Kamerstuk 33219-30

Lijst van vragen en antwoorden over het ontwerpbesluit houdende regels ter uitvoering van de Wet basisregistratie personen (Besluit basisregistratie personen)

Dossier: Nieuwe regels voor een basisregistratie personen (Wet basisregistratie personen)

Gepubliceerd: 8 oktober 2013
Indiener(s): Magda Berndsen (D66)
Onderwerpen: bestuur gemeenten
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33219-30.html
ID: 33219-30

Nr. 30 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 9 oktober 2013

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brief van 6 september 2013 inzake de Aanbieding ontwerpbesluit houdende regels ter uitvoering van de Wet basisregistratie personen (Besluit basisregistratie personen) (Kamerstuk 33 219, nr. 29).

De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 8 oktober 2013. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Berndsen-Jansen

Adjunct-griffier van de commissie, Thomassen

1.

Wat is de argumentatie om Stichting Postfilter niet te plaatsen in de categorie «derden die werkzaamheden verrichten met een gewichtig maatschappelijk belang aan wie systematisch (gegevens) verstrekt kunnen worden» (zie bijlage 4)?

Antwoord vraag 1

Het kader voor de beoordeling van welke door derden verrichte werkzaamheden met een gewichtig maatschappelijk belang en welke categorieën van derden bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden aangewezen om in aanmerking te komen voor de verstrekking van gegevens uit de basisregistratie, is te vinden in artikel 3.3 van de Wet basisregistratie personen (Wet Brp). Uit artikel 3.3, tweede lid, van die wet volgt dat slechts werkzaamheden kunnen worden aangewezen die samenhangen met een overheidstaak, strekken tot het in stand houden van een voorziening voor burgers die onderwerp is van overheidszorg, of waarbij anderszins gelet op de overheidsbemoeienis met die werkzaamheden, ondersteuning daarvan door gegevensverstrekking uit de basisregistratie gerechtvaardigd is.

De Stichting Postfilter is een zelfreguleringsinitiatief van een aantal brancheorganisaties en postbedrijven op het terrein van het versturen van geadresseerde reclamepost. De stichting stelt de consument onder andere in de gelegenheid het overlijden van een persoon door te geven, opdat het versturen van de reclamepost op naam van die persoon wordt beëindigd. De kracht van dit initiatief is gelegen in het feit dat de consumenten zelf kunnen aangeven of zij de verzending van reclamepost in het geval van overlijden al dan niet willen beëindigen. Een automatische beëindiging van de verzending op basis van gegevens uit de basisregistratie is hiermee niet in overeenstemming. De verstrekking dient voorts zuiver commerciële belangen. Zo worden de gegevens primair gebruikt voor het niet meer hoeven te verzenden van reclamepost naar het desbetreffende adres door direct-mail en thuiswinkelbedrijven. Daarnaast worden de verzamelde overlijdensgegevens tegen betaling van een vergoeding ook aangeboden aan andere bedrijven. Gegevens uit de basisregistratie zijn niet bedoeld voor zuiver commerciële belangen en de werkzaamheden van Stichting Postfilter vallen daarmee buiten de in artikel 3.3. van de wet geformuleerde criteria op grond waarvan werkzaamheden van derden kunnen worden aangewezen die in aanmerking kunnen komen voor de verstrekking van gegevens uit de basisregistratie.

Overigens is in de internetconsultatie ook gereageerd door Overlijdensregister, een concurrent van de Stichting Postfilter. Overlijdensregister heeft in 2012 een verzoek gedaan om gegevens uit de GBA te kunnen ontvangen. Dat verzoek is destijds afgewezen. Aanwijzing van de Stichting Postfilter in het kader van het Besluit basisregistratie personen zou volgens Overlijdensregister moeten worden beschouwd als bevoordeling van de ene (commerciële) partij boven de andere, waardoor de overheid zou meewerken aan concurrentievervalsing en marktverstoring.

2.

Heeft u tussen de plenaire behandeling in de Kamer van de Aanpassingswet basisregistratie personen (Kamerstukken 33 555) en het nemen van dit besluit overleg gevoerd met de Stichting Postfilter? Zo ja, wat was de uitkomst van dit overleg? Zo nee, waarom heeft u hier niet voor gekozen?

Antwoord vraag 2

Ja. Op 12 juli 2013 heeft een overleg plaatsgevonden tussen een van mijn ambtenaren en de directeur van Stichting Postfilter. Tijdens dit overleg heeft de stichting haar standpunten uiteengezet en vragen gesteld over de voor aanwijzing geldende criteria en het proces. Deze vragen zijn door mijn ambtenaar beantwoord. De in dit gesprek en de daaropvolgende e-mailcorrespondentie gewisselde informatie is gebruikt bij het opstellen van het ontwerpbesluit.

3.

Kan nader beargumenteerd worden waarom banken onder bijlage 5 vallen en niet onder bijlage 4, mede gelet op de zorgplicht die banken jegens hun cliënten hebben en hun taken bij het bestrijden van fraude en het witwassen van gelden?

Antwoord vraag 3

De aanwijzing van bijzondere derden op grond van artikel 99, eerste lid, van de Wet GBA vormt het uitgangspunt voor de aanwijzing onder de Wet Brp van werkzaamheden met een gewichtig maatschappelijk belang en categorieën van derden. De beschrijving voor de aanwijzing van banken in bijlage 5 is in lijn met de beschrijving in de huidige regelgeving (artikel 99, eerste lid, onderdeel b, van de Wet GBA).

Banken kunnen gegevens verstrekt krijgen ten behoeve van de werkzaamheden die in bijlage 5 zijn genoemd, namelijk het honoreren van aanspraken van gerechtigden op al dan niet op termijn opvorderbare gelden, effecten of goederen op de banken. De taken van banken in de bestrijding van fraude en het witwassen van gelden vallen hier niet onder en zijn overigens ook niet opgenomen in bijlage 4. Dit is ook niet nodig. Zoals blijkt uit artikel 11, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT) en uit artikel 4 van de Uitvoeringsregeling WWFT, geschiedt ten behoeve van deze taken de verificatie van de identiteit van de cliënt aan de hand van een door de betrokkene overgelegd identiteitsdocument. Inzage van gegevens over de betrokken persoon in de basisregistratie door de financiële dienstverlener is hier niet aan de orde.

De reden voor het opnemen van deze categorie van derden in bijlage 5, bij de (plaatsonafhankelijke) verstrekkingen door een college van burgemeester en wethouders, is gelegen in het relatief lage aantal van verzoeken om verstrekking van gegevens in het kader van «slapende tegoeden». De systematische verstrekking uit de basisregistratie wordt voorafgegaan door een technisch administratief traject. Het is niet doelmatig dit te doorlopen wanneer de beoogde verstrekking een relatief kleine omvang heeft. Om deze reden ligt er een getalsmatig onderscheid ten grondslag aan de verdeling tussen systematische en plaatsonafhankelijke verstrekkingen, zoals ook blijkt uit de memorie van toelichting bij de Wet Brp. Overigens kregen deze derden nooit op geautomatiseerde wijze gegevens verstrekt en wenden zij zich in de praktijk dan tot een college van burgemeester en wethouders.

4.

In hoeverre is het denkbaar dat banken voor bepaalde activiteiten onder bijlage 5 vallen en dat ze voor andere activiteiten, zoals in het kader van «slapende tegoeden», onder bijlage 4 vallen?

Antwoord vraag 4

Het is denkbaar dat bepaalde categorieën van derden voor bepaalde werkzaamheden in bijlage 4 (systematische verstrekking door de minister van BZK) worden aangewezen en voor andere werkzaamheden in bijlage 5 (plaatsonafhankelijke verstrekking door colleges van B&W). Zoals blijkt uit het antwoord op vraag 3 zie ik echter geen aanleiding tot het uitbreiden van de werkzaamheden ten behoeve waarvan banken gegevens verstrekt kunnen krijgen.

5.

Hoe kan een bank, wanneer een ouder voor een kind een bankrekening wil openen, nagaan of dat kind daadwerkelijk een kind van hem of haar is? In hoeverre is het onderhavige ontwerpbesluit voor banken toereikend om dit adequaat te kunnen verifiëren?

Antwoord vraag 5

Wanneer een bank behoefte heeft aan duidelijkheid over de wettelijke vertegenwoordiging van een minderjarige, kan zij de cliënt vragen hier duidelijkheid over te bieden. De cliënt kan daartoe bijvoorbeeld een uittreksel uit de basisregistratie personen dan wel het gezagsregister overleggen. Overigens dient de bank om een antwoord te krijgen over de wettelijke vertegenwoordiging, ook kennis van de gezagsregels uit het Burgerlijk Wetboek te hebben.

Uit het antwoord op vraag 3 blijkt dat banken enkel gegevens verstrekt kunnen krijgen ten behoeve van het honoreren van aanspraken van gerechtigden op effecten of goederen op de banken. Het openen van een bankrekening valt hier niet onder en kan ook niet worden gezien als een werkzaamheid als bedoeld in art. 3.3 van de Wet Brp waarvoor gegevensverstrekking uit de basisregistratie gerechtvaardigd is.