Gepubliceerd: 17 juni 2010
Indiener(s): Gerda Verburg (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CDA)
Onderwerpen: landbouw organisatie en beleid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32372-5.html
ID: 32372-5

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 17 juni 2010

De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1, belast met het voorbereidend onderzoek, brengt als volgt verslag uit van haar bevindingen omtrent dit wetsvoorstel.

Onder het voorbehoud dat de regering de in dit verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende beantwoordt, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

blz.

  

Inbreng leden van de CDA-fractie

1

Inbreng leden van de SP-fractie

7

Inbreng leden van de PvdA-fractie

10

Inbreng leden van de VVD-fractie

11

Inbreng leden van de SGP-fractie

13

Inbreng leden van de PvdD-fractie

14

Inbreng leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de, naar de mening van deze leden, zeer technische wetswijziging. Zoals ook al in paragraaf 18 van de memorie van toelichting uiteen wordt gezet, is deze wetswijziging een vrij technisch traject waarin beleidskeuzen nagenoeg ontbreken, gelet op het hoge abstractieniveau van de wet. Nationale uitwerkingen of beleidskeuzes zullen in lagere regelgeving worden neergelegd. Het huidige wetsontwerp bevat met andere woorden (nog) geen politieke keuzes. Toch zijn de leden van de CDA-fractie van mening dat een aantal opmerkingen dient te worden gemaakt, en willen de leden van de CDA-fractie een nadere toelichting vragen over de inzet om te komen tot een beleid om voldoende middelen beschikbaar te hebben en ook resistentie zoveel mogelijk te voorkomen.

De leden van de CDA-fractie zijn een warm voorstander van één Europees toelatingssysteem en zien het zonale concept als een belangrijke stap om dat in de toekomst te kunnen bereiken, en ook om in de toekomst een concurrerende, veilige, gevarieerde en voldoende land- en tuinbouwproductie in Nederland en Europa mogelijk te blijven maken. Een gelijk speelveld is voor de Nederlandse sector van groot belang. In hoeverre is een gelijk speelveld overeind blijven staan? De memorie van toelichting haalt bijvoorbeeld aan uit paragraaf 8.2 d: nieuw is «dat de verordening expliciet regels stelt – naast de werkzame stof – over de criteria voor beoordeling en goedkeuring van andere stoffen die aan een gewasbeschermingsmiddel kunnen worden toegevoegd. De verordening maakt in artikel 2, derde lid, onderscheid in beschermstoffen, synergisten en formuleringshulpstoffen. Dergelijke stoffen maken in voorkomend geval deel uit van de samenstelling van een gewasbeschermingsmiddel. Een formuleringshulpstof mag krachtens artikel 27 van de verordening alleen in een gewasbeschermingsmiddel zijn opgenomen indien de desbetreffende stof niet op een negatieve lijst is vermeld».

De leden van de CDA-fractie vragen zich af welke lijst dat is: een Europese, zonale of nationale lijst?

«Voor beschermstoffen en synergisten geldt dat zij alleen in een middel mogen voorkomen als zij op Europees niveau zijn goedgekeurd, volgens de procedure die ook voor werkzame stoffen geldt, aldus artikel 25 van de verordening. Daarnaast voorziet de verordening in regels voor toevoegingsstoffen. Dat zijn stoffen die door de gebruiker aan een gewasbeschermingsmiddel kunnen worden toegevoegd. Voor toevoegingsstoffen geldt per lidstaat een toelatingsregime, dat vergelijkbaar is met de toelating van gewasbeschermingsmiddelen. Een en ander is geregeld in artikel 58 van de verordening. In artikel 28, tweede lid, van het wetsvoorstel is voorzien in de mogelijkheid nationale regels te stellen vooruitlopend op de Europese regels die op grond van artikel 58, tweede lid, van de verordening zullen worden vastgesteld».

De leden van de CDA-fractie vragen zich af hoe zij navolgende passage in verhouding tot de voorafgaande passage moeten zien.

«De besluitvorming over de goedkeuring van een werkzame stof, beschermstof, synergist of formuleringshulpstof vindt plaats op Europees niveau. De goedkeuring betekent dat het is toegestaan een dergelijke stof deel uit te laten maken van de samenstelling van een gewasbeschermingsmiddel. De besluitvorming over een gewasbeschermingsmiddel en toevoegingsstof vindt plaats op nationaal niveau en vergt een positief toelatingsbesluit van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden».

Zeker omdat paragraaf 15 (Wijzigingen in wetgeving en beleid) vermeldt dat met deze wijziging meer de intrinsieke eigenschappen van een stof een rol spelen in plaats van vasthouden aan termen, en dat het doel is om tot verdere harmonisatie en een gelijkspeelveld te komen op EU-niveau. De formulering van de tekst doet anders vermoeden.

Intrinsieke eigenschappen versus risicobenadering

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat juist naast de intrinsieke eigenschappen van een stof ook gekeken moet worden hoe via beschermingsmaatregelen de blootstelling van mens, dier en milieu aan deze eigenschappen kan worden verminderd. Met andere woorden: vanuit een risicobenaderingswijze in plaats van alleen intrinsieke eigenschappen. Dat is van belang omdat alleen kijken naar de intrinsieke eigenschappen van een stof zal leiden tot het wegvallen van veel stoffen en daarmee zelfs tot het niet langer verantwoord kunnen telen van diverse gewassen. Kan worden uiteengezet in hoeverre hiervoor aandacht wordt besteed in deze wijziging?

Gelijk speelveld

De Europese Unie is opgedeeld in 3 zones. Binnen een zone worden geacht vergelijkbare landbouw-, fytosanitaire en ecologische (waaronder klimatologische) omstandigheden te heersen. De leden van de CDA-fractie vragen zich af of ook per zone gekeken wordt naar zogeheten kleine teelten zoals kruidachtigen. De leden van de CDA-fractie gaan ervan uit dat ook voor kleine teelten binnen de zonale toelatingsprocedure naar ruimte wordt gezocht om tot een minimaal benodigd middelenpakket te komen. Bepaald is dat een aanvrager zelf bepaalt in welke lidstaten hij een aanvraag doet en voor welke lidstaten/zone. Hij is dus niet verplicht zijn aanvraag in alle lidstaten van de zone in te dienen. Maar per zone is er echter slechts één lidstaat die de aanvraag tot toelating beoordeelt. De leden van de CDA-fractie vragen zich af waarom deze mogelijkheid voor de aanvrager wel bestaat, terwijl deze in praktijk niets uithaalt. Heeft dat te maken met de aparte positionering van de specifieke gebruiksomstandigheden op het gebied van landbouw en milieu, die ingevolge artikel 36, derde lid, van de Verordening tot aanvullende gebruiksvoorschriften kan leiden in een bepaalde lidstaat, of in het uiterste geval tot niet-toelating? Zo ja, kunnen dan bijvoorbeeld teelten in een bepaalde zone te maken krijgen met verschillende toelatingsregimes per lidstaat en is er geen sprake van een gelijk speelveld? Kunt u uiteenzetten wanneer zoiets zou kunnen ontstaan? Voor enkele toepassingen geldt als bijzondere regel dat de gehele Europese Unie als één zone wordt beschouwd. Dat geldt als de aanvraag betrekking heeft op het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel in kassen, op behandeling na de oogst, op behandeling van lege opslagruimten of op de behandeling van zaaizaad. In deze gevallen beoordeelt één lidstaat de aanvraag voor alle andere lidstaten in de Europese Unie. Geldt deze mogelijkheid ook voor teelten met beperkte oppervlakte binnen een bepaalde zone, bijvoorbeeld kruidachtigen of sierteelten? Ook vragen de leden van de CDA-fractie zich af hoe het gestelde in paragraaf 8.1 (Kleine toepassingen) uitgewerkt wordt en in hoeverre het bedrijfsleven hierbij wordt betrokken. De leden van de CDA-fractie vragen zich verder af of ook wordt overwogen een ministeriële regeling in te richten waarmee een vereenvoudigd toetsingskader ingezet kan worden voor het behoud van toelatingen voor «kleine toepassingen». Zo nee, waarom niet?

Tot slot wordt bij paragraaf 12 gesproken over het feit dat de verordening nauwelijks beleidsruimte biedt, zodat er sprake is van implementatie zonder «nationale koppen». Slechts in artikel 28, derde lid, van de wet is voorzien in nationale regels ter uitvoering van de uniforme beginselen, omdat te verwachten is dat de beginselen niet direct volledig zullen zijn geharmoniseerd. Voor zover er nog nationale regels nodig of mogelijk zijn op basis van de verordening, zijn deze neergelegd in artikel 28, eerste lid, van de wet en artikel 37 van de wet. De leden van de CDA-fractie vragen zich af of deze tijdelijk een extra nationale kop betekenen, en of er op termijn naar een compleet gelijk speelveld wordt gestreefd.

Verordening Statistiek

De verordening schept een rechtskader voor het vaststellen van geharmoniseerde regels voor de verzameling, de bewerking en de verspreiding van gegevens over het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het doel hiervan is op Europees niveau geharmoniseerde en vergelijkbare actuele en betrouwbare statistische gegevens te vergaren. Hiermee wordt beoogd de beleidsdoelstellingen inzake het verminderen van de risico’s van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te kunnen evalueren.Het European Chemicals Agency zou een rol kunnen spelen in arbitrage bij conflicten tussen de lidstaten over de wederzijdse erkenning van toelatingen. De leden van de CDA-fractie vragen zich af of de clausules die wederzijdse erkenning en gebruiksbeperkingen afhankelijk stellen van lokale omstandigheden, hiertoe zijn aangescherpt. Vloeien uit deze verordening nieuwe Europese statistische verplichtingen voort? En met welk gevolg? Is er inmiddels een adequate juridische uitwerking van de verplichting tot het verzamelen, produceren en verspreiden van communautaire statistieken? En op welke wijze draagt deze gegevensinformatie bij aan bijvoorbeeld de herziening van de goedkeuring van werkzame stoffen en kleine toepassingen?

Administratieve lasten

De leden van de CDA-fractie gaan er van uit dat de administratieve lasten als gevolg van dit wetsvoorstel, alsmede de uiteindelijke regeldruk voor de gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen niet zullen wijzigen. De leden dringen er op aan dat bij de invulling van de lagere wetgeving hiermee expliciet rekening gehouden wordt, ook bij de invulling van gebruiksvoorschriften die voortkomen uit specifieke Nederlandse gebruiksomstandigheden die afwijken van de rest van de zone, en voor kleine toepassingen.

Artikelsgewijze opmerkingen

• Artikel 22 lid 1 – voorschriften en beperkingen

De leden van de CDA-fractie vinden het van belang dat de formulering van dit wetsartikel het mogelijk maakt dat de voorschriften op of bij de verpakking voor meer dynamische voorschriften kunnen verwijzen naar een website. Aanwijzingen inzake bijvoorbeeld resistentiemanagement of technische voorschriften lenen zich minder goed om op statische wijze op een etiket vast te leggen. Kan het artikel zodanig worden aangepast dat dit wordt meegenomen?

• Artikel 28 – nadere regels voor het op de markt brengen

Zoals in de algemene opmerkingen al door de leden van de CDA-fractie is opgemerkt, is het doel om tot verdere harmonisatie en tot een gelijk speelveld te komen op EU-niveau. Dat moet, naar de mening van de leden van de CDA-fractie het uitgangspunt zijn. Dit artikel geeft echter wel een kapstok voor een aantal nadere regels die de regering ter uitvoering van Verordening 1107/2009 kan stellen. In een aantal gevallen betreft het, naar de mening van de leden van de CDA-fractie logische zaken die nationaal geregeld moeten worden. In een aantal andere gevallen ligt het risico van «nationale koppen» op de loer. Het grootste bezwaar ligt bij het voorgestelde artikel 28 lid 3 en de wijze waarop de regering hieraan – ook gelet op de tekst van de memorie van toelichting – uitwerking wil geven. Uitgangspunt lijkt de wens te zijn om de huidige nationale uitwerking van de uniforme beginselen te handhaven, terwijl vanuit het belang van harmonisatie juist geen'nationale uitwerking zou moeten plaatsvinden. In elk geval mag de nationale uitwerking niet op zodanige wijze worden vormgegeven dat hierdoor op nationaal niveau extra dossiereisen en studies gelden. Kan worden uiteengezet op welke wijze het artikel moet worden geïnterpreteerd? Gaat het hier om tijdelijke nationale mogelijkheden of wordt gestreefd naar een uitfasering?

• Artikel 29, lid 3 – voorschriften

Uit de artikelsgewijze toelichting blijkt dat dit punt voor de duidelijkheid is toegevoegd. De leden van de CDA-fractie vragen zich af of het hier gaat om een overbodige toevoeging.

• Artikel 38 – noodsituaties

De leden van de CDA-fractie achten het wenselijk om eveneens, indien sprake is van een noodsituatie, ook vrijstelling te geven van de algemene verplichting om voorschriften aan of bij de verpakking te vermelden. Ook hier zou verwijzing naar een website mogelijk moeten zijn. Hierop kan meer informatie worden verschaft over waarom een vrijstelling gegeven wordt. In het verlengde hiervan hebben de leden van de CDA-fractie de volgende vraag. Het College Toelating Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (Ctgb) heeft op 27 mei 2010 besloten Merit Turf toe te laten in openbare grasvegetatie en graszodenteelt, ter bestrijding van engerlingen en emelten. Merit Turfbevat 5 gram imidacloprid per kg. Producent Bayer doet de aanbeveling om tot 30 kg per hectare hiervan te gebruiken ofwel 1,5 kilo per 500 vierkante meter. Imidacloprid staat nummer 1 in de top tien van meest normoverschrijdende stoffen bij metingen in oppervlaktewater. Eerder is uiteengezet dat verdere toename van imidacloprid in het oppervlaktewater niet toelaatbaar is. Ook wordt Imidacloprid ervan verdacht een bijdrage te leveren aan de massale bijensterfte. Kan een nadere toelichting worden gegeven over de toelatingsprocedure? Is hier sprake van een noodsituatie? Zo, nee waarvan is dan wel sprake en wat is de definitie van een noodsituatie?

Voortbordurend op de redenatie bij artikel 28 en 38 vragen de leden van de CDA-fractie zich af in hoeverre met de toelatingen voor middelen bestemd voor de sierteelt (niet-voedingsgewassen) door deze wetswijziging in diverse EU-lidstaten nog steeds op onderdelen verschillend kan worden omgegaan.

Zoals eerder vermeld kan men nu in Duitsland voor graszoden beschikken over middelen (alleen fungiciden en insecticiden) die zijn toegelaten in de gewasgroep sierplanten. De leden van de CDA-fractie begrijpen dat als het Ctgb de nieuwe Definitielijst Toepassingsgebieden Gewasbeschermingsmiddelen heeft vastgesteld, ook middelen die toegelaten zijn voor toepassing in weilanden, sportvelden of gazons ook worden toegelaten voor graszoden. Maar dan is er nog sprake van nationale verschillen. Is hierbij eveneens het doel om tot uiteindelijke harmonisatie te komen en mogelijk middelen beschikbaar te krijgen om (ongewenste) vrijstellingen zoals genoemd onder artikel 38 te voorkomen?

• Artikel 39 – Tijdelijk beperken of verbieden

De leden van de CDA-fractie merken op dat zaaigoed in de opsomming wordt genoemd, terwijl de wet over gewasbeschermingsmiddelen en biociden gaat. De wet kan naar mening van de leden van de CDA-fractie dan ook enkel de risico’s die samenhangen met het op het zaaizaad toegepaste middel of de stof beoordelen. De leden van de CDA-fractie stellen voor om zaaizaad uit de opsomming te schrappen.

• Artikel 40 – bekendmaking

In de praktijk kan er nogal wat tijd verstrijken tussen de besluitvorming van het Ctgb over een toelatingsaanvraag en de bekendmaking van dit besluit via een persbericht enerzijds en de mededeling van het formele ondertekende besluit aan de aanvrager en de publicatie in de Staatscourant anderzijds. In de aangeduide periode bestaat er onduidelijkheid over de vraag of verkoop en gebruik mogelijk is. De leden van de CDA-fractie vragen hieromtrent meer duidelijkheid.

• Artikel 71, lid 1 – opleiding en bewijs van vakbekwaamheid

De omschrijving van «een kleine distributeur» roept vragen op. Uit de memorie van toelichting valt te lezen dat een distributeur die middelen voor niet-professioneel gebruik op de markt brengt niet hoeft te beschikken over een bewijs van vakbekwaamheid. Is het noodzakelijk om medewerkers van tuincentra spuitlicenties te laten behalen wanneer enkel niet-professionele middelen worden verkocht? Volgens de leden van de CDA-fractie is het effect van het artikel dat personen die handelingen verrichten met niet-professionele middelen verplicht worden een spuitlicentie te behalen. De leden van de CDA-fractie vragen om helderheid op dit punt. Wat is de definitie van kleine distributeur en onder welk kopje vallen bijvoorbeeld tuincentra? Vallen deze onder kleine distributeurs of onder voorlichters (artikel 18 definities)? En als dat laatste het geval is, geldt dan een soortgelijke uitzondering (art 71 lid 1) als voor een kleine distributeur?

De leden van de CDA-fractie vragen zich af welke middelen bedoeld worden wanneer geschreven wordt over «aan te wijzen gewasbeschermingsmiddelen». De memorie van toelichting schept enige duidelijkheid, namelijk dat zij niet ingedeeld mogen zijn als giftig, zeer giftig, kankerverwekkend, mutageen of vergiftig voor de voortplanting. En dat per algemene maatregel van bestuur andere eisen kunnen worden gesteld. Op welke wijze worden het bedrijfsleven en NGO’s hierbij betrokken?

• Artikel 73, lid 1 – distributie

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat dit lid het «ergewissen» moet vervangen dat in de huidige wetsteksten staat opgenomen, ter implementatie van artikel 6 lid 2 van de Richtlijn. De leden van de CDA-fractie achten het in de praktijk ondoenlijk om bij iedere fysieke levering het Bewijs van Vakbekwaamheid (BvV) te (laten) tonen. Daarnaast is het belangrijk vast te stellen dat het BvV persoonsgebonden is en niet verbonden aan het bedrijf. Een distributeur heeft als klant bijvoorbeeld vennootschap A en B. Maar deze vennootschappen hebben elk diverse medewerkers in dienst die, afhankelijk van hun werkzaamheden, wel of niet beschikken over een BvV. Een distributeur beschikt over mogelijkheden om na te gaan of de klant (het bedrijf) in het bezit is van een BvV maar het is voor een distributeur ondoenlijk om bij elke fysieke levering vast te stellen of degene die namens de klant de middelen in ontvangst neemt beschikt over een BvV. De distributeur is geen AID-er en beschikt dus ook niet over die bevoegdheden.

Het bedrijfsleven heeft een zelfreguleringsysteem ontwikkeld. Dit zelfreguleringsysteem (CDG09 certificatieschema) is per 3 augustus 2009 algemeen verbindend verklaard voor alle distributeurs die handelen in professionele gewasbeschermingsmiddelen, aldus hebben de leden van de CDA-fractie vernomen. De leden van de CDA-fractie achten het wenselijk dat het zelfreguleringsysteem een plek krijgt bij deze wetswijziging.

De leden van de CDA-fractie vragen zich af of per abuis in dit lid geschreven wordt over «een afnemer», terwijl de Richtlijn én het gewijzigde artikel 73, lid 2 schrijven over «een klant». Of heeft deze verwoording een andere betekenis?

• Artikel 73, lid 2 – distributie

De leden van de CDA-fractie vragen zich af in hoeverre dit lid noodzakelijk is. Immers, het gestelde in het lid vloeit al voort uit het huidige systeem met spuitlicenties. Nederland voldoet op dit punt al aan hetgeen de Richtlijn hier stelt. Of dient het lid zo gelezen worden dat men kleine bedrijven het handelen onmogelijk wil maken? Ook is de term «voldoende personeel» allerminst helder. Wat is de definitie van «voldoende».

• Artikel 73, lid 4 – distributie

De leden van de CDA-fractie wijzen er op dat voorkomen moet worden dat er stapeling ontstaat. Het is hierbij van belang dat «het tijdstip van verkoop» goed uitgelegd moet worden. Dit zal in de praktijk het «moment van bestellen» moeten zijn en bijvoorbeeld niet het moment van levering. Hiermee wordt geregeld dat de voorlichter zijn werk goed behoort uit te oefenen – mede aan de hand van licentie 2 (= huidige regelgeving) en dient voorkomen te worden dat een bezorger in één keer licentieplichtig wordt.

• Artikel 80 – toepassingsmethoden, apparatuur en gebiedsbeperkingen

De leden van de CDA-fractie vragen zich af waarom luchtvaartuigen voor de zekerheid zijn toegevoegd. Kan worden uiteengezet in welke mate luchtvaartuigen nog worden ingezet? Wat is het effect van deze wet op het gebruik van luchtvaartuigen ten behoeve van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen en biociden? De leden van de CDA-fractie vragen zich waarom is afgezien van de mogelijkheid van het vaststellen van productschapsverordeningen in medebewind. Dat is wel degelijk een optie binnen de kaders van het kabinetsbeleid en doet meer recht aan het beleid om de administratieve lasten vanuit de overheid te verlichten. En dan hoeven er nauwelijks wijzigingen plaats te vinden. In Nederland vindt immers de spuitkeuring al meer dan 10 jaar plaats via een verordening van de productschappen. Met als voordeel dat het bedrijfsleven zelf op een efficiëntie en effectieve wijze de spuitkeuring realiseert in plaats van vanuit de overheid. Daarnaast kent de huidige werkwijze een groot draagvlak. De leden van de CDA-fractie vragen om opheldering op dit punt.

Inbreng leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie zijn verheugd dat de wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden nu voor ligt en kunnen zich in hoofdzaak vinden in de wet. De leden van de SP-fractie hebben nog wel een aantal cruciale toevoegingen en vragen.

Ten eerste zijn de leden van de SP-fractie ontstemd over het feit dat de wet in de eerste plaats getekend is door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en in het geheel niet getekend is door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Graag een reactie.

Ten tweede missen de leden van de SP-fractie de toets op gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen voor drinkwaterbronnen. De leden denken dat het heel belangrijk is dat ook dat het College Toelating Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden bij de toelatingsbeoordeling toetst op de gevolgen voor drinkwaterbronnen. Graag horen we of de regering deze maatregel of andere maatregelen wil nemen om het risico van gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te minimaliseren in waterlichamen die bestemd zijn voor de productie van drinkwater.

Hoe effectief de wet, als raamwerk, zal zijn in het verbeteren van het milieu en de veiligheid zal afhangen van de invulling. De invulling ligt bij het Ctgb, haar Europese zusterorganisaties en de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA). Zij zullen in praktijk de zwakte of de kracht in belangrijke mate bepalen. Zonder de kwaliteit van het college of haar leden op voorhand in twijfel te willen trekken vragen de leden van de SP-fractie zich af wat de organisatorische en structurele borging is van de kwaliteit en de wetenschappelijk gefundeerde objectiviteit van het college en haar leden.

Belangrijk aandachtspunt van de SP-fractieleden hierbij is de toegankelijkheid voor lobbyisten van belanghebbende bedrijven en het (gebrek aan) inzicht/toezicht hierop. De SP-fractieleden vinden dat afstand tot de politiek voordelen kan hebben voor de technische afwikkeling. Echter, enige afstand van het bedrijfsleven moet naar het inzicht van de leden van de SP-fractie ook gegarandeerd worden; er staan immers grote financiële belangen op het spel. Dit geldt voor Nederland, maar des te meer voor Europa en eventuele individuele lidstaten. Graag horen de leden van de SP-fractie welke garanties de regering gaat inbouwen in Nederland, hoe zij dit onderwerp in Europa gaat aankaarten en hoe zij denkt dat de andere lidstaten hier garanties voor inbouwen, bijvoorbeeld in de vorm van een «code of conduct», en hoe om te gaan met lobbyisten, bedrijfsleven en andere belanghebbenden. Hoe komen de benoemingen in de colleges tot stand? Wat en waar is de invloed van bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties in het algemene proces? De leden van de SP-fractie hechten er groot belang aan dat dit zo openbaar en transparant mogelijk gebeurt, en dat belangenverstrengeling waar mogelijk vermeden wordt. Dit geldt zowel voor het technische gedeelte van de toelatingsprocedure als het politieke gedeelte daarna. De leden van de SP-fractie vragen zich af hoe transparantie, verantwoording en inspraak/invloed precies geregeld zijn.

Een ander groot punt van zorg is de capaciteit in de verschillende EU-lidstaten. Het is ongetwijfeld een feit dat de kwaliteit van de verschillende colleges van verschillende lidstaten zal variëren, evenals de strengheid waarmee ze oordelen. Hoe wordt voorkomen dat er een »race to the bottom» ontstaat waarbij alle aanvragen gaan naar het land dat de regels het soepelst interpreteert of een kwalitatief slecht college heeft? Zijn hier «checks en balances»? Is er een evaluatiemoment? De leden van de SP-fractie vragen zich af of het vrijlaten in welke lidstaat aangevraagd kan worden in deze de beste keus was. Graag ontvangen de leden van de SP-fractie de toezegging dat deze zaken in Nederland netjes geregeld worden en in Europa aangekaard worden (waarbij ook Nederlandse «best practices» kunnen worden aangedragen). Ook willen de leden van de SP-fractie de toezegging dat de Tweede Kamer een rapportage krijgt over twee á drie jaar, waarbij wordt ingegaan op hoe deze zaken in de praktijk uitgewerkt zijn («race to the bottom», de invloed van belanghebbenden, de onafhankelijke houding van de colleges en transparantie).

Nederland heeft specifieke kenmerken qua waterhuishouding, bodemgesteldheid etcetera en daarom moet niet elk gewas automatisch worden toegelaten, maar is een extra landelijke check noodzakelijk. De leden van de SP-fractie vinden het van cruciaal belang dat Nederland en andere lidstaten de mogelijkheid hebben om op basis van waterhuishouding, bodemgesteldheid, milieu en volksgezondheid de toelating van een gewasbeschermingsmiddel te verbieden, dan wel aanvullende eisen te stellen aan het gebruik. Graag horen de leden van de SP-fractie van de regering hoe zij zich hiervoor in gaat zetten.

De leden van de SP-fractie vinden het een goede zaak dat bestaande, reeds toegelaten middelen kunnen komen te vervallen indien er «aanzienlijk veiliger niet-chemische middelen bestaan of een ander reeds toegelaten gewasbestrijdingsmiddelen...» (paragraaf 8.7 van de memorie van toelichting). Wat betreft de fractie van de SP kan het woord «aanzienlijk» verdwijnen. Los daarvan is de invulling voor interpretatie vatbaar. De invulling en interpretatie hiervan is cruciaal. De leden van de SP-fractie vraagt zich af welke interpretaties daarbij gevolgd zullen worden en wil graag gerust gesteld worden dat dit niet teveel opgerekt zal worden. De leden van de SP-fractie hechten aan een strikte interpretatie hiervan; als er betere alternatieven voorhanden zijn, moeten de meer vervuilende en verouderde middelen het veld ruimen. De leden van de SP-fractie zijn benieuwd hoe het Ctgb eventuele economische belangen en prijsstelling bij dit afwegingskader zal meenemen en wat de instructie in deze is.

De milieubelasting in drinkwaterbronnen is nog steeds te hoog en het gebruik van bestrijdingsmiddelen neemt niet af. De leden van de SP-fractie vinden dat de overheid moet focussen op alternatieve gewasbeschermingtechnieken en vragen de regering hoe ze een dergelijke focus wil borgen. De leden van de SP-fractie vragen de regering om met een nationaal actieplan te komen en andere lidstaten te vragen om ook met een dergelijk actieplan te komen. Zo’n actieplan moet de invoering van geïntegreerde gewasbescherming en andere alternatieve technieken en een vermindering van het gebruik van pesticiden en de bijbehorende risico’s voor de menselijke gezondheid en het milieu als doelstelling hebben. Hierbij moeten duidelijke kwantitatieve doelstellingen, streefcijfers en maatregelen genoemd worden en resultaten gemonitord worden.

Volgens de leden van de SP-fractie is het van groot belang beschermingsgebieden in te richten langs oppervlaktewateren die voor drinkwater worden gebruikt. Er is nog geen wettelijke grondslag voor de provinciale beschermingszones rond oppervlaktewater. De leden van de SP-fractie vragen de regering drinkwaterbeschermingsgebieden en oppervlaktewater wettelijk te verankeren en hiertoe een voorstel te doen toekomen aan de Tweede Kamer.

De regering is uiteindelijk wel verantwoordelijk voor de uitvoering van taken van het college. Volgens de regering biedt de kaderwet ruim voldoende mogelijkheden om sturing te geven aan het college als zelfstandig bestuursorgaan. Dit gaat echter met name om gevallen van taakverwaarlozing. Zoals gezegd vinden de leden van de SP-fractie de op afstand plaatsing een goede keus, maar daarbij moeten wel onafhankelijkheid, kwaliteit en transparantie gewaarborgd zijn. De leden van de SP-fractie zijn benieuwd hoe de regering dit aanpakt.

In een recent interview op www.nefyto.nl/7468/Jan-Boleij-met-pensioen-(2009–1).pdf gaf Jan Boley, die met pensioen gaat, aan dat het Ctgb in zekere zin commercieel gaat worden. De leden van de SP-fractie vragen zich af hoe de regering een commercialisering van het Ctgb beziet en waar in het huidige beleid op gestuurd wordt. Graag willen de leden van de SP-fractie weten op welk besluitvormingstraject van de regering deze vermeende commercialiseringrichting gestoeld is en of hier sprake is van nieuw beleid. De heer Boleij gaf aan een spanning te zien tussen de onafhankelijkheid en de commercialisering. Hoe ziet de regering dit en welke maatregelen zijn er of komen er om echte onafhankelijkheid te garanderen?

Verder vragen de leden van de SP-fractie zich af hoe de samenwerking is met het RIVM en het Rikilt betreffende het tot stand komen van adviezen en of er verschil in deze is, gezien de verschillende publieke dan wel private status van de betreffende instituten.

In zijn algemeenheid vragen de leden van de SP-fractie hoe het zit met interdisciplinaire samenwerking en de vertegenwoordiging van verschillende disciplines zoals de relatie met menselijke gezondheid, drinkwater en milieu. Hoe is de samenwerking met de Voedsel en Warenautoriteit, met name het Bureau Risicobeoordeling en Onderzoeksprogrammering in deze betreffende handhaving en risicobeoordeling?

De leden van de SP-fractie vragen zich af of handel op internet afdoende is afgetimmerd en of hier controle op komt.

In de praktijk kan het zo zijn dat particulieren middelen mogen gebruiken die professioneel niet gebruikt mogen worden. Wat de leden van de SP-fractie betreft wordt dit gelijkgetrokken en mogen ook particulieren geen sterk vervuilende of verouderde middelen gebruiken. De leden van de SP-fractie vragen zich af hoe dit de praktijk gaat wijzigen met de nieuwe wetgeving.

Artikelgewijze opmerkingen

• Artikel 2

De leden van de SP-fractie zijn content met het artikel 2a over de zorgplicht. Wat de leden van de SP-fractie betreft kan hieraan een voorbeeld genomen worden voor wetgeving op andere terreinen, bijvoorbeeld betreffende maatschappelijk verantwoord ondernemen.

• Artikel 39

Betreffende artikel 39, Tijdelijk verbieden, vragen de leden van de SP-fractie zich af waarom het woord «tijdelijk» hierbij staat. Een middel dat een ernstig risico inhoudt wil je immers het liefst permanent verbieden.

De leden van de SP-fractie hechten aan heldere voorlichting en etikettering richting consumenten over hoe vervuilend en gevaarlijk een middel feitelijk is en aan de promotie van niet-vervuilende alternatieven. De leden van de SP-fractie vragen zich af wat de initiatieven van de regering zijn om dit te bevorderen en of de regering bereid is om een «ranking» (bijvoorbeeld met een kleurenschema) aan te brengen en het nog inzichtelijker te maken.

• Artikel 72

Mogen de leden van de SP-fractie aannemen dat met artikel 72 ook het aanbieden op internet verboden is?

• Artikel 73

Aangaande artikel 73 zijn de leden van de SP-fractie verheugd dat er ook informatie over alternatieve bestrijdingsmethoden gegeven moet worden. Graag zien de leden van de SP-fractie dat in dit artikel ook het beschikbaar stellen van de informatie op internet verplicht wordt gesteld, waarbij dit uiteraard goed toegankelijk en makkelijk vindbaar moet zijn.

Inbreng leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA Tweede Kamerfractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel en willen de regering nog enkele vragen en opmerkingen voorleggen.

De leden van de PvdA-fractie wijzen er op dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen de laatste 15 jaar gehalveerd is, maar dat toch het aantal wilde dier-, insecten- en plantensoorten afneemt, zo blijkt uit onderzoek van de Wageningen Universiteit (Geiger et al. In Basic & Applied Ecology Jan 2010. http://dx.doi.org/10.1016/j.baae.2009.12.001). Uit de Milieubalans 2009 blijkt dat de afname van de belasting van het oppervlaktewater door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen stagneert. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen is in 2008 gegroeid naar gemiddeld 6,8 kg per hectare, terwijl dit in 2004 nog 6,4 kg per hectare was (bron: CBS, 26 mei 2010). Deze cijfers geven reden tot zorg.

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat het terugbrengen van het gebruik momenteel voor een groot deel op vrijblijvende maatregelen stoelt, en dat dit een negatief effect heeft op de effectiviteit. Daarom vindt de PvdA-fractie dat serieus ingezet moet gaan worden op een verdere vermindering van het gebruik en daarmee een vermindering van de risico’s en gevolgen van het gebruik van bestrijdingsmiddelen voor mens, dier en milieu, met hierbij een veel duidelijkere focus op alternatieve gewasbeschermingstechnieken en -middelen.

In hoofdstuk 4.1 van de memorie van toelichting is te lezen dat de richtlijn de EU-lidstaten verplicht een nationaal actieplan te maken. Lidstaten moeten op basis van kwantitatieve doelstellingen, streefcijfers en maatregelen duidelijke doelen voor reductie stellen. Hoe gaan deze doelen en maatregelen gemonitord worden? Op welke wijze zal het publiek worden betrokken bij het plan?

In hetzelfde hoofdstuk 4.1 wordt verwezen naar artikel 11 dat voorziet in passende maatregelen om het aquatisch milieu en de drinkwatervoorziening te beschermen tegen de effecten van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. De verordening introduceert de zonale toelatingsprocedure. De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat Nederland de mogelijkheid moet hebben om de toelating van een gewasbeschermingsmiddel te verbieden, op basis van specifiek Nederlandse omstandigheden in bijvoorbeeld waterhuishouding, bodemgesteldheid, milieu en volksgezondheid. Is dit op basis van uitzonderingsbepalingen en eisen zoals deze nu voorliggen mogelijk?

De leden van de PvdA-fractie willen voorts graag weten of bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden door het Ctgb ook getoetst wordt op de gevolgen voor drinkwaterbronnen. Hoe wordt het risico van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de buurt van drinkwatergebieden geminimaliseerd, worden hiervoor vanuit de overheid maatregelen genomen?

Artikelgewijze opmerkingen

• Artikel 80, bepaling IJ

Bepaling IJ (artikel 80) bevat de grondslagen voor nadere regels ter uitvoering van de Richtlijn duurzaam gebruik. Lidstaten moeten er zorg voor dragen dat het gebruik van gewasbeschermings-middelen in specifieke gebieden wordt geminimaliseerd of verboden. De leden van de PvdA-fractie stellen vast dat er geen wettelijke grondslag voor beschermingszones rond oppervlaktewater is. Zij zijn daarom van mening dat er beschermingsgebieden langs oppervlaktewateren die voor drinkwater worden gebruikt ingericht dienen te worden. Is de regering het met de leden van de PvdA-fractie eens dat de regels voor bescherming van oppervlaktewater dat voor drinkwater wordt gebruikt nationaal moeten worden vastgesteld?

Inbreng leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met de implementatie van Europese regelgeving op het gebied van het op de markt brengen en het duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. De leden hebben hier nog enige vragen over. De leden van de VVD-fractie willen graag van de regering klip en klaar duidelijk hebben dat Nederland niet zal afwijken van de EU-gewasbeschermingsmiddelenverordening. Kan door de regering gegarandeerd worden dat, ondanks de relatief trage implementatie, vastgehouden wordt aan het EU-besluit zonder dat Nederland extra maatregelen toevoegt?

Wat betreft de werkzame stoffen zijn de leden van de VVD-fractie benieuwd welke stoffen voor de Nederlandse markt op termijn zullen verdwijnen. Zijn er werkzame stoffen die in Nederland, na inwerkingtreding van de wet, verboden zullen worden en in andere EU-lidstaten nog wel gebruikt mogen worden? Welke teelten binnen Nederland kunnen door de wijzigingen in de wet niet meer met de huidige gewasbeschermingsmiddelen behandeld worden?

De leden van de VVD-fractie vrezen dat, door de wijzigingen in de wet, de industrie naar nieuwe en milieuvriendelijke werkzame stoffen zal moeten zoeken. Dit zal de kostprijs voor agrarische ondernemers verhogen. Hoe gaat de regering hierop anticiperen? De leden van de VVD-fractie willen van de regering daarnaast ook graag duidelijkheid over de kosten voor Nederlandse agrarische ondernemers van de gewasbeschermingsmiddelen bij implementatie van deze wet in vergelijking met de huidige situatie. Wat zijn de concrete effecten voor de gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen in Nederland, bij implementatie van deze wet?

Wat betreft de registratie van de pesticiden binnen de EU zijn de leden van de VVD-fractie benieuwd hoe de uitvoering van de statistieken van gewasbeschermingsmiddelen uit zal pakken. De VVD-fractieleden vrezen voor een verhoging van de bureaucratische rompslomp. Wat zijn de concrete consequenties voor de Nederlandse agrarische ondernemers?

Verder willen de VVD-fractieleden graag van de regering weten of deze wet ook van toepassing zal zijn op gewone gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen en niet alleen op de professionele gebruikers.

Artikelgewijze opmerkingen

• Artikel 39

De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat uit de opsomming in artikel 39 Wgb het zaaizaad moet worden geschrapt. Het is namelijk geen taak van de Wgb om andere risico’s van het zaaizaad te beoordelen, dan de risico’s die samenhangen met het op het zaaizaad toegepaste middel of de stof. Hoe staat de regering hier tegenover?

• Artikel 73

Wat betreft de memorie van toelichting artikel 73 Wgb is naar de mening van de VVD-fractieleden enige verduidelijking op zijn plaats. Artikel 6 van de richtlijn beoogt sluiting van de keten door een bewijs van vakbekwaamheid van de verkoper. In de memorie van toelichting wordt een bewijs van vakbekwaamheid gekoppeld aan een professionele gebruiker of andere afnemer. Kan de regering deze onduidelijkheid toelichten?

• Artikel 80

Ten aanzien van de keuring van de in gebruik zijnde apparatuur willen de VVD-fractieleden graag weten of de keuring zoals die nu voor het bedrijfsleven is geregeld blijft gehandhaafd.

Inbreng leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel tot wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. De leden zien de voordelen die de implementatie van Europese regelgeving biedt, zoals de zonale toelating van gewasbeschermingsmiddelen. De leden hebben nog wel enkele vragen.

Nederland kent veel kleine teelten, die elk een effectief pakket aan gewasbeschermingsmiddelen verdienen. Nederland heeft veel kennis en expertise op het gebied van kleine teelten, ook als het gaat om (geïntegreerde) gewasbescherming en toelatingsbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen gericht op deze teelten. De leden van de SGP-fractie vragen zich af wat de kansen en bedreigingen zijn van de nieuwe Europese regelgeving en het voorliggende wetsvoorstel voor de kleine teelten en de kennis en expertise die Nederland op dit gebied heeft.

Het wetsvoorstel biedt ruimte voor de zonale toelating van gewasbeschermingsmiddelen. De leden van de SGP-fractie achten het bij een zonale toelatingsprocedure van belang dat de nationale beoordelingsmethodieken van de verschillende lidstaten in een zone niet te ver uiteenlopen en dat «nationale koppen» zoveel mogelijk vermeden worden. Deelt de regering deze mening? Is de regering bereid de, via de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden, nationaal aangewezen beoordelingsmethodieken in dit licht te heroverwegen?

De leden van de SGP-fractie willen bijvoorbeeld wijzen op de toetsing van de invloed op de oppervlaktewaterkwaliteit. In Nederland moet voldaan worden aan doelen die voortvloeien uit een nationale, vrij gedetailleerde, uitwerking van de Kaderrichtlijn water. Hiervoor moet bij toelating in Nederland extra geïnvesteerd worden in onderzoek naar de effecten van gewasbeschermingsmiddelen op aquatische organismen. In alle andere lidstaten zijn deze extra investeringen niet nodig, omdat de Kaderrichtlijn water minder gedetailleerd is uitgewerkt en vergaande verfijning van de risicobeoordeling niet nodig is. De leden achten het wenselijk dat deze en andere «nationale koppen» heroverwogen worden. Dat zou ook in lijn zijn met de aangenomen motie van de leden Neppérus en Van der Staaij (Kamerstuk 27 625, nr. 146), waarin gevraagd wordt om met het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water niet uit de pas te lopen ten opzichte van andere Europese landen.

De zonale beoordeling mag volgens verordening (EG) 1107/2009 maximaal twaalf maanden in beslag nemen. De leden van de SGP-fractie vragen zich af of dit voor het Ctgb een haalbare termijn is.

Een nevenaspect van de toelatingsprocedure is de vraag naar kennis over de werking, effectiviteit en negatieve bijwerkingen van gewasbeschermingsmiddelen. De onderzoeksopdrachten die hieruit voortvloeien dragen bij aan het kennisniveau en het aanzien van en de werkgelegenheid voor onderzoeksinstellingen die verbonden zijn met de agrarische sector. Als een gewasbeschermingsmiddel de toelatingsprocedure moet doorlopen, dan (in het kader van de zonale toelating) het liefst in Nederland. De leden van de SGP-fractie vragen de regering zich hiervoor in te zetten. In dit licht vragen de leden de aandacht voor de tarieven die voor de toelatingsbeoordeling gerekend worden. In Nederland zijn de tarieven in principe kostendekkend. Is de veronderstelling juist dat in veel andere Europese lidstaten de kosten voor toelatingsbeoordeling in belangrijke mate ten laste komen van de collectieve uitgaven? Zo ja, welke consequenties kan dit hebben voor het aanvragen van toelating in Nederland en het aantrekken van daarbij behorende onderzoeksopdrachten? Is de regering bereid zorg te dragen voor tarieven die meer in de pas lopen met de tarieven die andere lidstaten voor de toelatingsbeoordeling hanteren en doorberekenen?

Artikelgewijze opmerkingen

• Artikel 73

De leden van de SGP-fractie vragen zich af of artikel 73 en de toelichting daarop een juiste interpretatie zijn van artikel 6, lid 2, van de Europese richtlijn voor duurzaam gebruik. Uit artikel 73 en de toelichting daarop valt af te leiden dat de afnemer van een gewasbeschermingsmiddel of biocide voor professioneel gebruik over een geldig bewijs van vakbekwaamheid moet beschikken. De leden van de SGP-fractie lezen in artikel 6, lid 2, van de richtlijn voor duurzaam gebruik echter: «De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen om de verkoop van pesticiden die voor professioneel gebruik zijn toegelaten, te beperken tot personen die houder zijn van het in artikel 5, lid 2, bedoelde certificaat.» Naar de mening van de leden van de SGP-fractie doelt de richtlijn op een geldig bewijs van vakbekwaamheid voor de personen, die in dienst zijn van een distributeur, en de gewasbeschermingsmiddelen en biociden daadwerkelijk verkopen en daarbij ook de nodige voorlichting moeten geven, en niet op de afnemers van deze producten. Graag horen de leden van de SGP-fractie wat de bedoeling is van artikel 6, lid 2, van de Europese richtlijn.

• Artikel 80

De leden van de SGP-fractie vragen zich af welke consequenties artikel 8 van de Europese richtlijn voor duurzaam gebruik en het daarvan afgeleide artikel 80 van het voorliggende wetsvoorstel hebben voor de wijze waarop in Nederland de periodieke keuring van apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen al jarenlang is vormgegeven. De leden willen pleiten voor het handhaven van de verordeningen van het Productschap Tuinbouw en het Productschap Akkerbouw inzake de keuring van spuitapparatuur.

Inbreng leden van de PvdD-fractie

De leden van de fractie van de PvdD hebben kennis genomen van het Wetsvoorstel ter implementatie van Europese regelgeving op het gebied van het duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, alsmede van de voortgang van het Convenant Duurzame gewasbescherming en de beantwoording van de vragen over de wet gewasbeschermingsmiddelen. De leden hebben hier enkele opmerkingen en vragen over.

Het stelt de leden van de fractie van de PvdD teleur dat de afgesproken reductie van 95% van de impact van bestrijdingsmiddelen niet gehaald zal worden. Uit de evaluaties blijkt dat het middelengebruik in Nederland nog steeds veel te hoog is en dat dit zelfs stijgt in plaats van afneemt. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren begrijpen dan ook niet waar het optimisme van de regering ten aanzien van de voortgang van het convenant vandaan komt. De Partij voor de Dieren wijst op de behoefte aan actuele cijfers over de werkelijke milieubelasting door bestrijdingsmiddelen tegemoet. Wanneer kunnen de leden van de Tweede Kamer deze cijfers tegemoet zien?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren maken zich zorgen over de gevolgen van het hoge gebruik van bestrijdingsmiddelen voor de biodiversiteit en voor de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater en de bodem. Deze leden gaan ervan uit dat de regering, gelet op de niet behaalde reducties, deze zorgen deelt. De fractie van de Partij voor de Dieren gaat er ook van uit dat de milieudoelen gehandhaafd blijven en niet naar beneden worden bijgesteld. Graag een bevestiging van deze punten door de regering.

Nu geconstateerd moet worden dat vrijwillige afspraken onvoldoende bijdragen aan de reductie van de milieubelasting als gevolg van bestrijdingsmiddelen is de vraag op welke wijze de regering precies gaat bijsturen om de afgesproken doelen wel te halen. Is de regering voornemens om op korte termijn met nieuwe regelgeving te komen om zeker te stellen dat de milieubelasting van het oppervlaktewater inderdaad met ten minste 95% gereduceerd wordt? Zo ja, op welke termijn en wijze zal dit gebeuren? Zo nee, waarom niet en op welke wijze wordt er dan wel voor gezorgd dat de belasting van bestrijdingsmiddelen omlaag gaat? Waarom is de huidige wetswijziging niet aangegrepen om wijzigingen door te voeren die hiertoe bij kunnen dragen? De leden van de PvdD-fractie achten het onwenselijk als met aanvullende regelgeving gewacht wordt tot na het aflopen van de convenantperiode in 2011. Deelt de regering de mening dat het waarborgen van de milieukwaliteit snel ingrijpen vereist?

De leden van de fractie van de PvdD lezen in de voortgang van het convenant Duurzame Gewasbescherming dat er een certificatiestelsel in werking is getreden dat onder andere betrekking heeft op het aanprijzen van bestrijdingsmiddelen. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden reclame voor bestrijdingsmiddelen überhaupt een weinig duurzame gedachte en zijn benieuwd of de regering daar ook zo over denkt. Voor wat betreft het certificatiestelsel vragen de leden van de PvdD-fractie zich af aan welke voorschriften nu precies moet worden voldaan bij de marketing van bestrijdingsmiddelen. En welk effect de regering hier precies van verwacht. Kan de regering (tussen)doelen stellen waarop haar aanpak na verloop van tijd door de leden van de Tweede Kamer kan worden beoordeeld?

In dit kader vragen de leden van de PvdD-fractie de regering tevens te reageren op uitspraken van prof. Van Lenteren in zijn afscheidsrede aan de Universiteit Wageningen. Hij wees er op dat de bestrijdingsmiddelenindustrie en de overheid de toepassing van biologische bestrijding belemmeren en dat biologische bestrijding hierdoor nog steeds slechts een marginale rol speelt in de landbouw. Prof. Van Lenteren wees er verder op dat de lage prijs van bestrijdingsmiddelen een oorzaak is voor de nog te geringe toepassing van biologische bestrijders en hij stelde voor de milieukosten van de chemische middelen te verrekenen in de kostprijs. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden dit een interessant idee en vragen de regering hierop in te gaan, indachtig het «de vervuiler betaalt-principe». Welke mogelijkheden ziet de regering voor het internaliseren van de milieukosten van bestrijdingsmiddelen in de kostprijs van deze producten? Ziet de regering, met de leden van de fractie van de PvdD, hierin een kans om het gebruik van chemische middelen verder te reduceren? Op welke wijze wil de regering bewerkstelligen dat vaker gebruik wordt gemaakt van biologische bestrijders? En hoe ziet zij de rol van de overheid met betrekking tot biologische bestrijders? Deelt de regering de mening dat de overheid tot nu toe een belemmerende rol hierin heeft gespeeld? Op welke wijze is zij voornemens dit te veranderen?

Nefyto, de brancheorganisatie van de agrochemische industrie in Nederland, heeft kennelijk een voorstel gedaan om Nederland te positioneren als hèt Europese centrum voor kleine toepassingen. De leden van de fractie van de PvdD zijn daar verbaasd over, gezien de afspraak dat de milieudruk van bestrijdingsmiddelen moet worden verminderd. Wat doet een voorstel van een organisatie die de belangen van de producenten van chemische bestrijdingsmiddelen behartigt eigenlijk in de voortgangsrapportage van een convenant dat erop gericht is de milieudruk van deze middelen te verminderen? De leden van de PvdD-fractie krijgen hier graag meer uitleg over.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren maken zich zorgen over het effect van een verdere harmonisering van het toelatingsbeleid voor bestrijdingsmiddelen op het milieu dat middels de voorliggende wetswijziging wordt geïmplementeerd. De gedwongen wederzijdse erkenning van nationale toelatingen binnen een zone en de eenzijdige toelating van o.a. behandeld zaaizaad voor de hele Unie kunnen volgens de leden van de PvdD-fractie een zeer schadelijk effect hebben op het milieu. Kan de regering nader specificeren in welke mate en op welke wijze Nederland de bevoegdheid behoudt om eigen toelatingen te doen en om eigen regels te stellen omtrent het op de markt brengen en het gebruik van bestrijdingsmiddelen? Kan de regering voorbeelden geven van nationale omstandigheden die het afwijken van een toelatingsbesluit door een andere lidstaat wel of niet rechtvaardigen? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren achten het essentieel voor de bescherming van de kwaliteit van onze leefomgeving dat Nederland naar eigen inzicht middelen kan verbieden met het oog op het milieu of de volks- en diergezondheid. Deelt de regering deze mening en op welke wijze wil zij daar uitvoering aan geven?

Kan de regering uiteenzetten welke gevolgen de verordening heeft voor de reeds toegestane of juist verboden middelen in de verschillende lidstaten? Enkele lidstaten hebben bijvoorbeeld een verbod uitgevaardigd op het gebruik van imidacloprid. Welk effect zal de verordening hierop hebben? Is het waar dat deze nationale verboden in stand gehouden kunnen worden? Op welke wijze kan een lidstaat na het van kracht worden van de verordening in de toekomst nog zulke verboden uitvaardigen, gesteld dat een andere lidstaat gelegen in dezelfde zone wel een toelating verschaft voor hetzelfde middel? Indien dit niet mogelijk is, kan de regering dan uiteenzetten op welke wijze het milieu hierbij gebaat is?

De leden van de fractie van de PvdD maken zich zorgen over de kwaliteit van het oppervlaktewater in relatie tot bestrijdingsmiddelen. Het is in de ogen van deze leden noodzakelijk de milieubelasting van het oppervlaktewater door bestrijdingsmiddelen drastisch te reduceren, zeker waar het gaat om oppervlaktewater dat gebruikt wordt voor de productie van drinkwater. De Richtlijn duurzaam gebruik biedt lidstaten de mogelijkheid gebieden aan te wijzen waar het gebruik van bestrijdingsmiddelen wordt verboden. De leden van de PvdD-fractie achten het wenselijk dat zowel Natura 2000-gebieden, belangrijke Kaderrichtlijn Water-gebieden als oppervlaktewateren die gebruikt worden voor de productie van drinkwater als beschermde gebieden aangewezen worden, zodat het gebruik van bestrijdingsmiddelen daarbinnen daadwerkelijk geminimaliseerd kan worden. Deelt de regering deze mening, en op welke wijze wil de regering hier uitvoering aan geven? Zo nee, hoe zal de regering dan de kwaliteit van het oppervlaktewater dusdanig gaan verbeteren en borgen dat de drinkwatervoorziening niet in gevaar komt? Op welke wijze worden bestrijdingsmiddelen getoetst bij een aanvraag voor toelating op de gevolgen op de waterkwaliteit, en specifiek op de gevolgen voor drinkwaterbronnen? Acht de regering de huidige wijze van toetsen afdoende om risico’s uit te sluiten? Wanneer andere lidstaten de toetsing voor een toelating op zich nemen, hoe kan er voor gezorgd worden dat ook deze toets voldoende waarborg geeft voor de gewenste milieukwaliteit van onder andere drinkwaterbronnen? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren maken zich hier zorgen over. Zij stellen voor om ook bij een toelatingsaanvraag voor een zone waarbij een andere lidstaat de toetsing op zich neemt, het Ctgb te vragen een toetsing uit te voeren van dit middel. Deelt de regering de mening dat dit een beter en betrouwbaarder beeld van de effecten van de toelating zal geven? Is zij bereid het college te vragen altijd een nationale toetsing uit te voeren voor een toelating, ook als een andere lidstaat ook een toetsing uitvoert? Zo nee, waarom niet en hoe kan dan de kwaliteit van de Nederlandse leefomgeving gewaarborgd worden?

De leden van de fractie van de PvdD zijn benieuwd naar de inhoud die gegeven zal worden aan het nationale actieplan. Welke ideeën bestaan daar momenteel over? Zal dat actieplan ook stevig inzetten op alternatieven voor chemische bestrijding, en zo ja, op welke wijze? Welke partijen zullen betrokken worden bij het opstellen van het actieplan? Zullen dat alleen de gebruikers, producenten en handelaren van bestrijdingsmiddelen zijn, of worden hierbij ook andere belanghebbenden betrokken, zoals milieu- en natuurorganisaties, burgers en drinkwaterbedrijven? Wanneer zal er gestart worden met het opstellen van dit plan, en wanneer begint de consultatieperiode?

De leden van fractie van de PvdD zijn verbaasd en teleurgesteld over de opstelling van de regering en de partners in het convenant wat de «kleine teelten» betreft. Kan de regering inzicht geven op welke wijze de inzet op veel bestrijdingsmiddelen in kleine teelten zou bijdragen aan duurzame landbouw en een gezonde leefomgeving? Zou de inzet niet veel meer moeten zijn gericht op het uitdragen van bijvoorbeeld de resultaten van de pilots met functionele agrobiodiversiteit (FAB), waaruit blijkt dat met de inzet van akkerranden chemische bestrijding niet nodig is?

Op welke wijze wordt bepaald welke stoffen «onmisbaar» zouden zijn, en op welke wijze worden deze stoffen dan getoetst op milieu- en gezondheidseffecten? Welke invloed heeft een negatief advies vanuit het oogpunt van volks- of diergezondheid of milieueffecten nog wanneer een stof eenmaal als «onmisbaar» wordt gekenmerkt? Hoe verloopt de procedure in het toelaten van «onmisbare» stoffen?

De leden van fractie van de PvdD maken zich zorgen over de uitwerking van de artikelen 53 en 54 van de verordening in het voorliggende wetsvoorstel. De verordening geeft aan dat ook bijzondere omstandigheden en experimenteel gebruik toelating vereisen. Waarom is er in het voorliggende wetsvoorstel voor gekozen dit niet over te nemen, maar hier een afwijking van het bestaande toetsingskader van te maken? Welke consequenties heeft dit voor de toelatingsprocedure? Kan de regering uiteenzetten welke omstandigheden worden gekenmerkt als «bijzonder» en hoe de procedure verloopt bij dit soort aanvragen? Hoe is de bevoegdheid hiervoor vormgegeven? Welke rol speelt de regering in het toestaan van afwijkingen, en welke rol speelt het Ctgb hierin?

De voorzitter van de commissie,

Atsma

De adjunct-griffier van de commissie,

Peen