Kamerstuk 29507-67

Verslag van een algemeen overleg

Wet financiƫle dienstverlening; Verslag van een Algemeen Overleg


29 507
Regels voor de financiële dienstverlening (Wet financiële dienstverlening)

nr. 67
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 28 augustus 2008

De vaste commissie voor Financiën1 heeft op 18 juni 2008 overleg gevoerd met minister Bos van Financiën over:

– de reactie van de minister van Financiën op de aanbeveling van de Ombudsman Financiële Dienstverlening over beleggingsverzekeringen (29 507, nr. 52);

– de brief van de minister van Financiën van 17 juni 2008 over het feitenonderzoek naar beleggingsverzekeringen (29 507, nr. 60).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Weekers (VVD) constateert dat er geen zegen rust op het dossier van het feitenonderzoek naar beleggingsverzekeringen. Hij heeft door de late ontvangst van de brief met een beschrijving van het proces en «Plan B» nauwelijks kennis kunnen nemen van de inhoud. Bovendien zijn alle bijlagen vertrouwelijk, terwijl er afgesproken was dat dit alleen zou gelden voor een enkel stuk, als het juridisch bezwaarlijk zou zijn om het al meteen openbaar te maken. Kan de vertrouwelijkheid op een zodanig tijdstip worden opgeheven dat de Kamer er nog voor het zomerreces nader op kan ingaan? Het is de heer Weekers opgevallen dat er verschillende offerteaanvragen zijn gedaan, die ook telkens weer zijn bijgesteld. Ook de prijs werd op een gegeven moment verlaagd; betekent dit dat de opdracht werd versmald? Verder vind hij het merkwaardig dat de Vereniging Eigen Huis en de Consumentenbond niet genoemd worden in het hele proces van het aanvragen van offertes, terwijl deze partijen later wel in de klankbordgroep zijn gaan deelnemen.

Plan B houdt in dat de Autoriteit Financiële Markten (AFM) het onderzoek gaat overnemen. De heer Weekers heeft veel vertrouwen in deze instelling, maar wat kan de AFM, die toch ook afhankelijk is van vrijwillige medewerking van verzekeraars, meer boven water krijgen dan het Instituut Financieel Onderzoek (IFO)? En bestaat er niet het gevaar van een verkeerd gebruik van bevoegdheden, aangezien de AFM ook toezichthouder is? Een risico is ook dat het onderzoek van de AFM niet zal opleveren wat de minister en de Kamer ervan verwachten, namelijk een generiek kwantitatief model. Het onderzoek zal net zo beperkt zijn als dat van het IFO; na oplevering van het rapport van de AFM in oktober kan er nog wel een vervolgonderzoek gedaan worden, maar dat zou pas in december klaar zijn. Daarmee doet de minister zijn toezegging niet gestand. Bovendien zou de AFM door de hooggespannen verwachtingen reputatieschade kunnen oplopen.

Al met al zou de heer Weekers meer voor een parlementair onderzoek voelen, maar het lijkt hem om zo snel mogelijk duidelijkheid te verkrijgen het beste om de minister nog een uiterste poging te laten doen om het IFO zijn onderzoek te laten afmaken, eventueel bijgestaan door medewerkers van de AFM of het ministerie. Hiermee zou ook kunnen worden voorkomen dat het IFO bij een breuk de inmiddels vergaarde informatie niet zou willen afstaan.

Heeft de afgesproken stille diplomatie na de aanbeveling van de Ombudsman Financiële Dienstverlening, de heer Wabeke, inmiddels geleid tot enige beweging bij de verzekeraars? Wil de minister ervoor zorgen dat er nu zo snel mogelijk actie wordt ondernomen? De minister heeft met het Verbond van Verzekeraars afgesproken dat uiteindelijk echt namen en rugnummers openbaar zullen kunnen worden gemaakt. Hoe komt het dan dat het IFO de relevante gegevens toch niet openbaar wil maken? De heer Weekers wil dit verschil van mening over de openbaarheid zo snel mogelijk opgeheven zien, want zonder namen en rugnummers is het rapport nutteloos. Hij gaat ervan uit dat de minister, als er verzekeraars mochten zijn die obstructie plegen, in een persoonlijk contact zijn invloed zal aanwenden bij de directeuren van die maatschappijen.

Mevrouw Vos (PvdA) vindt het eigenlijk onbestaanbaar dat Kamer en regering zich twee jaar na het eerste onderzoek van de AFM opnieuw moeten bezighouden met onderzoeken en dat ondanks de oproep van de ombudsman gedupeerden en verzekeraars nog steeds naar elkaar zitten te kijken.

Er is voortdurend twist over de openbaarmaking van gegevens, maar de verzekeraars schijnen er geen probleem mee te hebben. Mevrouw Vos begrijpt dit wel, want een bureau als MoneyView biedt al zeer complete en actuele informatie over financiële producten aan, zodat verzekeraars al zeer veel van elkaar weten. Waarom heeft het IFO hier geen gebruik van gemaakt en waarom is er zoveel gedoe geweest over de openbaarheid van gegevens? Anders dan de heer Weekers is mevrouw Vos blij met Plan B. Zij denkt dat de AFM prima in staat is om ingewikkelde financiële gegevens voor de gemiddelde consument begrijpelijk te maken. Ziet de minister nog een rol voor het IFO bij het onderzoek van de AFM, om de al verkregen gegevens niet verloren te laten gaan? Bij dit onderzoek zou volgens mevrouw Vos in ieder geval centraal moeten staan welke vijftig producten het meest verkocht zijn. Ook zij dringt erop aan, de Vereniging Eigen Huis en de Consumentenbond bij de klankbordgroep te betrekken.

Uit onderzoek blijkt dat de financiële kennis van de consument nogal gering is. Hoe kan hieraan bij de presentatie van het feitenrelaas tegemoet worden gekomen? Mevrouw Vos constateert dat de Ombudsman ook geen polissen heeft bestudeerd, maar met de natte vinger heeft bepaald dat de inhouding van de kosten maximaal 3,5% van het eindresultaat mag zijn. Zij vindt dit een vreemde methode en zij is er dan ook niet verbaasd over dat ook hierover twist met de verenigingen van gedupeerden is ontstaan. Heeft de minister hierover met de ombudsman gesproken? Het Verbond van Verzekeraars zou mevrouw Vos nog informeren over een alternatieve rekenmethode, maar het heeft dit nog niet gedaan, zodat de verzekeraars wat haar betreft voorlopig nog in het beklaagdenbankje zitten. Zij hoopt dat de verzekeraars hier alsnog met de verenigingen van gedupeerden uit zullen komen.

Is het de minister bekend dat de verzekeraars ook nog niet in alle gevallen het door de commissie-De Ruiter aanbevolen overzicht hebben verstrekt? Als de minister erin slaagt om de verzekeraars ertoe te bewegen om zo’n overzicht vanaf de begintijd van de polis te verstrekken, wordt er al aan een flink deel van de behoefte aan informatie voldaan.

De ombudsman heeft de verzekeraars opgeroepen, snel tot een vergelijk te komen en oplossingen aan te bieden. In hoeverre ziet de minister deze oproep als een ondersteuning van Plan B?

Ten slotte wil mevrouw Vos weten of zij binnenkort nog antwoord kan verwachten op haar vragen van enige weken geleden over het rapport van de ombudsman over de vertrouwensbreuk in de financiële sector.

De heer Vendrik (GroenLinks) vindt het wenselijk om alle documenten die in het feitenrelaas genoemd worden, door het Bureau Onderzoek en Rijksuitgaven van de Kamer te laten bestuderen om duidelijkheid te verkrijgen over de medewerking van de verzekeraars. Hij verzoekt de minister, de vertrouwelijkheid van deze stukken zodanig te verruimen dat het bureau dit onderzoek kan doen, zo de vaste commissie hiermee zou instemmen.

De onderzoeksopdracht was naar de mening van de heer Vendrik heel duidelijk: geef een zo goed mogelijk inzicht in alle aspecten van de vijftig financiële producten waarvan er het meest verkocht zijn. Hij begrijpt dan ook niet waarom er toch voortdurend twist over de openbaarheid van allerlei gegevens is. Hoe kon deze onduidelijkheid, die cruciaal is voor het welslagen van het onderzoek, een jaar lang blijven bestaan?

Wat de heer Vendrik betreft had de minister van het begin af aan Plan B kunnen uitvoeren. Hij begrijpt niet waarom de AFM pas in oktober rapport zal uitbrengen, en hij dringt er bij de minister op aan, ervoor te zorgen dat de AFM, die over veel expertise beschikt, met gebruikmaking van de nu al bekende gegevens haar rapport begin september zal kunnen leveren. De heer Vendrik gaat ervan uit dat de verzekeraars volledig zullen meewerken om de AFM nog ontbrekende informatie te verstrekken, ook om reputatieschade te voorkomen.

De Ombudsman Financiële Dienstverlening doet de aanbeveling, in het conflict tussen consumenten en verzekeraars uit te gaan van een inhouding van 2,5% van het bruto rendement voor de kosten die zij maken, met een uitloop naar 3,5%. Dit komt erop neer dat de verzekeraars in sommige gevallen een kwart of zelfs 30 tot 35% van de te beleggen premie hadden mogen inhouden. De heer Vendrik vindt dit een absurd percentage, een wanverhouding. Hij vindt dat de minister zich hierover moet uitspreken omdat de overheid hierbij wel degelijk partij is, en dat hij maximale druk op dit proces moet leggen, want de verzekeraars hebben ook nog niet duidelijk gemaakt wat zij met de aanbeveling van de ombudsman zullen doen. De Ombudsman heeft aangegeven dat zij dit uiterlijk in 2009 zullen moeten aangeven, maar zal dan ook duidelijk zijn welke mogelijkheden hun klanten hebben die van hun polis af zouden willen? Binnenkort zullen de verzekeraars verplicht zijn, de stand van zaken bij hun polissen aan individuele cliënten bekend te maken, met een overzicht van premie, inleg, rendement en kostentoerekening over 2008. Is de minister bereid om de aanbeveling over te nemen om af te dwingen dat zo’n overzicht ook over de jaren daarvoor verstrekt zal worden? Als het uiteindelijk toch niet lukt om de verzekeraars goede, volledige informatie te laten verstrekken, staat voor de heer Vendrik de huidige taakafbakening ter discussie en zouden wat hem betreft ook pensioenfondsen beleggingspolissen mogen aanbieden.

Mevrouw Blanksma-van den Heuvel (CDA) vindt dat de afwikkeling van deze kwestie zo langzamerhand een gênante vertoning wordt. Ook zij is nog niet in staat geweest om alle documenten uit het feitenrelaas uitgebreid te bestuderen. Zij heeft begrip voor de vertrouwelijkheid daarvan, maar uit de brief van de minister blijkt in ieder geval wel al dat er heel veel onduidelijkheden zijn geweest die wijzen op slechte communicatie, onvoldoende regie en onvoldoende medewerking van verzekeraars. Dit lijkt haar echter niet het juiste moment om de schuldvraag centraal te stellen, zij vindt het belangrijker om deze kwestie zo snel mogelijk op te lossen.

Plan B moet dan ook op zo kort mogelijke termijn een overzicht opleveren waar de polishouders houvast aan hebben. Heeft de minister overigens alle mogelijkheden verkend om het IFO alsnog op korte termijn een rapport te laten leveren dat wél aan de eisen voldoet? Of wilde hij nu gewoon van het IFO af en gaf hij er de voorkeur aan, via de AFM meer publieke betrokkenheid te verkrijgen? Mevrouw Blanksma is hier niet zo gelukkig mee, ook al omdat de minister zelf aangeeft dat er nog vele open einden zijn bij deze betrokkenheid. Zij denkt dat er met deze keuze onvoldoende garanties zijn dat zich niet dezelfde problemen als die met het IFO zullen voordoen. Bovendien zal er pas in december een onderzoeksrapport beschikbaar zijn waarmee de feiten boven water komen. Daarnaast dreigt voor de AFM het gevaar van een conflict van rollen, omdat zij hierbij optreedt als een extern onderzoeksbureau en misschien tegelijkertijd gebruik maakt van haar gezag als toezichthouder om verzekeraars onder druk te zetten. En hoe groot acht de minister de kans op reputatieschade voor de AFM, gelet op het complexe karakter van deze kwestie? Is hij bereid om zijn doorzettingsmacht tegenover verzekeraars te gebruiken om het IFO eventueel met ondersteunende analysecapaciteit van de AFM en met de gegevens van MoneyView die mevrouw Vos noemde, alsnog op korte termijn een goed rapport te laten opleveren?

Het lijkt de heer Tony van Dijck (PVV) hoe dan ook van belang om na te gaan of de verzekeraars in gebreke zijn gebleven bij het verstrekken van informatie, en hoe de minister hen ertoe zou kunnen brengen om alsnog mee te werken aan het onderzoek. Hij constateert dat er ook sprake is van een communicatiestoornis tussen de minister en het IFO over het al dan niet anoniem rapporteren. In verband hiermee vraagt hij zich af of de minister er goed aan heeft gedaan om het contract met het IFO te ontbinden, terwijl dit instituut aangeeft dat het binnen enkele weken een rapport kan leveren. Hij zou ook kunnen afwachten of dat rapport wél aan de eisen voldoet, waarmee hij eventuele schadeclaims zou voorkomen.

De heer Van Dijck vraagt zich af waarom de AFM niet meteen al ingeschakeld is voor het onderzoek, als de minister in haar meer vertrouwen heeft dan in het IFO. Hij sluit zich aan bij de opmerkingen over een mogelijk conflict van rollen van de AFM. Welke garanties heeft de minister dat de verzekeraars wel zullen meewerken als de AFM het onderzoek overneemt? En wat is het nut van het onderzoek als ook de AFM zich zal beperken tot informatie over de vijftig meest verkochte producten?

De heer Irrgang (SP) constateert dat de minister zich niet gehouden heeft aan de afspraak, de Kamer uiterlijk afgelopen vrijdag alle stukken te overleggen over de communicatie tussen het ministerie, het IFO en de verzekeraars om haar in staat te stellen, te beoordelen of zij in deze kwestie wel steeds goed en volledig geïnformeerd is. De stukken zijn volgens de brief met het feitenrelaas vertrouwelijk voor de Kamer ter inzage gelegd. De heer Irrgang verzoekt de minister, de vertrouwelijkheid hiervan zo veel mogelijk op te heffen om de Kamer in staat te stellen, zich alsnog een oordeel over de kwaliteit van de informatie te vormen.

Het feitenrelaas zelf roept ook al vele vragen op. Verleden jaar waren er in september/oktober al steeds meer signalen dat het onderzoek stroef verliep en was er volgens het IFO gebrek aan medewerking van de verzekeraars. Op 20 december jl. werd de opdracht teruggegeven en werd de opzet van het onderzoek veranderd. Op 20 maart meldde het IFO wederom dat er problemen waren met het aanleveren van gegevens door verzekeraars. Waarom is de Kamer bij die gelegenheden niet over deze problemen geïnformeerd? Ook de heer Irrgang is niet gelukkig met Plan B, omdat het onderzoek daarmee ook langer duurt. Met het oog op een zo snel mogelijk resultaat vraagt hij zich af of de minister nog mogelijkheden ziet om het IFO zijn onderzoek alsnog te laten afmaken. Hij dringt er bij de minister op aan, druk uit te oefenen op de verzekeraars om volledig mee te werken, want hij gaat ervan uit dat een zeker gebrek aan medewerking toch ook een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van de problemen. Ook als de AFM het onderzoek afmaakt, is die medewerking onontbeerlijk.

Het onderzoek zou volgens de heer Irrgang in ieder geval duidelijkheid moeten verschaffen over de actuariële berekeningsformules en de historische fondsrendementen, bruto en netto per product. Ook moet de consument zich er een oordeel over kunnen vormen, welk percentage van de opgebouwde waarde hij uiteindelijk overhoudt.

Er is sprake van geweest dat er in deze kwestie een bemiddelaar zou worden ingeschakeld; hoe staat het hier inmiddels mee?

Antwoord van de minister

De minister verontschuldigt zich voor het pas gisteren aan de Kamer toezenden van het feitenrelaas. Als hij dit eerder had gedaan, zou hij de Kamer in dit overleg minder goed over Plan B hebben kunnen informeren. Op advies van de landsadvocaat heeft de minister besloten om de vertrouwelijkheid van alle stukken die in het feitenrelaas genoemd worden, pas op te heffen als de juridisch complexe verhouding tot het IFO ordentelijk is afgewikkeld. Als het zo ver is, heeft de minister er ook geen enkele moeite mee als het onderzoeksbureau van de Kamer deze stukken onder de loep neemt. Hij heeft goede hoop dat er volgende week al overeenstemming met de AFM zal zijn over het overnemen van het onderzoek en dat er dan ook al meer zicht zal zijn op de juridische afwikkeling van het contract met het IFO.

De minister vindt het vooral voor de betrokken polishouders nog steeds belangrijker dat er op een redelijke termijn een goed bruikbaar onderzoeksrapport beschikbaar komt dan dat de schuldvraag wordt beantwoord, maar hij vindt het vanzelfsprekend dat ook hij op een gegeven moment verantwoording aflegt voor zijn handelen in deze kwestie.

Na de kritiek van de minister op het conceptrapport van het IFO had het instituut aangegeven, pas na een opzeggingsbrief verder te willen praten over de afwikkeling van de onderzoeksopdracht. Pas in dat stadium bood het IFO aan, alsnog binnen een paar weken een rapport te zullen leveren, maar nog steeds zonder «namen en rugnummers», terwijl Kamer en minister er steeds van uitgegaan waren dat er op dit punt consensus met de verzekeraars was, namelijk dat er duidelijkheid zou worden verschaft omtrent de gang van zaken bij de vijftig meest verkochte producten. Het IFO heeft zich ook bereid verklaard, onder regie van een derde een bijdrage te leveren aan de afwikkeling van het onderzoek. De minister zal deze «herstart» overigens gebruiken om een aantal eisen die aan het eindproduct gesteld worden, te expliciteren en alle betrokken partijen zich daaraan te laten committeren, wat voor de AFM ook een voorwaarde voor haar medewerking is. Hij kan zich ook voorstellen dat de verzekeraars aan de rol van de AFM in dit krachtenveld het vertrouwen ontlenen om hiermee verder te gaan. Bovendien hebben de verzekeraars zich op het niveau van de algemeen directeuren en via het Verbond van Verzekeraars bereid verklaard om de benodigde informatie te verstrekken, ook als die herleidbaar is.

Plan B houdt in dat de AFM verantwoordelijk wordt voor het afronden van het onderzoek met een rapport in oktober, met informatie over vijftig relevante producten, zoals in strikte zin afgesproken met de Kamer. Zo nodig zal er een vervolgrapport in december verschijnen om mede aan de hand van de marktaandelen van verzekeraars een nog wat beter statistisch inzicht in de vijftig meest verkochte producten te bieden, met maximale herkenbaarheid voor consumenten. Zij zal daarbij voor het verzamelen en verwerken van gegevens gebruik maken van een externe partij, bureau MoneyView. Daarnaast zal de AFM met het IFO nagaan hoe het IFO met het resultaat van het tot nu toe verrichte onderzoek ook nog een rol zou kunnen spelen bij het afronden van het onderzoek, waarbij elke kans om dit proces nog zo veel mogelijk te versnellen zal worden aangegrepen. De minister voelt er echter niets voor om met het oog op de snelheid het IFO alsnog het onderzoek te laten afronden, aangezien er toch in ieder geval een zeker vertrouwensprobleem tussen het IFO en de verzekeraars is gebleken. Een poging om de breuk met het IFO te lijmen in verband met het afstaan van de tot nu toe verzamelde gegevens is ook niet nodig, omdat die informatie eigendom van de verzekeraars is. Overigens zal de AFM aanstaande maandag overleg voeren met de Consumentenbond en de andere consumentenorganisaties over haar voorstel om hen deelgenoot te maken van de tussentijdse rapportages en de vorderingen van het onderzoek, opdat zij in alle stadia op de hoogte blijft van hun inzichten en commentaren.

De AFM zal deze opdracht buiten haar toezichtstaak om uitvoeren, zodat zij haar toezichtinstrumenten niet zal mogen gebruiken. Omgekeerd mag zij de verkregen informatie ook niet bij het toezicht gebruiken, zodat er geen conflict van rollen zal optreden. De AFM heeft ook pas in 2006 de taak gekregen om toezicht te houden op de gang van zaken bij beleggingsverzekeringen, terwijl het onderzoek zich uitstrekt over de periode 1995–2005.

De Ombudsman Financiële Dienstverlening heeft aanbevelingen gedaan om het conflict tussen verzekeraars en polishouders te beslechten. Dit is een civielrechtelijke aangelegenheid waarin de minister geen partij is, zodat hij ook geen oordeel wil geven over de maximale kosteninhouding en dergelijke. Hij heeft er wel een verantwoordelijkheid voor dat de consument over voldoende informatie beschikt om een verstandige keuze uit dit soort producten te maken. Daartoe heeft hij dan ook een reeks van maatregelen genomen. De minister ziet het daarnaast als zijn taak, een bemiddelende rol te spelen om de partijen nader tot elkaar te brengen zodra dat mogelijk is. Tot dat moment speelt het proces zich achter de schermen af.

Nadere gedachtewisseling

De heer Weekers (VVD) dringt er bij de minister op aan, toch nog wat meer druk op de betrokken partijen te zetten om het conflict te beslechten, ook om het vertrouwen in de verzekeringssector zo snel mogelijk te herstellen. Verder voelt hij veel voor de suggestie van de heer Vendrik om het onderzoeksbureau van de Kamer in te schakelen. Ten slotte verzoekt de heer Weekers de minister, ondanks diens scepsis te bezien of er nog een uiterste poging zou kunnen worden gedaan om het IFO alsnog het onderzoek te laten afronden, maar anders stemt hij in met Plan B.

Mevrouw Vos (PvdA) heeft absoluut geen vertrouwen in het welslagen van een lijmpoging. Zij verwacht daar veeleer tijdverlies dan tijdwinst van en zij geeft dan ook de voorkeur aan Plan B. Ten slotte dringt mevrouw Vos er nogmaals bij de minister op aan, de verzekeraars ertoe te bewegen om alle polishouders de door de commissie-De Ruiter aanbevolen overzichten te verstrekken.

Ook de heer Vendrik (GroenLinks) kan instemmen met Plan B en hij vindt het prima om ook het IFO daar nog een rol bij te laten spelen, als het maar zo snel mogelijk een volwaardig rapport oplevert. Hij is het verder niet met de minister eens dat de politiek zich geen oordeel zou mogen vormen over de maximale kosteninhouding. Hij roept de minister op, er bij directeuren van verzekeringsmaatschappijen in ieder geval op aan te dringen dat zij de toch bescheiden aanbevelingen van de ombudsman uitvoeren. Ten slotte vraagt hij de minister de toezegging om de verzekeraars ertoe te dwingen, ook over de jaren vóór 2008 een overzicht van premie, inleg, rendement en kostentoerekening aan de polishouders te verstrekken.

Mevrouw Blanksma-van den Heuvel (CDA) doet net als de heer Weekers nogmaals een beroep op de minister, zich maximaal in te spannen om het IFO alsnog het onderzoek te laten afmaken. Zij onthoudt zich van een oordeel over Plan B, omdat haar absoluut niet duidelijk is wie daar nu precies bij betrokken zal zijn. Verder is mevrouw Blanksma het eens met de opstelling van de minister in het civielrechtelijke conflict tussen verzekeraars en polishouders. Zij hoopt dat hij in zijn regierol de verzekeraars wel zal oproepen om deze kwestie zo snel en zo constructief mogelijk op te lossen. En ten slotte geeft zij aan dat haar fractie na de openbaarmaking van de stukken uit het feitenrelaas zal beslissen of zij zal instemmen met het inschakelen van het onderzoeksbureau van de Kamer.

De heer Tony van Dijck (PVV) vraagt zich nog steeds af of de minister het contract met het IFO niet te snel heeft opgezegd. Hij zou er de voorkeur aan hebben gegeven, af te wachten of het instituut inderdaad binnen enkele weken wél een goed rapport zal leveren, omdat dan het risico van allerlei problemen met het afwikkelen van de opdracht aan het IFO vermeden zou zijn. Als ook dat rapport niet aan de eisen voldeed, zou er alsnog besloten kunnen worden om de AFM in te schakelen. Dit nieuwe rapport schijnt overigens al uitgelekt te zijn; heeft de minister hier een verklaring voor? De heer Van Dijck ziet het uitblijven van het resultaat van het feitenonderzoek als een belemmering voor het beslechten van het geschil tussen verzekeraars en polishouders, want de polishouders hopen natuurlijk op een beter resultaat dan de aanbevelingen van de ombudsman.

De heer Irrgang (SP) vindt het niet voldoende als het onderzoeksbureau van de Kamer inzage krijgt in de stukken uit het feitenrelaas, hij wil dat ze zo spoedig mogelijk openbaar worden gemaakt om een openbaar debat mogelijk te maken over wat er in de afgelopen anderhalf jaar is gebeurd. Verder legt hij er nogmaals de nadruk op dat het voor hem het belangrijkste is dat het onderzoek zo snel mogelijk een goed resultaat oplevert, met welk plan het ook bereikt zal worden. Hij wil nog wel weten welke rol de minister voor MoneyView ziet en welke garantie hij heeft dat de verzekeraars nu wel zullen meewerken. Ten slotte stelt de heer Irrgang dat de minister de regie over deze kwestie beter in handen zou moeten nemen en dat hij net als de ombudsman de verzekeraars zou moeten oproepen, hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen.

De minister antwoordt dat hij er bij diverse gelegenheden de nadruk op heeft gelegd dat hij het in het belang van zowel de reputatie van de verzekeringssector als de consumenten zelf vindt dat de verzekeraars zo goed mogelijk meewerken aan het feitenonderzoek en het uitvoeren van de aanbevelingen van de ombudsman. Hij voelt er echter niets voor om op de stoel van de ombudsman te gaan zitten, ook om het goede proces dat de ombudsman in gang gezet heeft, niet te verstoren. De minister zegt wel toe, te zullen voldoen aan het verzoek van de heer Vendrik om er bij de verzekeraars op aan te dringen, ook over de jaren vóór 2008 het gevraagde overzicht te verstrekken en te voldoen aan het verzoek van de ombudsman. Zo mogelijk zal hij het resultaat hiervan al aangeven in de brief die hij de Kamer volgende week hoopt te kunnen toesturen.

Bij het verstrekken van de door de commissie-De Ruiter aanbevolen overzichten is het beeld inderdaad verwarrend, want verzekeraars sturen deze overzichten op zeer verschillende momenten en met uiteenlopende methoden aan de polishouders toe. De minister is bereid, met de verzekeraars na te gaan of hierbij een zekere standaardisering zou kunnen worden toegepast.

Er is ook de minister alles aan gelegen om deze zaak zo snel mogelijk af te wikkelen, maar hij wil wel alle kaarten zetten op het zo snel mogelijk uitvoeren van Plan B, met zo enigszins mogelijk een volwaardige plek voor het IFO in dit proces. Hij verwacht van opnieuw onderhandelen over «Plan A» minder kans op succes op een redelijke termijn. Zo mogelijk zal hij de Kamer volgende week al informeren over het resultaat van de besprekingen over de voorwaarden voor het uitvoeren van Plan B en over het moment waarop de vertrouwelijkheid van de stukken uit het feitenrelaas kan worden opgeheven of uitgebreid tot het onderzoeksbureau van de Kamer.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,

Blok

De adjunct-griffier van de vaste commissie voor Financiën,

Vente


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Vendrik (GroenLinks), Blok (VVD), voorzitter, Ten Hoopen (CDA), ondervoorzitter, Weekers (VVD), Van Haersma Buma (CDA), De Nerée tot Babberich (CDA), Haverkamp (CDA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Omtzigt (CDA), Koşer Kaya (D66), Irrgang (SP), Luijben (SP), Kalma (PvdA), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Cramer (ChristenUnie), Van der Burg (VVD), Tony van Dijck (PVV), Spekman (PvdA), Heerts (PvdA), Gesthuizen (SP), Ouwehand (PvdD), Tang (PvdA), Vos (PvdA) en Bashir (SP).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Halsema (GroenLinks), Remkes (VVD), Jonker (CDA), Aptroot (VVD), Jan de Vries (CDA), Van Hijum (CDA), Mastwijk (CDA), De Krom (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Pechtold (D66), Kant (SP), Ulenbelt (SP), Van der Veen (PvdA), Smilde (CDA), Anker (ChristenUnie), Nicolaï (VVD), De Roon (PVV), Van Dam (PvdA), Smeets (PvdA), Karabulut (SP), Thieme (PvdD), Heijnen (PvdA), Roefs (PvdA) en Van Gerven (SP).