Gepubliceerd: 14 juli 2010
Indiener(s): Tineke Huizinga (minister volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer) (CU)
Onderwerpen: criminaliteit energie natuur en milieu openbare orde en veiligheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32357-7.html
ID: 32357-7
Origineel: 32357-2

Nr. 7 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 14 juli 2010

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

A

Voor onderdeel A worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

aA

In artikel 1.1, eerste lid, wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd:

energie uit hernieuwbare bronnen: energie geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van richtlijn nr.2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU L 140);.

bA

Artikel 2.2 wordt als volgt gewijzigd.

1. In het eerste lid wordt «de hoofdstukken 16 en 18» vervangen door: de hoofdstukken 16 en 18 en titel 12.4.

2. Aan het slot van het tweede lid, onderdeel d, wordt ingevoegd: alsmede over de overige aspecten van duurzaamheid van in Nederland te gebruiken brandstoffen en elektriciteit ten behoeve van vervoer.

B

In onderdeel A, artikel 9.2.2.6a, eerste lid, wordt «transport» vervangen door: vervoer.

C

Er worden vier onderdelen toegevoegd, luidende:

E

Aan hoofdstuk 12 wordt een titel toegevoegd, luidende:

Titel 12.4. Registratie gegevens brandstoffen en elektriciteit uit hernieuwbare bronnen ten behoeve van vervoer

Artikel 12.31

  • 1. Er is een register dat de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur genoemde gegevens bevat over in Nederland te gebruiken brandstoffen en elektriciteit uit hernieuwbare bronnen ten behoeve van vervoer, die behoren tot een bij die maatregel aangewezen categorie.

  • 2. Het register bevat in elk geval door ondernemingen die brandstoffen ten behoeve van vervoer aan een ander ter beschikking stellen en behoren tot een bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, aangewezen categorie, te openen rekeningen. Bij die maatregel kunnen regels worden gesteld omtrent op vrijwillige basis door andere ondernemingen openen van rekeningen.

  • 3. Het register wordt beheerd door de emissieautoriteit.

  • 4. De ondernemingen, bedoeld in het tweede lid, leveren de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en beheren de rekeningen, bedoeld in het tweede lid, volgens bij ministeriële regeling gegeven regels.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent:

    • a. de werking, organisatie, beschikbaarheid en beveiliging van het register, en

    • b. het openen, bijhouden en opheffen van rekeningen als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 12.32

  • 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat voor het openen, bijhouden en opheffen van rekeningen als bedoeld in artikel 12.31, tweede lid, vergoedingen verschuldigd zijn overeenkomstig bij die regeling te stellen regels.

  • 2. Bij de regeling, bedoeld in het eerste lid:

    • a. wordt de hoogte van de vergoeding vastgesteld, welke niet hoger is dan noodzakelijk is ter dekking van de ten laste van de emissieautoriteit komende kosten van het verrichten van de werkzaamheden waarvoor de vergoeding is verschuldigd, en

    • b. worden regels gesteld omtrent de wijze waarop de vergoeding wordt betaald.

F

Artikel 18.2f wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 18.2b, eerste lid, draagt de emissieautoriteit zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9.2.2.1, eerste lid, voor zover dat betrekking heeft op het aan een ander ter beschikking stellen van brandstoffen ten behoeve van vervoer, 9.2.2.6a en 9.2.3.4, derde lid, en titel 12.4.

G

Na artikel 18.6a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 18.6b

In geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9.2.2.1, eerste lid, voor zover dat betrekking heeft op het aan een ander ter beschikking stellen van brandstoffen ten behoeve van vervoer, 9.2.2.6a of 12.31, vierde lid of vijfde lid, onderdeel b, kan het bestuur van de emissieautoriteit een last onder dwangsom opleggen.

H

Na artikel 18.16r worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 18.16s

  • 1. In geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9.2.2.1, eerste lid, voor zover dat betrekking heeft op het aan een ander ter beschikking stellen van brandstoffen ten behoeve van vervoer, 9.2.2.6a of 12.31, vierde lid of vijfde lid, onderdeel b, kan het bestuur van de emissieautoriteit de overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

  • 2. De boete, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste € 450 000 per overtreding, of, indien de omzet van de betrokken onderneming in het boekjaar voorafgaand aan het jaar waarin de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete is gegeven meer dan € 4 500 000 bedraagt, ten hoogste 10% van die omzet.

  • 3. Artikel 18.16e, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18.16t

Indien de overtreding, bedoeld in artikel 18.16s, eerste lid, betrekking heeft op het in een bepaald kalenderjaar aan een ander ter beschikking stellen van de krachtens de artikelen 9.2.2.1, eerste lid, voorgeschreven hoeveelheid brandstoffen ten behoeve van vervoer, die voldoen aan de krachtens artikel 9.2.2.6a gestelde eisen, wordt naast de bestuurlijke boete een verhoging van de hoeveelheid van die in een volgend kalenderjaar aan een ander ter beschikking te stellen brandstoffen opgelegd ter grootte van de hoeveelheid van die te weinig aan een ander ter beschikking gestelde brandstoffen.

D

Artikel IV komt te luiden:

Artikel IV

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Toelichting

Algemeen

1. Inleiding

Deze nota van wijziging voegt een aantal bepalingen toe aan het wetsvoorstel en brengt daarin een redactionele wijziging aan.

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel1 was reeds aangegeven dat nog nader bezien zou worden op welke wijze de uitvoeringsorganisatie vorm gegeven kon worden en dat, voor zover nodig, het wetsvoorstel bij nota van wijziging zou worden uitgebreid.

Deze nota van wijziging regelt de aanwijzing van de Nederlandse emissieautoriteit (hierna: emissieautoriteit) als de organisatie die belast wordt met de uitvoering van de verplichtingen van Nederland en de handhaving van verplichtingen voor ondernemingen inzake het leveren van een aandeel energie uit hernieuwbare bronnen ten behoeve van vervoer. De emissieautoriteit beheert een register waarin informatie over de in de vervoerssector te gebruiken en gebruikte energie uit hernieuwbare bronnen wordt opgeslagen. Daarnaast wordt de emissieautoriteit belast met de bestuursrechtelijke handhaving van de uit richtlijn nr. 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en richtlijn 2003/30/EG (PbEU L 140) (hierna: richtlijn 2009/28/EG) voortvloeiende verplichtingen voor de betrokken ondernemingen.

Ten slotte verzorgt de emissieautoriteit de in richtlijn 2009/28/EG en artikel 7bis van richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van richtlijn 93/12/EEG van de Raad (PbEG L 350)2 (hierna: richtlijn 98/70/EG) inzake de brandstofkwaliteit voorgeschreven rapportages.

2. De uitvoeringsorganisatie

Voor de uitvoering van de bovengenoemde uitvoerings- en handhavingstaken is gezocht naar een bestaande organisatie, waarvan de huidige taken aansluiten bij de taken in het kader van de doelstellingen energie uit hernieuwbare bronnen ten behoeve van vervoer. Dat is bij de emissieautoriteit het geval omdat deze organisatie in het kader van de handel in emissierechten taken heeft die nauw verwant zijn aan hetgeen op grond van onderhavige regelgeving wordt opgedragen aan de emissieautoriteit.

In het kader van de handel in emissierechten is de emissieautoriteit eveneens belast met de inrichting en beheer van een register en toezichts- en handhavingstaken. Ook in dat kader wordt in een register informatie opgenomen die relevant is om te controleren of ondernemingen hun verplichtingen in dat kader nakomen. Dat een aantal ondernemingen, met name de raffinaderijen, onder zowel de verplichtingen inzake de handel in emissierechten als verplichtingen inzake het op de markt brengen van een aandeel energie uit hernieuwbare bronnen voor de vervoerssector vallen, is een samenloop die de keuze voor de emissieautoriteit extra efficiënt maakt; de kennis die de emissieautoriteit heeft opgebouwd met betrekking tot deze ondernemingen kan gebruikt worden voor onderhavige taken.

Het ligt overigens in de rede dat de emissieautoriteit ook een voorlichtende taak op zich neemt en de betrokken ondernemingen gaat ondersteunen bij het gebruik van het register via een helpdesk.

3. Het register

Om de stroom van (bio)brandstoffen te volgen wordt een geautomatiseerd centraal register opgezet dat de administratie van het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen ten behoeve van vervoer faciliteert. Brandstoffen worden immers veelvuldig verhandeld en partijen brandstoffen van diverse aard en afkomst worden gemengd voordat deze op de markt komen.

Het ligt niet in de bedoeling de logistiek van de brandstoffenstromen te wijzigen, dat zou immers te zeer een ingrijpen in gangbare handelspraktijken betekenen. De informatiestroom met betrekking tot de duurzaamheid zal op een efficiënte manier moeten worden beheerd, zodat aan het eind van de keten de ondernemingen op wie een verplichting rust om een bepaalde hoeveelheid biobrandstoffen op de markt te brengen de duurzaamheid van die biobrandstoffen kunnen aantonen. Naast dit kwalitatieve aspect is er het kwantitatieve aspect, namelijk dat ondernemingen aantonen dat zij het voorgeschreven aandeel energie uit hernieuwbare bronnen, die voldoet aan de krachtens artikel 9.2.2.6a van de Wet milieubeheer gestelde duurzaamheidseisen, op de Nederlandse markt hebben gebracht. Ook dit zal met behulp van het register worden gefaciliteerd.

De keuze voor een register is analoog aan systemen die in andere landen worden opgezet. In het register worden gegevens opgenomen van de voor de vervoerssector te gebruiken en gebruikte energie uit hernieuwbare bronnen, waaronder met name de duurzaamheidskarakteristieken van biobrandstoffen. In de voorgestelde opzet zullen ondernemingen in het register hun gegevens met betrekking tot biobrandstoffen, die bestemd zijn voor de Nederlandse markt, opnemen. Zij hebben daartoe, op grond van artikel 12.31, van de Wet milieubeheer en de krachtens dat artikel gestelde regels, een eigen rekening in dat register geopend of laten openen door de emissieautoriteit. Ook de (fysieke of administratieve) doorverkoop van biobrandstoffen naar andere leveranciers zal in het register bijgehouden worden, waarbij een partij biobrandstoffen van de rekening van de leverende onderneming wordt overgeschreven op de rekening van de ontvangende onderneming. Ook kan het register dienst doen om andere vormen van toepassing van energie uit hernieuwbare bronnen ten behoeve van vervoer dan biobrandstoffen te administreren. Daarbij gaat het om met name elektriciteit.

Doordat in het register de biobrandstoffen met de bijbehorende duurzaamheidsinformatie wordt opgenomen hoeven ontvangende ondernemingen niet meer te controleren of de biobrandstoffen voldoen aan de eisen van richtlijn 2009/28/EG. Bij de eerste registratie van biobrandstoffen in het register dienen de betrokken ondernemingen ook gegevens aan te leveren over de onafhankelijke audit die zij hebben laten uitvoeren op basis van een door hen opgestelde norm (artikel 18, derde lid, van richtlijn 2009/28/EG dat zal worden geïmplementeerd in lagere regelgeving op grond van artikel 9.2.2.6a, derde lid, van de Wet milieubeheer). De emissieautoriteit controleert in deze opzet de ingevoerde gegevens en toetst onder meer of de duurzaamheid van biobrandstoffen op een juiste manier is aangetoond, voordat de door ondernemingen ingeboekte stromen worden goedgekeurd voor opname in het register.

Biobrandstoffen die op de Nederlandse markt zijn gebracht ter voldoening aan de jaarlijkse verplichting worden overgeboekt naar een bij de rekening behorend nalevingsoverzicht.

Bijkomend voordeel van de voorgestelde opzet is dat het register de Nederlandse overheid zicht biedt op het nakomen van de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen voor de betreffende ondernemingen. Een centraal register is daarmee van wezenlijk belang voor toezicht en handhaving van deze verplichtingen. In die zin is de inrichting en het beheer van een register een essentiële taak van de emissieautoriteit. Doordat alle relevante informatie in één systeem zit behoeven – behalve bij de uitvoering van steekproeven in het kader van de handhaving – niet meer de afzonderlijke boekhoudingen van de ondernemingen gecontroleerd te worden. Daardoor wordt de controle efficiënter en leidt deze tot minder (administratieve) lasten en wordt het systeem naar verwachting fraudebestendiger.

Bij de inrichting van het register zal zoveel mogelijk worden aangesloten bij de bestaande boekhoudsystemen van de ondernemingen, waarbij met name gedacht wordt aan de thans nog voorgeschreven biobrandstoffenboekhouding en de boekhouding en informatieverstrekking in verband met de afdracht van accijnzen.

Ten slotte zal aan leveranciers van elektriciteit ten behoeve van vervoer en leveranciers van groen gas of biogas aan de vervoerssector de mogelijkheid worden geboden om, op vrijwillige basis, deel te nemen aan het register. Ook zij kunnen de emissieautoriteit verzoeken een rekening te openen in het register.

4. Rapportages

Op grond van de huidige regelgeving (het Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007) zijn de ondernemingen die brandstoffen voor het wegverkeer naar de Nederlandse markt uitslaan thans verplicht jaarlijks te rapporteren over de hoeveelheden brandstoffen en biobrandstoffen die zij hebben geleverd. Doordat de emissieautoriteit de gegevens in het register gaat beheren zal deze verplichting in elk geval voor een groot deel van de te rapporteren gegevens kunnen vervallen (dit wordt geregeld bij de reeds in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel3 aangekondigde vervanging van het Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007). De emissieautoriteit kan immers jaarlijks op basis van de gegevens in het register de rapportage met betrekking tot de naleving van de nationale verplichting voor de levering van energie uit hernieuwbare bronnen ten behoeve van vervoer (zie artikel 22 van richtlijn 2009/28/EG) opstellen.

Daarnaast zal de emissieautoriteit zorg dragen voor het opstellen van de overige rapportages die op grond van richtlijn 2009/28/EG en richtlijn 98/70/EG zijn voorgeschreven en van het openbare overzicht met de gegevens per onderneming over aard, herkomst en duurzaamheidsaspecten van de op de Nederlandse markt gebrachte biobrandstoffen.

5. Toezicht en handhaving

De thans bestaande samenwerking tussen de Belastingdienst en de VROM-Inspectie in het kader van de handhaving van de huidige biobrandstoffenregelgeving wordt als nuttig en efficiënt ervaren. De Belastingdienst heeft als uitvoerder van de accijnswetgeving veel kennis op het terrein van de brandstoffen die op de Nederlandse markt worden gebracht.

De emissieautoriteit heeft in de voorgestelde opzet de bevoegdheid zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving, voor zover die betrekking heeft op het op de markt brengen van brandstoffen en elektriciteit voor vervoer. De VROM-Inspectie blijft, in verband met haar stelselrol op het gebied van toezicht op en handhaving van de milieuregelgeving, hiertoe eveneens bevoegd.

De samenwerking tussen de Belastingdienst en de VROM-Inspectie zal gezien het bovenstaande worden omgezet in een samenwerking tussen de Belastingdienst en de emissieautoriteit.

Naar analogie van de regelgeving met betrekking tot de handel in emissierechten en de Wet milieubeheer in het algemeen is voor de handhaving door de emissieautoriteit gekozen voor bestuursrechtelijke handhaving.

Omdat de in het kader van richtlijn 2009/28/EG gestelde normen in essentie niet verschillen van de overige normen in de Wet milieubeheer en de normen met betrekking tot de handel in emissierechten in het bijzonder ligt een vergelijkbaar handhavingsinstrumentarium voor de hand (een nadere uiteenzetting in dit verband is gegeven in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Implementatiewet EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten4).

6. Administratieve lasten

De wijziging in de administratieve lasten ten opzichte van de bestaande situatie zal pas concreet kunnen worden aangegeven wanneer volledig is uitgewerkt hoe de uitvoering – en dan met name de inrichting van het register – zal worden vormgegeven. Bij het opstellen van deze regelgeving wordt alle moeite gedaan om de administratieve lasten zo laag mogelijk te houden. De verwachting hierbij is dat enkele bestaande verplichtingen, opgenomen in het Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007 en de Regeling administratie biobrandstoffen wegverkeer, zullen kunnen vervallen. De wijze waarop een en ander het beste kan worden vormgegeven is ook uitgebreid besproken met de betrokken brancheorganisaties.

In de toelichting bij de lagere regelgeving zal dan ook uitgebreid worden ingegaan op de wijziging in de administratieve lasten. In algemene zin kan al wel het volgende worden opgemerkt.

Met deze nota van wijziging wordt voor ondernemingen die brandstoffen op de Nederlandse markt brengen een verplichting opgenomen een rekening te openen in een register en die rekening te beheren. De in het register op te nemen gegevens dienen meerdere doelen: misschien wel het belangrijkste is dat zij ondernemingen die bijvoorbeeld in het register opgenomen biobrandstoffen kopen van een andere onderneming de zekerheid bieden dat die biobrandstoffen voldoen aan de eisen van richtlijn 2009/28/EG en derhalve kunnen dienen voor het voldoen aan hun verplichtingen om een bepaalde hoeveelheid biobrandstoffen op de markt te brengen. Daarnaast zorgt het register ervoor dat ondernemingen niet meer apart rapportages hoeven in te dienen in verband met de rapportageverplichtingen van Nederland richting de Europese Commissie.

Tot slot wordt een deel van de informatie in het register gebruikt voor de handhaving van de uit de richtlijn voor de ondernemingen voortvloeiende verplichtingen.

Artikelsgewijs

Onderdeel A

het voorgestelde onderdeel bA

onder 2

Het gaat hier met name om de rapportage ten aanzien van brandstoffen ten behoeve van vervoer die Nederland aan de Europese Commissie moet sturen in verband met artikel 22 van richtlijn 2009/28/EG en de rapportage over de broeikasgasemissiereductie van brandstoffen ten behoeve van vervoer die naar verwachting van de lidstaten zal worden verwacht in het kader van richtlijn 98/70/EG inzake brandstofkwaliteit.

Eerstgenoemde rapportage zal worden ingepast in de rapportage over de totale inzet van energie uit hernieuwbare bronnen, waarvoor het voortouw ligt bij de Minister van Economische Zaken.

Onderdeel B

Het gebruik van het begrip «vervoer» past beter dan het begrip «transport». Ook richtlijn 2009/28/EG spreekt over «vervoer». Ook elders in de Wet milieubeheer wordt het begrip «vervoer» gebezigd. Daarom is dat begrip ook in het reeds voorgestelde artikel 9.2.2.6a van de Wet milieubeheer opgenomen.

Onderdeel C

het voorgestelde onderdeel E

titel 12.4 van de Wet milieubeheer

Op de voorgestelde opzet en inrichting van het register is ingegaan in paragraaf 3 van deze toelichting.

artikel 12.31 van de Wet milieubeheer

Voor wat betreft de aan te wijzen categorie brandstoffen wordt gedacht aan dezelfde energiebronnen als waar de broeikasgasemissiereductie-eisen in eerdergenoemde richtlijn 98/70/EG op ziet, te weten benzine, diesel en biobrandstoffen die worden ingezet ten behoeve van de aandrijving van wegvoertuigen en mobiele machines.

Als ondernemingen die verplicht zijn een rekening in het register te openen en gegevens aan het register te leveren, zullen (in elk geval) worden aangewezen houders van een accijnsgoederenplaats als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de accijns en geregistreerde geadresseerden als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel k, van die wet.

Voor ondernemingen die biogas of elektriciteit ten behoeve van wegvervoer leveren, zal worden bepaald dat zij een rekening kunnen openen in het register. Zij kunnen dan, na aftrek van de ook voor de brandstofleveranciers voor het betreffende jaar geldende kwantitatieve verplichting, de «rechten» (de zogenoemde biotickets) verkopen aan de brandstofleveranciers ter voldoening aan hun uit richtlijn 2009/28/EG voortvloeiende verplichtingen.

artikel 12.32 van de Wet milieubeheer

Voor de jaren 2011 en 2012 is op de begroting van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer geld gereserveerd voor de uitvoering van de onderhavige regels door de emissieautoriteit, waaronder inrichting en beheer van het register.

Het ligt in de bedoeling om daarna, als dus voldoende ervaring is opgedaan en het systeem goed werkt, een kostendekkende vergoeding te vragen voor de werkzaamheden die de emissieautoriteit in dit kader ten behoeve van de betrokken ondernemingen zal verrichten.

de voorgestelde onderdelen F, G en H

Voor de handhavingsbevoegdheden van de emissieautoriteit is zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande bevoegdheden in het kader van de handhaving van de regels omtrent de handel in emissierechten.

Zoals in paragraaf 5 van deze toelichting is aangegeven, blijft de bevoegdheid van de VROM-inspectie tot bestuursrechtelijke handhaving (artikel 18.2b van de Wet milieubeheer) in stand.

artikel 18.16s van de Wet milieubeheer

Aangezien, zeker naarmate de kwantitatieve verplichting voor het op de markt brengen van energie uit hernieuwbare bronnen ten behoeve van vervoer de in richtlijn 2009/28/EG voor 2020 voorgeschreven 10% zal naderen, niet-nakoming hiervan een aanzienlijke kostenbesparing kan opleveren, is de hoogte van de boete – naar analogie van artikel 18.16e, eerste lid, van de Wet milieubeheer – in het voorgestelde artikel 18.16s van de Wet milieubeheer gesteld op maximaal 10% van de omzet van de overtredende onderneming.

artikel 18.16t van de Wet milieubeheer

Indien een onderneming in een kalenderjaar niet de voorgeschreven hoeveelheid brandstoffen uit hernieuwbare bronnen ten behoeve van vervoer op de markt heeft gebracht, wordt de hoeveelheid op de markt te brengen brandstoffen uit hernieuwbare bronnen ten behoeve van vervoer voor een volgend kalenderjaar verhoogd met de hoeveelheid te weinig op de markt gebrachte energie uit hernieuwbare bronnen ten behoeve van vervoer. De op de markt te brengen brandstoffen uit hernieuwbare bronnen ten behoeve van vervoer moeten voldoen aan de krachtens artikel 9.2.2.6a van de Wet milieubeheer gestelde duurzaamheidseisen.

Omdat anders dan bij handel in broeikasgasemissierechten niet eenduidig uit de regelgeving volgt hoeveel energie te weinig op de markt is gebracht, is niet gekozen voor een constructie als opgenomen in artikel 16.39 van de Wet milieubeheer, waarin is bepaald dat de hoeveelheid in te leveren broeikasgasemissierechten van rechtswege wordt verhoogd met het aantal in het voorgaande jaar te weinig ingeleverde broeikasgasemissierechten. Op grond van het voorgestelde artikel 18.16t van de Wet milieubeheer stelt de emissieautoriteit de hoeveelheid extra op de markt te brengen brandstoffen uit hernieuwbare bronnen ten behoeve van vervoer vast.

Omdat niet altijd voor het eind van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin te weinig brandstof uit hernieuwbare bronnen ten behoeve van vervoer op de markt is gebracht, vaststaat dat er te weinig brandstof op de markt is gebracht en hoe groot het tekort is, wordt de verhoging opgelegd in een volgend kalenderjaar – anders dan in artikel 16.39 van de Wet milieubeheer dat de verhoging koppelt aan het eerstvolgende kalenderjaar.

Op deze wijze wordt geborgd dat aan de voor Nederland geldende verplichtingen wordt voldaan.

Onderdeel D

Bij nader inzien is het wenselijk dat de inwerkingtreding van de verschillende onderdelen van het wetsvoorstel verschillend geregeld kan worden. De voorgestelde tekst van artikel IV van het wetsvoorstel voorziet daarin.

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. C. Huizinga-Heringa