Kamerstuk 31700-VIII-8

Verslag van een schriftelijk overleg inzake de peildatum voor de eerstvolgende telling van leden van omroepverenigingen

Dossier: Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2009

Gepubliceerd: 14 oktober 2008
Indiener(s): Ronald Plasterk (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA)
Onderwerpen: begroting cultuur en recreatie financiƫn media
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31700-VIII-8.html
ID: 31700-VIII-8

31 700 VIII
Vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2008

nr. 8
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 14 oktober 2008

Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1, hebben enkele fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen aan het kabinet over de brief d.d. 2 juli 2008 van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, inzake de peildatum voor de eerstvolgende telling van leden van omroepverenigingen (Kamerstuk 31 200 VIII, nr. 198).

Bij brief van 14 oktober 2008 heeft de minister deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Van de Camp

Adjunct-griffier van de commissie,

La Rocca

INHOUDSOPGAVE blz.

I Vragen en opmerkingen uit de fracties 2

1. Algemeen 2

2. Vragen en opmerkingen 2

II Reactie van de minister 3

I VRAGEN EN OPMERKINGEN UIT DE FRACTIES

1. Algemeen

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief waarin een uitstel wordt voorgesteld van de peildatum voor de telling van de leden van omroepverenigingen (Kamerstuk 31 200 VIII, nr. 198).

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de minister over de peildatum voor de ledentelling van de omroepverenigingen. Zij hebben enkele vragen hierover.

2. Vragen en opmerkingen

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat de planning van het wetsvoorstel voor erkenning en financiering van publieke omroepen, de aanleiding was voor het voorstel tot uitstel van de peildatum van 1 januari 2009 naar 1 april 2009. De leden van deze fractie vragen waarom het kabinet voorstelt om de teldatum op deze wijze te verschuiven. Deze leden willen weten of zulks betekent dat de minister ervan uitgaat dat de genoemde wet niet vóór 1 januari 2009 beide Kamers kan passeren. Ook willen zij weten wat daarvan de oorzaak is en wat de mogelijke gevolgen zijn; meer specifiek vragen zij naar de juridische en financiële consequenties van het uitstel. Ten slotte vragen de leden van deze fractie het kabinet of het ledenaantal over 2008 meetelt als op 1 april wordt «gepeild» hoeveel leden een omroep heeft.

De leden van de SP-fractie merken op dat, nu de peildatum is vastgesteld op 1 april 2009, de ledenjacht bij de omroepverenigingen weer is losgebarsten. Zij vragen het kabinet of omroepverenigingen die hun leden een tv-gids aanbieden en omroepen zonder gids verschillend worden behandeld. Verder vragen zij het kabinet of aan de leden van omroepen die naast hun lidmaatschap een tv-gids ontvangen van hun omroepvereniging, nog vóór de ledentelling om een «positieve wilsverklaring» wordt gevraagd.

Verder memoreren de leden van deze fractie dat de minister in zijn brief van 29 april jl. (Kamerstuk 31 200 VIII, nr. 174) schreef dat hij gevoelig is voor het bezwaar van vele fracties dat een ledenjacht ongewenst is. Deze leden vragen hoe de minister tegemoet gaat komen aan dat bezwaar. Verder vragen zij het kabinet welk bedrag de verschillende omroepverenigingen uitgeven aan ledenwerving, uit welk budget dit doorgaans wordt betaald en of dit privaat geld, geleend geld of publiek geld betreft. Wanneer het gaat om geleend geld, willen deze leden weten of dat risicovolle situaties oplevert. Wanneer het gaat om publiek geld, willen zij weten in hoeverre dat is toegestaan. Wanneer het gaat om privaat geld, willen zij weten hoe omroepverenigingen doorgaans aan dit private geld komen om hun campagnes te bekostigen.

II REACTIE VAN DE MINISTER

De leden van de CDA-fractie vragen waarom het kabinet de teldatum op de voorgestelde wijze verschuift.

In mijn brief van 2 juli 2008 (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 VIII, nr. 198) heb ik aangegeven dat volgens de procedure voor het verlenen van een erkenning, zoals vastgelegd in de Mediawet, de peildatum voor het ledental kan worden vastgesteld in de periode 1 januari tot 1 september 2009. Het is geen vaststaand wettelijk gegeven dat de peildatum op 31 december of 1 januari van het jaar valt. In het verleden is dat weliswaar een paar keer gebeurd, maar bijna even zoveel keer is een andere peildatum gekozen. Bij het vaststellen van de peildatum in 2009 heb ik het optimum gezocht tussen voldoende (bestuurlijke) duidelijkheid voor de omroepen over de regelgeving voor de nieuwe concessieperiode en de mogelijkheid tot een goede afronding van de ledenwerving. De omroepen zijn nauw betrokken geweest bij het bepalen van de peildatum van 1 april 2009.

De leden van de CDA-fractie vragen tevens naar de verwachting van de minister van de snelheid van behandeling van het wetsvoorstel over de erkenning en financiering van publieke omroepen en naar de financiële en juridische gevolgen van mogelijke vertraging.

Het wetsvoorstel is begin juli van dit jaar aan de Raad van State voor advies toegezonden. Ik ben op dit moment nog in afwachting van het advies. Zo spoedig mogelijk na ontvangst daarvan zal ik de indiening van het wetsvoorstel bij uw Kamer bevorderen. Behandeling in beide Kamers van de Staten-Generaal voor het einde van dit jaar acht ik niet realistisch, mede omdat dan onvoldoende tijd beschikbaar is voor een voldragen debat. Ik vind het belangrijk dat de omroepen duidelijkheid hebben over de nieuwe wetgeving, als zij hun aanvragen in juni 2009 indienen. Ik ga ervan uit dat die duidelijkheid er dan wel kan zijn.

Het is zaak dat de ledentallen vaststaan op het moment dat de omroepen hun aanvragen voor een erkenning indienen. Het Commissariaat voor de Media heeft een paar maanden nodig voor de telling van de leden. De peildatum van 1 april houdt daar rekening mee.

Ik voorzie geen uitstel van de datum waarop de nieuwe erkenningen zullen worden verleend. In het schema dat is bijgevoegd bij mijn brief van 2 juli 2008, ga ik uit van de uiterste datum van 1 januari 2010 voor de verlening van (voorlopige) erkenningen (volgens artikel 2, derde lid, van het Mediabesluit). Het moment waarop de nieuwe erkenningen ingaan, 1 september 2010, is eveneens een hard gegeven. Enige vertraging in het wetgevingsproces leidt derhalve niet tot juridische en financiële gevolgen.

Mocht nieuwe wetgeving onverhoopt niet vóór medio juli 2009 gereed zijn, dan heeft dat wel tot gevolg dat de toetsing van nieuwe omroepen – in de vorm van advisering door het Commissariaat voor de Media, de Raad voor Cultuur en de raad van bestuur van de Publieke Omroep en finale besluitvorming door mij – niet kan plaatsvinden op basis van de nieuwe wettelijke criteria. Dit deel van de nieuwe wetgeving zal dan pas bij een volgende erkenningsperiode effect hebben.

Voorts vragen de leden van de CDA-fractie of het ledental over 2008 meetelt bij een telling op 1 april 2009.

In beginsel tellen zij die in 2008 lid zijn van een omroepvereniging en die de volledige minimumcontributie van € 5,72 hebben betaald, mee bij de telling op 1 april 2009. Wanneer echter het lidmaatschap is opgezegd en voor 1 april 2009 is beëindigd, kan het desbetreffende lid niet langer meegeteld worden. Met andere woorden: het gaat om lidmaatschap op het moment van de peildatum.

De leden van de SP-fractie vragen of omroepen met en omroepen zonder tv-gids verschillend worden behandeld.

Het lidmaatschap van een omroepvereniging en het abonnement op een omroepblad zijn al sinds 1997 ontkoppeld. Sindsdien bestaan er geen leden meer vanwege het enkele feit dat zij op het blad van die omroep geabonneerd zijn. Er is derhalve in beginsel geen verschil in behandeling tussen omroepen met en omroepen zonder omroepblad. Er wordt echter één uitzondering gemaakt. Omroepen die na 1993 zijn toegetreden tot het bestel kunnen geen eigen verenigingsvermogen opbouwen (en het vermogen van de bestaande omroepen is op 1 januari 1993 gemaximeerd). Het gaat hierbij om omroepen die ook geen omroepblad uitgeven. Zij kunnen dus ook niet de opbrengst van een omroepblad inzetten voor ledenwerving. In deze gevallen kan bij de stap van voorlopige erkenning naar erkenning op basis van een onderbouwde aanvraag door het Commissariaat van de Media, en met instemming van de minister van OCW, – onder strikte voorwaarden – een garantie gegeven worden voor het afsluiten van een lening. Overigens heeft ook recent de Algemene Rekenkamer aandacht gevraagd voor de ongelijkheid tussen omroepen met of zonder algemene verenigingsreserve1. In het wetsvoorstel over de erkenning en financiering van publieke omroepen zal ik op dit punt een regeling voorstellen.

Verder vragen de leden van de SP-fractie of aan de leden die een tv-gids ontvangen nog voor de telling om een «positieve wilsverklaring» wordt gevraagd.

Er moet altijd sprake zijn van een aparte verklaring dat men (ook) lid van de desbetreffende omroep wil zijn. Het Commissariaat voor de Media gaat bij de steekproef ook na of deze verklaring aanwezig is.

De leden van de SP-fractie vragen hoe ik tegemoet kom aan het bezwaar dat fracties tegen ledenjacht hebben uitgesproken.

In mijn brief van 29 april 2008 (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 VIII, nr. 174) heb ik geschreven dat ik de balans zoek tussen ledenwerving die de vitaliteit van omroepverenigingen zichtbaar maakt en de kosten die ermee gemoeid zijn. Ik heb met argumenten aangegeven dat een systeem met glijdende schaal waarin alle leden tot het aantal van 400 000 meetellen die balans het beste dient.

Verder vragen de leden van de SP-fractie naar hoogte, bron en karakter van de middelen die voor ledenwerving ingezet worden en naar mogelijke risico’s die verbonden zijn aan het lenen van geld voor de ledenwerving.

Het is mij niet bekend hoeveel omroepverenigingen en aspirant-omroepverenigingen voor ledenwerving uitgeven. Ledenwerving is een verenigingsactiviteit. Die mag alleen maar betaald worden met inkomsten en middelen van de vereniging. Het gaat daarbij om de contributies, giften en legaten, de netto-opbrengst van verenigingsactiviteiten, het verenigingsvermogen zoals dat op 1 januari 1993 gemaximeerd is, de rente op het vermogen en de opbrengst van de exploitatie van omroepbladen in het lopende jaar. Daarnaast kan een omroepvereniging als private rechtspersoon een lening sluiten. Deze lening moet echter vanuit deze verenigingsmiddelen worden terugbetaald. Het risico van de lening ligt in eerste instantie bij de partij die de lening verstrekt. Alleen in het speciale geval van een garantie kan het risico naar de overheid verschuiven. Als er een beroep gedaan moet worden op deze garantie dan komt deze uitgave ten laste van de Algemene omroepreserve.

De inzet van publieke middelen door de omroepverenigingen zelf is in geen geval toegestaan.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden:Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), voorzitter, Depla (PvdA), Slob (CU), Remkes (VVD), Joldersma (CDA), De Vries (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Van Dijk (CDA), Aptroot (VVD), Leerdam (PvdA), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Roefs (PvdA), ondervoorzitter, Verdonk (Verdonk), Van Leeuwen (SP), Biskop (CDA), Bosma (PVV), Pechtold (D66), Zijlstra (VVD), Langkamp (SP), van Dijk (SP), Besselink (PvdA), De Rooij (SP), Ouwehand (PvdD) en Dibi (GL).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Ferrier (CDA), Gill’ard (PvdA), Anker (CU), Van Miltenburg (VVD), Atsma (CDA), Sterk (CDA), Vietsch (CDA), Schinkelshoek (CDA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Dijken (PvdA), Hamer (PvdA), Van Dam (PvdA), Van der Burg (VVD), Gesthuizen (SP), Jonker (CDA), Fritsma (PVV), Van der Ham (D66), Ten Broeke (VVD), Van Bommel (SP), Leijten (SP), Timmer (PvdA), Gerkens (SP), Thieme (PvdD) en Halsema (GL).

XNoot
1

Publieke Omroep in beeld Financiering, bedrijfsvoering en toezicht (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 557, nrs. 1–2) blz. 15 onderaan.