe ze bij afwijkend gedrag moeten handelen. Om deze workshop structureel te kunnen blijven aanbieden, is in 2011 voor het workshopmateriaal een e-learning module ontwikkeld. De e-learning module is beschikbaar via www.nederlandtegenterrorisme.nl. Het workshopmateriaal is ook in het Engels verkrijgbaar onder de naam «It’s your business to be sure». Tevens is een succesvolle bijeenkomst over security awareness (veiligheidsbewustzijn) voor het topmanagement van het bedrijfsleven georganiseerd. Dit jaar kregen de Nationale Cyber Security Strategie en de lessen van DigiNotar speciale aandacht. In 2011 is ook een aantal onaangekondigde realistische fysieke- en cybertesten (red teaming) bij een aantal objecten uitgevoerd. Door het koppelen van de expertise van diverse partijen wordt het realistische karakter versterkt. De eventuele kwetsbaarheden en beperkingen worden gedeeld in een trusted community, waardoor de lessen uit één oefening een zo groot mogelijk bereik krijgen.

Voorbereid zijn op een terroristische aanslag

Alertering

Het alerteringssysteem terrorismebestrijding (ATb) waarschuwt operationele diensten en bedrijfssectoren bij een verhoogde dreiging of bij een concrete aanslag. In 2011 zijn er oefeningen gehouden met de sector Nucleair en de sector Tunnels en Waterkeringen. Vanaf 2011 wordt gewerkt met een regiedocument dat de lessen en de aanbevelingen uit alle oefeningen waarborgt zodat zorg gedragen kan worden voor een integrale aanpak van de verbeterpunten. Daarnaast is er een handleiding geschreven voor de regionale politie ten behoeve van de externe beveiliging van nucleaire inrichtingen. In 2011 is Quick-Inform opgeleverd en getest. Quick-Inform is een systeem waarmee alle betrokken partners in het alerteringssysteem snel en accuraat kunnen worden geïnformeerd. Daarnaast zijn in 2011 alle afspraken met de sectoren over de A-locaties geactualiseerd en daar waar nodig aangepast aan de huidige situatie.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

De maatschappelijke effecten in het kader van de terrorismebestrijding zijn moeilijk meetbaar te maken. Voor kwalitatieve gegevens wordt verwezen naar de Voortgangsrapportage terrorismebestrijding die periodiek (jaarlijks) aan de Tweede Kamer gezonden wordt (TK 29 754, nr. 205). Hierin wordt een beeld geschetst van de stand van zaken van het terrorismebeleid in Nederland.

23. VEILIGHEIDSREGIO’S EN POLITIE

Realisatie begrotingsuitgaven Veiligheid en Justitie € 11 438,5 miljoenArt. 23 Veiligheidsregio’s en politie 48,31%

Realisatie begrotingsuitgaven Veiligheid en Justitie € 11 438,5 miljoenArt. 23 Veiligheidsregio’s en politie 48,31%

Algemene doelstelling

Een veilige samenleving met behulp van een goed functionerende politie-, brandweer- en geneeskundige hulpverleningsorganisatie.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

In het Regeerakkoord van het kabinet Rutte-Verhagen staat de ambitie vermeld om nationale politie te verwezenlijken Hiervoor is een aanpassing van de politiewet van 1993 (TK 29 628, nr. 110) nodig.

Het wetsvoorstel wijzigt de organisatie van de politie op een aantal onderdelen. De twee belangrijkste wijzigingen zijn de vorming van één politieorganisatie en de centralisatie van het beheer onder de politieke verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie. Het doel van dit wetsvoorstel is een doeltreffender en doelmatiger politie. Meer eenheid en minder bestuurlijke drukte. Meer politiecapaciteit voor het primaire proces. En daarmee: meer veiligheid.

Het gezag over de politie blijft ongewijzigd berusten bij de burgemeester voor wat betreft de handhaving van de openbare orde en de Officier van Justitie voor wat betreft de strafrechtelijke handhaving. Ook de taken van politie, handhaving van de openbare orde, hulpverlening en strafrechtelijke handhaving, veranderen niet.

Het wetsvoorstel voor de nationale politie is eind 2011 door de Tweede Kamer aanvaard en eind 2011 aan de Eerste Kamer voorgelegd.

In 2011 is conform het Uitvoeringsprogramma vorming nationale politie (TK 29 628, nr. 241), gewerkt aan de voorbereiding op de nationale politie. Om dit mogelijk te maken zijn er in februari 2011 transitieafspraken tot stand gekomen met het bevoegde gezag. In mei 2011 is van start gegaan met de voorbereiding voor de vorming van één nationale politie.

In februari 2011 (TK 29 628, nr. 237) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de landelijke prioriteiten van het kabinet Rutte-Verhagen voor de politie, onder andere de aanpak van criminele jeugdgroepen, het vergroten van de pakkans, de komst van 500 dierenagenten en het verminderen van de administratieve lastendruk met 25%.

Externe factoren

De zorg voor het verbeteren van de kwaliteit van de hulpverleningsorganisatie, zoals beoogd met de Wet veiligheidregio's (Wvr), is de verantwoordelijkheid van de regionale besturen.

De complexiteit van het veiligheidsdomein leidt tot afstemming tussen de politie, brandweer en Geneeskundige hulpverleningsorganisatie in de regio (GHOR). Tevens zijn de hulpdiensten mede afhankelijk van de inzet van bijvoorbeeld burgers, bedrijven en gemeenten.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Begin 2011 zijn er voor de periode 2011 tot en met 2014 voor de politie nieuwe landelijke prioriteiten vastgesteld. De eerder gemaakte afspraken zijn daardoor niet meer van toepassing. Voor sommige nieuwe landelijke prioriteiten zijn ontwikkelafspraken gemaakt die in 2011 niet leiden tot kwantitatieve uitkomsten. De landelijke prioriteiten die wel meetbare resultaten kennen in 2011 zijn:

Indicator/afspraak

Uitgangspositie

Realisatie 2011

500 fte dierenpolitie

0 in 2010

139 fte met certificaat

Vergroten pakkans High impact crimes met 25%

30 in 2009

33

Terugdringen aantal overvallen naar niveau 2006

1 900 in 2006

2 271

Verhoging verdachtenratio overvallen met 40%

23 in 2009

66

Aanpak criminele jeugdgroepen

89 in 2010

62 aangepakt

pm

Een aantal realisatiecijfers zijn nog niet beschikbaar. In het jaarverslag leggen korpsen hierover verantwoording af.

Budgettaire gevolgen van beleid x € 1 000
           

Realisatie

Begroting

Verschil

   

2007

2008

2009

2010

2011

2011

 

Verplichtingen

0

0

0

5 433 100

6 107 517

5 754 848

352 669

               

Programmauitgaven

0

0

0

5 208 858

5 525 906

5 447 398

78 508

                 

23.1

Bekostiging Politie regionaal/ bovenregionaal

0

0

0

4 025 629

4 351 035

4 331 910

19 125

23.1.1

Veiligheidsregio's en Politie

0

0

0

4 025 629

4 351 035

4 331 910

19 125

                 

23.2

Bekostiging Politie landelijk

0

0

0

663 894

651 464

625 204

26 260

23.2.1

Veiligheidsregio's en Politie

0

0

0

663 894

651 464

625 204

26 260

                 

23.3

Kwaliteit Politie en Veiligheidsregio's

0

0

0

400 232

349 482

369 036

– 19 554

23.3.1

Veiligheidsregio's en Politie

0

0

0

400 232

349 482

369 036

– 19 554

                 

23.4

Bekostiging Veiligheidsregio's

0

0

0

119 103

173 925

121 248

52 677

23.4.1

Veiligheidsregio's en Politie

0

0

0

119 103

173 925

121 248

52 677

                 

Ontvangsten

0

0

0

4 767

406 877

400 750

6 127

Verplichtingen

Financiële toelichting

Het verschil tussen de vastgestelde begroting en de realisatie op de verplichtingen wordt voornamelijk verklaard door meerjarige verplichtingen die in 2011 zijn aangegaan voor het jaar 2012.

Uitgaven

Het verschil tussen de vastgestelde begroting en de realisatie op de uitgaven wordt voornamelijk verklaard door:

23.1 «Bekostiging Politie regionaal/bovenregionaal»

Er zijn meer uitgaven gedaan dan op dit artikelonderdeel begroot. Dit is veroorzaakt door technische mutaties onder andere door loon- en prijsbijstellingen.

23.2 «Bekostiging Politie landelijk»

Er zijn meer uitgaven op dit artikelonderdeel gedaan dan begroot. Dit wordt verklaard door technische mutaties zoals uitkeren van de loonbijstelling en de prijsbijstelling. Tevens zijn uitgaven voor de uitzending politiefunctionarissen naar internationale crisisgebieden op artikel 23.2 geplaatst.

23.3 «Kwaliteit Politie en Veiligheidsregio’s»

Op dit artikelonderdeel zijn minder uitgaven gedaan door de vorming van de nationale politie. De budgetten voor Brandweer en GHOR zijn gerealloceerd naar artikelonderdeel 23.4.

23.4 «Bekostiging Veiligheidsregio’s»

Er zijn meer uitgaven gedaan op dit artikelonderdeel dan oorspronkelijk begroot. Dit komt met name doordat de uitgaven ten behoeve van de brandweer en de GHOR niet ten laste zijn gekomen van artikelonderdeel 23.3 maar van dit artikel. In verband met inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s kunnen de Veiligheidsregio’s voor de wettelijke taken de BTW niet meer compenseren via de deelnemende gemeenten (de zogenaamde transparantieregeling). Ter compensatie van deze extra kosten worden middelen structureel toegevoegd vanuit het BTW Compensatiefonds.

Ontvangsten

Het verschil tussen de vastgestelde begroting en de realisatie op de ontvangsten wordt voornamelijk verklaard door ontvangsten betrekking hebben op het medegebruik van opstelpunten C2000 door providers. Het ministerie ontvangt hiervoor jaarlijks een bedrag.

Operationele doelstelling 23.1

Voorzien in middelen die nodig zijn voor adequate politiezorg door de regionale politiekorpsen op regionaal en bovenregionaal niveau.

Doelbereiking

Om te voorzien in middelen die nodig zijn voor adequate politiezorg door regionale korpsen op regionaal en bovenregionaal niveau:

  • Is door de bij Regeerakkoord beschikbaar gestelde intensivering voor de politie een structurele operationele sterkte van 49 500 fte betaalbaar gemaakt. (TK 29 628, nr. 239);

  • Op grond van artikel 3 van het Besluit financiën regionale politiekorpsen (Bfrp) zijn in 2011 in totaal € 75 miljoen aan artikel 3 bijdragen verstrekt ter dekking van onder meer financiële problematiek bij de Nederlandse Politie. Deze bijzondere bijdragen zijn verstrekt op grond van het in 2009 gesloten meerjarige onderhandelingsakkoord met het dagelijkse bestuur van het Korpsbeheerdersberaad;

  • Worden aspiranten centraal bekostigd (TK 29 628, nr. 239). Voor de bekostiging van aspiranten is in de maartcirculaire 2011 € 181 miljoen aan artikel 3 Bfrp-bijdragen verstrekt;

  • Is naast deze aan de sterkte gerelateerde bekostiging in 2011 nog voor in totaal € 11 miljoen aan artikel 3 Bfpr-bijdragen verstrekt voor vijf onderwerpen, waaronder Burgernet en een versterking van de strafrechtelijke milieuhandhaving.

Preventief toezicht

Instrumenten

  • Op basis van de in november 2010 ingediende begrotingen zijn negen regiokorpsen onder preventief toezicht gesteld. Dit zijn de volgende korpsen: Fryslân, Drenthe, Gelderland Zuid, Kennemerland, Hollands Midden, Zuid Holland Zuid, Brabant Noord, Limburg Noord en Limburg Zuid. Van deze korpsen zijn niet direct aanvullende maatregelen verlangd, aangezien het Regeerakkoord in de middelen voorzag om de financiële problematiek op te lossen. In de maartcirculaire 2011 (TK 29 628, nr. 260) zijn deze aanvullende middelen opgenomen, waardoor alle korpsen een sluitende begroting 2011 hebben kunnen opstellen. In deze begrotingen is gevraagd het perspectief van de te bereiken sterkte eind 2015 op te nemen.

Repressief toezicht

  • Op basis van de in november 2010 ingediende begrotingen konden zestien regiokorpsen direct onder repressief toezicht worden gesteld. Zolang een regionaal politiekorps een evenwichtig en verantwoord financieel beleid voert, behoeft de begroting geen goedkeuring van de Minister en kan worden volstaan met repressief toezicht. In juni 2011 is voor de overige negen regiokorpsen de status van preventief toezicht opgeheven.

De cyclus rondom landelijke prioriteiten

  • Op 18 februari 2011 is de Tweede Kamer (TK 29 628, nr. 237) geïnformeerd over de landelijke prioriteiten voor de politie over de periode 2011–2014. Op 2 mei 2011 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de concreet te bereiken doelstellingen op deze prioriteiten. In onderstaande tabel is de realisatie weergegeven.

Toekenning bijdragen

Voor het kunnen toekennen van de diverse bijdragen worden adequate bekostigingsstelsels ontwikkeld en in stand gehouden. Daarnaast wordt met een systeem van monitoring adequate sturingsinformatie opgeleverd.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Bijdragen aan de korpsen (x € 1 mln)
         

Realisatie1

Begroting2

Verschil

   

2008

2009

2010

2011

2011

 

Algemene bijdragen aan regionale politiekorpsen

3 605

3 687

3 637

3 754

3 566

188

Bijzondere bijdragen aan regionale politiekorpsen1

101

359

355

530

342

188

Dit betreft de bijzondere bijdragen exclusief de prestatiebekostiging. Verschil ontstaat door verschil in hoogte prestatiebekostiging 2010 en 2011 en Regeerakkoord Politie-intensivering.

X Noot
1

Bron: decembercirculaire 2011.

X Noot
2

Bron: junicirculaire 2010.

Operationele doelstelling 23.2

Voorzien in middelen die nodig zijn voor adequate politiezorg op landelijk niveau.

  • De operationele sterkte van de politie is geïntensiveerd om de slagkracht van de professional te optimaliseren. De nieuwe sterkteafspraak van structureel 49 500 fte is betaalbaar gesteld door een intensivering van € 300 miljoen in 2011 oplopend tot € 370 miljoen in 2015. Het benodigd aantal aspiranten is opgeleid, conform de strategische personeelsvoorziening en -planning en het zittende politiepersoneel is opgeleid en bijgeschoold conform programma Versterking Politieprofessie die het bestaande politieonderwijs moest vervolmaken en actualiseren.

  • In 2010 is het rapport van de Inspectie OOV «Politieonderwijs, kwaliteit afgestudeerden geborgd?» uitgebracht. Op basis van de uitkomsten van dit rapport is een aantal maatregelen doorgevoerd, waaronder het verplicht stellen van de leeropdrachten en uitbreiding van het aantal contacturen tussen docent en student. Deze maatregelen hadden tot doel de examinering op een hoger peil te brengen.

  • Uitkomst van de evaluatie van het bekostigingsstelsel was dat er meer duidelijkheid moest komen over de positionering van de Politieacademie binnen het nieuwe politiebestel. Daartoe wordt een businesscase onderwijs, kennis en onderzoek uitgevoerd en gerealiseerd.

Doelbereiking

Politieacademie

Instrumenten

Ten behoeve van de onafhankelijke kwaliteit van het onderwijs, kennis en onderzoek blijft de rechtpersoon Politieacademie naast nationale politie bestaan. Wel wordt het beheer van de Politieacademie onder de verantwoordelijkheid van de korpschef gebracht. Medio 2013 komt er een wetswijziging op de wet nationale politie om dit te regelen. Deze wetswijziging zorgt dat de behoeften van de nationale politie aan onderwijs en onderzoek goed kunnen worden doorvertaald in het onderwijs- en onderzoeksaanbod. Verder wordt de Politieacademie op deze wijze onderdeel van de efficiencyoperatie van de nationale politie.

Het Regeerakkoord kondigt diverse veranderingen aan in de inrichting van het politieonderwijs. Twee daarvan zijn:

  • aspiranten bij de politie ontvangen niet langer een salaris, maar een bijdrage in hun kosten voor levensonderhoud;

  • het bekorten van de opleidingsduur aan de Politieacademie met behoud van kwaliteit. De maatregelen voor de bekorting zijn in 2011 ingevoerd en gerealiseerd.

Korps Landelijke Politie Diensten (KLPD)

Met de bekostiging van het KLPD is dit onderdeel in staat de politietaken op een adequaat niveau uit te voeren. Voor specifieke informatie over het KLPD wordt verwezen naar de paragraaf van de baten-lastendiensten van dit jaarverslag.

Operationele doelstelling 23.3

Verhogen van het prestatievermogen en de professionaliteit van de politie-, brandweer- en geneeskundige hulpverleningsorganisatie.

Doelbereiking

Een doelstelling voor de Nederlandse politie is een grotere eenheid en een verbetering van de prestaties van de politie. Om dit doel te bereiken is er naast de vorming van een nationale politie gewerkt aan diverse criminaliteitsbestrijdingsprogramma’s en professionalisering van de politieorganisatie.

Instrumenten

Het verhogen van het prestatievermogen van de politie, brandweer en GHOR wordt ondersteund door de volgende instrumenten.

Sturen op prestaties van de politie via landelijke prioriteiten

  • Jeugdcriminaliteit

    De politie heeft de jeugdgroepen met een landelijk vastgesteld instrumentarium binnen de shortlistmethodiek «problematische jeugdgroepen» in kaart gebracht. De informatie uit de shortlist wordt met een advies ingebracht in de driehoek. De leden van de driehoek, de Korpsbeheerder, de Hoofdofficier van Justitie en de Korpschef, besluiten op basis van dit advies over de aanpak van de problematische jeugdgroepen.

  • Geweld

    In 2011 is het Programma «Aanpak Geweld» van start gegaan waarmee wordt beoogd de pakkans met 25% te verhogen.

  • Veilige wijken

    De politie heeft in de periode 2008–2011 639 fte extra wijkagenten aangesteld. Op verzoek van gemeenten levert de politie gegevens op wijkniveau aan als input voor het integrale veiligheidsbeleid

  • Opsporing

    Op 18 februari 2011 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de vaststelling van nieuwe landelijke prioriteiten voor de politie. Deze prioriteiten liggen (ook) op het terrein van opsporing, dat met deze prioriteiten zowel kwalitatief als kwantitatief wordt versterkt (zie Programma’s verbonden aan landelijke prioriteiten 2008–2011).

Programma’s verbonden aan landelijke prioriteiten 2008–2011

  • Intensiveren aanpak van cybercrime

    Binnen het programma cybercrime is in 2011 waar het gaat om de bestrijding van cybercriminaliteit gericht tegen bedrijven, het bedrijvenloket geopend en waar het gaat om veiliger betalingsverkeer is het landelijk skimmingpoint geopend. Hierdoor kunnen bedrijven ook in 2012 eenvoudiger aangifte doen en wordt samenwerking tussen bedrijven en politie gestimuleerd om zo cybercriminaliteit effectiever te bestrijden. Deze gezamenlijkheid is fundamenteel voor een effectieve bestrijding. Daarnaast participeert de politie in het Nationaal Cyber Security Centrum en was in 2011 bij de oprichting hiervan betrokken. Het programma cybercrime voor de politie wordt gecontinueerd tot 2015 zodat, als onderdeel van de landelijke prioriteiten 2011-2014, ook tijdens de reorganisatie van de politie een blijvende impuls wordt gegeven aan de versterking van de aanpak van cybercrime. Het Openbaar Ministerie sluit in haar planvorming over de aanpak van cybercrime aan bij de ontwikkelingen bij de politie.

  • Intensiveren aanpak financieel-economische criminaliteit

    In de afgelopen vier jaar (2008–2011) heeft de politie met het programma FinEC invulling gegeven aan de versterking van de aanpak van financieel-economische criminaliteit. Hiertoe was ook in 2011 een budget voor de politie beschikbaar van € 13 miljoen. De versterking is conform het programmaplan FinEC gerealiseerd in een aantal regiokorpsen en het KLPD. De afgelopen vier jaar zijn middels pilotprojecten de korpsen versterkt met deskundige zij-instroom. Gerealiseerde instroom eind 2011 bedroeg 126 fte. In 2011 zijn de verschillende FinEC pilotprojecten conform de gestelde doelstelling succesvol opgeleverd. Als gevolg hiervan is het totaal door de politie ontnomen crimineel vermogen en gerealiseerd conservatoir beslag sinds 2009 aantoonbaar toegenomen. Dit is in het bijzonder het geval bij de pilotkorpsen.

  • Intensiveren aanpak georganiseerde criminaliteit

    Het jaarverslag RIEC’s en het beleidskader RIEC’s en LIEC zijn aan de Tweede Kamer (TK 29 911, nr. 54) aangeboden. Uit het jaarverslag blijkt ondermeer dat een krachtiger aanpak van georganiseerde misdaad nodig blijft en een toename van het aantal gemeenten dat is aangesloten bij een RIEC (75%: 314 van de 418 gemeenten). Het structureel voortzetten van de RIEC’s en het LIEC vergt een nadere duiding van de taken en samenstelling van de centra. Het beleidskader voorziet in deze nadere duiding op het terrein van doelstelling en takenpakket, geografisch gebied, financiering en (aan)sturing.

  • Aanrijtijden

    De normering van de aanrijtijden worden meegenomen in het inrichtingsplan van de Nationale Politie. Dit inrichtingsplan wordt t.z.t. naar de Tweede Kamer gestuurd.

  • Versterking opsporing

    In 2010 is het programma versterking opsporing en vervolging afgerond (TK 32 123 VI, nr. 117).

Verhogen van het prestatievermogen van de politieorganisatie

  • Doorontwikkeling Politieorganisatie

    Onderdeel van de plannen voor de nationale politie is de realisatie van het politiedienstencentrum en de in het Regeerakkoord afgesproken besparingen. Dit alles met als doel een efficiëntere politieorganisatie te creëren waarin veiligheid voor de burger en het werk van de agent centraal staan.

  • Politietop divers

    Politietop Divers is in februari 2008 ingesteld als interventiestrategie door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om afgesproken streefcijfers voor kroonbenoemingen voor 2011 te realiseren. Deze cijfers zijn in september 2007 met de korpsbeheerders afgesproken.

Het programma had een looptijd tot februari 2011. De diversiteit (vrouwen en allochtonen) in de top is in de drie jaar dat Politietop Divers actief was meer toegenomen dan was afgesproken:

Streefcijfers

gerealiseerd 2011

50% diversiteit op korpsleidingniveau

65%

30% diversiteit op 2e echelon

43%

Deze meer diverse benoemingen hebben geleid tot een toename in de:

  • Diversiteit in de top 150 kroonbenoemden van 8% naar 22%

  • Diversiteit in de Raad van Korpschefs van 11% naar 31%

  • Divers samengestelde korpsleidingen van 42% naar 85%

  • Havank

    In 2011 is Invoering Wet en Protocol op de identiteitsvaststelling (IWPI), fase 2 afgerond. En is er een start gemaakt met Progis fase 3, die onder andere zal zorgen voor de verdere uitrol van de ID-zuilen en het mobiele werken bij de politie. Verder is het budget gebruikt voor de exploitatie door de VtsPN voor de ID-module.

  • Burgernet

    De doelstelling in 2011 was dat 50 gemeenten participeren. Deze doelstelling is gehaald. Daarnaast heeft Burgernet eind 2011 600 000 deelnemers, is werkzaam in alle politieregio’s en in 280 gemeenten. Er zijn circa 400 Burgernetacties per maand gestart, waarvan 10% rechtstreeks heeft geleid tot aanhouding van een verdachte of het oplossen van een vermissing. In circa 40% levert een Burgernetactie een waardevolle indirecte bijdrage aan het opsporingsproces.

  • Veiligheid BES-eilanden

    In de periode tussen 10 oktober 2010 tot 1 januari 2011 is geïnventariseerd welke onderwerpen bij de politie- en brandweerorganisatie met voorrang opgepakt dienden te worden. Dit heeft er toe geleid om in 2011 de nadruk te leggen op de onderdelen: personeel, opleidingen, materieel, huisvesting, informatievoorziening en financiën.

    Het onderdeel Basis Politiezorg is op een aanvaardbaar niveau gebracht. De bezetting van het onderdeel Opsporing is – ondanks de tijdelijke versterking vanuit de Koninklijke Marechaussee – nog niet op het gewenste niveau. Bij de brandweer is de personele bezetting op peil gebracht. Voor beide organisaties is een meerjarig opleidingplan opgesteld en in uitvoering.

    Bij brandweer en politie is aangevangen met de vernieuwing van het wagenpark en reddingsapparatuur. Verder is begonnen met het onderhoud van de bestaande huisvesting en de realisatie van nieuwe huisvesting.

    In 2011 is begonnen met het structureel registreren van criminaliteitscijfers voor het genereren van veiligheidsrapportages en -analyses, opdat trends gesignaleerd kunnen worden en er een betere sturing door het Openbaar Ministerie en de lokale besturen kan plaatsvinden. Daarnaast zullen deze cijfers vergelijkingsmateriaal bieden voor de komende jaren. Het brandweerkorps richt zich naast repressie thans ook op andere schakels van de veiligheidsketen, zoals pro-actie, preventie, preparatie en nazorg.

    Voor de politie en brandweerkorpsen is een begroting opgesteld en de uitgaven worden maandelijks gevolgd. Hiermee is een begrotingsdiscipline bereikt. De reguliere P&C-cyclus is ingevoerd.

  • Bewapening en uitrusting politie

    Conform planning is de pilot met het stroomstootwapen «taser» afgesloten. Op basis van het evaluatierapport (TK 29 628 nr. 246) is besloten de taser als aanvullende bewapening toe te wijzen aan de arrestatie-eenheden. Verder is in 2011 een pilot gestart voor het gebruik van een in- en uitschuifbare wapenstok voor speciale politie eenheden (DKDB en Rijksrecherche) en normale politiediensten. Verder is in 2011 gewerkt aan een nieuw dienstpistool voor de politie. Over het gunningsproces voor het nieuwe dienstpistool is de Tweede Kamer op 5 april 2011 (TK 29 628, nr. 245) en op 8 november 2011 (TK 29 628, nr. 281) geïnformeerd.

  • Diversiteit

    De samenwerkingsafspraken inzake diversiteit tussen de Minister van BZK en het Korpsbeheerdersberaad zijn behaald met uitzondering van het streefcijfer voor het aandeel allochtonen in het personeelsbestand. De afspraak was 8,5%, de realisatie is, mede v