Kamerstuk 33240-IXB-1

Jaarverslag Ministerie van Financiën 2011

Dossier: Jaarverslag en slotwet Ministerie van Financiën 2011

Gepubliceerd: 16 mei 2012
Indiener(s): Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA)
Onderwerpen: begroting financiën
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33240-IXB-1.html
ID: 33240-IXB-1

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN FINANCIËN (IXB)

Aangeboden 16 mei 2012

Aandeel in ontvangsten IXB (x € 1 000)

Aandeel in ontvangsten IXB (x € 1 000)

Aandeel in niet-belastingontvangsten IXB (x € 1 000)

Aandeel in niet-belastingontvangsten IXB (x € 1 000)

Aandeel in uitgaven IXB (x € 1 000)

Aandeel in uitgaven IXB (x € 1 000)

Inhoudsopgave

   

blz.

     

A.

ALGEMEEN

7

     

1.

AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

7

     

2.

LEESWIJZER

11

     

B.

BELEIDSVERSLAG

13

     

3.

BELEIDSPRIORITEITEN

13

3.1

Ontwikkeling, inzet en effectief beheer van instrumenten in het kader van de kredietcrisis

13

3.2

Verantwoording beleidsprioriteiten

21

     

4.

BELEIDSARTIKELEN

26

4.1

Belastingen

26

4.2

Financiële markten

43

4.3

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

54

4.4

Internationale Financiële Betrekkingen

72

4.5

Exportkredietverzekering en investeringsgaranties

79

4.7

Beheer materiële activa

85

4.8

Begrotingsbeleid

91

     

5.

NIET-BELEIDSARTIKELEN

97

5.1

Algemeen

97

5.2

Nominaal en onvoorzien

98

     

6.

BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF

99

     

C.

JAARREKENING

104

     

7.

VERANTWOORDINGSSTAAT

104

     

8.

SALDIBALANS

106

     

9.

BATEN-LASTENDIENSTEN

121

9.1

Domeinen Roerende Zaken

121

9.2

Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB)

129

     

10.

TOPINKOMENS

136

     

D.

BIJLAGEN

137

     

BIJLAGE 1:

Toezichtrelaties zbo’s/rwt’s

137

BIJLAGE 2:

Overzicht niet-financiële informatie over inkoop van adviseurs en tijdelijk personeel (inhuur externen)

142

A. ALGEMEEN

1. AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

AAN de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer van de Staten-Generaal

Hierbij bied ik, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, het departementale jaarverslag van het Ministerie van Financiën (IXB) over het jaar 2011 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Financiën decharge te verlenen over het in het jaar 2011 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

  • a. het gevoerde financieel beheer en materieelbeheer;

  • b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

  • c. de financiële informatie in het jaarverslag;

  • d. de betrokken saldibalans;

  • e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

  • a. Het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2011;

  • b. Het voorstel van de slotwet over 2011 dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • c. Het rapport van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • d. De verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2011 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2011 alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2011 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Financiën, J. C. de Jager

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de minister van Financiën.

2. LEESWIJZER

Algemeen

De begrotingshoofdstukken IXA (Nationale Schuld) en IXB (Financiën) en BTW-Compensatiefonds omvatten het beleidsterrein van het ministerie van Financiën. In de jaarverslagen worden de gerealiseerde beleidsdoelen, instrumenten en de ingezette middelen ten opzichte van de ontwerpbegroting 2011 verantwoord.

Dit jaarverslag heeft betrekking op IXB. De focus ligt op beleidsmatige hoofdpunten. Waar relevant wordt verwezen naar Kamerstukken. Voor een toelichting op de belastingontvangsten wordt verwezen naar het Financieel Jaarverslag van het Rijk.

De IXB-beleidsartikelen (paragrafen 4.1 t/m 4.5, 4.7 en 4.8) en niet-beleidsartikelen (paragrafen 5.1 en 5.2) zijn de volgende:

  • 4.1 Belastingen

  • 4.2 Financiële markten

  • 4.3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector

  • 4.4 Internationale financiële betrekkingen

  • 4.5 Exportkredietverzekering en investeringsgaranties

  • 4.7 Beheer materiële activa

  • 4.8 Begrotingsbeleid

  • 5.1 Algemeen

  • 5.2 Nominaal en onvoorzien.

Opbouw van het jaarverslag

Na het deel Algemeen, aanbieding van het jaarverslag/dechargeverlening en leeswijzer, paragrafen 1 en 2, bestaat de kern van het jaarverslag uit het Beleidsverslag (paragrafen 3 t/m 6) en de Jaarrekening (paragrafen 7 t/m 10). Tot slot zijn 2 bijlagen opgenomen.

In paragraaf 3 wordt ingegaan op de kredietcrisis en de beleidsprioriteiten uit de beleidsagenda van de ontwerpbegroting IXB over 2011.

Paragraaf 4 bevat de beleidsartikelen, bestaande uit 3 paragrafen:

  • Algemene beleidsdoelstelling;

  • Budgettaire gevolgen van beleid en een financiële toelichting, waarin opmerkelijke verschillen tussen ontwerpbegroting en realisatie worden toegelicht. Dit betreft de toelichting op de verantwoordingsstaat uit de jaarrekening;

  • Operationele doelstellingen. In de beleidsmatige (niet-financiële) toelichting wordt, waar relevant, nader ingegaan op de belangrijkste beleidsresultaten en op opmerkelijke verschillen ten opzichte van de ontwerpbegroting.

In paragraaf 5 komen de niet-beleidsartikelen aan bod. Paragraaf 6 is de bedrijfsvoeringsparagraaf. In de bedrijfsvoeringsparagraaf wordt verslag gedaan van de opmerkelijke zaken in de bedrijfsvoering, mede gebaseerd op risico-analyse. De bedrijfsvoeringsparagraaf heeft het karakter van een uitzonderingsrapportage echter alle onderdelen worden verplicht vermeld, ook wanneer zich geen noemenswaardige bevindingen hebben voorgedaan.

De Jaarrekening bestaat uit paragraaf 7 verantwoordingsstaten IXB, Domeinen Roerende Zaken (DRZ) en Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB), paragraaf 8 saldibalans, paragraaf 9 baten-lastendienst DRZ en RVOB en in paragraaf 10 staat informatie omtrent de topinkomens. Bijlage 1 bevat een overzicht van zelfstandige bestuursorganen (ZBO's) en rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT's) waarvoor Financiën beleidsmatig verantwoordelijk is. In bijlage 2 staat informatie betreffende de externe inhuur.

Het beleidsverslag bevat financiële en niet-financiële gegevens. Deze zijn aan verschillende kwaliteitsnormen onderhevig.

Groeiparagraaf1:

In de bedrijfsvoeringsparagraaf wordt expliciet vermeld of er is afgeweken van artikel 3, eerste lid van de Instructie rijksdienst bij aanschaf ICT-diensten of ICT-producten.

B. BELEIDSVERSLAG

3. BELEIDSPRIORITEITEN

In dit beleidsverslag wordt een overzicht gegeven van de maatregelen die door het ministerie van Financiën zijn genomen bij het bestrijden van de kredietcrisis, de landencrisis en het bewaken van de stabiliteit op de financiële markten. Daarnaast wordt in deze paragraaf ingegaan op de voortgang en ontwikkelingen ten aanzien van deze maatregelen. Tevens wordt ingegaan op de beleidsprioriteiten van de ontwerpbegroting van het ministerie van Financiën voor 2011. In paragraaf 3.2 is een tabel met toelichting opgenomen met daarin per beleidsprioriteit informatie over hoofddoelstelling en prestaties.

3.1 Ontwikkeling, inzet en effectief beheer van instrumenten in het kader van de kredietcrisis

Inleiding

Als gevolg van de kredietcrisis en de daarop volgende Europese schuldencrisis zijn door de Minister van Financiën diverse maatregelen getroffen om de financiële stabiliteit binnen en buiten Nederland te borgen. Deze maatregelen hebben hun weerslag gevonden in verschillende beleidsartikelen van de begrotingen van het ministerie van Financiën. In de tabel hieronder wordt een totaalbeeld gegeven van de verschillende maatregelen, de budgettaire consequenties en de vindplaatsen ervan in de jaarverslagen. Tevens wordt hierbij ten aanzien van het jaar 2011 ingegaan op de ontwikkelingen en de mate van doelbereiking met betrekking tot deze maatregelen.

Conform de toezegging aan de Tweede Kamer (21 december 2011) zal de Minister van Financiën in het Financieel Jaarverslag van het Rijk 2011 (FJR) ingaan op de budgettaire gevolgen van buitengewone monetaire operaties die door het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) zijn uitgevoerd.

Tabel 1: De budgettaire gevolgen van de kredietcrisis (x € mln.)
 

In € mln. 1

2008

2009

2010

2011

Artikel

A. Verwerving Fortis/RFS/AA en transfer FBN/AA naar ABN AMRO Group N.V.

         

1

Deelneming Fortis/AA

16 800

1 350

–18 150

 

Saldibalans

2

Verwerving belang RFS/AA

6 540

 

–6 540

 

Saldibalans

3

Verkoop FCI

 

–350

   

Saldibalans

4

ABN AMRO Group N.V./ASR verzekeringen N.V./RFS Holdings B.V. (incl. Z-share en residual N-share)

   

27 971

27 971

Saldibalans

5

Overbruggingskredieten Fortis

44 341

     

IXA, art. 1

6

Aflossingen overbruggingskredieten Fortis

0

–36 516

–3 250

–825

IXA, art. 1

7

Renteontv. overbruggingskredieten Fortis

–502

–705

–167

–169

IXA, art. 1

8

Dividend ABN AMRO Group

0

0

0

–200

IXB, art. 3

9

Dividend ASR

0

0

0

0

IXB, art. 3

10

Dividend RFS

0

0

–6

–16

IXB, art. 3

             

Capital Relief Instrument ABN-AMRO (CRI)

         

11

Garantieverlening (geëffectueerd)

 

32 611

   

IXB, art. 3

12

Afname voorwaardelijke verplichting (zonder uitg.)

   

–32 611

 

IXB, art. 3

13

Premieontvangsten uit CRI

 

–28

–165

 

IXB, art. 3

14

Stand openstaande garanties

 

32 611

0

0

Saldibalans

             

Mandatory Convertible Notes ABN AMRO (MCN)

         

15

Verstrekte converteerbare lening (MCN 7/09)

 

800

–800

 

IXB, art. 3

16

Renteontvangsten uit MCN’s

 

0

–103

 

IXB, art. 3

17

Verstrekte converteerbare lening (MCN 12/09)

 

1 800

–1 800

 

IXB, art. 3

             

Counter Indemnity ABN-AMRO (garantie)

         

18

Garantieverlening (geëffectueerd)

   

950

 

IXB, art. 3

19

Premieontvangsten uit garantie

   

–26

–26

IXB, art. 3

∆ Staatsschuld (nr. 1 t/m 10 + 13 +15 t/m 17 +19)

67 179

–33 649

–2 686

–1 236

 
           

B. Kapitaalverstrekkingsfaciliteit (€ 20 mld.)

         

20

Verstrekt kapitaal ING

10 000

     

IXB, art. 3

21

Verstrekt kapitaal Aegon

3 000

     

IXB, art. 3

22

Verstrekt kapitaal SNS Reaal

750

     

IXB, art. 3

23

Aflossing ING

 

–5 000

 

–2 000

IXB, art. 3

24

Aflossing Aegon

 

–1 000

–500

–1 500

IXB, art. 3

25

Aflossing SNS Reaal

 

–185

   

IXB, art. 3

26

Stand uitstaand kapitaal ING

10 000

5 000

5 000

3 000

Saldibalans

27

Stand uitstaand kapitaal Aegon

3 000

2 000

1 500

0

Saldibalans

28

Stand uitstaand kapitaal SNS Reaal

750

565

565

565

Saldibalans

29

Couponrente ING

 

–645

–39

 

IXB, art. 3

30

Couponrente Aegon

 

–166

–11

 

IXB, art. 3

31

Couponrente SNS Reaal

 

–38

–1

 

IXB, art. 3

32

Repurchase fee ING

 

–295

–52

–1 000

IXB, art. 3

33

Repurchase fee Aegon

 

–108

–52

–750

IXB, art. 3

34

Repurchase fee SNS Reaal

 

0

   

IXB, art. 3

∆ Staatsschuld (nr. 20 t/m 25 + 29 t/m 34)

13 750

–7 436

–655

–5 250

 
           

C. Back-up faciliteit ING, EUR/USD wisselkoers

 

1,44

1,34

1,29

 

35

Funding fee (rente + aflossing)

 

3 903

4 345

3 242

IXB, art. 3

36

Management fee

 

59

47

39

IXB, art. 3

37

Portefeuille ontvangsten (rente +aflossing)

 

–3 819

–4 058

–3 012

IXB, art. 3

38

Garantiefee

 

–129

–103

–85

IXB, art. 3

39

Additionele garantiefee

 

0

–154

–128

IXB, art. 3

40

Additionele fee

 

–14

–77

–55

IXB, art. 3

Saldo Back-up faciliteit (35 t/m 40)

 

0

0

0

 

41

Meerjarenverplichting aan ING

 

15 857

13 084

10 264

Saldibalans

42

Alt-A portefeuille

 

18 352

16 376

13 934

Saldibalans

∆ Staatsschuld (nr. 35 t/m 40)

 

0

0

0

 
           

D1. Garantiefaciliteit bancaire leningen

(€ 200 mld.)

         

43

Garantieverlening (geëffectueerd)

2 740

47 535

   

IXB, art. 2

44

Afname voorwaardelijke verplichting (zonder uitgaven)

 

–3 174

–8 103

–5 823

IXB, art. 2

45

Premieontvangsten op basis van garanties bancaire leningen

0

–116

–407

–366

IXB, art. 2

46

Terugbetaling openstaande fees

     

5

IXB, art. 2

47

Stand openstaande garanties (nr. 43–44)

     

33 175

Saldibalans

48

Schade-uitkeringen

0

0

0

0

IXB, art. 2

           

D2. Stabiliteitsmechanisme

         

49

Garantieverlening NL-aandeel EU-begroting

   

2 946

–120

IXB, art. 4

50

Stand openstaande garanties (nr. 49)

   

2 946

2 826

Saldibalans

51

Garantieverlening NL-aandeel EFSF

   

25 872

71 910

IXB, art. 4

52

Stand openstaande garanties (nr. 51)

   

25 872

97 782

Saldibalans

53

Deelneming SPV (EFSF)

   

1

1

IXB, art. 4

           

D3. Garantie DNB

         

54

Garantie DNB i.v.m. IMF

     

13 610

IXB, art. 4

∆ Staatsschuld (nr. 45 + 46 + 48 + 53)

 

–116

–406

–360

 
           

E1. IJsland

         

55

Uitkeringen depositogarantiestelsel Icesave

1 236

192

   

IXB, art. 2

56

Uitvoeringskosten IJslandse DGS door DNB

 

7

   

IXB, art. 2

57

Vordering op IJslandse DGS

1 322

7

 

1 012

Saldibalans

58

Opgebouwde rente op vordering

 

74

41

42

Saldibalans

59

Correctie n.a.v. nieuw voorgestelde overeenkomst

   

–64

 

Saldibalans

60

Ontvangsten lening IJsland (i.) aflossing

 

0

0

–443

IXB, art. 2

61

Ontvangsten lening IJsland (ii.) rente

 

0

0

0

IXB, art. 2

           

E2. Griekenland

         

62

Lening Griekenland

   

1 248

1 946

IXB, art. 4

63

Vordering Griekenland

   

1 248

3 194

Saldibalans

64

Ontvangsten lening Griekenland (i.) aflossing

   

0

0

IXB, art. 4

65

Ontvangsten lening Griekenland (ii.) rente & servicefee

   

–30

–115

IXB, art. 4

∆ Staatsschuld (55, 56, 60, 61, 62, 64 + 65)

1 236

199

1 218

1 388

 
           

F. Overige gevolgen

         

66

Uitvoeringskosten en inhuur externen

11

43

8

3

IXB, art. 3

67

Terug te vorderen uitvoeringskosten inhuur externen

0

3

0

0

Saldibalans

68

Ontvangen uitvoeringskosten externen

–2

–12

–5

–5

IXB, art. 3

∆ Staatsschuld

82 165

–41 002

–2 529

–5 458

 

Staatsschuld cumulatief voor renteberekening

82 165

41 163

38 634

33 176

 

Berekende rente over gemiddelde staatsschuld 2

450

2 036

1 493

1 280

 
X Noot
1

Vanwege tussentijdse afronding op gehele miljoenen euro’s kan de som der delen afwijken van het totaal.

X Noot
2

Door de integrale benadering van schuldmanagement – dat wil zeggen: de financieringsbehoefte van de Staat wordt in haar totaliteit gedekt, ongeacht herkomst van de financiering – is het in principe niet mogelijk het totaal aan gerealiseerde rentelasten exact uit te splitsen naar «reguliere» rentelasten en rentelasten als gevolg van de kredietcrisis.  De rentelasten als gevolg van de toename van de staatsschuld door de getroffen crisismaatregelen zijn benaderd door het gemiddelde aandeel van de crisismaatregelen in de totale gemiddelde staatsschuld over 2011 (conform EMU-definitie) te vermenigvuldigen met de totale rente op staatsschuld in 2011. Deze methode is enigszins grof maar geeft een indicatie van de gemiddeld toerekenbare rentelasten. De meerjarenverplichting van de Staat aan ING wordt niet in deze berekening meegenomen, omdat de rente op deze meerjarenverplichting via de funding fee direct aan ING wordt betaald (zie begrotingshoofdstuk IXB, artikel 3). Tegenover deze rentelasten staan ook renteontvangsten (zie tabel).

A. Verwerving ABN AMRO Group N.V., ASR Nederland N.V., ABN AMRO Preferred Investments B.V., RFS Holdings N.V.

Oprichting van beheersorganisatie (NLFI), certificering van de aandelen

Op 1 juli 2011 is de Stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen opgericht (NLFI). Met de beheersorganisatie wordt invulling gegeven aan de breed gedragen wens in de Tweede Kamer om het aandeelhouderschap in financiële instellingen op een zakelijke, transparante en niet-politieke wijze in te vullen. Op 29 september 2011 zijn de aandelen van: ABN AMRO Group N.V., ASR Nederland N.V. en ABN AMRO Preferred Investments B.V. aan NLFI overgedragen en gecertificeerd. Het resterende belang in RFS Holdings N.V. is nog niet aan NLFI overgedragen.

In de nieuwe situatie is de Staat certificaathouder, wat zijn invloed beperkt. Evenwel behoudt de minister van Financiën invloed op principiële of zwaarwegende beslissingen en kan hij het bestuur daarvoor bindende steminstructies geven. De minister van Financiën zal de Tweede Kamer informeren over relevante ontwikkelingen (kamerstukken II 2011/12, 31 789, nr. 41).

Interim-dividend ABN AMRO Group N.V. € 200 mln.

In overleg met de Staat heeft ABN AMRO Group N.V. een dividendbeleid geformuleerd dat uitgaat van een uitkering van 40% van de gerapporteerde jaarwinst. Hiermee opereert de bank in lijn met vergelijkbare banken. Over boekjaar 2011 ontving de Staat € 200 mln. interim-dividend.

Dividend uit RFS Holdings B.V. € 16,24 mln.

Het economische belang van de Staat in RFS Holdings B.V. is middels een terugstorting van het nominaal geplaatste aandelenkapitaal (€ 0,24 mln.) teruggebracht tot ongeveer 1,25 %. Aanvullend hebben de aandeelhouders van RFS (de Staat, RBS en Banco Santander) besloten om ook het aanwezige kapitaalsurplus uit te keren. Dientengevolge ontving de Staat € 16 mln. aan dividend.

Counter indemnity premieontvangsten € 25,6 mln.

In het kader van het splitsingsproces van HBU uit het oude ABN Amro in 2010, zijn wederzijdse aansprakelijkheden ontstaan waarvoor ABN Amro destijds een vrijwaring heeft afgegeven. Aangezien ABN Amro het risico van eventuele uitbetaling niet zelf kan lopen, is door de Staat een counter indemnity afgegeven tot een maximum van € 950 mln. Voor deze garantstelling betaalt ABN Amro de Staat jaarlijks een marktconforme vergoeding van € 25,6 mln.

B. Kapitaalverstrekkingsfaciliteit (€ 20 mld.)

Terugbetaling resterende steun Aegon N.V. € 1,5 mld.

Gedurende het afgelopen jaar vonden de terugbetalingen plaats van eerder verstrekte kapitaalsteun. Door Aegon N.V. werd het restant van € 1,5 mld. samen met een vergoeding voor aflossing ter waarde van € 750 mln. terugbetaald. Aegon heeft geen kapitaalsteun meer openstaan. In 2010 keurde de E.C. de tijdelijke steun definitief goed.

Terugbetaling en intentie ING Group N.V. € 2 mld.

Door ING Group N.V. werd het afgelopen jaar € 2 mld. terugbetaald. Hiervoor betaalde ING een premie voor aflossing ter waarde van € 1 mld. en opgebouwde rente van € 472 000. Van de oorspronkelijke in 2008 verstrekte kapitaalsteun, van in totaal € 10 mld., heeft ING na aflossing nog € 3 mld. uit staan. ING heeft te kennen gegeven de Staat zo snel mogelijk volledig te willen terugbetalen, maar dit gezien de aanhoudende crisis in de Eurozone voorzichtig te willen benaderen.

C. Back-up faciliteit ING

Afname verplichting tot € 10,3 mld.

Op 26 januari 2009 is de Staat een back-up faciliteit overeengekomen met ING. Bij aangaan van de transactie bedroeg de gegarandeerde waarde € 21,4 mld. De gegarandeerde waarde is een aangegane meerjaren betalingsverplichting aan ING. De resterende meerjaren betalingsverplichting ultimo 2011 is tot € 10,3 mld. afgenomen. De meerjaren verplichting bestaat uit de gegarandeerde waarde ultimo  2011 plus een verplichting van de Staat aan ING die begin 2012 is voldaan, maar betrekking heeft op december 2011 (€ 0,2 mld.). De meerjaren verplichting aan ING luidt in US dollars en is omgerekend naar euro met de ECB referentie koers per ultimo jaar.

D1. Garantiefaciliteit bancaire leningen (€ 200 mld.)

De garantieregeling interbancaire leningen is in 2008 in het leven geroepen om de financiering van financiële instellingen op gang te brengen, zodat de kredietverlening aan bedrijven en particulieren wordt gewaarborgd. Door een gebrekkig functioneren van de kapitaalmarkt voor middellange termijn financiering konden bij financiële instellingen liquiditeitsproblemen ontstaan, waardoor ook fundamenteel gezonde instellingen zichzelf moeilijk konden financieren. De garantieregeling moet daarbij in samenhang worden gezien met andere maatregelen ter bescherming van de financiële sector. Vanaf 23 oktober 2008, de ingangsdatum van de garantieregeling, tot het einde van 2009 is in totaal € 50,3 mld. aan garanties geëffectueerd. De garantieregeling is op 31 december 2010 afgelopen. Daarmee is aangevangen met de exit strategie van de garantieregeling. Als onderdeel van de exit strategie is door Financiën op de website www.dsta.nl van het agentschap derhalve voor de banken die gegarandeerde leningen hebben de mogelijkheid aangeboden om deze leningen terug te kopen uit de kapitaalmarkt teneinde staatsgegarandeerd schuldpapier om te zetten in reguliere financiering. In 2011 is de openstaande garantieverplichting teruggelopen tot € 33,18 miljard.

Premieontvangsten € 366 mln. en afkoop garanties

Uit hoofde van de geëffectueerde garanties op interbancaire leningen heeft de Staat dit jaar in totaal € 366 mln. premies ontvangen. Een deel hiervan betreft de closing out fees die worden ontvangen bij vervroegde aflossingen (afkoop). Hierbij gaat het om de afkoop van een deel van de Staatsgarantie door NIBC, waarbij de Staat een closing out fee ter waarde van € 0,7 mln. heeft ontvangen en de afkoop door ABN AMRO waarbij een bedrag van € 3,7 mln. is ontvangen. Bij de afkoop door NIBC is overigens het deel van de vooraf ontvangen fee-opbrengsten terugbetaald aan NIBC Het gaat hierbij om € 4,5 mln. De netto premieontvangst (opbrengst) komt hiermee neer op € 361,5 mln.

D2. Stabiliteitsmechanisme

Op 10 mei 2010 besloot de Ecofin Raad tot een totaalpakket aan maatregelen ter borging van de financiële stabiliteit (d.d. 10 mei 2010, kenmerk BFB 2010–548M) met als voorwaarde dat landen die hierop een beroep doen alles in het werk zouden stellen om binnen de afgesproken termijn hun begrotingstekort op orde te brengen. Onderdeel van het pakket is het stabiliteitsmechanisme dat uit twee delen bestaat (het European Financial Stability Mechanism (EFSM) en European Financial Stability Facility (EFSF). Lidstaten van de EU staan via hun aandeel in de Europese begroting garant voor deze leningen. Voor Nederland gaat het dan om een garantstelling voor ca. € 3 mld.

Verder hebben de eurolanden in 2010 het EFSF opgericht dat voor maximaal € 440 mld. aan leningen kan verstrekken. De eurolanden staan garant voor de verplichtingen van het EFSF. Leningen zullen, enkel worden verstrekt onder zeer stringente beleidscondities. Nederland staat voor de verplichtingen die EFSM en EFSF aangaan voor de financiering van het programma's garant. Deze garanties vallen onder de opgenomen garantieverplichtingen.

Tijdens de Europese Raad van 24 en 25 maart 2011 is een akkoord bereikt over de opzet van het permanente noodmechanisme ESM dat als sluitstuk van de versterkte economische beleidscoördinatie in noodgevallen steun kan bieden aan lidstaten. Tijdens de Europese Raad van 8 en 9 december 2011 is besloten dat het ESM vervroegd in werking zal treden, met als streefdatum juli 2012. Het ESM zal de opvolger zijn van de tijdelijke noodmechanismen EFSF en EFSM. Afgesproken is dat het ESM een maatschappelijk kapitaal zal krijgen van 700 miljard euro. Hiervan zal 80 miljard euro gestort worden en 620 miljard euro opeisbaar kapitaal zijn. Het Nederlandse aandeel hierin bedraagt 5,72 procent. Het Nederlandse aandeel in het te storten kapitaal bedraagt 4,6 miljard en het Nederlandse aandeel in het opeisbaar kapitaal is 35,5 miljard euro. Dit opeisbaar kapitaal is vergelijkbaar met een garantieverplichting en leidt niet direct tot kasuitgaven. Voor het oprichten van het ESM wordt een verdrag opgesteld. Dit verdrag zal voorgelegd worden aan het Nederlandse parlement ter ratificatie.

Verhoging garanties aan EFSF + € 71,9 mld.

In 2011 bereikten de eurolanden overeenstemming over het versterken van de slagkracht van het EFSF. Tijdens de bijeenkomst van 21 juli werd afgesproken dat de looptijden van de door EFSF verstrekte leningen verlengd worden. Een langere looptijd leidt tot een hogere garantieverplichting aan het EFSF. Het Nederlandse aandeel in het EFSF bedraagt circa 6,1 procent. Uitgaande van een maximale looptijdverlenging tot 30 jaar, voor de gehele leencapaciteit van het EFSF en een rente van 4 procent over de totale Nederlandse garantie voor het EFSF, is het Nederlandse totaalplafond opgehoogd tot € 97,8 mld. Hiervan is ruim € 44 mld. bestemd voor de (over)garantie op de hoofdsom. Het restant is bestemd voor de (over)garantie op de rente. Aangezien rentestanden zich kunnen ontwikkelen in de toekomst en om de leencapaciteit van 440 miljard zeker te stellen, zullen de garanties voor de rentelasten mee bewegen met deze ontwikkeling. Bij reguliere begrotingsmomenten zullen daarom de garanties voor de rentelasten van EFSF geactualiseerd worden met de dan geldende CPB-ramingen, zoals ook bij andere begrotingsposten het geval is.

Versterking slagkracht EFSF

Om de effectiviteit van het EFSF te vergroten en besmetting te voorkomen zijn op 21 juli 2011 nieuwe instrumenten overeengekomen voor het EFSF en parallel daarmee het Europese Stabilisatie Mechanisme (ESM). Het EFSF kan nu ook leningen aan landen verstrekken ten behoeve van het herkapitaliseren van banken, en kan het in uitzonderlijke omstandigheden interveniëren in de secundaire obligatiemarkt. Ook kan het EFSF een preventief programma opzetten voor lidstaten die aan condities voor een dergelijk programma voldoen als ook interveniëren op de primaire obligatiemarkt. Daarnaast is tijdens de Eurotop van 26 oktober 2011 overeenstemming bereikt over twee leverage opties ter versterking van de slagkracht van het EFSF. Dit betreft enerzijds het verzekeringsmodel waarin een verzekering wordt aangeboden door een apart vehikel aan investeerders bij de uitgifte van een obligatie door een euroland. De tweede modaliteit betreft het bijeenbrengen van private en publieke middelen om de slagkracht van het EFSF te vergroten, door middel van een Co Investment Fund (CIF) dat op de primaire en secundaire markt obligaties kan opkopen.

Programma's Ierland, Portugal

In november 2010 heeft Ierland een aanvraag ingediend voor steun van EFSM, EFSF en het IMF. De Ecofin en Eurogroep hebben besloten steun aan Ierland te verstrekken waarbij EFSF voor € 17,7 mld. steun zal verstrekken vanaf 2011 en EFSM voor € 22,5 mld. In 2011 werd overeenstemming bereikt over een steunprogramma voor Portugal4. Het EFSF en EFSM verstrekken beide voor € 26 mld. aan leningen in dit kader. Deze bijdrage is onderdeel van een programma voor Portugal van € 78 mld. waarvan het EFSM, EFSF en het IMF ieder een derde aan steun zullen verstrekken. Het Nederlands aandeel in de garanties voor de door EFSF in 2011 uitgegeven obligaties bedraagt circa € 1,8 miljard.

Onderstaand is een overzicht van de in 2011 uitgekeerde leningen door EFSF en EFSM aan Ierland en Portugal.

Bedragen in miljarden euro’s

land

Programma

Aandeel EFSF

Aandeel EFSM

Uitgekeerd EFSF

Uitgekeerd EFSM

Ierland

85,0

17,7

22,5

7,6

13,9

Portugal

78,0

26,0

26,0

6,9

14,1

D3. Garantie DNB i.v.m. IMF + € 13,6 mld.

Tijdens de Europese Raad van 9 december hebben de regeringsleiders en staatshoofden van de EU besloten de financiële slagkracht van het IMF te vergroten. Het IMF wordt hiermee in staat gesteld zijn rol in de schuldencrisis in Europa adequaat te vervullen.  De landen van de eurozone hebben een totaal van € 150 miljard aan bilaterale leningen toegezegd om algemene middelen van het IMF te versterken.  Het Nederlandse aandeel hierin is € 13,61 miljard. Voor sommige landen geldt dat de toezegging onder voorbehoud van parlementaire goedkeuring is. Dit is ook voor Nederland het geval, op dit moment ligt dit voor in de Eerste Kamer. Zowel de lening als de garantie zijn per balansdatum nog niet geëffectueerd. Voordat DNB de lening aan het IMF kan verstrekken, moet de staatsgarantie aan DNB worden opgehoogd.

E1. IJsland

Terugbetaling IJsland uit boedel Landsbanki € 443 mln.

In 2008 is de Landsbanki failliet verklaard. Aansluitend op het faillissement van Landsbanki stelde de Nederlandse Staat rekeninghouders van Icesave destijds schadeloos. Hierbij werden tegoeden die onder het IJslandse DGS vallen, ofwel de eerste tranche tot aan € 20 887 door de Nederlandse Staat voorgeschoten. Daarnaast werd ook het eigen risico op de tweede tranche (10%), en de verhoging van het Nederlandse DGS tot aan € 100 000 («de topping up») uitgekeerd. In totaal keerde de Staat rekeninghouders een bedrag uit van € 1 428 mln. Na de ontvangst vanuit de Landsbanki-boedel bedraagt de vordering op IJsland nog € 1 012 mln. Tot op heden is geen formele overeenkomst met IJsland gesloten over de terugbetaling van de lening. Het laatste voorstel is middels een IJslands referendum verworpen.

E2. Griekenland

Verstrekking tranches aan Griekenland € 1 946 mln.

Met het oog op het behoud van de financiële stabiliteit in de eurozone, is in mei 2010 voor Griekenland een leningenprogramma gestart van in totaal 110 miljard euro, over een periode van drie jaar. Het betreft een gezamenlijk programma van het IMF en de lidstaten van de eurozone. De bijdrage van het IMF komt neer op 30 miljard euro; het overige deel wordt bijgedragen door de lidstaten van de eurozone. Het Nederlandse aandeel in dit programma is maximaal € 4,7 mld. over de gehele periode 2010–2013. In 2011 is voor ongeveer € 1,9 mld. aan leningen verstrekt. Uit hoofde van deze lening is in 2011 in totaal € 115 mln. aan rente (premie + servicefee) ontvangen.

Op de Eurotop van 11 maart 2011 werd besloten dat de rente die Griekenland betaald op deze leningen wordt verlaagd met 100 basispunten. Tijdens de Eurotop van 21 juli 2011 werd overeenstemming bereikt over een verlenging van de looptijd van de leningen aan Griekenland. Naar aanleiding van de gewijzigde omstandigheden in Griekenland werd tijdens de Eurotop van 26 oktober 2011 akkoord bereikt over de kernelementen van een nieuw steunprogramma.

Bedragen in miljarden euro’s

land

Programma

Aandeel Nederland

Uitgekeerd programma

Uitgekeerd NL deel t/m 2011

Griekenland

110

4,7

73

3,2

3.2 Verantwoording beleidsprioriteiten

In de ontwerpbegroting IXB 2011 zijn de beleidsprioriteiten van het kabinet op het terrein van het ministerie van Financiën voor 2011 gepresenteerd. In deze paragraaf is een tabel met toelichting opgenomen met daarin de prestaties die in 2011 zijn behaald.

Tabel beleidsprioriteiten
 

Beleidsprioriteit

Hoofddoelstelling

Prestaties in 2011

Hoofddoelstelling behaald?

 

IXB

     

1.

Houdbare financiering van beleidsprioriteiten

Het terugdringen van het overheidstekort en de overheidsschuld; Handhaven van de begrotingsregels

Het tekort is ten opzichte van 2010 verbeterd; de schuld is daarentegen ten opzichte van 2010 verder verslechterd. De begrotingsregels zijn gehandhaafd.

Deels

2.

Stabiliteit financieel stelsel: internationaal en nationaal

Herstellen van het vertrouwen in de financiële markten en de reële economie

– Start toezicht Europese toezichthouders;

– Overeenkomst bereikt over Code Banken, Code verzekeraars en Code corporate governance;

– Aanscherping kapitaal- en liquiditeitseisen;

– Hervormingen om de klant meer centraal te stellen bij financiële dienstverlening

De financiële stabiliteit staat nog steeds onder druk, dit maakt het noodzakelijk om nationaal en internationaal de inspanningen te continueren.

3.

Borging continuïteit en dienstverlening

Waarborging continuïteit van de bedrijfsprocessen met prioriteit voor telefoniekanaal en dienstverlening aan het MKB.

– Uitvoering transformatieprogramma;

– Verbetering website;

– Vermindering correspondentie;

– Verbreding dienstenaanbod;

– Begeleiding starters en ZZP-ers;

– Horizontaal toezicht voor MKB

Nagenoeg volledig

Toelichting beleidsprioriteiten IXB

1. Houdbare financiering van beleidsprioriteiten

Het in 2010 ingezette herstel van de Nederlandse economie heeft in 2011 niet doorgezet. Dit heeft een weerslag op de overheidsfinanciën. Ten opzichte van 2010 is het EMU-saldo in 2011 weliswaar verbeterd, maar het EMU saldo is met – 4,7 procent bbp in 2011 wel aanzienlijk achtergebleven bij het verwachte EMU-saldo van – 4,0 procent bbp ten tijde van de Startnota van het kabinet. De schuld is in 2011 met 65 procent bbp verslechterd ten opzichte van 2010. Ten opzichte van de raming ten tijde van de Startnota van dit kabinet (66 procent bbp) is de schuld beter uitgekomen.

Beleidsmatige conclusie

Het jaar 2011 is het eerste volledige begrotingsjaar van dit kabinet. De verslechtering van de Nederlandse economie heeft eraan bijgedragen dat de door dit kabinet gestelde budgettaire doelstellingen slechts deels zijn gehaald.

2. Stabiliteit financieel stelsel: internationaal en nationaal

In 2011 zorgde de Europese schuldencrisis voor een voortdurende bedreiging van de financiële stabiliteit. Dit maakte het noodzakelijk om risico’s nauwlettend te monitoren en nieuwe crisismaatregelen te treffen. Een ander belangrijk deel van de werkzaamheden in 2011 bestond uit het trekken van lessen uit de kredietcrisis. Het vertrouwen van consumenten en bedrijven in een goed en stabiel functionerende financiële sector is op de proef gesteld. Daarom is het belangrijk om lessen te trekken zodat er maatregelen kunnen worden getroffen die de financiële stabiliteit beter waarborgen. De financiële sector verleent immers diensten die essentieel zijn voor het dagelijks functioneren van de Nederlandse economie.

Internationaal:

In 2011 werden flinke stappen gezet die er toe moeten leiden dat de activiteiten van financiële instellingen meer gericht zijn op het leveren van betrouwbare dienstverlening aan burgers en bedrijven. In de financiële markten moeten de risico’s acceptabel en transparant zijn, waarbij de kosten van overmatig risicovol gedrag niet worden afgewenteld op de belastingbetaler. Om dit te bereiken is begonnen met ingrijpende hervormingen op verschillende terreinen. De hervormingen zijn in de volgende vier categorieën in te delen:

  • Versterking en verbreding toezicht;

  • Beter bestuur van financiële instellingen;

  • Aanscherping kapitaal- en liquiditeitseisen;

  • Consument meer centraal in financiële dienstverlening.

Op 1 januari 2011 zijn de drie Europese toezichthouders, de European Banking Authority (EBA) voor banken, de European Insurance and Occupational Pensions Authority (EIOPA) voor verzekeraars en pensioenfondsen en de European Securities and Markets Authority (ESMA) voor effecten en markten, gestart met het uitoefenen van toezicht. Daarnaast kent Europa sinds 2011 ook een macroprudentiële toezichthouder, de European Systemic Risk Board (ESRB). Ook is er in 2011 in Europees verband verder gewerkt aan het verbreden van het toezicht, waardoor hedgefondsen en private equity bedrijven, kredietbeoordelaars en de clearing van derivaten onder toezicht zullen komen te staan. Om het toezicht te versterken is ook de governance bij de toezichthouders versterkt door de Wet versterking governance van de Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten.

Om het bestuur van financiële instellingen te verbeteren is er een drietal Codes afgesproken: de Code Banken, de Code Verzekeraars en de Code Corporate Governance. In deze Codes staan principes over corporate governance, risicomanagement en beloningsbeleid. Door de principes van de Codes na te leven, zijn financiële instellingen verplicht om zelf verantwoordelijkheid te nemen. Uit de rapportages in 20115 blijkt dat er voortgang is geboekt wat betreft de naleving van de Codes. Dit is goed, maar de sector is er nog niet. Op het terrein van beloningsbeleid is er ook wetgeving ingediend bij de Kamer voor een «claw back» bij onterecht toegekende bonussen en een bonusverbod bij instellingen met staatssteun. Ook is afgelopen jaar een geschiktheidseis ingevoerd die aansluit bij de steeds hogere eisen die worden gesteld aan dagelijkse beleidsbepalers en commissarissen van financiële instellingen.

Een sterke financiële sector begint bij sterke buffers en financiële weerbaarheid. Hier richten de hervormingen op het gebied van het aanscherpen van de kapitaal- en liquiditeitseisen zich op. Er zijn het afgelopen jaar grote stappen gezet op het gebied van de twee belangrijkste wetgevingstrajecten: de kapitaaleisenrichtlijn voor banken («Capital Requirements Directive») en de solvabiliteitseisenrichtlijn voor verzekeraars («Solvency II»). Daarnaast is er in 2011 een interventiewet ingevoerd die de overheid meer mogelijkheden geeft om in te grijpen bij financiële ondernemingen indien die zich in moeilijkheden bevinden.

De laatste categorie hervormingen tracht te bewerkstelligen dat klanten en de maatschappij in brede zin in de praktijk merken dat de financiële sector de klant meer centraal stelt. Dit laatste is zowel uit oogpunt van klantbelang als uit oogpunt van stabiliteit essentieel. In 2011 is verder gewerkt aan het vormgeven van een provisieverbod. Het provisieverbod zal bijdragen aan een ontvlechting van de activiteiten van banken en verzekeraars van de activiteiten van onafhankelijke adviseurs. De consument kan er daarmee op vertrouwen dat de adviseur daadwerkelijk aan zijn kant staat.

Beleidsmatige conclusie

De financiële stabiliteit staat nog steeds onder druk, dit maakt het noodzakelijk om nationaal en internationaal de inspanningen te continueren.

3. Borging continuïteit en dienstverlening

In 2009 is op basis van aanbevelingen van McKinsey het transformatieprogramma voor de informatievoorzieningketen gestart. In mei 2011 is door McKinsey een evaluatie uitgevoerd waaruit blijkt dat IV-keten er nu veel beter voor staat dan twee jaar geleden6. Het waarborgen van de continuïteit van het productieproces heeft prioriteit gekregen, de structuur van de ICT-organisatie is vereenvoudigd en het collegiaal management is afgeschaft. Hierdoor zijn de resultaten van de IV-keten verbeterd. Er is sprake van een meerjarig verbetertraject dat ook de komende jaren door zal moeten gaan. Daarbij zijn nog enkele aandachtspunten. Zo moeten om de continuïteit verder te verstevigen, uitwijkscenario’s getest worden en waar nodig applicaties, bedrijfsprocessen en procedures aangepast worden. Daarnaast is verdere professionalisering van de IV-keten noodzakelijk. Portfoliomanagement en (concern)architectuur moeten verder versterkt worden. Ten slotte moet de productiviteit verhoogd worden om de eigen efficiëntiedoelstellingen te realiseren.

Dienstverlening: telefonische bereikbaarheid en internet

De BelastingTelefoon is in 2011 goed bereikbaar geweest en voldoet net als in 2010 aan de doelstelling dat 80 tot 85% van de bellers daadwerkelijk verbinding heeft gekregen.

In 2011 zijn veel activiteiten verricht om te voorkomen dat burgers of bedrijven de telefoon moeten pakken om de juiste informatie te krijgen. Zo is geïnvesteerd in het verbeteren van de website van de Belastingdienst. De nieuwe website is in januari 2012 live gegaan. Verwacht wordt dat deze verbetering in 2012 leidt tot een grotere zelfredzaamheid en vermindering van het aantal vragen bij de BelastingTelefoon. Verder is een aantal massale communicatie-uitingen beoordeeld op begrijpelijkheid. Onduidelijke teksten zijn herschreven, zoals brieven over reisaftrek, loonverschillen en de zorgverzekeringswet. Ook zijn er voorbereidingen getroffen om belastingplichtigen minder brieven te laten ontvangen: vanaf januari 2012 wordt de «Mededeling loonheffingen aangifte doen en betalen» niet meer verzonden (jaarlijkse reductie ca. 7 miljoen brieven). Het afschaffen van de betalingsherinnering Loonheffingen leidde in 2011 al tot een reductie van zo’n 2 miljoen brieven. Voor de Omzetbelasting is het afschaffen van de betalingsherinnering in onderzoek.

Het is nog niet gelukt om veel gestelde vragen bij de BelastingTelefoon via publicatie op www.belastingdienst.nl van een adequaat antwoord te voorzien. Het vaststellen van de precieze vragen en de rubricering ervan kostte meer tijd dan was gepland. Afronding van deze activiteit wordt nu in 2012 voorzien.

In december 2011 is als onderdeel van het nieuwe Toeslagensysteem Mijn Toeslagen live gegaan. Via deze persoonlijke internetpagina kunnen burgers al hun zaken voor toeslagen regelen. In 2012 zal zichtbaar worden wat de impact van Mijn Toeslagen is op het telefoonaanbod. Ook is een voorziening getroffen waarmee particulieren, ondernemers en fiscale dienstverleners bij fiscaalinhoudelijke vragen die niet door de medewerkers van de BelastingTelefoon kunnen worden beantwoord, doorverbonden worden naar daarvoor toegeruste medewerkers van de Belastingdienst. Per 1 januari 2012 is dit van toepassing voor de grote belastingmiddelen (inkomstenbelasting, omzetbelasting, loonheffing en vennootschapsbelasting).

Internet is door zijn kostenefficiëntie en zijn volcontinue bereikbaarheid het voorkeurskanaal van de Belastingdienst. De Belastingdienst stimuleert het gebruik van internet door gerichte kanaalsturing. Daarbij wordt aangesloten op de rijksbrede ontwikkelingen op het gebied van e-overheid. In 2011 is een kanalenstrategie ontwikkeld, die in de periode tot 2015 in uitvoering komt. Daarnaast is in 2011 een procedure getest, waarbij het maken van afspraken voor baliebezoek via de BelastingTelefoon loopt en waarmee onnodig baliebezoek wordt voorkomen. De resultaten waren positief en de faciliteit wordt in gebruik genomen.

Dienstverlening MKB

In lijn met de beleidsprioriteiten is in 2011 voor de MKB-segmenten starters en ZZP-ers een specifieke behandelmethode ontwikkeld om compliant en zelfredzaam ondernemerschap te bevorderen. Voor starters kent de Belastingdienst de startersaanpak. Deze is in 2011 gestandaardiseerd en wordt nu door alle belastingregio's toegepast. Bij het bepalen van de behandelstrategie van beide segmenten is het uitgangspunt dat de aandacht wordt gericht op (groepen van) personen en hun gedragingen en minder op aangifte of belastingmiddel. Hierbij wordt steeds meer samengewerkt met andere uitvoeringsorganisaties, zoals de Kamer van Koophandel op het gebied van voorlichtingen, waartoe in 2011 een convenant is getekend. Van deze voorlichtingen hebben ruim 20 000 starters gebruik gemaakt; het waarderingscijfer is hoog. Via korte bedrijfsbezoeken, gericht op het beoordelen van de opzet van de administratie, is bevorderd dat starters voldoen aan hun aangifte- en betalingsverplichtingen.

Samen met softwareleveranciers heeft de Belastingdienst onderzocht hoe voor starters en ZZP-ers het voeren van de administratie kan worden vereenvoudigd. De Belastingdienst gaat niet zelf boekhoudpakketten maken, maar treedt in overleg met de ontwikkelaars van online pakketten «in the cloud» om te bewerkstelligen dat zoveel mogelijk fiscale controles worden ingebouwd in de pakketten om zo de kwaliteit van de aangifte te verhogen. Voor MKB-bedrijven met personeel is de ingezette lijn via de fiscaal intermediairs en het horizontaal toezicht verder doorgezet. Het aantal MKB-ondernemingen, dat deelneemt aan een intermediair convenant is sterk toegenomen van 6 564 in 2010 tot 33 462 in 2011.

In 2011 is een actief beleid gevoerd op het tijdig ontvangen van aangiften en het stellen van een grens aan de betalingsachterstand bij invordering. De bedrijven die niet tijdig hun aangifte OB en LH indienden zijn gericht benaderd door de Belastingdienst.

Beleidsmatige conclusie

De doelstelling voor het borgen van de continuïteit en dienstverlening en de toezichtdoelstellingen zijn nagenoeg volledig gerealiseerd. Aan MKB en ZZP-ers is voorlichting op maat gegeven en de startende ondernemer is begeleid in het goed nakomen van zijn verplichtingen. Handhaving binnen MKB-ondernemingen met personeel gaat steeds meer gaan lopen via de lijn van de fiscale intermediairs en het horizontaal toezicht. Het overleg met softwareleveranciers over kwalitatief goede administratieve systemen wordt in 2012 voortgezet.

4. BELEIDSARTIKELEN

4.1 Belastingen

4.1.1 Fiscaal beleid en wetgeving

Algemene doelstelling

Het ontwerpen van beleid gericht op het genereren van inkomsten en het realiseren van niet-fiscale doelstellingen van het overheidsbeleid.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

In 2011 heeft het kabinet de zogenoemde fiscale agenda gepresenteerd. Deze agenda bevat de speerpunten en voornemens van het kabinet op fiscaal terrein. In deze fiscale agenda legt het kabinet de nadruk op het creëren van een eenvoudiger, meer solide en fraudebestendig belastingstelsel. Eenvoudiger in de zin van minder administratieve lasten voor burger en bedrijfsleven en minder uitvoeringskosten voor de Belastingdienst. Een meer solide belasting kan worden gerealiseerd door een andere belastingmix, bijvoorbeeld een lagere loon- en inkomstenbelasting en een hogere BTW, maar ook door grondslagverbreding. Fraudebestendigheid is iets dat permanent de aandacht heeft, maar die versterkt kan worden door het treffen van specifieke (wettelijke) maatregelen.

Een deel van de in de fiscale agenda genoemde speerpunten heeft al in 2012 haar beslag gekregen, bijvoorbeeld in het Belastingplan 2012 c.a. Op de maatregelen die in dit verband zijn genomen ter vereenvoudiging van het belastingstelsel wordt ingegaan onder het hoofdje «4.1.2.2 Operationele doelstelling 2: Het realiseren van niet-fiscale doelstellingen van kabinetsbeleid».

In het kader van het terugdringen van de grondslaguitholling is (bijvoorbeeld) in het Belastingplan 2012 in de vennootschapsbelasting de renteaftrek voor overnameholdings beperkt en is een objectvrijstelling voor vaste inrichtingen geïntroduceerd.

Naast de maatregelen die de Belastingdienst neemt om de handhaving en de naleving te bevorderen zijn in de wet Overige fiscale maatregelen 2012 diverse maatregelen genomen, specifiek gericht op het bevorderen van de fraudebestendigheid van ons belastingstelsel. Noemenswaard zijn in dit kader de introductie van één bankrekeningnummer voor vrijwel alle (terug-)betalingen door de Belastingdienst en de bestrijding van de zogenoemde Edelweissroute.

In 2011 is de zogenoemde Autobrief naar de Tweede Kamer gezonden. Deze Autobrief is uitgewerkt in de Wet uitwerking autobrief die tegelijkertijd met het Belastingplan 2012 aan de Tweede Kamer voorgelegd en in 2011 ook tot wet is verheven. In deze wet is onder meer uitwerking gegeven aan de voornemens van het kabinet op het terrein van de stimulering van (zeer) zuinige auto’s.

Verder zijn in 2011 zijn de eerste stappen gezet om te komen tot de instelling van een commissie ter uitvoering van de motie van de heer Dijkgraaf die een onderzoek zal uitvoeren naar de mogelijke vereenvoudigingen in de inkomstenbelasting.

Tenslotte is in 2011 ook de parlementaire behandeling van de voorstellen met betrekking tot de uniformering van het loonbegrip afgerond.

Externe factoren

Door tijdige parlementaire afronding en kwalitatief hoogwaardige fiscale wet- en regelgeving is de algemene doelstelling grotendeels behaald.

4.1.2 Operationele doelstellingen
4.1.2.1 Operationele doelstelling 1: Het genereren van inkomsten.

Doelbereiking

De fiscale maatregelen in het Belastingplan 2012 c.a. zijn van invloed geweest op het totale lastenbeeld dat is beschreven in de Miljoenennota 2012. In het Belastingplan 2012 zijn verschillende maatregelen genomen, enerzijds ter uitvoering van het Regeer- en Gedoogakkoord, anderzijds als specifieke dekkingsmaatregelen. De belangrijkste dekkingsmaatregelen zijn:

  • Renteaftrekbeperking overnameholding (vennootschapsbelasting);

  • Introductie objectvrijstelling vaste inrichtingen (vennootschapsbelasting);

  • Maatregelen 30%-regeling (loonbelasting).

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Een meetbaar gegeven is de realisatie van geplande belastingontvangsten. Hiervoor wordt verwezen naar het Financieel Jaarverslag van het Rijk 2011.

4.1.2.2 Operationele doelstelling 2: Het realiseren van niet-fiscale doelstellingen van kabinetsbeleid.

Doelbereiking

Naast een inkomstengenererende functie kunnen met het belastinginstrument ook niet-fiscale doelstellingen worden beoogd. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan vergroening.

In 2011 heeft het kabinet met het uitbrengen van de fiscale agenda gekozen voor een andere weging van de verschillende operationele doelstellingen. Door nadrukkelijk te kiezen voor het beperken van het fiscaal instrumentalisme met het oog op het bevorderen van een eenvoudiger, meer solide en fraudebestendig belastingstelsel komt de nadruk te liggen op operationele doelstellingen nummers 1 en 3, te weten het genereren van solide inkomsten en het vereenvoudigen van wet- en regelgeving.

In dat licht past ook hetgeen in de fiscale agenda (onder andere) ter zake van het onderwerp fiscale vergroening is opgemerkt: «Ten slotte is met betrekking tot het verbeteren van de belastingmix ook de vergroening

van het belastingstelsel een aandachtspunt. Vergroening is effectief gebleken. In het kader van de vergroening voert dit kabinet een opslag duurzame energie in die zal leiden tot een substantiële verhoging van de overheidsheffingen op energie. Daarnaast betekent een gewenste toename van de BTW in de belastingmix dat consumptie duurder wordt. Bij verdere vergroening moet er goed worden gekeken naar de doeltreffendheid en de risico's voor de schatkist en de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven. Idealiter worden hierover dan ook in EU-verband afspraken over gemaakt.»

Mede in het licht van dit uitgangspunt is het aantal fiscale vergroeningsmaatregelen (met uitzondering van de zogenoemde Autobrief, zie hierna) in 2011 beperkt.

In 2011 is de zogenoemde Autobrief naar de Tweede Kamer gezonden. Deze Autobrief is uitgewerkt in de Wet uitwerking autobrief die tegelijkertijd met het Belastingplan 2012 aan de Tweede Kamer is voorgelegd en in 2011 ook tot wet is verheven. Aan de Autobrief lag een uitvoerig onderzoek ten grondslag naar de wijze waarop de stimuleringsmaatregelen in de BPM, de MRB en de bijtelling ook in de (nabije) toekomst een stimulans kunnen blijven om steeds te kiezen voor de zuinigste auto. In die aangepaste wetgeving is een balans gevonden waarin zonder grondslaguitholling van de genoemde belastingen toch een maximale bijdrage wordt geleverd aan het terugdringen van de CO2-uitstoot in het verkeer.

De in 2011 ingediende en aanvaarde Geefwet bevat een samenstel aan maatregelen die erop zijn gericht om geefgedrag nog meer te stimuleren en de eventuele onnodige belemmeringen te elimineren, met als achtergrond een terugtredende overheid als het gaat om subsidies, maar waarbij die overheid tegelijkertijd ruimte biedt voor initiatieven vanuit het maatschappelijk middenveld. Die ruimte wordt geboden door bijvoorbeeld het introduceren van de mogelijkheid dat de zogenoemde ANBI-status behouden blijft, ook ingeval door de ANBI commerciële activiteiten worden verricht. In de vennootschapsbelasting is de giftenaftrek verruimd, is het commercieel (cultureel) ondernemerschap bij onder meer ANBI’s en SBBI’s gefaciliteerd. Tegelijkertijd is bijvoorbeeld de definitie van ANBI nader wettelijk ingevuld, zijn de voorwaarden voor de vrijwilligersvergoeding gecodificeerd, is in de loonbelasting de vrijwilligersregeling verruimd, is de negatieve giftenaftrek geïntroduceerd en is een multiplier geïntroduceerd in de giftenaftrek voor giften aan culturele instellingen.

In 2011 zijn in het kader van het bevorderen van een gunstig vestigingsklimaat onderhandelingen gevoerd met onder andere China, Duitsland, Ethiopië, Ierland, India, Indonesië, Jersey, Guernsey, Nieuw-Zeeland, Noorwegen en Tsjechië. Het betrof zowel onderhandelingen ten behoeve van wijziging of algehele herziening van bestaande verdragen ter voorkoming van dubbele belasting als onderhandelingen met het oog op het tot stand brengen van een dergelijk verdrag in gevallen waarin nog geen verdrag bestaat. Daarnaast zijn onderhandelingen gevoerd met acht landen over een verdrag tot uitwisseling van fiscale informatie (Tax Information and Exchange Agreements).

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Naast het genereren van inkomsten is het inzetten van het fiscale instrument er ook op gericht om de niet-fiscale doelstellingen van het kabinetsbeleid te realiseren. Dit zijn, tenzij expliciet anders vermeld, grotendeels doelstellingen van andere departementen. De betreffende departementen verantwoorden zich over de mate van doelbereiking. Hierover worden derhalve geen meetbare gegevens opgenomen binnen de begroting en het jaarverslag IXB.

4.1.2.3 Operationele doelstelling 3: Het vereenvoudigen van wet- en regelgeving teneinde de administratieve lasten te verminderen en de taken door de Belastingdienst te vergemakkelijken

Doelbereiking

Een deel van de in de fiscale agenda genoemde speerpunten heeft al in 2012 haar beslag gekregen, bijvoorbeeld in het Belastingplan 2012 c.a. Zonder uitputtend te willen zijn, worden hierna een aantal maatregelen genoemd die in het kader van de gewenste vereenvoudiging zijn getroffen. Zo worden zeven kleinere belastingen afgeschaft, is de zelfstandigenaftrek gewijzigd en zijn enkele wijzigingen in het formele belastingrecht aangebracht. Ook het zogenoemde vitaliteitspakket en een nieuwe renteregeling hebben via het Belastingplan 2012 hun beslag gekregen. In dat kader is voorts van belang dat in de Wet uitwerking autobrief is voorzien in een eerste stap naar een vereenvoudiging van de bijtelling voor de bestelauto van de zaak.

Het in 2009 ingediende wetsvoorstel Uniformering loonbegrip is na het demissionair worden van het toenmalige kabinet door de Tweede Kamer controversieel verklaard. In december 2010 is de behandeling van dat wetsvoorstel weer gestart met de opstelling van een nader verslag door de Tweede Kamer. De afronding van het wetsvoorstel heeft in 2011 plaatsgevonden.

Verder is in 2011 gestart met de Verkenning Loonsomheffing.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

De mate waarin het doel bereikt wordt, komt tot uiting bij de meetbare gegevens van de Belastingdienst (zie paragraaf 4.1.3).

4.1.2.4 Operationele doelstelling 4: Het evalueren van fiscale wet- en regelgeving

Doelbereiking

Door de fiscale wet- en regelgeving te evalueren wordt bezien of de uitgangspunten juist waren en of beoogde doelstellingen ook daadwerkelijk zijn gerealiseerd.

In de Miljoenennota 2012 zijn in bijlage 5 de evaluaties genoemd en samengevat die sinds de Miljoenennota van 2011 gerealiseerd zijn. Dit is ten eerste het onderzoek naar de fiscale stimulering van (zeer) zuinige auto’s. Dit onderzoek is in het voorjaar van 2011 uitgevoerd door onderzoeksbureau Ecorys in opdracht van het Ministerie van Financiën. Daarnaast is de evaluatie van het fiscaal stimuleringspakket naar aanleiding van de crisis, waaronder enkele belastinguitgaven, zoals de willekeurige afschrijving investeringen bedrijfsmiddelen en het verlaagde Btw-tarief voor renovatie en isolatie naar de Tweede Kamer gestuurd. Verder is in de Miljoenennota 2012 gemeld dat de eerdere aangekondigde beleidsevaluaties op het terrein van een aantal bestaande categorieën met het verlaagde Btw-tarief als afgerond worden beschouwd door de beleidsvisie die is uiteengezet in de Fiscale Agenda.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

In het vorige jaarverslag is al melding gemaakt dat in juni 2010 de beleidsdoorlichting evaluaties belastinguitgaven en de conclusies die het Kabinet hieruit trekt naar de Tweede Kamer zijn verzonden. Daaropvolgend zijn hierover in oktober 2010 vragen gesteld door de Vaste Commissie van Financiën en door het Bureau Onderzoek en Rijksuitgaven (BOR). In februari 2011 zijn de antwoorden hierop door de Minister van Financiën naar de Tweede Kamer gestuurd. Belangrijk hierin is het overzicht van welke evaluaties van belastinguitgaven de komende jaren worden meegenomen in de reguliere beleidsdoorlichtingen (bijlage 1. Programmering beleidsdoorlichtingen, Kamerstukken II 2010/11, 31 935, nr. 8).

4.1.3 Belastingdienst

Algemene doelstelling

Burgers en bedrijven zijn bereid hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen (compliance).

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

De doelstellingen zijn gerealiseerd.

Toelichting

De algemene doelstelling van de Belastingdienst is compliance: het bevorderen van regelnaleving en het terugdringen van niet-naleving. Deze doelstelling bestaat uit de elementen terechte registratie voor belastingplicht, tijdig, juist en volledig aangifte doen en tijdig betalen. Daarbij gaat het de Belastingdienst om het vergroten van de mate van zekerheid over de belastingontvangsten (compliance map) en het terugbrengen van nalevingstekorten op de genoemde elementen. De Belastingdienst werkt vanuit handhavingsregie. Dit is het bewust kiezen welke instrumenten in welke combinatie en met welke diepgang, worden ingezet om in een bepaalde situatie verbetering in het nalevinggedrag te bereiken dan wel goed gedrag te ondersteunen. Een subjectgerichte aanpak, gericht op het beïnvloeden van het gedrag van (groepen van) belastingplichtigen staat daarbij steeds meer voorop. De Belastingdienst bevordert compliance door goede dienstverlening te leveren, adequaat toezicht uit te oefenen, massale processen efficiënt en soepel uit te voeren en zonodig naleving strafrechtelijk af te dwingen.

Met behulp van effectgerelateerde prestatie-indicatoren is in 2011 een overgang gemaakt van het sturen op output naar het sturen op compliant gedrag (voor horizontaal toezicht en tijdigheid van aangiften, zie paragraaf 4.1.4.2).

Externe factoren

Externe factoren zijn de economische ontwikkelingen, de complexiteit van de (fiscale) wet- en regelgeving, Europese en internationale samenwerking en de autonome ontwikkeling van het werkpakket van de Belastingdienst. Deze worden toegelicht in de Miljoenennota.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Prestatie-indicatoren (in %)

2009

nulmeting

2010

Realisatie

2011

Belastingontduiking is onaanvaardbaar

92

93

93

Zelf belasting ontduiken is uitgesloten

87

90

88

Belasting betalen betekent iets bijdragen

31

35

34

Bron: Fiscale monitor

Toelichting

De mate van compliance wordt jaarlijks getoetst door middel van een set enquêtevragen aan burgers en bedrijven in de Fiscale Monitor. De Fiscale Monitor is een enquête onder 4 300 personen, verdeeld over zes doelgroepen: particulieren, toeslaggerechtigden, ondernemers, douaneklanten, fiscaal adviseurs en toeslagintermediairs. De belastingmoraal is gemeten door middel van het voorleggen van een aantal stellingen, waarbij gevraagd is in hoeverre men het ermee eens of oneens is. De stellingen zijn samengevoegd tot een index. Een hogere score betekent een sterkere belastingmoraal. Net als in 2010 bedraagt de gemiddeld score 3,9 op een schaal van 1 tot 5, waarbij toeslagen intermediairs het hoogst scoren (4,2) en particulieren het laagst (3,6).

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000

Zie Algemene doelstelling DGFZ en Algemene doelstelling Belastingdienst

   

Realisatie

Vastgestelde begroting incl. ISB

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

2011

Verplichtingen

3 635 552

3 652 322

3 868 142

3 346 024

3 528 988

3 613 721

–84 733

               

Uitgaven

3 625 570

3 572 425

3 759 696

3 414 784

3 394 668

3 613 721

–219 053

               

Programma-uitgaven

             

Doelstelling 2 Toezicht en opsporing

             

Heffing- en invorderingsrente

754 416

615 078

843 823

466 035

587 867

765 000

–177 133

Overige programma-uitgaven

61 274

62 861

9 210

4 940

4 427

9 663

–5 236

               

Apparaatsuitgaven

2 809 880

2 894 486

2 906 663

2 943 809

2 802 374

2 839 058

–36 684

               

Ontvangsten

117 950 276

119 560 914

104 564 951

112 796 839

109 815 639

113 588 164

–3 772 525

               

Programma-ontvangsten

             

Algemene beleidsdoelstelling

             

Belastingontvangsten

116 649 325

118 263 240

103 304 531

111 828 592

108 883 363

112 480 539

–3 597 176

               

Doelstelling 2 Toezicht en opsporing

             

Heffing- en invorderingsrente

917 115

919 902

867 065

580 676

511 029

772 900

–261 871

Overige programma-ontvangsten

318 638

343 038

360 794

359 297

394 396

313 753

80 643

               

Apparaatsontvangsten

65 198

34 734

32 561

28 274

26 851

20 972

5 879

Toelichting bij tabel budgettaire gevolgen van beleid

Verplichtingen (– € 85 mln.)

Voor een toelichting op het verschil tussen ontwerpbegroting en realisatie wordt verwezen naar de toelichting op de uitgaven. Het verschil tussen de totalen van de gerealiseerde verplichtingen en de gerealiseerde uitgaven wordt verklaard door een hogere stand van de openstaande betalings- en garantieverplichtingen ultimo 2011.

Uitgaven (– € 219 mln.)

Heffings- en invorderingsrente (– € 177 mln.)

Als gevolg van de lage rentestand is de realisatie € 329 mln. lager. Daarnaast heeft er een tegenvaller plaatsgevonden naar aanleiding van een uitspraak van de Hoge Raad die grotendeels in 2011 is opgevangen (€ 152 mln.).

Overige programma-uitgaven (– € 5 mln.)

De lagere realisatie wordt nagenoeg geheel verklaard door de rentevergoeding depotstelsel. Het depotstelsel zal naar verwachting niet eerder dan in 2014 worden ingevoerd. De voor 2011 geraamde rentevergoeding (€ 5 mln.) komt te vervallen.

Apparaatsuitgaven (– € 37 mln.)

De mutatie in de apparaatsuitgaven betreft een kasschuif van per saldo € 92 mln. van (investerings)uitgaven die niet in 2011 zijn gerealiseerd. Deze middelen zijn doorgeschoven naar 2012 t/m 2015. Het gaat o.a. om middelen in het kader van investeringen in detectiemiddelen van de Douane, ICT trajecten en huisvesting. Het saldo van de apparaatsuitgaven wordt verklaard door ontvangen loon- en prijsbijstelling van circa € 26 mln., en voor in totaal ca. € 29 mln. aan diverse overboekingen van en naar andere departementen en een aantal relatief kleine (technische) mutaties.

Ontvangsten (– € 3 773 mln.)

Programma- ontvangsten (– € 3 779)

Belastingontvangsten (– € 3 597 mln.)

Voor een toelichting op de belastingontvangsten wordt verwezen naar het Financieel Jaarverslag van het Rijk.

Heffings- en invorderingsrente (– € 262 mln.)

Als gevolg van de lage rentestand is de realisatie € 262 mln. lager.

Overige programma-ontvangsten (+ € 81 mln.)

De hogere realisatie wordt met name veroorzaakt door hoger dan geraamde boeteontvangsten. Behalve een incidenteel hoge boeteontvangst van ruim € 25 mln., leidden ook toezichtsacties op ondernemingen die nalatig zijn met het indienen van hun vpb-aangifte en de intensivering van de controles op het eurovignet tot hogere boeteopbrengsten.

Apparaatsontvangsten (+ € 6 mln.)

Werkzaamheden voor derden ( + € 6 mln.)

De mutatie bij apparaatsontvangsten betreft ontvangsten vanwege werkzaamheden voor derden.

4.1.4 Operationele doelstellingen
4.1.4.1 Operationele doelstelling 1: Burgers en bedrijven dienstverlening aanbieden op de manier die hen past.

Doelbereiking

Alle instrumenten zijn ingezet. De doelstellingen zijn grotendeels gerealiseerd. De kwaliteit van de antwoorden op status- en procesvragen valt net niet binnen de bandbreedte van de streefwaarde. Datzelfde geldt voor de doorloopsnelheid voor afhandeling van klachten, bezwaren en afgifte van nummers (BTW en loonheffing). De telefonische bereikbaarheid, de ervaren kwaliteit van dienstverlening en de klanttevredenheid zijn op niveau.

Realisatie meetbare gegevens1 bij de operationele doelstelling

Prestatie-indicator (in %)

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2011

Realisatie 2011

Bereikbaarheid Belastingtelefoon (BT)

81

81

74

83

80–85

82

Eén contact

   

91

90

90–95

90

Kwaliteit beantwoording fiscale vragen BT

66

74

81

87

80–85

87

Kwaliteit status en procesvragen BT

85

87

89

90–95

89

Tijdige reactie op complexe vragen

           

– binnen 2 werkdagen en

85

91

94

87

85–90

88

– binnen 4 werkdagen

 

94

98

93

90–100

93

Versnellen van de processen

           

– afhandeling BTW- en loonheffingnummer < 5 werkdagen

 

87

95

97

95–98

93

– verlenen VAR verklaring < 5 werkdagen

 

99

93

92

90–100

93

Afgehandelde bezwaren binnen AWB-termijn2

91

83

87

87

95–100

94

Afgehandelde klachten binnen AWB-termijn

n.v.t.

88

94

98

98–100

96

Ervaren kwaliteit dienstverlening

           

– ervaren duidelijkheid correspondentie

82

82

833

85

80–85

87

– ervaren snelheid afhandeling

55

54

813

87

65–70

88

– ervaren bereikbaarheid

59

60

723

75

65–70

78

– ervaren nakomen van afspraken

81

81

803

92

85–90

94

Klanttevredenheid

           

– Internet

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

89

70–75

90

– Balie

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

91

75–85

76

– Telefonie

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

83

70–75

82

Bron: Fiscale monitor en Belastingdienst/Centrale Administratie

X Noot
1

De streefwaarden van de Belastingdienst worden voor zover mogelijk weergegeven in bandbreedtes. Hiermee geeft de Belastingdienst per prestatie-indicator aan wat de onder- en de bovengrens is.

X Noot
2

In de meting van de prestatie-indicatoren ontbreekt een beperkt aantal bezwaarschriften van kleine belastingmiddelen (dividend- en kansspelbelasting, milieubelastingen en belastingen van rechtsverkeer), omdat deze niet worden opgenomen in het centraal registratiesysteem. Vanwege het geringe aantal heeft dit geen invloed op de gerealiseerde waarde.

X Noot
3

De Fiscale Monitor is in 2010 vernieuwd, omdat de vraagstellingen niet meer goed aansloten bij de doelen van de Belastingdienst en omdat verbeterde meetmethoden zijn ontwikkeld. In 2009 is een nulmeting met de nieuwe Fiscale monitor gehouden waarvan de uitkomst is opgenomen bij de realisatie 2009. Deze vernieuwing maakt vergelijking met oudere jaren (2007, 2008) niet goed mogelijk.

Toelichting

De BelastingTelefoon is in 2011 goed bereikbaar geweest. In december was sprake van enkele pieken in vragen over Toeslagen, wat kwam door de invoering van het nieuwe toeslagensysteem. De bereikbaarheid voor Toeslagen haalde toen een aantal malen niet het gewenste niveau; de overall bereikbaarheid lag in december evenwel slechts een fractie onder de streefwaarde. In 2011 zijn 15,8 miljoen gesprekken binnengekomen, zo’n 900 000 meer dan in 2011.

De kwaliteit van de telefonische beantwoording lag op hetzelfde niveau als in 2010, zo blijkt uit klantonderzoek (via de Fiscale Monitor) en twee monitorsystemen. In de loop van 2011 heeft de BelastingTelefoon een faciliteit ingevoerd waarmee de klanthistorie kan worden weergegeven ten behoeve van de mensen achter de telefoon. Samen met de invoering van een nieuw systeem voor interne kwaliteitsmonitoring moet dat tot een hoger kwaliteitsniveau in 2012 leiden.

De afgifte van BTW- en LH-nummers scoort beneden de streefwaarde door automatiserings- en capaciteitsproblemen aan het begin van het jaar. Die problemen zijn opgelost, maar het bleek niet mogelijk de opgelopen achterstand in de rest van 2011 goed te maken.

De afdoening van bezwaarschriften is ten opzichte van 2010 sterk verbeterd, maar komt nog niet uit binnen de bandbreedte. De verbetering is vooral te danken aan de prestaties van de Belastingregio’s (vorig jaar 84%, nu 93%). Verwacht wordt dat verdere implementatie van de getroffen maatregelen (betere sturing, betere geautomatiseerde ondersteuning en concentratie van processen) ertoe leidt dat de opwaartse trend wordt vastgehouden en doorzet.

De tijdige afdoening van klachten is in het gedrang gekomen door een groei in de klachten rond invordering. De daarvoor benodigde extra capaciteit was niet snel genoeg voorhanden.

In 2011 is de Belastingdienst voor het eerst actief geweest op Twitter. In korte tijd is een twitterteam opgericht in verband met de invoering van het toeslagensysteem. Alhoewel het niet bijzonder druk is op het twitteraccount, stellen burgers het erg op prijs dat een organisatie als de Belastingdienst aanwezig is op social media.

4.1.4.2 Operationele doelstelling 2: Door toezicht en opsporing bevordert de Belastingdienst dat burgers en bedrijven hun wettelijke verplichtingen nakomen

Doelbereiking

Alle instrumenten zijn ingezet. De toezichtsdoelstellingen zijn gerealiseerd met uitzondering van de doelstellingen om door middel van horizontaal toezicht zicht te hebben op de kwaliteit van de opzet, bestaan en werking van de fiscale beheersing voor middelgrote en grote ondernemingen. De doelstelling voor toeslagen is grotendeels gerealiseerd.

Algemeen

Binnen het toezicht onderscheidt de Belastingdienst drie segmenten: Particulieren, Midden- en kleinbedrijf (MKB) en Middelgrote en Zeer Grote ondernemingen (MGO/ZGO). De instrumenten die de Belastingdienst tot zijn beschikking heeft variëren van voorlichting, bedrijfsbezoeken, fiscale surveillance, handhavingscommunicatie, boekenonderzoeken, bestuurlijke boetes tot strafrechtelijke vervolging. Het werken in de actualiteit en de samenwerking met andere overheidsorganisaties zijn leidende principes voor het toezicht. De Belastingdienst zet in op horizontaal toezicht door het afsluiten van convenanten met grote organisaties en met fiscale dienstverleners.

Misbruik en oneigenlijk gebruik

Belastingheffing is gevoelig voor misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O), omdat de hoogte van de heffing en de verplichting tot betalen afhankelijk is van gegevens die belastingplichtigen zelf verstrekken. Dit kan van invloed zijn op de volledigheid van de belastingontvangsten. Bij alle uit te voeren fiscale taken wordt de Belastingdienst in meer of mindere mate geconfronteerd met de problematiek van M&O. Het tegengaan van M&O bij de uitvoering van wet- en regelgeving vormt derhalve een geïntegreerd onderdeel van het rechtshandhavingsbeleid. In het Beheersverslag van de Belastingdienst wordt dit meer uitgebreid toegelicht.

Realisatie meetbare gegevens

Prestatie-indicator

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2011

Realisatie 2011

Organisaties waarbij de mogelijkheden tot horizontalisering zijn beoordeeld (als percentage van het aantal organisaties in dit segment):

           

• MGO

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

35–45 %

43%

• ZGO

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

70–80 %

77%

Organisaties waarbij de Belastingdienst zicht heeft op de kwaliteit van de opzet en bestaan van de fiscale beheersing (als percentage van het aantal organisaties in dit segment):

           

• MGO

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

20–25 %

10%

• ZGO

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

40–50 %

38%

Organisaties waarbij de Belastingdienst zicht heeft op de kwaliteit van de werking van de fiscale beheersing (als percentage van het aantal organisaties in dit segment):

           

• MGO

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

10–15 %

4%

• ZGO

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

20–30 %

18%

Bron: Fiscale monitor en Belastingdienst/Centrale Administratie

Toelichting

De realisatie voor de verschillende fasen opzet en werking laat een vertraging zien. De Belastingdienst voert gesprekken om de voortgang van de activiteiten bij de bedrijven te monitoren en te stimuleren maar deze hebben nog niet geleid tot voldoende inspanningen van de bedrijven om de streefwaarden voor deze fasen geheel te bereiken. De Belastingdienst is hierbij in hoge mate afhankelijk van de inspanningen die bedrijven zelf leveren om hun fiscale beheersing op orde te brengen. Idealiter wordt gebruik gemaakt van de toetsingswerkzaamheden die de onderneming zelf uitvoert. Waar dat niet mogelijk is zijn door de Belastingdienst andere instrumenten ingezet zoals kantoortoetsen en boekenonderzoeken.

In november 2011 heeft de Staatssecretaris van Financiën een commissie van externe deskundigen ingesteld die als opdracht heeft het horizontaal toezicht door de Belastingdienst te evalueren. De commissie zal een analyse maken van de mogelijke knelpunten en kwetsbaarheden en voorstellen doen voor de verdere ontwikkeling van horizontaal toezicht en ingaan op de vraag hoe het succes van horizontaal toezicht kan worden gemeten. De commissie zal in het voorjaar 2012 rapporteren.

Realisatie meetbare gegevens

Prestatie-indicator 1

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2011

Realisatie 2011

Aantal MKB ondernemingen onder een horizontaal toezichtconvenant (* 1000)

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

6

15–30

33

Percentage contacten met starters: startersbezoeken en klantgesprekken (ten opzichte van het totaal aantal starters)

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

15–25 %

20%

Tijdigheid aangiften:

           

Percentage bereikte belastingplichtigen na verzuim (OB)

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

50–60 %

64%

Tijdigheid aangiften:

           

Percentage bereikte belastingplichtigen na verzuim (LH)

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

90–95%

93%

Tijdigheid aangiften:

           

Percentage bereikte belastingplichtigen na verzuim (IH niet winst)

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

90–95 %

87%

Tijdigheid betalen:

           

Achterstand invordering (in %)

2,5

2,2

2,4

2,5

2,5–3,0

2,4

Bron: Fiscale monitor en Belastingdienst/Centrale Administratie

X Noot
1

Een groot deel van de prestatie-indicatoren is nieuw

Toelichting

De doelstellingen voor bereikte belastingplichtigen na verzuim OB en LH zijn gerealiseerd. Het te bereiken percentage belastingplichtigen na verzuim OB is lager dan voor de LH en de IH niet winst omdat het bereik via belacties verloopt. Voor de IH worden vooral brieven verstuurd waarmee sneller grotere groepen belastingplichtigen worden bereikt. Voor de LH zijn de volumes laag; deze kunnen ook met belacties vrijwel volledig worden bereikt. Het beoogde aantal bereikte belastingplichtigen na verzuim IH niet winst is niet gerealiseerd.

Voor aangiften die niet tijdig zijn binnengekomen heeft de Belastingdienst ambtshalve aanslagen opgelegd. Ook zijn de boetebedragen verhoogd voor belastingplichtigen die niet tijdig aangifte doen.

De aanpak voor de benadering van starters is preventief gericht op het aangiftegedrag en de zekerheid van de belastingontvangsten. In samenwerking met andere uitvoeringsorganisaties, zoals de Kamer van Koophandel hebben ruim 20 000 starters gebruik gemaakt van voorlichtingsbijeenkomsten. Via korte bedrijfsbezoeken, gericht op het beoordelen van de opzet van de administratie, is bevorderd dat starters voldoen aan hun aangifte- en betalingsverplichtingen.

Onderdeel van de aanpak voor het thema tijdigheid aangifte is het zo snel mogelijk benaderen van belastingplichtigen die verzuimen op tijd aangifte te doen. Dit voorjaar hebben ruim 26 000 belastingplichtingen met een voorlopige teruggave IH 2011 een brief ontvangen waarin gewezen is op de consequenties van het niet doen van aangifte. De Belastingdienst heeft een laatste kans geboden om de aangifte alsnog binnen vier weken in te dienen. Dat heeft ertoe geleid dat bijna 8 000 aangiftes alsnog zijn ontvangen. Voor aangiften die niet tijdig zijn binnengekomen heeft de Belastingdienst ambtshalve aanslagen opgelegd voor de jaren 2008, 2009 en 2010.

In de segmenten Particulieren en MKB is het percentage te late aangiften IH als gevolg van voorlichting en handhavingscommunicatie met 30% verminderd.

Systeemfraude

Op 14 april 2011 heeft de staatssecretaris van Financiën de Fiscale agenda aan de Tweede Kamer aangeboden.13 Hierin staan 20 maatregelen tegen systeemfraude, onderverdeeld naar maatregelen op korte- en lange termijn, maatregelen die systeemfraude voorkómen en uitvoeringsmaatregelen die plegers van systeemfraude aanpakken. Alle activiteiten worden gecoördineerd door de zogeheten antifraudebox waarin alle disciplines samenwerken (heffing, inning, toeslagen, centrale administratie, FIOD). Hierna worden de belangrijkste maatregelen toegelicht.

Maatregelen identiteitsfraude

Het verwerkingsproces van de digitaal ontvangen wijzigingsverzoeken van bankrekeningnummers is aangepast door een bevestigingsverzoek naar de aanvrager te zenden. Wijzigingsverzoeken worden daarmee pas verwerkt na ontvangst van de bevestiging.

Maatregelen inkomensheffing

Bij de inkomensheffing gaat het om aangiften die op grond van onjuiste gegevens leiden tot onterechte uitbetaling. Om fraude tegen te gaan, zijn de controlegrenzen aangescherpt en wordt gebruik gemaakt van contra-informatie. Door het blokkeren van onterechte uitbetalingen is in 2011 op zowel ingediende aangiften als verzoeken om voorlopige teruggaaf een bedrag van € 145 miljoen tegengehouden.

Maatregelen omzetbelasting

Van bedrijven die langer dan een jaar nihilaangiften doen worden btw-nummers na beoordeling afgevoerd. In 2011 zijn door de belastingregio’s 27 500 nummers ingetrokken. Daarnaast worden ruim 26 000 btw-nummers van bedrijven vanwege eerdere negatieve ervaringen met het bedrijf permanent gemonitord. De bedrijven hebben een aparte code gekregen in het systeem voor de omzetbelasting. Circa 12 500 btw-nummers zijn ingetrokken naar aanleiding van deze monitoring. In het kader van de bestrijding van de intracommunautaire btw-fraude (carrouselfraude) zijn 340 ondernemingen gestopt. Voor 4 300 ondernemers is het niet meer mogelijk de btw te verleggen, met als gevolg dat zij op het moment van invoer btw verschuldigd zijn. Naheffingen naar aanleiding van fraudesignalen bedroegen in 2011 € 45 miljoen.

Prestatie-indicator

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2011

Realisatie 2011

Toeslagen

n.v.t.

n.v.t.

Deels behaald

Deels behaald

Het toezicht wordt volgens planning uitgevoerd.

Groten-deels behaald

Percentage processen-verbaal dat leidt tot veroordeling/transactie

79

84

86

76

82–85

84

Bron: Fiscale monitor en Belastingdienst/Centrale Administratie

Toelichting

Het toezicht op toeslagen vindt plaats op basis van een met de betrokken beleidsdepartementen afgestemd toezichtplan. De kern van het toezicht is het administratieve toezicht dat bestaat uit massale vergelijkingen tussen de gegevens uit de aanvragen en gegevens van derdeninstanties waaruit de onjuistheid van of twijfel over een aanvraag kan blijken. Over 2011 is een deel van het toezicht van de voorschotfase verschoven naar de fase van definitief toekennen. Een belangrijke oorzaak hiervoor is de invoering van het nieuwe toeslagensysteem.

Het toezicht over het toeslagjaar 2009 is grotendeels afgerond in 2011. Er zijn ruim 6,5 miljoen huur- en zorgtoeslagen definitief toegekend (94%). Verder zijn er circa 0,4 mln. toeslagen kinderopvang (72%) en 1,1 mln. aanvragen kindgebonden budget (94%) definitief vastgesteld.

Voor het toeslagjaar 2010 zijn meer dan 5,5 miljoen huur- en zorgtoeslagen (79%), 268 000 toeslagen kinderopvang (51%) en bijna 0,9 mln. aanvragen kindgebonden budget (74%) definitief vastgesteld.

Naast administratief toezicht wordt toezicht uitgevoerd dat bestaat uit waarneming ter plaatse. Hierbij werkt Toeslagen samen met andere toezichthouders, zoals de Belastingdienstregio’s, de gemeentelijke sociale diensten, de Sociale Verzekeringsbank (SVB), de Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD) en de interventieteams. In 2011 heeft de samenwerking met deze partners geleid tot 102 aangepaste toekenningen.

Eind 2011 is het nieuwe toeslagensysteem succesvol ingevoerd voor de vier toeslagregelingen. Alle toeslaggerechtigden hebben via DigiD toegang tot een persoonlijke digitale toeslagenpagina. Op deze pagina kunnen burgers hun toeslagrecht van het toeslagjaar 2012 raadplegen en relevante veranderingen in hun situatie melden. De veranderingen worden automatisch verwerkt voor alle van toepassing zijnde toeslagen. Ook wijzigingen uit het GBA worden automatisch verwerkt. Zo worden onnodige uitvragen naar burgers en fouten voorkomen.

Met het nieuwe systeem gaat Toeslagen de juistheid van grondslagen in toenemende mate in de voorschotfase te toetsen. Hierdoor kan het bedrag aan terugvorderingen bij de definitieve afhandeling worden gereduceerd.

De Belastingdienst heeft ook in 2011 maatregelen genomen om de fraude met kinderopvangtoeslag tegen te gaan. Binnen het kantoor Toeslagen hebben analisten met behulp van queries toeslagaanvragen beoordeeld die op basis van gefingeerde gegevens zijn ingediend. Met de daaruit voortkomende activiteiten is in 2011 een bedrag van ruim € 46 mln. aan uitbetalingen voorkomen dan wel teruggedraaid.

De doelstelling voor het percentage processen-verbaal dat leidt tot een veroordeling of een transactie door het aanleveren van kwalitatief goede zaken is een resultante van het overleg tussen het Openbaar Ministerie, de financiële toezichthouders en de FIOD (Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst).

Prestatie-indicator

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2011

Realisatie 2011

Kwaliteitscore Belastingregio’s (index)

107

109

108

111

106–110

112

Kwaliteitscore Douane (index)

105

112

103

105

106–110

106

Bron: Fiscale monitor en belastingdienst/Centrale Administratie

Toelichting

De score voor de Belastingregio’s is boven de doelstelling uitgekomen en is een voortzetting van de stijgende lijn die sinds 2005 is ingezet. De kwaliteitsscore FIX is voor de Douane gestegen van 105 naar 106.

Prestatie-indicator (* 1000)

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2011

Realisatie 2011

Aantallen onderzoeken toezicht buiten

90

95

116

104

75–110

96

Aantallen behandelde aangiften IH en Vpb

1 389

1 106

933

588

450–650

462

Bron: Fiscale monitor en belastingdienst/Centrale Administratie

Toelichting

In het toezicht buiten ligt de nadruk steeds meer op preventieve toezichtsinstrumenten en actueel toezicht. De bedoeling is fouten te voorkomen en, indien nodig bij te sturen. Actualiteitsbezoeken (startersbezoeken en bedrijfsbezoeken) spelen in de toezichtaanpak een prominente rol. Naast deze bezoeken is gebruik gemaakt van boekenonderzoeken. De doelstelling voor toezicht buiten en aantallen behandelde aangiften IH en Vpb zijn gerealiseerd.

4.1.4.3 Operationele doelstelling 3: Het leveren van een bijdrage aan de bescherming van de samenleving tegen ongewenste goederen

Doelbereiking

De Douane heeft de meeste doelstellingen gerealiseerd en is daarbij binnen de afgesproken marges gebleven. In twee gevallen zijn meer controles uitgevoerd dan in de streefwaarden was opgenomen.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Prestatie-indicatoren * 1 000

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2011

Realisatie 2011

Scancontroles Vracht

83

93

98

105

90–110

104

Fysieke controles Vracht

86

94

99

106

95–120

109

Fysieke controles Koeriers/post

113

112

108

120

95–115

130

Controles op vluchten passagiers

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

11,5–14

12,5

Fysieke controles ambulant buitengrens1

28

44

43

42

30–37

39

Uren toezicht, gebied- en objectgerelateerd2

492

490

491

497

475–525

480

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

X Noot
1

Wordt vanaf 2007 afzonderlijk gemeten.

X Noot
2

Dit betreft de uren toezicht buitengrens (exclusief Schiphol Passagiers), waarbij de cijferreeks met terugwerkende kracht is geherdefinieerd naar de voor 2011 gehanteerde definitie.

Toelichting

Het aantal fysieke controles koeriers en post is boven de bandbreedte uitgekomen. De belangrijkste oorzaak daarvan was een hoger aanbod van postzendingen uit Suriname, waarvoor 100% controle geldt. Ook binnen de reguliere post- en koerierszendingen was sprake van een groter aanbod dan gepland.

Met de nieuwe prestatie-indicator controles op vluchten passagiers komt de differentiatie in de controleaanpak tot uitdrukking. De Douane gaat uit van een gradatie in risico’s op vluchtniveau, met bijbehorende controledichtheid en inzet van handhavingsmiddelen. Eén van die middelen is de fysieke controle op passagiers. Andere middelen zijn profiling, inzet van speurhonden en security-scan.

Het aantal fysieke controles ambulant aan de buitengrens van de EU is ongeveer 5% boven de bandbreedte uitgekomen. Deze overproductie is ontstaan op Schiphol waar in samenwerking met andere overheidsdiensten meer relatief eenvoudige controles zijn uitgevoerd dan gepland.

De Douane streeft naar efficiënt toezicht. Daarbij wordt onder andere rekening gehouden met de mate waarin voor de betrouwbaarheid van de administratie kan worden gesteund op een stelsel van interne beheersingsmaatregelen. Dat kan resulteren in certificeringen of convenanten. Een bedrijf dat het certificaat van Authorized Economic Operator verkrijgt (gebaseerd op Europese wetgeving) voldoet aan een aantal gestelde eisen waardoor een lichter controleregime van toepassing is. Daardoor kan het logistieke proces sneller gaan.

Ultimo 2011 is ongeveer 70% van de grote bedrijven gecertificeerd (Authorised Economic Operator).

4.1.4.4 Operationele doelstelling 4: Efficiënte en soepele uitvoering van de massale processen

Doelbereiking

De massale processen hebben zonder grote problemen gefunctioneerd.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Indicatoren

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2011

Realisatie 2011

Aantal zendingen zonder fouten

n.v.t.

n.v.t.

99%

100%

99–100%

100%

Tijdige verwerking van mutaties rekeningnummers (binnen 1 week)

n.v.t.

n.v.t.

100%

100%

99–100%

100%1

Tijdige verwerking van terugbetalingen (binnen 1 week)

n.v.t.

n.v.t.

87%

100%

99–100%

100%

Tijdige verwerking van verrekeningen van teruggaven met nog openstaande aanslagen (binnen 2 weken)

n.v.t.

n.v.t.

100%

100%

99–100%

100%

Aangiften IB voor 1 april ingediend; aanslag voor 1 juli

99,7%

99,3%

99,9%

99,9%

98–100%

100%

Tijdige verwerking eerste aanvragen en mutaties toeslagen (binnen 8 weken)

n.v.t.

93,6 %

97,3%

98,4%

96–100%

97%

Bron: Fiscale monitor en belastingdienst/Centrale Administratie

X Noot
1

Door wijzigingen in het proces muteren rekeningnummers is er geen cijfer van de prestatie indicator «tijdige verwerking van mutaties rekeningnummers» te geven. Een belangrijke wijziging in het proces is dat wijzigingen in rekeningnummers pas worden opgevoerd nadat hiervoor de uitdrukkelijke toestemming van de belastingplichtige of toeslaggerechtigde is ontvangen. Tot en met het moment (1 april 2011) dat het proces is aangepast, was de realisatie 100%. De wijziging in het proces leidt er toe dat in voorkomende gevallen de doorlooptijd langer is dan vijf werkdagen door de extra controleschakel. De normstelling zal daarop worden aangepast.

Toelichting

De doelstellingen voor de tijdigheid afhandeling van de massale processen zijn gerealiseerd. Het aantal procesverstoringen is ten opzichte van 2010 verder afgenomen (63 verstoringen in 2011 tegen 113 verstoringen in 2010). Op verschillende plaatsen in het ontvangstproces zijn maatregelen getroffen om de goede ontvangst van berichten zeker te stellen. Daarnaast ziet de Belastingdienst er op toe dat belastingplichtigen de juiste berichten en gegevens ontvangen. Grote stromen beschikkingen (aanslagen, toeslagen, mailingen) worden voor verzending systematisch gecontroleerd op juistheid, volledigheid en inhoudelijke (fiscale) kwaliteit. In 2011 zijn 14 124 partijen gecontroleerd. Deze partijen waren in totaal goed voor circa 154 miljoen poststukken. In circa 0,9% (2010: 1,4%) van de partijen zijn één of meerdere bevindingen gesignaleerd Deze partijen zijn tegengehouden en pas na correctie verzonden.

De Belastingdienst maakt bij zijn uitvoeringsprocessen veel gebruik van automatisering. Daarmee wordt de informatie die nodig is voor het vaststellen van aanslagen en het verstrekken van toeslagen, op een snelle en efficiënte wijze verwerkt. In 2009 is de voortbrengingsketen die zich richt op het zorgen voor goede informatievoorziening, de zogeheten IV-keten, grondig doorgelicht. Op basis van de uitkomsten van deze doorlichting is gekozen voor een nieuwe prioriteitsvolgorde: het

waarborgen van de continuïteit van de Belastingdienstprocessen staat voorop, daarna het implementeren van nieuwe wetgeving en ten slotte het innoveren van bestaande processen.

In mei 2011 is door McKinsey een evaluatie uitgevoerd waaruit blijkt dat IV-keten er nu veel beter voor staat dan twee jaar geleden. Het waarborgen van de continuïteit van het productieproces heeft prioriteit gekregen, de structuur van de ICT-organisatie is vereenvoudigd en het collegiaal management afgeschaft. Hierdoor zijn de resultaten van de IV-keten verbeterd. Er is sprake van een meerjarig verbetertraject dat ook de komende jaren door zal moeten gaan. De zorg voor de continuïteit in de informatievoorziening aan burgers en bedrijven staat daarbij onverminderd voorop.

4.1.5 Overzicht afgeronde onderzoeken
Fiscaal beleid en wetgeving
 

Onderzoek onderwerp

AD of OD1

Start

Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

         

Effectenonderzoek

ex post

         

Overig evaluatieonderzoek

Onderzoek naar fiscale stimulering (zeer) zuinige auto’s

OD

2011

2011

Kamerstukken II 32 800

 

Fiscaal stimuleringspakket

OD

2011

2011

Kamerstukken II 33 000, nr. 32

X Noot
1

AD is algemene doelstelling, OD is operationele doelstelling

Toelichting Tabel

In de Miljoenennota 2012 zijn in bijlage 5 de evaluaties genoemd en samengevat die sinds de Miljoenennota van 2011 gerealiseerd zijn. Dit is ten eerste het onderzoek naar de fiscale stimulering van (zeer) zuinige auto’s. Dit onderzoek is in het voorjaar van 2011 uitgevoerd door onderzoeksbureau Ecorys in opdracht van het Ministerie van Financiën. Daarnaast is de evaluatie van het fiscaal stimuleringspakket naar aanleiding van de crisis, waaronder enkele belastinguitgaven, zoals de willekeurige afschrijving investeringen bedrijfsmiddelen en het verlaagde Btw-tarief voor renovatie en isolatie naar de Tweede Kamer gestuurd. Verder is in de Miljoenennota 2012 gemeld dat de eerdere aangekondigde beleidsevaluaties op het terrein van een aantal bestaande categorieën met het verlaagde Btw-tarief als afgerond worden beschouwd door de beleidsvisie die is uiteengezet in de Fiscale Agenda.

Belastingdienst
 

Onderzoek onderwerp

AD of OD1

Start

Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

         

Effectenonderzoek

ex post

Effect uitvoering toezicht MGO/ZGO en Toeslagen op doelstelling compliance

AD

2010

2012

 
 

Effect uitvoering toezicht Douane op doelstelling compliance

AD

2011

2012

 

Overig evaluatieonderzoek

Fiscale Monitor

AD OD1 OD2

Jaarlijks

 

De resultaten van Fiscale Monitor, FIX en audits zijn opgenomen in Beheersverslag Belastingdienst 2011

 

FIX

OD2 OD3

Jaarlijks

   
 

Audits kleine middelen (nader te bepalen)

OD2

jaarlijks

   
 

Periodieke audits grote ICT projecten

OD2

OD4

Jaarlijks

   
 

Audits procesbeheersing (nader te bepalen)

OD2

OD3

OD4

Jaarlijks

   
X Noot
1

AD is algemene doelstelling, OD is operationele doelstelling

Toelichting tabel

In november 2011 heeft de Staatssecretaris van Financiën een commissie van externe deskundigen ingesteld met als opdracht het horizontaal toezicht door de Belastingdienst te evalueren. De commissie zal in het voorjaar 2012 haar rapport overhandigen aan de Staatssecretaris van Financiën.

4.2 Financiële markten

4.2.1 Algemene doelstelling

Een integer en stabiel financieel stelsel waarin de financiële markten goed functioneren, voldoende toegankelijk en transparant zijn en een gunstige internationale concurrentiepositie kennen.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

In 2011 stond de financiële stabiliteit, net als in voorgaande jaren, weer sterk onder druk. Waar de hoop was dat er na de financiële crisis, die zich vanaf 2008 voltrok, een periode van herstel zou volgen is de stabiliteit van het financiële stelsel als gevolg van de schuldencrisis weer op de proef gesteld. Om de financiële stabiliteit in de toekomst te kunnen garanderen zijn er in 2011 diverse Europese en nationale initiatieven ondernomen. In de beleids- en wetgevingsbrief van oktober 2011 is een uitgebreid overzicht gegeven van deze initiatieven, welke zijn onder te verdelen in drie pijlers, zijnde:

  • een solide financiële sector;

  • versterking van de positie van de consument en gedrags- en cultuurverandering in de financiële sector (inclusief beloningen);

  • versterking van het institutioneel kader.

Een solide financiële sector

Belangrijke maatregelen die hiervoor genomen worden dienen om het weerstandsvermogen van de sector te versterken, het toezicht te verbreden en om adequaat te kunnen ingrijpen indien problemen zich voordoen. Hierbij kan gedacht worden aan het uitwerken van het Bazel III akkoord, dat onder andere leidt tot aanscherping van de kapitaaleisen van banken, het onder toezicht stellen van hedgefondsen en kredietbeoordelaars en de inwerkingtreding van de Interventiewet.

Versterking van de positie van de consument en gedrags- en cultuurverandering in de financiële sector (inclusief beloningen)

Bij de maatregelen binnen deze pijler kan gedacht worden aan: een provisieverbod, een aanscherping van de vakbekwaamheidseisen van financiële dienstverleners en toezicht op het productontwikkelingsproces.

Versterking institutioneel kader

Hiertoe is de aansprakelijkheid van de toezichthouders AFM en DNB beperkt, en de interne governance van die toezichthouders versterkt. Daarnaast is het Europees toezicht ook versterkt.

Externe factoren

De mondiale economische en politieke ontwikkelingen waren in 2011 wederom in hoge mate bepalend voor het bereiken van deze doelstellingen. De crisis en de uitvloeisels hiervan hebben een sterke invloed gehad op de financieel-economische ontwikkeling in internationaal perspectief.

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 2 Financiële markten
Bedragen x € 1 000

Algemene beleidsdoelstelling: Een integer en stabiel financieel stelsel waarin de financiële markten goed functioneren, voldoende toegankelijk en transparant zijn en een gunstige internationale concurrentiepositie kennen.

     

Realisatie

Vastgestelde begroting incl. ISB

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

2011

Verplichtingen

128 237

4 248 377

44 538 843

–7 888 426

–5 707 805

78 169

–5 785 974

waarvan garantieverpichtingen

15 000

2 745 000

44 363 369

–8 124 708

–5 841 128

0

–5 841 128

Garantie verhoging plafond kredietfaciliteit AFM

 

5 000

0

–15 000

–18 000

0

–18 000

Garantieregeling bancaire leningen

 

2 740 000

44 360 869

–8 102 903

–5 823 147

0

–5 823 147

Garantie Nederlands Bureau der Motorrijtuigenverzekering

 

 

2 500

0

0

0

0

Garantie en waarborg NWB

 

 

 

–6 769

0

0

0

               

waarvan verplichting uit hoofde van het Depositogarantiestelsel/Icesave

 

1 425 074

10 174

0

0

0

0

waarvan verplichting uit hoofde van het Depositogarantiestelsel/Voorfinanciering DNB

 

 

 

93 219

0

 

0

               

Uitgaven

107 021

1 317 057

351 554

238 908

136 824

78 169

58 655

Programma-uitgaven

100 111

1 307 578

342 869

228 478

128 238

70 122

58 116

               

Doelstelling 1 Goed functionerende financiële markten

             

Bijdrage toezicht AFM

24 889

27 986

28 931

28 666

30 505

26 883

3 622

Bijdrage toezicht DNB

15 900

35 013

18 950

28 496

25 800

23 712

2 088

Platform CentiQ

1 232

1 138

3 107

3 884

3 602

2 700

902

Rechtspraak Financiële Markten

1

1

550

580

1 245

1 000

245

Voorfinanciering DNB (DGS)

0

1 236 195

199 054

93 219

0

0

0

Terugbetaling fee garantie bancaire leningen

       

4 481

0

4 481

Overige programma-uitgaven

314

453

531

1 029

1 150

1 030

120

               

Doelstelling 2 Integer financieel stelsel

             

Caribbean Financial Action Taskforce

11

44

42

31

22

32

–10

               

Doelstelling 3 Ongestoorde muntcirculatie

             

Muntcirculatie

8 974

6 748

10 111

6 837

9 393

14 765

–5 372

Retouren guldenmunten

12 985

0

0

0

0

0

0

Afname munt in circulatie

35 805

0

81 593

65 736

52 040

0

52 040

               

Apparaatsuitgaven

6 910

9 479

8 685

10 430

8 586

8 047

539

               

Ontvangsten

9 978

18 430

132 212

412 754

906 597

394 960

511 637

Programma-ontvangsten

9 978

18 430

132 212

412 754

906 597

394 960

511 637

               

Doelstelling 1 Goed functionerende financiële markten

             

Premieontvangsten garantieregeling bancaire leningen

0

0

115 983

407 210

365 893

361 523

4 370

Ontvangsten (uit boedel) Icesave

       

442 948

0

442 948

Ontvangsten voorfinanciering DNB (DGS)

       

91 059

0

91 059

Premieontvangsten terrorismepool

       

1 750

2 000

–250

Overige programma-ontvangsten

8 495

13 009

6 789

3 268

2 107

26 253

–24 146

               

Doelstelling 3 Ongestoorde muntcirculatie

             

Ontvangsten muntwezen

1 483

61

9 440

2 276

2 840

5 184

–2 344

Toename munten in circulatie

0

5 360

0

0

0

0

0

Toelichting bij tabel budgettaire gevolgen van beleid

Verplichtingen

Voor een toelichting op het verschil tussen Ontwerpbegroting en realisatie wordt verwezen naar de toelichting op de uitgaven. Het verschil tussen de verplichtingen ten opzichte van de uitgaven wordt verklaard door het hierna volgende.

Garantie verhoging/verlaging plafond kredietfaciliteit AFM (– € 18,0 mln.)

Als gevolg van de verlaging van het plafond voor de kredietfaciliteit aan de AFM (schatkistbankieren), is ook de garantie hierop, door het ministerie van Financiën, met hetzelfde bedrag neerwaarts bijgesteld.

Garantieregeling bancaire leningen (– € 5,8  mld.)

Deze mutatie betreft de vervallen garanties uit hoofde van de bancaire regelingen.  Dit bedrag is inclusief de afkoop van een deel van de Staatsgarantie door NIBC, ABN AMRO en Achmea. afkoop ABN en NIBC en Achmea (respectievelijk € 491,4 mln., € 2,7 mld., € 600 mln.). Door depreciatie van de euro zijn de garandeerde leningen in dollars en ponden eind 2011 € 564,4 mln. hoger.

Uitgaven

Bijdrage toezicht AFM (+ € 3,6 mln.)

De mutatie betreft een hogere toezichtsbijdrage voor 2010 (op basis van nacalculatie, € 2,2 mln.) en een verwachte stijging voor 2011 (€ 1,4 mln.). De hogere bijdrage over 2011 wordt mede veroorzaakt door een verschuiving van preventief naar repressief toezicht. De kosten van repressief toezicht komen voor rekening van de Staat.

Bijdrage toezicht DNB (+ € 2,1 mln.)

Deze mutatie voorziet in een hogere overheidsbijdrage aan DNB voor toezichtkosten. Derhalve zal ook de voor DNB bestemde overheidsbijdrage toenemen. Daarnaast is rekening gehouden voor de drie nieuwe Europese toezichthouders: European Securities and Markets Agency (ESMA), de European Banking Agency (EBA) en de European Insurance and Occupational Pensions Authority (EIOPA).

Platform Centiq ( + € 0,9 mln.)

Deze mutatie wordt veroorzaakt door de bijdragen van het Verbond van Verzekeraars (€ 0,2 mln.) en de Nederlandse Vereniging voor Banken (€ 0,3 mln.). Daarnaast heeft het ministerie van SZW € 0,4 mln. bijgedragen aan Wijzer in Geldzaken voor het project Geldloket.

Terugstorting garantieregeling bancaire leningen (+ € 4,5 mln.)

In 2011 is bij de terugkoop van NIBC is € 4,5 mln., van de al ontvangen fees teruggestort.

Muntcirculatie (– € 5,4 mln.)

Doordat er minder munten, zowel voor de circulatie als voor verzamelaars, zijn aangemaakt dan begroot, zijn de grondstofkosten in 2011 lager dan geraamd (€ 4 mln.). Daarnaast zijn ook de overige kosten lager dan geraamd (ca. € 1 mln.).

Afname munten in circulatie (+ € 52,0 mln.)

De muntverwerkers hebben bij de Nederlandsche Bank (DNB) munten afgestort. De nominale waarde van deze munten wordt door Financiën aan DNB vergoed.

Ontvangsten

Premieontvangsten garantieregeling bancaire leningen (+ € 4,4 mln.)

In 2011 is bij de terugkoop van NIBC en ABN AMRO closing out fee van € 4,4 miljoen in rekening is gebracht en ontvangen.

In 2011 hebben tot nu toe een drietal banken gegarandeerde leningen teruggekocht. NIBC heeft op 3 maart in totaal € 491,4 miljoen teruggekocht. ABN Amro heeft op 27 april in totaal € 2,7 miljard teruggekocht. Achmea Hypotheekbank heeft eind december 2011 voor circa € 600 miljoen teruggekocht. De exacte bedragen hiervan zijn echter nog niet bekend.

Ontvangst uit boedel Icesave (+ € 442,9 mln.).

Uit de boedel van de failliete Icesave (Landsbanki) hebben alle schuldeisers een deel van hun vordering ontvangen. De Rijksoverheid heeft een bedrag van € 442,9 mln. ontvangen.

Ontvangsten DNB u.h.v. voorfinanciering DGS door Financiën (+ € 91,1 mln.)

In 2011 heeft DNB, de uitvoerder van het depositogarantiestelsel (DGS), € 91,1 mln. terugbetaald op de lening (voorfinanciering DGS inzake DSB), welke eind 2010 is verstrekt aan DNB. Het restant van de voorfinanciering zal in 2012 worden ontvangen van DNB.

Premieontvangsten Terrorismepool ( – € 0,3 mln.)

Voor de komende jaren is de premievoet voor de NHT van 4% naar 3,5% verlaagd. De exposure als gevolg de herverzerzekering van de NHT door het ministerie van Financiën is € 50 mln. Het effect van de verlaging vertaalt zich in structureel lagere premieontvangsten.

Overige programmaontvangsten (– € 24,1 mln.)

Deze mutatie wordt grotendeels veroorzaakt door het niet ontvangen van het Nederlandse aandeel uit de boedel van de Bank Nederlandse Antillen (BNA). Sinds de staatkundige hervorming had de CBCS (Centrale Bank Curaçao en Sint Maarten) geen Raad van Commissarissen (RvC), omdat voordrachten van de regeringen van Curaçao en Sint Maarten uitblijven. Hierdoor heeft de CBCS geen begroting voor 2011 en kunnen bepaalde rechtshandelingen niet uitgevoerd worden. Bij de staatkundige hervormingen (10-10-10) was afgesproken dat Nederland uit de boedel van de BNA het BES-deel – het huidige Caribisch Nederland – (ca. € 25 mln.) zou ontvangen. Ondanks herhaaldelijk verzoek is nog niets ontvangen. Ook al zijn er berichten dat de Raad van Commissarissen van de CBCS inmiddels compleet is, is de verwachting dat we dit bedrag in 2012 zullen ontvangen.

Ontvangst muntwezen (– € 2,3 mln.)

Doordat er minder munten voor verzamelaars zijn verkocht dan begroot, zijn de ontvangsten lager dan geraamd.

4.2.2 Operationele doelstellingen
4.2.2.1 Operationele doelstelling 1: Goed functionerende, stabiele financiële markten die voldoende toegankelijk en transparant voor de gebruikers en internationaal concurrerend zijn.

Doelbereiking

Onderstaand een weergave van een aantal gerealiseerde doelstellingen in 2011:

Institutioneel:

  • In de «Wet versterking governance van DNB en de AFM» zijn met het oog op het versterken van de interne governance bij de toezichthouders een aantal wijzigingen in de Bankwet 1998 en de Wft aangebracht. De Eerste Kamer heeft het voorstel op 20 december 2011 zonder stemming aangenomen (Staatsblad 2012 nr. 8. 32 782 10 jan 2012).

Prudentieel:

  • In 2011 is actief deelgenomen aan de Europese discussie en onderhandelingen over aanpassingen en uitbreidingen van het prudentieel toezichtsregime, bijv. op het terrein van kapitaaleisen voor banken (de Capital Requirements Directive/CRD IV), «hedge funds» (AIFM) en beleggingsinstellingen. Ook zijn CRD II en III geïmplementeerd in 2011. Met de implementatie van de kapitaalseisen voor verzekeraars Solvency II zijn flinke vorderingen gemaakt. Daarnaast komt er ook meer toezicht op «hedge funds» (AIFM)19 en andere investeringsfondsen (UCITS)20.

  • Het depositogarantiestelsel (DGS) is herzien. In 2011 is er gewerkt aan de vormgeving van een (gedeeltelijk) ex ante gefinancierd depositogarantiestelsel die het huidige volledige ex post gefinancierde stelsel moet vervangen. Het is de bedoeling dat in juli 2012 de AMvB «ex ante financiering depositogarantiestelsel Wft» in werking zal treden. In december 2011 is de AMvB ter advisering bij de Raad van State aanhangig gemaakt. Begin 2012 zal de AMvB worden voorgehangen aan de Staten Generaal. In 2011 is gewerkt aan de implementatie van de herziene elektronisch geldrichtlijn in de Wft. Met de inwerkingtreding hiervan per 1 januari 2012 is een mogelijke boete van de Europese Commissie wegens te late implementatie afgewend. Daarnaast zijn de onderhandelingen over de Verordening waarin SEPA (Single Euro Payments Area) wordt vormgegeven en een einddatum wordt geïntroduceerd, afgerond. De verwachting is dat er op het terrein van betalingsverkeer de komende jaren veel innovatieve ontwikkelingen zullen zijn. In de markt zijn in 2011 al proefprojecten opgestart met contactloze betalingen met mobiele telefoon.

Markt en gedrag:

  • Eind 2011 is in Brussel de Verordening over «short selling» en «credit default swaps» aangenomen. Deze verordening zal leiden tot beter inzicht in handelsposities bij toezichthouders en geeft toezichthouders in uitzonderlijke omstandigheden bevoegdheden om in te grijpen. De verordening treedt 1 november 2012 in werking.

  • De consumentenbescherming wordt versterkt door diverse initiatieven op Europees niveau. De onderhandelingen over herziening van de MiFID-richtlijn (Markets in Financial Instruments Directive) zijn in oktober 2011 gestart. De Commissie wil de huidige MiFID ingrijpend wijzigen op gebied van marktstructuren, beschikbaarheid van handelsdata, regulering van derivaten (waaronder grondstofderivaten), gedragsregels en consumentenbescherming en toezichtbevoegdheden. Nederland kan zich in grote lijnen vinden in de Commissievoorstellen: stevige regelgeving die markfragmentatie moet tegen gaan, systeemrisico’s moet mitigeren en liquiditeit en transparantie (in balans met elkaar) moet stimuleren. Er dient echter wel rekening te worden gehouden met marktspecifieke kenmerken en de uitwerking van regulering kan op marktwerking. Kernpunten voor Nederland in de MiFID-onderhandelingen zijn: een breed provisieverbod voor beleggingsondernemingen, genuanceerde regelgeving met betrekking tot High Frequency Trading (HFT) en geharmoniseerde verkoopregels voor PRIP’s (packaged retail investment products). De herziening van de IMD-richtlijnen (Insurance Mediation Directive) en het initiatief rondom verplichte informatieverstrekking inzake pakketproducten voor retailbeleggingen zal naar alle waarschijnlijkheid in 2012 starten.

  • Het platform Wijzer in geldzaken heeft de financiële vaardigheden van de consument verder versterkt. Onder erevoorzitterschap van H. K. H. Prinses Máxima werkten partners door projecten als de Week van het geld, Pensioen3daagse, Schuldpreventiewijzer Nationale Onderwijs Tentoonstelling (NOT) en de portal www.wijzeringeldzaken.nl samen om het financieel bewustzijn te vergroten.

  • Per 1 augustus 2011 is de nieuwe Gedragscode Hypothecaire Kredietverlening van kracht geworden. De gedragscode beperkt de afwijkmogelijkheden van de inkomensnorm en stelt grenzen aan de hoogte van de schuld in verhouding tot de waarde van de woning (maximaal 104% plus overdrachtsbelasting). Tevens wordt met het aflossingsvrije deel van een hypotheek beperkt tot maximaal 50% van de waarde van de woning. Met de aanscherping van de gedragscode wordt overkreditering tegengegaan. Overkreditering is zowel voor de consument als voor de financiële stabiliteit onwenselijk.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Indicatoren (basiswaarde = 2008)

Realisatie

2007

Realisatie

2008 1

Realisatie

2009

Realisatie

2010

Streef-waarde 2011

Realisatie

2011

Implementatie Europese richtlijnen2

44%

86%

75%

63%3

100%

100%4

Toepassing code Corporate Governance5 door beursgenoteerde vennootschappen

90%

89%

n.v.t.

n.v.t.

100%

n.v.t.

Naleving code door beursgenoteerde vennootschappen6

95%

95%

n.v.t.

n.v.t.

100%

n.v.t.

Bron: Monitoring Commissie Frijns rapport

X Noot
1

Gegevens over boekjaar 2007

X Noot
2

Gebaseerd op het halfjaarlijkse scorebord van de interne markt van de Europese Commissie. Het percentage geeft aan welk deel van de Europese richtlijnen uit het Actieplan Financiële Diensten (FSAP), die op dat moment van kracht zijn, zijn omgezet in nationale wetgeving. Bij bepaling van het percentage is, waar relevant, alleen rekening gehouden met dat deel van de richtlijn dat door Financiën moet worden geïmplementeerd.

X Noot
3

De finaliteitsrichtlijn 2009/44/EG is hierin niet meegenomen omdat Veiligheid en Justitie de eerste ondertekenaar is hiervan. De methodiek voor metingen is in 2009 gewijzigd en op basis van een methodiek hebben metingen plaatsgevonden.

X Noot
4

Er van uitgaande dat notificaties worden toegekend door de Commissie.

X Noot
5

Gebaseerd op de bevinding van de Monitoring Commissie Corporate Governance Code. Onder toepassing van de code en codebepalingen wordt verstaan: het één op één naleven van een codebepaling of het geven van uitleg bij afwijking daarvan. Onder naleving wordt verstaan het in grote lijnen voldoen aan de code.

X Noot
6

http://www.commissiecorporategovernance.nl. De methodiek voor metingen is in 2009 gewijzigd en op basis van een methodiek hebben metingen plaatsgevonden.

Toelichting

Implementatie Europese richtlijnen

De prestatie-indicator Implementatie Europese richtlijnen is gebaseerd op het halfjaarlijks scorebord van de Europese Commissie. Dit is nu het Post Financial Service Action Plan en was het Financial Services Action Plan. Het percentage geeft aan welk deel van de Europese richtlijnen is omgezet in nationale wetgeving.

Corporate governance code

Vanaf 2009 is er voor gekozen door de Monitoring Commissie Corporate Governance Code om enkel nog aandacht te besteden aan best practice bepalingen die in de afgelopen jaren minder dan 90% werden toegepast en de nieuwe dan wel aangepaste bepalingen in de Code. Dit zorgt ervoor dat door deze aanpassing de meting onvergelijkbaar is voor 2009 en na 2009.

De naleving van de algemene opvattingen over goede corporate governance op basis van de nieuwe methode zijn in boekjaar 2010 gestegen voor ongeveer de helft van de onderzochte bepalingen, voor ruim een kwart is de toepassing ongeveer hetzelfde gebleven en voor iets minder dan een kwart van de bepalingen is de toepassing gedaald, ten opzichte van boekjaar 2009.

Code Banken

De Commissie constateert dat banken terughoudend omgaan met het afwijken van principes. Uit de verrichte onderzoeken is naar voren gekomen dat door alle banken gezamenlijk in ieder geval 39 afwijkingen van principes uit de code zijn gerapporteerd. Ongeveer de helft van de gerapporteerde afwijkingen heeft betrekking op de principes op het gebied van het beloningsbeleid en ongeveer een kwart op de principes inzake de raad van commissarissen. Daarnaast zijn er enkele afwijkingen gerapporteerd op het gebied van de principes op het terrein van de raad van bestuur, risicomanagement en audit.

Code verzekeraars

Van de verzekeraars die de enquête van de commissie code verzekeraars heeft ingevuld geeft bijna een derde aan volledig te zullen voldoen aan alle onderdelen van de Code en geen gebruik te zullen maken van de mogelijkheid om een afwijking daarvan uit te leggen. De rest weet het nog niet of denkt wél gebruik te zullen maken van de mogelijkheid om uit te leggen. In de interviews is gebleken dat sommige verzekeraars ietwat overmoedig zijn als hen wordt gevraagd wat er nog moet gebeuren om te voldoen. Naar de mening van de Commissie zal de sector echt nog de nodige stappen moeten zetten om sector breed te kunnen constateren dat de Code wordt nageleefd. Er zijn echter duidelijke stappen gezet en de Commissie ziet op dit moment al bemoedigende resultaten.

4.2.2.2 Operationele doelstelling 2: Het bevorderen van een integer financieel stelsel waardoor integriteitinbreuken bij financiële instellingen worden voorkomen en wordt tegengegaan dat cliënten financiële instellingen misbruiken om geld wit te wassen of terrorisme te financieren

Doelbereiking

Bevorderen informatie-uitwisseling

In november 2011 is hiertoe het Informatieprotocol FEC 2011 in de Staatscourant gepubliceerd. In dit Protocol en de bijlagen behorende bij het protocol is onder meer een heldere en gedetailleerde beschrijving gegeven van de reikwijdte van de geheimhoudingsplicht van de toezichthouders in het kader van hun integriteittoezicht. Het Protocol zal leiden tot een verbetering van de informatie-uitwisseling tussen de toezichthouders (AFM en DNB) en andere overheidsorganisaties met een taak ten aanzien van de integriteit van de financiële sector. Verdergaande wettelijke voorstellen op dit terrein zullen nader worden uitgewerkt. Eind 2011 is reeds een wetgevingstraject gestart om informatie-uitwisseling tussen de toezichthouders die zijn aangewezen in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) mogelijk te maken.

Nationale Regiegroep Aanpak Misbruik Vastgoed

Op 25 maart 2009 is de regiegroep ingesteld voor een periode van 3 jaar. In 2012 wordt de Tweede Kamer over de voortgang en resultaten geïnformeerd. Een groot deel van de voorgenomen maatregelen uit het Actieplan van de Regiegroep is afgerond of in de fase van «werk in uitvoering». De algemene conclusie is echter dat de in 2008 geformuleerde doelstelling «dat er eind 2011 effectieve drempels zijn opgeworpen zodat de mogelijkheden tot misbruik van de vastgoedsector merkbaar zijn verminderd» nog niet voldoende is gerealiseerd. Wel kan worden vastgesteld dat er een stevig fundament is gelegd om de mogelijkheden tot misbruik, fraude en criminaliteit in de vastgoedsector fors te kunnen beperken, maar dat een deel van deze maatregelen (vooral als het wet- en regelgeving betreft) nog in werking moet treden. De effecten daarvan zullen derhalve de komende jaren zichtbaar moeten worden. Besloten is dan ook het mandaat van de Regiegroep nog tot eind 2015 te verlengen De samenwerking met het ministerie van VenJ vanuit Financiën zal worden verlegd.

Follow up FATF-evaluatie Nederland

Het evaluatierapport van Nederland is conform planning in februari 2011 door de FATF aangenomen. Het ministerie van Financiën heeft vervolgens de leiding genomen bij het vormgeven van de wijze waarop opvolging wordt gegeven aan de talrijke en uiteenlopende aanbevelingen die door de FATF zijn geformuleerd. Een deel van deze aanbevelingen had betrekking op de wet- en regelgeving die rechtstreeks onder verantwoordelijkheid van het ministerie van Financiën valt: de WWFT. Het ministerie van Financiën heeft daarom in 2011 een uitgebreid wijzigingsvoorstel voor de WWFT opgesteld, geconsulteerd en naar de Raad van State gezonden. Daarnaast is toegezien op opvolging van aanbevelingen die primair onder de verantwoordelijkheid van andere partijen vallen. Het gestelde doel is hiermee bereikt.

Herziening FATF-standaarden

In 2011 heeft de FATF zeer intensief onderhandeld over herziening van de standaarden. Nederland heeft daarbij een actieve rol gespeeld. Deze onderhandelingen hebben in 2011 niet tot een definitief akkoord geleid; dit akkoord is voorzien voor februari 2012. Wel is in 2011 op de belangrijkste onderdelen een principeakkoord overeengekomen en is in grote lijnen overeenstemming bereikt over de richting van de aanpassing in de FATF-standaarden. Het gestelde doel is derhalve gedeeltelijk bereikt.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Kengetal

2007

2008

2009

2010

2011

Meldingen op basis van de subjectieve indicatoren als % van het totaal aantal gemelde transacties1

37%

76%

55%

64%

52%

Aantal opgelegde boetes door DNB en AFM2

22

43

62

74

40

Aantal dwangsommen door DNB en AFM2

205

445

265

459

113

Bron: jaarverslag DNB, AFM, FIU-Nederland

X Noot
1

Deze tabel laat het aandeel van het totaal aantal meldingen zien, die gedaan zijn door meldplichtige instellingen op basis van hun eigen risicoafweging. In het verleden stond deze eigen afweging niet centraal. Het grootste deel van de meldingen vond toen plaats op basis van (door de regelgever bepaalde) parameter.

X Noot
2

Jaarverslag van DNB en de AFM.

4.2.2.3 Operationele doelstelling 3: Het voorzien in een ongestoorde muntcirculatie door middel van een adequate en kostenefficiënte muntvoorziening, alsmede het uitbrengen van bijzondere en herdenkingsmunten

Doelbereiking

Om een goede werking van het betalingsverkeer te bevorderen, is voldaan aan de muntvraag van het publiek. Daartoe zijn in 2011 20 mln. munten van 5-eurocent geproduceerd. Van de overige denominaties waren de voorraden voldoende om in de muntvraag te voorzien.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Indicatoren (Basiswaarde = 2005)

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2011

Realisatie 2011

Muntvoorziening ten opzichte van de marktvraag

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Uitgifte bijzondere munten

1

1

2

2

2

4

Bron: Eigen berekeningen, DNB, KNM

Productie euromunten 2007–2011 (aantallen x 1000)
 

2007

2008

2009

2010

2011

2 euro

6 503

5 463

149

114

3 791

1 euro

224

166

149

117

264

50 eurocent

293

202

209

161

260

20 eurocent

293

202

209

161

264

10 eurocent

293

202

209

160

264

5 eurocent

75 764

74 304

40 299

40 071

21 087

2 eurocent

338

235

249

191

299

1 eurocent

332

235

254

191

296

Totaal

84 040

81 009

41 727

41 166

26 525

Bron: KNM

Voorraden euromunten Muntdepot 2007–2011 (jaarultimo; aantallen x 1000)
 

2007

2008

2009

2010

2011

2 euro

101 920

104 081

124 278

140 467

156 017

1 euro

148 047

158 757

185 968

211 510

229 718

50 eurocent

106 280

112 520

128 697

137 177

147 497

20 eurocent

46 616

32 010

45 264

55 584

67 464

10 eurocent

51 128

25 528

25 562

38 436

42 114

5 eurocent

25 360

12 256

42 325

59 513

43 043

2 eurocent

185 410

179 290

169 723

214 363

223 724

1 eurocent

87 554

22 278

4 407

36 602

46 331

Totaal

752 315

646 720

726 224

893 652

954 908

Bron: DNB en KNM

4.2.3 Overzicht afgeronde onderzoeken

Type Onderzoek

Onderzoekonderwerp

AD of OD

Start

Afge-rond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

Functioneren financiële markten (invloed wet- en regelgeving)

OD 1

2011

Zie toelichting

Kamerstukken II 2010/11, 32 013, nr. 16

 

Integriteit financieel stelsel

OD 2

2011

Zie toelichting

Zie toelichting

Effectenonderzoek ex post

Overig evaluatieonderzoek

Evaluatie toezicht accountants

OD 1

2013

 

Zie toelichting

 

FATF evaluatie

OD 2

2010

2011

http://fatf-gafi.org

Toelichting tabel

Beleidsdoorlichting

  • Functioneren financiële markten. Het FSAP-onderzoek gaf een beoordeling door het IMF van de stabiliteit van de Nederlandse financiële sector en de mate waarin het toezicht in Nederland voldoet aan internationale toezichtstandaarden. Het FSAP onderzoek is qua omvang en mate van gedetailleerdheid, te vergelijken met een beleidsdoorlichting. Daarnaast zijn er ook de evaluaties geweest van de commissies Scheltema en De Wit. Beiden richten zich ook op dit beleidsterrein. In dit kader is besloten om niet zelfstandig nogmaals een beleidsdoorlichting uit te voeren, maar direct een vervolg te geven aan de belangrijkste aanbevelingen van het IMF. Op 22 juni 2011 is een reactie op deze FSAP-evaluatie aan de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2010/11, 32 013, nr. 16). De voorgenomen beleidsdoorlichting is daarmee komen te vervallen.

  • Integriteit financieel stelsel. De FATF evaluatie hield een beoordeling in van de wijze waarop Nederland het beleid heeft vormgegeven ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering. De FATF evaluatie gaf een uitvoerig beeld van het Nederlandse beleid ten aanzien van het beschermen van de integriteit van het financieel stelsel en bevat ook een beoordeling van dit beleid. De aanbevelingen van de FATF vormen aanleiding om het beleid aan te passen. De FATF monitort ook doorlopend de opvolging van de aanbevelingen. Nu de FATF evaluatie een volledig en gedetailleerd beeld geeft van de situatie in Nederland en hier ook concrete aanbevelingen aan koppelt die doorlopend worden gemonitord is besloten om in te zetten op uitvoering van deze aanbevelingen. De geplande beleidsevaluatie zou gezien het karakter van de FATF evaluatie een herhaling inhouden van deze evaluatie. Om die reden is deze komen te vervallen.

Overig evaluatieonderzoek

  • Evaluatie toezicht accountants. Evaluatie wordt in 2013 uitgevoerd zodat er meer relevant onderzoeksmateriaal voorhanden is om de evaluatie uit te voeren (o.a. zal naar verwachting in 2013 een aantal juridische procedures zijn afgerond die meer inzicht geven in het functioneren van het toezicht op accountants).

4.3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector

4.3.1 Algemene beleidsdoelstelling

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen bij investeren in en verwerven, afstoten en beheren van de financiële en materiële activa van de Staat.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

De minister van Financiën is verantwoordelijk voor het aandeelhouderschap van de meeste staatsdeelnemingen. In 2011 is verder gegaan met de implementatie van de vier sporen (strategie, investeringsbeslissingen, vermogenspositie, beloningsbeleid) van het deelnemingenbeleid. Het afgelopen jaar lag het zwaartepunt van het aandeelhouderschap op de beoordeling van de investeringsagenda van de deelnemingen.

In 2011 zijn de aandelen in de financiële instellingen (ABN AMRO Group NV, ASR Nederland NV en ABN AMRO Preferred Investments BV), die tijdens de kredietcrisis zijn verworven en nog in directe handen van de Staat waren, overgedragen aan de Stichting Administratiekantoor Beheer Financiële Instellingen (NLFI)30 tegen uitgifte van certificaten in het kapitaal van de onderneming. NLFI draagt de verantwoordelijkheid voor het ontwikkelen en implementeren van een financieel gezonde beheer- en exitstrategie voor deze deelnemingen. De hoofdlijnen van het exitbeleid zijn verwoord in de brief die op 24 januari 2011 naar de Kamer is gestuurd. Het belang dat de Staat heeft in RFS Holdings B.V. is nog niet overgedragen wachtende onderzoek naar mogelijke verplichtingen met betrekking tot de overdracht. Wachtende de overdracht worden de aandelen beheerd door NLFI.

Als gevolg van de kredietcrisis heeft de Staat in 2008 steun verleend aan ING, SNS en AEGON door de koop van zogenoemde Core Tier 1 securities die de instellingen uitgaven om hun kapitaalpositie te versterken. ING heeft in 2011 voor € 2 miljard aan securities teruggekocht en daarbovenop een premie van € 1 miljard betaald. Aegon heeft in 2011 in twee tranches alle nog uitstaande securities – in totaal € 1,5 miljard – samen met een premie van € 750 miljoen teruggekocht.

Ten slotte bevordert de minister van Financiën het binnen budget, op tijd en met de gewenste kwaliteit realiseren van publieke investeringsprojecten die in samenwerking met de markt worden verwezenlijkt. De rol van waaruit Financiën deze doelstelling tracht te realiseren kan variëren. Zo heeft Financiën bij projecten als de Compacte Rijksdienst, het sourcingprogramma Defensie en de veiling van telecomfrequenties in 2011 een adviserende rol gespeeld ten aanzien van de vraag hoe dergelijke projecten binnen de geldende publieke voorwaarden zo doelmatig mogelijk kunnen worden vormgegeven. Daarnaast is Financiën beleidsverantwoordelijk voor de contractvorm Design – Build – Finance – Maintain – (Operate) (DBFM(O)) en ziet zij erop toe dat het instrument daar wordt ingezet waar DBFM(O) het meest geëigende instrument is. Hierbij heeft Financiën een coördinerende en toetsende rol.

Externe factoren

De wijze waarop de uitgangspunten van het deelnemingenbeleid worden toegepast wordt beïnvloed door een aantal externe factoren. Zo maakt de minister van Financiën als aandeelhouder van de staatsdeelnemingen gebruik van de wettelijke kaders die voor aandeelhouders gelden en gebruik van de rechten die voortvloeien uit de statuten van ondernemingen. Bij een aantal staatsdeelnemingen is de Staat geen enig aandeelhouder; in zulke gevallen wordt de zeggenschap gedeeld met medeaandeelhouders. Daarnaast hebben het bestuur en de Raad van Commissarissen hun eigen bevoegdheden en verantwoordelijkheden om de belangen van de onderneming te kunnen dienen. Tijdens de periodieke gesprekken die de Staat heeft met deze organen, worden de behaalde financiële resultaten en het publiek belang dat met de onderneming is gemoeid uitvoerig besproken. Het publiek belang wordt eveneens geborgd door beleidsdepartementen. Beleidsdepartementen zijn verantwoordelijk voor het opstellen van wet- en regelgeving, waarbinnen een staatsdeelneming dient te opereren. De minister van Financiën stuurt de deelnemingen aan op het efficiënt omgaan met middelen binnen het regulerings- en het beleidsmatige kader. Het behalen van een adequaat rendement gelet op de financieringskosten en risico’s van de betreffende staatsdeelneming speelt hierbij een centrale rol. Hiernaast ziet de minister van Financiën erop toe dat beleidswensen van vakdepartementen niet ten koste gaan van de realisatie van een redelijk rendement.

Het kabinet heeft in de Kabinetsvisie op PPS/DBFM(O) besloten om bij publieke investeringsprojecten de oordelen van DBFM(O) optimaal te willen benutten en DBFM(O) bij zoveel mogelijk projecten toe te passen. In principe zal het Rijk daarom voor DBFM(O) kiezen indien dit meerwaarde oplevert. Verder op afstand staande decentrale overheden en semi-publieke partijen in de zorg en onderwijs zijn autonoom en verantwoordelijk voor hun eigen projecten. Het kabinet heeft daarom besloten deze sectoren niet meer actief te stimuleren om DBFM(O) toe te passen. Het is aan hen om te beslissen of zij DBFM(O) willen toepassen. Het is hun keuze of zij net als het Rijk de voordelen van DBFM(O) optimaal willen benutten met het oog op betere dienstverlening voor de burger tegen lagere kosten. In deze sectoren heeft Financiën tot maart 2011 de partijen bij het toepassen van DBFM(O) bij publiek-private investeringen gefaciliteerd.

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector
Bedragen x € 1 000

Algemene beleidsdoelstelling: Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen bij investeren in en verwerven afstoten en beheren van de financiële en materiële activa van de Staat

       

Realisatie

Vastgestelde begroting incl. ISB

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

2011

Verplichtingen

165 352

37 073 208

58 803 151

–27 770 244

1 027 232

645 857

381 375

Waarvan betalingsverplichting:

             

Verwerving vermogenstitels

50 000

23 340 000

429 667

0

0

0

0

Verplichting kapitaalstorting Tennet

0

0

0

0

600 000

0

600 000

Verplichting kapitaalconversie Fortis

0

0

1 350 000

0

0

0

0

Verplichting Tweede herkapitalisatie ABN AMRO

0

0

2 600 000

1 031 000

0

0

0

Verplichting Fonds Financiële Structuurversterking

0

13 750 000

0

0

0

0

0

Verplichting Superdividend NS naar Prorail

   

0

1 400 000

0

0

0

Meerjarenverplichting aan ING

0

0

19 818 996

1 618 794

461 193

330 000

131 193

               

Waarvan garantieverplichting:

             

Regeling BF

–34 322

–34 716

–11 081

–6 390

–8 322

0

–8 322

Voorwaardelijke verplichting Capital Relief Instrument

0

0

32 611 091

–32 611 091

0

0

0

Garantie Counter Indemnity

0

0

0

950 000

0

0

0

Garanties en vrijwaringen (FCI, NS, WST en Tennet)

139 861

0

1 060 447

–167 198

–49 092

0

–49 092

               

Waarvan overige verplichtingen

9 813

17 924

944 031

14 641

23 453

315 857

–292 404

               

Uitgaven

63 029

37 110 341

9 285 937

6 837 399

3 603 150

3 339 457

263 693

Programma-uitgaven

50 769

37 096 262

9 237 444

6 824 282

3 585 769

3 330 400

255 369

               

Doelst. 1 Aangaan, beheer en afstoten van Staatsdeelnemingen

             

Dotatie begrotingsreserve TenneT

     

1 644

4 800

4 800

0

Kapitaalstorting Tennet

       

300 000

0

300 000

Verwerving vermogenstitels

50 000

23 340 000

429 667

0

0

0

0

               

Doelstelling 2 PPS en activabeleid

             

PPS

335

546

324

6

0

0

0

Onderhoud- en beheerkosten GOB

0

3 725

0

0

0

0

0

               

Doelstelling 3 Beheer van Financiele Instellingen (BFI)

             

Kapitaalverstrekkingen ING, Aegon en SNS REAAL

0

13 750 000

0

0

0

0

0

Kapitaalconversie Fortis

0

0

1 350 000

0

0

0

0

Mandatory Convertible Note

0

0

2 600 000

0

0

0

0

Tweede herkapitalisatie ABN AMRO

     

928 000

0

0

0

Kasschuif tweede herkapitalisatie ABN AMRO

       

0

302 000

–302 000

Kapitaalstorting couponbetaling MCN

     

103 000

0

0

0

               

Doelstelling 4 Back-up faciliteit ING

             

Funding Fee

0

0

3 903 293

4 345 040

3 242 213

2 978 000

264 213

Management Fee

0

0

58 754

46 592

38 756

44 000

–5 244

               

Overige programma-uitgaven

             

Regeling BF

428

1 959

13 918

0

0

1 600

–1 600

Afkoop bijdrage exploitatiebijdrage Westerscheldetunnel

0

0

881 464

0

0

0

0

Uitkering superdividend NS naar Prorail

0

0

0

1 400 000

0

0

0

Uitvoeringskosten tijdelijke regeling tankstations

6

32

24

0

0

0

0

               

Apparaatsuitgaven

12 260

14 079

48 493

13 117

17 381

9 057

8 324

Personeel en materieel

2 712

2 882

3 686

4 106

3 783

4 281

–498

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

9 548

11 197

44 807

9 011

13 598

4 776

8 822

               

Ontvangsten

2 930 366

2 409 470

16 130 388

7 970 200

9 925 613

4 170 414

5 755 199

Programma-ontvangsten

2 930 366

2 409 470

16 130 388

7 970 200

9 925 613

4 170 414

5 755 199

               

Doelst. 1 Aangaan, beheer en afstoten van Staatsdeelnemingen

             

Opbrengst onttrekking vermogenstitels

305 626

379 201

1 400 000

154 600

9 000

0

9 000

Dividend staatsdeelnemingen

659 264

602 677

537 238

617 686

423 226

267 060

156 166

Rente en aflossing div. leningen

79 029

75 021

71 014

67 007

62 999

62 999

0

Afdracht Holland Casino

79 238

45 815

–11 952

9 839

0

0

0

Afdrachten Staatsloterij

110 959

100 535

94 787

108 395

102 423

90 000

12 423

Winstuitkering DNB

983 107

1 181 268

1 279 950

1 658 738

544 278

698 000

–153 722

Terugstorting agio

24 804

19 080

0

0

0

0

0

Premie-ontvangsten garantie TenneT

 

 

 

1 644

4 800

4 800

0

Opbrengst verkoop vermogenstitels

684 509

0

1 320 924

355

150

0

150

               

Doelstelling 3 Beheer van Financiële Instellingen (BFI)

             

Dividend Financiële instellingen

 

 

0

6 410

216 244

0

216 244

Aflossing securities ING, Aegon en SNS Reaal

0

0

6 185 000

500 000

3 500 000

0

3 500 000

Couponbetalingen Fonds fin. Structuurversterking

0

0

1 250 845

154 715

1 750 472

0

1 750 472

Terug te vorderen uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

0

2 036

11 772

4 884

4 839

0

4 839

Premie-inkomsten Capital Relief Instrument

0

0

28 214

165 482

0

 

0

Renteontvangsten Mandatory Convertible Note

0

0

0

103 000

0

 

0

Premie-inkomsten Counter Indemnity

   

0

25 555

25 555

25 555

0

               

Doelstelling 5 Back-up faciliteit ING

             

Portefeuille ontvangsten

0

0

3 819 253

4 058 123

3 012 250

2 717 000

295 250

Garantie Fee

0

0

129 260

102 502

85 262

96 000

–10 738

Additionele garantie fee

0

0

0

153 939

128 048

144 000

–15 952

Additionele fee

0

0

13 535

77 067

55 409

65 000

–9 591

               

Overige programma-ontvangsten

             

Regeling BF/PPM

3 830

3 835

548

258

658

0

658

Tijdelijke regeling subsidie tankstations

0

2

0

0

0

0

0

Toelichting bij tabel budgettaire gevolgen van beleid

Verplichtingen

Verplichting kapitaalstorting TenneT (+ € 600 mln.)

Als landelijk netbeheerder heeft Tennet de wettelijke taak om onder meer het landelijk hoogspanningsnet te onderhouden en daar waar nodig uit te breiden en te verzwaren. Voor het uitvoeren van de investeringsagenda in Nederland en om de huidige credit rating te behouden was een aanvulling van het eigen vermogen van Tennet noodzakelijk. Hiertoe is een verplichting van € 600 mln. aangegaan.

Meerjarenverplichting aan ING (+ € 131,2 mln.)

In 2009 is de Staat een Illiquid Assets Back-up Facility overeengekomen met ING. Als gevolg daarvan is er voor de Staat een meerjaren betalingsverplichting aan ING ontstaan. Deze verplichting is toegenomen door de verplichting tot het betalen van een management fee en rentevergoeding over 2011. Daarnaast is de omvang van de verplichting in euro toegenomen door de depreciatie van de euro ten opzichte van de dollar in 2011. De totale betalingsverplichting aan ING is ultimo 2011 afgenomen tot ongeveer € 10,3 mld. (zie saldibalans).

Garanties en vrijwaringen (– € 49,1 mln.)

Van de nog openstaande verplichtingen die voortvloeien uit garanties en vrijwaringen die in het kader van het beheer of na de verkoop van deelnemingen zijn afgeven, is in 2011 € 49,1 miljoen komen te vervallen. Dit is het gevolg van de aflossing die de NS heeft gedaan op de leningen die onder Eurofima uitstaan en waarvoor Financiën garant staat.

Overige verplichtingen (– € 292,4 mln.)

Deze mutatie wordt voornamelijk verklaard door de post «verrekening RFS». Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de uitgaven.

Uitgaven

Kapitaalstorting Tennet (+ € 300 mln.)

De kapitaaluitbreiding van Tennet is in totaal € 600 mln. De uitbreiding wordt in twee tranches uitbetaald, waarbij de eerste tranche in 2011 is voldaan.

Kasschuif tweede herkapitalisatie ABN AMRO (– € 302 mln.)

De kasschuif ziet op het restant van de post «verrekening RFS», waarvoor in het kapitaalplan een bedrag was gereserveerd ter waarde van € 740 mln. Aangezien de verrekening met RFS heeft plaatsgevonden en de Z-share voor 100% gekapitaliseerd is, worden de geraamde middelen niet meer uitgegeven. De € 302 mln. is daarmee komen te vervallen.

Funding fee (+ € 264,2 mln.)

De funding fee is hoger dan geraamd in de begroting voor 2011. Dit komt door de hogere ontvangsten op de IABF (zie toelichting bij de ontvangsten) en doordat elke dollar die binnenkomt, gebruikt wordt om (versneld) te voldoen aan de verplichting aan ING.

Management fee (– 5,2 mln.)

De wisselkoers op moment dat de management fee is betaald was hoger dan de gebruikte rekenkoers (de waarde van één euro uitgedrukt in dollars). Hierdoor is de management fee lager uitgevallen.

Regeling Bijzondere Financiering (– € 1,6 mln.)

Onder de regeling BF staan nog een paar kredieten uit. In 2011 hebben deze kredieten niet tot een schade geleid.

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen (+ € 8,8 mln.)

De hogere uitgaven zien ten eerste op de uitbetaling van een claim in verband met een garantie die ten tijde van de verkoop van 2/3 van de aandelen in Connexxion door de Staat is afgegeven. Ten tweede zien de hogere uitgaven op de (bruto) kosten voor NLFI.

Ontvangsten

Opbrengst onttrekking vermogenstitels (+ € 9 mln.)

Twinning is een staatsdeelneming in afbeheer. Door de verkoop van een aantal participaties beschikte Twinning over overtollige financiële middelen. Deze heeft Twinning in de vorm van een superdividend aan de Staat uitgekeerd.

Dividend staatsdeelnemingen (+ € 156,2 mln.)

Het van de staatsdeelnemingen ontvangen dividend viel mee. Dit werd voornamelijk veroorzaakt door hogere dan verwachte dividenden van de Gasunie, BNG en Schiphol.

Afdrachten staatsloterij (+ € 12,4 mln.)

De meevaller is veroorzaakt door een hoger dan verwachte restafdracht.

Winstafdracht DNB (– € 153,7 mln.)

De winstafdracht door DNB valt lager uit dan geraamd. De reden hiervoor is dat DNB vanwege de toename van de balansbrede risico’s heeft besloten om over het boekjaar 2011 geen interim-dividend uit te keren.

Opbrengst verkoop vermogenstitels (+ € 0,15 mln.)

Eind 2006 heeft de Staat haar belang in het Archeologisch Dienstencentrum (ADC) afgestoten. Bij deze verkoop is een earn out regeling (= mogelijkheid tot extra opbrengst) afgesproken. In 2011 heeft ADC onder de earn out regeling een bedrag van circa € 0,1 mln. uitgekeerd aan de Staat.

Dividend financiële instellingen (+ € 216,2 mln.)

Dit betreft enerzijds het door ABN AMRO en ABN AMRO Preferred Investments uitgekeerde interim-dividend. Anderzijds betreft het de door de aandeelhouders van RFS (de Staat, RBS en Banco Santander) uitgekeerde kapitaalsurplus in RFS.

Aflossing securities Aegon en ING en repurchase fee ( + € 5,25 mld.)

Aegon heeft voor € 1,5 miljard aan securities teruggekocht en daarbovenop een premie betaald van € 750 miljoen. ING heeft voor € 2 miljard aan securities teruggekocht en daarbovenop een premie betaald van € 1 miljard en opgelopen interest van € 472 000.

Terug te vorderen uitvoeringskosten staatsdeelnemingen (+ € 4,8 mln.)

In 2011 zijn er advieskosten doorbelast die samenhangen met de inhuur van externen vanwege de crisisgerelateerde maatregelen.

Portefeuille ontvangsten (+ € 295,3 mln.)

De ontvangsten uit de portefeuille zijn in 2011 hoger dan geraamd in de begroting 2011. Dit is het gevolg van vervroegde aflossingen van de huizenbezitters op de hypotheken.

Garantie fee (– € 10,7 mln.)

De wisselkoers op moment dat de garantie fee is ontvangen was hoger dan de gebruikte rekenkoers (de waarde van één euro uitgedrukt in dollars). Hierdoor is de garantie fee lager uitgevallen.

Additionele betalingen (– € 16,0 mln. en – € 9,6 mln.)

De additionele betalingen vallen iets lager uit dan geraamd in de begroting van 2011. Ook dit komt doordat de gebruikte rekenkoers lager was dan de gemiddelde wisselkoers op moment van ontvangst.

Regeling BF (+ € 0,7 mln.)

Onder de regeling BF staan nog een aantal kredieten uit. Over deze kredieten is provisie uitgekeerd aan de Staat.

4.3.2 Operationele doelstellingen
4.3.2.1 Operationele doelstelling 1: Aangaan, beheer en afstoten van staatsdeelnemingen in lijn met bedrijfseconomische principes en met het oog op het verantwoord behartigen van publieke belangen.

Doelbereiking

In 2011 zijn een aantal accenten gelegd. Er is veel aandacht uitgegaan naar het beoordelen van investeringsvoorstellen van een aantal staatsdeelnemingen. Conform de statuten van de ondernemingen dienen investeringen die boven een vooraf vastgestelde drempelwaarde liggen ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de algemene vergadering van aandeelhouders, in casu de minister van Financiën. De investeringsvoorstellen worden onder meer beoordeeld op nut en noodzaak en op de financiële implicaties voor de onderneming en de aandeelhouder.

Ultimo 2011 is met 93%32 van de staatsdeelnemingen overeenstemming bereikt over een nieuw beloningsbeleid. Hierdoor is over de hele linie van de portefeuille van staatsdeelnemingen een forse matiging van bestuurdersbeloningen gerealiseerd.

Net als in 2010 is ook dit jaar een «Jaarverslag Beheer staatsdeelnemingen» 33 uitgebracht. Dit verslag gaat in den brede in op het beheer van de staatsdeelnemingen in het jaar 2010. De ontwikkelingen worden beschreven aan de hand van de pijlers uit het deelnemingenbeleid. Daarnaast wordt het jaar 2010 per staatsdeelneming geëvalueerd.

Meetbare gegevens

De minister van Financiën beoordeelt periodiek of staatsaandeelhouderschap nog steeds noodzakelijk is. De samenstelling van de portefeuille kan veranderen indien een rol voor de Staat als aandeelhouder minder voor de hand ligt of zelfs niet meer wenselijk wordt geacht. Dat zou aanleiding kunnen zijn om op termijn het afstoten van een belang te overwegen.

De staatssecretaris van het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft in maart 2011 aan de Kamer gemeld dat het kabinet geen rol meer ziet voor de Staat als aandeelhouder in Holland Casino en de Staatsloterij34. Voordat privatisering kan plaatsvinden, dient echter wel het regelgevend kader voor de marktordening te worden ingevuld, teneinde het publiek belang adequaat te kunnen borgen. Het ministerie van Veiligheid en Justitie is belast met de herziening van de voorwaarden van de concessieverlening.

Medio 2011 is ook middels het Energierapport aan de Kamer gemeld dat onderzoek wordt gedaan naar minderheidsprivatiseringen bij Tennet en Gasunie35. Een minderheidsprivatisering maakt kruiselingse participaties over de grens beter mogelijk en is interessant gezien de toenemende financieringsbehoefte van de ondernemingen, die voortkomt uit hun uitgebreide investeringsagenda. In de situatie van eventuele minderheidsprivatiseringen moet worden beoordeeld of een kleiner belang leidt tot ongewenste vermindering van de zeggenschap van de Staat als aandeelhouder. Ook moet in ogenschouw worden genomen dat de Staat na een minderheidsprivatisering rekening moet houden met de positie van minderheidsaandeelhouders.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

kengetal1

2007

2008

2009

2010

Streef-waarde 2011

2011

– % deelnemingen dat de Corporate Governance Code «comply or explain» toepast

86

85

88

942

100

88

– % van deelnemingen dat minimaal een C-rating heeft conform de richtlijnen van het Global Reporting Initiative (GRI)

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

90

88

– % deelnemingen waarvan het beloningsbeleid conform de methodiek3 is vastgesteld

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

90

93

– % van deelnemingen met dividend pay-out ratio4 van ten minste 40%

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

70

47

– % van deelnemingen met een minimum return on equity (RoE) van 8%

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

60

47

Bron: Jaarverslagen en statuten van de ondernemingen uit de huidige portefeuille staatsdeelnemingen (exclusief verworven financiële deelnemingen naar aanleiding van de kredietcrisis)

X Noot
1

Deelnemingen met volwaardige bedrijfsactiviteiten en waarvan het aandeelhouderschap in het beheer is van de minister van Financiën zijn meegenomen in de kengetallen. Voor beloningsbeleid zijn Thales en KLM buiten beschouwing gelaten vanwege de beperkte toepasbaarheid van de methodiek.

X Noot
2

In 2010 werd een andere wijze van meting gebruikt waardoor het percentage hoger uitviel. Per 2011 is de meting van de streefwaarde gewijzigd.

X Noot
3

Kamerstukken II 2008/09, 28 479, nr. 39

X Noot
4

Niet voor alle staatsdeelnemingen geldt een uitbetaling van dividend middels een vooraf vastgesteld dividend pay-out ratio.

De meetbare indicatoren 2 t/m 5 zijn voor het eerst in de ontwerpbegroting 2011 opgenomen. Deze zijn representatief voor het publieke karakter en de bedrijfseconomische principes die gehanteerd worden bij het uitoefenen van het aandeelhouderschap. Ten behoeve van de realisatiecijfers over 2011 wordt gekeken naar de realisaties die samenhangen met het verslagjaar/boekjaar 2010 van de staatsdeelnemingen. Immers, er kan niet op 2011 worden teruggeblikt zonder de officiële jaarrekeningen en jaarverslagen over 2011.

Er zijn twee indicatoren die toelichting behoeven vanwege de significante afwijking van de streefwaarde.

Het minimum rendement op eigen vermogen dat als streefwaarde is opgenomen wordt niet door 60% van de staatsdeelnemingen gerealiseerd, maar slechts door 47% van de staatsdeelnemingen. Dit heeft een drietal oorzaken. Ten eerste wordt het veroorzaakt doordat een aantal staatsdeelnemingen een grote investeringsagenda heeft, waarbij de rendementen pas over een aantal jaren worden gerealiseerd. Ten tweede is er in sommige gevallen vanwege ongunstige marktomstandigheden sprake van tegenvallende resultaten. Tenslotte zijn er staatsdeelnemingen die een gereguleerd rendement hebben, dat lager ligt dan 8%. De uiteindelijk gerealiseerde pay-out ratio hangt veelal samen met het rendement. De staatsdeelneming dient namelijk niet door financiële key ratio’s te zakken, die de continuïteit van de staatsdeelneming in gevaar zouden kunnen brengen. De pay out-ratio kan daarom soms lager liggen dan als norm wordt gehanteerd binnen het staatsdeelnemingenbeleid. De overige indicatoren werden wel behaald of liggen heel dicht bij de streefwaarde.

4.3.2.2. Operationele doelstelling 2: Het binnen budget, op tijd en met de gewenste kwaliteit realiseren van publieke transacties, met name investeringsprojecten, die in samenwerking met de markt worden verwezenlijkt

Doelbereiking

Naast de meer traditionele rol van bewaken van de uitgaven en ontvangsten van de staat, adviseert de minister van Financiën bij complexe investeringsprojecten en financiële transacties waarvoor andere beleidsdepartementen primair verantwoordelijk zijn. Financiën adviseert hoe geld en middelen kunnen worden ingezet zodat publieke doelen worden bereikt met de gewenste kwaliteit, binnen budget, op tijd en met goede beheersing van de risico’s. In 2011 heeft Financiën meegewerkt aan het realiseren van een efficiëntere en effectievere organisatie binnen het sourcingprogramma Defensie door sourcingafwegingen en -trajecten te faciliteren. In het programma Compacte Rijksdienst heeft Financiën het gebruik van business cases geïntroduceerd om vooraf de mogelijke financiële resultaten inzichtelijk te maken, waarmee tevens een bijdrage wordt geleverd aan het verbeteren van de projectbeheersing. Ook is in 2011 onderzoek verricht naar de vraag of publiek-private samenwerkingsvormen een bijdrage kunnen leveren aan een doelmatige realisatie van windenergie op zee.

Advisering over complexe financiële transacties betrof onder andere het verdelen van schaarse vergunningen, zoals het veilen van telecomfrequenties, het verlenen van radiofrequenties en het verstrekken van vergunningen voor online gaming. Tenslotte valt het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB) onder de verantwoordelijkheid van de minister van Financiën, waarbij wordt gestuurd op het vastgesteld financieel kader. Het streven naar een bedrijfseconomisch doelmatig handelen in vastgoed door het Rijk komt terug in de algemene doelstelling en operationele doelstellingen 1 en 2 van artikel 7.

Naast het toezien en adviseren bij deze complexe projecten is ingezet op het verder implementeren van DBFM(O) bij wegen en gebouwen van het Rijk. De minister van Financiën is verantwoordelijk voor het algemene DBFM(O) beleid, de coördinatie van dat beleid inclusief een goede kennisdeling en ziet erop toe dat het beleid goed wordt toegepast. Met de komst van het kabinet Rutte, is in 2011 de kabinetsvisie op DBFM(O) opnieuw geformuleerd. Het kabinet wil de voordelen van DBFM(O) optimaal benutten en DBFM(O) bij zoveel mogelijk projecten toepassen. In principe zal het Rijk voor DBFM(O) kiezen indien dit meerwaarde oplevert. Bij de decentrale sectoren (zorg, scholen en infrastructuurprojecten van decentrale overheden) is vastgesteld dat decentrale partijen zelf verantwoordelijk zijn of zij DBFM(O) willen toepassen en de vruchten daarvan willen plukken. Het Rijk, waaronder de Rijkswaterstaat, de Rijksgebouwendienst en het ministerie van Financiën, is desgewenst bereid om decentrale partijen hierbij te faciliteren door barrières voor DBFM(O) weg te nemen alsmede door kennis en expertise ter beschikking te stellen. Het loket «PPSsupport» zal hiervoor het contactpunt vormen.

Meetbare gegevens

Voor wat betreft de toepassing bij uitvoering (de zogenoemde «Design-Build-Finance-Maintain-Operate» DBFMO-contracten) is het aantal goed toegepaste PPC’s een indicator. Een Public Private Comparator (PPC) bevat een kostenvergelijking, waarbij een project in een DBFM(O)-variant wordt vergeleken met hetzelfde project in een traditionele variant. Een PPC biedt basis voor de besluitvorming over de DBFM(O)-variant van een project. In de PPS-code Rijksoverheid 2008 is vastgelegd dat voor alle voorgenomen investeringen in Rijksgebouwen (nieuwbouw of renovatie) boven € 25 mln. en Rijksinfrastructuur boven de € 60 mln. PPC’s worden uitgevoerd. Daarmee is het aantal uitgevoerde PPC’s afhankelijk van het aantal voorgenomen investeringen.

Onderstaande indicator is met de ontwerpbegroting 2011 uitgebreid. Buitenom het aantal uitgevoerde ppc’s, wordt in het jaarverslag 2011 ook getoond hoe vaak gekozen wordt voor DBFM(O) bij een positieve ppc toets. De verantwoordelijkheid voor de beslissing om volgens pps (DBFMO) aan te besteden, ligt bij de vakdepartementen en, bij gebouwgebonden pps, tevens bij de cliënten van de Rijksgebouwendienst. De vakdepartementen dragen de primaire verantwoordelijkheid voor het welslagen van de projecten en dus voor het behalen van doelstellingen van bedrijfseconomische efficiëntie en doelmatigheid.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Overzicht uitgevoerde PPC’s en DBFM(O)-projecten

Type Onderzoek

2007

2008

2009

2010

20111

I&M-infra

         

Uitgevoerde ppc’s

5

3

5

6

7

PPC’s met meerwaarde DBFM(O)

2

1

5

4

7

• Gekozen voor DBFM(O)

1

1

1

0

1

• Besluit nog nemen

1

0

2

2

6

• Gekozen voor niet DBFM(O)-contract

0

0

2

2

0

BZK-Rijksgebouwendienst

         

Uitgevoerde ppc’s

5

3

3

2

3

PPC’s met meerwaarde DBFM(O)

3

2

3

2

2

• Gekozen voor DBFM(O)

3

2

2

2

2

• Besluit nog nemen

0

0

0

0

0

• Gekozen voor niet DBFM(O)-contract

0

0

1

0

0

Defensie

         

Uitgevoerde ppc’s

0

1

0

0

0

PPC’s met meerwaarde DBFM(O)

0

1

0

0

0

• Gekozen voor DBFM(O)

0

1

0

0

0

• Besluit nog nemen

0

0

0

0

0

• Gekozen voor niet DBFM(O)-contract

0

0

0

0

0

Scholen

         

Uitgevoerde ppc’s

0

1

1

2

0

PPC’s met meerwaarde DBFM(O)

0

1

1

1

0

• Gekozen voor DBFM(O)

0

0

0

0

0

– • Besluit nog nemen

0

0

0

1

0

• Gekozen voor niet DBFM(O)-contract

0

1

1

0

0

Zorg

         

Uitgevoerde ppc’s

0

0

0

0

0

PPC’s met meerwaarde DBFM(O)

0

0

0

0

0

• Gekozen voor DBFM(O)

0

0

0

0

0

• Besluit nog nemen

0

0

0

0

0

• Gekozen voor niet DBFM(O)-contract

0

0

0

0

0

Decentrale overheden

         

Uitgevoerde ppc’s

0

0

0

0

3

PPC’s met meerwaarde DBFM(O)

0

0

0

0

3

• Gekozen voor DBFM(O)

0

0

0

0

0

• Besluit nog nemen

0

0

0

0

3

• Gekozen voor niet DBFM(O)-contract

0

0

0

0

0

Bron: Vakdepartementen. Vakdepartementen geven aan als ze een PPC hebben uitgevoerd en wat de uitkomst is. Op basis van deze informatie is de tabel tot stand gekomen.

X Noot
1

Voor de sectoren scholen, zorg en decentrale overheden zijn de cijfers tot maart 2011.

4.3.2.3 Operationele doelstelling 3: Het beheren/verbeteren van de duurzame waarde en het afstoten dan wel afwikkelen van de tijdelijke overheidsinvesteringen in de gesteunde en overgenomen financiële instellingen

Doelbereiking

In 2011 zijn de aandelen van de financiële instellingen (ABN AMRO Group NV, ASR Nederland NV en ABN AMRO Preferred Investments BV), die tijdens de kredietcrisis zijn aangegaan en nog in directe handen van de staat waren, overgedragen aan de Stichting Administratiekantoor Beheer Financiële Instellingen (NLFI) tegen uitgifte van certificaten in het kapitaal van de onderneming (Wet van 19 mei 2011 houdende Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen).41 Deze overdracht, die bij wet is geregeld, vond plaats op verzoek van de Tweede Kamer en beoogt de politieke invloed op het aandeelhouderschap te minimaliseren. NLFI is vanaf 29 september 2011verantwoordelijk voor het beheer van de aandelen in de financiële instellingen. De minister van Financiën heeft een aantal belangrijke bevoegdheden t.a.v. besluiten van NLFI. Deze zijn vastgelegd in de wet en de statuten. NLFI draagt de verantwoordelijkheid voor het ontwikkelen en implementeren van een financieel gezonde beheerstrategie. Daarnaast ontwikkelt NLFI de exitstrategie voor deze deelnemingen, welke indien de minister dat wenst ook kan worden uitgevoerd door NLFI. Het belang dat de Staat heeft in RFS Holdings B.V. is nog niet overgedragen wachtende onderzoek naar mogelijke verplichtingen met betrekking tot de overdracht. Wachtende de overdracht worden de aandelen beheerd door NLFI.

In 2011 heeft ING € 2 miljard afgelost en daar bovenop een premie van € 1 miljard betaald. ING heeft te kennen gegeven de Staat zo snel mogelijk volledig te willen terugbetalen, maar dit gezien de aanhoudende crisis in de eurozone voorzichtig te willen benaderen.

In 2011 heeft AEGON het laatste deel van de steun afgelost die het bedrijf eind 2008 van de Staat heeft gekregen. Hiermee is AEGON de eerste van de financiële instellingen die de staatssteun geheel heeft afbetaald.

Meetbare gegevens

De uitkomst bij de indicatoren sluit aan bij de gestelde doelstellingen:

Prestatie-indicator

 

2007

t/m

2010

Streefwaarde 2011

2011

De deelneming past de Corporate Governance Code «comply or explain» toe

ABN AMRO:

nvt

Ja

Ja

 

ASR:

nvt

Ja

Ja

De deelneming heeft minimaal een C-rating conform de maatstaven van het Global Reporting Initiative (GRI)

ABN AMRO:

nvt

Nee

Ja

 

ASR

nvt

Ja

Ja

Voor de deelneming is een nieuw en duurzaam beloningsbeleid vastgesteld

ABN AMRO:

nvt

Ja

Ja

 

ASR:

nvt

Ja

Ja

De deelneming hanteert een pay-out ratio van ten minste 40%

ABN AMRO:

nvt

Ja

Nee

 

ASR:

nvt

Ja

Nee

Bron: jaarverslagen en statuten van de door de kredietcrisis verworven financiële deelnemingen

ASR heeft in 2011 over het boekjaar 2010 geen dividend aan de Staat uitgekeerd. Ook ABN AMRO heeft in 2011 over het boekjaar 2010 geen dividend aan de Staat uitgekeerd. ABN AMRO heeft daarentegen in 2011 wel een interim-dividend van € 200 miljoen uitgekeerd.

4.3.2.4 Operationele doelstelling 4: Behalen van een zo optimaal mogelijk financieel resultaat voor de illiquid Asset Back-up Faciliteit binnen de contractvoorwaarden en onder aanvaardbaar risico

Bij elke doelstelling worden zogenaamde prestatie-indicatoren opgenomen. Dit zijn meetbare gegevens die inzicht geven in de mate van doelbereiking binnen de verantwoordelijkheid van Financiën.

Soms is het niet mogelijk om indicatoren op te nemen wanneer bijvoorbeeld Financiën niet één op één de uitkomst van het beleid kan beïnvloeden, zoals ook bij de IABF. Wanneer het niet mogelijk is om een prestatie-indicator of kengetal op te nemen, wordt dit bij de desbetreffende operationele doelstelling uitgelegd. Voor de IABF is daarom bepaald dat na afloop van elk jaar (ex post) het resultaat op de transactie zal worden verantwoord.

Doelbereiking

De IABF is één van de kredietcrisismaatregelen. Begin 2009 hebben de Staat en ING Groep N.V. (ING) overeenstemming bereikt over een back-up faciliteit (IABF) die betrekking heeft op de gesecuritiseerde Amerikaanse hypothekenportefeuille van ING (de Alt-A portefeuille).42

De transactie bestaat uit zes kasstromen (figuur 1). In de transactie was initieel sprake van vier kasstromen. De Staat heeft 80% van het risico op de Alt-A portefeuille overgenomen en ontvangt van ING 80% van alle kasstromen die binnenkomen op de portefeuille. Daarnaast ontvangt de Staat een garantiefee. De Staat betaalt een funding fee en een management fee aan ING. Later is een additionele betaling overeengekomen tussen de Staat en ING, waardoor twee extra kasstromen zijn toegevoegd.43 De extra betalingen komen overeen met een verhoging van de garantiefee met 0,826 procentpunt en een verlaging van de funding fee met 0,5 procentpunt. De management fee en de (extra) garantie fee worden jaarlijks berekend over de resterende omvang van de portefeuille.

Figuur 1: kasstromen Illiquid Assets Back-up Facility

Figuur 1: kasstromen Illiquid Assets Back-up Facility

In juni 2011 heeft ING de verkoop van ING Direct US aangekondigd. De Tweede Kamer is reeds geïnformeerd over de gevolgen van de verkoop van ING Direct US voor de IABF44. De verkoop heeft uiteindelijk in januari 2012 doorgang gevonden. Als gevolg van de verkoop en de afspraken die gemaakt zijn om de IABF over te brengen van ING Direct US naar ING Bank N.V. zal de Staat een vergoeding van ING ontvangen. De vergoeding ziet op het omzetten van de kasstromen naar een verhandelbare lening die in de repo kan worden gebruikt. Met ingang van 2012 zal daarom het aantal kasstromen met één worden uitgebreid. Dit zal tot uiting komen in de volgende suppletoire begroting.

Voorafgaand aan het tot stand komen van de transactie is de portefeuille geanalyseerd. Op basis daarvan is de prijs bepaald. In 2010 is het verwachte resultaat (vooruitkijkend) op de transactie geanalyseerd.45 Daarbij is rekening gehouden met de meest recente ontwikkelingen en inzichten. Het uiteindelijke resultaat op de transactie zal pas na afloop bekend zijn. Contractueel is dit na ca. 40 jaar. Tot die tijd kunnen met behulp van een aantal kerncijfers de ontwikkeling van de gerealiseerde resultaten worden gevolgd (terugkijkend).

Meetbare gegevens

In tabel 1 zijn de omvang de zes kasstromen uit de transactie in 2010 en 2011 weergegeven.

Tabel 1: kasstromen 2010 en 2011

In mln. €

2010

2011

Totaal uitgaven

   

1. Funding fee

4 345

3 242

2. Managament fee

47

39

 

4 392

3 281

Totaal ontvangsten

   

3. Portefeuille ontvangsten

4 058

3 012

4. Garantie fee

103

85

5. Additionele garantie fee

154

128

6. Additionele fee

77

55

 

4 392

3 281

Saldo

0

0

Het kasstromen overzicht laat zien dat elke US dollar (in de tabel zijn dollars omgerekend naar euro’s) die uit de portefeuille of als fee is binnengekomen in 2010 en 2011 ook weer is terugbetaald aan ING. De kasstromen geven beperkt inzicht in de resultaten op de IABF. Een balans en resultaat gebaseerd op een bedrijfseconomische benadering geeft meer inzicht.

Door (vervroegde) aflossingen en afboekingen (verliezen) is de omvang van de RMBS portefeuille in 2011 teruggelopen met ca. $ 3,7 mld. van $ 21,5 mld. (€ 16,1 mld.) tot $ 17,8 mld. (€ 13,8 mld.). De dollars die zijn binnengekomen zijn gebruikt om (versneld) te voldoen aan de verplichting aan ING. Als gevolg daarvan is de gegarandeerde waarde in 2011 teruggelopen met ca. $ 4,1 mld. van $ 17,1 mld. (€ 12,8 mld.) tot $ 13,0 mld. (€ 10,1 mld.) per ultimo 2011. De cijfers in euro en de voor omrekening gebruikte wisselkoersen zijn terug te vinden in tabel 2.

Tabel 2: openingsbalans en balans ultimo 2009, 2010 en 2011 in € mln.

Balans per

31-12-2010

31-12-2011

Balans per

31-12-2010

31-12-2011

RMBS portefeuille

16 085

13 751

Guaranteed Value (GV)

12 761

10 055

Kas ($-rekening)

0

0

Buffer in de transactie

2 728

3 432

Te ontvangen RMBS hoofdsom

291

183

Te betalen GV

323

209

Te ontvangen RMBS interest

48

39

Te betalen funding fee

22

17

Te ontvangen rente

6

4

Resultaat

596

263

Totaal activa

16 429

13 976

Totaal passiva

16 429

13 976

Eurodollar koers

1,3362

1,2939

Eurodollar koers

1,3362

1,2939

In tabel 2 staan ook nog enkele posten vermeld die reeds zijn verwerkt in de resultaten voor 2011, maar per 31-12-2011 nog niet zijn ontvangen van ING of nog niet zijn betaald aan ING.

Balans en relatie met de saldibalans

De saldibalans in bijlage C van het jaarverslag vermeldt de resterende meerjaren betalingsverplichting per ultimo 2011. De meerjaren verplichting (€ 10,26 mld.) is opgebouwd uit de gegarandeerde waarde ultimo 2011 (€ 10,06 mld.) plus een verplichting van de Staat aan ING die begin 2012 is voldaan, maar betrekking heeft op december 2011 (€ 0,2 mld.). De verplichting luidt in US dollar en wordt omgerekend naar euro met de ECB referentiekoers.

De saldibalans in bijlage C vermeldt ook de omvang van de Alt-A portefeuille die tegenover de verplichting aan ING staat. De omvang van de Alt-A portefeuille luidt in US dollar en wordt omgerekend naar euro met de ECB referentiekoers. De nominale omvang van dat deel van de Alt-A portefeuille waarvoor de Staat risico’s heeft overgenomen bedroeg € 13,75 mld. per ultimo 2011. Het op de saldibalans vermelde bedrag (€ 13,93 mld.) omvat daarnaast een deel van de portefeuille-ontvangsten die in december 2011 door ING zijn ontvangen, maar pas in januari 2012 zijn betaald aan de Staat (€ 0,18 mld.).

Buffer in de transactie

In tabel 3 is de omvang van de buffer in de transactie zichtbaar. De buffer in de transactie is sinds het aangaan van de transactie toegenomen van 10% tot 26,9% van de nominale omvang van de portefeuille per ultimo 2011. Dit is inclusief het resultaat over 2011.

De buffer neemt jaarlijks toe met de omvang van het resultaat. In 2010 was er sprake van een positief resultaat van € 596 mln. en in 2011 was het resultaat € 263 mln. Het verschil van € 333 mln. wordt veroorzaakt door minder ontvangen fees als gevolg van een dalende portefeuille en oplopende verliezen.

Als er sprake is van een negatief resultaat, bijvoorbeeld door forse verliezen op de portefeuille, daalt de omvang van de buffer in absolute zin. Relatief gezien zal de groei van de buffer dan stagneren of afnemen. De toename in de buffer is gevolg van het financieringsvoordeel, het netto resultaat op de fees en doordat de verliezen beperkt zijn gebleven. Tabel 3 illustreert dit.

Tabel 3: ontwikkeling van de buffer in de transactie

Oorspronkelijke omvang van de buffer 26-01-2009

10,0%

Toename door financieringsvoordeel

1,8%

Toename door netto resultaat op de fees

0,4%

Toename buffer doordat verliezen beperkt zijn

1,8%

Omvang van de buffer 31-12-2009

14,0%

Toename door financieringsvoordeel

2,7%

Toename door netto resultaat op de fees

1,3%

Toename buffer doordat verliezen beperkt zijn

2,7%

Omvang van de buffer 31-12-2010

20,7%

Toename door financieringsvoordeel

2,6%

Toename door netto resultaat op de fees

1,3%

Toename buffer doordat verliezen beperkt zijn

2,3%

Omvang van de buffer 31-12-2011

26,9%

Het financieringsvoordeel in 2011 is nagenoeg gelijk als in 2010. Dit komt door het effect van de additionele betaling die overeenkomt met een verlaging van de funding fee. Deze additionele betaling is eind 2009 overeengekomen en heeft daardoor in zowel 2010 als in 2011 effect, maar heeft slechts beperkt effect gehad in 2009. Daarnaast is ook het effect van de lagere financieringskosten zichtbaar. De verplichting aan ING neemt versneld af doordat elke dollar die binnenkomt weer wordt terugbetaald aan ING. De omvang van de financieringskosten neemt daardoor sneller af dan de omvang van de renteontvangsten uit de portefeuille.

De toename van de buffer als gevolg van het netto resultaat op de fees is in 2011 gelijk aan die in 2010. De additionele betaling die overeenkomt met een verhoging van de garantiefee, die eveneens eind 2009 is overeengekomen, heeft in 2010 voor het eerst effect gehad en dit werkt door in 2011.

Doordat de buffer in 2010 is gestegen, kunnen daarmee in 2011 meer verliezen worden opgevangen. De verliezen op de portefeuille nemen weliswaar toe (zie later in dit verslag), maar blijven ook in 2011 nog achter ten opzichte van de omvang van de buffer. Hierdoor stijgt de buffer in de transactie in 2011 vooralsnog verder.

Buffer in de obligaties

Naast de buffer in de transactie is er ook sprake van een buffer in de obligaties, de zogenaamde credit enhancement. Het merendeel van de obligaties in de portefeuille kent door hun kwaliteit een buffer. De gemiddelde credit enhancement in de portefeuille is in 2011 verder afgenomen en bedraagt nu ca. 11,55 (zie figuur 2). De credit enhancement geeft aan hoe groot de bescherming is tegen verliezen op de onderliggende hypothekenpool doordat deze verliezen eerst worden opgevangen door «overcollateralization» of (houders van) obligaties met een lagere rating. Indien op een obligatie sprake is van een credit enhancement van 0 komen de eerstvolgende verliezen op de onderliggende hypothekenpool voor rekening van de houder(s) van die obligatie.

Figuur 2: gemiddelde credit enhancement

Figuur 2: gemiddelde credit enhancement

Ontwikkeling van de verliezen op de portefeuille

Als de gemiddelde credit enhancement in de portefeuille afneemt, zullen de verliezen die voor rekening van de Staat komen toenemen. Door toenemende verliezen zal in eerste instantie de buffer in de transactie dus minder hard stijgen of bij forse verliezen zelfs gaan afnemen. Dat de verliezen voor rekening van de Staat sneller toenemen is reeds zichtbaar in 2011 (zie figuur 3). Het totale verlies blijft vooralsnog beperkt tot ca. 1,4% van de oorspronkelijke omvang van de portefeuille. Tot op heden zijn de verliezen lager dan verondersteld was in de meest recente begroting van 2011, welke gebaseerd was op de meest recente analyse.

Figuur 3: cumulatief verlies (% van de oorspronkelijke omvang portefeuille)

Figuur 3: cumulatief verlies (% van de oorspronkelijke omvang portefeuille)
4.3.3 Overzicht afgeronde onderzoeken

Type Onderzoek

Onderzoekonderwerp

AD of OD

Start

Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

         

Effectenonderzoek ex post

Overig evaluatieonderzoek

Kabinetsvisie DBFMO/PPS

OD2

2011

2011

Kamerstukken II 2010/11, 28 753, nr. 23

Toelichting tabel

In 2011 heeft de Tweede Kamer met de komst van het nieuwe kabinet gevraagd om de nieuwe kabinetsvisie op DBFMO. Deze is in maart 2011 aan de Tweede Kamer verzonden. De kabinetsvisie is gebaseerd op analyses van de ervaringen met DBFMO tot nu toe zowel op Rijksniveau als op decentraal niveau (bij onderwijshuisvesting, zorghuisvesting en infrastructuur van decentrale overheden). Grotendeels zijn deze ervaringen al verwoord in de DBFMO Voortgangsrapportages 2010, 2008, 2006 en eerdere rapportages. De bijlage bij de kabinetsvisie op DBFMO bevat de laatste stand van zaken ten aanzien van DBFMO. Bij het opstellen van de Ontwerpbegroting 2011 was dit evaluatieonderzoek nog niet voorzien, waardoor dit het onderzoek niet is aangekondigd in de begroting.

4.4 Internationale Financiële Betrekkingen

4.4.1 Algemene beleidsdoelstelling

Een financieel-economisch gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

De onrust zoals deze in 2007 begon in de financiële sector, waaide in 2010 over naar de markten voor staatsobligaties. Ook het jaar 2011 bleef op Europees en internationaal vlak vol van uitdagingen.

Regeringen hebben naar aanleiding daarvan belangrijke maatregelen genomen ter versterking van de financiële stabiliteit. Mede door de Nederlandse inzet is op 14 en 15 maart 2011 door de Ecofin Raad overeenstemming bereikt over de zes governance voorstellen ter versterking van het Stabiliteits- en Groeipact, waaronder een procedure voor het adresseren van macro-economische onevenwichtigheden, het introduceren van een richtlijn die minimumeisen stelt aan de nationale begrotingsraamwerken van lidstaten en een concrete numerieke maatstaf voor gewenste schuldafname. Mede op aandringen van de Nederlandse regering zijn tijdens de Europese Raad van 8 en 9 december 2011 verdere substantiële stappen gezet op het gebied van preventie, die zullen worden vastgelegd in een internationale overeenkomst. De lidstaten (met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk) hebben zich op Europees niveau gecommitteerd aan het belang van een begrotingsevenwicht en zullen dit principe in nationale wetgeving omzetten. In lijn met de Kabinetsvisie op de toekomst van de Economische en Monetaire Unie is in 2011 besloten dat de besluitvorming in de correctieve arm van het Stabiliteits- en Groeipact voor eurolanden meer automatisch wordt.

Verder hebben de eurolanden in 2011 overeenstemming bereikt over het versterken van de slagkracht van het noodmechanisme EFSF door middel van het uitbreiden van het instrumentarium van het EFSF met secundaire opkopen, preventieve programma’s en leningen aan lidstaten ten behoeve van de herkapitalisatie van banken, en het toepassen van leverage via een verzekeringsmodel en een Co Investment Fund waarin zowel private als publieke middelen bijeen komen. Daarnaast hebben de eurolanden akkoord bereikt over de opzet van het permanente noodmechanisme ESM. De regeringsleiders en staatshoofden van de eurozone hebben het voornemen verklaard om het ESM in juli 2012 inwerking te laten treden. Het ESM zal alleen financiële steun bieden aan eurolanden onder zeer strikte voorwaarden, vergelijkbaar met die van het IMF. Het IMF levert expertise op gebied van conditionaliteit en monitoring van de programma’s en heeft financiële middelen beschikbaar gesteld. Tijdens de Europese Raad van 8 en 9 december 2011 is besloten extra middelen aan het IMF beschikbaar te stellen om zo de financiële slagkracht van het IMF verder te vergroten.

In 2011 werd bovendien overeenstemming bereikt over een steunprogramma voor Portugal van 78 miljard euro waarvan het EFSM, EFSF en het IMF ieder een derde aan steun zullen verstrekken. Naar aanleiding van de gewijzigde omstandigheden in Griekenland werd tijdens de Eurotop van 26 oktober 2011 een akkoord bereikt over de kernelementen van een nieuw steunprogramma.

Op de Eurozone top van 11 maart 2011 werd besloten om de rente op de Griekse bilaterale leningen te verlagen en werd besloten om de gemiddelde looptijd van de leningen aan Griekenland te verlengen. Tijdens de bijeenkomst van de staatshoofden en regeringsleiders van de eurozone van 21 juli 2011 werd een nieuw aanvullend steunprogramma voor Griekenland overeengekomen, waarbij ook werd afgesproken dat het IMF en de private sector een substantieel zullen bijdragen. Daarnaast werd afgesproken dat, ter verbetering van de schuldhoudbaarheid, en in de context van de bijdrage van de private sector, de toekomstige EFSF leningen aan Griekenland worden verstrekt tegen een lagere rente die in ieder geval de financieringskosten van het EFSF dekt. Toekomstige leningen uit het EFSF aan Griekenland zullen een looptijd kennen tussen 15 en 30 jaar. Ook de looptijd van de bilaterale leningen aan Griekenland werden verlengd. Ook kwam men overeen dat, zolang beide landen de programma's goed en volledig uitvoeren, Portugal en Ierland dezelfde leningvoorwaarden zullen genieten als de voorwaarden die Griekenland krijgt voor de toekomstige leningen uit het EFSF.

De extra financiering gaat, net als voorheen, gepaard met strikte condities en strikte monitoring. Aangezien een langere looptijd van kracht wordt, zal ook sprake zijn van langere en strikte monitoring ná de programmaperiode. Tenslotte werd besloten om het instrumentarium van het EFSF – en parallel daarmee het ESM – aan te passen om uitbreiding van de effecten van de eurocrisis tegen te gaan.

Het EFSF kan nu ook leningen aan landen verstrekken ten behoeve van het herkapitaliseren van banken, en kan het in uitzonderlijke omstandigheden interveniëren in de secundaire obligatiemarkt. Ook kan het EFSF een preventief programma opzetten voor lidstaten die aan condities voor een dergelijk programma voldoen en kan het interveniëren op de primaire obligatiemarkt. Daarnaast is tijdens de Eurotop van 26 oktober 2011 overeenstemming bereikt over twee leverage opties ter versterking van de slagkracht van het EFSF. Dit betreft enerzijds het verzekeringsmodel waarin een verzekering wordt aangeboden door een apart vehikel aan investeerders bij de uitgifte van een obligatie door een euroland. De tweede modaliteit betreft het bijeenbrengen van private en publieke middelen om de slagkracht van het EFSF te vergroten, door middel van een Co Investment Fund (CIF) dat op de primaire en secundaire markt obligaties kan opkopen.

Externe factoren

Het beleid van de EU en internationale financiële instellingen wordt bepaald door een groot aantal landen (waaronder Nederland) en externe financieel-economische ontwikkelingen. De invloed van Nederland op dit beleid is beperkt, omdat het behalen van de Nederlandse doelstellingen sterk afhankelijk is van die andere landen en van onvoorziene omstandigheden.

Meetbare gegevens

Kengetal (in %)

2007

2008

2009

2010

20111

Reële BBP Groei Eurogebied

3,0

0,4

–4,2

1,9

1,5

Reële BBP Groei Europese Unie

3,2

0,5

–4,2

2,0

1,6

Reële groei van de wereldeconomie

5,2

3,4

–0,7

5,1

4,0

Groei van het volume van de wereldhandel

7,2

4,1

–10,7

12,8

7,5

Bron: DG ECFIN, Autumn Forecasts 2011.

X Noot
1

Definitieve realisatiewaarden zijn nog niet vastgesteld.

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 4 Internationale financiële betrekkingen
Bedragen x € 1 000

Algemene beleidsdoelstelling: Een financieel-economisch gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling

       

Realisatie

Vastgestelde begroting incl. ISB

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

2011

Verplichtingen

–1 020 432

27 954

16 632 437

40 452 217

91 240 416

3 404 311

87 836 105

Waarvan betalingsverplichtingen

358

322 532

2 764

4 708 053

730 004

605 266

124 738

               

Waarvan garantieverplichtingen:

–1 020 790

–294 578

16 629 673

35 744 164

90 510 412

2 799 045

87 711 367

Multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen

–404 914

–572 203

2 779 025

238 464

303 696

225 600

78 096

EIB: overeenkomsten Lomé en Cotonou

0

–20 247

–39 650

38 654

828

0

828

DNB: IMF en kredietfaciliteiten BIS

–615 876

297 872

13 473 298

5 416 546

18 518 207

2 573 445

15 944 762

EU betalingssteun

0

0

417 000

1 232 500

–102 500

0

–102 500

Stabiliteitsmechanisme EU

     

2 946 000

–120 000

0

–120 000

Stabiliteitsmechanisme SPV (EFSF)

     

25 872 000

71 910 181

0

71 910 181

               

Uitgaven

141 864

118 634

98 151

1 307 545

2 286 737

1 989 774

296 963

Programma-uitgaven

139 350

115 662

95 370

1 304 504

2 284 106

1 987 205

296 901

               

Doelstelling 1 Het bevorderen van een gezonde en stabiele monetaire en budgettaire ontwikkeling van de Europese Unie en haar lidstaten

             

Kapitaalstorting SPV (EFSF)

     

1 054

571

0

571

Lening Griekenland

     

1 247 553

1 946 259

1 705 000

241 259

               

Doelstelling 2 Het bevorderen van effectiviteit en efficiency van internationale financiële instellingen (IFI's)

             

Instrument: deelneming multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen

139 350

115 662

95 370

55 897

337 276

282 205

55 071

               

Apparaatsuitgaven

2 514

2 972

2 781

3 041

2 631

2 569

62

               

Ontvangsten

59 488

18 630

12 338

39 495

127 715

128 937

–1 222

               

Doelstelling 1 Het bevorderen van een gezonde en stabiele monetaire en budgettaire ontwikkeling van de Europese Unie en haar lidstaten

             

Rente en servicefee lening Griekenland

     

29 884

114 634

119 316

–4 682

Aflossingen lening Griekenland

     

0

0

0

0

 

             

Doelstelling 2 Het bevorderen van effectiviteit en efficiency van internationale financiële instellingen (IFI's)

             

Programma-ontvangsten

59 488

18 630

12 338

9 611

13 081

9 621

3 460

Toelichting bij tabel budgettaire gevolgen van beleid

Verplichtingen (+ € 87,8 mld.)

De verplichtingen die betrekking hebben op uitgaven worden bij de uitgave toegelicht.

Betalingverplichting (+ € 124,7 mln.)

De mutatie van de betalingsverplichtingen wordt voornamelijk veroorzaakt doordat de definitieve betalingsverplichting voor IDA 16 is vastgesteld.

Multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen (+ 78,1 mln.)

De aanpassing van de verplichtingen wordt voornamelijk veroorzaakt door wisselkoersbijstellingen van garanties aan de Wereldbank.

DNB (+ € 15,9 mld.)

De garantie aan DNB uit hoofde van de Nederlandse deelname in de quotamiddelen IMF is met € 1,7 mld. opgehoogd naar aanleiding van de afronding van de onderhandeling over de IMF quota.

Daarnaast is tijdens de Europese Raad van 9 december door de regeringsleiders en staatshoofden van de EU besloten de financiële slagkracht van het IMF te vergroten. Het IMF wordt hiermee in staat gesteld zijn rol in de schuldencrisis in Europa adequaat te vervullen.  De landen van de eurozone hebben een totaal van € 150 miljard aan bilaterale leningen toegezegd om algemene middelen van het IMF te versterken.  Het Nederlandse aandeel hierin is € 13,61 miljard. Voor sommige landen geldt dat de toezegging onder voorbehoud van parlementaire goedkeuring is. Dit is ook voor Nederland het geval. Zowel de lening als de garantie zijn per balansdatum nog niet geëffectueerd. Voordat DNB de lening aan het IMF kan verstrekken, moet de staatsgarantie aan DNB worden opgehoogd. Daarnaast zijn bestaande garanties voor wisselkoers effecten op de bestaande garanties met € 0,6 mln. bijgesteld.

EU betalingsbalanssteun (– € 102,5 mln.)

Naar aanleiding van een verandering van het Nederlandse aandeel in de EU begroting is de bestaande garantieverplichting bijgesteld.

Stabiliteitsmechanisme EU (– € 120,0 mln.)

Naar aanleiding van een verandering van het Nederlandse aandeel in de EU begroting is de bestaande garantieverplichting bijgesteld.

Stabiliteitsmechanisme EFSF (+ € 71,9 mld.)

Om te zorgen dat het EFSF effectief € 440 mld. kan uitlenen is de garantieverplichting aan het EFSF verhoogd. Daarnaast is de looptijd van de uit te geven leningen verlengd naar maximaal 30 jaar, hiervoor is de garantie op rentelasten aangepast. De garantie voor de rentelasten is afhankelijk van de rentestand. De garantieraming wordt daarvoor op reguliere begrotingsmomenten bijgesteld. Voor de berekening van het plafond is uitgegaan van een rentepercentage van 4% en een maximale looptijd verlenging naar 30 jaar voor de gehele EFSF capaciteit van 440 miljard. Het Nederlandse garantieplafond bedraagt 97,8 miljard euro, opgebouwd uit 44 miljard euro voor de (over)garanties op de hoofdsom van het EFSF en 54 miljard euro voor de (over)garanties voor de rentelasten van het EFSF.

Uitgaven

Lening Griekenland (+ € 241,3 mln.)

Een lening tranche die in 2010 uitgekeerd zou worden is in 2011 uitgekeerd. Om deze reden is de uitgave in 2011 hoger dan geraamd ten tijde van de begroting 2011.

Multilaterale ontwikkelingsbanken en- fondsen (+ € 55,1 mln.)

Het verzilveringschema van het zachte leningen loket van de Wereldbank (IDA) is aangepast.

Ontvangsten

Programma ontvangsten (+ € 3,5 mln.)

De mutatie wordt voornamelijk veroorzaakt doordat de terugontvangangsten van ingeroepen EIB garanties voor ACP landen zijn hoger zijn dan oorspronkelijk geraamd.

4.4.2 Operationele doelstellingen
4.4.2.1 Operationele doelstelling 1: Het bevorderen van een gezonde en stabiele monetaire en budgettaire ontwikkeling van de Europese Unie en haar lidstaten.

Doelbereiking

Nederland heeft zich in 2011 sterk gemaakt voor preventie van financiële stabiliteit door middel van begrotingsdiscipline en prudent macro-economisch beleid. Ook is Nederland intensief betrokken geweest bij het versterken van het noodmechanisme EFSF en de totstandkoming van het ESM. Gepoogd is de Nederlandse inzet op een actieve manier te vertegenwoordigen in deze discussies onder andere in de Ecofin, Eurogroep, het Economisch en Financieel Comité en tijdens bilaterale bezoeken. Zo is mede op verzoek van Nederland de belangrijke betrokkenheid van het IMF bij steunprogramma’s voor Eurolanden steeds waar dat mogelijk is in het ESM overeengekomen. Ook heeft Nederland met succes gepleit voor het geven van meer aandacht aan schuld d.m.v. een procedure in het kader van het Stabiliteits- en Groeipact en dat besluitvorming in de correctieve arm van het Stabiliteits- en Groeipact voor eurolanden meer automatisch wordt.

Ten aanzien van de EU-begroting is veel aandacht besteed aan de onderhandelingen over de begroting 2012. Mede door de inzet van Nederland is de groei van de jaarbegroting reëel gehandhaafd, ondanks druk van Commissie en het EP en enkele lidstaten tot een sterkere toename.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Kengetal (in %)

2007

2008

2009

2010

20111

Overheidstekort, % BBP van het Eurogebied

–0,7

–2,1

–6,4

–6,2

–4,1

Overheidstekort, % BBP van de Europese Unie

–0,9

–2,4

–6,9

–6,6

–4,7

Overheidsschuld, % BBP van het Eurogebied

66,3

70,1

79,8

85,6

88,0

Overheidsschuld, % BBP van de Europese Unie

59,0

62,5

74,7

80,3

82,5

Aantal lidstaten met een buitensporig tekort

11

6

20

24

23

Bron: DG ECFIN Autumn Forecasts 2011

X Noot
1

Definitieve realisatiewaarden zijn nog niet vastgesteld.

4.4.2.2 Operationele doelstelling 2: Het bevorderen van effectiviteit en efficiency van internationale financiële instellingen (IFI’s) en het bijdragen aan een inhoudelijk debat over de wereldeconomie in internationale fora.

Doelbereiking

Nederland heeft als aandeelhouder van de verschillende instellingen actief bijgedragen aan inhoudelijke debatten over de wereldeconomie. Zo heeft Nederland bijvoorbeeld actief ingezet op IMF surveillance, aanvulling van IMF middelen en aanpak van mondiale onevenwichtigheden, waarbij vooral ook gekeken moet worden naar kapitaalstromen. Ook heeft Nederland in internationale fora het belang van structurele hervormingen in combinatie met begrotingsdiscipline benadrukt.

Nederland was op uitnodiging van zowel het Franse als het Mexicaanse G20-voorzitterschap aanwezig bij een aantal voorbereidende seminars op G20-bijeenkomsten van de ministers van Financiën. Daarnaast heeft Nederland, als aandeelhouder, toezicht gehouden op de financiële soliditeit van IFI’s en meegesproken over de rol van IFI’s bij de bevordering van economische ontwikkeling, armoedebestrijding en financieel-economisch evenwicht. Ook heeft Nederland met de landen van de eigen kiesgroep kennis en know-how, de zgn. technische samenwerking, bijvoorbeeld op het gebied van budgettair beleid, gedeeld.

Bij het bestrijden van de ontstane onrust rondom een aantal eurolanden speelt het Internationaal Monetair Fonds (IMF) een belangrijke rol. Het IMF levert expertise op gebied van conditionaliteit en monitoring van de programma’s en heeft financiële middelen beschikbaar gesteld. De Europese Raad heeft in december 2011 besloten extra middelen aan het IMF beschikbaar te stellen om zo de financiële slagkracht van het IMF verder te vergroten. De Nederlandse bijdrage hieraan is € 13,61 miljard. Over eventuele bijdragen van landen buiten Europa zal binnen het IMF en de G20 verder worden gesproken.

In 2011 hebben de Gouverneurs van de European Bank for Reconstruction and Development (EBRD) een aantal resoluties aangenomen met betrekking tot de uitbreiding van het operatiegebied van de bank naar de zogenaamde Zuidelijke en Oostelijke Mediterrane regio (dat zijn de landen die grenzen aan de Middellandse zee incl. Jordanië). Conform haar mandaat zal de bank de transitie naar een open, op de markt georiënteerde economie en het private ondernemerschap ondersteunen in landen in deze regio. Voor deze mandaatuitbreiding heeft de EBRD geen kapitaalverhoging nodig.

Dankzij de in 2010 overeengekomen kapitaalverhoging voor de International Bank for Reconstruction and Development (IBRD), en de International Finance Corporation, en de middelenaanvulling van IDA-16, is de financiële capaciteit van de Wereldbank groep solide en was het mogelijk om leenvolumes tijdens de crisis aanzienlijk te verhogen. De Nederlandse bijdragen aan de kapitaalverhoging en de middelenaanvulling zijn budgettair verwerkt middels de eerste suppletoire begroting 2011.

De strategie van de Europese Investeringsbank (EIB) in 2011 was om, op gecalculeerde wijze, meer risico te nemen om de toegevoegde waarde voor de reële Europese economie te maximaliseren. Europese economische infrastructuur (het MKB, energie, R&D, klimaatinvesteringen en fysieke infrastructuur) blijft hierbij het belangrijkste speerpunt van de Bank. In 2011 heeft de EIB ruim € 62 mld. aan investeringen gedaan, waarvan meer dan 90% binnen de EU en Pre-Accessie Landen. Eind 2011 is besloten het uitleenvolume van de Bank tussen 2012 en 2014 – na de aanzienlijke verhoging hiervan in de crisis van 2008/9 – versneld terug te brengen tot de oorspronkelijke niveaus. Belangrijkste reden hiervoor is de beoogde versterking van de financiële ratio’s van de Bank.

4.4.3 Overzicht afgeronde onderzoeken

Type Onderzoek

Onderzoekonderwerp

AD of OD

Start

Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

Effectenonderzoek ex post

Overig evaluatieonderzoek

         

In 2011 zijn, conform de begroting 2011, geen onderzoeken gestart of afgerond.

4.5 Exportkredietverzekering en investeringsgaranties

4.5.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het bieden van mogelijkheden voor verzekering van betalingsrisico’s die zijn verbonden aan export en investeringen in het buitenland ter aanvulling op de markt.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

De exportkredietverzekeringsfaciliteit die door de Staat wordt aangeboden bevordert de Nederlandse export doordat dekking kan worden geboden wanneer de markt dit niet kan. Hiermee komt export tot stand waarvoor anders geen krediet zou zijn vrijgekomen. Periodiek wordt er op basis van informatie vanuit de verzekeringsmarkt vastgesteld in welke gevallen (uit hoofde van marktfalen) dekking voor betalingsrisico’s kan worden aangevraagd bij de Staat. Er worden uitsluitend voor de Staat aanvaardbare risico’s geaccepteerd. Begrotingsrisico’s worden door middel van het Risk Management Framework (RMF) in kaart gebracht. Hierbij zijn o.a. risicolimieten opgesteld voor landen en debiteuren en is er een model ontwikkeld dat het portefeuillerisico meet.

De exportkredietverzekeringsfaciliteit bestond in 2011 uit de volgende instrumenten: exportkredietverzekeringen46 (EKV) en de regeling investeringsgaranties (RIV). In 2011 zijn 106 verzekeringspolissen en zijn er geen investeringsverzekeringen uitgereikt. Dit is een toename ten opzichte van 2010 toen er slechts 64 verzekeringspolissen zijn uitgereikt. Exporteurs hebben aangegeven naar aanleiding van de kredietcrisis nieuwe markten aan te boren waarbij meer behoefte is aan exportkredietverzekeringen.

Onderstaande figuur geeft het gebruik van de EKV en de RIV door middel van het cumulatief uitstaand obligo weer.

Cumulatief uitstaand obligo

Cumulatief uitstaand obligo

In de grafiek is een onderscheid gemaakt tussen definitieve verzekeringen (polissen) en voorlopige verzekeringen (dekkingstoezeggingen). De eerste categorie is in 2011 ten opzichte van 2010 licht gedaald, terwijl de categorie dekkingstoezeggingen in dezelfde periode significant gestegen is.

Externe factoren

Het behalen van de doelstelling hangt onder andere af van de ontwikkelingen in de private verzekeringsmarkt, afspraken die worden gemaakt in de verschillende internationale fora en de financiële resultaten.

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 5 Exportkredietverzekering en investeringsgaranties
Bedragen x € 1 000

Algemene beleidsdoelstelling: Het bieden van mogelijkheden voor verzekering van betalingsrisico's die zijn verbonden aan export en investeringen in het buitenland ter aanvulling op de markt.

       

Realisatie

Vastgestelde begroting incl. ISB

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

2011

Verplichtingen

2 293 936

5 108 936

–4 970 709

1 161 667

1 099 920

11 950 136

–10 850 216

waarvan betalingsverplichtingen:

20 545

33 886

15 367

16 672

12 032

14 080

–2 048

waarvan kostenvergoeding Atradius DSB

12 898

12 688

11 512

10 212

10 557

0

10 557

               

waarvan garantieverplichtingen:

2 273 391

5 075 050

–4 986 076

1 144 995

1 087 888

11 936 056

–10 848 168

EKV

2 340 391

5 304 050

–5 051 312

1 198 639

1 118 144

11 332 276

–10 214 132

RIV

–67 000

–229 000

50 000

–49 220

–19 752

453 780

–473 532

MIGA

0

0

0

0

0

150 000

–150 000

Omzetpolissen

0

0

15 236

–4 424

–10 504

0

–10 504

               

Uitgaven

31 936

40 936

272 595

93 563

30 030

134 580

–104 550

Programma-uitgaven

15 299

27 204

259 976

82 267

18 100

120 500

–102 400

               

Doelstelling 1 Het creëren en handhaven van een gelijk speelveld voor bedrijven.

             

Schade-uitkering EKV

11 391

7 049

255 986

76 137

17 909

120 000

–102 091

Schade-uitkering RIV

0

0

0

0

0

500

–500

Schade-uitkering MIGA

0

0

0

0

0

0

0

Schade-uitkering Omzetpolissen

0

0

0

218

90

0

90

Uitgaven Seno-Gom

0

0

3 990

5 912

101

0

101

Uitgaven risicobeheer

3 908

20 155

0

0

0

0

0

               

Apparaatsuitgaven

16 637

13 732

12 619

11 296

11 930

14 080

–2 150

Personeel en materieel

1 139

1 044

1 107

1 084

1 373

1 474

–101

Kostenvergoeding Atradius DSB

12 898

12 688

11 512

10 212

10 557

12 606

–2 049

Uitvoeringskosten EXIM

2 600

0

0

0

0

0

0

               

Ontvangsten

225 853

209 904

223 489

158 374

141 642

104 050

37 592

Programma-ontvangsten

225 853

209 904

223 489

158 116

141 142

104 050

37 092

               

Doelstelling 1 Het creëren en handhaven van een gelijk speelveld voor bedrijven.

             

Premies EKV

53 973

78 442

36 190

25 382

55 106

40 000

15 106

Premies RIV

1 113

997

791

723

563

1 250

–687

Premies omzetpolissen

0

0

44

330

88

0

88

               

Schaderestituties EKV

170 767

130 465

182 474

125 769

84 834

62 800

22 034

Ontvangsten Seno-Gom

0

0

3 990

5 912

551

0

551

               

Overige ontvangsten

0

0

0

258

500

0

500

Bij het opstellen van dit jaarverslag kon nog geen gebruik worden gemaakt van de definitieve, van een accountantsverklaring voorziene, jaarrekening van betrokken verzekeraars voor de TASK-regeling.

Toelichting bij tabel budgettaire gevolgen van beleid

Verplichtingen

In de ontwerpbegroting zijn stelpostramingen opgenomen voor de maximaal te verstrekken garanties (verplichtingenplafond). De realisatie van de verplichtingen betreft het saldo van verleende en vervallen garanties.

Garantieverplichting exportkredietverzekering (– € 10,2 mld.)

Het garantieplafond voor de EKV bedraagt in 2011 € 11,33 miljard. In 2011 is er voor € 6,8 mld. aan nieuwe verplichtingen aangegaan en is € 5,7 mld. aan verplichtingen vervallen. In 2011 bedraagt het saldo van nieuwe en vervallen garanties € 1,1 miljard. Deze mutatie betreft het afboeken van het restant deel van het verplichtingenplafond.

Garantieverplichting Regeling Investeringen (– € 473,5 mln.)

Het jaarlijkse plafond voor de Regeling Investeringen bedraagt € 453,8 mln. In 2011 zijn er geen nieuwe verplichtingen aangegaan en is € 19,8 mln. aan verplichtingen vervallen. In 2011 bedraagt het saldo van nieuwe en vervallen garanties – € 19,8 mln. Deze mutatie betreft het afboeken van het restant deel van het verplichtingenplafond.

Garantieverplichting Multilateral Investment Guarantee Agency (MIGA) (– € 150,0 mln.)

Het jaarlijkse plafond voor de MIGA bedraagt € 150,0 mln. In 2011 is er geen beroep gedaan op de MIGA faciliteit.

Garantieverplichting Omzetpolissen (– € 10,5 mln.)

Ultimo 2010 stonden er nog verplichtingen open voor de omzetpolissenregeling47. Deze verplichtingen zijn in 2011 geheel komen te vervallen.

Uitgaven

Schade-uitkering EKV (– € 102,1 mln.)

Ondanks de voortzetting van de kredietcrisis zijn de schadeuitkeringen aanzienlijk lager uitgevallen dan de raming. De schade-dreigingen hebben zich in 2011 niet gematerialiseerd, maar zijn nog niet verdwenen voor het komende jaar.

Uitgaven Seno-Gom (+ € 0,1mln.)

In het kader van het afbeheren van de Seno-Gom portefeuille is voor € 0,1 mln. uitgekeerd aan schade. Deze uitgaven worden gedekt uit de opbrengsten uit premies en recuperaties in het kader van de Seno-Gom. Per 2011 is besloten om niet langer het batig saldo van uitgaven/ontvangsten in het kader van de Seno-Gom af te storten in de begrotingsreserve.

Ontvangsten

Premies EKV (+ € 15,1 mln.)

In 2011 is de vraag naar exportkredietverzekeringen weer aangetrokken. Dit heeft ertoe geleid dat er meer premie-inkomsten zijn gerealiseerd dan verwacht.

Schaderestituties EKV (+ € 22,0 mln.)

Doordat de economie zich minder ongunstig heeft ontwikkeld dan geanticipeerd hebben er meer schaderestituties plaatsgevonden. Sommige schaderegelingen blijven echter kwetsbaar in de huidige kredietcrisis.

Ontvangsten Seno-Gom (+ € 0,6 mln.)

In 2011 is voor € 0,4 mln. ontvangen aan premies en voor € 0,2 mln. ontvangen uit recuperaties.

4.5.2 Operationele doelstelling: Het creëren en handhaven van een gelijk speelveld voor bedrijven.

Doelbereiking

Door middel van actieve deelname aan internationale fora (EU, OESO en in minder mate WTO) wordt er gewerkt aan kaders waarbinnen Nederlandse exporteurs internationaal kunnen concurreren op een gelijk speelveld. Om concurrentieverstoringen zoveel mogelijk te beperken zijn er internationaal regels opgesteld o.a. ten aanzien van minimum premies, looptijden en kostendekkendheid. Een belangrijke ontwikkeling in 2011 is de invoering van een nieuw minimum premiestelsel, waarbij afspraken over de debiteurenrisicopremie zijn opgenomen. Voorheen waren er uitsluitend afspraken over de landenrisicopremie.

Het aandeel van het MKB binnen de totale portefeuille van de exportkredietverzekeringfaciliteit is relatief klein. In 2011 is daarom in overleg met het bedrijfsleven de MKB-exportversneller gelanceerd. De bij de EKV behorende aanvraagprocedures is voor het MKB een naar verhouding grotere belasting op de bedrijfsvoering. De MKB-exportversneller is een versimpeling van de aanvraagprocedure o.a. door betere samenwerking tussen de bank en Atradius DSB voor transacties tot maximaal € 5 miljoen en aspirant verzekerden met een jaarlijkse groepsomzet van maximaal € 50 miljoen.

Binnen de internationaal vastgestelde kaders is nog ruimte om zelf invulling te geven aan beleid. Daarom zijn er meetinstrumenten opgenomen die aangeven hoe de Nederlandse faciliteit presteert ten opzichte van belangrijke concurrenten (benchmark) en de mate van klantvriendelijkheid (doorlooptijd) meet. De bepaling van de kostendekkendheid geeft aan in hoeverre de Nederlandse Staat zelf voldoet aan deze internationaal vastgestelde voorwaarde.

Meetinstrumenten

Benchmark

  • Er wordt door middel van een benchmark bijgehouden hoe de Nederlandse exportkredietverzekeringfaciliteit zich verhoudt tot gelijksoortige overheidsgesteunde faciliteiten in de 12 meest concurrerende landen. Uit de benchmark-excercitie over 2010 die is uitgevoerd in 2011 blijkt dat de Nederlandse faciliteit gemeten over de gehele linie in de middenmoot valt. Er is sprake een lichte verbetering ten opzichte van het voorgaande jaar, maar er wordt gestreefd naar verdere vooruitgang.

Doorlooptijden

  • De doorlooptijd bestaat ten eerste uit de behandelduur van een transactie door de uitvoeringsorganisatie Atradius DSB en de Staat en ten tweede uit de informatienavraag (wachttijd voor de informatie afkomstig van de aspirant verzekerde en het posttraject). In 2011 is de gemiddelde doorlooptijd uitgekomen op 65 werkdagen, een verbetering ten opzichte van 2010. Hiermee wordt de dalende trend van het voorgaande jaar voortgezet. De toenemende economische onzekerheid en mate van complexiteit van transacties (o.a. door nieuwe financieringsstructuren) leidt ertoe dat er meer en actuelere informatie nodig is voor het beoordelen van de risico’s. Steeds vaker wordt door exporteur en financiers een verzekeringsaanvraag ingediend terwijl essentiële informatie nog niet beschikbaar is. Dit heeft tot gevolg dat er meer tijd nodig is voor informatienavraag dan voorzien is in de streefwaarde. Eind 2011 is daarom besloten om in voorkomende gevallen in overleg met aspirant verzekerden de formele behandeling pas te starten wanneer er voldoende informatie beschikbaar is.

Kostendekkendheid

  • De totale exportkredietverzekeringfaciliteit van de Staat dient kostendekkend te zijn op lange termijn. Dit is vastgelegd in het kader van de WTO en de OESO. De kostendekkendheid wordt in Nederland bepaald aan de hand van een hiertoe speciaal ontwikkeld model bedrijfseconomische resultaatbepaling (BERB). Over de periode 1999–2011 is er een cumulatief positief resultaat behaald van € 142 mln. Dit is een toename van € 19 mln. ten opzichte van het cumulatieve resultaat in 2010.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Indicatoren

Realisatie

2007

Realisatie 2008

Realisatie

2009

Realisatie

2010

Streefwaarde 2011

Realisatie

2011

Behandelduur

37

35

43

39

34

35

Informatienavraag

34

23

34

33

14

30

Doorlooptijden van verzekeringsaanvragen

71

58

77

72

48

65

Bron: doorlooptijden worden door Atradius DSB gemeten en op maandelijkse basis gerapporteerd aan de Staat.

4.5.3 Overzicht afgeronde onderzoeken

Type Onderzoek

Onderzoekonderwerp

AD of OD

Start

Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

         

Effectenonderzoek ex post

Kostendekkendheid (BERB)

OD

2011

2011

Zie toelichting

Overig evaluatieonderzoek

Benchmark

OD

2011

2011

Zie toelichting

Toelichting tabel

De in de tabel opgenomen evaluatieonderzoeken zijn jaarlijks terugkerende onderzoeken ten behoeve van het meten van de doelmatigheid van de faciliteit. Er is geen openbare vindplaats. De resultaten uit de onderzoeken zijn vermeld bij de betreffende meetinstrumenten.

4.7 Beheer materiële activa

4.7.1 Algemene doelstelling

Het Rijk verwerft, bezit en beheert (on)roerende zaken die nodig zijn voor de realisatie van rijksdoelstellingen. Als ze niet meer nodig zijn voor de realisatie van rijksdoelstellingen worden ze vervreemd. Ook levert het Rijk een bijdrage aan gebiedsontwikkeling, al dan niet met inzet van rijksvastgoed, wanneer dit bijdraagt aan de realisatie van rijksdoelstellingen. Bij het verwerven, beheren en vervreemden en het leveren van een bijdrage aan gebiedsontontwikkeling wordt doelmatigheid nagestreefd.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

In het kader van het uit het Regeerakkoord voortvloeiende «Uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst» is onderzoek gedaan naar de mogelijkheden tot clustering binnen het Rijksvastgoedstelsel en het zo mogelijk doelmatiger omgaan met het vastgoed van het Rijk.

Uit dit onderzoek zijn aanbevelingen («richtinggevende uitgangspunten») naar voren gekomen, die in november 2011 door de Ministerraad zijn geaccordeerd.

De belangrijkste aanbevelingen zijn:

  • Vergroting van de sturing op de inzet van rijksvastgoed door de jaarlijkse vaststelling door de Ministerraad van een vastgoedportefeuille strategie, en

  • Een doelmatiger organisatie van uitvoerende diensten door de vorming van een rijksvastgoedbedrijf uit twee bestaande diensten, de Rijksgebouwendienst (RGD) en het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB) met optie voor latere aanhaking van andere diensten.

Na het doorlopen van de voorhangprocedure van artikel 10 CW 2001 in verband met het samengaan met het Gemeenschappelijk Ontwikkelingsbedrijf in 2009, heeft het RVOB sinds 1 januari 2012 weer een definitieve baten-lastenstatus (Kamerstukken II 2010/11, 32 275, nr. 2).

Externe factoren

Er zijn geen externe factoren die de doelmatigheid van de verwerving, het beheer en de vervreemding en het leveren van een bijdrage aan gebiedsontwikkeling door het Rijk hebben beïnvloed.

De economische situatie heeft wel een negatieve invloed gehad op de snelheid waarmee vastgoedtransacties tot stand kwamen (zie ook de toelichting op de ontvangsten bij onderstaande tabel budgettaire gevolgen van beleid).

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 7 Beheer materiële activa
Bedragen x € 1 000

Algemene beleidsdoelstelling: Het Rijk verwerft, bezit en beheerd (on)roerende zaken die nodig zijn voor de realisatie van rijksdoelstellingen.

       

Realisatie

Vastgestelde begroting incl. ISB

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

2011

Verplichtingen

105 791

81 748

98 851

296 298

–114 310

94 268

–208 578

Waarvan garantieverplichting vorderingenplafond RVOB

     

207 000

–207 000

0

–207 000

               

Uitgaven

105 515

82 102

95 854

90 454

93 107

94 268

–1 161

Programma-uitgaven

82 953

58 325

73 034

65 291

69 816

69 092

724

               

Doelstelling 1 Goed georganiseerd en doelmatig handelen op de vastgoedmarkt.

             

Anticiperende aankopen

3 450

392

0

0

0

10 000

–10 000

               

Doelstelling 2 Beheer/verkoop onroerende zaken

             

Onderhoud en beheerskosten

11 190

10 738

14 642

10 823

9 194

8 779

415

Zakelijke lasten

44 863

46 969

51 742

51 624

59 104

49 413

9 691

Overige programma-uitgaven

23 450

226

6 650

2 844

1 135

900

235

               

Doelstelling 3 Bewaring/vervreemding roerende zaken

 

 

 

 

 

 

 

Beheerskosten

0

0

0

0

383

0

383

               

Apparaatsuitgaven

22 562

23 777

22 820

25 163

23 291

25 176

–1 885

               

Ontvangsten

317 424

270 337

237 597

350 375

214 925

219 138

–4 213

Programma-ontvangsten

315 929

269 686

237 306

347 964

213 724

218 959

–5 235

               

Doelstelling 1 Goed georganiseerd en doelmatig handelen op de vastgoedmarkt.

             

Anticiperende aankopen

0

139

3 491

410

0

0

0

               

Doelstelling 2 Beheer/verkoop onroerende zaken

             

Verkoop onroerende zaken

125 960

120 495

79 115

222 354

67 585

84 045

–16 460

Beheersontvangsten

97 214

112 523

99 728

97 997

97 489

98 014

–525

Overige programma-ontvangsten

83 140

34 823

55 130

39 255

46 745

35 400

11 345

               

Doelstelling 3 Bewaring/vervreemding roerende zaken

             

Verkoop roerende zaken

9 615

1 706

–158

–12 052

1 905

1 500

405

               

Apparaatsontvangsten

1 495

651

291

2 411

1 201

179

1 022

Toelichting bij tabel budgettaire gevolgen van beleid

Verplichtingen

Voor de risico’s die gerelateerd zijn aan ontwikkelingsprojecten waaraan het RVOB deelneemt, heeft het moederdepartement een generale garantie in de vorm van het vorderingenplafond (€ 207,0 mln.). Het vorderingenplafond is in 2010 onterecht als garantieverplichting in de begroting verwerkt, aangezien het een garantie betreft binnen het Rijk en niet aan een derde.

Uitgaven

Anticiperende aankopen (– € 10 mln.).

In 2011 is geen gebruik gemaakt van de leenfaciliteit voor anticiperend- en ontwikkelingsgericht handelen in vastgoed (Kamerstukken II 2006/07, 27 581, nr. 29).

Zakelijke lasten (+ € 9,7 mln.)

De stijging in de uitgaven is als volgt opgebouwd:

  • Toename in de uitgaven OZB (+ € 5,0 mln.) door het gereed komen van nieuwe rijksgebouwen en door betaling van aanslagen die gemeenten in 2011 hebben opgelegd, maar die betrekking hebben op voorgaande jaren.

  • Toename in de uitgaven overige gemeentelasten (+ € 2,0 mln.). Dit bedrag zal worden doorbelast aan de gebruiker van het rijksvastgoed.

  • Toename van de uitgaven watersysteemheffing doordat de waterschappen alsnog aanslagen hebben opgelegd met betrekking tot voorgaande jaren (+ € 1,3 mln.).

  • Toename van de uitgaven watersysteemheffing doordat de waterschappen kosten die zij in het verleden aan de huurder/pachter van vastgoed in rekening brachten, nu aan de eigenaar opleggen (+ € 1,4 mln.). Het RVOB belast de heffing vervolgens door aan de gebruiker. Zie ook «overige ontvangsten».

Ontvangsten

Verkoop onroerende zaken (– € 16,5 mln.)

Een aantal agrarische verkoopzaken dat gepland stond voor 2011 is al in 2010 gerealiseerd (– € 13,0 mln.). Zie ook jaarverslag IXB 2010 (TK vergaderjaar 2010–2011, 32 710, nr.1, blz. 87).

De realisatie van een aantal andere voor 2011 geplande agrarische verkopen is vertraagd (– € 3,5 mln.). Het prijsniveau van agrarische gronden is min of meer gelijk gebleven.

Overige programma-ontvangsten (+ € 11,3 mln.)

De overschrijding in de ontvangsten bestaat uit een aantal componenten:

  • In 2011 heeft Financiën voorgefinancierde plankosten terug ontvangen van het RVOB (+ € 4,4 mln.).

  • Er is een grote nalatenschap binnengekomen waarbij de Staat als enig erfgenaam benoemd is («voorschot» + € 1,2 mln.).

  • Door bezwaarschriften op aanslagen zakelijke lasten is € 3,2 mln. terug ontvangen.

  • De opbrengst uit benzineveilingen is in 2011 hoger uitgevallen dan geraamd (+ € 1,0 mln.).

  • Door een andere factureringsystematiek zijn watersysteemheffingen terug ontvangen (+ € 1,4 mln.). Zie ook «Zakelijke lasten».

4.7.2 Operationele doelstellingen
4.7.2.1 Operationele doelstelling 1: De samenwerkende departementen handelen goed georganiseerd en doelmatig op de vastgoedmarkt

Doelbereiking

De in de Raad voor Vastgoed Rijksoverheid samenwerkende vastgoeddiensten hebben een bijdrage geleverd aan het onderzoek genoemd in paragraaf 4.7.1. Zolang dit onderzoek liep, was het niet zinvol om een RVR werkprogramma 2011–2014 op te stellen. De diensten zijn in het verslagjaar al wel gestart met het leveren van een bijdrage aan de uitwerking van de aanbevelingen van het onderzoek.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Omdat een werkprogramma 2011–2014 – zoals boven beschreven – niet is opgesteld, kan ook de stand van de uitvoering daarvan niet worden gemeten.

4.7.2.2 Operationele doelstelling 2: Het doelmatig inzetten, dat wil zeggen verwerven, beheren, ontwikkelen en vervreemden, van rijksvastgoed en het leveren van een bijdrage aan complexe gebiedsontwikkelingensprojecten voor de realisatie van (meervoudige) rijksdoelen en een optimaal financieel resultaat

Doelbereiking

In 2011 zijn de eerste stappen gezet op weg naar een slagvaardiger organisatie voor het RVOB. Deze organisatieaanpassing wordt meegenomen bij de uitwerking van de vorming van een rijksvastgoedbedrijf zoals beschreven onder paragraaf 4.7.1.

In 2011 zijn de RVOB-projecten A 12 zone Utrecht en Hof van Delfland afgerond en heeft het RVOB zijn betrokkenheid bij gebiedsontwikkeling Westflank voorlopig beëindigd. Het is de publieke partijen niet gelukt overeenstemming te krijgen over het geheel aan voornemens in de regio (waaronder het tracé voor de 380 kV leiding) waar de gebiedsontwikkeling deel van uitmaakt.

Daarnaast heeft het RVOB ministeries geadviseerd over de haalbaarheid en mogelijkheden bij diverse projecten waar afwegingen over de uitvoering en publieke investeringen voor de langere termijn nog gemaakt moeten worden. Ook heeft het RVOB een bijdrage geleverd aan de voorbereiding van besluiten tot al dan niet afstoten bij het RIVM in Bilthoven en enkele defensie-objecten.

Bij de afsluiting van 2011 werkte het RVOB aan de volgende gebiedsontwikkelingsprojecten met meervoudige rijksdoelstellingen: Valkenburg, Almere, Hembrugterrein, Eindhoven NO, Parkstad Limburg, Aviolanda Woensdrecht en de Zeeuws-Vlaamse Kanaalzone. Bij het project Valkenburg werkt het RVOB voor eigen rekening en risico en in het project Zeeuws-Vlaamse Kanaalzone wordt gebruik gemaakt van het financieel instrumentarium ten behoeve van transacties met rijksgronden, die zowel de gebiedsontwikkeling als de voorgenomen uitbreiding van het sluizencomplex accommoderen.

In de tabel budgettaire gevolgen van beleid wordt onder doelstelling 2 ingegaan op de uitgaven en ontvangsten van het RVOB ten behoeve en voor rekening van het ministerie van Financiën.

Het RVOB realiseert, met inachtneming van zogenaamde middelenafspraken, ook ontvangsten voor andere ministeries. Deze ontvangsten worden in de jaarverslagen van deze ministeries verantwoord.

In de «Jaarcijfers RVOB 2011», die te vinden zijn op www.rvob.nl/nieuws/jaarverslagen, zijn gegevens opgenomen over verkopen, ingebruikgevingen en betaalde zakelijke lasten.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

In 2011 is onderzocht of er indicatoren zijn die een getrouw beeld kunnen geven van de voortgang bij/het resultaat van het streven van het Rijk om onroerende zaken optimaal te verwerven, te beheren, te ontwikkelen en te vervreemden. Duidelijk is geworden dat dergelijke indicatoren er niet zijn. Het is niet goed mogelijk om het Rijk wat dit betreft é