Gepubliceerd: 3 november 2008
Indiener(s): Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken) (CDA)
Onderwerpen: belasting financiën
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31764-1.html
ID: 31764-1

31 764
Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Staat Qatar tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, met Protocol; ’s-Gravenhage, 24 april 2008

nr. 1
A
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 november 2008

Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 6 november 2008.

De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 6 december 2008.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State gehoord, heb ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen het op 24 april 2008 te ’s-Gravenhage totstandgekomen verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Staat Qatar tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, met Protocol (Trb. 2008, 112).

Een toelichtende nota bij het verdrag treft u eveneens hierbij aan.

De goedkeuring wordt alleen voor Nederland gevraagd.

De minister van Buitenlandse Zaken,

M. J. M. Verhagen

TOELICHTENDE NOTA

1. Inleiding

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vijfde lid jo vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State).Het onderhavige Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Staat Qatar tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (hierna: het «Verdrag») bevat regels die aanwijzen welke van de verdragsluitende staten, het Koninkrijk der Nederlanden voor wat betreft Nederland dan wel de Staat Qatar voor wat betreft Qatar, bevoegd is om in overeenstemming met zijn nationale wetgeving belasting te heffen van het inkomen van inwoners van één of van beide staten; dit teneinde dubbele belasting te voorkomen. Daarnaast regelt het Verdrag, onder meer met het oog op het voorkomen van het ontgaan van belasting, de onderlinge uitwisseling van fiscale gegevens. Het Verdrag sluit aan bij het streven naar een uitbreiding van het netwerk van verdragen in de regio Midden-Oosten en past in het netwerk van vergelijkbare belastingverdragen die het Koninkrijk der Nederlanden is aangegaan met tal van andere landen ter wereld.

2. Verloop van de onderhandelingen

In oktober 2007 hebben Nederland en Qatar in Den Haag voor het eerst over het Verdrag onderhandeld. De tweede onderhandelingsronde vond in januari 2008 in Doha, Qatar, plaats. In de tweede onderhandelingsronde is op ambtelijk niveau overeenstemming bereikt over het Verdrag. De aanleiding voor de onderhandelingen was de wens van beide partijen om de bestaande verdragsloze situatie op te heffen, teneinde de economische betrekkingen tussen en de wederzijdse investeringen door inwoners van Nederland en Qatar te bevorderen. Het Verdrag biedt het Nederlandse bedrijfsleven meer zekerheid ten aanzien van investeringen in Qatar.

Voor Nederland diende als basis voor de onderhandelingen een ten behoeve van de verdragsonderhandelingen opgesteld ontwerp. Dit ontwerp kwam nagenoeg overeen met de bijlage bij de notitie Algemeen fiscaal verdragsbeleid (Kamerstukken II 1987/88, 20 365, nrs 1–2), met dien verstande dat daaraan zijn toegevoegd de in het Nederlandse verdragsbeleid ontwikkelde bepalingen, die zijn toegelicht in de notitie Uitgangspunten van het beleid op het terrein van het internationaal fiscaal (verdragen)recht (Kamerstukken II 1997/98, 25 087, nr. 4; hierna: Notitie Uitgangspunten), en dat de tekst op enige punten in overeenstemming is gebracht met de tekst van het OESO-modelbelastingverdrag 2005 (OESO-publicaties, Parijs 2005; zie www.oecd.org; hierna: het OESO-modelverdrag).

De Nederlandse inzet van de onderhandelingen was te komen tot een verdrag dat zoveel mogelijk in overeenstemming zou zijn met het in voormelde notities neergelegde beleid.

Naar de mening van de eerste ondertekenaar vormen de in het Verdrag neergelegde regelingen een resultaat dat in het licht van de over en weer naar voren gebrachte wensen als evenwichtig kan worden beschouwd en waarin op bevredigende wijze rekening is gehouden met de belangen van het Nederlandse bedrijfsleven. De door Nederland naar voren gebrachte wensen konden bij de onderhandelingen voor een groot deel worden verwezenlijkt.

Daaronder kunnen de volgende punten worden genoemd.

• Qatar onderschrijft het Nederlandse standpunt over de winsttoerekening in geval van bedrijfsklare projecten (zogeheten «turnkey»-projecten) en over de zogenoemde cost-sharingbepaling bij gelieerde ondernemingen.

• Een bepaling op grond waarvan pensioenfondsen als verdragsgerechtigd worden aangemerkt (artikel 4, tweede lid).

• Een bronstaatheffing voor pensioenen, uitkeringen op grond van een socialezekerheidsstelsel, lijfrenten en voor afkoopsommen van pensioenen en lijfrenten (artikel 18).

• Geen ruime omschrijving van het begrip «vaste inrichting» (artikel 5, eerste en tweede lid) zoals in het VN-modelverdrag waarin dienstverlening in algemene zin onder het begrip vaste inrichting wordt gebracht.

• 0% bronheffing over deelnemingsdividenden bij een aandelenbelang van ten minste 7,5% (artikel 10, tweede lid, onderdeel a).

• Uitsluitende bronheffing over interest (artikel 11)

• De mogelijkheid voor Nederland een conserverende aanslag op te leggen en in te vorderen in geval van emigratie van een aanmerkelijkbelanghouder (artikel 24, zesde lid).

• Arbitrage (artikel 26, vijfde lid) en uitwisseling van inlichtingen (artikel 27) zo veel mogelijk conform het OESO-model. De arbitragebepaling is geënt op het concept voor het (nieuwe) OESO-modelverdrag 2008.

Op enkele punten is van het Nederlandse verdragsbeleid afgeweken teneinde rekening te houden met de specifieke wensen van de Staat Qatar. Deze specifieke wensen zijn onder andere tot uitdrukking gekomen in:

• een zesmaandentermijn voor het vormen van een vaste inrichting bij de uitvoering van een bouwwerk e.d. in plaats van de gebruikelijke twaalfmaandentermijn;

• een bronstaatheffing op royalty’s van 5%;

• een ruimere bronstaatheffing over inkomsten uit zelfstandige arbeid dan onder het OESO-modelverdrag dat tot 2000 van toepassing was;

• geen bepaling over bijstand bij invordering.

Aan het Verdrag is gehecht een Protocol, waarin nadere uitleg wordt gegeven over een aantal begrippen in de afzonderlijke verdragsartikelen. Dit Protocol vormt een integrerend onderdeel van het Verdrag.

Hieronder zullen in paragraaf 4 de overeengekomen resultaten op hoofdlijnen worden uiteengezet. Daarbij zullen per artikel de belangrijkste afwijkingen van het Nederlandse verdragsbeleid worden aangegeven.

3. Budgettaire gevolgen

Over de omvang van de budgettaire gevolgen valt, gezien de huidige stand van de investeringen, nog geen concrete aanwijzing te geven. Voor het Nederlandse bedrijfsleven zal het Verdrag bij toenemende activiteiten en investeringen in Qatar positief uitwerken. De grenzen van de heffingsbevoegdheden van beide landen zijn duidelijk vastgelegd en er is een goede grondslag gelegd voor overleg in die situaties waarin toepassing van het Verdrag desalniettemin tot problemen zou kunnen leiden.

4. Artikelsgewijze toelichting

Titel en preambule

Het Verdrag geldt voor belastingen naar het inkomen, maar niet voor belastingen naar het vermogen. Qatar kent geen vermogensbelasting. In Nederland is de vermogensbelasting sinds 1 januari 2001 afgeschaft. Hoewel de regeringen van beide landen als verdragsluitende partijen worden genoemd, zal het Verdrag uiteraard gelden tussen beide staten.

Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is (artikel 2)

De Qatarese belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn de «Taxes on income». Qatar kent een inkomstenbelasting die alleen van buitenlandse bedrijven wordt geheven. Natuurlijke personen zijn niet aan belastingheffing onderworpen. Een vennootschap die voor 100% in Qatarese handen is, betaalt ook geen belasting. In geval van een samenwerkingsverband wordt alleen het buitenlandse aandeel belast. Inwoners van de staten die lid zijn van de Gulf Co-operation Council (GCC), zijn eveneens vrijgesteld. Niettemin is de verwachting dat in de toekomst alle bedrijven aan belasting zullen worden onderworpen.

De Qatarese inkomstenbelasting geldt voor activiteiten in verschillende sectoren, waaronder de olie- en gasindustrie en banken en verzekeringsmaatschappijen. Er geldt een progressief tarief oplopend van 10% tot 35%. Er is (nog) geen bronbelasting op dividenden en interest. Royalty’s worden in de inkomstenbelasting betrokken. Het betalen van Zakat (religieuze belasting) is geen wettelijke verplichting en valt daarom buiten de belastingwet.

Inwoner (artikel 4 juncto artikel II en III van het Protocol)

Het eerste lid wijkt af van de tekst die Nederland normaliter opneemt in zijn verdragen. De tekst is nu opgesplitst en er wordt per land een definitie gegeven van wat een inwoner is van een Verdragsluitende Staat. Voor Nederland geldt de tekst die Nederland voorstaat en deze tekst komt grotendeels overeen met de tekst van het OESO-modelverdrag. Voor Qatar wijkt de tekst enigszins daarvan af om rekening te houden met het feit dat geen belasting wordt geheven met uitzondering van buitenlandse bedrijven.

Op grond van artikel 4, tweede lid, zijn pensioenfondsen en collectieve investeringsvehikels die worden erkend en gereguleerd in overeenstemming met de wettelijke voorschriften van één van beide staten, eveneens inwoner in de zin van het Verdrag. Voorts zijn dividenden die worden betaald aan deze instellingen, op grond van artikel VI, eerste lid, van het Protocol niet onderworpen aan bronheffing.

Teneinde veilig te stellen dat het Verdrag van toepassing is op natuurlijke personen die, naar de feiten en omstandigheden beoordeeld, wonen aan boord van een schip en niet beschikken over een feitelijke woonplaats in één van de verdragsluitende staten, regelt artikel II van het Protocol dat zij geacht worden inwoner te zijn van de verdragsluitende staat waar het desbetreffende schip zijn thuishaven heeft.

Indien een lichaam inwoner is van beide staten, is op grond van artikel 4, vierde lid, in beginsel de plaats waar de feitelijke leiding is gevestigd, doorslaggevend. Echter, in artikel III van het Protocol is hierop een uitzondering gemaakt om ontwijking van dividendbelasting tegen te gaan. Indien de feitelijke leiding in de drie voorafgaande jaren in de andere staat (lees: Nederland) was gevestigd en de bezittingen op enig moment in de periode twaalf maanden voorafgaand aan de vestiging in de andere staat (lees: Qatar) uit liquide middelen bestonden, is artikel 4, vierde lid, niet van toepassing. Als uitzondering op de uitzondering is in artikel 4, vierde lid, weer wel van toepassing indien er tussen de bevoegde autoriteiten wederzijds overeenstemming bestaat dat de verplaatsing van de feitelijke leiding om bona fide zakelijke redenen is geschied.

Vaste inrichting (artikel 5)

Hoewel artikel 5 grotendeels het OESO-modelverdrag volgt, is op verzoek van Qatar de opsomming wat onder een vaste inrichting kan worden verstaan, uitgebreid. Dit wijkt af van de in de OESO gekozen definitie. In artikel 5, tweede lid, zijn een verkoopgelegenheid en een boerderij of plantage toegevoegd. Weliswaar zijn deze elementen niet expliciet in de opsomming in artikel 5, tweede lid, van het OESO-model opgenomen, maar het OESO-commentaar geeft aan dat de opsomming in het tweede lid niet limitatief bedoeld is. Ook andere, niet specifiek genoemde activiteiten kunnen een vaste inrichting vormen, mits aan de algemene criteria op grond van het eerste lid is voldaan.

Op verzoek van Qatar is in artikel 5, derde lid, voor de uitvoering van bouwwerken, constructie- en installatiewerkzaamheden een termijn opgenomen van zes maanden, die tevens geldt voor met die werkzaamheden verband houdende toezichthoudende activiteiten. Deze termijn is conform de bepaling voor vaste inrichtingen in het VN-modelverdrag (United Nations Model Double Taxation Convention between Developed and Developing Countries, 2001, zie http://unpan1.un.org/intradoc/groups/public/documents/un/unpan002 084.pdf). In het kader van een algeheel compromis heeft Nederland met deze Qatarese wens ingestemd. Overeenkomstige bepalingen, waarbij de termijn verschilt van de termijn in het OESO modelverdrag, zijn door Nederland tevens overeengekomen in de verdragsrelatie met onder meer China (Trb. 1987, 93), Jordanië (Trb. 2007, 22), Koeweit (Trb. 2001, 126), Korea (Trb. 1979, 13), Maleisië (Trb. 1988, 27), Mexico (Trb. 1993, 160), Pakistan (Trb. 1982, 63), Portugal (Trb. 1999, 180), Singapore (Trb. 1971, 95) en Turkije (Trb. 1986, 67).

Op verzoek van Qatar is in het zesde lid tevens een aan het VN-modelverdrag ontleende bepaling opgenomen op grond waarvan een verzekeringsmaatschappij van de ene staat bij wijze van fictie wordt geacht haar onderneming te drijven met behulp van een in de andere staat gelegen vaste inrichting indien zij, behoudens in geval van herverzekering, in de andere staat gelegen risico’s verzekert of aldaar premies int door tussenkomst van een andere persoon dan een onafhankelijke agent. Een dergelijke bepaling is ook opgenomen in een aantal andere Nederlandse belastingverdragen, waaronder die met Suriname (Trb. 1975, 134), Sri Lanka (Trb. 1982, 191), Brazilië (Trb. 1990, 67), Mexico (Trb. 1993, 160), Tunesië (Trb. 1995, 164) en Indonesië (Trb. 2002, 33).

Winst uit onderneming (artikel 7)

In artikel 7, derde lid, is, conform het OESO modelverdrag, opgenomen dat voor de winstberekening van de vaste inrichting ondernemingskosten, waaronder de algemene en de indirecte kosten van de algemene leiding, in aftrek gebracht mogen worden. Dit mag ook als deze kosten gemaakt zijn in andere landen dan waar de vaste inrichting is gevestigd.

Qatar onderschrijft het Nederlandse standpunt over de winsttoerekening in geval van bedrijfsklare projecten (zogeheten «turnkey»-projecten). Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 4.3.1.4.2. van de Notitie Uitgangspunten.

Internationaal vervoer (artikel 8)

De winst behaald met de exploitatie van schepen in het internationale verkeer is ter belastingheffing toegewezen aan de verdragsluitende staat waar de feitelijke leiding van de onderneming is gevestigd.

Het heffingsrecht bij deelname in een «pool» is naar rato van die deelname toegewezen aan de staat waar zich de feitelijke leiding van de onderneming bevindt. Deze bepaling is opgenomen aangezien Qatar deelneemt in de GCC Arab shipping company.

Het op 6 januari 2008 te Doha totstandgekomen Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Staat Qatar tot het vermijden van dubbele belasting van inkomsten en winsten verkregen uit het internationale luchtverkeer (Trb. 2008, 59) zal ten aanzien van inkomsten en winsten uit het luchtverkeer van toepassing zijn.

Gelieerde ondernemingen (artikel 9)

Qatar onderschrijft het Nederlandse standpunt ten aanzien van de zogenoemde cost-sharingbepaling bij gelieerde ondernemingen. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 4.3.1.4.3. van de Notitie Uitgangspunten.

Dividenden (artikel 10 junctis artikel VI en artikel VII van het Protocol)

Bij een deelneming van ten minste 7,5 % is een bronheffing van 0% toepassing. Voor portfoliodividenden geldt een percentage van 10%. Aanvankelijk wilde Qatar een tarief van 5%, aangezien men in Qatar verwacht dat relatief veel particulieren aandelen in Nederlandse vennootschappen zullen verwerven. Nederland heeft echter nog nooit een lager tarief dan 10% afgesproken voor portfoliodividenden. Nederland is Qatar tegemoetgekomen door het opnemen van een most favoured nation clause in artikel VI, tweede lid, van het Protocol; als Nederland ooit nog een lager tarief dan 10% zou overeenkomen met een derde land, dan geldt dit lagere tarief automatisch in de verhouding met Qatar.

Om oneigenlijk gebruik van het 0% voor deelnemingsdividenden te voorkomen is in het zevende lid een zogeheten main purpose test opgenomen. Deze test houdt in dat het 0%-tarief niet zal gelden indien dit tariefsvoordeel de belangrijkste reden of één van de belangrijkste redenen is geweest om een vennootschap in één van beide staten (bedoeld is Qatar) te vestigen. Op voorstel van Nederland is opgenomen dat de ene bevoegde autoriteit de andere bevoegde autoriteit zal raadplegen indien de eerstgenoemde bevoegde autoriteit van plan is toepassing van het 0% te weigeren op basis van de main purpose test.

Interest (artikel 11)

Voor interestbetalingen geldt een uitsluitende woonstaatheffing.

Royalty’s (artikel 12)

In het Verdrag is een bronheffing van 5% overeengekomen. Betalingen voor het gebruik van apparatuur of voor inlichtingen omtrent ervaringen op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap vallen niet onder toepassing van dit artikel zoals aanvankelijk door Qatar was voorgesteld.

Zelfstandige arbeid (artikel 14)

Op verzoek van Qatar is een artikel in het Verdrag opgenomen over zelfstandige arbeid. De door Qatar voorgestelde bepaling volgt de tekst en het commentaar van artikel 14 van het VN-modelverdrag. Dit betekent dat hetzij de aanwezigheid van een vast middelpunt (fixed base) in de bronstaat, hetzij een verblijf in de bronstaat van in totaal meer dan 183 dagen in een tijdvak van twaalf maanden, leidt tot een heffingsrecht voor de bronstaat over de inkomsten die met de in de bronstaat verrichte arbeid zijn verkregen. Soortgelijke bepalingen zijn onder andere opgenomen in de belastingverdragen van Nederland met Albanië (Trb, 2004, 281), Kroatië (Trb. 2000, 64) en Mongolië (Trb. 2002, 88).

Bestuurders- en commissarissenbeloningen (artikel 16)

Beloningen van bestuurders en commissarissen mogen worden belast in de staat waar het lichaam (als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel f) is gevestigd waarvan een inwoner van de andere staat bestuurder of commissaris is.

In het tweede lid is nader toegelicht dat onder de reikwijdte van dit artikel zowel uitvoerende als toezichthoudende bestuurders vallen die zijn benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders.

Artiesten en sportbeoefenaars (artikel 17)

De belastingheffing van inkomsten van artiesten en sportbeoefenaars is in beginsel evenals in het OESO-modelverdrag en in bijna alle Nederlandse belastingverdragen toegewezen aan de staat waar deze personen hun activiteiten ontplooien. Op dit beginsel is de uitzondering gemaakt dat de inkomsten slechts in de woonstaat van de artiest of sportbeoefenaar mogen worden belast als diens bezoek aan het andere land geheel of grotendeels wordt gefinancierd uit overheidsfondsen van één of van beide staten, of als de activiteiten plaatsvinden in het kader van een cultureel of sportief uitwisselingsprogramma tussen de regeringen van beide staten. Een dergelijke bepaling komt voor in tal van Nederlandse belastingverdragen, zoals met Argentinië (Trb. 1997, 63), Macedonië (Trb. 1998, 238), Turkije (Trb. 1986, 67) en ook Letland (Trb. 1994, 83 en 166) en vele andere landen.

Pensioenen, lijfrenten en sociale zekerheidsuitkeringen (artikel 18)

Voor pensioenen, lijfrenten, socialezekerheidsuitkeringen en afkoopsommen van een pensioen of lijfrente geldt op grond van artikel 18 een bronstaatheffing, omdat Qatar hierover geen belasting heft.

Werkzaamheden buitengaats (artikel 23)

Voor een algemene toelichting op deze sinds een aantal jaren gebruikelijke bepaling wordt verwezen naar de schriftelijke beantwoording van technische vragen naar aanleiding van de notitie Internationaal fiscaal (verdrags)beleid (Kamerstukken II 1996/97, 25 087, nr. 3, blz. 5–6) en paragraaf 4.3.1.4.4. van de eerder vermelde Notitie Uitgangspunten. Op grond van het zevende lid zal Nederland indien een inwoner van Nederland werkzaamheden buitengaats in Qatar verricht, vermindering van belasting geven op grondslag van de vrijstellingsmethode, als aangetoond kan worden dat in Qatar daarover belasting is betaald dan wel door Qatar een belastingvrijstelling is verleend voor wat betreft de inkomsten uit die werkzaamheden.

Vermijding van dubbele belasting (artikel 24)

Nederland verleent ter vermijding van dubbele belasting ten aanzien van de inkomsten die in Qatar mogen worden belast, in beginsel vermindering volgens de vrijstellingsmethode met progressievoorbehoud (artikel 24, tweede lid). Voor een aantal andere inkomensbestanddelen verleent Nederland echter een vermindering ter vermijding van dubbele belasting volgens de verrekeningsmethode met evenredigheidslimiet (artikel 24, derde lid).

In overeenstemming met het Nederlandse fiscale verdragsbeleid wordt de vrijstellingsmethode voor in Qatar gelegen vaste inrichtingen onder bepaalde voorwaarden, namelijk indien sprake is van een zogeheten passieve financierings-vaste-inrichting, teruggenomen en geldt een vermindering volgens de verrekeningsmethode (artikel 24, vierde lid).

Qatar hanteert als methode ter voorkoming van dubbele belasting de verrekeningsmethode met evenredigheidslimiet (artikel 24, vijfde lid).

Op grond van het zesde lid behoudt Nederland het heffingsrecht over in Nederland opgebouwde winsten van houders van een aanmerkelijk belang in de zin van afdeling 4.3 Wet inkomstenbelasting 2001 indien een zogeheten conserverende aanslag is opgelegd. Een conserverende aanslag wordt opgelegd aan de aanmerkelijkbelanghouder die emigreert naar het buitenland. Nederland behoudt zo het heffingsrecht over de in Nederland opgebouwde winstreserves. Ten aanzien van de belastingplichtige aan wie bij gelegenheid van zijn emigratie uit Nederland een conserverende aanslag met betrekking tot de aanmerkelijkbelangwinst is opgelegd, wordt deze heffing slechts geëffectueerd met betrekking tot dat deel van de conserverende aanslag dat op het moment van daadwerkelijke vervreemding van het aanmerkelijke belang nog openstaat.

Non-discriminatie (artikel 25)

De non-discriminatiebepaling die door Nederland is voorgesteld, is grotendeels overgenomen. Net als bij de overige landen van de GCC heeft Nederland ingestemd met een uitzondering op de non-discriminatiebepaling voor wat betreft de belastingvrijstelling voor GCC onderdanen. In overeenstemming met het Nederlandse verdragsbeleid bevat dit artikel in het zesde lid een bepaling voor een non-discriminatoire aftrek in de werkstaat van pensioenpremies die natuurlijke personen betalen bij een voortgezette deelname aan een fiscaal erkende pensioenregeling in de andere staat. Het maakt hierbij niet uit of de betrokken persoon inwoner van de werkstaat is geworden of niet, en evenmin of hij in dienstbetrekking werkzaam is in de werkstaat of niet. Voor een algemene toelichting op de bepaling van het zesde lid wordt verwezen naar de notitie Algemeen fiscaal verdragsbeleid (Kamerstukken II 1987/88, 20 365, nrs.1–2, blz. 23).

In overeenstemming met het Nederlandse fiscale verdragsbeleid is het non-discriminatieartikel van toepassing op alle belastingen en niet slechts beperkt tot de belastingen die onder artikel 2 van het Verdrag vallen (zevende lid).

Regeling voor onderling overleg (artikel 26)

De regeling voor onderling overleg komt overeen met hetgeen daaromtrent in het OESO-modelverdrag is opgenomen. In het vijfde lid is een bepaling opgenomen die voorziet in arbitrage indien de bevoegde autoriteiten niet tot een akkoord zijn gekomen. Deze arbitragebepaling is geënt op het concept voor het (nieuwe) OESO-modelverdrag 2008.

Uitwisseling van inlichtingen (artikel 27)

De bepaling inzake uitwisseling van inlichtingen ziet op de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is. De uitwisseling van inlichtingen is beperkt tot de belastingen waarop het Verdrag betrekking heeft. In het tweede lid is geregeld hoe de staat die inlichtingen ontvangt van de andere staat, hiermee dient om te gaan, en regelt dus de geheimhoudingsverplichting. De algemene grenzen van de verplichting tot de uitwisseling van inlichtingen (de weigeringsgronden) zijn neergelegd in het derde lid. Deze weigeringsgronden mogen op grond van het vierde lid niet zo worden uitgelegd dat een staat kan weigeren inlichtingen te verstrekken uitsluitend op grond van het feit dat hij geen nationaal belang heeft bij dergelijke inlichtingen. Voorts mag op grond van het vijfde lid een staat niet weigeren inlichtingen te verschaffen uitsluitend op grond van het feit dat de betreffende gegevens berusten bij een bank, een andere financiële instelling, een gevolmachtigde, of een persoon die bij wijze van vertegenwoordiging of als vertrouwenspersoon optreedt, dan wel omdat deze betrekking hebben op eigendomsbelangen in een persoon.

Bijstand bij invordering

Omdat de Qatarese belastingdienst onvoldoende toegerust is om afspraken over wederzijdse bijstand bij invordering te kunnen nakomen, is een dergelijke bepaling niet opgenomen. Mocht de capaciteit van de Qatarese belastingdienst in de toekomst wel deze mogelijkheid bieden, dan is Qatar bereid hierover besprekingen aan te gaan.

Inwerkingtreding (artikel 30)

Het Verdrag treedt in werking op de dertigste dag volgende op de dag waarop de Nederlandse en de Qatarese regering elkaar schriftelijk hebben medegedeeld dat de in hun onderscheiden staten (grond)wettelijk vereiste formaliteiten zijn vervuld.

Het Verdrag vindt met betrekking tot bronbelastingen toepassing op bedragen betaald op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin het Verdrag in werking is getreden. Met betrekking tot andere belastingen vindt het Verdrag toepassing op belastingjaren en -tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin het Verdrag in werking is getreden.

Beëindiging (artikel 31)

Het Verdrag wordt in beginsel voor onbepaalde tijd aangegaan. Na verloop van een periode van vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag kan het echter door elk van beide staten, langs diplomatieke weg, worden beëindigd met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste zes maanden vóór het verstrijken van een kalenderjaar. Het Verdrag houdt in dat geval met betrekking tot bronbelastingen op van toepassing te zijn op bedragen betaald na het einde van het kalenderjaar waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan.

Met betrekking tot andere belastingen houdt het Verdrag voor Nederland op van toepassing te zijn op belastingjaren en -tijdvakken die aanvangen na het einde van het kalenderjaar waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan.

5. Koninkrijkspositie

Het Verdrag wordt, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, aangegaan voor Nederland. Ingevolge artikel 29 kan het Verdrag na de inwerkingtreding, hetzij in het geheel, hetzij in gewijzigde vorm, door middel van een notawisseling worden uitgebreid tot de Nederlandse Antillen en Aruba. Een dergelijke notawisseling zal een afzonderlijk verdrag vormen in de zin van de Grondwet.

De staatssecretaris van Financiën,

J. C. de Jager

De minister van Buitenlandse Zaken,

M. J. M. Verhagen