Gepubliceerd: 13 juni 2012
Indiener(s): Jeroen Dijsselbloem (PvdA), Henk van Gerven (SP)
Onderwerpen: dieren landbouw
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33076-7.html
ID: 33076-7

Nr. 7 VERSLAG

Vastgesteld 13 juni 2012

De vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, belast met het voorbereidend onderzoek van bovengenoemd wetsvoorstel, heeft de eer als volgt een verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de initiatiefnemers de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zullen beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

1.

Algemeen

1

2.

De sloopregeling

3

3.

De stakingswinst

7

4.

Individuele pensioenproblematiek

12

5.

Staatssteun

17

6.

Kosten en financiële dekking

17

7.

Overgangstermijn

18

8.

Dierenwelzijn en bontproductie

19

1. Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het Voorstel van wet van de leden Van Gerven en Dijsselbloem tot nadere wijziging van de Wet verbod pelsdierhouderij. De leden van de VVD-fractie zijn ook over dit tweede voorliggende aangepaste wetsvoorstel zeer sceptisch. De indieners van de wet willen dat de overheid ingrijpt in het vrije ondernemerschap en de economie door een bedrijfstak in zijn geheel af te schaffen. Dit terwijl in de rest van de Europese Unie wel nertsen mogen worden gehouden voor de productie van bont. De leden van de VVD-fractie hebben twijfels bij de effectiviteit en uitwerking van de aanpassingen in het voorliggende wetsvoorstel ten opzichte van de wetsvoorstellen 30 826 en 32 369. De leden van de VVD-fractie hebben dan ook nog veel vragen en opmerkingen naar aanleiding van de tweede novelle.

De leden van de fractie van de PvdA hebben met instemming kennisgenomen van deze novelle. Zij benadrukken de urgentie te komen tot spoedige vaststelling van het wetsvoorstel om langere onzekerheid in de sector te voorkomen. Zij menen dat met voorliggende regelingen in voldoende mate wordt voorzien in extra flankerend beleid voor de afbouw van de pelsdierhouderij.

De leden van de CDA-fractie zijn ook over dit tweede voorliggende aangepaste wetsvoorstel zeer sceptisch. De indieners van het wetsvoorstel willen namelijk dat de overheid ingrijpt in het vrije ondernemerschap en de economie door een bedrijfstak in zijn geheel in Nederland af te schaffen. Een absoluut verbod om pelsdieren te mogen houden betekent een zware inbreuk op het verdragrechtelijk beschermde recht van de pelsdierhouders om ongestoord van hun eigendommen te mogen genieten. Dit terwijl er buiten de eigen grenzen, en met name binnen de Europese Unie, wel nertsen worden gehouden voor de productie van bont. Wil de overheid een dergelijke maatregel nemen, dan moet deze worden gestoeld op een deugdelijke onderbouwing en dient de overheid te voorzien in een adequate schadevergoeding conform het Eerste Protocol van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EP EVRM). De leden van de CDA-fractie zetten vraagtekens bij de effectiviteit en uitwerking van de aanpassing in het voorliggende wetsvoorstel ten opzichte van de wetvoorstellen 30 826 en 32 369. De vragen zoals eerder gesteld blijven overeind. De leden van de CDA-fractie hebben dan ook talloze vragen en opmerkingen, die de indieners met name confronteren met hun eerdere opmerkingen en toezeggingen in en naar de Eerste Kamer. Hoewel de leden van de CDA-fractie geen voorstander zijn van deze toezeggingen inzake de fiscaliteit, willen wij hier in het verslag ruim aandacht aan besteden ten behoeve van de beoordeling van deze tweede novelle in relatie tot het wetsvoorstel en de eerste novelle door de Eerste Kamer.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel van wet van de leden Van Gerven en Dijsselbloem tot nadere wijziging van de wet verbod pelsdierhouderij. Genoemde leden zijn zich bewust van de gevoeligheden en de belangen in de discussie over pelsdierhouderij en willen daarom de uiterste zorgvuldigheid betrachten bij de behandeling van dit wetsvoorstel. Zij willen de indieners nog enkele vragen voorleggen.

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggende novelle. Zij vinden dat de nieuwe tegemoetkomingen geen recht doen aan de totale dreigende financiële schade voor pelsdierhouders.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn van het begin af aan verheugd geweest over het initiatiefwetsvoorstel houdende een verbod op de pelsdierhouderij (Kamerstuk 30 826), omdat daarmee een einde gaat komen aan een sector waar geen enkele rechtvaardiging voor is. Bont is immers onethisch, onnodig, veroorzaakt enorm veel leed en is milieuvervuilend. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren blijven teleurgesteld dat er destijds is gekozen voor een overgangstermijn in plaats van een direct verbod met warme sanering, maar realiseren zich dat voor deze weg geen meerderheid bestond. Sinds de motie van het lid Swildens-Rozendaal c.s. (Kamerstuk 26 200-XIV, nr. 63) door een Kamermeerderheid in 1999 werd aangenomen, is Nederland nog steeds geen verbod rijker, maar wel het leven van meer dan 60 miljoen nertsen armer. Met grote teleurstelling constateren deze leden dat pas in 2024 het onnodige nertsenleed een halt toegeroepen kan worden, en dat – met het geschatte aantal van inmiddels 10 miljoen nertsen per jaar – we dan zo’n 100 miljoen nertsen verder zijn. De politiek kan en mag niet langer achter de feiten aanlopen en de weerstand en zorgen van de Nederlandse bevolking negeren. Het heeft simpelweg te lang geduurd. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie blijven het wetsvoorstel steunen, ook al is de overgangstermijn inmiddels nog langer opgerekt. Het belangrijkste is dat het verbod op het fokken van dieren voor hun pels definitief van kracht wordt. Ook de tweede novelle die nu voorligt wordt door de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren gezien als een noodzakelijke aanpassing van het aanvankelijke wetsvoorstel. Deze leden beoordelen de novelle positief.

2. De sloopregeling

De leden van de VVD-fractie vinden dat de compensatie zich ten onrechte beperkt tot de schadepost sloopkosten. Waarom beperkt de compensatie zich alleen tot de schadepost sloopkosten? Zijn de indieners zich bewust van het feit dat de waarde van de locatie veel meer omvat dan de alleen de waarde van het bedrijfsgebouw en daarmee de sloopkosten? Waarom wordt er geen voorziening geboden voor aanzienlijk omvangrijker en ingrijpender schadeposten als inkomensschade, inclusief pensioenschade, en waardevermindering? Hebben de indieners in het voorstel ook rekening gehouden met de schade die zal ontstaan in de rest van de productieketen (productie van nertsenvoer, bouwbedrijven, dierenartsen en de verwerkende industrie) als de pelsdierhouderij wordt verboden? De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat de wettelijke regeling ook ten aanzien van tegemoetkoming in sloopkosten geen enkele rechtszekerheid biedt, zowel voor individuele nertsenhouders, als voor wat betreft de door het Rijk (de belastingbetaler) te dragen lasten. Zo is onder meer onduidelijk op grond van welke objectieve criteria wordt bepaald of een nertsenhouder voor compensatie van de sloopkosten in aanmerking zal komen. Graag een reactie van de indieners. De leden van de VVD-fractie vragen ook waarom de vergoeding zelf ook weer belast wordt. Neemt de effectiviteit van de novelle daarmee niet af?

De leden van de VVD-fractie lezen dat het Landbouw Economisch Instituut (LEI) in haar rapport «Economische verkenning van sanering van de nertsenhouderij in Nederland» van 2007 een inschatting heeft gemaakt van de te verwachten sloopkosten. Voor de geleidelijke afbouw in 10 jaar worden de sloopkosten op € 9,2 miljoen gesteld. De sloopkosten zijn vastgesteld op € 45 000 per locatie. Kunnen de indieners toelichten waarom zij vinden dat deze kosten op een arbitraire wijze zijn vastgesteld? Op welke wijze hadden de kosten dan volgens de indieners wel moeten worden vastgesteld?

In 2008 heeft het LEI het rapport «Sanering nertsenhouderij in Nederland: een actualisatie» uitgebracht. De inschatting van de sloopkosten wordt in dit rapport gebaseerd op vier offertes. Het gemiddelde van de huidige offertes komt uit op een bedrag van bijna € 60 000 per locatie. De laagste offerte bedroeg € 26 500 per locatie. Het CE Delft heeft op verzoek van Bont voor Dieren een peer review van het LEI-rapport uitgegeven. Het CE Delft stelt dat € 60 000 een te hoge inschatting is en dat in praktijk altijd de laagste offerte wordt gekozen en niet de gemiddelde. De leden van de VVD-fractie vinden deze redenering te kort door de bocht en zien graag een nadere onderbouwing tegemoet op deze stelling.

Het CE Delft heeft een PM-verlaging van sloopkosten als gevolg van alternatieve aanwending van stallen opgenomen in de tabel. Immers, als er een andere bestemming wordt gevonden voor bepaalde stallen, hoeven deze niet gesloopt te worden aldus de indieners. De leden van de VVD-fractie delen de opvatting van de indieners niet. De kosten voor het veranderen van de inrichting van de stallen kunnen immers behoorlijk hoog zijn. Worden deze ondernemers ook een tegemoetkoming in de kosten in het vooruitzicht gesteld? Of kunnen zij aanspraak maken op de sloopregeling?

De indieners zijn van mening dat de minister er goed aan doet een maximale tegemoetkoming in sloopkosten vast te stellen in de regeling, zo lezen de leden van de VVD-fractie. Hoe hoog zou de maximale tegemoetkoming moeten zijn volgens de indieners? Waarom gaan de initiatiefnemers niet uit van een volledige vergoeding in alle gevallen, maar van een substantiële tegemoetkoming? Wat verstaan de indieners onder een substantiële tegemoetkoming? Wat is volgens de indieners een realistische maximumprijs per vierkante meter voor asbestverwijdering?

De leden van de CDA-fractie zijn geen voorstander van uitbreiding van de huidige fiscale faciliteiten bij staking, alleen voor deze specifieke situatie van het verbod van een hele branche. Hoewel al deze faciliteiten juist in deze situatie niet benut kunnen worden, en er ook niet voor bedoeld zijn, betekent dit wel dat volgens deze leden de sloopregeling substantieel te laag is. Delen de indieners de mening dat de fiscale faciliteiten helemaal niet van toepassing zijn in deze specifieke situatie?

Het aangepaste wetsvoorstel voorziet in artikel I B in de invoering van een sloopregeling, inhoudende dat bij ministeriële regeling regels gesteld dienen te worden over tegemoetkoming in de kosten van sloop of ombouw van gebouwen waarin nertsen beroepsmatig worden gehouden en die als gevolg van het verbod hun functie verliezen. Blijkens de memorie van toelichting behelst dit artikel een zogenaamde kapstokbepaling op basis waarvan de minister een regeling zal treffen als tegemoetkoming in de sloop of ombouw van gebouwen waarin nertsen beroepsmatig gehouden worden, die als gevolg van het verbod hun functie verliezen.

De kapstokbepaling bevat geen nadere door de minister in acht te nemen randvoorwaarden voor de op te stellen regeling. Zo is onduidelijk op grond van welke criteria bepaald zal worden of een nertsenhouder voor een tegemoetkoming in aanmerking komt, en aan de hand van welke criteria dan de (maximale) hoogte van de te verstrekken tegemoetkoming dient te worden bepaald. Zouden de indieners inzicht kunnen verschaffen welke criteria zij wenselijk achten?

Door het ontbreken van randvoorwaarden kan in zoverre niet worden beoordeeld in hoeverre de voorziene sloopregeling kan bijdragen aan het oordeel dat het verbod niet in strijd moet worden geacht met het bepaalde in artikel 1 Eerste Protocol van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Bovendien draagt naar vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) de onduidelijkheid/onzekerheid over (de inhoud en inwerkingtreding van) een compensatieregeling bij aan het oordeel dat er geen sprake is van de noodzakelijke «fair balance». Uit de memorie van toelichting blijkt eveneens duidelijk dat de indieners slechts een tegemoetkoming en niet een volledige schadeloosstelling voor ogen hebben. Bij de leden van de CDA-fractie bestaat twijfel of de betreffende regeling, voor zover het de sloopkosten betreft, wel kan worden aangemerkt als «an amount reasonably related to it’s value», in de zin van het EVRM. Kunnen de indieners aangeven in hoeverre zij van mening zijn dat de sloopregeling als compensatieregeling voldoet aan dit vereiste van adequate compensatie?

Uit de tekst en de toelichting bij het betreffende artikel leiden de leden van de CDA-fractie af dat de sloopregeling ertoe strekt om een tegemoetkoming te verstrekken aan pelsdierhouders voor de sloop of ombouw van gebouwen die als gevolg van het verbod hun functie verliezen. Zoals blijkt uit de memorie van toelichting zal het betreffende functieverlies eerst optreden na ingang van het verbod. Het verbod geldt ten aanzien van de meeste nertsenhouders eerst met ingang van 1 januari 2024. Zijn de indieners het met de leden van de CDA-fractie eens dat de sloopregeling daarmee voortbouwt op de onjuiste gedachte dat de nertsenhouders de voorgestane overgangstermijn kunnen gebruiken om de gedane investeringen terug te verdienen? In de ogen van de leden van de CDA-fractie miskennen de indieners daarmee de in het rapport van Accountants- en Adviesorganisatie Deloitte «Onderzoek NFE. Analyse wetsvoorstel pelsdierhouderij» vervatte conclusie dat de overgangstermijn het voor de sector niet mogelijk maakt om de gepleegde investeringen met een redelijke vergoeding van arbeid en kapitaal terug te verdienen. De overgangstermijn zal daarentegen leiden tot faillissementen en door financiële nood gedwongen bedrijfsbeëindiging met de mogelijkheid van aanzienlijke restschulden. Delen de indieners deze conclusie?

De voorgestelde sloopregeling gaat er vanuit dat de nertsenhouders tot 1 januari 2024 de reële mogelijkheid hebben om hun bedrijfsvoering voort te zetten. Voor deze stelling ontbreekt evenwel tot op heden ieder overtuigend bewijs, terwijl door Deloitte is aangetoond dat de betreffende stelling onjuist is. Kunnen de indieners deze onderbouwing alsnog verschaffen? Door de indieners is geen onderzoek verricht naar de vraag of de overgangstermijn een dergelijke reële mogelijkheid biedt. Dit had wel in de rede gelegen gelet op het feit dat de parlementair advocaat een daartoe strekkende aanbeveling heeft gedaan en gelet op het feit dat uit een rapport van Deloitte is gebleken dat enige overgangstermijn de nertsenhouders niet in de gelegenheid stelt om enige compensatie voor de geleden schade te verkrijgen. Waarom hebben de indieners dit onderzoek niet gedaan? En zijn de indieners voornemens dit alsnog te doen?

De sloopregeling als zodanig behelst geen fiscale maatregel maar een daadwerkelijke vergoeding voor de schade die ontstaat door sloop van de opstallen etc. Kunnen de indieners aangeven of, en op welke manier, de sloopkosten fiscaal belast zijn, zowel voor de vennootschapsbelasting, de inkomensbelasting, als de omzetbelasting? Immers, elk voordeel dat opkomt in een onderneming is belast als winst. De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat er bij de hoogte van de vergoeding rekening moet worden gehouden met de belastbaarheid. Bovendien moeten de pelsdierhouders zekerheid hebben of de uitkering belast is, en zo ja welke belastingen en tot welke hoogte. Graag een reactie hierop van de indieners.

In art. 3.13, lid 1, onderdeel c van de Wet inkomstenbelasting 2001 is een bepaling opgenomen die aanspraken op bedrijfsbeëindigingvergoedingen onder voorwaarden vrijstelt. De bepaling luidt als volgt: «voordelen bestaande uit aanspraken op een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of op een bedrijfsbeëindigingsvergoeding van een door een of meer van Onze Ministers opgerichte stichting ter bevordering van de ontwikkeling en van de sanering binnen het bedrijfsleven, voor zover die aanspraken bestaan uit rechten op belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen en uitsluitend zijn toegekend ter zake van de beëindiging van de onderneming». Deze bepaling is alleen van toepassing als sprake is van een aanspraak op uitkeringen. Bovendien moet die uitkering een periodiek karakter hebben en dienen te voorzien in het levensonderhoud. Wat is de visie van de indieners op de mogelijkheid om te bezien of de sloopvergoeding wel die vorm zou kunnen krijgen, dat deze onder de bepaling valt, waarmee deze dan in feite tevens gericht kan zijn op een tegemoetkoming in het tekort in de oudedagsvoorzieningen? Desalniettemin heeft de bovengenoemde vrijstelling alleen betrekking op de aanspraak (het recht) op de uitkeringen en voorziet dus niet in vrijstelling van de uitkeringen zelf. In essentie wordt derhalve met deze bepaling alleen uitstel van heffing bewerkstelligd. Delen de indieners de conclusie dat hiermee de nertshouders geen werkelijk voordeel genieten? Kunnen de indieners aangeven waarom er niet voor gekozen is een expliciete vrijstelling aan art. 3.13 Wet Inkomstenbelasting 2001 toe te voegen ten aanzien van de sloopvergoeding? De leden van de CDA-fractie gaan ervan uit dat de beëindiging van de sector als zodanig een overheidsregeling is en in het algemeen overheidsbelang wordt getroffen. Derhalve zal er geen btw in rekening dienen te worden gebracht. Klopt deze conclusie van de leden van de CDA-fractie en wordt hier door de overheidsinstelling die de vergoeding verstrekt rekening mee gehouden?

In verband met het beëindigen van de sector en daarmee het op den duur moeten sluiten van de ondernemingen vragen de leden van de CDA-fractie of de indieners kunnen aangeven of er met het verlies dat daardoor ontstaat een fiscale voorziening kan worden gevormd? En zo ja, wanneer? En onder welke voorwaarden? Aansluitend constateren de leden van de CDA-fractie dat het beëindigen van een gehele sector een unieke situatie lijkt te zijn. Kunnen de indieners aangeven of een dergelijke beëindiging zich reeds eerder (in Nederland) heeft voortgedaan en in hoeverre bedrijven die zich in een dergelijke sector bevonden gebruik hebben kunnen maken van fiscale maatregelen in verband met de definitieve staking van hun bedrijf?

Accountants- en adviesorganisatie Accon AVM, stelt in haar inbreng voor het rondetafelgesprek over dit wetsvoorstel, met betrekking tot de sloopregeling het volgende: «De voorgestelde regeling kent geen fiscale consequenties. Vanuit de voorgestelde methodiek zullen de werkelijk gemaakte kosten vergoed worden en zal per saldo dus geen of nauwelijks beïnvloeding van het fiscale resultaat optreden. Indien de regeling zodanig sober zou zijn dat de werkelijke sloop- en overige kosten niet gedekt kunnen worden door een vergoeding, dient hiervoor een voorziening gevormd te kunnen worden.» Kunnen de indieners ingaan op het in de inbreng van Accon AVM gestelde ten aanzien van de sloopregeling?

Uit fiscale literatuur blijkt dat het vanuit fiscaal perspectief mogelijk is bedrijfsmiddelen af te waarderen indien er sprake is van een lagere bedrijfswaarde. Bedrijfsmiddelen mogen worden gewaardeerd op de laagste van de directe en de indirecte opbrengstwaarde. Het ligt in de rede aan te nemen dat de indirecte opbrengstwaarde op enig moment in de toekomst onder de directe opbrengstwaarde komt te liggen voor bedrijven binnen de sector. Kunnen de indieners aangeven onder welke voorwaarden de bedrijfsmiddelen mogen worden afgewaardeerd en hoe de Belastingdienst hiermee om zal gaan? Wat is de visie van de indieners op het tot stand brengen van een wettelijke regel die voorziet in een extra afwaardering of een extra afschrijving vanaf het moment dat duidelijk wordt dat de sector gesaneerd moet worden?

Klopt de constatering van de leden van de CDA-fractie dat het mogelijk wordt geacht dat ook een sloopkostenvergoeding wordt toegekend, terwijl niet tot sloop doch tot verbouw wordt overgegaan? Zijn de indieners het met de leden van de CDA-fractie eens dat een dergelijke vorm van vergoeding aangemerkt dient te worden als een kostprijsverlagende subsidie, welke ineens ten laste van de (vervangende) investering gebracht kan worden? Zonder een dergelijke duiding zal de vergoeding voor niet gemaakte sloopkosten als (belaste) winst aangemerkt worden?

Kunnen de indieners specificeren welke stakingswinstgenererende opbrengsten er in hun ogen zullen optreden en waar zij dit op baseren? De leden van de CDA-fractie vrezen dat bij de definitieve staking van nertsenhouderijen er zich juist stakingsverliezen zullen voordoen als gevolg van de beperkte alternatieve aanwendbaarheid van bedrijfstakspecifieke bedrijfsmiddelen.

Op grond van hetgeen hiervoor is opgemerkt komen de leden van de CDA-fractie tot de conclusie dat de sloopregeling niet geacht kan worden een adequate compensatieregeling in te houden die voldoet aan de daaraan op grond van de rechtspraak van het EHRM te stellen eisen en die zou kunnen bijdragen aan het oordeel dat er in dit geval sprake is van een «fair balance». Kunnen de indieners onderbouwt aangeven of zij deze conclusie delen?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wat deze tweede novelle biedt aan aanvullingen qua compenserende maatregelen bovenop beschikbare maatregelen die voortvloeien uit bestaande regelgeving. Zo bestaan er in het kader van de ruimtelijke ordeningswetgeving al verschillende regelingen voor de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de indieners menen dat met de voorgestelde maatregelen voldoende tegemoet gekomen wordt aan de zorg dat een verbod leidt tot hoge schadeclaims en juridische procedures vanuit de sector.

Met betrekking tot de sloopkosten vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of de onderzoeken waarop de indieners zich baseren nog steeds actueel genoeg zijn, aangezien het laatste onderzoek dateert van december 2008? Is een actualisatie van deze onderzoeken/berekeningen mogelijk? Wat zijn de actuele sloopkosten per locatie, inclusief de kosten voor asbestverwijdering, en wat bedragen de sloopkosten voor de hele sector?

De genoemde leden vragen verder of een differentiatie mogelijk is in de tegemoetkoming van de sloopkosten, afhankelijk van het moment waarop een ondernemer stopt met zijn bedrijf? Verder willen zij graag weten wat de indieners verstaan onder een «substantiële» tegemoetkoming. Tevens gaan de indieners niet uit van een vergoeding in alle gevallen, maar in welke gevallen kan dan wel sprake zijn van een vergoeding?

Deze leden vragen verder wat de mogelijkheden zijn om een vergelijkbare schadevergoeding te bieden als in de Wet Nadeelcompensatie?

Door sloop van bedrijfsgebouwen zal de resterende boekwaarde van deze gebouwen verloren gaan. De leden van de SGP-fractie willen erop wijzen dat de fiscale regelgeving (artikel 3.30a Wet Inkomstenbelasting 2001) de afschrijvingsmogelijkheid echter beperkt tot 50% van de WOZ-waarde. Dat doet geen recht aan de specifieke situatie pelsdierhouders die, als gevolg van een verbod, hun bedrijfsgebouwen moeten slopen en in 2024 voor hun gebouwen een economische boekwaarde van bijna nul kunnen noteren. Waarom hebben de indieners er niet voor gekozen om een separaat fiscaal afschrijvingsregime te introduceren?

3. De stakingswinst

De initiatiefnemers stellen dat tussentijdse boekwinst kan worden ondergebracht in de herinvesteringsreserve en later worden afgeboekt met de nieuwe investeringen. De mogelijkheden hiertoe zijn nog ruimer wanneer er sprake is van overheidsingrijpen zoals gedefinieerd in artikel 3.54, twaalfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB). De leden van de VVD-fractie delen de opvatting van Accon AVM, zoals ingebracht voor het rondetafelgesprek over de pelsdierhouderij op 7 juni jl., dat deze veronderstelling te gemakkelijk is en vergt volgens deze leden enige nuancering. Allereerst zal onomstotelijk vastgesteld moeten worden dat de Wet verbod pelsdierhouderij gekwalificeerd zal worden als overheidsingrijpen. Het herschrijven van artikel 3.54 lid 12 letter c Wet IB is daarvoor onvoldoende. De regelgeving zal opgenomen moeten worden in artikel 12a Uitvoeringsbesluit Wet IB en dit zal pas mogelijk zijn na goedkeuring door de Europese Commissie. Kunnen de indieners hier een inhoudelijke reactie opgeven?

Accon AVM ziet ook nog een andere belemmering. De indieners concluderen dat geen sprake is van bedrijfsstaking en dus ook niet van stakingswinst. Dit beperkt echter wel de mogelijkheden van de herinvesteringsreserve. Immers, indien de nieuwe activiteit niet in het verlengde van de nertsenhouderij ligt, en dat zal al snel zo zijn, vindt de nieuwe activiteit in een nieuwe onderneming plaats. Het gebruik van herinvesteringsreserve over de ondernemingsgrens is echter niet toegestaan. Artikel 3.64 biedt wel een faciliteit, echter deze is alleen toepasbaar bij gehele staking en niet bij gedeeltelijke staking. Een gefaseerd afbouwen van de nertsenhouderij en het opstarten van een andere vorm van bedrijvigheid zal dan ook niet mogelijk zijn zonder tussentijdse belastingheffing. Het is wenselijk artikel 3.64 Wet IB ook open te stellen voor winsten als gevolg van gedeeltelijke staking. Alternatief is om vast te stellen dat winsten uit vervreemding van bedrijfsmiddelen in de jaren voor ingang van het verbod (al dan niet bij fictie) gekwalificeerd kunnen worden als winst waarop artikel 3.64 Wet IB van toepassing is. Zien de indieners ook de belemmeringen zoals geschetst door Accon AVM? Zijn de initiatiefnemers bereid om artikel 3.64 Wet IB aan te passen op onderdelen zoals door de indieners al eerder is toegezegd bij brief van 19 december 2010 aan de Eerste Kamer? Zo nee, waarom niet? Welke oplossingen hebben de indieners dan voor ogen?

De leden van de VVD-fractie lezen dat in de situatie waarin het bedrijf wordt gestaakt en nieuwe ondernemingsactiviteiten worden gestart, sprake kan zijn van gelijksoortige activiteiten of geheel andere. Stakingswinst wordt niet geïnd als betrokkene binnen een jaar een nieuwe onderneming start met daarin voldoende middelen op de balans. Deze periode van een jaar kan op verzoek worden verlengd in bijzondere gevallen. Dit kan volgens de indieners aan de orde zijn wanneer noodzakelijke procedures en vergunningen langer op zich laten wachten dan voorzien. Navraag leert dat er in de praktijk geen problemen bekend zijn op dit punt en ook niet worden verwacht. De leden van de VVD-fractie vinden dit een opmerkelijke constatering. In de praktijk blijkt juist vaak dat er problemen zijn met vergunningen en procedures. De leden van de VVD-fractie vragen hoe de indieners tot deze conclusie zijn gekomen.

De leden van de VVD-fractie lezen dat in de situatie waar de ondernemer besluit geheel te stoppen met de onderneming er stakingswinst ontstaat. De indieners lijken er – overigens zonder toelichting – vanuit te gaan dat de nertsenhouders in staat zullen zijn om hun ondernemingen met winst te staken. Uit onderzoeken blijkt juist dat het voorgestane verbod zal leiden tot faillissementen en vroegtijdige onvrijwillige bedrijfsbeëindigingen als gevolg van intredende financiële problemen. Het is daarom niet reëel te achten dat nertsenhouders gebruik zullen kunnen maken van de al bestaande mogelijkheid om stakingswinst door te schuiven naar een nieuwe onderneming. Wat is de zienswijze van de indieners hierop?

In de brief van 19 december 2010 aan de Eerste Kamer lezen de leden van de CDA-fractie dat de indieners berichten dat zij van mening zijn dat in de uitzonderlijke situatie dat de wetgever het voortzetten van de bedrijfsactiviteit nertsenhouderij niet toestaat, de wetgever een ruimere herinvestering in nieuwe bedrijfsactiviteiten mogelijk zou moeten maken zonder dat eerst over de reserve (als winst) fiscale heffing plaatsvindt. In dat verband kondigden de indieners een wijziging van het bepaalde in artikel 3.64 van de Wet IB aan. Op grond van het betreffende artikel kan bij het staken van een onderneming op verzoek van de belastingplichtige worden bepaald dat de met of bij staking behaalde winst (die is toe te rekenen aan bedrijfsmiddelen en aan herinvesteringsreserve) wordt behandeld als te consumeren inkomen, voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat dit bedrag binnen een periode van 12 maanden na staking zal worden geherinvesteerd in een onderneming waaruit de belastingplichtige winst geniet. De indieners kondigden aan artikel 3.64 aldus aan te passen dat daaruit duidelijk zou blijken dat het betreffende artikel tevens betrekking heeft op stakingsgevallen als gevolg van het wetsvoorstel, alsmede om de termijn voor deze gevallen te verlengen tot 36 maanden.

Kunnen de indieners hun visie geven op onderstaande stelling van Accon AVM uit het rondetafelgesprek over de pelsdierhouderij van 7 juni jl. omtrent de temporisering van afschrijvingen: «Als gevolg van de sloop zal de resterende boekwaarde verloren gaan. De indieners van de tweede novelle lijken er vanuit te gaan dat investeringen in de nertsenhouderij in 10 jaar terugverdiend kunnen worden. Dit zou betekenen dat economisch de boekwaarde in 2024 nihil bedraagt. Fiscaal wordt de afschrijving getemporiseerd door de werking van artikel 3.30a Wet IB. Dit artikel beperkt de afschrijvingsmogelijkheid tot – bij eigen gebruik – 50% van de WOZ-waarde. Uitgaande van een onomkeerbare afloop naar een vastgestelde einddatum zal de afschrijvingsmogelijkheid hierop aangepast dienen te worden. De nertsenhouderij dient uitgezonderd te worden voor de bepaling van artikel 3.30a Wet IB en de afschrijvingspercentages dienen zodanig aangepast te worden dat de restwaarde – zo die er is – in 2024 bereikt wordt. Een dergelijk faciliteit is echter geen financiële compensatie, doch slechts het fiscaal aanpassen van het fiscale afschrijvingsregime aan de nieuwe economische realiteit.» De leden van de CDA-fractie constateren dat in weerwil van de duidelijke, door de uitzonderlijke situatie ingegeven, toezeggingen aan de Eerste Kamer de indieners in de tweede novelle afzien van de toegezegde aanpassingen van het bepaalde in artikel 3.64 Wet IB. Door de indieners wordt, voor zover het de termijn waarbinnen kan worden geherinvesteerd betreft, slechts verwezen naar de thans reeds in de wet opgenomen bevoegdheid van de inspecteur om de termijn van 12 maanden te verlengen indien: a. in verband met de aard van de aan te schaffen of voort te brengen bedrijfsmiddelen, voor de herinvestering een langer tijdvak is vereist of b. de herinvestering, mits daaraan een begin van uitvoering is gegeven, door bijzondere omstandigheden is vertraagd (artikel 3.64, tweede lid, Wet IB). Kunnen de indieners aangeven waarom zij afwijken van deze toezegging? Wat zijn de opvattingen van de indieners over het verlengen van de termijn van 12 maanden van artikel 3.64 Wet IB? De indieners hebben eveneens afgezien van de in de brief aan de Eerste Kamer aangekondigde aanpassing van artikel 3.64 op grond waarvan zou worden geëxpliciteerd dat de daarin vervatte regeling eveneens van toepassing zou zijn op stakingswinsten behaald na de beëindiging van een nertsenhouderij als gevolg van het voorziene verbod. Ook op dit punt verzoeken de leden van de CDA-fractie of de indieners kunnen toelichten waarom deze toezeggingen niet zijn uitgewerkt en of de indieners hier nog bereid toe zijn?

Van de in de brief van 19 december 2010 aangekondigde ruimere herinvesteringmogelijkheid is gelet op het bovenstaande volgens de leden van de CDA-fractie geen sprake. De indieners laten deze afwijking van de eerder gedane toezeggingen slechts steunen op de algemene overweging dat «navraag» zou hebben geleerd dat er in de praktijk geen problemen bekend zijn en op dit punt ook niet zouden worden verwacht. Kunnen de indieners concretiseren waaruit de gedane «navraag» bestaat en waaruit is dat gebleken?

De indieners lijken er – overigens zonder toelichting – vanuit te gaan dat de nertsenhouders in staat zullen zijn om hun ondernemingen met winst te staken. In het voorgaande hebben de leden van de CDA-fractie er bij herhaling op gewezen dat uit onderzoeken juist blijkt dat het voorgestane verbod zal leiden tot faillissementen en vroegtijdige onvrijwillige bedrijfsbeëindigingen als gevolg van intredende financiële problemen. Het is derhalve niet reëel te achten dat nertsenhouders gebruik zullen kunnen maken van de reeds bestaande mogelijkheid om stakingswinst door te schuiven naar een nieuwe onderneming. Wat is de zienswijze van de indieners hierop?

Accon AVM stelt, naar de mening van de leden van de CDA-fractie terecht, dat onomstotelijk dient te worden vastgesteld dat de Wet verbod pelsdierhouderij kwalificeert als overheidsingrijpen. Het herschrijven van artikel 3.54 lid 12 letter c Wet IB is daarvoor onvoldoende. De regelgeving zal opgenomen moeten worden in artikel 12a Uitvoeringsbesluit Wet IB en dit is naar de mening van Accon AVM eerst mogelijk na goedkeuring door de Europese Commissie. Kunnen de indieners ingaan op bovenstaande stelling, meer in het bijzonder op de noodzaak om de regelgeving ter goedkeuring voor te leggen aan de Europese Commissie?

Kunnen de indieners ingaan op onderstaande passage uit de inbreng van Accon AVM voor het rondetafelgesprek van 7 juni jl. over het wetsvoorstel: «Met betrekking tot de toepassing van de herinvesteringsreserve in geval van overheidsingrijpen zie ik nog een belemmering in die gevallen waarin de onderneming geleidelijk wordt omgebouwd. De indieners concluderen dat geen sprake is van bedrijfsstaking en dus ook niet van stakingswinst. Dat is op zich juist. Dit beperkt echter wel de mogelijkheden van de herinvesteringsreserve. Immers indien de nieuwe activiteit niet in het verlengde van de nertsenhouderij ligt, en dat zal al snel zo zijn, vindt de nieuwe activiteit in een nieuwe onderneming plaats. Het gebruik van herinvesteringsreserve over de ondernemingsgrens is echter niet toegestaan. Artikel 3.64 biedt wel een faciliteit, echter deze is alleen toepasbaar bij gehele staking en niet bij gedeeltelijke staking. Een gefaseerd afbouwen van de nertsenhouderij en het opstarten van een andere vorm van bedrijvigheid zal dan ook niet mogelijk zijn zonder tussentijdse belastingheffing. Het is wenselijk artikel 3.64 Wet IB ook open te stellen voor winsten als gevolg van gedeeltelijke staking. Alternatief is om vast te stellen dat winsten uit vervreemding van bedrijfsmiddelen in de jaren vóór ingang van het verbod (al dan niet bij fictie) gekwalificeerd kunnen worden als winst waarop artikel 3.64 Wet IB van toepassing is.»

In het verlengde van het voorgaande merken de leden van de CDA-fractie op dat de indieners in hun eerder aangehaalde brief aan de Eerste Kamer eveneens hebben aangegeven dat zij de Fiscale Ouderdomsreserve (FOR) zullen betrekken bij de nieuwe novelle. Voor zover de leden van de CDA-fractie hebben kunnen nagaan is de betreffende FOR door de indieners evenwel niet, althans niet kenbaar, betrokken bij de tweede novelle. Welke overweging ligt ten grondslag aan het besluit om de toezegging niet in het wetsvoorstel op te nemen? Erkennen de indieners dat het grootste probleem van de FOR is dat deze na staking niet meer verder kan worden opgebouwd en zijn de indieners voornemens hier een oplossing voor te bieden?

De enige thans nog door de indieners voorgestane wijziging van de Wet IB heeft betrekking op artikel 3.54. Dit artikel regelt de zogenaamde herinvesteringsreserve. De regeling omtrent de herinvesteringsreserve houdt in dat indien bij de vervreemding van een bedrijfsmiddel de opbrengst de boekwaarde overtreft, bij de bepaling van de winst dat verschil gereserveerd kan worden voor – kort samengevat – de aanschaf van bedrijfsmiddelen binnen een periode van (maximaal) drie jaar. Ten aanzien van bedrijfsmiddelen waarop niet wordt afgeschreven of waarop in meer dan 10 jaar wordt afgeschreven vindt afboeking van een herinvesteringsreserve slechts plaats voor zover de herinvesteringsreserve is gevormd ter zake van de vervreemding van bedrijfsmiddelen met eenzelfde economische functie in de onderneming als de aangeschafte of voortgebrachte bedrijfsmiddelen. Deze laatste beperking geldt weer niet indien de herinvesteringsreserve is gevormd ter zake van de vervreemding van bedrijfsmiddelen die een gevolg is van overheidsingrijpen. Onder overheidsingrijpen wordt in de zin van artikel 3.54 verstaan: a. onteigening, b. een besluit, daaronder begrepen een regeling, op het gebied van ruimtelijke ordening, natuur of milieu van een publiekrechtelijke rechtspersoon dat de mogelijkheden om de onderneming of een gedeelte daarvan op de huidige locatie in de huidige vorm voort te zetten of uit te breiden in belangrijke mate beperkt of c. bij algemene maatregel van bestuur aangewezen communautaire of nationale regelgeving die leidt tot herstructurering van een bedrijfstak.

Hoe staan de indieners tegenover lokale of provinciale initiatieven om een compensatie te creëren? Zijn de indieners van mening dat ten aanzien van dergelijke initiatieven expliciet vast gelegd dient te worden dat de winst welke voortkomt uit een eventuele herbestemming van de vrijgekomen (onder)grond ook aangemerkt wordt als verkregen uit overheidsingrijpen, gelet op het feit dat de verkoop van deze bouwkavels bij strikte uitleg van artikel 3.54 Wet IB immers geen (rechtstreeks) gevolg van overheidsingrijpen, maar een vrijwillige handeling?

De indieners lezen artikel 3.54 van de Wet IB aldus dat het voor ondernemers in beginsel niet mogelijk is om de herinvesteringsreserve aan te wenden voor de investering in nieuwe bedrijfsmiddelen waarop niet of gedurende een periode van meer dan 10 jaar wordt afgeschreven. De gedachte daarachter is dat zulks alleen mogelijk is voor zover het gaat om bedrijfsmiddelen met eenzelfde economische functie (vergelijk artikel 3.54, vierde lid, Wet IB). Omdat het wetsvoorstel voorziet in een verbod op het houden van nertsen zullen de nieuwe bedrijfsmiddelen niet dezelfde economische functie hebben. Wanneer is volgens de indieners sprake van dezelfde economische functie?

De indieners wijzen erop dat de betreffende beperking niet geldt voor zover er sprake is van een reserve die is gevormd ter zake van de vervreemding van bedrijfsmiddelen die een gevolg is van overheidsingrijpen. Wat onder overheidsingrijpen dient te worden verstaan is limitatief opgesomd in artikel 3.54, twaalfde lid, van de Wet IB (zie hiervoor). De indieners betwijfelen of het voorgestelde verbod wel tot een van de in dat artikellid bedoelde gevallen van overheidsingrijpen kan worden herleid. In dat verband voorziet het aangepaste wetsvoorstel in een aanpassing van artikel 3.54, twaalfde lid aanhef en onder c, van de Wet IB. Dit artikellid luidt, in de huidige redactie, als volgt: «bij algemene maatregel van bestuur aangewezen communautaire of nationale regelgeving die leidt tot herstructurering van een bedrijfstak.». De voorgestane wijziging strekt ertoe dat aan het artikellid «de beëindiging van een bedrijfstak» wordt toegevoegd. Naar oordeel van de leden van de CDA-fractie biedt deze wijziging niet de door de indieners beoogde duidelijkheid. Immers geldt de uitzondering slechts voor zover de betreffende regeling bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen. Het wetsvoorstel biedt evenwel geen duidelijkheid omtrent het daadwerkelijk aanwijzen van de wet als een regeling als bedoeld in artikel 3.54, twaalfde lid aanhef en onder c, van de Wet IB. Kunnen de indieners motiveren waarom niet voor de laatste mogelijkheid is gekozen en delen de indieners de opvatting van de leden van de CDA-fractie dat de beoogde duidelijkheid niet geboden wordt?

Voor de ondernemingen waarvan continuering niet in de lijn ligt (definitieve staking) biedt deze bepaling geen enkele oplossing volgens de leden van de CDA-fractie. Daarenboven leidt ze er overigens slechts toe dat de fiscale winstneming wordt uitgesteld en niet wordt afgesteld. Zijn de indieners het met de leden van de CDA-fractie eens dat het voordeel in die zin dus beperkt is? Hoe staan de indieners tegenover de stelling dat wanneer de herinvesteringsreserve enigszins effectief wil zijn voor gevallen als de onderhavige, in elk geval de stakingseis moet komen te vervallen? Deze eis geldt immers ook voor de gevallen van overheidsingrijpen zodat de reeds vereiste aanpassing van lid 12 als zodanig niet lijkt te volstaan.

In de rechtspraak is een pendant ontstaan van de herinvesteringarresten, te weten de doctrine van de ruilarresten. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat activa worden geruild waarbij de fiscale claim dan net als bij de herinvesteringreserves doorschuift naar de «te ruilen» goederen. Deze ruilarresten kunnen ook gelden voor andere activa dan bedrijfsmiddelen. Hebben de indieners in het wetsvoorstel rekening gehouden met de mogelijkheden voorkomend uit de ruilarresten? Hoe kijken de indieners aan tegen de mogelijkheid om een structurele regeling te treffen voor die gevallen dat sprake is van een vervreemdingswinst, door een uitstelregeling ten aanzien van de verschuldigde belasting te creëren? De leden van de CDA-fractie wijzen in dit kader ook op de mogelijkheid om de vervreemdingswinst te reserveren ten behoeve van een aanvulling op het pensioen.

De indieners lijken er – overigens ook op dit punt zonder toelichting – van uit te gaan de nertsenhouders in staat zullen zijn om hun bedrijfsmiddelen te verkopen voor een waarde hoger dan de boekwaarde. Deze gedachte miskent evenwel de omstandigheid dat als gevolg van het verbod de bedrijfsmiddelen hun specifieke functie zullen verliezen zodat op zijn minst niet aannemelijk lijkt te zijn dat de bedrijfsmiddelen voor een hogere waarde dan de boekwaarde zullen worden verkocht. Verwachten de indieners ook dat het verbod zal leiden tot afwaardering van bedrijfsmiddelen en onder welke voorwaarden en hoe stelt de Belastingdienst de marktwaarde van dergelijke bedrijfsmiddelen vast? Het is daarom niet reëel te achten dat de nertsenhouders van deze reeds bestaande fiscale maatregel gebruik zullen kunnen maken ter dekking van de door hen geleden schade. Delen de indieners deze conclusie van de leden van de CDA-fractie?

Samengevat concluderen de leden van de CDA-fractie dat het wetsvoorstel in feite volstaat met een verwijzing naar reeds bestaande fiscale voorzieningen. Dit wijkt ten eerste af van de duidelijke toezeggingen die de indieners aan de Eerste Kamer in dat verband hebben gedaan. Bovendien gaan deze bestaande fiscale regelingen uit van de gedachte dat de nertsenhouders in staat zullen zijn om – al dan niet geleidelijk – de bedrijfsactiviteiten te staken met winst. Voor de juistheid van deze veronderstelling ontbeert het wetsvoorstel evenwel iedere toelichting, terwijl uit de ter zake beschikbare deskundigenrapporten reeds de onjuistheid van deze veronderstelling blijkt. Kunnen de indieners een reactie geven op de opgestelde deskundige rapporten? Het in feite ongemotiveerd verwijzen naar bestaande fiscale regelingen kan, mede gelet op de toezeggingen die dienaangaande zijn gedaan, naar het oordeel van de leden van de CDA-fractie niet worden aangemerkt als een vorm van adequate schadeloosstelling die voldoet aan de daaraan ingevolge de rechtspraak te stellen eisen. De verwijzingen door de indieners naar in feite reeds bestaande algemene fiscale voorzieningen kunnen dan ook niet afdoen aan onze eerdere conclusie dat het verbod geacht moet worden in strijd te zijn met het bepaalde in artikel 1 EP EVRM.

De leden van de SGP-fractie hebben enkele vragen over mogelijke stakingswinst en de herinvesteringreserve. De indieners geven aan dat bij het geleidelijk verleggen van bedrijfsactiviteiten geen sprake is van bedrijfsstaking en stakingswinst en dat tussentijdse boekwinst kan worden ondergebracht in de herinvesteringsreserve. Zij geven ook aan dat in het geval een bedrijf wordt gestaakt en nieuwe ondernemingsactiviteiten worden gestart de stakingswinst niet wordt geïnd als deze nieuwe onderneming binnen een jaar wordt gestart. De leden vragen wat er gebeurt als een pelsdierhouderij geleidelijk wordt afgebouwd en tegelijkertijd nieuwe ondernemingsactiviteiten worden gestart? Is de veronderstelling juist dat artikel 3.64 van de Wet IB dan niet van toepassing is en in dat geval wel sprake is van stakingswinst, met bijbehorende belastingheffing?

4. Individuele pensioenproblematiek

De leden van de VVD-fractie lezen dat mocht een nertsenhouder die op het moment van inwerkingtreding van deze wet nertsen als pelsdier houdt, en op 1 januari 55 jaar en ouder is, vanwege deze wet geconfronteerd worden met onevenredige gevolgen voor zijn pensioenvoorziening, dan is in artikel I, onderdeel C (artikel 11), van het wetsvoorstel een hardheidsclausule opgenomen die regelt dat deze nertsenhouder financieel tegemoet kan komen in zijn pensioenproblematiek. Van belang is hierbij op te merken dat op bedrijven waar het oudste bedrijfshoofd jonger is dan 55 jaar (in 2007 en 2008) 81% van de nertsen wordt gehouden (LEI-rapport «Sanering nertsenhouderij in Nederland: een

Actualisatie», 2008, p. 7). De leden van de VVD-fractie vinden het zorgelijk dat hierdoor het grootste deel van de nertsenhouders niet in aanmerking komt voor enige tegemoetkoming op grond van de hardheidsclausule. Waarom hebben de indieners hiervoor gekozen?

Uit de tweede novelle blijkt – zoals gezegd – dat ondernemers die ten tijde van de beëindiging van hun pelsdierhouderij 55 jaar of ouder zijn, aanspraak kunnen maken op een financiële tegemoetkoming. Aan ondernemers die jonger zijn, wordt echter geen enkele compensatie toegekend. De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat dit voorstel in strijd is Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De leden van de VVD-fractie vragen of dit voorstel alle toetsen ten opzichte van de genoemde verdragen zal doorstaan. Kunnen de indieners hierop ingaan?

De leden van de VVD-fractie constateren dat het voorstel ook geen oplossing biedt voor werknemers. De term pensioenschade schijnt in dit voorstel alleen betrekking te hebben op ondernemers die hun onderneming uitoefenen in de vorm van een rechtspersoon waarbij zij zelf in loondienst zijn. Bij staking van de activiteiten van de onderneming zal ook het dienstverband van de werknemer ten einde komen. Ten gevolge daarvan zal de opbouw van pensioenafspraken worden gestaakt. Waarom hebben de indieners hier in het voorstel geen rekening meegehouden?

Het wetsvoorstel voorziet in een zogenaamde hardheidsclausule op grond waarvan de minister bevoegd is om degene die op de dag van inwerkingtreding van de wet nertsen (als pelsdier) houdt en ouder is dan 55 jaar een tegemoetkoming te verlenen bij onbillijkheden van overwegende aard die zich als gevolg van het verbod ten aanzien van zijn pensioenvoorziening voordoen, zo lezen de leden van de CDA-fractie.

Kunnen de indieners ingaan op de onderstaande passage uit de inbreng van Accon AVM voor het rondetafelgesprek over de pelsdierhouderij op 7 juni jl. over de pensioenproblematiek voor nertshouders? «De regeling met betrekking tot de individuele pensioenproblematiek is in zeer algemene bewoordingen beschreven. Binnen de systematiek van de fiscale wetgeving zie ik geen aanknopingspunten om te komen tot concrete maatregelen welke passen binnen het voorgestelde hardheidsclausulebeleid. Daarbij moet in ogenschouw genomen worden dat de pensioenproblematiek en daaraan gekoppeld de pensioenregelgeving voor een ondernemer in een eenmanszaak of personenvennootschap van geheel andere aard is dan die in de BV. In de beschouwing rond de pensioenproblematiek komt naar mijn mening onvoldoende tot uiting dat bij ondernemers is het midden- en kleinbedrijf de waarde van de onderneming de dekking vormt voor het pensioen. Met andere woorden, de financiële middelen om na 65-jarige leeftijd een pensioen uit te kunnen keren, komen vrij na verkoop van de onderneming. Slechts door het bedrijf up-to-date te houden houdt men een verkoopbaar bedrijf. Slechts weinigen zijn in staat om tijdens het bestaan van de onderneming geldmiddelen af te zonderen en te bestemmen voor een oudedagsvoorziening. Nu de Wet verbod pelsdierhouderij het houden van pelsdieren op termijn onmogelijk maakt, zal de waarde van het bedrijf dalen en wordt daarmee een gat geslagen in de financiële basis welke voor de oudedagsvoorziening noodzakelijk is.»

Vastgesteld moet worden dat de regeling volgens de indieners slechts is bedoeld «voor de meest schrijnende gevallen van oudere ondernemers (55+), die een onevenredig groot nadeel oplopen in hun pensioen vanwege de wet». Jongere nertsenhouders vallen niet onder de werkingssfeer van de hardheidsclausule, hetzelfde geldt voor schade die niet tot het pensioen van de nertsenhouder is te herleiden. Van belang is om bij het voorgaande op te merken dat op de bedrijven waar het oudste bedrijfshoofd jonger is dan 55 jaar (in 2007 en 2008) 81% van de nertsen wordt gehouden (LEI-rapport «Sanering nertsenhouderij in Nederland: een

Actualisatie», 2008, p. 7). De leden van de CDA-fractie maken zich zorgen over het feit dat het grootste deel van de nertsenhouders derhalve niet in aanmerking komt voor enige tegemoetkoming op grond van de hardheidsclausule.

Is dit een bewuste keuze van de indieners en kunnen zij dit toelichten? Overigens achten de leden van de CDA-fractie het onjuist om, zoals de indieners lijken te doen, bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een «individual and excessive burden» betekenis toe te laten komen aan de schade van de pelsdierhouders ten opzichte van elkaar. Klopt het dat de indieners hier inderdaad waarde aan laten toekomen? Zo ja, kunnen de indieners dit toelichten? De gedachte lijkt overigens te zijn dat oudere nertsenhouders zwaarder zullen worden getroffen dan jongere nertsenhouders. Kunnen de indieners deze redenering verder onderbouwen nu deze gedachte geen steun vindt in de te dezen relevante rechtspraak van het EHRM?

De leden van de CDA-fractie constateren dat het onduidelijk is op grond van welke criteria zal worden beoordeeld of een nertsenhouder, die onder de zeer beperkte werkingssfeer van de hardheidsclausule valt, voor een tegemoetkoming in aanmerking komt en wat in dat geval de hoogte van de tegemoetkoming zal zijn. Kunnen de indieners toelichten waarom er voor gekozen is om geen criteria op te nemen in het wetsvoorstel? In het voorgaande hebben de leden van de CDA-fractie reeds, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van het EHRM, toegelicht dat onduidelijkheid over een schadevergoedingsregeling bijdraagt aan het oordeel dat er sprake is van een «individual and excessive burden». Graag vernemen de leden van de CDA-fractie een reactie van de indieners op dit standpunt.

Het absolute verbod om pelsdieren te mogen houden betekent een zeer zware inbreuk op het verdragrechtelijk beschermde recht van de pelsdierhouders om ongestoord van hun eigendommen te mogen genieten. Dit klemt te meer daar het gaat om een verbod dat uitsluitend om ethische en morele redenen wordt voorgestaan en de sector door het gedrag van de overheid reeds lange tijd in onzekerheid verkeert. Het voorgaande voert de leden van de CDA-fractie tot de conclusie dat er sprake is van een schending van artikel 1 EP EVRM indien de wet niet voorziet in een adequate schadevergoedingsregeling. Uit de rechtspraak van het EHRM vloeit voort dat een dergelijke regeling dient te voorzien in een vorm van schadevergoeding die moet kunnen worden aangemerkt als «an amount reasonably related to it’s value». Delen de indieners deze conclusie?

De leden van de CDA-fractie verzoeken de indieners een integrale onderbouwing te geven waarom zij van mening zijn dat de cumulatieve bezwaren omtrent de onduidelijkheid van zowel de criteria van toekenning en hoogte van de sloopregeling, de beperkte waarschijnlijkheid dat pelsdierhouders van de fiscale maatregelen kunnen profiteren, het beperkte bereik en de onduidelijke criteria omtrent de hardheidsclausule en de beperkte mogenlijkheid voor pelsdierhouders om in de overgangsregeling hun investeringen terug te verdienen zich gezamenlijk verhouden tot het verdragrechtelijke recht op adequate schadeloosstelling?

Uit de tweede novelle blijkt – zoals gezegd – dat ondernemers die ten tijde van de beëindiging van hun pelsdierhouderij 55 jaar of ouder zijn, aanspraak kunnen maken op een financiële tegemoetkoming voor de jaren waarin zij geen pensioen opbouwen. Aan ondernemers die jonger zijn, wordt daarentegen (op dit punt) geen enkele compensatie geboden.

Voorop moet worden gesteld dat zulks een direct onderscheid is op basis van leeftijd. Hierdoor is de hardheidsclausule uit het wetsvoorstel (althans het daarin gemaakte onderscheid naar leeftijd) allereerst in strijd met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Het voornoemde artikel stipuleert namelijk dat: «Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.»

De gehanteerde leeftijdsgrens van 55 jaar is verder in strijd met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden («EVRM») juncto artikel 1 van het twaalfde protocol bij dit verdrag. Dit laatste artikel luidt als volgt: «1. Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status. 2. Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name, een van de in het eerste lid vermelde gronden.» Kunnen de indieners hierop ingaan?

Voorts is het onderhavige onderscheid in leeftijd zelfs expliciet verboden in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Met zoveel woorden: «Iedere discriminatie, met name op het gebied van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of geloofsovertuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, een leeftijd of seksuele gerichtheid, is verboden.» Volledigheidshalve merken de leden van de CDA-fractie op dat de voornoemde verdragsbepalingen – daar zij naar aard en inhoud een ieder kunnen verbinden – rechtstreekse werking hebben (Elzinga & De Lange, Staatrecht 2006, p. 272). Het onderhavige directe onderscheid op basis van de leeftijd van de ondernemer, is tevens in strijd met het nationale recht. Artikel 1 van de Grondwet bepaalt immers dat: «Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.»

Concluderend kan derhalve worden gesteld dat het gemaakte onderscheid naar leeftijd in de hardheidsclausule in strijd is met artikel 26 IVBPR, artikel 1 van het twaalfde protocol bij het EVRM, artikel 21 van het Handvest en artikel 1 van de Grondwet. Dit brengt de leden van de CDA-fractie bij de volgende vraag: is de onderhavige leeftijdsdiscriminatie geoorloofd?

Bij het bepalen of de Wet verbod pelsdierhouderij in strijd is met artikel 1 EP EVRM, is het relevant op welke manier er – kort gezegd – compensatie wordt geboden aan de pelsdierhouders.

De leden van de CDA-fractie constateren dat – als gevolg van de leeftijdsdiscriminatie – alle ondernemers die op de peildatum jonger zijn dan 55 jaar, überhaupt geen tegemoetkoming kunnen krijgen ten aanzien van hun pensioenvoorziening. Aangezien er aan deze relatief grote groep, 81 % van alle nertsen worden gehouden in bedrijven waarin het oudste bedrijfshoofd in 2007 en 2008 jonger is dan 55 jaar (LEI 2008, p. 7), op dit punt (in het geheel) niet worden gecompenseerd, zal de Wet verbod pelsdierhouderij (in de huidige redactie) een toets aan artikel 1 EP EVRM waarschijnlijk niet doorstaan.

De leeftijdsdiscriminatie is verder – zoals gezegd – in strijd is met artikel 26 IVBPR, artikel 1 van het twaalfde protocol bij het EVRM, artikel 21 van het Handvest en artikel 1 van de Grondwet. Dit betekent echter nog niet zonder meer dat het onderscheid naar leeftijd ook verboden is. Uit de jurisprudentie volgt namelijk dat moet worden bezien of er voor het gemaakte onderscheid een legitiem doel bestaat (legitimiteit), of het onderscheid voor het bereiken van dat doel passend is (doelmatigheid) en of het geboden is (proportionaliteit).

Het spreekt voor zich dat het op de weg van de wetgever ligt om aan te geven wat het doel is van het onderscheid en waarom dit gerechtvaardigd is. Als de leden van de CDA-fractie het goed zien, is hieraan tot op heden slechts beperkt uitvoering gegeven. Niet uit te sluiten is dat het doel (althans één daarvan) achter de leeftijdsgrens in de hardheidsclausule is gelegen in het beperken van de overheidsuitgaven. Dit lijkt niet op voorhand een redelijke en objectieve rechtvaardiging om geen compensatie te bieden aan nertsenhouders die jonger zijn dan 55 jaar (zie HvJ EU 21 juli 2011, NJ 2011, 522, punt 74). Kunnen de indieners hierop ingaan?

Voorts kan betoogd worden dat een leeftijdsonderscheid dat tot gevolg heeft dat er sprake is van een schending van artikel 1 EP EVRM, reeds om die reden geen legitiem doel kan dienen.

Daarenboven kan verwezen worden naar de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (hierna te noemen: Wet Gelijke Behandeling). Deze wet staat een onderscheid op basis van leeftijd in beginsel niet toe. De tweede novelle, meer in het bijzonder de daarin begrepen «hardheidsclausule» is daarmee in strijd. Aan de orde is dat de term pensioenschade enkel betrekking lijkt te hebben op ondernemers die hun onderneming uitoefenen in de vorm van een rechtspersoon waarbij zij zelf in loondienst zijn. Bij staking van de activiteiten van de onderneming zal ook het dienstverband van de werknemer ten einde komen. Ten gevolge daarvan zal de opbouw van pensioenaanspraken worden gestaakt. Op basis van artikel 13 van de Wet Gelijke Behandeling is ieder beding dat in strijd is met deze wet nietig. Een eventuele uitwerking van de hardheidsclausule waarbij een onderscheid wordt gemaakt op basis van de leeftijd kan dan ook mogelijk als nietig worden beschouwd. Daarbij is relevant dat een onderscheid op basis van leeftijd is verboden bij onder meer de beëindiging van een arbeidsverhouding. De verplichting tot het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten heeft een rechtstreeks verband met de daarop volgende beëindiging van het dienstverband. Indien bij een dergelijke beëindiging een bepaalde groep op basis van een leeftijdscriterium gunstiger wordt behandeld dan een andere groep komt dit in strijd met de bepalingen van de Wet Gelijke Behandeling. De leden van de CDA-fractie vragen de indieners om hierop in te gaan.

Met betrekking tot de individuele pensioenproblematiek vragen de leden van de ChristenUnie-fractie wanneer volgens de indieners sprake is van «onevenredige nadelige gevolgen». Kunnen de indieners dit nader onderbouwen? En wanneer is volgens indieners sprake van een «schrijnend» geval?

De leden van de SGP-fractie vinden dat de voorgestelde hardheidsclausule met betrekking tot de pensioenvoorziening geen recht doet aan de daadwerkelijke consequenties die een verbod heeft op de pensioenvoorziening van veel pelsdierhouders. De hardheidsclausule is gebaseerd op de veronderstelling dat pelsdierhouders in de loop van de tijd geld reserveren voor hun pensioenvoorziening. Voor veel ondernemers wordt de dekking van hun pensioenvoorziening echter gevormd door de waarde van het bedrijf. De betreffende middelen komen pas vrij bij verkoop van het bedrijf. Kunnen de indieners een inschatting geven van de consequenties van het voorgestelde verbod op de pelsdierhouderij, inclusief de voorgestelde hardheidsclausule, voor deze ondernemers? Delen de indieners de mening dat de hardheidsclausule voor het gros van de pensioenproblematiek geen soelaas lijkt te bieden?

5. Staatssteun

Naar mening van de leden van de CDA-fractie ontbreekt aandacht voor het Europese mededingingsrecht binnen het wetsvoorstel. Indien er een compensatie aan de nertsenhouderijen wordt geboden bij staking van hun bedrijf, en zij die compensatie gebruiken om een nertsenhouderij in een ander Europees land een nieuwe nertsenhouderij te starten zou dit kunnen worden aangemerkt als staatssteun. Kunnen de indieners op dit aspect ingaan, mede in relatie tot het Europese mededingingsrecht?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de indieners meer specifieke informatie kunnen geven over de staatssteunvoorwaarden waaraan de flankerende maatregelen moeten voldoen? De leden zijn met name geïnteresseerd of eventuele maatregelen gericht op individuele ondernemers voortvloeiend uit de hardheidsclausule de staatssteuntoets kunnen doorstaan.

Alle onderdelen van de novelle moeten, zonodig, ter goedkeuring voorgelegd worden aan de Europese Commissie, zo lezen de leden van de SGP-fractie. Kunnen de indieners een onderbouwde inschatting geven van de uitkomst van deze staatssteuntoets?

6. Kosten en financiële dekking

De leden van de VVD-fractie vragen wat de inschatting is van de indieners hoeveel de voorgestelde regeling gaat kosten. Welke bedragen zijn hiervoor in de Rijksbegroting gereserveerd? Wat is de reactie van de indieners op de schadeclaim van € 1 miljard, zoals verwoord in de brief van de NFE voor het rondetafelgesprek over de pelsdierhouderij op 7 juni jl.?

De NFE merkt verder op dat bij een verbod de circa 170 nertsenhouders hun schade zullen verhalen op de overheid. De toenmalig minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarschuwde in 2009 al dat de in het wetsvoorstel opgenomen overgangsregeling individuele nertsenhouders geen reële mogelijkheid zal bieden om de gedane investeringen terug te verdienen met een redelijk vergoeding voor arbeid en geïnvesteerd kapitaal. Zij waarschuwde voor een reëel risico dat schadevergoedingen via juridische procedures afgedwongen zullen worden. En uit het advies van de Raad van State van 10 februari 2012 blijkt dat de weigering van de indieners om nertsenhouders schadeloos te stellen voor het verlies van hun bedrijven, en ter compensatie slechts een overgangsregeling van tien jaar voor te stellen, als onvoldoende wordt aangemerkt. Wat is de zienswijze hierop van de indieners? Hebben de indieners met deze risico’s rekening gehouden in het voorstel? Zo ja, op welke wijze zijn de risico’s in het voorstel afgedekt?

De leden van de CDA-fractie vragen wat de inschatting is van de indieners, hoeveel de voorgestelde regeling gaat kosten? Welke bedragen zijn hiervoor in de Rijksbegroting gereserveerd? Kunnen de indieners tevens ingaan op de schadeclaim van € 1 miljard, zoals verwoord in de brief van de NFE voor het rondetafelgesprek over de pelsdierhouderij op 7 juni jl.?

Om de door de leden van de CDA-fractie gevreesde onuitvoerbaarheid van het verbod verzoeken zij de indieners om een concept-uitvoeringsregeling naar de Kamer te versturen zodat deze betrokken kan worden bij de behandeling van het aangepaste wetsvoorstel. Daarnaast achten de leden van de CDA-fractie het van belang dat de pelsdierhouders zo spoedig mogelijk de effecten van het wetsvoorstel voor ogen krijgen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe groot nu werkelijk de financiële gevolgen van het beëindigen van de sector zijn. Zijn hierover recente onafhankelijke cijfers beschikbaar?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de indieners de financiële dekking voor de flankerende maatregelen willen realiseren? Voor welke maatregelen willen de indieners de jaarlijkse € 2 miljoen aan middelen reserveren, waarvoor in april 2011 een amendement is aangenomen (Kamerstuk 32 609-XIII, nr. 4)?

Zowel de regeling voor de compensatie van sloopkosten als die voor de tegemoetkoming bij pensioenverlies zijn nog niet verder ingevuld. Dat biedt, volgens de leden van de SGP-fractie, onvoldoende rechtszekerheid voor individuele ondernemers. Zij ontvangen daarom graag een nadere uitwerking van deze regelingen.

Het is voor de leden van de SGP-fractie niet duidelijk wat het budgettaire beslag van het voorgestelde extra flankerende beleid kan zijn. Kunnen de indieners een inschatting geven van het verwachte budgettaire beslag van de voorgestelde regelingen?

7. Overgangstermijn

De leden van de VVD-fractie menen dat de voorgestelde afbouwtermijn van tien jaar tot gevolg heeft dat banken een verboden sector niet langer willen financieren en gespecialiseerd personeel de sector massaal zal verlaten. De winstgevendheid van de bedrijven zal sterk onder druk komen te staan door uitstroom van mensen en middelen, terwijl de kosten als gevolg van schaalverkleiningseffecten zullen oplopen. De cashflow van bedrijven zal verminderen omdat de overheid wel eist dat de investeringen op dierenwelzijn gewoon doorgaan tijdens de overgangsperiode. Het overschakelen op alternatieve activiteiten is voor nertsenhouders onmogelijk met de huidige gebouwen en inventaris. Het uiteindelijk gevolg zal zijn dat de circa 170 familiebedrijven binnen een aantal jaren failliet zullen zijn. Kunnen de indieners hun reactie hierop toelichten?

Betreffende de overgangstermijn hebben de leden van de CDA-fractie het volgende op te merken. De NFE heeft Deloitte, mede gelet op de opvattingen van de indieners en de parlementair advocaat dienaangaande, een onderzoek laten verrichten naar specifiek de vraag of de voorgestelde wettelijke regeling het mogelijk maakt voor de sector om de gepleegde investeringen met een redelijke vergoeding van arbeid en kapitaal terug te verdienen in 10 jaar. Deloitte concludeert in haar rapport dat de voorgestelde regeling het voor de sector niet mogelijk maakt om de gepleegde investeringen met een redelijke vergoeding van kapitaal en arbeid terug te verdienen in een overgangsperiode van 10 jaar. Deloitte concludeert dat de overgangstermijn de sector geen compensatie biedt voor de door het LEI berekende schade, maar zal leiden tot faillissementen en door financiële nood gedwongen bedrijfsbeëindiging met de mogelijkheid van aanzienlijke restschulden. De belangrijkste redenen voor het ontbreken van compensatie zijn: 1. het verbreken van het continuïteitsperspectief van de sector, 2. de onmogelijkheid voor pelsdierhouders om over te schakelen op alternatieve activiteiten met gebruik van de huidige activa, 3. terugloop van de winstgevendheid door een uitstroom van mensen en middelen, terwijl de kosten door schaalverkleiningseffecten zullen oplopen en 4. de terugloop van de cashflow doordat investeringsverplichtingen in dierenwelzijn blijven bestaan. De leden van de CDA-fractie constateren dat het aangekondigde flankerend beleid onduidelijk en oneffectief blijkt te zijn. In welke mate zijn de indieners bereid om gelet op deze constatering de overgangsregeling aan te passen? Wat zijn de verwachtingen van de indieners voor de gevolgen van punt 4 voor het dierenwelzijn?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of, gelet op de voorgestelde flankerende maatregelen, de voorgestelde overgangstermijn (tot 2024) nog steeds toereikend is?

In de novelle wordt er nog steeds van uitgegaan dat de overgangstermijn van tien jaar voldoende is om gedane investeringen met een redelijke vergoeding voor arbeid en geïnvesteerd kapitaal terug te verdienen. De leden van de SGP-fractie delen deze veronderstelling niet. Zij verwachten ondermeer dat de periferie van de primaire sector, waaronder toeleveranciers en banken, snel afhaakt. Hierdoor worden de primaire bedrijven gedwongen om eerder de deuren te sluiten en kunnen zij de volledige overgangstermijn niet benutten.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben begrip voor het oogmerk van de indieners om de nertsenhouders hun investeringen terug te laten verdienen. De eerste novelle biedt ondernemers ruim de tijd om hun bedrijfsvoering toe te passen aan het naderend verbod. De niet-verplichte compenserende maatregelen die in de tweede novelle voorliggen, bieden ondernemers zekerheid inzake pensioen en fiscale zaken. Ook de niet-verplichte compensatie van sloopkosten biedt de ondernemers extra zekerheid.

8. Dierenwelzijn en bontproductie

De leden van de VVD-fractie vragen wat er ethisch is aan het verbieden van een bedrijfstak als de praktijken in het buitenland gewoon doorgaan, vaak tegen lagere welzijnsnormen dan die gelden in Nederland. De indieners hebben in een eerder stadium gesteld dat zij streven naar een Europees verbod op het houden van dieren voor hun pels. Welke garanties kunnen de indieners leveren dat er daadwerkelijk een Europees verbod op de pelsdierhouderij zal komen? En wanneer er een Europees verbod zou kunnen komen, zijn er nog steeds producties buiten de Europese Unie. Hoe kunnen de welzijnsomstandigheden voor gehouden nertsen in de landen waar de productie naar zal verschuiven gegarandeerd worden? Waarom moet een gezonde sector met bijbehorende controle vanuit de Nederlandse overheid verboden moet worden, terwijl de vraag naar bont binnen Nederland zal bestaan? Waarom de ambitie om de regie uit handen te geven?

De leden van de CDA-fractie lezen in de schriftelijke bijdrage voor het rondetafelgesprek over de pelsdierhouderij op 7 juni jl. van een onderzoeker dierenwelzijn bij Wageningen Livestock Research het volgende: «Voor de productie van bont wordt in Nederland de Amerikaanse nerts gehouden. Het houden en fokken van nertsen in gevangenschap met als doel de productie van bont begon ruim 100 jaar geleden in Noordwest Amerika. Op basis van voortplantingssucces, lage moraliteit en de geringe angst voor de mens kan worden geconcludeerd dat de in Nederland gehouden Amerikaanse nerts als gedomesticeerd dier kan worden beschouwd.» Kunnen de indieners ingaan op het gestelde in deze schriftelijke bijdrage?

Vervolgens stelt deze onderzoeker het volgende: «Bovendien geeft de sector aan gewerkt te hebben aan een structuurrijker, alleen het welzijn van nertsen in Nederland is gediend, maar waarmee vanuit Nederland ook wereldwijd een positieve ontwikkeling in gang kan worden gezet.» Zijn de indieners het eens met deze onderzoeker dat de Nederlandse nertsenhouderijen een voorbeeld rol – bewust – vervullen in wereldwijde context en kunnen de indieners specificeren waaruit – in hun ogen – die voorbeeldrol bestaat?

De voorzitter van de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA), verdedigde in haar inbreng voor het rondetafelgesprek de onderstaande redenering: «Echter, de bovenstaande afwegingen en conclusies die ten grondslag liggen aan het voorstel voor de Wet verbod pelsdierhouderij laten twee relevante punten buiten nadere beschouwing:

  • 1) niet alle productie van voedingsmiddelen in Nederland dient de levensbehoefte van de mens – sommige producten an sich, alsook de totale hoeveelheid beschikbare voedingsmiddelen in Nederland, zouden als luxeproduct beschouwd kunnen worden;

  • 2) de ethische afweging komt niet alleen tot een positief resultaat wanneer het doel voldoende zwaar weegt: wanneer de andere kant van de balans, de potentiële welzijnsaantasting bij het dier, voldoende verlicht wordt [door bijvoorbeeld de ontwikkeling van innovatieve concepten voor de pelsdierhouderij], bereikt men mogelijk eenzelfde resultaat.

De huidige conclusies, inclusief de publieke opinie lijkt gebaseerd op de «huidige praktijk» van pelsdierhouderij, en veronderstelt dat er een structurele welzijnsaantasting plaatsvindt. Gezien het feit dat het doel van bontproductie weinig gewicht in de schaal legt, zou echter ook overwogen kunnen worden of het stellen van omvangrijke plus-welzijnsnormen voor de pelsdierhouderij niet ook tot een positieve afweging zou kunnen leiden. Dit zou meer recht doen aan feit dat in Nederland het houden en doden van dieren voor de productie van luxe-voedingsmiddelen wel degelijk is toegestaan, en zou in deze zin consistenter zijn in contextoverschrijdende zin.» Hoe kijken de indieners aan tegen deze redenering van de voorzitter van de RDA?

Met grote zorg hebben de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren kennisgenomen van de forse uitbreiding van de pelsdierhouderijsector. Cijfers laten vanaf de indiening van het wetsvoorstel in 2006 een explosieve toename zien van 42% moederdieren op nertsenhouderijen (Statline, Centraal Bureau voor de Statistiek), nu bijna één miljoen in totaal. Het aantal nertsen zelf is sterk gegroeid. Kunnen de indieners daar de meest recente cijfers over aanleveren? Onbegrijpelijk vinden deze leden dan ook de claim van de NFE voor schadevergoeding: de nertsenfokkers hebben willens en wetens uitgebreid, terwijl zij geacht konden worden te weten dat een verbod aanstaande zou zijn. Op welke wijze hebben de indieners deze onverantwoorde toename meegewogen in de compensatiemaatregelen in de voorliggende novelle? Delen de initiatiefnemers tevens de mening dat het zeer onwenselijk is dat de sector verder uitbreidt?

Bont anno 2012 kan echt niet meer. Deze mening is niet alleen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren toegedaan, maar een overgrote meerderheid van de Nederlanders. Het vorige week verschenen rapport «Denken over Dieren» (Kamerstuk 28 286, nr. 565) bevestigt nogmaals dat er geen draagvlak meer is voor bont en pelsdierhouderij in Nederland. Het onderzoek concludeert dat het merendeel van de Nederlanders het belang van nertsen zwaarder vindt wegen «dan de belangen van de mens», waarmee gedoeld wordt op de ondernemer en de bontdrager. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren steunen de initiatiefnemers om deze maatschappelijke waarden eindelijk politiek te vertalen in een totaalverbod op het fokken van dieren voor hun pels.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Van der Ham

De adjunct-griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Schüssel