Kamerstuk 31755-11

Amendement van het lid Van Heugten om de selectie van redelijke te optimaliseren d.m.v. beperking van het aantal op te nemen alternatieven

Dossier: Wijziging van de Wet milieubeheer en enkele daarmee verband houdende wetten (modernisering van de regelgeving over de milieueffectrapportage)

Gepubliceerd: 12 mei 2009
Indiener(s): Ruud van Heugten (CDA)
Onderwerpen: natuur en milieu organisatie en beleid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31755-11.html
ID: 31755-11

49,3 %
50,7 %

SP

PvdD

D66

PVV

GL

Verdonk

PvdA

CDA

VVD

CU

SGP


31 755
Wijziging van de Wet milieubeheer en enkele daarmee verband houdende wetten (modernisering van de regelgeving over de milieueffectrapportage)

nr. 11
AMENDEMENT VAN HET LID VAN HEUGTEN

Ontvangen 12 mei 2009

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

I

In onderdeel Q, punt 1, wordt het eerste lid, onderdeel b, vervangen door:

b. een beschrijving van de voorgenomen activiteit, alsmede van ten hoogste drie alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, en de motivering van de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven; in bijzondere gevallen kunnen, onder vermelding van de motieven daarvoor, meer dan drie alternatieven worden beschreven die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen;.

II

In onderdeel KK wordt artikel 7.23, eerste lid, onderdeel b, vervangen door:

b. een beschrijving van de voorgenomen activiteit en van de wijze waarop zij zal worden uitgevoerd, alsmede van ten hoogste drie alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, en de motivering van de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven; in bijzondere gevallen kunnen, onder vermelding van de motieven daarvoor, meer dan drie alternatieven worden beschreven die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen;.

Toelichting

Dit amendement dient er toe de selectie van de redelijke alternatieven te optimaliseren door middel van een beperking van het aantal op te nemen redelijke alternatieven. Door het aantal redelijke alternatieven te beperken tot een maximum van drie wordt zowel voldaan aan het vereiste dat rekening moet worden gehouden met de doelstellingen en de geografische werkingssfeer van het plan of programma zoals gesteld in Richtlijn 2001/42/EG, overweging 14, alsmede aan schets van de redenen voor de selectie zoals gesteld in bijlage I van de voorgenoemde Richtlijn onder element h. Deze wettelijke beperking borgt de kwaliteit van het onderzoek naar (meest) redelijke alternatieven. In bijzondere gevallen kan het genoemde aantal van drie alternatieven hoger worden gesteld.

Van Heugten