Gepubliceerd: 10 september 2008
Indiener(s): Jacqueline Cramer (minister volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer) (PvdA)
Onderwerpen: economie natuur en milieu ondernemen organisatie en beleid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31592-3.html
ID: 31592-3

31 592
Wijziging van de Wet milieubeheer en enkele andere wetten met het oog op integratie van verplichtingen op het terrein van milieuverslaglegging

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

I ALGEMEEN

1. Doelstelling van en aanleiding voor het wetsvoorstel

Milieurapportages van inrichtingen spelen in het milieubeleid een belangrijke rol. De milieujaarverslagen (hierna: MJV’s) van grote inrichtingen zijn essentieel voor de monitoring van de voortgang van het milieubeleid en voor de rapportages die Nederland daarover in internationaal verband uitbrengt. Het MJV is geregeld in titel 12.1 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm).

Op 15 maart 2008 is de Uitvoeringswet EG-verordening PRTR en PRTR-protocol1 en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving2 in werking getreden. De Uitvoeringswet EG-verordening PRTR en PRTR-protocol heeft een nieuwe titel 12.3 over PRTR in de Wm ingevoegd. Hiermee is uitvoering gegeven aan zowel verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad (hierna: EG-verordening PRTR)3 als het op 21 mei 2003 te Kiev tot stand gekomen Protocol betreffende registers inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen, met Bijlagen (hierna: PRTR-protocol)4. Het protocol en de verordening vloeien voort uit het Verdrag van Aarhus5.

Het PRTR-protocol bevat minimumeisen voor het instellen van een nationaal register inzake de uitstoot (hierna: emissie) en overbrenging van verontreinigende stoffen (hierna: nationaal PRTR)6. Onder de overbrenging van verontreinigende stoffen wordt verstaan de overbrenging van verontreinigende stoffen in afvalwater en de overbrenging van afvalstoffen van het terrein van de inrichting naar elders. Op grond van de EG-verordening PRTR wordt tevens een Europees register inzake de emissie en overbrenging van verontreinigende stoffen geïntroduceerd (hierna: E-PRTR). Het PRTR-protocol en de EG-verordening PRTR bevatten rapportageverplichtingen voor inrichtingen en inhoudelijke eisen met betrekking tot de kwaliteit van de informatie. Het gaat om informatie over emissies en afvalstromen van grote inrichtingen. Met de komst van het PRTR-systeem is het vergroten van de openbaarheid van informatie over de milieuprestaties van inrichtingen een nog belangrijker doelstelling van milieurapportages geworden.

De EG-verordening PRTR en het PRTR-protocol gaven aanleiding om het Nederlandse MJV-systeem opnieuw te doordenken en aan te passen. Wijzigingen in het MJV kunnen echter verstrekkende consequenties hebben als deze niet zorgvuldig uitgevoerd worden. Daarom is destijds besloten deze stroomlijning in twee fasen te doen plaatsvinden1. De eerste fase bestond uit de Uitvoeringswet EG-verordening PRTR en PRTR-protocol en de daarop gebaseerde regelgeving. Kern van de eerste fase is dat de bestaande milieuverslagleggingsplicht (het MJV) vooralsnog blijft bestaan naast de verplichtingen voortvloeiend uit de EG-verordening PRTR. Daarbij is wel verzekerd dat er geen overlap tussen beide stelsels optreedt; dubbele verslaglegging wordt hiermee voorkomen. Voorzover de milieuverslagleggingsplicht echter aanvullende gegevens genereert ten opzichte van de informatie waarover reeds op grond van de EG-verordening PRTR moet worden gerapporteerd, is die plicht vooralsnog gehandhaafd. Juridisch gezien is sprake van twee afzonderlijke rapportageverplichtingen: het MJV en de rapportage ingevolge de EG-verordening PRTR (hierna: het PRTR-verslag). In de praktijk wordt overigens gewerkt met één elektronische applicatie, het e-MJV.

Het onderhavige wetsvoorstel geeft invulling aan de tweede fase van de stroomlijning van het MJV en het PRTR-verslag. In deze tweede fase is de verhouding tussen het MJV en PRTR meer ten principale bekeken. Deze fase heeft als voornaamste doel om de wet- en regelgeving rond milieuverslaglegging, waarin er formeel gezien sprake is van twee verslagen, te vereenvoudigen. Omdat het in het PRTR-verslag en het MJV om vergelijkbare informatie gaat, ligt het voor de hand om te komen tot één wettelijk regime voor wat betreft onder meer de indieningstermijnen, de kwaliteitsbeoordeling door bevoegde instanties, de geheimhouding en de sanctionering, en om daarbij het Europese systeem als uitgangspunt te nemen. Met het onderhavige wetsvoorstel wordt deze integratie van milieuverslagleggingsverplichtingen ingevolge de Wm vormgegeven. Hiertoe komen de milieuverslagleggingsverplichtingen uit titel 12.1 Wm te vervallen; deze verplichtingen worden – voorzover nog relevant – geïntegreerd in titel 12.3 Wm. Concreet betekent dit dat er voor de betreffende inrichtingen één rapportageplicht gaat gelden in de vorm van een geïntegreerd PRTR-verslag (hierna: integraal PRTR-verslag). Dit integrale PRTR-verslag bestaat uit het huidige PRTR-verslag, aangevuld met bestanddelen van het huidige MJV. Een deel van de informatie die via het integrale PRTR-verslag bij de bevoegde instanties wordt aangeleverd, wordt vervolgens doorgeleid naar het nationale PRTR èn het E-PRTR (te weten de informatie die op grond van de EG-verordening PRTR verplicht is). Het andere deel wordt alleen in het nationale PRTR opgenomen (te weten de informatie die niet op grond van de EG-verordening PRTR verplicht is, maar die op nationaal niveau nog wel aanvullend wordt gevraagd).

De tweede fase is tevens aangegrepen om de inhoud van het huidige MJV te actualiseren, waarbij de vraagstelling wordt beperkt tot informatie die de overheid écht nodig heeft. Bij verschillende betrokken overheden en onderzoeksinstituten is geïnventariseerd welke informatie zij uit het MJV nodig hebben om hun taken goed uit te kunnen voeren en ook de visie van het bedrijfsleven op het MJV is gevraagd. Op basis hiervan is besloten welke informatie in het MJV blijft bestaan als onderdeel van het integrale PRTR-verslag. Deze wijzigingen zullen voornamelijk in lagere regelgeving worden verwerkt. Met deze actualisatie zullen de administratieve lasten voor het bedrijfsleven worden verminderd, met name voor de inrichtingen die momenteel een MJV opstellen. Tegelijkertijd zal worden gewaarborgd dat er voldoende en kwalitatief goede gegevens worden verzameld ten behoeve van internationale rapportageverplichtingen, nationaal beleid en de informatiebehoefte van vergunningverleners.

Met het oog op de integratie van het MJV en het PRTR-verslag wordt voorgesteld om de hoofdstukken 8, 12, 19, 21 en 22 Wm aan te passen. Daarnaast worden de Wet op de economische delicten (hierna: Wed) evenals de Wet op de ondernemingsraden (hierna: Wor) aangepast.

De inhoud van dit wetsvoorstel en deze memorie van toelichting is afgestemd met de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

2. Achtergrond integratie MJV en PRTR-verslag

2.1 MJV: doelstellingen en gebruiksfuncties

Op 1 januari 1999 is de wetgeving inzake de milieuverslaglegging in werking getreden1. Hiertoe werd een nieuw hoofdstuk 12 in de Wm ingevoegd. Nederland was hiermee internationaal voorloper op het gebied van het (elektronisch) MJV. Doelstelling is destijds geweest om de rapportage van milieugegevens aan de overheid efficiënter te maken door een groot aantal wettelijke en buitenwettelijke rapportages te integreren in het MJV. Deze stroomlijning hield tevens een kwaliteitsverbetering in van de in de rapportage op te nemen milieugegevens. Met de wetgeving werd tevens beoogd de verdere invoering van de bedrijfsinterne milieuzorg te bevorderen, de verantwoordingsplicht die inrichtingen jegens overheid en publiek hebben, te stimuleren en de openbaarheid van milieu-informatie te vergroten2.

De gegevens uit het MJV worden gebruikt voor:

– het toezicht en de handhaving door het bevoegd gezag voor de milieuvergunning (hierna: Wm-bevoegd gezag) en het bevoegd gezag voor de vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo-bevoegd gezag);

– internationale rapportageverplichtingen op grond van bijvoorbeeld het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van daaruit voortvloeiende verplichtingen (hierna: Kyoto-protocol)3, en richtlijn nr. 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (NEC-richtlijn)4;

– de berekening van landelijke emissies van een bepaalde stof of voor een bedrijfstak ten behoeve van (vaststelling en evaluatie van) nationaal beleid5, en de informatievoorziening hierover aan de samenleving en de Tweede Kamer6.

Het MJV is openbaar; geïnteresseerden kunnen dit op grond van artikel 3 van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) opvragen7.

2.2 Verschillen tussen het MJV en de EG-verordening PRTR en het PRTR-protocol

De doelstelling van het MJV overlapt deels die van de EG-verordening PRTR en het PRTR-protocol. Er zijn echter ook verschillen. In de eerste plaats is de reikwijdte verschillend. De MJV-wet- en regelgeving is van toepassing op een beperkt aantal inrichtingen, dat verantwoordelijk is voor de grootste milieubelasting op nationale schaal. Een groep van circa 250 inrichtingen is verplicht een MJV op te stellen8. De categorie-indeling van het MJV wijkt af van de indeling en de drempelwaarden die in de EG-verordening PRTR en het PRTR-protocol worden aangehouden. Dit leidt ertoe dat de groep inrichtingen die relevant is voor de EG-verordening PRTR en het PRTR-protocol veel groter is. Een en ander impliceert dat een grote groep inrichtingen nieuwe rapportageverplichtingen heeft gekregen als gevolg van de Europese en internationale eisen.

In de tweede plaats zijn er verschillen in de inhoud van de informatie: er zijn verschillen in de stoffen waarover gerapporteerd moet worden en ingevolge het MJV dient meer gedetailleerde informatie te worden verstrekt. De verschillen hebben te maken met het feit dat de rapportage op grond van de EG-verordening PRTR en het PRTR-protocol uitsluitend tot doel heeft om toegang tot (kwalitatief goede) informatie te bevorderen voor het publiek via daarop ingerichte elektronische databases. Het MJV heeft een bredere doelstelling: het MJV is tevens bedoeld als instrument om alle rapportages die inrichtingen voorheen moesten opstellen, te bundelen in één verslag dat één keer per jaar door de drijver van de inrichting wordt opgesteld. Rapportages die op grond van verschillende Europese richtlijnen aan inrichtingen worden gevraagd, zijn niet geïntegreerd in de rapportage ter uitvoering van de EG-verordening PRTR. Er zal naast de rapportage ter uitvoering van de EG-verordening PRTR dus altijd behoefte bestaan aan aanvullende gegevens van inrichtingen, om te kunnen voldoen aan alle internationale en Europese verplichtingen.

De EG-verordening PRTR werkt rechtstreeks. Nationale eisen mogen niet in strijd zijn met de EG-verordening PRTR en er mag ook geen overlap in Europese en nationale eisen optreden, die een onduidelijke situatie zou kunnen opleveren. Wel is het op grond van het PRTR-protocol mogelijk om het nationale PRTR breder op te zetten dan de EG-verordening PRTR vereist (bijvoorbeeld met de aan het huidige MJV ontleende lokale thema’s zoals watergebruik)1. Van die ruimte is in dit wetsvoorstel gebruik gemaakt.

3. Consequenties van de integratie voor de inhoud van het PRTR-verslag

De integratie van het MJV in het PRTR-verslag is in nauwe samenspraak met alle betrokken actoren, te weten de ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) en Verkeer en Waterstaat (V&W), VNO-NCW, het InterProvinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen (UvW), tot stand gekomen. Daarbij is een gedetailleerde analyse gemaakt van de noodzaak van de verschillende elementen van het MJV. Tussen alle betrokkenen is overeenstemming bereikt over een pakket wijzigingen, waarbij een goede balans is gevonden tussen de verschillende belangen. Per saldo leidt de stroomlijning tot een vermindering van administratieve lasten voor met name de inrichtingen die momenteel een MJV opstellen.

De integratie betekent dat het MJV in juridische zin komt te vervallen en dat het PRTR-verslag leidend wordt. Een deel van de elementen uit het MJV zal terugkomen in het integrale PRTR-verslag. Ten opzichte van het huidige MJV gaat het volgende veranderen:

a. Beschrijvend deel

Het MJV kent een beschrijvend deel, dat inzicht geeft in milieumaatregelen die de inrichting in het verslagjaar heeft genomen en in te verwachten ontwikkelingen in het eerstvolgende verslagjaar (artikel 12.4, tweede lid, onder b en c, Wm). Dit beschrijvend deel, dat nu een apart document is met een verplicht format, zal vervallen. Een deel van de informatie uit het beschrijvend deel zal waar nodig worden geïntegreerd in het PRTR-verslag als toelichting bij de kwantitatieve gegevens. Dit biedt inrichtingen bijvoorbeeld de gelegenheid om toe te lichten waarom er grote afwijkingen zijn in de emissies ten opzichte van het voorafgaande jaar.

b. Lokale thema’s

In het MJV dienen inrichtingen te rapporteren over de lokale thema’s externe veiligheid, bodem, geluid, geur, overschrijding grenswaarden, milieuzorg en watergebruik. De meeste van deze thema’s zullen vervallen, omdat de informatie veelal reeds op andere wijze bij de bevoegde instantie aanwezig is of niet (jaarlijks) wordt gebruikt. Enkele onderdelen blijven bestaan:

– Het thema watergebruik blijft gehandhaafd, omdat deze gegevens nodig zijn voor de berekening van het totale watergebruik door de industrie, onder meer ten behoeve van de uitvoering van richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (hierna: Kaderrichtlijn Water)1.

– De thema’s geur en geluid kunnen optioneel verplicht worden gesteld. Dit houdt in dat de bevoegde instantie de mogelijkheid krijgt een inrichting via de vergunning te verplichten om over deze thema’s via het PRTR-verslag te rapporteren. Deze mogelijkheid wordt wettelijk nader ingekaderd. Deze oplossing is gekozen omdat een aantal provincies heeft aangegeven ook in de toekomst behoefte te hebben aan gegevens over genoemde thema’s in verband met de monitoring van incidenten op het gebied van geur en geluid en zo nodig lokale beleidsformulering op deze aspecten.

c. Energiegegevens

Een deel van de gegevens over energie wordt in de praktijk weinig gebruikt en zal daarom vervallen. Daarnaast zal een aantal vereenvoudigingen worden doorgevoerd in de wijze van rapporteren.

d. Stoffenlijst en drempelwaarden

Een groot deel van het MJV betreft de emissies (jaarvrachten) naar water en lucht van stoffen die opgenomen zijn in de stoffenlijst behorend bij het Besluit milieuverslaglegging en deUitvoeringsregeling milieuverslaglegging. Bij emissies naar lucht moet een inrichting over een stof rapporteren als de emissie in het verslagjaar uitkomt boven een vastgelegde drempelwaarde. Voor emissies naar water zijn geen drempelwaarden aangegeven. De drempels voor rapportage zijn hier gebaseerd op (historische) afspraken in de Wvo-vergunning.

De drempelwaarden voor luchtemissies in de EG-verordening PRTR zijn over het algemeen hoger dan die in het huidige MJV. Daarnaast bevat de stoffenlijst in bijlage II bij de EG-verordening PRTR niet alle stoffen die ten behoeve van het MJV wel worden gevraagd. Met betrekking tot de stoffen waarover moet worden gerapporteerd, zijn de volgende wijzigingen voorzien:

–  Er zijn in het MJV dertig stoffen met een lagere drempelwaarde naar lucht dan onder PRTR het geval is. Voortaan zal hiervoor de PRTR-drempelwaarde worden aangehouden, met uitzondering van zestien stoffen waarvoor de MJV-drempelwaarde blijft bestaan. Voor deze laatste stoffen zijn de huidige – lagere – MJV-drempelwaarden voor de landelijke Emissieregistratie2 een absoluut minimum voor het behalen van de gewenste kwaliteit van de emissiegegevens die nodig is om te voldoen aan internationale rapportageverplichtingen. Voor emissies naar water zullen de PRTR-drempelwaarden worden aangehouden.

–  Het huidige MJV kent 34 stoffen die niet voorkomen in bijlage II bij de EG-verordening PRTR. Daarvan worden er 28 geschrapt en blijven er zes behouden1. Bij de zes te behouden stoffen zijn geen stoffen voor emissies naar water. Bij de emissies naar water kan worden volstaan met de stoffen, genoemd in bijlage II bij de EG-verordening PRTR2. De zes te handhaven stoffen betreffen prioritaire stoffen waarvan de gegevens nodig zijn ten behoeve van nationaal beleid en rapportages hierover aan de Tweede Kamer. Het gaat daarbij om stoffen waarvan de emissies relatief eenvoudig via internationaal erkende methoden (zogenaamde multi-residue methoden) door de inrichtingen zijn te bepalen.

– Voor fijn stof (PM10) zal de drempelwaarde ten opzichte van het huidige MJV worden verlaagd, zodat meer inrichtingen hierover moeten rapporteren. De hoofdreden hiervan is dat de onzekerheden in de emissiegegevens van fijn stof zeer groot zijn en er een dringende behoefte bestaat aan betere gegevens in het kader van de problematiek rond luchtkwaliteit.

Wanneer bij het integrale PRTR-verslag een lagere drempelwaarde wordt gehanteerd dan volgens de EG-verordening PRTR, hoeven inrichtingen de emissies van de betreffende stoffen voortaan overigens niet anders te bepalen dan nu voorgeschreven is in het kader van het MJV. Het hanteren van een lagere drempelwaarde dwingt dus niet tot frequentere of meer uitgebreide metingen.

Bovenstaande wijzigingen zullen worden geconcretiseerd door middel van een wijziging van het Uitvoeringsbesluit EG-verordening PRTR en PRTR-protocol en de Uitvoeringsregeling EG-verordening PRTR en PRTR-protocol. Waar de bepalingen uit het huidige Besluit milieuverslaglegging en de Uitvoeringsregeling milieuverslaglegging nog relevant zijn, zullen deze in eerstgenoemde algemene maatregel van bestuur en ministeriële regeling worden geïntegreerd.

4. Inhoud van het wetsvoorstel

4.1 Algemeen

Dit wetsvoorstel strekt tot aanpassing van de hoofdstukken 8, 12, 19, 21 en 22 Wm. Voorts worden de Wed en de Wor gewijzigd in verband met het vervallen van het grootste deel van titel 12.1 Wm en de integratie van de milieuverslagleggingsverplichtingen in titel 12.3 Wm.

Aan titel 12.3 Wm worden twee nieuwe artikelen toegevoegd, de artikelen 12.20a en 12.28a. Dit vormt de kern van het wetsvoorstel en feitelijk de integratie van het MJV in het PRTR-verslag. Deze bepalingen zijn qua formulering afgeleid van de huidige artikelen 12.4 en 12.5 Wm.

Ingevolge het voorgestelde artikel 12.20a kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur andere gegevens dan de in artikel 5, eerste lid, van de EG-verordening PRTR bedoelde gegevens worden aangewezen om in het integrale PRTR-verslag te worden opgenomen. Het moet daarbij gaan om gegevens omtrent de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting in het verslagjaar kan veroorzaken. De gegevens moeten nodig zijn voor de vervulling van de handhavingstaken van het Wm- of Wvo-bevoegd gezag of voor de vaststelling van, en de controle op het milieubeleid (eerste lid, onder a en b). Daarnaast kunnen gegevens worden gevraagd die de overheid nodig heeft ter uitvoering van Europees en internationaal opgelegde informatieverplichtingen, anders dan die welke voortvloeien uit de EG-verordening PRTR (eerste lid, onder c). De MJV-gegevens zijn momenteel noodzakelijk om te voldoen aan een groot aantal internationale rapportageverplichtingen, zoals rapportages ingevolge:

– het Kyoto-protocol;

– de NEC-richtlijn;

– het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand1;

– de Kaderrichtlijn Water;

– het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan2;

– het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken3.

Voorts biedt het voorgestelde artikel 12.28a het Wm- en Wvo-bevoegd gezag de bevoegdheid om in de vergunning voor te schrijven dat een inrichting via het PRTR-verslag ook moet rapporteren over andere thema’s dan de thema’s waarover reeds op grond van de EG-verordening PRTR of artikel 12.20a, eerste lid, moet worden gerapporteerd. Welke aanvullende thema’s het betreft, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur limitatief opgesomd. Gedacht wordt vooralsnog aan de lokale thema’s geur en geluid. Deze mogelijkheid is op verzoek van de vergunningverlenende instanties in het wetsvoorstel opgenomen. Deze aanvullende gegevens worden wel via het PRTR-verslag aangeleverd, maar worden niet volgens de PRTR-systematiek beoordeeld en evenmin in het nationale PRTR opgenomen (zie nader de artikelsgewijze toelichting bij artikel 12.28a).

De meeste van de andere wijzigingen van hoofdstuk 12 Wm hebben slechts een juridisch-technisch karakter en zijn niet van inhoudelijke aard.

Voor de duidelijkheid wordt erop gewezen dat het Besluit milieuverslaglegging van rechtswege zal vervallen bij inwerkingtreding van de in dit wetsvoorstel vervatte regeling, nu de rechtsgrondslag voor dat besluit (titel 12.1 Wm) komt te vervallen.

4.2 Reikwijdte

Voor wat betreft de reikwijdte van de geïntegreerde wet- en regelgeving (de groep inrichtingen waarop die regelgeving van toepassing is) wordt volledig aangesloten bij de EG-verordening PRTR. De voorgestelde artikelen 12.20a en 12.28a zijn van toepassing op inrichtingen waarin een of meer activiteiten worden verricht die in bijlage I bij de EG-verordening PRTR genoemd staan. Het gaat alleen om activiteiten die de toepasselijke capaciteitsdrempels overschrijden (artikel 12.19, eerste lid, Wm)4. Bijlage I bevat negen sectoren en 65 categorieën van activiteiten (zie paragraaf 3 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Uitvoeringswet EG-verordening PRTR en PRTR-protocol)5.

4.3 De werking van het systeem

Op de gegevens die ingevolge artikel 12.20a aanvullend op PRTR dienen te worden verzameld, is de reguliere PRTR-systematiek van toepassing. Waar een inrichting tot dusver te maken kon hebben met verschillende regels voor het MJV en het PRTR-verslag, gaat nu dus één regime gelden voor onder meer de inhoud van de informatie, de kwaliteitseisen, de verplichting tot elektronische indiening, de termijnen van indiening en de beoordeling, de geheimhouding en de opname in het nationale PRTR.

Binnen dit regime is met name de kwaliteitsbeoordeling van de rapportages door bevoegde instanties een belangrijk element. Ingevolge titel 12.3 Wm wordt die kwaliteitsbeoordeling uitgevoerd door het Wm- en het Wvo-bevoegd gezag (met uitzondering van de intensieve veehouderijen, waarvoor de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de bevoegde instantie is). Bij het huidige MJV is ook sprake van een kwaliteitsbeoordeling (ook wel validatie genoemd) door de vergunningverlenende instanties van provincies en waterschappen en door de regionale directies van Rijkswaterstaat. De kwaliteitsbeoordeling van het integrale PRTR-verslag geschiedt op grond van dit wetsvoorstel conform het reeds geldende PRTR-regime.

Het enige verschil dat blijft bestaan in de wijze van omgaan met de gerapporteerde gegevens is dat de informatie die op grond van artikel 12.20a van inrichtingen wordt gevraagd – anders dan de verplichte PRTR-informatie – niet zal worden doorgeleid aan de Europese Commissie ten behoeve van opname in het E-PRTR, maar uitsluitend zal worden opgenomen in het nationale PRTR1. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat het hier uitsluitend openbaarmaking van gegevens op inrichtingenniveau betreft. Andere gegevens uit het PRTR-verslag (bijvoorbeeld op installatieniveau) maken geen deel uit van het nationale PRTR.

Bij de kwaliteitsbeoordeling van het integrale PRTR-verslag kan de bevoegde instantie inzage verlangen in de documentatie die de inrichting op grond van artikel 5, vijfde lid, van de EG-verordening PRTR beschikbaar dient te hebben. Deze bepaling wordt van overeenkomstige toepassing verklaard op de aanvullende nationale gegevens in een PRTR-verslag (zie het voorgestelde artikel 12.20a, tweede lid). Wanneer een inrichting over een bepaalde stof niet heeft gerapporteerd, kan de bevoegde instantie de inrichting verzoeken om nadere onderbouwing dat de emissie in het verslagjaar beneden de toepasselijke drempelwaarde is gebleven. De vereiste diepgang van de onderbouwing zal daarbij afhangen van de vraag in hoeverre redelijkerwijs te verwachten is dat de desbetreffende stof daadwerkelijk wordt geëmitteerd in een hoeveelheid die boven de drempelwaarde komt; de richtsnoeren van de Europese Commissie geven hiervoor nadere aanwijzingen2. In het geval dat de emissie elk jaar rond de drempelwaarde schommelt, kan de bevoegde instantie vragen naar metingen of berekeningen die aantonen dat de drempelwaarde niet is overschreden. In het geval dat een inrichting op grond van karakteristieken van de bedrijfsprocessen aannemelijk kan maken dat een emissie niet of niet in relevante hoeveelheden voorkomt, volstaat een kwalitatieve toelichting en is het niet nodig die stelling met kwantitatieve gegevens nader te onderbouwen.

Voor een beschrijving van de werking van het systeem wordt verder verwezen naar de paragrafen 5.1 tot en met 5.3 en 5.5 tot en met 5.7 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Uitvoeringswet EG-verordening PRTR en PRTR-protocol.

Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 12.28a, wordt in de vergunning tevens vastgelegd op welke wijze de betreffende gegevens moeten worden verzameld. Dit is een zaak tussen inrichting en bevoegde instantie. Bovengeschetste PRTR-systematiek leent zich hier, gelet op de aard van de materie, niet voor.

4.4 Kwaliteitsborging

In het wetsvoorstel (artikel 12.20a, tweede lid) worden de bepalingen van de EG-verordening PRTR ten aanzien van kwaliteitsborging van gegevens van overeenkomstige toepassing verklaard op de informatie die op grond van artikel 12.20a Wm aan het integrale PRTR-verslag wordt toegevoegd. Daarmee ontstaat een eenduidig juridisch kader dat in de praktijk van gegevensverzameling, en indiening en beoordeling van het verslag beter werkbaar is dan de huidige situatie waarin de kwaliteitseisen in de wet- en regelgeving voor het MJV en het PRTR-verslag anders zijn geformuleerd, terwijl het om hetzelfde type informatie gaat.

Ingevolge artikel 12.20, tweede lid, Wm dient het PRTR-verslag te voldoen aan de kwaliteitseisen zoals neergelegd in artikel 9, tweede lid, EG-verordening PRTR. Dat wil zeggen dat de drijver van de inrichting verplicht is er voor zorg te dragen dat de inhoud van het PRTR-verslag volledig, consistent en betrouwbaar is. Deze kwaliteitseisen gaan ook gelden voor de aanvullende gegevens die ingevolge artikel 12.20a, eerste lid, in het integrale PRTR-verslag worden opgenomen.

Het toepassen van het PRTR-regime op de informatie, bedoeld in artikel 12.20a, eerste lid, zal weinig verandering betekenen ten opzichte van de huidige wijze van gegevensverzameling door inrichtingen. Aan de eisen die de EG-verordening PRTR stelt op het gebied van het (bij voorkeur) gebruiken van internationaal geaccepteerde methodieken, het meenemen van accidentele emissies, de frequentie van gegevensverzameling, het bewaren van relevante documentatie, waaronder die met betrekking tot het meet- en registratiesysteem, en de kwaliteitsbeoordeling door bevoegde instanties wordt in de MJV-praktijk veelal al voldaan. Dit komt onder meer doordat inrichtingen die onder de reikwijdte van de EG-verordening PRTR en titel 12.3 Wm vallen, meestal reeds op andere gronden gehouden zijn om te beschikken over (elementen van) een meet- en registratiesysteem of zo’n meet- en registratiesysteem al gebruiken in het kader van de bedrijfsvoering.

5. Toezicht en handhaving

Voor het toezicht en de handhaving wordt de systematiek gevolgd die is neergelegd in de Uitvoeringswet EG-verordening PRTR en PRTR-protocol.

Een belangrijk instrument voor de handhaving is de last onder dwangsom. Voor het niet tijdig indienen van een integraal PRTR-verslag of het indienen van een integraal PRTR-verslag dat niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen, kan een last onder dwangsom worden opgelegd. Zo kan worden afgedwongen dat de drijver van de inrichting alsnog een integraal PRTR-verslag indient respectievelijk het integrale PRTR-verslag alsnog in overeenstemming brengt met de daaraan gestelde eisen1. Naast het bestuursrechtelijke handhavinginstrumentarium kan in voorkomende gevallen ook gebruik worden gemaakt van het strafrecht.

Met dit wetsvoorstel worden de procedures en de regels voor toezicht en handhaving ook van toepassing op de gegevens die op grond van artikel 12.20a aan het integrale PRTR-verslag worden toegevoegd. Daarmee ontstaat een beter werkbare regeling dan de huidige situatie waarin bevoegde instanties en inrichtingen te maken hebben met verschillende procedures voor MJV-informatie en PRTR-informatie.

Voor een meer uitgebreide beschrijving van de systematiek van toezicht en handhaving wordt verwezen naar paragraaf 9 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Uitvoeringswet EG-verordening PRTR en PRTR-protocol.

Via artikel 18.18 Wm is reeds voorzien in de handhaving van artikel 12.28a.

6. Invoeringsbegeleiding en uitvoeringsaspecten

Ten behoeve van de uitvoering van dit wetsvoorstel zal aan alle betrokken organisaties begeleiding worden geboden. Om met name bevoegde instanties en inrichtingen goed te informeren over de consequenties, wordt uitgebreid informatie verstrekt op de diverse websites van het ministerie van VROM, FO-Industrie en InfoMil. Via overleg met de branche- en koepelorganisaties vindt bilaterale afstemming en voorlichting plaats. Alle bevoegde instanties en inrichtingen worden via direct mail aangeschreven en geïnformeerd over de integratie van de milieuverslagleggingsverplichtingen.

Eind 2008 en begin 2009 worden diverse algemene voorlichtingsbijeenkomsten georganiseerd voor de inrichtingen en de bevoegde instanties over de ontwikkelingen met betrekking tot de integratie van de milieuverslagleggingsverplichtingen. Eind 2009 en begin 2010 zullen voor de bevoegde instanties voorlichtingsbijeenkomsten georganiseerd worden die expliciet ingaan op de kwaliteitsbeoordeling van het integrale PRTR-verslag. In die periode zullen ook voorlichtingsbijeenkomsten worden georganiseerd voor het bedrijfsleven. Verder zullen, zoals gebruikelijk, voor het gebruik van het e-MJV als instrument instructiebijeenkomsten worden gehouden.

Voor de inhoudelijke ondersteuning bij de kwaliteitsbeoordeling van het integrale PRTR-verslag wordt de bestaande Leidraad Milieujaarrapportages1 geactualiseerd. Dit gebeurt in samenwerking met de betrokken overheidsorganisaties en het bedrijfsleven. Deze leidraad bestaat uit een onderdeel voor de inrichtingen en een onderdeel voor bevoegde instanties. Voor overheidsorganisaties beschrijft de leidraad concreet op welke aspecten het integrale PRTR-verslag getoetst dient te worden en welke procedure daarbij moet worden gevolgd. Voor de inrichtingen beschrijft de leidraad de aanwijzingen over het meet- en registratiesysteem en de juiste wijze van invoer van gegevens in het integrale PRTR-verslag. Daarnaast zal er een geactualiseerde Werkwijzer e-MJV worden opgesteld als ondersteuning bij de aanlevering van het integrale PRTR-verslag. In deze wegwijzer is de belangrijkste praktische (achtergrond)informatie gebundeld, zoals de voorbereidingen op de verslaglegging, installatie van de e-MJV-software, en startinstructies over het e-MJV. Voor de inrichtingen beschrijft de leidraad de aanwijzingen over het meet- en registratiesysteem en de juiste wijze van invoer van gegevens in het integrale PRTR-verslag.

Voorts is er een helpdesk ingesteld (bij FO-industrie en SenterNovem) voor vragen van inrichtingen en bevoegde instanties over het integrale PRTR-verslag en de kwaliteitsbeoordeling.

7. Administratieve lasten bedrijfsleven

7.1 Algemeen

Inrichtingen die een of meer activiteiten verrichten die vermeld zijn in bijlage I bij de EG-verordening PRTR (artikel 12.19 Wm), vallen onder de reikwijdte van dit wetsvoorstel. Deze reikwijdte is gelijk aan die van de Uitvoeringswet EG-verordening PRTR en PRTR-protocol. Er zijn naar schatting 2500 inrichtingen die onder de reikwijdte vallen. Dit zijn ongeveer 1000 industriële inrichtingen en 1500 inrichtingen voor de intensieve veeteelt. Naar verwachting zullen hiervan 1200 inrichtingen rapportageplichtig zijn. Deze inrichtingen moeten een PRTR-verslag indienen omdat hun emissies dan wel de overbrengingen van afvalstoffen vanuit die inrichtingen boven de drempelwaarden voor de integrale PRTR-rapportageplicht uitkomen.

Met het oog op de administratieve lasten voortvloeiend uit dit wetsvoorstel wordt een onderscheid gemaakt in een viertal categorieën:

1. Grotere industriële inrichtingen met diverse installaties en hoge emissies (ongeveer 200 inrichtingen). Al deze inrichtingen zullen in ieder geval op installatieniveau over meerdere emissies en over de overbrenging van afvalstoffen dienen te rapporteren. Zij stellen momenteel zowel een MJV als een PRTR-verslag op.

2. Middelgrote industriële inrichtingen die ten opzichte van de eerste groep lagere emissies van verontreinigende stoffen hebben of waarbij de overbrenging van afvalstoffen beperkter van omvang is (ongeveer 500 inrichtingen). Van deze inrichtingen zal naar schatting 80% alleen behoeven te rapporteren over de overbrenging van afvalstoffen. Naar schatting 20% van de inrichtingen zal voor wat betreft de emissies over één of twee stoffen moeten rapporteren eventueel in combinatie met de overbrenging van afvalstoffen.

3. Inrichtingen voor de intensieve veeteelt. Deze inrichtingen kennen meestal maar één emissie, ammoniak, waarover zij moeten rapporteren (ongeveer 500 inrichtingen).

4. Industriële inrichtingen die met hun emissies en de overbrenging van afvalstoffen onder de PRTR-drempelwaarden blijven en die ook ingevolge artikel 12.20a, eerste lid, niet behoeven te rapporteren (ongeveer 300 inrichtingen). Deze inrichtingen moeten wel over een meet- en registratiesysteem beschikken om gefundeerd te kunnen nagaan of zij onder de drempelwaarden blijven1.

7.2 Inschatting administratieve lasten op basis van de Actalmethodiek

De administratieve lasten direct voortvloeiend uit dit wetsvoorstel zijn zeer beperkt. Deze lasten bestaan uit het kennisnemen van de wet en het treffen van eventuele voorbereidingen daarop. De daadwerkelijke administratieve lasten vloeien voort uit de algemene maatregel van bestuur die wordt opgesteld op basis van het onderhavige wetsvoorstel en de hierop te baseren ministeriële regeling. Er wordt volstaan met een globale kwantificering van de administratieve lasten als gevolg van de integratie van de milieuverslagleggingsverplichtingen. Voor een meer uitgebreide beschrijving van de integratie als zodanig wordt verwezen naar paragraaf 3. Voor de inschatting van de administratieve lasten is gebruik gemaakt van de kostenmethodiek ingevolge het rapport «Meten is weten»2.

In het onderstaande wordt een vergelijking gemaakt tussen de toekomstige situatie waarin nog slechts één rapportageverplichting bestaat in de vorm van het integrale PRTR-verslag en de huidige situatie waarbij rapportageverplichtingen gelden op grond van titel 12.1 Wm (MJV) en/of titel 12.3 Wm (PRTR).

De inrichtingen die het meest uitgebreid ingevolge dit wetsvoorstel zullen moeten rapporteren (categorie 1), stellen nu zowel een PRTR-verslag als een MJV op.

Door de integratie van beide rapportageverplichtingen worden de kosten voor deze inrichtingen aanzienlijk minder: er valt een lastenreductie te verwachten van gemiddeld 24% per inrichting. Bovendien behoeven deze inrichtingen over minder onderwerpen (onder meer op het gebied van energie) te rapporteren. Het aantal vragen zal afnemen, het beschrijvend deel uit het MJV zal vervallen en over lokale thema’s zal niet meer standaard behoeven te worden gerapporteerd. Dat is per inrichting een kostenbeparing van naar schatting € 960,– per jaar.

De inrichtingen uit categorie 2 bestaan uit middelgrote inrichtingen die nu al een PRTR-verslag opstellen. Voor deze inrichtingen die nu alleen ingevolge PRTR rapportageplichtig zijn, wordt de rapportageplicht als gevolg van dit wetsvoorstel iets uitgebreider. Die uitbreiding is echter beperkt. Er komen enkele door de inrichting te beantwoorden vragen bij ten opzichte van het oorspronkelijke PRTR-verslag. Voor deze groep zal het met name gaan om enkele energiegegevens en gegevens over het waterverbruik. Ingeschat wordt dat de lastenverhoging voor deze categorie 40% ten opzichte van de huidige situatie zal bedragen. Dat komt per inrichting neer op een kostenverhoging van circa € 360,– per jaar.

De administratieve lasten voor inrichtingen voor de intensieve veeteelt (categorie 3) en de industriële inrichtingen die niet behoeven te rapporteren (categorie 4) zullen ongewijzigd blijven. Het onderhavige wetsvoorstel heeft hier geen effect op.

Er is ook een grote groep inrichtingen voor de intensieve veeteelt die wel onder de reikwijdte van PRTR valt maar, anders dan inrichtingen uit groep 3, geen rapportageplicht heeft. De kosten voor deze categorie zijn verwaarloosbaar en zijn ook bij het opstellen van de Uitvoeringswet EG-verordening PRTR en PRTR-protocol al buiten beschouwing gelaten. Het onderhavige wetsvoorstel verandert hier niets aan.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat voor alle inrichtingen die onder titel 12.3 Wm vallen geldt dat zij op basis van de Uitvoeringswet EG-verordening PRTR en PRTR-protocol en het hierop gebaseerde Uitvoeringsbesluit EG-verordening PRTR en PRTR-protocol reeds over een meet- en registratiesysteem moeten beschikken. De eenmalige kosten voor het opzetten van het meet- en registratiesysteem zijn in dat kader reeds als administratieve lasten aangemerkt en meegenomen. Deze kosten zijn dan ook buiten de berekening gelaten in verband met het onderhavige wetsvoorstel.

Kortom, de integratie van de milieuverslagleggingsverplichtingen leidt per saldo tot een vermindering van de administratieve lasten voor inrichtingen. De administratieve lasten van het huidige MJV en het PRTR-verslag bedragen voor alle inrichtingen tezamen circa € 1 900 000,– per jaar. De totale jaarlijkse administratieve lasten voortvloeiend uit het onderhavige wetsvoorstel, waarin het huidige MJV en het PRTR-verslag worden geïntegreerd, komen uit op een bedrag van € 1 660 000,– per jaar. Dat is een vermindering van € 240 000, – per jaar. De totale kosten in verband met de milieuverslaglegging komen als gevolg van dit wetsvoorstel dus 13,0% lager uit dan in de huidige situatie. In de huidige situatie bedragen de kosten gemiddeld per inrichting circa € 1 300,– per jaar. In de nieuwe situatie als gevolg van de integratie van de milieuverslagleggingsverplichtingen zullen de kosten voor de categorieën 1 tot en met 4 per inrichting gemiddeld circa € 1 100,– per jaar bedragen.

De vermindering van administratieve lasten zal in de praktijk overigens naar verwachting groter zijn dan bovengenoemde getallen. In het bovenstaande zijn alleen de kosten van het opstellen van de rapportages zelf meegenomen, en niet de monitoring van emissies en/of de overbrenging van afvalstoffen gedurende het jaar. Omdat inrichtingen gemiddeld genomen over minder onderwerpen gegevens hoeven te verzamelen, zal ook hierin een vermindering van administratieve lasten optreden. Over deze administratieve lasten zijn geen gegevens beschikbaar. Daarnaast hoeven inrichtingen met de gestroomlijnde weten regelgeving minder documenten te raadplegen, wat van groot belang is voor de beleving van administratieve lasten.

7.3 Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal)

Actal heeft het onderhavige wetsvoorstel als hamerstuk afgedaan. Het dossier is niet geselecteerd voor een toets en een advies omdat er volgens Actal sprake is van een geringe wijziging in de administratieve lasten, deze lasten goed in beeld zijn gebracht en er is gekozen voor de minst belastende alternatieven.

8. Uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets

Door de vereenvoudiging van de wet- en regelgeving zullen de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid van het systeem van milieuverslaglegging verbeteren. De invulling zal zodanig plaatsvinden dat voor de huidige MJV-plichtige inrichtingen een deel van de rapportageverplichtingen verdwijnt. Voor zover uit dit wetsvoorstel aanvullende verplichtingen voortvloeien voor inrichtingen en bevoegde instanties, zijn deze veelal niet geheel nieuw, omdat ze een uitbreiding betekenen van bestaande werkzaamheden rond het PRTR-verslag. Zo zal een deel van de PRTR-inrichtingen over enkele extra stoffen moeten rapporteren. Met name fijn stof zal voor een aantal inrichtingen een nieuw onderwerp zijn, omdat voor deze stof de drempelwaarde wordt verlaagd ten opzichte van het huidige MJV (zie paragraaf 3). In samenspraak met het bedrijfsleven en bevoegde instanties heeft VROM een elektronisch handboek fijn stof en een Nederlandse Technische Afspraak (NTA) ontwikkeld, die de inrichtingen handvatten geven bij het bepalen van hun fijnstofemissies.

Ook in de taken van bevoegde instanties zal als gevolg van dit wetsvoorstel weinig veranderen; zij zijn al bekend met het proces van het beoordelen van MJV’s en PRTR-verslagen. De provincies, gemeenten, de minister van Economische Zaken, de waterschappen, Rijkswaterstaat en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zijn momenteel verantwoordelijk voor de kwaliteitsbeoordeling van het PRTR-verslag en het toezicht en de handhaving. De provincies, waterschappen en Rijkswaterstaat zijn daarnaast al een aantal jaren verantwoordelijk voor de beoordeling van MJV’s. Voor deze bevoegde instanties zal dit wetsvoorstel naar verwachting leiden tot een vermindering van de bestuurlijke lasten. Omdat het aantal onderwerpen waarover gerapporteerd moet worden afneemt, kan ook de kwaliteitsbeoordeling zich richten op een beperkter aantal onderwerpen.

Bovendien wordt in de praktijk ten behoeve van het integrale PRTR-verslag aangesloten op het bestaande elektronische systeem (het e-MJV). Het is de bedoeling om het e-MJV om te bouwen naar een web-based applicatie, om de uitvoering voor inrichtingen en bevoegde instanties te vergemakkelijken.

Om de uitvoerbaarheid verder te bevorderen, wordt veel aandacht besteed aan de communicatie en de voorlichting over de verplichtingen voortvloeiend uit het onderhavige wetsvoorstel (zie paragraaf 6).

Voor zover interbestuurlijk toezicht op de bevoegde instanties noodzakelijk is, zal worden aangesloten bij de bestaande bevoegdheden (zie paragraaf 12 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Uitvoeringswet EG-verordening PRTR en PRTR-protocol). Ambtenaren van diverse opsporingsdiensten (de bijzondere opsporingsdienst van het Inspectoraat-Generaal VROM, de VROM-Inlichtingen- en Opsporingsdienst (VROM-IOD), de provincies, een groot aantal gemeenten, de Algemene Inspectiedienst (AID), de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW) en het Staatstoezicht op de Mijnen) beschikken over opsporingsbevoegdheden.

Voor wat betreft de gevolgen voor de rechterlijke macht en het openbaar ministerie kan het volgende worden opgemerkt. De verplichtingen waaraan moet worden voldaan, zijn eenduidig en duidelijk geformuleerd. Daarnaast wordt de uitvoering van het bestuurlijke en strafrechtelijke sanctiebeleid nader uitgewerkt in de eerdergenoemde Leidraad Milieujaarrapportages. Door deze leidraad in bestuurlijk overleg te actualiseren, worden transparantie, uniformiteit en rechtszekerheid bevorderd.

De gevolgen voor de rechterlijke macht zijn op dit moment niet volledig te overzien. De verwachting is echter dat het aantal bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedures zeer beperkt zal zijn. Aangesloten kan worden op de inschattingen die in verband met de Uitvoeringswet EG-verordening PRTR en PRTR-protocol zijn gemaakt, omdat het onderhavige wetsvoorstel niet tot noemenswaardige wijzigingen zal leiden ten opzichte van de inschattingen die ten behoeve van die wet zijn gemaakt. Verwezen wordt daarom naar paragraaf 12 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Uitvoeringswet EG-verordening PRTR en PRTR-protocol.

9. Milieutoets

Het onderhavige wetsvoorstel leidt op zichzelf niet direct tot milieu-effecten. Het wetsvoorstel leidt tot vereenvoudiging van wet- en regelgeving en vermindering van administratieve lasten, terwijl tegelijkertijd voor het milieubeleid essentiële informatie behouden blijft. De rapportageplicht ten aanzien van energiegegevens bijvoorbeeld wordt vereenvoudigd, maar de terzake noodzakelijke informatie blijft wel behouden.

Ook de kwaliteit van de Emissieregistratie in Nederland blijft met dit wetsvoorstel behouden en wordt op sommige punten verbeterd, bijvoorbeeld ten aanzien van fijn stof.

De uitvoering van de EG-verordening PRTR draagt bij aan een betere toegang van het publiek tot milieu-informatie en aan een verbeterd milieubewustzijn. De informatie uit de PRTR-verslagen en MJV’s is in Nederland te vinden op www.emissieregistratie.nl en www.prtr.nl. Dit register is een solide databank waarmee inzicht in de toestand van het milieu kan worden verkregen en trends in emissies over tijd en naar sectoren zichtbaar kunnen worden gemaakt. Deze databank geeft de burger en maatschappelijke organisaties op een effectieve manier toegang tot die milieu-informatie die zij kunnen gebruiken voor deelname aan politieke besluitvorming of de gang naar de rechter. De openbaarheid geeft een extra stimulans voor inrichtingen om zorg te dragen voor de kwaliteit van de gegevens. De stroomlijning van het MJV en PRTR zal consequenties hebben voor de «vulling» van het register, maar zal de opzet ervan niet veranderen.

II ARTIKELEN

ARTIKEL I

Onderdelen A, B en D

Met dit wetsvoorstel wordt beoogd de milieuverslagleggingsverplichtingen ingevolge de Wm te integreren. Het PRTR-systeem is voortaan leidend. Hiertoe wordt voorgesteld de MJV-plicht van titel 12.1 te laten vervallen en de inhoud van die titel, voor zover nog relevant, over te hevelen naar titel 12.3 waarin het PRTR-systeem is geregeld. In verband hiermee kunnen de artikelen 12.1 en 12.4 tot en met 12.9 Wm vervallen. Hiertoe strekt onderdeel D. De artikelen 12.2 en 12.3 Wm zijn per 30 juni 2005 reeds vervallen.

De huidige artikelen 8.12, vijfde lid, en 8.13, tweede lid, Wm regelen de afstemming tussen de rapportageverplichtingen die het Wm-bevoegd gezag op grond van hoofdstuk 8 Wm in de vorm van een vergunningvoorschrift aan de milieuvergunning kan verbinden, en het MJV zoals geregeld in titel 12.1 Wm. Deze bepalingen beogen een overlap met de milieuverslaglegging op grond van titel 12.1 Wm te voorkomen1. De artikelen 8.12, vijfde lid, en 8.13, tweede lid, Wm worden aangepast in verband met de integratie van het MJV in het PRTR-verslag en het daarmee verband houdende vervallen van de artikelen 12.4 en 12.5 Wm. Hiertoe strekken de onderdelen A en B. Ter nadere toelichting wordt het volgende opgemerkt.

De voorgestelde wijzigingen laten de bevoegdheid van het Wm-bevoegd gezag, neergelegd in de artikelen 8.12 en 8.13 Wm, onverlet om in bepaalde gevallen een rapportageverplichting in de milieuvergunning op te nemen. De gewijzigde tekst van de artikelen 8.12, vijfde lid, en 8.13, tweede lid, Wm brengt intussen wel tot uitdrukking dat daarbij in elk geval geen overlap mag ontstaan met de PRTR-rapportageplicht van titel 12.3 Wm (meer specifiek gaat het daarbij om de artikelen 12.20, 12.20a, eerste lid, en 12.28a). Verder mag het Wm-bevoegd gezag inrichtingen die buiten de reikwijdte van bijlage I bij de EG-verordening PRTR vallen of inrichtingen die wel onder die bijlage vallen maar niet rapportageplichtig zijn, niet via een vergunningvoorschrift op grond van hoofdstuk 8 Wm verplichten via het geïntegreerde PRTR-verslag te rapporteren. De aard van het integrale PRTR-verslag verzet zich hiertegen. Hierdoor zou strijd ontstaan met het gestelde bij en krachtens titel 12.3 Wm (zie de voorgestelde artikelen 8.12, vijfde lid, en 8.13, tweede lid). Op dit moment kunnen inrichtingen die buiten de reikwijdte van het MJV vallen, via vergunningvoorschriften nog verplicht worden om door gebruikmaking van het MJV te rapporteren. Die mogelijkheid bestaat straks dus niet meer. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat, als uitzondering op de hoofdregel, voor lokale thema’s wel de mogelijkheid bestaat om bij vergunningvoorschrift te bepalen dat ten aanzien van specifieke onderwerpen via het geïntegreerde PRTR-verslag wordt gerapporteerd. Het voorgestelde artikel 12.28a vormt hiervoor de basis. Bij algemene maatregel van bestuur zal de vraagstelling rond lokale thema’s voor zover nodig en mogelijk worden gestructureerd en geüniformeerd.

De integratie van het MJV en het PRTR-verslag laat onverlet dat in het kader van andere hoofdstukken van de Wm of andere wet- of regelgeving rapportageverplichtingen kunnen blijven bestaan die zich er naar hun aard of inhoud niet voor lenen om als onderdeel van het geïntegreerde PRTR-verslag te worden opgenomen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gewezen op het opstellen van een veiligheidsrapport ingevolge het Besluit risico’s zware ongevallen 1999.

Onderdeel C

Titel 12.1 Wm betreft «Milieuverslaglegging». Omdat vrijwel alle artikelen uit die titel vervallen, wordt het opschrift van titel 12.1 aangepast aan de inhoud van de enige nog resterende bepaling. Het gaat daarbij om artikel 12.10 Wm, dat betrekking heeft op de registratie van beschermde gebieden op grond van de Kaderrichtlijn Water.

Onderdeel E

Ingevolge artikel I, onderdeel D, van de Uitvoeringswet EG-verordening PRTR en PRTR-protocol is per 15 maart 2008 een nieuw artikel 12.10 in titel 12.1 Wm ingevoegd. Ingevolge artikel II, onderdeel E, van de wet van 13 september 2007 tot wijzigingen van wetgevingstechnische of anderszins ondergeschikte aard aan te brengen in de Wet geluidhinder en enkele andere wetten (Stb. 2007, 349), in werking getreden met ingang van 1 januari 2008, is het oude artikel 12.11 Wm echter vernummerd tot artikel 12.10 Wm. Deze laatste bepaling regelt de registers die in verband met de Kaderrichtlijn Water moeten worden bijgehouden. Hierdoor zijn er abusievelijk twee artikelen 12.10 Wm. Omdat er, gelet op de strekking van dit wetsvoorstel, geen behoefte meer bestaat aan de als tijdelijk bedoelde afstemmingsregeling van artikel 12.10 Wm zoals die bepaling is ingevoegd door de Uitvoeringswet EG-verordening PRTR en PRTR-protocol, kan laatstbedoeld artikel 12.10 Wm vervallen.

Onderdeel F

Aanpassing van de definitie van verslagjaar in artikel 12.18 Wm is nodig omdat de huidige definitie alleen verwijst naar artikel 5, eerste lid, EG-verordening PRTR. Het begrip dient verruimd te worden. Omdat ingevolge het voorgestelde artikel 12.20a, eerste lid, bij algemene maatregel van bestuur ook andere gegevens dan bedoeld in artikel 5, eerste lid, EG-verordening PRTR kunnen worden aangewezen, moet in de definitie van verslagjaar ook naar artikel 12.20a, eerste lid, worden verwezen.

Onderdeel G

Artikel 12.20a vormt naast artikel 12.28a de kern van het onderhavige wetsvoorstel en behelst feitelijk de integratie van het MJV in het PRTR-verslag. Op grond van het eerste lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur andere gegevens dan de in artikel 5, eerste lid, EG-verordening PRTR bedoelde gegevens worden aangewezen die in het PRTR-verslag moeten worden opgenomen. De formulering van artikel 12.20a, eerste lid, is afgeleid van het huidige artikel 12.4, tweede en vierde lid, Wm. Langs deze weg zullen de onderdelen van het MJV die in de toekomst landelijk nog van belang worden geacht, als verplichte onderdelen van het integrale PRTR-verslag worden voorgeschreven. Hierbij valt te denken aan gegevens over andere stoffen dan de stoffen waarover op grond van de verordening reeds moet worden gerapporteerd of aan het verlagen van de drempelwaarden die in de EG-verordening PRTR worden gehanteerd. Er kunnen uitsluitend gegevens worden aangewezen die betrekking hebben op de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting veroorzaakt (eerste lid, aanhef). Bovendien is aanwijzing alleen mogelijk als de betreffende gegevens nodig zijn:

a. voor het vervullen van de bestuursrechtelijke handhavingstaken op grond van artikel 18.2 Wm of artikel 29 Wvo van het Wm- respectievelijk het Wvo-bevoegd gezag (eerste lid, onder a);

b. in verband met de vaststelling van, en de controle op het milieubeleid (eerste lid, onder b) of

c. voor de uitvoering van Europese of internationale verplichtingen (eerste lid, onder c).

In het tweede lid van artikel 12.20a worden de artikelen 5, tweede tot en met vijfde lid, en 9, eerste en tweede lid, EG-verordening PRTR en artikel 12.20, eerste lid, Wm van overeenkomstige toepassing verklaard. Omdat de huidige MJV-gegevens en de PRTR-gegevens in één verslag (het integrale PRTR-verslag) terechtkomen dat naar het nationale PRTR wordt doorgeleid, is het wenselijk om voor het verkrijgen, de kwaliteit en de bewaartermijn van die gegevens eenzelfde regime te hanteren. Dat betekent voor de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gegevens concreet het volgende:

a. Alle informatie over het totaal van de emissies en de overbrenging van afvalstoffen, die het resultaat zijn van alle opzettelijke, accidentele, routinematige en niet-routinematige activiteiten, moet worden verstrekt (artikel 5, tweede lid, EG-verordening PRTR). Dit sluit overigens ook aan op de huidige MJV-praktijk.

b. De drijver van de inrichting vergaart met gepaste frequentie de informatie die nodig is om te bepalen of hij verplicht is te rapporteren over de krachtens artikel 12.20a, eerste lid, aangewezen gegevens (artikel 5, derde lid, EG-verordening PRTR).

c. De drijver van de inrichting is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de informatie waarover hij rapporteert. Bij het opstellen van het integrale PRTR-verslag maakt degene die de inrichting drijft, gebruik van de best beschikbare gegevens (artikel 5, vierde lid, EG-verordening PRTR). Hieronder wordt de meest betrouwbare informatie verstaan die voorhanden is. Welke informatie dat is, is mede afhankelijk van het soort stof waarover gerapporteerd moet worden. Artikel 5, vierde lid, EG-verordening bepaalt dat de inrichting de gegevens in beginsel moet vergaren in overeenstemming met internationaal aanvaarde methodieken. Het van overeenkomstige toepassing verklaren van dit lid op de gegevens die op grond van artikel 12.20a, eerste lid, worden toegevoegd aan het PRTR-verslag, zal over het algemeen niet betekenen dat de kwaliteitseisen ten aanzien van deze gegevens zwaarder worden dan nu het geval is bij het MJV. In de vergunning en in algemeen verbindende voorschriften wordt veelal verwezen naar CEN- en ISO-normen. Bovendien moeten het Wm- en het Wvo-bevoegd gezag bij het opstellen van meet- en registratievoorschriften rekening houden met de BREF-monitoring (zie artikel 1, eerste lid, van de Regeling aanwijzing BBT-documenten). De gegevens, verkregen op grond van de milieu- of de Wvo-vergunning of algemeen verbindende voorschriften, zijn dus al grotendeels verkregen via internationaal aanvaarde methodieken. Als de milieu- of Wvo-vergunning geen internationaal aanvaarde methodieken voorschrijft, maar de in de vergunning beschreven methodiek daaraan gelijkwaardig is, mag deze volgens de richtsnoeren EG-verordening PRTR ook worden gebruikt. Dit geldt ook voor de gegevens, bedoeld in artikel 12.20a, eerste lid.

  Zoals gezegd zullen zes huidige MJV-stoffen worden toegevoegd aan de PRTR-stoffenlijst zoals opgenomen in bijlage II bij de EG-verordening PRTR. Het gaat hierbij om prioritaire stoffen die vanwege hun schadelijkheid een hoge status hebben in het beleid ten aanzien van prioritaire stoffen. Hierover dient tevens iedere vijf jaar aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te worden gerapporteerd. Over de methoden die voor het meten van deze stoffen moeten worden gehanteerd, kan het volgende worden opgemerkt. Emissies van deze stoffen zijn relatief eenvoudig via internationaal erkende methoden (zogenaamde multi-residue methoden) te bepalen. Feitelijk verandert er niets ten opzichte van de huidige MJV-praktijk met betrekking tot de wijze waarop de betreffende gegevens verzameld moeten worden.

d. De documentatie van de gegevens waarop de gerapporteerde informatie is gebaseerd, waaronder een beschrijving van het gehanteerde meet- en registratiesysteem, dient vijf jaar te worden bewaard (artikel 5, vijfde lid, EG-verordening PRTR). Deze verplichting strekt zich voortaan dus ook uit tot gegevens die op grond van artikel 12.20a zijn aangewezen. Op grond van het huidige Besluit milieuverslaglegging (artikel 3, vierde lid) dienen MJV-plichtige inrichtingen eveneens hun meet- en registratiesysteem te documenteren, zij het zonder dat daarbij een concrete termijn is genoemd.

Artikel 12.20b schrijft voor dat de drijver van de inrichting een afschrift van het ingediende PRTR-verslag zendt aan de minister van VROM. Zoals in de paragrafen 2.1 en 4.1 van deze memorie van toelichting is aangegeven, worden de gegevens uit het huidige MJV onder meer gebruikt om te kunnen voldoen aan verschillende, op de centrale overheid rustende, Europese en internationale rapportageverplichtingen. Het MJV wordt met dit wetsvoorstel geïntegreerd in het PRTR-verslag. Om tijdig aan genoemde rapportageverplichtingen te kunnen voldoen, is het niet altijd mogelijk om te wachten op de gegevens die uiteindelijk (na de kwaliteitsbeoordeling door de bevoegde instantie en eventuele toepassing van de bepalingen inzake vertrouwelijkheid) ingevolge artikel 12.24 Wm aan de minister van VROM worden verstrekt. De gegevens uit de PRTR-verslagen worden uiterlijk op 31 maart van het tweede kalenderjaar na het verslagjaar via het PRTR openbaar gemaakt (artikel 12.27, eerste lid). Om hieraan tegemoet te komen, krijgt de minister van VROM ook direct de beschikking over ingediende PRTR-verslagen zodat hij de daarin opgenomen gegevens kan gebruiken voor het berekenen van landelijke totaalcijfers ten behoeve van eerdergenoemde rapportages. Deze voorziening doet geen afbreuk aan (de waarborgen van) het PRTR-systeem en laat dan ook onverlet dat de gevalideerde gegevens uiteindelijk via het PRTR voor een ieder, dus ook voor de overheid, toegankelijk zijn. De in artikel 12.20b opgenomen verplichting vergt van de drijver van de inrichting feitelijk geen extra handelingen. Door het gebruik van de elektronische tool, het e-MJV en de daarbij behorende database, beschikken de bevoegde instantie èn de minister van VROM automatisch over een exemplaar van het PRTR-verslag zodra dit is ingediend. Met de nieuwe bepaling wordt aangesloten op de huidige MJV-praktijk waarin andere bestuursorganen een exemplaar van elk ontvangen MJV toegezonden krijgen (artikel 12.8, tweede lid, Wm). Deze werkwijze maakt het bovendien mogelijk voor het ministerie van VROM om het technisch beheer te voeren van de elektronische database waarin alle PRTR-verslagen worden opgenomen.

Onderdeel H

In het eerste lid van het huidige artikel 12.21 Wm wordt de bevoegde instantie als bedoeld in de EG-verordening PRTR aangewezen. Die aanwijzing is in het kader van dit wetvoorstel echter te beperkt. Onder bevoegde instantie dient voortaan namelijk te worden verstaan de instantie die belast is met de kwaliteitsbeoordeling van het integrale PRTR-verslag, dus het huidige PRTR-verslag inclusief de aanvullende nationale gegevens. Om die reden wordt het eerste lid uitgebreid met een verwijzing naar titel 12.3 Wm.

Onderdeel I

Artikel 12.23, eerste lid, Wm regelt dat indien het PRTR-verslag niet aan de eisen uit de EG-verordening PRTR voldoet, de bevoegde instantie een negatieve verklaring kan afgeven. Het eerste lid wordt uitgebreid om te bewerkstelligen dat de bevoegde instantie ook een negatieve verklaring kan afgeven indien het integrale PRTR-verslag niet de voorgeschreven aanvullende gegevens bevat die op grond van artikel 12.20a zijn vereist. Daartoe wordt een verwijzing naar artikel 12.20a, eerste lid, opgenomen.

De bevoegde instantie kan op grond van artikel 12.23, tweede lid, Wm het afgeven van een negatieve verklaring (wegens inhoudelijke gebreken aan het PRTR-verslag) verdagen. Hiervan moet mededeling worden gedaan aan degene die het PRTR-verslag heeft ingediend. De huidige wettekst beperkt de reikwijdte van de verdagingsmogelijkheid tot gevallen waarin een PRTR-verslag is ingediend. Voor verdaging kan echter ook aanleiding bestaan als er tegen 30 juni (nog) geen PRTR-verslag is ingediend, maar wel de verwachting bestaat dat dit op korte termijn alsnog zal gebeuren, bijvoorbeeld omdat een last onder dwangsom is opgelegd. In een dergelijke situatie dient de bevoegdheid van het eerste lid te (blijven) bestaan om ten aanzien van het na 30 juni ingediende PRTR-verslag een negatieve verklaring af te geven wegens inhoudelijke gebreken. Om dit mogelijk te maken, wordt voorgesteld om de geadresseerde van de mededeling inzake verdaging neutraler aan te duiden, te weten als «degene die de betrokken inrichting drijft». Bevoegde instanties doen er, gelet op het voorgaande, verstandig aan om in gevallen waarin er op 1 april geen PRTR-verslag ligt, (ruim) voor 30 juni over te gaan tot verdaging op grond van artikel 12.23, tweede lid. De mededeling aan de betrokken inrichting kan desgewenst worden gecombineerd met het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom wegens het uitblijven van het verslag.

Onderdeel J

Artikel 12.24, eerste lid, Wm regelt de informatieverschaffing door de bevoegde instanties aan de minister van VROM als beheerder van het nationale PRTR. De informatieverschaffing is thans beperkt tot de gegevens die ingevolge de EG-verordening PRTR aan de bevoegde instanties zijn verschaft. Voorgesteld wordt in het eerste lid tevens te verwijzen naar de in artikel 12.20a, eerste lid, bedoelde informatie. Aldus is verzekerd dat ook de aanvullende, nationale gegevens waarvan de kwaliteit is beoordeeld in het nationale PRTR kunnen worden opgenomen.

Onderdeel K

Het rapporteren van gegevens over de zogenaamde lokale thema’s (zie paragraaf 3 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting) kan op twee manieren verplicht worden gesteld. De rapportage kan allereerst via het algemene wettelijke regime, bedoeld in artikel 12.20a, voor alle inrichtingen worden voorgeschreven. Voor andere lokale thema’s kan het Wm- of Wvo-bevoegd gezag op grond van artikel 12.28a in de vergunningvoorschriften een individuele rapportageplicht opnemen. Het is de bedoeling het huidige lokale thema watergebruik onder het algemene rapportageregime van artikel 12.20a te brengen, en de huidige lokale thema’s geur en geluid onder het optioneel verplichte regime van artikel 12.28a.

Door aan te sluiten bij het PRTR-verslag, wordt voorkomen dat er een extra rapportage naast het PRTR-verslag ontstaat. Om de reikwijdte van artikel 12.28a te beperken, zal bij of krachtens algemene maatregel van bestuur een limitatieve lijst worden vastgesteld met optionele rapportageonderdelen. In de wet is verder als randvoorwaarde vastgelegd dat het moet gaan om gegevens die het Wm- of Wvo-bevoegd gezag nodig heeft voor de vervulling van de bestuursrechtelijke handhavingstaken op grond van artikel 18.2 Wm of artikel 29 Wvo. Het bevoegd gezag kan bewerkstelligen dat gegevens over geur en geluid ook in de periode totdat de vergunning is gewijzigd, beschikbaar blijven door daarover met individuele inrichtingen afspraken te maken.

Artikel 12.28a vertoont parallellen met het huidige artikel 12.5 Wm. In artikel 12.5 Wm gaat het echter om een verslagverplichting die naast het MJV kan worden opgelegd, terwijl het voorgestelde artikel 12.28a de aanvullende (lokale) gegevens via het reeds bestaande PRTR-verslag laat rapporteren. Deze laatste constructie spoort beter met de integratiedoelstelling van dit wetsvoorstel.

De bepalingen van de EG-verordening PRTR en titel 12.3 Wm die betrekking hebben op de wijze van gegevensverzameling en de kwaliteitsbeoordeling, zijn op de in artikel 12.28a bedoelde gegevens niet van toepassing verklaard. De reden hiervan is dat deze bepalingen te zeer zijn toegespitst op de onderwerpen «emissies» en «overbrengingen van afvalstoffen» en zich minder goed lenen voor lokale thema’s. Zo is bij het lokale thema geur de rapportageplicht veelal gekoppeld aan factoren zoals het aantal incidenten, waarbij van een incident sprake is als een bepaald aantal klachten over geurhinder is binnengekomen. Het Wm- of Wvo-bevoegd gezag zal daarom op individuele basis moeten uitmaken wanneer een inrichting voor het betreffende lokale thema rapportageplichtig is en op welke wijze gegevens moeten worden verzameld. Omdat bedoelde informatie alleen lokale betekenis heeft, worden de daarop betrekking hebbende gegevens uit het PRTR-verslag niet doorgeleid naar het nationale PRTR.

Onderdeel L

Aan artikel 12.29 Wm wordt een nieuw onderdeel f toegevoegd. Dit onderdeel maakt het mogelijk om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels te stellen inzake de gegevens die bevoegde instanties mogen gebruiken om vast te stellen of inrichtingen rapportageplichtig zijn. Hiermee wordt vooral gedoeld op gegevens die in het kader van de uitvoering van andere regelgeving zijn verkregen. Onderdeel f is van belang voor gevallen waarin een inrichting geen PRTR-verslag heeft ingediend, maar onduidelijk is of dit op goede gronden niet is gebeurd. Het huidige artikel 12.29, onder e, Wm biedt reeds voldoende basis om regels te stellen voor het gebruik van elders verkregen informatie voor de kwaliteitsbeoordeling van een PRTR-verslag in gevallen waarin zo’n verslag wel is ingediend. Door het opnemen van het nieuwe onderdeel f kan bij algemene maatregel van bestuur bijvoorbeeld worden bepaald dat informatie die de Dienst Regelingen heeft verkregen via het Besluit identificatie en registratie van dieren, tevens kan worden gebruikt om te beoordelen of een inrichting rapportageplichtig is in het kader van titel 12.3 Wm.

Onderdeel M

Het huidige artikel 19.7 Wm bevat een regeling voor de bescherming van onder meer bedrijfsgeheimen en beveiligingsgegevens die kunnen voorkomen in een MJV als bedoeld in titel 12.1 Wm. Deze regeling van de zogenoemde «tweede tekst» geldt ingevolge het vierde lid ook voor het emissieverslag (een verslag als bedoeld in artikel 16.12, eerste lid, onder b, Wm) dat wordt opgesteld in het kader van het systeem van verhandelbare emissierechten. Nu in dit wetsvoorstel wordt voorgesteld de artikelen inzake het MJV in titel 12.1 Wm te laten vervallen, dient artikel 19.7 Wm technisch te worden aangepast, zodanig dat deze bepaling voortaan uitsluitend nog geldt voor het emissieverslag. De voorgestelde wijzigingen hebben geen inhoudelijke gevolgen.

Onderdeel N

Artikel 21.6, vierde lid, Wm regelt de zogenaamde voorhangprocedure voor vast te stellen algemene maatregelen van bestuur. Nu de artikelen inzake het MJV uit titel 12.1 Wm vervallen, kan de verwijzing naar de desbetreffende artikelen in dit vierde lid vervallen. De onderhavige wijziging strekt daartoe. Voorts wordt voorgesteld de algemene maatregel van bestuur die op grond van het nieuwe artikel 12.20a, eerste lid, kan worden vastgesteld, aan de voorhangprocedure te onderwerpen.

Onderdeel O

Bij de invoering van het MJV is destijds besloten nucleaire inrichtingen niet in de groep van verslagplichtige bedrijven op te nemen. De Kernenergiewet kent voor deze inrichtingen een eigen vergunningstelsel, dat mede strekt tot bescherming van het milieu. Ten aanzien van de nucleaire installaties bestaan reeds diverse, voor het publiek gemakkelijk toegankelijke rapportages die jaarlijks verschijnen1. De uitsluiting is geregeld in artikel 22.1, eerste lid, Wm. In verband met de voorgestelde integratie van verslagleggingsverplichtingen wordt de in genoemd artikellid opgenomen verwijzing naar titel 12.1 Wm vervangen door een verwijzing naar titel 12.3 Wm. Kerncentrales vallen overigens niet onder bijlage I bij de EG-verordening PRTR.

ARTIKEL II

Artikel 1a, onder 2°, Wed wordt aangepast aan het vervallen van bepalingen in titel 12.1 Wm. Tevens voorziet artikel II in een wijziging van genoemde Wed-bepaling, die nodig is voor de strafrechtelijke handhaving van artikel 12.20a Wm. Bij deze strafbaarstelling is aangesloten op de gevolgde systematiek die nu nog geldt bij het MJV. Ook daar is overtreding van de kernbepalingen in artikel 1a, onder 2°, Wed als economisch delict aangewezen.

ARTIKEL III

Voorgesteld wordt artikel 31a, achtste lid, Wor te laten vervallen. Nu is de ondernemer op grond van dit lid nog verplicht een exemplaar van een door hem opgesteld MJV zo spoedig mogelijk na het opstellen ervan ter bespreking aan de ondernemingsraad (hierna: OR) te verstrekken. Gezien de andere mogelijkheden die de OR reeds heeft om aan informatie met betrekking tot het milieu te komen, is (gewijzigde) instandhouding van het achtste lid overbodig:

a. De OR heeft het recht advies te geven inzake door de ondernemer te nemen besluiten over belangrijke maatregelen in verband met de zorg van de onderneming voor het milieu (artikel 25, eerste lid, onder 1, Wor). In het kader van de adviesprocedure moet de ondernemer een overzicht geven van de beweegredenen van zo’n besluit, de gevolgen daarvan en de maatregelen die hij denkt te nemen. In dat kader krijgt de OR informatie over hoe de ondernemer om wil gaan met het milieu nog voordat daarover een besluit is genomen.

b. De OR heeft een stimulerende taak voor het milieu op grond van artikel 28 Wor. Hiervoor kan de OR een beroep doen op artikel 31 Wor, op grond waarvan de ondernemer verplicht is om de OR die informatie te verschaffen die het medezeggenschapsorgaan nodig heeft om zijn taak naar behoren te kunnen vervullen.

Voorts kan de OR via het nationale PRTR kennis nemen van de inhoud van het door de ondernemer opgestelde (integrale) PRTR-verslag.

ARTIKEL IV

Dit artikel maakt een gedifferentieerde inwerkingtreding mogelijk. Uitgangspunt is dat wordt voorzien in zo spoedig mogelijke inwerkingtreding van de gehele wet. Er kan echter behoefte blijken te zijn aan enige differentiatie.

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. M. Cramer


XNoot
1

Stb. 2008, 28.

XNoot
2

Uitvoeringsbesluit EG-verordening PRTR en PRTR-protocol (Stb. 2008, 30) en Uitvoeringsregeling EG-verordening PRTR en PRTR-protocol (Stcrt. 2008, 46).

XNoot
3

PbEU L 33.

XNoot
4

Trb. 2003, 153, en Trb. 2007, 95.

XNoot
5

Op 25 juni 1998 te Aarhus tot stand gekomen Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (Trb. 1998, 289, en Trb. 2001, 73).

XNoot
6

PRTR staat voor: Pollutant Release and Transfer Register.

XNoot
1

Zie de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Uitvoeringswet EG-verordening PRTR en PRTR-protocol, Kamerstukken II 2006/07, 31 068, nr. 3, blz. 21.

XNoot
1

Wet van 10 april 1997 tot uitbreiding van de Wet milieubeheer (milieuverslaglegging) (Stb. 1997, 170).

XNoot
2

Kamerstukken II 1995/96, 24 572, nr. 3, blz. 2–8.

XNoot
3

Trb. 2005, 1.

XNoot
4

PbEG L 309.

XNoot
5

Geïnteresseerden bij de rijksoverheid zijn in dit verband met name de afdelingen bij het Directoraat-Generaal Milieubeheer van het ministerie van VROM en bij het Directoraat-Generaal Water van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat die zich bezighouden met emissieregistraties en met het doelgroepenbeleid voor de industrie, het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), Deltares en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

XNoot
6

Kamerstukken II 1995/96, 24 572, nr. 3, blz. 26.

XNoot
7

Zie de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet milieubeheer betreffende de milieuverslaglegging (afschaffing verplichting publieksverslag), Kamerstukken II 2004/05, 29 972, nr. 3, blz. 1. De betrokken wet is met ingang van 30 juni 2005 in werking getreden.

XNoot
8

Daarnaast stellen tot en met 2010 enkele honderden bedrijven in het kader van convenantsafspraken een MJV op.

XNoot
1

Zie artikel 3, tweede lid, PRTR-protocol.

XNoot
1

PbEG L 327.

XNoot
2

De landelijke Emissieregistratie is een centrale database waar in opdracht van de ministeries van VROM en van V&W en het Landbouw Economisch Instituut (LEI) een groot aantal emissiegegevens wordt samengebracht, onder meer om aan verschillende nationale en internationale verplichtingen te kunnen voldoen.

XNoot
1

Daarnaast zijn er twee stoffen (fenolen en tolueen) waarvoor de rapportage van de emissie naar de lucht behouden zal blijven, terwijl de EG-verordening PRTR alleen rapportage naar water voorschrijft.

XNoot
2

De stoffen, genoemd op de zogenaamde zwarte-stoffenlijst ingevolge Beschikking nr. 2455/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 november 2001 tot vaststelling van de lijst van prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG (PbEG L331), en de relevante stoffen ingevolge de Kaderrichtlijn Water zijn al op de lijst van bijlage II bij de EG-verordening PRTR geplaatst. Daarom is het niet nodig om in het kader van het integrale PRTR-verslag aanvullende gegevens te vragen.

XNoot
1

Het op 13 november 1979 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand (Trb. 1980, 21 en 159).

XNoot
2

Op 22 september 1992 te Parijs tot stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, met Bijlagen en Aanhangsels (Trb. 1993, 141).

XNoot
3

Op 16 september 1987 te Montreal tot stand gekomen Protocol betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, met bijlagen (Trb. 1988, 11).

XNoot
4

Tenzij er geen capaciteitsdrempel van toepassing is. In dat geval valt de activiteit altijd onder de reikwijdte van de EG-verordening PRTR en titel 12.3 Wm.

XNoot
5

Kamerstukken II 2006/07, 31 068, nr. 3, blz. 5–9.

XNoot
1

Dit is alleen anders voor de zestien stoffen waarvoor ingevolge dit wetsvoorstel de lagere MJV-drempelwaarde zal worden gehanteerd in plaats van de hogere PRTR-drempelwaarde (zie paragraaf 3, onderdeel d). Deze gegevens zullen wel worden doorgeleid naar het E-PRTR.

XNoot
2

Document met richtsnoeren voor de totstandbrenging van het Europese PRTR van 31 mei 2006, www.prtr.ec.europa.eu.

XNoot
1

Tevens kan een zogenaamde negatieve verklaring worden afgegeven, indien een PRTR-verslag is ingediend waarvan de kwaliteit beneden de maat is of dat niet tijdig is ingediend (artikel 12.23, eerste en vijfde lid, Wm).

XNoot
1

Zie www.fo-industrie.nl.

XNoot
1

Zie over de verplichting tot het beschikken over een meet- en registratiesysteem en de betekenis van een dergelijk systeem nader de nota van toelichting bij het Uitvoeringsbesluit EG-verordening PRTR en PRTR-protocol (Stb. 2008, 30).

XNoot
2

Handleiding van december 2003 voor het definiëren en meten van administratieve lasten voor het bedrijfsleven van de Interdepartementale Projectdirectie Administratieve lasten.

XNoot
1

Kamerstukken II 1995/96, 24 572, nr. 3, blz. 32–33.

XNoot
1

Zie de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot uitbreiding van de Wet milieubeheer (milieuverslaglegging), Kamerstukken II 1995/96, 24 572, nr. 3, blz. 15.