Gepubliceerd: 3 maart 2010
Indiener(s): Gerda Verburg (minister landbouw, natuur en voedselkwaliteit) (CDA), Marja van Bijsterveldt (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA)
Onderwerpen: hoger onderwijs onderwijs en wetenschap voortgezet onderwijs
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32270-6.html
ID: 32270-6

32 270
Wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met het uitbreiden van de mogelijkheden om tot leraar te worden benoemd in het voortgezet onderwijs

nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 4 maart 2010

Wij zijn de leden van de verschillende fracties erkentelijk voor hun inbreng. Het doet ons genoegen dat diverse fracties met belangstelling kennis hebben genomen van het wetsvoorstel. Het spreekt voor zich dat bij de leden ook vragen leven. Die vragen zal ik in deze nota naar aanleiding van het verslag beantwoorden, mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Daarbij houd ik de volgorde van het verslag aan.

Inleiding

De leden van de CDA-fractie hebben met instemming kennisgenomen van het wetsvoorstel. Al aan het begin van deze kabinetsperiode heeft de coalitie het afwenden van het dreigende lerarentekort tot één van haar speerpunten van haar beleid gemaakt. Diverse instrumenten zijn ingezet, zoals de invoering van de lerarenbeurs, verbeteringen bij de rechtspositie en de kwaliteitsverbetering van de lerarenopleidingen. In dat kader is ook voorgesteld om bachelorstudenten meer te interesseren voor het vak van leraar. Dit wetsvoorstel beoogt deze mogelijkheden wettelijk mogelijk te maken.

Eerder hebben deze leden zich positief uitgelaten over de contouren van dit wetsvoorstel. In dat overleg heeft een meerderheid van de Kamer de staatssecretaris de ruimte geboden om, vooruitlopend op dit wetsvoorstel, reeds te starten met deze educatieve minor, mits deze van voldoende kwaliteit zou zijn. Deze leden zijn verheugd dat bij tien universiteiten reeds 100 bacheloropleidingen worden aangeboden, die in de ogen van de Nederlands Vlaamse accrediteringsorganisatie (NVAO) als voldoende worden beschouwd. Zij vragen of de regering verwacht dat in de komende periode dat aantal nog zal worden uitgebreid.

Naar aanleiding hiervan merk ik op dat de NVAO in 2009 inderdaad positief heeft geoordeeld over de voorstellen van tien universiteiten. De NVAO heeft van een viertal universiteiten voorstellen ontvangen met het oog op start van de educatieve minor dit najaar op deze universiteiten. Ik verwacht de adviezen van de NVAO op afzienbare termijn te ontvangen.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts, hoeveel studenten momenteel deze educatieve minor volgen.

In september zijn circa tweehonderd studenten gestart met de educatieve minor. In januari is op twee universiteiten opnieuw een groep van start gegaan van in totaal zo’n 87 studenten. Daarmee komt het totaal op 281 studenten.

Deze leden merken op dat met dit wetsvoorstel een beperkte tweedegraads bevoegdheid wordt geïntroduceerd: deze leraren mogen geen les geven aan het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo). Zij vragen, welke opleiding deze studenten nog zouden moeten volgen indien zij die bevoegdheid wel zouden willen halen en hoe lang die opleiding duurt.

In antwoord hierop merk ik het volgende op.

De leraar die een getuigschrift heeft van een bacheloropleiding waarbinnen hij met goed gevolg een educatieve minor heeft gevolgd, is niet alleen bevoegd om in zijn vak les te geven in de eerste drie jaren van havo en vwo maar ook bevoegd voor de theoretische leerweg binnen het vmbo, de mavo. Hij is niet bevoegd voor de andere drie leerwegen, het praktijkonderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs.

Hij kan verschillende wegen bewandelen om ook voor die delen van het onderwijs bevoegd te worden. De meest voor de hand liggende manier is dat hij verder studeert aan de universiteit en een masteropleiding afrondt waarmee hij bevoegd wordt om onderwijs te verzorgen in het voorbereidend hoger onderwijs. Deze «eerstegraads» bevoegdheid is een inclusieve bevoegdheid op grond waarvan hij benoembaar is in het gehele «tweedegraadsgebied». In de masterfase behaalt hij dan 120 studiepunten – vergelijkbaar met nominaal twee studiejaren. Hij kan daartoe eerst een vakmaster van 60 studiepunten en vervolgens een universitaire lerarenopleiding van 60 studiepunten afronden. Een aantal universiteiten biedt deze opleidingen in één educatieve masteropleiding van 120 studiepunten aan.

Een tweede mogelijkheid is dat betrokkene aan een hogeschool een opleiding tot leraar van de tweedegraad afrondt. Dat is een opleiding van 240 studiepunten (nominaal vier studiejaren) die hij op grond van zijn vakbachelor in het wetenschappelijk onderwijs in de vorm van een «kopopleiding» kan afronden. In het algemeen krijgt hij dan van de examencommissie een vrijstelling van 180 studiepunten.

Tenslotte kan betrokkene in een zijinstroomtraject zijn eerste- of tweedegraadsbevoegdheid behalen. Hij krijgt een tijdelijke aanstelling of benoeming van maximaal twee jaren. In die tijd moet hij zijn bevoegdheid in een maatwerktraject behalen. De wet bepaalt dat het bevoegd gezag in bijzondere gevallen die tijdelijke aanstelling of benoeming met nog eens twee jaren mag verlengen.

De leden van de CDA-fractie wijzen op de doorstroming als belangrijk vraagstuk. De bachelorstudent met de educatieve minor zou gestimuleerd moeten worden om alsnog een master lerarenopleidingen te gaan volgen, zo menen deze leden. Zij vragen de regering, aan welke maatregelen zij denkt om deze doorstroming te bevorderen. In de memorie van toelichting wordt gesproken over gezamenlijke afspraken tussen VO-raad (de sectororganisatie voor het voortgezet onderwijs) en universiteiten. Waaruit moeten deze afspraken minimaal bestaan?

De leden van de CDA-fractie wijzen terecht op het belang van doorstroming naar een educatieve master, want met de invoering van de educatieve minor wordt beoogd dat het aantal academisch opgeleide docenten in de bovenbouw van havo en vwo zal toenemen. De universiteiten en de VO-scholen spelen een belangrijke rol bij het bevorderen van de doorstroom. In mijn brief van 20 maart 2009 (Kamerstukken II, 2008/09, 27 923, nr. 75) heb ik aangegeven dat VSNU en VO-raad op dat punt afspraken hebben gemaakt. Scholen en universiteiten kunnen en moeten ieder van hun kant het nodige doen om die doorstroom te bevorderen. Maatregelen die scholen kunnen treffen, zo hebben VO-raad en VSNU afgesproken, zijn bijvoorbeeld het zorgen voor een goede begeleiding in een stevig inductieprogramma op een (opleidings)school, het inbouwen van een financiële prikkel voor de leraar algemeen voortgezet onderwijs en het ervoor zorgen dat de leraar tijd heeft om de masteropleiding te volgen. Universiteiten dragen bij aan stimulering door de vakmaster en educatieve master in deeltijd of duale vorm op een opleidingsschool aan te bieden, zodat deze naast een leraarsbaan gevolgd kunnen worden. Bovendien zullen zij op individuele basis vrijstellingen kunnen verlenen voor onderdelen van de educatieve master die de individuele student al voldoende beheerst.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij zien de educatieve minor als een deeloplossing voor het lerarentekort omdat universitaire bachelorstudenten op die manier geïnteresseerd kunnen raken in het lerarenberoep zonder dat de kwaliteit van het onderwijs dat er wordt geboden, daaronder mag en zal lijden. De Kamer heeft in het verleden brede steun betuigd voor een snelle invoering van de educatieve minor en de leden zijn tevreden dat de regering hiermee voortvarend aan de slag is gegaan.

Ik neem hier verheugd kennis van.

De leden van de PvdA-fractie krijgen signalen dat studenten in de opleiding voor de educatieve minor ontevreden zijn over onduidelijkheid over de onderwijsbevoegdheid die zij na afronding van hun opleiding verwerven. Aan het begin werd hen een tweedegraads bevoegdheid beloofd en hiermee is ook geadverteerd, maar nu blijken de opleidingen terughoudender en blijken ze over een soort halve bevoegdheid te spreken, niet over een echte tweedegraads bevoegdheid. Deze leden vragen de regering, toe te lichten wat de status wordt van de onderwijsbevoegdheid die de educatieve minoren gaan opleveren en welke specifieke overwegingen aan die status ten grondslag liggen.

Er kan naar mijn mening geen misverstand over bestaan dat het altijd mijn bedoeling is geweest dat de bachelor die in het kader van zijn opleiding met goed gevolg een educatieve minor heeft afgerond, op grond van dat bachelorgetuigschrift in zijn vak bevoegd wordt in de theoretische leerweg van het vmbo en in de eerste drie leerjaren van havo en vwo. In Krachtig Meesterschap – kwaliteitsagenda voor het opleiden van leraren 2008–2011 – is dat plan al opgenomen. In het door de universiteiten vastgestelde kader voor de educatieve minor en in mijn eerdergenoemde brief van 20 maart 2009 is dat nader uitgewerkt en onderbouwd. Laatstgenoemde brief was op 22 april 2009 onderwerp van een Algemeen overleg met uw Kamer. Wel heb ik begrip voor onzekerheid bij studenten die de minor in het lopende studiejaar (2009/2010) volgen. Aan hun bachelorgetuigschrift is immers alleen onderwijsbevoegdheid verbonden als het voorliggende wetsvoorstel tot wet is verheven.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat in het algemeen lerarenopleidingen een pedagogisch-didactische component en een vakinhoudelijke component kennen. In 2008 oordeelde de commissie-Dijsselbloem1 dat de afgelopen tijd binnen de lerarenopleidingen de vakinhoudelijke component te zeer naar de achtergrond was gedrongen. Bij de educatieve minor moet de vakinhoudelijke bekwaamheid vooral worden gewaarborgd door de wetenschappelijke bacheloropleiding. Dit betekent dat de vakinhoudelijke bekwaamheid van de betrokkenen staat of valt met een voldoende handhaving van de vereiste verwantschap tussen de universitaire opleiding en het schoolvak. De leden van de PvdA vragen naar de handhaving van de vereiste verwantschap tussen de universitaire opleiding en het schoolvak waarvoor een bevoegdheid kan worden behaald.

Ik wijs erop dat het wetsvoorstel erin voorziet dat bij ministeriële regeling zal zijn bepaald op grond van welke bacheloropleiding een onderwijsbevoegdheid kan worden afgegeven. In het voorjaar van 2009 heeft uw Kamer ingestemd met de verwantschapstabel die geldt voor het lopend studiejaar (2009–2010). Bij deze nota naar aanleiding van het verslag ontvangt u een meer uitgebreide verwantschapstabel die in samenspraak met de VSNU en de VO-raad tot stand is gekomen.1 Na inwerkingtreding van het eenmaal tot wet verheven wetsvoorstel wordt de verwantschapstabel bij ministeriële regeling vastgesteld.

De leden van de PvdA vragen welke mogelijkheden de regering ziet om, naast de lerarenbeurs, de doorstroming naar de educatieve master te bevorderen.

Wat de kosten van de masteropleiding zelf betreft merk ik op dat de instelling in het algemeen waarschijnlijk nog recht zal hebben op een rijksbijdrage voor de masterfase van de desbetreffende leraar. Daarnaast kan de leraar met zijn werkgever afspraken maken over faciliteiten om een educatieve master met zijn werkzaamheden in het onderwijs te combineren, waarbij wordt verondersteld dat de leraar geen recht (meer) heeft op studiefinanciering. Denkbaar zijn faciliteiten in tijd (studieverlof) en geld (tegemoetkoming in andere kosten dan die waarop de rijksbijdrage betrekking heeft).

De hier aan het woord zijnde leden merken verder op dat binnen het onderwijs ook de ontwikkeling van het lerarenregister speelt, waarbij de gedachte is dat de beroepsgroep zelf de bekwaamheidseisen gaat formuleren en dat alleen vakdocenten die hun bekwaamheid voldoende op peil hebben en houden, in aanmerking komen voor registratie. Zij vragen hoe de bekwaamheidseisen voor de vakdocenten in het beroepsregister zich gaan verhouden tot de positieve advisering door het NVAO over de voorstellen van universiteiten inzake educatieve minoren.

Ik wijs erop dat bekwaamheidseisen op grond van de wet zijn vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur, het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel (Staatsblad 2005, 460), op voorstel van de beroepsgroep zelf. Wie met een getuigschrift hoger onderwijs (ooit) heeft aangetoond aan die bekwaamheidseisen te voldoen, is bevoegd om onderwijs te verzorgen en zal dat, bij ongewijzigd beleid en ongewijzigde wetgeving, ook blijven. Hetzelfde geldt voor leraren die in het bezit zijn van een akte van bekwaamheid afgegeven voor 1 augustus 2006 (het moment van inwerkingtreding van de Wet op de beroepen in het onderwijs). Zij worden op grond van het daarbij horend overgangsrecht geacht te hebben voldaan aan de van toepassing zijnde bekwaamheidseisen.

Wie bevoegd is, kan in een toekomstig beroepsregister worden opgenomen. Hiertoe zullen geen andere bekwaamheidseisen kunnen gelden dan de eerdergenoemde wettelijke bekwaamheidseisen. Op dit moment kunnen geen uitspraken worden gedaan of en zo ja op welke wijze op termijn, al dan niet op grond van wetgeving, aanvullende eisen worden gesteld voor initiële registratie, bijvoorbeeld in de vorm van een bepaalde mate van ervaring in het beroep. Het ligt wel voor de hand dat de leraar aan bepaalde eisen moet voldoen als hij op termijn ook geregistreerd wil blijven. De registerhouder zal daarop toezien.

De leden van de SP-fractie hebben met zorg kennisgenomen van het wetsvoorstel omdat zij de educatieve minor zien als volgende stap in de kwaliteitsdaling van het leraarberoep. Opnieuw wordt het leraarberoep naar beneden gehaald, zo merken zij op, opnieuw wordt huns inziens de suggestie gewekt dat iedereen voor de klas kan staan. Het gaat deze leden juist om hogere eisen aan leraren in plaats van lagere eisen. De Raad van State ziet ook risico’s voor de kwaliteit van het onderwijs als leraren benoemd worden die aan minder hoge eisen hoeven te voldoen, zo merken zij op. Deze leden vragen het oordeel van de regering over deze huns inziens terechte observatie.

Het oordeel van de regering is neergelegd in het nader rapport, dat de reactie behelst op het advies van de Raad van State. Daarin merkt de regering op dat de leraar algemeen voortgezet onderwijs moet voldoen aan alle bekwaamheidseisen die gelden voor tweedegraadsdocenten, zoals opgenomen in het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel, zij het – aangezien de leraren algemeen voortgezet onderwijs enkel bevoegd zullen zijn voor mavo en de eerste drie leerjaren van havo en vwo – toegesneden op het geven van juist dat onderwijs. Omdat de leraren algemeen voortgezet onderwijs niet bevoegd worden voor de andere leerwegen in het voorbereidend beroepsonderwijs en voor het middelbaar beroepsonderwijs, hoeven zij niet de bekwaamheid te bezitten die is toegesneden op het geven van dat onderwijs.

De leden van de SP-fractie merken verder op dat bij de introductie van de educatieve minor is afgesproken dat de verschillende universiteiten elk afzonderlijk de door hen ontwikkelde educatieve minor voorleggen aan de NVAO, voordat die minor wordt aangeboden. Zij vragen naar de verschillen tussen de educatieve minors op het gebied van pedagogiek en didactiek op de verschillende universiteiten.

Ik merk op dat de NVAO de plannen van elk van de universiteiten heeft beoordeeld op de mate waarin deze waarborgen dat de student met de bacheloropleiding waarvan de minor deel uitmaakt, kan aantonen te voldoen aan de bekwaamheidseisen voor tweedegraads leraren, voor zover die van toepassing zijn voor mavo en de eerste drie leerjaren van havo en vwo. De universiteiten baseren zich bij hun uitwerking op het door hen gezamenlijk – in VSNU-verband – vastgesteld kader. Dat kader is door de VSNU aan u gezonden met het oog op het algemeen overleg van 22 april 2009. Uitgaand van dat kader en het positieve oordeel van de NVAO heeft de universiteit vanzelfsprekend de mogelijkheid van eigen accenten in de vorm en inhoud waarin de pedagogische en didactische vaardigheden op de studenten worden overgebracht. De educatieve minor is niet in beton gegoten en kan dat ook niet zijn.

Dezelfde leden wijzen erop dat ook de Raad van State zegt dat er een verhoogd afbreukrisico is voor beginnende leraren, omdat deze in het algemeen al direct bij aanvang het volledige aantal lesuren moeten geven. Zij vragen naar de wijze waarop scholen invulling geven aan de cao-afspraak die ertoe strekt beginnende leraren te ontzien.

De eerstvolgende voortgangsrapportage over het Actieplan LeerKracht zal een analyse bevatten over het door deze leden genoemde afbreukrisico voor beginnende leraren. Op dit moment heb ik geen gegevens beschikbaar over de precieze invulling van de in de cao-vo gemaakte afspraak dat de startende leraar met ingang van 1 augustus 2009 recht heeft op een reductie van zijn lesgevende taak met 20% gedurende het eerste jaar van de aanstelling. Bij de monitoring van de invoering van de educatieve minor kunnen we op dit punt en voor deze doelgroep nader ingaan.

Ook informeren de leden van de SP-fractie naar de inhoud van het met de VO-raad afgesproken inductietraject.

Ik merk op dat met de VO-raad is afgesproken dat scholen voor voortgezet onderwijs zorg dragen voor een zorgvuldig inductietraject. De VO-raad zal daaraan nu in samenwerking met vo-scholen verder uitwerking geven. De school zal daaraan dan een bij hem passende invulling geven. Voor een belangrijk deel zal de inductie plaatsvinden in een opleidingsschool (een samenwerkingsverband van opleidingen en scholen).

De leden van de SP-fractie vragen voorts of de regering de mening deelt dat juist vmbo-klassen recht hebben op de beste leraren. Hoe kan de regering dan juist de educatieve minors voor deze klassen bevoegd achten? Ziet de regering het enorme risico dat hieraan is verbonden, vanwege de onervarenheid van educatieve minors en hun korte vooropleiding?

Ik wijs erop dat alle leerlingen zijn gebaat bij bekwame en toegewijde leraren. De leerlingen in het vmbo onderscheiden zich daarin niet van de leerlingen in de andere leerwegen. Via de educatieve minor kan een vakbachelor een bevoegdheid verkrijgen voor het geven van onderwijs in de theoretische leerweg van het vmbo en in de eerste drie leerjaren van het havo en vwo. Hij dient daartoe te voldoen aan alle bekwaamheidseisen die gelden voor tweedegraadsdocenten, zoals opgenomen in het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel, zij het – aangezien de leraren algemeen voortgezet onderwijs alleen bevoegd zullen zijn voor mavo en de eerste drie leerjaren van havo en vwo – toegesneden op het geven van juist dat onderwijs. Omdat de leraren algemeen voortgezet onderwijs niet bevoegd worden voor het voorbereidend beroepsonderwijs, hoeven zij niet de bekwaamheid te bezitten die is toegesneden op het geven van dat onderwijs.

De inschatting van de universiteiten, de VO-raad en mijzelf is dat de bezitter van het wo-bachelorgetuigschrift die in het kader van zijn opleiding met goed gevolg de minor heeft gevolgd, startbekwaam is voor het verzorgen van onderwijs in zijn vak in vmbo-tl en de eerste drie jaren van havo en vwo. Nadrukkelijk is in het wetsvoorstel opgenomen dat die minor met goed gevolg moet zijn doorlopen. De universiteit en de school die, in het bijzonder in een opleidingsschool, de student gelegenheid geeft tot praktische beroepsvoorbereiding in het kader van de minor, hebben allebei een belangrijke rol om vast te stellen of dat inderdaad het geval is. Verder moeten we ons realiseren dat voor alle beginnende leraren geldt dat zij in het begin van hun loopbaan in het onderwijs goed moeten worden begeleid. Met de VO-raad is daarom afgesproken dat een zorgvuldig inductietraject zal worden gevolgd. Daarnaast voorziet de cao-VO in extra ruimte voor de beginnende leraar.

In de memorie van toelichting staat, zo merken de leden van de SP-fractie op, dat de ambitie is dat leraren met een educatieve minor worden gestimuleerd om ook een (eerstegraads) bevoegdheid te verwerven. De leden vinden «stimuleren» veel te vrijblijvend. De educatieve minor is huns inziens prima als kennismaking met het leraarschap, maar niet als nieuwe bevoegdheid. Deze leden vragen naar de verwachting ten aanzien van de doorstroom naar een wetenschappelijke masteropleiding.

In antwoord hierop merk ik op dat de ervaring leert dat nagenoeg alle wo-bachelors doorstuderen voor een wo-mastergetuigschrift. Het feit dat betrokkene nu op grond van zijn bachelorgetuigschrift een arbeidsmarktkwalificatie behaalt, betekent naar mijn mening niet op voorhand dat velen zullen afzien van het aansluitend volgen van een masteropleiding. Universiteiten en scholen voor voortgezet onderwijs zullen de doorstroom stimuleren. In de komende jaren kunnen we zien hoe zich dit ontwikkelt.

De leden van de SP vragen zich af welke moeilijkheden studenten zullen ervaren wanneer zij hun werk op een school combineren met het volgen van een wo-masteropleiding.

In antwoord hierop merk ik op dat de educatieve minoren bij doorstroom naar een masteropleiding de keuze hebben of zij dit al dan niet combineren met een baan in het onderwijs. De ervaringen met de lerarenbeurs laten overigens zien dat het combineren van werk en opleiding goed mogelijk is.

Dezelfde leden merken op dat ook de Algemene Onderwijsbond (AOB) erop aandringt dat de educatieve minor verplicht wordt gekoppeld aan het volgen en behalen van de MA(master of arts) -graad in het desbetreffende lesvak. Zij vragen welke mogelijkheden de regering ziet om aan deze wens tegemoet te komen.

Ik merk hierover op dat er geen verschil van inzicht is over de ambitie. Intentie is dat de introductie van de educatieve minor op deze wijze, dat wil zeggen mét civiel effect op basis van het bachelorgetuigschrift, een verantwoorde en voor de student aantrekkelijke route is naar het leraarschap in, uiteindelijk, de bovenbouw van havo en vwo. We hopen dat deze weg leidt tot een forse toename van academisch opgeleide leraren in de bovenbouw van havo en vwo. Na verloop van tijd kunnen we uit monitorgegevens afleiden of de ambitie wordt gehaald dan wel of op dat punt aanvullende afspraken moeten worden gemaakt met bijvoorbeeld de scholen voor voortgezet onderwijs. Zolang op dat punt geen «evidence» beschikbaar is, gaat het te ver om nu te verplichten tot het behalen van een mastertitel. Dat is ook niet nodig als het gaat om de kwaliteit van het onderwijs dat de leraar algemeen voortgezet onderwijs mag verzorgen. In algemene zin houdt de inspectie toezicht op de kwaliteit van het leraarschap en zij kan, indien de praktijk daartoe aanleiding geeft, het bevoegd gezag aanspreken. Verder zal voor veel leraren algemeen voortgezet onderwijs gelden dat het loopbaan- en salarisperspectief een voldoende stimulans is om de masteropleiding te volgen, zeker als de school dat ondersteunt.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Goed onderwijs begint wat deze leden betreft met goede leraren. Helaas is er in toenemende mate sprake van een dubbel lerarentekort. Een kwantitatief gebrek aan kwalitatief goede leraren. In het voortgezet onderwijs vertrekken naar verwachting binnen zes à zeven jaar drie van de vier leraren. De leden vinden het dan ook van groot belang om het vak van docent weer aantrekkelijker te maken. Deze leden geloven erin dat dit kan worden bereikt door het vak meer uitdaging te geven. Door hogere eisen te stellen aan docenten en ook in de academische wereld interesse te wekken voor het vak. De academische lerarenopleiding basisonderwijs in Utrecht en de nieuwe educatieve minor zijn in die zin een stap in de richting van meer en betere docenten. Toch bieden zij nog te weinig beschikbare plaatsen. De leden juichen dan ook toe dat met dit wetsvoorstel meer mogelijkheden worden gecreëerd om universiteiten een educatieve minor te laten aanbieden in een aantal wetenschappelijke bacheloropleidingen. De leden hebben wel aanleiding gezien tot het stellen van de enkele nadere vragen.

Zij vragen allereerst hoeveel opleidingsplaatsen voor de educatieve minor als gevolg van dit wetsvoorstel tot stand moeten komen. Komt dit overeen met de huidige vraag en hoe hoog is deze?

Voor het volgen van de educatieve minor geldt geen beperking in het aantal opleidingsplaatsen. Ik heb geen signalen dat studenten die een educatieve minor willen volgen, dat niet kunnen omdat het aantal beschikbare plaatsen te klein zou zijn.

Een exact antwoord is nu dus niet te geven. In het algemeen zal gelden dat de vraag naar opleidingsplaatsen het aanbod zal moeten bepalen. Hoe groot op den duur die vraag zal zijn, wordt in belangrijke mate bepaald door het succes van de route en door de vraag wat de «opnamecapaciteit» van scholen voor voortgezet onderwijs zal zijn voor het opleidingstraject (de praktische beroepsvoorbereiding) en voor het erop aansluitende beginnende leraarschap.

Dezelfde leden merken op dat het wetsvoorstel louter in een educatieve minor bij een bacheloropleiding voorziet. Omdat dit een relatief beperkt traject is, vinden deze leden dat goed moet worden gewaarborgd dat studenten hierna ook echt voldoende gekwalificeerd zijn om in het mavo en de eerste drie leerjaren van het havo en het vwo aan de slag te gaan. Zij vragen hoe hierin wordt voorzien.

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het hiervoor opgenomen antwoord op soortgelijke vragen. Met de universiteiten en de VO-raad ben ik van mening dat de bezitter van het wo-bachelorgetuigschrift die in het kader van zijn opleiding met goed gevolg de minor heeft gevolgd, startbekwaam is voor het verzorgen van onderwijs in zijn vak in vmbo-tl en de eerste drie jaren van havo en vwo. Nadrukkelijk is in het wetsvoorstel opgenomen dat die minor met goed gevolg moet zijn doorlopen. De universiteit en de school die de student gelegenheid geeft tot praktische beroepsvoorbereiding in het kader van de minor, hebben beide een belangrijke rol in de bepaling of dat inderdaad het geval is. Verder moeten we ons realiseren dat voor alle beginnende leraren geldt dat zij in het begin van hun loopbaan in het onderwijs goed moeten worden begeleid. Met de VO-raad is dan ook afgesproken dat een zorgvuldig inductietraject zal worden gevolgd. Daarnaast voorziet de cao-VO in extra ruimte voor de beginnende leraar.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering heeft overwogen een afsluitend examen te verbinden aan de educatieve minor.

In antwoord hierop: de student legt het examen van de bacheloropleiding af. Het met goed gevolg doorlopen van de educatieve minor maakt daarvan deel uit. Universiteit en school voor voortgezet onderwijs hebben daarbij ieder een rol. De OER (onderwijs- en examenregeling) is op dat punt het centrale document voor de instelling. Uiteindelijk beslist de examencommissie of het bachelorgetuigschrift kan worden uitgereikt en of daaraan onderwijsbevoegdheid kan zijn verbonden. Ten slotte ziet de NVAO toe op de kwaliteit van de opleiding en het examen. Naar mijn mening is die systematiek sluitend. De wet heeft geen basis voor aanvullende voorschriften over een afsluitend examen en er is ook geen behoefte om voor te schrijven dat een onderdeel van de opleiding, te weten de educatieve minor, uitmondt in een eigen afsluitend examen.

Ook vragen de leden van de VVD-fractie hoe aandacht wordt besteed aan de benodigde didactische vaardigheden.

Ik wijs erop dat de universiteiten gezamenlijk het kader voor de educatieve minor hebben vastgesteld. Dat kader heeft de VSNU aan uw Kamer gezonden met het oog op het eerdergenoemde Algemeen overleg op 22 april 2009. Het kader gaat natuurlijk vooral over de kennis, inzicht en vaardigheden – waaronder(vak) didactische vaardigheden – die nodig zijn voor het leraarschap. De vakinhoudelijke bekwaamheid wordt geborgd in de bacheloropleiding als geheel. Uitgaand van dat kader heeft elk van de universiteiten die de minor willen aanbieden, haar plannen voorgelegd aan de NVAO. De NVAO heeft een positief oordeel gegeven over de plannen van de 10 universiteiten die in 2009–2010 de minor hebben ingevoerd. Hun uitwerkingen kunnen op onderdelen uiteraard onderling verschillen.

Dezelfde leden merken op dat ook de Raad van State in dit verband wijst op de risico’s die kunnen ontstaan voor de kwaliteit van het onderwijs als leraren worden benoemd die aan minder hoge eisen hoeven te voldoen dan thans het geval is. De regering stelt dat er geen sprake is van minder hoge eisen. Deze leden vragen naar de kwaliteit van de afstudeerders aan de al bestaande educatieve minor.

Ik merk op dat op een aantal universiteiten de eerste tranche educatieve minoren recentelijk is afgerond, andere universiteiten zijn nog bezig met de beoordeling. Een totaalbeeld van het aantal geslaagden, herkansers en gezakten is daarom nog niet bekend.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe het is gesteld met de tevredenheid over deze nieuwe docenten.

Ik wijs erop dat deze nieuwe docenten nog niet bevoegd zijn, zodat nog geen uitspraken kunnen worden gedaan over de tevredenheid over deze docenten.

De leden van de VVD vragen naar de verwachting ten aanzien van de doorstroom naar een lerarenopleiding.

Hierover zijn op dit moment nog geen gegevens beschikbaar. De ervaring leert echter wel dat nagenoeg alle wo-bachelors doorstuderen voor een wo-mastergetuigschrift.

Dezelfde leden merken voorts op dat het doel van het wetsvoorstel is dat studenten na het behalen van een educatieve minor, ook verdere onderwijsbevoegdheden willen behalen om leraar voorbereidend hoger onderwijs te kunnen worden. Zij informeren of de regering hier een kwantitatieve doelstelling aan heeft verbonden en indien niet, waarom niet.

De regering heeft aan de invoering van de educatieve minor nu geen kwantitatieve doelstellingen verbonden. Het is nog te vroeg om te kunnen vaststellen wat op dat punt haalbaar en verantwoord is. Kwaliteit staat voorop. Daarom is gekozen voor een behoedzame invoering.

De leden van de VVD-fractie hebben al eerder gepleit voor de invoering van een aktensysteem waarmee docenten bevoegdheden kunnen stapelen en daarmee hun carrière en salaris kunnen doen groeien. Zij vragen hoe de regering over dit systeem denkt. Hoe past de educatieve minor daar eventueel binnen?

In het algemeen overleg over lerarenopleidingen op 28 oktober 2009 heb ik aan uw Kamer toegezegd uiterlijk half juni 2010 mijn standpunt te zenden over wenselijkheid en mogelijkheid van een meer flexibel kwalificatie- en opleidingenstelsel. Bij die gelegenheid kan aan genoemde onderwerpen aandacht worden gegeven. De gesprekken die in dat verband in het voorjaar van 2010 worden gevoerd, zijn immers nog niet afgerond.

Overigens wordt nog gewezen op de lerarenbeurs voor scholing. Leraren kunnen éénmaal in hun loopbaan een beroep op die beurs doen bijvoorbeeld om een extra bevoegdheid te verwerven.

De leden van de VVD-fractie vragen voorts wat de regering doet om docenten te prikkelen na het behalen van een educatieve minor verdere bevoegdheden te behalen. Ook de leden van de D66-fractie stellen en vraag op dit punt. Zij hebben met veel belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij zijn van mening dat het tekort aan leraren de kwaliteit van ons onderwijs zozeer bedreigt dat de regering nieuwe mogelijkheden moet zoeken om meer academici voor het leraarschap te interesseren. De educatieve minor vormt hiertoe een mogelijkheid. De leden merken op dat de vorming van de educatieve minor niet ten koste mag gaan van de inspanningen om via de reguliere opleidingen meer studenten te interesseren voor een baan als (eerstegraads)leraar. De verkorte opleiding tot tweedegraads bevoegde leraar mag er ook niet toe leiden dat minder studenten de volledige opleiding tot de eerstegraads bevoegdheid gaan volgen. De kwaliteit van de leraren mag niet leiden onder de invoering van de educatieve minor. Deze leden vragen, net als de leden van de VVD-fractie, hoe de regering studenten die een educatieve minor hebben afgerond, gaat stimuleren tot het halen van een eerstegraads bevoegdheid.

In antwoord op de vragen van de beide fracties merk ik op dat voor de leraar algemeen voortgezet onderwijs net als voor de eerste- en tweedegraads bevoegde docenten geldt dat een verdere professionele ontwikkeling wenselijk is. Ook voor de leraar algemeen voortgezet onderwijs is het zodoende mogelijk om, indien nodig, gebruik te maken van de lerarenbeurs bijvoorbeeld als de universiteit voor hem geen aanspraak meer zou kunnen maken op bekostiging. Daarnaast kan de school in het kader van haar kwaliteits- en personeelsbeleid, de leraar stimuleren zich verder te ontwikkelen.

De leden van de VVD-fractie informeren of het beloningsgebouw en de carrièremogelijkheden binnen het onderwijs momenteel voldoende prikkelend zijn om docenten blijvend te behouden.

Op dit punt wordt als gevolg van het Actieplan LeerKracht het nodige herzien. De periodiekstappen die een docent maakt zijn aanmerkelijk groter geworden. De afgelopen twee jaren is hier een begin mee gemaakt. Daar gaan we de komende jaren mee door. In 2019 zal deze operatie voor primair, voortgezet en beroepsonderwijs zijn voltooid. Daarnaast worden de loopbaankansen van leraren binnen het beroep (de zogenoemde functie- of salarismix) aanmerkelijk verbeterd. Ook van deze maatregel gaat een positieve werking op het behoud van docenten uit.

De leden van de D66-fractie vragen of er voldoende stimuleringsmogelijkheden binnen scholen (opleidingsfonds enzovoort) zijn.

Ik merk op dat indien voor de leraar algemeen voortgezet onderwijs geen recht meer is op bekostiging en/of hij geen gebruik meer kan maken van studiefinanciering, het mogelijk is om gebruik te maken van de lerarenbeurs. Daarnaast staat het scholen vrij om specifieke afspraken te maken met deze leraar om hem te faciliteren bij het verdiepen of verbreden van zijn bevoegdheid en bekwaamheid.

Ook vragen deze leden of scholen over voldoende middelen beschikken om studenten met een educatieve minor een vervolgopleiding aan te bieden.

De leraar kan in principe een beroep doen op studiefinanciering en de instelling zou nog recht hebben op een aan de leraar (dan: student) gekoppelde rijksbijdrage voor een wo-master. Het is daarom niet noodzakelijk dat de met een vervolgopleiding gemoeide kosten voor rekening van de school komen. Op basis van het convenant professionalisering en begeleiding van onderwijspersoneel (30 juni 2006) is voor onder andere verdere professionalisering van onderwijspersoneel in totaal structureel € 40 miljoen toegevoegd aan de middelen die daarvoor al beschikbaar zijn in de lumpsum van scholen voor voortgezet onderwijs.

De leden van de D66-fractie vragen of de huidige opzet van de educatieve minor betekent dat bachelors niet meer een master in hun vakgebied halen voordat zij eerstegraads leraar worden.

Neen. In het wetenschappelijk onderwijs kan een eerstegraads bevoegdheid worden behaald door het met goed gevolg afleggen van het examen van een universitaire lerarenopleiding (60 studiepunten) na een vakmaster (60 studiepunten) dan wel door het met goed gevolg afleggen van het examen van een geïntegreerde educatieve master (120 studiepunten).

De leden van de fractie van D66 vragen voorts of er grote verschillen bestaan in het (dreigende) tekort aan leraren tussen verschillende vakgebieden en zo ja, of het aanbod van educatieve minors ook voldoende is toegespitst op die vakgebieden waarin tekorten bestaan.

Er bestaan verschillen in de (onvervulde) vraag naar docenten, zowel naar regio als vakgebied. De wervingsproblemen doen zich vooral voor bij ondermeer de exacte vakken, Nederlands, klassieke talen, zorg, techniek en economie. In de toekomst worden voor vrijwel alle vakgebieden knelpunten verwacht. De getroffen beleidsmaatregelen zijn er uiteraard op gericht deze knelpunten te voorkomen.

Ik wijs erop dat de kwaliteit van de opgeleide voorop staat. Daarom is niet leidend of er in een vak een lerarentekort is, maar of er voldoende inhoudelijke verwantschap is tussen de bacheloropleiding enerzijds en het schoolvak anderzijds.

Dezelfde leden maken zich zorgen over berichten die zij van opleidingen hebben ontvangen dat studenten die eigenlijk onvoldoende voorbereid zijn op het lesgeven toch slagen voor hun educatieve minor omdat deze studenten anders niet aan hun vervolgopleiding kunnen beginnen. Zij vragen of de regering deze berichten ook kent en wat zij hieraan gaat doen.

Ik ken die berichten, maar zij bevreemden mij wel. Rond het moment van het opstellen van deze nota naar aanleiding van het verslag zijn aan de eerste studenten die de educatieve minor hadden afgerond «oorkondes» uitgereikt. Universiteiten en scholen zijn er samen voor verantwoordelijk dat alleen studenten die de educatieve minor met goed gevolg hebben doorlopen, bevoegd zullen zijn op grond van hun bachelorgetuigschrift. Overigens, voor studenten die de educatieve minor niet met goed gevolg hebben doorlopen, is de weg naar de vervolgopleiding (de educatieve master) zeker niet afgesloten. Voor betrokkene is het enig gevolg dat hij intussen niet bevoegd als leraar aan de slag kan gaan in mavo en de eerste drie leerjaren van havo en vwo.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij vragen of niet het gevaar bestaat dat studenten eerder af zullen zien van verdere verdieping en vakgerichte scholing, doorgaans in de master, wanneer zij eerder worden verleid om les te gaan geven. Zal dit uiteindelijk niet leiden tot een daling van het kennisniveau?

De ervaring leert, zo merk ik op, dat nagenoeg alle wo-bachelors doorstuderen voor een wo-mastergetuigschrift. De verwachting is daarom dat de educatieve minor niet tot een daling van het kennisniveau zal leiden.

Handhaving

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan bevestigen dat studenten die hun bachelor reeds hebben afgerond en met de educatieve minor starten, geen lesbevoegdheid krijgen. Wat is de achterliggende gedachte hiervoor? Is de regering het met de leden eens dat dit soort drempels nu juist tegenhouden wat het wetsvoorstel wil bevorderen, namelijk het tegengaan van het lerarentekort?

Naar aanleiding hiervan wijs ik erop dat onderwijsbevoegdheid – daargelaten de getuigschriften afgegeven voor de invoering van de wet op de beroepen in het onderwijs – kan zijn verbonden aan getuigschriften van bachelor- en masteropleidingen en aan getuigschriften behorend bij het bekwaamheidsonderzoek dat de zijinstromer ondergaat.

De educatieve minor die ná de bacheloropleiding wordt gevolgd kan niet leiden tot een van die getuigschriften. Naar mijn mening is het niet nodig op dit punt iets aanvullends te regelen. Met de invoering van de educatieve minor krijgt het bachelorgetuigschrift civiel effect. Daarmee is beoogd om meer bachelorstudenten vroegtijdig te interesseren voor een baan in het onderwijs en uiteindelijk te laten doorstromen naar de masteropleiding die leidt tot bevoegdheid voor het voorbereidend hoger onderwijs. Want uiteindelijk gaat het om meer academisch opgeleide leraren in dat voorbereidend hoger onderwijs. Afgestudeerde bachelors die belangstelling hebben voor een baan in het onderwijs kunnen rechtstreeks naar de desbetreffende masteropleiding doorstromen. Voor hen is de tussenstap van een beperkte tweedegraadsbevoegdheid niet meer nodig.

Financiële gevolgen

De leden van de PvdA vragen naar de bestedingsvrijheid ten aanzien van de middelen die de VO-scholen krijgen voor de begeleiding van bachelors.

Ik merk op dat het hier gaat om een tijdelijke tegemoetkoming ter overbrugging tot het moment waarop de scholen middelen vanuit de lumpsum hebben vrijgemaakt voor de begeleiding van de educatieve minoren. De tijdelijke additionele middelen zijn een tegemoetkoming in de kosten voor begeleiding en beoordeling van de educatieve minor stagiairs. De middelen moeten ook voor dit doel worden ingezet.

Dezelfde leden vragen of de regering er ook op enige wijze zicht op houdt of de betrokken bachelors wel voldoende door de scholen worden begeleid en of de bestaande bekostiging toereikend is om hen de noodzakelijke begeleiding te bieden.

Op dat punt is geen afzonderlijk toezicht voorzien. Scholen en universiteiten hebben hierin samen een rol en de NVAO kan in reguliere accreditaties aanleiding vinden om op dit punt een oordeel te geven. Maar de educatieve minor zoals in dit wetsvoorstel voorzien, is nieuw en de goede invoering vraagt om goede monitoring en evaluatie, ook op het punt van de begeleiding op de werkplek. VSNU en VO-raad hebben daarom afspraken gemaakt over de doorstroom van de leraar algemeen voorgezet onderwijs naar een bevoegdheid voor het voorbereidend hoger onderwijs. Daarbij hoort in ieder geval een goede begeleiding in de vorm van een stevig inductieprogramma bij voorkeur op een (erkende) opleidingsschool omdat juist de opleidingsschool zich onderscheidt als het gaat om het samen (opleiding en school) opleiden en begeleiden van studenten.

Zoals gezegd hebben scholen in de lumpsum middelen voor het voeren van personeels- en scholingsbeleid. Die middelen zijn bovendien in 2006 structureel verhoogd op grond van het eerdergenoemde convenant over professionalisering en begeleiding van onderwijspersoneel onder meer met het oog op een goede begeleiding van stagiairs en beginnende leraren. Scholen stellen voor de inzet van de lumpsum zelf prioriteiten. De vraag naar toereikendheid van de middelen is dus in feite een vraag naar de door scholen zelf gekozen prioritering

Scholen krijgen wel tijd om inzet van eigen middelen op den duur te herprioriteren. De tijdelijke tegemoetkoming in de kosten voor begeleiding van de stagiairs is bedoeld als overbrugging tot het moment waarop de scholen middelen binnen de lumpsum hebben kunnen vrijmaken voor de begeleiding van de educatieve minoren.

Ik hoop, hiermee voldoende te zijn ingegaan op de gestelde vragen en gemaakte opmerkingen.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart


XNoot
1

Kamerstuk 31 007, nr. 6

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.