Gepubliceerd: 27 april 2009
Indiener(s): Raymond de Roon (PVV)
Onderwerpen: jongeren recht strafrecht zorg en gezondheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31938-3.html
ID: 31938-3

31 938
Voorstel van wet van het lid De Roon tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten, strekkende tot wijziging van het sanctiestelsel, tot wijziging van de leeftijdsgrenzen in het strafrecht en tot aanscherping van de bepalingen inzake voorlopige hechtenis

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

I. ALGEMEEN DEEL

1. Inleiding

Het Nederlands strafrecht kent, naast de maximumstraffen voor de afzonderlijke delicten, slechts één algemene ondergrens voor de bestraffing, te weten: schuldigverklaring zonder toepassing van straf.

In de afgelopen jaren is in de Tweede Kamer een aantal malen gesproken over de vraag of het wenselijk en nodig is om voor een aantal misdrijven een minimumstraf in te voeren. Bij schuldigverklaring aan zo’n misdrijf, kan de rechter dan geen straf beneden dat minimum opleggen. De minimumstraf is de straf die dan ten minste moet worden opgelegd.

De aanleiding tot deze discussie, was een breed in de samenleving gevoelde onvrede over de toenemende criminaliteit, het tekort schieten van de overheid in de bestrijding daarvan èn de breed gedragen opvatting, dat de rechterlijke macht vaak lichter straft dan zou behoren te geschieden.

Dit laatste, het gevoel dat de rechterlijke macht vaak licht, te licht, straft maakt deel uit van een breder ongenoegen over justitie in strafzaken.

Andere symptomen daarvan zijn bij voorbeeld:

a. De beleving dat taakstraffen eigenlijk geen of nauwelijks echte straffen zijn en de rechters deze pseudostraffen vaak (veel te vaak) opleggen in plaats van echte straffen.

b. Negatieve opvattingen over het heenzendbeleid m.b.t. verdachten. Deze verdachten worden veel te gemakkelijk weer op straat gezet door politie en justitie, hetgeen onveiligheidsgevoelens en ongenoegen aanwakkert. «De verdachte staat al weer eerder buiten dan dat de politieman het proces-verbaal heeft geschreven», enz.

c. Onvrede over het feit dat onschuldige burgers worden blootgesteld aan de gevaren die uitgaan van ontvluchtende terbeschikkinggestelden.

Wat opvalt in de discussies over minimumstraffen in de Tweede Kamer, is dat het individuele Kamerleden waren die het onderwerp aan de orde stelden en dat de regering voor invoering van minimumstraffen bij herhaling helemaal niets bleek te voelen.

Alle ministers van Justitie, te beginnen bij Korthals Altes, maar ook Donner en Hirsch Ballin wezen de gedachte van invoering van minimumstraffen zonder omhaal van woorden af. Een toelichting op dat standpunt, anders dan dat van nut en noodzaak van invoering ervan niet was gebleken, werd niet gegeven.

De enige uitzondering die daarop werd gemaakt, bestond uit de mededeling dat als er in Europees verband een beweging in de richting van invoering van minimumstraffen zou ontstaan, de regering zich genoodzaakt zou kunnen zien om een discussie over de invoering daarvan ook in Nederland niet uit de weg te gaan. Zo sprak minister Korthals Altes in 2001 als volgt: «Ik hoop hiermee overigens definitief af te zijn van de vraag van het CDA of wij bereid zijn in Nederland minimumstraffen in te voeren. Het antwoord daarop is «neen» en het blijft «neen», zij het dat ooit alles in Europees verband tegen het licht zal moeten worden gehouden»1. De formulering laat al zien, dat ieder animo daartoe ontbrak.

Niettemin ontkwam de regering er niet aan, om een onderzoek in te laten stellen naar het voorkomen van specifieke strafminima in een aantal Europese landen en de manier waarop deze daar in de praktijk functioneren. Dat rechtsvergelijkend onderzoek, uitgevoerd door de hoogleraren A.M. van Kalmthout en P.J.P. Tak, werd in september 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden door minister Donner2. In het bijgevoegde kabinetsstandpunt, werden de hooggeleerde bevindingen over de werking van minimumstraffen in enkele andere Europese landen, gretig aangegrepen om de gedachte van invoering van minimumstraffen in Nederland, definitief af te serveren. Invoering zou niet zoveel opleveren in termen van criminaliteitsbestrijding en bovendien nopen tot ingewikkelde wetswijzigingen.

Op zijn minst opmerkelijk te noemen is het feit dat dit kabinetsstandpunt en het genoemde onderliggend onderzoek niet hebben geleid tot een uitvoerige en principiële bespreking ervan in de Tweede Kamer.

2. Zijn de bezwaren tegen invoering van minimumstraffen, geldig?

Uit het genoemde rechtsvergelijkend onderzoek is gebleken dat in de onderzochte landen3 die minimumstraffen kennen, er allerlei juridische regelingen en mechanismen zijn ontwikkeld die er toe kunnen leiden dat in concrete gevallen de wettelijk verplichte minimumstraf toch niet wordt opgelegd of ondergaan. Soms zijn die ontwikkelingen van de wetgever afkomstig, soms van de rechter.

Wetgevers maakten het mogelijk om bij verzachtende of bijzondere omstandigheden, lager te straffen. Ook werden sanctiemodaliteiten ingevoerd als voorwaardelijke strafoplegging en werkstraffen, die kunnen leiden tot ondergraving van de minimumstraffen. Als wordt toegestaan dat een minimumstraf ten dele of zelfs geheel voorwaardelijk wordt opgelegd of dat een deel van de minimumstraf wordt vervangen door een werkstraf, dan wordt de rechter de gelegenheid geboden om onder oplegging van de minimumstraf uit te komen. Ook de wettelijke mogelijkheden van vervroegde invrijheidstelling en soepele tenuitvoerleggingsarrangementen alsook wettelijke mogelijkheden tot gratie- en amnestieverlening, kunnen ertoe leiden dat de opgelegde minimumstraf niet daadwerkelijk wordt ondergaan.

Daarnaast is geconstateerd dat rechters in andere landen zichzelf de vrijheid verschaffen om de wettelijk verplichte minimumstraf niet op te leggen, door middel van de zogeheten «oneigenlijke vrijspraken». Dat houdt in dat een rechter, hoewel een veroordeling voor het zware delict waarop een minimumstraf is gesteld mogelijk is, daarvan toch vrijspreekt om maar aan de verplichting tot oplegging van die minimumstraf te ontkomen.

Tenslotte bleek dat ook het Openbaar Ministerie (hierna: OM) soms eventuele seponeringsbevoegdheden inzet, waardoor een zaak waarin een wettelijk strafminimum geldt, helemaal niet aan de rechter wordt voorgelegd.

Al deze mogelijkheden zijn terug te voeren op één enkele factor: de behoefte om de hardheid van de wet in het individuele geval te verzachten.

Dit hangt samen met het gegeven, dat de wetgever die een algemene regel opstelt niet alle gevallen waarop die algemene regel van toepassing kan zijn, kan voorzien.

Het wordt dan als juist en rechtvaardig ervaren, als er een functionaris is die de harde uitwerking van de wet in een concreet geval, kan verzachten of versoepelen. In veel gevallen is die functionaris de rechter maar soms een lid van het OM of een ambtenaar belast met de tenuitvoerlegging van straffen.

Wat dat betreft kennen wij in de Nederlandse strafrechtspleging ook een lange traditie van grote rechterlijke vrijheid èn van grote vrijheid voor het OM. Het OM kan in beginsel ieder delict seponeren en de rechter heeft bij de strafoplegging in beginsel speelruimte tussen schuldigverklaring zonder toepassing van straf en oplegging van de wettelijke maximumstraf.

De behoefte om in een concreet geval de als te hard ervaren uitwerking van de wet te kunnen verzachten, hangt samen met de fundamentele visie die men op de aard en de zin van strafoplegging heeft. In de heersende rechtstraditie is er daarbij een sterke oriëntatie op de individuele omstandigheden van de dader (leeftijd, draagkracht, sociale bindingen, enz.) en de bijzonderheden van het concrete misdrijf. Hele generaties strafrechtsadvocaten verdienen daar hun brood aan.

Deze behoefte om de strafoplegging af te meten aan de specifieke omstandigheden van de individuele dader en het individuele geval, is echter niet de enige maatstaf die heeft te gelden bij het nadenken over de strafbepaling.

Er zijn ook de belangen van het slachtoffer en eventuele nabestaanden en van de gehele samenleving, die een rol behoren te spelen bij de afdoening van strafzaken.

Het zijn juist deze factoren, die vergen dat voor bepaalde delicten geen lichte straffen meer worden opgelegd. Juist deze factoren vergen invoering van minimumstraffen.

Bij de delicttypen waarvoor het wenselijk is om in de wet een minimumstraf voor te schrijven, omdat een lichtere straf onaanvaardbaar is voor het rechtsgevoelen in de samenleving en van het slachtoffer c.q. diens nabestaanden, moet het natuurlijk niet mogelijk zijn, dat de rechter die minimumstraf dan toch weer (deels) voorwaardelijk oplegt of (deels) vervangt door een taakstraf. Gelijktijdig met de invoering van minimumstraffen voor bepaalde delicttypen, moet voor die delicten een voorwaardelijke strafoplegging c.q. vervanging door taakstraf, wettelijk worden uitgesloten.

Voor het OM zal, bij verdenking van de delicten waarvoor minimumstraffen zullen zijn bepaald in de wet, een verplichting tot vervolging moeten gelden. De ernst van deze delicten is namelijk zodanig, dat niet-vervolging als onaanvaardbare afdoeningswijze moet worden uitgesloten. Komt het OM de vervolgingsplicht niet na, dan kan het Gerechtshof langs de weg van de zgn. procedure van art 12 Wetboek van Strafvordering een vervolgingsbevel geven.

Voor wat betreft het risico dat een stelsel van minimumstraffen wordt ondergraven door oneigenlijke vrijspraken, moet worden opgemerkt dat een dergelijke ongehoorzaamheid van rechters aan de wet niet aanvaardbaar zou zijn. Dit zou een crisissituatie rond het functioneren van de rechterlijke macht doen ontstaan, die niet zonder ingrepen van de wetgever in dat functioneren zou kunnen blijven. Op dit moment is er echter geen reden om aan te nemen dat de rechterlijke macht op die manier een systeem van minimumstraffen zal gaan ondergraven. Het is noodzakelijk dat vrijspraken, zeker in zaken waarin wordt vervolgd voor delicten waarop minimumstraffen zijn gesteld, deugdelijk gemotiveerd worden. Als een oneigenlijke vrijspraak plaatsvindt, zal die motivering niet anders dan gebrekkig kunnen zijn. De ondeugdelijke motivering zal dan het aangrijpingspunt voor hoger beroep kunnen zijn. Onderwerping van de rechter aan een strikte en toetsbare motiveringsplicht is gewenst, zelfs indien er geen minimumstraffen zouden worden ingevoerd.

Anders dan de regering in 2003, is de indiener van mening dat aan het bovengenoemde rechtsvergelijkend onderzoek naar het functioneren van minimumstraffen in andere landen, geen argumenten kunnen worden ontleend om de invoering daarvan in ons land tegen te willen houden.

Eerder wil indiener het tegenovergestelde betogen: daar waar in het buitenland de werking van het systeem van minimumstraffen ondergraven blijkt te worden, kunnen wij daarvan leren. Die mogelijkheden tot het ondergraven of ontgaan van de werking van het systeem van minimumstraffen moeten wij in ons land verhinderen.

Een gedetailleerd systeem van strafverminderende of strafverlichtende omstandigheden zoals de onderzoekers concludeerden, is helemaal niet noodzakelijk. De invoering van een minimumstraf betekent juist per definitie dat die straf het minimum is. Onder geen beding, is vermindering of verlichting daarvan gewenst.

Hetzelfde geldt voor het betoog, dat bij invoering van minimumstraffen ook een gedetailleerde beschrijving van de uiteenlopende vormen waarin een strafbaar feit zich kan manifesteren met daaraan verschillende strafminima gekoppeld, noodzakelijk zou zijn. De voor een bepaald delicttype in te voeren minimumstraf, is het minimum voor alle vormen waarin dat delict zich kan manifesteren. Differentiëring is in het geheel niet noodzakelijk en is zelfs onwenselijk.

De minimumstraffen bestaan in sommige Europese landen al erg lang en in enkele daarvan is dat systeem recent uitgebreid of verzwaard.

In Engeland en Wales bestond de minimumstraf al van oudsher voor moord en zijn in 1997 minimumstraffen geintroduceerd voor diverse andere delicten. In 2003 kwam daar nog de invoering van zware minimumstraffen voor overtreding van de wapenwetgeving bij.

In Frankrijk zijn dit jaar de minimumstraffen – die enkele jaren geleden waren afgeschaft- opnieuw ingevoerd.

3. De invoering van minimumstraffen in Nederland.

In de Tweede Kamer was aanhangig het voorstel van wet tot invoering van minimumstraffen voor moord en doodslag1. Echter, de strafminima die daarin werden voorgesteld (voor moord 15 jaar gevangenisstraf en voor doodslag 10 jaar gevangenisstraf) zijn te licht.

Dat geldt des te meer, omdat het in Nederland geldend systeem van voorwaardelijke invrijheidstelling het bij deze strafminima mogelijk zou maken dat een moordenaar al na 10 jaren weer op vrije voeten komt en de veroordeelde voor doodslag al na 6,6 jaar.

Indien men zich realiseert wat moord inhoudt, namelijk het na kalm beraad en rustig overleg willens en wetens een ander van het leven beroven, dan wil menigeen de daders van moord voor zeer lange tijd niet meer in onze samenleving terugzien. Er is zelfs veel voor te zeggen om deze daders nooit meer in onze samenleving terug te willen zien. Er zijn dan ook meerdere Europese landen, waar bij moord oplegging van levenslange gevangenisstraf verplicht is: Engeland en Finland.

Toch wordt niet voor deze optie gekozen, omdat voorkomen dient te worden dat een nog niet gearresteerde dader van een moord het idee zou opvatten dat hij nog wel een of meer moorden voor dezelfde prijs (straf) kan gaan plegen. Aan een dader van meerdere moorden moet een zwaardere straf kunnen worden opgelegd dan aan de dader van één moord.

Alles overwegende, wordt gekozen voor een minimum gevangenisstraf van 20 jaar voor een moord. Aan de dader van meerdere moorden of aan de recidiverende moordenaar, moet echter verplicht levenslange gevangenisstraf worden opgelegd.

Voor doodslag (het opzettelijk een ander om het leven brengen, zonder dat voorbedachte raad bewezen kan worden) wordt geopteerd voor een minimum gevangenisstraf van 15 jaren.

Daarnaast moet voor nog andere delicten een minimum gevangenisstraf worden ingevoerd. In het bijzonder in geval van recidive.

Daarbij is de ernst van bepaalde delicttypen maatgevend maar ook de mate waarin de samenleving ernstige overlast heeft van bepaalde delicttypen.

Het gaat er daarbij om beter uitdrukking te kunnen geven aan de vergelding van ernstige misdrijven èn om de invoering van een werkzaam instrument voor de vermindering van de criminaliteit.

In een aantal gevallen is het noodzakelijk om de maximumstraffen te verhogen. Dit geldt in het bijzonder voor ernstige gewelds- en zedendelicten, zware misdrijven met betrekking tot harddrugs en misdrijven met betrekking tot wapens.

Deze verhoging maakt het ook mogelijk, dat de rechter voldoende speelruimte behoudt om tussen minimum- en maximumstraf rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van de individuele zaak.

Het wetsontwerp maakt onderscheid tussen drie categorieën:

Cat A.

Geweldsmisdrijven en andere misdrijven die door hun aard en uitwerking een ernstige bedreiging vormen voor individuele burgers en/of voor onze samenleving.

Deze misdrijven veroorzaken vaak onbeschrijflijk en onherstelbaar leed. Daders die door het plegen van een dergelijk misdrijf het vertrouwen van hun medeburgers diep hebben beschaamd, moeten gedurende lange tijd uit de samenleving worden verwijderd.

De daders van deze categorie misdrijven, dienen al bij een eerste berechting met een minimum gevangenisstraf te worden bestraft. Geen taakstraffen, geen geldboetes en ook geen geheel voorwaardelijke gevangenisstraffen; uitsluitend een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is juist en passend.

Voor gevallen van recidive binnen deze categorie, dient de minimumstraf nog zwaarder te zijn dan voor een first offender.

In geval van recidive binnen een periode van 15 jaren na het uitzitten van de vorige straf, opgelegd voor een misdrijf in deze categorie, dient de minimumstraf te worden verdubbeld.

Maar voor die misdrijven waarop naast tijdelijke ook levenslange gevangenisstraf is gesteld geldt bij recidive: zonder pardon verplichte oplegging van een levenslange gevangenisstraf.

Oplegging van taakstraffen dient voor misdrijven uit deze categorie niet meer mogelijk te zijn.

Een schematisch overzicht van de beoogde veranderingen in deze categorie, is te vinden in bijlage 1.

Cat B.

Deze categorie omvat het misdrijf bedreiging, lichtere varianten van geweldsdelicten tegen personen alsook dierenmishandeling. Het gaat hier om misdrijven die niet zwaar genoeg worden geoordeeld om ze onder het regime van categorie A te brengen maar anderzijds worden ze wel te zwaar geoordeeld om ze onder het hierna te noemen regime van categorie C te brengen. te plaatsen. De rechter wordt voor misdrijven uit categorie B wel verplicht om ook aan een first offender een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen (en daarin is categorie B gelijk aan categorie A en wijkt categorie B af van categorie C).

De mate van verzwaring van de minimumstraffen voor misdrijven uit categorie B in geval van recidive, loopt gelijk op aan de regeling voor de misdrijven uit categorie A. Maar de zeer lange recidivetermijnen verbonden aan de misdrijven uit categorie A, worden voor de misdrijven uit categorie B te lang geoordeeld. Wat betreft de lengte van de recidivetermijnen wordt voor categorie B aangesloten bij de lengte van de recidivetermijnen van categorie C.

Een schematisch overzicht van de beoogde veranderingen in deze categorie, is te vinden in bijlage 2.

Cat C.

Misdrijven die door hun aard en/of uitwerking ernstige overlast veroorzaken voor individuele burgers en/of onze samenleving.

Tot deze categorie behoren misdrijven die in ons land erg veel worden gepleegd.

Wij rekenen hiertoe bij voorbeeld misdrijven als diefstal, vernieling, openlijke geweldpleging, mishandeling zonder zwaar lichamelijk letsel, oplichting en verduistering.

Voor dit soort misdrijven pleegt de rechter relatief vaak taakstraffen op te leggen, ook bij recidive (het komt geregeld voor dat criminelen in deze categorie meer dan 5x achtereen een taakstraf opgelegd krijgen). Het is ook in deze categorie, dat recidive het vaakst voorkomt.

Opmerkelijk is, dat cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek over de jaren 2004 en 2005 laten zien, dat op het punt van veranderingen in de strafoplegging in ons land, het aantal gevangenisstraffen het sterkst daalde en dat het aantal taakstraffen het sterkst toenam.

Van deze ontwikkeling gaat geen afschrikwekkende werking uit. Integendeel. Daarom moet alleen voor first offenders uit deze categorie nog de mogelijkheid open staan, dat alleen een onvoorwaardelijke taakstraf en/of geldboete wordt opgelegd en geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarna moet dat afgelopen zijn.

Aan de first-offender uit deze categorie moet in ieder geval altijd een voorwaardelijke gevangenisstraf van tenminste 3 maanden worden opgelegd. Bij recidive, moet dan tenuitvoerlegging daarvan volgen.

De recidivist in deze categorie moet de zekerheid hebben dat hij de gevangenis in gaat.

Bij herhaalde recidive, dient de minimumstraf telkens aanzienlijk te worden verzwaard.

In geval van 1e recidive binnen een periode van 8 jaren na de eerste veroordeling ter zake van een misdrijf uit deze categorie of na het uitzitten van een vrijheidsstraf opgelegd ter zake van een misdrijf, moet de rechter de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf bevelen en moet tevens een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd worden met inachtneming van in de wet vast te leggen strafminima.

In geval van 2e recidive binnen een periode van 8 jaren na het uitzitten van de vorige vrijheidsstraf, geldt een verdubbeling van de minimumstraf die gold voor de 1e recidive en een verplichting tot tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde straffen.

In geval van 3e recidive binnen een periode van 8 jaren na het uitzitten van de vorige vrijheidsstraf, moet de rechter de maximumstraf opleggen en geldt een verplichting tot tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde straffen.

Een schematisch overzicht van de beoogde veranderingen in deze categorie, is te vinden in bijlage 3.

Al deze strafminima zijn van toepassing op strafrechtelijk meerderjarige personen.

Opmerking verdient, dat de strafrechtelijke meerderjarigheidsgrens wordt verlaagd van 18 naar 16 jaar.

4. De aanpak van straatterroristen

Met dit wetsontwerp wordt ook bereikt, dat de veiligheid op straat verbeterd kan worden. Ook degenen die zich schuldig maken aan straatterreur, kunnen rekenen op steviger straffen.

Een voorbeeld kan dit verduidelijken: als op straat vanuit een groep raddraaiers een steen wordt gegooid waardoor iemand getroffen wordt, dan kunnen er allerlei juridische problemen ontstaan.

indien het OM wel kan bewijzen wie de steen heeft gegooid en met welke intentie (opzet of voorbedachten rade) hij dat heeft gedaan, dan kan de gooier zelf bestraft worden voor zware mishandeling (al of niet de dood ten gevolge hebbend), doodslag of moord. Voor die dader worden in dit wetsvoorstel de strafmaxima flink verhoogd (variërend tussen tien en zestig jaren gevangenisstraf, afhankelijk van de opzet van de dader en de ingetreden gevolgen) en gaan ook zware minimumstraffen gelden (variërend tussen vijf jaar en twintig jaar gevangenisstraf).

Maar de problemen ontstaan, als het OM niet kan bewijzen wie uit de groep de steen heeft gegooid en met welke intentie de gooier (opzet gericht op bepaalde gevolgen c.q. voorbedachten rade) dat heeft gedaan.

Dit wetsvoorstel lost die bewijsproblemen op door wijzigingen in de strafbepaling inzake openlijke geweldpleging (art 141 Wetboek van Strafrecht) en stelt daarbij bovendien de gehele groep (dus ook degenen die niet zelf de steen hebben gegooid), voor de ingetreden gevolgen aansprakelijk.

De voorgestelde wijzigingen in de strafbepaling inzake openlijke geweldpleging, hebben tot gevolg, dat voortaan niet meer hoeft te worden bewezen, wie uit de groep geweldplegers de steen heeft gegooid. De hele groep die aan de gewelddadige sfeer die tot het gooien van de steen heeft geleid, heeft bijgedragen, wordt strafrechtelijk verantwoordelijk gehouden voor de gevolgen. Het OM hoeft niet te bewijzen wie de steen heeft gegooid en hoeft ook niet te bewijzen dat de raddraaiers de bedoeling hadden dat er bepaalde gevolgen zouden intreden door het gooien van de steen.

De minimumstraf voor openlijke geweldpleging wordt gesteld op twaalf maanden gevangenisstraf. Indien het misdrijf zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad zal de minimumstraf zelfs drie jaar gevangenisstraf zijn en als het zelfs tot de dood van een persoon heeft geleid: tenminste vier jaar gevangenisstraf. Dit geldt dus ook voor diegenen uit de groep raddraaiers, die niet zelf de steen hebben gegooid.

Verder verdient vermelding, dat de nu nog in de wet staande eis, dat een zwaardere strafmaat bij openlijke geweldpleging waarbij goederen zijn vernield alleen van toepassing is op de deelnemer aan die geweldpleging die zelf opzettelijk goederen heeft vernield, wordt geschrapt. Wie deelneemt aan openlijke geweldpleging, neemt het risico dat een mededader mogelijk verder is gegaan bij het vernielen van goederen dan de eerstbedoelde persoon had beoogd. Toch wordt eenieder voor de gevolgen strafrechtelijk verantwoordelijk gehouden. Het meedoen aan de openlijke geweldpleging heeft namelijk de sfeer gecreëerd waarin sommige der deelnemers ertoe komen om zo ver te gaan dat zij daadwerkelijk goederen vernielen. Dat dit kan gebeuren is voor ieder der deelnemers te voorzien en er is alle reden om dan ieder voor die te weeg gebrachte gevolgen te bestraffen.

Met deze wijzigingen worden ook veel bewijsproblemen voor het OM weggenomen.

Tenslotte wordt door de indiener voorgesteld om ook het een ander brengen «in een staat van bewusteloosheid of onmacht» onder de openlijke geweldpleging te kunnen scharen. Ook indien bij openbare ongeregeldheden bedwelmende stoffen tegen medeburgers worden ingezet, moet dat als openlijke geweldpleging kunnen worden bestraft.

Maar alleen een aanscherping van de strafbepaling inzake openlijke geweldpleging volstaat niet om straatterreur tegen te gaan.

Daarom stelt de indiener ook voor om het deelnemen aan een aanval of vechterij te bestraffen met tenminste dertig maanden gevangenisstraf. En iedere bedreiging die openlijk wordt begaan, dient met tenminste vier maanden gevangenisstraf te worden bestraft. In geval van mishandeling die openlijk wordt begaan, wil hij tenminste zes maanden gevangenisstraf opgelegd zien. Bij mishandeling die zwaar lichamelijk letsel of de dood ten gevolge heeft en bij mishandeling die met voorbedachten rade wordt gepleegd, komen de minimumstraffen die indiener voorstelt te liggen tussen dertig maanden en twintig jaren gevangenisstraf. Worden deze misdrijven gepleegd tegen bij voorbeeld politieambtenaren, dan worden deze minimumstraffen nog met eenderde verhoogd.

Tenslotte moet in het kader van de bestrijding van straatterreur nog worden vermeld, dat ook voor diefstallen met geweldpleging en afpersing, zware minimumstraffen – variërend van tenminste acht tot tenminste twintig jaren – worden voorgesteld.

Verdachten van zware misdrijven die onder straatterreur vallen, zullen wat de indiener betreft in voorlopige hechtenis moeten worden genomen en gehouden. De keuzevrijheid die de rechter nu nog heeft, wordt geredresseerd. Dat wordt hierna in paragraaf III nader toegelicht.

5. Andere maatregelen om de criminaliteit terug te dringen.

Met de hiervoor genoemde maatregelen, ligt een aanzienlijke vermindering van de criminaliteit in ons land binnen handbereik.

Niet alleen doordat van de minimum-strafdreigingen een afschrikwekkende werking uit gaat maar ook doordat recidiverende en zware criminelen gedurende langere tijd uit de samenleving verwijderd zullen zijn en gedurende die langere periode in ieder geval geen andere strafbare feiten kunnen plegen.

Daarnaast is het zeer gewenst om aan deze voortvarende strafrechtelijke aanpak van de criminelen in ons land, nog andere maatregelen toe te voegen die de gewenste effecten nog zullen versterken en de goedwillende burgers in het land daadwerkelijk het gevoel zullen geven dat de overheid hen beschermen wil en zal door een gestrenge justitie.

Deze maatregelen zijn:

1. Geen kwantum-korting meer voor misdadigers.

Op dit moment is het zo dat een persoon die wordt berecht voor meerdere door hem gepleegde misdrijven, als maximale gevangenisstraf kan worden opgelegd: het maximum van het door hem gepleegde misdrijf waarop de hoogste gevangenisstraf is gesteld, verhoogd met 1/3e deel van dat maximum.

Als bijvoorbeeld een dader 100 inbraken heeft gepleegd en daarvoor wordt berecht, dan geldt op dit moment het volgende: Op een inbraak staat een maximum gevangenisstraf van 6 jaren.

Voor 2 of meer (dus ook voor 100, 500 of 1000) inbraken kan dan maximaal worden opgelegd: 6 + 2 = 8 jaren gevangenisstraf.

Er is geen enkele reden voor deze kwantum-korting voor misdadigers.

Het beperkt cumulatiestelsel bij deze meerdaadse samenloop, dient te worden vervangen door een onbeperkt cumulatiestelsel. Dit geldt zowel voor de strafminima als voor de strafmaxima.

2. Geen korting meer voor falende misdadigers.

In het huidig Nederlands strafrecht is het zo dat de op een misdrijf gestelde maximale straf met 1/3e deel wordt verminderd, als het bij een poging tot het plegen van dat misdrijf is gebleven. Dit wordt gerechtvaardigd met de opmerking, dat het door de wet niet gewenste gevolg niet is ingetreden.

Het is echter zo, dat een strafbare poging tot het plegen van een misdrijf inhoudt, dat het misdrijf niet is voltooid, uitsluitend ten gevolge van omstandigheden die van de wil van de dader onafhankelijk zijn.

Met andere woorden, het is bij een poging gebleven, doordat voltooing van het misdrijf is verhinderd door een omstandigheid waar de dader geen enkele invloed op had. Nog anders gezegd: het was geheel en al toeval, dat het misdrijf niet is voltooid en dat het bij een poging is gebleven.

Er is geen enkele reden tot een strafkorting, omdat het toeval de dader heeft tegengewerkt. Zijn wil was er op gericht dat het misdrijf wèl voltooid zou worden. Die misdadige intentie dient voor het volle pond bestraft te worden. Een beloning voor de crimineel in de vorm van een strafkorting, is volstrekt misplaatst.

3. Geen zware criminelen en recidiverende daders meer laten lopen.

Aan verdachten van de misdrijven uit de categorieën A en B dient voortaan altijd voorlopige hechtenis te worden opgelegd. De rechter kan hier niet meer van af zien, omdat hij zou oordelen dat er geen vluchtgevaar is en er ook geen gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid is, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming vordert. Met deze wetswijziging wordt namelijk duidelijk gemaakt dat bij een redelijke verdenking van een van die misdrijven, de wetgever oordeelt dat voorlopige hechtenis altijd geboden is. Uiteraard geldt voorts onverkort de eis dat uit feiten of omstandigheden moet blijken van ernstige bezwaren tegen de verdachte (artikel 67, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Nog te vaak worden thans verdachten van misdrijven in afwachting van hun berechting op vrije voeten gesteld. Zij krijgen daarmee de gelegenheid om in die tussentijd nog meer delicten te plegen. Dit is in de praktijk bepaald geen uitzondering.

Bovendien is het voor slachtoffers en hun verwanten en bekenden alsook voor het publiek vaak onverteerbaar dat de verdachte weer binnen de kortste keren op straat staat.

Daarom dienen de first offenders en recidivisten van misdrijven uit de categorieën A en B en de recidivisten van misdrijven uit categorie C, totdat in hun zaak onherroepelijk vonnis is gewezen, verplicht in preventieve hechtenis te worden gehouden.

4. Verlaging van de strafrechtelijke meerderjarigheidsgrens.

De leeftijd waarop jongeren aan een criminele loopbaan beginnen, is de afgelopen decennia steeds lager geworden. Gevolg daarvan is, dat ook de leeftijd waarop ernstige misdrijven worden gepleegd of misdrijven met een grote frequentie worden gepleegd, steeds lager is komen te liggen.

Daarnaast is bekend, dat jeugdige criminelen bekend zijn met het feit dat de vrijheidsstraffen die hen kunnen worden opgelegd, betrekkelijk kort van duur zijn. Zij zien dit als een reden om voordat zij de strafrechtelijke meerderjarigheidsgrens van achttien jaren hebben bereikt, zich te buiten te gaan aan het plegen van zo veel mogelijk misdrijven. Misdrijven waarop zij harder worden afgerekend als ze die plegen als ze eenmaal achttien jaren of ouder zullen zijn.

Voorts mag niet worden miskend, dat jongeren tegenwoordig op jongere leeftijd «streetwise» zijn dan vroeger het geval was.

Al deze verharding, mag voor de strafrechtspraktijk niet zonder gevolgen blijven.

Weliswaar heeft de rechter de mogelijkheid om, als hij daartoe grond vindt in de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, op zestien- en zeventienjarigen het volwassenenstrafrecht toe te passen. Van deze mogelijkheid wordt echter weinig gebruik gemaakt. Deze mogelijkheid was door de wetgever namelijk voorzien als een uitzondering en wordt door de rechter dan ook slechts als een mogelijkheid voor uitzonderlijke gevallen toegepast.

Gelet op de hiervoor gesignaleerde verharding, is er aanleiding om van deze mogelijkheid nu de vaste regel te maken.

Daarom wordt voorgesteld de strafrechtelijke meerderjarigheidsgrens te verlagen van achttien naar zestien jaren.

Op de zestien- en zeventienjarigen zal in beginsel voortaan het volwassenenstrafrecht worden toegepast. Indien de rechter voor deze categorie echter op grond van de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het strafbaar feit is begaan aanleiding ziet om toch nog het minderjarigenstrafrecht toe te passen, dan biedt de wet hem die mogelijkheid. Die mogelijkheid zal dan de uitzondering op de hoofdregel zijn.

Verder kan worden opgemerkt, dat ook veertien- en vijftienjarigen soms bijzonder zijn verhard en zeer ernstige misdrijven plegen, die tot veel leed en maatschappelijke onrust leiden. Het kan daarom aangewezen zijn, ook op hen het volwassenenstrafrecht toe te passen. En wel in die gevallen, waarin de rechter daartoe grond vindt in de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

Tenslotte is het feit dat tegenwoordig ook tien- en elfjarigen al aan een criminele loopbaan beginnen, reden om hen binnen de sfeer van het minderjarigenstrafrecht te betrekken. Dat maakt het mogelijk om hun criminele ontwikkeling vroeger te stuiten. Daarom wordt voorgesteld het minderjarigenstrafrecht ook op deze leeftijdscategorie van toepassing te verklaren.

II. Artikelsgewijze toelichting

Artikel I

Onderdeel A

Deze toevoeging aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht beoogt zeker te stellen, dat in die gevallen waarin minimumstraffen worden voorgeschreven, de weg van een rechterlijk pardon wordt uitgesloten.

Onderdeel B

Omdat in dit wetsvoorstel voor diverse misdrijven een zwaardere maximumstraf wordt voorgesteld dan thans volgens de algemene bepaling van artikel 10 van het Wetboek van Strafrecht mogelijk is, is het noodzakelijk om de algemene strafmaxima zoals vermeld in dat artikel 10 te verhogen.

Onderdeel C

De invoering van minimumstraffen in de voorgestelde artikelen 10a , 10b en 10c van het Wetboek van Strafrecht, vormt de kern van dit wetsontwerp.

In artikel 10a gaat het om geweldsmisdrijven en andere misdrijven die door hun aard en uitwerking een ernstige bedreiging vormen voor individuele burgers en/of voor onze samenleving. Deze misdrijven veroorzaken vaak onbeschrijflijk en onherstelbaar leed. Deze ernstige bedreiging en ernstige gevolgen, rechtvaardigen een stevige aanpak, waarbij ook aan degene die voor het eerst wordt veroordeeld voor een van deze ernstige misdrijven, een minimum gevangenisstraf wordt opgelegd.

De misdrijven genoemd in artikel 10b vormen een tussencategorie. Ze worden niet zwaar genoeg geoordeeld om ze onder het regime van artikel 10a te brengen, maar anderzijds worden ze wel te zwaar geoordeeld om ze onder het regime van artikel 10c te plaatsen. Artikel 10c gaat namelijk uit van de gedachte dat bij een eerste veroordeling, de rechter nog vrij is om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Dat opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf bij een eerste veroordeling is echter wel uitdrukkelijk de bedoeling voor de in artikel 10b genoemde misdrijven. Hierdoor, alsook door de strengere recidiveregeling van artikel 10b, wordt een krachtig signaal gegeven aan de daders van de hier bedoelde geweldsmisdrijven c.q. bedreigingen, die betrekkelijk veel voorkomen. Het is dus de ernst en de frequentie van deze misdrijven, die hen in de categorie van artikel 10b heeft doen belanden.

Bij de misdrijven genoemd in artikel 10c, gaat het om misdrijven die door hun aard en/of uitwerking ernstige overlast veroorzaken voor individuele burgers en/of onze samenleving. Ook hier is een stevige aanpak wenselijk, vooral bij recidive. Voor degene die voor het eerst van de hier bedoelde misdrijven wordt veroordeeld is het noodzakelijk hem in alle gevallen een stevige waarschuwing in het vooruitzicht te stellen. Daarom wordt bepaald, dat bij zo’n eerste veroordeling altijd een voorwaardelijke gevangenisstraf van tenminste drie maanden wordt opgelegd.

Voor de allerlichtste misdrijven, die waarop niet meer dan ten hoogste zes maanden gevangenisstraf is gesteld, kan de rechter nog van een voorwaardelijke strafoplegging af zien. Bij recidive van een misdrijf uit deze categorie, is tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf en daarnaast oplegging van minimumgevangenisstraffen voor het nieuwe delict, verplicht.

Onderdeel D

Tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen ter zake van de misdrijven waar dit wetsontwerp zich op richt wordt, in geval van recidive, een verplichting. Vrijblijvendheid m.b.t. de tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen wordt, in ieder geval voor de misdrijven waar dit wetsontwerp zich op richt, onwenselijk geacht. Immers, ook het consequent executeren van eerder voorwaardelijk opgelegde straffen zal bijdragen aan een gestrenge justitie, duidelijk voor daders, genoegdoening voor slachtoffers en beveiliging van de samenleving.

Onderdelen E en F

Deze bepalingen strekken er toe om het toepassingsbereik van werk- en taakstraffen terug te dringen. Alleen voor lichte misdrijven, zal oplegging van dergelijke straffen nog mogelijk zijn.

Dit effect wordt voor een groot deel al bereikt door de voorgestelde artikelen 10a en 10b van het Wetboek van Strafrecht.

Maar voor alle misdrijven (ook die buiten het bereik van de genoemde artikelen 10a en 10b vallen) geldt, dat werk- en taakstraffen nauwelijks als adequate leedtoevoegingen, die ook aan de slachtoffers en aan de samenleving genoegdoening bieden, zijn te zien. Om die reden, wordt de maximale omvang van taak- en leerstraffen gehalveerd. De rechter zal dan eerder dan thans het geval is, genoodzaakt zijn om vrijheidsstraffen en/of zwaardere geldboetes op te leggen.

Onderdelen G, H, I, J en K

Zoals in het algemeen deel van deze memorie van toelichting al is betoogd, dient het afgelopen te zijn met kwantumkortingen voor misdadigers en voor misdadigers die in de poging tot het plegen van een misdrijf blijven steken.

In geval van een lichtere variant van betrokkenheid bij de misdrijven waarvoor dit wetsvoorstel in de artikelen 10a en 10b minimumstraffen voorstelt, te weten de medeplichtigheid daarbij, is er wel reden om de voorgestelde strafminima met 1/3e deel te reduceren.

Onderdelen L, M en N

De verharding van de door jongeren gepleegde misdrijven is aanleiding om de minimumleeftijd van de mogelijkheid om strafrechtelijke vervolging in te kunnen stellen wordt verlaagd van twaalf naar tien jaren (deze wijziging in het het Wetboek van Strafvordering, wordt voorgesteld in artikel II, aanhef en onder C en D).

In samenhang daarmee is het noodzakelijk om in art 77a van het Wetboek van Strafrecht de daar genoemde minimumleeftijd van twaalf jaren ook te vervangen door tien jaren.

Daarnaast wordt de regeling van de strafrechtelijke meerderjarigheidsgrens aangepast.

De leeftijdscategorie achttien tot eentwintig jarigen, wordt altijd als strafrechtelijk meerderjarig aangemerkt. De rechter zal niet meer de mogelijkheid hebben om daders uit deze categorie nog onder de werking van het minderjarigenstrafrecht te brengen.

De leeftijdscategorie zestien tot achttien jarigen, wordt – in tegenstelling tot de huidige wettelijke regeling – in beginsel als strafrechtelijk meerderjarig aangemerkt. Maar hier kan de rechter, indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan (dus bij wijze van uitzondering), toch nog het minderjarigenstrafrecht toepassen.

De leeftijdscategorie veertien tot zestien jarigen, wordt – net als nu – als strafrechtelijk minderjarig aangemerkt maar nieuw is dat de rechter voor daders uit deze categorie kan besluiten om het meerderjarigenstrafrecht toe te passen, als hij daartoe grond vindt in de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

Onderdelen O tot en met R en T tot en met BS

Hier worden de maximum vrijheidsstraffen voor een aantal ernstige misdrijven, strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht, verhoogd.

Nut en noodzaak daartoe is gelegen in de gewenste langdurige bescherming van de samenleving tegen degenen die in staat zijn gebleken om deze ernstige misdrijven te plegen. Met de zwaardere straffen wordt ook beter dan thans het geval is, tegemoet gekomen aan de vergeldingsbehoefte en het verlangen tot genoegdoening voor aangedaan ernstig leed.

Onderdeel S

In artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht (openlijke geweldpleging) wordt een ingrijpende wijziging voorgesteld, voor wat betreft de strafverzwarende omstandigheden.

Onder de huidige regeling van artikel 141 zijn gevolgen als de vernieling van goederen of het veroorzaken van letsel, zwaar lichamelijk letsel of de dood, alleen een strafverzwarende omstandigheid voor die openlijke geweldpleger, die door zijn gedragingen dat ongewenste gevolg heeft veroorzaakt. Het openbaar ministerie zal dat ook moeten bewijzen. Faalt dat bewijs, dan gaat de veroorzaker van dat ongewenste gevolg vrijuit voor wat betreft de strafverzwaring. En dat is een ongewenst gevolg.

Maar daarnaast wordt het wenselijk geoordeeld, dat iedere betrokkene bij openlijke geweldpleging op moet draaien voor de gevolgen daarvan, ook als hij zo’n gevolg niet zelf heeft veroorzaakt. Hij die zich inlaat met openlijke geweldpleging, behoort in te calculeren dat het wel eens zo kan lopen dat de andere dader(s) in de geweldsroes en de dynamiek van het misdrijf, gevolgen te weeg brengen die eerstbedoelde dader niet beoogde. Wie niet voor de gevolgen van gedragingen van zijn mededader bij dit misdrijf wil boeten, doet er goed aan zich met het misdrijf openlijke geweldpleging in het geheel niet in te laten. Te verwachten valt dan ook, dat hiervan een sterk ontmoedigende impuls op potentiële daders van dit misdrijf uit kan gaan.

De ratio van het huidige derde lid van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht, wordt niet onderschreven en daarom wordt voorgesteld dat derde lid te schrappen. Het in een staat van onmacht of bewusteloosheid brengen van een slachtoffer van openlijke geweldpleging, maakt dat slachtoffer daardoor extra kwetsbaar voor voortzetting van geweldpleging of voor andere misdrijven.

Die extra kwetsbaarheid rechtvaardigt, dat openlijke geweldpleging die onmacht of bewusteloosheid voor een slachtoffer te weeg brengt, wel degelijk strafbaar behoort te zijn en met een zwaardere strafmaat bedreigd behoort te worden.

Artikel II

Onderdelen A tot en met C

Deze bepalingen strekken er toe om het door rechter of OM heenzenden van verdachten van de in deze wijzigingen genoemde strafbaar gestelde misdrijven, te redresseren. Deze verdachten zullen voortaan zo veel mogelijk vast moeten worden gehouden tot hen een onherroepelijke straf is opgelegd (dan kunnen zij naadloos van preventieve hechtenis overgaan naar de executie van de hen opgelegde vrijheidsstraf) dan wel zij zijn vrijgesproken of ontslag van rechtsvervolging is uitgesproken.

Wel moet hun heenzending mogelijk zijn als ernstige bezwaren voor hun preventieve hechtenis blijken te ontbreken of als hun preventieve hechtenis langer dreigt te worden dan de hen op te leggen gevangenisstraf. Deze laatste situatie zal zich overigens, als dit wetsvoorstel kracht van wet krijgt, beduidend minder vaak voordoen dan thans het geval pleegt te zijn.

Onderdelen C en D

Deze artikelen wijzigen de minimumleeftijden.

Artikelen III en IV

Ook de maximum vrijheidsstraffen van enkele harddrugsdelicten en vuurwapendelicten, dienen te worden verhoogd.

Nut en noodzaak daartoe zijn dezelfde als voor de hierboven beschreven verhogingen van de maximum vrijheidsstraffen waarmee een aantal misdrijven, strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht, worden bedreigd.

Artikelen V en VI

Nu de minimumleeftijd voor strafrechtelijke vervolging wordt verlaagd van twaalf naar tien jaren, is er ook aanleiding om het mogelijk te maken dat voor daders respectievelijk verdachten uit deze leeftijdscategorie tenuitvoerlegging van hun strafvonnis respectievelijk hun vervolging wordt overgedragen naar een buitenlandse mogendheid.

De Roon

Bijlagen bij de memorie van toelichting

Bijlage 1

Overzicht van de gevolgen van het voorgestelde artikel 10a Wetboek van Strafrecht.

ArtikelHuidige maximumstrafVoorgestelde maximumstrafMinimumstrafMinimumstraf bij recidive
Art. 92 SrAanslag tegen de Koning– levenslang– 30 jaar– levenslang– 60 jaar– 20 jaaronvoorwaardelijk– levenslang
     
Art. 93 SrAanslag tegen het Rijk– levenslang– 30 jaar– levenslang– 60 jaar– 20 jaaronvoorwaardelijk– levenslang
     
Art. 94 Sr Aanslag tegen regeringsvorm– levenslang– 30 jaar– levenslang– 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– levenslang
     
Art. 95 Sr Geweld tegen regeringsraad– levenslang– 30 jaar– levenslang– 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– levenslang
     
Art. 95a Sr Geweld tegen ministerraad– levenslang– 30 jaar– levenslang– 30 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk– levenslang
     
Art. 96 Sr Samenspanning– 10 jaar– 10 jaar– 3 jaar en 4 maanden onvoorwaardelijk– 6 jaar en 8 maanden
     
Art. 97 Sr lid 1 Contact met buitenlandse mogendheid– levenslang – 30 jaar– levenslang– 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– levenslang
     
Art. 97 Sr lid 2- 10 jaar– 10 jaar– 3 jaar en 4 maanden onvoorwaardelijk– 6 jaar en 8 maanden
     
Art. 108 Sr lid 1 Aanslag op leden Koninklijk Huis– 15 jaar– 30 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk– 40 jaar
     
Art. 108 Sr lid 2- levenslang – 30 jaar– levenslang– 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– levenslang
     
Art. 115 Sr lid 1 Aanslag tegen bevriend staatshoofd– 15 jaar– 30 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk– 20 jaar
     
Art. 115 Sr lid 2- levenslang– 30 jaar– levenslang– 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– levenslang
     
Art. 121 Sr Geweld tegen Staten-Generaal– levenslang– 30 jaar– levenslang– 30 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk– levenslang
     
Art. 121a Sr Geweld tegen parlementaire commissie– 9 jaar– 9 jaar– 3 jaaronvoorwaar- delijk– 6 jaar
     
Art. 122 Sr Samenspanning tot geweld– 10 jaar– 10 jaar– 3 jaar en 4 maanden onvoorwaardelijk– 6 jaar en 8 maanden
     
Art. 123 Sr Geweld tegen Provinciale Staten of Gemeenteraad– 9 jaar– 9 jaar– 3 jaar onvoorwaardelijk– 6 jaar
     
Art. 123a Sr Geweld tegen commissie Provinciale Staten– 4 jaar– 4 jaar– 1 jaar en 4 maanden onvoorwaardelijk– 2 jaar en 8 maanden
     
Art. 124 Sr Geweld tegen Gemeenteraad– 9 jaar– 9 jaar– 3 jaar onvoorwaardelijk– 6 jaar
     
Art. 124a Sr Geweld tegen commissie Gemeenteraad– 4 jaar– 4 jaar– 1 jaar en 4 maanden onvoorwaardelijk– 2 jaar en 8 maanden
Art. 125 Sr Geweld bij verkiezingen– 1 jaar– 1 jaar– 4 maanden onvoorwaardelijk– 8 maanden
     
Art. 140 Sr lid 1 Deelneming aan criminele organisatie– 6 jaar– 24 jaar– 8 jaar onvoorwaardelijk– 16 jaar
     
Art. 140 Sr lid 2- 1 jaar– 1 jaar– 4 maanden onvoorwaardelijk– 8 maanden
     
Art. 140 Sr lid 3- +1/3 – +1/3– +1/3
     
Art. 141 Sr lid 2 onder 2° Openlijke geweldpleging– 9 jaar– 9 jaar– 3 jaar onvoorwaardelijk– 6 jaar
     
Art. 141 Sr lid 2 onder 3°- 12 jaar– 12 jaar– 4 jaar onvoorwaardelijk– 8 jaar
     
Art. 151 Sr Doen verdwijnen van lijk– 2 jaar– 30 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk– 20 jaar
     
Art. 157 Sr onder 1° Brandstichting– 12 jaar– 12 jaar– 4 jaar onvoorwaardelijk– 8 jaar
     
Art. 157 Sr onder 2°- 15 jaar– 24 jaar– 8 jaar onvoorwaardelijk– 16 jaar
     
Art. 157 Sr onder 3°- levenslang– 30 jaar– levenslang – 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– 40 jaar
     
Art. 161bis Sr onder 3° Opzettelijke vernieling elektriciteitswerk– 9 jaar– 24 jaar– 8 jaar onvoorwaardelijk– 16 jaar
     
Art. 161bis Sr onder 4°- 15 jaar– 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– 40 jaar
     
Art. 161quater Sr onder 1° Opzettelijke blootstelling aan ioniserende stralen enz.– 15 jaar24 jaar– 8 jaar onvoorwaardelijk– 16 jaar
     
Art. 161quater Sr onder 2°– levenslang– 30 jaar– levenslang – 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– levenslang
     
Art. 161sexies Sr lid 1onder 3°    
Opzettelijke vernieling geautomatiseerd werk– 9 jaar– 24 jaar– 8 jaar onvoorwaardelijk– 16 jaar
     
Art. 161sexies Sr lid 1 onder 4°- 15 jaar– 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– 40 jaar
Art. 162 Sr onder 1°    
Opzettelijke vernieling verkeerswerk– 9 jaar– 24 jaar– 8 jaar onvoorwaardelijk– 16 jaar
     
Art. 162 Sr onder 2°- 15 jaar– 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– 40 jaar
Art. 162a Sr onder 1°    
Opzettelijke vernieling luchtvaartuig– 9 jaar– 24 jaar– 8 jaar onvoorwaardelijk– 16 jaar
     
Art. 162a Sr onder 2°- 15 jaar– 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– 40 jaar
Art. 164 Sr lid 1    
Gevaarzetting treinverkeer– 15 jaar– 24 jaar– 8 jaar onvoorwaardelijk– 16 jaar
     
Art. 164 Sr lid 2– levenslang – 30 jaar– levenslang – 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– levenslang
Art. 166 Sr onder 1°    
Opzettelijke vernieling veiligheidstekens– 12 jaar– 12 jaar– 4 jaar onvoorwaardelijk– 8 jaar
     
Art. 166 Sr onder 2°- 15 jaar– 15 jaar– 5 jaar onvoorwaardelijk– 10 jaar
     
Art. 166 Sr onder 3°- levenslang – 30 jaar– levenslang – 30 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk–levenslang
     
Art. 168 Sr onder 1°    
Opzettelijke vernieling (lucht-) vaartuig– 15 jaar– 24 jaar– 8 jaar onvoorwaardelijk– 16 jaar
     
Art. 168 Sr onder 2°– levenslang – 30 jaar– levenslang – 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– levenslang
Art. 170 Sr onder 1°    
Opzettelijke vernieling gebouw– 12 jaar – 4 jaar onvoorwaardelijk– 8 jaar
     
Art. 170 Sr onder 2°- 15 jaar– 24 jaar– 8 jaar onvoorwaardelijk– 16 jaar
     
Art. 170 Sr onder 3°– levenslang – 30 jaar– levenslang – 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– levenslang
     
Art. 172 Sr lid 1 onder 1°    
Opzettelijke vergiftiging drinkwater– 12 jaar– 12 jaar– 4 jaar onvoorwaardelijk– 8 jaar
     
Art. 172 Sr lid 1 onder 2°- 15 jaar– 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– 40 jaar
     
Art. 172 Sr lid 2- 1 jaar– 1 jaar– 4 maanden onvoorwaardelijk– 8 maanden
     
Art. 173a Sr lid 1 onder 1°    
Opzettelijke verontreiniging bodem enz.– 12 jaar– 24 jaar– 8 jaar onvoorwaardelijk– 16 jaar
     
Art. 173a Sr lid 1 onder 2°- 15 jaar– 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– 40 jaar
     
Art. 174 Sr lid 1    
Opzettelijke verkoop schadelijke waren– 15 jaar– 24 jaar– 8 jaar onvoorwaardelijk– 16 jaar
     
Art. 174 Sr lid 2– levenslang – 30 jaar– 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– 40 jaar
Art. 181 Sr onder 2°    
Ambtsdwang en wederspannigheid met letsel– 7 jaar en 6 maanden– 7 jaar en 6 maanden– 2 jaar en 8 maanden onvoorwaardelijk– 3 jaar en 4 maanden
     
Art. 181 Sr onder 3°- 12 jaar– 12 jaar– 4 jaar onvoorwaardelijk– 8 jaar
Art. 182 Sr lid 2 onder 2°    
Medeplegen ambtsdwang en wederspannigheid met letsel– 12 jaar– 12 jaar– 4 jaar onvoorwaardelijk– 8 jaar
     
Art. 182 Sr lid 2 onder 3°- 15 jaar– 15 jaar– 5 jaar onvoorwaardelijk– 10 jaar
     
Art. 240b Sr lid 1    
Kinderpornografie– 4 jaar– 15 jaar– 5 jaar onvoorwaardelijk10 jaar
     
Art. 240b Sr lid 2- 6 jaar– 20 jaar– 6 jaar en 8 maanden onvoorwaardelijk– 13 jaar en 4 maanden
    
Art. 242 Sr    
Verkrachting– 12 jaar– 30 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk– 20 jaar
     
Art. 243 Sr    
Gemeenschap met wilsonbekwame– 8 jaar– 20 jaar– 6 jaar en 8 maanden onvoorwaardelijk– 13 jaar en 4 maanden
     
Art. 244 Sr    
Gemeenschap met persoon beneden 12 jaar– 12 jaar– 30 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk– 20 jaar
     
Art. 245 Sr    
Gemeenschap met persoon beneden 16 jaar– 8 jaar– 20 jaar– 6 jaar en 8 maanden onvoorwaardelijk– 13 jaar en 4 maanden
     
Art. 246 Sr    
Feitelijke aanranding van de eerbaarheid– 8 jaar– 20 jaar– 6 jaar en 8 maanden onvoorwaardelijk– 13 jaar en 4 maanden
     
Art. 247 Sr    
Ontucht met wilsonbekwame– 6 jaar– 15 jaar– 5 jaar onvoorwaardelijk– 10 jaar
     
Art. 248 Sr lid 1    
Strafverzwaring– 12 jaar– 30 jaar– 10 jaar– 20 jaar
     
Art. 248 Sr lid 2    
Dood– 15 jaar– 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– 40 jaar
     
Art. 248a Sr    
Verleiding van minderjarige tot ontucht– 4 jaar– 10 jaar– 3 jaar en 4 maanden onvoorwaardelijk– 6 jaar en 8 maanden
     
Art. 248b Sr    
Prostitutie door minderjarige– 4 jaar– 10 jaar– 3 jaar en 4 maanden onvoorwaardelijk– 6 jaar en 8 maanden
     
Art. 248c Sr    
Opzettelijk aanwezig zijn bij ontuchtige handelingen door minderjarige– 4 jaar– 10 jaar– 3 jaar en 4 maanden onvoorwaardelijk– 6 jaar en 8 maanden
     
Art. 249 Sr lid 1    
Ontucht met misbruik van gezag– 6 jaar– 15 jaar– 5 jaar onvoorwaardelijk– 10 jaar
     
Art. 250 Sr lid 1 onder 1°    
Koppelarij– 4 jaar– 10 jaar– 3 jaar en 4 maanden onvoorwaardelijk– 6 jaar en 8 maanden
     
Art. 250 Sr lid 1 onder 2°- 3 jaar– 8 jaar– 2 jaar en 8 maanden onvoorwaardelijk– 5 jaar en 4 maanden
     
Art. 250 Sr lid 2- +1/3 – +1/3– +1/3
     
Art. 252 Sr lid 2    
Bedwelmende drank– 6 jaar– 15 jaar– 5 jaar onvoorwaardelijk10 jaar
     
Art. 252 Sr lid 3- 9 jaar– 24 jaar– 8 jaar onvoorwaardelijk16 jaar
Art. 273f Sr lid 1    
Mensenhandel– 6 jaar– 15 jaar– 5 jaar onvoorwaardelijk– 10 jaar
     
Art. 273f Sr lid 3- 8 jaar– 20 jaar– 6 jaar en 8 maanden onvoorwaardelijk– 13 jaar en 4 maanden
    
Art. 273f Sr lid 4- 10 jaar– 25 jaar– 8 jaar en 4 maanden onvoorwaardelijk– 16 jaar en 8 maanden
     
Art. 273f Sr lid 5- 12 jaar– 30 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk20 jaar
     
Art. 273f Sr lid 6- 15 jaar– 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk40 jaar
Art. 274 Sr    
Slavenhandel– 12 jaar– 30 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk– 20 jaar
Art. 275 Sr lid 1    
Schipper van slavenschip– 12 jaar– 30 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk– 20 jaar
     
Art. 275 Sr lid 2- 15 jaar– 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk40 jaar
     
Art. 276 Sr    
Schepeling van slavenschip– 9 jaar– 24 jaar– 8 jaar onvoorwaardelijk– 16 jaar
     
Art. 277 Sr    
Verhuring enz. van slavenschip– 8 jaar– 20 jaar– 6 jaar en 8 maanden onvoorwaardelijk– 13 jaar en 4 maanden
Art. 278 Sr    
Mensenroof– 12 jaar– 30 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk– 20 jaar
     
Art. 282 Sr lid 1    
Opzettelijke vrijheidsberoving– 8 jaar– 20 jaar– 6 jaar en 8 maanden onvoorwaardelijk– 13 jaar en 4 maanden
     
Art. 282 Sr lid 2- 9 jaar– 24 jaar– 8 jaar onvoorwaardelijk16 jaar
     
Art. 282 Sr lid 3- 12 jaar– 30 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk20 jaar
     
Art. 282a Sr lid 1    
Gijzeling– 15 jaar– 30 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk– 20 jaar
     
Art. 282a Sr lid 2– levenslang – 30 jaar– levenslang – 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– levenslang
     
Art. 287 Sr    
Doodslag– 15 jaar– 30 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk– 20 jaar
Art. 288 Sr    
Doodslag i.c. met ander strafbaar feit– levenslang – 30 jaar– levenslang – 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– levenslang
Art. 288a Sr    
Verhoging strafmaximum bij terroristisch oogmerk– levenslang – 30 jaar– levenslang – 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– levenslang
     
Art. 289 Sr    
Moord– levenslang – 30 jaar– levenslang – 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– levenslang
     
Art. 289a Sr lid 1    
Samenspanning met terroristisch oogmerk– 10 jaar– 10 jaar– 3 jaar en 4 maanden onvoorwaardelijk– 6 jaar en 8 maanden
     
Art. 290 Sr    
Kinderdoodslag– 6 jaar– 6 jaar– 2 jaar onvoorwaardelijk– 4 jaar
     
Art. 291 Sr    
Kindermoord– 9 jaar– 9 jaar– 3 jaar onvoorwaardelijk– 6 jaar
Art. 293 Sr lid 1    
Levensbeëindiging op verzoek; euthanasie– 12 jaar– 12 jaar– 4 jaar onvoorwaardelijk– 8 jaar
     
Art. 294 Sr lid 1    
Aanzetten tot zelfdoding– 3 jaar– 3 jaar– 1 jaar onvoorwaardelijk– 2 jaar
Art. 294 Sr lid 2    
Hulp bij zelfdoding– 3 jaar– 3 jaar– 1 jaar onvoorwaardelijk– 2 jaar
Art. 296 Sr lid 2    
Abortus– 6 jaar– 15 jaar– 5 jaar onvoorwaardelijk– 10 jaar
     
Art. 296 Sr lid 3- 12 jaar– 30 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk20 jaar
     
Art. 296 Sr lid 4- 15 jaar– 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk40 jaar
     
Art. 300 Sr lid 2    
mishandeling zw.lich.letsel– 4 jaar– 10 jaar– 2 jaar en 8 maanden onvoorwaardelijk– 5 jaar en 4 maanden
Art. 300 Sr lid 3    
Mish → dood– 6 jaar– 15 jaar– 5 jaar onvoorwaardelijk– 10 jaar
Art. 301 Sr lid 1    
Mishandeling met voorbedachte rade– 4 jaar– 10 jaar– 2 jaar en 8 maanden onvoorwaardelijk– 5 jaar en 4 maanden
     
Art. 301 Sr lid 2- 6 jaar– 15 jaar– 5 jaar onvoorwaardelijk10 jaar
     
Art. 301 Sr lid 3- 9 jaar– 24 jaar– 8 jaar onvoorwaardelijk16 jaar
Art. 302 Sr lid 1    
Zware mishandeling– 8 jaar– 20 jaar– 6 jaar en 8 maanden onvoorwaardelijk– 13 jaar en 4 maanden
     
Art. 302 Sr lid 2- 10 jaar– 25 jaar– 8 jaar en 4 maanden onvoorwaardelijk– 16 jaar en 8 maanden
Art. 303 Sr lid 1    
Zware mishandeling met voorbedachten rade– 12 jaar– 30 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk– 20 jaar
     
Art. 303 Sr lid 2- 15 jaar– 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk40 jaar
Art. 304 Sr    
Strafverzwarende omstandigheden– +1/3 – +1/3– +1/3
     
Art. 306 Sr onder 1°    
Deelneming aan aanval of vechterij– 2 jaar– 10 jaar– 2 jaar en 8 maanden onvoorwaardelijk– 5 jaar en 4 maanden
     
Art. 306 Sr onder 2°- 3 jaar– 10 jaar– 2 jaar en 8 maanden onvoorwaardelijk– 5 jaar en 4 maanden
Art. 312 Sr lid 1    
Diefstal met geweldpleging– 9 jaar– 24 jaar– 8 jaar onvoorwaardelijk– 16 jaar
     
Art. 312 Sr lid 2- 12 jaar– 30 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk20 jaar
     
Art. 312 Sr lid 3- 15 jaar– 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk40 jaar
Art. 317 Sr lid 1    
Afpersing– 9 jaar– 24 jaar– 8 jaar onvoorwaardelijk– 16 jaar
Art. 317 Sr lid 3 Art. 312 Sr lid 2- 12 jaar– 30 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk20 jaar
     
Art. 317 Sr lid 3 Art. 312 Sr lid 3- 15 jaar– 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk40 jaar
     
Art. 381 Sr lid 1 onder 1°    
Zeeroof en luchtroof– 12 jaar– 30 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk– 20 jaar
Art. 382    
Strafverzwarende gronden– 15 jaar– 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– 40 jaar
Art. 383 Sr    
Uitrusten (lucht-) vaartuig voor geweldpleging– 12 jaar– 30 jaar10 jaar onvoorwaardelijk– 20 jaar
     
Art. 384 Sr    
Verhuur etc. (lucht-) vaartuig voor geweldpleging– 8 jaar– 20 jaar– 6 jaar en 8 maanden onvoorwaardelijk– 13 jaar en 4 maanden
     
Art. 385 Sr onder 1°    
Overgeven van vaartuig aan zeerovers– 12 jaar – 4 jaar onvoorwaardelijk– 8 jaar
     
Art. 385 Sr onder 2°- 9 jaar – 3 jaar onvoorwaardelijk– 6 jaar
Art. 385a Sr lid 1    
Vliegtuigkaping– 12 jaar – 4 jaar onvoorwaardelijk– 8 jaar
     
Art. 385a Sr lid 2- 15 jaar– 30 jaar– 5 jaar onvoorwaardelijk10 jaar
     
Art. 385a Sr lid 3– levenslang – 30 jaar– levenslang – 60 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk– levenslang
     
Art. 385b Sr lid 1 onder 1°    
Geweld tegen iemand in luchtvaartuig– 9 jaar – 3 jaar onvoorwaardelijk– 6 jaar
     
Art. 385b Sr lid 1 onder 2°- 12 jaar– 30 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk– 20 jaar
     
Art. 385b Sr lid 1 onder 3°- 15 jaar– 60 jaar– 20 jaar onvoorwaardelijk– 40 jaar
     
Art. 385c Sr    
Doorgeven van onjuiste vluchtinformatie– 4 jaar– 10 jaar– 2 jaar en 8 maanden onvoorwaardelijk– 5 jaar en 4 maanden
     
Art. 385d Sr onder 1°    
Geweldpleging in luchthaven– 9 jaar– 24 jaar– 8 jaar onvoorwaardelijk– 16 jaar
     
Art. 385d Sr onder 2°- 15 jaar– 30 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk– 20 jaar
     
Art. 385d Sr onder 3°- 15 jaar– 60 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk– 20 jaar
Art. 417 Sr    
Gewoonteheling– 6 jaar– 15 jaar– 5 jaar onvoorwaardelijk10 jaar
Art. 420ter Sr    
Gewoonte witwassen– 6 jaar– 15 jaar– 5 jaar onvoorwaardelijk10 jaar
    
Art. 10 Opiumwet lid 3- 6 jaar– 15 jaar– 5 jaar onvoorwaardelijk– 10 jaar
     
Art. 10 Opiumwet lid 4- 8 jaar– 20 jaar– 6 jaar en 8 maanden onvoorwaardelijk– 13 jaar en 4 maanden
     
Art. 10 Opiumwet lid 5- 12 jaar– 30 jaar– 10 jaar onvoorwaardelijk– 20 jaar
     
Art. 55 lid 3 Wet Wapens en Munitie    
Strafbedreiging misdrijven– 4 jaar– 10 jaar– 2 jaar en 8 maanden onvoorwaardelijk– 5 jaar en 4 maanden
     
Art. 55 WWM lid 4- 8 jaar– 20 jaar– 6 jaar en 8 maanden onvoorwaardelijk– 13 jaar en 4 maanden
     
Art. 55 WWM lid 5- 8 jaar– 20 jaar– 6 jaar en 8 maanden onvoorwaardelijk– 13 jaar en 4 maanden

BIJLAGE 2

Overzicht van de gevolgen van het voorgestelde artikel 10b Wetboek van Strafrecht

ArtikelMaximumstrafMinimumstrafMinimum 1e recidiveMinimum 2e recidive
285 Sr bedreiging2 jaar gev.straf2 mnd4 mnd2 jaar
     
285 Sr openlijke bedreiging2 jaar gev straf4 mnd8 mnd2 jaar
     
300 lid 1 Sr eenvoudige mishandeling3 jaar gev straf3 mnd6 mnd3 jaar
     
300 lid 1 Sr Openlijke eenvoudige mishandeling3 jaar gev straf6 mnd12 mnd3 jaar
     
141 lid 1 Sr Openlijke geweldpleging4 jaar en 6 mnd gev straf12 mnd24 mnd4 jaar en 6 mnd gev straf
     
122 lid 1 gezondheids- en welzijnswet dieren dierenmishandeling3 jaar gev straf3 mnd6 mnd3 jaar
     
122 lid 1 Zware dierenmishandeling3 jaar gev straf1 jaar2 jaar3 jaar

BIJLAGE 3

Overzicht van de gevolgen van het voorgestelde artikel 10c Wetboek van Strafrecht.

ArtikelHuidige maximumstrafFirst offender1e Recidive2e Recidive3e Recidive
Art. 310 Sr Diefstal– ten hoogste 4 jaar– tenminste 3 maanden vw.– tenminste 3 maanden ovw. – tenminste 6 maanden onvw. – 4 jaar onvw.
      
Art. 311 Sr lid 1 onder 1° Diefstal van vee uit de weide– ten hoogste 6 jaar– tenminste 3 maanden vw.– tenminste 3 maanden onvw. – tenminste 6 maanden onvw. – 6 jaar onvw.
      
Art. 311 Sr lid 1 onder 2° Diefstal bij gelegenheid van brand etc. – ten hoogste 6 jaar– tenminste 3 maanden vw.– tenminste 3 maanden onvw. – tenminste 6 maanden onvw. – 6 jaar onvw.
      
Art. 321 Sr Verduistering– ten hoogste 3 jaar– tenminste 3 maanden vw.– tenminste 3 maanden onvw. – tenminste 6 maanden onvw. – 3 jaar onvw.
      
Art. 322 Sr Verduistering in dienstbetrekking– ten hoogste 4 jaar– tenminste 3 maanden vw. – tenminste 3 maanden onvw. – tenminste 6 maanden onvw. – 4 jaar onvw.
Art. 323 Sr Verduistering door voogd e.a.– ten hoogste 5 jaar– tenminste 3 maanden vw. – tenminste 3 maanden onvw. – tenminste 6 maanden onvw. – 5 jaar onvw.
      
Art. 326 Sr Oplichting– ten hoogste 4 jaar– tenminste 3 maanden vw.– tenminste 3 maanden onvw. – tenminste 6 maanden onvw. – 4 jaar onvw.
      
Art. 350 Sr Beschadiging goederen (en dieren)– ten hoogste 2 jaar– tenminste 3 maanden vw. – tenminste 3 maanden onvw. – tenminste 6 maanden onvw. – 2 jaar onvw.
      
Art. 416 Sr Heling– ten hoogste 4 jaar– tenminste 3 maanden vw.– tenminste 3 maanden onvw. – tenminste 6 maanden onvw. – 4 jaar onvw.
      
Art. 420bis Sr Witwassen– ten hoogste 4 jaar– tenminste 3 maanden vw. – tenminste 3 maanden onvw. – tenminste 6 maanden onvw. – 4 jaar onvw.
      
Art. 181 Sr onder 1° Ambtsdwang en wederspannigheid met letsel– ten hoogste 5 jaar– tenminste 3 maanden vw. – tenminste 6 maanden onvw. – tenminste 12 maanden onvw. – 5 jaar onvw.
      
Art. 182 Sr lid 1 Medeplegen ambtsdwang en wederspannigheid met letsel– ten hoogste 6 jaar– tenminste 3 maanden vw. – tenminste 6 maanden onvw. – tenminste 12 maanden onvw. – 6 jaar onvw.
      
Art. 182 Sr lid 2– ten hoogste 7 jaar en 6 maanden– tenminste 3 maanden vw.– tenminste 6 maanden onvw. – tenminste 12 maanden onvw. – 5 jaar en 6 maanden onvw.
      
Art. 311 Sr lid 1 onder 3° Diefstal gedurende nachtrust etc.– ten hoogste 6 jaar– tenminste 3 maanden vw. – tenminste 12 maanden onvw. – tenminste 24 maanden onvw. – 6 jaar onvw.
      
Art. 311 Sr lid 1 onder 4° Diefstal door 2 of meer personen– ten hoogste 6 jaar– tenminste 3 maanden vw. – tenminste 12 maanden onvw. – tenminste 24 maanden onvw. – 6 jaar onvw.
      
Art. 311 Sr lid 1 onder 5° Diefstal d.m.v. braak etc.– ten hoogste 6 jaar– tenminste 3 maanden vw. – tenminste 12 maanden onvw. – tenminste 24 maanden onvw. – 6 jaar onvw.
      
Art. 311 Sr lid 1 onder 6° Diefstal met terroristisch oogmerk– ten hoogste 6 jaar– tenminste 3 maanden vw. – tenminste 12 maanden onvw. – tenminste 24 maanden onvw. – 6 jaar onvw.
      
Art. 311 Sr lid 2 Diefstal 3° + omstandigheden onder 4° of 5°– ten hoogste 9 jaar– tenminste 3 maanden vw. – tenminste 18 maanden onvw. – tenminste 36 maanden onvw. – 9 jaar onvw.

XNoot
1

Kamerstukken II, 2000–01, 27 419, nr 4, p. 23.

XNoot
2

Kamerstukken II, 2002–03, 29 049, nr 1; het onderzoek is gepubliceerd onder de titel «Ups en downs van de minimumstraf», Nijmegen 2003.

XNoot
3

Frankrijk, België, Duitsland en Engeland.

XNoot
1

Kamerstukken II, 2005–06, 30 658, nr. 2.