Kamerstuk 33000-IV-61

Verslag van een algemeen overleg

Dossier: Vaststelling van de begrotingsstaat van Koninkrijksrelaties (IV) voor het jaar 2012

Gepubliceerd: 28 februari 2012
Indiener(s): Jan van Bochove (SGP), Brigitte van der Burg (VVD)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33000-IV-61.html
ID: 33000-IV-61

Nr. 61 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 28 februari 2012

De vaste commissie voor Koninkrijksrelaties1 en de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap2 hebben op 6 februari 2012 overleg gevoerd met minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over:

  • de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 15 december 2011 over stand van zaken m.b.t. aangenomen moties begrotingsbehandeling BES-fonds (33 000-IV) op 25 en 26 oktober 2011 en over de consultatie met de eilandsbesturen (33 000-IV, nr. 43);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 1 februari 2012 met de reactie op het verzoek van de commissie om een stand van zaken-schets inzake de onderwijsaangelegenheden op de BES-eilanden (31 568, nr. 94)

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 26 januari 2012 inzake aanbieding van de brief van de Raad van State inzake het afnemen van (staats)examens voortgezet onderwijs buiten Nederland (32 558, nr. 10).

Van dit overleg brengen de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties, Van der Burg

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Van Bochove

De griffier van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties, De Lange

Voorzitter: Van der Burg

Griffier: De Lange

Aanwezig zijn zes leden der Kamer, te weten: Van Bochove, Bosman, Van der Burg, Hachchi, Lucassen en Ortega-Martijn,

en mevrouw Van Bijsterveldt-Vliegenthart, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die vergezeld is van enkele ambtenaren van haar ministerie.

De voorzitter: Ik open de vergadering en ik heet de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de ambtenaren die haar vergezellen van harte welkom. Ik heet ook de Kamerleden van harte welkom, en natuurlijk de mensen die het debat hier fysiek volgen dan wel via internet of de radio. De spreektijd in eerste termijn bedraagt drie minuten.

Het woord is aan mevrouw Ortega-Martijn van de fractie van de ChristenUnie.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording van de vragen die ik heb geformuleerd in mijn notitie. Er zijn flinke stappen in de goede richting gezet op het gebied van onderwijs; er zijn zichtbare fysieke veranderingen doorgevoerd. Ik wil graag van de minister de stand van zaken horen met betrekking tot de brede school op de drie eilanden, en ook met betrekking tot het socialekanstraject. Toen wij met een delegatie op de eilanden waren, heb ik daarover een aantal vragen gesteld, maar ik kwam er niet echt goed uit.

Op Bonaire is een gedeelte van een nieuwe school gebouwd, maar ik krijg klachten over de luchtkwaliteit en het klimaat in de lesgebouwen zelf. Mensen geven aan dat de temperatuur in de leslokalen soms wel oploopt tot 38 graden. De minister schrijft in de brief dat er extra middelen beschikbaar zijn gesteld voor het verbeteren van de salarissen van de docenten. Dat vind ik goed, maar wat je hoort is dat het toch niet lukt om genoeg gekwalificeerde docenten te krijgen. Ik heb het nu over Docenten, met een hoofdletter. Mensen hebben iets meer nodig voor die eilanden. De NOS heeft een filmpje uitgezonden over de manier waarop het er in de leslokalen met de kinderen aan toe gaat. Ik weet niet of de minister dit filmpje gezien heeft, maar mijn vraag is hoe het staat met de prestaties van de jongeren op school. Hoe veel drop-outs zijn er? Hebben wij al aparte regelingen voor dyslexie en/of discalculie? Wat doen wij om de talenten van de jongeren zich nog meer te laten ontwikkelen?

Het is een groot pluspunt dat de studiefinanciering is geregeld voor de jongeren van de eilanden, maar ik hoor wel dat er wat problemen zijn voor mensen die bijvoorbeeld geboren zijn op Curaçao omdat het toentertijd soms moeilijk was om kinderen te baren op bijvoorbeeld Bonaire. Nu lopen zij ertegenaan dat zij geen studiefinanciering krijgen. Graag krijg ik hierop een reactie van de minister.

Ik heb gehoord dat de Cito-toets op Saba bijna onuitvoerbaar is wegens de taalproblemen. Is de minister bekend met dat probleem? Wat kunnen wij eraan doen?

Wat betreft de voortgang van de handhaving van de leerplichtwet heb ik zojuist gezegd dat dit te maken heeft met de drop-outs en met het gevoel dat er leeft dat kinderen bijna niet gemotiveerd zijn om te leren. Ik heb het dan meer over Sint-Eustatius.

Er is behoefte aan meer logistieke en financiële ondersteuning voor wetenschappelijk onderzoek, onder andere bij het archeologisch instituut van Bonaire, om cultureel erfgoed nieuw leven in te blazen en het in te bedden in het onderwijs. Natuurlijk speelt in dit verband ook het toerisme een rol. Wil de minister onderzoeken welke mogelijkheden er zijn?

Verder vraag ik naar de stand van zaken rond het accreditatietraject van de medische school op Saba.

Tot slot: ik heb het in het debat met de staatssecretaris gehad over het feit dat er volwassenen zijn die verder willen leren. Hij heeft toen aangegeven dat hij ervoor gaat zorgen dat mensen informatie krijgen. Er zou al sprake zijn van afstandsonderwijs via de Open Universiteit, maar die is er gewoon niet. Ik hoor graag van de minister wat wij eraan kunnen doen om afstandsonderwijs te bewerkstelligen voor deze groep die nu graag een tweede kans wil hebben.

Mevrouw Hachchi (D66): Voorzitter. Deze minister is een van de weinige bewindslieden die snel in actie zijn gekomen als het gaat om Bonaire, Saba en Statia. Dank daarvoor. Het is maar goed ook, want Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op de eilanden is een heel belangrijke portefeuille. Het gaat erom dat het onderwijsniveau op de BES-eilanden op peil wordt gebracht. Ik zou van de minister graag willen horen waarover wij het dan hebben. Op welk niveau moet het onderwijs dan komen? Toen wij op de eilanden waren, was een veel gehoorde vraag: de eilanden horen nu bij Nederland, dus komt het onderwijs straks op hetzelfde niveau als in Nederland? Graag krijg ik daarover helderheid van de minister.

Een veel voorkomend probleem dat naar voren kwam, is de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt. Van de kustwacht hebben wij te horen gekregen dat men personeel nodig heeft, maar ook dat men lang niet genoeg opleidingsniveau op de eilanden zelf kan vinden. Dat geldt ook voor ander werk. Wij hebben begrepen dat er op Bonaire genoeg werk te doen is, maar ook daarvoor geldt: er is nog een behoorlijk gat in de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Mijn vraag is in hoeverre Nederland kan bijdragen aan bijscholing of scholing. Graag krijg ik op die vraag een reactie van de minister.

Tijdens de «meet & greets» heb ik verschillende mensen uit het onderwijsveld gesproken: leraren, ouders en mensen die überhaupt in het onderwijs werken, ook bij de RCN. Wat naar voren kwam, is dat er heel veel praktische problemen zijn. Het is ook belangrijk dat men zich eerst gaat organiseren, zoals in een onderwijsbond. Ik heb begrepen dat men daar op Statia al mee bezig is. Het staat nog in de kinderschoenen en moet vanaf nul worden opgebouwd. In hoeverre kan Nederland de RCN hierin ondersteuning verlenen? Een praktisch voorbeeld is een school op Statia die is afgebrand. Ik heb begrepen dat het heel lang duurt voordat men vooruitgang ziet in de oplossing van de problemen en men de kinderen weer een dak boven het hoofd kan bieden. Ik begrijp wel dat er een lokale verantwoordelijkheid is, maar graag krijg ik een reactie van de minister op mijn vraag hoe dit nu verloopt. Wij horen dat de mensen problemen ervaren. Het lokale bestuur, de RCN, of Nederland is hierin aan zet, maar iedereen lijkt op elkaar te wachten.

Een andere punt is de integrale benadering van OCW en VWS. Vorige week hebben wij met de collega van deze minister, minister Schippers, besproken dat het heel belangrijk is dat er wordt samengewerkt, want heel veel problemen die zich op de eilanden voordoen, liggen juist op het snijvlak van bijvoorbeeld tienerzwangerschappen en de jeugd die uiteindelijk op straat wordt opgevoed en in de criminaliteit belandt. Samenwerkingsprojecten van die twee ministeries zijn heel erg belangrijk. Graag zou ik een reactie van deze minister horen op de vraag hoe het met deze projecten op de BES-eilanden gaat.

Ik heb verder nog een vraag over de militairen en de ambtenaren die op de eilanden zijn geplaatst. Een aantal Kamerleden heeft schriftelijke vragen gesteld. Ik heb de antwoorden gelezen. Het gaat om het staatsexamen. Ik heb begrepen dat men op Curaçao en Aruba straks verwezen gaat worden naar Bonaire om staatsexamen te doen op Nederlandstalig onderwijsniveau. Als ik een paar cijfers achter elkaar zet, lijkt het goedkoper om niet alle staatsexamens te laten afleggen op Bonaire, maar bijvoorbeeld op de vertegenwoordigingen op de desbetreffende eilanden. Ik heb de antwoorden van de minister gelezen. Zij verwijst ook naar de wet, maar ik zou toch willen vragen, kijkend naar de praktische uitwerking, de feiten en de cijfers: in hoeverre kunnen er oplossingen worden bedacht die ook echt aansluiten bij het probleem dat de mensen daar ervaren? Uiteindelijk heeft dat ook te maken met de uitzendbereidheid. Ik zou de minister willen vragen in hoeverre zij met Defensie contact heeft gehad. Het heeft natuurlijk een impact op mensen, die niet meer zo uitzendbereid zullen zijn als hun kinderen niet gewoon op Nederlandstalig niveau het onderwijs kunnen afsluiten op de desbetreffende eilanden.

De heer Bosman (VVD): Voorzitter. Ik heb met mijn collega-woordvoerders van onderwijs gesproken. Ik heb begrepen dat er binnenkort een evaluatie komt en dat die wordt besproken met de onderwijswoordvoerders. Dat is natuurlijk de beste manier om zaken te doen. In de tussentijd kijken wij naar de samenhang der dingen en willen wij een aantal zaken aan de orde stellen. Heeft de minister er zicht op hoe hoog de schooluitval is op de verschillende niveaus en de verschillende scholen? Zijn daar cijfers van en, zo ja, wijken die erg af van wat er in Nederland gebeurt?

Collega's hebben het opleidingsniveau aangehaald. Praten wij over het uiteindelijke opleidingsniveau? Is dat mavo, havo, vwo, of is er ook binnen die opleidingen sprake van een kwaliteitsverschil? Als dat zo is, in hoeverre is er dan aansluiting met de Nederlandse vervolgopleidingen? Als iemand zijn havo maar heeft afgemaakt tot havo-4, kan hij dan de havo-4 of 5 in Nederland afmaken? Zitten daar verschillen in of is het gemakkelijk om door te stromen?

De minister is bezig met een masterplan voor onderwijzers. Ziet zij mogelijkheden om de kwaliteiten van de onderwijzers daar omhoog te krijgen of heeft zij daarvoor onderwijzers uit Nederland nodig? Als dat zo is, hoe krijg je de mensen dan naar de eilanden, om toch die kwaliteit zo hoog mogelijk te krijgen? Want ik heb begrepen dat er nogal wat salarisverschil is.

Laatst was er op televisie een heel mooi programma over de Bovenwindse Eilanden. Het ging erover dat men daar opeens examen moest doen in het Nederlands, terwijl men altijd Engelstalig was geweest. Toen brak de paniek een beetje uit. In hoeverre ziet de minister mogelijkheden voor mensen, hetzij om in het Engels examen te doen, hetzij meer tijd te krijgen voor het Nederlands? Zijn de problemen reëel of zegt de minister: een aantal mensen heeft daar problemen mee gehad, maar voor de rest is het geen probleem?

Wordt er op school aandacht besteed aan seksuele voorlichting, zeker ook in het kader van tienerzwangerschappen en dat soort zaken? Daarmee is immers ook schooluitval aan de orde. Is er discussie over homoseksualiteit op school? Is er aandacht voor andere zaken dan gemiddeld, zal ik maar zeggen?

De heer Lucassen (PVV): Voorzitter. Ik dank de minister voor haar brief. Als wij, toen wij op de BES-eilanden waren, aan de mensen vroegen wat er nu allemaal was verbeterd sinds 10-10-10, was het eerste wat zij altijd riepen: het onderwijs. Het onderwijs is veel beter, dus daarvoor alvast een woord van dank. Ik heb de indruk dat er niet alleen aan gezondheidszorg en infrastructuur, maar ook aan onderwijs nog een hele hoop moet gebeuren. Er ligt een vreselijke erfenis van het land Nederlandse Antillen, waarin dat soort zaken echt veel te weinig aandacht heeft gekregen. Al het geld dat is verdwenen, is in ieder geval niet in dat soort zaken gestopt. De PVV vindt dat natuurlijk heel droevig, maar wij zijn wel blij dat deze minister de uitdaging oppakt.

Ik heb inderdaad ook gezien dat er binnenkort een evaluatie volgt met de onderwijswoordvoerders van wat er exact is bereikt, maar wij kunnen misschien al een tussenstand opmaken. Ik noem bijvoorbeeld de positie van leraren. Dat is het allerbelangrijkste op de eilanden. Hoe is de voortgang wat betreft de bevoegdheid van de leraren? Zijn er voldoende leraren aanwezig die bijgespijkerd kunnen worden naar het gewenste niveau? Het is al eerder door andere collega's aangehaald: hoe houden wij de leraren op de eilanden? Zijn er nog steeds problemen met de werving? Wij hebben daarover geluiden gehoord op de eilanden, onder andere wat betreft het behoud van leerkrachten.

Ik vraag ook speciale aandacht voor de Saba Medical University. Dit is een uniek project op Saba, dat een groot deel uitmaakt van de economie van het eiland en van het hele maatschappelijke leven daar. Men heeft daar een heel grote inhaalslag moeten maken. Men werd wakker in een Nederlands onderwijssysteem op 10-10-10. Ik heb begrepen dat men aardig heeft moeten bijbenen, maar ik zou graag willen weten hoe het loopt met de accreditatie en of de Saba Medical University kan rekenen op de helpende hand van het ministerie.

De heer Van Bochove (CDA): Voorzitter. Vorige week, in het verschillende rijtje AO's, stelde ik vast dat de heer Weekers, de staatssecretaris van Financiën, de populariteitsprijs voor bewindslieden op de Caribisch-Nederlandse eilanden kreeg, maar deze minister staat op de tweede plaats. Dat komt mede omdat zij de moeite heeft genomen om al vrij snel tot afspraken te komen met de eilandbesturen om de onderwijskwaliteit te verbeteren. De eerste plaats is bereikbaar voor deze minister, maar dan zal zij toch nog een aantal stappen moeten zetten. Mijn vragen zijn erop gericht, dat te bewerkstelligen.

De scholen op de eilanden werven onder andere op de Nederlandse markt docenten. Het lastige is dat die docenten vaak op allerlei manieren aan de Nederlandse samenleving zijn verbonden. Zij hebben schoolgaande kinderen die zij moeten meenemen, maar de kwaliteit van het onderwijs op de eilanden is niet gelijk aan die in Nederland. Dat is een drempel. Zij hebben studerende kinderen in Nederland die zij moeten achterlaten. Daarvoor moeten zij een forse bijdrage leveren, want je moet als ouder bijbetalen. Soms hebben zij een eigen huis, waar een hypotheek op ligt. Zij zijn bereid om over al dat soort zaken heen te stappen, maar de salarisschalen waarvoor zij daar moeten werken zijn niet wervend genoeg. Daar moet iets aan gedaan worden. De minister heeft een eerste stap gezet, maar het moet verder. Waarom is de expatregeling die voor medewerkers van de Koninklijke Marechaussee geldt niet ook van toepassing op mensen in het onderwijs? Als je de kwaliteit van het onderwijs wilt verbeteren, is het belangrijk om de lokale docenten – gelukkig zijn die er ook – een beter opleidingsniveau te geven, maar ook om mensen uit Nederland erbij te blijven betrekken. Dat is een grote uitdaging.

Is de minister bereid om te bezien of op de eilanden geïnvesteerd kan worden in de totstandkoming van de zogenaamde brede school? Dat vraagt het een en ander en er moet het nodige voor worden gedaan. Op een aantal van de eilanden is men bereid om er de schouders onder te zetten, maar men vraagt dan ook van de minister commitment om op dat punt slagen te maken. Misschien kan de minister na de eerste evaluatie die eraan komt, daarover met de eilanden afspraken maken.

Dan kom ik op het punt van examen doen op Bonaire. Of je nu middelbaar onderwijs op Bonaire hebt gevolgd of op Curaçao, de minister heeft in allerlei debatten de mogelijkheid om examen te doen op Curaçao categorisch afgewezen. Zij zegt dat het volgens de wet niet kan. De bereidheid om de wet aan te passen heeft de minister tot nu toe ook niet echt gedemonstreerd. Het jongste advies van de Raad van State, dat op verzoek van de Kamer op dit punt is uitgebracht, geeft aan dat het volgens de huidige wettelijke regeling niet kan, maar dat daaraan iets zou kunnen worden gedaan. Wat gaat de minister nu doen om het onderwijs op Curaçao en mogelijk op andere eilanden, te verbeteren voor degenen die zich inzetten voor de opbouw van die landen, die uit Nederland komen en hun kinderen daar gewoon goed onderwijs willen geven? Het spookbeeld dat zij op Bonaire examen moeten doen en dan ook nog 's nachts omdat het aan de Nederlandse tijd is aangepast, is voor de mensen heel ernstig. Dat laatste probleem is nu wel opgelost, zo heb ik uit de laatste briefwisseling begrepen. Desalniettemin moet men toch zijn kinderen nog veertien dagen naar Bonaire sturen om examen te doen. De CDA-fractie onderzoekt of het mogelijk is om een initiatief-Rijkswet/-Consensusrijkswet tot stand te brengen. Dat is een ingewikkeld traject. Wij zouden het gewoon kunnen oplossen met een stap van de minister, maar wij onderzoeken de mogelijkheden daartoe.

De medische universiteit op Saba heeft het volgende probleem. Deze instelling wordt door zowel de Amerikaanse als de Nederlandse autoriteiten getoetst. Je zou zeggen: dat is alleen maar goed, maar er zijn verschillen in benadering. Dat probleem moet wel worden opgelost en dat vraagt van Nederlandse kant enige beweging. Is de minister bereid om daar haar schouders onder te zetten, om die opleiding toch in stand te houden?

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): De heer Van Bochove heeft het over de positie van docenten die solliciteren naar een baan op de eilanden. Hij stelt een expatregeling voor, maar ik heb begrepen dat ook de lokale docenten worden geconfronteerd met het probleem. Zij geven aan: kom met een oplossing, maar zorg er alsjeblieft voor dat er niet te veel verschillen gaan ontstaan tussen lokale docenten en ingevlogen docenten. Ik hoor graag van de heer Van Bochove hoe ver hij wil gaan om bepaalde meerkosten te vergoeden aan docenten die ingevlogen worden.

De heer Van Bochove (CDA): Juist door het noemen van een aantal specifieke problemen heb ik aangegeven dat je moet zoeken naar oplossingen voor die specifieke problemen. Als je dat doet, kun je de verschillen in beloning tussen lokale en niet-lokale docenten waarschijnlijk adequaat oplossen. Ik herken het probleem wel dat mevrouw Ortega noemt, maar tegelijkertijd is er de spanning van zaken als studerende kinderen in Nederland, een hypotheek in Nederland et cetera. Ook dat is een probleem dat opgelost moet worden, wil je ervoor zorgen dat de kwaliteit van het onderwijs met behulp van docenten uit Nederland in stand blijft.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Er kan ook worden geworven in de regio, onder andere in Suriname. Daarbij doet zich echter weer een ander probleem voor. Is het de bedoeling dat een expatregeling ook voor de Surinaamse docenten gaat gelden, of voor anderen uit de regio?

De heer Van Bochove (CDA): Het charmante is dat, als je probeert mee te denken en een oplossing te vinden, sommige mensen alle problemen ook meteen tot een oplossing willen brengen. Laten wij gewoon even zorgvuldig bezien hoe wij dit probleem kunnen aanpakken. Waar het om gaat, is dat je de kwaliteit van het onderwijs verbetert. Het gaat er ook om dat je probeert daarvoor mensen van buitenaf te werven, daar waar dat nodig en mogelijk is. Dat moet je aantrekkelijk maken. Welke regeling je daarvoor treft en voor wie en hoe? Daar hebben wij nu een minister voor, om dat adequaat uit te werken.

De voorzitter: Ik help de leden eraan herinneren dat wij, net als vorige week, maximaal twee interrupties hebben in de totale eerste termijn.

Het woord is aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter. Ik dank de leden voor de vragen gesteld in de eerste termijn. Het zijn heel verschillende vragen, die ik één voor één zal doornemen. Dank ook voor de vriendelijke woorden die gesproken zijn over de onderwijsaanpak. Vanaf het begin heb ik het heel belangrijk gevonden dat de mensen op de BES-eilanden het gevoel hebben dat wij dichtbij zijn. Het Europese deel van Nederland ligt heel ver weg van het Caraïbische deel van Nederland, maar het gaat eigenlijk wel om gemeenten van Nederland. Men moet dan het idee hebben dat men er echt bij hoort. Ik heb daaraan bijgedragen door vorig jaar een kort bezoek af te leggen, alle drie de eilanden te bezoeken en met iedereen te spreken. Ik doe het ook door geregeld videoconferenties te organiseren, zowel met de gedeputeerden als met directeuren en schoolbestuurders. Zo leer je elkaar kennen. Het valt mij op, als ik de beelden zie, dat ik denk: hé, dat gezicht komt mij bekend voor. Gaandeweg ontstaat er dus toch iets van een band en is het voor de mensen gemakkelijker om hun problemen aan de orde te stellen.

De RCN komt ook op de scholen en bij de gemeentebesturen voor de zaken die daar spelen. Als er punten zijn waarvan ik denk dat het te lang suddert of te lang duurt – dat gebeurt soms, zoals ook de Kamer gehoord zal hebben – dan probeer ik in een videoconferentie de zaak bij elkaar te krijgen en een paar knopen door te hakken. In de afgelopen periode heb ik dat een paar keer gedaan. Ik heb eenmalig de lumpsum opgehoogd. Wij zijn bezig een en ander uit te rekenen, maar de administraties van de scholen vormen nog een wereld op zichzelf, om het maar zo uit te drukken. In februari hoop ik definitief helderheid te hebben over wat de uitgaven zijn ten opzichte van wat men nodig heeft. Tussentijds heb ik één keer 10% extra gegeven, om de slag te maken naar voren en niet continu te krap te zitten. Zo heb ik ook eenmalig ten behoeve van de leerkrachten een impuls gegeven van 1,3 mln. dollar, om een inhaalslag te maken op het gebied van de arbeidsvoorwaarden van de leraren op de eilanden zelf. Een aantal andere ontwikkelingen duurde iets langer en ik had de behoefte om een eerste stap te zetten en aan te geven dat wij de problematiek en de zorgen die er leven op de eilanden in beeld hebben.

Wij zijn bezig met een aantal zaken die wij nog verder aan het uitwerken zijn. Ik noem bijvoorbeeld het huisvestingsplan. Mevrouw Ortega heeft haar zorgen geuit over de temperatuur. 38 graden lijkt mij even wel heerlijk, maar niet te lang natuurlijk. Dat moet dus zo snel mogelijk voorbij zijn. Wij zijn nu een herberekening aan het maken, maar door de inflatie en door de enorm krappe markt vliegen de prijzen wel enigszins omhoog. Ik ben nu aan het bezien wat ik kan doen, want de Kamer weet dat er grenzen zijn aan mijn financiële mogelijkheden.

Wij hebben plannen voor de aanpak van de brede school. Het zit ook in de schoolplannen, maar ik zal ook naar de financiën moeten kijken: wat kan ik? De nieuwste berekeningen van de Rijksgebouwendienst maken toch dat ik er even behoefte aan heb om iets dieper de berekeningen in te duiken. Het geld groeit ook bij mij rond het ministerie niet aan de bomen. Mijn inzet is echter wel om ervoor te zorgen dat er straks gewoon ordentelijke gebouwen komen en dat een en ander netjes op orde is. Wij moeten echter even bezien welke mogelijkheden wij dan nog hebben voor verdere uitbouw, zoals wij die graag zouden willen realiseren. De ambities liggen bij ons allen hoog, zo bespeur ik ook in het betoog van de Kamerleden.

Mevrouw Ortega vroeg naar de stand van zaken rond de sociale kanstrajecten. Voor een echte evaluatie is het na een half jaar nog iets te vroeg. Zaken moeten gewoon nog hun beslag krijgen. De uitvoeringsinstanties op elk eiland zijn bezig met het opstellen van de jaarverslagen en de financiële verantwoording. Daarnaast is men op de eilanden bezig met het opstellen van de raamplannen voor 2012, waarin ook de onderdelen zitten voor het sociale kanstrajecten. Uiteindelijk moeten die nog naar de Eilandraad ter goedkeuring, want er worden natuurlijk plannen gemaakt voor het komende jaar. De Inspectie van het Onderwijs is overigens wel langs geweest om naar de situatie rond mbo en skj te kijken, maar de bevindingen zijn nog niet openbaar. Zodra een en ander helder is krijgt de Kamer natuurlijk het Inspectierapport toegestuurd en is zij ook weer up-to-date geïnformeerd. De bevindingen moeten leiden tot een toezichtskader en een vervolgbezoek in mei 2012. Dus wordt het hele onderwijs in beeld gebracht, maar het is nu dus nog iets te vroeg om er zinnige woorden over te kunnen spreken, zeg ik tegen mevrouw Ortega.

Diverse woordvoerders hebben iets gezegd over de salarissen. Wij zijn daar heel actief mee bezig. De professionaliseringsactiviteiten vinden al plaats, zoals het opleiden van enkele docenten per school tot intern begeleider en zorgcoördinator. Dat is natuurlijk heel belangrijk, omdat wij schooluitval van binnenuit willen aanpakken. Heel directe cijfers hebben wij overigens nog niet, want de gemeenten zijn bezig met het op orde brengen van hun registratiesystemen. Ik heb wel heel specifiek laten kijken naar de zwangere meiden. Hun aantal is behoorlijk teruggebracht. In elk geval zitten er nu niet veel zwangere meiden thuis en wij proberen hen nu meer op school te houden. Dat is een van de punten geweest die ik met de gedeputeerden heb besproken toen ik daar was. Ik weet dat men op Statia een eilandencommissie heeft ingesteld om advies te krijgen over deze problematiek. Volgens onze informatie is dat advies er nog niet, maar men is er wel mee bezig.

Elke school heeft inmiddels een eigen schoolverbeterplan gemaakt, in de trant van: op welke punten lopen wij achter en wat betekent dit bijvoorbeeld voor de scholing van de docenten? Een consortium onder leiding van Het Ruud de Moor Centrum zal de komende tijd actief bezien wat het op de eilanden aanvullend kan doen aan scholingsactiviteiten, naar aanleiding van het plan van aanpak dat is voortgekomen uit het schoolverbeterplan. Ik streef ernaar dat scholen op korte termijn met de professionaliseringsactiviteiten kunnen beginnen, op basis van de actieplannen. De scholen staan daarvoor echt in de startblokken op dit moment; men heeft er heel hard aan gewerkt. Het streven is natuurlijk toch vooral om samen te werken met aanbieders in de regio zelf. Daar moet men de kwaliteit van de lerarenopleiding verbeteren. Dat is beter dan dat wij alles van buitenaf invliegen.

De heer Bosman (VVD): Wat is de capaciteit van de lerarenopleiding? Hoe veel mensen zijn daarvoor beschikbaar en wat is uiteindelijk het rendement en de kwaliteit van zo'n opleiding? Als er vier leraren in opleiding zijn, wordt het natuurlijk wel heel lastig. Hoe krijg je zo veel mogelijk volume in een opleiding om deze kwalitatief hoogwaardig te houden?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Het zal niet iets «stand alone» worden. Er is overleg met de opleidingen in Sint-Maarten en Curaçao om te bezien welke mogelijkheden er zijn. Daar zal men op aansluiten. Wij moeten wel eerlijk zijn; het wordt natuurlijk geen InHolland. Dat zouden wij ook niet willen. Er vindt natuurlijk ook overleg plaats met Curaçao over de opleidingen. Wij bezien dus hoe wij goed kunnen aansluiten bij zowel de Bovenwindse als de Benedenwindse Eilanden.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Mijn vraag heeft ook te maken met de lerarenopleiding. In de Onderwijswet-BES hebben wij opgenomen dat de docenten die nu onbevoegd of onbekwaam zijn, de tijd krijgen om te voldoen aan een aantal eisen. Gaan wij dat echt redden? Want de mogelijkheden om bij te scholen zijn minimaal.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ja, wij werken eraan om dat echt voor elkaar te krijgen. Men staat in de startblokken en wij gaan alles op alles zetten om het daadwerkelijk te realiseren.

Het is inderdaad zo dat er echt een probleem ligt op het gebied van de aantrekkingskracht voor ervaren docenten van buitenaf. Ik heb al gepoogd daar wat aan te doen door extra middelen beschikbaar te stellen voor arbeidsvoorwaarden. Inmiddels is ook een cao afgesloten met 3,25% groei voor de ambtenaren, waar leraren onder vallen. Er blijven echter grote verschillen tussen Nederland en de BES-eilanden. Er bestaan inderdaad, zoals mevrouw Ortega zegt, zorgen dat de salarissen heel erg uit elkaar gaan lopen als je iets extra’s aan het salaris toevoegt. Ik onderzoek of ik een regeling kan treffen waarmee ik tegemoet kan komen aan de grootste bezwaren die er leven. Die betreffen de problematiek van de pensioenen, de AOW, de tegemoetkoming uitzendvergoedingen, de tegemoetkoming in studieschulden die zijn aangegaan, de woonlasten eventueel; dat soort zaken bekijk ik op dit moment. Ik bekijk of ik een voorstel kan maken om het voor bevoegde docenten uit Europees Nederland aantrekkelijk te maken om voor drie jaar of langer te gaan werken in het onderwijs in Caraïbisch Nederland. Daar wil ik eventueel voor drie jaar middelen voor beschikbaar stellen. Ik moet dat echter eerst uitwerken. Het kost ook weer het nodige en het kent ook zijn grenzen, gelet op de financiële mogelijkheden die ik heb. Ik zie echter het probleem. Overigens zijn er wel leraren die ervoor kiezen en die het alles afwegende de moeite waard vinden. Maar als je mensen nog een steuntje in de rug kunt geven om toch te gaan, is dat de moeite waard. Vandaar dat ik nog aan het kijken ben, in overleg met BZK, naar een regeling die eventueel tegemoet kan komen aan de problematiek.

De voorzitter: Op welke termijn kan de Kamer hierover geïnformeerd worden?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Maart, uiterlijk april. De goede voornemens moeten ook gerealiseerd worden.

De voorzitter: Uiterlijk in april wordt de Kamer dus geïnformeerd over de vraag of zo’n regeling haalbaar is en hoe die eruit ziet. Dank u wel.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Er zijn nog andere belemmeringen voor docenten uit de regio. Is de minister bereid om daar ook naar te kijken?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ik begin met het wat grotere probleem dat ontstaat als mensen uit Europees Nederland naar Caraïbisch Nederland gaan. Dat is mijn eerste aandachtspunt. We zijn ook aan het bekijken wat we kunnen doen aan studiefinancieringschulden voor Caraïbisch-Nederlandse inwoners. Daar laat ik het even bij. Mochten meer dingen in beeld komen, dan zal ik die beschrijven in de brief die ik in maart, april stuur.

Ik kan niet helemaal plaatsen dat de Cito-toets onuitvoerbaar is. De voortgangstoets kan in het Engels en in het Papiaments gedaan worden. De opmerking over de Cito-toets kan ik niet helemaal plaatsen. Misschien kan mevrouw Ortega dat in tweede termijn nader toelichten.

Over de ondersteuning in wetenschappelijke zin het volgende. Wij zijn bezig met onderzoek naar de mogelijkheden van het instellen van een wetenschappelijk kenniscentrum op Statia. Dat beoogt een ondersteunende faciliteit te zijn voor wetenschappelijke en toegepaste innovatie en onderzoek. Onder meer het maritiem onderzoek wordt daarbij betrokken. We zijn er dus wel mee bezig.

Over het accreditatietraject van de medical school in Saba zijn diverse vragen gesteld. De drie medical schools – op elk eiland één – hebben bij de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) een aanvraag ingediend voor een toets voor de nieuwe opleiding. Ze hebben dus alle drie een aanvang gemaakt met het proces om een aanvraag te kunnen doen voor een rechtspersoon hoger onderwijs. Dat traject loopt. Ik weet niets van bijkomende problemen. Het proces loopt en aan de hand van de stappen die elke hogeschool moet zetten op dit punt, zal bepaald worden of het daadwerkelijk lukt. Mevrouw Hachchi sprak haar zorgen uit over tegengestelde vragen van Amerika en Nederland. Ik laat daarnaar kijken. Op dit moment ben ik echter niet op de hoogte van problemen. Ik weet dat er problemen zijn geweest, maar die hebben we in de procedure rechtgezet.

Ik kom bij de vraag van mevrouw Ortega over dyslexie. Scholen hebben middelen gekregen voor de eerste inrichting. Ze kunnen dus ook een programma als Kurzweil aanschaffen. Leraren ontvangen scholing en training gericht op het omgaan met verschillen. Daarbij kan ook dyslexie aan de orde komen. Er zijn dus gewoon mogelijkheden om dat op te pakken.

Ik kom bij mevrouw Hachchi. Is het BES-niveau straks hetzelfde als dat van Nederland? Ja, daar werken wij naartoe. We volgen het natuurlijk op de voet. Het eerste beeld – maar daar moet de officiële rapportage van de inspectie nog over verschijnen – is dat men behoorlijk goed op streek is. We blijven dat volgen.

Dat brengt mij bij het punt dat door enkelen van u opgebracht is rondom het Engels en het Nederlands. Het gaat dan met name om Statia, want op Saba hebben we het goed geregeld en Bonaire is eigenlijk ook niet echt een discussie. Voor Statia is het nog wel een discussie: moet het Engels of moet het Nederlands? Het is eigenlijk altijd Nederlands geweest. Het punt is dat men dat in het primair onderwijs een beetje losgelaten heeft en dat de kinderen die nu instromen, een probleem hebben. Vandaar dat we bezig zijn met schakelklassen en inhaalprogramma’s. Men heeft altijd Nederlands-Antilliaanse examens gemaakt. Nu moet men straks gewoon de Europees-Nederlandse examens maken, of eigenlijk gewoon in het Nederlands. We houden het goed in de gaten. Ik heb een mogelijkheid om in het Koninklijk Besluit de nieuwe, aangescherpte exameneisen die dit jaar in het Europese deel van Nederland ingaan, uit te stellen, net zoals de drie-kernvakkenregeling. Daarvan kan ik in het examenjaar 2014–2015 zeggen dat ik die toch maar even niet invoer, om het niet al te moeilijk te maken. Het zal echter wel zeker zo zijn dat in de loop der tijd meer kinderen gewoon netjes zullen slagen dan in de eerste jaren, maar dat geldt ook voor de huidige examens. Daarbij zijn de zakpercentages ook niet echt laag. Ik vind het wel een punt van de eilanden zelf. Als ze op Statia het Engels willen gebruiken en willen kiezen voor een ander type examen, moet daarvoor ruimte zijn. Daar moeten de jongeren weer verder mee kunnen. Zij moeten een afweging maken. Het beeld van de inspectie is dat het overgrote deel van het eiland de voorkeur heeft voor het behouden van het Nederlands.

Mevrouw Hachchi vraagt hoe het zit met het gat op de arbeidsmarkt tussen het onderwijs en wat er gevraagd wordt. Er komt een regionaal orgaan onderwijs arbeidsmarkt voor de eilanden. Daarnaast zijn we bezig met het beroepsonderwijs. Op Saba was er in het verleden een heel ideologisch gedreven schooldirecteur die zei dat alle kinderen uiteindelijk naar de universiteit moeten kunnen. Daarmee is toen heel het beroepsonderwijs van het eiland verdwenen. Dan krijg je op een gegeven moment een probleem, want we hebben technici, mensen in de zorg en in de horeca nodig op de eilanden. We zijn nu op alle drie de eilanden aan het inventariseren welke opleidingen nodig zijn en hoe we weer van de kant af komen. Alle drie de eilanden zijn daar plannen voor aan het maken. Saba introduceert TVET-opleidingen. Op Bonaire kennen we al beroepsonderwijs; daar is men het aan het aanscherpen. Op Statia is men het aan het onderzoeken. Op die manier proberen we de kloof tussen onderwijs en arbeidsmarkt enigszins te overbruggen.

Zijn we onderwijsbonden aan het entameren op de eilanden? Dat is iets van de eilanden zelf. De bonden hier zijn altijd heel actief. Die zullen zeker hun contacten hebben. Ik weet dat het CAOP, de club die zich actief bezighoudt met arbeidsmarkt en onderwijs, naar de eilanden afgereisd is. Zij zullen ongetwijfeld leerkrachten goed informeren over de manier waarop zij hun rechten en plichten vorm en inhoud kunnen geven.

Wat betreft de afgebrande school, gaat bij ons geen lampje branden. Misschien kan mevrouw Hachchi dat punt in tweede termijn toelichten.

Over de samenwerking tussen VWS en OCW ben ik het zeer met mevrouw Hachchi eens. We hebben natuurlijk de expertisecentra voor zorg en onderwijs op de eilanden, maar we zijn nu ook bezig met de voorbereiding van een voorlichtingscampagne voor jongeren over tienerzwangerschappen en dat soort zaken. Op dat gebied kunnen VWS en OCW goed met elkaar optrekken. Ik ben dat zeer met mevrouw Hachchi eens.

Dan kom ik op het staatsexamen. Dan gaat het over Vespucci. De heer Van Bochove had daar het nodige over gezegd. Het kent een lange geschiedenis. Ik zal die hier niet herhalen, maar daar hebben we al erg lang over gediscussieerd. De werkelijkheid – en de Raad van State bevestigt die – is dat je daar geen examens kunt afnemen. Ook de ambassadeplek is geen Nederlands grondgebied. Het past dus echt niet in de wet. Ik ben de zaak tegemoetgekomen door te zeggen dat de leerlingen van de niet-BES-eilanden hun examen kunnen doen op Bonaire in het tweede tijdvak. Dat betekent dat ze twee keer gewoon overdag hun examens kunnen doen. Defensie en Binnenlandse Zaken vinden dat een charmante oplossing. Defensie is zelfs voornemens de ouders de kosten te vergoeden. Daarmee is voor mij eerlijk gezegd de kous af en doe ik er niets meer aan. Ik heb gedaan wat ik kon doen. Op verzoek van de Kamer heb ik het neergelegd bij de Raad van State. Die heeft daar een klip-en-klaar advies over gegeven. Ik rond het nu gewoon af op dat vlak. Ik laat het aan de Kamer om met verdere initiatieven te komen.

Mevrouw Hachchi (D66): De minister zegt dat de kous af is, maar in hoeverre heeft Defensie al gezegd dat zij de kosten gaat dekken? Ik weet niet of er überhaupt sprake is van een wettelijke vergoeding of vanuit welke begroting dat betaald gaat worden. Bij mijn weten heeft Defensie praktisch gezien wel wat dingen geregeld, maar is de discussie tussen de ministeries nog niet gesloten.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ik denk dat ik dat verder aan Defensie laat. Als dat blijkbaar nog niet helemaal bekend is, weet ik ook niet zeker of het hard is of dat het een voornemen is dat misschien ambtelijk is geuit. Ik laat het in het midden. Het is aan Defensie zelf om te bepalen. Grondiger dan de Raad van State kun je niet uit laten zoeken wat er kan. Vervolgens kwam naar boven dat, als je het al doet, het dan midden in de nacht is. Daar heb ik ook een oplossing voor gevonden. Daarbij laat ik het. Straks is er gewoon Nederlands onderwijs met Nederlandse eindeisen op de BES-eilanden. Rond Vespucci heb ik gedaan wat ik kon. Het dossier speelt nu ongeveer vier jaar. Hier moet ik het bij houden.

De voorzitter: Zegt de minister nu dat de Kamerleden naar Defensie moeten of zegt zij dat zij nog een brief stuurt over de exacte afspraken?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Nee, ik schrijf geen brieven voor Defensie. Dat is echt een zaak tussen Defensie en haar personeel. Anders ga ik op iemand anders zijn terrein zitten.

Ik kom bij de heer Bosman, van wie ik al een flink aantal vragen beantwoord heb. Het is de bedoeling dat men straks in een opleiding over moet kunnen stappen, maar ook dan zal altijd gelden dat een school de vrijheid heeft om kinderen wel of niet toe te laten aan de hand van het niveau. De bedoeling is wel dat dit straks vergelijkbaar is.

Wat betreft de seksuele voorlichting en de voorlichting over homoseksualiteit: ik heb een Algemene Maatregel van Bestuur naar de Raad van State gestuurd. Althans, hij ligt er of hij gaat er een dezer dagen naartoe. Het betreft de AMvB voor het toepassen van dit onderwerp en de kerndoelen van het Nederlands onderwijs. Voor de BES-eilanden heb ik apart de mogelijkheid om te besluiten wanneer ik het invoer, want men is nu met heel veel dingen bezig. Het is ook een heel gevoelig punt, weten we. We hebben dus ook met een beetje zorgvuldigheid de zaak daar te brengen. De komende tijd gaat het COC aan de slag met een voorlichtingsplan over homoseksualiteit. Het COC heeft een plan gemaakt samen met de organisaties ter plekke. Ik wil de komende periode bekijken welke vorming en scholing leerkrachten nodig hebben om dit punt op te kunnen pakken. We weten dat er in Nederland een handelingsverlegenheid is op dit punt, maar op de BES-eilanden is die vele malen groter. Daar zullen we rekening mee moeten houden. We moeten bekijken hoe we dat op een verantwoorde en goede manier kunnen doen. De bedoeling is wel degelijk dat dit straks ook daar – de BES zit in de wet – een vast onderdeel wordt van het curriculum van de school.

Dan kom ik bij de heer Lucassen. Die zegt terecht dat er nog een forse inhaalslag gemaakt moet worden. Dat idee heb ik ook. We doen heel veel. De mensen doen ook heel veel. De besturen en de leerkrachten zijn buitengewoon gemotiveerd. Maar sommige scholen komen echt van ver, omdat een aantal scholen in het verleden eigenlijk nauwelijks met boeken gewerkt heeft. Dat was afgeschaft. Men moet nu toch wel flinke inhaalslagen maken. Mijn beeld is wel dat men met veel inzet de schouders eronder zet. Het is natuurlijk positief als leerkrachten, leidinggevenden en besturen er echt achter staan. Ik merk ook van de gedeputeerden dat men zeer betrokken is bij het onderwijs. Dat is de beste uitgangspositie. Verder probeer ik dus steun te verlenen waar ik dat kan. Er komt inderdaad een evaluatie in april. Die komt uiteraard ook naar de Kamer, maar ik zal haar eerst bespreken met de vaste commissie voor OCW, vanwege de inhoudelijke punten die daarin aan de orde komen.

De heer Van Bochove had het over de verschillen tussen Amerika en Nederland en dat het wel lastig wordt, omdat je niet allebei de kanten op kan werken. Ik houd dat in de gaten. Ik zal mijn mensen vragen om het goed na te gaan. In ieder geval zit men op dit moment in het NVAO-proces.

Daarmee heb ik alle vragen beantwoord, behalve die van mevrouw Ortega over de Open Universiteit, maar daar krijg ik straks nog wel een handreiking voor.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Voorzitter. Ik bedank de minister voor de heldere beantwoording. Ik kan mij voorstellen dat het in deze tijden heel moeilijk is en dat zij goed moet afwegen hoe zij prioriteiten stelt met betrekking tot de financiële middelen.

Ik had nog een vraag over de studiefinanciering. In onze wetgeving hebben we bepaald dat alleen een bepaalde categorie in aanmerking komt. Kinderen die geboren zijn op een van de eilanden en ook daar naar school zijn gegaan, komen nu terug en krijgen problemen. Daarop wil ik nog een reactie van de minister.

Dat van de Cito-toets is iets wat ik op de eilanden heb gehoord, vooral op Saba. Men zei daar dat de Cito-toets onuitvoerbaar is, omdat die in het Nederlands is. Er moet worden vertaald en daarmee schijnen problemen te zijn. Daar wilde ik op reageren. Anders ga ik zelf wel op zoek naar meer informatie daarover.

Mevrouw Hachchi (D66): Voorzitter. Ik heb drie punten. Allereerst gaf de minister aan dat zij heel kordaat al meteen het geld heeft opgehoogd: de lumpsumbijdrage gaat met 10% omhoog en er is 1,3 mln. voor de arbeidsvoorwaarden van de leraren. In hoeverre heeft de minister er zicht op dat dit geld ook daadwerkelijk in het leslokaal terechtkomt?

Mijn tweede vraag betreft de brief die we in maart, april krijgen over de mogelijke regeling ten aanzien van de studiefinanciering. Krijgen we in die brief ook informatie over de Caraïbisch-Nederlandse studenten? Ook het invliegen van leraren uit Europees Nederland voor drie, vier jaar is natuurlijk geen duurzame oplossing. Uiteindelijk gaat het erom dat misschien zelfs de eilandbewoners een heel waardevolle inbreng kunnen hebben, juist omdat ze gewoon op de eilanden terug kunnen keren en daar een toekomst op kunnen bouwen. Tegelijkertijd kunnen ze bouwen aan de eilanden.

Mijn derde punt betreft het staatsexamen. Ik vind het argument van de minister dat het al vier jaar loopt, juist het bewijs dat er wat moet gebeuren. Zoals de wet in de praktijk uitwerkt, zoals de afspraken nu liggen, zijn er gewoon problemen. Dat we er al vier jaar mee bezig zijn, vind ik juist wel een argument om er serieus werk van te maken. Ik snap dat de Raad van State ernaar gekeken heeft, maar die is uiteindelijk tot de meest praktische oplossing gekomen. Ik vraag de minister of er mogelijkheden zijn voor de grote groep kinderen die uit Curaçao en Aruba komen. Als de minister duidelijk zegt dat de Kamer aan zet is, zal ik zeker met de nodige collega’s bezien wat wij kunnen doen. Als de Nederlandse vertegenwoordiging op Curaçao zegt dat het niet mogelijk is, wil ik de argumenten horen. Als het argument is dat we het dan overal in de wereld moeten regelen, zou ik zeggen dat we ook een Koninkrijk der Nederlanden hebben. Ik zie daar ook een uitzonderingspositie.

De voorzitter: Het woord is aan de heer Bosman

De heer Bosman (VVD): Ik heb geen vragen meer, voorzitter.

De voorzitter: Dan geef ik het woord aan de heer Lucassen.

De heer Lucassen (PVV): Voorzitter. Ik bedank de minister voor de beantwoording. Ik had nog een paar kleine nabranders, allereerst over de opgave die er ligt voor de infrastructuur. Dat gaat in overleg met de Rijksgebouwendienst. Ik vraag mij af of de minister al een inschatting heeft van de grootte van de opgave en bij wie die uiteindelijk terechtkomt. Gaat het via OCW of echt via de Rijksgebouwendienst?

De minister zei dat er nog geen cijfers over de drop-outs zijn. Ik vraag me af of er wel al cijfers zijn over het verzuim. Er is inmiddels een leerplichtambtenaar aangesteld. Ik ben benieuwd of die al als een razende over de eilanden gaat om het verzuimprobleem aan te pakken, of daar cijfers van zijn, en of we die krijgen in de eerste rapportage of dat die nu al beschikbaar zijn.

De heer Van Bochove (CDA): Voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording van de vragen. Ik heb gesproken over een initiatief voor het examen op Curaçao. De minister zegt dat het advies van de Raad van State duidelijk was, maar juristen en ik komen tot de conclusie dat het advies helemaal niet duidelijk is. We zijn aan het onderzoeken of stappen gezet kunnen worden. Het gaat daarbij niet alleen – ik zal dat misverstand uit de weg ruimen – om Defensiepersoneel. Er zitten ook kinderen op die school van Nederlandse ouders die op andere terreinen in het land Curaçao worden ingezet om een bijdrage te leveren aan de opbouw van dat land. Het ligt dus wat breder. Maar dat punt is voorlopig wat mij betreft geparkeerd. Het antwoord van de minister in dit stadium is duidelijk. We komen er zeker op terug.

De minister heeft een opmerking gemaakt over een impuls, een salarisverbetering van 3,25%. Dat wordt gewaardeerd. Ik heb ook geconstateerd dat men dat op prijs stelt, dat het met een inflatie van 7% of 8% natuurlijk toch een probleem is. Daar ligt een bredere benadering die de minister waarschijnlijk ook niet alleen kan oplossen. In dat traject zal zij in samenhang en in het kabinetsbeleid rondom de kosten van levensonderhoud en dergelijke, en het onderzoek dat daar nu wordt gedaan, mogelijk nog wat stappen moeten zetten.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter. Ik begin met het punt van mevrouw Ortega over leerlingen die geboren zijn op Curaçao. Bij situaties waarvan we het idee hebben dat die onrechtvaardig zijn, heb ik gewoon de mogelijkheid van een hardheidsclausule. Dan kan er dus aan tegemoetgekomen worden.

Ik kom bij de Engelstalige Cito-toets op Saba. De beheersing van rekenen en wiskunde wordt bekeken. Deze toetsen zijn ook in het Papiaments en in het Engels beschikbaar. De toets beheersing van het Nederlands is inderdaad in het Nederlands. Dat is de situatie. Op zich hoeft dat verder geen probleem op te leveren.

Dan kom ik bij het punt van de Open Universiteit. In het lerarenplan wordt de mogelijkheid van afstandsonderwijs meegenomen. Het Ruud de Moor Centrum is een onderdeel van de Open Universiteit. Ik gaf al aan dat zij naar het eiland gaan om te bekijken wat de mogelijkheden zijn.

Mevrouw Hachchi vraagt of ik zeker weet dat het geld terechtkomt in de klassen. Er vindt natuurlijk uiteindelijk gewoon de financiële verantwoording plaats. Gelukkig is op de BES-eilanden de gelaagdheid zoals wij die in ons onderwijs kennen, bepaald nog niet aanwezig. Het zit toch allemaal heel dicht bij het onderwijs zelf. Het gaat ons er vooral om of het rechtmatig is geweest. Dat moet zichtbaar worden in de financiële verslaglegging. In dat opzicht is daar gewoon zicht op.

Het punt van de lokale studiefinanciering en kwijtschelding bracht mevrouw Hachchi nog eens naar voren. Ik heb al gezegd dat ik dit op dit moment bekijk. Als je mensen kunt houden of ertoe kunt verleiden om gewoon op de eilanden aan het werk te gaan, is daar natuurlijk veel meer voor te zeggen dan als je continu mensen moet invliegen van buitenaf.

Mevrouw Hachchi zegt dat het dossier van het staatsexamen al vier jaar speelt en dat dit ook de reden is om het op te lossen. Nee, we lopen al die tijd al aan tegen het feit dat de mogelijkheid er niet is. De Raad van State bevestigt dat. Ik heb in het laatste debat met de vaste commissie voor OCW met de Kamer afgesproken dat we het voorleggen aan de Raad van State, want wij kwamen er onderling niet uit. De Raad van State heeft een heldere uitspraak gedaan. Dan hecht ik eraan om na vier jaar te zeggen: dit is de uitspraak. Dat is ook zoals ik het had afgesproken met de commissie. Ik heb heel bewust op verzoek van de Kamer dit punt voorgelegd aan de Raad van State. Dat is ook waarom ik nu zeg dat de kwestie is afgerond.

De heer Lucassen vraagt naar de infrastructuur en naar het inzicht. Dat worden behoorlijke investeringen. Het ministerie wil daar het nodige aan bijdragen. Dat heb ik beloofd. Maar ook de gemeenten, de eilandbesturen, behoren een bijdrage te leveren. De vraag is hoeveel ruimte er is in het eilandenfonds om dat te kunnen doen. Dat wordt verder uitgewerkt op dit moment.

De heer Lucassen zegt terecht dat de leerplichtambtenaren aan de slag zijn. Ik zal proberen om in de eerste evaluatie van maart, april de Kamer meer informatie te geven. Dan heeft zij een eerste beeld.

De heer Van Bochove heeft gesproken over de problemen rondom de salarissen. Ik heb inderdaad twee impulsen gegeven: 1,3 mln. dollar en men gaat mee in de ambtelijke onderhandelingen. Die worden gevoerd door de minister van BZK. Ik kan daar op dit moment niets aan veranderen. Maar weet dat wij continu aan de bel trekken, want onze zorg over de leerkrachten is groot. Dat is ook de reden dat ik zelf extra actie heb ondernomen, om in ieder geval nog iets tegemoet te komen aan wat er aan zorgen leeft en wat er feitelijk ervaren wordt. Die 3,25% is gewoon ook weer een stap vooruit, maar gelet op de inflatie lost het niet alle problemen op. De heer Van Bochove heeft daar een punt.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Ik heb een vraag ter verduidelijking over het Ruud de Moor Centrum. In de brief van de minister staat dat het gaat om het bekwamen van de leerkrachten. Mijn vraag had betrekking op andere hbo-mogelijkheden voor mensen die verder willen studeren. Dat was eigenlijk mijn vraag over de Open Universiteit.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Met dat laatste zijn we nog niet bezig. Het initiatief van het Ruud de Moor Centrum is echt ten behoeve van de lerarenversterking.

Ik moet een punt corrigeren. Er komt een lerarenbrief in maart, april. De evaluatie komt april, mei, omdat ik afhankelijk ben van de evaluatie op de eilanden. Het verslag van de inspectie behoort daarbij betrokken te worden. Dat heeft nog een procesgang te gaan van een aantal weken. Er komt dus een brief over de leraren in maart, april en een evaluatie, mede aan de hand van het onderwijsrapport van de inspectie, in april, mei. Daar neem ik dan ook het punt van de heer Bosman en de heer Lucassen in mee.

De voorzitter: Dank u wel. Ik wil nog even de toezeggingen oplezen.

  • 1. Het onderwijsverslag met het inspectierapport voor wat betreft het niveau van de scholen op de BES-eilanden, komt in mei 2012 naar de Tweede Kamer;

  • 2. De minister gaat onderzoek doen naar de mogelijkheden van het opheffen van de grootste belemmeringen voor Nederlands onderwijzend personeel dat een aantal jaren op de BES-eilanden wil gaan werken en zal de Kamer hier uiterlijk in april 2012 over informeren;

  • 3. In dezelfde brief zal ook worden ingegaan op de mogelijkheden van kwijtschelding van studiefinanciering indien BES-studenten terugkeren naar de BES-eilanden om daar te werken, bijvoorbeeld in het onderwijs;

  • 4. In deze brief zal ook worden ingegaan op het schoolverzuim.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Dat is dan de evaluatie. De ene brief gaat dus over de leraren en de andere brief over de evaluatie, mede aan de hand van het inspectierapport, en dat is april mei.

De voorzitter: In de evaluatie zal ook worden ingegaan op het schoolverzuim en die komt begin mei.

Ik dank de minister, haar ambtenaren, de Kamerleden en iedereen die dit debat heeft gevolgd, hartelijk.