Kamerstuk 31704-22

Schriftelijke beantwoording Wetgevingsoverleg Belastingplan 2009, Overige fiscale maatregelen 2009 en Fiscale onderhoudswet 2009

Dossier: Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2009)

Gepubliceerd: 5 november 2008
Indiener(s): Jan Kees de Jager (staatssecretaris financiƫn) (CDA)
Onderwerpen: belasting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31704-22.html
ID: 31704-22

31 704
Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2009)

nr. 22
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 november 2008

In het wetgevingsoverleg van 31 oktober jl. over het voorstel van wet houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2009), het voorstel van wet houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2009) en het voorstel van wet houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale Onderhoudswet 2009) heb ik toegezegd een deel van de vragen schriftelijk te beantwoorden. Hierbij doe ik mijn toezegging graag gestand.

1. Algemeen

De heer Omtzigt merkt op dat mensen die in het buitenland wonen in hun contacten met de Nederlandse Belastingdienst op dit moment geen gebruik kunnen maken van de DigiD om zo in staat te zijn elektronisch te communiceren met de Nederlandse overheid zoals elektronisch aangifte doen en dergelijke. Hij vraagt of er een tussenoplossing mogelijk is, niet alleen voor AOW-gerechtigden, maar voor alle mensen in het buitenland die hun belastingaangifte elektronisch willen doen. De mogelijkheden voor het gebruik van DigiD voor communicatie met de Nederlandse overheid door anderen dan in Nederland woonachtigen worden thans onderzocht door de staatssecretaris van BZK. Ik zal deze vraag dan ook aan haar doorgeleiden met het verzoek een tussenoplossing waar de heer Omtzigt aan refereert te zoeken.

De heer Omtzigt gaat in op een aantal problemen rondom de zorgtoeslag en het Niet in Nederland belastbaar inkomen ten aanzien van remigranten. De heer Omtzigt vraagt of, ondanks toezeggingen van Belastingdienst/Toeslagen om coulance te betrachten ten aanzien van de terugvordering van ten onrechte betaalde zorgtoeslag, het standaard incassotraject wordt gevolgd. Ook vraagt hij of betaling feitelijk alleen mogelijk is via een maandelijkse inhouding op de Nederlandse uitkering, maar hierover geen overeenstemming kan worden bereikt door de Belastingdienst en uitkeringsinstanties.

Bij de Belastingdienst/Toeslagen is bekend dat er in het buitenland aanvragers zijn van een zorgtoeslag, die problemen hebben met het terugbetalen van teveel ontvangen zorgtoeslag. Deze problemen worden onder andere veroorzaakt door buitenlandse verboden voor de uitvoer van deviezen, valutaverschillen of hoge kosten die door banken voor de terugbetaling van de zorgtoeslag in rekening worden gebracht. Om tegemoet te komen aan deze problemen zijn de Belastingdienst en de Sociale Verzekeringsbank overeengekomen, dat op verzoek van de toeslaggerechtigde de toeslag verrekend kan worden met een uitkering van de Sociale Verzekeringsbank. De toeslaggerechtige kan daarbij gebruikmaken van de standaardbetalingsregeling, dat wil zeggen dat de verrekening uitgesmeerd kan worden over een periode van maximaal 24 maanden.

Wat betreft het zogenaamde Niet in Nederland belastbaar inkomen (NiNbi) het volgende. Voor het vaststellen van het Niet in Nederland belastbaar inkomen maakt de Belastingdienst gebruik van de opgave van het wereldinkomen van de toeslaggerechtigden. Na afloop van het toeslagjaar stuurt de Belastingdienst het NiNbi-formulier toe aan de toeslaggerechtigden. Indien dit formulier incorrect wordt ingevuld of niet wordt teruggestuurd, dan stelt de Belastingdienst ambtshalve het wereldinkomen vast. Dit kan tot gevolg hebben dat de zorgtoeslag wordt stopgezet en al ontvangen zorgtoeslag moet worden terugbetaald. De Belastingdienst/Toeslagen is over de terugbetalingsproblematiek in gesprek met de Stichting Steun Remigranten. Recentelijk is in een gesprek meegedeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen en de Sociale Verzekeringsbank terug te betalen toeslagen gaan verrekenen met uitkeringen van de Sociale Verzekeringsbank.

De heer Omtzigt heeft gevraagd hoeveel procent van de ambtshalve en niet-ambtshalve genomen beschikkingen ten aanzien van de formulieren «wereldinkomen» juist zijn. Voor het vaststellen van het Niet in Nederland belastbaar inkomen (Ninbi) maakt de Belastingdienst gebruik van de opgave van het wereldinkomen van de toeslaggerechtigden. Na afloop van het toeslagjaar stuurt de Belastingdienst hiertoe het NiNbi-formulier aan de toeslaggerechtigden. De niet-ambtshalve genomen beschikkingen worden genomen op basis van het wereldinkomen dat door de burger is opgegeven. De Belastingdienst gaat er vanuit dat deze juist is, omdat dit uit de meest betrouwbare bron komt: de burger zelf. Indien dit formulier incorrect wordt ingevuld of niet wordt teruggestuurd, dan stelt de Belastingdienst ambtshalve het wereldinkomen vast. Om te voorkomen dat ten onrechte toeslagen worden toegekend, stelt de inspecteur hierbij het inkomen vast op een hoogte waar er geen recht bestaat op zorgtoeslag. Via bezwaar en beroep kan de belastingplichtige altijd nog terugkomen op het vastgestelde inkomen. Ongeveer 92% van de aangiften wereldinkomen leidt niet tot bezwaar en beroep.

De heer Omtzigt heeft gevraagd hoeveel de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet bedraagt voor iemand in Marokko met een uitkering van € 500 per maand en hoe deze bijdrage zich verhoudt tot de administratieve lasten. Deze vraag zal worden doorgeleid naar de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) die hiervoor verantwoordelijk is.

De heer Omtzigt heeft aandacht gevraagd voor de complexiteit van de formulieren die de Belastingdienst gebruikt. De heer Omtzigt ontvangt graag een lijst van de vijftien meest gebruikte schriftelijke formulieren en webformulieren van de Belastingdienst en de toezegging dat zij zodanig zullen worden vereenvoudigd dat zij voldoen aan het B1-taalniveau. De Belastingdienst beschikt over ongeveer 1800 formulieren. Veelgebruikte formulieren worden vooraf altijd in de doelgroep getest en indien nodig aangepast. Daardoor zijn de formulieren van de Belastingdienst op dit moment voldoende begrijpelijk voor de doelgroep. Dat formulieren moeten voldoen aan het B1-taalniveau is een misverstand. Het B1-taalniveau is geen gangbaar toetskader voor de begrijpelijkheid van formulieren. De betreffende indeling in taalniveaus van de Raad van Europa is specifiek voor de doelgroep inburgerende allochtonen (tweedetaalverwervers) ontwikkeld. Het B1-taalniveau is daarbij niet geschikt voor formele overheidscommunicatie. Het toetsen van formulieren (tenslotte een zeer specifieke vorm van taal) aan specifiek dit taalniveau lijkt me daarom niet de geëigende weg om te beoordelen of formulieren van de Belastingdienst op eenvoudige wijze opgesteld zijn. Belangrijker is, dat de documenten van de Belastingdienst in het algemeen en de formulieren in het bijzonder begrijpelijk zijn voor de doelgroep. Het testen van een formulier op de doelgroep acht ik dan ook een effectiever toetskader.

Overzicht van de meest gebruikte formulieren (schriftelijk/webformulier)

Formulier

Machtiging automatische afschrijving voorlopige aanslag

Aangifte Particulieren 2007

Bezwaarschrift IB 2008 IB/PV Voorlopige aanslag (n.a.v. voorlopige aanslag na schattingsformulier)

Voorloopvel (hoort als adresdrager bij schattingsformulier ondernemers en moet ondertekend worden teruggestuurd)

Schattingsformulier Ondernemers 2007/2008

Aangifte E 2007

Opgaaf rekeningnummer/koppeling met BSN

Verzoek VT 2008

Wijziging huurprijs huurtoeslag 2008

Wijziging Zorgtoeslag 2008

Opgaaf Elektronische handtekening

Opgaaf rekeningnummer/koppeling met BSN/FN

Aangifte T 2007

Wijziging Huurprijs huurtoeslag 2008

Opgaaf van uitbetaalde bedragen aan een derde in 2007

Wijziging Huurtoeslag 2008

Aangifte Tj 2007

Eerstedagsmelding

Aanvraag/wijziging Zorgtoeslag

Opgaaf rekeningnummer teruggaaf

Opgaaf wereldinkomen (Ninbi) 2007

De heer Van Dijck heeft gevraagd om de door mij voorgestelde maatregelen af te zetten tegen hetgeen in andere landen van de Europese Unie gebeurt. In beginsel behoort belastingheffing binnen de Europese Unie, voor zover er geen sprake is van harmonisatie, tot de bevoegdheid van de lidstaten zelf. De door de lidstaten genomen maatregelen dienen echter wel in overeenstemming te zijn met de in het EG-verdrag opgenomen bepalingen. De in dit wetsvoorstel opgenomen maatregelen zijn dan ook, zoals gebruikelijk bij wetsvoorstellen op fiscaal terrein, beoordeeld op hun Europeesrechtelijke houdbaarheid.

Bij belastingen waarbij geen sprake is van harmonisatie bestaat er geen Europeesrechtelijke verplichting om de nationale wetgevingen op elkaar af te stemmen. Desalniettemin worden, onder meer met het oog op de Nederlandse concurrentiepositie, bij de vormgeving van de Nederlandse wetgeving de ontwikkelingen in andere Europese landen nauwlettend in de gaten gehouden.

Een groot deel van de zogenoemde indirecte belastingen is wel geharmoniseerd. Dit geldt bijvoorbeeld voor de btw, de energiebelasting en de accijnzen. Bij deze belastingen zijn door de lidstaten van de Europese Unie richtlijnen vastgesteld, waarmee de nationale wetgevingen van de lidstaten in overeenstemming dienen te zijn. Gevolg van deze harmonisatie is dat de wetgeving van de andere landen van de Europese Unie met betrekking tot deze belastingen grotendeels overeenkomt met de Nederlandse wetgeving.

De Europese Commissie heeft in haar rol als hoeder van de verdragen tot taak te controleren of de lidstaten de Europese regelgeving nauwgezet naleven. Indien dat niet het geval is, start de Commissie een inbreukprocedure die kan leiden tot een veroordeling door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Nederland spant zich in om zijn wetgeving zoveel als nodig is in lijn te brengen en te houden met dwingende bepalingen van Europees recht. Een veroordeling door het Europese Hof van Justitie kan namelijk een schadevergoeding of zelfs een dwangsom tot gevolg hebben. Een rol voor Nederland als «stoutste jongetje van de klas», waar de heer Van Dijck aan refereert, lijkt dan ook niet alleen strijdig met de Europese gedachte maar zou bij een veroordeling ook nog negatieve gevolgen voor de schatkist kunnen hebben.

De heer Cramer vraagt om een visie over de bijdrage die het belastingplan kan leveren aan het creëren van economische stabiliteit. Het belastingplan moet worden gezien als een onderdeel van het integrale kabinetsbeleid, dat gericht is op het creëren van economische stabiliteit. In dat licht moet bijvoorbeeld het op nihil stellen van de WW-premie voor werknemers en het niet doorgaan van de eerder aangekondigde BTW-verhoging worden gezien. De financiële crisis overschaduwt op dit moment vele problemen. Maar dat betekent niet dat die opeens verdwenen zijn. Vraagstukken als een duurzaam leefmilieu en de houdbaarheid van de overheidsfinanciën blijven om een oplossing vragen. De doelstellingen van het kabinet met dit belastingplan winnen juist in deze tijden van financiële crisis aan belang. Die doelstellingen zijn het bevorderen van arbeidsparticipatie en ondernemerschap, fiscale vergroening en vereenvoudiging. Door te blijven werken aan deze doelstellingen draagt het kabinet eraan bij dat Nederland als de crisis wat luwt, met een sterkere fiscale structuur in de wereld staat.

Mevrouw Koşer Kaya vraagt wat speur- en ontwikkelingswerk is en welk budgettair beslag daarbij hoort.

Onder speur- en ontwikkelingswerk in de zin van de WBSO wordt – kort gezegd – verstaan:

• technisch-wetenschappelijk onderzoek;

• de ontwikkeling van voor het bedrijf technisch nieuwe (onderdelen van) fysieke producten, fysieke productieprocessen, of programmatuur;

• het uitvoeren van een systematisch opgezette analyse van de technische haalbaarheid van het zelf verrichten van speur- en ontwikkelingswerk;

• het onder bepaalde voorwaarden uitvoeren van een technisch onderzoek naar een substantiële wijziging van een productiemethode of modellering van processen.

De faciliteiten voor speur- en ontwikkelingswerk zijn dus gericht op het stimuleren van innovatie. Het budget voor deze faciliteiten voor 2008 is € 425 miljoen. Onderdeel van het coalitieakkoord is een intensivering van de WBSO in de komende jaren om innovatie verder te stimuleren. Ten opzichte van 2008 wordt het budget in 2009 verhoogd met € 39 miljoen, in 2010 met € 58 miljoen en vanaf 2011 met € 115 miljoen. Van het extra budget voor 2009 wordt € 20 miljoen benut voor de uitbreiding van de WBSO. Deze uitbreiding houdt in dat de WBSO ook zal gelden voor werkzaamheden gericht op het op technisch nieuwe wijze laten samenwerken of integreren van bestaande programmatuur die binnen de eigen onderneming is ontwikkeld en wordt toegepast. De resterende € 19 miljoen is nodig voor de autonome groei van het budget vanwege loonstijgingen en de aanpassing van de berekeningswijze van de loonsom. Voor de volgende tranches van de intensiveringen wordt gedacht aan een eventuele verdere verbreding van de definitie van S&O (afhankelijk van de ervaringen met de intensivering van 2009), een impuls voor doorgroeiende bedrijven, een eventuele verhoging van de grens tot waar bedrijven kunnen profiteren van de hoogste aftrekpost, een verhoging van het plafond van 8 tot 8,5 miljoen en het aantrekkelijker maken van de WBSO voor zelfstandigen. De uiteindelijke voorstellen zullen in het belastingplan voor het desbetreffende jaar worden opgenomen.

2. Ondernemerschap (Belastingplan 2009)

De heer Tang verwijst naar de notitie over het onderscheid tussen ondernemers en werknemers. Hij vraagt daarbij aandacht voor de positie van zzp-ers. Ook wijst hij op het gevaar van schijnzelfstandigheid. Ook de heer Irrgang vraagt hier aandacht voor. De heer Tang vraagt of deze notitie niet te laat komt.

Het kabinet heeft het EIM onderzoek laten doen naar de motieven om als zelfstandige aan de slag te gaan. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal binnenkort dit onderzoek inclusief een kabinetsreactie naar uw Kamer zenden. Daarnaast zal ik u op korte termijn een eerste analyse sturen van de fiscale behandeling van verschillende arbeidsrelaties. Ik wil daarover graag uitgebreid met u van gedachten wisselen. Mede naar aanleiding daarvan zal het kabinet verschillende oplossingsrichtingen verkennen. Ook wil ik daarbij spreken met organisaties van betrokkenen. De heer Irrgang geeft met zijn vragen naar de relatie met het mogelijk op termijn loslaten van het urencriterium en de automatische verlening van de VAR al aan in welke spagaat wij ons bevinden. Enerzijds wil het kabinet – evenals uw Kamer – ondernemerschap stimuleren. Ondernemerschap is namelijk van groot belang voor de groei van onze economie. Anderzijds willen we uiteraard niet mede door bepaalde fiscale stimulansen (zoals financiële voordelen of verklaringen) mensen richting ondernemerschap «duwen» die zich daar verder niet goed bij voelen noch bewerkstelligen dat arbeidsrelaties die in feite dienstverbanden zijn tot ondernemerschap worden omgevormd. Het stimuleren van ondernemerschap betekent voor het kabinet niet simpelweg het aantal ondernemers opschroeven, door bijvoorbeeld definities te verruimen. Wel betekent het dat het kabinet inzet op een goed ondernemersklimaat waarin mensen met ondernemerszin kunnen floreren. Daarbij is van belang dat fiscale afbakeningen en faciliteiten nog aansluiten bij de huidige arbeidsmarkt. Mevrouw Koşer Kaya vraagt in dit kader naar de sociale verzekeringsregels. Ook dit raakt aan de afbakeningen die gehanteerd worden tussen ondernemer en werknemer.

Met betrekking tot de beperking van de afschrijving op gebouwen tot 50% van de WOZ waarde (werken aan winst) zou de heer Remkes het op prijs stellen als in 2009 aan uw Kamer gerapporteerd zou kunnen worden hoe de afschrijvingsbeperking uitwerkt, wat de effecten zijn en wat het kabinet eraan denkt te doen als de effecten negatief uitpakken zoals niet beoogd maar destijds wel gevreesd. De beperking van de afschrijving op gebouwen vormde een belangrijk onderdeel van de dekkingsmaatregelen voor de tariefverlaging die is gerealiseerd via de Wet werken aan winst. Desgevraagd heeft het Centraal Planbureau aangegeven dat een algehele evaluatie van de Wet werken aan winst bij ontstentenis van uitvoeringsgegevens of nieuwe inzichten ten aanzien van de Wet werken aan winst op korte termijn niet zinvol is. Daarnaast is het zo dat bij ex-post analyses van dit soort beleid het altijd moeilijk is om de effecten van het beleid te isoleren van andere invloeden zoals het profijt, ook bij deze bedrijven, van een algeheel lager tarief. Overigens vindt er tussen de Belastingdienst en sectororganisaties wel overleg plaats over praktische problemen bij de toepassing van de nieuwe afschrijvingsregels.

De heer Remkes geeft aan dat in de brief over de modernisering van de successiewet geen aandacht is besteed aan het element van goodwill bij waardering van een onderneming bij schenking of overlijden en vraagt hier aandacht voor. Deze problematiek is ook aan de orde gekomen in de nota naar aanleiding van het verslag naar aanleiding van een voorstel van het VNO-NCW1 om bij de waardering van een onderneming goodwill buiten beschouwing te laten. Ik heb daar toen als volgt op gereageerd. De faciliteit voor bedrijfsopvolging is in het leven geroepen om te voorkomen dat de continuïteit van de onderneming in gevaar komt door de heffing van successie- of schenkingsrecht. De vrijstelling van 75% van het ondernemingsvermogen zorgt er voor dat de vermogens- en liquiditeitspositie van een onderneming niet noemenswaardig wordt aangetast door betaling van schenkings- of successierecht. De vraag is nu of het wenselijk is om vóór de toepassing van de vrijstelling het ondernemingsvermogen af te waarderen, door de daarin begrepen voor overdracht vatbare goodwill buiten beschouwing te laten. Hiervoor zou aanleiding zijn indien de goodwill voor de ondernemer of de aandeelhouder geen toegevoegde waarde heeft zolang de onderneming wordt voortgezet. Dat is niet het geval. De aanwezigheid van goodwill komt van jaar tot jaar tot uiting in de winsten van de onderneming. Het elimineren van goodwill zou bovendien kunnen leiden tot een ongelijke behandeling tussen bedrijven met een hoge intrinsieke waarde en bedrijven waarbij de waarde voornamelijk uit goodwill bestaat. Extreem gesteld zou dit er toe leiden dat aan een slagerswinkel met een eigen pand voor het successierecht een hogere waarde wordt toegekend dan aan bijvoorbeeld een internetbedrijf als marktplaats.nl dat, als men de media mag geloven, in 2004 voor € 225 miljoen is verkocht aan eBay. Ten slotte speelt een negatieve goodwill een belangrijke rol in de landbouwsector. Landbouwbedrijven hebben vaak een hoge intrinsieke waarde en een relatief lage winst. Veelal wordt dit veroorzaakt door de hoge waarde van landbouwgrond. In de huidige faciliteit voor bedrijfsopvolging wordt deze negatieve goodwill als waardedrukkende factor in aanmerking genomen. Waardering op intrinsieke waarde zou voor deze sector een forse lastenverzwaring betekenen. Het voornemen is overigens VNO-NCW en MKB-Nederland uit te nodigen om hun ideeën met betrekking tot de bedrijfsopvolgingsregeling op ambtelijk niveau te bespreken.

De heer Irrgang mist in het belastingplan voorstellen om de renteaftrek te beperken en vraagt wanneer concrete maatregelen verwacht mogen worden. Zoals eerder aangegeven ben ik bezig met een onderzoek naar de verdeling van de Vpb-druk. De uitkomsten hiervan worden bezien in de bredere context van enerzijds de noodzaak van een aantrekkelijk fiscaal vestigingsklimaat en anderzijds de vraag in hoeverre er sprake is van ongewenste grondslaguitholling door (bijvoorbeeld) renteaftrek. Dit betreft complexe problematiek met potentieel ingrijpende gevolgen voor het Nederlandse bedrijfsleven. Zeker in de huidige onzekere economische omstandigheden, vergt dit een zorgvuldige analyse. Ik heb toegezegd een notitie met deze analyse aan de Tweede Kamer te sturen. Voor zover die analyse daartoe aanleiding geeft, zal ik dan tevens voorstellen doen.

Mevrouw Sap vraagt welke organisaties worden geraadpleegd bij de consultatie van het bedrijfsleven over het verleggen van de prikkels naar doorgroeiers en startende ondernemers met de ambitie om door te groeien. Zij vraagt om de toezegging dat zelfstandigen zonder personeel vertegenwoordigd zullen zijn. De heer Omtzigt vraagt of naast VNO-NCW en MKB Nederland ook LTO Nederland wordt geraadpleegd. Voorts vraagt hij naar het tijdpad voor de consultatie.

Als vertegenwoordigers van het bedrijfsleven worden in ieder geval VNO-NCW en MKB Nederland geraadpleegd. Aan LTO Nederland heb ik aangegeven dat zij deel kunnen nemen aan dit overleg. Met de drie eerder genoemde organisaties heb ik al verkennende gesprekken gevoerd, maar ik zal deze gesprekken verder concreet gaan invullen. Verder ben ik van plan om via werkbezoeken direct van ondernemers zelf, van klein tot middelgroot inclusief zelfstandigen, te horen wat er op dit punt leeft. Daarnaast zullen zodra de richting concreter wordt, ook organisaties van zelfstandigen zonder personeel worden geraadpleegd, zoals het Platform Zelfstandige Ondernemers (PZO).

Het streven is om eind dit jaar en in de loop van volgend jaar met de verschillende vertegenwoordigers, maar dus ook met ondernemers en zelfstandigen zelf, te spreken, zodat hun inbreng kan worden meegenomen bij de besluitvorming over eventuele maatregelen voor het Belastingplan 2010.

Mevrouw Sap is het eens met de suggestie van VNO-NCW en MKB Nederland om een fundamentelere discussie te voeren over hoe met ondernemerschap moet worden omgegaan. Het gaat haar erom te komen tot een systematiek die ondernemerschap beter stimuleert, zonder de rekening bij kleine ondernemers te leggen. Zij vraagt een reactie hierop.

Ik sta open voor nieuwe ideeën. De consultatie is juist bedoeld om er voor te zorgen dat (nieuwe) ideeën die leven bij bijvoorbeeld het bedrijfsleven voor het voetlicht worden gebracht. Bij uiteindelijke keuzes spelen natuurlijk ook randvoorwaarden, zoals het budgettaire beslag, een rol. Gegeven het relatief beperkte beschikbare budget betekent de wens om kleine ondernemers te ontzien dat een aanpassing van de systematiek binnen smalle marges zou moeten plaatsvinden.

De heren Omtzigt en Van Dijck vragen om een reactie waarin het door VNO-NCW en MKB Nederland gesuggereerde alternatief voor het urencriterium waarbij de ondernemersfaciliteiten voortaan van toepassing zijn naar de verhouding van het inkomen uit winst uit onderneming ten opzichte van de totale inkomsten uit tegenwoordige arbeid, nog wat uitgebreider aan de orde komt.

Deze toerekeningsregel zou als volgt luiden: (winst uit onderneming)/(winst uit onderneming + inkomsten uit tegenwoordige arbeid) x ondernemersfaciliteiten. Als bij een dergelijke toerekeningsregel het urencriterium zou verdwijnen, zouden deeltijd- en hybride ondernemers in aanmerking komen voor (een deel van) de ondernemersfaciliteiten. Tevens zouden ondernemersfaciliteiten worden beperkt als een ondernemer voor zijn levensonderhoud niet volledig afhankelijk is van zijn onderneming, maar daarnaast ander arbeidsinkomen heeft. Dit zijn op zich sympathieke aspecten van dit voorstel.

Aan een dergelijke toerekeningsregel kleeft echter ook een aantal nadelen. Ten eerste is er een verschil in uitkomst tussen een deeltijd- en een hybride ondernemer. Hybride ondernemers (ondernemers die naast hun onderneming bijvoorbeeld loon uit dienstbetrekking genieten) worden bij toepassing van deze regel altijd gekort op de ondernemersfaciliteiten. Hoewel hier wat voor te zeggen valt, is dit mogelijk onevenwichtig ten opzichte van de effecten voor deeltijdondernemers. Deeltijdondernemers hebben namelijk geen andere inkomsten. Hierdoor kunnen zij dus altijd de volledige ondernemersfaciliteiten (zoals de zelfstandigenaftrek) in aanmerking nemen. Omdat deeltijdondernemers veelal lage winsten hebben, betekent dit feitelijk een permanente belastingvrijstelling. Ten tweede kan een consequente rekenkundige toepassing van een dergelijke toerekeningsregel nadelig uitwerken voor ondernemers met daarnaast ander arbeidsinkomen. In een verliessituatie zou de zelfstandigenaftrek dan namelijk kunnen omslaan in een zelfstandigenbijtelling, tenzij in verliessituaties voor de toepassing van de formule het verlies wordt gesteld op nihil. En als de winst precies nul is, kunnen er ook geen faciliteiten in aanmerking worden genomen. Ten derde genereert ook ander inkomen dan arbeidsinkomen uit tegenwoordige arbeid draagkracht. Dat betekent dat de vraag moet worden beantwoord waarom een ondernemer met ander arbeidsinkomen uit tegenwoordige arbeid minder recht heeft op ondernemersfaciliteiten dan een vergelijkbare ondernemer die pensioeninkomen geniet of vermogensinkomen dat in box 3 wordt belast. Tot slot gaat van de invoering van een toerekeningsregel een aanzuigende werking uit op resultaatgenieters. Het wordt immers aantrekkelijk om resultaat als winst uit onderneming te presenteren. De controle door de Belastingdienst zal zich dan verplaatsen van het urencriterium, waarbij de bewijslast bij de belastingplichtige ligt, naar de veel moeilijker te toetsen bronvraag: is er sprake van winst uit onderneming. Op het eerste gezicht zijn er dus zowel voorals nadelen. Deze aspecten kunnen in de consultatie nader aan de orde komen.

De heer Van der Vlies vraagt naar de inkomenseffecten bij winst onder de € 30 000. Daarbij citeerde de heer Van der Vlies een passage uit de SZW-begroting, (die ook vermeld staat in de nota naar aanleiding van het verslag) waarin wordt gesteld dat nagenoeg alle IB-ondernemers die aan het urencriterium voldoen en belasting betalen, erop vooruit gaan. Het effect loopt op van ongeveer + 0,1% bij een winst van € 30 000 tot ongeveer 0,4% bij een winst van € 65 000. Deze passage heeft betrekking op de maatregelen, zoals opgenomen in het voorliggende belastingplan, te weten: stabilisatie van de zelfstandigenaftrek, verhoging van de startersaftrek en verhoging van de MKB-winstvrijstelling tot 10,7%. De effecten van dit pakket op de winst na belasting nemen tussen de € 18 000 en de € 30 000 geleidelijk toe van 0 naar 0,1%. Voltijds zelfstandigen met een winst van minder dan € 18 000 betalen geen inkomstenbelasting. Hun winst na belasting verandert dus niet.

Mevrouw Koşer Kaya vraagt naar de inspanningen van het kabinet op het terrein van aanbesteding door het midden- en kleinbedrijf. Het kabinet vindt het belangrijk dat ook zzp-ers toegang hebben tot overheidsopdrachten. Daarvoor is het van belang dat aanbestedende diensten bij aanbestedingen slechts die eisen stellen die aansluiten bij de wensen van de opdracht. Dit mag van een professionele aanbestedende dienst worden verwacht. Door professioneel – met het oog op de wensen van de opdracht – aan te besteden, wordt voorkomen dat een zzp-er ten onrechte wordt uitgesloten.

Het kabinet vindt het daarom noodzakelijk dat aanbestedende diensten verder professionaliseren en de hiervoor noodzakelijke praktische ondersteuning kunnen krijgen. Deze ondersteuning verleent PIANOo (Professioneel en Innovatief Aanbesteden, Netwerk voor Overheidsopdrachtgevers). PIANOo helpt aanbestedende diensten bijvoorbeeld bij het formuleren van de bij een aanbesteding te stellen (selectie)criteria, zodat deze niet onnodig scherp worden gesteld. Om deze ondersteuning voor aanbestedende diensten door te zetten, is onlangs besloten PIANOo voort te laten bestaan voor opnieuw een periode van drie jaar. Daarnaast zal de minister van Economische Zaken in het nieuwe voorstel voor de Aanbestedingswet maatregelen voorstellen om de administratieve lasten voor inschrijvers op een overheidsopdracht te verlagen. Met een verlaging van de administratieve lasten wordt tevens de drempel voor zzp-ers om zich in te schrijven op overheidsopdrachten verlaagd.

De heer Omtzigt vraagt naar de voordelen van het omzetten van de zelfstandigenaftrek in de MKB-winstvrijstelling. Hij vraagt hierbij metname naar de gevolgen in verliessituaties en naar de gevolgen voor de heffingskortingen.

De zelfstandigenaftrek is een aftrekpost. Een aftrekpost verlaagt de belastinggrondslag (in dit geval winst), waardoor ook de belasting over dit inkomen (in dit geval winst) wordt verlaagd. In een verliessituatie wordt het verlies vergroot. Verder is van belang dat de zelfstandigenaftrek degressief is, waardoor bij lage winsten (en verlies) een hogere aftrek in aanmerking kan worden genomen dan bij hogere winsten. Sommige ondernemers betalen mede hierdoor pas inkomstenbelasting als hun winst hoger is dan circa € 18 000.

De MKB-winstvrijstelling houdt in dat een vast percentage van de winst wordt vrijgesteld. Over het vrijgestelde deel hoeft geen belasting te worden betaald. Het voordeel neemt- in combinatie met het progressieve tarief – dus toe naarmate de winst toeneemt. Verder wordt in een verliessituatie een deel van het verlies vrijgesteld. Dit deel kan niet worden verrekend met ander inkomen uit hetzelfde jaar of inkomen behaald in een ander jaar. Deze effecten zijn vergelijkbaar met een tariefverlaging voor winstinkomen. In onderstaande tabel is weergegeven hoe deze effecten in 2008 uitwerken op de belastingheffing voor de IB-ondernemer.

Tabel: te betalen belasting bij verschillende winstniveaus, 2008 (alleenstaande voltijdondernemer zonder kinderen)

Winst uit onderneming10 00020 00030 00040 00050 00080 000100 000
Zelfstandigenaftrek9 0966 9686 9686 9686 9684 4124 412
MKB vrijstelling901 3032 3033 3034 3037 5599 559
Belastbare winst81411 72920 72929 72938 72968 02986 029
Inkomstenbelasting voor hef.kort.2733 9417 22510 99114 76828 49237 852
Algemene heffingskorting2 0742 0742 0742 0742 0742 0742 074
Arbeidskorting3271 4431 4431 4431 4431 4431 443
Te betalen inkomstenbelasting4243 7087 47411 25124 97534 335
Winst na belasting10 00019 57626 29232 52638 74955 02565 665

Het voordeel van het omzetten van de zelfstandigenaftrek in een verhoging van de MKB-winstvrijstelling is dat het maken van meer winst fiscaal wordt beloond. Dit stimuleert doorgroeien. Verder kan een vereenvoudiging worden bereikt doordat twee regelingen (zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling) waarvoor het urencriterium geldt, worden vervangen door één regeling waarvoor kan worden overwogen het urencriterium te schrappen. Dit betekent dat ook deeltijdondernemers en hybride ondernemers in aanmerking kunnen komen voor de verhoogde MKB-winstvrijstelling. Daar staat tegenover dat voltijdondernemers (die aan het urencriterium voldoen) die in één of meerdere jaren lage winsten of verliezen realiseren in die jaren niet meer fiscaal worden gesteund via een hoge zelfstandigenaftrek. De zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling werken beide niet door naar inkomensafhankelijke heffingskortingen zoals de arbeidskorting. Deze kortingen grijpen namelijk aan bij een inkomensbegrip dat uitgaat van de winst uit onderneming, vóór toepassing van de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Deze worden pas in aanmerking genomen bij het bepalen van de belastbare winst uit onderneming. Het omzetten van de zelfstandigenaftrek in de MKB-winstvrijstelling heeft dus geen gevolgen voor de hoogte van bijvoorbeeld de arbeidskorting.

De heer Omtzigt vraagt naar de positie van de terbeschikkingsteller. Dit tegen de achtergrond van het voornemen om de zelfstandigenaftrek om te zetten in de MKB-winstvrijstelling. In dit verband verwijst hij naar de column van de heer Stevens in het FD d.d. 17-10-2008.

In de bedoelde column neemt de heer Stevens het standpunt in dat de belastingdruk voor terbeschikkingstellers niet meer evenwichtig is na de invoering van de MKB-winstvrijstelling en de verlaging van het vennootschapsbelastingtarief per 1 januari 2007. In de nota naar aanleiding van het verslag is toegelicht waarom er in de Wet werken en winst voor is gekozen om de MKB-winstvrijstelling alleen voor IB-ondernemers te laten gelden. Zoals daar is opgemerkt, zal in de toegezegde notitie over de fiscale en sociale verzekeringspositie van de directeur-grootaandeelhouder nader worden ingegaan op de terbeschikkingstellingsregeling en de relatie van deze regeling met de MKB-winstvrijstelling.

De heer Irrgang verwacht dat het ontzettend moeilijk is om het idee van een loonsomheffing te realiseren, ook omdat de huidige loonbelasting vaak eindheffing is, wat belangrijk is voor de burgers. Ik merk op dat dit inderdaad een belangrijk aandachtspunt is, al is het inmiddels zo dat veel werknemers na de inhouding van loonbelasting toch een aangifte inkomstenbelasting invullen, bijvoorbeeld in verband met de aanspraak die zij kunnen maken op heffingskortingen en/of (persoonsgebonden) aftrekposten. Het kabinet onderzoekt op dit moment de mogelijkheid van een gesplitste heffing over één loonbegrip waarbij de inhouding van loonbelasting/premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet bij werknemers plaatsvindt, terwijl de premies werknemersverzekeringen en de werkgeversbijdragen in de Zorgverzekeringswet door de werkgevers worden betaald.1 Hierbij wordt geen wijziging van het karakter van de loonbelasting en het systeem van eindheffing voorzien.

Naar aanleiding van de opmerking van de heer Irrgang over de doorrekening van de concrete effecten van de voorstellen van de heren De Kam en Stevens merk ik op dat onderzoek plaatsvindt naar de harmonisering van loonbegrippen. Er zijn verschillende mogelijkheden om de verschillen tussen de loonbegrippen (de discoördinatiepunten) op te heffen, waaronder de genoemde voorstellen. Deze mogelijkheden worden doorgerekend en uw Kamer wordt over de uitkomsten daarvan in het voorjaar van 2009 geïnformeerd.

De heer Van Dijck vraagt waarom de WBSO wordt geïntensiveerd en of een intensivering van de WBSO de innovatie daadwerkelijk bevordert.

De WBSO-regeling is vorig jaar geëvalueerd door het Economisch Instituut Midden- en kleinbedrijf (EIM). Daarin is geconcludeerd dat de WBSO een goed functionerende regeling is die de private uitgaven aan speur- en ontwikkelingswerk bevordert. Dit wordt cijfermatig onderbouwd in het evaluatierapport. De evaluatie is tijdens een algemeen overleg op 5 juli 2007 in de Tweede Kamer behandeld.2 De bredere toepassing van de WBSO per 1 januari 2009 speelt in op de ontwikkeling dat steeds vaker wordt gestreefd naar innovatie in programmatuur waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande programmatuur. De verruiming is onder andere van belang voor de ontwikkeling van innovatieve diensten.

Met betrekking tot de twee voorgestelde maatregelen over de zeescheepvaart hebben de heren Irrgang en Omtzigt een vraag gesteld. De heer Irrgang merkt op dat het wenselijk is een einde te maken aan de race to the bottom door in Europees verband af te spreken deze race te stoppen. De heer Omtzigt heeft vervolgens gevraagd of de Europese Commissie inmiddels gereageerd heeft op de notificatie van de twee maatregelen.

In reactie hierop kan ik meedelen dat een race to the bottom wordt voorkomen doordat maatregelen ter ondersteuning van de zeescheepvaart altijd eerst ter goedkeuring dienen te worden voorgelegd aan de Europese Commissie. De Europese Commissie toetst namelijk of de maatregelen voldoen aan de richtsnoeren inzake staatssteun voor het zeevervoer3 en waakt over de intracommunautaire concurrentieverhoudingen. Dit doet zij door de regeling in zijn totaliteit, mede in de context van de regelingen in andere landen, te beoordelen. Op deze wijze wordt zoveel mogelijk een level playing field gecreëerd en worden concurrentieverstoringen tussen de lidstaten tegengegaan. De in het belastingplan opgenomen maatregelen, waar de heer Omtzigt naar vraagt, zijn in september bij de Commissie aangemeld en deze procedure loopt thans. Inmiddels heeft de Europese Commissie om nadere informatie gevraagd, die zo spoedig mogelijk door het ministerie van Verkeer en Waterstaat zal worden verstrekt. Hierna hopen we zo snel mogelijk goedkeuring te krijgen voor de twee voorgestelde maatregelen.

De heer Van der Vlies vraagt of het kabinet wil onderzoeken welke maatregelen nodig zijn om de Tante Agaath-regeling te verbeteren. Hij stelt in dat verband de vraag of ik bereid ben te onderzoeken in hoeverre het bedrag per uitlener moet worden verhoogd. Een dergelijk onderzoek met betrekking tot de Tante Agaath-regeling (durfkapitaalregeling) waar de heer Van der Vlies naar vraagt, is reeds uitgevoerd. De durfkapitaalregeling is namelijk recent nog als belastinguitgave geëvalueerd (2006). Uit die evaluatie is gebleken dat de gemiddelde omvang van een Tante Agaath-lening (directe variant durfkapitaallening) circa € 50 000 bedraagt. Slechts ongeveer één op de zes beleggers heeft meer dan € 100 000 in startende ondernemingen belegd. Dat betekent dat een ruime meerderheid van de beleggers blijft binnen de «kritische grenzen» van de Tante Agaath-regeling, te weten € 54 223 (voor fiscale partners €108 446). Ook andere knelpunten zijn uit de evaluatie van de durfkapitaalregeling niet naar voren gekomen.

3. Inkomensbeleid (Belastingplan 2009)

Doorwerkbonus

De heer Irrgang vraagt naar het effect van de doorwerkbonus op de houdbaarheid. De doorwerkbonus beoogt in eerste instantie de arbeidsparticipatie van ouderen vanaf 62 jaar te verhogen. Het houdbaarheidseffect van deze verhoogde participatie door de bonus op de houdbaarheid wordt door het CPB geschat op 0, maar dit na afronding op tienden van procentpunten. De doorwerkbonus wordt bovendien conform de gebruikelijke begrotingssystematiek verwerkt op het moment dat deze wordt ingevoerd (2009). Daarom wordt voor de doorwerkbonus – net zoals bij andere maatregelen die conform de gebruikelijke systematiek worden verwerkt – geen apart houdbaarheidseffect geboekt.

Mevrouw Sap vraagt wanneer de overheid haar verantwoordelijkheid neemt met betrekking tot de zogenoemde 64.11-problematiek. Hiermee wordt gedoeld op de omstandigheid dat de ABP-regeling nog steeds een prikkel bevat om bij het bereiken van de leeftijd van 64 jaar en 11 maanden te stoppen met werken. Anders dan kennelijk door mevrouw Sap wordt verondersteld, kan de overheid niet eenzijdig de ABP-regeling aanpassen. Hiervoor is overeenstemming nodig tussen de vertegenwoordigers van overheidswerkgevers- en werknemers. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de huidige fiscale wet- en regelgeving geen belemmering is voor de door mevrouw Sap beoogde – en ook door het kabinet wenselijk geachte – aanpassing.

De heer Omtzigt vraagt naar de effecten van het wetsvoorstel van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de premiekortingsregeling voor ouderen op de loonkosten van de werkgever. In aanvulling op hetgeen gemeld is in de nota naar aanleiding van het verslag bij het Belastingplan 2009 krijgt de werkgever op basis van het door de heer Omtzigt aangehaalde wetsvoorstel een premiekorting voor het in dienst hebben van werknemers van 62 jaar of ouder voor de maximale duur van drie jaar. Deze premiekorting bedraagt € 2 750 per jaar in de periode 2009 tot 2012 en zal in de jaren daarna € 6 500 per jaar bedragen.

Leeftijd werknemer63 jaar55 jaar
Bruto inkomen40 00040 000
Pensioen wg4 4584 458
ZVW wg2 2332 233
AWF wg917917
WGF wg524524
WAO wg277277
Afdrachtkorting2 750
Loonkosten totaal45 65948 409

De heer Omtzigt vraagt of het toetsingskader van belastinguitgaven is toegepast op de doorwerkbonus en wat hiervan de uitkomsten zijn. Het toetsingskader van de belastinguitgaven is impliciet toegepast op de doorwerkbonus met inachtneming van hetgeen ik eerder heb opgemerkt bij het rapport van de Algemene Rekenkamer. Destijds heb ik opgemerkt dat in sommige gevallen, zoals door het sluiten van een coalitieakkoord of het aannemen van een amendement, de instrumentkeuze voor belastinguitgave al kan zijn gemaakt. In dit geval geldt dat de doorwerkbonus voortvloeit uit een in het coalitieakkoord beargumenteerde en gemaakte keuze. Volgens het toetsingskader moet bij de beleidsvoorbereiding van (nieuwe) belastinguitgaven worden ingegaan op een aantal elementen. Het toetsingskader bevat allereerst de elementen nut en noodzaak voor (financiële) interventie door het Rijk. De overige elementen uit het toetsingskader hebben betrekking op de gekozen vormgeving – bijvoorbeeld is het alternatief van een heffing of een directe subsidie overwogen – en de verzekering van een evaluatie. Op de eerste elementen van het toetsingskader – de «waarom-vraag» – is op verschillende momenten en plaatsen ingegaan. In het coalitieakkoord en in de memorie van toelichting bij het Belastingplan 2009 is al uitgebreid stilgestaan bij het nut en de noodzaak van een interventie door de rijksoverheid. Ook aan de hoe-vraag is daar aandacht besteed. Zoals bij alle belastinguitgaven zal ook hier een evaluatie uitgevoerd worden, waarbij doelmatigheid en effectiviteit opnieuw zullen worden bezien.

Houdbaarheidsbijdrage

De heer Remkes vraagt hoe het kan dat de houdbaarheidsbijdrage meer oplevert, terwijl uit de nota n.a.v. het verslag blijkt dat deze bijdrage dezelfde opbrengst heeft als de heffing uit het coalitieakkoord. Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven, komt dit onder meer doordat de heffing volgens het CPB meer houdbaarheidswinst oplevert dan bij het Coalitieakkoord werd gedacht. Een ander verschil is dat de kosten van de doorwerkbonus niet meer in aftrek van de heffing komen maar worden gedekt in het lastenkader. De vormgeving van de houdbaarheidsbijdrage is zo gekozen dat deze dezelfde opbrengst genereert als de heffing uit het Coalitieakkoord.

De heer Remkes vraagt of het klopt dat AOW-ers met een inkomen en aanvullend pensioen van totaal € 31 000 bruto «ouderen met een hoog inkomen» kunnen worden genoemd. In het belastingplan wordt gesproken van ouderen met een relatief hoger inkomen. Volgens het CBS had in 2006 (meest recente gegevens) circa 80% van de 65-plussers een bruto inkomen lager dan € 31 000. Aangezien het kabinet geen oordeel geeft of dit een «hoog inkomen» is, is gekozen voor genoemde formulering.

De heer Irrgang vraagt wat de beperking van de indexering van de tweede schijf voor de grondslag van de sociale premies betekent. Mevrouw Koşer Kaya vraagt hoe omgegaan moet worden met de versmalling van de premiegrondslag. De AOW-premie wordt geheven over het inkomen in de eerste twee belastingschijven. Door de beperkte indexatie van de bovengrens van de tweede schijf zal er vanaf 2011 geleidelijk minder AOW-premie, AWBZ-premie en Anw-premie in de schatkist vloeien vergeleken met de situatie dat de tweede schijf voor 100% geïndexeerd blijft worden. Indien dit leidt tot een groter exploitatietekort van het Ouderdomsfonds dan wordt dit via een verhoging van de Rijksbijdrage Ouderdomsfonds gecorrigeerd. Alle overige tekorten worden uit de algemene middelen gefinancierd.

De heer Irrgang vraagt of het uit oogpunt van houdbaarheid een goed idee is om de tarieven van de successiebelasting te verlagen. Al eerder heb ik aangegeven dat aan het successierecht in termen van houdbaarheid een beperkte betekenis toekomt.1 Het CPB gaat er van uit dat de ontvangsten aan successierecht zullen meegroeien met het BBP en structureel 0,3% BBP zullen bedragen. Zou tevens rekening worden gehouden met demografische veranderingen (stijging van het aantal sterfgevallen), dan zou de opbrengst van de successiebelasting toenemen tot 0,5% BBP rond 2040. Deze extra opbrengst zou in termen van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën het houdbaarheidstekort terugbrengen met 0,1% BBP. Daarbij geeft het CPB echter aan dat deze bijdrage van 0,1% BBP met veel onzekerheid is omgeven, omdat bijvoorbeeld onduidelijk is of ouderen, gegeven de stijgende levensverwachting, niet meer zullen besteden aan consumptie van onder andere zorg.

Wat betreft de aangekondigde verlaging van de tarieven van het successie- en schenkingsrecht is van belang dat deze budgettair neutraal is vormgegeven onder meer door middel van het treffen van grondslagverbredende maatregelen. De in dat kader voorgenomen maatregelen tot bestrijding van constructies om belasting te ontgaan strekken er mede toe de belastingopbrengst in de toekomst op peil te houden.

De heer Van Dijck geeft aan dat de groep 65-plussers niet zou moeten meebetalen aan de AOW en zou moeten worden ontzien. De voorstellen voor de houdbaarheidsbijdrage, welke bijdrage vanaf 2011 geheven zal worden, voorzien in een uitzondering voor belastingplichtigen die op 1 januari 2011 65 jaar zijn. Daarmee zullen alle mensen die op of voor 31 december 1945 zijn geboren, worden uitgezonderd van de houdbaarheidsbijdrage. Mensen die nu reeds 65 zijn, worden in de kabinetsplannen dus inderdaad ontzien. Mensen die op of na 1 januari 2011 65 jaar worden en een inkomen hebben vanaf € 31 000 gaan meebetalen aan de houdbaarheidsbijdrage.

De heer Omtzigt zou graag een complete berekening willen zien hoeveel AOW-premie er op dit moment in rekening wordt gebracht en hoeveel AOW er wordt uitgekeerd. Hij is bovendien benieuwd welk gedeelte van de AOW-premie wordt gebruikt voor de heffingskortingen. Voorts wil hij graag van de staatsecretaris weten of hij bereid is met een plan te komen om de heffingskortingen enkel en alleen uit de belastingopbrengsten te financieren. De AOW-premie bedraagt in 2008 17,9% en wordt geheven als onderdeel van de inkomstenbelasting over het inkomen in de eerste twee belastingschijven. In 2008 bedraagt de lengte van de eerste belastingschijf € 17 579 en die van de tweede belastingschijf € 14 010. De bruto opbrengsten van de AOW-premies bedragen in 2008 naar verwachting € 36,2 miljard op transactiebasis. Het totaalbedrag aan AOW-uitkeringen bedraagt in 2008 naar verwachting € 26,5 miljard. Het bedrag aan heffingskortingen dat wordt verrekend met de bruto AOW-premieontvangsten bedraagt in 2008 € 16,5 miljard. De netto AOW-premieontvangsten bedragen € 17,6 miljard op transactiebasis. Het restant van het verschil tussen bruto en netto AOW-premies betreft de zogenaamde nabetalingen: dit zijn verrekeningen die plaats vinden als gevolg van de definitieve vaststelling van de verdeelsleutels waarmee het belastingdeel respectievelijk het premiedeel van de totale ontvangsten loon- en inkomensheffing definitief wordt vastgesteld. De Belastingdienst stelt na vier jaar de definitieve loonheffing voor een bepaald jaar vast. De inkomensheffing kan pas na vier jaar definitief worden vastgesteld. In de tussentijd werkt de Belastingdienst voor het bepalen van het belastingdeel respectievelijk het premiedeel van de loon- en inkomensheffing in enig jaar met voorlopige verdeelsleutels die zijn gebaseerd op een raming van het CPB.

Onderstaande tabellen geven een overzicht van de inkomsten en de uitgaven van het Ouderdomsfonds en het exploitatiesaldo.

Raming inkomsten Ouderdomsfonds

(bedragen x € 1 mln)2008
1. Netto AOW-premieontvangsten Ouderdomsfonds17 557
2. Rijksbijdrage in de kosten van kortingen (BIKK)2 995
3. Rijksbijdrage tegemoetkoming AOW-gerechtigden488
4. Overige baten (m.n. rente)61
5. Rijksbijdrage Ouderdomsfonds6 134
Totale baten27 235

Raming uitgaven Ouderdomsfonds

(bedragen x € 1 mln)2008
AOW-uitkeringen26 479
Tegemoetkoming AOW-gerechtigden488
Uitvoeringskosten118
Totale lasten27 085

Exploitatiesaldo Ouderdomsfonds

(bedragen x € 1 mln)2008
Totale baten27 235
Totale lasten27 085
Exploitatiesaldo149

De kosten van de heffingskortingen hebben geen invloed op de kaspositie van het Ouderdomsfonds en daarmee ook niet op de AOW-premies. Sinds 2001 worden de fondsen voor de volksverzekeringen gecompenseerd voor een (boekhoudkundige) daling van de premieopbrengst als gevolg van de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001. Deze wet betekende dat het systeem van belastingvrije sommen werd vervangen door een systeem van heffingskortingen en het arbeidskostenforfait door een arbeidskorting, met als gevolg een lagere premieopbrengst. Ter compensatie van de (boekhoudkundige) lagere premieopbrengsten is de Bijdrage In de Kosten van Kortingen (BIKK) ingevoerd. De hoogte hiervan wordt jaarlijks aangepast aan de geraamde kosten van de heffingskortingen en wijzigingen van de belastingen premietarieven in de eerste schijf. Bij het Ouderdomsfonds is sprake van een exploitatietekort. Dit leidt jaarlijks tot een vermogenstekort van gelijke omvang. Dit vermogenstekort wordt aangevuld uit de rijksmiddelen waardoor een neutrale kaspositie voor het Ouderdomsfonds ontstaat. Op deze manier kan de AOW-premie ongewijzigd blijven. Er is dus geen reden om de heffingskortingen vanaf nu enkel en alleen uit de belastingopbrengsten te financieren.

Ouderschapsverlofkorting

De heren Omtzigt, Tang en Irrgang vragen naar de verzilvering van de ouderschapsverlofkorting. De heer Omtzigt vraagt of in de situatie waarin iemand met een modaal salaris een jaar lang halftijds gaat werken en de ouderschapsverlofkorting wil gebruiken zich dan een verzilveringprobleem voordoet. In alle gevallen met een modaal inkomen blijkt dat na verrekening van de «standaardkortingen» de maximale ouderschapsverlofkorting in 2009 volledig verzilverd kan worden. Maar er kunnen zich in andere situaties inderdaad gevallen voordoen van een onvolledige verzilvering van de ouderschapsverlofkorting. Een werknemer kan vanaf 2009 in een kalenderjaar maximaal aanspraak maken op 26 weken ouderschapsverlof maal de wekelijkse arbeidsduur. Als hij dit verlof volledig opneemt, bedraagt de totale ouderschapsverlofkorting maximaal 26 x 5 dagen x € 31 = € 4 030 bij een voltijddienstverband. In de nota naar aanleiding van het verslag is beschreven dat een deel hiervan niet verzilverd kan worden in het theoretische geval waarin een persoon met minimumloon zijn volledige recht van 26 weken ouderschapsverlof in één jaar zou willen effectueren, de werkgever het loon niet (geheel of gedeeltelijk) doorbetaalt en er bovendien geen partner is die voldoende inkomensheffing betaalt. In de praktijk komt dit «extreme» geval heel weinig voor. In de eerste plaats wordt slechts zelden de maximale wettelijke ouderschapsverlofduur in één jaar opgenomen. Uit CBS-cijfers blijkt dat belastingplichtigen gemiddeld 10 uur per week over een periode van 9 maanden verlof opnemen. In dit gemiddelde zijn ook personen die het ouderschapsverlof over meerdere jaren gespreid opnemen, bijvoorbeeld enkele jaren één dag in de week. Bij de keuze hoeveel ouderschapsverlof daadwerkelijk in één keer wordt opgenomen spelen verschillende overwegingen een rol, zoals bijvoorbeeld de inkomensachteruitgang die mede wordt veroorzaakt door het niet of slechts gedeeltelijk doorbetalen van het loon gedurende de periode van ouderschapsverlof. Uit gegevens van de Belastingdienst blijkt dat in het jaar van invoering (2006) 2500 personen de ouderschapsverlofkorting hebben aangevraagd voor een totaalbedrag van € 1,4 miljoen. Gemiddeld genomen bedroeg de ouderschapsverlofkorting € 545. Van de 2500 personen die de ouderschapsverlofkorting aanvroegen, bleek slechts een gering deel (4%) de korting niet (volledig) te kunnen verzilveren ten opzichte van het eigen inkomen. In veel gevallen zal dit bedrag alsnog verzilverd kunnen worden door rekening te houden met het inkomen van de partner, waardoor het feitelijke percentage van (gedeeltelijke) niet-verzilvering nog lager ligt dan deze 4%. Het gaat dus in 2006 om maximaal 100 personen die de ouderschapsverlofkorting mogelijk niet volledig kunnen verzilveren. Over 2007 en latere jaren zijn nog geen gegevens beschikbaar. De verwachting is dat het absolute aantal gebruikers van de ouderschapsverlofkorting zal zijn gestegen. Niet uit te sluiten valt dat het percentage dat de korting niet kan verzilveren vanaf 2009 zal stijgen als gevolg van de verlenging van de wettelijke duur van het ouderschapsverlof. Waarschijnlijk zullen werknemers bij de keuze van het verlofpatroon rekening houden met inkomenseffecten, waaronder ook de mate van mogelijke verzilvering. Door het loskoppelen van de ouderschapsverlofkorting van de levensloopregeling zal naar verwachting het percentage personen dat de ouderschapsverlofkorting niet (volledig) kan verzilveren niet of slechts in beperkte mate stijgen. In absolute aantallen wordt logischerwijs wel een stijging voorzien.

De heer Tang vraagt of in de levensloopregeling een leenfaciliteit is opgenomen. Het is inderdaad toegestaan (maar niet verplicht) dat aanbieders van een levensloopregeling binnen die regeling een zogenoemde kredietfaciliteit aanbieden. Onder een kredietfaciliteit wordt in dit verband verstaan de mogelijkheid om een hoger bedrag uit de levensloopregeling op te nemen voor verlofdoeleinden dan het op dat moment aanwezige levenslooploon. Deze opname, die net als een andere opname uit de levensloopregeling tot het loon behoort, wordt in dat geval voor het meerdere gefinancierd door de instelling waarbij de levensloopregeling is ondergebracht. Er ontstaat dus een negatief saldo. Op grond van artikel 61i van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is het toegestaan om dit negatieve saldo later af te lossen via een inhouding op het loon (aflossing kan in dit geval – binnen de grens van 12% van het loon – uit het brutoloon, omdat bij het ontstaan van de schuld loonbelasting is geheven over het bedrag dat de schuld heeft doen ontstaan). Deze inhouding wordt in dat geval bij fictie aangemerkt als het opbouwen van een voorziening voor een periode van extra verlof. Bij de parlementaire behandeling van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling is aangegeven dat er bewust voor is gekozen om deze kredietfaciliteit niet wettelijk verplicht te maken. Daarbij is opgemerkt dat het aanbieden van een kredietfaciliteit binnen de levensloopregeling geen taak is voor de overheid, maar bij uitstek een taak is die door marktpartijen kan worden uitgevoerd. Zoals hiervoor is aangegeven bestaat er binnen de kaders van de levensloopregeling echter geen enkele wettelijke belemmering voor marktpartijen om deze kredietfaciliteit aan te bieden op basis van vrijwilligheid.

Verhoging IACK

De heer Omtzigt vraagt naar de inkomensafhankelijke aanvullende combinatiekorting (IACK). Hij wil weten of door de vooringevulde aangifte de onbekendheid van de regeling zal afnemen. Het recht op een inkomensafhankelijke korting kan nooit vooraf exact bepaald worden, immers de belastingplichtige vult het inkomensdeel in de vooringevulde aangifte zelf aan indien dat nodig is. De Belastingdienst vult zelf op basis van de reeds bekende gegevens de mogelijk toepasbare heffingskortingen in, ook de IACK. De Belastingdienst zal op termijn ook belastingplichtigen die niet IB-plichtig zijn actief wijzen op het recht op heffingskortingen.

De heer Omtzigt vraagt naar de «deadweight loss» als gevolg van de inkomensafhankelijke aanvullende combinatiekorting (IACK). Om de deadweight loss te bepalen moet gekeken worden of de uitkomsten in een wereld met IACK een groter sociaal nut opleveren dan de uitkomsten in een wereld zonder IACK. Uiteraard moet dan voor de wereld zonder IACK een aanname gedaan worden over de vraag waar de lastenverlichting die nu via de IACK wordt gegeven aan wordt besteed. In CPB doorrekeningen van beleidsmaatregelen wordt er standaard van uitgegaan dat het alternatief lagere IB-tarieven betreft. Bij het bepalen van het sociale nut is zowel de herverdeling als het arbeidsparticipatie effect van de IACK relevant. Hier moeten waarden aan worden toegekend. Het toekennen van deze waarden is een politieke keuze. Wanneer enkel naar het verstorende effect op de arbeidsparticipatie wordt gekeken dan blijkt uit CPB-analyses dat een wereld met een IACK maar met hogere IB-tarieven een grotere participatie kent dan een wereld zonder IACK maar met lagere IB-tarieven.

Koopkrachtbeleid

Zowel mevrouw Sap als de heer Van der Vlies hebben aandacht gevraagd voor de versobering van de uitbetaling van de algemene heffingskorting. Mevrouw Sap zou graag zien dat de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting voor de minstverdienende partner versneld wordt afgebouwd. Zij denkt dan aan een termijn van vijf jaar. Verder wil mevrouw Sap de leeftijdsgroep waarvoor de uitbetaling van de algemene heffingskorting in stand blijft verder verkleinen: van belastingplichtigen die zijn geboren vóór 1 januari 1972 naar belastingplichtigen die zijn geboren voor 1 januari 1960. De heer Van der Vlies blijft moeite houden met de doorgaande tendens om de arbeidsparticipatie van vrouwen met jonge kinderen te stimuleren.

Voor niet of weinig verdienende partners kan de algemene heffingskorting verzilverd worden tegen het partnerinkomen. Het gevolg van deze uitbetaling van de algemene heffingskorting is dat een partner die zich niet op de arbeidsmarkt begeeft of een kleine deeltijdbaan heeft nauwelijks een prikkel ervaart om (meer) te gaan werken. Dit kabinet zet in op een versterking van de arbeidsparticipatie en heeft daarom gekozen voor een geleidelijke afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting. Het kabinet is van mening dat met de gekozen afbouw en uitzonderingen op het afschaffen van de uitbetaling van de algemene heffingskorting voor de minstverdienende partner (namelijk de belastingplichtige is geboren voor 1 januari 1972 of heeft een kind van vijf jaar of jonger) in combinatie met de forse verhoging van het maximum van het inkomensafhankelijke deel van de aanvullende combinatiekorting een goede balans is gevonden tussen de koopkrachtpositie van kostwinnersgezinnen en de participatiebevordering van niet of weinig verdienende partners. De verschillende geluiden uit uw Kamer geven aan dat ook politiek een balans is gevonden. Het voorstel van mevrouw Sap waarbij de afbouw in vijf jaar plaatsvindt, is naar de mening van het kabinet erg abrupt in de zin dat belastingplichtigen en hun gezinnen onvoldoende tijd krijgen te anticiperen (door bijvoorbeeld het aanvaarden van betaald werk) op de daling van het netto-inkomen als gevolg van de afbouw. Verder is het zo dat het kabinet ervoor heeft gekozen belastingplichtigen die geboren zijn vóór 1 januari 1972 van deze maatregel uit te zonderen. Voor de mensen die in 2009 38 jaar worden of ouder zijn geldt, in versterkte mate, dat zij de verdeling van werk en zorg hebben vastgelegd ervan uitgaande dat de algemene heffingskorting overdraagbaar is. Het kabinet vindt dat deze maatregel er niet toe mag leiden dat mensen, om een inkomensachteruitgang te voorkomen, hun vaak sinds jaar en dag bestaande verdeling van werk en inkomen moeten aanpassen. Het kabinet acht het voorts niet wenselijk deze groep te confronteren met een achteruitgang in inkomen in die gevallen waar een aanpassing van de verdeling niet (meer) mogelijk is. Om deze redenen heeft het kabinet voor deze groep een overgangsmaatregel getroffen. Daarbij moest een grens gesteld worden en die is gesteld op 1 januari 1972. Het aanpassen van deze grens naar 1 januari 1960, zoals mevrouw Sap voorstelt, zou betekenen dat een veel grotere groep belastingplichtigen de gekozen verdeling van werk en zorg moeten aanpassen om een netto-inkomensachteruitgang te voorkomen. Het gaat daarbij om de groep belastingplichtigen tot een leeftijd van 49 jaar. Het kabinet acht het niet gewenst dat de maatregel ook voor deze zou gaan gelden.

Mevrouw Sap pleit naast een versnelde afbouw van de uitbetaling van de algemene heffingskorting voor een premiekorting voor werkgevers die herintreders in dienst nemen. Mevrouw Sap doelt hierbij waarschijnlijk op personen zonder uitkering die willen herintreden. Voor deze personen zijn al instrumenten beschikbaar. Zij kunnen gebruik maken van de diensten van het CWI en de gemeenten zijn verantwoordelijk voor de re-integratie van deze personen. De gemeenten kunnen naar eigen inzicht beslissen om de betrokken werkgever of werknemer een financiële stimulans te geven indien bijvoorbeeld sprake is van een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daarnaast is in het Bestuurlijk Akkoord vastgelegd dat gemeenten gedurende deze kabinetsperiode 25 000 niet-uitkeringsgerechtigden aan het werk zullen helpen. Daarbovenop heeft het kabinet recent met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten afgesproken om ernaar te streven in deze kabinetsperiode 10 000 extra mensen zonder werk en zonder uitkering aan betaald werk te helpen. Daarbij wordt vooral gedacht aan mensen die moeilijk uit zichzelf aan de slag komen, zoals allochtone vrouwen. Het kabinet acht een specifieke premiekorting voor herintreders dan ook niet noodzakelijk.

Mevrouw Sap is van mening dat de brief over de verzilveringsproblematiek, die ik vorige week aan uw Kamer heb aangeboden, te gemakkelijk voorbijgaat aan de lagere inkomensgroepen en vraagt de reactie van de staatssecretaris hierop. In de brief over de verzilvering is beschreven dat bij de vaststelling van het koopkrachtbeeld rekening wordt gehouden met een eventuele standaard onvolledige verzilvering van de in het totale pakket van maatregelen opgenomen heffingskortingen. Het koopkrachtbeeld wordt uitgesplitst voor diverse standaardgroepen, waarbij vooral ook gekeken wordt naar lagere inkomensgroepen. Daar waar blijkt dat een (deel)groep met een aanpassing van een heffingskorting niet (in voldoende mate) bereikt kan worden, wordt bezien welke aanvullende maatregelen nodig zijn voor het koopkrachtbeeld.

De heer Van Dijck vraagt of de koopkrachtmaatregelen die het kabinet neemt ook positieve gevolgen heeft voor modale inkomens. Het kabinet heeft een aantal maatregelen genomen die vooral ten goede komen aan werkende modale inkomens. De WW-premie voor werknemers wordt verlaagd naar nul. Door de franchise profiteren werkenden met een inkomen tussen modaal en anderhalf keer modaal hier het meeste van. Voor gezinnen met kinderen met werkende ouders wordt het door de intensivering in de IACK aantrekkelijker om (meer) te gaan werken en verbetert de koopkracht fors. Ook wordt de arbeidskorting verhoogd. Middeninkomens krijgen meer arbeidskorting dan in voorgaande jaren. Dat de koopkracht van middeninkomens toeneemt, blijkt ook uit de cijfers van het CPB in de Macro-Economische Verkenning. De mediaan van middengroepen is gelijk of hoger dan die voor alle huishoudens gezamenlijk.

De heer Irrgang vraagt wat de effecten zijn van de verlaging van de alleenstaande-ouderkorting voor mensen met een WIA- of een bijstandsuitkering. Mevrouw Sap stelt voor om de combinatiekorting af te schaffen en de IACK en aanvullende alleenstaande-ouderkorting te verhogen. De heer Van der Vlies vraagt of de huidige vormgeving van de IACK positief is voor het gezinsbeleid en of de korting op de alleenstaande-ouderkorting niet wat rigoureus is.

De verlaging van de alleenstaande-ouderkorting dient gezien te worden in het licht van het complete koopkrachtbeeld. Het totale koopkrachtpakket is zo samengesteld dat ongewenste deeleffecten zo veel mogelijk worden voorkomen. Het koopkrachtpakket omvat dan ook meer dan alleen aanpassingen in de combinatiekorting, de IACK en de alleenstaande-ouderkorting. In 2009 wordt bijvoorbeeld ook het kindgebonden budget geïntroduceerd en de zorgtoeslag voor alleenstaanden verhoogd; maatregelen, waardoor het koopkrachtbeeld voor alleenstaande ouders positief wordt beïnvloed. Uiteraard is het zo dat niet iedereen binnen een van de gedefinieerde standaardgroepen valt. Dit betekent dat niet in alle gevallen de positieve koopkrachteffecten de negatieve koopkrachteffecten kunnen compenseren. Een overzicht van het integrale koopkrachtbeleid van de standaardgroepen is opgenomen in de toelichting op de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Het kabinet zet in op verhoogde arbeidsparticipatie door middel van (aanpassing van) een aantal maatregelen. De introductie van de IACK – en de forse verhoging zoals gepresenteerd in het Belastingplan 2009 – per 1 januari 2009 beoogt meer werken voor alleenstaande ouders en minstverdienende partners met kinderen aantrekkelijker te maken. Belastingplichtigen die minder verdienen dan hun partner werken vaak in deeltijd en zijn bovendien het meest gevoelig voor de mate waarin werk loont. Uit diverse onderzoeken blijkt dat met name vrouwen sterk reageren op een verandering in het besteedbaar inkomen. Het inkomensafhankelijker maken van de aanvullende combinatiekorting stimuleert deze groepen om meer uren te gaan werken. Ook voor mensen met een WIA- of een bijstandsuitkering zet het kabinet in op verhoogde arbeidsparticipatie. Voor hen geldt evenzeer dat zij ten volle kunnen profiteren van de verhoogde IACK als zij (meer) gaan werken én dat de ontwikkeling van hun koopkrachtbeeld meer omvat dan alleen de verlaging van de alleenstaande-ouderkorting. Bijstandgerechtigden hebben overigensüberhaupt geen last van de verlaging van de alleenstaande-ouderkorting. De bruto bijstand wordt namelijk zo aangepast dat deze netto weer hetzelfde blijft. Het door mevrouw Sap voorgestelde amendement heeft tot gevolg dat de aandacht nog nadrukkelijker verschuift van de arbeidsparticipatie van gezinnen naar de arbeidsparticipatie van de minstverdienende partner en de alleenstaande ouder. Het kabinet is van mening dat met de gekozen verlaging van de combinatiekorting in combinatie met de forse verhoging van het maximum van het inkomensafhankelijke deel van de aanvullende combinatiekorting, waar ook de gezinnen van profiteren, een goede balans is gevonden voor het stimuleren van de arbeidsparticipatie.

De heer Omtzigt vraagt of er momenteel wordt nagedacht of het belastingstelsel op een andere wijze zou kunnen worden ingekleed. De heer Tang vraagt waar het kabinet naartoe wil met het fiscale stelsel. Beide heren vragen in dat kader naar het aantal heffingskortingen. Dit kabinet heeft geen directe plannen voor een complete fiscale stelselherziening. Wel is er uiteraard altijd oog voor de huidige vormgeving van het fiscale stelsel en de vraag of bijvoorbeeld faciliteiten (nog) effectief zijn en of het stelsel verder vereenvoudigd kan worden. Ik noem als voorbeeld de herziening van de successiewet waarover wij binnenkort zullen spreken. Maar er wordt ook aan de hand van de evaluaties van belastinguitgaven en signalen uit de praktijk altijd gekeken of het fiscale stelsel nog voldoet aan de huidige eisen van onze samenleving. Er bestaat inderdaad een groot aantal heffingskortingen, net als er diverse aftrekposten en specifieke regelingen bestaan. In het kader van mijn speerpunt vereenvoudiging bekijk ik dergelijke regelingen met veel aandacht. Hoe minder specifieke regelingen, hoe simpeler het stelsel wordt voor de betrokkenen en voor de Belastingdienst. Daarbij is echter wel van belang dat wanneer een specifieke regeling eenmaal bestaat, afschaffing veelal gepaard zal gaan met verdelingseffecten en daardoor inkomenseffecten voor specifieke groepen. Dit kan betekenen dat er minder draagvlak voor bepaalde maatregelen bestaat. Een voorbeeld van aanpassingen als gevolg van de evaluatie van belastinguitgaven is het voorstel dat het kabinet vorig jaar heeft gedaan om de meewerkaftrek af te schaffen. Naar aanleiding van de evaluatie werd door het EIM geadviseerd om deze aftrek af te schaffen. Uw Kamer heeft echter een amendement aangenomen dat de meewerkaftrek in stand houdt.1 Een ander voorbeeld is de lijn van het kabinet op het terrein van ondernemerschap. Hoewel het vanuit het fiscale stelsel en de economische theorie meer voor de hand zou liggen om geen grote vrijstelling aan de voet te hanteren, zou het ineens omzetten van de bestaande zelfstandigenaftrek forse verdelingseffecten en daarmee inkomenseffecten hebben. Het kabinet kiest er daarom voor om – binnen de randvoorwaarden – in overleg met betrokkenen te bezien of het fiscale stelsel op dit punt beter kan worden ingericht.

4. Mobiliteit en vergroening (Belastingplan 2009)

Mevrouw Sap suggereerde om bij volgende vergroeningsstappen niet alleen het bedrijfsleven te betrekken maar ook de milieubeweging en de vakbeweging. Bij het opstellen van de fiscale vergroeningsbrief die ik in mei aan uw Kamer heb gestuurd is niet alleen met het bedrijfsleven gesproken maar ook met de milieubeweging in de vorm van de Stichting Natuur en Milieu (SNM). Daarbij heeft SNM ook aandacht gevraagd voor de plannen die zij gezamenlijk met de vakbeweging rondom vergroening hebben opgesteld. Om die reden ben ik van mening dat ook de ideeën van de vakbeweging voldoende naar voren zijn gebracht.

Mevrouw Sap vraagt of het klopt dat het milieueffect groter is wanneer de BPM gebaseerd op absolute CO2-uitstoot wordt aangevuld met een bonus voor het energielabel A en B en of dit ook blijkt uit een rapport van CE dat het kabinet heeft maar wat de Kamer nog niet heeft ontvangen. Wanneer dat zo is vraagt zij of de Kamer dat rapport alsnog kan krijgen.

Het meest recente rapport van CE is dit voorjaar met mijn brief over fiscale vergroening naar uw Kamer gestuurd1. Daaruit blijkt dat het aanvullen van de BPM gebaseerd op absolute CO2-uitstoot met een bonus voor een auto met een A- of een B-label een (beperkte) extra prikkel zal bieden om binnen een grootteklasse een nog zuinigere auto aan te schaffen. Dit zou de BPM gebaseerd op de absolute CO2-uitstoot echter complexer maken. Ook zou dit een goed functionerend jaarlijks aanscherpingsmechanisme van het energielabel vergen hetgeen sinds 2008 niet het geval is. Dit zal in 2009 ertoe leiden dat steeds meer auto’s een A of B label krijgen. Om deze redenen is gekozen voor een BPM gebaseerd op de absolute CO2-uitstoot zonder A- of B-label bonus. Wel is in de overgangsfase voor de jaren 2010 en 2011 gekozen voor een bonus van € 500 voor auto’s die net niet onder de vrijstelling voor zeer zuinige auto’s vallen. Op dit moment voert CE nog een aanvullend onderzoek uit naar de relatie tussen de BPM en de zuinigheid van auto’s.

De heer Van Dijck vraagt of er gekeken is naar de veiligheid van kleine, zuinige auto’s (zoals de Lupo) die gestimuleerd worden. Op Europees niveau zijn minimum veiligheidseisen voor personenauto’s gesteld. Om toegelaten te worden tot de weg dient een auto te voldoen aan deze eisen. Alle kleinere auto’s op de Nederlandse wegen voldoen daarom aan deze veiligheidseisen. Naast deze minimum veiligheidseisen worden nog (zwaardere) botsproeven uitgevoerd door Euro NCAP. Op basis van de uitslag van deze proeven krijgt de auto een waardering in sterren. Uit deze botsproeven blijkt dat kleine personenauto’s net zo veilig zijn als de grotere modellen. Tal van kleine auto’s krijgen een beoordeling met vier of zelfs de maximale vijf sterren.

Mevrouw Koşer Kaya vraagt of fijnstof een rol kan spelen in de BPM-grondslag. Sinds 1 april 2008 kent de BPM een fijnstofdifferentiatie voor dieselauto’s met een bonus voor de auto’s met lage fijnstofuitstoot en een malus voor de auto’s met een hoge fijnstofuitstoot. Zoals bekend heeft het Gerechtshof Den Haag deze fijnstofdifferentiatie onmiskenbaar onverbindend verklaard. De heer Remkes vraagt, naar aanleiding van mijn brief van 30 oktober aan uw Kamer over de gevolgen van deze Hofuitspraak, om te komen met een duidelijke marsroute. Ook de heer Cramer vraagt wat er zal gebeuren naar aanleiding van de Hofuitspraak. Hij is benieuwd of ik overweeg de subsidieregeling voor roetfilters opnieuw in te voeren. Zoals ik in de genoemde brief aan uw Kamer aangaf, ben ik in overleg met de autobranche over de gevolgen van de Hofuitspraak voor de in 2008 verkochte en nog te verkopen dieselauto’s, over hoe de situatie zal zijn voor de jaren 2009 en 2010 en de te nemen stappen. Ik zal de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over mijn voorstellen naar aanleiding van de Hofuitspraak inzake de fijnstofdifferentiatie.

De heer Tang vraagt of er een verkeerde inschatting is gemaakt van de juridische complicaties van de fijnstofdifferentiatie. Het antwoord luidt ontkennend. De jurisprudentie over de verhouding tussen het belastingrecht en het Europese recht is continu onderhevig aan ontwikkelingen. In deze context van continue ontwikkelingen moeten steeds afwegingen gemaakt worden tussen het streven naar zekerheid over de verenigbaarheid met het Europese recht en andere beleidsmatige overwegingen, zoals het milieu of budgettaire risico’s. In casu staat de vraag centraal welk gewicht kan worden toegekend aan de overweging in de preambule van verordening (EG) nr. 715/2007, waarin is bepaald dat de verordening geen afbreuk mag doen aan het recht van de lidstaten om emissies op te nemen in de grondslag voor de berekening van voertuigbelastingen. Dit is een principiële vraag, die voor de beleidsruimte van de lidstaten en voor onze positie bij onderhandelingen over toekomstige verordeningen van wezenlijk belang is. Ik zal dan ook cassatie instellen tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. Overigens is het nagenoeg onmogelijk om nieuw beleid te ontwikkelen als ieder risico voorkomen dient te worden.

De heer Tang vraagt naar alternatieven voor de fijnstofdifferentiatie. Hij is van mening dat juist taxi’s die in de stad rijden grote fijnstofschade veroorzaken en vraagt of daar iets aan kan worden gedaan. Taxi’s vallen onder de teruggaafregeling BPM. Voor taxi’s is thans dus geen BPM verschuldigd. De aanschaf van een nieuwe taxi met affabriekroetfilter wordt ondersteund met een subsidie van € 400 per dieselvoertuig. Het aandeel van nieuwe taxi’s dat is voorzien van een affabriekroetfilter is hoog. Dit is het indirecte gevolg van de fijnstofdifferentiatie waardoor meer dan 95% van de nieuwe dieselpersonenauto’s een lage fijnstofuitstoot kent. Voor het bestaande taxipark zal de fijnstofuitstoot per voertuig evenwel hoger zijn. In 2007 waren 30 000 personenauto’s in gebruik voor openbaar vervoer of als taxi vrijgesteld van MRB. Gelet op het hoge kilometrage per jaar mag worden verwacht dat taxi’s vaak al na enkele jaren worden vervangen. Omdat taxi’s zijn vrijgesteld van MRB en BPM is het niet goed mogelijk om taxi’s via deze belastingen te bereiken.

Mevrouw Koşer Kaya vraagt een reactie op het idee om de overdrachtsbelasting afhankelijk te maken van het energielabel van een woning. Tijdens het AO van 3 juli jl. over de fiscale vergroeningsbrief heb ik toegezegd om samen met de ministers Vogelaar en Cramer nog eens te kijken naar de mogelijkheden om energiezuinige woningen financieel te stimuleren. De overdrachtsbelasting is naar mijn mening echter niet geschikt voor een financiële stimulans. Ten eerste worden met de overdrachtsbelasting alleen mensen bereikt die verhuizen naar een andere bestaande woning. Mensen die niet verhuizen of verhuizen naar een nieuwbouwwoning profiteren niet. Ook sluit de maatregel minder goed aan bij huishoudens met een laag inkomen vanwege de lagere verhuismobiliteit van deze groep. Bovendien grijpt een vrijstelling in de overdrachtsbelasting niet aan bij de kosten van het energiezuinig maken van de woning, maar bij de waarde van de woning (die voor een vergelijkbare woning hoger is in Amsterdam dan in Groningen terwijl het potentieel voor energiebesparing gelijk is). Een gerichte energiebesparingsubsidie zal dan ook naar verwachting kosteneffectiever zijn dan een korting op de overdrachtsbelasting. Ook in de uitvoering leidt een differentiatie van de overdrachtsbelasting tot problemen. De Belastingsdienst zal labelverbeteringen moeten gaan controleren. Dit betekent een flinke toename van de uitvoeringskosten die met de overdrachtsbelasting samenhangen. Wordt er gewerkt met een systeem voor teruggave voor mensen die na aankoop van een woning via verbouwingen het energielabel verbeteren dan sluit de maatregel uitvoeringstechnisch slecht aan bij de huidige overdrachtsbelasting. De overdrachtsbelasting wordt namelijk eenmalig in rekening gebracht bij de overdracht. Bij een teruggaaf moet de overdrachtsbelasting naderhand gedeeltelijk worden teruggevraagd. Administratief is er dan weinig verschil met een aanvraag van een subsidie. Tot slot kan nog gezegd worden dat het energielabel weinig zegt over het daadwerkelijke gedrag ten aanzien van energieverbruik: in een energiezuinige woning kunnen de ramen open en de verwarming op volle stand worden gezet terwijl in een energieonzuinige woning bewoners heel selectief kunnen omspringen met verwarming. Om daadwerkelijk fiscaal energiezuinig gedrag te stimuleren, is er reeds het bestaande instrument van de energiebelasting, welk instrument effectief is gebleken.

De heer Omtzigt vraagt naar de effecten die de vergroeningsmaatregelen van vorig jaar hebben gehad, de daling van de gemiddelde CO2-uitstoot in vergelijking met twee jaar geleden en de reductie in fijnstof. De gemiddelde CO2-uitstoot van nieuw verkochte auto’s bedroeg 166 gram/km in 2006 en 164 gram/km in 2007. In de eerste helft van 2008 is deze gemiddelde CO2-uitstoot verder gedaald naar 159 gram/km. De maatregelen op het gebied van stimulering van zeer zuinige auto’s hebben geleid tot een aanzienlijke stijging van het aantal verkochte zeer zuinige auto’s. In 2007 zijn circa 24 duizend zeer zuinige auto’s verkocht. De verwachting is dat in 2008 dit aantal zal stijgen naar ongeveer 38 duizend. Ongeveer de helft van deze stijging betreft hybride auto’s. De betreffende automerken rapporteren dat mede dankzij de lage 14%-bijtelling voor zeer zuinige auto’s juist ook in het zakelijke segment een aanzienlijke verkoopstijging wordt waargenomen bij deze categorie voertuigen. Wat betreft de reductie van fijnstof kan ik het volgende meedelen. In 2006 had 45% van de nieuw verkochte dieselauto’s een affabriekroetfilter. In 2007 was dit percentage opgelopen naar 62%. Met ingang van 1 april 2008 is de fijnstofdifferentiatie ingevoerd. Het percentage verkochte dieselauto’s met affabriekroetfilter is sinds die datum gestegen naar 97%.

De heer Omtzigt vraagt mij naar de bereidheid om in overleg te treden met de autobranche en Auto Recycling Nederland (ARN) over een sloopregeling. Ook de heer Tang vraagt naar de mogelijkheden voor een sloopregeling. Ik kan melden dat er reeds overleg plaatsvindt tussen de autobranche (RAI en Bovag) en het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) over de mogelijkheden voor een sloopregeling voor oude auto’s. Tijdens het laatste overleg met VROM op 30 oktober jl. hebben RAI en Bovag aangegeven binnen enkele maanden met een voorstel voor een sloopregeling te zullen komen. Ik zal de minister van VROM vragen uw Kamer over het verdere verloop hiervan te informeren.

De heer Omtzigt vraagt hoe het overleg met de sector verloopt over de grondslagwijziging van de BPM. Zowel op ambtelijk niveau als op het niveau van de bewindslieden heeft verschillende keren overleg plaatsgevonden met de autobranche (RAI, BOVAG en VNA). Het overleg met de autobranche heeft aangetoond dat het mogelijk is in 2009 een eerste stap te zetten met de invoering van een vrijstelling van BPM voor zeer zuinige auto’s. Verder vindt de ombouw van de BPM pas per 2010 plaats om de autobranche in de gelegenheid te stellen om zich voor te bereiden. Inmiddels is dit overleg afgerond. Wel wordt nog overleg gevoerd over de gevolgen van de uitspraak van het Gerechtshof over de fijnstofdifferentiatie voor dieselpersonenauto’s.

De heer Remkes heeft aangegeven nader inzicht te willen in de effecten van de ombouw van de BPM-grondslag naar CO2-uitstoot op de automarkt, de administratieve lasten, de restwaarde en het milieu. Zoals in de memorie van toelichting bij het belastingplan is aangegeven, heeft het onderzoeksbureau CE ten behoeve van de vergroeningsbrief de CO2-effecten van een progressieve CO2-heffing (variant met volledige ombouw BPM in één jaar, budgettair neutraal, zonder rekening te houden met de afbouw van de BPM) geraamd op een reductie van minimaal 0,50 tot 0,65 megaton in 2020. Dit is 4 à 5% van de reductiedoelstelling van de sector verkeer en vervoer voor 2020. De CO2-effecten van die progressieve CO2-heffing komen 0,2 megaton in 2020 hoger uit dan het CO2-effect van de huidige BPM. In werkelijkheid ligt de reductie bij een volledige overstap naar een CO2-heffing volgens CE hoger, doordat in het model geen rekening gehouden kan worden met de sterke prikkel die een dergelijk BPM-systeem biedt om binnen een gewichtsklasse de zuinigste auto te kiezen. In het huidige voorstel vindt de ombouw van de BPM naar CO2 in de periode 2010–2013 plaats en gelden hogere tarieven dan waarmee CE heeft gerekend.

De inschatting is dat de effecten op de automarkt en op de restwaarde alleszins zullen meevallen. Ik baseer mij hierbij op de volgende overwegingen. In de eerste plaats heeft het kabinet ernaar gestreefd de prijseffecten binnen de perken te houden door te kiezen voor een stapsgewijze aanpak bij de ombouw naar de nieuwe grondslag. Daarnaast wordt met het vastleggen van het hele ombouwtraject tot en met 2013 vooraf zo veel mogelijk zekerheid gegeven aan de branche. Voor nieuwe auto’s die nu worden verkocht maar waarvan straks de BPM (relatief) hoger zal uitpakken, mag geen restwaardeproblematiek worden verwacht. Voor nieuwe auto’2-grondslag in de BPM nalevingskosten met een gemengd en tijdelijk karakter (d.w.z. andere dan administratieve lasten) tot gevolg heeft bij importeurs en dealers. Jaarlijks kunnen deze kosten exclusief het bedrijfseigen deel in de aanvang € 1 à € 2 miljoen bedragen. Deze kosten doen zich alleen voor in de jaren waarin de ombouw van de BPM plaatsvindt, dus in 2010 tot en met 2013. Het gaat dan over overige nalevingskosten van € 4 à € 8 miljoen in totaal. De Bovag raamt een administratieve lastenstijging van € 24,75 miljoen in de periode 2010 – 2015. Het zou gaan om een initiële kostenpost van € 6,6 miljoen voor importeurs en kosten van € 3,6 miljoen per jaar voor importeurs/dealers. Dit komt bij een ombouw in vijf jaar op in totaal € 24,75 miljoen. Het gaat hierbij om aanpassing van automatiseringssystemen en om marketingkosten, dat wil zeggen een optelsom van bedrijfseigen kosten en overige nalevingskosten.

De heer Remkes vraagt om een notitie over het regime van de BPM/MRB zoals dat uitwerkt voor gehandicapten.

Naar mijn mening is het huidige regime van de BPM en MRB voor gehandicapten duidelijk. Onder voorwaarden en vereenvoudigd weergegeven wordt teruggaaf van de BPM verleend voor personenauto’s en bestelauto’s die zijn ingericht voor het gebruik door een invalide en er wordt teruggaaf van BPM verleend voor een bestelauto die is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte en het gelijktijdig vervoeren van een niet-opvouwbare rolstoel of voor een bestelauto waarvoor de laadruimte is aangepast in verband met een handicap. Daarnaast wordt eveneens teruggaaf van BPM verleend voor personenauto’s en bestelauto’s die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van rolstoelgebruikers in groepsverband. In de MRB wordt indien een personenauto of een bestelauto is voorzien van een installatie voor het verplaatsen of vastzetten van een rolstoel, het gewicht van die installatie op verzoek niet meegerekend bij het gewicht van de auto. Voorts geldt er een speciaal tarief in de MRB met betrekking tot de bestelauto die is ingericht voor invalidenvervoer. Deze regeling is te verklaren uit de historie en de aard van de bestelautoregeling. Toen de MRB voor bestelauto’s die in het bezit van een niet-ondernemer zijn, gelijk is getrokken met de MRB voor personenauto’s, is een uitzondering gemaakt voor de gehandicapte die op een bestelauto is aangewezen. Het begrip bestelauto is in de Wet BPM en MRB afgebakend.

De heer Remkes heeft gevraagd of hij er vanuit mag gaan dat een fiscale facilitering voor het opruimen van oude stortplaatsen in het Belastingplan 2010 komt te staan. In de nota naar aanleiding van het verslag heb ik aangegeven dat de tariefstructuur van de afvalstoffenbelasting wordt onderzocht. Het onderzoek richt zich op twee onderwerpen die nauw met elkaar samenhangen: een mogelijke herziening van de tariefstructuur van de afvalstoffenbelasting en een mogelijke tegemoetkoming voor afvalstromen die afkomstig zijn van de sanering van oude stortplaatsen. De eventuele aanpassing van wet- en regelgeving is afhankelijk van de resultaten van dat onderzoek.

5. Overige onderwerpen (Belastingplan 2009)

Lijfrente

De heer Omtzigt constateert dat het veld blij is met de aanpassingen rond de lijfrente, maar vraagt of ik het veld meer kan betrekken bij specifiek de aanpassingen van artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.

Met in het bijzonder het Verbond van Verzekeraars bestaat goed en regelmatig contact. Specifiek ook over het onderwerp van de inhouding van loonbelasting op verzekeringsuitkeringen wordt er uitvoerig overleg gevoerd met de verzekeringssector. Dat overleg zal ook worden voortgezet met het oog op een goede invoering van de nieuwe regelgeving.

De heer Omtzigt vraagt voorts naar de betekenis van de overgangsregeling van het voorgestelde artikel 10a.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 op lijfrentecontracten die onder de overgangsregeling van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, hoofdstuk 2, artikel I, onderdelen O en T, vallen, in het bijzonder voor zover ter zake van dergelijke contracten ook sprake is van box 3-delen. Belanghebbenden kunnen met ingang van 2009 gebruik maken van de voorgestelde overgangsregeling van artikel 10a.6 Wet IB 2001. Deze regeling voorziet in een volledige saldomethode (dus zonder begrenzing tot een bepaald bedrag) voor betaalde premies met betrekking tot de periode 2001–2008 die niet als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen, óók als het gaat om rechten in de zin van hoofdstuk 2, artikel I, onderdelen O en T, Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Het betreft dan de situatie dat met betrekking tot de periode 2001–2008 ter zake van de lijfrenterechten premies zijn betaald (maar niet als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen) boven de begrenzing van € 2269 en hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 op dat deel van het recht derhalve niet van toepassing was. Dit betekent derhalve dat ook de «box 3-delen» waar de heer Omtzigt op doelt volledig van de saldomethode profiteren.

Btw-vrijstellling voor medische diensten

De meeste leden hebben zich tegen de achtergrond van de bij het Belastingplan 2008 c.a. aanvaarde motie Vendrik c.s.1 kritisch uitgelaten over de in het Belastingplan 2009 voorgestelde beperking van de btw-vrijstelling voor (para)medische diensten. Het algemene gevoelen lijkt dat het bepalen van de kwaliteit van de van btw vrij te stellen (para)medische zorg niet zozeer een fiscale als wel een medische discussie vereist, een discussie waarin aan de kant van het kabinet het voortouw bij de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) berust. Vooruitlopend op het algemeen overleg met uw Kamer op 13 november a.s. over de uitvoering van de motie Vendrik kan ik de thans gestelde meer specifieke vragen van de leden, waar nodig mede namens de minister van VWS, als volgt beantwoorden. Steun voor het amendement van mevrouw Sap, zoals de heer Irrgang eventueel overweegt, zou te betreuren zijn. Aanvaarding van dit amendement doet de status quo, die gepaard gaat met rechtsongelijkheid en rechtsonzekerheid, voortduren.

De heer Van Dijck wil weten in hoeverre in de lidstaten van de EU bepaalde opleidingen wel worden erkend en in Nederland niet en of een Europese aanpak gewenst is. De Europese aanpak van erkenning van beroepskwalificaties is neergelegd in een Europese richtlijn (hierna: de richtlijn).1 Deze richtlijn vervangt drie voormalige richtlijnen inzake het algemeen stelsel van beroepskwalificaties en een twaalftal sectorale richtlijnen. De richtlijn heeft tot doel de grensoverschrijdende toegang tot gereglementeerde beroepen in de Europese Unie, de lidstaten van de Europese Economische Ruimte (IJsland, Noorwegen, Liechtenstein) en Zwitserland te vergemakkelijken in die zin dat migrerende beroepsbeoefenaren die hun beroepskwalificaties in een EU-lidstaat, EER-staat of Zwitserland hebben behaald toegang hebben tot hetzelfde gereglementeerde beroep in een andere EU-lidstaat, EER-staat of Zwitserland. In richtlijn nr. 2005/36/EG en de wet is in grote lijnen het stelsel van automatische erkenning gehandhaafd voor de beroepen waarvoor bij sectorale richtlijnen de inhoud en duur van de vereiste opleidingen zijn gecoördineerd. In de individuele gezondheidszorg betreft het de gereglementeerde beroepen van apotheker, arts, tandarts, verloskundige en verpleegkundige. Daarnaast is het algemeen stelsel van erkenning van diploma’s gehandhaafd, in die zin dat onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie, van de EER-staten of Zwitserland in beginsel als geschikt worden beschouwd om een beroep uit te oefenen in een andere staat dan waar de daarvoor vereiste opleiding is afgerond, zonder dat de opleidingseisen voor dat beroep van tevoren zijn geharmoniseerd. In de individuele gezondheidszorg vallen de krachtens artikel 34 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) aangewezen beroepen, onder dit algemene stelsel. Het algemene stelsel is ook van toepassing op de in artikel 3 van de Wet BIG genoemde beroepen van fysiotherapeut, psychotherapeut, gezondheidszorgpsycholoog en op de beroepen apotheker, arts, tandarts, verloskundige en verpleegkundige ingeval de desbetreffende beroepsbeoefenaar niet voldoet aan de eisen voor automatische erkenning. Ten aanzien van opleidingen welke buiten het kader van de eerdergenoemde richtlijn vallen geldt dat het iedere lidstaat vrijstaat om bepaalde diploma’s van opleidingen te erkennen.

De heer Van der Vlies wil weten waarom het in het Verenigd Koninkrijk wel mogelijk is om het kwaliteitsniveau van bepaalde paramedische beroepsgroepen zoals o.a. osteopaten en chiropractoren op te nemen in zogenoemde «statutory registers», terwijl dat de Nederlandse overheid niet lukt bij de Wet BIG. Hij betoogt dat veruit de meeste chiropractoren een universitaire Europese opleiding achter de rug hebben, zodat de kwaliteit van de dienstverlening hoogstaand is. De heren Van der Vlies en heer Tang vragen of een soortgelijke constructie als een «statutory register» wellicht ook in Nederland in te voeren is.

Het uitgangspunt van de BTW-richtlijn 2006/112/EG is dat de lidstaten met het oog op vrijstelling een beoordelingsvrijheid toekomt bij de omschrijving van de (para)medische beroepen en daarbinnen de gezondheidskundige verzorging van de mens. De keuze van een lidstaat met betrekking tot de reikwijdte van de medische vrijstelling hangt nauw samen met de regelingen die elk lidstaat heeft getroffen omtrent paramedische beroepen en door de desbetreffende beroepsbeoefenaren te leveren diensten. Dergelijke regelingen verschillen van lidstaat tot lidstaat. In het Verenigd Koninkrijk bestaat een ander systeem, waarbij er verschillende Councils bestaan, met elk één of meerdere statutory registers. Zo kent de Health Professions Council 13 verschillende beroepen en daaraan gekoppelde registers, uiteenlopend van beroepen die uitsluitend in een zorginstelling worden uitgeoefend, tot en met muziek- en dramatherapeuten. In Nederland is, voor wat betreft de btw-vrijstelling, aansluiting gezocht bij de regeling van beroepen en opleidingen in de individuele gezondheidszorg. Onder deze wet is een aantal medische en paramedische beroepen en opleidingen geregeld. De Wet BIG ziet niet op het regelen van afzonderlijke behandelingwijzen, zoals chiropractie en osteopathie.

De heer Omtzigt vraagt verder waar de dekking van de wijnaccijns is gebleven. Het antwoord in de nota naar aanleiding van het verslag vindt hij niet voldoende helder. Helaas kan ik slechts bevestigen wat in de nota naar aanleiding van het verslag is meegedeeld. De budgettaire derving die het gevolg was van aanvaarding van het amendement Vendrik c.s. inzake het schrappen van de herijking van de btw-vrijstelling voor medische diensten zoals voorgesteld in het wetvoorstel Overige fiscale maatregelen 2008 werd toen door de verhoging van de wijnaccijns gedekt. De voorstellen met betrekking tot de inkomsten en uitgaven van het Belastingplan 2009 vormen een nieuw zelfstandig samenhangend geheel. Wijzigingen daarin dienen daarom niet in verband te worden gebracht met dekkingsmaatregelen voor 2008.

Zoals ook in het kabinetsstandpunt en de nota naar aanleiding van het verslag is opgemerkt, kennen de meeste (huis)artsen die zich met complementaire zorg bezighouden, sinds begin 2008 al de situatie waarin zij voor btw-doeleinden onderscheid moeten maken tussen belaste en onbelaste omzet. Mij hebben geen signalen bereikt dat deze verplichting bijzondere problemen oproept. De complementair werkende (huis)arts beschikt bij uitstek over de deskundigheid om te beoordelen of hij de patiënt belaste complementaire of vrijgestelde reguliere zorg verleent en declareert die zorgverlening ook. Op dit vlak kan de administratieve vastlegging door de (huis)arts van zijn belaste en vrijgestelde omzet dan ook tamelijk eenvoudig zijn. Evenals bij de beoordeling of de arts een vrijgestelde gezondheidskundige handeling of een belaste handeling verricht (bijv. een keuring voor een verzekeringsmaatschappij), toetst de Belastingdienst die beoordeling en de administratieve vastlegging daarvan slechts marginaal. Ik deel dan ook niet de zorg van de heer Tang over de administratieve lasten in verband met het onderscheid tussen vrijgestelde en niet-vrijgestelde (para)medische verrichtingen bij complementair werkzame artsen.

Vliegbelasting

De heer Irrgang stelt de vraag wat nu de concrete gedragseffecten zijn van de invoering van de vliegbelasting. Ook de heer Tang vraagt hier naar. Het is helaas niet mogelijk de gedragseffecten van de vliegbelasting nu al in te schatten omdat op dit punt nog geen concrete gegevens voorhanden zijn. Aan de hand van de jaarcijfers van de diverse luchthavens en vliegmaatschappijen in de jaren voor en na invoering van de vliegbelasting kunnen wel de ontwikkelingen in reizigersaantallen vanaf de diverse Nederlandse luchthavens, zo mogelijk uitgesplitst naar woonland van de passagier, worden afgezet tegen de vergelijkbare gegevens van luchthavens en maatschappijen in onze buurlanden. Vervolgens kan worden ingeschat in hoeverre eventuele verschillen kunnen worden toegeschreven aan de invoering van de vliegbelasting. Dit zal overigens niet eenvoudig zijn, omdat tal van zaken van invloed kunnen zijn op de keuze van consumenten om al dan niet een vliegreis met een bepaalde maatschappij vanaf een bepaalde luchthaven te maken. Zo spelen daarbij financiële aspecten een rol, zoals de stand van de economie, de beschikbare reissom, de netto ticketprijs, eventuele (brandstof)toeslagen, de luchthavenheffingen, de belastingen en parkeerkosten. Maar ook zijn immateriële zaken van belang, zoals de aard en het doel van de reis, de bereikbaarheid van de luchthaven, beschikbaar netwerk vanaf de luchthaven en de ligging van de mogelijke luchthavens van bestemming ten opzichte van het reisdoel, mogelijke tijdstippen van vertrek en aankomst, inchecktijden en -regels, ambiance en gewenst comfortniveau. Het zal in dit geheel moeilijk zijn de concrete gedragseffecten aan te wijzen van de invoering van de vliegbelasting. Evenmin zal overigens zijn aan te geven of de campagne tegen de vliegbelasting en de daarop volgende ruime publiciteit voor reizen vanaf vliegvelden over de grens daarbij nog een rol speelt, waar de heer Tang aan refereerde.

Mevrouw Sap vraagt waarom de aanpassing van de vliegbelasting niet budgettair neutraal gebeurt. Zij heeft in dit verband ook een amendement ingediend ter verhoging van het lage tarief van € 11,25 naar € 15 per passagier. Zoals aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag acht het kabinet dekking van de versoepeling van de vliegbelasting in het kader van dit belastingplan niet opportuun, gelet ook op het totaal van de budgettaire effecten. Overigens ligt het daarnaast niet voor de hand om bij de huidige economische situatie de luchtvaartsector te confronteren met een verhoging van het lage tarief met 33%. Uit het effectenonderzoek dat vorig jaar door Significance is uitgevoerd, kan worden afgeleid dat een dergelijke verhoging relatief sterkere effecten zou hebben voor met name de regionale luchthavens.

De heer Omtzigt vraagt of ik de beschikking heb over informatie dat ook Duitsland een vliegbelasting gaat invoeren. Over dergelijke informatie beschik ik niet. Wel hebben op verschillende niveaus contacten over vliegbelasting plaatsgevonden met vertegenwoordigers van diverse Europese lidstaten, waaronder Duitsland. Uit de contacten met de Duitse collega’s dit voorjaar kan worden afgeleid dat er ook in Duitsland belangstelling bestaat voor het dossier. Of Duitsland eventueel, net als landen als Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Ierland, België en Nederland, een vliegbelasting invoert en op welke wijze, behoort tot de eigen fiscale competentie van dat land. Overigens zou de invoering van een vliegbelasting in Duitsland moeten worden ingepast in de federale staatsstructuur, met de bijbehorende verdeling van bevoegdheden tussen de federale overheid en de Länder. Wel is duidelijk dat steeds meer landen een vliegbelasting overwegen.

De heer Tang vraagt wanneer het onderzoek naar een verdere milieudifferentiatie van de vliegbelasting wordt afgerond. Het onderzoek naar de mogelijke effecten van een differentiatie van de vliegbelasting heeft, met name op het punt van milieukenmerken, langer geduurd dan gehoopt, mede omdat het verkrijgen van gedetailleerde vloot- en vluchtgegevens veel tijd heeft gevergd. Van het deelonderzoek naar een verdere differentiatie naar afstand is op 15 oktober een definitieve rapportage ontvangen. Inzake het deelonderzoek naar een differentiatie naar milieukenmerken van het vliegtuig is de verwachting nu dat de definitieve rapportage medio november kan worden afgerond. De beide onderzoeken zullen vervolgens, voorzien van de conclusies die ik daaraan verbind, aan de Kamer worden aangeboden. De voorlopige resultaten leveren overigens een beeld op dat de onderzochte varianten qua effect niet of nauwelijks verschillen van de effecten van de vliegbelasting in haar huidige vorm, zonder differentiatie.

Verpakkingenbelasting

De heer Irrgang vraagt of de mogelijkheid om gebruik te maken van een forfait voor de aan te geven hoeveelheid verpakkingen is voorgesteld vanwege de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven ten opzichte van buitenlandse concurrenten. Dat is niet het geval. Het forfait is voorgesteld omdat het voor belastingplichtigen die producten invoeren en deze zonder toevoeging van extra verpakkingen in Nederland ter beschikking stellen, erg bewerkelijk kan zijn de hoeveelheid verpakkingen vast te stellen. De mogelijkheid tot toepassing van een forfait in deze gevallen zorgt ervoor dat de administratieve lasten die hiermee samenhangen worden geminimaliseerd.

De heer Irrgang vraagt voorts naar de mogelijkheden van fraude rondom de vermindering voor indirecte export. De voorgestelde vermindering bevat twee waarborgen die de mogelijkheden tot fraude minimaliseren. Ten eerste geldt net als bij de heffingskant van de verpakkingenbelasting een grens van 15 000 kg. Er wordt pas een vermindering verleend als een belastingplichtige meer dan 15 000 kg verpakkingen (indirect) exporteert. Hierdoor worden kleine transacties gericht op fraude tegengewerkt. Ten tweede geldt er een anti-misbruikbepaling die toepassing van de vermindering voor indirecte export uitsluit in het geval bekend is, of redelijkerwijs kon zijn, dat er nooit verpakkingenbelasting over de indirect geëxporteerde verpakkingen is betaald.

De heren Cramer en Tang vragen of kan worden aangegeven wat de milieueffecten van de verpakkingenbelasting zijn en in welke mate deze zal leiden tot minder verpakkingen. Zoals ik heb aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag zijn op dit moment geen cijfers over de milieueffecten van de verpakkingenbelasting beschikbaar. De belasting bestaat pas sinds 1 januari dit jaar en het eerste tijdvak waarover de verpakkingenbelasting moet worden betaald (2008) is nog niet verstreken. De eerste echte aangifte vindt uiterlijk 31 maart 2009 plaats. Tijdens de behandeling van het Belastingplan 2008 heb ik toegezegd dat in 2009 een evaluatie van de milieueffecten van de verpakkingenbelasting plaatsvindt. In dat verband wil ik er wel op wijzen dat onze al eerder gemaakte inschatting is dat het wel even kan duren voordat eventuele milieueffecten merkbaar zijn. Het kost namelijk tijd voordat bedrijven de wijze van en de samenstelling van hun verpakkingen kunnen wijzigen. Daarnaast bestaat er geen duidelijke nulmeting en zal derhalve een duidelijk kader voor het in kaart kunnen brengen van de milieueffecten moeten worden opgesteld. In zijn algemeenheid kan wel worden gesteld dat de verpakkingenbelasting ervoor zorgt dat de milieukosten van verpakkingen in de prijs tot uitdrukking komen en dat bedrijven daardoor nog meer letten op de hoeveelheid gebruikte verpakkingen en verpakkingsmaterialen. De precieze effecten zullen onder meer afhankelijk zijn van de prijselasticiteit van verpakkingen, de ruimte om de samenstelling van verpakkingen op korte termijn te wijzigen en de hoogte van de heffing.

De heer Cramer heeft gevraagd waarom er niet meer vaart is gezet achter de verbetering van het onderzoek naar de milieudruk van verpakkingen. Vorig jaar heeft CE binnen een korte termijn de milieudruk van verpakkingen in kaart gebracht dat is gebruikt voor het vaststellen van de hoogte van de tarieven. Dit onderzoek heeft geleid tot verschillende reacties die verbeterpunten van het onderzoek aangaven. Uw Kamer heeft om die reden in de motie van de leden Poppe, Nepperus, Vietsch en Samsom1 gevraagd om de berekening van de milieudruk voor de verpakkingenbelasting op onderdelen te herzien. Daarnaast heb ik uw Kamer toegezegd dat de milieudruk van biokunststof alsnog zou worden berekend. De verbetering van het onderbouwende onderzoek is uitgezet onder de verantwoordelijkheid van de minister van VROM. Gebleken is dat een goed gedragen onderzoek niet in 2008 kon worden afgerond maar dat de resultaten op zijn vroegst in de loop van 2009 zijn te verwachten. Begin november zal de minister van VROM uw Kamer een brief sturen over de stand van zaken. Na bekend worden van de resultaten van het onderzoek zal worden bekeken in hoeverre dit moet leiden tot aanpassing van de tarieven van de verpakkingenbelasting.

De heer Omtzigt heeft vragen gesteld over de Helpdesk Verpakkingenbelasting. De Belastingdienst heeft deze Helpdesk in het leven geroepen op 27 november 2007. Vanaf die datum zijn meer dan 9 000 telefoontjes verwerkt. Van de telefonische vragen heeft ongeveer 70% betrekking op het proces van de belastingheffing en 30% heeft te maken met een kennisvraag. Het overgrote deel van de vragen wordt binnen 5 minuten afgehandeld. Verreweg de meeste zijn direct afgehandeld. Ingewikkelde vragen worden later beantwoord door de tweede lijn. Dan duurt de gemiddelde afhandeling 10 minuten. Op dit moment staan er geen vragen open. Naast de telefonische vragen zijn er ruim 700 brieven beantwoord. De meeste van deze brieven (70%) zijn binnen de gebruikelijke antwoordtermijn beantwoord. De overige 30% heeft betrekking op onderwerpen waarover een standpuntbepaling moet plaatsvinden. In dat geval is beantwoording binnen 6 weken niet altijd mogelijk. De afzenders ontvangen dan een tussenbericht.

De heer Tang vraagt of bekend is welke omvang de bedrijven hebben die net onder de 15 000 kg-grens vallen. Aangezien deze bedrijven zich niet hoeven te melden voor de verpakkingenbelasting is dat niet bekend en zal ook niet bekend worden wat hun precieze omvang is. Het ligt voor de hand dat dit geen multinationals zullen zijn maar het kan om een bedrijf gaan met weinig of met veel werknemers en een bedrijf met weinig of veel omzet. Dit zal helemaal van de activiteiten van het bedrijf afhangen.

6. Overige fiscale maatregelen 2009

Flexibilisering budgetsystematiek MIA, EIA en VAMIL

De heer van der Vlies vraagt of de hoogte van de aftrekpercentages EIA en MIA in de nieuwe systematiek niet te laat bekend worden gemaakt. Hij merkt op dat het vroegtijdig aangeven van de aftrekpercentages meer zekerheid biedt, zodat men daar bij investeringen op kan inspelen. Het aftrekpercentage voor het volgende jaar wordt in lagere regelgeving tegelijk met de lijst bedrijfsmiddelen in de maand december van het lopende jaar vastgesteld om nog zoveel mogelijk gebruik te kunnen maken van realisatiecijfers van het lopende jaar. Hierbij wordt uitgegaan van de tot dan toe binnengekomen meldingen en kan nog zoveel mogelijk van realisaties worden uitgegaan. Toch zijn ook in december nog niet alle meldingen voor het lopende jaar binnen. Ondernemers hebben namelijk drie maanden na het aangaan van de investeringsverplichting de tijd om de investeringsaftrek aan te vragen. Daarom wordt daarnaast ook gebruik gemaakt van de kennis over de uitputting van het budget van vorig jaar en de inschatting die er voor dat jaar was gemaakt. Ook voorkomt het vaststellen en het bekendmaken van de hoogte van de aftrekpercentages in de laatste maand van het jaar zoveel mogelijk anticipatie-effecten. Overigens komt de nieuwe voorgestelde systematiek tegemoet aan de onzekerheid van ondernemers die een eventuele sluiting met zich meebrengt. In tegenstelling tot de huidige systematiek wordt de regeling – met uitzondering van de situatie waarin een omvangrijke overschrijding dreigt – niet gesloten. De nieuwe voorgestelde budgetsystematiek biedt ondernemers daardoor meer zekerheid voor het in aanmerking komen voor deze belastingfaciliteiten in het lopende jaar.

Loonheffing van de directeur-grootaandeelhouder

De heer Van Dijck vraagt zich af waarom de dga niet uit de loonheffing is gehaald, terwijl dit een mooie vereenvoudiging en administratieve lastenverlichting voor de dga leek te zijn. Hij vraagt hoeveel dga’s gebruik maken van de WBSO en of het niet mogelijk was om de niet-WBSO-gebruikers uit de loonheffing te halen.

Tijdens het Algemeen Overleg van 3 juli 2008 ben ik uitgebreid ingegaan op de gemaakte afweging met betrekking tot de loonheffing van de dga.

Door het amendement zouden circa 1600 dga’s niet in aanmerking komen voor de WBSO. De met het amendement beoogde administratieve lastenverlichting zou bij hen dus leiden tot een aanzienlijke financiële lastenverzwaring. Dat is onwenselijk. Tegen die achtergrond zijn alternatieven onderzocht, waaronder een opting-in-regeling. Daaraan blijken echter teveel bezwaren te zijn verbonden. Bij de opting-in-regeling voor resultaatgenieters (artikel 2g van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965) is er al een inhoudingsplichtige die voor een extra «werknemer» loonbelasting gaat inhouden. Bij een opting-in-regeling voor dga’s zouden echter BV’s moeten worden opgevoerd (en later afgevoerd) voor de loonbelasting. Hierbij bestaat een groot risico op te late of onjuiste verwerking van opting-in-verzoeken. Hierdoor kan in bepaalde gevallen tijdelijk dubbele belasting ontstaan (loonbelasting bij de BV en inkomstenbelasting via voorlopige aanslagen bij de dga). Ook is het mogelijk dat tijdelijk ten onrechte niet wordt geheven (geen loonheffing en geen voorlopige aanslagen inkomstenbelasting). Dergelijke foutsituaties moeten worden opgespoord en gecorrigeerd voor de loonbelasting en de inkomstenbelasting. Een dergelijke opting-in-regeling is niet verantwoord gelet op de nog niet robuuste loonaangifteketen.

Daarom is in overleg met MKB-Nederland, VNO-NCW en nagenoeg alle beconorganisaties het alternatieve pakket maatregelen samengesteld. Het verheugt mij dat de PVV-fractie blij is met de daarin opgenomen verhoging van de grens voor de kwartaalaangifte btw.

Loon in, loon over en correctieberichten

De heer Omtzigt is van mening dat de voorstellen met betrekking tot «loon in, loon over» en correctieberichten in een afzonderlijk wetsvoorstel moeten worden neergelegd en dat dit in juni aan de Kamer is toegezegd. Wat het laatste betreft merk ik op dat een dergelijke toezegging bij mijn weten niet is gedaan. Er is van meet af aan1 onderkend dat wetswijzigingen nodig zijn maar over de vorm daarvan is niet gesproken, ook niet in het AO dat op 4 juni 2008 mede over dit onderwerp heeft plaatsgevonden.2 Naar mijn mening was het niet nodig hiervoor een afzonderlijk wetsvoorstel in te dienen. De wijzigingen op fiscaal terrein waren voldoende voorbereid om te worden opgenomen in het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2009. In de nota naar aanleiding van het nader verslag beantwoord ik de vragen die zijn gesteld met betrekking tot de voorbereiding op dit punt van genoemd wetsvoorstel.

De specificaties voor de eenduidige loonaangifte komen naar mijn mening niet te laat. Beschikbaarheid ervan in november is tijdig. Er is nog meer dan een jaar om de invoering met ingang van 1 januari 2010 van de eenduidige aangifte loonheffingen grondig voor te bereiden en te testen. Naar aanleiding van de vraag van de heer Omtzigt of er door overheid en leveranciers al kosten zijn gemaakt, merk ik op dat de Belastingdienst geen andere kosten heeft gemaakt dan de kosten die zijn verbonden aan het ontwerpen van de specificaties. De kosten van de leveranciers zijn beperkt tot die voor hun bijdrage aan het overleg over dit onderwerp. Het beloop van deze kosten is niet bijgehouden. De heer Omtzigt heeft opgemerkt dat uitkeringen door het vervallen van correctieberichten in het lopende jaar op onjuiste gegevens kunnen worden vastgesteld en vraagt zich af hoe dit in zijn werk gaat. Naar aanleiding hiervan merk ik op dat de werknemer voor de berekening van het dagloon wordt geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon aangifte heeft gedaan. Door de overgangsregeling met betrekking tot «loon over» kan de werkgever thans ervoor kiezen door middel van correctieberichten loon dat in een tijdvak is nabetaald toe te rekenen aan het tijdvak waarop het betrekking heeft dan wel aan het tijdvak waarin het is genoten. Hierdoor zijn de in de polisadministratie opgenomen loongegevens deels genoten loon gegevens en deels loongegevens die aan verstreken perioden zijn toegerekend. Deze laatste loongegevens zijn loon over gegevens en kunnen niet worden gebruikt voor de dagloonvaststelling. In het voorgestelde systeem van eenduidige aangifte loonheffingen doet de werkgever aangifte van het loon over het tijdvak waarin het is genoten en zal de polisadministratie uitsluitend genoten loon gegevens bevatten. De bij de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten (Walvis) gemaakte keuze om bij de dagloonvaststelling uit te gaan van het genoten loon voorkomt dat bij de dagloonberekening uitgevraagd en geverifieerd moet worden op welke tijdvakken dit loon betrekking heeft. Het dagloon kan aldus immers worden berekend aan de hand van bij het UWV al beschikbare loongegevens. Daarmee is een vereenvoudiging beoogd van de regelgeving, beperking van de administratieve lasten voor de werkgever en verlaging van de uitvoeringskosten voor de werknemersverzekeringen. Als komt vast te staan – hetzij op basis van de toets van UWV op de aangeleverde loongegevens, hetzij op aangeven van de werknemer – dat de werknemer in een tijdvak wel loon heeft genoten, maar dat de werkgever daarvan geen aangifte heeft gedaan over dat tijdvak (de loonaangifte komt niet overeen met de werkelijkheid), kan daarmee bij de vaststelling van het dagloon rekening worden gehouden. De werknemer wordt dan niet benadeeld doordat de werkgever aanvankelijk onjuiste aangifte heeft gedaan.

Uitvraag jaarloongegevens

De heer Omzigt wil graag een toelichting op het voorstel inzake de voortzetting tijdelijke regeling uitvraag jaarloongegevens. Hij constateert dat een amendement bij eerdere behandeling van dit onderwerp lijkt te zijn teruggedraaid. Het gaat hierbij, naar ik begrijp, om de voorhangbepaling in artikel 49 van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen. Deze bepaling beoogt – in het kader van een soepele invoering van de operatie-Walvis – nieuwe voorstellen voor een ministeriële regeling eerst aan het parlement voor te leggen, alvorens ze van kracht te laten worden. Nu het geen nieuw voorstel betreft, maar feitelijk een – tijdelijke – verlenging van een bestaande regeling waarbij geen inhoudelijke wijziging is beoogd, heb ik er van afgezien een dergelijke bepaling op te nemen.

Codificatie fiscale behandeling WGA-lasten

De heer Cramer verzoekt alsnog in overleg te treden met sociale partners over de WGA-lasten. Daarnaast vraagt hij om te wachten met de WGA-maatregel tot de gerechtelijke procedures zijn afgerond uit vrees voor de gevolgen voor werknemers en werkgevers. Het kabinet ziet geen reden voor een nieuw overleg met sociale partners omdat er geen nieuwe gezichtspunten zijn. Het kabinet ziet ook geen aanleiding te wachten met het wetsvoorstel tot de gerechtelijke uitspraken definitief zijn. Zoals eerder aangegeven zal het nog geruime tijd kunnen duren tot definitief uitspraak is gedaan inzake het karakter van het verhaal van de WGA-last. Het kabinet wil daarom met ingang van 2009 duidelijkheid en zekerheid verschaffen voor de betrokkenen op het punt van de fiscale behandeling van de verhaalde WGA-last.

Ten aanzien van de WGA-lasten vraagt de heer Tang of een uitzondering op de wetssystematiek gerechtvaardigd is. De heer Tang verzoekt in dit kader uit te leggen waarin het verschil zit met de vroegere premie Ziektewet.

Op grond van de Ziektewet was de premie voor de helft verschuldigd door de verzekerde, de werknemer, tot ten hoogste 1% van het loon dat in het tijdvak waarover de betaling liep door de verzekerde was genoten. Het overblijvende deel van de premie was verschuldigd door de werkgever. De werkgever was op grond van de wet wel gehouden het door de verzekerde en het door hem verschuldigde deel te betalen. Hij mocht daartoe op het loon van de verzekerde het door de werknemer verschuldigde deel van de premie inhouden. De premie die verschuldigd was door de werknemer behoorde gezien deze wettelijke grondslag tot het fiscale loon en de ingehouden premie kwam dus in aftrek op het bedrag waarover de werknemer loonbelasting verschuldigd was. Indien de werkgever geen premie inhield vormde dat een belast voordeel voor de werknemer. De publieke WGA-premie is in zijn geheel verschuldigd door de werkgever. De werkgever moet de premie betalen aan de Belastingdienst. De werkgever mag van de door hem verschuldigde premie niets inhouden op het aan de werknemer uit te betalen loon. De werkgever kan wel de door hem verschuldigde gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervattingskas tot ten hoogste de helft verhalen op de werknemer. De werkgever die eigenrisicodrager is voor de WGA kan tot ten hoogste de helft van de kosten verhalen op de werknemer. Deze mogelijkheid om de WGA-last te verhalen is conform de afspraken bij het sociaal akkoord 2004 een zaak tussen werkgever en werknemer. Dat doet dus niets af aan het karakter van de WGA-last als werkgeverslast. Het verschil met de premie voor de Ziektewet is dus dat de werkgever de premie op grond van de WGA geheel verschuldigd is en blijft en de wet alleen een bepaalde mate van verhaal toestaat op de werknemer. Hij mag dan ook niets van de premie inhouden op het loon. Wel mag hij een bedrag ter hoogte van niet meer dan de helft verhalen op de werknemer. Daarmee is het verhaalde bedrag bedoeld als een privaatrechtelijke vordering die niet aftrekbaar is voor de loonbelasting. De premie wordt, als de werkgever gebruik maakt van de mogelijkheid tot verhaal, feitelijk voor (ten hoogste) de helft door de werknemer betaald, en voor het resterende deel door de werkgever conform de afspraak in het overleg van de Stichting van de Arbeid. Als de werkgever niet verhaalt, leidt dit dus ook niet tot een belast voordeel bij de werknemer.

Woningcorporaties

De heer Omtzigt wijst op twee moties die door de heren Tang en Cramer zijn ingediend. De motie Cramer c.s. die is ingediend op 21 november 20071 en waarin wordt gevraagd, in overleg te treden met de maatschappijen van stadsherstel, is nog steeds niet ten uitvoer gebracht. Graag verneemt de heer Omtzigt hoe tegen het Belastingplan 2008 wordt aangekeken en hoe de maatregelen van het Belastingplan 2009 uitpakken voor deze maatschappijen van stadsherstel. Op ambtelijk niveau is ruim een maand geleden gesproken met enkele stadsherstellichamen over de integrale vennootschapsbelastingplicht en de gevolgen hiervan voor stadsherstellichamen. Ook is een brief van de stadsherstellichamen aan de staatssecretaris van Financiën recentelijk beantwoord. Daarmee is mijns inziens uitvoering gegeven aan de motie Cramer.

De leden Tang en Remkes vragen wat de stand van zaken is met betrekking tot de uitvoering van de motie Tang c.s. inzake de VSO 22 en de motie Tang c.s. inzake de gemengde projecten.3 Recentelijk zijn door vertegenwoordigers van de Belastingdienst, Aedes en de woningcorporaties de contouren van de vaststellingsovereenkomst (VSO 2) verkend. Verder is ook de organisatie omtrent VSO 2 en het tijdpad nader ingevuld. Vervolgens zijn er verschillende projectgroepen geformeerd die zich bezighouden met deelproblemen, zoals: de waardering op de openingsbalans (waaronder sociaal vastgoed), zogenoemde tussenvormen en projectontwikkeling (waaronder gemengde projecten). Een ander thema is de overgang van VSO 1 naar VSO 2. Daarbij wordt nadrukkelijk ook gekeken naar een vermindering van de administratieve lastendruk. De besprekingen verlopen in een constructieve sfeer. Voor wat betreft de waardering van sociaal vastgoed (circa 2,4 miljoen woningen) liggen de standpunten momenteel overigens in betekenende mate uit elkaar. Ten aanzien van de vraag over de voortgang van de motie inzake de zogenoemde gemengde projecten kan ik nog het volgende opmerken. Zoals ik in de nota naar aanleiding van het verslag al heb aangegeven, worden binnen het kader van de bestaande wetgeving, jurisprudentie en beleid de mogelijkheden onderzocht om binnen de VSO 2 rekening te houden met de problematiek van gemengde projecten. De projectgroep Projectontwikkeling heeft hierin het voortouw. In die projectgroep zitten eveneens vertegenwoordigers van de Belastingdienst, woningcorporaties en Aedes. Over een aantal zaken bestaat al overeenstemming. Een aantal kwesties zal nog nader worden uitgewerkt.

De heer Irrgang vraagt of de integrale vennootschapsbelastingplicht het investeren in energiebesparende maatregelen door woningbouwcorporaties ontmoedigt.

Vennootschapsbelasting is een winstbelasting die geheven wordt voor zover er daadwerkelijk winst wordt gerealiseerd. De wettelijke regelingen waarlangs die winst wordt vastgesteld zijn voor een woningcorporatie niet anders dan voor andere ondernemingen. Zo is het mogelijk om voor bepaalde energiebesparende investeringen gebruik te maken van de (energie)-investeringsaftrek. Ook woningcorporaties hebben net als andere (vennootschaps)belastingplichtige ondernemingen toegang tot deze (energie)-investeringsaftrek. Daarmee worden dergelijke investeringen niet ontmoedigd, maar juist gestimuleerd. Woonhuizen als bedrijfsmiddel zijn echter uitgesloten voor de investeringsaftrek.1 Ingeval echter geen sprake is van een onzelfstandig onderdeel van een woonhuis, maar van een zelfstandig bedrijfsmiddel, kan mogelijk aanspraak gemaakt worden op de EIA. Als voorbeeld van een zelfstandig bedrijfsmiddel kan gedacht worden aan zonnepanelen.2

De heer Irrgang merkt op dat minister voor Wonen, Wijken en Integratie een heffing wil opleggen aan woningbouwcorporaties, die naar zijn mening met een eufemisme wordt aangeduid als «vermogensoverheveling». De heer Irrgang vraagt wat solidair is aan deze vorm van vermogensoverheveling. Uitgangspunt is dat de gevergde additionele inzet door de toegelaten instellingen in de 40 wijken niet tot stand zou zijn gekomen zonder het perspectief op en toekenning van de bijzondere projectsteun. De hoogte van deze projectsteun betreft maximaal 30 procent van de additionele inzet van in totaal € 250 miljoen per jaar. Dit vertaalt zich daarin dat de corporaties buiten de 40 wijken jaarlijks € 75 miljoen blijven bijdragen aan de opgave van € 250 miljoen voor de 40-wijken corporaties. Op deze manier leveren alle corporaties in Nederland een bijdrage aan de wijkenaanpak. Op de middelen van de bijzondere projectsteun kan alleen aanspraak worden gemaakt voor plannen die onderdeel uitmaken van de Wijk Actie Plannen.

Uitbreiding fictieve onderworpenheid van in niet-verdragsland werkzame werknemers

De heer Irrgang stelt een aantal vragen over de fictieve onderworpenheid van in niet-verdragslanden werkzame werknemers. Zoals eerder opgemerkt in de nota naar aanleiding van het verslag kan bij deze regeling primair worden gedacht aan Nederlandse werknemers die werkzaam zijn in de (Nederlandse) bouw- en baggersector in met name het Midden-Oosten. Nederland heeft in deze regio niet met alle landen een belastingverdrag gesloten. Zo is er bijvoorbeeld (nog) geen belastingverdrag gesloten met Irak, Iran, Syrië, Jemen en Libanon. Recent zijn wel belastingverdragen afgesloten met de Verenigde Arabische Emiraten, Saoedi-Arabië, Qatar en Bahrein. Deze verdragen zullen echter niet voor 1 januari 2010 in werking treden. Dit geldt ook ten aanzien van Oman waarmee de onderhandelingen inmiddels zijn afgerond, maar het verdrag zelf nog niet is getekend. In afwachting hiervan behoudt de bepaling ook voor werknemers die zijn uitgezonden naar deze landen haar belang. De regeling beoogt om de concurrentiekracht van Nederlandse werknemers die met name in deze landen werkzaam zijn te versterken en zorgt ervoor dat naar het buitenland uitgezonden Nederlandse werknemers in het buitenland wat de fiscaliteit betreft even duur zijn als lokale werknemers. In de regel gaat het om werknemers die in Nederland belastingplichtig blijven omdat hun gezinnen hier achterblijven. De regeling zorgt er zodoende voor dat deze werknemers zich niet bij voorbaat uit de markt prijzen. Niet alleen ten opzichte van lokale arbeidskrachten, maar ook ten opzichte van Nederlandse collega’s die hier geen gezin achterlaten en daardoor niet langer in de Nederlandse belastingheffing worden betrokken. De nu voorgestelde verruiming tot werkgevers die in een van de andere EU-lidstaten zijn gevestigd brengt, zoals eerder aangegeven, de Nederlandse wetgeving op dit punt meer in overeenstemming met het Europees recht. De voorwaarde dat sprake moet zijn van een Nederlandse werkgever kan beperkend werken voor in Nederland belastingplichtige werknemers die ook zijn uitgezonden en overigens exact hetzelfde werk doen, maar in dienstbetrekking zijn van een werkgever die gevestigd is in een van de andere EU-lidstaten. De voorgestelde aanpassing leidt ertoe dat ook de concurrentiekracht van deze Nederlandse werknemers die in niet-verdragslanden werkzaam zijn wordt versterkt. In dat licht acht ik het bestaan van deze regeling en de thans voorgestelde uitbreiding dan ook verdedigbaar en rechtvaardig.

Wet dwangsom en beroep

Zowel de heer Omtzigt als de heer Tang acht het onwenselijk dat de Belastingdienst/Toeslagen voor drie jaar wordt uitgezonderd van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen en vraagt deze periode terug te brengen tot één jaar. De motivatie voor een uitzonderingspositie voor de Belastingdienst/Toeslagen is gelegen in de verwachte invoering van een nieuw systeem voor Toeslagen. Een met het nieuwe systeem beoogde verbetering is dat daarmee de wettelijke termijnen kunnen worden gerealiseerd. Aangezien een dergelijke complexe implementatie nooit geruisloos verloopt, is ervoor gekozen om eerst het nieuwe systeem een complete toeslagencyclus (inclusief definitief toekennen) te laten draaien. Pas daarna kan de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen ook voor de Belastingdienst/Toeslagen worden toegepast. Een complete toeslagencyclus inclusief definitief toekennen duurt meer dan een jaar. Derhalve vind ik het niet raadzaam om de overgangstermijn te bekorten tot één jaar.

Overig

De heer Cramer heeft enkele vragen gesteld over de prijzen van grijze en groene stroom. Deze vragen zullen worden doorgeleid naar de minister van Economische Zaken, die primair verantwoordelijk is voor dit beleidsterrein.

De heer Cramer vraagt naar de termijn waarop ik uw kamer een brief zal toezenden met betrekking tot het onderzoek naar de verdere defiscalisering in box 3 van vorderingen en schulden die zijn ontstaan krachtens erfrecht. Deze brief zal in de eerste helft van 2009 aan uw kamer worden toegezonden.

De heer Cramer vraagt waarom belastingschulden waarvoor uitstel van betaling is verkregen (zoals bij bedrijfsoverdrachten) niet in box 3 in aanmerking kunnen worden genomen.

Op grond van de Invorderingswet 1990 kan in een aantal gevallen uitstel van betaling worden verleend. Dat geldt inderdaad zoals de heer Cramer aangeeft niet alleen voor regulier uitstel, maar ook voor bewust door de wetgever gecreëerde uitstelmogelijkheden zoals in de sfeer van de bedrijfsopvolging. In de brief aan de Kamer van 13 oktober 20081 heb ik aangegeven dat conserverende aanslagen die afhankelijk zijn van een toekomstige gebeurtenis of toestand buiten beschouwing zullen blijven in box 3, omdat er pas sprake is van een feitelijke verplichting wanneer die gebeurtenis of toestand zich voordoet. Daarnaast heb ik aangegeven dat vanwege vaststellingsproblematiek en peildataproblematiek ook materiële inkomstenbelastingschulden buiten beschouwing moeten blijven. Het meenemen van dergelijke belastingschulden zou leiden tot een zeer complexe regeling. Wel heb ik in de brief toegezegd een regeling in box 3 voor successierechtschulden en -vorderingen te treffen. Bij het vormgeven van die regeling zal bezien worden in hoeverre ook successierechtschulden waarvoor op grond van een bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Invorderingswet 1990 uitstel van betaling is verleend, in box 3 in aanmerking kunnen worden genomen. Ik zeg hierbij toe daarbij eveneens te bezien in hoeverre het mogelijk en gewenst is ook inkomstenbelastingschulden waarvoor op grond van een bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Invorderingswet 1990 uitstel van betaling is verleend, in box 3 in aanmerking te nemen. Daarbij zullen dan uiteraard aspecten als de budgettaire gevolgen en de uitvoerbaarheid aan de orde komen. De invoering van een regeling voor successierechtschulden- en vorderingen is voorzien per 1 januari 2010. Ik kom in de loop van 2009 op deze kwestie terug.

De heer Cramer vraagt waarom de noodzaak voor een bijzonder tarief voor stakingswinst niet wordt onderkend.

Stakingswinst is het deel van de totaalwinst dat nog niet is belast via de jaarwinst. Het kan dan gaan om de reguliere winst die in het laatste jaar is behaald, maar ook om eventuele gerealiseerde stille reserves of goodwill. Het is logisch om bij staking van de onderneming over deze winst belasting te heffen. Staking is immers het laatste moment waarop winst wordt genoten; na staking wordt geen onderneming meer gedreven. Wel kan de stakingsaftrek van toepassing zijn waardoor een deel van de stakingswinst niet wordt belast. Verder gelden er in een aantal specifieke situaties fiscale faciliteiten waarbij de stakingswinst kan worden doorgeschoven. Zo is er de mogelijkheid om stakingswinst onbelast om te zetten in een lijfrente, waardoor de stakingswinst pas wordt belast als de lijfrentetermijnen worden genoten. Ook kan in sommige gevallen de uiteindelijk betaalde belasting worden teruggebracht door gebruik te maken van de middelingsregeling. Overigens is bij de Wet IB 2001 expliciet besloten om de bijzondere tarieven bij staking en overlijden af te schaffen. De argumentatie is daar te vinden.

Door de minister van Landbouw is een evaluatie van de landbouwvrijstelling naar de Kamer gestuurd, zo constateert de heer Cramer. De heer Cramer wil graag weten wat het budgettair beslag is van de landbouwvrijstelling opgesplitst naar cultuurgrond en ondergrond. Op grond van de landbouwvrijstelling worden grosso modo voordelen uit landbouwbedrijf ter zake van waardeveranderingen van gronden – daaronder begrepen de ondergrond van gebouwen – niet tot de winst gerekend als de waardeverandering van de grond is toe te rekenen aan de ontwikkeling van de waarde in het economische verkeer. Op basis van de «Land- en tuinbouwcijfers» van het LEI en de «grondprijsmonitor» van de Dienst Landelijk Gebied van het ministerie van LNV is geschat dat circa 90% van de landbouwvrijstelling ziet op cultuurgrond en 10% op ondergrond. Voor 2008 is het budgettaire beslag van de landbouwvrijstelling geraamd op € 255 miljoen. Derhalve ziet circa€ 230 miljoen op cultuurgrond; het overige deel op ondergrond.

Mevrouw Koşer Kaya vraagt om een reactie op haar voorstel dat alleenstaanden voor de heffing van successierecht één persoon kunnen aanwijzen die dan voor toepassing van de verhoogde vrijstelling voor partners en tariefgroep I in aanmerking zou komen. In de verhoogde vrijstelling voor partners komt tot uitdrukking dat partners ten opzichte van elkaar een zorgplicht hebben. Indien een dergelijke wederzijdse zorgplicht niet aanwezig is, ligt het toekennen van de verhoogde vrijstelling minder voor de hand. Ook toepassing van tariefgroep I ligt in die zin niet voor de hand.

Mevrouw Koşer Kaya vindt de AWBZ-premies ondoorzichtig en vraagt of iedere belastingbetaler bij de belastingaangifte een overzicht kan krijgen waarin staat hoeveel hij betaald heeft aan elke afzonderlijke premie. Het totaal bedrag aan premies volksverzekeringen staat nu al vermeld op het aanslagbiljet, evenals het totale premiepercentage voor AWBZ, AOW en Anw. Het apart vermelden van de premies per verzekering zou aanzienlijke uitvoeringskosten met zich brengen. Bovendien zou een aantal regels op het aanslagbiljet moeten worden toegevoegd, hetgeen betekent dat andere informatie gegeven de beperkte ruimte zou komen te vervallen. Overigens staan de premiepercentages van de afzonderlijke premies (inclusief een rekenvoorbeeld) nu al gespecificeerd in de toelichting op de aangifte en op de website van de Belastingdienst.

Mevrouw Koşer Kaya stelt een vraag over heffingsrente en fouten van de Belastingdienst. Het in rekening brengen dan wel vergoeden van heffingsrente door de Belastingdienst vloeit voort uit de wet. Het is een vergoeding voor het genoten liquiditeitsvoordeel c.q. het geleden liquiditeitsnadeel. In antwoord op kamervragen1 is uiteen gezet dat indien sprake is van een verwijtbaar verzuim van de Belastingdienst dit in zijn algemeenheid geen consequenties kan hebben voor de berekening van heffingsrente. Heffingsrente is neutraal van karakter en is, wanneer het in rekening wordt gebracht, bedoeld ter compensatie van door de schatkist misgelopen rente. De belastingplichtige heeft gedurende een zekere tijd de beschikking gehad over het aan de overheid toekomende bedrag. Een belastingplichtige kan voorkomen dat hij met heffingsrente wordt geconfronteerd door tijdig en uitdrukkelijk te verzoeken om de vaststelling van een (nadere) voorlopige aanslag. De Belastingdienst zal steeds zo snel mogelijk, maar in elk geval binnen drie maanden na binnenkomst van een volledig en duidelijk schriftelijk verzoek, een (nader) voorlopige aanslag vaststellen. In het Besluit heffingsrente2 is neergelegd dat indien de Belastingdienst ondanks een dergelijk verzoek niet binnen drie maanden een (nadere) voorlopige aanslag vaststelt, de heffingsrente over de periode van de aan de Belastingdienst te wijten vertraging op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige wordt verminderd. Ik merk nog op dat heffingsrente nadrukkelijk niet het karakter heeft van een sanctie.

De heer Remkes stelt een vraag over de ingangsdatum van de heffingsrente.

Binnen het hiervoor naar aanleiding van de vraag van mevrouw Koşer Kaya inzake heffingsrente weergegeven uitgangspunt dat ten grondslag ligt aan de berekening van heffingsrente is, mede in verband met de uitvoerbaarheid van de regeling, voor de berekening van de heffingsrente uitgegaan van de fictie dat de belastbare winst gelijkmatig aangroeit gedurende het gehele jaar. Daarom wordt voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting heffingsrente berekend of vergoed vanaf 1 juli: het midden van het belastingjaar. Er wordt dus geen rekening gehouden met pieken of dalen in het inkomen gedurende het jaar. Gedurende het belastingjaar wordt er al een aanslag opgelegd op basis van een inschatting van de winst door de ondernemer. Het is sinds kort mogelijk om de schattingen digitaal aan te leveren. Dat maakt het makkelijker om gedurende het belastingjaar het verwachte jaarresultaat snel aan te passen wanneer de omstandigheden zich sterk wijzigen. Daarmee wordt zo goed mogelijk voorkomen dat er op de voorlopige aanslagen te veel of te weinig wordt betaald.

De toepassing van de regeling voor heffingsrente kan inderdaad onevenwichtig uitwerken al naar gelang belasting moet worden bijbetaald of worden teruggegeven. Dit probleem is ook al eerder gesignaleerd en er vindt nu onderzoek plaats in hoeverre hier een oplossing voor kan worden gevonden.

De heer Omtzigt verzoekt om een overzicht van de ontwikkeling van de tarieven van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek door de jaren heen. Onderstaand zijn voor de jaren 2004–2008 de tarieven weergegeven.

Tarieven met ingang van 1 januari 2008

Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van:
meer danmaar niet meer danbedraagt het percentage
€ 2 1000
€ 2 100€ 36 00025
€ 36 000€ 70 00021
€ 70 000€ 102 00012
€ 102 000€ 135 0008
€ 135 000€ 169 0005
€ 169 000€ 201 0002
€ 201 000€ 236 0001
€ 236 0000

Tarieven met ingang van 1 januari 2007

Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van:
meer danmaar niet meer danbedraagt het percentage
€ 2 1000
€ 2 100€ 35 00025
€ 35 000€ 68 00021
€ 68 000€ 99 00012
€ 99 000€ 132 0008
€ 132 000€ 164 0005
€ 164 000€ 197 0002
€ 197 000€ 230 0001
€ 230 000€ 263 0000
€ 263 000€ 295 0000
€ 295 0000

Tarieven met ingang van 1 januari 2006

Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van:
meer danmaar niet meer danbedraagt het percentage
€ 2 1000
€ 2 100€ 35 00025
€ 35 000€ 67 00022
€ 67 000€ 98 00015
€ 98 000€ 131 00010
€ 131 000€ 163 0006
€ 163 000€ 195 0003
€ 195 000€ 229 0003
€ 229 000€ 261 0000
€ 261 000€ 293 0000
€ 293 0000

Tarieven met ingang van 1 januari 2005

Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van:
meer danmaar niet meer danbedraagt het percentage
€ 2 0000
€ 2 000€ 34 00025
€ 34 000€ 66 00022
€ 66 000€ 97 00017
€ 97 000€ 129 00014
€ 129 000€ 161 00011
€ 161 000€ 193 0008
€ 193 000€ 226 0005
€ 226 000€ 258 0003
€ 258 000€ 290 0000
€ 290 0000

Tarieven met ingang van 1 januari 2004

Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van:
meer danmaar niet meer danbedraagt het percentage
€ 2 0000
€ 2 000€ 33 00025
€ 33 000€ 65 00022
€ 65 000€ 96 00019
€ 96 000€ 127 00016
€ 127 000€ 159 00013
€ 159 000€ 191 00011
€ 191 000€ 223 0008
€ 223 000€ 254 0005
€ 254 000€ 286 0003
€ 286 0000

De heer Omzigt vraagt wanneer de Tweede Kamer het wetsvoorstel met betrekking tot de algemene pensioeninstelling (API) tegemoet kan zien. Vanwege de complexiteit van de materie is bij de introductie van de API – zoals aangegeven in een algemeen overleg met de Tweede Kamer op 12 maart 2008 – gekozen voor een gefaseerde aanpak. In de eerste fase wordt een API gecreëerd die premieovereenkomsten kan uitvoeren. Deze instelling wordt aangeduid als premiepensioeninstelling (PPI). Het wetsvoorstel hierover zal naar verwachting op korte termijn aan de Raad van State kunnen worden voorgelegd. In de tweede fase zal worden nagegaan of het mogelijk is om via aanpassingen in de Pensioenwet de samenwerking tussen ondernemingspensioenfondsen mogelijk te maken. In de laatste fase zal worden bekeken op welke wijze een API kan worden geïntroduceerd die ook zogenoemde «defined benefit»-regelingen uit kan voeren. Over de aanpak die het kabinet daarbij voor ogen staat zal de Tweede Kamer binnenkort per brief worden geïnformeerd.

De heer Omtzigt vraagt bij de modernisering van de successiewetgeving, met name met betrekking tot de vereenvoudiging van de bedrijfsopvolgingsregeling, de verschillen in de behandeling van IB-ondernemingen en AB-ondernemingen te betrekken.

Ik kan hierop positief antwoorden. Zoals aangegeven in de brief modernisering van de successiewetgeving, is het inderdaad de bedoeling om de bedrijfsopvolgingsfaciliteit rechtsvorm neutraal te maken. Hiermee moeten verschillen in behandeling tussen IB-ondernemers en AB-houders weg worden genomen.

De heer Omtzigt vraagt met welke partijen de Belastingdienst overlegt over de vereenvoudiging van rittenregistraties voor bestelauto’s en of er voorstellen zijn die de administratieve lasten verminderen. De Belastingdienst overlegt over dit onderwerp met UNETO-VNI, VNO-NCW en EVO. Het volgende overleg staat eind november gepland. Op dit moment wordt onder andere gekeken naar de toepasbaarheid van een model voor de rittenregistratie van bestelauto’s dat door VNO-NCW en de Belastingdienst is ontwikkeld. Aan het gebruik van dit model door het bedrijfsleven blijken in de praktijk nog enkele onduidelijkheden te kleven. Deze onduidelijkheden proberen de partijen nu boven water te krijgen. Ook wordt in de overleggen gesproken over de mogelijkheden van het leveren van andersoortig bewijs dat de bestelauto niet voor privédoeleinden gebruikt wordt. Dit heeft tot nu toe nog niet tot oplossingen geleid.

De heer Omtzigt vraagt of ik bereid ben in overleg te treden met de Nationale Federatie Historische Luchtvaart over de heffing van accijns over de door historische luchtvaartuigen gebruikte brandstof. In de nota naar aanleiding van het verslag heb ik aangegeven dat met de Federatie al eerder overleg is gevoerd en dat dit niet tot een oplossing heeft geleid.

De heer Omtzigt vraagt een toelichting op de aftrekbaarheid van vakbondscontributie door gepensioneerden. Volgens de heer Omtzigt staan sommige belastinginspecteurs dit toe, maar andere niet.

Deze vraag lijkt deels op een misverstand te berusten. Aftrek van vakbondscontributie is – evenals aftrek van andere beroepskosten – onder de Wet IB 2001 niet meer toegestaan. Wel mag een inhoudingsplichtige een onbelaste vergoeding voor deze kosten verstrekken. Het is echter niet zonder verdergaande gevolgen mogelijk – en vermoedelijk wordt hierop gedoeld – om een deel van het (belaste) pensioen in te ruilen voor een onbelaste vergoeding. In die situatie zou namelijk sprake zijn van (gedeeltelijke) afkoop van pensioen. Op grond van artikel 19b, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964 zou dan de waarde van gehele pensioenaanspraak ineens worden belast. Het is derhalve niet mogelijk om door middel van een ruil van pensioen voor een onbelaste vergoeding de facto de heffing over het pensioen te vermijden. Het alsnog creëren van die mogelijkheid acht ik ook niet wenselijk.

De heer Omtzigt heeft gevraagd wat er gebeurt met ziektekostenfondsen binnen bedrijven (opgericht op initiatief werkgevers en werknemers) die nu al bestaan en de uitkeringen die na 1 januari 2009 uit dat fonds worden gedaan. Hij vraagt zich af, of deze in één keer worden belast en of dit niet tot dubbele belasting leidt.

Met het vervallen van de buitengewone uitgavenregeling per 1 januari 2009 komt ook de vrijstelling voor een door een werkgever verstrekte vergoeding van ziektekosten te vervallen. Dit staat los van de zogenoemde fondsenvrijstelling; die vrijstelling geldt niet voor de vergoeding van ziektekosten.

Voor zover de vraag ziet op fondsen die wel betrekking hadden op ziektekosten en dus niet onder de fondsenvrijstelling vielen, geldt het volgende. Wanneer na 1 januari 2009 een uitkering uit een dergelijk fonds betrekking heeft op ziektekosten is die uitkering bij de werknemer belast. Van dubbele belastingheffing zal echter doorgaans nagenoeg geen sprake zijn. Zoals de heer Omtzigt al aangeeft draagt de werkgever voor een deel bij aan de stortingen in het fonds. Voor het deel van een eventuele uitkering dat betrekking heeft op het werkgeversdeel kan van dubbele belastingheffing geen sprake zijn, nu de storting zelf in het algemeen niet belast is. Het restant wordt inderdaad door de werknemers gezamenlijk gestort vanuit hun nettoloon. De bijdrage van een werknemer aan een dergelijk fonds zal echter doorgaans in geen verhouding staan tot het bedrag van een eventuele uitkering uit dat fonds aan die zelfde werknemer. Die bijdrage zal veel minder zijn. Voor zover er al van dubbele belastingheffing kan worden gesproken, is dit effect op individueel niveau minimaal.

De heer Tang is voornemens een amendement in te dienen om stock appreciation rights, een bonus in geld waarvan de waarde afhangt van opties of aandelen, net als aandelenopties niet langer aftrekbaar te laten zijn van de vennootschapsbelasting. Hij heeft zich daarbij laten leiden door de duck-test: als het kwaakt als een eend en loopt als een eend, is het waarschijnlijk een eend.

Bij de parlementaire behandeling van de Wet werken aan winst is geantwoord dat stock appreciation rights (SAR’s) niet worden aangemerkt als met optierechten gelijk te stellen rechten in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel j, van de Wet Vpb. Dat is gebeurd omdat geen sprake is van een recht op aandelen maar slechts van een beloningsinstrument waarbij de bonus afhangt van de waardeontwikkeling van aandelen. Om in de beeldspraak van de heer Tang te blijven: het kwaakt niet als een eend en het loopt niet als een eend, dus is dit zeker géén eend. De reden dat aandelenopties niet aftrekbaar zijn van de Vpb is dat het niet zozeer de vennootschap is die door de verstrekking van optierechten verarmt, maar dat de deelgerechtigdheid tot het vermogen van de vennootschap over meer aandelen wordt verdeeld. Er is dus veeleer sprake van aandeelhouderslasten dan van ondernemingskosten. Bij een SAR is wel sprake van echte ondernemingskosten zodat er geen reden is om ze van aftrek uit te sluiten. Bij de werknemer wordt de SAR als een normale bonus in de loonbelasting betrokken.

De heer Remkes vraagt of het kabinet bereid is om de wet zodanig aan te passen dat ook voor gehandicapte kinderen een lijfrente kan worden opgebouwd. Deze mogelijkheid is echter reeds opgenomen in artikel 3 124, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven, is het alleen niet mogelijk om een dergelijke inkomensvoorziening via een lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht op te bouwen. Zoals daar is aangegeven zijn er geen voornemens om van de zijde van het kabinet met voorstellen te komen ter aanvulling van de als gevolg van het initiatiefwetsvoorstel van de kamerleden Depla (PvdA) en Blok (VVD) per 1 januari 2008 geldende regeling.

De heer Remkes heeft in verband met prijsverschillen van sigaretten verzocht om een reactie op het rapport over de illegale handel van shag en sigaretten dat in opdracht van de Vereniging Nederlandse Kerftabakindustrie is uitgevoerd. In dit rapport wordt gesteld dat illegale handel en verkoop van namaakproducten een mogelijk resultaat is van hoge tabaksaccijnzen. Het is juist dat de hoogte van de accijns het risico op smokkel en namaak beïnvloedt. Ik ben met de heer Remkes van mening dat het van belang is illegale tabakshandel tegen te gaan. Illegale invoer heeft niet alleen een effect op de accijnsinkomsten maar heeft door een groeiend aandeel van namaaksigaretten ook een volksgezondheidaspect. De douane treedt al jaren op tegen illegale invoer van sigaretten. De eerste containerscan die midden jaren negentig in Rotterdam is gebouwd heeft met name zijn vruchten afgeworpen bij het opsporen van ladingen illegale sigaretten. Naast het inzetten van speciale tabakshonden heeft de douane ook geïnvesteerd in het verbeteren van de informatiepositie. Daarnaast zal in de nabije toekomst een accijnszegel met aanvullende echtheidskenmerken worden ingevoerd om de drempel voor het namaken van sigaretten te verhogen.

Aan de andere kant moeten we ook in het oog blijven houden dat de prijsstelling zaak van de branche is, zodat we op zekere hoogte internationale prijsverschillen in tabaksproducten zullen blijven houden.

De staatssecretaris van Financiën,

J. C. de Jager


XNoot
1

Kamerstukken II 2008/09, 31 704, nr. 8, blz. 90.

XNoot
1

Brief van 3 juli 2008, Kamerstukken II 2007/08, 31 236, nr. 3.

XNoot
2

Kamerstukken II 2006/07, 30 800 XIII, nr. 76.

XNoot
3

Communautaire richtsnoeren betreffende staatssteun voor het zeevervoer (PbEU 2004 C13).

XNoot
1

Kamerstukken I, 2007/08, 31 205 en 31 206, C, blz. 38–39.

XNoot
1

Kamerstukken II 2007/08, 31 206, nr. 25.

XNoot
1

Kamerstukken II 2007/08, 31 492, nr. 1 (bijlage Analyse progressieve BPM afhankelijk van absolute CO2).

XNoot
1

Kamerstukken II 2007/08, 31 205/31 206, nr. 39.

XNoot
1

Richtlijn nr. 2005/36/EG van 7 september 2005 (PbEU L 255). Bij de Algemene wet erkenning EGberoepskwalificaties van 6 december 2007 (Stb. 2007, 530) is de Europese richtlijn grotendeels geïmplementeerd.

XNoot
1

Kamerstukken II 2007/08, 28 694, nr. 55.

XNoot
1

Brief van 31 maart 2008, Kamerstukken II 2007/08, 26 448 en 31 066, nr. 358.

XNoot
2

Kamerstukken II 2007/08, 31 066, nr. 55.

XNoot
1

Kamerstukken II 2007/08, 31 205, nr. 43.

XNoot
2

Kamerstukken II 2007/08, 31 205, nr. 46.

XNoot
3

Kamerstukken II 2007/08, 31 205, nr. 47.

XNoot
1

Achtergrond van de uitsluiting is gelegen in het feit dat woonhuizen weliswaar tot een bedrijfsvermogen kunnen behoren, maar in vele gevallen ook privé-objecten zijn, zodat zich het gevaar van discriminatie tussen ondernemers en particulieren voordoet.

XNoot
2

In het besluit van 8 maart 2006, nr. CPP2005/ 1463M is hierover meer te vinden.

XNoot
1

Kamerstukken II 2008/09, 30 375, nr. 6.

XNoot
1

Tweede Kamer 2005/06, nr. 935.

XNoot
2

Besluit van 7 maart 2008, nr. CPP2007/ 3267M, Stcrt. nr. 55.