Kamerstuk 33222-6

Nota naar aanleiding van het verslag

Dossier: Intrekking van de Wet op de Raad voor de Wadden en de Wet op het Waddenfonds


Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 14 juni 2012

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag dat de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu over het wetsvoorstel heeft uitgebracht. Ik dank de onderscheidene fracties voor de aandacht die zij aan het wetsvoorstel hebben besteed. Bij de beantwoording van de gestelde vragen, afkomstig van de leden van de VVD-fractie, de CDA-fractie en ChristenUnie-fractie, houd ik zoveel mogelijk de indeling van het verslag aan.

Bestuurlijke organisatie Waddengebied

Ik dank de leden van de VVD-fractie, van de CDA-fractie en van de ChristenUnie-fractie voor hun uitdrukkelijk in het verslag uitgesproken steun voor de in gang gezette vereenvoudiging van de bestuurlijke organisatie rond het Waddenbeleid.

Ik kan in reactie op een vraag van de leden van de VVD-fractie bevestigen dat alle betrokken partijen voortvarend te werk gaan om die gewenste vereenvoudiging daadwerkelijk te implementeren. Het bereiken van een effectievere en efficiëntere bestuurlijke organisatie vindt plaats in nauw overleg tussen Rijk en regio. Zo is het Regionaal College Waddengebied door de regio in samenwerking met het Rijk inmiddels omgevormd tot het Regiecollege Waddengebied.

Het Coördinatiecollege Waddengebied, de Interdepartementale Waddenzee Commissie, de Raad voor de Wadden, de Adviescommissie Waddenfonds en de Regiocommissie Waddenfonds worden formeel opgeheven, maar functioneren in de praktijk al geruime tijd niet meer. De Raad voor de Wadden heeft eind 2011 het laatste rapport uitgebracht. Daarmee is de complexiteit reeds afgenomen. Met de instelling van het Regiecollege Waddengebied is een platform voor afstemming van beleid, beheer en investeringen ingesteld. Er worden geen bestuurlijke verantwoordelijkheden overgedragen; de verantwoordelijkheidsverdeling blijft binnen het huis van Thorbecke. De formele opheffing van het Coördinatiecollege Waddengebied en de Interdepartementale Waddenzee Commissie vindt plaats (bij Koninklijk besluit) zodra het onderliggende wetsvoorstel door de Tweede en Eerste Kamer van de Staten-Generaal is aanvaard.

De Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (RLI) gaat, zo constateren de leden van de VVD-fractie, voortaan adviseren over het Waddengebied. Deze leden vragen hoe deze taak zich verhoudt tot de Wet raad voor de leefomgeving, waarin is bepaald dat de RLI alleen adviseert aan de regering en de beide kamers der Staten-Generaal. Wie is verantwoordelijk voor de advisering over het Waddengebied en wat is de status van toekomstige adviezen van de RLI over het Waddengebied?

In het nader rapport is gemotiveerd, waarom is afgezien van een wijziging van de Wet raad voor de leefomgeving. De RLI kan om advies worden gevraagd door de regering op verzoek van het Regiecollege Waddengebied, waarin het Rijk ook vertegenwoordigd is. Er is geen verplichting een advies van de RLI op te volgen, noch voor het Rijk, noch voor een waddenprovincie. Of een advies geheel of gedeeltelijk of in het geheel niet wordt gevolgd, is een beleidsmatige en politieke afweging. Uiteraard zal een via het Regiecollege Waddengebied gevraagd advies, ook in dat college besproken worden. Binnen het Regiecollege Waddengebied kan het Rijk zijn invloed aanwenden, maar het is uiteindelijk aan de drie provincies zelf te beslissen of en hoe zij gevolg geven aan zo’n advies; het Regiecollege heeft geen beslisbevoegdheid.

De leden van de CDA-fractie noemen een transparante en eenvoudige organisatie als een voorwaarde voor bestuurskracht. Deze leden herinneren aan de evaluatie uit 2010, waarin is geconstateerd dat het in 2006 opgerichte Waddenfonds niet aan dit criterium voldeed. Zij vragen of de thans gekozen oplossing (decentralisatie) wel tegemoet komt aan de bezwaren uit de evaluatie.

In het bedoelde evaluatierapport «Toekomst bestuurlijke organisatie Waddengebied» worden stapelingsdrukte, doubleringsdrukte, georganiseerd wantrouwen en ketenverlenging als aspecten van bestuurlijke drukte opgevoerd. Deze drukte werd veroorzaakt door het naast elkaar bestaan van de Regionale Commissie Waddengebied (RCW), de Adviescommissie Waddenfonds en de Regiocommissie Waddenfonds. Met het omvormen van de RCW naar het Regiecollege Waddengebied en het opheffen van de Adviescommissie en de Regiocommissie Waddenfonds wordt tegemoet gekomen aan de bezwaren tegen bestuurlijke drukte genoemd in het rapport van Berenschot. Deze nieuwe constructie biedt ten opzichte van de bestaande situatie het voordeel dat het Regiecollege Waddengebied als platform voor afstemming van beleid, beheer en investeringen geen uitvoerende bevoegdheden of zeggenschap krijgt. Die bevoegdheden en zeggenschap liggen bij de leden van het nieuwe Regiecollege, overeenkomstig de verantwoordelijkheidsverdeling van het huis van Thorbecke, zodat volstrekt duidelijk is wie waarvoor verantwoordelijk is.

De leden van de CDA-fractie attenderen terecht op de internationale component van het beheer van het Waddengebied. Bij het vormgeven van het nieuwe bestuursconcept is niet overwogen op enigerlei wijze de samenwerking met Duitsland bij het Regiecollege Waddengebied te betrekken. Het Rijk is en blijft verantwoordelijk voor de afstemming met Duitsland en Denemarken. Internationale aangelegenheden kunnen gevraagd of ongevraagd ad hoc door het Rijk ter tafel worden gebracht van het Regiecollege Waddengebied, wanneer het Rijk de betrokken regio wil informeren of om advies wil vragen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen aandacht voor het strategisch beleid met betrekking tot het Waddenbeleid voor de lange termijn. Deze leden vragen waarom er niet voor is gekozen de verschillende adviestaken in het gebied te bundelen in een nieuw onafhankelijk, flexibel georganiseerd adviescollege, in plaats van de adviesfunctie vrijwel volledig af te schaffen. Een dergelijk college zou de taken kunnen overnemen van de Raad voor de Wadden, maar ook van de maatschappelijke adviesraad van de Waddenacademie en het maatschappelijke adviesorgaan Deltaprogramma. Daarnaast zou een dergelijk college op ad hoc basis kunnen adviseren over concrete projecten (zoals nu wordt gedaan door de Adviescommissie Toekomst Afsluitdijk).

In reactie op deze suggestie wil ik benadrukken dat gestreefd is naar een afname van het aantal adviesorganen als onderdeel van vermindering van de bestuurlijke drukte. Daarom is de adviesfunctie belegd bij de RLI. De Waddenacademie en het Deltaprogramma hebben hun eigen focus en spelen hun eigen rol, die verschillen van deze algemene adviesfunctie van de RLI. De Waddenacademie is gericht op vraagarticulatie, onderzoeksprogrammering en communicatie. De focus van het Deltaprogramma ligt op de langere termijn terwijl het bij de Afsluitdijk om een concreet project in de nabije toekomst gaat. De opgaven in het Waddengebied zijn met andere woorden verschillend van aard en de complexiteit daarvan vraagt om specifieke en doelgerichte organisaties. Ik acht het daarom niet zinvol een nieuw adviescollege in te stellen, die de geschetste functies moet combineren.

In reactie op de vraag van genoemde leden hoe de specifieke kennis ten aanzien van de Wadden binnen de Raad voor de Leefomgeving wordt geborgd, is mijn reactie dat dit gebeurt zoals voorheen bij de Raad voor de Wadden, namelijk door gebruik te maken van kennis van andere organisaties en onderzoeksinstituten.

Tenslotte vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of binnen de nieuwe bestuurlijke organisatie met een regiecollege als overlegplatform zonder bestuurlijke bevoegdheden voor het Rijk – als participant in dit college – wel voldoende doorzettingsmacht over blijft.

Het Rijk behoudt haar eigen verantwoordelijkheden en bevoegdheden voor de beleidskaders, zoals de Structuurvisie Waddenzee, Natura 2000, de Kaderrichtlijn Water, het visserijbeleid Waddenzee en het Deltaprogramma Wadden. Het Rijk blijft zijn beheertaken uitvoeren en blijft verantwoordelijk voor het trilaterale beleid. Al deze onderwerpen kunnen ter tafel komen van het regiecollege, gevraagd of ongevraagd, hetzij ter informatie, hetzij ter advisering, maar het regiecollege kan de uitvoering van deze rijkstaken niet blokkeren.

Decentralisatie Waddenfonds

De leden van de VVD-fractie informeren wanneer na de laatst uitgeschreven tender met betrekking tot het Waddenfonds in 2010 weer een nieuwe tender wordt geopend.

Na 2010 is er geen nieuwe tender meer geopend. Het is nu aan de Waddenprovincies om te besluiten op welke wijze de gedecentraliseerde middelen uit het Waddenfonds zullen worden ingezet. Omdat een tendersysteem versnippering van de inzet van de middelen uit het Waddenfonds in de hand werkt, ligt het niet in de rede dat de provincies van een dergelijk systematiek gebruik zullen gaan maken.

De leden van de ChristenUnie-fractie attenderen erop dat het Waddengebied een natuurgebied is van internationale waarde en dat de Staat der Nederlanden rechtstreeks kan worden aangesproken op bepaalde internationaalrechtelijke verplichtingen. Dit vergt volgens deze leden dat er op rijksniveau specifieke aandacht nodig blijft voor het gebied en dat niet alleen voor het natuurbeschermingsbeleid, maar ook voor het overige omgevingsbeleid en andere beleidsontwikkelingen die in het gebied spelen. Zij vragen in hoeverre deze internationale verplichtingen en nationale doelen met de in gang gezette decentralisatie ook voor de lange termijn voldoende gewaarborgd zijn.

Het Rijk blijft, onverlet de decentralisatie van het Waddenfonds, verantwoordelijk voor de Waddenzee en de afspraken die daarover zijn gemaakt. De gedecentraliseerde financiële middelen blijven, zoals in het bestuursakkoord vastgelegd, ingezet worden op de realisatie van de vier oorspronkelijke doelen van het Waddenfonds:

  • a. het vergroten en versterken van de natuur- en landschapswaarden van het Waddengebied;

  • b. het verminderen of wegnemen van externe bedreigingen van de natuurlijke rijkdom van de Waddenzee;

  • c. een duurzame economische ontwikkeling in het Waddengebied dan wel gericht zijn op een substantiële transitie naar een duurzame energiehuishouding in het Waddengebied en de direct aangrenzende gebieden;

  • d. het ontwikkelen van een duurzame kennishuishouding ten aanzien van het Waddengebied.

Genoemde leden vragen voorts een reactie op het voorstel om toe te werken naar een gebiedsdekkend natuurbeheer voor de Waddenzee. Mijn reactie hierop is dat het streven naar een gebiedsdekkend natuurbeheer voor de Waddenzee wordt geborgd door de Beheerraad, waarin alle relevante terreinbeheerders zijn verenigd.

Financiële gevolgen van de decentralisatie van het Waddenfonds

De leden van de CDA-fractie constateren met instemming dat door overheveling van de resterende middelen uit het Waddenfonds naar de Waddenprovincies voor de komende 15 jaar het rentmeesterschap over het Waddengebied op verantwoorde wijze vorm krijgt, inclusief met het voortbestaan van de Waddenacademie een onafhankelijke en wetenschappelijke kennisvergaring omtrent dit unieke gebied in Nederland. Deze leden vragen de regering te bevestigen dat de drie Waddenprovincies voldoende toegerust zijn om het beheer van het Waddenfonds over te nemen.

Ik kan die zienswijze bevestigen, maar met de kanttekening dat het voortbestaan van de Waddenacademie niet is gegarandeerd tot het einde van de looptijd van het Waddenfonds. Na een evaluatie zal worden bezien of het voortbestaan van de Waddenacademie gewenst is, of dat de missie reeds is bereikt.

Over de wijze waarop de Waddenprovincies invulling geven aan de onafhankelijke kwaliteitstoets en de uitvoeringsorganisatie van het Waddenfonds, zal ik Uw Kamer later dit jaar nog separaat informeren, zodra ik de informatie daarover van de provincie heb ontvangen.

Tenslotte zij in reactie op een vraag van deze leden opgemerkt dat een belangrijke voorwaarde voor een voortvarende start van de nieuwe bestuursvorm het beschikbaar hebben van een voldoende zware bestuurlijke agenda is. Hierover ben ik met de regio in gesprek.

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de looptijd van het Waddenfonds eindig is. Volgens deze leden zal het geld daarom nu moeten worden ingezet om de beoogde transitie te bewerkstelligen, die uiteindelijk de behoefte aan subsidies doet afnemen en economisch gezonde projecten oplevert.

Naar mijn mening wordt door een adequate aanwending van de gedurende de looptijd van het fonds beschikbare middelen voor de genoemde doelstellingen (verduurzaming van de ecologie, de economie en de kennishuishouding) een duurzame toekomstgerichte inzet gegarandeerd.

De minister van Infrastructuur en Milieu, M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus