Kamerstuk 31704-8

Nota naar aanleiding van het verslag

Dossier: Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2009)

Gepubliceerd: 23 oktober 2008
Indiener(s): Jan Kees de Jager (staatssecretaris financiƫn) (CDA)
Onderwerpen: belasting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31704-8.html
ID: 31704-8

31 704
Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2009)

nr. 8
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 23 oktober 2008

Algemeen

Het kabinet heeft met belangstelling kennis genomen van de vragen en opmerkingen van de fracties van het CDA, de PvdA, de SP, de VVD, de PVV, GroenLinks, de ChristenUnie, D66 en de SGP. Het verheugt mij dat de leden van het overgrote deel van de fracties met belangstelling kennis hebben genomen van het onderhavige wetsvoorstel. Het kabinet is verheugd dat de leden van de fracties van het CDA, de VVD, de ChristenUnie en de SGP de kabinetsdoelstelling om ondernemerschap te bevorderen steunen. Met de vereenvoudigingsvoorstellen in dit fiscaal pakket wil het kabinet serieus werk maken van de vereenvoudiging van fiscale wetgeving, welk streven door de leden van de fractie van het CDA nadrukkelijk wordt gesteund. Ook de leden van de fractie van GroenLinks geven aan zich te kunnen vinden in de gekozen speerpunten van het kabinet. Het kabinet is voorts ingenomen met de steun van de fracties van het CDA en de PvdA voor de voorstellen die een stimulans zijn om doorwerken aantrekkelijk te maken.

Bij de beantwoording van de vragen is zo veel mogelijk de volgorde van het verslag aangehouden. Voor zover hiervan is afgeweken, is op de oorspronkelijke plaats van de vraag in het verslag een verwijzing opgenomen naar het onderdeel waar die vraag is beantwoord.

Inleiding

De leden van de fractie van het CDA vragen of de Belastingdienst alle voorgenomen maatregelen en vereenvoudigingen op deugdelijke wijze kan doorvoeren in haar systemen. Voorts vragen deze leden in algemene zin naar de staat van de Belastingdienst.

De voorgenomen maatregelen en vereenvoudigingen van zowel het onderhavige wetsvoorstel als het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2009 zijn op hun uitvoerbaarheid beoordeeld. De conclusie daarvan is dat deze maatregelen op een deugdelijke wijze geïmplementeerd en uitgevoerd kunnen worden. Voor een algemeen beeld van de staat van de Belastingdienst wordt in de eerste plaats verwezen naar de halfjaarsrapportage vereenvoudigingsoperatie Belastingdienst van 30 mei 2008, waarin de stand van zaken van zowel de uitvoering van het huidige Toeslagenproces, de resultaten van de vereenvoudiging van de huidige organisatie en de sturing op de ICT-uitvoering, als de bouw van een nieuw Toeslagensysteem en de toekomstige organisatie (complexiteitsreductie) wordt weergegeven.1 Op 1 december aanstaande ontvangt uw Kamer de volgende voortgangsrapportage.

Daarnaast ontvangt uw Kamer nog deze maand de eerste rapportage met een set van gegevens over de actuele resultaten van de Belastingdienst. Deze rapportage wordt op verzoek van de vaste commissie voor Financiën tweemaandelijks aan uw Kamer toegezonden. Verder heeft de Rijksauditdienst recent over het eerste halfjaar van 2008 een managementletter over de uitkomsten van de accountantscontrole bij de Belastingdienst uitgebracht. De algemene conclusie is dat voor de Belastingdienst als geheel sprake is van een ordelijk en controleerbaar financieel beheer.

De leden van de fractie van het CDA stellen enkele vragen over het gebruik van de elektronische voorzieningen door buitenlanders. In antwoord daarop kan ik meedelen dat de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) dit najaar de startbrief register niet-ingezetenen (RNI) aan de Tweede Kamer zal sturen. Vooruitlopend op de totstandkoming van het RNI zal met ingang van 1 januari 2009 een tijdelijke oplossing beschikbaar zijn voor het toekennen van een DigiD aan AOW-gerechtigden die in het buitenland woonachtig zijn. Deze groep is duidelijk identificeerbaar aan de hand van gegevens van de Sociale Verzekeringsbank. De gegevens van AOW-gerechtigden worden in een apart register opgenomen dat wordt gekoppeld aan de DigiD-aanvraag. Op basis van de ervaringen met deze voorziening zal worden onderzocht of vergelijkbare tijdelijke oplossingen ook mogelijk zijn voor andere groepen belastingbetalers die in het buitenland woonachtig zijn.

Voorts vragen deze leden hoe de opgave van het wereldinkomen is geregeld voor in het buitenland wonende belastingplichtigen. In dat kader willen zij weten welke maatregelen er zijn genomen om te voorkomen dat in het buitenland wonende belastingplichtigen zowel een aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting als een formulier «Opgaaf wereldinkomen» moeten invullen.

Voor mensen die in het buitenland wonen is het wereldinkomen nodig om de hoogte van de toeslag waarop zij recht hebben vast te stellen. Ook is dit inkomen nodig om aan het College zorgverzekeringen de gegevens te verstrekken waarmee de bijdrage wordt berekend die in het buitenland wonende personen moeten betalen voor recht op zorg in hun woonland ten laste van Nederland. Anders dan bij binnenlandse belastingplichtigen is het wereldinkomen van in het buitenland woonachtige personen in veel gevallen niet bekend. In het buitenland wonende belastingplichtigen zijn namelijk in beginsel alleen belastingplichtig over hun Nederlandse inkomen (buitenlands belastingplichtigen). Hun toeslagpartners hebben vaak zelfs geen enkele relatie met de Nederlandse fiscaliteit, behalve dat zij partner zijn van een belastingplichtige. Om die reden stelt de Belastingdienst voor in het buitenland woonachtige personen het «Niet in Nederland belastbaar inkomen» vast. Deze vaststelling vindt plaats aan de hand van het formulier «Opgaaf wereldinkomen». Er is bij de totstandkoming van het formulier expliciet voor gekozen om in plaats van het niet in Nederland belastbaar inkomen te vragen naar het wereldinkomen. Voor belastingplichtigen is het immers meestal eenvoudiger om hun totale inkomen op te geven, zoals inwoners van Nederland dat in hun belastingaangifte doen, dan hun inkomen dat niet in Nederland is belast. Dit is niet anders bij belastingplichtigen die voor de berekening van de Nederlandse inkomstenbelasting hun wereldinkomen opgeven, omdat zij kiezen voor behandeling als binnenlands belastingplichtige. Op het moment van het versturen van het formulier «Opgaaf wereldinkomen» is het namelijk nog niet bekend welke belastingplichtigen wel of niet ervoor kiezen om hun wereldinkomen op te geven voor de belastingheffing. Op een keuze kunnen zij bovendien nog terugkomen tot het moment waarop de aanslag inkomstenbelasting definitief vaststaat. Om te kunnen anticiperen op een mogelijke keuze voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige konden buitenlandse belastingplichtigen dit vermelden op het formulier «Opgaaf wereldinkomen» van 2006. Het formulier hoefde verder niet te worden ingevuld. In de praktijk bleken vele personen dit ten onrechte op het formulier te vermelden. Zij deden uiteindelijk helemaal geen aangifte inkomstenbelasting of alleen aangifte van hun Nederlandse inkomen. De Belastingdienst moest die personen enige tijd later nogmaals het formulier toezenden met het verzoek om het in te vullen. Voor het jaar 2007 is daarom besloten om ook belastingplichtigen die mogelijk wel kiezen voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige te verzoeken het formulier «Opgaaf wereldinkomen» in te vullen. Tot noemenswaardige administratieve lasten hoeft het hierbij niet te komen als betrokkenen de ingevulde rubrieken van het aangiftebiljet voor de belastingheffing overnemen op het formulier «Opgaaf wereldinkomen».

De leden van de fractie van het CDA vragen aandacht voor de complexiteit van de formulieren die de Belastingdienst gebruikt. Ze informeren naar de vereenvoudiging van deze formulieren en willen weten of al deze formulieren straks beschikbaar zijn op het B1-taalniveau van de Raad van Europa.

Van de eerste 25 bestaande formulieren voor burgers die vereenvoudigd zullen worden, neemt de Belastingdienst de volgende voor zijn rekening:

– het aanvraagformulier Kinderopvangtoeslag,

– het aanvraagformulier Huurtoeslag,

– het aanvraagformulier Zorgtoeslag en

– het aanvraagformulier Kindertoeslag/Kindgebonden budget.

Naast het gebruik van een (vereenvoudigd) formulier wordt het in 2009 of 2010 ook mogelijk gegevens door te geven via de BelastingTelefoon of de website. In het eerste geval vult de BelastingTelefoon voor de aanvrager de gegevens op het formulier in, die door de aanvrager telefonisch worden verstrekt. Via de website kunnen voorts toeslagen worden aangevraagd of wijzigingen doorgegeven. Het invullen van papieren formulieren is dan helemaal niet meer nodig. Of de nieuwe formulieren exact voldoen aan het B1-taalniveau is niet nagegaan. Dat was niet een van de criteria.

De leden van de fracties van het CDA, D66 en GroenLinks hebben enkele vragen gesteld over de eerstedagsmelding. Deze vragen worden beantwoord in de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2009.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het kabinet onderkent dat vereenvoudiging van de belastingen nodig is en zo ja, wat de aanpak dan zou moeten zijn. Tevens vragen deze leden of er afzonderlijke terreinen voor vereenvoudiging zijn aan te wijzen of juist een samenhangende benadering de beste kans zou maken.

Vereenvoudiging van fiscale regelgeving is één van de speerpunten in deze kabinetsperiode. Het voorliggende belastingplan zet enkele concrete stappen naar eenvoudiger fiscale wet- en regelgeving en daarmee naar een soepeler uitvoeringspraktijk. Zo is in de gelijktijdig met deze nota aan u toegezonden nota van wijziging bij Overige fiscale maatregelen 2009 reeds de aangekondigde vereenvoudiging van de eerstedagsmelding opgenomen. Als voorbeelden bij de directe belastingen kunnen verder genoemd worden de automatische verlening van de VAR en het afschaffen van de correctieberichten over het lopende jaar. Ook in de sfeer van de indirecte belastingen worden voor 2009 en volgende jaren verschillende maatregelen getroffen die de administratieve lasten voor het bedrijfsleven verminderen, zoals de verhoging van de grens voor kwartaalaangiften omzetbelasting. Daarnaast geeft dit belastingplan ambities voor de langere termijn die met name zien op het terrein van de loonheffingen. Vooral binnen de loonheffingen wil dit kabinet winst behalen op het gebied van vereenvoudiging. Daartoe voert het kabinet thans een onderzoek uit naar de mogelijkheid van harmonisatie van de verschillende heffingsgrondslagen binnen de loonheffingen. Een vereenvoudigingsoperatie op dit terrein dient namelijk met de nodige zorgvuldigheid te worden voorbereid, onder andere gelet op de koopkrachteffecten en de sociale zekerheidsaspecten. Met het verlagen van de WW-premie voor werknemers naar nul per 1 januari 2009 wordt al een belangrijke stap gezet richting vereenvoudiging binnen de loonheffingen. Over de verdere mogelijke stappen met ingang van 1 januari 2010 zal het kabinet de Tweede Kamer in het voorjaar van 2009 nader informeren. Daarnaast kan worden gewezen op de ambitie van het kabinet om afwijkende definities in regelgeving die wordt uitgevoerd door verschillende overheidsinstanties te uniformeren. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het begrip directeur-grootaandeelhouder (dga). Uiteraard heeft het kabinet ook op andere terreinen continue aandacht voor vereenvoudiging. Zo worden in dit belastingplan diverse vereenvoudigingen voorgesteld in de verpakkingenbelasting en in de vliegbelasting.

De leden van de fractie van de SP vinden dat sommige maatregelen onnodig complex zijn ingericht, hetgeen volgens deze leden juist tegenover de doelstelling van vereenvoudiging van het belastingstelsel staat. Zij denken daarbij aan de doorwerkbonus, de mobiliteit en vergroening en de lijfrenten. Zij vragen hoe het kabinet deze tegenstrijdigheid verklaart en waarom het de maatregelen nodig vindt.

Het kabinet neemt de vereenvoudigingsdoelstelling over de gehele breedte van het fiscale spectrum in acht. Van onnodige complexiteit is naar de mening van het kabinet dan ook geen sprake. Specifiek over de doorwerkbonus merk ik op dat deze door zijn robuuste vormgeving juist eenvoudig uitvoerbaar is voor de Belastingdienst en bovendien geen administratieve last voor het bedrijfsleven met zich brengt. De doorwerkbonus sluit aan bij de systematiek van de reeds bestaande arbeidskorting en kent daarmee een eenvoudiger vormgeving dan de oorspronkelijke plannen voor een korting op de heffing uit het Coalitieakkoord. De maatregelen op het gebied van mobiliteit en vergroening dragen bij aan een beter milieueffect en bewerkstelligen een positieve (milieu)prikkel voor de burger. Daarbij geldt dat deze maatregelen zo eenvoudig mogelijk zijn vormgegeven. Over de maatregelen op het gebied van lijfrenten merk ik tenslotte op dat deze de uitvoering juist vereenvoudigen. Een nadere uiteenzetting daarover is opgenomen onder Lijfrenten.

Het verheugt mij dat de leden van de fractie van Groen Links positief staan tegenover de meeste vereenvoudigingsmaatregelen van het kabinet. Deze leden vragen wel om een totaalbeeld te geven waarbij ook de nieuwe ingewikkelde regelingen betrokken zijn. Voor het gevraagde totaalbeeld van de effecten voor burgers en bedrijfsleven verwijs ik naar de paragraaf «Gevolgen voor bedrijfsleven en burger». Deze paragraaf is zowel opgenomen in het Belastingplan 2009 als in Overige fiscale maatregelen 2009.

De leden van de fractie van de SP vragen of het kabinet kennis heeft genomen van het standpunt van de heren De Kam en Stevens dat er drie maatregelen moeten worden genomen om tot één loonbegrip te komen, namelijk met betrekking tot de auto van de zaak, de levensloopregeling en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. Zij vragen wat de budgettaire gevolgen van deze maatregelen zijn en welke consequenties dit heeft voor de koopkracht. Tevens vragen deze leden wat de stand van zaken is bij de vereenvoudiging premieheffing werknemersverzekeringen. Ook de leden van de fractie van het CDA vragen in het verslag op Overige fiscale maatregelen 2009 om een reactie op het voorstel van de heren De Kam en Stevens. Tevens vragen zij welke concrete stappen het kabinet dit jaar zal nemen ter vereenvoudiging van de loonstrook.

Naar aanleiding van deze vragen merk ik het volgende op. In de brief van 3 juli 2008 aan uw Kamer over vereenvoudiging van de loon- en premieheffing1 is aangegeven dat voor een verdergaande vereenvoudiging in de eerste plaats van belang is dat de huidige verschillen tussen de loonbegrippen (de discoördinatiepunten) worden weggenomen. Daarvoor zijn er meerdere mogelijkheden, waaronder die door de heren De Kam en Stevens zijn genoemd.2 Uw Kamer wordt hierover – zoals in de brief van 3 juli 2008 is opgemerkt – in het voorjaar van 2009 geïnformeerd. Er zal onder andere uitgebreid worden ingegaan op de budgettaire gevolgen van mogelijke maatregelen en de daaraan verbonden koopkrachteffecten. Dit geldt dus ook voor de door de heren De Kam en Stevens genoemde maatregelen.

Voor het jaar 2009 wordt een belangrijke vereenvoudiging van de loonstrook bereikt door het op nihil stellen van het werknemersdeel in de WW-premie. Het gaat om meer dan alleen het vervallen van een post op de loonstrook. Het werknemersdeel in de WW-premie – de enige uitzondering op de regel dat de premies voor de werknemersverzekeringen van werkgevers worden geheven – leidt ook tot complicaties. Een werknemer kan namelijk met inhaaleffecten worden geconfronteerd. Deze inhaaleffecten worden veroorzaakt doordat het maximum en de franchise voor de WW-premie niet per loontijdvak worden beoordeeld maar over alle in het kalenderjaar verstreken loontijdvakken. Het is ook mogelijk dat een werknemer bij meerdere dienstbetrekkingen in totaal meer aan WW-premie heeft betaald dan met het maximumpremieloon in overeenstemming is, hetgeen pas na afloop van het jaar naar evenredigheid via de werkgevers kan worden teruggegeven. Dit discoördinatiepunt (het werknemersdeel in de WW-premie is wel aftrekbaar voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet maar niet voor de premies werknemersverzekeringen) is voor het jaar 2009 dus niet opgelost door een coördinatie van het loonbegrip, maar door dit loonelement voor dat jaar op nihil te stellen. Deze vereenvoudiging wordt definitief als het werknemersdeel in de WW-premie wordt afgeschaft.

De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet kan reageren op opmerkingen van de samenwerkende registeraccountants en de heer Stevens over het gebrek aan een duidelijke fiscale visie. Het kabinet heeft zijn ambities vastgelegd in het Coalitieakkoord en het beleidsprogramma Samen werken Samen leven. Het fiscale instrumentarium speelt bij de verwezenlijking van deze ambities een belangrijke rol. In de huidige kabinetsperiode zal het kabinet het fiscale beleid centreren rond de drie speerpunten bevordering van innovatief ondernemerschap, vergroening en vereenvoudiging. Daarmee heeft het fiscale beleid naar de mening van het kabinet een duidelijke visie. Aan de speerpunten wordt ook in dit belastingplan ruimschoots aandacht besteed. Het kabinet heeft voorts notie genomen van de suggesties die de heer Stevens in het door de leden van de fractie van de VVD aangehaalde artikel heeft gedaan. Sommige van de door hem gedane voorstellen worden al door het kabinet ter hand genomen, zoals de ontwikkeling naar een geharmoniseerd loonbegrip. Al met al kan het kabinet zich dan ook niet vinden in de conclusie dat het het kabinet aan een duidelijke visie ontbreekt.

De leden van de fractie van Groen Links geven een beschouwing over doel en richting van het naar hun mening te voeren fiscale beleid. In dit verband missen zij maatregelen op het terrein van de hypotheekrenteaftrek, fiscalisering van de AOW-premie en verzilvering.

Op het voorstel van deze leden om de AOW-premie geleidelijk en eenvoudig te fiscaliseren wordt ingegaan in de paragraaf Inkomensbeleid. Voor een uitgebreide analyse van het niet-gebruik (kunnen) maken van de diverse heffingskortingen wordt verwezen naar het antwoord op de motie Tang c.s. zoals beschreven in de gelijktijdig met deze nota aan uw Kamer toegezonden brief.1 In het algemeen kan hierover worden gesteld dat de mate van verzilvering in 2008 is toegenomen ten opzichte van 2007. In dit kader kan ook worden gewezen op de toenemende inkomensafhankelijkheid van de heffingskortingen. Daarmee beoogt het kabinet meer werken te stimuleren. De daaruit voortvloeiende stijging van het inkomen kan positieve effecten hebben op de mate van verzilvering. Desondanks zal het blijven voorkomen dat heffingskortingen niet volledig verzilverd kunnen worden. Het loslaten van het principe «no taxes, no gains» is echter onwenselijk. Heffingskortingen gelden voor zover belasting wordt betaald. Door het uitbetalen van de heffingskortingen zou het idee ontstaan van een basisinkomen voor iedere belastingplichtige (dus bijvoorbeeld ook pasgeborenen en niet-werkenden) in Nederland. Behalve enorme budgettaire consequenties zou dit vanwege het verwachte effect van een dalend arbeidsaanbod negatieve gevolgen hebben voor de arbeidsmarkt. In Reinventing the Welfare State van het CPB staat ook beschreven dat een basisinkomen geen doelmatige vorm van herverdeling is. Tot slot kan nog worden opgemerkt dat bij het opstellen van de koopkrachtplaatjes rekening wordt gehouden met het niet of slechts gedeeltelijk kunnen verrekenen van heffingskortingen.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen het kabinet, waarom er niet voor is gekozen de vergroening voort te zetten. Anders dan deze leden menen, is de door het kabinet in het Belastingplan 2008 ingezette vergroening wel degelijk voortgezet. Fiscale vergroening is in essentie het nemen van fiscale maatregelen om duurzame ontwikkeling te bevorderen. Deze fiscale maatregelen kunnen bestaan uit het verhogen van belastingen op milieuvervuilende activiteiten of het verlagen van belasting bij milieuvriendelijk gedrag. Daarmee is vergroening meer dan de (budgettaire) optelsom van verschillende maatregelen in het Belastingplan 2009. Het kabinet vindt de voorgestelde vergroeningsmaatregelen bestaande uit een mix van lastenverzwaring en lastenverlichting verstandig. Deze leden vragen voorts waarom de milieubelastingen niet zijn verhoogd en waarom er geen nieuwe milieubelastingen zijn ingevoerd. Zoals in de fiscale vergroeningsbrief van 3 mei 2008 is gemeld, zal jaarlijks in het begrotingsproces in augustus een integrale afweging worden gemaakt of er ruimte is voor een lastenneutrale schuif van de directe belastingen naar belastingen op milieugrondslag.2 Het kabinet heeft ervoor gekozen om dit jaar de milieubelastingen niet te verhogen, in het bijzonder gelet op de gevolgen voor de koopkracht en de concurrentiepositie van het bedrijfsleven. Eventuele nieuwe milieubelastingen zouden onder meer van voldoende substantie en uitvoerbaar moeten zijn. Het laaghangend fruit is al geplukt. Het is dan ook de vraag of er nog adequate en efficiënte nieuwe milieubelastingen in het vizier komen. Daarbij wijzen we erop dat de vliegbelasting en verpakkingenbelasting nog maar net zijn ingevoerd.

Aangaande de vraag van deze leden naar fiscale maatregelen voor de bebouwde omgeving merk ik op dat tijdens het Algemeen Overleg over de fiscale vergroeningsbrief is toegezegd nog eens te kijken naar de mogelijkheden voor groene prikkels ter stimulering van energiezuinige woningen, die dus ook niet per definitie fiscaal hoeven te zijn. Energiebesparing in de gebouwde omgeving valt onder de primaire verantwoordelijkheid van de ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) en voor Wonen, Wijken en Integratie (WWI). De minister voor WWI heeft tijdens het Algemeen Overleg over energiebesparing gebouwen op 22 april jl. toegezegd de Tweede Kamer hierover dit najaar te zullen berichten. Bij deze gelegenheid zal ook de eerder genoemde toezegging over groene prikkels ter stimulering van energiezuinige woningen aan de orde komen.

De leden van de fracties van de VVD en van GroenLinks vragen of aangegeven kan worden hoe groot de bijdrage van dit belastingplan is aan de totale kabinetsdoelstelling voor CO2-reductie in 2020. Deze informatie is niet beschikbaar omdat dit niet in kaart is gebracht.

De leden van de fractie van GroenLinks verzoeken het kabinet daarnaast om naar aanleiding van de meest recente besluitvorming een nieuw koopkrachtbeeld van het CPB naar uw Kamer te sturen.

Het verzoek zal worden doorgeleid naar de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) die primair verantwoordelijk is voor het koopkrachtbeeld. Overigens heeft het CPB reeds toegezegd voor de behandeling van de begroting van het ministerie van SZW een actualisatie van het koopkrachtbeeld zoals weergegeven in de Macro-Economische Verkenning in de vorm van een memorandum op zijn website te zullen plaatsen.

Ondernemerschap

Stimuleren winst ondernemers in de inkomstenbelasting

De leden van de fracties van het CDA, de PvdA, de VVD, de ChristenUnie en de SGP hebben met interesse kennis genomen van de doelstelling van het kabinet om het ondernemerschap te bevorderen. Wel hebben de leden van deze fracties, en met hen de leden van de fracties van GroenLinks en de PVV, enkele vragen gesteld over de uitwerking van de voorstellen van het kabinet ten aanzien van het stimuleren van de winst. Graag maak ik van deze gelegenheid gebruik om de voorstellen en in het bijzonder de effecten daarvan nog eens uiteen te zetten. Een van de doelstellingen van het kabinet is de huidige (fiscale) regelingen beter toe te snijden op de situatie van de startende en doorgroeiende ondernemer en de ondernemer met grote ambities ten aanzien van innovatie en groei. Voor de fiscaliteit kan dit worden bereikt door in te zetten op structuurverbetering van de (winst)belastingheffing. Deze structuurverbetering zal resulteren in een evenwichtiger verdeling van de ondernemersfaciliteiten in de inkomstenbelasting, waarbij meer dan nu de nadruk zal worden gelegd op faciliteiten die bijdragen aan het starten en doorgroeien van ondernemingen. Het voornemen bestaat om het accent meer te leggen op het (door)groeien (oftewel op een stimulans om meer winstgevend te worden). Dit is mogelijk door de zelfstandigenaftrek op de langere termijn om te zetten in de MKB-winstvrijstelling. Een dergelijke wijziging zou forse inkomenseffecten hebben. Om die reden is ervoor gekozen om een dergelijke omzetting of andere prikkels voor meer winst maken pas na consultatie van het bedrijfsleven en de advieswereld vorm te geven. Wel wordt in 2009 binnen de fiscale ondernemersfaciliteiten meer accent gelegd op de MKB-winstvrijstelling in plaats van op de zelfstandigenaftrek. Dit gebeurt door de MKB-winstvrijstelling en de startersaftrek te verhogen. De daarmee gepaard gaande derving van € 45 miljoen is deels lastenverlichting (€ 28 miljoen) en wordt deels (€ 17 miljoen) gedekt door de zelfstandigenaftrek in 2009 niet te indexeren, de leden van de fractie van de SGP vragen hiernaar. In reactie op de vraag van de leden van de fractie van de VVD of het kabinet de term «stabiliseren» in dit verband niet misplaatst vindt, kan worden geantwoord dat dit niet het geval is nu de bedragen van de zelfstandigenaftrek over 2009 precies even hoog zijn als over 2008.

De leden van de fracties van het CDA, de PvdA, de VVD en de PVV vragen of bij een eventuele toekomstige omzetting van de zelfstandigenaftrek in de MKB-winstvrijstelling niet te sterk wordt ingezet op sterk winstgevende ondernemingen en of een omzetting wellicht te veel ten koste gaat van starters en kleinere zelfstandigen. Zij doelen daarbij op kleinere stabiele ondernemingen. De leden van de fractie van het CDA vragen hoe het voornemen om de zelfstandigenaftrek om te zetten in een MKB-winstvrijstelling zich in de ogen van het kabinet verhoudt tot hetgeen hieromtrent is afgesproken in de Stichting van de Arbeid (STAR).

Het kabinet realiseert zich – mede naar aanleiding van de bespreking van de notitie fiscaal bevorderen ondernemerschap in de STAR – dat een dergelijke omzetting ineens niet wenselijk is vanwege forse inkomensgevolgen voor de groepen waar genoemde fracties op wijzen. Tegen deze achtergrond is er dan ook voor gekozen om een dergelijke omzetting of andere prikkels voor meer winst maken pas vorm te geven na consultatie van het bedrijfsleven en de advieswereld.

De leden van de fractie van het CDA merken op dat in de reactie op het advies van de Raad van State om de verhoging van de MKB-winstvrijstelling alleen te verlenen voor winst die niet terug te voeren is op de arbeidsbeloning van de ondernemer, aangegeven is dat dit punt meegenomen wordt voor de lange termijn. Deze leden vragen welke termijn dit betreft. De leden van de fractie van het CDA vragen tevens wanneer het denkproces over het afschaffen van het urencriterium voor de MKB-winstvrijstelling is afgerond en wanneer hierover plannen worden gerealiseerd. De leden van de fractie van de PvdA vragen welke mogelijkheden het kabinet ziet voor deeltijdondernemers. Voorts vragen deze leden wanneer het kabinet met concrete voorstellen komt voor deeltijdondernemers. De leden van de fractie van de SGP merken op dat het kabinet heeft toegezegd dat er in het Belastingplan 2009 maatregelen zouden worden genomen om ook deeltijdondernemers fiscaal te stimuleren. De leden van de fractie van de SGP vragen waarom deze maatregelen niet in het huidige plan zijn opgenomen en vragen of er alsnog voorstellen komen. Deze leden vragen verder of het kabinet spoedig met een concretisering kan komen van het uiteindelijke eindbeeld van ondernemerschap, inclusief de stappen om tot dat einddoel te komen.

Aangegeven is dat een omzetting van de zelfstandigenaftrek in de MKB-winstvrijstelling en andere prikkels voor het maken van meer winst, zoals het afschaffen van het urencriterium voor de MKB-winstvrijstelling, pas na consultatie van het bedrijfsleven en de advieswereld kunnen worden vormgegeven. Mede op basis van de uitkomsten van deze consultatie kan worden bezien op welke einddoelen kan worden gekoerst. In dit verband zullen de door de leden van de fractie van de ChristenUnie aangedragen suggesties zoals het afschaffen van het urencriterium voor de fiscale oudedagsreserve (FOR) en een basisvrijstelling in de MKB-winstvrijstelling worden meegenomen. Het Belastingplan 2010 zou dan een eerste mogelijkheid bieden voor het nemen van concrete maatregelen.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen aan welke organisaties het kabinet op dit moment denkt bij de consultatie. Verder geven zij aan dat zij het wenselijk vinden dat de groep kleine zelfstandigen erbij wordt betrokken.

Als vertegenwoordigers van het bedrijfsleven wordt gedacht aan VNO-NCW en MKB-Nederland. Verder ben ik van plan om via werkbezoeken direct van ondernemers zelf te horen wat er op dit punt leeft. Wat betreft de inbreng van de advieswereld ligt het voor de hand om de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, de Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs en het College Belastingadviseurs te raadplegen. Daarnaast zullen als de einddoelen concreter worden ook andere organisaties zoals Platform Zelfstandige Ondernemers (PZO), worden geraadpleegd. Meer in het algemeen kan worden opgemerkt dat bovengenoemde organisaties het afgelopen jaar via de STAR en via afzonderlijke consultaties al inbreng hebben geleverd.

De leden van de fractie van de PVV vragen hoe het kabinet aan een belastingplichtige de omzetting van de zelfstandigenaftrek in de MKB-winstvrijsteling zou uitleggen.

De zelfstandigenaftrek is een aftrekpost. De MKB-winstvrijstelling is een vrijstelling. Zowel een aftrekpost als een vrijstelling verlagen de fiscale winst. De zelfstandigenaftrek is een vaste aftrek die lager wordt naarmate de winst toeneemt. De MKB-winstvrijstelling neemt juist toe naarmate de winst toeneemt. Het effect van de MKB-winstvrijstelling komt ook overeen met een tariefsverlaging: een lagere belasting over de winst. Via een tariefsverlaging kan ondernemerschap worden bevorderd, maar een tariefsverlaging alleen voor ondernemers is niet mogelijk. De MKB-winstvrijstelling past dus beter in het beleid om doorgroeiende ondernemers te stimuleren. Om die reden wordt dan ook meer het accent gelegd op de MKB-winstvrijstelling.

De leden van de fracties van de PvdA en Groenlinks vragen wat de gevolgen zijn van het afschaffen van het urencriterium voor de MKB-winstvrijstelling en de FOR. De leden van de fractie van de SP vragen naar de voor- en nadelen van het afschaffen van het urencriterium voor de MKB-winstvrijstelling. De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het kabinet heeft overwogen om voor komend jaar al een eerste stap te maken bij het urencriterium, bijvoorbeeld naar 800 uur. Deze leden vragen of het kabinet een inschatting kan geven van de budgettaire gevolgen van het afschaffen van het urencriterium voor de MKB-winstvrijstelling en de FOR en voor het verlagen van het urencriterium naar 800 uur.

Indien het urencriterium voor de MKB-winstvrijstelling wordt afgeschaft komen hybride en deeltijdondernemers in aanmerking voor deze faciliteit. Zij worden dus gestimuleerd om meer winst te maken. Een nadeel van het afschaffen van het urencriterium is dat het voor resultaatgenieters aantrekkelijker wordt om resultaat als winst te presenteren. Van deze maatregel gaat dus een aanzuigende werking uit. De controle door de Belastingdienst verschuift dan van het urencriterium naar de bron van inkomen. Het afschaffen van het urencriterium voor de MKB-winstvrijstelling zal leiden tot een budgettaire derving van € 50 miljoen. Het budgettaire effect van het afschaffen van het urencriterium voor de FOR wordt geschat op € 10 miljoen.

Met een eventuele verlaging van het urencriterium naar 800 uur komen weliswaar meer deeltijd en hybride ondernemers in aanmerking voor de ondernemersfaciliteiten, er blijft echter wel een drempel bestaan. Doordat een urencriterium blijft bestaan, wordt het fiscale stelsel niet vereenvoudigd. De verwachting is dat een verlaging van het urencriterium zal leiden tot een verheviging van de discussies met de Belastingdienst over de vraag of aan het moeilijk controleerbare urencriterium is voldaan. Het huidige urencriterium van 1225 uur is ongeveer 70% van een voltijd baan, terwijl 800 uur ruwweg 45% van een voltijd baan is. Een grotere groep zal dus claimen dat zij aan het urencriterium voldoet en de aftrek zal vaker vergolden worden tegen andere inkomsten (niet-winst). Vanwege de verwachte zwaardere uitvoeringslast voor zowel ondernemers als de Belastingdienst en omdat deze maatregel het doorgroeien niet bevordert, acht het kabinet dit geen aantrekkelijk alternatief. Het verlagen van het urencriterium voor alle ondernemersfaciliteiten, dus ook de zelfstandigenaftrek, naar 800 uur zal leiden tot een budgettaire derving van circa € 150 miljoen.

De leden van de fractie van het CDA willen graag weten hoe het kabinet denkt over de verschillen tussen de fiscale behandeling van ondernemers in box 1 en ondernemers in box 2. Ook de leden van de fractie van de PVV vragen hiernaar. Volgens de leden van de fractie van het CDA is het altijd een doelstelling van het kabinet geweest om te voorkomen dat ondernemers op fiscale gronden gaan beslissen of ze in box 1 of box 2 belast gaan worden. Deze invalshoek missen voornoemde leden in het voorliggende wetsvoorstel. Zij verzoeken het kabinet om een reactie en een aantal berekeningen met vergelijkingen tussen de marginale en gemiddelde tarieven voor ondernemers in box 1 en box 2 (met ondernemersinkomen van€ 20 000, € 30 000, € 50 000, € 100 000,€ 200 000).

Bruto-nettotrajecten tussen IB-ondernemers en dga’s kunnen alleen worden vergeleken door het maken van een aantal veronderstellingen. Eén daarvan is de omvang van het loon dat de dga zichzelf toekent voor het werken in de BV. Bij het opstellen van het door de leden van de fractie van het CDA gevraagde overzicht, is ervan uitgegaan dat tot een inkomensniveau van € 40 000 (het gebruikelijk loon) het volledige inkomen wordt aangemerkt als gebruikelijk loon. Derhalve is er bij een inkomen van € 20 000 en € 30 000 geen winst verondersteld. Vanaf € 50 000 loopt het loon geleidelijk op met de winst van de BV: tussen € 50 000 en € 100 000 met 20% van de winst en daarboven met 50% van de winst. Voor de dga’s is verder van belang hoeveel winst in de BV wordt gehouden en hoeveel wordt uitbetaald aan de dga. Om de vergelijking met de IB-ondernemer zoveel mogelijk te benaderen, is er van uitgegaan dat beiden het geheel privé aanwenden, ofwel de dga keert 100% van de winst uit. Overigens zal de dga, om de winst privé aan te wenden, altijd op enig moment tot uitkering moeten overgaan. Verder is behalve met de belastingen en premieheffing volksverzekeringen ook rekening gehouden met de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet (en niet met premieheffing werknemersverzekeringen). Tot slot is de incidentele verlaging van de tarieven in de vennootschapsbelasting (vpb) voor 2008 in de berekeningen verwerkt. Dit betekent dat bij een winst (na aftrek loon dga) van meer dan € 40 000 is uitgegaan van een vpb-tarief van 20% in 2008 en van 23% in 2009.

Tabel 1: gemiddelde en marginale druk van ondernemers bij verschillend winstniveau

Fiscale winst + loon dga 20 00030 000 50 000 100 000200 000
 IB-ondernemer DGAIB-ondernemer DGA IB-ondernemer DGAIB-ondernemer DGA IB-ondernemer DGA
marginale toename loon DGA  100%  100%  20% 50%  50%
percentage uitgekeerde winst  0% 0%  100%  100%  100%
           
2008          
gemiddelde druk 5,1%22,1% 15,9% 30,4% 25,7% 34,8% 35,9%37,6% 41,4% 41,6%
marginale druk 34,8%47,0% 42,3% 47,0% 37,8% 40,4% 46,8%41,0% 46,8% 46,0%
           
2009          
gemiddelde druk 4,7%21,7% 15,3% 30,0% 25,4% 34,6% 35,5%37,8% 40,9% 42,2%
marginale druk 34,2%46,8% 41,8% 46,8% 37,5% 40,4% 46,4%42,1% 46,4% 47,1%

NB de gemiddelde en marginale druk zijn berekend inclusief het effect van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

De lasten op het looninkomen van de dga dalen bij gelijkblijvend inkomen in 2009 licht ten opzichte van 2008 door de veranderingen in de IB-tarieven en heffingskortingen en door de verlaging van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. Voor de IB-ondernemer komt daar het effect bij van de verhoging van de MKB-winstvrijstelling in 2009. De druk op het winstinkomen van de dga’s met een inkomen van € 100 000 en € 200 000 neemt in 2009 toe door het vervallen van de incidentele tariefsverlaging in de tweede schijf van de VPB. De dga met een inkomen van € 50 000 heeft daar geen last van, omdat zijn winst na aftrek van het gebruikelijk loon van € 10 000 volledig in de eerste schijf van de VPB valt.

De belastingdruk op de verschillende rechtsvormen waarin ondernemingen gedreven worden moet evenwichtig zijn, in die zin dat de keuze van de rechtsvorm niet louter wordt bepaald door fiscale motieven (box 1 versus box 2). Dat neemt niet weg dat tot een bepaald winstniveau, in de praktijk wel aangeduid als het omslagpunt, de IB-onderneming fiscaal veel aantrekkelijker is dan de BV-vorm. Dit effect sluit aan bij de maatschappelijke opvatting dat voor kleinere bedrijven de IB-onderneming en voor grotere bedrijven de BV als meest passende rechtsvorm wordt ervaren. Het zou bezwaarlijk zijn indien de fiscaliteit bij wijze van spreken zou dwingen tot een rechtsvormkeuze die maatschappelijk bezien knelt. Het hiervoor bedoelde omslagpunt is afhankelijk van tal van factoren, zoals bijvoorbeeld de toepasselijkheid van fiscale faciliteiten en de mate waarin door een BV gemaakte winst wordt ingehouden dan wel wordt uitgedeeld. Afhankelijk van de specifieke situatie zal het «omslagpunt» dan ook per individueel bedrijf anders uitvallen. Met het onderhavige wetsvoorstel zal het omslagpunt per individueel bedrijf kunnen wijzigen. Echter veelal is juist bij lagere tot middelhoge winst de IB-onderneming nog steeds aantrekkelijker.

De leden van de fractie van de PVV vragen of het juist is dat de positie van de terbeschikkingsteller verslechtert door de verhoging van de MKB-winstvrijstelling en de verlaging van het MKB-tarief in de vpb.

Allereerst wordt opgemerkt dat de terbeschikkingstellingsregeling en de daarvoor geldende belastingtarieven niet wijzigen. In zoverre verslechtert de positie van de terbeschikkingsteller dus niet. Over de verhouding tussen de terbeschikkingstellingsregeling en de MKB-winstvrijstelling respectievelijk de verlaging van de vpb-tarieven merk ik het volgende op. De MKB-winstvrijstelling is op grond van de Wet werken aan winst per 1 januari 2007 ingevoerd. Daarbij is bewust de keuze gemaakt om de MKB-winstvrijstelling als stimulans voor ondernemersactiviteiten alleen te laten gelden voor IB-ondernemers. De MKB-winstvrijstelling geldt in dat kader bijvoorbeeld ook niet voor andere resultaatgenieters, medegerechtigden tot het vermogen van een onderneming of werknemers.

In de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet werken aan winst1 is ingegaan op het feit dat de dga die vermogensbestanddelen ter beschikking stelt aan zijn BV, niet in aanmerking komt voor de MKB-winstvrijstelling. Daarover is vermeld dat de BV en daarmee de directeur-grootaandeelhouder wel profiteert van de verlaging van de vpb-tarieven op grond van de Wet werken aan winst. In het kader van de notitie over de fiscale en sociale verzekeringspositie van de directeur-grootaandeelhouder zal nader worden ingegaan op de terbeschikkingstellingsregeling, mede in relatie tot de MKB-winstvrijstelling en de vpb-tarieven.

De leden van de fracties van de PvdA, GroenLinks en de SGP vragen naar de inkomensgevolgen van het omzetten van de zelfstandigenaftrek in een verhoging van de MKB-winstvrijstelling. Allereerst stel ik vast dat alleenstaande werkenden met een belastbaar inkomen tot ongeveer € 8 000 door de algemene heffingskorting en de arbeidskorting geen belasting betalen. Dat geldt ook voor ondernemers met een winst tot dat bedrag, ongeacht of de zelfstandigenaftrek wordt omgezet in de MKB-winstvrijstelling of niet. Ondernemers met een winst tussen € 8 000 en € 45 000 gaan er bij een dergelijke omzetting op achteruit. De maximale achteruitgang van de winst na belasting zou ongeveer 6½ procent zijn bij een belastbare winst van € 18 000. In figuur 1 is de ontwikkeling van de winst na belasting van een dergelijke verschuiving grafisch weergegeven.

Figuur 1: gevolgen voor de winst na belasting als de zelfstandigenaftrek volledig wordt vervangen door een verhoging van de MKB-winstvrijstelling (alleenstaande voltijdondernemer, 2008)

kst-31704-8-1.gif

Deze inkomenseffecten van de omzetting van de zelfstandigenaftrek zijn voor het kabinet reden om te concluderen dat een dergelijke omzetting ineens niet wenselijk is. Het kabinet heeft dan ook besloten dit beleid en eventuele andere mogelijkheden om winst maken te bevorderen pas na consultatie van het bedrijfsleven en de advieswereld verder vorm te geven.

De leden van de fractie van de SGP vragen of ook starters en ondernemers met een marginale onderneming te maken krijgen met een hogere belastingdruk en zo ja, hoe het kabinet dat dan gaat repareren. Over een definitie van marginale onderneming is verschil van mening mogelijk. Ervan uitgaande dat een marginale onderneming minder winst maakt dan € 45 000, zal deze erop achteruit gaan. Het beleid van het kabinet is er echter op gericht om ondernemers te prikkelen te groeien en niet te berusten bij de status van «marginale ondernemer». In hoeverre starters worden getroffen is afhankelijk van de ontwikkeling van de startersaftrek. Voor 2009 is besloten om deze zodanig te verhogen dat starters geen nadeel ondervinden van het stabiliseren van de zelfstandigenaftrek.

In het kader van het voornemen om de zelfstandigenaftrek om te zetten in de MKB-winstvrijstelling en omdat de groep kleine zelfstandigen elk jaar groter wordt, is het volgens de leden van de fractie van GroenLinks verstandig om voortaan ook de koopkrachteffecten van zelfstandigen in het belastingplan op te nemen. De leden van de fractie van GroenLinks vragen wat de koopkrachteffecten van het onderhavige belastingplan zijn voor zelfstandigen met een fiscale winst van € 10 000, € 20 000, € 50 000, € 100 000 en € 250 000 (met daarbij onderscheid tussen BV-ondernemer en IB-ondernemer).

Koopkrachteffecten worden weergegeven in de begroting van het ministerie van SZW en niet in het belastingplan. De minister van SZW is immers primair verantwoordelijk voor het inkomensbeleid. In de toelichting op het inkomensbeleid in de begroting van het ministerie van SZW zijn de partiële inkomenseffecten van het stabiliseren van de zelfstandigenaftrek en de verhoging van de MKB-winstvrijstelling weergegeven: afgezien van andere ontwikkelingen en maatregelen gaan door deze twee maatregelen nagenoeg alle IB-ondernemers die aan het urencriterium voldoen en belasting betalen, erop vooruit. Het effect loopt op van ongeveer +0,1% bij een winst van € 30 000 tot ongeveer 0,4% bij een winst van € 65 000.

De leden van de fractie van het CDA zijn benieuwd of en hoe het kabinet de positie van de zzp-ers in het verhaal rond de MKB-winstvrijstelling betrekt en gaat betrekken. Deze leden vragen om een reactie.

De fiscale wetgeving kent het begrip zzp-er niet. Een zzp-er kan ondernemer, loongenieter of resultaatgenieter zijn. Voor wat betreft het stimuleren van ondernemerschap in zijn huidige fiscale vorm, bijvoorbeeld met de MKB-winstvrijstelling, kan alleen de zzp-er die ondernemer is in het denkproces worden meegenomen. Knelpunten die zich voor doen bij zzp-ers liggen veelal in de beoordeling van de arbeidsrelatie. Een beschrijving van fiscale definities en consequenties van arbeidsrelaties zal voor het einde van het jaar naar de Tweede Kamer worden gezonden. Hierbij zal ook aandacht worden besteed aan de positie van de zzp-er.

Daarnaast willen deze leden graag een inhoudelijke reactie op het voorstel van VNO-NCW en MKB-Nederland waarbij het alternatief voor het urencriterium is dat de ondernemersfaciliteiten voortaan van toepassing zijn naar de verhouding van het inkomen uit winst uit onderneming ten opzichte van de totale inkomsten uit tegenwoordige arbeid. De leden van GroenLinks staan zeer sympathiek tegenover dit voorstel.

De toerekeningsregel die VNO-NCW voorstelt, zou als volgt luiden: (winst uit onderneming)/(winst uit onderneming + inkomsten uit tegenwoordige arbeid) x ondernemersfaciliteiten. Bij een toerekeningsregel kan het urencriterium verdwijnen en zouden hybride en deeltijd (startende) ondernemers in aanmerking komen voor de ondernemersfaciliteiten. Echter, aan een toerekeningsregel kleeft een aantal nadelen. Ten eerste treedt er een verschil in uitkomst op voor de hybride en de deeltijd ondernemer. Hybride ondernemers (bijvoorbeeld ondernemers met een dienstbetrekking) genieten bij gelijke winst altijd een kleiner voordeel dan deeltijd ondernemers. Deeltijd ondernemers hebben geen andere inkomsten. Zij krijgen dan even hoge ondernemersfaciliteiten als voltijd ondernemers. Het afschaffen van het urencriterium leidt dan feitelijk tot een permanente belastingvrijstelling voor deeltijd ondernemers. Ten tweede werkt een toerekeningsregel nadelig uit voor voltijd ondernemers met daarnaast ander inkomen. Zij krijgen bijvoorbeeld niet langer de volledige zelfstandigenaftrek. Bij verliessituaties kan de zelfstandigenaftrek voor hybride ondernemers zonder nadere voorzieningen omslaan in een zelfstandigenbijtelling. Tot slot gaat van de invoering van een toerekeningsregel ook een aanzuigende werking uit op resultaatgenieters. Het wordt immers aantrekkelijk om resultaat als winst uit onderneming te presenteren. De discussie zal zich dan verplaatsen van het urencriterium naar de bron van inkomen. Hoewel toepassing van een toerekeningsregel aan de problemen rondom het urencriterium tegemoet komt, kleven er veel bezwaren aan.

De leden van de fractie van de PvdA vragen wat het oordeel van het kabinet is over het tegengestelde belang tussen enerzijds het stimuleren van het ondernemerschap en anderzijds het behouden van een voldoende brede basis voor de sociale zekerheidswetgeving. Het kabinet zal dit najaar een onderzoek naar de motieven van zelfstandig ondernemerschap aan uw Kamer aanbieden. In de kabinetsreactie op dit onderzoek zal ook de relatie tussen zelfstandig ondernemerschap en draagvlak voor de sociale zekerheid worden besproken.

De leden van de fractie van de SGP betreuren dat de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) de afgelopen jaren is versoberd en vragen waarom het kabinet daarvoor heeft gekozen. Bij het Belastingplan 2005 is na aandringen van uw Kamer uit budgettaire overwegingen ingezet op een versobering van de KIA.1 Deze voorzag in een aftopping in drie stappen. De opbrengst van de aftopping is toen ingezet voor de voortzetting van de fiscale filmregeling, een geringere verhoging van de energiebelasting en maatregelen voor vut, prepensioen en levensloop.

De leden van de fractie van de SGP vragen of het kabinet mogelijkheden ziet om de KIA weer toe te passen voor alle individuele ondernemers, in plaats van de onderneming. De KIA is onder meer ingevoerd om investeringen van relatief geringe omvang te stimuleren. Tegen deze achtergrond is er bij de belastingherziening 2001 voor gekozen de KIA zo aan te passen dat wordt voorkomen dat enkel om fiscale redenen grote investeringen «opgeknipt» worden over vele vennoten zodat zij in aanmerking komen voor het hoogste percentage van de KIA. Terugkeer naar toepassing op een grondslag per ondernemer/firmant zou weer leiden tot een bevoordeling van samenwerkingsverbanden in vergelijking tot eenmanszaken en BV’s en is daarom niet wenselijk.

Verlaging vpb-tarieven vanwege uitblijven rentebox

De leden van de fractie van het CDA vragen wanneer de Europese Commissie haar oordeel zal geven over de rentebox. De leden van de fractie van de SP vragen zich af waarom de Commissie zo lang wacht met het geven van duidelijkheid.

Vooropgesteld zij dat het kabinet niet gelukkig is met het lange tijdsverloop. De invoering van de rentebox heeft hierdoor nu al 2 jaar vertraging opgelopen en dat is onwenselijk. Tegelijkertijd maakt het duidelijk dat het een voor de Europese Commissie complexe zaak betreft. De Commissie is zich bewust van de mogelijke precedentwerking van haar oordeel en wenst daarbij niet over één nacht ijs te gaan. De Nederlandse regering doet er ondertussen alles aan om haar argumenten zo overtuigend mogelijk voor het voetlicht te brengen. De Nederlandse regering heeft echter ook oog voor de zorgen van de Commissie over bepaalde elementen binnen de groepsrentebox. In dat verband is overigens geen sprake van «onderhandelingen» tussen de Commissie en de Nederlandse regering, zo kan de leden van de fractie van de SP worden geantwoord. De Nederlandse regering probeert slechts binnen de grenzen van de redelijkheid suggesties aan te dragen voor elementen van de groepsrentebox die moeilijk liggen bij de Commissie. Helaas kost dit tijd. Naar huidig inzicht wordt een beslissing verwacht tegen het einde van dit jaar of in het begin van het volgende jaar. Aandringen op een snel antwoord zou naar het oordeel van het kabinet echter de kansen op een positieve beschikking niet ten goede komen.

De mogelijkheid van een verplichte in plaats van een optionele regeling is één van de aanpassingen die is besproken. Hoewel de Nederlandse regering van oordeel is dat ook een optionele regeling selectief karakter ontbeert en daarom niet als staatssteun kan worden aangemerkt, zou een verplichte regeling twijfels hierover bij de Europese Commissie weg moeten nemen. Er is dan sprake van een structurele wijziging in het Nederlandse belastingstelsel waarvan sommige ondernemingen voordeel en andere nadeel hebben. Objectieve omstandigheden die van jaar tot jaar kunnen wisselen, bepalen dan of in een bepaald jaar sprake is van een voor- of nadeel.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of is overwogen de middelen op andere wijze ten behoeve van het MKB in te zetten, bijvoorbeeld door het verhogen van de MKB-winstvrijstelling. De leden van de fractie van de SP vragen waarom de rentebox niet geheel wordt geschrapt ten behoeve van het MKB. De leden van de fractie van de VVD vragen waarom juist deze bestemming is gekozen en vragen een reactie op de kritiek van MKB-Nederland. De leden van de fractie van GroenLinks vragen om aandacht voor de invloed van de voorgestelde maatregelen op de aantrekkelijkheid van de verschillende ondernemingsvormen.

Zoals de leden van de fractie van de VVD terecht opmerken, is de alternatieve aanwending een direct uitvloeisel van de afspraak in het Coalitieakkoord. De groepsrentebox betekende een lastenverlichting voor vpb-plichtige ondernemers. De maatregel maakte deel uit van de Wet werken aan winst, waarin op evenwichtige wijze een lastenverlichting voor zowel vpb- als IB-ondernemers was opgenomen. Om dit evenwicht in stand te laten, ligt het voor de hand het gereserveerde bedrag ook slechts aan vpb-plichtige ondernemingen terug te geven nu de maatregel voor het jaar 2008 geen doorgang meer kan vinden. Deze bestemming binnen de vpb moet bovendien niet selectief zijn om een tweede staatssteunzaak te voorkomen. Een eenmalige lastenverlichting specifiek ten aanzien van de recreatie of agrarische sector is reeds om die reden niet wenselijk, zo kan de leden van de fractie van de VVD worden geantwoord.

Gekozen is voor een substantiële verlenging van de eerste schijf in combinatie met afschaffing van het middentarief, omdat hiervan in het bijzonder ook ondernemingen met beperkte winsten voordeel hebben. Het kabinet is zich ervan bewust dat van deze eenmalige tariefverlaging vanwege terugwerkende kracht slechts een beperkte stimulans op het ondernemerschap uitgaat. Vanwege de begrotingsregels moet het voor 2008 gereserveerde bedrag echter ook in 2008 en dus met terugwerkende kracht worden besteed om te voorkomen dat het bedrag net als in 2007 opgaat in het begrotingssaldo. Het kabinet heeft er daarom, mede in het licht van de huidige economische omstandigheden, voor gekozen het geld van de rentebox eenmalig ten gunste te laten komen van het bedrijfsleven en niet te laten opgaan in het begrotingssaldo. Omdat de tariefverlaging met terugwerkende kracht enkel voor het jaar 2008 geldt, wordt de BV als ondernemingsvorm niet aantrekkelijker ten opzichte van andere ondernemingsvormen, zo kan de leden van de fracties van de PvdA, de SP en GroenLinks worden geantwoord. Het eenmalige karakter in combinatie met de terugwerkende kracht brengen voorts mee, dat fiscaal gedreven gedragseffecten beperkt zullen zijn. De leden van de fractie van de VVD vragen daarnaar. De redactie van Vakstudie Nieuws beaamt dit overigens met zoveel woorden in haar aantekening.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de financiële gevolgen van een optionele en een verplichte rentebox. De leden van de fractie van de VVD vragen om een nadere toelichting op het verschil tussen het in het kader van de Wet werken aan winst geraamde bedrag voor de groepsrentebox van € 475 miljoen en de thans voorgestelde incidentele lastenverlichting van € 360 miljoen. Ook de leden van de fractie van de PVV vragen een toelichting op dit verschil van € 115 miljoen. Tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen heeft de heer De Nerée tot Babberich ook naar dit verschil geïnformeerd en erop gewezen dat het tarief ten tijde van invoering van de rentebox niet 30% was.

Bij de ramingen van de budgettaire effecten van de Wet werken aan winst is uitgegaan van een generiek vpb-tarief van 30%. Dit was bij het Belastingplan 2005 vastgesteld als generiek vpb-tarief voor 2007. Ten tijde van het opstellen van de nota Werken aan winst was dit het tarief voor 2007 bij ongewijzigd beleid en daarmee het enige logische tarief. Bij het vpb-pakket 2006 is vervolgens echter het generieke tarief tussentijds met 0,9% verlaagd tot 29,6% voor 2006 en tot 29,1% voor 2007. Het budgettaire beslag van deze tariefverlaging met 0,9% bedroeg € 360 miljoen.

Tabel 2. Ontwikkeling generieke vpb-tarief 2005–2007 (feitelijke tarief vet gedrukt)

Volgens:vpb tarief 2005 vpb tarief 2006vpb tarief 2007
Belastingplan 2005 31,5%30,5% 30%
Vpb pakket 2006  29,6%29,1%
Werken aan winst  25,5%

Omdat het vpb-pakket 2006 en de Wet werken aan winst samen het pakket uit de nota Werken aan winst vormden, is de berekening van de budgettaire gevolgen van alle vpb-maatregelen tegen het tarief van 30% uit die nota in de Wet werken aan winst gehandhaafd. Strikt genomen bedroeg het budgettaire beslag van de groepsrentebox per 1 januari 2007 echter niet € 475 miljoen (een tariefverlaging van 30% naar 5%) maar € 452 miljoen (een tariefverlaging van 29,1% naar 5%), zo moet de heer De Nerée tot Babberich in antwoord op zijn vraag tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen worden toegegeven. Bij de generieke tariefverlaging met 0,9% in het vpb-pakket 2006 was het verschil van € 23 miljoen namelijk al gerealiseerd1. Evenzeer geldt dat de geraamde kosten voor de generieke tariefverlaging en schijvenstructuur per 1 januari 2007 strikt genomen niet€ 1 765 miljoen bedroegen2, maar€ 1 428 miljoen. Ook hierbij gold dat het verschil van € 337 miljoen al was gerealiseerd bij de generieke tariefverlaging met 0,9% in het vpb-pakket 2006.

Voor het budgettaire saldo van de lastenverzwarende en lastenverlichtende maatregelen maakt dit echter niet uit omdat het (strikt genomen onjuiste) uitgangstarief van 30% zowel voor de grondslagverbredende als voor de grondslagversmallend maatregelen als uitgangspunt is genomen. Dit is destijds overigens ook zo aangegeven in de memorie van toelichting bij de Wet werken aan winst.3 Bezien we het vpb-pakket 2006 en de Wet werken aan winst 2007 tezamen, dan bedraagt het totale budgettaire beslag van de aan de rentebox toe te rekenen tariefverlaging dus € 475 miljoen, evenveel als de invoering van de rentebox in 2007 zou hebben gekost, zonder de tussentijdse tariefverlaging met 0,9%-punt in 2006.

Toelichting op raming van € 475 miljoen/€ 360 miljoen

De totale grondslag waarop de optionele groepsrentebox van toepassing zal worden is geraamd op € 2,55 miljard. De statische budgettaire derving van de optionele groepsrentebox is in de Wet werken aan winst dan ook geraamd op 2 550 x (30% -/5%) = € 635 miljoen. Voorts is zeer beperkt rekening gehouden met een dynamisch effect. Verondersteld is dat het eigen vermogen dat zonder rentebox vrijwel zeker uit Nederland zou verdwijnen, na invoering van de optionele groepsrentebox per 1 januari 2007 in Nederland zou blijven. Hierdoor bleef per saldo € 160 miljoen belastingopbrengst voor Nederland behouden, waardoor de totale geraamde derving 635 -/- 160 = € 475 miljoen bedraagt.4

Inmiddels bedraagt het vpb-tarief 25,5%. Dit betekent dat van de bruto lastenverlichting van € 635 miljoen al (4,5/25) * 635 = € 115 miljoen is gerealiseerd. Een tariefverhoging van 5% naar 25,5% levert thans dus slechts (25,5% -/- 5%) * 2 550 = € 520 miljoen op terwijl alsnog € 160 miljoen aan belastingopbrengst verdampt via de uitstroom van vermogen. Per saldo levert het niet doorgaan van de rentebox dus 520 -/- 160 = € 360 miljoen op.

Overigens kan worden opgemerkt dat de geraamde grondslag van de rentebox (€ 2 550 miljoen) is geëlimineerd uit de totale vpb-grondslag bij de raming van de kosten voor de generieke tariefverlaging tot 25,5%. De tariefverlaging van 30% tot 25,5% over de grondslag van de rentebox (4,5% * 2 550 = € 115 miljoen) is met andere woorden niet dubbel geraamd, dit ter vermijding van misverstanden.

Wel moet aan het voorgaande worden toegevoegd dat het bedoelde inverdieneffect van € 160 miljoen ziet op de structurele situatie per 2011. In de jaren daarvoor loopt het inverdieneffect geleidelijk op tot het structurele bedrag, omdat verondersteld is dat dit mobiele eigen vermogen niet ineens maar geleidelijk uit Nederland zou verdwijnen. Als alsnog met dit aspect rekening wordt gehouden, kan het aan 2008 toe te rekenen inverdieneffect worden bepaald op € 115 miljoen. Voor 2008 zou het niet doorgaan van de rentebox daarmee per saldo uitkomen op 520 -/- 115 =€ 405 miljoen.

Tabel 3. Oploop inverdieneffect optionele rentebox

 2007 2008 20092010 2011 e.v.
Kosten rentebox exclusief inverdieneffect520 520 520 520 520
Inverdieneffect90115135155160
Kosten rentebox inclusief inverdieneffect 430 405 385 365360

Omdat een incidenteel budget beschikbaar is, mag dit bedrag strikt genomen gebruikt worden ter dekking van de incidentele maatregel die in het belastingplan wordt genomen. Mede gelet op voorgaande verduidelijking stel ik daarom voor om ten aanzien van het bedrag dat incidenteel beschikbaar is vanwege het tijdelijk niet doorgaan van de rentebox in 2008 het bedrag van € 405 miljoen aan te houden en niet het structurele bedrag van € 360 miljoen. Dit biedt ruimte voor een extra incidentele verlenging van de voorgestelde MKB-schijf van 20% in de vennootschapsbelasting in 2008 van € 250 000 tot € 275 000. In de nota van wijziging is een voorstel van deze strekking opgenomen.

Wat betreft de budgettaire effecten van een verplichte groepsrentebox, waarnaar de leden van de fractie van het CDA informeren, merk ik op dat deze afhankelijk zijn van de vormgeving van een dergelijke rentebox. In de brief aan uw Kamer van 3 juli 20081 is melding gemaakt van de mogelijkheid van een verplichte rentebox. Daarbij moet worden opgemerkt dat de mogelijkheid van een verplichte rentebox of een daarmee vergelijkbare maatregel thans ook onderdeel vormt van de analyses die worden verricht ten behoeve van de nota over de verdeling van de druk van de vennootschapsbelasting. Zoals toegezegd tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen zal deze nota in december aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe de inkomenseffecten zouden zijn, als gekozen zou worden voor een (eenmalige) verhoging van de MKB-winstvrijstelling in de inkomstenbelasting in plaats van een verlaging van de vennootschapsbelasting.

De rentebox is gericht op ondernemingen die zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Vanuit die zienswijze is het logisch om ook de compensatie voor het uitstel van deze regeling op vpb-plichtige ondernemingen te richten. Aannemende dat een dga de helft van zijn winst als loon uitkeert en de rest van de winst als box-2-inkomen, profiteert van de verlaging van de vpb vooral de dga met een winst van meer dan € 80 000. Bij een winst van € 200 000 is het effect op het netto loon plus de netto winstuitkering 1,2%. Indien in plaats van de verlaging van de vpb de MKB-winstvrijstelling wordt verhoogd, komt het voordeel uitsluitend bij IB-ondernemers terecht. De effecten op de winst na belasting staan in onderstaande figuur. De verlaging van het vpb-tarief is éénmalig. Dat zou dus ook gelden voor de verhoging van de MKB-winstvrijstelling. In 2009 zou de MKB-winstvrijstelling dus weer verlaagd moeten worden.

Figuur 2: effecten op de winst na belastingen van een verhoging van de mkb-winstvrijstelling tot 17% (alleenstaande voltijdondernemer, 2008)

kst-31704-8-2.gif

Het kabinet gaat ervan uit dat met de hiervoor gegeven toelichting tevens is voldaan aan de tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen aan het lid De Nerée tot Babberich gedane toezegging van een brief over de raming van de rentebox.

Uitbreiding faciliteiten speur- en ontwikkelingswerk

De leden van de fractie van het CDA vragen welke voorwaarden aan de uitbreiding van de faciliteiten voor speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) worden gesteld om binnen het beschikbare budget te blijven. Voorts vragen zij waarom geen aanpassing van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (WVA) nodig is en welke intensiveringen in de volgende tranche(s) kunnen worden verwacht.

De uitbreiding van de WBSO ziet op het ontwikkelen (inclusief het bouwen of inrichten) van programmatuur die bestaande programmatuur op een voor de S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige technisch nieuwe wijze integreert of laat samenwerken. Om in 2009 en 2010 binnen het budget van € 20 miljoen te blijven, blijft de uitbreiding beperkt tot die gevallen waarin de bestaande programmatuur hoofdzakelijk binnen de onderneming van de S&O-inhoudingsplichtige, binnen de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting waarvan de S&O-inhoudingsplichtige deel uitmaakt, of binnen de onderneming van de S&O-belastingsplichtige, is ontwikkeld en wordt toegepast.

Een aanpassing van de WVA is niet nodig omdat ook bij de beoogde uitbreiding sprake moet zijn van de ontwikkeling van voor de S&O-inhoudingsplichtige of de S&O-belastingplichtige technisch nieuwe programmatuur. Alleen zal dit begrip door middel van een beleidsregel minder restrictief worden uitgelegd (vergelijk de beleidsregel over technisch-wetenschappelijk onderzoek1 ). Verder is een aanpassing van de Afbakeningsregeling nodig. Hierin zullen de beperkende voorwaarden worden opgenomen.

Over de volgende tranche(s) van de intensiveringen merk ik op dat het grootste deel van het voor intensiveringen beschikbare budget pas in 2011 beschikbaar zal komen. Voor de volgende tranche(s) van de intensiveringen wordt gedacht aan een eventuele verdere verbreding van de definitie van S&O (afhankelijk van de ervaringen met de intensivering van 2009), een impuls voor doorgroeiende bedrijven, verhoging van het plafond van € 8 tot € 8,5 miljoen en het aantrekkelijker maken van de WBSO voor zelfstandigen. De uiteindelijke voorstellen zullen in het belastingplan voor het desbetreffende jaar worden opgenomen.

De leden van de fractie van de SP vragen naar voorbeelden van technisch nieuwe programmatuur die onder de verruiming van de WBSO per 1 januari 2009 vallen.

Voorbeelden van projecten die op grond van de verruiming van de WBSO in aanmerking zouden kunnen komen voor WBSO zijn:

• het ontwikkelen van programmatuur aan de hand van een Service Oriented Architecture die noodzakelijk is voor het aanbieden van een bepaalde internetdienst;

• het ontwikkelen van Application Programming Interface(s) op basis waarvan een programma kan communiceren met een ander programma of onderdeel hiervan (vaak in de vorm van bibliotheken).

Tot nu toe werden deze projecten afgewezen onder verwijzing naar artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen of op grond van de Afbakeningsregeling 1997. Vanaf 1 januari 2009 kunnen deze projecten tot speur- en ontwikkelingswerk worden gerekend als zij tevens aan de hiervoor genoemde beperkende voorwaarden voldoen.

Uitbreiding faciliteiten zeescheepvaart

De leden van de fractie van het CDA zijn voorstander van een level playing field en vragen het kabinet om een vergelijking van tarieven met België, Duitsland, Frankrijk, Griekenland en Cyprus voor de zeescheepvaart. In antwoord daarop wordt opgemerkt dat de belasting over de winst uit de zeescheepvaart in Nederland bepaald wordt aan de hand van twee variabelen: de forfaitair in aanmerking te nemen winst op basis van de nettotonnage van een schip en het belastingtarief. De tonnagewinst wordt in Nederland onder de huidige regels bepaald aan de hand van een degressieve tabel, beginnend bij € 9,08 tot en met 1 000 nettoton en eindigend bij € 2,27 per 1 000 nettoton per dag voor het meerdere boven 25 000 nettoton. De belasting die vervolgens over deze winst uit zeescheepvaart verschuldigd is, bedraagt maximaal 25,5% (vpb-tarief) dan wel maximaal 52% (IB-tarief). In Frankrijk, Duitsland en België wordt de verschuldigde belasting uit zeescheepvaart aan de hand van dezelfde twee variabelen als in Nederland bepaald. In Griekenland en Cyprus speelt de leeftijd van het schip ook nog een rol in de tariefstelling.

Uit een vergelijkend onderzoek van acht landen, het rapport Beleidsmonitor zeescheepvaart 2005 van Deloitte Consulting van 1 december 2006 dat als bijlage bij de evaluatie fiscale regelingen zeescheepvaart op 26 september 2007 aan uw Kamer is gestuurd, blijkt dat «het tarief» (in aanmerking te nemen winst in combinatie met vennootschapsbelastingtarief) in België en Cyprus gunstiger is dan in Nederland en in Duitsland vergelijkbaar is met Nederland.1 Bij een vergelijking tussen de regimes kan echter niet worden volstaan met de genoemde variabelen, maar dienen alle aspecten van de regeling bezien te worden. Genoemd rapport van Deloitte Consulting geeft hier een overzicht van. De conclusie van het rapport is dat het Nederlandse tonnageregime «minder aantrekkelijk [is] dan de systemen in België en Cyprus, maar aantrekkelijker dan in Denemarken, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk». Gezegd kan worden dat de tonnageregeling in België aantrekkelijker is door het lage tarief voor zeer grote schepen en het vrije moment van toetreding. Cyprus is aantrekkelijk vanwege het lage tarief voor o.a. scheepsmanagement. Door de voorgestelde wijzigingen in het Belastingplan 2009 zal het verschil met Cyprus en België worden verkleind.

De leden van de fracties van het CDA, de SP en GroenLinks vragen zich af wanneer het kabinet uitsluitsel verwacht van de Europese Commissie over de toelaatbaarheid van de faciliteiten. De maatregelen zijn medio september aangemeld in Brussel. Op dit moment valt moeilijk te zeggen wanneer de Commissie hierover zal beslissen. Dit is mede afhankelijk van de vraag of de Commissie binnen de formele beslistermijn van twee maanden na indiening nog met een verzoek om nadere informatie komt.

De leden van de fractie van de SP vragen waarom er een uitzondering wordt gemaakt voor alleen deze grote schepen en wat de gevolgen van deze maatregelen zijn op de concurrentiepositie van kleinere schepen. Bij de tonnageregeling neemt de in aanmerking te nemen winst via een aantal schalen af bij een toename van de tonnage. In de huidige regeling geldt vanaf een tonnage van 25 000 nettoton een vast tarief. Andere landen hebben een verder doorlopende, dalende schaal. Hierdoor ontbreekt voor reders de prikkel om het beheer van grote schepen vanuit Nederland te verrichten. Met de introductie van een extra schaal met lage grondslag wordt een prikkel gecreëerd om grote schepen onder Nederlandse vlag te brengen. Voor kleine(re) en normale schepen heeft Nederland reeds een concurrerend regime.

De leden van de fractie van de SP vragen voorts naar de budgettaire kant van de verlaging van de in aanmerking te nemen winst voor zeer grote schepen en zijn benieuwd of er een evaluatie van deze maatregel met een kosten-batenanalyse zal worden uitgevoerd. Het aantal grote schepen dat op dit moment vanuit Nederland wordt beheerd, is zeer beperkt. Met de introductie van de nieuwe maatregel zal het inkomensverlies op deze schepen dus minimaal zijn. Daarentegen is de verwachting dat door de invoering van de extra schaal nieuwe grote schepen zullen worden aangetrokken die juist belastinginkomsten opleveren. Hierdoor wegen de baten dus op tegen de kosten. Exacte cijfers kunnen echter nog niet worden gegeven. Wat betreft de evaluatie kan worden opgemerkt dat de tonnageregeling een belastinguitgave is. Belastinguitgaven worden periodiek geëvalueerd. Het totaal aan fiscale maatregelen op het gebied van de zeevaartsector is recent geëvalueerd. In een volgende evaluatie zal dit nieuwe onderdeel van de tonnageregeling ook onderdeel van de evaluatie uitmaken.

Op de vraag van de leden van de fractie van de SP of de maatregel voor zeer grote schepen specifiek gericht is op schepen die de overslag gaan doen op de toekomstige Tweede Maasvlakte en of de Tweede Maasvlakte niet levensvatbaar is zonder belastingverlaging voor zeer grote schepen, kan ik het volgende antwoorden. Tussen deze specifieke maatregel en de ontwikkeling van de Tweede Maasvlakte bestaat geen relatie. Grote schepen zullen de Tweede Maasvlakte aandoen, ongeacht het land van waaruit deze schepen worden beheerd.

Wat betreft de maatregel voor als scheepsmanager werkzame ondernemers vragen de leden van de fractie van de SP naar de betekenis van de korting van 75% op de bestaande tarieven en een rekenvoorbeeld. Tevens vragen zij waar het kortingspercentage op is gebaseerd. De korting van 75% wordt berekend over de in aanmerking te nemen winst die volgens de tonnagetabel forfaitair wordt vastgesteld. Als bijvoorbeeld de in aanmerking te nemen winst op basis van de tabel € 30 000 bedraagt, dan wordt een korting van 75% ofwel € 22 500 toegepast. Als belastbare winst wordt in dat geval € 7 500 in aanmerking genomen. Om vervolgens de belasting te bepalen wordt dit bedrag vermenigvuldigd met het tarief. Het bedrag van de korting is vastgesteld op 75% om concurrerend te kunnen zijn met andere landen.

Ten slotte vragen deze leden zich af hoe deze regeling in relatie staat tot de internationale competitie en hoe het kabinet internationale competitie tegen wil gaan. De Nederlandse regering staat een concurrerende positie voor de zeescheepvaart voor. Omdat de Nederlandse regeling op de thans te wijzigen punten niet voldoende concurrerend wordt geacht, zijn de voorstellen ingediend, zoals ook opgenomen in de Beleidsbrief Zeevaart van dit jaar waarmee uw Kamer heeft ingestemd.1 De Europese Commissie toetst vervolgens of de maatregelen voldoen aan de communautaire richtsnoeren betreffende staatssteun voor het zeevervoer.2 Dit doet zij door de regeling, mede in de context van de regelingen in andere landen, te beoordelen waardoor zoveel mogelijk een level playing field wordt gecreëerd en concurrentieverstoringen tussen de lidstaten worden tegengegaan.

De leden van de fracties van de VVD en de ChristenUnie onderschrijven het voorstel inzake de uitbreiding van de faciliteiten zeescheepvaart en vragen wanneer aan de Tweede Kamer zal worden gerapporteerd over de uitvoering van de aangenomen motie Roefs/Kortenhorst. Daarnaast willen de leden van de fractie van de ChristenUnie weten of het kabinet bereid is om de fiscale mogelijkheden die er zijn te benutten, teneinde de positie van de Nederlandse zeevarenden te versterken. In antwoord op deze vragen kan worden aangegeven dat ter uitvoering van de motie Roefs/Kortenhorst op 13 oktober 2008 een brief naar uw Kamer is verstuurd, waarin voor een aantal maatregelen de voor- en nadelen, het budgettaire beslag en het effect op zowel de mogelijkheden tot verzilvering als op het level playing field beschreven worden.3

In reactie op de vraag van de leden van de fractie van GroenLinks of Nederland zich inzet en/of Europa bezig is om de staatsteun in deze sector Europees gecoördineerd te verminderen en om hoeveel staatsteun het in totaal gaat, kan ik aangeven dat gelet op de concurrentie met landen van buiten de EU de Europese Commissie geen gerichte actie onderneemt om de staatssteun te verminderen. Om te voorkomen dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad, toetst de Europese Commissie wel of de steunregelingen van de afzonderlijke lidstaten niet tot concurrentieverstoringen tussen de lidstaten zelf leidt. Uit het staatssteunscorebord blijkt dat er in de periode 2004–2006 door de lidstaten gezamenlijk gemiddeld circa € 1,5 miljard staatssteun per jaar aan de maritieme sector is uitgegeven.4 Voor Nederland zijn de belastinguitgaven met betrekking tot de zeescheepvaart in 2009 geraamd op in totaal € 155 miljoen: € 71 miljoen tonnageregime en € 84 miljoen afdrachtvermindering zeevaart.5

Inkomensbeleid

Doorwerkbonus

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet een vergelijking van de loonkosten voor de werkgever en het netto inkomen kan maken voor een werknemer met een bruto inkomen van € 40 000 die bij aanvang van het jaar 63 is en een werknemer die op dat moment 55 jaar is met hetzelfde inkomen.

De bruto-nettotrajecten van respectievelijk een 63en een 55-jarige werknemer in de marktsector met een bruto inkomen van € 40 000 in 2009 zijn in onderstaande tabel opgenomen (cijfers 2009). Uit deze tabel blijkt, dat het netto inkomen van de 63-jarige werknemer € 3 961 meer bedraagt dan dat van de 55-jarige werknemer. Dit bedrag is samengesteld uit € 770 meer arbeidskorting (die voor ouderen vanaf 57 jaar hoger is dan voor ouderen jonger dan 57 jaar) en een doorwerkbonus van € 3 191.

leeftijd werknemer 63 jaar55 jaar
bruto inkomen 40 000 40 000
pensioen wn (-/-) 1 467 1 467
ZVW wg 2 2332 233
belastbaar inkomen 40 766 40 766
   
loonheffing15 602 15 602
algemene heffingskorting (-/-) 2 0072 007
arbeidskorting (-/-) 2 274 1 504
doorwerkbonus (-/-) 3 191 0
belasting8 130 12 091
   
bruto inkomen 40 000 40 000
pensioen wn (-/-) 1 467 1 467
belasting (-/-) 8 130 12 091
netto inkomen 30 40226 442

De loonkosten voor de werkgever van een werknemer met een bruto inkomen van € 40 000 in de marktsector staan in de tabel hieronder weergegeven. De afdrachtverminderingen (afdrachtvermindering onderwijs en afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingwerk) zijn zo specifiek dat die in dit overzicht niet meegenomen zijn. De vrijstelling voor de basispremie voor de WAO/WIA geldt voor zowel 55- als 63-jarige werknemers. Voor beide werknemer zijn de loonkosten voor de werkgever hetzelfde. De premies voor pensioen, WGF en WAO betreffen gemiddelden, zoals die door het CPB berekend zijn voor de Macro-Economische Verkenning 2009.

bruto inkomen 40 000
pensioen wg 4 458
ZVW wg 2 233
AWF wg 917
WGF wg 524
WAO wg277
loonkosten 48 409

De leden van de fracties van het CDA, de PvdA, de SP, de VVD, GroenLinks en de ChristenUnie hebben diverse vragen gesteld met betrekking tot de effecten van de doorwerkbonus op de arbeidsparticipatie van ouderen. Ook heb ik tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen toegezegd meer inzicht te zullen verschaffen in de effecten van de doorwerkbonus.

Bij de vormgeving van de doorwerkbonus heeft het kabinet zich gericht op het belangrijke werk dat de Commissie Arbeidsparticipatie dit voorjaar heeft verricht en op de berekeningen die het CPB in opdracht van de Commissie Arbeidsparticipatie heeft gemaakt.1 Op verzoek van deze Commissie heeft het CPB beschreven en berekend wat de effecten van fiscaal beleid zijn op het vertragen van het uittreden van ouderen uit de arbeidsmarkt. Dat effect blijkt groot te zijn. Zo blijkt uit analyse van het CPB dat de arbeidsparticipatie van ouderen tussen 60 en 65 jaar als gevolg van (o.a. fiscaal) beleid fors oploopt. Hoewel de participatie van ouderen in deze leeftijdsgroep in Nederland relatief laag is, is deze participatie de afgelopen jaren wel al flink gestegen. In 2000 was de participatie van deze groep 16%, in 2007 wordt uitgegaan van een arbeidsparticipatie van 28%, zo merk ik in antwoord op de vraag van de leden van de fractie van het CDA op. In 2011 wordt verwacht dat 43% van de 60-plussers werkt.

Beleid dat erop is gericht om de beloning voor (door)werken te verhogen is bijzonder effectief (het zogenoemde prijseffect). Het CPB geeft aan dat in de internationale literatuur een brede consensus bestaat dat dit prijseffect flinke gevolgen heeft voor het arbeidsaanbod van ouderen.2 De doorwerkbonus bewerkstelligt ook precies dit prijseffect: het verhoogt de beloning op langer én op meer doorwerken. In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de SP merk ik op dat het kabinet dan ook niet bang is dat een hogere beloning op doorwerken zal resulteren in minder uren werken.

De keuze voor het «boter bij de vis» karakter van de doorwerkbonus levert daarnaast een extra stimulans aan participatie: mensen krijgen direct bij het doorwerken vanaf het jaar waarin de 62-jarige leeftijd wordt bereikt via de aangifte inkomstenbelasting een forse fiscale bonus. Met deze vormgeving volgt het kabinet de Commissie Arbeidsparticipatie die ook voorstander was van een «boter bij de vis»-bonus in plaats van een korting op een toekomstige heffing waar mensen zich veel minder van bewust zullen zijn.

De arbeidsparticipatie-effecten van de doorwerkbonus kunnen bij benadering worden afgeleid van de effecten van de doorwerkbonus zoals de Commissie Arbeidsparticipatie deze voor ogen had. De bonus van de Commissie kost € 1,1 miljard per jaar en levert volgens het CPB een stijging van de participatie van ouderen (60 tot en met 64 jaar) op van ongeveer 2,5%. Dit vertaalt zich in een participatiestijging voor de totale bevolking (de leeftijdsgroep 20 tot en met 64 jaar) van ongeveer +0,3%. De doorwerkbonus zoals vormgegeven door het kabinet kost ongeveer een kwart van de kosten van de bonus zoals de Commissie Arbeidsparticipatie deze voor ogen had. Volgens het CPB leidt de invoering van de doorwerkbonus tot een verhoging van de arbeidsparticipatie van 60- tot en met 64-jarigen van 0,6%-punt.1 Hierbij merkt het CPB op, dat deze groep tevens werkenden omvat die niet in aanmerking komen voor de doorwerkbonus. Het effect op de totale participatiegraad van 20- tot en met 64-jarigen bedraagt 0,1%-punt. Verdringingseffecten waarbij een stijgende participatie van ouderen de arbeidsparticipatie van jongere generaties vervangt, waar de leden van de fractie van de SP naar vragen, zijn niet te verwachten. Deze verdringingseffecten blijken zich historisch gezien niet voor te doen: op de lange termijn resulteert een stijging van het arbeidsaanbod in meer werk en meer welvaart. Daarnaast geldt dat als gevolg van de vergrijzing het arbeidsaanbod zal dalen. Extra participatie is dan ook van groot belang.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen, in hoeverre de doorwerkbonus effectiever is dan een inkomensafhankelijke arbeidskorting. De effectiviteit van een maatregel hangt sterk af van de vormgeving. Om een idee te krijgen van de effectiviteit van de inkomensafhankelijke arbeidskorting kan verwezen worden naar de hiervoor aangehaalde CPB-notitie Effecten van participatiebeleid. Hierin worden de effecten berekend van een inkomensafhankelijke arbeidskorting. De korting wordt opgebouwd tussen 50% en 100% WML en afgebouwd tussen 150% en 200% WML. De maatregel kost ex ante € 2,7 miljard. Het effect van deze maatregel op de werkgelegenheid in personen is volgens deze studie 0,7%.

Het effect van de hogere participatie door de doorwerkbonus op de houdbaarheid van overheidsfinanciën, waar de leden van de fractie van de ChristenUnie naar vragen, is moeilijk te duiden. Bekend is dat een stijging van de participatie van ouderen (leeftijdsgroep 55 – 64 jaar) met 5% volgens de gevoeligheidsanalyse van het CPB in haar vergrijzingstudie uit 2006 de houdbaarheid met +0,3% BBP verbetert. Het houdbaarheidseffect als gevolg van de participatiestijging door de doorwerkbonus op de totale houdbaarheid van de overheidsfinanciën schat het CPB in op 0 (na afronding op tienden van %-punten).2

De leden van de fractie van D66 vragen of alle fiscale kortingen voor ouderen op een rij kunnen worden gezet en of kan worden aangegeven wat het verwachte effect op arbeidsparticipatie is.

Afhankelijk van de precieze invulling van het begrip oudere hebben ouderen recht op alle heffingskortingen, waarvoor zij gezien hun persoonlijke en inkomenssituatie in aanmerking kunnen komen. Alle belastingplichtigen hebben recht op de algemene heffingskorting. Deze heffingskorting heeft geen (of slechts een zeer beperkt) effect op de arbeidsparticipatie. Alle belastingplichtigen met inkomen uit tegenwoordige arbeid komen in aanmerking voor de arbeidskorting. De arbeidskorting kent bovendien een verhoogd niveau voor «ouderen» met een leeftijd vanaf 57 jaar. De doorwerkbonus is specifiek gericht op het stimuleren van de arbeidsparticipatie van ouderen die in een kalenderjaar 62 of ouder worden. De effecten van de arbeidskorting en de doorwerkbonus zijn in het voorafgaande aan de orde gekomen. De (alleenstaande) ouderenkorting geldt voor 65-plussers en is bedoeld als koopkrachtondersteuning.

Overigens kunnen ouderen, uiteraard indien zij voldoen aan de voorwaarden voor die heffingskortingen, ook in aanmerking komen voor de overige heffingskortingen, zoals de (aanvullende) alleenstaande-ouderkorting, de combinatiekorting en de inkomensafhankelijke aanvullende combinatiekorting (IACK). Van deze heffingskortingen is in ieder geval de IACK duidelijk gericht op het verhogen van de arbeidsparticipatie. Het recht op de jonggehandicaptenkorting komt te vervallen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd.

Het kabinet gaat ervan uit dat met de hierboven gegeven toelichting tevens is voldaan aan mijn tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen gedane toezegging om de effecten van de doorwerkbonus op de arbeidsparticipatie inzichtelijk te maken.

De leden van de fracties van de SP, de VVD, de PVV en de SGP hebben enkele vragen gesteld over de effectiviteit van de doorwerkbonus voor ouderen met een laag inkomen.

De doorwerkbonus begint op een niveau van € 8 860 (2009) en stimuleert dus ook vanaf die inkomensgrens. Deze grens is op dezelfde manier vormgegeven als de grens opgenomen in de arbeidskorting en kent ook dezelfde hoogte. Het kabinet heeft gekozen voor dit aangrijpingspunt om aan te sluiten bij de reeds bestaande heffingskorting. De doorwerkbonus heeft als doel het bevorderen van de arbeidsparticipatie, ook voor ouderen met een laag inkomen. De vormgeving van de bonus is op die doelstelling afgestemd. Bij een belastingplichtige met een inkomen beneden deze grens is sprake van een zodanig beperkte mate van arbeidsparticipatie dat het naar de mening van dit kabinet niet in de rede ligt om deze belastingplichtige in aanmerking te laten komen voor een doorwerkbonus. Voor inkomensondersteuning van de lagere inkomens bestaan andere fiscale en niet-fiscale instrumenten. Zo profiteren ouderen met een lager inkomen van de inkomensafhankelijke arbeidskorting, maar ook van bestaande toeslagen.

De vormgeving van de doorwerkbonus als een toeslag, zoals de leden van de fractie van de SGP suggereerden, zou het instrument aanzienlijk complexer maken en daarom in strijd zijn met de door het kabinet bepleite (en door verschillende leden ondersteunde) vereenvoudiging van wetgeving. De doorwerkbonus is zo vormgegeven dat ook méér uren werken loont, benadruk ik in reactie op de opmerkingen die de leden van de fractie van de SP daarover maken. Het voorstel van de leden van de fractie van de SP om de doorwerkbonus te berekenen als percentage van hetgeen men verdiende voordat de leeftijd van 62 jaar werd bereikt, is niet uitvoerbaar.

De leden van de fractie van GroenLinks willen in algemene zin van het kabinet weten wat in volgorde van belangrijkheid de oorzaken zijn van het stoppen met werken vóór de leeftijd van 65 jaar en het moeilijk weer aan de slag komen van oudere werknemers. Deze leden hebben grote twijfels bij het uitgangspunt dat de financiële prikkel voor deze groep te laag zou zijn.

Diverse factoren spelen een rol bij het niet doorwerken tot 65 jaar en het moeilijk weer aan de slag komen van oudere werknemers. Het is niet mogelijk deze factoren in volgorde van belangrijkheid te plaatsen. Ze kunnen immers allemaal een rol spelen. Wel kan gezegd worden dat in het verleden de fiscaal aantrekkelijke mogelijkheden tot vut en prepensioen een grote rol hebben gespeeld. Door de hervormingen op dit terrein per 1 januari 2006 (de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Wet VPL)) is de gemiddelde uittreedleeftijd in 2006 en 2007 immers met een vol jaar gestegen en is de arbeidsdeelname onder 60 tot 64 jarigen substantieel toegenomen, zoals ook hiervoor al opgemerkt is. Aangezien tot 2015 nog een overgangsregime geldt voor mensen die op 1 januari 2005 55 jaar of ouder waren, mag verwacht worden dat deze veranderingen zich nog doorzetten naarmate het overgangsregime afloopt. Ten aanzien van het moeilijk aan de slag komen van ouderen die werkloos raken, spelen de hogere arbeidskosten van ouderen, de geringere productiviteit, een gebrekkige investering in inzetbaarheid en een negatieve beeldvorming een rol. Uit OESO-cijfers blijkt dat ouderen boven de 55 jaar in Nederland doorgaans 50 tot 60% duurder zijn dan jongeren beneden de 30 jaar. Als gevolg van specifieke CAO-afspraken die bedoeld zijn om oudere werknemers te ontzien, zijn zij eveneens aanzienlijk (12%) duurder dan jongere werknemers van gelijke productiviteit. Verminderde productiviteit kan een gevolg zijn van een verminderde interesse bij werkgevers én werknemers om bij ouderen vanaf de leeftijd van 50 jaar te investeren in inzetbaarheid. Maar ook waar geen sprake is van een feitelijk verminderde productiviteit, blijven hardnekkige beelden en vooroordelen rond oudere werknemers bestaan. Om de arbeidsparticipatie van ouderen te stimuleren voert het kabinet een premiekorting voor werkgevers in voor het in dienst nemen van oudere uitkeringsgerechtigden. Daarnaast wordt doorwerken voor ouderen door de doorwerkbonus ook nog eens financieel aantrekkelijker.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen het kabinet de marginale en gemiddelde druk van een modale werknemer van 30 jaar, 63 jaar en 67 jaar. Verder vragen zij naar de werkloosheidsval van deze 3 leeftijdscategorieën in de jaren 2008 en 2009.

In onderstaande tabellen zijn de door de leden van de fractie van GroenLinks gevraagde cijfers opgenomen. Voor een 67-jarige is aangenomen dat deze wel een AOW-uitkering heeft, maar nog geen aanvullend pensioen laat uitkeren. Omdat een 67-jarige zijn AOW-uitkering niet kwijtraakt bij het aanvaarden van werk, is hier geen sprake van een werkloosheidsval.

Marginale en gemiddelde druk

 Marginale druk Gemiddelde druk
 2008 2009 verschil2008 2009 verschil
Modale werknemer      
Alleenstaande 30 jaar 50%48% – 2% 36% 35% – 1%
Alleenstaande 63 jaar 50% 41% – 9% 33% 27% – 6%
Alleenstaande 67 jaar 42% 41% – 1% 25%25% 0%

Werkloosheidsval (inkomensvooruitgang bij aanvaarden werk vanuit een bijstandsuitkering)

 Vooruitgang Extra euro’s p/m
 2008 2009 verschil2008 2009 verschil
Aanvaarden werk op minimumloonniveau
Alleenstaande 30 jaar 13%14% 1% 140 150 10
Alleenstaande 63 jaar20% 27% 7% 210 285 75
Alleenstaande 67 jaar nvt nvt nvt nvt nvt nvt
       
Aanvaarden werk op 120% minimumloonniveau
Alleenstaande 30 jaar 23% 24%2% 235 260 25
Alleenstaande 63 jaar 31%40% 9% 325 435 110
Alleenstaande 67 jaarnvt nvt nvt nvt nvt nvt

De leden van de fractie van de VVD vragen een nadere toelichting op de in de doorwerkbonus opgenomen percentages bij verschillende leeftijden. De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar de achtergronden van de grens van de leeftijd van 62 jaar. De leden van de fractie van de SGP vragen waarom ervoor gekozen is om de bonus zo snel na het bereiken van de AOW gerechtigde leeftijd af te bouwen.

In het algemene deel van de memorie van toelichting is aangegeven dat de arbeidsparticipatie in de leeftijdscategorie van 60 tot en met 64 jaar laag is. Daaraan kan worden toegevoegd dat het genoemde percentage een gemiddelde is in de genoemde leeftijdscategorie en dat de arbeidsparticipatie in die leeftijdcategorie afloopt. Naar mate mensen ouder worden, wordt het minder eenvoudig deze groep te motiveren te blijven werken. De Commissie Arbeidsparticipatie heeft daarom geadviseerd een doorwerkbonus te introduceren waarbij het belastingvoordeel oploopt naar mate mensen langer doorwerken.1 De prikkel wordt dan ieder jaar sterker. Het kabinet heeft ervoor gekozen dit advies op te volgen en de stimulans om te blijven werken op te laten lopen met de leeftijd vanaf het kalenderjaar waarin een belastingplichtige 62 jaar wordt. Het oplopen van die percentages bereikt zijn maximum van 10% in het kalenderjaar waarin de belastingplichtige de leeftijd van 64 jaar heeft bereikt. Zoals in het algemeen deel van de memorie van toelichting uiteengezet is, wil het kabinet een cultuuromslag bewerkstelligen waardoor 65 jaar niet meer als het vaste eindpunt van het werkzame leven wordt gezien. Om 65-plussers de mogelijkheid te bieden het werkzame leven na 65 jaar geleidelijk af te bouwen heeft het kabinet ervoor gekozen ook doorwerken na 65 jaar met een doorwerkbonus aan te moedigen, zoals ook de leden van de fractie van de SGP voorstellen. Daarom wordt aan belastingplichtigen die in een kalenderjaar 65 jaar worden een bonus van 2% van het inkomen uit arbeid toegekend. Voor doorwerken na 67 jaar wordt een doorwerkbonus van 1% toegekend. De keuze voor deze vormgeving hangt tevens samen met de omstandigheid dat het relatieve effect van de stimulans vanwege het lagere tarief in de eerste en tweede schijf voor 65-plussers bij eenzelfde inkomen hoger is. Om die reden kunnen de percentages lager zijn om eenzelfde effect te bereiken. Daarnaast is met name in de leeftijdscategorie van 60 tot en met 64 jaar de grootste winst te behalen op het punt van de arbeidsparticipatie.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom de doorwerkbonus gedefinieerd is als een percentage van (een deel van) het inkomen. Het kabinet heeft ervoor heeft gekozen de bonus te laten oplopen met de mate van arbeidsparticipatie door de hoogte van de bonus van de doorwerkbonus te definiëren als percentage van (een deel van) het inkomen. Voorts is bij de vormgeving aangesloten op een bestaande techniek die ook bij de berekening van de arbeidskorting wordt gebruikt. Het gebruikmaken van een bestaande techniek zorgt ervoor dat zeker gesteld wordt dat de maatregel uitvoerbaar is voor de Belastingdienst. Alternatieven in de uitvoering van de doorwerkbonus, zoals de in het Coalitieakkoord voorziene korting op de heffing, zijn onderzocht en onuitvoerbaar gebleken.

De leden van de fractie van de SGP vragen waarom bij de vormgeving van de maatregelen geen rekening is gehouden met de specifieke omstandigheden van mensen met zware beroepen. Ook tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen is dit onderwerp door meerdere fracties aan de orde gesteld. De minister-president heeft bij die gelegenheid aangegeven, dat voor een eerlijke toepassing een afbakening van het begrip «zware beroepen» sluitend, uitvoerbaar en handhaafbaar zou moeten zijn. Een dergelijke afbakening blijkt lastig en het zoeken naar een adequate afbakening is al eerder zonder succes gebleven.1 Bij zogenoemde zware of snelslijtende beroepen zou objectief moeten worden bepaald welke beroepen vanaf een bepaalde leeftijd niet meer uitgeoefend kunnen worden (en tegelijkertijd geen mogelijkheden bieden voor de overstap naar een andere functie). Dat is nog steeds niet mogelijk gebleken. Voorts acht het kabinet het meer de verantwoordelijkheid van werkgevers èn werknemers om gezamenlijk aandacht te besteden aan het onderwerp zware beroepen in het personeelsbeleid. Dat kan door werknemers in de gelegenheid te stellen eerder tijdens hun loopbaan ander, lichter werk te verrichten. Op deze wijze zouden mensen met zware beroepen later in hun loopbaan in staat zijn te participeren in het arbeidsproces op een manier die rekening houdt met wat mensen nog wél willen en kunnen («werken naar arbeidsvermogen»).

De leden van de fractie van het CDA vragen, waarom voor de doorwerkbonus een constant bedrag wordt geraamd de komende jaren. Het bedrag van € 280 miljoen is gebaseerd op het aantal mensen dat in het jaar van invoering van de maatregel naar verwachting recht heeft op de doorwerkbonus. De gedragseffecten maken geen deel uit van dit bedrag. Indien de participatie verder oploopt dan is aangenomen in de raming zullen de kosten van de bonus inderdaad hoger uitvallen. Dit type «endogene» effecten wordt bij de huidige begrotingsregels echter niet meegenomen in het lastenkader. Dit betekent dat dit type effecten ook geen reden vormt om in te grijpen indien de geraamde kosten hoger uitvallen. Met andere woorden: als de kosten hoger uitvallen doordat de participatie hoger is dan verwacht, leidt dit niet tot een verlaging van de (individuele) bonus. Uiteraard geldt dit ook andersom: als de kosten meevallen doordat de participatie lager uitvalt, wordt de individuele bonus niet automatisch verhoogd.

De leden van de fracties van het CDA en de PvdA vragen een reactie op een artikel in Het Financieele Dagblad van 9 oktober 2008 waarin de doorwerkbonus wordt besproken.

De belangrijkste conclusies van dat artikel, namelijk dat de doorwerkbonus een goede prikkel is en de gedachte dat er ook een taak is weggelegd voor de werkgever door flexibiliteit in arbeidsvoorwaardenen beloningsbeleid in te bouwen, worden door dit kabinet uiteraard ondersteund.

De vraag van de leden van de fractie van het CDA ziet naar ik aanneem echter op de «weeffout» die volgens dit artikel in de regeling zou zitten. Hiermee wordt gedoeld op de omstandigheid dat de doorwerkbonus onder omstandigheden ook van toepassing is ingeval een werknemer zijn levenslooptegoed opneemt voor levensloopverlof ten behoeve van eerdere pensionering. Oorzaak hiervan is dat levensloopuitkeringen – mits de dienstbetrekking in stand blijft tijdens de uitkeringsperiode – aangemerkt worden als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, waardoor deze uitkeringen ook tot de arbeidskortingsgrondslag behoren. Doordat de arbeidskortingsgrondslag ook de grondslag is voor de doorwerkbonus, zijn de levensloopuitkeringen ook opgenomen in de grondslag voor de doorwerkbonus. Hiervoor is gekozen omdat de Belastingdienst de regeling voor de doorwerkbonus alleen kan uitvoeren als de grondslag voor de doorwerkbonus gelijk is aan de arbeidskortingsgrondslag.

De in het artikel genoemde bezwaren die gelden tegen de toepassing van de doorwerkbonus op levensloopuitkeringen gelden overigens evenzeer voor de toepassing van de arbeidskorting op die uitkeringen (en op tijdens andere vormen van verlof genoten loon). Ook de arbeidskorting, die eveneens het stimuleren van werken tot doel heeft, geldt indien – met instandhouding van de dienstbetrekking – verlof wordt opgenomen. Er is niet voor gekozen om de toepasbaarheid van de arbeidskorting aan te passen. Aan het niet langer toepassen van de arbeidskorting op levensloopuitkeringen zijn namelijk diverse bezwaren verbonden. Afgezien van het feit dat de arbeidskorting dan – in afwijking van de bij de invoering van de levensloopregeling gemaakte afspraken – ook niet meer zou gelden voor reguliere levensloopuitkeringen (ongeacht wanneer deze worden genoten), zou dit in beginsel dan ook moeten gelden voor andere vergelijkbare vormen van verlof.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen in hoeverre het met betrekking tot de Wet VPL ingediende amendement van het lid Vendrik c.s.1 in de afgelopen jaren heeft bijgedragen aan de ouderenparticipatie en hoe dat de komende jaren het geval zal zijn. Op grond van dat amendement is met betrekking tot onder het overgangsrecht vallende VUT-regelingen de aanvullende voorwaarde gesteld dat de uitkeringen actuarieel moeten worden herrekend ingeval de uitkeringen later ingaan. Tevens vragen zij of het kabinet bekend is met en voornemens is actie te ondernemen met betrekking tot de ABP-regeling, waarbij het financieel aantrekkelijk is om net voor het 65ste levensjaar te stoppen. Deze leden vragen in dat kader hoe het kabinet ofwel de rijksoverheid zich als werkgever opstelt in de benutting van de ruimte die wordt gecreëerd met het vorig jaar bij de wet Overige fiscale maatregelen 2008 aangenomen amendement van eveneens het lid Vendrik c.s.2

De afgelopen jaren zijn verschillende maatregelen genomen om de arbeidsparticipatie van oudere werknemers te bevorderen. In het voorgaande is uitgebreid ingegaan op de inschatting door het CPB van de effecten van (fiscaal) beleid op de arbeidsparticipatie. Het is niet goed mogelijk om te bepalen welk deel van het effect van al deze maatregelen kan worden toegerekend aan een specifieke maatregel. Dat ook het eerstgenoemde amendement hierbij een rol heeft gespeeld, moge echter duidelijk zijn. Dat laatste geldt niet voor het tweede amendement waar de leden van de fractie van GroenLinks naar verwijzen. De in dit amendement opgenomen wijziging leidt juist tot een verkleining van de prikkel om langer door te werken. Met dat amendement is bewerkstelligd dat het niet langer noodzakelijk is om de hiervoor genoemde actuariële herrekening bij langer doorwerken volledig toe te passen. Het ten behoeve van de ABP-regeling benutten van deze ruimte zou betekenen dat de prikkel om langer door te werken juist kleiner wordt. Dat laat onverlet dat ook het kabinet het onwenselijk vindt dat de ABP-regeling nog steeds een prikkel bevat om bij het bereiken van de leeftijd van 64 jaar en 11 maanden te stoppen met werken. Het overleg tussen de vertegenwoordigers van overheidswerkgevers- en werknemers over dit punt is in volle gang.

Houdbaarheidsbijdrage

De leden van de fractie van het CDA hebben een aantal vragen gesteld over de inhouding van de AOW-premies, de bijdrage in de kosten van de heffingskortingen en de rijksbijdrage aan het AOW-fonds. Voorts willen deze leden weten welke economische en sociale rechtvaardiging schuil gaat achter het feit dat de kosten van de inkomensafhankelijke combinatiekorting en andere kortingen in mindering gebracht worden op de premies AOW.

De netto opbrengsten van de AOW-premies bedragen in 2008 naar verwachting € 17,6 miljard en in 2009 € 19,3 miljard. Het bedrag aan heffingskortingen dat verrekend is met de bruto AOW-premieontvangsten bedraagt in 2008 € 16,5 miljard en in 2009 € 16,7 miljard. De Bijdrage in de Kosten van Kortingen (BIKK) die compenseert voor de aftrek van heffingskortingen bedraagt € 3,0 miljard in 2008 en € 3,1 miljard in 2009. De Rijksbijdrage Ouderdomsfonds bedraagt € 6,1 miljard in 2008 en € 5,4 miljard in 2009.

De kosten van de heffingskortingen hebben geen invloed op de kaspositie van het Ouderdomsfonds en daarmee ook niet op de AOW-premies. Sinds 2001 worden de fondsen voor de volksverzekeringen gecompenseerd voor een (boekhoudkundige) daling van de premieopbrengst als gevolg van de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001. Deze wet betekende dat het systeem van belastingvrije sommen werd vervangen door een systeem van heffingskortingen en het arbeidskostenforfait door een arbeidskorting, met als gevolg een lagere premieopbrengst. Ter compensatie van de (boekhoudkundige) lagere premieopbrengsten is de BIKK ingevoerd. De hoogte hiervan wordt jaarlijks aangepast aan de geraamde kosten van de heffingskortingen en wijzigingen van de belasting- en premietarieven in de eerste schijf. Bij het Ouderdomsfonds is sprake van een exploitatietekort. Dit leidt jaarlijks tot een vermogenstekort van gelijke omvang. Dit vermogenstekort wordt aangevuld uit de rijksmiddelen waardoor een neutrale kaspositie voor het Ouderdomsfonds ontstaat. Op deze manier kan de AOW-premie ongewijzigd blijven, waardoor de lasten- en koopkrachtontwikkeling niet worden beïnvloed.

Voorts vragen de leden van de fractie van het CDA of het mogelijk is het restant van de BIKK en de rijksbijdrage tegen elkaar weg te strepen, indien alleen de algemene heffingskorting pro rata in mindering gebracht worden op de AOW premies en op de AWBZ-premies en belastingen. Als alleen de algemene heffingskorting pro rata in mindering zou worden gebracht op de AOW-, de ANW- en de AWBZ-premies en de loon- en inkomensbelasting kan boekhoudkundig gezien het totaal van de BIKK en de Rijksbijdrage Ouderdomsfonds omlaag. De overige heffingskortingen worden dan gefinancierd uit het belastingdeel van de loon- en inkomensheffing. Per saldo heeft dit alles geen gevolgen voor het EMU-saldo.

Over de vraag van de leden van de fractie van het CDA of het kabinet kort kan ingaan op de redenen om uit de AWBZ de inkomensafhankelijke arbeidskorting te financieren merk ik in aanvulling op het voorgaande het volgende op. De inkomensafhankelijke arbeidskorting wordt niet specifiek uit het AWBZ gefinancierd. Bij de Belastingherziening in 2001 is gekozen voor een verdelingssystematiek waarbij een deel van de heffingskortingen met de premies en een deel met de belastingen wordt verrekend. Ter compensatie van de (boekhoudkundige) lagere premieopbrengsten is de BIKK ingevoerd. De hoogte hiervan wordt jaarlijks aangepast aan de geraamde kosten van de heffingskortingen en wijzigingen van de belastingen premietarieven in de eerste schijf.

Voorts hebben de leden van de fractie van het CDA nog een aantal vragen gesteld over het effect van de houdbaarheidsbijdrage op de financiering van het AO-fonds en het AWBZ-fonds en op de pensioenen. Er gaat geen effect uit van de houdbaarheidsbijdrage op de bruto-pensioenen en pensioentoezeggingen. Gepensioneerden zullen hetzelfde bruto pensioen ontvangen. Wel kan de houdbaarheidsbijdrage een wijziging in het netto pensioen van gepensioneerden met zich brengen. De houdbaarheidsbijdrage heeft ook geen effect op de AOW. Wel zullen ouderen met een hoger inkomen via de houdbaarheidsbijdrage bijdragen aan de stijging van de kosten van de AOW als gevolg van de stijging van het aantal gepensioneerden.

De leden van de fractie van de SP vragen hoe de houdbaarheidsbijdrage het draagvlak van de oudedagsvoorziening vergroot. Zij vragen zich af, of het kabinet bezig is een doemscenario te schetsen.

De houdbaarheidsbijdrage vraagt een bijdrage aan ouderen met een hoger inkomen aan de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Naarmate het aandeel ouderen toeneemt, en dus de kosten van vergrijzingsgerelateerde instituties als zorg en AOW toenemen, neemt ook de opbrengst van de houdbaarheidsbijdrage toe. De houdbaarheidsbijdrage vergroot het draagvlak voor de collectieve uitgaven. Het is zeker niet de bedoeling van het kabinet om een doemscenario te schetsen. Het kabinet vaart op berekeningen van het CPB die laten zien dat vergrijzing ervoor zorgt dat in de toekomst overheidsuitgaven sneller groeien dan inkomsten. Het vergrijzingsprobleem blijft overzichtelijk indien en voor zover er nu maatregelen worden getroffen.

In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de SP dat er in de gemiddelde economische groei voldoende ruimte zit om de lopende kosten van de vergrijzing te financieren wil ik graag het volgende opmerken. In de studie Ageing and the sustainability of Dutch Public Finances (2006) van het CPB wordt uitgegaan van een gemiddelde economische groei van 1,7% BBP.1 Deze groei indachtig, berekende het CPB in 2006 dat de overheidsfinanciën niet houdbaar zijn omdat de collectieve uitgaven als gevolg van vergrijzing sneller stijgen dan de inkomsten. Economische groei zorgt voor meer welvaart en is vanuit dat perspectief dus wenselijk. Het effect op de overheidsfinanciën is echter tweeledig omdat niet alleen de belastinginkomsten, maar ook de uitgaven stijgen. Dit komt bijvoorbeeld door het koppelen van uitkeringen aan lonen, maar ook door een snellere stijging van de zorguitgaven. Het CPB geeft in zijn vergrijzingsstudie aan dat groei als gevolg van productiviteitsstijging zelfs nadelig is voor de vergrijzingsopgave. Groei is wenselijk omdat het welvaart verhoogt, maar draagt niet bij aan de houdbaarheid van de overheidsfinanciën en de oplopende kosten van de vergrijzing.

De leden van de fractie van de PVV vragen wat de kosten zijn van de vergrijzing voor de komende jaren en welke financieringsmogelijkheden hier tegenover staan. Zij vragen zich af, of er in de toekomst sprake kan zijn van een begrotingstekort als gevolg van de vergrijzing.

Het CPB heeft in zijn hiervoor reeds aangehaalde studie Ageing and the Sustainability of Dutch Public Finances berekend dat als gevolg van de vergrijzing de uitgaven van de overheid stijgen van 47,8% BBP in 2007 naar 55% in 2040 en naar 58,7% in 2100. De inkomsten van de overheid stijgen ook maar minder sterk, namelijk van 46,1% BBP in 2006 naar 50% in 2040 en naar 48,8% in 2100. Dit verschil tussen uitgaven en inkomsten is sindsdien als gevolg van een hogere levensverwachting nog iets verslechterd. Indien er onvoldoende beleid wordt getroffen, zal deze ontwikkeling inderdaad tot een begrotingstekort leiden.

Deze kosten kunnen op meerdere manieren gefinancierd worden. In het algemeen geldt dat ofwel belastinginkomsten moeten worden verhoogd (door meer participatie, of door hogere belastingen) ofwel uitgaven worden verlaagd. Het kabinet kiest daarbij voor een drieledige aanpak. In de eerste plaats spaart het door te streven naar een overschot op de begroting. Hierdoor kan de schuld dalen en daarmee (toekomstige) rente-uitgaven. Daarnaast bevordert het kabinet de arbeidsparticipatie, waardoor het draagvlak van de kosten van de vergrijzing toeneemt. Tot slot neemt het kabinet een aantal maatregelen die ook na 2011 effect hebben door de kosten van vergrijzinggerelateerde instituties te beperken. De houdbaarheidsbijdrage die het kabinet invoert is één van die maatregelen. Het kabinet levert met deze drieledige benadering een belangrijke bijdrage aan het dichten van het vergrijzingstekort. Zoals ook aangegeven in het Coalitieakkoord, zullen ook komende kabinetten hun verantwoordelijkheid op dit punt moeten nemen.

De leden van de fractie van D66 vragen hoe de kosten van de doorwerkbonus zich verhouden tot de opbrengsten van het fiscaliseren van de AOW. De kosten van de doorwerkbonus bedragen € 280 miljoen. Deze kosten doen zich al vanaf 2009 voor. De opbrengsten van de houdbaarheidsbijdrage realiseren zich vanaf 2011. Zij zijn in eerste instantie nog beperkt maar lopen in de toekomst sterk op en sorteren hierdoor een houdbaarheidseffect van 0,3% BBP, dit mede in reactie op de heer Tang die hier tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen een vraag over stelde. Dit is 0,1% BBP meer dan het houdbaarheidseffect van de AOW-maatregel zoals deze in het Coalitieakkoord was berekend. Dit wordt voor een deel verklaard doordat de heffing volgens het CPB meer houdbaarheidswinst oplevert dan bij het Coalitieakkoord werd gedacht. Een ander verschil is dat de kosten van de doorwerkbonus niet meer in aftrek van de heffing komen maar worden gedekt in het lastenkader. Van fiscaliseren van de AOW is in het voorstel van het kabinet geen sprake. De opbrengst van eventuele fiscalisering is afhankelijk van de vormgeving. Het voorstel voor fiscalisering van de AOW van de Commissie Arbeidsparticipatie zou 0,8% BBP in termen van houdbaarheid opleveren.

De leden van de fractie van de PVV vragen of het correct is dat door het minder indexeren van de tweede schijf ook de opbrengsten voor verschillende premies dalen en dat dit tekort aangevuld moet worden uit de algemene middelen. Ook de leden van de fractie van D66 vragen hiernaar.

De AOW-premie wordt geheven over het inkomen in de eerste twee belastingschijven. Door de beperkte indexatie van de bovengrens van de tweede schijf zal er vanaf 2011 geleidelijk minder AOW-premie, AWBZ-premie en ANW-premie binnenkomen vergeleken met de situatie dat de tweede schijf voor 100% geïndexeerd blijft worden. Indien dit leidt tot een groter exploitatietekort van het Ouderdomsfonds dan wordt dit via een verhoging van de Rijksbijdrage Ouderdomsfonds gecorrigeerd. Overige tekorten worden uit de algemene middelen gefinancierd.

De leden van de fractie van de PVV vragen hoeveel oudere niet-westerse allochtonen niet deel nemen aan de arbeidsmarkt. Van de niet-westerse allochtonen in de leeftijd van 55 tot 65 jaar neemt (gemeten als aandeel van de totale groep niet-westerse ouderen in die leeftijdscategorie) 52% geen deel aan het arbeidsproces. Dit wijkt niet af van de mate waarin autochtone ouderen op de arbeidsmarkt actief zijn. Cijfers van het CBS laten zien dat gemiddeld in het eerste kwartaal van 2008 53% van de autochtone leeftijdsgroep van 55 tot 65 jaar (gemeten als aandeel van de totale groep autochtone ouderen in die leeftijdscategorie) niet deelneemt aan het arbeidsproces.

De leden van de fractie van de SP vragen of het verschil in tarief tussen de eerste en de derde schijf niet te groot wordt tegen de tijd dat de tweede schijf door de beperkte indexering van de grens tussen de tweede en derde schijf is komen te vervallen. De tweede schijf komt door de beperkte indexering te vervallen omdat de grens tussen de tweede en derde schijf uiteindelijk op een lager bedrag zou uitkomen dan de grens tussen de eerste en tweede schijf. Dit zou naar de huidige inzichten gebeuren in het jaar 2075. De inrichting van de tariefschijven in dat jaar laat dit kabinet over aan het dan verantwoordelijke kabinet.

De leden van de fractie van de VVD vragen naar de achtergronden van de keuze, in het kader van de houdbaarheidsbijdrage, voor de aanpassing van de bovengrens van de tweede schijf. In het Coalitieakkoord is opgenomen dat de aldaar opgenomen AOW-heffing zou aangrijpen bij een inkomen ter hoogte van de AOW met een aanvullend pensioen van€ 18 000 hetgeen grosso modo neerkomt op een inkomen van rond de€ 31 000. De bovengrens van de tweede schijf (in 2008 € 31 459) sluit daarop aan en is om die reden als uitgangspunt genomen voor de houdbaarheidsbijdrage. De houdbaarheidsbijdrage is zo vormgegeven, dat deze eenvoudiger uitvoerbaar is dan de aanvankelijk in het Coalitieakkoord voorgestelde variant, zoals ook VNO-NCW in zijn commentaar bevestigt.

De leden van de fractie van de VVD vragen of sprake is van indirecte leeftijdsdiscriminatie ter zake van de houdbaarheidsbijdrage omdat de maatregel in de praktijk alleen 65-plussers met een inkomen boven die schijf treft. Ook de leden van de fractie van GroenLinks vragen hiernaar.

65-plussers en 65-minners betalen hetzelfde belastingtarief met dezelfde inkomensgrenzen. Dat blijft ook zo. Het verschil tussen het in de eerste en tweede schijf geldende tarief voor 65-plussers en 65-minners wordt veroorzaakt doordat 65-plussers geen AOW-premie betalen. Door de beperkte indexering wordt dit verschil kleiner, omdat de grondslag waarvoor dit tariefsverschil geldt (in reële termen) kleiner wordt. Daarom leidt de voorgestelde maatregel naar de mening van dit kabinet niet tot (indirecte) discriminatie op grond van leeftijd.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom de AOW-premie niet jaarlijks met 1% wordt gefiscaliseerd. De houdbaarheidsbijdrage is vormgegeven als een beperkte indexatie van de grens tussen de tweede en de derde schijf. Met deze vormgeving heeft het kabinet niet gekozen voor een daadwerkelijke fiscalisering, waarbij de AOW-premie, in stapjes van 1% zoals de leden van de fractie van GroenLinks suggereren, in de eerste en tweede schijf voor alle belastingplichtigen door belastingheffing zou worden vervangen. Dit zou betekenen dat ook ouderen met een laag inkomen die extra AOW-heffing zouden moeten gaan betalen. In de voorgestelde systematiek is ervoor gekozen om ouderen met een laag inkomen te ontzien en alleen van mensen met een inkomen hoger dan circa € 31 000, een bijdrage te vragen voor de houdbaarheid van de financiering van de oudedagsvoorziening.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen welk gemiddeld AOW-percentage een modale 80-, 70-, 60-, 50-, 40- en 30-jarige heeft betaald tijdens zijn of haar werkzame leven. In onderstaande grafiek is voor de jaren vanaf 1957 de nominale AOW-premie weergegeven, de gemiddelde jaarlijkse AOW-premie voor een modaal inkomen plus voor elk van de gevraagde personen de gemiddelde totale AOW premie die geheven is (wordt) over het werkzame leven. De reden voor het afwijken van de nominale AOW-premie en de gemiddelde jaarlijkse AOW-premie is dat vanaf 1990 de belastingvrije sommen en vanaf 2001 de heffingskortingen de te betalen AOW-premie beïnvloeden. Hierbij zijn verder de volgende veronderstellingen gebruikt:

• Uitgegaan wordt van een alleenstaande of tweeverdiener die gedurende 40 jaar vanaf 25-jarige leeftijd werkt.

• Modale inkomens van voor 2001 zijn berekend op basis van historische CAO-loonontwikkeling.

• De AOW-premie blijft in de toekomst nominaal constant op 17,90%, de prijzen en de grondslag van de AOW-heffing (eerste en tweede schijf) gaan in de toekomst gelijk op.

• Voor het belastingstelsel vanaf 2001 is rekening gehouden met het AOW-deel van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

• Bij het belastingstelsel van 1990–2000 (ná-Oort) is bij de bepaling van de AOW-premie rekening gehouden met de belastingvrije som en het arbeidskostenforfait.

• In het belastingstelsel voor 1990 (vóór-Oort) werd de AOW-premie apart geheven en was vervolgens een aftrekpost voor de inkomstenbelasting. Met het fiscale voordeel van deze aftrekpost is geen rekening gehouden.

Grafiek Procentuele- gemiddelde jaarlijkse en 40-jarig gemiddelde AOW-premie 1957–2045

kst-31704-8-3.gif

Bron SVB/SZW, eigen berekeningen

Leeswijzer: een in 2008 70-jarige heeft van 1963 tot en met 2003 gewerkt en daarbij in totaal gemiddeld 11,7% van zijn/haar modale inkomen aan AOW-premie betaald

De leden van de fractie van D66 vragen voorts hoe lang het duurt voordat de tweede schijf is verdwenen. Door de beperkte indexatie zou naar de huidige inzichten de tweede schijf in 2075 feitelijk komen te vervallen.

Verhoging maximale ouderschapsverlofkorting en ontkoppeling van de levensloop

De leden van de fractie van het CDA vragen naar een aantal praktische rekenvoorbeelden over de verlenging van de ouderschapsverlofkorting. In de situatie waarin een werknemer het minimumloon verdient en besluit binnen één kalenderjaar 26 weken ouderschapsverlof te nemen geldt de volgende ouderschapsverlofkorting. De ouderschapsverlofkorting bedraagt – voor zover het in het voorafgaande kalenderjaar genoten belastbare loon meer bedraagt dan het in het kalenderjaar genoten belastbare loon – de helft van het minimumloon per opgenomen ouderschapsverlofuur. Dat komt in het jaar 2009 neer op een bedrag van afgerond € 31 per opgenomen dag. Een werknemer kan in een kalenderjaar maximaal aanspraak maken op 26 weken ouderschapsverlof x de wekelijkse arbeidsduur. Als hij dit verlof volledig opneemt, bedraagt de totale ouderschapsverlofkorting maximaal 26 x 5 dagen x € 31 = € 4 030 bij een voltijdsdienstverband.

Een alleenstaande met kinderen die op minimumloonniveau in de marktsector werkzaam is, kan na verrekening van de «standaardkortingen» nog € 183 verzilveren. Een alleenverdiener met kinderen kan nog voor een bedrag van € 978 verzilveren. Voor werknemers in de overheidssector zijn deze bedragen € 148 respectievelijk € 934. In het geschetste voorbeeld zal in dit geval dus niet de maximale ouderschapsverlofkorting verzilverd kunnen worden.

Overigens blijkt volgens CBS-cijfers dat belastingplichtigen in de praktijk gemiddeld 10 uur per week over een periode van 9 maanden verlof opnemen. In dit gemiddelde zijn er ook personen die het ouderschapsverlof over meerdere jaren gespreid opnemen, bijvoorbeeld enkele jaren één dag in de week. Daarbij spelen wellicht andere overwegingen een rol, met name de inkomensachteruitgang veroorzaakt door het niet of slechts gedeeltelijk doorbetalen van het loon gedurende de periode van ouderschapsverlof. Bij fiscale partners mag bovendien tevens rekening worden gehouden met de verzilveringsruimte van de partner. In de praktijk zal het als gevolg van al deze factoren relatief weinig voorkomen dat belastingplichtigen de geldende ouderschapsverlofkorting niet kunnen effectueren. Dit zal niet veranderen op het moment dat de ouderschapsverlofkorting wordt losgekoppeld van de levensloopregeling, antwoord ik op de vraag van de leden van de fractie van het CDA.

Het tweede voorbeeld waar de leden van de fractie van het CDA naar vragen gaat over een werknemer die voltijds werkt in jaar t, in jaar t+1 13 weken ouderschapsverlof opneemt en in jaar t+2 nogmaals 13 weken ouderschapsverlof opneemt. Zijn inkomen blijft gelijk in jaar t+1 en jaar t+2. De vraag is dan op hoeveel ouderschapsverlofkorting hij recht heeft in het jaar t+2. Uitgaande van de veronderstelling dat geen sprake is van volledig doorbetaald ouderschapsverlof en er ook geen stijging van het uurloon heeft plaatsgevonden in jaar t+1 en jaar t+2, geldt in jaar t+2 – afgezien van de halfjaarlijkse bijstelling van het minimum dagloon – hetzelfde bedrag aan ouderschapsverlofkorting als in jaar t+1. Daarbij is van belang dat in artikel 44c, derde lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 is geregeld dat in deze situatie de vergelijking mag worden gemaakt met het in jaar t genoten loon.

Het derde voorbeeld betreft een werknemer die in het jaar t werkloos is en vanaf 1 januari van het jaar t+1 weer werk vindt. Hij wil in het jaar t+1 13 weken ouderschapsverlof opnemen. De leden van de fractie van het CDA vragen zich af, of deze werknemer recht heeft op de ouderschapsverlofkorting. Een werknemer heeft recht op ouderschapsverlof als deze werknemer minstens één jaar bij dezelfde werkgever werkt en zorgt voor een kind dat de leeftijd van acht jaar nog niet heeft bereikt. Wanneer een werknemer werkloos is in jaar t en vanaf 1 januari van het jaar t+1 weer werk vindt, heeft hij dus nog geen recht op ouderschapsverlof en dus ook niet op de ouderschapsverlofkorting. In jaar t+2 heeft deze werknemer in beginsel wel weer recht op ouderschapsverlof en – mede afhankelijk van het loon in het jaar t, het jaar t+1 en het jaar t+2 – op de bijbehorende ouderschapsverlofkorting.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het juist is dat iedereen die betaald of onbetaald ouderschapsverlof opneemt met ingang van 1 januari aanstaande recht heeft op de ouderschapsverlofkorting. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe de ouderschapsverlofkorting nu wordt vormgegeven, hoe die uitgevoerd wordt en hoe hoog de korting zal zijn per 1 januari 2009.

De ouderschapsverlofkorting geldt vanaf 1 januari 2009 inderdaad voor iedere belastingplichtige die in het kalenderjaar gebruik maakt van zijn recht op ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg. De voorwaarde om deel te nemen aan de levensloopregeling vervalt. Daarnaast blijft gelden dat de ouderschapsverlofkorting niet meer bedraagt dan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten belastbare loon verminderd met het in het kalenderjaar genoten belastbare loon. Bij de aanslagregeling inkomstenbelasting komt aan de orde of aan de voorwaarden is voldaan. Daartoe moet de werknemer over een door de werkgever ondertekende verklaring beschikken. Hiervoor is al een berekening gegeven van het maximale bedrag aan ouderschapsverlofkorting per 1 januari 2009.

De leden van de fractie van de PvdA vragen zich af of het kabinet inzicht kan geven in de aantallen belastingplichtigen die deelnemen aan de levensloopregeling, het aantal ouders dat de levensloopregeling voor ouderschapsverlof gebruikt en het aantal belastingplichtigen dat de levensloopregeling voor andere doelen gebruikt.

Het aantal deelnemers aan de levensloopregeling bedroeg in 2007 200 000. Aangezien de levensloopregeling slechts enkele jaren bestaat, is over het daadwerkelijke gebruik van het tegoed nog weinig te zeggen. Wel is in CBS-enquêtes gevraagd met welke intentie mensen nu tegoed opbouwen. Uiteraard hoeven die intenties niet doorslaggevend te zijn voor het daadwerkelijke gebruik, het tegoed kan immers altijd nog voor andere doelen worden aangewend. Volgens de enquête legt de helft van de deelnemers aan de levensloopregeling in met de intentie om het tegoed te gebruiken aan het einde van hun loopbaan. Ongeveer zes procent van de deelnemers aan de levensloopregeling zou het gespaarde geld willen gebruiken voor toekomstig ouderschapsverlof. Vijf procent van de deelnemers geeft aan de levensloopregeling te willen gebruiken voor een sabbatical en bijna dertig procent van de deelnemers geeft aan nog niet te weten waarvoor gespaard wordt. Circa tien procent heeft andere intenties met het tegoed.1

De leden van de fractie van de PvdA zijn benieuwd naar de verdere plannen van het kabinet ten aanzien van de levensloopregeling. Deze leden vragen wanneer voorstellen daartoe tegemoet kunnen worden gezien. De leden van de fractie van GroenLinks vragen wanneer de toegezegde brief over de levensloopregeling komt en ook de leden van de fractie van de PVV hebben een vraag over de levensloopregeling. Het kabinet heeft besloten de levensloopregeling (en de spaarloonregeling) in stand te houden. De ambities uit het Coalitieakkoord en het advies van de commissie Arbeidsparticipatie op het gebied van levensloop zullen niet worden uitgevoerd binnen de levensloopregeling. Het kabinet zal bezien of en in hoeverre de hiervoor genoemde ambities in een separate subsidieregeling kunnen worden gerealiseerd.

De leden van de fracties van de SGP en van het CDA vragen een extra toelichting op het loskoppelen van de ouderschapsverlofkorting en de levensloopregeling. De leden van de fractie van Groenlinks zijn zeer verheugd over deze loskoppeling. Zij vragen zich af of deze keuze iets te maken heeft met het geringe succes van de levensloopregeling.

Zoals aangegeven in de memorie van toelichting leidt het loskoppelen van de ouderschapsverlofkorting en de levensloopregeling tot een vereenvoudiging: ouders hoeven niet meer deel te nemen aan de levensloopregeling om in aanmerking te komen voor de ouderschapsverlofkorting. Dit verlaagt de drempel om gebruik te maken van de ouderschapsverlofkorting. Het kabinet heeft gemeend dat dit een betere oplossing is dan het in stand laten van de koppeling en het gebruik daarvan te stimuleren – dit mede in reactie op de vraag van de leden van de fractie van het CDA. In combinatie met de verlenging van het wettelijke recht op ouderschapsverlof met ingang van 1 januari 2009 van 13 naar 26 weken, leidt het ontkoppelen er toe dat ouders makkelijker en gedurende een langere periode in staat worden gesteld om zelf voor hun kind te zorgen.

Verhoging inkomensafhankelijke aanvullende combinatiekorting

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet een vergelijking kan geven tussen het bedrag dat in 2008 en in 2009 met de (inkomensafhankelijke) aanvullende combinatiekorting gemoeid is.

In 2008 is nog sprake van de aanvullende combinatiekorting (ACK) met een vaste hoogte van € 746. Op basis van een microsimulatiemodel wordt geschat dat met deze ACK in totaal een budgettair beslag gemoeid is van € 710 miljoen voor circa 940 000 rechthebbenden. In het Belastingplan 2008 is de aanvullende combinatiekorting met ingang van 2009 inkomensafhankelijker gemaakt (de inkomensafhankelijke aanvullende combinatiekorting: IACK). In het Belastingplan 2009 is een verdere intensivering – ook met ingang van 2009 – aangekondigd. Het basisbedrag van de IACK bedraagt over 2009 € 770 en de heffingskorting kan oplopen tot maximaal € 1 765. De schatting is dat de kosten van de IACK in 2009 in totaliteit € 1 300 miljoen zullen bedragen. Daarvan hangt naar verwachting € 560 miljoen samen met het inkomensafhankelijke deel van de IACK.

Voorts vragen deze leden of het kabinet enig inzicht heeft in de bekendheid van de IACK. De – pas per 1 januari 2009 ingaande – omzetting van de ACK naar IACK heeft niet geleid tot extra eisen waar de belastingplichtige aan moet voldoen om in aanmerking te komen voor de heffingskorting. Omdat de Belastingdienst binnenkort zal overgaan tot het voorinvullen in de aangifte van onder andere de IACK op basis van beschikbare gegevens zal de mate van niet-gebruik als gevolg van onbekendheid van de regeling dan ook beperkt kunnen blijven en kleiner zijn dan bij de huidige regeling.

De leden van de fractie van het CDA vragen het kabinet om een raming te geven van het aantal mensen dat zonder de IACK meer zou gaan werken en het aantal mensen dat met de IACK meer gaat werken. Zij vragen verder naar de omvang van de «deadweight loss» van de huidige IACK plannen. De leden van de fractie van de PvdA zijn in het bijzonder benieuwd naar het verwachte effect van deze maatregel op de participatie bij alleenstaande ouders. Zij zouden dit graag uitgesplitst zien in het aantal alleenstaande ouders dat door deze maatregel aan het werk gaat en het aantal uren dat deze mensen meer gaan werken.

Het CPB heeft de precieze effecten van de inkomensafhankelijke aanvullende combinatiekorting (IACK) op basis van de vormgeving in het Belastingplan 2009 niet berekend. Op basis van eerdere doorrekeningen van het CPB kan echter wel geconcludeerd worden dat deze maatregel vooral effect heeft op het totale aantal gewerkte uren. Voor specifiek de categorie alleenstaande ouders is bekend dat het effect op het arbeidsaanbod in jaren sterker is dan voor de andere groepen. Meer concreet heeft het CPB in de Macro-Economische Verkenning 2008 aangegeven dat de invoering van een inkomensafhankelijke combinatiekorting van € 1 500 die wordt opgebouwd tussen 50% WML en 3 keer WML leidt tot een stijging van de participatiegraad van partners in personen en de werkgelegenheid in arbeidsjaren van 0,1%. Het arbeidsaanbod van de partners en alleenstaande ouders neemt toe met respectievelijk 0,3% en 1,8%.

De IACK kent een inkomensafhankelijk karakter en daardoor meer prikkels voor een verhoging van de arbeidsparticipatie. Deze regeling komt in de plaats van «meer statische» heffingskortingen. Hierdoor zal het «deadweight loss» kunnen verminderen. De IACK wordt fors geïntensiveerd, maar om recht te hebben op het maximale bedrag van de heffingskorting zal meer dan voorheen méér gewerkt moeten worden. Het simpelweg overschrijden van een drempelinkomen is niet langer voldoende voor het recht hebben op het volledige bedrag van de heffingskorting.

De leden van de fractie van het CDA willen voorts weten hoeveel mensen op dit moment recht hebben op de combinatiekorting en hoeveel mensen de combinatiekorting ook daadwerkelijk krijgen.

Voor een volledig inzicht in de mate van verzilvering van de diverse heffingskortingen wordt verwezen naar de bij deze nota gevoegde brief met het antwoord op de motie Tang c.s. inzake het niet-gebruik en de verzilvering van heffingskortingen.1 Op basis van een microsimulatiemodel blijken in 2008 2 267 000 mensen recht te hebben op de combinatiekorting. Hiervan kunnen 57 000 mensen de korting niet (geheel) verzilveren. De rest van de rechthebbenden kan de combinatiekorting volledig verzilveren. Omdat de Belastingdienst binnenkort, zoals reeds aangegeven, zal overgaan tot het voorinvullen van onder andere de combinatiekorting op basis van beschikbare gegevens zal de mate van niet-gebruik als gevolg van onbekendheid van de regeling beperkt zijn.

De leden van de fractie van de SP vragen of door deze maatregel gezinnen meer profijt hebben dan alleenstaande ouders en waarom hiervoor gekozen is.

De inkomensafhankelijke (aanvullende) combinatiekorting maakt de combinatie van arbeid en zorg voor kinderen financieel aantrekkelijker. In een gezin met twee werkende partners bestaat (maximaal) tweemaal recht op de combinatiekorting, maar slechts éénmaal recht op de IACK, namelijk alleen voor de minstverdienende partner. Een alleenstaande ouder heeft (maximaal) éénmaal recht op de combinatiekorting én de IACK. Door (de versterking van) het inkomensafhankelijke karakter van de IACK wordt de prikkel voor de minstverdienende partner en de alleenstaande vergroot om meer te gaan werken. Daar profiteren gezinnen en alleenstaande ouders in dezelfde mate van. Doordat de (forse) verhoging van de IACK gepaard gaat met een verlaging van de combinatiekorting (van € 112 in 2008 naar € 44 in 2009) wordt het bestaande verschil tussen gezinnen en alleenstaanden juist verkleind.

De leden van de fractie van het CDA vragen hoe het kabinet denkt over de door de SER voorgestelde fundamentele herziening van de IB in het SER-advies Duurzame globalisering. Tevens vragen deze leden hoe dit advies zich verhoudt tot de voorgenomen verhoging van de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

In zijn advies Duurzame globalisering: een wereld te winnen stelt de SER voor om de mogelijkheid van een vlaktaks te onderzoeken. Een dergelijke fundamentele fiscale stelselherziening acht het kabinet nu niet gewenst. Allereerst wil ik in dit verband opmerken dat uit de in 2005 uitgevoerde evaluatie van de belastingherziening 2001 blijkt dat de met die belastingherziening beoogde doelstellingen grotendeels zijn behaald. Belangrijke doelstellingen van de belastingherziening 2001 waren: versterking van de concurrentiekracht van Nederland, verlaging van de lastendruk op arbeid, een evenwichtige en rechtvaardige belastingdruk, bevordering van emancipatie en economische zelfstandigheid en vereenvoudiging van het belastingstelsel. Thans onderzoekt het kabinet verdergaande mogelijkheden tot vereenvoudiging binnen het huidige systeem, waarop in de paragraaf Inleiding al uitvoerig is ingegaan.

Daarnaast merk ik op dat een fundamentele stelselherziening zoals de SER die bepleit gepaard zou gaan met fundamentele wijzigingen in de uitvoering, hetgeen moeilijk in overeenstemming is te brengen met het beoogde rustige vaarwater voor de Belastingdienst. Bovendien zijn aan de overgang naar een vlaktaks (of naar een eveneens door de SER genoemd tweetakstarief) inkomenseffecten verbonden: niet voor iedereen zal sprake kunnen zijn van een lager tarief bij een budgetneutrale oplossing voor de overheid. Het ligt voor de hand dat vervolgens een roep zal ontstaan om verschuivingen in de koopkracht te repareren, bijvoorbeeld door middel van heffingskortingen of juist extra aftrekposten. De mede met de vlaktaks beoogde vereenvoudiging wordt dan niet bereikt.

Daarnaast kan overgang naar een vlaktaks effecten hebben op de arbeidsparticipatie. Het verhogen van de arbeidsparticipatie is een belangrijke doelstelling van dit kabinet. Daarbij valt met name bij vrouwen veel winst te behalen. De kans is aannemelijk dat de beoogde verhoogde arbeidsparticipatie van vrouwen door een overgang naar een vlaktaks niet wordt gestimuleerd gegeven hun hogere arbeidsaanbodelasticiteit. Een vlaktaks brengt in de meeste varianten een stijging van het marginale tarief teweeg voor de laagste schijf (meestal lagere inkomensgroepen/vrouwen), waardoor het arbeidsaanbod van lagere inkomensgroepen en vrouwen eerder zal afnemen. De voorgenomen verhoging van de inkomensafhankelijke aanvullende combinatiekorting draagt juist bij aan de door het kabinet gewenste arbeidsmarktdynamiek.

Koopkrachtpakket 2009

De leden van de fractie van het CDA zoeken een tabel waarin alle veranderingen in heffingskortingen tussen 2008 en 2009 staan samengevat. In de toelichting bij artikel 41 (Inkomensbeleid) van de begroting van het ministerie van SZW worden alle maatregelen van het koopkrachtpakket toegelicht.1 In dat overzicht zijn de veranderingen in de heffingskortingen, alsmede de toeslagen (waaronder de tegemoetkoming AOW en de zorgtoeslag) opgenomen. Toeslagen zijn in tegenstelling tot bijvoorbeeld heffingskortingen naar hun aard geen fiscale instrumenten. Wijzigingen in toeslagen maken dus geen deel uit van het belastingplan. Tabel 3 in paragraaf 3.4 van de memorie van toelichting bij het belastingplan bevat een overzicht van de fiscale maatregelen die het kabinet neemt om een evenwichtig koopkrachtbeeld voor 2009 tot stand te brengen. Voor een overzicht van de maatregelen die in het kader van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) worden genomen, wordt allereerst verwezen naar de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel.2 Recentelijk heeft het kabinet een brief over de inkomenseffecten van de buitengewone uitgavenregeling en de Wtcg naar uw Kamer gezonden die bij de behandeling van dat wetsvoorstel zal worden betrokken.3 In die brief zijn aanvullende maatregelen aangekondigd die deels zijn weerslag zullen vinden in de Wtcg, deels in andere voorstellen van wet (dan het Belastingplan 2009).

De leden van de fractie van GroenLinks verzoeken tevens om standaard in het belastingplan de werkloosheids-, herintreders- en deeltijdval op te nemen en dit voor het Belastingplan 2009 in de nota naar aanleiding van het verslag te rapporteren. Voorts vragen deze leden wat de doelstellingen van het kabinet zijn op het gebied van de werkloosheidsvallen.

Zoals hiervoor aangegeven is de minster van SZW primair verantwoordelijk voor het inkomensbeleid. In de begroting van SZW wordt in de voornoemde toelichting op artikel 41 uitgebreid ingegaan op bovengenoemde parameters. Effecten op de werkloosheidsval zijn onderdeel van de integrale koopkrachtbesluitvorming in augustus. Niet alleen effecten voor de werkloosheidsval zijn van belang, maar ook de koopkracht, de herintrederval en de deeltijdval worden bij de koopkrachtbesluitvorming in ogenschouw genomen. Op deze wijze tracht het kabinet te komen tot een evenwichtige inkomensverdeling en de financiële prikkels voor werkaanvaarding in stand te houden of te verbeteren.

De toelichting op artikel 41 maakt duidelijk dat bij de meeste voorbeeldhuishoudens de werkloosheidsval, de herintredersval en de deeltijdval verbeteren. De werkloosheidsval voor alleenstaande ouders die vier dagen per week tegen het minimumloon gaan werken, is in 2008 fors verbeterd door de invoering van de kindertoeslag. Voor 2009 voorziet het kabinet een kleine verslechtering, die onder andere wordt veroorzaakt door de bezuiniging in de kinderopvangtoeslag. Omdat de werkende alleenstaande ouders in dit voorbeeld geen belasting betalen, profiteren zij niet volledig van de (compenserende) fiscale voordelen die het kabinet aan werkenden geeft (zoals de inkomensafhankelijke arbeidskorting en de inkomensafhankelijke aanvullende combinatiekorting). Hierdoor treedt er per saldo een kleine verslechtering op.

De leden van de fractie van de PvdA vragen naar de analyse over het niet-gebruik en de vereenvoudiging van heffingskortingen, waar in de motie Tang c.s. om verzocht is.

Voor een volledig inzicht in het niet-gebruik en de verzilvering van de diverse heffingskortingen wordt verwezen naar de brief die tegelijkertijd met deze nota aan de Tweede Kamer wordt aangeboden.

De leden van de fractie van de SP vragen zich af, of € 34 verschil tussen de arbeidskorting voor lage en hoge inkomens echt verschil uitmaakt. Voorts willen zij weten waarom de alleenstaande-ouderkorting zo drastisch wordt verlaagd en wat hiertegenover staat.

De afbouw in de arbeidskorting maakt het mogelijk om de arbeidskorting aan de onderkant van het inkomensgebouw sterker te laten oplopen. Hierdoor worden lagere inkomens sterker gestimuleerd om te werken. Het kabinet neemt verschillende fiscale en niet-fiscale maatregelen om de koopkracht te steunen. Tegenover het verlagen van de alleenstaande-ouderkorting staat bijvoorbeeld het verhogen van de zorgtoeslag voor alleenstaanden en het verhogen van de inkomensafhankelijke aanvullende combinatiekorting. Voor alleenstaande standaardhuishoudens is er een koopkrachtstijging die op een vergelijkbaar niveau ligt met meerpersoonshuishoudens. Alleenstaanden komen in het koopkrachtbeeld dus niet slechter uit dan niet-alleenstaanden.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar het effect van het herinvoeren van de aanvullende alleenstaande-ouderkorting. Ter geruststelling merk ik op dat deze korting niet is afgeschaft en dat er ten aanzien van deze heffingskorting ook geen beleidswijziging heeft plaatsgevonden.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar het koopkrachteffect als de verlaging van de WW-premie voor werkgevers niet doorgaat en het budget in plaats daarvan wordt ingezet voor een verhoging van de algemene heffingskorting.

Via de verlaging van de WW-premie voor werkgevers geeft het kabinet € 0,4 miljard lastenverlichting. Indien dit bedrag wordt ingezet voor het verlagen van de algemene heffingskorting kan deze met € 36 per jaar omhoog. Om de verdeling van de lasten over burgers en bedrijven in balans te houden zouden overigens dan wel aanvullende maatregelen nodig zijn.

De leden van de fractie van de SGP vragen zich af, wat de noodzaak is om de indexatie van de algemene heffingskorting van 2008 terug te draaien en verder te verlagen met € 57. Ook vragen deze leden naar de noodzaak en de achtergrond van het verlagen van de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting met respectievelijk € 19 en € 30.

In het Coalitieakkoord is ervoor gekozen de algemene heffingskorting te bevriezen en de opbrengst te gebruiken voor onder meer de inkomensafhankelijke arbeidskorting en de inkomensafhankelijke aanvullende combinatiekorting. De verlaging van de door de leden van de fractie van de SGP genoemde heffingskortingen maakt deel uit van het totale pakket aan maatregelen dat is genomen om het koopkrachtbeeld in evenwicht te brengen. De maatregelen kunnen daardoor niet afzonderlijk worden gezien van bijvoorbeeld de verhoging van de zorgtoeslag en de verlaging van de WW-premie. Tegenover de verlaging van de ouderenkortingen staat bovendien een grotere stijging van de AOW-tegemoetkoming.

Mobiliteit en vergroening

Reductie van CO2-uitstoot

Het kabinet geeft aan dat het zich in de Europese Milieuraad inzet voor inwerkingtreding van de Verordening inzake CO2-emissies van nieuwe personenauto’s per 2012. De leden van de fractie van het CDA vragen zich af of dit gaat lukken en voor welk «concreet en ambitieus doel» het kabinet zich precies inzet. Het antwoord hierop luidt dat Nederland zich nog steeds inzet voor inwerkingtreding per 2012, in tegenstelling tot andere lidstaten die bijvoorbeeld koersen op inwerkingtreding per 2015. Het doel van de verordening is een gemiddelde CO2-emissie van 130 g/km voor nieuwe personenauto’s te bereiken plus een aanvullende 10 g/km CO2-reductie op andere wijze. Het kabinet vindt het van groot belang dat er in deze verordening ook een daaropvolgende stap wordt gezet door het afspreken van een concreet en ambitieus doel voor 2020.

Het effect van de hoogte van de benzineprijzen op de reductiedoelstelling uit het Werkprogramma Schoon en Zuinig – de leden van de fractie van GroenLinks vragen daarnaar – is moeilijk in te schatten. Hoge benzineprijzen kunnen leiden tot minder autoverkeer. Een deel van het autoverkeer, namelijk het zakelijke en vrachtverkeer, is echter vrij ongevoelig voor hogere brandstofprijzen. Ook is de vraag of hogere brandstofprijzen blijvend of incidenteel zijn. De prijselasticiteit van de vraag naar benzine en diesel is verschillend op korte en lange termijn. Op korte termijn worden als gevolg van hogere brandstofprijzen minder kilometers gereden. In de vakliteratuur wordt een elasticiteit van – 0,1 tot – 0,2 aangegeven.1 Op de lange termijn vinden daarnaast andere aanpassingen plaats: het woon-werkverkeer wordt bijvoorbeeld beperkt door meer thuis te werken of door dichter bij het werk te gaan wonen, of door werk te zoeken dichter bij het huis. De langetermijnelasticiteit is daardoor hoger dan de kortetermijnelasticiteit. In de vakliteratuur wordt een langetermijnelasticiteit van circa – 0,3 vermeld.2 Een verhoging van de brandstofprijs met 10% leidt op de lange termijn dus tot 3% minder autokilometers.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de fractie van GroenLinks of het effect op de CO2-uitstoot per maatregel in het onderdeel mobiliteit en vergroening kan worden uitgesplitst en of deze milieueffecten een rol hebben gespeeld bij de uiteindelijke keuze van het kabinet merk ik op dat de voorstellen in het onderdeel mobiliteit en vergroening (met uitzondering van de afbouw van de BPM) naar verwachting een positief effect hebben op de CO2-reductie. Dit is ook uitdrukkelijk de bedoeling geweest. Het betreft in het bijzonder de ombouw van de BPM naar CO2-grondslag, de verlaging van de MRB voor zeer zuinige personenauto’s en voor auto’s op aardgas, de verdere differentiatie van de bijtelling auto van de zaak en de fiscale vrijstelling van waterstof. Met uitzondering van de verdere differentiatie van de bijtelling zijn de effecten niet gekwantificeerd. De verwachte CO2-reductie van invoering van de 20%-categorie wordt door CE Delft geschat maximaal op 0,02 megaton in 2010 en 0,1 megaton in 2020.

Afbouw BPM richting kilometerbeprijzing

De leden van de fractie van de VVD vragen naar de afbouw van de BPM. De afbouw van de BPM tot nihil in 2018 is in de vergroeningsbrief en de brief over de fiscale aspecten rond Anders Betalen voor Mobiliteit aangekondigd.1 In het Belastingplan 2009 wordt de afbouw van de BPM wettelijk geregeld voor de jaren 2009 tot en met 2013. De afbouw na 2013 zal in jaarlijkse stappen van telkens 12,5% plaatsvinden totdat de BPM uiteindelijk in 2018 volledig zal zijn afgeschaft. In het belastingplan is aangekondigd dat de verdere afbouw na 2013 te zijner tijd in wetgeving zal worden vastgelegd.

De leden van de fractie van de PvdA vragen wat in de kilometerbeprijzing het gewicht is van elk van de grondslagen tijd, plaats en milieu. Zij vragen voorts of de nieuwe systematiek er toe leidt dat een schone en zuinige auto altijd minder belasting betaalt dan een minder schone en minder zuinige auto op het moment dat deze achter elkaar aan rijden (en tijd en plaats dus hetzelfde zijn). De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen in hoeverre de kilometerprijs zal worden gedifferentieerd op basis van de CO2-uitstoot.

Binnen de kilometerbeprijzing zullen twee tarieven van toepassing zijn. Dat is allereerst een zogenoemd basistarief dat afhankelijk is van een aantal (milieu)kenmerken van de personenauto, maar dat overigens niet is gedifferentieerd naar tijd en plaats. Naast dat basistarief komt er een zogenoemd spitstarief dat uitsluitend van toepassing is op bepaalde plaatsen en tijden, maar overigens niet is gedifferentieerd naar de (milieu)kenmerken van de personenauto. In het basistarief van de kilometerprijs zullen zoveel mogelijk de op het moment van omzetting naar de kilometerbeprijzing geldende differentiaties uit de autobelastingen worden overgenomen. Op het moment van omzetting zal de belasting op personenauto’s en motorrijwielen (BPM), uiteraard voor zover het parlement instemt met de daartoe strekkende voorstellen in het onderhavige belastingplan, zijn gebaseerd op de CO2-uitstoot van de personenauto. De motorrijtuigenbelasting (MRB) voor personenauto’s is thans gebaseerd op gewicht en brandstofsoort. Het voornemen is de MRB voor dieselpersonenauto’s in de komende jaren nader te differentiëren naar Euroklasse.2 Op dit moment is de minister van Verkeer en Waterstaat bezig met het verkennen van verschillende scenario’s waarin CO2-uitstoot, gewicht, euroklassen en brandstofsoort terugkomen. Hij zal u daarover later informeren. De differentiatie zal er wel op gericht zijn dat een schone en zuinige personenauto een lager kilometertarief betaalt dan een minder schone en minder zuinige personenauto op het moment dat deze achter elkaar rijden op dezelfde plaats en tijd. Dit verschil in heffing wordt dus gerealiseerd door middel van het basistarief. Het eventuele spitstarief zal voor alle personenauto’s gelijk zijn. Hetgeen hiervoor is opgemerkt ten aanzien van de personenauto geldt eveneens voor de particuliere bestelauto.

De leden van de fractie van de SP vragen of het goedkoper worden van nieuwe auto’s betekent dat er dan meer auto’s worden verkocht. In concreto vragen deze leden wat de gevolgen zijn van de ombouw voor het aantal nieuw aan te schaffen auto’s en daarmee voor het wagenpark. Het afbouwen van de BPM en (uiteindelijk) de MRB in het kader van het niet langer belasten van het bezit maar van het gebruik van het voertuig leidt er toe dat, met name op de lange termijn, het wagenpark zal toenemen. De planbureaus hebben in hun onderzoek naar de effecten van de omzetting naar de kilometerprijs ook dit punt onderzocht.3 Op de langere termijn (2020) schatten zij in dat het wagenpark door de afbouw van de BPM en de invoering van de kilometerprijs met 2 à 3% boven de autonome groei toeneemt. Overigens geven de planbureaus aan, dat er op dit punt onzekerheden zijn over de bandbreedte.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe groot de negatieve milieueffecten van de schuif van de BPM naar de MRB zijn, en of dit negatieve effect voldoende wordt gecompenseerd met de overige maatregelen. Ook vragen deze leden of kan worden aangegeven wat de afbouw BPM betekent voor het aantal autoverkopen tot en met het eindjaar 2018.

Het milieueffect van een afbouw van de BPM van 2008 tot en met 2012 met 26,5% van het niveau van 2007 is bij het Belastingplan 2008 door het Milieu- en NatuurPlanbureau berekend op een toename van CO2-emissies met circa 0,1 megaton in 2011 en 0,3 megaton in 2020. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat deze afbouw leidt tot een stijging van het autopark met 1% in 2012 en 2,1% in 2020. Het milieueffect van de kilometerbeprijzing, in samenhang waarmee de afbouw van de BPM moet worden bezien, weegt daar ruimschoots tegenop.

De leden van de fractie van de VVD vragen zich af welke rechtvaardiging bestaat voor het opleggen van een verhoging van de MRB op de autobezitters die de volledige BPM hebben voldaan en waarom de suggestie van de Raad van State niet is overgenomen om in ieder geval te compenseren voor het gedeelte van de BPM dat bij export teruggegeven zou worden. Ik maak deze leden erop attent dat de BPM nog steeds een aankoopbelasting is. Er is dan ook geen aanleiding een directe koppeling te leggen tussen een lagere BPM en een hogere MRB. In dit verband kan gewezen worden op het rapport dat de Planbureaus hebben uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, geïnitieerd door de Tweede Kamer, naar de effecten van een (verdergaande) variabilisatie van de BPM in de kilometerprijs.1 In dit rapport is ook ingegaan op de fasering van omzetting van de BPM, mede gelet op de gevolgen voor het bestaande wagenpark. In het rapport van de Planbureaus wordt aan deze problematiek uitgebreid aandacht geschonken en worden verschillende varianten geschetst die de gevolgen van een dergelijke omzetting voor het bestaande wagenpark kunnen mitigeren. Het kabinet geeft de voorkeur aan de variant die wordt beschreven in paragraaf 5.5 van het rapport, namelijk de variant waarin de BPM gefaseerd wordt afgebouwd tot het uiteindelijk gewenste niveau van i.c. nul. Deze gefaseerde afbouw is deels al in gang gezet door middel van de zogenoemde vluchtheuvelvariant waarmee het kabinet in 2008 is begonnen.

Naar een emissiegerelateerde BPM

De leden van de fractie van de ChristenUnie constateren tot hun genoegen dat het kabinet verdere stappen wil zetten in de omvorming van de BPM naar een belasting gebaseerd op CO2-uitstoot. Deze leden vragen aan te geven wat de CO2-reductiewinst in 2020 is van de omzetting van de BPM van catalogusprijs naar absolute CO2, rekening houdend met de afbouw van de BPM. De leden van de fractie van de VVD hebben een vergelijkbare vraag, namelijk of het kabinet de inschatting van de BOVAG/RAI onderschrijft dat de ombouw van de BPM naar een belasting op de grondslag van CO2-uitstoot slechts een CO2-effect heeft van 0,2 megaton in 2020 ofwel 1% van de totale CO2-uitstoot van personenauto’s in dat jaar.

In antwoord op deze vragen merk ik op dat het onderzoeksbureau CE ten behoeve van de vergroeningsbrief de CO2-effecten van een progressieve CO2-heffing (variant met volledige ombouw BPM in één jaar, budgettair neutraal) heeft geraamd op minimaal 0,50 tot 0,65 megaton in 2020. Dit is 4 à 5% van de reductiedoelstelling van de sector verkeer en vervoer voor 2020. De CO2-effecten van die progressieve CO2-heffing komen 0,2 megaton in 2020 hoger uit dan het CO2-effect van de huidige BPM. In werkelijkheid ligt de reductie bij een volledige overstap naar een CO2-heffing volgens CE hoger, doordat geen rekening is gehouden met de sterke prikkel die een dergelijk BPM-systeem biedt om binnen een gewichtsklasse de zuinigste auto te kiezen. In het huidige voorstel vindt de ombouw van de BPM naar CO2 in de periode 2010–2013 plaats en gelden hogere tarieven dan waarmee CE heeft gerekend. Indien dit voorstel zou worden aangevuld met een bonus voor een A- en een B-label zou dat een zekere extra prikkel bieden om binnen een grootteklasse een nog zuinigere auto aan te schaffen. Dit zou de BPM gebaseerd op de absolute CO2-uitstoot echter complexer maken. Om die reden is daar niet voor gekozen, benadruk ik in reactie op de vraag van de leden van de fractie van GroenLinks of er effectievere varianten zijn dan de nu gekozen variant voor het ombouwtraject. Wel is in de overgangsfase voor de jaren 2010 en 2011 gekozen voor een bonus van € 500 voor auto’s die net niet onder de vrijstelling voor zeer zuinige auto’s vallen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het mogelijk is de ombouw van de BPM naar CO2-uitstoot te versnellen. Een volledige ombouw in één jaar ligt vanwege de forse effecten voor de automarkt niet voor de hand. Om de autobranche voldoende gelegenheid te geven om in te spelen op de systeemwijzigingen wordt eerst in 2010 gestart met de ombouw nadat in 2009 de vrijstelling voor zeer zuinige auto’s zal zijn ingevoerd. In de jaren 2011 en 2012 vindt een verdere ingroei in de CO2-heffing plaats terwijl het catalogusprijsdeel daalt. In 2013 zal de catalogusprijs voor de BPM van personenauto’s geen rol meer spelen. De BPM zal dan worden geheven op basis van de absolute CO2-uitstoot van een auto. Een versnelling zou dan kunnen inhouden dat al in 2012 de catalogusprijs in de grondslag van de BPM vervalt. In het licht van het streven de prijseffecten bij de ombouw binnen de perken te houden heeft het kabinet hier niet voor gekozen.

Het is correct, zo merk ik in reactie op de vraag van deze leden op, dat auto’s in de komende jaren ieder jaar ten opzichte van elkaar een nieuwe prijsstelling krijgen. Dit is inherent aan een ombouw in een aantal jaren. Anders dan de BOVAG ben ik niet van mening dat dit de hele automarkt op zijn kop zet. De ombouw vindt immers gefaseerd over een aantal jaren plaats. De richting van de ombouw is duidelijk: de BPM zal dalen bij auto’s die voor hun prijs zuinig zijn en zal stijgen bij auto’s die voor hun prijs onzuinig zijn.

De leden van de fractie van de SP vragen of er voldoende overleg is geweest met de branche. Zowel op ambtelijk niveau als op het niveau van de bewindslieden heeft verschillende keren overleg plaatsgevonden met de autobranche (RAI, BOVAG en VNA). Het overleg met de autobranche heeft aangetoond dat het mogelijk is in 2009 een eerste stap te zetten met de invoering van een vrijstelling van BPM voor zeer zuinige auto’s. Verder vindt de ombouw van de BPM pas per 2010 plaats om de autobranche in de gelegenheid te stellen om zich voor te bereiden. Inmiddels is dit overleg afgerond.

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom van deze maatregel geen integrale kosten/batenanalyse aan uw Kamer is gepresenteerd, omdat het hier gaat om een totale grondslagwijziging van een belasting die in 2018 zal worden afgeschaft. Het antwoord hierop luidt dat ex-ante evaluatieonderzoek naar de verschillende varianten voor de BPM heeft plaatsgevonden. Hiervoor kan worden verwezen naar de vergroeningsbrief en het onderzoeksrapport van CE «Effecten en beoordeling van opties ten behoeve van het Belastingplan 2009». Daarbij is niet gekozen voor een integrale kosten/batenanalyse. Daarentegen is een afweging gemaakt van de kosten voor de overheid en de betrokken branche versus de opbrengsten in de vorm van «een groenere BPM» en een grotere reductie van CO2-uitstoot.

De leden van de fractie van de VVD missen een inschatting van de effecten van met name de voorgenomen grondslagwijziging van de BPM op de restwaardeontwikkeling van het bestaande wagenpark van onder meer leasemaatschappijen en particulieren, alsmede de geprognosticeerde effecten op de Nederlandse automarkt. Ook de leden van de fractie van de SP hebben vragen over de Nederlandse automarkt. De inschatting is dat deze effecten alleszins zullen meevallen. Ik baseer mij hierbij op de volgende overwegingen. In de eerste plaats heeft het kabinet ernaar gestreefd de prijseffecten binnen de perken te houden door te kiezen voor een stapsgewijze aanpak bij de ombouw naar de nieuwe grondslag. In de tweede plaats mag voor nieuwe auto’s waarvan straks de BPM (relatief) hoger zal uitpakken, geen restwaardeproblematiek worden verwacht. Voor nieuwe auto’s waarvan de BPM lager zal uitpakken is het de vraag in welke mate dit doorwerkt in de consumentenprijs en daarmee in de restwaarde van reeds aangeschafte auto’s. Het gaat hier immers om relatief zuinige auto’s. Overigens zou zonder ombouw van de BPM uitsluitend sprake zijn van een verlaging van de BPM richting kilometerbeprijzing hetgeen ook effecten kan hebben op de restwaardeontwikkeling van het bestaande autopark en op de automarkt.

Anders dan de leden van de fractie van de SP ben ik van mening dat de emissiegerelateerde BPM een vereenvoudiging is. De huidige BPM is gebaseerd op de catalogusprijs en kent een bonusmalusregeling, een CO2-toeslag en een fijnstofdifferentiatie. De omgebouwde BPM is gebaseerd op de absolute CO2-uitstoot.

Het antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de SP of door de omvorming van de BPM een benzineauto goedkoper wordt en een dieselauto duurder, luidt ontkennend. Bij de ombouw van de BPM zijn evenwichtige prijseffecten nagestreefd. Dieselauto’s kennen thans een hogere BPM dan benzineauto’s omdat de catalogusprijs van dieselauto’s hoger is en doordat voor dieselauto’s een BPM-toeslag en voor benzineauto’s een BPM-korting geldt. Indien daarmee geen rekening zou worden gehouden bij de ombouw, zouden dieselauto’s fors goedkoper worden. Aangezien het kabinet dit een ongewenste ontwikkeling acht, wordt de dieseltoeslag verhoogd.

De leden van de fracties van de PvdA, de VVD en de SP hebben vragen over de vrijstelling BPM voor zeer zuinige auto’s. De vrijstelling van de BPM voor zeer zuinige auto’s geldt voor personenauto’s met een CO2-uitstoot van ten hoogste 110 g/km, voor dieselauto’s geldt een grens van ten hoogste 95 g/km. De CO2-uitstoot van een auto wordt in de regel vermeld in het kentekenregister. Indien dat niet het geval is, blijkt de CO2-uitstoot uit de Europese of nationale typegoedkeuring of uit het certificaat van overeenstemming. In het merendeel van de gevallen vindt de aangifte BPM door de auto-importeur plaats.

De leden van de fractie van de VVD vragen zich af of werkgevers en leaseautobestuurders, die onlangs op aandringen van het kabinet een zuinige en schone auto hebben aangeschaft, worden gestraft met de invoering van de vrijstelling voor zeer zuinige auto’s.

Het kabinet is van mening dat hier sprake is van een consistent beleid. Het beleid om schone en zuinige auto’s te stimuleren wordt voortgezet en geïntensiveerd. Er is geenszins sprake van straffen. Of een werkgever die in 2008 een contract heeft gesloten voor bijvoorbeeld een hybride auto, een hogere leaseprijs zal betalen dan in 2009 is afhankelijk van meer factoren dan alleen de BPM-vrijstelling. Ook de situatie op de leasemarkt en de prijsstelling voor nieuwe auto’s speelt daarbij een grote rol. Ik heb geen signalen hierover ontvangen bij de verlaging van de BPM en de invoering van de 14% bijtelling in 2008. De rijder die reeds in 2008 een zeer zuinige auto van de zaak privé reed, blijft per saldo voordeliger uit dan wanneer hij pas in 2009 voor zo’n auto had gekozen. Het voordeel dat deze rijder in 2008 al had – te weten 14% bijtelling in plaats van 25% bijtelling in 2008 – scheelt 11% van de bijtelling over de catalogusprijs inclusief BPM in 2008. Als hij pas in 2009 zou kiezen voor een zeer zuinige auto, is de bijtelling 14% over alleen de catalogusprijs. De BPM zal in 2009 immers nihil zijn. Hoewel de bijtelling voor een zeer zuinige auto voor de jaren vanaf 2009 lager is, mist deze rijder het voordeel van de 14% bijtelling over het jaar 2008.

In de brief van de Vereniging Nederlandse Autoleasebedrijven (VNA), waarop de leden van de fractie van de PvdA een reactie vragen, wordt gesteld dat de restwaarde van recent ingezette zeer zuinige leaseauto’s zal dalen waardoor deze bedrijven bij de verkoop van de auto flinke financiële schade lijden. Het kabinet betwijfelt dit. Deze financiële schade zal zich alleen voordoen als de prijs van zeer zuinige auto’s (door de verlaging van de BPM) zou dalen. De vraag naar zeer zuinige auto’s wordt gestimuleerd door de 14% bijtelling en door de verdere verlaging van het MRB-tarief naar een kwarttarief.

Het antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de PvdA waarop de vrijstelling voor zeer zuinige auto’s in de BPM betrekking heeft, is dat op zeer zuinige auto’s een nihiltarief zal worden toegepast voor het gedeelte van de BPM dat op de CO2-uitstoot is gebaseerd (vanaf 2010) én voor het gedeelte van de BPM dat op catalogusprijs is gebaseerd (van 2009 tot en met 2012). De reden dat het hoogste CO2-tarief van de BPM pas gaat gelden vanaf een CO2-uitstoot van 270 gram/km respectievelijk voor dieselauto’s 232 gram/km in tegenstelling tot de slurptax – de leden van de fractie van de ChristenUnie vragen daarnaar – is dat de BPM gebaseerd op CO2-uitstoot een integrale vervanging vormt voor de huidige BPM inclusief bonusmalusregeling en CO2-toeslag. Bij de ombouw van de BPM de komende jaren is zo goed mogelijk rekening gehouden met de effecten op de automarkt en met de beoogde milieueffecten. Met het oog daarop wordt een drieschijvensysteem met progressieve tarieven voorgesteld. Ter verduidelijking kan worden opgemerkt dat het tarief in de hoogste schijf al in 2010 € 246 bedraagt terwijl de CO2-toeslag in 2009 € 125 per gram/km zal bedragen vanaf 192 respectievelijk (voor dieselauto’s) 176 g/km CO2-uitstoot.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van fractie van de ChristenUnie wanneer het meenemen van de NOx-uitstoot in de bepaling van de BPM te verwachten is, kan worden opgemerkt dat een korting op de BPM voor auto’s die al voldoen aan de Euro 6-norm Europeesrechtelijk pas mogelijk is zodra de Euro 5-norm in werking is getreden. Dit zal per 1 januari 2011 het geval zijn.

BPM-grondslag andere vervoercategorieën

De leden van de fracties van het CDA en de PvdA hebben enkele vragen over de gegevens inzake de CO2-uitstoot van bestelauto’s voor particulieren. De CO2-uitstoot van bestelauto’s wordt, in tegenstelling tot de CO2-uitstoot van personenauto’s, nog niet digitaal bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) geregistreerd. Dit verandert met de komst van Europese typegoedkeuringen voor bestelauto’s (in het jargon lichte bedrijfsauto’s1 ). Dit zal vanaf 29 oktober 2011 voor nieuwe voertuigtypes en vanaf 29 april 2013 voor alle types verplicht zijn. Vanaf 29 april 2013 wordt het dus mogelijk om de BPM op bestelauto’s voor particulieren ook op basis van de absolute CO2-uitstoot te heffen. Te zijner tijd zal moeten worden bezien of dit wenselijk is. Momenteel is het aantal bestelauto’s dat op naam van een particulier is gezet, laag. Ook betreft het voor het merendeel kleine, lichte bestelbusjes.

De leden van de fractie van het CDA vragen in dit verband naar het convenant met het bedrijfsleven. Dit convenant heeft geen betrekking op reductie van CO2-uitstoot maar ziet op de beperking van de fijnstofuitstoot van bestelauto’s en kampeerauto’s. De beschikbaarheid van gegevens vormt geen probleem. Over het convenant bestaat in principe overeenstemming met de betrokken partijen. Naar verwachting zal de ondertekening op korte termijn plaatsvinden.

De leden van de fracties van de PvdA en VVD informeren naar de consequenties van de ombouw van de BPM voor de administratieve lasten en vragen om een reactie op de door de BOVAG geraamde administratieve lastenstijging. In paragraaf 13 van het algemeen deel van de toelichting wordt ingegaan op de gevolgen voor bedrijfsleven en burgers van het Belastingplan 2009. Daar is vermeld dat de overgang naar een CO2-grondslag in de BPM nalevingskosten met een gemengd en tijdelijk karakter (d.w.z. andere dan administratieve lasten) tot gevolg heeft bij importeurs en dealers. Jaarlijks kunnen deze kosten exclusief het bedrijfseigen deel in de aanvang € 1 à € 2 miljoen bedragen. Deze kosten doen zich alleen voor in de jaren waarin de ombouw van de BPM plaatsvindt, dus in 2010 tot en met 2013. Het gaat dan over overige nalevingskosten van € 4 à € 8 miljoen in totaal. De BOVAG raamt een administratieve lastenstijging van € 24,75 miljoen in de periode 2010 – 2015. Het zou gaan om een initiële kostenpost van € 6,6 miljoen voor importeurs en kosten van € 3,6 miljoen per jaar voor importeurs/dealers. Dit komt bij een ombouw in vijf jaar op in totaal € 24,75 miljoen. Het gaat hierbij om aanpassing van automatiseringssystemen en om marketingkosten, dat wil zeggen een optelsom van bedrijfseigen kosten en overige nalevingskosten.

Verhoging MRB-tarief voor motoren

De leden van verschillende fracties hebben enkele vragen over de verhoging van motorrijtuigenbelasting voor motoren. In de brief over fiscale vergroening – de leden van de fractie van het CDA vragen hiernaar – is aangekondigd dat wordt overwogen om de MRB voor motoren met gelijke voet te laten stijgen met de stijging van de MRB die voor de andere voertuiggroepen plaatsvindt uit hoofde van de verschuiving van de BPM naar de MRB.1 Als de verhoging van de MRB voor motoren namelijk achterwege zou blijven, zou het houden van een motorrijwiel ten opzichte van andere voertuigen goedkoper worden. Dat acht het kabinet voor een voertuig dat in verhouding tot zijn milieukenmerken al lager belast is dan een personenauto een verkeerd signaal. Dat is de reden waarom het kabinet – dit mede in reactie op een opmerking van de leden van de fractie van de VVD – de MRB voor motoren met hetzelfde percentage verhoogt als de MRB voor personenauto’s. De leden van de fractie van de VVD verzoeken om een raming van de veroorzaakte«externe kosten». De verhouding tussen de externe kosten en de heffingen van verschillende voertuigcategorieën wordt geïllustreerd in onderstaande figuur afkomstig uit het onderzoeksrapport van CE Delft naar effecten en beoordeling van verschillende opties van fiscale vergroening. Dit rapport is gelijktijdig met de fiscale vergroeningsbrief naar Uw Kamer gestuurd.2

Totale externe kosten en infrastructuurkosten en heffingen van personenvervoer over de weg (parkgemiddelde) in 2002 (mln euro’s)

kst-31704-8-4.gif

Bron: CE, 2004.

De BPM en MRB op motoren is in vergelijking met personenauto’s laag. Tegelijkertijd veroorzaakt een motor aanzienlijke milieueffecten. De uitstoot van CO, NOx, PM10 (fijnstof) en SO2 is weliswaar meestal iets lager dan bij een personenauto, maar is naar verhouding wel hoog. Bovendien worden motoren steeds krachtiger, waardoor de CO2-uitstoot toeneemt. Naast deze milieukenmerken kennen motoren aanzienlijke andere externe kosten. Bij de krachtige prestaties van moderne motoren is het hogere letselrisico zo’n externe kostenpost.

De leden van de fractie van de SP vragen hoeveel «zero emission motoren» er zijn op het totale aantal motoren. Verder zijn deze leden benieuwd of het kabinet verwacht dat dit aandeel door deze maatregel gaat stijgen. Sinds kort zijn er elektrische motoren beschikbaar op de Nederlandse markt. Thans is het aantal zero emission motoren ten opzichte van het totaal aantal motoren in Nederland nog zeer beperkt. Met het verhogen van de MRB voor motoren ontstaat een grotere stimulans voor de keuze voor deze milieuvriendelijke motoren, omdat zij zijn vrijgesteld van zowel BPM als MRB. Dit zal naar verwachting een positieve invloed hebben op het aandeel zero emission motoren in het Nederlandse wagenpark.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of een motor altijd schoner is dan een personenauto en bij hoeveel inzittenden een auto per persoon minder vervuilend is dan een motor met één berijder. In de Studie naar Transport Emissies van Alle Modaliteiten (STREAM) van CE Delft zijn de emissies van motoren en personenauto’s weergegeven. In onderstaande tabel worden de uitkomsten samengevat. De emissiecijfers zijn een gemiddelde van het rijden in de stad, buiten de stad en op de snelweg voor het gehele park.

 CO2NOxPM10 (fijnstof) SO2
 g/km g/km g/km g/km
Motor 1360,23 0,016 0,004
Benzineauto 194 0,35 0,0080,006
Dieselauto 180 0,57 0,061 0,003

Bron: CE, 2008.

Uit deze cijfers blijkt dat een gemiddelde motor zuiniger is dan een gemiddelde auto (lagere CO2-uitstoot) maar niet altijd schoner is dan een gemiddelde auto. De uitstoot van NOx, PM10 en SO2 ziet op schoon. Zo is bijvoorbeeld de fijnstofuitstoot van een gemiddelde benzineauto lager dan die van een motor. Wanneer in een auto meer personen zitten dan op de motor is de motor per persoon veelal vervuilender dan de benzineauto.

Verder vragen deze leden op welke manier een motor anders wordt behandeld dan een auto. Wanneer we ons beperken tot de belastingen kent de motor een eigen BPM en MRB tarief. Het BPM tarief bedraagt 9,6% van de netto catalogusprijs voor motoren met een netto catalogusprijs lager dan € 2 133. Voor motoren met een netto catalogusprijs hoger dan € 2 133 bedraagt het tarief 19,4% verminderd met € 210. Het huidige BPM basistarief voor personenauto’s is 42,3% van de netto catalogusprijs verminderd met € 1 442 voor een benzineauto en vermeerderd met € 307 voor een dieselauto.

De leden van de fractie van de SP vragen hoe een verhoging van de MRB bij de motor zich verhoudt tot het soms geringe gebruik van motoren en de weinige ruimte die een motor inneemt. In de verhouding tussen de MRB-tarieven voor de motor en de personenauto wordt van oudsher rekening gehouden met elementen als de gebruiksfrequentie en de mate van beschadiging van het wegdek. De MRB voor motoren bedraagt zo’n € 70 per jaar, terwijl voor een kleine benzineauto (900 kg) de MRB circa € 270 per jaar bedraagt. De MRB is echter ook een instrument om de keuze voor het gebruik van schone en zuinige voertuigen te beïnvloeden. De vrijstelling voor zero emissionvoertuigen en het kwarttarief voor zeer zuinige auto’s zijn daar voorbeelden van. De verhoging van de MRB voor motoren heeft overigens geen gevolgen voor de verhouding tussen de tarieven voor de motor en de personenauto, aangezien de MRB voor motoren met eenzelfde percentage wordt verhoogd als de MRB voor personenauto’s als gevolg van de kilometerprijs.

Tenslotte hebben de leden van de fractie van de SP nog een vraag over de inzet van de motor als middel tegen files. Mij is geen kabinetsbeleid bekend waarbij het gebruik van de motor wordt ingezet als middel tegen files. Bovendien ontmoedigt deze maatregel het bezit van motoren niet aangezien de MRB voor motoren met gelijke voet stijgt als de MRB voor personenauto’s.

Verhoging MRB-tarief voor Euro 0, I en II vrachtauto’s

De leden van de fractie van de VVD vragen of over het voorstel tot verhoging van de MRB voor vervuilende vrachtauto’s overleg heeft plaatsgevonden met de transportsector en wat daarvan de resultaten waren. Inderdaad is dat het geval geweest en wel bij verschillende gelegenheden. Ook in het in juni en juli van dit jaar gevoerde overleg met de transportsector over de gestegen dieselprijzen is deze verhoging aan de orde geweest. In dat overleg is afgesproken dat de verhoging van de MRB beperkt zou blijven tot de vrachtauto’s met een euroklasse 0, I of II. Overigens heeft dat overleg er eveneens toe geleid dat de overheid ten behoeve van de transportsector een bedrag ter beschikking heeft gesteld voor een aantal vergroeningsmaatregelen, een bedrag dat overeenkomt met de opbrengst van de MRB-verhoging voor de meest vervuilende vrachtauto’s. Als opbrengst van deze MRB-verhoging staat in de budgettaire tabel behorende bij het Belastingplan 2009 voor het jaar 2010 en daarna abusievelijk€ 15 miljoen vermeld. De opbrengst van de MRB-verhoging voor de meest vervuilende vrachtauto’s bedraagt in 2009 € 15 miljoen, aangezien de bepaling op 1 april in werking treedt. Vanaf 2010 bedraagt de opbrengst € 20 miljoen per jaar. Dit bedrag komt overeen met het bedrag dat het kabinet ter beschikking heeft gesteld ten behoeve van de transportsector.

Differentiatie bijtelling auto van de zaak

De leden van de fractie van de PvdA vragen hoeveel auto’s in de 20%-categorie vallen en vragen voorts of de 14%- en 20%-categorieën voldoende gevuld zijn met mogelijke autotypen. De leden van de fractie van Groenlinks vragen of de elektrische auto in de 14%-categorie valt. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het waar is dat er weinig dieselauto’s in de 20%-categorie komen te vallen, en zo ja, wat hier de ratio achter is. In de 14%-categorie vallen momenteel 1 model (2 uitvoeringen) dieselauto en 8 modellen benzineauto’s, waaronder 2 hybride modellen. Ook elektrische auto’s (zonder CO2-uitstoot) zullen in de 14%-categorie gaan vallen. In de 20%-categorie vallen momenteel ongeveer 10 modellen dieselauto’s en ongeveer 40 modellen benzineauto’s. Het aantal modellen zal naar verwachting in de loop der tijd substantieel toenemen. Het aanbod van (zeer) zuinige dieselauto’s is lager dan het aanbod van (zeer) zuinige benzineauto’s omdat de vraag naar (zeer) zuinige dieselauto’s lager is. Een dieselauto is over het algemeen pas voordeliger dan een benzineauto bij een hoger brandstofverbruik. Dit komt doordat onder andere de hogere catalogusprijs van een dieselauto terugverdiend moet worden met de lagere brandstofkosten van een dieselauto. Doordat (zeer) zuinige auto’s een lager brandstofverbruik per kilometer hebben en doordat met deze auto’s over het algemeen minder kilometers gereden worden dan met een grotere (vaak minder zuinige) auto, wordt in het segment van (zeer) zuinige auto’s vaak voor een benzineauto gekozen.

De leden van de fractie van de PvdA, de VVD en GroenLinks vragen naar de verwachte milieueffecten van de nieuwe 20%-categorie. De leden van de fractie van de PvdA vragen voorts wat de milieueffecten zijn geweest van de invoering van het 14%-tarief. De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe groot de CO2-reductie zou zijn indien Nederland een bijtelling van 35% voor brandstofslurpers zou invoeren. De verwachte CO2-reductie van de 20%-categorie wordt door CE Delft geschat maximaal op 0,02 Mton in 2010 en 0,1 Mton in 2020. Het Milieu- en natuurplanbureau heeft in 2007 de CO2-reductie van de 14%-categorie op minder dan 0,01 Mton in 2020 geschat. Wat de CO2-reductie zou zijn indien Nederland een bijtelling van 35% voor brandstofslurpers zou invoeren, is niet bekend. Naar verwachting zullen privé-ritten dan vaak niet langer met deze auto’s van de zaak worden afgelegd. Hiervoor zal een privéauto worden aangeschaft.

De leden van de fractie van de VVD vragen of de hoogte van de bijtelling nog wel een directe link heeft met de waarde van het privégebruik nu er nog een verlaagd tarief is geïntroduceerd. Door in de wetgeving niet langer het verlaagde percentage te noemen, maar door uit te gaan van de normale bijtelling van 25% en die vervolgens te verlagen voor (zeer) zuinige auto’s, wordt verduidelijkt dat de bijtelling van de 14%- en 20%-categorie een subsidie-element bevat.

De leden van de fractie van Groenlinks vragen of de milieueffecten een rol hebben gespeeld bij de vormgeving van de verdere differentiatie van de bijtelling. De leden van de fractie van de VVD vragen naar de administratieve lasten van de 20%-categorie. De leden van de fractie van de PvdA vragen of een verdere differentiatie van de bijtelling overwogen wordt. De leden van de fractie van Groenlinks vragen of een verdere differentiatie overwogen wordt om het leasen van brandstofslurpers te ontmoedigen. Het kabinet stond positief tegenover de wens van een meerderheid van de Tweede Kamer om te komen tot een verdergaande differentiatie van de bijtelling omdat voor veel mensen met een auto van de zaak de stap naar een zeer zuinige auto nog te groot was. Bij de vormgeving van de verdergaande differentiatie is met het oog op het beperken van de stijging van de administratieve lasten en uitvoeringslasten voor de Belastingdienst gekozen voor het invoeren van slechts één extra verlaagd tarief. Ook is er om diezelfde reden voor gekozen de CO2-uitstootgrenzen voor de verlaagde tarieven slechts één keer per vier jaar bij te stellen in plaats van jaarlijks. De administratieve lasten worden geschat op € 0,06 miljoen per jaar structureel en eenmalig € 1,15 miljoen voor het nalopen van het huidige bestand auto’s van de zaak. De Belastingdienst wil samen met de RDW een website ontwikkelen waarbij het bedrag van de bijtelling voor alle nieuwe auto’s op eenvoudige wijze gevonden kan worden door het intikken van het kenteken. Hierdoor zullen minder fouten worden gemaakt in de loonaangifte en wordt het toezicht door de Belastingdienst eenvoudiger.

Bij het bepalen van de CO2-uitstootgrenzen is getracht een categorie te introduceren waarbij de keuze aan zuinige auto’s voldoende groot is en waarbij dus een substantiële verschuiving naar zuinige auto’s kan plaatsvinden. Mede met het oog op de administratieve lasten en uitvoeringslasten overweeg ik momenteel geen verdere differentiatie. Een verhoogd percentage voor onzuinige auto’s kent nog andere bezwaren. Voor bepaalde auto’s is de CO2-uitstoot onbekend. Het gaat bijvoorbeeld om auto’s van voor 2001 en om de meeste bestelauto’s. Voor de toepassing van de verlaagde bijtelling ligt de bewijslast dat het om een zuinige auto gaat bij de inhoudingsplichtige/belastingplichtige. Bij een verhoogde bijtelling zou de bewijslast dat het om een onzuinige auto gaat bij de Belastingdienst komen te liggen. Dit acht ik geen optie, aangezien deze bewijslast voor de Belastingdienst onmogelijk op grote schaal uit te voeren is. Bovendien is het introduceren van een malus in de huidige opzet van de Wet op de loonbelasting 1964 wetstechnisch niet mogelijk. Volgens deze wet kan alleen loon belast worden en een malus is geen loon. Ook de optie om het normale bijtellingspercentage van 25% flink te verhogen en vervolgens verlaagde percentages te introduceren voor auto’s die niet onzuinig zijn acht ik om die reden een onbegaanbare weg. Een dergelijk flink hogere percentage zou dan nog steeds een redelijke benadering van het privé-voordeel moeten vormen. Indien deze onderbouwing niet slaagt, vormt dit een juridisch risico doordat belastingplichtigen een lagere bijtelling via de rechter zullen willen afdwingen. Afhankelijk van de opzet zouden in die variant alle mensen met een oude auto of met een bestelauto waarvan de CO2-uitstoot niet bekend is, onder het flink hogere percentage gaan vallen, terwijl zij bovendien niet in staat zijn om direct voor een andere zuinigere auto te kiezen. Overigens wordt het kiezen voor een onzuinige auto van de zaak al ontmoedigd doordat de differentiaties in de BPM doorwerken in de grondslag voor de bijtelling. Ook voor de werkgever is de zuinigheid van een auto van de zaak van belang omdat op hem de brandstofkosten drukken.

De leden van de fractie van de SP vragen waarom de resultaten van de kwaliteitsanalyse van CE Delft niet voldoende waren om het huidige voorstel van de 20%-categorie te verfijnen. Dit heeft te maken met de beperkingen van het model waarmee CE Delft en andere onderzoeksinstituten rekenen. Het model verdeelt auto’s in een beperkt aantal gewichtklassen in plaats van in CO2-uitstootklassen. Daarom is gevraagd naar een kwalitatieve analyse van enkele budgettair neutrale varianten waarbij het aantal auto’s in de categorie voor zuinige auto’s toeneemt en waarbij het bijtellingspercentage van 20% verhoogd wordt. Een toename van het bijtellingspercentage leidt tot een negatief milieueffect. Daarentegen zou een verhoging van de CO2-uitstootgrenzen ervoor zorgen dat – afhankelijk van hoe ver de grenzen opgerekt worden – één of enkele populaire dieselmodellen onder de verlaagde bijtelling gaan vallen. Na het onderzoek van CE Delft is een nieuw model van een populaire middenklasse dieselauto geïntroduceerd die onder de verlaagde bijtelling valt. Naar verwachting zullen in de loop der tijd meer populaire dieselauto’s op de markt komen die onder de verlaagde bijtelling gaan vallen. Hierdoor verwacht ik dat de positieve milieueffecten van het oprekken van de CO2-uitstootgrenzen te beperkt zijn om het negatieve milieueffect van een verhoging van het bijtellingspercentage te kunnen compenseren.

De leden van de fractie van het CDA vragen wie de CO2-uitstoot van de auto officieel vaststelt en of deze CO2-uitstoot verandert indien de auto anders wordt afgesteld. Het vaststellen van de CO2-uitstoot van een auto vindt plaats als onderdeel van de Europese typegoedkeuring van het desbetreffende autotype. De Europese typegoedkeuring wordt uitgevoerd door de fabrikant zelf of bij een gecertificeerd testlaboratorium. De keuring vindt plaats met geijkte apparatuur onder toezicht van de typekeurende autoriteit van de EU-lidstaat waar de typekeuring wordt aangevraagd. In Nederland is de RDW deze autoriteit. De condities waaronder de meting van de CO2-uitstoot plaatsvindt, zijn uitgewerkt in Europese richtlijnen. De vastgestelde waarde voor de CO2-uitstoot van een auto geldt voor alle landen van de Europese Unie. Het is niet toegestaan om de afstelling van de motor te veranderen zodanig dat de CO2-uitstoot verandert. Wel kunnen natuurlijk andere banden, een dakkoffer of ander accessoires worden gemonteerd waardoor de CO2-uitstoot van een auto verandert. Voor het vaststellen van het bijtellingspercentage wordt echter uitgegaan van de CO2-uitstoot zoals die tijdens de typekeuring van autotype waartoe de auto behoort, is vastgesteld.

De leden van de fractie van de PvdA vragen zich af, waarom de Autodealerregeling 2007 per 1 januari 2009 vervalt en of de nieuwe Handreiking Bijtelling privégebruik auto voor de autobranche tot meer administratieve lasten leidt. Voorts vragen zij of de Belastingdienst voor de nieuwe regeling meer of minder controlecapaciteit moet inzetten.

Voor autodealers bestaat thans in de praktijk een bijzondere regeling voor de berekening van de bijtelling voor het privégebruik van de auto. De achtergrond van deze regeling is dat bij dealerbedrijven sprake is van veelvuldig wisselende auto’s die aan de medewerkers ter beschikking staan. De regeling wordt in de praktijk ook door niet-dealers (handelaren e.d.) toegepast. De regeling heeft het karakter van een praktische handreiking van de Belastingdienst aan de autobranche. De Autodealerregeling 2007 gaat ervan uit dat een werknemer in een bepaalde salarisklasse een auto van de zaak ter beschikking heeft met een bij die salarisklasse behorende catalogusprijs. In de praktijk is gebleken dat deze regeling in bepaalde gevallen – zeker op het niveau van dga – tot een soms aanzienlijk lagere bijtelling leidt dan bij onverkorte toepassing van de wettelijke regeling het geval zou zijn geweest. Uiteraard is dit effect ongewenst. Handhaving van de regeling zou dan in strijd met de wet zijn en tevens leiden tot een ongelijke behandeling ten opzichte van werknemers in andere branches met een vergelijkbare auto. Bovendien kwamen vanuit de autobranche zelf bezwaren tegen de regeling omdat de verlaagde bijtelling van 14% daarin niet inpasbaar was. Om deze redenen is besloten de regeling in te trekken. In de nieuwe Handreiking bijtelling privégebruik auto voor de autobranche van 31 juli 2008 zijn voor de uitvoeringspraktijk handvatten aangereikt om de grondslag voor de wettelijke bijtelling zo goed mogelijk te kunnen vaststellen.1 Wel is bij wijze van overgang de autobranche de mogelijkheid gegeven de oude regeling nog tot en met eind van dit kalenderjaar te blijven gebruiken.

De Belastingdienst heeft sinds september 2007 regelmatig overleg gevoerd met vertegenwoordigers van de autobranche over deze nieuwe praktische handreiking waarbij wordt aangesloten bij de feitelijk gebruikte auto. Uit bedrijfsbezoeken is gebleken dat al veel informatie wordt vastgelegd vanwege externe verplichtingen (importeurs- en verzekeringsverplichtingen) en om verkeersboetes op de berijder te kunnen verhalen. In de nieuwe handreiking wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij deze bestaande informatie. Met de branche wordt verder overleg gevoerd over de mogelijkheden convenanten te sluiten in het kader van horizontaal toezicht waarbij het beperken van administratieve lasten een belangrijk aandachtspunt zal vormen. In de praktijk blijkt dat het bij de grote dealerbedrijven steeds vaker voorkomt dat een werknemer een «vaste» auto ter beschikking heeft die ook voor privédoeleinden mag worden gebruikt. In dergelijke gevallen hoeven de gegevens van de auto slechts eenmaal te worden vastgelegd en is geen dagelijkse registratie nodig.

Overigens heeft de Belastingdienst inmiddels desgevraagd bij verschillende autodealers een bedrijfsbezoek afgelegd om in goed overleg tot een juiste implementatie van de nieuwe werkwijze voor het bepalen van de bijtelling te komen. De ervaringen hiermee zijn over het algemeen positief.

De leden van de fractie van de VVD vragen of nader aangegeven kan worden wat de omvang van de administratieve lasten is van de herziening van de Handreiking bijtelling privégebruik voor de autobranche (bijtelling per dag in plaats van bijtelling per jaar). Het StandaardKostenModel kent wel een uitsplitsing naar handelingenniveau maar geen uitsplitsing naar bedrijfstakken. Het feit dat in de autobranche wat vaker van auto wordt gewisseld dan in het algemeen het geval is, is dus niet terug te vinden in de nulmeting. Met het forfaitaire karakter van de tot 1 januari 2009 voor de autobranche geldende regeling werd in de nulmeting evenmin rekening gehouden. Het vervallen van laatstbedoelde regeling vormt dan ook geen verzwaring ten opzichte van de nulmeting. Dit neemt niet weg dat het terugkeren naar de wettelijke regeling voor de autobranche wel als verzwaring zal worden gevoeld, met name in die gevallen waarin de bijtelling vanaf 1 januari 2009 hoger zal uitvallen. Bij de controleonderzoeken die de aanleiding vormen voor het intrekken van de huidige regeling, is overigens gebleken dat het vaker wisselen van auto dan in het algemeen het geval is, in veel gevallen betekent dat een keer per jaar van auto wordt gewisseld. De verandering van bijtelling moet dan dus een keer per jaar plaatsvinden in plaats van een keer per drie/vier jaar. In cijfers bedragen de administratieve lasten in totaal een bedrag van om en nabij € 10 000 per jaar voor de gehele branche.

De leden van de fractie van de PvdA hebben in dit kader tevens een tweetal vragen gesteld over de toepassing van het begrip medepleger. Dit begrip is opgenomen in het voorstel van wet Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht dat thans in behandeling is bij de Eerste Kamer. Naast de pleger van een overtreding kan ingevolge dit voorstel ook de medepleger aan een overtreding een bestuurlijke boete worden opgelegd. Deze leden vragen onder welke omstandigheden adviseurs die reguliere werkzaamheden verrichten in het kader van het doen van aangifte voor verschillende belastingmiddelen als medepleger kunnen worden beboet. Tegelijk vragen deze leden onder welke omstandigheden sprake is van bewuste samenwerking tussen adviseur en klant.

Bij de uitbreiding in de Vierde Tranche van het begrip dader tot medepleger is overwogen dat het begrip medepleger in het strafrecht al sinds lang bekend is en daar een afgebakende functie heeft. De toepassing van dit begrip medepleger in de strafrechtelijke context op fiscaal gebied komt dan ook thans al voor. In de memorie van toelichting bij het voorstel van wet Vierde Tranche Algemene wet bestuursrecht is aangegeven dat dergelijke strafrechtelijke begrippen als uitgangspunt model hebben gestaan voor de regeling van bestuurlijke boeten in de Algemene wet bestuursrecht. Immers, bestuurlijke boeten in de context van artikel 6 EVRM worden aangemerkt als punitieve – bestraffende – sancties. De memorie wijst er ook op dat een onverkort overnemen van de strafrechtelijke bepalingen voor de bestuurlijke boete niet de geëigende weg is, nu beide soorten bepalingen ieder ook een eigen context hebben.1 In het strafrechtelijke domein geldt voor het aannemen van mededaderschap als voorwaarde dat sprake moet zijn van bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering van een strafbaar feit door pleger en medepleger. Het mededaderschap is in het fiscale boeterecht een volstrekt nieuw verschijnsel en het is uiteindelijk aan de bestuursrechter deze voorwaarde nader in te vullen binnen het bestuursrechtelijke domein. Dit zal ook afhangen van de feitelijke omstandigheden van het concrete geval en de rol en verantwoordelijkheden van adviseur en klant in hun onderlinge verband. Van mededaderschap zal in een normale opstelling van klant en adviseur in fiscale zaken, mede in het licht van de onderlinge vertrouwensrelatie tussen partijen en gezien de wenselijkheid van een fair play verhouding tussen Belastingdienst en adviseur, geen sprake zijn. In het kader van de totstandkoming van het wetsvoorstel Vierde Tranche Algemene wet bestuursrecht is een sprekend voorbeeld gegeven waarbij in een bewust samenspel tussen ondernemer en adviseur op het onjuist doen van aangifte wel sprake is van een situatie waarbij de adviseur een boete wegens medeplegen kan worden opgelegd.2

Fiscale vrijstelling waterstof

De leden van de fractie van het CDA kunnen zich vinden in de fiscale vrijstelling van het gebruik van waterstof. Zij merken op dat het kabinet in de memorie van toelichting aangeeft dat deze vrijstelling mogelijk is omdat het lidstaten op grond van de huidige Europese regelgeving vrij staat waterstof als brandstof niet te belasten, maar dat dit bij eventuele herziening van de energiebelastingrichtlijn wellicht zal worden herzien. Genoemde leden willen graag weten binnen welke termijn een dergelijke herziening te verwachten is en of het kabinet hierbij zal pleiten voor een vrijstelling van waterstof als brandstof. De Europese Commissie heeft aangekondigd nog dit jaar met een voorstel te komen tot aanpassing van de richtlijn energiebelasting. Het kabinet zal bij de behandeling van dat voorstel pleiten voor een vrijstelling voor waterstof.

Vergroening overig

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de fractie van het CDA wordt opgemerkt, dat de inflatiecorrectie die per 1 januari 2009 voor de MRB en brandstofaccijns wordt toegepast, 1,7% bedraagt.

De leden van de fractie van het CDA vragen voorts of het kabinet heeft nagedacht over een aanpassing van de bedrijfsfietsenregeling en hoe deze in het vergroeningsverhaal betrokken wordt. In het kader van de fiscale vergroening is gekeken naar de mogelijkheid om de bedrijfsfietsenregeling te verruimen door de maximale onbelaste vergoeding voor een elektrische fiets te verhogen van € 749 naar € 2 000 per drie jaar. De verhoging zou echter voor alle soorten fietsen moeten gelden. Met racefietsen en mountainbikes kunnen immers ook gemakkelijker langere afstanden afgelegd worden. Deze fietsen zullen vooral gekocht gaan worden voor recreatief gebruik in plaats van voor woon-werkverkeer. Verder zullen vooral werknemers die nu al met de fiets naar het werk gaan, gaan profiteren van de verruiming. De conclusie was dat de effectiviteit van de maatregel te laag zou zijn ten opzichte van de geraamde kosten (circa€ 58 miljoen).

De leden van de fractie van de VVD willen weten of het kabinet met de branche nog heeft overlegd over een landelijke sloopregeling om oude dieselauto’s versneld van de weg te halen en zo ja, wat daarvan het resultaat is geweest. Over de resultaten van dit overleg wordt uw Kamer, zoals toegezegd in het Algemeen Overleg over fiscale vergroening op 3 juli van dit jaar, apart geïnformeerd door de minister van VROM. Deze informatie zal u één dezer dagen bereiken.

De leden van de fractie van de VVD hebben een vraag over de regeling in de MRB met betrekking tot de bestelauto die is ingericht voor invalidenvervoer. Deze leden vragen of kan worden toegelicht waarom een auto niet voor dat lage tarief in aanmerking komt als mensen achterin in een elektrische rolstoel worden vervoerd en voor een auto wel het lagere MRB-tarief van toepassing is indien mensen uit hun rolstoel komen en voorin de auto zitten, evenals bij gebruik van een grotere bus met een dubbele cabine.

Het karakter van deze regeling is te verklaren uit de historie en de aard van de regeling. Toen de MRB voor bestelauto’s die in het bezit van een niet-ondernemer zijn gelijk is getrokken met de MRB voor personenauto’s, is een uitzondering gemaakt voor de gehandicapte die op een bestelauto is aangewezen. De regeling ziet naar zijn aard dus op bestelauto’s. Het begrip bestelauto is in de Wet BPM en MRB afgebakend. Indien een (gehandicapte) persoon achterin het voertuig zit tijdens het rijden, is er sprake van een zitplaats achterin de auto. In zo’n geval kwalificeert het voertuig dus niet als bestelwagen.

De leden van de fractie van de VVD vragen naar de voorwaarden voor de accijnsvrijstelling voor vluchten ten behoeve van defensie boven territoriale wateren. Met ingang van 1 januari 2005 wordt accijns geheven van brandstof voor alle binnenlandse vluchten. De invoering van deze heffing vloeit voort uit het Belastingplan 2005. Op grond van artikel 66, derde lid, Wet op de accijns wordt onder «binnenlandse vlucht» verstaan: een vlucht die begint en eindigt binnen Nederland zonder dat een luchthaven buiten Nederland wordt aangedaan. Deze leden veronderstellen dat er een accijnsvrijstelling bestaat voor vluchten ten behoeve van defensie boven territoriale wateren. De heffing van accijns geldt niet voor militaire luchtvaartuigen. Bij vliegtuigen die door particuliere bedrijven ten behoeve van defensie worden ingezet, is geen sprake van militaire vliegtuigen. Dit betekent dat de door deze vliegtuigen gebruikte brandstof is belast met accijns indien sprake is van een binnenlandse vlucht in vorenbedoelde zin.

De leden van de fractie van de VVD vragen naar de stand van zaken inzake het overleg met de Vereniging Afvalbedrijven over de fiscale facilitering van de sanering van oude stortplaatsen en of het voornemen bestaat om de in de Wet belastingen op milieugrondslag opgenomen afvalstoffenbelasting aan te passen.

In de al eerder aangehaalde brief inzake fiscale vergroening van 30 mei 2008 heb ik aangegeven dat de tariefstructuur van de afvalstoffenbelasting onderzocht zal worden. Het onderzoek richt zich op twee onderwerpen die nauw met elkaar samenhangen: een mogelijke herziening van de tariefstructuur van de afvalstoffenbelasting en een mogelijke tegemoetkoming voor afvalstromen die afkomstig zijn van de sanering van oude stortplaatsen. Naast de Vereniging Afvalbedrijven zijn bij dit onderzoek onder meer het ministerie van VROM, het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten betrokken. Naar verwachting zullen de eerste resultaten van het onderzoek begin 2009 bekend zijn.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen wat de resultaten zijn van het onderzoek naar rode diesel en waarom in het huidige belastingplan nog geen voorstel wordt gedaan voor het gelijk trekken van de rode accijns.

Ik neem aan dat deze leden met hun vraag doelen op hetgeen over rode diesel is gesteld in de brief van 30 mei jl. over fiscale vergroening. Daarin is aangegeven dat in het Belastingplan 2008 al een aantal stappen is gezet om de fiscale bevoordeling van rode diesel te beperken. In overleg met de gebruikers van rode diesel zal worden bezien of in plaats van een bevoordeling van het gebruik van de brandstof (extra) groene prikkels voor de getroffen sectoren kunnen worden gecreëerd. Het hier bedoelde onderzoek zal binnenkort worden gestart. Op rode diesel wordt niet alleen accijns geheven, maar ook energiebelasting. Het Belastingplan 2008 voorziet voor de komende jaren al in het verkleinen van het verschil in belastingdruk tussen blanke en rode diesel. De teruggaaf van energiebelasting voor grootverbruikers van rode diesel wordt in vier stappen verminderd (per 1 juli 2008 en per 1 januari 2009, 2010 en 2011). Als gevolg daarvan zal het tariefvoordeel voor grootverbruikers verminderen met in totaal € 0,12 per liter.

De leden van de fractie van GroenLinks willen weten of het kabinet heeft onderzocht wat de koopkrachteffecten zijn voor de verschillende inkomensgroepen van het integraal verhogen van de gastarieven van de energiebelasting (EB) met 16,2% conform het onderzoek van CE. Zij vragen of daarbij ook is gekeken naar mogelijkheden om opbrengsten terug te sluizen via de inkomstenbelasting en zo nee, waarom niet.

CE heeft in opdracht van het ministerie van VROM 15 mogelijke vergroeningsmaatregelen onderzocht en beoordeeld op milieueffectiviteit. Hierbij is niet gekeken naar mogelijkheden om opbrengsten terug te sluizen, omdat CE geen opdracht heeft gekregen om een samenhangend pakket vergroeningsmaatregelen inclusief terugsluis samen te stellen. Het effect op koopkracht en lastenverdeling is wel meegenomen in het onderzoek, als een van de beoordelingscriteria. Uit het CE-rapport blijkt dat de maatregel waarbij alle gastarieven van de EB met 16,2% worden verhoogd tot een lastenverzwaring zou leiden van 2,7% voor huishoudens. In de brief inzake fiscale vergroening van 30 mei 2008 is ook de verdeling van de potentiële opbrengst van genoemde maatregel opgenomen: huishoudens circa € 341 miljoen, bedrijven circa € 158 miljoen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen een aantal opties voor een belasting op brommers uit te werken, waarbij de administratieve lasten niet hoog zijn, maar wel recht gedaan wordt aan het principe «de vervuiler betaalt».

In het aan uw Kamer aangeboden rapport van CE bij de brief over fiscale vergroening is een optie voor een aankoopbelasting op brommers uitgewerkt.1 In de brief zelf is daarnaast verder ingegaan op een andere optie, een houderschapsbelasting. Beide maatregelen zijn uit het oogpunt van vergroening goed te verdedigen en doen recht aan het principe «de vervuiler betaalt». Ook de administratieve lasten hoeven bij beide belastingen niet groot te zijn. Toch komt het kabinet niet met een voorstel op dit gebied. Dit hangt samen met enerzijds het geringe milieueffect (aankoopbelasting), anderzijds met de erg hoge uitvoeringslasten ten opzichte van de opbrengst. Die opbrengst is in beide varianten gering: € 9 tot 12 miljoen voor de aankoopbelasting en tot € 22 miljoen voor de houderschapsbelasting. Dit maakt de maatregel als belasting, die immers tot doel heeft een bron van inkomsten voor de overheid uit te maken, niet doelmatig. Ook hierop wordt in de brief over fiscale vergroening verder ingegaan.

Lijfrenten

De leden van de fracties van de PvdA en de PVV vragen met betrekking tot de afkoopregeling voor kleine lijfrenten wat het kabinet verstaat onder één uitvoerder en of daarvan ook sprake is indien verzekeraars deel uitmaken van hetzelfde concern.

De grens van € 4 000 voor de afkoop van kleine lijfrenten moet worden toegepast per verzekeringsmaatschappij en niet per verzekeringsconcern. Dit betekent dat waarden van lijfrentecontracten, gesloten bij verzekeringsmaatschappij X en bij verzekeringsmaatschappij Y, tezamen onderdeel van één verzekeringsconcern Z, niet hoeven te worden samengenomen: er wordt gekeken op het niveau van X respectievelijk Y.

De leden van de fractie van de PvdA vragen voorts of sprake is van ongelijke behandeling van de belastingplichtige die meer producten bezit bij dezelfde aanbieder ten opzichte van de belastingplichtige die producten bij diverse aanbieders heeft.

Een belangrijke doelstelling van de afkoopregeling voor kleine lijfrenteposities is het terugbrengen van de administratieve lasten van aanbieders. Bij (premievrije) lijfrenteaanspraken met een relatief geringe waarde kan het voorkomen dat deze door de administratiekosten en overlijdensrisicopremies (verder) in waarde afnemen. In de praktijk kan dan de behoefte bestaan dergelijke aanspraken af te kopen. Als lijfrenteposities zijn geconcentreerd bij één aanbieder is het gevaar van het (gedeeltelijk) «verdampen» van lijfrentewaarden geringer, omdat in dat geval de rechten die worden aangehouden bij deze aanbieder kunnen worden samengevoegd. Derhalve bevat de voorgestelde afkoopregeling voor kleine lijfrenteposities een bepaling op grond waarvan lijfrenterechten bij één lijfrenteaanbieder voor de toepassing van de € 4 000 – grens moeten worden geacht één overeenkomst te vormen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom de grens is gesteld op € 4 000, terwijl bij afkoop van pensioenen een grens van € 400 geldt. De grens van € 4 000 voor de lijfrente en de grens van € 400 voor de pensioenen, zoals is opgenomen in de Pensioenwet, zijn onvergelijkbare grootheden. Het eerste bedrag betreft de waarde in het economische verkeer van de lijfrente (de «afkoopwaarde») die niet meer dient te zijn dan € 4 000. Het bedrag voor de kleine pensioenen van € 400 houdt in dat de uitkering van het ouderdomspensioen op jaarbasis op de reguliere ingangsdatum minder dient te bedragen dan € 400 per jaar. Het betreft hier derhalve niet de waarde in het economische verkeer van de pensioenaanspraak, maar een bedrag per jaar van de pensioentermijnen. De afkoopregeling voor kleine lijfrenten gaat uit van een maximale afkoopwaarde per contract (gesteld op € 4 000) en dus geen maximale rente per jaar, omdat die toets eenvoudiger is uit te voeren voor zowel de Belastingdienst als de lijfrenteaanbieder.

De leden van de fractie van het CDA vragen waarom het aantal «splitsingsgevallen» dat momenteel bestaat niet bekend is. De leden van de fractie van de SP vragen hoeveel belastingplichtigen een lijfrente hebben en hoe groot het percentage is dat fouten maakt. Hoewel niet bekend is hoeveel splitsingsgevallen er momenteel zijn, kan wel worden gezegd dat de aantallen dermate groot zijn dat zowel verzekeraars als Belastingdienst hebben aangedrongen op regelgeving. De precieze aantallen zijn echter moeilijk kenbaar. Zo gaat het vaak om relatief bescheiden box 3-posities die aangroeien, waarbij een belastingplichtige pas later boven de algemene vrijstelling in box 3 uitkomt. Het percentage belastingplichtigen dat fouten maakt bij het berekenen van de aftrekruimte is niet bekend, dit in antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de SP. Het aantal belastingplichtigen dat lijfrentepremieaftrek claimt, is wel bekend: dat betreft volgens de meest recente gegevens ongeveer 1,1 miljoen belastingplichtigen.

De leden van de fractie van de SP vinden dat de lijfrentemaatregelen onnodig complex zijn ingericht. Deze leden geven niet concreet aan welk onderdeel van de lijfrentemaatregelen zij onnodig complex vinden. Mogelijk hebben deze leden het oog op de zogenoemde saldomethode die onderdeel uitmaakt van de voorstellen om de splitsingsproblematiek op te lossen. De saldomethode – toegevoegd mede naar aanleiding van geluiden uit de verzekeringspraktijk – zorgt ervoor dat belastingplichtigen die betaalde premies (tot beperkte bedragen) niet hebben afgetrokken, over de door hen ontvangen uitkeringen niet volledig worden belast in box 1. Het concept van de saldomethode bestond eerder onder de Wet IB 1964 en de praktijk kon daar toen goed mee uit de voeten. De thans bestaande splitsingssystematiek is veel complexer dan de saldomethode. Waar bij de saldomethode de betaalde niet afgetrokken nominale premiebedragen moeten worden bijgehouden, een duidelijke en herkenbare grootheid, dient in de splitsingssystematiek per premiebetaling voor zover die aan box 3 moet worden toegerekend tevens een jaarlijkse oprenting in aanmerking te worden genomen. Feitelijk is daarbij sprake van een fictieve splitsing van het lijfrentecontract: voor fiscale doeleinden moeten de premiebetalingen worden gesplitst en worden bijgehouden, evenals de bijbehorende rendementen. Voor een goede uitvoering moet in een splitsingssystematiek voorts een aanzienlijke communicatiestroom op gang komen: de verzekeraar heeft de voor de splitsingsberekening benodigde gegevens niet in zijn administratie en de Belastingdienst moet, om de in box 3 opgegeven waarde te controleren, de berekening van de verzekeringsmaatschappij opvragen. Met de voorstellen in het belastingplan vervalt deze splitsingsproblematiek.

De leden van de fractie van de SP zetten vraagtekens bij de verantwoordelijkheid die aan de belastingplichtige wordt gegeven bij het berekenen van zijn belastingaangifte.

Ik benadruk dat het de verantwoordelijkheid van de belastingplichtige zelf is om zijn ruimte voor lijfrentepremieaftrek correct te berekenen en zijn aangifte inkomstenbelasting volledig in te vullen. Om de belastingplichtige hierbij te helpen, biedt de Belastingdienst een rekenprogramma aan, dat is geïntegreerd in het aangifteprogramma. Daarnaast hebben ook verzekeringsmaatschappijen, bankinstellingen en tussenpersonen een belangrijke voorlichtende en adviserende taak. Mocht de belastingplichtige zijn aangifte inkomstenbelasting desondanks foutief hebben ingevuld op het onderdeel van de lijfrentepremieaftrek, dan bestaan in de beleidssfeer voldoende mogelijkheden tot herstel. Zo bestaat de mogelijkheid om betaalde lijfrentepremies die de belastingplichtige in het jaar van betaling heeft verzuimd in aftrek te brengen op een later moment alsnog in aftrek te brengen in overeenstemming met de regels en termijnen voor ambtshalve vermindering. Mocht de belastingplichtige de mogelijkheden die er zijn niet benutten, dan kan hij overeenkomstig de voorstellen in het Belastingplan 2009 nog een beroep doen op de saldomethode.

Overigens wordt opgemerkt dat de huidige splitsingssystematiek veel vergt van de belastingplichtige om tot een juiste aangifte inkomstenbelasting te komen (vergelijk ook de hiervóór gegeven toelichting op wat de splitsingsproblematiek in de praktijk betekent). Als «splitsen» niet meer nodig is, is naar mijn mening daarmee ook de belastingplichtige geholpen.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de mogelijke invulling van de nadere regels die op grond van de voorgestelde overgangsregeling bij ministeriële regeling kunnen worden gesteld. De door de leden van de fractie van het CDA genoemde delegatiemogelijkheid is opgenomen met het oog op een soepele uitvoering van de in het overgangsrecht getroffen saldomethode. Of dergelijke aanvullende regelgeving nodig is, en zo ja, hoe deze dan moet worden ingevuld, zal moeten volgen uit ontwikkelingen in de praktijk nadat de onderhavige wettelijke regeling in werking is getreden.

De leden van de fractie van de PVV vragen aandacht voor het overgangsrecht voor op 31 december 2000 bestaande lijfrenten zoals dat is vervat in artikel I, onderdeel O, Invoeringswet Wet IB 2001 en vragen of voor de lijfrenten die onder genoemd overgangsrecht vallen de saldomethode geldt tot éénmaal of tot tweemaal het bedrag (ad € 2 269). Het voortbestaan van het bovenbedoelde overgangsrecht in combinatie met de structurele saldoregeling in het voorgestelde artikel 3 107a Wet IB 2001 dient niet tot gevolg te hebben dat de saldomethode tot twee maal het bedrag van € 2 269 mag worden toegepast. De voorgestelde wettekst is bij de bij deze nota gevoegde nota van wijziging aangepast om dit zeker te stellen.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de exacte invulling van het begrip »redelijk» als het gaat om de kosten van verzekeraars bij polissplitsing en afkoop van een lijfrente en of het kabinet hier vinger aan de pols gaat houden.

Wanneer precies sprake is van redelijke kosten bij polissplitsing of (gedeeltelijke) afkoop van een contract, is een vraag die niet eenduidig valt te beantwoorden. Het bedrag aan kosten dat een verzekeraar in rekening brengt, zal veelal afhangen van de aard van het gesloten verzekeringscontract, het bedrag van de verschuldigde premie en de looptijd gedurende welke de premie is verschuldigd. Bij een geringe omvang van het op een afzonderlijke polis af te splitsen lijfrentekapitaal, kunnen de kosten naar verhouding hoger zijn dan wanneer een substantiële waarde wordt afgesplitst. Afkoop in een vroegtijdig stadium kan betekenen dat bepaalde kosten in één keer verschuldigd zijn, terwijl deze kosten normaliter over een aantal jaren zouden worden uitgespreid. Mochten er signalen komen dat excessieve kosten in rekening worden gebracht, dan zal daarover het gesprek met de verzekeraars worden aangegaan.

Overigens wil ik in dit verband nog opmerken dat de voorgestelde saldomethode veelal zal betekenen dat splitsing dan wel (gedeeltelijke) afkoop van het lijfrentecontract niet enkel fiscaal geïndiceerd zal zijn.

De leden van de fractie van het CDA vragen welke regels de staatssecretaris stelt aan afkoop, of zowel de verzekeraar als de verzekerde uitdrukkelijk moet instemmen en of de voorlichting goed is geregeld. De leden van de fractie van de SP vragen waarom de memorie van toelichting stelt dat er geen verplichting is om kleine lijfrentekapitalen af te kopen. Hoewel aan een lijfrente voor fiscale doeleinden de eis wordt gesteld dat het contract, kort gezegd, een afkoopverbod moet bevatten (artikel 1.7 Wet IB 2001), wil dat niet zeggen dat er ook civielrechtelijk een afkoopverbod bestaat. De voorwaarden om tot een rechtsgeldige afkoop te komen, is een zaak van het verbintenissenrecht en niet van de fiscaliteit. Daarbij zal normaliter de verzekeringnemer het verzoek tot afkoop doen, naar aanleiding waarvan de verzekeringsmaatschappij eerst een afkoopofferte zal opmaken, als aanbod richting cliënt. Beide partijen – verzekeringnemer en verzekeringsmaatschappij – dienen dus met de afkoop in te stemmen. De verzekeringsmaatschappij kan zijn cliënt (de verzekeringnemer) uitstekend voorlichten over de mogelijkheden van afkoop van een bij de desbetreffende maatschappij gesloten verzekeringscontract.

De zin in de memorie van toelichting waar de leden van de fractie van de SP op wijzen, is zuiver bedoeld ter verduidelijking. Daarin wordt voor de goede orde aangegeven dat de vraag of partijen een gesloten lijfrente wensen af te kopen een zaak is van die partijen zelf (contractvrijheid). In de fiscaliteit wordt slechts geregeld dat in een dergelijk geval voor relatief kleine posities in afwijking van een «reguliere» afkoop het fiscale sanctieregime niet wordt toegepast (over de afkoopsom is uiteraard wel reguliere inkomstenbelasting verschuldigd).

De leden van de fracties van CDA en SP vragen naar de reden van het vervallen van de afrekenverplichting bij emigratie voor saldo-periodieke uitkeringen. De leden van de fractie van het CDA vragen om hoeveel gevallen het gaat.

Exacte aantallen van thans nog bestaande saldo-periodieke uitkeringen – in het spraakgebruik vaak «saldolijfrenten» genoemd – zijn niet bekend. Wel kan het fenomeen «saldolijfrente» nader worden toegelicht. Saldo-periodieke uitkeringen vormden onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 een bekend (tax)planninginstrument voor met name de vermogende particulier, waarmee men een verregaand uitstel van belastingheffing kon bereiken. Op basis van het bij de invoering van de Wet IB 2001 getroffen overgangsrecht konden vóór 14 september 1999 overeengekomen saldolijfrenten onder voorwaarden door blijven lopen onder de vertrouwde saldomethode (met een «horizon» tot en met 2020). Op saldolijfrenten rust een fiscale claim op het rente-element, met het oog waarop destijds in de Invoeringswet Wet IB 2001 een regeling is getroffen (hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel R), die moest voorkomen dat deze claim, als onderdeel van tax planning, kon worden ontlopen door te emigreren. Nadien hebben de ontwikkelingen in het Europese recht echter niet stilgestaan, zoals blijkt uit de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaken Hughes de Lasteyrie du Saillant en N.1 Door de afrekenverplichting bij emigratie van onderdeel R van hoofdstuk 2, artikel I, Invoeringswet Wet IB 2001 af te schaffen, wordt zeker gesteld dat de wetgeving op dit punt in lijn is met het Europese recht. Belastingplichtigen die verzekeringnemer (of, indien de verzekeringnemer is overleden: begunstigde) zijn van een saldolijfrente en die bijvoorbeeld naar België verhuizen zijn in verband met het ophouden binnenlands belastingplichtige te zijn geen inkomstenbelasting verschuldigd over het rentebestanddeel in de saldolijfrente, dit in de reactie op de vraag van de leden van de fractie van de SP. Dit wil overigens niet zeggen dat op een later moment geen belasting kan zijn verschuldigd (mogelijk dan in België), dat wil zeggen als de termijnen worden genoten of als het contract wordt afgekocht.

De leden van de fractie van de SP vragen wat het effect is van de verhoging van de maximumpremiegrondslag voor de koopkracht van de verschillende inkomensgroepen. De verhoging van de maximumpremiegrondslag heeft een positief effect op de koopkracht voor de groep die volgend jaar en de daaropvolgende jaren via een lijfrente voor een oudedagsvoorziening spaart boven het voor 2008 geldende grensbedrag van € 104 805.

Deze groep profiteert van de verhoogde maximumpremiegrondslag omdat voor een hoger premiebedrag de omkeerregel van toepassing is. Het zal in de meeste gevallen ondernemers betreffen met relatief hoge inkomens. Voor andere inkomensgroepen heeft deze maatregel geen koopkrachtgevolgen.

Ook vragen de leden van de fractie van de SP waarom de verhoging in het jaar 2009 hoger is dan het oude tarief en hoe de omvang van de verhoging is berekend. In de artikelsgewijze toelichting – artikel I, onderdeel K (artikel 3 127 van de Wet inkomstenbelasting 2001) – staat vermeld hoe de voorgestelde verhoging van de maximumpremiegrondslag is berekend. Het bedrag van € 48 416 is gelijk aan het bedrag van de bij de Wet inzake fiscale facilitering banksparen ten behoeve van pensioenopbouw of aflossing eigenwoningschuld2 aangebrachte verlaging van de maximumpremiegrondslag met€ 47 700, vermeerderd met de indexatie die zonder die verlaging op dit deel van de in 2007 geldende maximumpremiegrondslag zou zijn toegepast per 1 januari 2008. De maximumpremiegrondslag komt zo in 2009 op hetzelfde niveau als deze zou zijn geweest indien de verlaging in 2008 niet had plaatsgevonden.

Tot slot maak ik van de gelegenheid gebruik om op te merken dat, na overleg met de verzekeringsbranche, is besloten om de voorstellen ter zake van de inhouding van loonbelasting op verzekeringsuitkeringen en afkoopsommen – uiteraard onder voorbehoud van goedkeuring van het Belastingplan 2009 door uw Kamer – niet op 1 januari 2009 maar op 1 januari 2010 te doen ingaan. Dit zal aldus worden uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 en vergt geen aanpassing van het wetsvoorstel. Hiermee wordt de verzekeraars voldoende tijd gegeven om hun systemen zodanig aan te passen dat de inhouding op verzekeringsuitkeringen op de juiste wijze kan plaatsvinden.

Vrijstelling sportorganisaties in de Successiewet

Met genoegen heb ik er kennis van genomen dat de leden van de fractie van het CDA erg blij zijn met de vrijstelling voor sportorganisaties in de Successiewet 1965. Deze leden vragen naar het verschil in de positie van de lokale scoutingverenigingen en die van regionale en landelijke scoutingverenigingen bij het in aanmerking komen voor de status van algemeen nut beogende instelling (ANBI). Ook de leden van de fractie van de VVD die eveneens ingenomen zijn met een verruiming van de mogelijkheden om sportorganisaties fiscaal te faciliteren, stellen een vraag over de scoutingorganisaties en over de positie van de in hun ogen met kerkgenootschappen vergelijkbare organisatie van Vrijmetselaars.

De positie van enerzijds landelijke en regionale scoutingverenigingen en anderzijds lokale scoutingverenigingen verschilt niet in die zin dat om voor de ANBI-status in aanmerking te komen, voldaan moet worden aan de voorwaarde dat in overwegende mate het algemeen belang gediend wordt.

Het is juist dat lokale scoutingverenigingen om die reden niet worden aangemerkt als ANBI. Lokale scoutingverenigingen zijn opgericht om voornamelijk het particulier belang van hun leden te dienen. De meer landelijk opererende scoutingverenigingen hebben doorgaans een overkoepelende, coördinerende en ondersteunende functie, zodat er onder omstandigheden sprake van kan zijn dat in overwegende mate een algemeen belang wordt gediend. Het antwoord op de vraag van de leden van de fractie van het CDA of de waterscoutingverenigingen als sportverenigingen zullen worden aangemerkt is afhankelijk van de vraag of deze voldoen aan de eisen die bij ministeriële regeling zullen worden gesteld. Het moet in ieder geval gaan om verenigingen of stichtingen die sportbeoefening bij die verenigingen of stichtingen ten doel hebben, en die zijn aangesloten bij een door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) – in overeenstemming met de minister van Financiën – aangewezen landelijke sportorganisatie. Ook voor de Vrijmetselaars geldt dezelfde afweging als voor andere instellingen die de status van ANBI willen hebben, namelijk dat zij onder andere voldoen aan de voorwaarde dat uit de interne regelgeving en feitelijke werkzaamheden van de instelling blijkt dat het algemeen belang in tegenstelling tot een particulier belang voor ten minste 50% wordt gediend. Uiteraard moet ook worden voldaan aan de overige voorwaarden die aan een zogenoemde ANBI worden gesteld.

De leden van de fractie van het CDA zouden graag van het kabinet vernemen hoe zij de positie van de dorpshuizen in deze discussie ziet en of het kabinet bereid is in overleg te treden met een landelijke organisatie van dorpshuizen. Of een dorpshuis aangemerkt kan worden als een ANBI hangt onder meer af van de statuten en de feitelijke werkzaamheden van het dorpshuis. Een dorpshuis kan als een dergelijke instelling worden aangemerkt indien de doelstelling en de activiteiten van het dorpshuis voor 50% of meer het algemeen belang dienen. Op grond van vaste jurisprudentie hebben dorpshuizen niet zonder meer de status van ANBI. Als een instelling zich qua doel en activiteiten primair richt op de exploitatie van het onroerend goed, dan kwalificeert zo’n instelling niet als ANBI. Dorps- en buurthuizen komen om die reden veelal niet in aanmerking voor de status van ANBI. Door wie of welke organisatie een instelling is opgezet, is niet relevant voor het verkrijgen van de ANBI-status. Daarmee is ook de vraag naar de Kulturhusen beantwoord. Gelet op het vorenstaande zie ik geen aanleiding om een gesprek aan te gaan met een landelijke organisatie van dorpshuizen.

De leden van de fractie van het CDA vragen of ook muziekkorpsen – evenals kerken – in aanmerking kunnen komen voor een groepsrangschikking als ANBI. De ANBI-regeling voorziet in de mogelijkheid om groepsbeschikkingen toe te kennen aan groepen met elkaar verbonden instellingen. Doel daarvan is vooral een besparing op administratieve lasten omdat één groepsaanvraag in plaats van verscheidene individuele aanvragen volstaat. Bij de beoordeling of een groep van instellingen in aanmerking komt voor een groepsbeschikking zijn twee zaken van belang. Allereerst is vereist dat de instellingen wat betreft de doelstelling van algemeen nut met elkaar zijn verbonden. Dat geldt ook voor muziekkorpsen. Alleen in dat geval kan gesproken worden over een groep. Voorts is vereist dat de aanvrager van de groepsbeschikking vertegenwoordigingsbevoegd is om namens de andere instellingen een dergelijke beschikking aan te vragen. Dit laatste vereiste is van belang omdat het aanmerken van een instelling als ANBI niet alleen fiscale voordelen biedt maar tegelijkertijd ook verplichtingen voor de instelling in het leven roept.

Naar aanleiding van de vraag van deze leden over de evaluatie van de ANBI’s kan ik antwoorden dat dit najaar de giftenaftrek op het evaluatieprogramma van belastinguitgaven staat. Het gaat hier om een ex-post evaluatie over de doelmatigheid en effectiviteit van de giftenaftrek in de periode 1996–2006. De nieuwe regeling voor de aanwijzing van ANBI’s geldt met ingang van 1 januari 2008. Er zal voldoende tijd moeten zijn verstreken voordat de nodige ervaring is opgedaan om een evaluatie zinvol te maken.

De leden van de fracties van het CDA, de VVD en de PVV vragen waarom sportverenigingen niet rechtstreeks onder de ANBI-status gebracht kunnen worden, zoals dat bijvoorbeeld voor politieke partijen wel het geval is.

Sportverenigingen voldoen niet aan de vereisten die gelden voor ANBI’s. Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat sportverenigingen in beginsel primair zijn opgezet om de particuliere belangen van de leden te dienen. Een dergelijke werkzaamheid raakt op zichzelf niet rechtstreeks het algemeen belang, zodat niet kan worden gesproken van een algemeen nut beogende instelling. Dat de politieke partijen onder de regeling voor ANBI’s zijn gebracht, doet daaraan niet af. Politieke partijen zijn immers onmisbaar voor onze parlementaire democratie en moeten dus worden gezien als algemeen nut beogende instellingen.

De leden van de fractie van de SP vragen hoeveel landelijke sportorganisaties er zijn en hoeveel landelijke organisaties in de vorm van sportbonden lid zijn van de NOC*NSF. Op dit moment is Nederland 73 sportbonden rijk die lid zijn van NOC*NSF. Deze sportbonden vertegenwoordigen circa 27 000 sportverenigingen. Deze 73 sportbonden zullen met ingang van 1 januari 2009 in aanmerking komen voor de vrijstellingen in de Successiewet 1956. Hoeveel overige landelijke sportorganisaties er zijn die eventueel in aanmerking komen voor de vrijstelling is niet bekend. Volledigheidshalve merk ik op dat ook de door de minister van VWS aangewezen landelijke sportorganisatie die voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde voorwaarden en is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie, de Nederlandse Antillen of Aruba, zelf in aanmerking komt voor de voorgestelde vrijstellingen in de Successiewet 1965. Door middel van de bij de ministeriële regeling te stellen voorwaarden houdt de overheid toezicht op rechtmatig gebruik van de vrijstelling.

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom de voorwaarde «mits het gaat om schenkingen voor clubgebouwen of sportvelden» is vervallen.

Zoals de leden hebben opgemerkt, is de vrijstelling in de Successiewet 1956 formeel niet beperkt tot schenkingen voor clubgebouwen of sportvelden. Materieel zal het effect van de verruiming van de vrijstelling echter toch veelal schenkingen ten behoeve van clubgebouwen of sportvelden betreffen. In de huidige Successiewet 1956 is immers al een algemene vrijstelling van € 1 942 voor het successierecht en van € 2 688 voor het schenkingsrecht opgenomen. Verkrijgingen van kleinere omvang zullen nu al onder deze vrijstellingen vallen. De nieuw in te voeren volledige vrijstelling voor verkrijgingen door sportverenigingen zal voornamelijk verandering brengen voor verkrijgingen van grotere omvang. Bij sportverenigingen die als doel hebben sportbeoefening bij die verenigingen zal dat in de praktijk – naar verwachting – toch voornamelijk verkrijgingen ten behoeve van een clubgebouw of sportveld betreffen. Beperking van de vrijstelling tot uitsluitend schenkingen voor clubgebouwen of sportvelden zou een verzwaring van administratieve lasten voor de sportverenigingen en van de uitvoeringstaken voor de Belastingdienst betekenen.

Met betrekking tot de vraag van de leden van fractie van de PVV over de controlecapaciteit van de Belastingdienst merk ik op dat de controle op de vrijstelling van successie- en schenkingsrecht voor sportverenigingen door de Belastingdienst ingepast kan worden in de bestaande kaders voor toezicht en risicogericht werken.

Aanpassing btw-vrijstelling medische diensten

Onderstaand ga ik in op de vragen die zijn gesteld over de btw-vrijstelling voor (para)medische beroepen. Deels liggen die vragen op het terrein van de minister van VWS. In zoverre beantwoord ik de vragen mede namens hem.

De leden van de fractie van het CDA onderschrijven de noodzaak van een beperking van deze vrijstelling. Deze leden zijn benieuwd of het kabinet heeft overwogen met betrekking tot het in aanmerking doen komen van zorgverleners voor de (para)medische vrijstelling in de btw, naast de registratie uit hoofde van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) een register in het leven te roepen voor diensten die gericht zijn op genezing van de mens maar niet onder de BIG vallen. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of nog andere opties zijn onderzocht dan opname in het BIG-register. Ik kan deze leden als volgt informeren. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in de gevoegde zaken C-443/04 (Solleveld) en C-444/04 (Van den Hout-Van Eijnsbergen) geoordeeld dat niet alle gezondheidskundige verzorging van de mens onder deze Europeesrechtelijk bepaalde vrijstelling valt, maar alleen die welke, gelet op de beroepsopleiding van de zorgverleners, voldoende kwaliteitsniveau heeft. Dit betekent dat (para)medische verzorging op grond van het Europese btw-regime alleen van nationale btw-heffing vrijgesteld kan en moet worden indien de individuele gezondheidskundige verzorging zich kenmerkt door een zeker kwaliteitsniveau. Lidstaten dienen de zorgverleners die aan het in de desbetreffende lidstaat vereiste kwaliteitsniveau voldoen, aan te wijzen. Is dat niveau naar het oordeel van de lidstaat niet gewaarborgd, dan is de vrijstelling in die lidstaat niet van toepassing. Het kabinet heeft zich daarom afgevraagd in hoeverre voor de beoordeling van het kwaliteitsniveau van (opleidingen in) de (para)medische zorg criteria beschikbaar zijn die gebruikt zouden kunnen worden om als fiscaal aanwijzingsmechanisme te dienen voor de toepassing van de medische vrijstelling. Geconcludeerd is dat hiervoor in Nederland van overheidswege alleen de criteria uit de Wet BIG beschikbaar zijn.1 Een benadering waarbij de fiscale vrijstelling mede – al dan niet met behulp van een tweede register zoals de leden van de fractie van het CDA suggereren – bij andere dan door de Nederlandse wet erkende (para)medische opleidingen zou aansluiten, acht het kabinet niet opportuun. Het gaat daarbij steeds om opleidingen met betrekking tot zorg waarvoor de beleidsverantwoordelijke minister van VWS niet kan instaan voor zover deze zorg niet op regulier wetenschappelijke inzichten en methoden is gefundeerd.

Op de vraag van de leden van de fractie van het CDA, of alle verrichtingen die nu uit de basisverzekering vergoed worden ook effectief vrijgesteld zijn van de btw-heffing, wordt het volgende opgemerkt.

De Zorgverzekeringswet bepaalt niet welke zorgverleners de verzekerde zorg moeten leveren. In de praktijk zal de verzekerde zorg in verreweg de meeste gevallen door BIG-geregistreerde zorgverleners worden geleverd. Daarmee zal inderdaad de op grond van de Zorgverzekeringswet verzekerde zorg in de praktijk vrijwel steeds zijn vrijgesteld van btw. Het is echter mogelijk dat verzekerde zorg wordt geleverd door zorgverleners die niet BIG-geregistreerd zijn. Het kan zich dus voordoen dat de levering van verzekerde zorg voor de btw als belaste prestatie moet worden aangemerkt.

Over de relatie tussen de vergoeding op grond van de basisverzekering en de praktijkondersteuners merk ik op dat hier geen sprake is van een rechtstreekse vergoedingsrelatie. De huisarts declareert namelijk op basis van een tarief, welke door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is vastgesteld. Aan een tarief ligt een kostenopbouw ten grondslag: zoveel euro voor inkomen, zoveel euro voor huisvesting, zoveel euro voor ondersteuning etcetera. In deze kostenopbouw zit nu geen vergoeding voor btw. Voor prestaties uit de basisverzekering mogen alleen tarieven in rekening gebracht worden als de NZa, behoudens enkele uitzonderingen, deze tarieven heeft vastgesteld. Mocht er BTW geheven worden, dan vindt die plaats over de hoogte van die tarieven.

De mogelijkheid om hier aansluiting te vinden bij het elektronisch patiëntendossier, waar door de leden van de fractie van het CDA naar is gevraagd, is er evenmin. De praktijkondersteuner heeft niet zelfstandig toegang tot gegevens in het elektronische patiëntendossier (EPD). De toegang tot het EPD is voorbehouden aan personen met een BIG-registratie. Daarbij zullen hun ondergeschikten onder de verantwoordelijkheid van de BIG-geregistreerde ook toegang kunnen krijgen. De toegang tot gegevens in het EPD wordt geregeld bij AMvB. In de AMvB wordt bepaald welke beroepsbeoefenaar toegang heeft tot welke gegevens. Via het EPD zullen in eerste instantie medicatiegegevens en huisartsgegevens worden uitgewisseld. Toegang tot medicatiegegevens is beschikbaar voor apothekers, specialisten, ziekenhuisapothekers en huisartsen. Toegang tot huisartsgegevens is beperkt tot huisartsen.

De leden van de fractie van het CDA verzoeken aan te geven hoeveel de administratieve belasting van «gemengde praktijken» toeneemt, dat wil zeggen van BIG-geregistreerde artsen die zowel reguliere geneeskunde bedrijven als bijvoorbeeld homeopathie. Ook de leden van de fracties van de PvdA en de VVD stellen hierover een vraag. De leden van de fractie van de PvdA vragen voorts nog hoeveel huisartsen die complementaire diensten verrichten na inwerkingtreding van het onderhavige btw-voorstel onder de kleine ondernemersregeling zullen vallen. De leden van de fractie van de SGP menen dat de opheffing van de btw-vrijstelling tot veel administratieve rompslomp zal leiden omdat artsen per consult moeten bepalen of zij gewone of complementaire zorg hebben verleend. De bedoelde administratieve lastenverzwaring voor BIG-geregistreerde artsen, zo kan ik deze leden antwoorden, bedraagt circa € 0,6 miljoen (in cijfers van de nulmeting 2007). Hierbij is er rekening mee gehouden dat een klein aantal huisartsen van de kleine ondernemersregeling gebruik zal kunnen maken. Zoals vermeld in het als bijlage 2 bij het onderhavige belastingplan aan uw Kamer toegezonden kabinetsstandpunt wordt de verplichting – bij aanvaarding van het onderhavige voorstel – om in de omzetbelastingadministratie van«gemengde praktijken» de complementaire medische diensten afzonderlijk vast te leggen, uit een oogpunt van administratieve lastendruk aanvaardbaar geacht. Het kabinet wil er in dit verband graag nog op wijzen dat de onderhavige btw-maatregel een structurele opbrengst ten gunste van de rijksbegroting genereert ter grootte van€ 41 miljoen – dit mede in antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de PVV.

De leden van de fracties van het CDA, de VVD en de ChristenUnie verzoeken om aan te geven wat er met de dekking van het amendement Vendrik van vorig jaar gebeurd is. Bij de behandeling van het Belastingplan 2008 heeft uw Kamer door aanvaarding van een amendement van het lid Vendrik de herijking van de medische vrijstelling opgeschort. De budgettaire derving die het niet doorgaan van het btw-voorstel met zich bracht, is toen gedekt door een verhoging van de wijnaccijns. Deze verhoging van de wijnaccijns blijft ongewijzigd, omdat anders alsnog een budgettair gat zou ontstaan in de voorstellen van vorig jaar. De voorstellen van dit jaar vormen een nieuw zelfstandig onderdeel van het Belastingplan 2009.

In antwoord op desbetreffende vragen van de leden van de fracties van de PvdA en GroenLinks kan ik meedelen dat het kabinet de voorgestelde regeling in overeenstemming acht met de Europese regelgeving en jurisprudentie. De regeling voldoet in de zienswijze van het kabinet aan de criteria die het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft geformuleerd in zijn eerder genoemde arrest in de gevoegde zaken Solleveld en Van den Hout-Van Eijnsbergen. Dit arrest staat – voorzover hier van belang – niet alleen een beperking toe van de vrijstelling in Nederland tot beroepsbeoefenaren in de zin van de Wet BIG, maar ook dat die vrijstelling voor deze beroepsgroepen – zoals thans wordt voorgesteld – in Nederland nader wordt beperkt tot aangewezen (para)medische diensten. Verder komt het mij op basis van verkregen inlichtingen van de belastingautoriteiten in het Verenigd Koninkrijk voor dat de regeling inzake de medische vrijstelling in dat land, onder welke regeling individuele «health professionals» alleen worden vrijgesteld van btw indien zij zijn opgenomen in een voor hun beroepsgroep ingesteld «statutory register», eenzelfde uitgangspunt huldigt als het onderhavige Nederlandse btw-voorstel, namelijk dat voor de in Europees verband vereiste kwaliteitstoets in de btw-vrijstellingsregeling rechtstreeks bij de «eigen» nationale wetgeving welke dient ter regulering van (para)medische beroepen wordt aangesloten. Zo’n identiek uitgangspunt staat er niet aan in de weg dat Nederland en het VK op het punt van regulering andere keuzes kunnen maken. Zo is mij bekend dat het VK over «statutory registers» ook voor osteopaten en chiropractoren beschikt. Inschrijving in genoemde registers betekent ingevolge de fiscale wetgeving van het VK dat deze beroepsgroepen voor hun werkzaamheden op het terrein van osteopathie respectievelijk chiropraxie automatisch onder de btw-vrijstelling voor (para)medische diensten vallen.

De redenen waarom het herijkingsvoorstel inzake de btw-vrijstelling voor (para)medische diensten in het Belastingplan 2009 opnieuw is opgenomen – zowel de leden van de fractie van de SP als die van de fractie van de SGP informeren hiernaar – zijn in bijlage 2 bij het onderhavige belastingplan uiteengezet. Zoals daar is vermeld, worden vanuit het beleidsterrein van de minister van VWS geen ontwikkelingen op korte dan wel langere termijn voorzien, met betrekking tot de Wet BIG of anderszins, die aanknopingspunten opleveren voor een oplossing van de problematiek die bij de behandeling in de Tweede Kamer van het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2008 (OFM 2008) aan aanvaarding van het herijkingsvoorstel in de weg stond. In zoverre is dan ook geen sprake van andere omstandigheden dan die waarbinnen het herijkingsvoorstel bij het wetsvoorstel OFM 2008 werd ingediend. Met het opnieuw indienen van dit voorstel bevestigt het kabinet dan ook zijn zienswijze dat dit de enige mogelijkheid is om een duidelijk afgebakende vrijstelling te creëren waarvan het toepassingsgebied niet langer gevoelig is voor verruiming door de rechter op basis van het door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen geformuleerde fiscale neutraliteitsbeginsel bij de toepassing van de btw. In haar commentaar op het belastingplan wijst de redactie van Vakstudie Nieuws erop dat de voorgestelde wetswijziging in elk geval duidelijkheid biedt en voorkomt dat niet daartoe gekwalificeerde rechters wordt gevraagd te oordelen over de kwaliteit van medische behandelingen.

Ik deel het oordeel van deze leden niet dat de bij de behandeling van het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2008 door de Tweede Kamer aanvaarde motie Vendrik door het kabinet niet zou zijn uitgevoerd. Mede aan de leden van de fractie van GroenLinks – ook zij zijn van mening dat geen sprake is van een correcte uitvoering van de motie – wijs ik allereerst op mijn brief, mede namens de minister van VWS, van 2 oktober 2008 aan de voorzitter van de Tweede Kamer.1 Hierin zijn de stappen genoemd die werden ondernomen ter uitvoering van de motie. De motie vraagt enerzijds om informatie, anderzijds om een herzien wetsvoorstel. De bevindingen met betrekking tot de onderwerpen waarover de motie informatie vraagt, te weten de toekomst van de Wet BIG en de relatie van deze wet met de fiscaliteit, hebben hun neerslag gevonden in het eerder genoemde kabinetsstandpunt. Daarnaast bevat de motie, zoals gezegd, een verzoek aan het kabinet om met een herzien wetsvoorstel voor de vrijstelling van btw voor gezondheidskundige verzorging van de mens te komen. Hierboven is toegelicht, onder verwijzing naar het genoemde kabinetsstandpunt, waarom het kabinet aan dat verzoek – helaas – niet kan voldoen.

In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de SP waarom bijvoorbeeld orthopedagogen-generalisten niet onder de btw-vrijstelling voor (para)medische diensten vallen merk ik het volgende op.

Het is mogelijk dat anderen dan BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaren handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg verrichten. Het uitgangspunt van de Wet BIG is immers dat die handelingen (behoudens enkele specifieke) niet voorbehouden zijn aan bepaalde beroepsbeoefenaren. De vrijstelling kan op grond van het communautaire kader echter uitsluitend gelden voor zorgverleners met de vereiste beroepskwalificaties. Lidstaten worden verplicht om slechts die zorgverleners aan te wijzen voor vrijstelling, die voldoen aan een zeker kwaliteitsniveau van de zorgverlening. Alleen ten aanzien van de zorgverleners, waarvan de opleidingeisen en deskundigheidsgebied wettelijk zijn verankerd, is te garanderen dat aan het vereiste kwaliteitsniveau is voldaan. Voor andere beroepen geldt dat niet. De GZ-psycholoog heeft een na een initiële masteropleiding (van vier jaar) tot pyscholoog of pedagoog een post-initiële opleiding gevolgd van 2 jaar, specifiek gericht op de gezondheidszorg. De opleidingseisen en het deskundigheidsterrein van de GZ-psycholoog zijn in de Wet BIG vastgelegd. Alleen op deze manier is de kwaliteit van het opleidingsniveau en de deskundigheid van de GZ-psycholoog geborgd. Deze opleidingsduur verschilt met die van de orthopedagoog; deze kent een vooropleiding pedagogiek (bachelor) van 3 jaar, aangevuld met een éénjarige master.

De leden van de fractie van de SP vragen hoe het kabinet aankijkt tegen «het probleem van de dubbele boekhouding» bij complementair werkende artsen. Het kabinet verwacht niet dat in dit verband van een probleem sprake zal zijn. Zoals ook is aangegeven in het eerder genoemde kabinetsstandpunt, hebben de meeste huisartsen die zich met complementaire zorg bezighouden, sinds begin 2008 al met btw-heffing te maken. Zij kennen in meerderheid dus al de verplichting om in hun boekhouding te onderscheiden tussen met btw belaste en van btw vrijgestelde prestaties. Bovendien geldt voor deze groep artsen dat in voorkomend geval gebruik kan worden gemaakt van de kleine ondernemersregeling, waarbij belastingplichtigen onder voorwaarden van hun administratieve verplichtingen kunnen worden ontheven. In dit verband verwijs ik ook nog naar het antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de PvdA over de toepassing van de kleine ondernemersregeling met betrekking tot huisartsen die complementaire zorg verlenen.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen welk ministerie het voortouw heeft. Het voortouw berust bij de staatssecretaris van Financiën waar het betreft de vormgeving van de medische vrijstelling in de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Het voortouw komt toe aan de minister van VWS – dit mede in antwoord op een vraag van de leden van de fractie van D66 over een conclusie van prof. H. Kogels in het NRC-weblog Geld «Kamer lost schot voor de boeg» van 25 september 2008 – waar het gaat om de bepaling van de kwaliteitsstandaard waaraan bepaalde (para)medische zorg in Nederland moet voldoen. Het verband tussen beider beleidsterreinen in dit verband is dat de invulling van de (para)medische kwaliteitsstandaard een conditio sine qua non is voor het kunnen toepassen van de medische vrijstelling in de Wet OB: zonder een dergelijke kwaliteitsnorm kan door Nederland geen recht worden gedaan aan de strekking die ingevolge de Europese jurisprudentie inherent is aan het aan de nationale vrijstelling ten grondslag liggende artikel 132, eerste lid, onder c, van btw-richtlijn 2006/112/EG. Het komt erop neer dat voorzover in Nederland geen wettelijke (BIG-)erkenning van (para)medische zorg bestaat, deze zorg in de opvatting van het kabinet op grond van de genoemde richtlijn niet van btw behoort te worden vrijgesteld.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen verder of nogmaals kan worden aangegeven hoe breed het overleg met de betreffende sector is geweest. De leden van de fractie van D66 stellen een soortgelijke vraag. Er is gestreefd naar een verkennend overleg van Financiën met brede vertegenwoordigingen van de medische beroepsgroep, dat wil zeggen met koepelorganisaties die zowel de regulier als complementair werkende artsen vertegenwoordigen. Daarom is contact gezocht met de LHV en de KNMG. Daarbij is overigens gebleken dat met de KNMG uiteindelijk niet tot een formeel overleg kon worden gekomen.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het kabinet uitgebreid kan aangeven wat de consequenties voor de kosten van de zorg zijn, het effect op de gemiddelde premie voor aanvullende ziektekosten en op de koopkracht voor zorgbehoevende mensen daarbij inbegrepen.

Als gevolg van de herijking van de medische vrijstelling neemt de indirecte subsidie van de zorg inclusief de genoemde alternatieve geneeskunde vanuit de btw naar verwachting met € 41 miljoen af. Omdat hiermee een meer gelijk speelveld wordt gecreëerd, zal het «nadeel» voor de betreffende behandelaars niet noodzakelijkerwijs leiden tot een stijging van de behandelprijzen. In dat geval nemen de kosten van de zorg niet toe. Mocht het verlies aan btw-vrijstelling voor deze diensten wel leiden tot hogere prijzen, dan zou de inflatie maximaal 0,015% hoger uit kunnen komen. Een hogere inflatie leidt tot een gemiddeld koopkrachtverlies in dezelfde orde (0,015%). Ruim 90% van de verzekerden tegen ziektekosten heeft een vorm van aanvullende ziektekostenverzekering. Personen onder de 18 jaar zijn meeverzekerd met meerderjarige gezinsleden. Hiervan uitgaande zou, indien deze (alternatieve) zorg volledig vanuit de aanvullende verzekeringen zou worden bekostigd, en indien de maatregel volledig zou worden doorberekend in hogere behandelprijzen, de premie voor een aanvullende verzekering met gemiddeld maximaal € 3 à 4 op jaarbasis omhoog kunnen gaan.

De leden van de fracties van GroenLinks en D66 informeren naar de toepassing van de btw in relatie tot complementaire medische diensten in de andere Europese landen. Hierover wordt het volgende opgemerkt. Zoals het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in meergenoemd arrest Solleveld heeft vastgesteld, komt lidstaten ingevolge de btw-richtlijn een beoordelingsvrijheid toe «om met het oog op de in die bepaling voorziene vrijstelling de paramedische beroepen en de gezondheidskundige verzorging van de mens die deel uitmaakt van die beroepen, te omschrijven. In de uitoefening van die beoordelingsvrijheid moeten de lidstaten echter het door die bepaling nagestreefde doel, namelijk te garanderen dat de vrijstelling uitsluitend geldt voor diensten verleend door personen die de vereiste beroepskwalificaties bezitten, alsmede het beginsel van fiscale neutraliteit in acht nemen».1

Navraag bij de administraties van een aantal andere Europese lidstaten bevestigde het bij mij bestaande beeld dat de reikwijdte van de medische vrijstelling in de diverse EU-landen telkens de specifieke situatie en de specifieke medische regelgeving van dat land weerspiegelt. Hoewel de regelingen in de verschillende lidstaten inhoudelijk sterk van elkaar verschillen, is hierover in algemene zin het volgende op te merken. Naar het voorkomt is bij de inkadering van de btw-vrijstelling in de geraadpleegde lidstaten in alle gevallen op enigerlei wijze een koppeling aangebracht met op medische grondslagen gebaseerde wetgeving. Hieronder is een schets opgenomen van de regelingen zoals die in enkele andere lidstaten gelden.

In Frankrijk heeft invulling van de btw-vrijstelling voor medische diensten plaatsgevonden door deze te koppelen aan bepaalde gedefinieerde medische handelingen. Zo zijn de handelingen van gereglementeerde osteopaten, psychologen, psychoanalisten en psychotherapeuten vrijgesteld van omzetbelasting.

Duitsland kent naast een btw-vrijstelling voor diverse medische dienstverrichters een btw-vrijstelling voor «Heilpraktiker». Dit zijn personen die bevoegd zijn om de natuurgeneeskunde en de alternatieve geneeskunde te beoefenen op basis van een wettelijke regeling, het zogenoemde Heilpraktikergesetz.

In Oostenrijk vallen homeopaten en geneeskundigen zonder artsendiploma niet onder de vrijstelling. In tegenstelling tot de situatie in Duitsland is in Oostenrijk de uitoefening van het beroep van «Heilpraktiker» verboden en strafbaar.

Het Zweedse systeem kent overeenkomsten met het in Nederland gehanteerde systeem. Zo zijn alle (para)medische beroepen vrijgesteld van btw die op enigerlei wijze zijn geautoriseerd door het Zweedse Ministerie van Gezondheid en Sociale Zaken. Daarom zijn in Zweden bijvoorbeeld chiropractoren wel, maar osteopaten en homeopaten niet van btw vrijgesteld.

Aan de situatie in het Verenigd Koninkrijk is elders in deze nota reeds aandacht besteed. Hier kan nog worden opgemerkt dat voor bijvoorbeeld acupuncturisten en hypnotherapeuten in het Verenigd Koninkrijk thans geen «statutory registers» bestaan. Deze beroepsgroepen komen daarom op dit moment ook niet voor de, aan inschrijving in zo’n wettelijk register gekoppelde, btw-vrijstelling voor (para)medische diensten in aanmerking.

Is de kabinetsmaatregel niet in strijd met het in acht te nemen beginsel van de fiscale neutraliteit in de Wet OB 1968, zo vragen de leden van de fractie van GroenLinks. Hierboven is in antwoord op vragen van de leden van de fracties van de PvdA en GroenLinks bevestigd dat het kabinet de voorgestelde maatregel in overeenstemming acht met de Europese regelgeving en jurisprudentie. Deze jurisprudentie formuleert ook de eis dat lidstaten bij de vormgeving van hun nationale medische vrijstelling het beginsel van fiscale neutraliteit van de btw-heffing in acht moeten nemen. Aan deze voorwaarde voldoet de voorgestelde maatregel, aangezien zij geen onderscheid maakt tussen artsen en andere zorgverleners die alternatieve behandelmethoden toepassen. Alle vormen van alternatieve of complementaire zorg worden, ongeacht de beroepskwalificaties van de zorgverlener in kwestie, gelijkelijk aan de heffing van btw onderworpen.

De leden van de fractie van GroenLinks wijzen erop dat van veel complementaire behandelingen, zoals acupunctuur en hypnotherapie, de effectiviteit en kostenbesparing bewezen is.

Voor de werkzaamheid en het onderliggende mechanisme van acupunctuur en hypnotherapie ontbreekt deugdelijke bewijsvoering in het licht van regulier wetenschappelijke inzichten en methoden. Over het algemeen is zelfs de kwaliteit in de betere studies middelmatig gebleken en de werkzaamheid van de behandelingen twijfelachtig. Alle studies waarin gesuggereerd wordt dat dergelijke behandelingen wel zouden werken, blijken steeds weer van onvoldoende wetenschappelijke kwaliteit.

Ten aanzien van de verwijzing van de leden van de fractie van GroenLinks naar de uitlating van de KNMG dat er veel reguliere medische handelingen niet bewezen zijn, merk ik op dat – nog daargelaten dat er verschil bestaat tussen werkzaamheid van de behandeling en effectiviteit ervan – de waarde van de wetenschappelijke onderbouwing van reguliere medische handelingen wel degelijk verschilt van de niet-reguliere behandelwijzen. De KNMG hanteert dit uitgangspunt ook bij het onderscheid tussen reguliere en niet-reguliere behandelwijzen, zoals hieronder kort weergegeven.

Waar het bij reguliere behandelwijzen om gaat, is het feit dat de methoden van diagnostiek, preventie en behandeling zijn gebaseerd op de kennis, vaardigheden en ervaring die nodig zijn om de artsentitel te behalen en te behouden, die algemeen door de beroepsgroep worden aanvaard en deel uitmaken van de professionele standaard. Niet-reguliere behandelwijzen zijn methoden van diagnostiek en behandeling die buiten deze omschrijving vallen. Het is inherent aan de ontwikkeling van de medische wetenschap dat experimentele behandelwijzen plaatsvinden waarvan wetenschappelijk onderzocht moet worden of ze resultaat hebben. De KNMG beschouwt dergelijke experimentele behandelwijzen alleen dan als reguliere behandelwijzen als ze gebaseerd zijn op erkende wetenschappelijke paradigma’s en worden toegepast binnen het wettelijk toetsingskader en de normen en uitgangspunten van medisch wetenschappelijk onderzoek.1

De leden van de fractie van GroenLinks vragen in percentages aan te geven in welke sectoren de niet-BIG psychologen werkzaam zijn en welke diensten met de kabinetsmaatregel bijna 20% duurder worden.

Over dit laatste zij opgemerkt dat de btw-vrijstelling voor psychologen ook thans niet meer geldt voor alles wat zij doen. Sedert 1 januari van dit jaar is de vrijstelling ten aanzien van psychologen beperkt tot gezondheidskundige diensten. Het is ons bekend dat de niet BIG-geregistreerde psychologen op verschillende terreinen werkzaam zijn (bijvoorbeeld opvoedkunde, schoolbegeleiding, wetenschappelijk onderzoek bij universiteiten, adviseurs bij personeelsbeleid). Over hoeveel psychologen het hier gaat en op welke terreinen zij precies werkzaam zijn, ontbreken de cijfers.

Begrijp ik de leden van de fractie van de ChristenUnie goed, dan hebben zij wat de complementaire gezondheidszorg betreft de indruk dat het kabinet weliswaar niet van zins is het BIG-register nu reeds te herzien maar op termijn mogelijk wel. Het kabinet, zo kan ik deze leden antwoorden, ziet geen ruimte om het BIG-register open te stellen voor andere beroepen en behandelmethoden in de individuele gezondheidszorg dan die welke gefundeerd zijn op regulier wetenschappelijke inzichten en methoden. Zoals in antwoord op een vraag van de leden van de fractie van het CDA reeds is aangegeven, kan de beleidsverantwoordelijke minister van VWS voor zorg die niet hierop is gefundeerd niet instaan. In de tijd gezien kan de consensusvorming over wat regulier wetenschappelijke inzichten en methoden zijn in Nederland uiteraard wel wijzigen.

Gevraagd naar de verhouding tussen de btw-vrijstelling en de bepaling in de Zorgverzekeringswet, dat ieder mens recht heeft op medische dienstverlening, merkt het kabinet op dat de aanspraak die men ingevolge de Zorgverzekeringswet heeft op zorgverlening door btw-vrijstelling niet beperkt wordt. De Zorgverzekeringswet bepaalt niet welke zorgverleners de verzekerde zorg moeten leveren. De Wet BIG voorziet in een kwaliteitskader voor de beoefenaren van de bij of krachtens die wet geregelde beroepen. Zoals hiervoor al eerder aangehaald, zijn de lidstaten verplicht te garanderen dat de btw-vrijstelling uitsluitend geldt voor diensten verleend door personen die de vereiste beroepskwalificaties bezitten.

De leden van de fractie van D66 vragen, of de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Nederland de mogelijkheid zou bieden om op een ruimere manier dan het kabinet nu voorstelt, diensten te rangschikken onder de gezondheidskundige verzorging van de mens in het kader van de uitoefening van (para)medische beroepen binnen de omschrijving van de Nederlandse wetgeving. De bedoelde rechtspraak biedt de ruimte om (para)medische beroepsbeoefenaren aan te wijzen die beschikken over de vereiste beroepskwalificaties. Binnen de Nederlandse context is de Wet BIG daarvoor het geëigende aanwijzingsmechanisme.

De leden van de fractie van de SGP hebben vragen gesteld over interpretatieproblemen om te bepalen of medische zorg noodzakelijk is of niet (plastische chirurgie), dit met het oog op het al dan niet van toepassing zijn van de medische vrijstelling. In antwoord op deze vragen wil ik erop wijzen dat beleidsregels zijn vastgesteld over de toepassing van de huidige btw-vrijstelling voor medische diensten.1 In dit beleidsbesluit is aangegeven dat verleende zorg belast is met btw ingeval de arts de aanwezigheid van een therapeutisch doel naar het oordeel van de inspecteur in redelijkheid niet aannemelijk maakt. De wijze waarop de desbetreffende medische beroepsbeoefenaar aannemelijk maakt dat een handeling een gezondheidskundig doel heeft, is vormvrij. In het beleidsbesluit is ook aangegeven dat de inspecteur de door de medische beroepsbeoefenaar gemaakte beoordeling en daarover in de administratie vastgelegde gegevens, alleen marginaal kan toetsen. De reden hiervoor is dat de inspecteur geen enkel inhoudelijk oordeel op het medisch vlak toekomt. Dit oordeel komt toe aan de medische beroepsbeoefenaar die als enige kan oordelen of sprake is van een gezondheidskundige dienst. Dit betekent dat de vastlegging van deze beoordeling door deze beroepsbeoefenaar heel eenvoudig, bijvoorbeeld door vermelding op de uitgereikte factuur kan plaatsvinden. De Belastingdienst vraagt geen inzage in het patiëntendossier. Op deze wijze is het voor de desbetreffende beroepsbeoefenaren dus goed mogelijk de wettelijke regels uit te voeren.

Vliegbelasting

De leden van de fractie van de PvdA vragen naar de resultaten van het onderzoek naar de mogelijkheden van een differentiatie van de vliegbelasting naar afstand en vliegtuigtype. De resultaten worden eind deze maand van het onderzoeksbureau verwacht.

Naar aanleiding van de vraag van deze leden hoe het staat met de voorbereiding voor het invoeren van een emissiehandelsysteem voor de luchtvaartsector in 2012, kan ik het volgende meedelen. In juni 2008 hebben de Raad van Ministers van de EU en het Europees Parlement overeenkomst bereikt ten aanzien van het voorstel van de Europese Commissie om luchtvaart onder het emissiehandelsysteem te brengen. Deze houdt in dat de emissies op vluchten van, naar en binnen de EU vanaf 2012 onder het handelssysteem zullen vallen. De totale toedeling van rechten aan de luchtvaartmaatschappijen is voor 2012 op 97% van de gemiddelde emissies voor de jaren 2004 – 2006 gesteld. In 2012 zullen maatschappijen 82% van deze rechten gratis krijgen, 15% wordt geveild en 3% wordt gereserveerd voor nieuwkomers in de sector. De Commissie organiseert momenteel bijeenkomsten met stakeholders over de richtlijnen voor het monitoren, de rapportage en verificatie van emissies.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of de daling in het aantal passagiers van 230 000 personen van de KLM in juli en augustus het directe gevolg is van de invoering van de vliegbelasting. Ook de leden van de fractie van de VVD vragen een reactie op de mededelingen van de KLM over de teruglopende passagiersaantallen.

Op veel luchthavens is sprake van een stagnatie of een terugloop in de groei van het luchtvervoer. Uit de luchthavenstatistieken komt het volgende beeld voor enkele belangrijke luchthavens op:

 Vliegtuigbewegingen juli 2008 t.o.v. 2007 Passagiers totaal juli 2008 t.o.v. 2007
Schiphol – 1,7% – 3,1%
Londen HR + 1,1%0%
Frankfurt – 2,2% – 2,4%
Parijs CDG + 2,3% + 0,8%
 Vliegtuigbewegingen augustus 2008 t.o.v. 2007 Passagiers totaal augustus 2008 t.o.v. 2007
Schiphol – 2,5% – 2,0%
Londen HR – 1,6%– 0,2%
Frankfurt – 3,1% – 3,9%
Parijs CDG+ 0,8% + 1,9%

De teruglopende economie en de sterk gestegen brandstofprijzen spelen hierbij ongetwijfeld een rol. In hoeverre de invoering van de vliegbelasting voor Schiphol ook aan de teruglopende cijfers heeft bijgedragen, is moeilijk vast te stellen. Het is voor het kabinet in ieder geval geen reden om de vliegbelasting in te trekken, zoals de leden van de fractie van de VVD suggereren. In dit verband merk ik op dat bij de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2008 de te verwachten effecten van de vliegbelasting uitgebreid aan de orde zijn geweest. In dat kader heb ik met uw Kamer gedeeld dat volgens modelberekeningen bij invoering van de vliegbelasting de passagiersaantallen voor Schiphol in 2011 zo’n 8–10% lager zullen uitvallen dan in een situatie zonder vliegbelasting. Door de verwachte groei van de luchtvaart komt dit neer op een matiging van de groei met enkele jaren. De modelberekeningen laten in het midden in welke mate deze ontwikkeling zich zal voordoen in de verschillende jaren in de periode 2008–2011. Op zichzelf ligt echter in de rede, dat zich direct na invoering een relatief sterk effect zal voordoen. Voor zover de invoering van de vliegbelasting heeft bijgedragen aan de geschetste daling van de passagiersaantallen past dit dus in het verwachte beeld.

Op de vraag van de leden van de fractie van de PvdA of bekend is hoeveel extra passagiers er van de luchthavens net over de Nederlandse grens in juli en augustus zijn vertrokken, moet ik helaas het antwoord schuldig blijven omdat ik niet over die cijfers beschik. Overigens betreft het hier een tendens die al in de jaren voor invoering van de vliegbelasting is ingezet.

Over de milieueffecten van de vliegbelasting tot nu toe kan ik alleen in algemene zin de verwachting uitspreken dat indien een daling van de passagiersaantallen veroorzaakt zou zijn door de vliegbelasting en die daling zou hebben geleid tot een lager aantal vluchten op Schiphol, dit gepaard moet zijn gegaan met minder geluidsoverlast en met minder NOx-uitstoot, zoals deze leden vragenderwijs veronderstellen.

De leden van de fractie van de SP vragen waarom er nu is gekozen voor toepassing van het lage tarief voor meerdere bestemmingen. Zoals in de memorie van toelichting uiteen is gezet, heeft de reis- en luchtvaartsector aangevoerd dat de internationale boekingssystemen niet zonder ingrijpende aanpassing uit de voeten kunnen met situaties waarin verschillende tarieven gelden voor verschillende bestemmingen in hetzelfde land. Om een dergelijke administratieve lastenverzwarende aanpassing te voorkomen is het tariefartikel van de vliegbelasting aangepast. De vraag van deze leden waarom niet een vliegbelasting voor transferpassagiers wordt overwogen, is bij de totstandkoming van de vliegbelasting uitgebreid aan de orde geweest. In de brief bij de aanbieding van de onderzoeksresultaten van verschillende varianten van een vliegbelasting is uiteengezet dat het betrekken van de transferpassagiers in een heffing zou leiden tot een onevenredig sterke afname van het aantal transferpassagiers.1 Bovendien wordt met de bestaande opzet voorkomen dat transferpassagiers worden geconfronteerd met mogelijke dubbele belasting in het geval op de luchthaven van vertrek een belasting wordt geheven en Nederland vervolgens bij overstappen op een Nederlandse luchthaven opnieuw vliegbelasting zou heffen. In dit verband wijs ik er op dat transferpassagiers eveneens buiten de heffing blijven in vergelijkbare belastingen in andere EU-lidstaten. Dit geldt zowel voor de huidige passagiersbelastingen in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk als – voor zover nu bekend – voor de recent aangekondigde vliegbelastingen in Ierland en België. Verder kan nog worden opgemerkt dat transfers binnen de diverse vliegbelastingen ook buiten beschouwing blijven bij de toepassing van het tarief: de eindbestemming bepaalt het tarief, ongeacht de vraag of sprake is van een rechtstreekse vlucht of van een of meer transfers op tussengelegen luchthavens.

De leden van de fractie van de VVD vragen zich af hoe de aanpassing van het tariefartikel zich verhoudt tot het door het kabinet ontraden amendement om in ieder geval een deel van het nu gesignaleerde probleem te voorkomen. Deze leden doelen op het amendement Remkes1 waarin werd voorgesteld om alle bestemmingen in de zogenoemde ultraperifere gebieden van de EU (waaronder de Canarische eilanden en de Azoren, maar ook Guadeloupe, dat op een afstand van 7000 kilometer ligt) onder het lage tarief te brengen. Het nu voorliggende voorstel heeft, zoals ook al aangegeven in antwoord op een vraag van de leden van de fractie van de SP, een andere strekking. Het voorstel beoogt het voorkomen van problemen met betrekking tot de internationale boekingssystemen in gevallen waarin luchthavens in een zelfde land voor de vliegbelasting soms onder het lage en soms onder het hoge tarief zouden vallen. Deze problematiek was voor de totstandkoming van de wet niet bekend, maar is pas nadien door de reis- en luchtvaartsector naar voren gebracht. Het toenmalige amendement zou deze problematiek overigens in het geheel niet hebben opgelost.

In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van GroenLinks waarom het kabinet er niet voor heeft gekozen om de aanpassing van de vliegbelasting budgettair neutraal te laten verlopen, merk ik op dat ik zulks niet opportuun acht, gelet ook op het totaal van de budgettaire effecten van het Belastingplan 2009. Om de aanpassingen te kunnen bekostigen zou, dit in antwoord op een vraag van deze leden, het lage tarief van € 11,25 met € 3,45 naar € 14,70 moeten worden verhoogd.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het kabinet ook actief gaat pleiten in Europa voor afspraken over concurrentie-effecten op dit terrein, bijvoorbeeld door het invoeren van een kerosineaccijns. Nederland heeft de afgelopen jaren bij diverse internationale gelegenheden aangegeven voorstander te zijn van afspraken op het terrein van bijvoorbeeld een vliegbelasting of een kerosineaccijns. Op deze wijze kunnen nadelige concurrentie-effecten worden voorkomen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gewezen op de Ecofin Raad van april 2005, waar de toenmalige minister van Financiën heeft aangegeven dat een kerosinebelasting wenselijk is om de bestaande verstoringen tussen de verschillende vormen van transport te verhelpen. Tevens kan worden gewezen op de Ecofin Raad van november 2007 waarbij ik een uiteenzetting over de introductie van de Nederlandse vliegbelasting heb gehouden. Bij de verschillende discussies is echter gebleken dat zowel een mondiale als een Europese kerosinebelasting op dit moment geen haalbare kaart is. Dit laat onverlet dat Nederland in de toekomst uit blijft dragen voorstander te zijn van afspraken op dit terrein. Zoals hiervoor al aangestipt hebben de regeringen van België en Ierland zeer recentelijk aangekondigd een vliegbelasting te gaan invoeren.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kan voorkomen dat een vliegtuig dat van Groningen vertrekt een ander tarief heeft dan een vliegtuig dat van Eindhoven vertrekt, wanneer ze beide op dezelfde luchthaven aankomen. Die situatie kan, voor zover ik kan beoordelen, zich in de praktijk niet voordoen. Een fictiebepaling is derhalve ook niet nodig.

De leden van de fractie van het CDA stellen nog twee aanvullende vragen over de vliegbelasting. In de eerste plaats vragen zij of een passagier recht op teruggave van de belasting heeft wanneer hij onverhoopt geen gebruik maakt van zijn ticket en hoe hij dan gemakkelijk zijn al betaalde vliegbelasting kan terugkrijgen. Hierbij is van belang dat in een dergelijke situatie voor deze passagier geen vliegbelasting is verschuldigd (door de luchthaven). Wanneer door de luchtvaartmaatschappij of het reisbureau op voorhand toch vliegbelasting is doorberekend, dan moet de passagier de luchtvaartmaatschappij dan wel het reisbureau benaderen. Afhankelijk van de afgesloten vervoerovereenkomst zal hij dan de kosten van het ticket, inclusief de daarin opgenomen vliegbelasting, geheel of gedeeltelijk terug kunnen krijgen.

In de tweede plaats vragen deze leden welk tarief is verschuldigd indien een vliegtuig vanwege extreme weersomstandigheden of om andere redenen niet landt op het geplande vliegveld, maar op een ander vliegveld, dat onder het andere tarief valt. Uitgangspunt voor de heffing is het vertrek naar een bestemming volgens de vervoerovereenkomst. Een niet geplande landing (gevolgd door een later vertrek naar de beoogde bestemming) brengt daar geen verandering in.

Verpakkingenbelasting

De leden van de fractie van het CDA vinden het positief dat de staatssecretaris een klankbordgroep heeft opgericht. Zij vragen naar de inhoud van dit overleg. Reeds in 2007 heeft de Belastingdienst het initiatief genomen een klankbordgroep op te richten met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven: de Klankbordgroep Aangifte Verpakkingenbelasting (KAV). Van die groep maken onder andere brancheorganisaties deel uit. In deze groep wordt periodiek (tweemaandelijks) over de uitvoering van de verpakkingenbelasting gesproken. VNO-NCW, MKB-Nederland en Nedvang hebben als intermediair gefungeerd om de vertegenwoordigers van het bedrijfsleven in de KAV bijeen te brengen. In de KAV bespreekt de Belastingdienst met het bedrijfsleven op welke wijze de verpakkingenbelasting het beste kan worden uitgevoerd. Doel van de bijeenkomsten is te komen tot een praktische wijze van uitvoering van de verpakkingenbelasting, waarbij afspraken worden gemaakt over uitvoeringsvraagstukken. Het bedrijfsleven levert in de bijeenkomsten inbreng aan de Belastingdienst maar ook andersom. Bij het bespreken van oplossingen staat de fiscaaltechnische interpretatie centraal alsmede de eisen die aan de administratie gesteld worden. Het gaat om invulling binnen de ruimte die de wet biedt. De onderwerpen die de afgelopen maanden zoal op de agenda hebben gestaan zijn: de «handreiking administratie», als ook enige complexe onderwerpen, zoals bijvoorbeeld de begrippen producent, importeur en terbeschikkingstelling. In de KAV zijn ook knelpunten gesignaleerd waarvoor in voorliggend wetsvoorstel een oplossing wordt geboden: een regeling voor de indirecte export, de aanpassing van het begrip importeur, de aanpassing van de concerndefinitie en een lager tarief voor biokunststof. Het gedeelte over de verpakkingenbelasting in het wetsvoorstel Belastingplan 2009 is overigens in conceptvorm aan de KAV gepresenteerd. De vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven die deelnemen aan de KAV hebben ten slotte ook via VNO-NCW hun input gegeven aan de vormgeving van de vrijstelling voor logistieke hulpmiddelen en exoten.

De leden van de fractie van het CDA hebben voorts een aantal vragen over de vrijgestelde logistieke hulpmiddelen en exoten. Voordat ik in ga op de specifieke vragen van de leden van de fractie van het CDA wil ik er graag aan herinneren dat de uitsluiting van de categorie logistieke hulpmiddelen is ingegeven door de (administratieve) problemen in de uitvoering met betrekking tot pallets. Samen met het bedrijfsleven is bekeken of er andere vergelijkbare logistieke hulpmiddelen zijn, waarbij hetzelfde probleem zich voordoet. Kenmerkend voor logistieke hulpmiddelen is dat ze een hulpmiddel zijn in het logistieke proces dat het transport van goederen eenvoudiger maakt; het beheersingsproces van goederenbewegingen moet er door worden bevorderd. Daarbij moet worden bedacht dat elke verpakking wel iets van een logistiek hulpmiddel in zich heeft. Het is dus lastig een duidelijke grens te trekken. Het wetsvoorstel bevat een afbakening van logistieke hulpmiddelen die verder zal worden geconcretiseerd via het aanwijzen van specifieke verpakkingen als logistieke hulpmiddelen bij ministeriële regeling. In de memorie van toelichting is aangeven hoe die concretisering eruit zal moeten zien. Daarbij is gewerkt met duidelijke grenzen naar grootte om daarmee duidelijkheid te geven aan de praktijk en discussies te voorkomen. Uiteraard is niet te voorkomen dat het vaststellen van duidelijke grenzen altijd een zeker arbitrair karakter heeft. Ik ben echter van mening dat de gekozen grenzen goed zijn uit te leggen. Karakteriserend voor de logistieke hulpmiddelen die op grond van dit wetsvoorstel niet langer als een verpakking zullen worden aangemerkt, is dat ze een grote fysieke omvang hebben, de transportfunctie duidelijk op de voorgrond staat, ze in het spraakgebruik vaak als een zelfstandig product worden aangemerkt en ze vaak meermalig te gebruiken zijn. Na overleg met het bedrijfsleven is– deze karakteristieken in aanmerking nemend – een ondergrens bepaald per subcategorie logistieke hulpmiddelen. Dit is ook gebeurd met de ondergrens voor kernen en dergelijke. Een en ander is juist bedoeld om er voor te zorgen dat verpakkingen als de binnenste rol van wc-rollen, keukenrollen, naaigaren etcetera wel onder de belasting blijven vallen. Uiteraard geldt voor deze producten ook dat de binnenste rol een transportfunctie heeft, maar deze functie staat toch minder op de voorgrond dan de transportfunctie van een (brede) rol voor vloerbedekking of papier te gebruiken door drukkers of een haspel voor kabels. Bij dergelijke producten staat de transportfunctie voorop en zijn de uitvoeringsproblemen te vergelijken met die voor een pallet. De producent van wc- en keukenrollen zal via de inkoop van karton voor de rol heel goed weten hoeveel verpakkingsmateriaal hiermee is gemoeid.

De vraag van de leden van de fractie van het CDA of de binnenste rol van een rol wc-papier een wezenlijk onderdeel uitmaakt van het product wc-papier, beantwoord ik ontkennend. Op grond van artikel 80 van de Wet belastingen op milieugrondslag, waarin de definitie van «verpakkingen» is opgenomen, vallen niet onder het begrip verpakkingen: producten die integraal deel uitmaken van een ander product en waarbij het nodig is om dat product tijdens zijn levensduur te bevatten, te ondersteunen of te bewaren en alle elementen bedoeld zijn om samen gebruikt, verbruikt of verwijderd te worden. Een voorbeeld hiervan is een theezakje met thee erin. Een rol wc-papier is in die zin niet vergelijkbaar met een theezakje, omdat in geval van een rol wc-papier niet alle elementen bedoeld zijn om samen te worden gebruikt. Bovendien is het ook mogelijk wc-papier zonder rol aan te bieden via losse papiertjes (vergelijkbaar met losse papieren handdoekjes). Ik kan dan ook geen voorbeelden geven van kernen die op grond van het voorgaande niet als een verpakking gelden.

In reactie op de vraag van de leden van de fractie van het CDA kan ik bevestigen dat voor dozen een inhoud vanaf 1m3 als ondergrens is gekozen om ze logistiek hulpmiddel te laten kwalificeren en dat voor kratten een ondergrens van 8 liter geldt (zie ook de artikelsgewijze toelichting op artikel IX, onderdeel C). Uit de toelichting blijkt dat onder kratten verstaan worden: verpakkingen die aan een of meer kanten open zijn. Dozen daarentegen zijn helemaal gesloten. Aan de materiaalsoort waaruit een krat dient te bestaan worden geen beperkingen gesteld. Er bestaan dus ook kartonnen kratten. Daarnaast zijn kratten en dozen twee verschillende producten, met elk hun eigen functie. Een doos heeft met name een verzamelfunctie, waar een krat door de open kant(en) tevens een presentatiefunctie heeft. Verder is van belang dat kratten over het algemeen meermalig worden gebruikt en dozen niet, waardoor de administratieve problemen (zeker bij grensoverschrijdend gebruik) van een andere orde zijn. Voor beide producten kan dan ook een andere grens gelden. Uit de hiervoor aangegeven karakteristieken van een logistiek hulpmiddel zijn de bewuste ondergrenzen per product voortgevloeid. Bij dozen van 1m3 gaat het om grote, op transport gerichte dozen. Het betreft hier juist met name de zogenaamde omdozen (doos om andere dozen heen). Wordt de grens lager vastgesteld dan zullen al snel dozen die direct om het te verkopen product zitten als logistiek hulpmiddel kwalificeren, bijvoorbeeld een televisie of een meubelstuk. Naar mijn mening ten onrechte omdat dergelijke dozen veel meer een beschermingsfunctie hebben. Bij kratten is rekening gehouden met de functie die deze producten hebben op onder andere de veiling. De aldaar gebruikte kratten voldoen in grote mate aan de hiervoor reeds aangehaalde karakteristieken van een logistiek hulpmiddel (transportfunctie voorop, meermalig gebruik, zelfstandig product).

Een volgende vraag die de leden van de fractie van het CDA in dit verband stellen, is of gasflessen aan te merken zijn als een logistiek hulpmiddel. Het antwoord daarop is ontkennend. Gasflessen zijn overigens in het algemeen meermalige verpakkingen, zodat alleen bij de eerste terbeschikkingstelling met gas belasting verschuldigd is.

Voorts vragen diezelfde leden wat de regeling zal zijn voor fusten, vaten en dergelijke. In de toelichting op artikel IX, onderdeel C van het Belastingplan 2009 is uiteengezet dat «vaten, drums, containers en fusten met een inhoud vanaf 20 liter» zullen worden aangemerkt als een logistiek hulpmiddel. Hierbij kan niet worden aangesloten bij het dragen van een UN-kenmerk, aangezien dit kenmerk op zich geen onderscheidend criterium is. Het UN-kenmerk is een merkteken, dat wordt uitgegeven door een bevoegde autoriteit en kan worden aangebracht op een verpakking bestemd voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het UN-kenmerk is geen keurmerk. Voor alle duidelijkheid merk ik op dat indien een vat met een UN-kenmerk een inhoud heeft vanaf 20 liter, dat vat als een logistiek hulpmiddel wordt aangemerkt.

In de artikelsgewijze toelichting op artikel IX, onderdeel C heb ik al aangegeven dat er continu zal worden gemonitord of er producten zijn die niet op de lijst staan, maar toch als logistiek hulpmiddel zijn te karakteriseren. De KAV is een van de kanalen waarin een overleg hierover kan plaatsvinden. Ik wil er overigens op wijzen dat bij de totstandkoming van de huidige voorgenomen lijst van logistieke hulpmiddelen er uitvoerig overleg heeft plaatsgevonden met VNO-NCW en dat de leden van de KAV hun input aan VNO-NCW hebben kunnen verstrekken. Naar de huidige stand van zaken zal de in de toelichting genoemde lijst volledig zijn.

De leden van de fractie van het CDA vragen zich ook af hoe het is geregeld met exoten. Het gaat bij exoten om producten die wel voldoen aan de definitie van verpakking, maar die naar hun aard hoofdzakelijk een andere functie dan een verpakkingsfunctie hebben en mitsdien niet als verpakking worden beschouwd. In de artikelsgewijze toelichting op artikel IX, onderdeel C zijn enkele voorbeelden opgenomen. Een infuuszak valt hier niet onder. Immers, een infuuszak heeft toch met name een verpakkingsfunctie. Uiteraard zijn de bij een infuuszak behorende slangetjes, infuusnaalden en dergelijke geen verpakking. Wat betreft enveloppen is uitvoerig overleg gevoerd in de KAV. Daarbij is de insteek gekozen dat enveloppen die gebruikt worden voor het verzenden van producten, als een verpakking gelden en onder de verpakkingenbelasting vallen. Hierbij moet gedacht worden aan enveloppen die gebruikt worden voor het verzenden van bijvoorbeeld tijdschriften, diskettes, folders en brochures. Dit is in tegenstelling tot enveloppen die bijvoorbeeld gebruikt worden om een brief te versturen.

Ook de positie van de koekjestrommels is een aandachtspunt van de leden van de fractie van het CDA. Het moge duidelijk zijn dat de «losse» verkoop van een koekjestrommel niet belast is. Immers, de koper koopt dan het product koekjestrommel. Indien de koekjestrommel tevens koekjes bevat, heeft de trommel op dat moment een verpakkingsfunctie, ook al kan de trommel door de koper daarna gebruikt worden voor het bewaren van andere koekjes. Deze situatie kan vergeleken worden met die van het mosterdglas, dat na gebruik van de mosterd als drinkglas kan worden gebruikt. De verpakkingenbelasting is een objectieve belasting. Het al dan niet belast zijn van een verpakking kan niet afhankelijk worden gemaakt door de subjectieve bedoelingen van de koper.

De leden van de fractie van het CDA zijn verheugd met de verkiezing van de website van de Belastingdienst tot beste website binnen de sector overheid, non-profit en onderwijs. Zij vragen of dit ook geldt voor het gedeelte over de verpakkingenbelasting. De uitverkiezing van de website van de Belastingdienst tot beste website heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een beoordeling van de site in zijn algemeenheid. De site, waar het gedeelte over de verpakkingenbelasting onderdeel van uitmaakt, is in zijn algemeenheid als informatief bevonden. De leden van de fractie vragen ook of alle belastingplichtigen voldoende duidelijkheid hebben over hun belastingplicht. De Belastingdienst heeft er alles aan gedaan en doet er alles aan om de belastingplichtigen voor de verpakkingenbelasting de gewenste duidelijkheid te bieden. Zo is de vernieuwde handreiking recent op de verpakkingensite geplaatst. Zoals in het voorgaande aangegeven, is deze handreiking in nauw overleg met het bedrijfsleven tot stand gekomen. Daarnaast kunnen belastingplichtigen ook met vragen terecht bij de Helpdesk verpakkingenbelasting en zijn er directe contacten tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst mogelijk. Van dat laatste wordt regelmatig gebruik gemaakt.

Een ander punt dat de leden van de fractie van het CDA aan de orde stellen is de vraag wanneer de verpakkingenbelasting zal worden geëvalueerd. De leden van de fractie van de SP vragen juist of met het indienen van dit wetsvoorstel de verpakkingenbelasting is geëvalueerd. Tijdens de behandeling van het Belastingplan 2008 heb ik toegezegd de (milieu)effecten van de verpakkingenbelasting te evalueren in 2009. Immers, de verpakkingenbelasting is pas 1 januari dit jaar in werking getreden en het eerste tijdvak waarover de verpakkingenbelasting moet worden betaald (2008) is nog niet eens verstreken. Deze evaluatie moet dus nog plaatsvinden. Daarbij zal ook de ontwikkeling van de opbrengst over 2008 in kaart worden gebracht. Bij de behandeling van het Belastingplan 2008 heb ik ook aangegeven dat, gezien het feit dat de verpakkingenbelasting een nieuwe belasting is, al vanaf het moment van invoering met het bedrijfsleven nader overleg zou plaatsvinden om de eerste indrukken te bespreken en eventuele knelpunten te signaleren. Dit overleg heeft plaatsgevonden in diverse gremia. Zo is er de klankbordgroep opgericht, zoals hiervoor uiteen is gezet. Zoals u weet, heb ik ook intensief overlegd met VNO-NCW om de gerezen knelpunten te bespreken en zo mogelijk tot verdere vereenvoudigingen te komen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen wat er na één jaar verpakkingenbelasting te zeggen is over de milieueffecten die deze belasting sorteert. Op dit moment is hierover nog niets te melden. De verpakkingenbelasting is pas 1 januari dit jaar in werking getreden en het eerste tijdvak waarover de verpakkingenbelasting moet worden betaald (2008) is nog niet verstreken. De eerste echte aangifte vindt pas plaats uiterlijk 31 maart 2009. Zoals hiervoor aangegeven zal in 2009 een evaluatie van de milieueffecten van de verpakkingenbelasting plaatsvinden. In dat verband wil ik er wel op wijzen dat onderzoeksbureau CE Delft eerder heeft aangegeven dat het wel even kan duren voordat eventuele milieueffecten merkbaar zijn. Het kost namelijk tijd voordat bedrijven de samenstelling van hun verpakkingen kunnen wijzigen. Daarnaast bestaat er geen duidelijke nulmeting en zal derhalve een duidelijk kader voor het in kaart kunnen brengen van de milieueffecten moeten worden opgesteld. Het milieueffect van het afschaffen van het onderscheid tussen primaire verpakkingen enerzijds en secundaire/tertiaire verpakkingen anderzijds waar de leden van de fractie van de PvdA naar vragen, is geen onderwerp van onderzoek geweest. Indien een dergelijk onderzoek zou plaatsvinden, dan zou dat alleen kunnen worden afgezet tegen het jaar 2008. Zoals hiervoor is aangegeven bestaat er geen duidelijke nulmeting (in elk geval niet voor het onderscheid tussen primaire en secundaire/tertiaire verpakkingen) en de situatie verandert al in 2009. Dit betekent dat een kwantitatief effect niet goed kan worden vastgesteld. Kwalitatief kan worden gesteld dat afschaffing van het onderscheid leidt tot een lagere belastingdruk op primaire verpakkingen en een hogere belastingdruk op secundaire/tertiaire verpakkingen. De prijsprikkel om de samenstelling van primaire verpakkingen aan te passen zal daardoor dalen en de prijsprikkel om de samenstelling van secundaire/tertiaire verpakkingen aan te passen zal stijgen.

Voorts kan op de vraag van de leden van de fractie van de PvdA worden geantwoord, dat de gewijzigde behandeling van verkooppuntverpakkingen geen wijziging van het belastingobject betekent: winkeltasjes van elke materiaalsoort zijn ook onder de huidige regeling belast. In de nieuwe regeling vindt echter belastingheffing op een ander niveau in de keten plaats: niet meer bij de producent van verkooppuntverpakkingen, maar bij degene die het tasje met het product aan de klant ter beschikking stelt. De leden van de fractie van de PvdA vragen in dat verband om welk bedrag aan belasting het gaat voor een standaardformaat plastic supermarkttas. 1 000 stuks bedrukte supermarkttassen wegen 23 kg. Het tarief voor plastic (kunststof) bedraagt in 2009 € 0,4339 per kg. Dit betekent dat de belasting voor 1 000 tasjes ongeveer € 10 bedraagt. De belasting per plastic tasje bedraagt dan € 0,01.

De leden van de fractie van de PvdA vragen hoeveel procent van alle verpakkingen na de inwerkingtreding van de bij dit belastingplan voorgestelde wijzigingen binnen de verpakkingenbelasting vallen. Voor de totale hoeveelheid verpakkingen is vorig jaar uitgegaan van cijfers zoals die in het jaarverslag van de «Commissie verpakkingen» zijn opgenomen. Voorzichtigheidshalve is in overleg met de sector 95% van deze grondslag gebruikt. De totale grondslag bedroeg destijds aldus 3 180 kiloton. De laatste aanpassingen van de verpakkingenbelasting, met name de correctie voor logistieke hulpmiddelen, hebben deze grondslag gereduceerd tot een geschatte hoeveelheid van 2 318 kiloton. Dit is 73% van de oorspronkelijke grondslag (3 180 kiloton). Hierbij moet in ogenschouw worden genomen dat een groot deel van de verpakkingen die straks als gevolg van de vrijstelling voor logistieke hulpmiddelen buiten de grondslag vallen gemaakt zijn van de materiaalsoort hout. Deze materiaalsoort is ten opzichte van de andere in de wet genoemde materiaalsoorten minder milieubelastend.

De leden van de fractie van de PvdA vragen voorts hoeveel procent van alle ondernemers belastingplichtig is voor de verpakkingenbelasting. De totale doelgroep wordt geschat op circa 400 000 bedrijven. Aangifteplichtig zijn circa 8 000 ondernemers, dit is 2% van de totale doelgroep. Op dit moment beschik ik nog niet over voldoende gegevens over de definitieve populatie van belastingplichtigen om een uitsplitsing te geven naar kleine, middelgrote en grote ondernemingen. Na de eerste aangifte in 2009 zal duidelijk worden hoe de populatie van belastingplichtigen eruit ziet. Naar schatting zullen circa 2 000 ondernemingen die geen belasting verschuldigd zijn door toepassing van de 15 000 kg – drempel (de belastingvermindering), wel een administratie moeten bijhouden omdat ze dicht tegen die drempel aan zitten. Ik wijs hierbij op de mogelijkheid voor die ondernemingen om jaarlijks het hulpmiddel verpakkingenbelasting toe te passen dat de Belastingdienst op zijn site www.belastingdienst.nl/zakelijk/verpakkingenbelasting faciliteert. Met dit hulpmiddel kan een onderneming snel zien of zij onder de drempel blijft.

Ten slotte vragen de leden van de fractie van de PvdA tot hoeveel minder milieueffect de voorgestelde vereenvoudigingen leiden en of de uitruil tussen regeldruk en uitvoering enerzijds en milieueffect anderzijds te kwantificeren is. Het antwoord hierop is dat een en ander niet te kwantificeren is. Wel kan over logistieke hulpmiddelen kwalitatief worden opgemerkt dat de ruimte tot aanpassingen van de samenstelling van logistieke hulpmiddelen kleiner zal zijn doordat er vaak sprake is van internationale standaardisatie. Tevens worden veel logistieke hulpmiddelen meermalig gebruikt waardoor de milieudruk lager is. Het vrijstellen van logistieke hulpmiddelen heeft daarom naar verwachting een beperkte invloed op het milieueffect van de verpakkingenbelasting. De positieve effecten op de administratieve lastendruk en complexiteit van de verpakkingenbelasting als gevolg van het vrijstellen van de logistieke hulpmiddelen zijn naar mijn mening doorslaggevend.

De leden van de fractie van de SP vragen, wiens belangen met het negen-punten-plan het meest zijn gediend. Via het negen-punten-plan worden knelpunten weggewerkt waar zowel het bedrijfsleven als de Belastingdienst tegenaan gelopen zijn. Door de vereenvoudigingen in de verpakkingenbelasting zullen de administratieve lasten voor het bedrijfsleven worden geminimaliseerd en zal de wet minder complex worden. Dit leidt ook tot lagere uitvoeringskosten voor de Belastingdienst. Bedacht moet worden dat het bedrijfsleven geen homogene groep is. Een vereenvoudiging of een oplossing van een knelpunt kan voor het ene bedrijf een winstpunt zijn, terwijl dit voor een ander bedrijf niet of minder het geval is. Overigens zal een aantal van de voorgestelde maatregelen ook de uitvoering door de Belastingdienst moeilijker maken. In dit verband kan worden gewezen op de teruggaaf voor indirecte export, het forfait en het op een ander niveau in de keten belasten van de verkooppuntverpakkingen.

De leden van de fracties van de SP en de VVD vragen zich af of, gezien de snelle aanpassing van de verpakkingenbelasting, niet te snel is overgegaan tot invoering ervan en of vorig jaar wel een goed beeld is geschetst. Bij de ontwikkeling van de verpakkingenbelasting vorig jaar heeft intensief overleg plaatsgevonden met het bedrijfsleven. De verpakkingenbelasting is daarbij op zo’n manier vormgegeven dat de belastingplichtigen in één keer konden voldoen aan zowel de belastingplicht, als ook aan de op hen rustende verplichtingen inzake het Besluit verpakkingen. Zo is ook op verzoek van het bedrijfsleven de bestaande heffing op basis van het Besluit verpakkingen geïntegreerd in de verpakkingenbelasting. Hetzelfde geldt voor de bijdrage op basis van het Impulsprogramma Zwerfafval. Tijdens de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2008 heb ik aangegeven dat, gezien het feit dat de verpakkingenbelasting een geheel nieuwe belasting is, ik in nauw overleg met het bedrijfsleven zou blijven. Naar aanleiding van dit overleg is gebleken dat bedrijfsleven en Belastingdienst tegen een aantal knelpunten oplopen. Dit overleg heeft voorts tot het inzicht geleid dat de veronderstelde opgebouwde administraties ten behoeve van het Besluit verpakkingen in werkelijkheid in veel gevallen niet waren opgebouwd. Veel bedrijven moesten in de praktijk nog vanaf nul beginnen. Uiteraard heeft dat zijn weerslag op de uitvoerbaarheid in de praktijk. Dat is precies de reden waarom ik mij gevoelig heb getoond voor de argumenten van VNO-NCW om gezamenlijk te kijken naar vereenvoudigingsmogelijkheden. De tegenwerping dat de verdere vereenvoudigingen veel pagina’s tekst in beslag nemen, spreekt mij niet aan. Een wat ruimere toelichting op een vereenvoudiging betekent niet dat een vereenvoudiging niet aan zijn doel beantwoordt. Mede op verzoek van het bedrijfsleven is de memorie van toelichting op het wetsvoorstel gebruikt om de voorgenomen vereenvoudigingen duidelijk te maken en is deze waar mogelijk voorzien van voorbeelden. Na dit belastingplan treedt naar mijn verwachting op wetgevend terrein een periode van rust aan voor de verpakkingenbelasting.

De leden van de fractie van de SP zijn benieuwd of op basis van de aangeleverde gegevens reeds een inschatting van de totale opbrengsten kan worden gemaakt. Ik neem aan dat hiermee op de schattingsopgaven wordt gedoeld. De stand van zaken per 13 oktober 2008 is als volgt: er hebben zich 4 488 belastingplichtigen aangemeld. Er zijn al 3 563 schattingsopgaven ontvangen, die in totaal 1 756 687 280 kg (circa 1 757 kiloton) verpakkingen betreffen. De opbrengst op basis van deze schattingsopgaven bedraagt € 158 miljoen. Van ongeveer 1 000 belastingplichtigen die zich gemeld hebben, zal nog een schattingsopgaaf moeten worden ontvangen. Daarnaast is er een groep van tussen de 3 000 en 5 000 potentiële belastingplichtigen die zich nog niet gemeld hebben. Dit zullen vooral belastingplichtigen met kleine hoeveelheden zijn. De Belastingdienst heeft inmiddels diverse acties opgestart om deze potentiële belastingplichtigen op te sporen. De ontwikkeling van de opbrengst wordt continu gemonitord.

De leden van de fracties van de SP en de ChristenUnie vragen naar het onderzoek naar de mate van milieubelasting van de verpakkingen en de daaraan gerelateerde tarieven (de herwaardering van de heffingsgrondslag per verpakkingsmateriaal in de woorden van de leden van de fractie van de SP). Dit onderzoek is uitgezet onder de verantwoordelijkheid van de minister van VROM. Uiterlijk begin november zal de minister van VROM uw Kamer een brief sturen over de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de motie van de leden Poppe, Nepperus, Vietsch en Samsom.1 In het Belastingplan 2010 zal worden bekeken in hoeverre de resultaten van dit onderzoek moeten leiden tot een aanpassing van de tarieven. Op dat moment kan ook worden bekeken of de tarieven zich verhouden tot de daadwerkelijk opgegeven kilogrammen en de gewenste opbrengst van de verpakkingenbelasting.

Wat betreft het forfait voor geïmporteerde verpakkingen vragen de leden van de fractie van de SP zich nog af of dit fraudegevoelig is. Ik heb geen aanleiding aan te nemen dat specifiek het forfait fraudegevoelig zou zijn. Het forfait wordt gerelateerd aan een bedrijfsgegeven van de belastingplichtige en dient de werkelijkheid te benaderen. Een belastingplichtige die verzoekt om toepassing van het forfait zal zelf met gegevens moeten komen aan de hand waarvan de inspecteur het forfait kan vaststellen. De inspecteur zal vervolgens beoordelen of hij het forfait kan vaststellen aan de hand van die gegevens of dat hij meer informatie nodig heeft. Bovendien wijs ik op de mogelijkheid voor de inspecteur om belasting na te heffen en een boete op te leggen indien een belastingplichtige niet heeft voldaan aan zijn meldingsplicht (indien de omstandigheden die uitgangspunt waren bij de vaststelling van het forfait zijn gewijzigd) of onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt bij de vaststelling van het forfait. Mochten de leden van de fractie van de SP hierbij een specifieke fraudesituatie voor ogen hebben, dan houd ik mij aanbevolen. Ik zal de forfaits uiteraard in de continue monitor van de verpakkingenbelasting betrekken.

De leden van de fractie van de SP vragen voorts hoeveel bedrijven gebruik maken van de regeling voor indirecte export en om hoeveel verpakkingsmateriaal het daarbij gaat. Het is niet nauwkeurig bekend hoeveel bedrijven gebruik maken van indirecte export. Het aantal hiermee gemoeide kilogrammen verpakkingsmateriaal kan niet worden ingeschat. Daarbij is van belang dat de kilogrammen verpakkingen die verband houden met indirecte export geen onderdeel uitmaakten van de cijfers van de Commissie verpakkingen. Dit betekent dat zonder regeling voor indirecte export een meevaller in de opbrengst was te verwachten. Als gevolg van de introductie van de teruggaaf regeling zal deze meevaller zich niet voordoen. Naar verwachting zijn er 8 000 belastingplichtigen voor de verpakkingenbelasting. Geschat wordt dat zo’n 1 000 bedrijven in aanmerking zullen komen voor de regeling van de exportvermindering, dit mede naar aanleiding van het verzoek van de leden van de fractie van de VVD om nader inzicht in het effect van het nu aan de orde zijnde herzieningsvoorstel op het aantal belastingplichtigen en de raming van de administratieve lasten. De 1 000 extra aangiften die naar verwachting het gevolg zijn van de regeling voor de exportvermindering, vergen in totaal circa 1 000 uur werk tegen ongeveer € 50 euro, in totaal dus € 0,05 miljoen. De verschillende vereenvoudigingen als gevolg van het wetsvoorstel worden, zoals ook naar aanleiding van opmerkingen van Actal in de memorie van toelichting uiteen is gezet, vanuit het oogpunt van administratieve lasten bezien, beschouwd als oplossingen om niet bedoelde verzwaring als gevolg van de verpakkingenbelasting te vermijden.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen wat het budgettair beslag is van de nieuwe aanpak van de heffing van verpakkingenbelasting van verkooppuntverpakkingen. In totaal is met de belasting van verkooppuntverpakkingen een bedrag van circa € 17 miljoen gemoeid. Het op een ander niveau in de keten belasten van de verkooppuntverpakkingen kost de schatkist circa € 8 miljoen. Dit wordt veroorzaakt door het gegeven dat op het andere niveau een grotere groep belastingplichtigen een beroep kan doen op de 15 000 kg-drempel waardoor een kleiner deel van de verkooppuntverpakkingen daadwerkelijk wordt belast. Deze € 8 miljoen is gedekt in de nieuwe tariefstelling met ingang van 1 januari 2009, waarbij de dekking niet binnen de materiaalsoort heeft plaatsgevonden maar verdeeld is over alle materiaalsoorten naar rato van hun aandeel in de opbrengst.

Artikel 80 van de artikelsgewijze toelichting

Op de vraag van de leden van de fractie van het CDA over artikel 80 van de Wet belastingen op milieugrondslag kan worden geantwoord dat met ingang van 1 januari 2009 de definitie van «loonverpakker» aan dit artikel wordt toegevoegd. Ik verwijs hierbij naar artikel IX, onderdeel D van het Belastingplan 2009.

Overig

Weekenduitgaven voor gehandicapten

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de samenhang tussen de weekenduitgaven voor gehandicapten en de tegemoetkomingsregeling voor buitengewone uitgaven (TBU-regeling). De aftrek voor weekenduitgaven voor gehandicapten valt niet onder de buitengewone uitgavenregeling, maar is een afzonderlijke persoonsgebonden aftrekpost. Om die reden valt de aftrek voor weekenduitgaven voor gehandicapten dan ook niet onder de TBU-regeling, die immers uitsluitend betrekking heeft op buitengewone uitgaven als bedoeld in afdeling 6.5 Wet IB 2001. Het kabinet ziet geen aanleiding om een afzonderlijke tegemoetkomingsregeling te introduceren voor de aftrek van weekenduitgaven voor gehandicapten.

Daarnaast vragen de leden van de fractie van de CDA of de afrek van weekenduitgaven voor gehandicapten ook open zou moeten staan voor curatoren.

Een curator kan worden aangesteld om de vermogensrechtelijke belangen van de meerderjarige gehandicapte te behartigen. Het curatorschap is dus bedoeld voor de bescherming van de betrokkene op het financiële vlak. Voor de niet-vermogensrechtelijke belangen kan mentorschap worden ingesteld. Het mentorschap is bedoeld voor de bescherming van de betrokkene op het persoonlijke vlak. De mentor neemt beslissingen over verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding van de betrokkene. Voor de mentor geldt thans al dat de kosten die hij maakt in het kader van de weekendopvang van een gehandicapte, aftrekbaar zijn.

De aftrek van weekenduitgaven voor gehandicapten is bedoeld voor uitgaven van verzorging van de gehandicapte. Onder verzorging wordt in dit kader de daadwerkelijke opvang – dus het daadwerkelijke verblijven – verstaan van de gehandicapte die doorgaans in een inrichting verblijft. Anders dan bij een mentor zal bij een curator doorgaans geen sprake zijn van het verzorgen en opvangen van de gehandicapte. Een curator zal doorgaans op afstand de financiële belangen van de gehandicapte behartigen. Voor zover een curator wel actief bijdraagt aan de verzorging en opvang van de gehandicapte zal hij dat doorgaans niet in zijn hoedanigheid van curator doen. De curator zal dan naar waarschijnlijkheid tevens ouder, broer, zus of mentor van de gehandicapte zijn en op grond van die hoedanigheid voor aftrek van weekenduitgaven voor gehandicapten in aanmerking komen. Het kabinet ziet dan ook geen reden om het curatorschap onder de aftrek voor weekenduitgaven voor gehandicapten te brengen.

Fondsenvrijstelling bijzondere ziektekosten

De leden van de fractie van het CDA wijzen op de thans bestaande mogelijkheid dat uitkeringen en verstrekkingen die door een werknemer uit een fonds worden ontvangen zijn vrijgesteld van loonbelasting, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. In dat kader zijn volgens deze leden vergoedingen van bijzondere ziektekosten vrijgesteld, maar deze vrijstelling komt per 1 januari 2009 te vervallen. De leden vragen of de fondsvrijstelling eveneens van toepassing is als het vergoeding van bijzondere ziektekosten betreft, mits aan de voorwaarden van de fondsvrijstelling is voldaan.

Op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 is voorzien in een onbelaste vergoeding door de werkgever voor bepaalde ziektekosten die niet al door een ander aan de werknemer worden vergoed en die ook niet behoren tot het basisverzekeringspakket van de Zorgverzekeringswet.1 De door de leden van de fractie van het CDA bedoelde fondsenvrijstelling houdt in dat uitkeringen en verstrekkingen die een werknemer ontvangt uit een gezamenlijk fonds van zijn werkgever en de werknemers, niet tot het loon behoren. Deze fondsenvrijstelling sluit uitkeringen voor ziektekosten echter uit. Vergoedingen voor bepaalde ziektekosten kunnen onbelast via een fonds worden verstrekt, maar uitsluitend op grond van (en binnen de begrenzingen van) de hiervoor beschreven algemene vrijgestelde vergoeding voor bepaalde ziektekosten. In het Belastingplan 2008 is, tegelijk met het vervallen van de buitengewone uitgavenregeling, de voornoemde onbelaste vergoedingsmogelijkheid per 1 januari 2009 vervallen. Daarmee is ook de mogelijkheid vervallen om een dergelijke vergoeding vanuit een gezamenlijk fonds onbelast uit te keren. In het wetsvoorstel Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg)2 is voorzien in de mogelijkheid tot de aftrek van specifieke zorgkosten. Dit fiscale vangnet is aanzienlijk beperkter dan de thans nog vigerende buitengewone uitgavenregeling. Het kabinet hoopt dat op termijn een fiscale vangnetregeling niet meer nodig is en de doelgroep van chronisch zieken en gehandicapten volledig en adequaat via de eveneens in voornoemd wetsvoorstel opgenomen forfaitaire regeling kan worden bereikt. In dat licht ligt een herinvoering van de eerder beschreven onbelaste vergoeding door de werkgever niet voor de hand. Daar komt bij dat een dergelijke onbelaste vergoeding in de loonbelasting onvermijdelijk ruimer zou zijn dan in de in de Wtcg opgenomen aftrek in de inkomstenbelasting. Weliswaar kan in theorie worden bepaald dat slechts kosten mogen worden vergoed die anders binnen de nieuwe regeling in de inkomstenbelasting aftrekbaar zouden zijn, maar de waarborgen in de inkomstenbelasting om de juiste doelgroep de juiste aftrek te bieden, ontbreken in de loonbelasting.

Precarioheffing

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de afschaffing van de precarioheffing op nutsnetwerken. Volgens de planning zal het wetsvoorstel inzake de precario nog dit jaar naar de ministerraad worden gezonden. De inwerkingtreding van het wetsvoorstel is voorzien per 2010. Compensatie voor de opbrengst wordt overeenkomstig de wens van uw Kamer gevonden in de onroerendezaakbelastingen. Gemeenten worden in de gelegenheid gesteld al in 2009 met de afbouw van hun precario te beginnen; in de macronorm is daarvoor ruimte gemaakt. Deze informatie is aan de gemeenten meegedeeld in de meicirculaire.

Bedrijfsopvolgingsfaciliteiten

De vraag van de leden van de fractie van het CDA of de bedrijfsopvolgingsregeling een rol zal spelen in de nota over de modernisering van de Successiewet, kan bevestigend worden beantwoord. De nota zal de Tweede Kamer op korte termijn bereiken. De indiening bij de Tweede Kamer van het wetsvoorstel met de wijzigingen die voortvloeien uit de nota, is gepland voor de eerste helft van volgend jaar.

De leden van de fractie van het CDA vragen om in 2008 een notitie te mogen ontvangen over de verschillen in de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten voor een aanmerkelijkbelanghouder en een IB-ondernemer. In dit verband wordt verwezen naar de notitieBedrijfsoverdracht: continuïteit door fiscaliteit van 12 juli 2004 (onderzoek naar de fiscale behandeling van bedrijfsoverdrachten ter uitvoering van de motie van Vroonhoven-Kok c.s.).1 Daarin wordt uitgebreid ingegaan op de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten voor aanmerkelijkbelanghouders en IB-ondernemers. Ten opzichte van de daarin beschreven bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de inkomstenbelasting is er slechts één wijziging. Dit betreft een aanpassing van de doorschuiffaciliteit naar mede-ondernemers (artikel 3.63 Wet inkomstenbelasting 2001). Hetgeen na overdracht bij de overdrager achterblijft, hoeft geen zelfstandig gedeelte van een onderneming meer te vormen. Voor het overige is de notitie met betrekking tot de doorschuiffaciliteiten in de inkomstenbelasting nog actueel.

In aanvulling op het voorgaande wordt opgemerkt dat in de toegezegde notitie over de fiscale en sociale verzekeringspositie van de dga aandacht zal worden besteed aan de aanmerkelijkbelangregeling.

De leden van de fractie van het CDA vragen aandacht voor de situatie waarin een ondernemer zijn onderneming overdraagt tegen een vordering. Deze leden vragen wat de voor- en nadelen zijn van het aanmerken van een dergelijke vordering als ondernemingsvermogen en wat de voor- en nadelen zijn van een keuzemogelijkheid om een dergelijke vordering al dan niet als ondernemingsvermogen aan te merken.

Ingeval een onderneming tegen een vordering wordt overgedragen, is volgens de jurisprudentie in de regel sprake van staking.2 De vordering wordt dan fiscaal gezien verder in box 3 afgewikkeld. Dat betekent dat er een forfaitair rendement van 4% over de waarde in het economische verkeer van de vordering moet worden aangegeven, dat wordt belast tegen 30%. Een eventuele hogere of lagere waardering leidt dan tot een hoger of lager forfaitair rendement.

Ingeval een dergelijke vordering als ondernemingsvermogen zou worden aangemerkt, heeft dat tot gevolg dat de werkelijke rentebaten in box 1 progressief worden belast. Verder zijn afwaarderingen in box 1 aftrekbaar en opwaarderingen belast. Het aanmerken van een vordering als gevolg van de overdracht van een onderneming lijkt dus vooral voordelig ingeval een vordering later (definitief) moet worden afgewaardeerd. Dit zal normaal gesproken op voorhand niet duidelijk zijn. Een keuzeregime waarbij een belastingplichtige op het moment van overdracht kan kiezen, lijkt dan ook niet veel toe te voegen.

Dit is anders als een belastingplichtige van jaar tot jaar zou mogen kiezen. In dat geval heeft een belastingplichtige het beste van twee werelden. Een belastingplichtige kan namelijk ruim na afloop van een jaar aangifte doen. Hij weet dan of een vordering moet worden afgewaardeerd of niet en kan het best passende fiscale regime kiezen, waarbij hij de vordering ingeval van een afwaardering of lage rentebaten in box 1 zal aangeven en ingeval van een opwaardering of hoge rentebaten in box 3. Een dergelijke keuzemogelijkheid voor een vordering als gevolg van de overdracht van een onderneming heeft hierdoor waarschijnlijk een grotere budgettaire derving tot gevolg dan de afwikkeling daarvan in box 3 of een afwikkeling in box 1. Ook betekent een dergelijke keuzemogelijkheid meer administratieve en uitvoeringslasten omdat van jaar tot jaar moet worden bijgehouden onder welk regime de vordering valt.

Vereenvoudiging rittenadministratie

De leden van de fractie van het CDA vragen naar aanleiding van mijn toezegging de administratieve lasten van het bijhouden van rittenregistraties voor bestelautorijders te verminderen met een voorstel te komen. Het leveren van bewijs dat de auto van de zaak niet privé gebruikt wordt, is inherent aan de regeling van de auto van de zaak. Dit bewijs wordt vaak geleverd door middel van een rittenregistratie. Een rittenregistratie kan onder voorwaarden achterwege blijven indien de werkgever privégebruik verbiedt, indien de bestelauto buiten werktijd niet gebruikt kan worden of indien de bestelauto (bijna) uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen. Een rittenregistratie kan ook achterwege blijven indien er sprake is van doorlopend afwisselend gebruik van de bestelauto door meerdere bestuurders. De werkgever kan dan volstaan met het in de eindheffing betrekken van een bedrag van € 300. Indien toch een rittenregistratie bijgehouden moet worden, kan dit vergemakkelijkt worden door een elektronisch systeem te gebruiken dat op basis van GPS de ritten bijhoudt. Aan een verdere verlaging van de administratieve lasten werk ik graag mee. Een nieuwe – voor iedereen geldende – regeling waarbij de rittenregistratie achterwege kan blijven, is tot nu toe echter niet gevonden. Bij het zoeken naar een oplossing vindt ook overleg met het bedrijfsleven plaats. Tot dusver zijn daarbij nog geen oplossingen gevonden waarbij én de administratieve lasten omlaag gaan én misbruik wordt voorkomen. Ik besef goed dat het moeten bijhouden van rittenregistraties tot administratieve lasten en ergernissen leidt. Daarom blijf ik zoeken naar en openstaan voor oplossingen, mits deze geen onoverkomelijke bezwaren met zich brengen.

Accijnzen

De leden van de fractie van het CDA vragen in te gaan op de accijnzen die maatschappijen moeten voldoen die vliegen met vliegtuigen die tot ons cultureel erfgoed behoren. Deze vliegtuigen gebruiken een zeer lichte brandstof, waardoor de accijnzen hoger zijn dan de accijnzen op kerosine voor binnenlandse vluchten. Deze leden vragen of de bereidheid bestaat met de sector contact op te nemen om over een oplossing na te denken.

Met ingang van 1 januari 2005 wordt accijns geheven van brandstof voor alle binnenlandse vluchten. De invoering van deze heffing vloeit voort uit het Belastingplan 2005. De accijns geldt ook indien gebruik wordt gemaakt van «historische» vliegtuigen. Over de heffing van accijns op de brandstof die wordt gebruikt door deze vliegtuigen is zowel in 2007 als dit jaar contact geweest met de Nationale Federatie Historische Luchtvaart. Deze contacten hebben echter niet geleid tot een oplossing. Achtereenvolgens is bezien of vrijstelling van accijns kon worden verleend met een beroep op de zogenoemde hardheidsclausule ex artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De hardheidsclausule dient om tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard voortvloeiende uit de toepassing van een belastingwet. Aangezien het echter de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest om de brandstof voor binnenlandse vluchten met accijns te belasten vindt de hardheidsclausule in dit geval geen toepassing. Ook aan voorstellen tot het verlenen van teruggaaf van het verschil tussen de accijns op de door deze vliegtuigen gebruikte brandstof (lichte olie) en de accijns op – lager belaste – kerosine, dan wel het heffen van accijns tegen het tarief van rode diesel, kon niet worden tegemoetgekomen. De handhaving van een zodanige regeling zou leiden tot een ongewenste uitbreiding van de uitvoeringslasten voor de Belastingdienst. Ook valt niet uit te sluiten dat een regeling voor historische luchtvaartuigen zal leiden tot vergelijkbare verzoeken om toepassing van een lager accijnstarief van bezitters van andere historische voertuigen (zoals bij voorbeeld auto’s en motorrijwielen), met de daaraan verbonden budgettaire gevolgen en uitvoeringstechnische problemen voor de Belastingdienst.

Afschrijving VAMIL-investering

De leden van de fractie van het CDA vragen zich af of in het kader van de Wet werken aan winst is toegezegd dat investeringen volledig kunnen worden afgeschreven, indien zij voldoen aan de VAMIL-voorwaarden. Deze leden vragen naar de stand van zaken van de goedkeuring door de Europese Commissie.

Naar aanleiding van de vraag over de stand van zaken kan ik de leden van de fractie van het CDA informeren dat het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) bij brief van 25 april 2008 de Europese Commissie overeenkomstig de procedure in artikel 88, lid 3, EG in kennis heeft gesteld van de wijziging in de VAMIL-regeling. Bij brief van 13 juni 2008 heeft de Commissie aanvullende vragen gesteld die vervolgens bij brief van 15 augustus 2008 zijn beantwoord. Per brief van 6 oktober 2008 heeft de Commissie nog een aanvullende vraag gesteld. Het ministerie van LNV werkt momenteel aan de beantwoording van die vraag. Naar verwachting zal de Commissie hierna snel met een goedkeurende beschikking komen. Het ministerie van LNV heeft het voortouw op dit dossier. Dit vloeit voort uit interdepartementale afspraken inzake steunzaken die voorschrijven dat de inhoud van een fiscale regeling bepalend is voor de vraag welk ministerie eerstverantwoordelijk is voor de aanmelding. Gaat het primair om de fiscaliteit, dan meldt het ministerie van Financiën. Ligt de nadruk op meer beleidsinhoudelijke aspecten, dan meldt het ministerie dat eerstverantwoordelijk is voor dit beleid. In deze zaak ligt de nadruk op beleidsinhoudelijke aspecten op het gebied van de glastuinbouw zodat het ministerie van LNV eerstverantwoordelijk is voor de aanmelding van de wijziging van de VAMIL-regeling. De ministeries van Financiën en VROM zijn bij het meldingtraject betrokken.

Fondsvorming/lijfrentevorming ten behoeve van gehandicapte kinderen

De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet bereid is naar analogie van «het banksparen» te bezien of ook fondsvorming/lijfrentevorming ten behoeve van gehandicapte kinderen mogelijk kan worden gemaakt.

De Wet inzake fiscale facilitering banksparen ten behoeve van pensioenopbouw of aflossing eigenwoningschuld1 is ontstaan doordat het initiatiefwetsvoorstel van de kamerleden Depla (PvdA) en Blok (VVD) door het parlement is aanvaard. De initiatiefnemers hebben kennelijk bewust ervoor gekozen om alleen voor de oudedagslijfrente, de nabestaandenlijfrente en de tijdelijke oudedagslijfrente (derhalve de lijfrenten «ter compensatie van een pensioentekort») «bancaire tegenhangers» voor te stellen. Er zijn geen voornemens om van de zijde van het kabinet om met voorstellen te komen om de bancaire kant verder uit te breiden.

Lager belastingvoordeel?

De leden van de fractie van de PVV vragen of het correct is dat als gevolg van de invoering van de Wet werken aan winst ondernemers hun afschrijving op gebouwen beperkt zagen tot 50% van de WOZ-waarde. De vraag van de leden van de fractie van de PVV kan ik bevestigend beantwoorden voor zover het gebouwen in eigen gebruik betreft. Voor gebouwen die als belegging worden aangehouden, geldt een afschrijvingsbeperking tot 100% van de WOZ-waarde.

Bedrijfsopvolging in de agrarische sector

Uit de praktijk blijkt dat er in de meeste gevallen bij bedrijfsopvolging in de agrarische sector 25% van de voortzettingswaarde als overnameprijs wordt betaald, aldus de leden van de fractie van de PVV. Deze leden vragen of dit correct is en hoeveel dit dan per jaar bedraagt. Het komt inderdaad regelmatig voor dat een agrarische onderneming wordt overgenomen voor een koopsom die bepaald wordt op 25% van de zogenoemde voortzettingswaarde. Dit heeft te maken met de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet 1956. Omdat slechts voor een gedeelte van de (voortzettings)waarde wordt betaald, is er sprake van een materiële bevoordeling. Voor het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van de onderneming en de koopsom wordt dan een conserverende aanslag schenkingsrecht opgelegd. Voor deze aanslag kan renteloos uitstel van betaling worden verkregen. Voortzetting van de onderneming door de verkrijger is hierbij uitermate relevant. Immers, indien de onderneming gedurende ten minste vijf jaar wordt voortgezet door de verkrijger, wordt de conserverende aanslag vernietigd. Het resultaat is dat de bedrijfsovername – hoewel die een materiële bevordering inhield – plaats heeft gevonden zonder enige heffing van schenkingsrecht. Ik beschik niet over specifieke cijfers waaruit blijkt hoe vaak dit voorkomt.

Evaluatie Belastingherziening 2001

Belastingschulden en vorderingen

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom de Invorderingswet 1990 verscheidene mogelijkheden kent om uitstel van betaling te verlenen voor belastingschulden, terwijl die belastingschulden niet aftrekbaar zijn in box 3. Er bestaat, anders dan de genoemde leden menen, geen spanning tussen het enerzijds verlenen van uitstel van betaling voor belastingschulden en anderzijds het niet in aftrek toe laten van deze schulden in box 3. Aan het al dan niet uitstel van betaling verlenen in de invorderingswet liggen immers geheel andere overwegingen ten grondslag dan aan het al dan niet verlenen van aftrek van schulden in box 3. Op grond van artikel 25 van de Invorderingswet 1990 kan in een aantal gevallen uitstel van betaling worden verleend. Voor een deel van die gevallen dient dit uitstel om liquiditeitsproblemen te voorkomen, in andere gevallen betreft het belasting waarvan nog niet zeker is of die ooit daadwerkelijk moet worden betaald. Bij dit laatste kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de voorwaardelijke vrijstelling van successierecht in het kader van de bedrijfsopvolgingsregeling. In alle gevallen heeft het enkel verlenen van uitstel van betaling geen invloed op het bedrag aan verschuldigde belasting. Bij de aftrek van (inkomstenbelasting) schulden in box 3 ligt dat anders. Er zijn zeker argumenten die pleiten vóór de aftrek van inkomstenbelastingschulden in box 3. Echter, de wisselwerking tussen deze aftrek en het bedrag aan verschuldigde belasting zou een zeer grote, nieuwe complexiteit introduceren in de belastingheffing. Dat kan ik niet verenigen met mijn streven de complexiteit te reduceren. Verder is de problematiek voor belastingplichtigen beperkt, omdat het overgrote deel van de belastingschulden reeds via de weg van een voorlopige aanslag resulteert in een lagere heffingsgrondslag. Om die reden acht ik het niet gewenst inkomstenbelastingschulden in aftrek toe te laten in box 3. De genoemde leden vragen verder hoe vaak er gebruik wordt gemaakt van de uitstelregelingen. Op dit moment is er voor 27 485 aanslagen uitstel verleend op grond van specifiek in de invorderingswet geregelde uitstelregelingen. Dat is exclusief uitstel dat wordt verleend omdat de belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag (gemiddeld 75 000 per maand) en uitstel wegens betalingsonmacht (gemiddeld 165 000 per maand).

Defiscalisering niet-opeisbare vorderingen en schulden krachtens erfrecht

De leden van de fractie van de ChristenUnie willen met betrekking tot het onderzoek naar de verdere defiscalisering van vorderingen en schulden die zijn ontstaan krachtens erfrecht, geen koppeling leggen met de successiewet. Ik wil hierop antwoorden dat het niet mijn bedoeling is om de invoering van een verdere defiscalisering in box 3 afhankelijk te maken van de invoering van een dergelijke defiscalisering in de successiewet. Wel is het zo dat de vorderingen in box 3 waarom het hier gaat, vaak dezelfde vorderingen zijn die belast zijn met successierecht. De vraag of defiscalisering wenselijk is, komt dus in beide wetten aan de orde, hoewel die vraag voor die beide wetten afzonderlijk niet tot het zelfde antwoord hoeft te leiden. Voor de beantwoording van de vraag naar de wenselijkheid van defiscalisering moet een aantal deelaspecten worden bezien, die voor een groot deel ook worden aangegeven in het artikel WPNR 2006/6679 dat de leden van de fractie van de ChristenUnie noemen. Het gaat daarbij onder meer om het aansluiten bij de economische realiteit, het fiscaal gelijk behandelen van materieel gelijke gevallen, de eenvoud van het stelsel en het aansluiten bij de belevingswereld van de belastingplichtigen. Ik zal hierop uitvoerig terugkomen in de brief die ik hierover onlangs heb toegezegd.1

Geen vrijstelling voor bos, natuurterreinen en landgoederen bij huurerfpacht

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom de vrijstelling voor bos, natuurterreinen en landgoederen uitsluitend geldt voor de volle eigenaar en niet in gevallen waarin op die zaken een huuranaloge erfpacht is gevestigd. Het is een algemene regel dat de vrijstellingen in box 3 alleen gelden voor belastingplichtigen die de volle eigendom van een zaak hebben. Dat geldt niet alleen voor de vrijstellingen voor bos, natuur en landgoederen, maar bijvoorbeeld ook voor de vrijstelling voor voorwerpen van wetenschap en kunst. Het doel hiervan is te voorkómen dat beleggingsconstructies ontstaan waarbij genotsrechten worden afgesplitst van de eigendom met als doel hetzij de blote eigendom onbelast naar volle eigendom te laten aangroeien hetzij de rendementen onbelast te genieten. Het voorkómen en bestrijden van dergelijke constructies, die onder de Wet IB 1964 veelvuldig voorkwamen, is één van de redenen geweest voor de introductie van box 3.

Bepaling artikel AK en AKa Wet IB 2001

Door de leden van de fractie van de ChristenUnie is een vraag gesteld met betrekking tot de artikelen AK en AKa van de Invoeringswet IB 2001. Op grond van deze artikelen wordt rente die tot 2001 op vorderingen is gerijpt en pas in 2001 of later wordt betaald, belast in box 1. De vraag is of deze bepalingen niet afgeschaft kunnen worden, omdat zij gelet op de ratio (voorkomen dat belastingplichtigen met het oog op de invoering van de Wet IB 2001 de rente gingen uitstellen) hun werk hebben gedaan.

Deze artikelen hebben, anders dan de vragenstellers menen, hun functie nog niet verloren. Er kunnen nu en ook in de toekomst nog steeds termijnen genoten worden die onder de werkingssfeer van deze artikelen vallen.

Daarnaast vragen deze leden in te gaan op het artikel zoals opgenomen in FBN 2000, nr 6. De kritiek in dat artikel is echter achterhaald. De onvolkomenheid in artikel AKa waar de auteur van genoemd artikel op duidt, is namelijk in de Veegwet Wet inkomstenbelasting 2001 hersteld. Tot slot wordt door de auteur van genoemd artikel de vraag gesteld waarom overbedelingen in het kader van de verdeling van een huwelijksgemeenschap bij echtscheiding niet onder de tegemoetkomende werking van artikel AK, vierde lid van hoofdstuk 2, artikel I, van de Invoeringswet IB 2001 vallen. Hierop kan geantwoord worden dat de regeling van artikel AK, vierde lid, is bedoeld om een ongewenste onevenwichtigheid tussen de fiscale behandeling van ontvangen versus verschuldigde overbedelingsrente weg te nemen in situaties die zich buiten de invloedssfeer van de belastingplichtige afspelen. Hiervan is bij echtscheidingssituaties geen sprake.

Landbouwvrijstelling

De minister van LNV heeft een evaluatie van de landbouwvrijstelling naar uw Kamer gestuurd. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar het budgettair beslag van de landbouwvrijstelling opgesplitst naar cultuurgrond en ondergrond.

Voor 1 januari 1998 viel de ondergrond van glasopstanden niet onder de vrijstelling. Vanaf 1998 is deze ondergrond expliciet aan de vrijstelling toegevoegd. Vervolgens is met ingang van 1 januari 2007 een nieuwe vrijstelling ingevoerd, welke de eerdere landbouwvrijstellingen vervangt. In deze vrijstelling is zowel de bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond als de ondergrond van glasopstanden vrijgesteld. De budgettaire kosten worden geregistreerd op basis van dit artikel. Een nadere splitsing is niet beschikbaar en zou een integraal onderzoek vergen op alle individuele aangiften die op deze vrijstelling een beroep doen.

Bijzonder tarief stakingswinsten

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de staatssecretaris de tarieven op stakingswinsten wil heroverwegen. Voorts vragen deze leden wat het budgettaire beslag is van een 35%-tarief en een 0%-tarief.

Een bijzonder tarief op stakingswinsten faciliteert de staking van een onderneming en niet de continuïteit ervan. Dit ligt niet in lijn met de wens van het kabinet het ondernemerschap fiscaal te stimuleren. Bovendien zou van herinvoering van een bijzonder tarief voor stakingswinsten een uitstralingseffect uitgaan naar alle situaties die onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 onder een bijzonder tarief vielen (eenmalige ontslaguitkeringen, afkoopsommen alimentatie e.d.). Dit zou leiden tot een aanzienlijke budgettaire derving. Ik zie dan ook geen aanleiding om de tarieven op stakingswinsten te heroverwegen. De stakingswinst ontstaat doordat er een definitieve afrekening wordt gemaakt over de winst die behaald is uit onderneming (de totaalwinst) als gevolg van staking. De winst uit onderneming (de totaalwinst) valt in box 1, waarbij de winst het resultaat is van een jaarlijkse mutatie van het ondernemingsvermogen (de jaarwinsten). Voor ondernemerswinsten is het dus heel gebruikelijk dat vermogenswinsten worden belast, waarbij evenmin wordt gecorrigeerd voor inflatiewinsten. Daarnaast bestaan er diverse fiscale faciliteiten waarbij de stakingswinst kan worden doorgeschoven. Naast de stakingsaftrek bestaat de mogelijkheid de stakingswinst om te zetten in een lijfrente. Voor zover dit niet gebeurt, wordt de stakingswinst als onderdeel van de winst uit onderneming belast in box 1 en is als zodanig niet herkenbaar op de IB-aangifte. Er kan derhalve geen uitspraak gedaan worden wat het budgettaire beslag zou zijn van een 35%-tarief of een 0%-tarief. Daartoe zou op individueel niveau van de belastingaangiftes onderzoek moeten worden gedaan.

Kredietcrisis

De leden van de fractie van D66 vragen zich af of de kans bestaat dat intercompanyleningen niet of nauwelijks meer verstrekt kunnen worden als het recente arrest van de Hoge Raad inzake onzakelijke leningen1 niet zeer terughoudend door de Belastingdienst zal worden toegepast. Verder vragen zij zich af hoe het kabinet deze kans waardeert met name in het licht van de mogelijkheid dat een andere dan een zeer terughoudende toepassing van het arrest de gevolgen van de kredietcrisis voor het bedrijfsleven kan verdiepen. Naar mijn mening heeft de wijze waarop de Belastingdienst zich opstelt ten aanzien van een onzakelijke lening als bedoeld in het genoemde arrest, geen invloed op het verstrekken van vermogen in de vorm van leningen en/of kapitaal binnen een concern en zal dit de gevolgen van de kredietcrisis voor het bedrijfsleven niet verdiepen.

Artikel XXV

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet over artikel XXV contact heeft gehad met de sociale partners. De leden zijn benieuwd hoe dit artikel in de praktijk uitwerkt.

Artikel XXV houdt in dat de verlenging van het ouderschapsverlof alleen geldt voor nieuwe verlofaanvragen. Daarnaast regelt artikel XXV dat bestaande CAO-afspraken over loondoorbetaling bij ouderschapsverlof niet automatisch van toepassing zijn op de verlenging van het ouderschapsverlof. Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat werkgevers door de verdubbeling van de duur van het ouderschapsverlof automatisch te maken krijgen met een verdubbeling van de kosten van loondoorbetaling, zonder dat zij daar invloed op hebben. Indien er sprake is van een bestaande CAO-afspraak over loondoorbetaling van € 15 per uur voor de volledige duur van het ouderschapsverlof, betekent dit dat een werknemer die per 1 januari voltijds ouderschapsverlof opneemt, recht heeft op in totaal 26 weken verlof, maar alleen gedurende de eerste 13 weken recht heeft op loondoorbetaling volgens de CAO. Over dit artikel is geen overleg geweest met de sociale partners. Het staat de sociale partners uiteraard vrij om, gegeven de verlenging van het ouderschapsverlof, nieuwe CAO-afspraken te maken over loondoorbetaling.

Ten slotte

De leden van de fractie van het CDA vragen om een reactie op het commentaar van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB), het commentaar van de redactie Vakstudie Nieuws en op de reactie van VNO-NCW en MKB-Nederland, voor zover in bovenstaande nog niet aan de orde gekomen. Ook de leden van de fractie van de PvdA vragen om een reactie op commentaren van diverse organisaties. De leden van de fractie van de VVD vragen om een reactie op de door de NOB gemaakte opmerkingen voor zover die hiervoor nog niet aan de orde zijn gekomen. Hierna wordt ingegaan op het commentaar van de NOB en op de commentaren van VNO-NCW en MKB-Nederland voor zover het punten betreft die hiervoor nog niet aan de orde zijn gekomen. De meeste opmerkingen van de overige organisaties zijn hiervoor reeds aan de orde gekomen of spreken voor zich en behoeven geen nader commentaar.

De NOB pleit ervoor de afkoopproblematiek in artikel 3.133 Wet IB 2001 te regelen in plaats van in én artikel 3.126a én artikel 3.133 Wet IB 2001. De gedachte om de afkoopregeling te regelen in (alleen) artikel 3.133 Wet IB 2001 ontmoet wetgevingstechnische bezwaren, omdat de terminologie bij de lijfrentespaarrekening en het lijfrentebeleggingsrecht van artikel 3.126a Wet IB 2001 in belangrijke mate afwijkt van de terminologie die wordt gehanteerd bij lijfrenteverzekeringen.

Als alternatief stelt de NOB voor de regeling op te nemen in de artikelen 3.125 en 3.126a Wet IB 2001. Een afkoopregeling die is geregeld in artikel 3.125 Wet IB 2001 ligt minder voor de hand dan een regeling in artikel 3.133 Wet IB 2001, nu het afkoopverbod voor lijfrenteverzekeringen niet is geregeld in artikel 3.125, maar in artikel 1.7, en in artikel 3.133 de sanctie op het niet-nakomen van het afkoopverbod is opgenomen.

De NOB merkt op dat in het onderhavige wetsvoorstel en het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2009 niet wordt ingegaan op de openstaande punten uit het evaluatierapport van de belastingherziening 2001, zoals belastingschulden in box 3. Hiervoor wordt verwezen naar de brief aan de Tweede Kamer van 6 oktober 2008 over het rapport Breder, lager eenvoudiger? Een evaluatie van de belastingherziening 2001.1 Daarin wordt gevolg gegeven aan de toezeggingen die zijn gedaan tijdens het Algemeen Overleg op 29 november 2007 over dit onderwerp.2

Naar aanleiding van een opmerking van het VNO-NCW en MKB-Nederland merk ik op dat het kabinet binnenkort zal reageren op het advies van de Commissie regeldruk bedrijven waar het de identificatieplicht van werknemers betreft. De inzet daarbij is het substantieel verminderen van de nalevingskosten van de bedrijven zonder af te doen aan de noodzaak premie- en belastingfraude en illegale tewerkstelling tegen te gaan.

Verder heb ik goede nota genomen van de opmerkingen van VNO-NCW en MKB-Nederland over het vervolg dat wordt gegeven aan de brief van 3 juli 2008 in de vorm van onderzoek naar verdere vereenvoudigingsmogelijkheden in de loonheffingen. Ik wacht de aparte brief die VNO-NCW en MKB-Nederland de Tweede Kamer in het vooruitzicht hebben gesteld over een loonsomheffingvariant in de vorm van een informatieplicht voor werkgevers uiteraard met belangstelling af.

Het VNO-NCW kijkt uit naar de notitie inzake de modernisering van de successiewetgeving en doet enkele suggesties om, vooruitlopend op de discussie over de nota, de regeling voor bedrijfsopvolging te verruimen. Zoals hiervoor aangegeven zal de nota over de modernisering van de successiewet op korte termijn aan de Tweede Kamer worden toegezonden. Zonder al teveel op de inhoud van de nota vooruit te willen lopen, wordt hierna kort ingegaan op de suggesties van het VNO-NCW. Door het VNO-NCW wordt geopperd om bij bedrijfsopvolging binnen de successiewet een conserverende aanslag op te leggen welke alléén wordt ingevorderd bij overdracht aan een derde. Dit komt overeen met een volledige vrijstelling bij de schenking of vererving van een onderneming. Pas als de onderneming binnen de vereiste voortzettingsperiode zou worden gestaakt, zou successie- of schenkingsbelasting moeten worden geheven.

Dit is een interessante suggestie. Op dit moment wordt echter meer gedacht aan een vereenvoudiging van de regelgeving wat de systematiek van de faciliteit betreft. Ook zal de regeling beter worden toegesneden op het oorspronkelijke doel, namelijk het bevorderen van de continuïteit van een reële onderneming en niet die van belegd vermogen. Zoals bekend is een wezenlijke tariefverlaging het doel van de herziening van het schenkings- en successierecht. Ook opvolgers in familiebedrijven profiteren daarvan. De facto wordt verkregen bedrijfsvermogen zowel nu als straks slechts met een laag percentage belast.1 Voor het gehele verschuldigde bedrag kan voorts op verzoek 10 jaar uitstel van betaling worden verkregen. Gelet op de harde eis van budgetneutraliteit ligt een dergelijke verruiming van de faciliteit niet voor de hand.

Ten aanzien van het voorstel van het VNO-NCW om bij de waardering van een onderneming goodwill buiten beschouwing te laten merk ik het volgende op.

De faciliteit voor bedrijfsopvolging is in het leven geroepen om te voorkomen dat de continuïteit van de onderneming in gevaar komt door de heffing van successie- of schenkingsrecht. De vrijstelling van 75% van het ondernemingsvermogen zorgt er voor dat de vermogens- en liquiditeitspositie van een onderneming niet noemenswaardig wordt aangetast. De vraag is nu of het wenselijk is om vóór de toepassing van de vrijstelling het ondernemingsvermogen af te waarderen, door de daarin begrepen voor overdracht vatbare goodwill buiten beschouwing te laten. Hiervoor zou aanleiding zijn indien de goodwill voor de ondernemer of de aandeelhouder geen toegevoegde waarde heeft zolang de onderneming wordt voortgezet. Dat is niet het geval. De aanwezigheid van goodwill komt van jaar tot jaar tot uiting in de winsten van de onderneming. Het elimineren van goodwill zou bovendien kunnen leiden tot een ongelijke behandeling tussen bedrijven met een hoge intrinsieke waarde en bedrijven waarbij de waarde voornamelijk uit goodwill bestaat. Extreem gesteld zou dit er toe leiden dat aan een slagerswinkel met een eigen pand voor het successierecht een hogere waarde wordt toegekend dan aan bijvoorbeeld een internetbedrijf als marktplaats.nl dat, als men de media mag geloven, in 2004 voor € 225 miljoen is verkocht aan eBay. Ten slotte speelt een negatieve goodwill een belangrijke rol in de landbouwsector. Landbouwbedrijven hebben vaak een hoge intrinsieke waarde en een relatief lage winst. Veelal wordt dit veroorzaakt door de hoge waarde van landbouwgrond. In de huidige faciliteit voor bedrijfsopvolging wordt deze negatieve goodwill als waardedrukkende factor in aanmerking genomen. Waardering op intrinsieke waarde zou voor deze sector een forse lastenverzwaring betekenen. Het voornemen is overigens VNO-NCW en MKB-Nederland uit te nodigen om hun ideeën met betrekking tot de bedrijfsopvolgingsregeling op ambtelijk niveau te bespreken.

Het VNO-NCW is verder van mening dat ook een vordering die een medeverkrijger van een onderneming krijgt op de voortzetter onder de vrijstelling zou moeten vallen.

Onder de huidige regeling voor bedrijfsopvolging komt alleen degene die de onderneming daadwerkelijk voortzet in aanmerking voor vermindering van successie- of schenkingsbelasting. Mede-erfgenamen die bijvoorbeeld alleen een woonhuis, geld of een geldvordering krijgen, worden niet gefacilieerd. Voor de continuïteit van de onderneming is immers slechts een faciliteit voor de voortzetter nodig. Er is weliswaar sprake van een ongelijke behandeling van erfgenamen, maar die is gerechtvaardigd omdat het ongelijke gevallen betreft: de een zet een onderneming voort en de ander niet. Verder kan het voorstel van VNO-NCW er toe leiden dat de bedrijfsopvolger slechter af is dan in de huidige situatie: de faciliteit die hij nu alleen krijgt, zou hij dan immers moeten delen met zijn mede-erfgenamen. Ook zou in het voorstel van VNO-NCW een nieuwe ongelijkheid ontstaan. De heffing van successiebelasting bij een erfgenaam die bijvoorbeeld alleen een geldvordering verkrijgt uit een nalatenschap zou mede afhankelijk zijn van de vraag of een andere erfgenaam uit die nalatenschap een onderneming verkrijgt en voortzet. Dit leidt er toe dat erfgenamen in verschillende nalatenschappen die wat betreft hun eigen verkrijging in een gelijke positie verkeren fiscaal ongelijk worden behandeld. Dat acht ik niet gerechtvaardigd. Wel krijgt degene die de vordering op de voortzettende ondernemer heeft, tien jaar uitstel van betaling voor de belasting die hij over zijn vordering verschuldigd is, zolang die vordering nog niet is voldaan.

Door VNO-NCW en MKB-Nederland wordt bepleit om – naar analogie van de doorschuifregeling voor overgang krachtens erfrecht – een regeling in te voeren voor de schenking van aanmerkelijkbelangaandelen. Aan dit onderwerp zal aandacht worden besteed in de toegezegde notitie over de fiscale en sociale verzekeringspositie van de dga.

VNO-NCW en MKB-Nederland attenderen in hun commentaar op het Belastingplan 2009 c.a. op een probleem van het MKB dat de ondernemer de door hem verschuldigde btw in voorkomend geval al aan de fiscus moet afdragen voordat de afnemer van de prestatie heeft betaald. Naar het oordeel van deze organisaties zorgt de voorgestelde verhoging van de grens voor de kwartaalaangifte van € 7 000 tot € 15 000 voor verlichting van het probleem, maar zij zijn van mening dat meer zou kunnen worden gedaan om het probleem van het MKB weg te nemen. Het heeft de voorkeur van het kabinet om niet maatregel op maatregel te stapelen en het effect van de verhoging van de grens voor de kwartaalaangifte tot € 15 000 af te wachten alvorens nadere stappen te overwegen. In dit verband zij opgemerkt dat vele MKB-ers gerechtigd zijn tot toepassing van het zogenoemde kasstelsel, hetgeen betekent dat zij de btw pas hoeven af te dragen als zij de belasting van hun afnemers hebben ontvangen.

Het VNO-NCW pleit voor het afschaffen van de grondwaterbelasting en voert daarbij diverse redenen aan. Zo zou de grondwaterbelasting geen enkele milieudoelstelling dienen, schadelijk zijn voor het Nederlandse investeringsklimaat, de woonlasten verhogen en tot onnodig hoge administratie lasten voor het MKB leiden. De evaluatie «Grondwaterbelasting nader bezien» waar VNO-NCW naar verwijst, laat echter een veel genuanceerder beeld zien. Het is juist dat de betekenis van de grondwaterbelasting voor het milieu beperkt is. Het milieuaspect is echter altijd secundair geweest, het primaire doel van deze belasting is het verwerven van algemene middelen (de jaarlijkse opbrengst bedraagt circa € 170 miljoen). In reactie op de genoemde evaluatie heb ik destijds aangegeven dat bij een aantal aspecten van deze belasting kanttekeningen kunnen worden geplaatst. Het totaalbeeld dat uit de evaluatie naar voren komt geeft echter onvoldoende aanleiding om de grondwaterbelasting af te schaffen.

VNO-NCW en MKB-Nederland merken op dat het Besluit verpakkingen en de daaruit voortvloeiende verplichtingen tegen het licht moeten worden gehouden om tot een vermindering van de administratieve lasten te komen. De verplichtingen die voortvloeien uit het Besluit verpakkingen zijn gebaseerd op Europese regelgeving. Deze zaken vallen onder de verantwoordelijkheid van de minister van VROM. Ik heb het commentaar van VNO-NCW naar de minister van VROM doorgeleid.

Wat betreft het verzoek van VNO-NCW en MKB-Nederland dat met Nedvang op korte termijn afspraken worden gemaakt over de informatieverstrekking, kan ik meedelen dat het initiatief hiertoe bij Nedvang ligt. Nedvang heeft mij verzekerd op korte termijn met Senter Novem (namens het ministerie van VROM) en de Belastingdienst in gesprek te gaan.

VNO-NCW en MKB-Nederland vragen op zo kort mogelijke termijn samen met het bedrijfsleven te bespreken hoe ervoor wordt gezorgd dat het verschuiven van de belastingplicht voor de verkooppuntverpakkingen voor deze groep ondernemingen niet leidt tot een verhoging van de administratieve lasten. De leveranciers van verkooppuntverpakkingen hebben laten weten dat zij bereid zijn aan hun afnemers de benodigde informatie te verstrekken ten behoeve van hun opgaven voor de verpakkingenbelasting (kg verpakking per materiaalsoort). Met VNO-NCW en MKB-Nederland zal worden bezien of met het vorenstaande kan worden volstaan.

VNO-NCW en MKB-Nederland zien graag bevestigd dat de antimisbruikbepaling voor indirecte export uitsluitend ziet op het voorkomen van constructies die tot doel hebben de heffing van verpakkingenbelasting te ontgaan. Zoals ook in de memorie van toelichting staat en uit de tekst van de wet blijkt, wordt de exportvermindering slechts uitgesloten voor verpakkingen waarvan de belastingplichtige weet of redelijkerwijs kan weten dat er geen verpakkingenbelasting over is betaald. Deze bepaling strekt ertoe constructies met als enig doel het verkrijgen van exportvermindering te voorkomen.

VNO-NCW en MKB-Nederland wijzen er voorts op dat de wijzigingen die thans worden voorgesteld niet mogen leiden tot een (majeure) lastenverschuiving tussen sectoren. Met het laten vervallen van het tariefsonderscheid tussen primaire verpakkingen enerzijds en secundaire en tertiaire verpakkingen anderzijds en het uitzonderen van de logistieke hulpmiddelen gaat uiteraard een zekere lastenverschuiving gepaard. Dit is inherent aan de voorgestelde maatregelen en acceptabel gezien de daarmee te bereiken vereenvoudiging en de verlaging van de administratieve lasten.

De staatssecretaris van Financiën,

J. C. de Jager


XNoot
1

Kamerstukken II 2007/08, 31 066, nr. 48.

XNoot
1

Kamerstukken II 2007/08, 31 236, nr. 3.

XNoot
2

Weekblad fiscaal recht 2008, blz. 989–990.

XNoot
1

Brief van de staatssecretaris van Financiën aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal inzake het (niet-)gebruik van heffingskortingen d.d. 23 oktober 2008.

XNoot
2

Kamerstukken II 2007/08, 31 492, nr. 1.

XNoot
1

Kamerstukken II 2006–2007, 30 572, nr. 8, blz. 77.

XNoot
1

Motie Verhagen c.s., Kamerstukken II 2004/05, 29 800, nr. 4 en nader gewijzigd amendement Dezentjé-Hamming (Kamerstukken II 2004/05, 29 767, nr. 58).

XNoot
1

Dit is 0,9% * 2 550 miljoen, de grondslag van de rentebox.

XNoot
2

Te weten € 165 miljoen (verlaging MKB tarief tot 20% en verbreding schijf tot € 25 000) plus € 175 miljoen (invoering tweede MKB tarief van 23,5% over € 25 000 tot € 60 000) plus € 1 425 miljoen (verlaging algemeen vpb-tarief tot 25,5% vanaf € 60 000).

XNoot
3

Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 3, blz. 29 (voetnoot 1).

XNoot
4

Zie ook Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 13, blz. 41–42.

XNoot
1

Kamerstukken II 2007/08, 31 205, nr. 68.

XNoot
1

Staatscourant 13 december 2004, nr. 240, blz. 12.

XNoot
1

Kamerstukken II 2007/08, 31 200 XII, nr. 4.

XNoot
1

Kamerstukken II 2007/08, 31 409, nr. 1.

XNoot
2

Communautaire richtsnoeren betreffende staatssteun voor het zeevervoer (PbEU 2004 C13).

XNoot
3

Kamerstukken II 2008/09, 31 409, nr. 9.

XNoot
4

Staatssteunscorebord van de Europese Commissie, COM(2007) 791 van 13 december 2007, blz. 15 en 18.

XNoot
5

Kamerstukken II 2008/09, 31 700, nr. 1, bijlage 5.

XNoot
1

Naar een toekomst die werkt, advies van de Commissie Arbeidsparticipatie, Kamerstukken II 2007/08, 29 544, nr. 154 + bijlage.

XNoot
2

Effecten van Participatiebeleid, CPB Notitie voor Commissie Arbeidsparticipatie, juni 2008, blz. 13.

XNoot
1

Effecten doorwerkbonus, CPB-notitie 2008/45 van 17 oktober 2008.

XNoot
2

Effecten doorwerkbonus, CPB-notitie 2008/45 van 17 oktober 2008.

XNoot
1

Kamerstukken II 2007/08, 29 544, nr. 154, bijlage blz. 69.

XNoot
1

Kamerstukken II 2004/05, 29 760, nr. 10, blz. 123.

XNoot
1

Kamerstukken II 2004/05, 29 760, nr. 30.

XNoot
2

Kamerstukken II 2007/08, 31 206, nr. 22.

XNoot
1

Ageing and the sustainability of Dutch Public Finances, CPB-rapport van maart 2006.

XNoot
1

Bron CBS.

XNoot
1

Brief van de staatsecretaris van Financiën aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal inzake het (niet-)gebruik van heffingskortingen d.d. 23 oktober 2008.

XNoot
1

Kamerstukken II 2008/09, 31 700 XV, nr. 2, blz. 29.

XNoot
2

Kamerstukken II 2008/09, 31 706, nr. 3.

XNoot
3

Kamerstukken II 2008/09, 31 706, nr. 10.

XNoot
1

Graham, D.J. en S. Glaister (2002) The demand for automobile fuel: a survey of elasticities. Journal of Transportation Economics and Policy 26(2), 155–169. Hanly, M., J. Dargay en P. Goodwin (2002) Review of Income and Price Elasticities in the Demand for Road Traffic. Report no. 2002/13, London: ESRC Transport Studies Unit, Centre for Transport Studies, University College London.

XNoot
2

Ibidem.

XNoot
1

Kamerstukken II 2007/08, 31 205 en 31 206, nr. 44.

XNoot
2

Zie de fiscale vergroeningsbrief van 30 mei 2008, Kamerstukken II 2007/08, 31 492, nr. 1, blz. 5.

XNoot
3

Effecten van omzetting van de aanschafbelasting op personenauto’s in een kilometerprijs, Centraal Planbureau en Planbureau voor de Leefomgeving, CPB Document No 166, mei 2008.

XNoot
1

Centraal Planbureau (CPB), Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) en Ruimtelijk Planbureau (RPB) – CPB, No 166, mei 2008.

XNoot
1

Overigens wordt de CO2-uitstoot van een bestelauto alleen gemeten als deze is toegelaten volgens de 70/220/EG richtlijn, wanneer een bestelauto volgens 88/77/EG (emissies zware voertuigen) wordt toegelaten, wordt de CO2-uitstoot niet gemeten.

XNoot
1

Kamerstukken II 2007/08, 31 492, nr. 1, blz. 24.

XNoot
2

Kamerstukken II, 2007/08 31492, nr. 1 Bijlage.

XNoot
1

Handreiking bijtelling privégebruik auto voor de autobranche van 31 juli 2008, nr. 2008/03107, gepubliceerd op www.belastingdienst.nl.

XNoot
1

Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 125.

XNoot
2

Kamerstukken II 2005/06, 29 702, nr. 7.

XNoot
1

Kamerstukken II 2007/08, 31 493, nr. 1, bijlage in de brief, par. 1.9.

XNoot
1

HvJ EG, 11 maart 2004, C-9/02 Hughes de Lasteyrie du Saillant en HvJ EG, 7 september 2006, C-470/04, N.

XNoot
2

Wet van 20 december 2007 houdende wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van enige andere wetten (Stb. 577).

XNoot
1

Zie voor deze conclusie ook het kabinetsstandpunt in bijlage 2 bij het onderhavige Belastingplan 2009.

XNoot
1

Kamerstukken II 2008/09, 31 205, nr. 71.

XNoot
1

Artikel 132, eerste lid, onder c, van btw-richtlijn 2006/112/EG.

XNoot
1

Gedragsregel: De arts en niet-reguliere behandelwijzen; KNMG; Utrecht, 1 april 2008.

XNoot
1

Besluit Staatssecretaris van Financiën van 28 februari 2008, nr. CPP2008/78M, V-N 2008/15.22.

XNoot
1

Eindrapport Significance, Effecten van verschillende heffingsvarianten op de Nederlandse luchtvaart. Kamerstukken II 2007/08, 31 205, nr. 5.

XNoot
1

Kamerstukken II 2007/08, 31 205, nr. 34.

XNoot
1

Kamerstukken II 2007/08, 28 694, nr. 55.

XNoot
1

Artikel 11, eerste lid, onderdeel l, van de Wet op de loonbelasting 1964.

XNoot
2

Kamerstukken II 2008/09, 31 706.

XNoot
1

Kamerstukken II 2003/04, 28 607, nr. 66.

XNoot
2

Slechts in uitzonderingsgevallen loopt de ondernemingsstatus door, bijvoorbeeld als er een gerede kans is dat de exploitatie van de onderneming in de toekomst weer voor rekening van de verkoper zal geschieden.

XNoot
1

Wet van 20 december 2007 houdende wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van enige andere wetten (Stb. 577).

XNoot
1

Kamerstukken II, 2008/09, 30 375, nr. 6, blz. 6.

XNoot
1

HR 9 mei 2008, nr. 43 849.

XNoot
1

Kamerstukken II 2008/09, 30 375, nr. 6.

XNoot
2

Kamerstukken II 2007/08, 30 375, nr. 5.

XNoot
1

Het huidige schijventarief voor naaste verwanten heeft een maximum tarief van 27%. Dit percentage is pas van toepassing over het deel van de belaste verkrijging boven € 894 948, daaronder geldt een lager tarief. Bovendien wordt slechts over een kwart van het verkregen bedrijfsvermogen belasting geheven. Een en ander betekent dat over de verkrijging van het gehele bedrijfsvermogen maximaal 6,75% verschuldigd is.