Kamerstuk 19637-2242

Verslag van een algemeen overleg

Vreemdelingen- en asielbeleid

Gepubliceerd: 26 oktober 2016
Indiener(s): Klaas Dijkhoff (staatssecretaris veiligheid en justitie) (VVD)
Onderwerpen: immigratie migratie en integratie recht staatsrecht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19637-2242.html
ID: 19637-2242

Nr. 2242 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 26 oktober 2016

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft op 5 oktober 2016 overleg gevoerd met de heer Dijkhoff, Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, over:

  • de brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie d.d. 14 september 2016 over de voortgang van de naturalisaties van Ranov-houders (Kamerstuk 19 637, nr. 2222);

  • de brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie d.d. 19 september 2016 met de stand van zaken van de bestuurlijke afspraken asielopvang (Kamerstuk 19 637, nr. 2223);

  • de brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie d.d. 27 september 2016 over het asielbeleid ten aanzien van Oeigoeren uit China (Kamerstuk 19 637, nr. 2235);

  • de brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie d.d. 27 september 2016 over de toezeggingen op het gebied van het vreemdelingen- en asielbeleid (Kamerstuk 19 637, nr. 2236);

  • de brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie d.d. 29 september 2016 met de derde voortgangsrapportage over huisvesting vergunninghouders in Nederland (Kamerstuk 19 637, nr. 2238);

  • de brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie d.d. 3 oktober 2016 over de geregistreerde meldingen en incidenten op- en rondom COA-opvang locaties (Kamerstukken 33 042 en 19637, nr. 26);

  • de brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie d.d. 4 oktober 2015 over de toezegging naar aanleiding van VAO van 28 september 2016 over de migrantenkampen in Calais (Kamerstuk 19 637, nr. 2240).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de commissie, Ypma

De griffier van de commissie, Nava

Voorzitter: Kuiken

Griffier: Loeffen

Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Azmani, Fritsma, Gesthuizen, Keijzer, Kuiken, Sjoerdsma en Voortman,

en de heer Dijkhoff, Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Aanvang 10.02 uur.

De voorzitter:

Hartelijk welkom allemaal. We hebben van 10.00 uur tot 14.00 uur de tijd voor dit overleg. Ik stel voor om een spreektijd van vijf minuten en twee interrupties per persoon te hanteren, zodat we straks voldoende tijd hebben om ook het debat met de Staatssecretaris aan te gaan. Als eerste geef ik graag het woord aan mevrouw Voortman namens GroenLinks.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Voorzitter. Mijn fractievoorzitter was vorige week in Griekenland en hij hoorde daar van de Griekse asieldienst dat er wel degelijk meer asielzoekers kunnen worden herplaatst. Dat is opvallend, omdat het antwoord van het kabinet bij de Algemene Politieke Beschouwingen op de vraag waarom het zo lang duurt voordat wij mensen uit Griekenland kunnen herplaatsen, luidde dat Griekenland de asielzoekers niet snel genoeg zou registreren. Op dit moment heeft Griekenland 8.552 asielzoekers die volledig geregistreerd zijn, en dat terwijl er maar 6.971 plaatsen zijn aangeboden door andere Europese landen. Het is dus te gemakkelijk om te zeggen dat het probleem bij de snelheid van de Griekse ambtenaren ligt. Andere Europese landen, waaronder Nederland, houden zich simpelweg niet aan de afspraken die met Griekenland gemaakt zijn. Natuurlijk kan Nederland niet als enige de hele hervestiging op zich nemen, maar we kunnen wel proberen om een stap vooruit te zetten. We kunnen met de winter in aantocht toch niet toekijken? We moeten nu mensen helpen.

GroenLinks pleit er dan ook voor om het aantal hervestigingen uit Griekenland structureel te verdubbelen van 100 naar 200 vluchtelingen per maand. Bij dat aantal halen we het beloofde aantal herplaatsingen voor oktober 2017. De Grieken zijn daar ook weer mee geholpen, want zij mogen pas nieuwe ambtenaren aannemen die asielzoekers kunnen registreren als er meer toezeggingen tot hervestiging binnenkomen. Ik heb het dan over de afspraken die Griekenland gemaakt heeft in het kader van het leningenprogramma, met dezelfde Europese landen die nu hun beloftes ten aanzien van hervestiging niet nakomen. Als Nederland en andere landen zeggen: wij komen onze beloftes ten aanzien van hervestiging na, dan kan Griekenland vervolgens ook meer ambtenaren aannemen om meer asielzoekers te registreren. Is de Staatssecretaris bereid om zich ervoor in te zetten dat op de korte termijn het aantal hervestigingen van 100 naar 200 gaat? Is hij bereid om vervolgens samen met Griekenland te kijken hoe wij ervoor kunnen zorgen dat zij ook weer meer mensen kunnen registeren? Daar wil ik graag een reactie op hebben.

Ik wil de Staatssecretaris bedanken voor zijn toezegging om prioriteit te geven aan de herplaatsing van minderjarigen vanuit Griekenland, die hij vorige week dinsdag deed in zijn uitgebreide antwoord met betrekking tot dit probleem. Ik heb echter nog wel een aantal vragen hierover. De Staatssecretaris meldt dat de voortgang van de herplaatsing van vluchtelingen vanuit Griekenland onder andere afhankelijk is van de mate waarin lidstaten herplaatsingsplekken beschikbaar stellen. Er zijn echter duidelijke afspraken over het aantal vluchtelingen dat lidstaten zouden moeten opnemen. Nederland moet nog 5.221 vluchtelingen herplaatsen. De Minister-President zei tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen dat Nederland in de top drie staat als het gaat om het herplaatsen van vluchtelingen, maar dat illustreert dan vooral hoe slecht de andere Europese landen het doen. Tijdens het vorige AO bleek immers al dat Nederland nog niet eens 10% van de bijna 6.000 vluchtelingen die we zouden herplaatsen, voor zijn rekening heeft genomen. De Staatssecretaris laat weten dat ongeveer 140 dossiers van alleenstaande minderjarige vluchtelingen gereed zijn voor overdracht en dat er medio oktober nog eens 390 geregistreerde alleenstaande minderjarige vreemdelingen herplaatst kunnen worden. Hij zei dat de overplaatsing van deze kinderen ongeveer twee maanden kan duren vanwege de zorgvuldigheid waarmee deze groep behandeld moet worden. Kan hij dan in elk geval toezeggen dat als deze 430 alleenstaande kinderen voor het eind van dit jaar herplaatst zijn en dat Nederland desnoods deze hele groep zal opnemen, als andere lidstaten hier niet toe bereid blijken? Wij hebben daar immers de capaciteit voor en we hebben ook een belofte in te lossen. Hoe minder mensen de winter in Griekse tenten moeten doorbrengen, hoe beter. Ik vraag ook bewust naar de precieze aantallen, omdat de toezegging van de Staatssecretaris tot nu toe niet zo concreet is. Hij is in feite niet ingegaan op het verzoek van de heer Sjoerdsma van 750 asielkinderen, maar spreekt in plaats daarvan over «substantiële aantallen». Kan hij toelichten wat «substantiële aantallen» precies inhoudt?

Enkele weken geleden stuurde de Staatssecretaris een brief over het verminderen van de opvangplekken voor asielzoekers in 2017. De opvangplekken voor asielzoekers zullen in 2017 worden verminderd tot 48.000 in plaats van 62.000, terwijl er volgend jaar wel 42.000 nieuwe mensen in de COA-opvangcentra worden verwacht. Ik maak mij daar zorgen over, omdat het impliceert dat de Staatssecretaris verwacht dat al deze mensen de opvang ook weer uit zullen stromen in 2017. In de begroting wordt zelfs een aantal van 50.000 genoemd. Ik vraag me af hoe reëel dat aantal is, aangezien er nu al veel statushouders nog lang moeten wachten in de opvang. Door het plan van de regering om de urgentiestatus voor statushouders af te schaffen, kan deze wachttijd in 2017 nog verder oplopen. Is het dan wel een haalbaar doel om voor 2016 uit te gaan van een uitstroomprognose van 58.000? Hoeveel mensen zijn er tot nu toe dit jaar uitgestroomd uit de opvang? Als het doel te ambitieus blijkt, hoe wil de Staatssecretaris er dan voor zorgen dat de uitstroom van 50.000 mensen in 2017 wel haalbaar is?

Er is ook positief nieuws, want gisteren is mijn motie aangenomen door de Kamer, die de Staatssecretaris verzoekt om de geanonimiseerde minuten van de 40 kinderpardontoewijzingen naar de Kamer te zenden. De Kamer kan dan eindelijk beoordelen of het kinderpardon nu wel of geen dode letter is, waar uiteindelijk geen kind door geholpen wordt. De uiterste datum voor die toezending is de datum van de begrotingsbehandeling van Veiligheid en Justitie, maar ik neem aan dat de Staatssecretaris zijn best zal doen om dit dossier zo snel als mogelijk aan de Kamer te doen toekomen, zodat wij snel kunnen achterhalen of het kinderpardon ook daadwerkelijk kinderen helpt en we, indien nodig, aanpassingen kunnen doen. Kan de Staatssecretaris dat bevestigen?

Tot slot wil ik mij aansluiten bij wat mevrouw Gesthuizen zal inbrengen over de situatie van alleenstaande kinderen in Calais.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Voorzitter. Laat ik dan meteen beginnen met die kinderen van Calais. Zoals de heer Klaver onlangs de situatie in Griekenland heeft kunnen zien – een groot deel van deze commissie deed dat ook afgelopen winter – ben ik afgelopen voorjaar nog naar Duinkerken en Calais geweest. Ik heb daar gezien hoe, nog veel dichter bij huis dan in Griekenland en Italië het geval is, mensen in erbarmelijke omstandigheden moeten verkeren. Direct gezegd: er is een hele groep mensen, met name volwassenen, die hun zinnen hebben gezet op Engeland en die er daarom bewust voor kiezen om geen asiel aan te vragen in Frankrijk. Maar niemand kan mij vertellen dat een kind van 10, 11 of 12 jaar, want zo jong zijn de kinderen die in Calais verblijven, of zelfs nog jonger, eigenstandig zo'n beslissing neemt. Daarbij moet er wel sprake van zijn dat iemand zo'n kind gouden bergen heeft beloofd, dat het kind keihard is misbruikt of het kind verhandeld wordt door criminele bendes. Sindsdien heb ik met diverse organisaties gesproken en daarbij werden mij twee dingen duidelijk. Het is absoluut wenselijk om deze kinderen van Calais te helpen en er zouden juridische mogelijkheden zijn om dat te kunnen doen. Er is immers bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie en ook bij de DT&V (Dienst Terugkeer en Vertrek) ervaring, bijvoorbeeld in de omgang met de slachtoffers van criminele bendes. Deze kinderen werden uit roven gestuurd in verschillende Europese landen. Zo werden er op enig moment twee kinderen uit Barcelona gehaald via het project 13 Oceans. Daarbij heeft de DT&V een EU-verblijfsdocument uitgeschreven voor deze kinderen, en vervolgens aan de Haagse kinderrechter verzocht om een spoedmachtiging in verband met een gezagsvacuüm, waarna de rechter tevens is gevraagd om voogdij te geven aan een Nederlandse instelling. Kan de Staatssecretaris de Kamer bij dezen toezeggen dat hij serieus gaat kijken naar deze operatie? Wil hij bezien of dit ook mogelijk zou zijn voor een deel, en daarbij heb ik het over een beperkt deel, van de kinderen uit Calais? Wij kunnen toch niet rustig gaan slapen, wetende dat op een paar uur rijden hiervandaan een aantal kinderen zo erg seksueel wordt misbruikt dat behandeling door een arts nodig is?

Ik ga nog even in op wat mevrouw Voortman ook al heeft gezegd over kinderen en wat verschillende oppositiefracties – D66, de SP, GroenLinks en de ChristenUnie met steun van de Partij van de Arbeid – de vorige keer hebben gevraagd aan de Staatssecretaris over die 750 kinderen die uit Griekenland en Italië naar Nederland zouden komen. Hoe staat het daar nu precies mee? Is de Staatssecretaris inderdaad van plan om, zoals hem door de Kamer is gevraagd en ook is opgedragen, zo snel mogelijk 750 kinderen hier in Nederland een veilige haven te bieden? Graag een duidelijk antwoord.

Ik dank de Staatssecretaris voor zijn update ten aanzien van het aantal naturalisaties van houders van een pardonvergunning. Wel vraag ik mij af waar de hulp uit bestaat die aanvragers krijgen indien zij problemen ondervinden met het verkrijgen van documenten. Ook wil ik aandacht vragen voor twee specifieke groepen Eritreeërs. Zij lopen ernstig gevaar als zij in contact treden met de Eritrese ambassade en voor statelozen lijkt de drempel om aan een geboorteakte te komen, te hoog. Kunnen zij van deze eis worden vrijgesteld? Kinderen van pardonners of pardonners die hier geboren zijn, ondervinden ook grote problemen bij het verkrijgen van een geldig paspoort van het oorspronkelijke land van herkomst. Kan ook voor hen die eis versoepeld worden?

Ik kom op de opvang in Nederland. De instroom is gedaald en dat is mooi, schrijft het kabinet. Het lijkt nu tijd om te werken aan het verbeteren van de kwaliteit van de opvang. Daar zie ik helaas weinig van terug, en dan laat ik nog maar even in het midden of het inderdaad zo mooi is om hier te moeten constateren: yes, de instroom is naar beneden, terwijl het aantal vluchtelingen wereldwijd met miljoenen per jaar groeit. Zijn er wel plannen voor de verbetering van de opvang? Zo ja, welke richting gaat het op met de verbetering van de kwaliteit? Het is goed dat de Staatssecretaris het heeft over het achter de hand houden van reservecapaciteit, maar ik zou wel graag willen weten hoe concreet dat nu precies is. Op welke manier gaan we dat doen en op welke schaal?

Het afschaffen van het zelfzorgarrangement (zza) vind ik, en velen met mij, jammer, maar ook dat de logeerregeling wordt afgebouwd. Dat nu wordt gevraagd dat statushouders zich inschrijven bij een logeergezin kan drempelvormend werken. Kan dit niet op een andere manier geregeld worden? Ik snap dat de vrijgekomen bedden bij het COA dan gebruikt kunnen worden, maar kan dit niet geregeld worden op een manier die minder definitief en ontmoedigend voelt voor het logeergezin? Zou het zo kunnen zijn dat die bedden wel vrijkomen, maar op een manier die minder definitief en ontmoedigend voelt voor het logeergezin?

Wat de huisvesting betreft wil ik graag weten waarom de taakstelling op 13.000 is gesteld, terwijl er nog 15.000 statushouders in de COA-opvang wachten. Behalve statushouders en mensen in procedure zijn er ook nog de ongedocumenteerden, van wie sommigen gebruikmaken van de bed-bad-broodregeling. In Den Haag is een groep opgevangen die daardoor weer wat hernieuwde energie kon krijgen om zaken op orde te stellen. Soms heeft dat geleid tot terugkeer, soms ook tot een hernieuwede procedure. Het grootste gedeelte is nog in afwachting, maar er zijn ook dertien statussen verleend. Helaas wordt de opvang hier in Den Haag nu toch gesloten en zelfs precies voor de winter. Waarom wordt er geen lering getrokken uit het project in Den Haag? Bewijst dit niet juist dat opvang noodzakelijk is om goede procedures te kunnen voeren en om te kunnen werken aan terugkeer?

De heer Sjoerdsma (D66):

Voorzitter. Om te beginnen wil ik nog een keer mijn waardering uitspreken voor de bereidwilligheid van de Staatssecretaris, in reactie op ons verzoek om 750 vluchtelingenkinderen naar Nederland te halen. Met de collega's wil ook ik hem vragen op welke termijn we daarvan de eerste acties gaan zien. De Grieken zouden namelijk 140 dossiers op orde hebben en binnenkort zouden er 390 bijkomen. Als je die bij elkaar optelt, komen we al aardig in de buurt van die 750. Dus wanneer kunnen wij de eerste kinderen in Nederland verwachten? Welke stadia ziet de Staatssecretaris hiervoor? En hoe staan andere Europese landen hier eigenlijk in? Hij is duidelijk het overleg met andere Europese bondgenoten aangegaan. Ik kan mij niet voorstellen dat zij kijkend naar die kinderen op hun handen zouden willen blijven zitten.

Dan zoom ik even in op Nederland, want dat is de kern van dit overleg. Na een turbulent jaar lijkt de rust te zijn weergekeerd in de Nederlandse asielopvang. Opvanglocaties worden gesloten, extra IND-personeel wordt weggestuurd en we leunen weer een beetje achterover. Dat lijkt mij echter onverstandig. Volgens mij kunnen wij op dit moment niet op onze handen gaan zitten, niet met nog tienduizenden mensen in de COA-opvang, wachtend op een status en wachtend op een woning. Over die woningen: nog steeds wachten er ruim 15.000 mensen met een status op huisvesting. Dat zijn bijna net zoveel mensen als ten tijde van de hoge instroom. Dat is een integratieramp in slow motion. Hoe langer die mensen wachten op huisvesting, des te slechter het uitpakt voor hun integratie. Dat kan toch niet? Waar gaat het mis en hoe gaan we dat oplossen? Ik vraag dat zeker nu het kabinet zelf een voorstel heeft gedaan om de voorrangstatus voor vergunninghouders te schrappen, zonder ervoor te zorgen dat er voldoende woningen beschikbaar komen. Ik meen me te herinneren dat dat laatste een harde voorwaarde van de Partij van de Arbeid was. Wat is er met die voorwaarde gebeurd? Wat voor effecten verwacht de Staatssecretaris van het schrappen van de status voor de plaatsing van vluchtelingen in de gemeenten? Op welke manier gaat dat helpen?

Alleen snelheid is denk ik niet voldoende. Sterker nog, vertraging zou misschien nog te rechtvaardigen zijn als er ook gewerkt zou worden aan slimme huisvesting. Mensen moeten niet gewoon maar geplaatst worden in gemeenten die op dat moment een huis beschikbaar hebben, maar er moeten gemeenten uitgezocht worden waar ze iets met die persoon aan kunnen. Men moet in kaart brengen welke ervaring en welke opleiding een persoon heeft en in welke regio daar behoefte aan is. Dan pas moet iemand geplaatst worden, zodat mensen direct werk kunnen maken van hun toekomst.

Ik hoorde laatst nog iets sterkers en ik vraag de Staatssecretaris daarop te reageren. Het ging om mensen die via een stichting een leer-werktraject aangeboden hadden gekregen in een bepaalde gemeente, passend bij hun competentie, maar omdat ze al waren toegewezen aan een andere gemeente, mochten ze niet alsnog naar de gemeente waar een passend leer-werktraject klaarlag. Dat klinkt heel bureaucratisch en star. Het klinkt niet zoals het zou moeten zijn. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat dit niet de bedoeling is en kan hij mij toezeggen dat dit soort onnodige bureaucratische tegenwerking gestopt wordt?

Ik hoor graag van de Staatssecretaris hoe het staat met de uitvoering van mijn motie over taallessen vanaf dag één (19 637, nr. 2055). Zeven maanden geleden was daar een meerderheid voor. We wachten nog steeds op de uitvoering. In de tussentijd zagen we een VVD-minister, Minister Schippers, zeggen dat het rechtse heilige huisje om dit niet te doen, maar eens moet worden gesloopt. We zagen premier Rutte, die tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen doodleuk zei, na zeven maanden wachten, dat het kabinet die motie niet gaat uitvoeren. Uiteindelijk zei hij echter dat het er nog een keer goed naar gaat kijken. Dus ik hoor graag dat de Staatssecretaris vandaag duidelijk maakt hoe het staat met de uitvoering van die taallessen vanaf dag één. Ik hoor ook graag van hem hoe het staat met de resultaten van de taallessen in de voorinburgeringscursussen, waar de heer Rutte en de heer Zijlstra zo lovend over spraken.

Uit de Amsterdamse aanpak blijkt dat een op de vijf statushouders al binnen een paar maanden aan het werk is. Ook hierbij vraag ik me af waar de tegenzin zit om dat succesvolle beleid landelijk uit te rollen.

Tot slot kom ik op de incidenten en de overlast in de COA-locaties. Het is goed dat de Staatssecretaris het WODC (Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum) de incidenten laat onderzoeken, om ze in perspectief te plaatsen. Het is ook mooi dat de aangiftebereidheid verder gestimuleerd wordt. Ik heb nog wel een vraag over de uitplaatsing van overlastgevende asielzoekers. Ik begrijp dat de Staatssecretaris nu zoekt naar een aparte locatie, maar klopt het dat overlastgevende asielzoekers nu, als hun de toegang tot de opvang wordt ontzegd, gewoon op straat staan? Is het echt de bedoeling dat inwoners, omwonenden, bewoners in de buurt last krijgen van deze mensen? Ik krijg hierop graag een reactie.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik begin met wat losse dingen die de afgelopen dagen op ons af zijn gekomen. Tijdens, ik meen, het vragenuurtje is aan de Staatssecretaris gevraagd of hij wil reageren op de cijfers van hoogleraar Spijkerboer over de Turkijedeal. Misschien kan hij er in dit debat wat over zeggen.

We zijn maandag getuige geweest van weer een uitzetting, van een moeder met twee kinderen die zwaar psychiatrisch ziek is. Een dramatische situatie. Ze was al ziek, zeg ik tegen de Staatssecretaris, voordat die uitzending concreet was, zelfs toen ze nog regelmatig verblijf had in Nederland. We moeten hier niet ingaan op individuele zaken, maar dit laat zien dat uitzettingen nog steeds onder zeer schrijnende omstandigheden gebeuren. Ze was zwanger. Ze had twee kleine kindjes en toch is ze uitgezet. Ik vraag er toch echt weer aandacht voor: laten we in dit soort schrijnende omstandigheden een uitzetting uitstellen.

Ik dank de Staatssecretaris voor de beantwoording van onze Kamervragen over de brand in het detentiecentrum in Rotterdam. Ik ben zeer verheugd dat de Staatssecretaris besloten heeft om inspectieonderzoek te laten uitvoeren. Ik dank ook Amnesty voor haar grondige werk en voor de eerste analyse die zij erop los heeft gelaten. Dit heeft ongetwijfeld geholpen om de Staatssecretaris erop te wijzen. We wachten het inspectierapport af. Ik meen dat het eind november klaar moet zijn.

Dan kom ik op Ranov (Regeling Afwikkeling Nalatenschap Oude Vreemdelingenwet) en naturalisatie. Ik zie dat van de 13.000 aanvragen nu 11.000 zijn toegekend. Dat is een goede score. We weten echter dat, ik meen, 20.000 of 21.000 generaalpardonners zich wilden laten naturaliseren. Dat betekent dat de helft nu ongeveer genaturaliseerd is, maar de andere helft dus nog steeds niet. Kan de Staatssecretaris nog eens vertellen waarom die terughoudendheid er is? We hebben eerder opheldering gevraagd over die andere helft, die nog steeds niet genaturaliseerd is en daardoor nog steeds bestaat uit tweederangsburgers. Als je niet genaturaliseerd bent, heb je namelijk te maken met allerlei beperkingen. Zijn de kosten van de leges te hoog? Is de Staatssecretaris bereid om te bekijken of er via DUO een zachte lening verstrekt kan worden aan de mensen die aanhikken tegen de kosten van het aanvragen van naturalisatie van, ik meen, € 800 of € 900? Voor een gezin met vijf mensen is het echt heel veel geld.

Ik kom op de versoepeling van de aanvraag tot naturalisatie voor etnische Armeniërs uit Azerbeidzjan. Ik dank de Staatssecretaris voor de stap die hij heeft gezet. We zijn inmiddels een jaar verder na de versoepeling. Kan de Staatssecretaris aangeven hoeveel aanvragen van die groep inmiddels zijn gehonoreerd? Ik krijg nog steeds berichten dat er toch een soort geboorteakte of een andere vorm van bewijs moet worden overgelegd dat ze etnische Armeniërs zijn uit Azerbeidzjan. Dit leidt tot dezelfde hiccup, namelijk het niet kunnen aanvragen van de naturalisatie. Ze hebben namelijk geen bewijzen. Ik begrijp ook de zaak van de Staatssecretaris, die zegt dat hij toch ergens van uit moet gaan. Er zit wel een spanning en dat geef ik de Staatssecretaris maar aan.

Hetzelfde geldt voor de statelozen. Ook zij moeten nog steeds een geboorteakte overleggen. Ik geloof dat 500 statelozen nog steeds niet in staat zijn, ook niet na tien jaar, om zich te laten naturaliseren, omdat ze die geboorteakte niet kunnen overleggen. Daar vraag ik aandacht voor.

Dan kom ik op de azc's. De Staatssecretaris zegt dat het mooi is dat de azc's kunnen sluiten. De instroom is verminderd. Ik zeg mijn collega's na: we leven in een wereld waarin nog steeds heel veel vluchtelingen zijn. 60.000 vluchtelingen wachten in Griekenland. Griekenland heeft gezegd dat het nu wel dossiers heeft. Ik vraag de Staatssecretaris dus om nu de andere kant te bekijken en te bekijken of we tot een versnelling kunnen komen. We hebben eerder die 750 minderjarige asielzoekers genoemd. Er zitten nog eens 13.000 vast op de eilanden.

Ik dank de Staatssecretaris voor het vasthouden aan de motie-Voordewind/Voortman, waarin gevraagd wordt om kleinschalige locaties te zoeken voor kinderen en gezinnen, ook als er weer een grotere instroom is en men moet uitwijken naar alternatieve opvanglocaties. Ik hoop dat we dat ook zo kunnen doen.

De Staatssecretaris zegt dat er een rapportage is over de incidenten. Er zijn 9.000 meldingen. Ik zie dat het hierbij om heel veel lichte vergrijpen gaat, zoals het niet schoonmaken van kamers of het afplakken van een brandmelder. Als we die eruit filteren, om hoeveel incidenten gaat het dan? Dit zijn namelijk toch dingen die niet als heel zwaar moeten worden aangemerkt.

Ik dank de Staatssecretaris voor het aanstellen van een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Daar heeft de Kamer al jaren op aangedrongen. Ik zie dat de Staatssecretaris deze met vol enthousiasme heeft aangesteld. Hoe verhoudt deze onafhankelijke vertrouwenspersoon zich tot de coördinator veiligheid, die ook is aangesteld? Misschien kan de Staatssecretaris daar nog op ingaan.

De heer Fritsma (PVV):

Voorzitter. Ik wil graag beginnen met de cijfers over overlast en criminaliteit in asielzoekerscentra. Die liegen er namelijk niet om. Zo zien we meer dan 2.800 gevallen van agressie en geweld tegen personen. Dat is toch iets anders dan een kamer niet opruimen. We zien tientallen verdenkingen van zedenmisdrijven en we zien ook honderden gevallen van overlast en vernieling. Deze cijfers gaan over een periode van slechts een halfjaar. Men heeft ook uitsluitend gemeten wat er op of rondom asielzoekerscentra gebeurt. Wat er daarbuiten gebeurt, bijvoorbeeld in winkelcentra, stadscentra en het openbaar vervoer, is nog niet eens in deze cijfers meegenomen. Mijn eerste vraag aan de Staatssecretaris is om dit de volgende keer wel te doen, want dan krijgen we een veel beter en ook completer beeld van de gevolgen van het opengrenzenbeleid van dit kabinet.

Uit de brief van de Staatssecretaris over dit onderwerp blijkt ook de pure laksheid van dit kabinet in de aanpak van de daders. Die daders komen namelijk gewoon met hun wangedrag weg. Sterker nog, ze krijgen of behouden vrijwel allemaal hun verblijfsvergunning. In slechts zestien gevallen, lezen we in de brief, is de verblijfsvergunning ingetrokken of geweigerd. In slechts twee gevallen is sprake geweest van uitzetting. Dat is natuurlijk een beschamend resultaat. Het is ook een bewijs dat beloften van deze Staatssecretaris om asielzoekers die de wet overtreden, een verblijfsvergunning te weigeren en om hen uit te zetten, helemaal niets waard zijn. Daders worden juist getrakteerd op een verblijfsvergunning. Het kabinet laat iedereen toe en heeft niet eens de bereidheid om op zijn minst de criminelen eruit te filteren.

Dat kan natuurlijk niet langer zo. De PVV blijft erop hameren dat dit verandert. Ik roep de Staatssecretaris op om er nu eindelijk voor te zorgen dat criminelen enerzijds nooit een verblijfsvergunning krijgen en anderzijds hun verblijfsvergunning verliezen als ze die al hadden. Ik krijg graag duidelijke toezeggingen op dit punt, want het is een ernstige zaak als de Staatssecretaris op televisie roept – ik heb de citaten bij me – dat asielzoekers die de wet overtreden, worden uitgezet, terwijl de praktijk bewijst dat dit niet gebeurt.

Een ander actueel punt betreft de mededeling van de EU dat zo snel mogelijk visumvrijstelling voor Turken wordt geregeld. Daar werden we een aantal dagen geleden mee verrast. Kan de Staatssecretaris hier duidelijk een stokje voor steken? Nog los van het punt dat niet aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan voor visumvrij reizen, moet het natuurlijk nooit gebeuren dat 75 miljoen Turken straks nog gemakkelijker naar Nederland kunnen reizen dan nu al het geval is. De PVV blijft benadrukken dat we ons niet afhankelijk moeten maken van Turkije, ook niet van de EU, maar dat we baas moeten zijn over eigen grenzen en over ons eigen land en toelatingsbeleid.

Dan kom ik op de naturalisaties van mensen die onder het grote generaal pardon van oud-staatssecretaris Albayrak vielen. Dat waren er meer dan 27.000. Deze draak van een pardonregeling stond zelfs toe dat mensen een valse identiteit konden gebruiken. Bij naturalisatieverzoeken kan dit natuurlijk op problemen stuiten, maar het mag niet gebeuren dat daardoor voorwaarden voor naturalisatie worden versoepeld. Die hele pardonregeling had natuurlijk ook nooit mogen gebeuren. De prijs daarvan hebben we deze week gezien. Deze wordt bijvoorbeeld betaald door drie jonge meisjes, die door een in het kader van deze pardonregeling toegelaten Afghaan zijn misbruikt in een zwembad te Zwijndrecht. De rechter gaf deze man helaas slechts een taakstrafje. De PVV eist uitzetting. Ik krijg graag een reactie van de Staatssecretaris daarop.

Ik wil overigens ook de garantie van de Staatssecretaris dat fraude nooit meer wordt beloond, zoals we zagen bij die pardonregeling, maar altijd wordt aangepakt. Dat is een belangrijk signaal. In dat licht ben ik benieuwd naar het aantal gevallen van fraude dat dit jaar en vorig jaar is ontdekt in verblijfsprocedures en het aantal aangiften dat naar aanleiding daarvan hopelijk is gedaan.

Een ander punt ...

De voorzitter:

U bent door uw tijd heen.

De heer Fritsma (PVV):

Dan rond ik af met één laatste punt, namelijk het enorme aantal statushouders dat met voorrang sociale huurwoningen krijgt. Dat zijn er tienduizenden. Hoe legt de Staatssecretaris dat uit aan al die Nederlanders die door dat wanbeleid tot sint-juttemis op hun woning kunnen wachten? Daar kan ik het bij laten.

De heer Azmani (VVD):

Voorzitter. Er staat een beperkt aantal zaken op de agenda. We hebben ook nog niet zo lang geleden met de Staatssecretaris gesproken, dus ik zal vrij kort zijn. Ik begin met een compliment aan de Staatssecretaris. Een paar weken geleden heb ik veel aandacht gevraagd voor de kansloze Albanezen en andere Oost-Europeanen die menen in ons land asiel te kunnen aanvragen. Het is een goede zaak dat de Staatssecretaris op ons verzoek besloten heeft om te stoppen met het verstrekken van onder meer geld bij het vertrek volgens de zogeheten REAN-regeling (Return- and Emigration from the Netherlands), die uitgevoerd wordt door de IOM (International Organization for Migration). Daarnaast worden asielaanvragen versneld afgedaan en wordt er een inreisverbod van twee jaar opgelegd. De Staatssecretaris kon, net als wijzelf overigens, de zaterdag na dat algemeen overleg schitteren op de Albanese nationale televisie, waarin nadrukkelijk naar voren kwam dat het totaal geen zin heeft om richting Nederland te komen om hier de procedures te frustreren. In de brief staat dat over een jaar zal worden geëvalueerd. Kunnen we dat niet sneller doen, na laten we zeggen een halfjaar?

Ik kom op de incidentenmonitor, die maandag is verschenen. De heer Fritsma had het er ook al over. De aantallen zijn natuurlijk verontrustend: ruim 9.000 meldingen bij het COA en zo'n 3.637 meldingen geregistreerd door de politie, waaronder 813 aangiften. Natuurlijk wordt een en ander vertekend door de grote instroom van asielzoekers in het afgelopen jaar, maar ieder incident is er een te veel. Deze mensen zijn te gast in ons land en krijgen hier nota bene een veilig onderkomen geboden. Dan is het eigenlijk onbestaanbaar dat ze zich tegen onze maatschappij keren en deze ook onveiliger maken. Het is een goede zaak dat de Staatssecretaris, onder meer op verzoek van de VVD maar ook van andere partijen in deze Kamer, de grenzen heeft opgezocht om veel vaker en daarmee ook eerder een verblijfsvergunning te kunnen weigeren. Ik hoop dat de Staatssecretaris snel terugkomt op het voorstel van de VVD om voor deze mensen een, zoals ik dat zelf heb genoemd, aso-azc in te richten. Wat mij betreft gaan ze direct het land uit, maar als dat om wat voor reden dan ook niet kan – Syriërs kun je bijvoorbeeld niet terugsturen naar oorlogsgebied – dan wil ik op zijn minst dat ze apart worden opgevangen in een minder plezierig regime, om zo hun badwater kouder te maken. Wanneer kunnen we besluitvorming hieromtrent verwachten? Uit de begeleidende brief blijkt dat er wordt gesproken over een concrete locatie. De Staatssecretaris zal begrijpen dat ik die liever vandaag dan morgen zie. Wanneer kunnen we het WODC-onderzoek verwachten dat ziet op de criminaliteit buiten de opvanglocaties?

De vorige keer hebben we stilgestaan bij de gevolgen van de grote afname van het aantal asielzoekers in Nederland, onder andere door de afspraken die met Turkije zijn gemaakt, op opvanglocaties in Nederland. Veel voorgenomen locaties zijn niet langer meer nodig. Er was onvrede over de noodzaak van de oprichting en de voorbereiding, en nu is die er weer over de afbouw. Het COA wordt in de communicatie meestal als kwaaie pier gezien. In hoeverre wordt hier aandacht aan geschonken? Ik hoor en lees dat er in den lande gedreigd wordt met schadeclaims voor de voorbereidingskosten. Hoe verloopt die communicatie? Is er ook de nodige aandacht voor? Ik begrijp dat er heel veel draagvlak gecreëerd moest worden in het verleden. Dat is ook gecreëerd. Dan is het best wel zuur als het niet doorgaat. Volgens mij was het echter ieders wens om weer controle te krijgen over de aantallen die naar Nederland komen. Hoe loopt die communicatie? Wordt er gesproken over een flexibele schil? Ik hoor namelijk dat er op dit moment wel heel drastisch wordt afgebouwd. Is dat zo? Ik meende de vorige keer de Staatssecretaris te horen zeggen dat er wel rekening wordt gehouden met eventuele onvoorziene effecten in de toekomst en dat men niet tot volledige afbouw komt.

De voorzitter:

U hebt nog dertig seconden, maar er is een interruptie van mevrouw Voortman.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Het pleidooi van de VVD om tot een flexibele schil te komen is mij uit het hart gegrepen. Volgens mij heeft de Staatssecretaris eerder ook gezegd dat hij dit wil doen. Het gaat mij ook om de communicatie met lokale bestuurders. Dat heb ik ook teruggehoord. Volgens mij hebben we dat allemaal gehoord. Lokale bestuurders die hun nek hadden uitgestoken richting bewoners met de mededeling dat een azc er echt moest komen, kregen vervolgens te horen dat het toch niet hoefde, of ze hoorden een hele tijd niks. Ook dat hoor ik terug. Dat is toch niet de manier waarop wij als Kamerleden vinden dat er moet worden omgegaan met lokale bestuurders? Ik wil graag wat reflectie van de heer Azmani hierop hebben.

De heer Azmani (VVD):

Volgens mij hebben de effecten en gevolgen niet alleen met rijksbeleid te maken. We werden vorig jaar rond deze tijd geconfronteerd met duizenden asielzoekers die Nederland binnenkwamen. Het was moeilijk om op korte termijn opvanglocaties te realiseren. Het beleid was heel duidelijk gericht op het zo veel mogelijk voorkomen. Daarbij ben je afhankelijk van andere partners. Op dat moment bekijk je wat er gepland moet worden als het beleid niet gewijzigd wordt. De verwachting was dat we dit jaar op zo'n 98.000 asielzoekers zouden uitkomen. Er waren zelfs prognoses van 110.000 asielzoekers. Het kabinet heeft gezegd dat ze dat aantal sowieso niet zou accepteren en dat het onder de 58.000 wilde uitkomen. Zoals het er nu naar uitziet, komen we er ruim onder. Dan is het logisch dat lokale bestuurders begrip hebben voor het feit dat het Rijk niet kan sturen op die aantallen. Dat verwacht ik ook van hen. Het is altijd heel lastig bij asielinstroom en migratie. Ik heb echter ook heel veel begrip voor de moeite die genomen is, met veel weerstand in de samenleving, en dat men uiteindelijk toch gekozen heeft voor bestuurlijke draagvlak voor een opvanglocatie. Het enige wat ik wil, is veel aandacht voor de communicatie en de afhechting. Dat ligt volgens mij nu deels op de provinciale regietafels. Ik hoor, net als mevrouw Voortman, geluiden over het COA die ik niet goed vind. Ik weet zeker dat alle medewerkers die bij het COA werkzaam zijn, hun best doen om dit op een goede en fatsoenlijke manier te doen. Ik vind het dus jammer dat die geluiden er zijn. Daarom vraag ik de Staatssecretaris om daar de nodige aandacht aan te schenken.

De voorzitter:

Mevrouw Voortman en mijnheer Azmani, ik vraag u om het korter te houden.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Ik ben, net als de heer Azmani, heel erg blij met wat de gemeenten allemaal hebben gedaan om asielzoekers hier te huisvesten: zij hebben moeilijke discussies gevoerd en grote inspanningen geleverd. We hebben inderdaad geen controle over het aantal mensen dat hiernaartoe komt, maar we moeten ook weer niet te snel afbouwen, want we weten niet wat er de komende tijd gaat gebeuren. We weten wel dat er nog duizenden mensen in Griekenland in tenten zitten te wachten, terwijl het zo winter wordt. Zou het niet veel slimmer zijn om meer te doen aan hervestiging en onze beloftes op dat gebied na te komen en minder snel de capaciteit van asielzoekerscentra af te bouwen?

De heer Azmani (VVD):

O, dát wil mevrouw Voortman. Mevrouw Voortman wil dat Nederland, dat al koploper is ...

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Mevrouw Voortman wil dat Nederland zijn beloftes nakomt.

De heer Azmani (VVD):

Ik was nog aan het woord. Ik begrijp heel goed waar mevrouw Voortman naartoe wil. Ik zie dat niet. Ik denk dat Nederland de andere lidstaten nu al het goede voorbeeld geeft. Als je in de vluchtelingenkwestie de verantwoordelijkheid van andere lidstaten overneemt, zul je zien dat die lidstaten in de toekomst hun verantwoordelijkheid ook niet zullen nemen. Dat zou mevrouw Voortman niet moeten willen. Natuurlijk moet er bij de locaties afbouw plaatsvinden en die vindt ook plaats. Er zijn heel veel locaties waar nog niet eens iets stond. Volgens mij zijn wij beiden van mening dat je moet anticiperen op de nabije toekomst, al weten we nog niet zeker hoe het zal gaan met de instroom. Je hebt een kleine flexibele schil nodig. Ik wil dan ook graag van de Staatssecretaris horen dat het geen volledige afbouw is, zoals het geluid dat nu wordt gehoord.

De voorzitter:

Mevrouw Voortman gebruikt haar tweede interruptie voor uw betoog.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Ik dacht dat de VVD-woordvoerder iemand was van «een man een man, een woord een woord». Het enige wat ik hier vraag, is dat we onze beloftes nakomen. Ik vraag niet om het overnemen van de beloftes van andere partijen; het gaat mij om onze eigen beloftes. Wij hebben gezegd hoeveel mensen wij zouden opnemen voor oktober 2017. Daar komen wij nu bij lange na niet aan. Als we het aantal mensen dat we opnemen verhogen van 100 naar 200 – dat is het enige wat ik vraag – komen we onze beloftes na. Wat is daar nu op tegen? Dat zou ik graag van de heer Azmani willen horen.

De heer Azmani (VVD):

Mevrouw Voortman spreekt over een belofte waarbij geanticipeerd is op 160.000 asielzoekers. Waarschijnlijk heeft de fractievoorzitter van de partij van mevrouw Voortman wel gezien dat zich op dit moment geen 160.000 asielzoekers bevinden in Italië en Griekenland. Je moet met je tijd mee gaan, want de ontwikkelingen gaan heel snel. Ik constateer dat Nederland koploper reallocatie is. Ik denk dat het niet helpt om de verantwoordelijkheid van anderen over te nemen als die lidstaten – dat geldt ook voor zulke landen, want ze zitten nu eenmaal in de Europese Unie – hun verantwoordelijkheid niet nemen. Daar moet mevrouw Voortman ook rekening mee houden: als je verantwoordelijkheden van anderen overneemt, betekent dat dat zij het niet meer hoeven te doen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Het punt is dat wij nu onze beloftes niet helemaal vervullen. Andere landen doen dat ook niet, dus het is terecht dat wij daar iets van zeggen, maar wij doen het zelf ook niet. Wij nemen nog niet eens 10% op van het aantal mensen dat wij zouden opnemen. Die asielzoekers zijn er wel; er zijn genoeg geregistreerde asielzoekers in Griekenland. Wij kunnen onze belofte dus wel nakomen. Wat wil de heer Azmani dan? De winter komt eraan. Wil hij dan dat mensen daar in tenten blijven zitten omdat andere landen nog minder doen? Dat kan toch niet het geval zijn.

De heer Azmani (VVD):

Ik wil dat Griekenland, dat tot de Europese Unie behoort en sinds jaar en dag niet de verantwoordelijkheid heeft genomen voor deze invulling, nu probeert zijn verantwoordelijkheid te nemen, met ondersteuning van andere Europese lidstaten. Als mevrouw Voortman zegt dat Griekenland zijn verantwoordelijkheid niet hoeft te nemen omdat Nederland deze mensen wel over neemt – GroenLinks wil alleen maar meer asielzoekers naar dit land halen – ontslaat zij het van de verplichting om zijn verantwoordelijkheid te nemen. Er is een verdeelsleutel, een percentage waar Nederland voor staat. Als je dat percentage hanteert op basis van de mensen die nu klaarstaan en geregistreerd zijn, neemt Nederland volgens mij een enorme verantwoordelijkheid. Dat miskent mevrouw Voortman. Zij kijkt alleen naar absolute aantallen en laat die los op de situatie van 160.000 uit het verleden. We hebben echter een verdeelsleutel en een percentage met elkaar afgesproken in Europa. Als dat percentage gehanteerd wordt op basis van het aantal registraties, loopt Nederland voorop, mevrouw Voortman.

De heer Sjoerdsma (D66):

Mevrouw Keizer moet nog even wachten. Ik heb een vraag aan de heer Azmani over het geven van taalles aan asielzoekers vanaf dag één. Daarover is een motie (32 824, nr. 119) aangenomen; de VVD heeft tegengestemd. Wil de heer Azmani zich niet bezinnen? Wil hij zich niet toch achter dit plan scharen? Ik vraag dit natuurlijk omdat Minister Schippers zich een hartstochtelijk voorstander van dit plan toonde en een Amsterdams raadslid recentelijk ook. De premier weigert echter de motie uit te voeren. Hoe staat de heer Azmani tegenover dit plan? Vindt hij ook niet dat aangenomen moties gewoon moeten worden uitgevoerd?

De heer Azmani (VVD):

Volgens mij weet de heer Sjoerdsma heel goed hoe ik over dat onderwerp denk. Het streven van de Staatssecretaris is om in oktober al binnen acht weken te kunnen beslissen, zeker over de kansrijke asielaanvragen. De heer Sjoerdsma probeert een probleem groot te maken, terwijl dat probleem er eigenlijk niet is.

De heer Sjoerdsma (D66):

Dit is natuurlijk een antwoord van helemaal niets. Zeven maanden geleden werd die motie aangenomen. Zeven maanden lang is er niets gebeurd. Zeven maanden lang zitten tienduizenden asielzoekers op hun handen. En dan zegt de heer Azmani: de heer Sjoerdsma probeert ergens een probleem van te maken. Nee, ik benoem juist een heel groot en belangrijk probleem. Ik benoem een integratieramp in slow motion, waar de VVD medeverantwoordelijk voor is. Ik vraag de heer Azmani dus nogmaals – ik zou graag een antwoord willen – of de VVD van positie gaat veranderen onder aanvoering van Minister Schippers en raadsleden uit Amsterdam en of zij zich toch gaat scharen achter het geven van taalles vanaf dag één: ja of nee?

De heer Azmani (VVD):

Als mensen binnenkomen, hebben zij niet vanaf dag één behoefte aan taalles. Laat duidelijk zijn dat ook ik vind dat asielzoekers die kansrijk zijn, op het moment dat zij hun status krijgen zo snel mogelijk moeten meedoen en dat taal daarvoor het belangrijkste instrument is. Ik moet constateren – dat vind ik toch bijzonder van D66 als partij die liberaal is of meent dat te zijn – dat D66 vindt dat de overheid er altijd aan te pas moet komen als mensen binnenkomen. Ik vind het juist zo mooi van deze samenleving dat mensen verantwoordelijkheid willen voelen voor anderen, voor mensen die in nood zijn of mensen die hier komen en om bescherming vragen. Er zijn talloze vrijwilligersprojecten in azc's om mensen te helpen bij het opdoen van kennis over de Nederlandse samenleving en taal. Ik zie liever dat dat gestimuleerd wordt dan dat de overheid hiervoor steeds in de bres moet springen. Ik vind het wel bijzonder dat juist D66 altijd weer kijkt naar de overheid.

De heer Fritsma (PVV):

De heer Azmani complimenteerde de Staatssecretaris met de aanpak van criminele asielzoekers. Dat kan hij toch niet serieus menen? Kijk eens naar de resultaten. In slechts zestien gevallen is een verblijfsvergunning geweigerd of ingetrokken en in slechts twee gevallen is iemand uitgezet. Waar komen dan in 's hemelsnaam die complimenten voor de aanpak van criminele asielzoekers vandaan?

De heer Azmani (VVD):

De complimenten betroffen vooral het stoppen met het verstrekken van geld aan kansloze asielzoekers uit Oost-Europa. Daarvoor heb ik mijn complimenten uitgesproken. Ik heb zelf ook aangegeven dat ik de vele incidenten onbestaanbaar vind. Ik constateer dat de Staatssecretaris, op verzoek van vele partijen in dit huis, vrij recentelijk de grenzen heeft opgezocht van wat mogelijk is in het kader van het weigeren dan wel intrekken van verblijfsvergunningen. Ik heb gepleit voor een zogeheten apart regime – noem het het aso-azc – waarbij daders apart worden weggezet in plaats van dat we slachtoffers apart wegzetten. Volgens mij zijn er daarvoor de mogelijkheid en middelen. Ik vraag me bij de PVV altijd af hoe zij mensen meent te kunnen terugsturen naar een land als Syrië, ook al plegen die mensen hier een vergrijp, wat absoluut onacceptabel is. Hoe zorgt de heer Fritsma ervoor dat deze mensen terugkeren naar Syrië?

De heer Fritsma (PVV):

De PVV is stellig: criminele asielzoekers mogen nooit een verblijfsvergunning krijgen. Dat is precies wat er nu gebeurt dankzij de fractie van de VVD. Criminele asielzoekers blijven hier en krijgen zelfs een verblijfsvergunning. U hebt het over grenzen opzoeken. Dan is het misschien wel even handig om uit te leggen waar de grenzen nu liggen. Alleen als asielzoekers een gevangenisstraf krijgen van meer dan zes maanden, wordt een verblijfsvergunning geweigerd. Dus als een asielzoeker vijfenhalve maand in de gevangenis heeft gezeten – en daar moet je in Nederland heel veel voor gedaan hebben – krijgt hij gewoon een verblijfsvergunning. Daar gaat de VVD mee akkoord.

De voorzitter:

En uw vraag is?

De heer Fritsma (PVV):

Dat kan de VVD toch echt niet goedvinden?

De heer Azmani (VVD):

De heer Fritsma probeert uiteraard het verschil tussen de VVD en de PVV aan te geven. Laat duidelijk zijn: ik wil ook dat elke criminele asielzoeker zo snel mogelijk dit land verlaat. Als mensen menen veiligheid te kunnen vragen en een beroep te kunnen doen op de gastvrijheid van de samenleving, dan kan het niet zo zijn dat ze de veiligheid van een ander in gevaar brengen. Ik wil dus ook het liefst dat zij zo snel mogelijk het land uit gaan. De heer Fritsma moet ook heel goed weten dat er grenzen zijn aan de mogelijkheid om vluchtelingen terug te sturen of verblijfsvergunningen te weigeren. Dat weet de heer Fritsma ook heel goed, gelet op zijn ervaring, ook de ervaring die hij heeft opgedaan voordat hij Kamerlid werd. De hele Kamer, inclusief de heer Fritsma, heeft gezegd: Staatssecretaris, zoek die grenzen op. De Staatssecretaris heeft die vervolgens ook daadwerkelijk opgezocht. Dan had de heer Fritsma eerder een punt moeten maken en moeten zeggen: ik zie mogelijkheden om mensen bij een veroordeling van bijvoorbeeld een maand gevangenisstraf het land uit te zetten. Ik zie die voorstellen van de PVV echter niet. Ik hoor alleen dat zij roepen dat criminele asielzoekers het land uitgezet moeten worden. Dan vraag ik aan de PVV: hoe dan?

De voorzitter:

Mijnheer Fritsma, u gaat voor uw tweede interruptie?

De heer Fritsma (PVV):

Ja. Die voorstellen zijn natuurlijk door de PVV-fractie gedaan. We hebben recentelijk nog een motie ingediend, waarin de regering wordt opgeroepen om er zorg voor te dragen dat ieder door een asielzoeker gepleegd misdrijf tot een afwijzing van de verblijfsaanvraag leidt. De VVD-fractie stemt gewoon tegen die motie. De VVD-fractie zegt dus: asielzoekers die een misdrijf hebben gepleegd, mogen gewoon blijven en krijgen een verblijfsvergunning. Dat is toch gekkenwerk? Dat is mijn vraag.

De heer Azmani (VVD):

De heer Fritsma weet dat wij het ook vreselijk vinden als iemand bijvoorbeeld een chocoladereep steelt. Dat zou absoluut niet mogen. Ik verschil op dat punt niet zo veel van mening met de heer Fritsma. Wat doet zo iemand hier? Maar het stelen van een chocoladereep in een winkel maakt nog niet dat je een Syriër die wordt beschouwd als vluchteling, kunt terugsturen naar Syrië. Dat weet de heer Fritsma ook heel goed. Hij kan wel een motie indienen die ertoe strekt dat elk misdrijf zou moeten leiden tot de mogelijkheid om iemand geen verblijfsvergunning te geven en uit te zetten, maar hij weet ook dat dat internationaalrechtelijk eigenlijk helemaal niet mogelijk is. Ik vraag de heer Fritsma om mij uit te leggen waar de ruimte zit om die juridische mogelijkheid wel te hebben. Dan hebben we misschien een mooi voorstel. Maar zolang het alleen maar bij loze woorden blijft, komen we niet verder. Ik zie die mogelijkheden in ieder geval niet.

De heer Fritsma (PVV):

Nee, dat is het probleem: de heer Azmani ziet de mogelijkheden niet. En als het op grond internationaalrechtelijke regels niet mogelijk is om criminelen een verblijfsrecht te weigeren, moet je die internationale regels natuurlijk veranderen. Alles is beter dan de situatie van dit moment, waarbij je asielzoekers die vijfenhalve maand in de gevangenis hebben gezeten, nog steeds op last van Brussel een verblijfsvergunning moet geven. Dat klopt: op last van Brussel. Maar dan moet je dus tegen Brussel ageren. Dat doet de heer Azmani helaas ook nooit. Maar alles is beter dan asielzoekers die vijfenhalve maand in de gevangenis hebben gezeten, daarna te trakteren op een verblijfsvergunning. Dat is gekkenwerk. Dat moet veranderen en dat kan ook veranderd worden. Dat is een kwestie van politieke wil die ik bij de VVD-fractie vaker hoop te zien.

De heer Azmani (VVD):

Ik hoorde niet echt een vraag. Het heeft niet alleen met Brusselse wetgeving te maken, het heeft met internationale wetgeving te maken. Dat weet de heer Fritsma ook wel. De heer Fritsma probeert hier het verschil tussen de VVD en de PVV bloot te leggen. Het verschil is dat de VVD met voorstellen komt die wel haalbaar zijn. We kunnen mensen niet uitzetten, omdat die grens niet wordt bereikt. Het gaat overigens niet alleen om onvoorwaardelijke straffen maar de Staatssecretaris heeft ook naar voorwaardelijke straffen gekeken. Hij heeft het daar dus wederom weer op aangepast en de grenzen daarin opgezocht. Los daarvan doet de VVD een concreet voorstel om dan maar het badwater zodanig koud te maken dat deze mensen zelf Nederland wel gaan verlaten. Dat voorstel hebben we gedaan en ik lees in de brief dat de Staatssecretaris daar druk mee bezig is. Ik heb daar ook vragen over gesteld. Daarmee geef je invulling aan wat wel mogelijk is. Ik denk het liefst aan wat wel mogelijk is in plaats van aan wat niet mogelijk is.

Mevrouw Keijzer (CDA):

Voorzitter. De asielopvang moet veilig en leefbaar zijn, maar de praktijk is helaas weerbarstiger, zo blijkt uit de cijfers over meldingen en incidenten op en rond COA-opvanglocaties die door de Staatssecretaris naar de Kamer zijn gestuurd. Het gaat om ruim 9.000 meldingen door het COA zelf en ruim 3.600 meldingen bij de politie over incidenten in de opvang. Deze cijfers liggen een stuk hoger dan in 2015. Wij hebben daarover nog een aantal vragen.

De Staatssecretaris schrijft dat de helft van de 3.600 meldingen bij de politie geen strafbare feiten betreft, omdat die bijvoorbeeld te maken hebben met noodhulp. Dan denk ik: hè, wat gek; als er nood is, bel je toch een ambulance? Dan bel je toch niet de politie? Wat is daar nu eigenlijk aan de hand? Dan houd je 1.600 meldingen over waarbij wel sprake is van strafbare feiten. Maar 800 daarvan leiden tot aangifte bij de politie en slechts 166 van die 800 meldingen komen terecht bij het Openbaar Ministerie. Wat is hier aan de hand? Ik heb eigenlijk wel behoefte aan uitleg over hoe dit nou gaat en welke zaken hierachter zitten.

De Staatssecretaris heeft op aandringen van het CDA gezorgd voor een aanscherping bij het aantrekken van verblijfsvergunningen. Dat is terecht, want vluchtelingen die hier komen voor bescherming en die vervolgens de wet grof overtreden, verspelen daarmee hun recht op een verblijfsvergunning. Het is echter de vraag of een verdere aanscherping nodig is. De Staatssecretaris geeft namelijk aan dat geen van de bovengenoemde gevolgen ingezet door het OM heeft geleid tot een gevangenisstraf van langer dan zes maanden. En dit terwijl, als je zo de pers volgt, er af en toe toch wel incidenten bij zitten die ernstig zijn. Hoe kijkt de Staatssecretaris daar zelf tegenaan? Hij schrijft immers dat het gaat over geweld, mishandeling en openlijke geweldpleging. Kan hij in zijn volgende rapportage ook ingaan op de resultaten van het onderzoek naar de mogelijkheid om bij voorwaardelijk opgelegde straffen over te gaan tot het intrekken van vergunningen, waar onder andere het CDA voor heeft gepleit?

Van februari tot eind juni 2016 zijn er zestien vergunningen van toegelaten asielzoekers ingetrokken en/of geweigerd. Ik ben wel benieuwd wat de gronden daarvoor zijn. Op grond waarvan zijn die vergunningen ingetrokken dan wel geweigerd? Ik hoor daarop graag een toelichting.

Ik was twee weken geleden in Bellingwolde in Oost-Groningen. De avond daarvoor was er in Wedde een gigantische toestand in een vluchtelingenkamp.

De voorzitter:

Mevrouw Gesthuizen wil een vraag stellen.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik vraag mij af wat mevrouw Keijzer eigenlijk wil zeggen met dat getamboereer op die criminaliteitscijfers. Wat is het doel? Wat wil zij daarmee nou zeggen over vreemdelingen?

Mevrouw Keijzer (CDA):

Ik wil daarmee zeggen dat als mensen hiernaartoe komen die vluchten voor oorlog en geweld, zij zich moeten gedragen. Dat verwachten wij van iedereen die in Nederland verblijft. Als iemand dat niet doet, dan moeten daar consequenties aan worden verbonden. Wij verbinden daar consequenties aan voor Nederlanders en wij moeten dat ook doen voor mensen die hier komen, die zijn gevlucht voor oorlog en geweld. Dat wil ik daarmee zeggen.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Dat snap ik, maar ik vind dat de toon van mevrouw Keijzer iets heel anders suggereert. Zij loopt hier gewoon te tamboereren op die cijfers. Daar doet ze de PVV best knap mee na. Is het nu de bedoeling om hier op de onderbuik in te spelen en de schijn op te houden dat we ons ernstig zorgen moeten maken over het percentage asielzoekers dat crimineel is? Of wil zij daadwerkelijk iets doen aan het geanalyseerde probleem dat er te veel mensen in omstandigheden zitten waarin er spanningen et cetera ontstaan? Is er in vergelijking met andere situaties waarin natuurlijk ook sprake is van crimineel gedrag, ook onder mensen die al wel Nederlander zijn, eigenlijk niet zo heel veel schrikbarends aan de hand? We hebben helaas te maken met mensen die allemaal, onder welke omstandigheden dan ook, crimineel gedrag kunnen vertonen.

Mevrouw Keijzer (CDA):

Ik tamboereer op het feit dat wij in Nederland waarden en wetten hebben, waar we ons allemaal aan hebben te houden. Dat is waar wij in het algemeen op tamboereren, maar dat geldt uiteraard ook voor mensen die hier komen en onderdeel willen zijn van de Nederlandse samenleving. Ook zij hebben zich te houden aan waarden en wetten. Het kan de fractie van de SP niet verbazen dat wij hierop in het algemeen tamboereren en ik in het bijzonder in dit dossier. Het verbaast mij dat je het van de SP daar blijkbaar niet over mag hebben. Dan gaat er iets ernstig mis. Wij hebben in Nederland te maken met discussies over draagvlak voor asielzoekers, voor mensen die hiernaartoe komen. Wij vinden het heel belangrijk dat dat draagvlak blijft, maar dan moeten we ook laten zien dat we van mensen die hierheen komen, verwachten dat zij zich houden aan Nederlandse waarden en wetten.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Voorzitter, ik word persoonlijk aangesproken. Mevrouw Keijzer weet volgens mij heel goed dat ze echt onzin verkondigt.

Mevrouw Keijzer (CDA):

Dat weet ik dus niet, want volgens mij volg ik hiermee een bestendige gedragslijn van het CDA in alle debatten en alle onderwerpen die er spelen, ook als het over vluchtelingen gaat. Ik vind het eigenlijk een beetje raar wat hier door de SP wordt verwoord. Maar goed, dat is dan maar aan mevrouw Gesthuizen.

De voorzitter:

We hebben de persoonlijke noten genoteerd.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik bespeur bij het CDA weer dezelfde teleurstelling over de houding van de Staatssecretaris ten opzichte van de incidenten die het CDA nu heeft geregistreerd. Ik hoor een beroep op de Staatssecretaris om strenger op te treden of misschien meer mensen uit te wijzen. Als het CDA dat vindt, moet het CDA het beleid willen aanpassen. Nu is het zo dat bij een onvoorwaardelijke straf van zes maanden mensen uitgewezen zouden kunnen worden. Dat is een aanscherping van het beleid – volgens mij was het zelfs achttien maanden – waarop de Kamer heeft aangedrongen. De Staatssecretaris heeft daar adequaat op gereageerd. Wil het CDA die norm verder verlagen? Wil het CDA dat mensen die een kleinere overtreding begaan, meteen worden uitgezet? Wat wil het CDA nu met deze kritiek?

Mevrouw Keijzer (CDA):

Gelet op de manier waarop in Nederlandse rechtbanken met de strafmaat wordt omgegaan, heeft het CDA ervoor gepleit dat ook voorwaardelijke gevangenisstraffen kunnen leiden tot intrekking van een vergunning. De Staatssecretaris heeft dat omgezet in beleid, waarvoor dank. Vervolgens komt het er wel op aan dat je dat beleid ook uitvoert. Er zijn 3.600 incidenten waaraan de politie te pas komt. Wat mij al verbaast, is dat volgens de Staatssecretaris van de 1.600 strafbare feiten er 800 tot aangifte bij de politie leiden en 166 uiteindelijk bij het Openbaar Ministerie terechtkomen. Dat is 10%. Dat vind ik een raar, laag percentage. Dan kan het u niet verbazen dat een partij die vindt dat wij in Nederland naast rechten ook plichten hebben en dat je je hebt te houden aan de in Nederland geldende waarden en wetten, vindt dat dit ook geldt voor vluchtelingen. Dat is mijn pleidooi.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Als er criminele daden of overtredingen zijn begaan, volgen daar straffen op; daar hebben we een rechtsstaat en rechters voor. In 43% van de gevallen heeft de rechter een straf opgelegd; dat lees ik hier in dezelfde cijfers. Maar nogmaals: als het CDA een strenger beleid wil, moet het met beleidsvoorstellen komen voor de Staatssecretaris. Die beleidsvoorstellen zijn aangescherpt tot zes maanden, daar heeft bijna de gehele Kamer mee ingestemd, ook de ChristenUnie, maar wil het CDA nu nog een verdere aanscherping, naar drie of twee maanden? Of wil het CDA dat iemand die door een rood stoplicht loopt, wordt uitgezet? Wat wil het CDA nu concreet?

Mevrouw Keijzer (CDA):

Als lid van de Tweede Kamer ben je naast medewetgever ook controleur van de regering. Wij hebben gepleit voor aanscherping van het beleid en dat is gebeurd. Nu controleren wij of de regering dat aangescherpte beleid vervolgens ook uitvoert. Dan kan de fractie van de ChristenUnie niet anders dan met mij uit de cijfers concluderen dat van de 3.600 gevallen waar de politie bij komt, er 166 terechtkomen bij het Openbaar Ministerie. Ik vind dat aantal buitengewoon laag en ik wil gewoon van de Staatssecretaris weten wat daarachter zit. Het verbaast mij dat een partij als de ChristenUnie, die toch heel vaak ook tamboereert op waarden en wetten, niet wil weten wat hier aan de hand is. Wij willen dat wel weten.

De voorzitter:

Mevrouw Keijzer, u vervolgt uw betoog.

Mevrouw Keijzer (CDA):

Ik had al gemeld dat ik hoorde van een groot incident in Oost-Groningen. Ik had vernomen dat daar veel Marokkanen in de opvang zitten, mensen die op geen enkele manier een kans maken op secundaire bescherming. Ik wil weleens weten hoeveel mensen uit zogenaamde veilige landen nu in de azc's zitten en hoelang de doorlooptijd is van de procedures.

Je hoort heel vaak van regeringszijde dat de Turkijedeal geleid heeft tot lagere instroom. Recentelijk is door de Vrije Universiteit een analyse gemaakt waaruit blijkt dat de vluchtelingenstroom al in oktober vorig jaar daalde en dat er al op het moment van de Turkijedeal – in maart 2016 – een veel lagere instroom was. Graag krijg ik daarop een reactie van de Staatssecretaris.

Dan de woningnood in het algemeen. In het gebied waar ik woon, is in de gemeente Purmerend de wachttijd voor een starterswoning negen jaar. Het is dus een algemeen probleem, maar dat geldt natuurlijk ook voor mensen die in azc's zitten. Ik zou graag van de Staatssecretaris willen weten of hij de komende maanden, zoals ook eerder besproken is in debatten met de Kamer, extra gaat inzetten op creatieve en misschien wel onconventionele maatregelen om de uitstroom uit de opvanglocatie te bevorderen. Of laat hij dit over aan gemeenten? Hoe zit het in dat kader met de resultaten die inmiddels mogen worden verwacht van – met hoofdletter – het Platform? Dat is het samenwerkingsverband van het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO), het Centraal Orgaan opvang asielzoekers en Aedes. Het zou tot juli 2017 werkzaam zijn, zo schrijft de Staatssecretaris. Is dat niet wat optimistisch ingeschat en is het niet nodig om deze kennis en kunde voor een langere periode te bundelen?

De voorzitter:

De heer Sjoerdsma gebruikt zijn tweede interruptie.

De heer Sjoerdsma (D66):

Mevrouw Keijzer beklaagt zich erover dat nog heel veel statushouders op zoek zijn naar een woning en zij vindt dat er onconventionele maatregelen moeten worden gezocht om de doorstroom van die 15.000 statushouders te verbeteren. Je zou zeggen dat een voorrangsstatus voor statushouders zou kunnen helpen, want dan kunnen gemeenten deze mensen sneller plaatsen. Maar wat blijkt? Mevrouw Keijzer en haar partij hebben ervoor gestemd om die voorrangsstatus af te schaffen. Dat is dus wel een beetje vreemd. Enerzijds zegt mevrouw Keijzer: ik wil dat die mensen zo snel mogelijk een huis krijgen. Anderzijds zegt de partij van mevrouw Keijzer: wij maken dat zo moeilijk mogelijk. Hoe is dat met elkaar te rijmen?

Mevrouw Keijzer (CDA):

Heel simpel. Ik heb zojuist gezegd dat de gemiddelde wachttijd voor starters in de omgeving van Purmerend, waar ik vandaan kom, al negen jaar is. Ik probeer in mijn benadering van dit vraagstuk ook altijd stil te staan bij de consequenties van beleid voor andere mensen die op de wachtlijst staan. Je denkt misschien de oplossing te hebben bedacht door al die mensen met voorrang een sociale huurwoning te geven in de huidige woningmarkt, maar volgens mij is dat fnuikend voor Nederlanders die op de wachtlijst staan. Wat mij altijd verbaast, is dat dit bij partijen als D66 blijkbaar op geen enkele manier doordringt. Ik zit daar anders in.

De heer Sjoerdsma (D66):

Hier zien we dat de linkerhand van het CDA niet weet wat de rechterhand van het CDA doet. Dat is wel een beetje pijnlijk. Als mevrouw Keijzer de cijfers zou kennen, zou zij weten dat niet alleen vluchtelingen in Nederland een voorrangsstatus hebben, maar ook talloze andere groepen. Vluchtelingen maken per gemeente 10% à 15% uit van de mensen die voorrang krijgen. Het is dus niet zo dat vluchtelingen Nederlanders van die wachtlijsten afduwen. Die lijsten zijn van nature al behoorlijk lang, want op de woningmarkt is er een groot probleem. Wat is nu de oplossing van het CDA voor dit woonprobleem? Daar zou mevrouw Keijzer eens op moeten reflecteren in plaats van met een jij-bak te komen; dat sierde ook haar vorige antwoorden op interrupties bepaald niet, want dat waren eigenlijk ook alleen maar jij-bakken in de richting van andere partijen. Mevrouw Keijzer is tegen één oplossing, maar heeft zij ook een andere oplossing?

Mevrouw Keijzer (CDA):

Jazeker. Het CDA heeft er eerder voor gepleit – en heeft daarvoor een motie ingediend die door de Kamer is aangenomen – om in woningen die beschikbaar gesteld worden, meerdere mensen te huisvesten. Dat is een van die oplossingen. Wij hebben er eerder bij de Staatssecretaris voor gepleit om de subsidieregelingen die in het leven geroepen zijn, anders in te richten. Ik weet dat er in heel veel gemeenten niet al te blij gekeken wordt naar hoe Minister Blok omgaat met de mogelijkheden om te investeren in het realiseren van huurwoningen. Mijn collega Ronnes pleit daar in de debatten telkens weer voor.

Anders dan de fractie van D66 zie ik niet in waarom je voorrang zou geven aan al die mensen die nu in de opvang zitten. Volgens mij is dat uiteindelijk fnuikend voor het draagvlak voor opvang van vluchtelingen in Nederland. Ik probeer dit vraagstuk op die manier te bekijken. Hoe organiseren en houden we draagvlak voor dit onderwerp? Wij vinden dat je niet zonder meer voorrang moet geven aan asielzoekers, maar daar op gemeentelijk niveau over moet nadenken. Daar worden de afwegingen gemaakt. In de ene gemeente wordt bijvoorbeeld voorrang gegeven aan mensen die uit een echtscheidingssituatie komen, in andere gemeenten weer niet. Op gemeentelijk niveau moeten dus de afwegingen worden gemaakt en niet vanuit Den Haag. Ik spreek mensen van 26 of 27 jaar die op de wachtlijst staan. Ik heb soms het idee dat er te veel gedacht wordt dat iemand zijn wooncarrière begint in een studentenkamer, maar voor 60% van de Nederlanders geldt dat niet. Voor hen voel ik mij ook verantwoordelijk.

De voorzitter:

Ik heb niet gelet op de senioriteit, maar ik heb mevrouw Voortman gevraagd om mij even te vervangen, omdat ik voorzitter ben maar ook deelneem aan dit debat.

Voorzitter: Voortman

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Voorzitter. Ik begin met wat ik eigenlijk aan het einde van mijn betoog had willen zeggen, maar omdat ik toch even wil reageren op mevrouw Keijzer, zeg ik het nu. Het is onze rol om te controleren, maar het is ook onze rol om datgene wat feitelijk juist is, naar voren te brengen. Om maar één punt te noemen: met betrekking tot de voorwaardelijke strafmaat wijs ik mevrouw Keijzer graag op een brief van 25 mei jl., waarin wordt uitgelegd dat ook taakstraffen en voorwaardelijke straffen onderdeel zijn van het wel of niet beoordelen van de asielprocedure en de intrekking daarvan.

Mevrouw Keijzer (CDA):

Een punt van orde.

De voorzitter:

Mevrouw Keijzer wil een punt van orde maken. Ik geef haar het woord.

Mevrouw Keijzer (CDA):

Dat is precies wat ik gezegd heb. Ik begrijp deze opmerking van mevrouw Kuiken dus niet.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Ik licht mijn opmerking graag toe. U vraagt de Staatssecretaris waarom dit geen onderdeel van de beoordeling uitmaakt en ik verwijs naar een brief van 25 mei jl. Hetzelfde geldt voor de melding bij de politie. Als de ambulance gebeld wordt, gaat de politie vaak automatisch mee. We moeten de incidenten niet bagatelliseren, maar we moeten ook niet overdrijven. Het is heel lastig om de juiste context te schetsen bij dit soort cijfers en ik kan geen appels met peren vergelijken. Ik kan niet zeggen: het is heel erg. Maar ik kan ook niet zeggen: het valt mee. Daarom is het ook zo goed dat we een feitelijk inzicht krijgen in de incidenten die in Nederland plaatsvinden. Daarbij luister ik ook naar de mensen die wonen in het gebied rondom een azc, met name rondom azc's met veel omwonenden, duizenden. Ik vraag hun: wat is jullie ervaring, wat gaat er goed en wat gaat er niet goed? Daar wil ik straks nog even op ingaan.

De voorzitter:

Dan kan mevrouw Keijzer nu haar eerste interruptie plaatsen.

Mevrouw Keijzer (CDA):

Ik kan heel kort zijn. Als ik mij vergis of als ik een fout maak, ben ik de eerste om dat toe te geven, maar ik begrijp niet wat mevrouw Kuiken nu zegt. Ik heb immers juist gezegd dat, na een pleidooi van het CDA, de Staatssecretaris ook voorwaardelijke straffen meeneemt in de afweging om een verblijfsvergunning te weigeren. Sterker nog: ik heb daar achteraan nog gezegd: waarvoor dank. Misschien is het dus goed om toch te luisteren.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Ik wijs op het tweede punt, dat betrekking heeft op de politie en de ambulance, maar mijn pleidooi is ook wat breder. Het is ook onze taak en rol als volksvertegenwoordiger om feitelijk te blijven en je af te vragen wat er nu precies aan de hand is. Dat doen we niet alleen op basis van objectieve informatie, maar ook op basis van de verhalen en geluiden die we horen van mensen die in de directe nabijheid van de azc's wonen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om een eigenaar van een supermarkt en om mensen die om een azc heen wonen. Ook uit die verhalen krijg ik het idee dat in Nederland niet massaal van alles misgaat, maar dat mensen over het algemeen tevreden zijn over de opvanglocaties en het overleg dat regelmatig plaatsvindt met burgemeesters en de COA-locaties zelf.

Maar er is één zorgpunt, waarover ik een vraag wil stellen aan de Staatssecretaris. Er is een groep van kansloze asielzoekers, vaak van Noord-Afrikaanse afkomst. Bij overlast van deze groep is het lastig om effectieve maatregelen te nemen, omdat zij niet altijd direct uitzetbaar zijn, maar ook omdat de justitieketen niet altijd de juiste handvatten biedt om daar op een objectieve manier mee om te gaan. Ik wil graag van de Staatssecretaris weten hoe hij dit ziet. Welke belemmeringen ziet hij en welke mogelijkheden hebben we om deze kleine, maar veel overlast gevende groep, die daarmee alle asielzoekers en vluchtelingen in een slecht daglicht stelt, een halt toe te roepen?

Ik heb een tweede vraag over het aantal incidenten. Ik las in de rapportage dat een kleine 59.000 mensen zich niet houden aan de meldplicht die voor hen geldt of dat daarbij fouten worden gemaakt. Dat lijkt mij een heel groot aantal en ik wil graag van de Staatssecretaris weten hoe dat komt. Is er een verschil in communicatie, is die niet helder en wat kan eraan gedaan worden om het aantal gevallen waarin niet goed wordt gemeld, omlaag te brengen? Ik wil voorkomen dat dit in een later traject in de asielprocedure een rol gaat spelen.

Ik ga door met het eerste onderwerp, de Ranov-vergunninghouders. Er hebben 750 mensen een afwijzing gekregen. Ik wil graag meer inzicht in deze cijfers. Waarop zijn die afwijzingen gebaseerd? Wat zit daarachter? Ik heb ook een vraag over het aantal buitenschuldverzoeken: neemt dat aantal toe of blijft het gelijk? En hoe zit het met de toekenningen?

Ik heb een vraag over hoe de individuele hulp eruitziet bij een naturalisatieverzoek. Die vraag is ook door mevrouw Gesthuizen gesteld. Dat er algemene hulp is, is bekend, maar ik wil het met name ook op individueel niveau mogelijk maken. Aanvullend zou ik ervoor willen pleiten dat al in een vroeg stadium, bij de toekenning van een tijdelijke verblijfsvergunning, mensen informatie krijgen over wat er straks nodig is voor de inwilliging van een naturalisatieverzoek. Dat geldt natuurlijk niet meer voor de Ranov-vergunninghouders, maar wel voor mensen voor wie het einde van de periode van hun vijf jaar in zicht komt.

Tot slot zou ik willen vragen welke mogelijkheden er zijn om een DNA-test mee te laten wegen voor de vaststelling van de identiteit en die een rol te laten spelen bij het verkrijgen van een verblijfsvergunning. Daarop krijg ik graag een reactie van de Staatssecretaris.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Mevrouw Kuiken vraagt hoe het ervoor staat. Er zijn 750 afwijzingen, maar we zien ook nog steeds een gat tussen de generaal-pardonners en de mensen die een aanvraag hebben ingediend. Dat gat is misschien nog wel 10.000. Daar heeft mevrouw Kuiken eerder aandacht voor gevraagd en informatie over opgevraagd. Nu zien we dat de hoogte van leges – € 800 of € 900 per aanvraag – een belemmering is of kan zijn voor mensen. Vindt de Partij van de Arbeid het misschien een goed idee om te kijken of je naar een soort lening toe zou moeten om het voor die mensen wel mogelijk te maken om die aanvraag te doen, zonder dat ze in financiële problemen komen?

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Ik heb daar enige aarzeling bij, maar laat de Staatssecretaris daar vooral eerst antwoord op geven. Ik wil voorkomen dat we mensen een lening aanbieden zonder dat we zeker weten dat dat tot garantie leidt. Ik weet niet of dat helpt. Mijn ervaring is dat leges een struikelblok zijn maar dat er vaak via Vluchtelingenwerk of andere instanties ook nog wel hulp geboden kan worden. Het probleem zit met name in het verkrijgen van documentatie, andere belemmeringen of onwetendheid. Daarom pleit ik ook voor die individuele hulp. Aanvullend is het wel belangrijk dat we zicht blijven houden op de trendmatigheid van het aantal aangevraagde vergunningen en de toekenning daarvan, want ik verwacht wel dat dat nog steeds met sprongen blijft toenemen, zoals de Staatssecretaris heeft toegezegd.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Er zijn nu 13.000 aanvragen en inmiddels zijn er 11.000 goedgekeurd, mede door die versoepeling, alleen zitten we nog tegen een gat aan te kijken. Daar heeft de Partij van de Arbeid eerder ook een aantal kritische vragen over gesteld. Er is nog een gat van ongeveer 10.000 mensen, die wel willen naturaliseren maar het nog steeds niet doen. Er zijn dus dilemma's en barrières. Vindt de Partij van de Arbeid nog steeds dat dat inzichtelijk moet worden en dat de overheid moet kijken waar we die belemmeringen weg kunnen halen, zodat die mensen volwaardige Nederlandse burgers kunnen worden?

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Zeker.

Mijn laatste punt betreft de huisvesting. Ik snap dat de Staatssecretaris goed overleg heeft met de verschillende gemeenten om de regietafels overeind te houden en dat er goede afspraken worden gemaakt over het behoud van een soort flexibele schil, voor als de instroom weer toeneemt. Dat is gewoon een kwestie van monitoren en afwachten. Ik wil daarbij speciale aandacht vragen voor het doorgaan met de bouw van meer woningen. Dit zal ook moeten terugkomen in de begroting van het Ministerie van Wonen en Rijksdienst, niet alleen voor statushouders maar voor heel veel mensen op een wachtlijst. De Staatssecretaris kan dit niet alleen af. Als we daarin een serieuze slag willen slaan, zal hij echt Minister Blok moeten aanspreken om samen met gemeenten stappen te blijven zetten voor de bouw van meer woningen en om de creatieve oplossingen die er al zijn, verder uit te breiden.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik vraag mij af hoe de fractie van de Partij van de Arbeid tegen de inspanningen aankijkt die Nederland levert op het punt van de hervestigingen. De hervestigingen zijn vandaag in het kader van de 160.000 al meerdere keren aan de orde geweest. Hoe vindt de fractie van de Partij van de Arbeid dat het gaat? Moet er een tandje bij? Moet Nederland al trots zijn, zoals meneer Azmani hier zegt, en is Nederland al koploper in de ogen van de Partij van de Arbeid? Of valt er nog een wereld te winnen en moeten we snel aan de slag, nu Griekenland mogelijk toch heel veel mensen heeft geregistreerd, die dus klaar zijn om door andere landen te worden opgenomen?

Mevrouw Kuiken (PvdA):

In algemene zin vind ik dat heel Europa een probleem heeft. We hangen nu een beetje achterover omdat de eerste crisis voorbij lijkt te gaan, terwijl we juist een stap vooruit moeten zetten in de verdere samenwerking en harmonisatie van het asielsysteem. We hebben ook nog steeds geen antwoord gevonden voor het probleem dat er lidstaten zijn die überhaupt weigeren om mensen op te nemen. Wij kunnen veel doen, maar niet alles alleen. Ik ben buitengewoon ongelukkig en chagrijnig over hoe het in de rest van Europa nu loopt. Daarmee zullen we nog wel een poos te maken hebben.

Ligt Nederland op schema? Ik denk dat we wat achterlopen op het schema en dat dit niet zozeer alleen Nederland te verwijten valt. Dat is met name het gevolg van de stroperigheid van asielprocedures en de opvang die er in Nederland is geweest. Maar tegelijkertijd vind ik ook dat als er een tandje bij kan, dat dan ook moet gebeuren. Nederland heeft zich gecommitteerd aan afspraken over het aantal mensen dat het zou opvangen voor hervestiging. Daar heeft men nog wel even de tijd voor gekregen, maar uiteindelijk is dat natuurlijk de afspraak die Nederland moet nakomen. Mag Nederlands trots zijn? Dat vind ik een te groot woord, maar we kunnen ook niet zeggen dat Nederland achteraan bungelt, want het is wel degelijk een van de koplopers, als ik dat vergelijk met andere landen in Europa. We hebben duidelijke afspraken gemaakt, ook met het kabinet. Daar hebben we het kabinet aan te houden.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Zeker, als je Nederland vergelijkt met een land als Hongarije, doen wij het natuurlijk heel aardig. Maar de vraag aan de fractie van de Partij van de Arbeid is of wij ons afhankelijk moeten maken van wat andere landen doen of dat we gewoon moeten zeggen: nee, wij hebben die belofte gedaan; er moeten bijna 4.000 mensen naar Nederland kunnen komen; dat gaan we dan ook doen en we blijven niet de hele tijd om ons heen kijken. Ik roep de oproep in herinnering die de fractieleider van de Partij van de Arbeid deed aan mijn fractievoorzitter bij de Algemene Beschouwingen, twee weken geleden. Hij zei: joh, bel even met de voorman van de Griekse regering; vraag of ze daar een beetje haast maken, want wij willen die mensen graag naar Nederland halen. Dat blijkt niet meer nodig, want er zijn voldoende geregistreerde mensen. Was die oproep om even met Tsipras te bellen, dan een beetje flauw, voor de bühne? Of is het inderdaad zo dat als die mensen klaar staan in Griekenland, ze dan ook mogen komen?

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Even heel precies. We hebben ons gecommitteerd aan 5.947 mensen en we mogen niet tevreden zijn met een persoon minder. En hoe sneller dat kan, hoe beter. Het is flauw om te zeggen dat ik ons zou vergelijken met Hongarije, maar het is ook flauw om te zeggen dat we achterover leunen en helemaal niets doen. Alle lidstaten dienen hun verantwoordelijkheid te nemen en wij moeten het kabinet blijven aansporen om het aantal mensen waartoe wij ons gecommitteerd hebben, daadwerkelijk op te vangen, hoe sneller, hoe beter. Ik wil de Staatssecretaris vragen hoeveel mensen er daadwerkelijk klaar staan, want ik heb de Griekse Minister een aantal getallen horen noemen die ik niet bevestigd heb gekregen vanuit de Europese Commissie. Het lijkt mij dus goed dat de Staatssecretaris daar meer helderheid over verschaft, want we hebben hetzelfde doel: zo snel mogelijk zo veel mogelijk mensen naar Nederland halen.

Voorzitter: Kuiken

De vergadering wordt van 11.22 uur tot 11.36 uur geschorst.

Staatssecretaris Dijkhoff:

Voorzitter. Ik wil beginnen met de vragen over de relocatie in het algemeen, ten opzichte van Griekenland. Er is vaak gezegd dat we ons aan onze afspraken moeten houden. Daar ben ik het helemaal mee eens. Maar als ik dan hoor hoe de afspraken hier worden weergegeven, ben ik het daar niet mee eens. In het voorjaar van 2015 hebben we afgesproken dat de lidstaten bij een overmatig hoge instroom in landen bereid zijn mensen over te nemen. Daarvoor zijn een verdeelsleutel en een maximum afgesproken. Die afspraken gelden voor de komende twee jaar. Ten eerste heeft het driekwart jaar geduurd voordat er hotspots waren en we überhaupt aan relocatie konden doen. In de tussentijd zijn er heel veel mensen informeel gereloceerd, oftewel doorgelopen. Destijds was gerekend met 64.000 mensen in Griekenland die voor herplaatsing in aanmerking kwamen. Vandaaruit kom je op de genoemde aantallen. Voor Nederland zou het dan gaan om 3.900 mensen gaan. De Commissie zegt nu dat er geen 64.000 herplaatsingskandidaten in Griekenland zijn, maar 30.000. Dan moet je dus niet die 64.000 als uitgangspunt gaan nemen. Als ik uitga van de werkelijke aantallen, liggen wij op schema: iets minder dan de helft van de oorspronkelijke berekeningen. Nederland ligt op koers. Dan deel ik de frustratie over andere landen die niet op koers liggen. Het lijkt mij niet verstandig, dat gat te vullen. We moeten doorgaan op twee trajecten: blijven voldoen aan de gemaakte afspraken en erop blijven hameren dat andere landen dat ook doen. Verder moet Griekenland worden gesteund in het verbeteren van de omstandigheden daar. Want relocatie mag niet inhouden dat je in barre omstandigheden in Griekenland zit voordat je door kunt gaan. Je hoort daar in goede opvang te zitten. Daar zit nu heel veel Europees geld in. Daar zijn heel veel Nederlanders mee bezig. We nemen die verantwoordelijkheid op ons. In algemene zin is dat de route die Nederland wil volgen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Ik neem aan dat dit onderwerp hiermee is afgerond. Ik zie de Staatssecretaris bevestigend knikken. Ik baseer mij op de bijeenkomsten van de Europese Raad van juli 2015 en september 2015. Daar zijn aantallen van 40.000 respectievelijk 120.000 genoemd. De Staatssecretaris noemt een aantal van 30.000. Dat komt mede doordat Griekenland niet meer mensen mag aannemen om te registreren, wat te maken heeft met de afspraken die vanuit Europa zijn gemaakt in het kader van het leningenprogramma. Volgens mij kan Nederland dus wel degelijk meer doen. De geregistreerden zijn er, dus die kunnen we opnemen. Waarom doen we dat niet? Waarom laten we die mensen zitten in die tentjes?

Staatssecretaris Dijkhoff:

We laten mensen in Griekenland niet in tentjes zitten. We zijn druk bezig, Griekenland te helpen daarvoor fatsoenlijke opvang te regelen. Maar die absolute aantallen zijn de maxima. Als alle aantallen worden opgeteld en je neemt daarvan een percentage, dan kom je op die hoge aantallen uit. Gelukkig hebben we ook ingezet op verlaging van de instroom naar heel Europa, waardoor het probleem voor landen als Griekenland en Italië wordt verkleind, aangezien er dan minder te reloceren is. In Griekenland zitten grofweg twee categorieën: mensen van voor de Turkijedeal die in aanmerking kunnen komen voor relocatie en mensen van na die deal, die onder andere afspraken vallen. De eerste groep bestaat uit minder mensen van 64.000. Dat heb ik net aangegeven.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Laten we ons beperken tot Griekenland. 64.400 vluchtelingen moeten vanuit dat land worden herplaatst. Er zitten nu 28.000 vluchtelingen die gepreregistreerd zijn, waarvan meer dan de helft Syriërs, en ongeveer 12.500 vluchtelingen zijn volledig geregistreerd. De mensen zijn er dus. Wij zijn bezig met het afbouwen van onze asielcapaciteit. Waarom zeggen we dan niet: we gaan die mensen hier vestigen? Laten we nou in plaats van 100 mensen 200 mensen uitnodigen. Wat is daarop tegen?

Staatssecretaris Dijkhoff:

Als je dat nu doet, moet je ook weer eerder stoppen en haal je de prikkel weg voor andere landen. Er moeten geen 64.000 vluchtelingen uit Griekenland herplaatst worden. Dat is het maximum onder de afspraken. Toen we die maakten, had dat gekund. Als toen meteen alles had gewerkt zoals afgesproken, was er meteen niemand meer uit Griekenland gekomen, want dan hadden we meteen hotspots gehad. Dan hadden ze alsnog heel veel mensen zelf moeten opvangen, want toen waren er veel meer. Maar eerst zijn er veel mensen Griekenland uitgegaan, en toen de doorloop via Macedonië geëindigd was en de registratie op orde was, waren er geen 64.000 mensen meer die onder die afspraak zouden vallen. We houden ons aan de afspraken, maar de absolute aantallen die het maximum zouden zijn van die set afspraken, zijn niet leidend. Leidend is het aantal mensen dat in aanmerking komt voor relocatie onder de afspraken, met de daaruit afgeleide percentages.

We hebben een vast ritme van 100 minderjarigen per maand. Dat werkt voor ons en voor de Grieken. Iedereen weet waar men aan toe is; die aantallen werken goed. In de komende maanden zullen we op dit punt samen met andere landen extra inspanningen verrichten. Als daarvoor flexibiliteit nodig is, zullen we die betrachten. Mevrouw Voortman vroeg om de toezegging dat, als die andere landen het niet doen, Nederland het wel doet. Ik vind dat geen goede manier om het gesprek met andere landen aan te gaan. Ik wil ervoor zorgen dat minderjarigen zo snel mogelijk herplaatst worden. Daarbij heb ik het niet alleen voor het zeggen: ook andere landen moeten hun verantwoordelijkheid nemen. We zijn ook afhankelijk van de procesafspraken met en over Griekenland. Bij een aantal lidstaten heb ik al de bereidheid geproefd om ook aan dit project mee te doen. De minderjarigen moeten dan wel in Griekenland in de procedure instromen, om dan het relocatieproces in te gaan. Gelukkig hebben nu ook de Grieken prioriteit gegeven aan de alleenstaande minderjarigen. Dan zijn er nog de speciale verzoeken van lidstaten rond de prioritering en het toewijzen van herplaatsers. Griekenland als soevereine staat moet beoordelen of het daarmee akkoord gaat. De heer Sjoerdsma proefde welwillendheid. Maar er zijn zaken die ik niet in de hand heb, waardoor ik moeilijk garanties kan geven, behalve de inspanningsgarantie. Daarom spreek ik over substantiële aantallen. We moeten ook bekijken hoeveel mensen in aanmerking komen. Daarom heb ik het verbreed tot minderjarigen in gezinsverband.

Er zijn termijnen. Die 140 liggen klaar, dus daarmee kunnen we aan de slag. Dan heb je officieel nog twee maanden om de nodige waarborgen te doorlopen. Dat heeft te maken met screening, reisvoorbereiding et cetera. Verder zijn er waarborgen speciaal voor minderjarigen: er moet vastgesteld worden of de overdracht in het belang van het kind is. Als het gaat om een overdracht van Griekenland naar Nederland, zal dat belang er wel zijn, maar dat moet wel officieel worden vastgesteld. Woonruimte en begeleiding moeten klaarstaan. Als je nog niet toegewezen bent – dat betreft de groep van 390 – dan moet je eerst de Griekse procedure nog doorlopen. Onze planning, die van ons en Griekenland, is dat die medio oktober is doorlopen en dat daarna de toewijzing aan de lidstaten kan plaatsvinden. We zijn er dus full swing mee bezig, maar dit is wel zoals het werkt.

De heer Sjoerdsma (D66):

Ik dank de Staatssecretaris voor deze verduidelijking. 140 zijn er nu klaar en 390 zouden medio oktober gereed zijn voor relocatie. Betreft dat alleen de alleenstaande minderjarige vreemdelingen? Of gaat het ook over de categorie die de Staatssecretaris op eigen initiatief heeft toegevoegd? Ik moedig het overigens aan dat hij die categorie noemt: de minderjarige vluchtelingen die nog wél familie hebben. Over welke aantallen gaat het bij deze laatste categorie? Mijn volgende vraag hoort hierbij. Het verzoek destijds was: niet alleen Griekenland. In het interruptiedebatje met mevrouw Voortman ging het ook alleen over Griekenland, maar er zijn ook relocatiedoelstellingen met betrekking tot Italië. Ik ben zeer benieuwd of de Staatssecretaris op dat punt ook vorderingen heeft weten te maken.

Staatssecretaris Dijkhoff:

De aantallen die ik net noemde, die 390 en 140, betreffen amv's (alleenstaande minderjarige vreemdelingen). Voor het overige heb ik niet concreet hoeveel minderjarigen in gezinsverband er zijn. We hebben wel bij de Grieken neergelegd dat wat ons betreft aan die groep voorrang moet worden gegeven. Ik kan dat niet afdwingen, maar ik heb ook niet het idee dat ze daar niet aan mee willen werken. Zo werkt het. Italië en amv's, dat ligt wat ingewikkelder, gelet op de nationale wetgeving betreffende amv's. Daardoor loopt relocatie van deze groep vanuit Italië stroperiger. We zijn daar wel mee bezig, maar hun wettelijk kader zit nog wat ingewikkelder in elkaar. Ik zal het er met mijn collega over hebben, maar ik kan dat kader, waarin bijvoorbeeld ook een rechterlijke toetsing zit, niet veranderen.

De heer Sjoerdsma (D66):

Ik zou het heel erg op prijs stellen om in de komende weken en maanden goed op de hoogte te worden gehouden van hoe dit verloopt en hoe succesvol we zijn in het naar Nederland maar ook andere Europese landen kunnen verplaatsen van deze alleenstaande minderjarige vluchtelingen. Nog even specifiek over de aantallen minderjarige vluchtelingen die wél familie hebben: mijn vermoeden is dat deze aantallen in vergelijking met de aantallen alleenstaande minderjarige vluchtelingen significant hoger liggen dan de aantallen die de Staatssecretaris noemt in zijn brief. Daar ligt dan misschien ook de mogelijkheid om snel richting het door de Kamer gevraagde aantal van 750 te kruipen. Ziet de Staatssecretaris die mogelijkheid ook? Zo nee, kan hij ons dan informeren over de daadwerkelijke cijfers?

Staatssecretaris Dijkhoff:

Getalsmatig zie ik die mogelijkheden wel. Met het woord «snel» ben ik wat terughoudender door de ervaring die we de afgelopen tijd hebben opgedaan in dit traject. We spannen ons er echter wel voor in. We zullen de Kamer ook zeker op de hoogte houden.

Mevrouw Gesthuizen had een vraag over de minderjarigen in Calais. Ik heb daar natuurlijk met mijn Franse collega's over overlegd. Ik heb niet de indruk dat het schort aan inspanningen van hun kant. Er is, ook voor de amv's, een mogelijkheid om niet in «de jungle van Calais», zoals het inmiddels heet, te zijn. Ze kunnen namelijk asiel aanvragen bij de Franse overheid en dan krijgen ze opvang volgens de daarvoor geldende Franse procedures. Verder is er ook bij de socialeopvangfaciliteiten buiten Calais speciale aandacht van de Franse overheid voor kwetsbare personen, zoals amv's. Ik heb geen reden om te twijfelen aan hun oprechte zorg en inspanningen. Ik zie natuurlijk wel de uitdagingen die er voor de mensen zijn om van de mogelijkheden gebruik te maken en om de keuze te maken om niet pogingen te blijven ondernemen om naar het VK te gaan maar zich neer te leggen bij een asielaanvraag in Frankrijk zelf.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik ben er geweest. Ik neem aan dat de Staatssecretaris daar ook is gaan kijken. Ik vraag de Staatssecretaris welke concrete initiatieven bij zijn weten de Franse overheid neemt voor die kwetsbare personen. Worden er bijvoorbeeld door de Franse overheid Franse equivalenten van welzijnswerkers de kampen in gestuurd om met die kinderen te praten? Zijn er artsen aangesteld? Het gaat om alleenstaande minderjarige kinderen, dus kinderen van 10 jaar die alleen in een kamp met voornamelijk volwassenen zitten. Wat doet de Franse overheid concreet om die kinderen te bereiken?

Staatssecretaris Dijkhoff:

Ik weet dat de Fransen zorgen voor opvangfaciliteiten die speciaal voor hen geschikt zijn en dat ze actief de mogelijkheid bieden, en daarvoor ook werven, om met vervoer vanuit Calais daarnaartoe te gaan als men dat wil. Ik weet niet – ik weet dat gewoon niet – of de Franse overheid op het niveau van artsen of welzijnswerkers projecten specifiek gericht op minderjarigen heeft. Dat zullen we moeten nagaan.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik vind het heel belangrijk. De Staatssecretaris zegt: er is speciale aandacht voor kwetsbare personen. Ik wil dan ook concreet weten waarom het gaat. Anders kun je dat volgens mij niet zeggen. Toen ik daar was – er was zeker politie aanwezig, maar buiten het kamp – dacht ik: men heeft geen idee. Er zijn daar wel organisaties met enige moeite actief, bijvoorbeeld Save the Children, maar verder heeft men geen idee van welke kinderen daar zitten. We hebben het dus met recht over «een jungle», zoals het in de pers ook wordt genoemd, waarin kinderen soms moederziel alleen rondlopen en «hapklare brokjes» zijn voor mensen die misbruik van de situatie willen maken. Nederland heeft het internationale Verdrag inzake de rechten van het kind geratificeerd. Dat heeft hier kracht van wet, al een heel aantal decennia. We moeten nu toezien dat er te weinig gebeurt voor kinderen die op Europees grondgebied kwetsbaar zijn en worden misbruikt voor allerlei doeleinden. Ziet de Staatssecretaris mogelijkheden om met dat verdrag in het achterhoofd in te grijpen of om in ieder geval als Nederland het goede voorbeeld te geven en onze verantwoordelijkheid te nemen?

Staatssecretaris Dijkhoff:

In de relatie tot de meeste andere landen, zeker de Europese lidstaten en zeker ook een land als Frankrijk, ga ik normaal gesproken uit van het vertrouwensbeginsel. De bemoeienis die ik bereid ben te tonen door op dit detailniveau mijn neus in Frankrijks zaken te steken, omdat het onderwerp daarvoor zwaar genoeg is, gaat al verder dan gebruikelijk is. Ik ga er dus al helemaal niet op speculeren dat Nederland in Frankrijk zou gaan ingrijpen. Ik wil wel met de Fransen het gesprek aangaan. En als een bevriend land hulp kan gebruiken, wij die hulp kunnen bieden en aan die hulp behoefte is, dan zullen wij die altijd bieden. Maar ik vind het op dit moment niet aan de orde om te spreken over inmenging of over mensen uit Frankrijk ophalen en hierheen brengen.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik wil graag dat er geredeneerd wordt vanuit het belang van het kind. Natuurlijk ligt het gevoelig. Je zit nota bene samen in de Europese Unie. De Staatssecretaris moet zich ook verhouden tot zijn Franse collega's tijdens de JBZ-Raad. Je moet ook samen kunnen werken. Uiteraard. We denderen er dus niet met een tank naartoe om die kinderen daar te «ontzetten». Dat bedoel ik natuurlijk niet. Ik wil wel dat er wordt geredeneerd vanuit het belang van het kind. Het gaat om het belang van het kind in een situatie zoals die er in Calais is. Voor kinderen van 16 of 17 jaar is het misschien nog een ander verhaal; die hebben misschien nog wel een eigenstandige keuze te maken. Maar vertel mij niet dat een kind van 10, 11 of 12 jaar bewust kiest en denkt: ik heb mijn zinnen gezet op Engeland en ik laat me daar door niets of niemand van afhouden. Een kind van 10, 11 of 12 jaar, of zelfs nog jonger, heeft gewoon begeleiding en zorg nodig. We kunnen toch niet toestaan dat op vier uur rijden hiervandaan kinderen in een jungle leven? We kunnen dan toch niet zeggen: vanwege alle protocollen en afspraken doen we niets?

Staatssecretaris Dijkhoff:

Daarom wil ik ook wel een slag dieper gaan dan ik op verzoek van mevrouw Gesthuizen vorige week gedaan heb. Ik wil nogmaals met mijn Franse collega bespreken hoe hij dit opvangt. Even los van de persoon en van het land kan ik me van hen gewoon ook niet voorstellen dat ze zeggen: zodra ze het kamp uit wandelen, wil ik ze helpen, maar als ze daarbinnen zitten, doe ik niks. Dat kan ik me niet voorstellen. Ik zal me met hen verstaan en op een laag dieper het gesprek met hen voeren.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Dat waardeer ik uiteraard zeer. Ik wens de Staatssecretaris daarbij veel succes. Mag ik, tot slot, dan nog vragen wanneer de Kamer daarover wordt geïnformeerd? Niemand weet het zeker, maar ik begreep uit de hoek van de artsen – volgens mij werkt Artsen zonder Grenzen daar – dat de ontruiming medio oktober zou staan te gebeuren. Dan is de Kamer helaas net met reces. Dan wordt iedereen weggestuurd. Het risico is dat er dan kinderen verdwijnen, zoals volgens de ngo's die daar werken ook bij de vorige ontruiming is gebeurd. Ik roep nog even het project 13 Oceans in herinnering. We weten dat er dan helaas kinderen door criminele bendes worden ingezet, dan weer hier, dan weer daar, net als bij gedwongen prostitutie en vrouwenhandel. Dan zijn ze weer in Antwerpen, dan duiken ze weer op in Barcelona, dan worden ze weer uit roven en stelen gestuurd in een stad als Amsterdam. Dat gaan we toch alsjeblieft niet onder onze neus laten gebeuren?

Staatssecretaris Dijkhoff:

Ik zal mijn best doen om het voor medio oktober – dat zijn nog tien dagen – te doen. We zullen snel, de komende week, de contacten leggen. Als we daarvan de terugkoppeling hebben gekregen, kan ik dat de Kamer laten weten.

De heer Azmani had het over de REAN-regeling, over het afschaffen van de verstrekking van geld bij vertrek naar Albanië en over de evaluatie. Een halfjaar is wat kort voor een volledige evaluatie van de effecten op de terugkeerbereidheid, zeg maar de DT&V-kant. Ik denk wel dat het goed is om over een halfjaar de Kamer te informeren over de effecten die we dan al zien. We kunnen dan misschien nog geen causale verbanden aantonen, maar wel zien hoe het zich getalsmatig ontwikkelt. Daarop kunnen we dan verstandig bijsturen.

Ik kom op de opvangcapaciteit in Nederland en hoe die zich ontwikkelt. Er wordt veel gesproken over het feit dat we nu dingen afbouwen. De absolute cijfers gaan van 62.000 naar 48.000. Dan kun je zeggen: dat is minder, dus afbouwen is oké. In de praktijk is de noodopvang echter het enige wat we versneld kunnen sluiten en afbouwen, gelukkig. Het heet ook niet voor niets «noodopvang». We wilden die vervangen door echte asielzoekerscentra. Verder gaan asielzoekerscentra dicht omdat afspraken aflopen. In zeker zin is dat afbouw, maar die zouden sowieso dicht zijn gegaan. Er zijn dus nu geen gesprekken over verlenging. Anders hadden we wellicht nog gepoogd om te verlengen. Meestal heeft de gemeente tegen omwonenden gezegd: het is tot dan en niet langer. Dan is verlenging vaak ook niet echt een optie. We bouwen nu minder bij. We gaan nog 12.000 plekken extra realiseren. Daarvoor waren ook al handtekeningen gezet. Daarnaast waren we in de bijzondere positie dat er al veel meer planvorming was dan in een rustigere periode het geval zou zijn geweest. Daardoor waren er potentieel nog 34.000 plekken. Het betreft een hele waaier aan soorten plekken: plekken die zouden zijn gerealiseerd als we hadden doorgezet, maar ook plekken die nog vrij vroeg in het planningsstadium zaten en waar we dus, in gesprek met betrokkenen, niet mee verder gaan. Als je in de krant leest, dan denk je alleen maar: o, er is soms gedoe en er is soms een bestuurder boos, die dan verwijten uit aan het COA of aan mij. Maar ik zie natuurlijk de hele plaat van ongeveer 29.000 plekken waarover we zo'n gesprek hebben gevoerd. Als ik dan zie hoe weinig daarover in de krant staat, dan heb ik wel een ander gevoel over het bestuurlijke traject.

Het is niet zo dat ik de beslissingen daarover heb genomen en heb meegedeeld. We hebben die samen met provincies en gemeenten aan de regietafel genomen. Nu wordt aan de regionale tafels bekeken wat een logische en faire afwikkeling is. De ene gemeente zegt: «Oké, dan doen we het niet. Daarmee is onze locatie uit beeld. We gaan die anders invullen. Daar hebben we andere plannen voor.» De andere gemeente zegt: «Oké, we zetten dit nu on hold, maar als het nodig is, pakken we de draad weer op en gaan we verder met het gesprek.» Er zijn ook gemeenten die zeggen: «We snappen dat het nu niet doorgaat, maar we hebben wel een hoop kosten gemaakt. Daar willen we wel met jullie over praten.» Dat gesprek zullen we aangaan. Ik heb daar natuurlijk geen bakken met geld voor, maar we moeten dat wel netjes afwikkelen. En dan blijft er wellicht een handvol gemeenten over waarmee de gesprekken ingewikkelder worden. Zo pellen we het af via de regionale tafels.

We komen uit op een capaciteit van 48.000 volgend jaar. Is dat genoeg? Als je het bekijkt op basis van de huidige instroom, denk je: is dat niet veel te veel? Ik maak daarbij de kanttekening dat er nog veel nareizende mensen komen van wie we al zeker weten dat zij het recht hebben om hier te komen. Zij zullen volgend jaar dus nog komen. Dat komt nu op gang. Daar moeten we dus rekening mee houden. Aan de andere kant is het ook wel weer zo dat niet iedere persoon die instroomt, meteen een jaar lang een bed bezet houdt. Er is nu heel veel instroom uit veilige landen. Die mensen kunnen na een aantal weken weer weg uit de opvang. De vrijgekomen plek kun je dan weer gebruiken voor iemand anders. Als ik het zo bekijk, dan weet ik dat in die 48.000 al een buffer zit. Daar koersen we ook op. Zo loopt het volgend jaar.

Dit jaar bekijken we hoe we het structureel verstandig kunnen aanpakken in de jaren daarna. Maar daar spreken we ook graag over met gemeenten en provincies. Enerzijds heb je namelijk dure varianten van een buffer: iets waar alles klaarstaat, waar de verwarming draait, maar waar niemand is. Anderzijds kun je afspraken met gemeenten maken dat op een bepaalde plaats in de komende jaren op afroepbasis binnen zoveel weken plekken worden gerealiseerd. Dat is een voor de maatschappij financieel aantrekkelijkere variant van een buffer. Dat soort gesprekken zijn we nu ook aan het voeren aan de regiotafels. Die gaan ook over huisvesting. Ik wil die overlegstructuren zeker niet kwijt. Mocht er namelijk ooit weer een piek komen, dan wil ik dat de bestuurders steeds zijn meegenomen in de ontwikkeling van de instroom. Dan moet het niet zijn dat je nog moet zeggen: «Hallo, ik zal me eerst even voorstellen. U hebt al een aantal jaren niet echt hierover gehoord, maar ik heb u nu heel hard nodig.» Ik ben heel blij dat het, toen het wel zo ging, gelukt is, maar ik zie meerwaarde in het erbij kunnen blijven betrekken van bestuurders in eventuele rustigere periodes, al was het maar voor de permanente opvang van mensen in huizen.

Ik kom nu op die permanente opvang, de huisvestingstaakstellingen. Ik vind het eigenlijk behoorlijk knap van de gemeenten. Toen we begonnen was er al een enorme achterstand. Die is gedurende die periode van hoge instroom behoorlijk stabiel gebleven en nu zelfs wat ingelopen. We zijn er nog lang niet. Er zitten nog steeds 15.000 mensen te wachten op een huis. In verhouding tot de bezetting van nu is dat dus de helft. Ik zie echter wel dat het tempo van toewijzing van huizen door gemeenten enorm is toegenomen. Ik wil graag dat we dat tempo erin houden. Er zitten ook creatieve oplossingen bij. Er is ook de subsidieregeling die we, met Minister Blok, hebben opengesteld. Er komt dus veel energie los. Nu de instroom wat lager is, moeten we de kans grijpen om in hetzelfde hoge tempo door te gaan, zodat we de achterstand kunnen inlopen en wegwerken. Ik zie daar kansen toe.

Om een beeld te geven van het tempo van huisvesting, heb ik hier wat cijfers. In 2015 ging het, over alle gemeenten, om 2.300 vergunninghouders per maand. In 2016 zijn het meer dan 3.000 per maand. Als we dat gestegen tempo kunnen vasthouden, dan kunnen we ook inlopen op de forse opgave die we nog hebben. De kennis en functie van het Platform Opnieuw Thuis moeten zeker op de huidige manier gewaarborgd blijven. Dit issue leeft in bijna alle gemeenten. Bijna alle gemeenten zijn ook bezig met creatievere oplossingen en denken niet alleen: «O ja, dat is zo'n taak. We doen wel ons best, maar eigenlijk halen we nooit de targets. Langzaam creëren we zo'n voorraad als er in de jaren hiervoor was.» Ik hoop dat we die focus kunnen vasthouden. Het is overigens niet alleen maar een hoop. Ik zie het als een van de grotere taken die ik heb, die ik ook samen met de gemeenten heb. Aan de regietafels moeten we dat omzetten in daadwerkelijke huisvesting.

Hoe verhoudt dit zich tot de voorrangsregeling? Het is voor gemeenten niet meer verplicht om die voorrang toe te passen. Dat geeft hun nu de ruimte om te kiezen of ze dat wel of niet doen. Een heel harde voorrangsregeling had een voordeel, zo zeg ik vanuit mijn positie, al ben ik er wel voor een breder belang dan alleen de huisvesting van vergunninghouders. Op het niveau van de hele samenleving zie je die heel duidelijke spanning met andere mensen, die ook op een huis wachten. Het voordeel van die regeling was in ieder geval dat je voorrang kon claimen. Maar dat loste het probleem niet op. Het voordeel van het niet hebben van die voorrangsregeling is dat er nu veel meer creativiteit loskomt en er onorthodoxe oplossingen worden bedacht. Gemeenten wachten nu niet meer alleen op het vrijkomen van genoeg huizen. In het algemeen belang is die afschaffing een logische keuze. De gevolgen daarvan voor de huisvesting van vergunninghouders kun je nu met hard werken ook op andere manieren opvangen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Ik vind het goed om te horen dat er nu meer statushouders gehuisvest worden. Ik kan me ook wel voorstellen dat je geleidelijk toegaat naar een situatie waarin statushouders niet meer te lang moeten wachten op een huis. Van 2.000 naar 3.000 per maand is een mooi resultaat, maar als ik het even bereken, kom ik nog niet op die prognose voor 2016 van 58.000 mensen die zullen uitstromen. Hoe denkt de Staatssecretaris dat toch te kunnen halen?

Staatssecretaris Dijkhoff:

Dat weet ik ook niet. Wij hebben allerlei regelingen opengesteld. Ik weet niet of wij die uitstroom dit jaar gaan halen. Daarom houden wij wat betreft de capaciteit voor volgend jaar ook rekening met het niet volledig halen daarvan. Het kan zijn dat weliswaar de voorraad slinkt ... Dat klinkt wel een beetje technisch. Ik bedoel: het kan zijn dat weliswaar het aantal mensen dat, vervelend genoeg, te lang in een asielzoekerscentrum zit, slinkt maar dat de achterstand daarmee nog niet is weggewerkt op 1 januari. Wij hebben allerlei regelingen opengesteld. Na een goed gesprek met de gemeenten hebben we ook de voorwaarden van de GZZA-regeling (Gemeentelijk Zelfzorgarrangement) aangepast, zodat die werkbaarder is. We hadden destijds samen met de gemeenten de hoge ambitie om in een paar maanden tijd 10.000 mensen heel snel te helpen. Uiteindelijk zijn die mensen wel aan huizen gekomen, maar niet precies op die manier, met de GZZA-regeling ... Of haal ik nu twee regelingen, twee afkortingen door elkaar? Ik bedoel in ieder geval de regeling die we specifiek voor gemeenten hadden om alvast mensen op tijdelijke plekken op te vangen in afwachting van definitieve huisvesting, zodat die mensen alvast in een gemeente woonden en daar in de omgeving huisvesting konden zoeken en konden integreren op een manier die financieel door ons werd gesteund. Al die regelingen staan open. Er beweegt veel. Maar of we op 1 januari die hele voorraad al hebben weggewerkt, durf ik niet te garanderen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Ik snap heel goed dat de Staatssecretaris dat niet kan garanderen, maar ik vraag me af of het dan wel verstandig is om het aantal opvangplekken in azc's in 2017 terug te brengen naar 48.000. Zou het niet logischer zijn om op dat punt toch wat meer marge te houden?

Staatssecretaris Dijkhoff:

Die afbouw werkt zo dat de capaciteit op het eind van 2017 48.000 is. Dat is dus niet meteen op 1 januari zo. Op het eind van dit jaar hebben we nog 62.000 plekken. In de loop van 2017 kom je, met het aantal plekken dat weggaat en het aantal plekken dat er nog bij komt, per saldo op 48.000 uit. Daar zit dus al een geleidelijkheid in. Ook daarbinnen hebben we de ruimte en de flexibiliteit om een marge te houden. Verder zijn we nu nog in gesprek om dit te bekijken. Je komt zo zeker uit op 48.000 plekken aan het eind van 2017.

Dit is natuurlijk een beleidsveld waarin je altijd op een paar momenten per jaar zowel financieel bijstelt, bij de voorjaars- en najaarsnota en dat soort dingen, alsook gaandeweg, met een oog op de ontwikkeling in de praktijk, in gesprek blijft over met name de instroom en de vraag of je nog kunt bijsturen. Maar met de huidige informatie over de instroom en met de werking van de maatregelen die er zijn, gecombineerd met wat er nog aankomt wat betreft nareis, hebben we met deze getallen een behoorlijke marge in de opvang. We varen zeker niet heel scherp aan de wind. We zijn ook nog met gemeenten in gesprek om boven op die 48.000 – ik noemde net al mijn favoriete vorm – de afspraak te maken dat we hier binnen een week of acht aan de slag kunnen met het bouwen van opvang als het nodig is. Als het niet nodig is, doen we dat niet.

Terecht wordt mij hier nog ingefluisterd dat niet iedere instroom ook tot huisvesting leidt, omdat er natuurlijk ook veel mensen worden afgewezen. Dat percentage is nu wat aan het stijgen doordat we een lagere instroom hebben van bijvoorbeeld Syriërs en een hogere instroom van mensen uit veilige landen. Daarmee groeit de extra opdracht in huisvestiging voor de gemeenten dus een stuk minder hard aan dan voorheen. Als je het tempo er dus goed in houdt, zou je het ook kunnen inlopen.

Mevrouw Gesthuizen vroeg ten aanzien van de logeerregeling of er voorkomen kan worden dat asielzoekers zich moeten inschrijven op hun logeeradres. Ik formuleer dat als een wens van in ieder geval een deel van de Kamer, en ik zal die meenemen als ik ga bekijken of we de logeerregeling voortzetten en, zo ja, in welke vorm. Dit is een van de elementen die daarin meegewogen wordt. Tot die tijd blijft de logeerregeling gewoon open. Mijn collega Klijnsma heeft ook het nodige gezegd over de eventuele gevolgen daarvan voor kostendelersnormen.

Ik kom op de incidentencijfers. Allereerst vroeg de heer Sjoerdsma of het klopt dat asielzoekers ...

De heer Sjoerdsma (D66):

Ik heb nog een vraag over het huisvesten. Ik zal niet beginnen over de voorrangsstatus; daar hebben we het tijdens de wetsbehandeling vorige week al uitgebreid over gehad. Maar ik heb nog wel een punt over wat slimmer huisvesten. Ik word regelmatig benaderd door mensen die zeggen: ik heb hier iemand die een vergunning heeft en ik zou diegene dolgraag in een werk-leertraject willen plaatsen in mijn gemeente, maar ja, hij is net geplaatst in een andere gemeente. Dan loopt het vast in de bureaucratie en kan dat niet meer worden gewijzigd: pech gehad, dan ga je maar naar de gemeente waar geen werk is en waar geen leertraject is. Dan zit je daar op je handen. Dat lijkt me typisch iets wat we zouden moeten vermijden. Ik vraag de Staatssecretaris of hij ervoor kan zorgen dat dit soort bureaucratische rompslomp en bureaucratische blokkades niet meer gaan voorkomen.

De voorzitter:

Die vraag hebt u ook in uw termijn gesteld.

Staatssecretaris Dijkhoff:

Het antwoord op die vraag kwam ergens nog terug, maar uit mijn hoofd was het dat ik het met de heer Sjoerdsma eens ben dat die blokkade er niet moet zijn en dat ons beleid er ook niet toe is om die op te werpen. Als Kamerleden concrete gevallen kennen, horen we die graag. Dan kunnen we daar ingrijpen. Ik ben heel blij met de ontwikkeling – dat heeft ook de betrokkenheid van gemeentes opgeleverd bij het huisvestingsprobleem – dat er ook gemeentes zeiden: oké, we snappen dat we eigenlijk al een tijdje achterliepen en dat dat in de praktijk nu echt een heel groot knelpunt wordt, maar we hebben dan ook nog wel wensen, bijvoorbeeld alvast sneller aan de gang kunnen gaan. Sommige gemeentes zijn daar heel fanatiek in. Wij stimuleren dat. Ook vanuit het COA zien wij – en het COA zelf ook – gewoon heel graag dat daar beleidsmatig een match is. Ik heb daarbij wel altijd het voorbehoud gemaakt dat een gemeente niet kan zeggen: ik wil alleen maar hoogopgeleide Syriërs. Zo werkt het niet. We moeten ook gewoon reëel zijn met elkaar: we vangen vluchtelingen op uit moreel besef. Dat is een humanitaire taak. Daar zijn kosten aan verbonden. Er zitten ook vluchtelingen bij die uit een land komen waar al geen onderwijs was. We kunnen er niet op rekenen dat iedereen straks een baan heeft en iets toevoegt. We zullen ons daar wel altijd voor inspannen, maar gemeentes zullen ook mensen moeten huisvesten die niet zo mooi gematcht kunnen worden met leer-werktrajecten. Maar goed, concrete voorbeelden hoor ik graag, zodat we daar iets aan kunnen doen.

De heer Sjoerdsma (D66):

Dank voor dat antwoord. Ik denk dat dat de komende tijd echt enorm belangrijk wordt. Aan de voorkant moeten mensen inderdaad beter gescreend worden. Er moet bekeken worden waar hun kansen liggen en dat moet gematcht worden met gemeenten. Ik zal er in ieder geval voor zorgen dat de concrete voorbeelden die mij bekend zijn bij de Staatssecretaris terechtkomen. Die zeggen ongetwijfeld ook iets over de huidige procedure. Misschien kan er een structureel probleem mee worden opgelost. Dank voor die toezegging dus.

Staatssecretaris Dijkhoff:

Ik kom op de vraag van de heer Sjoerdsma over het op straat zetten van overlastgevende asielzoekers. Hierbij is het enigszins ironische dat dit niet iets nieuws is. Ik zie hier ook een dilemma in. Het is eigenlijk al heel lang staande praktijk dat het COA in het uiterste geval tegen iemand zegt: je maakt het hier binnen te bont. «Overlast» is één woord, maar we moeten ervoor zorgen dat verschillende zaken niet door elkaar lopen. Dit gaat over mensen die niet per se iets naar hun omgeving toe of buiten het azc hebben gedaan of de wet hebben overtreden, maar die binnen een azc problemen veroorzaken bij andere bewoners of die zich gewoon niet aan de regels houden en lastpakken zijn. In het uiterste geval is hun de opvang ontzegd en werd er ook geschakeld met het lokale gezag en de politie. Ik vind dat niet verkieslijk. Daarom wil ik graag een asielzoekerscentrum met extra toezicht als alternatieve opvang voor die mensen.

Daarbij zeg ik wel dat de buurt waarin dat gelegen is, geen last moet hebben van dat asielzoekerscentrum waarin mensen geplaatst worden die in een gewoon asielzoekerscentrum anderen tot last zijn geweest. Ik merk nu in de pogingen om er een te realiseren namelijk dat mensen denken: een asielzoekerscentrum verdedigen als burgemeester is al één ding, maar nu moet ik ook nog een asielcentrum verdedigen voor mensen die overlast hebben veroorzaakt. Maar daar is natuurlijk zo veel extra begeleiding en extra personeel – er hoort ook een heel dagprogramma bij en we kunnen zelfs in samenspraak met de gemeente plekken toewijzen waar mensen niet mogen komen – dat de waarborgen voor de omgeving van dat asielzoekerscentrum, waar natuurlijk ook minder mensen tegelijk worden opgevangen, heel erg scherp zijn. Het is dus juist een centrum waar extra toezicht centraal staat en niet de overlast. Dat is de reden waarom iemand daar geplaatst is.

De heer Azmani vroeg: wanneer komt er een? Ik schets wel even waar we doorheen moeten met het lokale bestuur om er een te realiseren. Het probleem is dat er, zolang je nog in gesprek bent, een kans is dat het lukt, maar dat er ook veel mogelijke vertakkingen op de route zijn waarbij geconstateerd wordt: misschien toch maar niet. Om er een te realiseren, moeten alle vragen met «ja» beantwoord worden. Als er ook maar één vraag met «nee» wordt beantwoord, moeten we weer een nieuw gesprek aangaan. Daarom ben ik terughoudend met daar een datum aan koppelen. Het liefst had ik er al een gehad. Ik hoop dat deze beschrijving er ook aan bijdraagt dat mensen niet meer het beeld hebben dat je er last van hebt als je in de buurt woont. Deze mensen zijn sowieso gewaarschuwd. Het is hun laatste kans om nog op een fatsoenlijke manier in de opvang te verblijven. Er zit ook een zwaar dagprogramma bij, met allerlei aanpalende maatregelen om ervoor te zorgen dat er juist geen overlast meer wordt veroorzaakt.

Ik kom op de meldingen die we hebben. De heer Voordewind zei dat het in zijn ogen een beetje «non-meldingen» waren. Ik snap die vraag wel. Moet je nu één getal naar buiten brengen waar ook bij zit dat iemand zijn handdoeken heeft opgehangen over de brandmelder of dat iemand heeft gerookt op zijn bed of een andere plek waar dat niet mocht omdat andere bewoners daar last van kunnen hebben? Ik vind toch van wel. Als je het namelijk niet doet, hebben we weer een incidentenrapport, dat via een WOB-verzoek naar buiten komt en dan komt daar ineens het getal van 9.000 meldingen uit. Dan moeten we gaan uitleggen hoe dat zit. Ik breng liever gewoon alles per categorie naar buiten. Als je in de cijfers duikt, zie je dat er ongeveer 3.900 meldingen over agressie gaan, maar dat kunnen ook zelfdestructieve acties of suïcidedreigingen zijn. Aantallen zeggen op zich niks over ernst, aard en omvang, maar ik vind het verstandig en verkieslijk om gewoon alle aantallen naar buiten te brengen. Dan moeten mensen inderdaad zelf een inspanning leveren om te zien hoe ernstig het echt is. Ik was wel van plan om daarmee door te gaan.

Mevrouw Keijzer vroeg waarom er iedere keer zo'n afname optreedt bij de omslag van meldingen naar meldingen waar de politie bij betrokken is – dat gaat op zich al snel: als je de hulpdiensten inschakelt, is er altijd bij de politie gemeld – naar aangiften en dan uiteindelijk naar vervolgingen door het OM. De waaromvraag betreft een bredere justitiële discussie, maar de getallen zijn niet afwijkend ten opzichte van de gewone samenleving. Een melding van een strafbaar feit betekent niet dat er ook een strafbaar feit gepleegd is. Het betekent alleen dat de melding daarop aanslaat. Vervolgens moet de politie constateren of er een strafbaar feit gepleegd is en of dat bewezen kan worden. In al die filters loopt een hoog aantal uiteindelijk terug naar 166 vervolgingen bij het OM. In een voetnoot in de brief staat ook dat de vuistregel voor de hele samenleving is dat ongeveer een vijfde van de meldingen uiteindelijk leidt tot vervolging door het OM.

Ik kom op de aanscherpingen. De heer Fritsma zei: wat je belooft, moet je waarmaken. Dat klopt, maar de belofte is niet dat iedere asielzoeker die de wet overtreedt, geen vergunning zal krijgen. De rechter beoordeelt de mate van ernst. We hebben in twee fases alles gedaan wat we konden doen, zodat het ook juridisch standhoudt. Ik vind dat altijd belangrijk als je beleid maakt. We nemen daarin zowel de voorwaardelijke straffen als de taakstraffen mee, zodat we meerdere vervolgingen en veroordelingen bij elkaar kunnen optellen. Op die manier kunnen de mensen die qua incident misschien niet de grofste schok aan de rechtsorde hebben toegebracht maar die wel heel vaak de wet hebben overtreden, dat als individu ook tegengeworpen krijgen. Daar zitten echter wel beperkingen aan. Een wetsovertreding leidt niet automatisch tot het niet verlenen van een vergunning.

De heer Fritsma (PVV):

Als je de resultaten bekijkt die de Staatssecretaris zelf in zijn brief heeft gezet, kun je niet anders concluderen dan dat die beschamend zijn. Slechts in zestien gevallen is een verblijfsvergunning geweigerd of ingetrokken. Ik wijs dan toch op datgene wat de Staatssecretaris hierover in de media heeft gezegd. In de uitzending van RTL Nieuws op 31 maart zei de Staatssecretaris over criminele of overlastgevende asielzoekers: «Als ze het echt te bont maken, de wet overtreden, veroordeeld worden en straf krijgen van de rechter, worden ze uitgezet en krijgen ze geen verblijfsvergunning.» Dat is een letterlijk citaat. Erkent de Staatssecretaris dat dit onzin is gebleken, omdat het in de praktijk gewoon niet gebeurt?

Staatssecretaris Dijkhoff:

Nee. Het is altijd fijn als men alleen maar kijkt naar wat er uitgezonden is en niet naar wat er allemaal gevraagd en gezegd is. In deze variant van het antwoord komen de woorden «echt te bont» terug, inclusief alle clausules. Er moet sprake zijn van een veroordeling op basis van iets wat je kunt kwalificeren als «echt te bont». In andere antwoorden heb ik de termijn van zes maanden misschien ook letterlijk genoemd. Maar in elke uiting heb ik altijd uitgedragen dat een overtreding van de wet niet altijd leidt tot het intrekken van een verblijfsvergunning. Er zit een weging in. Je moet het echt te bont hebben gemaakt en je moet veroordeeld zijn door de rechter, bijvoorbeeld voor een termijn van zes maanden of een taakstraf. Je kunt één uitgezonden antwoord op een reeks van vragen eruit pakken en constateren dat daarin die termijn van zes maanden niet letterlijk genoemd is, maar zoals ik het heb gezegd, heb ik het ook altijd beloofd. Dat kan ik waarmaken, maar ik kan niet waarmaken – en daarom zal ik het ook niet beloven – dat iemands vergunning meteen ingetrokken wordt na één winkeldiefstal.

De heer Fritsma (PVV):

Dit moet echt anders, want die grens van zes maanden is belachelijk soft. Nogmaals: als een asielzoeker die nog in procedure zit en nog niet eens verblijfsrecht heeft, iets uitspookt waardoor hij voor vijfenhalve maand in de gevangenis belandt – en daar moet je echt heel veel voor gedaan hebben – dan kan dat nog niet eens worden tegengeworpen in de verblijfsprocedure. De Staatssecretaris moet erkennen dat dat onuitlegbaar is. Je moet de praktijk bekijken. Ik vis daar één voorbeeld uit.

De voorzitter:

Kort, graag.

De heer Fritsma (PVV):

Ik houd het kort. Een asielzoeker die in Almere tot twee keer toe door de rechter veroordeeld is wegens aanranding, heeft van de rechtbank een taakstraf gekregen van 60 uur, waarvan 30 uur voorwaardelijk. Die zaak is terecht in het nieuws geweest. De vervangende hechtenis ingeval de taakstraf niet wordt uitgevoerd, bedraagt 30 dagen. Dat is bij lange na niet voldoende straf om een verblijfsaanvraag af te wijzen. Hoe kan de Staatssecretaris het nou goedvinden dat een asielzoeker die tot twee keer toe iemand heeft aangerand en daarvoor ook veroordeeld is, gewoon een verblijfsvergunning krijgt? Dat kan toch niet!

Staatssecretaris Dijkhoff:

Asielvergunningen worden verleend op grond van het land van herkomst van mensen en op grond van de vraag of zij daar zwaar onveilig zijn. Als asielzoekers vervolgens strafbare feiten plegen, hebben we voor hen zelfs meer maatregelen dan voor gewone burgers. Iemand die al verblijfsrecht heeft en een Nederlander die hier geboren is, worden op dezelfde manier voor dezelfde feiten gestraft. Maar asielzoekers of vergunninghouders die nog niet zo lang in Nederland zijn, krijgen niet alleen straf. Als de ernst van het gepleegde feit boven een bepaalde mate uitkomt, geldt tevens een heel scala aan maatregelen om het ook verblijfsrechtelijk tegen te kunnen werpen. De rechter moet in elk individueel geval beoordelen welke straf er opgelegd moet worden, want hij kent de details van de casus en de omstandigheden. Ik ga daar geen oordeel over vellen. Er komen dus twee zaken samen. We zullen altijd strenger zijn voor mensen die nog geen vergunning hebben of nog niet zo lang verblijfsrecht hebben in Nederland, dan voor mensen die dezelfde feiten hebben gepleegd, maar al langer in Nederland zijn. Ik vind dat heel goed uit te leggen en daarom doe ik dat ook steeds.

De heer Azmani vroeg wanneer het WODC-onderzoek is afgerond. In dat onderzoek worden in bredere zin de overlast en wetsovertredingen van mensen die in asielzoekerscentra wonen bekeken. Wij verwachten dat dat onderzoek begin 2017 is afgerond; dat heeft het WODC althans tot nu toe aan ons laten weten.

Mevrouw Kuiken vroeg of het gebruikelijk is dat zo veel bewoners van een COA-opvanglocatie zich niet aan de meldplicht houden. Daar zijn diverse redenen voor. Het is inderdaad in de eerste helft van 2016 bijna 59.000 keer voorgekomen. Maar het gaat niet om 59.000 verschillende personen, omdat het best vaak gebeurt dat één individu zich regelmatig niet aan de meldplicht houdt. Dat levert in beginsel een waarschuwing op of een boete, of uitzetting uit de opvang als mensen een verblijfsvergunning hebben. Als we zowel de bezetting bekijken als het aantal mensen dat zich elke week meldt, zou het gaan om iedereen die zich een of twee keer per jaar niet meldt. Die cijfers lopen nogal snel op, maar we ervaren daardoor in de praktijk niet heel grote problemen, aangezien we daar waarschuwingen, boetes en andere maatregelen op kunnen loslaten.

Mevrouw Kuiken vroeg ook terecht naar de Noord-Afrikaanse asielzoekers die overlast veroorzaken. Dat beeld herkennen we. Mensen die asiel aanvragen, terwijl ze eigenlijk al weten dat ze dat niet gaan krijgen, zitten helaas vaak met een andere mentaliteit in een asielzoekerscentrum. Allereerst geldt natuurlijk gewoon de strafwet. Als er sprake is van strafbare feiten, zijn aangifte, opsporing en vervolging aan de orde. Het gaat vaak om mensen uit veilige landen, bijvoorbeeld Marokko. We zijn aan het wegen of Algerije ook op de lijst van veilige landen van herkomst kan. Als mensen uit een veilig land komen, weet je al dat ze geen vergunning zullen krijgen. Dat geeft ons en de IND de mogelijkheid om de procedures te versnellen en daar ook gevolg aan te geven. Bij dit soort landen ligt een gedwongen vertrek natuurlijk ingewikkelder, omdat de medewerking niet altijd optimaal is. Het hele kabinet spant zich hiervoor in. Ook de Minister van Economische Zaken heeft er onlangs tijdens zijn bezoek aan Algerije op zeer hoog niveau aandacht voor gevraagd en er flink op gehamerd. De leden kennen hem, dus ik hoef hen niet te overtuigen van het feit dat hij dat met hart en ziel heeft gedaan. We werken dus op alle terreinen aan de verbetering van gedwongen terugkeer, zodat ook de vrijwillige terugkeer beter verloopt. Ik ben bezig om het hele stelsel te bekijken. Als er geen zicht is op gedwongen terugkeer, zijn er natuurlijk altijd problemen met inbewaringstelling. Maar we gaan precies bekijken waar de grens ligt en we gaan daar weer fanatiek mee aan de slag. Dit is immers fnuikend voor het draagvlak, want mensen willen wel vluchtelingen opnemen, maar geen mensen die al weten dat ze geen vluchteling zijn en die ook nog eens overlast veroorzaken. Daar is niemand bij gebaat. Wij zien deze ontwikkeling niet als enige. Zij wordt ook gezien door mijn collega's in Europees verband. De instroom uit de Westelijke Balkan is sinds de afgelopen weken flink aan het dalen, maar nu hebben we deze groep. Ook op dit punt zoek ik de connectie met andere landen, zodat we gezamenlijk de aanpak voort kunnen zetten.

Ik kom op de Ranov en het maatwerk. We beschikken nu over de algemene informatie. Veel leden hebben al gewezen op de aanpassing daarvan. Op de site en in de ontvangstbevestigingsbrief staat nu duidelijker welke acties je moet ondernemen, ook als je niet in het bezit bent van een geldig buitenlands paspoort of een geboorteakte. Er wordt ook verwezen naar de website voor meer informatie. Ook de herstelverzuimbrief bij een onvolledige aanvraag is aangepast en verhelderd. Daarin staat dat de verzoeker duidelijk moet maken welke acties hij heeft ondernomen om aan documenten te komen en waarom dat niet is gelukt. In de brief wordt de verzoeker er ook op gewezen dat hij een verklaring kan aanleveren waarin de autoriteiten aangeven dat zij hem niet helpen bij het verkrijgen van de juiste documenten. Daarnaast staat in de brief wat er uit ons vreemdelingrechtelijke dossier blijkt over het land waar iemand vandaan komt. Die vorm hanteren we. De term «algemeen maatwerk» is een beetje raar, maar de informatie in die brieven is al toegespitst op het land van herkomst. Ik noem een voorbeeld. Iemand met een Nederlands vreemdelingenpaspoort kan bij het Russische consulaat een geboorteakte aanvragen. Die informatie staat specifiek vermeld in de brief in reactie op een aanvraag uit dat land. De individuele mogelijkheden van maatwerk zijn verduidelijkt. De IND stuurt dit najaar ook een brief aan alle Ranov-vergunninghouders die nog niet genaturaliseerd zijn. Daarin staat informatie over de naturalisatieprocedure en de wijze waarop men te werk kan gaan om aan documenten te komen. We zullen dat dit najaar doen.

Mevrouw Kuiken heeft gevraagd naar de trends in de afwijzing van naturalisatieverzoeken. Op 30 september was sprake van zo'n 740 afwijzingen. Dat zijn er 10 minder dan vermeld in de brief van 30 september; dat heeft te maken met bezwaar- en beroepsprocedures, waardoor er nog toekenningen zijn geweest. Na 1 juli 2015 zijn er bij die 740 maar 10 bij gekomen. Sinds die tijd is er dus wel een duidelijke verandering. De trends en de redenen zijn dus eigenlijk nog dezelfde als in het vorige onderzoek van de IND, uit april 2015; er is niet echt een toename. Toen ging het om 820 verzoeken die in eerste aanleg waren afgewezen. Het beeld daarbij was dat veel aanvragers niet veel actie hebben ondernomen om aan de benodigde documenten te komen, ten minste, niet genoeg actie ten opzichte van wat je mag verwachten. Op basis van de tien die er daarna nog bij zijn gekomen, kan ik nu niet echt een trend in afwijzingsgronden signaleren.

Mevrouw Gesthuizen vroeg naar het naturaliseren van Ranov'ers die op jonge leeftijd naar Nederland zijn gekomen. Ik vind wel dat ook van jongvolwassenen een redelijke inspanning mag worden verwacht om hun documenten te bemachtigen, ook als daarvoor nodig is dat zij dat bekendmaken aan het herkomstland van hun ouders. Andere naturalisatieverzoekers met dezelfde nationaliteit krijgen vaak wel documenten, dus dan zijn die in beginsel verkrijgbaar. Ik vind dat er een inspanning geleverd moet worden, ook als mensen niet in het land van herkomst geboren zijn. Ook als je in een derde land geboren bent, kan een serieuze inspanning geleverd worden om een geboorteakte te verkrijgen. Als er wel een inspanning is gedaan, maar het echt niet lukt, is er een individuele afweging van de redelijkheid om die eis te handhaven. We verstrekken ook informatie over de wijze waarop in het land van geboorte een vergunning verkregen kan worden. Ik heb de indruk dat dit werkt, omdat we een stijgend aantal ingediende naturalisatieverzoeken zien. We zien echter ook nog wel dat mensen op de verkeerde plek of bij het verkeerde land aankloppen. We helpen daarbij door betere voorlichting om ervoor te zorgen dat we alleen maar afwijken van die eis als het echt gerechtvaardigd is en niet als er een verkeerde aanvraag is gedaan of niet voldoende inspanning is verricht.

De voorzitter:

Is het blokje over de Ranov afgerond?

Staatssecretaris Dijkhoff:

Nee.

De voorzitter:

Ik stel voor dat we dat eerst afmaken.

Staatssecretaris Dijkhoff:

De leden Voordewind en Gesthuizen hebben gevraagd om niet meer aan statelozen te vragen om een geboorteakte te overleggen. Ik zie daar niet categorisch een reden in om die eis te laten varen. Een stateloze vreemdeling kan in allerlei landen geboren zijn. Dat kan ook een land zijn waarmee prima contact te leggen is om een geboorteakte op te vragen. Dan bestaat er dus geen objectieve belemmering om bij de vreemde overheid de stukken op te vragen, zoals dat bij asielgerechtigden het geval kan zijn. Als er wel inspanningen zijn verricht, maar het echt niet kan, is er individueel maatwerk om te beoordelen of het redelijker is om de eis niet te stellen. Ik wil die eis dus niet categorisch laten varen, maar in individuele gevallen kan het wel.

Mevrouw Gesthuizen heeft specifiek naar Eritreeërs gevraagd. Er zijn nog zo'n 100 vreemdelingen met de Eritrese nationaliteit in de Ranov-groep. Ik ben bereid om bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor deze laatste 100 Eritreeërs een specifiek ambtsbericht op te vragen om te bezien of aan de hand van dat ambtsbericht kan worden geconstateerd dat van hen niet meer kan worden gevraagd om bij de Eritrese autoriteiten documenten op te vragen, zodat deze laatste 100 als een groep vrijstelling kunnen krijgen.

De heer Voordewind had het creatieve idee van een leningensysteem voor naturalisatieleges. Daar ben ik niet zo'n voorstander van, of het nu om DUO gaat of een andere instantie. Het is een eenmalige uitgave, die je heel lang van tevoren kunt zien aankomen. Ik hoor nu eigenlijk mijn vader spreken: als je van tevoren niet kunt sparen om dat bedrag bijeen te brengen, kun je het waarschijnlijk ook niet achteraf terugbetalen als je het geleend hebt. Dat is op zich namelijk dezelfde handeling. Ook als je leent, zul je het bedrag daarna moeten terugbetalen. Als je het van tevoren ziet aankomen en het een incidentele uitgave is, zou je ervoor kunnen sparen als je het heel belangrijk vindt om te doen. Voor een gezin is het niet € 840 per persoon, maar € 1.072 per echtpaar en € 124 per minderjarig kind. Die voorzieningen zijn dus al getroffen.

De heer Voordewind heeft gevraagd of er naturalisatieverzoeken van etnische Armeniërs uit Azerbeidzjan zijn ingewilligd. Daar heb ik geen cijfers van, omdat dit niet in de standaardregistratie zit. Die vraag kan ik zo dus niet beantwoorden.

Mevrouw Kuiken heeft voorgesteld om vroegtijdig tijdens het verblijf informatie over naturalisatie te verstrekken. Zij vroeg of we dat kunnen oppakken. Voor mensen die deze behoefte hebben en echt naar naturalisatie toeleven, is er veel informatie beschikbaar op de sites van de rijksoverheid. Ze kunnen bijvoorbeeld op www.ind.nl op de button «Nederlander worden» klikken. Daar is heel veel informatie te vinden. Daar wordt ook veelvuldig gebruik van gemaakt. Dit jaar is die informatie 9.044 keer gedownload en 3.715 keer per post besteld en verzonden. Ik zie dus geen reden om aan te nemen dat daar een lacune in zit.

Mevrouw Kuiken heeft ook gevraagd of bewijsnood wordt aangenomen en zo ja, hoe vaak. Tot en met 2016 is dat in 60 zaken gebeurd. Dat betreft de hele linie, dus dat is breder dan alleen de Ranov. Daar heb ik geen uitsplitsing van, maar het geeft aan dat bewijsnood wel wordt toegepast. Recentere cijfers daarover hebben we nu niet.

De voorzitter:

Ik begrijp dat u nu klaar bent met het blokje Ranov.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ongeveer de helft van de generaalpardonners heeft nog steeds niet kunnen naturaliseren. De Staatssecretaris sprak over een algemeen individueel advies. Er staat inderdaad het een en ander op de website van de IND, maar het is misschien wel handig als de IND ook een spreekuur houdt voor deze mensen, die twijfels hebben over de vraag of ze in aanmerking komen voor een naturalisatieverzoek, zodat zij daar specifieke vragen over kunnen stellen. Op die manier kunnen mensen goed inschatten of ze daarvoor in aanmerking komen.

Een ander punt is dat cijfers over een geslaagd beroep op bewijsnood ontbreken. Dat zegt de Staatssecretaris ook. Het is echter wel interessant om te weten in hoeverre mensen die bewijsnood hebben aangevoerd, een toewijzing hebben gekregen op grond van dat argument. Kan de Staatssecretaris alsnog een trend aanwijzen in de afwijzingsgronden? Dat geeft ons inzicht in de problemen en hiccups van de mensen die nu zijn afgewezen.

Staatssecretaris Dijkhoff:

Sinds het laatste onderzoek dat daarnaar gedaan is, heb ik geen significante groep meer om daarover iets te kunnen zeggen. Er zijn niet veel afwijzingen bijgekomen, dus daarover kan ik niets zeggen. We weten wel dat er een heel grote groep is die nog nooit een aanvraag heeft gedaan. Die mensen zullen we dit najaar allemaal een brief sturen met informatie over naturalisatie. Die kan er natuurlijk heel goed aanleiding toe geven dat mensen een afspraak maken met de IND. Dat is prima, dan kunnen we het weer oppakken. Er zijn echter ook best vaak gevallen – die zie ik ook in de media – waarvan ik me afvraag hoe het zit, bijvoorbeeld als de zaak van iemand in procedure is geweest, maar hij nog geen Nederlander is. Daarvan is laatst een vrij bekend voorbeeld in de media geweest. Toen wij dat nazochten, bleek dat er nooit een aanvraag is ingediend. Dan kan er dus ook nog geen obstakel zijn geweest. De grote stap die we nu zetten is om al die mensen actief een brief te sturen met informatie over naturalisatie: als men daar behoefte aan heeft, kan men de procedure in gang zetten en een afspraak maken om daaraan te werken.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Er zijn natuurlijk eerder onderzoeken gedaan, bijvoorbeeld naar de vraag of de mensen die een generaal pardon hebben gekregen, in aanmerking willen komen voor naturalisatie. 93% van de hele groep generaalpardonners zei te willen naturaliseren. Die informatie hebben we wel. We weten – daar is eerder ook onderzoek naar gedaan – dat de belangrijkste hiccup of barrière om überhaupt naturalisatie aan te vragen, de mogelijke bewijsnood is, omdat deze mensen uit gebieden komen waar ze de geboorteakte niet kunnen achterhalen. Als er nu een brief wordt gestuurd, zal diezelfde bewijsnood weer een obstakel kunnen zijn. Voor de etnische Armeniërs uit Azerbeidzjan is er nu een oplossing gevonden: er is sprake van versoepeling. Over de Eritreeërs hebben we nu ook positief nieuws gehoord. Er is echter nog een heel grote groep die blijft aanhikken tegen de bewijsnood. De PvdA en de rest van de Kamer hebben hier steeds aandacht voor gevraagd, maar we blijven zitten met die 10.000 mensen die een B-status hebben in plaats van alle rechten die Nederlanders hebben.

Staatssecretaris Dijkhoff:

Ik zie het dan toch vooral als een wens en nog niet echt als een wil om te naturaliseren, als je er nog geen begin mee maakt omdat je zelf al denkt aan bewijsnood. Onze regelingen bieden opties voor gevallen waarin bewijsnood wordt geconstateerd. Dat is juist een reden om wel naturalisatie aan te vragen als je zelf al zeker weet dat er sprake is van bewijsnood, want daar hebben we voorzieningen voor. Als mensen geen begin maken met het aanvragen van naturalisatie, dan kan dat niet uit bewijsnood zijn. Ik zou dat pas kunnen begrijpen, als bewijsnood ertoe zou leiden dat we heel hard zeggen dat je dan pech hebt. Maar dat zeggen we juist niet. Je kunt bewijsnood pas vaststellen als je eraan gaat werken. Daarom vind ik het van belang dat mensen die wensen te naturaliseren en daarvoor in aanmerking komen, hun verzoek indienen en de procedure opstarten. Wij kunnen dan constateren of er echt sprake is van bewijsnood en overgaan tot het wegwuiven van die eis. Juist bij de groepen die de heer Voordewind noemde, hebben wij de bewijsnood kunnen vaststellen of ga ik nu bekijken of ik dat voor de laatste 100 Eritreeërs kan doen. Dat kan echter pas als de procedure op gang komt. Als mensen geen verzoek indienen omdat zij denken dat het niet lukt, dan kan ik ook niet constateren of er echt bewijsnood is.

De heer Voordewind stelde een vraag die hij vorige week ook heeft gesteld, namelijk over de uitlatingen van een hoogleraar dat de Turkijedeal helemaal niet nodig was omdat de instroom al terugliep. Ik heb het vorige week redelijk netjes geformuleerd, namelijk dat ik ervan uitga dat een hoogleraar zo'n uitspraak niet zomaar doet en dat er dan een wetenschappelijk onderzoek onder ligt waarvan ik graag kennisneem. Ik heb dat nog niet kunnen doen, omdat ik het nog niet ken en nog niet heb gezien. Ik weet ook niet of het er is. Mijn gezond boerenverstand zegt me dat het niet zo'n schokkende constatering is dat de instroom in oktober al afnam. Dat heet winter; dat is ieder jaar zo. Volgens mij hebben we niet aan een Turkijedeal gewerkt omdat wij dachten dat het anders in december veel drukker zou zijn dan in november. Volgens mij hebben wij dat gedaan om te voorkomen dat de instroom vanaf het voorjaar weer enorm zou toenemen. We hebben het ook altijd gehad over een reeks van maatregelen, waaronder de afspraken met Turkije, het beëindigen van het doorwuifbeleid binnen Europa, het sluiten van de westelijke Balkanroute, het komen tot een Europese grens- en kustbewaking en het versterken van de gezamenlijke buitengrensbewaking. Dat hele pakket moet leiden tot een behapbare instroom naar Europa en ook naar Nederland. Ik bevat in ieder geval niet genoeg wetenschappelijke expertise om de logica in te zien van de causale analyse: oktober was rustiger dan september, november rustiger dan oktober en december rustiger dan november, dus we hadden geen afspraak met Turkije nodig. Mocht die logica er zijn, dan buig ik mij er graag over, maar ik kan het intuïtief niet echt met elkaar rijmen.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik vind het een beetje jammer om hier een interruptie aan te wijden. Ik wil de Staatssecretaris toezeggen dat ik hem de informatie stuur. Ik denk dat die ook openbaar is gemaakt, maar ik zal hem die specifieke informatie sturen. Daaruit blijkt dat de heel sterke daling zich voordeed nadat de Balkanroute was afgesloten.

De voorzitter:

Om u tegemoet te komen, beschouw ik dit als een ordevoorstel. De Staatssecretaris gaat verder.

Staatssecretaris Dijkhoff:

Jazeker, we hebben er ook hard aan gewerkt om dat voor elkaar te krijgen, maar er is een heel pakket aan maatregelen. Ik heb ook nooit tegen de Kamer gezegd dat de instroom in oktober en november steeds hoger was. In die zin waren die cijfers niet nieuw. Laten we ten minste constateren dat het misschien voor ons minder, maar voor Griekenland wel erg prettig is dat mensen niet alleen niet meer door kunnen, maar ook niet meer in groten getale daar binnenkomen.

Ik kom bij de motie van de heer Sjoerdsma over taalles. Volgens mij leeft de wens dat mensen die hier mogen blijven, snel meedoen en werken aan hun toekomst. Volgens mij liep dat ook nooit uiteen, omdat het beleid erop gericht was om mensen die mogen blijven heel snel die duidelijkheid te bieden en alle faciliteiten te bieden. Toen was het criterium: vergunning of niet. Een achtdaagse procedure met een korte wachttijd leverde in de praktijk geen problemen op. Als de wachttijd langer wordt, snap ik ook dat je een voorselectie voorstelt om mensen die grote kans maken op asiel alvast taalles te bieden, ook al hebben zij die formele vergunning nog niet. Ik heb de motie zo begrepen dat we niet voor iedere asielzoeker op dag één willen beginnen. Dat doen we ook niet, als mensen uit een veilig land komen. Ik zie dus niet zo'n groot verschil in intentie. Ik ben nu met de Minister van Sociale Zaken in overleg om te bekijken, ook in combinatie met de teruggelopen wachttijden, hoe we dat effectief kunnen vormgeven. Het gaat dus niet alleen om een briefje: de wachttijden zijn teruggelopen, dus het probleem is weg. Ik lees de motie iets breder dan letterlijk, want de oorspronkelijke motie ging alleen maar over noodopvang. Het flauwe antwoord is: die hebben we niet meer. Ik zal de intentie breder bekijken, zodat we beleid hebben als de instroom in de toekomst onverhoopt weer wel oploopt. Wij hebben toegezegd om de Kamer daarover te informeren. Ik zal mij beijveren om dat voor de behandeling van onze begroting te doen.

De heer Sjoerdsma (D66):

Voorzitter.

De voorzitter:

U bent al door uw interrupties heen, maar u gaat een procedurele opmerking maken.

De heer Sjoerdsma (D66):

Ik vind het wel prettig, zo'n faciliterende voorzitter. Ik heb inderdaad een kleine procedurele opmerking van mijn kant. Aangezien deze motie zeven maanden geleden is aangenomen, zou ik het waarderen dat er even wordt gereflecteerd op wat er de afgelopen zeven maanden is gebeurd. Het is heel goed dat er nu wordt gesproken met de Minister van Sociale Zaken, maar ik zou graag ook iets horen over de afgelopen zeven maanden.

Staatssecretaris Dijkhoff:

Ik zal dat in de brief opsommen. Wij hebben natuurlijk inspanningen verricht, niet met formele taallessen, maar wel om op andere manieren mogelijkheden te bieden zodat men zich de taal alvast eigen kan maken in voorbereidende zin.

Mevrouw Voortman had nog een vraag over de minuten van de 40 zaken. Kunnen die snel naar de Kamer worden gestuurd, nu haar motie daarover gisteren is aangenomen? Zoals gebruikelijk zal het kabinet aangenomen moties bespreken en bekijken hoe het daaraan invulling kan geven. Ik blijf met het spanningsveld zitten dat als ik ze echt wil anonimiseren, er niet veel informatie overblijft. Maar goed, de Kamer wil dat graag, dus ik zal bekijken hoe ik dat kan doen en de minuten naar de Kamer sturen als ze beschikbaar zijn.

De voorzitter:

Hartelijk dank. Er zijn nu geen interrupties meer, dus ik geef in tweede termijn het woord aan mevrouw Voortman. De spreektijd is twee minuten.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Voorzitter. Ik begin met de hervestiging vanuit Griekenland. Het gaat erom dat de Griekse asieldienst dossiers van geregistreerde asielzoekers selecteert voor herplaatsing. Het tempo van die selectie kan juist opgevoerd worden, als lidstaten structureel meer herplaatsingen uitvoeren. De Staatssecretaris zegt nu: er zijn 30.000 geregistreerde asielzoekers in Griekenland, daar pakken we een percentage van en dan zitten we goed. Het punt is dat er ook nog 30.000 niet-geregistreerde asielzoekers zijn. Griekenland komt er nu niet aan toe om hen te registreren, omdat het daarvoor niet voldoende ambtenaren beschikbaar heeft. Het tempo kan dus omhoog op het moment dat de lidstaten zeggen: we hebben gezegd dat we 60.000 asielzoekers vanuit Griekenland zullen opvangen; we beloven bij dezen dat we dat ook gaan doen. Dan doen we dus ook wat aan die 30.000 niet-geregistreerde asielzoekers. Elke asielzoeker die de winter niet hoeft door te brengen in een tentje in Griekenland, is er een. Wij moeten er alles aan doen om dat aantal op te voeren. Ik denk dat het geen kwestie is van kunnen, maar van willen. Daarom stel ik voor dat hierover een VAO komt. Ik wil graag een motie indienen om een uitspraak van de Kamer te vragen, als de Staatssecretaris hier niet toe wil overgaan.

Over de capaciteit heb ik al gezegd dat ik blij ben dat het aantal statushouders dat gehuisvest wordt geleidelijk is toegenomen. Maar als wij willen dat er in 2016 85.000 statushouders gehuisvest zijn en we nu op 3.000 per maand zitten, dan zitten we op ongeveer de helft daarvan. Ook als je begint met 62.000 plekken en eindigt met 48.000 plekken, dan vrees ik toch echt dat je opvangcapaciteit te krap wordt. Als er toch meer mensen hiernaartoe komen of als de huisvesting van statushouders minder vlot gaat als gevolg van bijvoorbeeld het schrappen van de voorrangsregeling, dan heb je wel degelijk een probleem. Ik doe een oproep om toch voorzichtiger te zijn met de prognoses van het aantal opvangplekken.

Ik moet straks weg, omdat ik nog een algemeen overleg over de Zorgverzekeringswet heb.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Voorzitter. Ik dank de Staatssecretaris voor de beantwoording. Ik ben in ieder geval blij met zijn toezegging over de Eritreeërs en ook over datgene wat we net besproken hebben in een interruptiedebatje over de kinderen van Calais. Uit wat ikzelf heb gezien, wat ik heb gehoord en wat ik heb meegekregen via media die daarover reportages maken, blijkt dat de situatie voor kinderen heel slecht is. Ik ben en blijf dan ook van mening dat wij nu al te lang wachten met ons ertegenaan bemoeien en kijken of we een helpende hand moeten toesteken. Desalniettemin dank ik de Staatssecretaris voor zijn toezegging om zich nogmaals met de Franse regering te verstaan op dit punt.

Ik kom bij de jongvolwassenen en de inspanningsverplichting voor de pardonvergunningen. Ik vraag mij af in hoeveel gevallen er bij individuele toetsing is gezegd dat het buiten schuld is dat men de nodige papieren niet kan overleggen. Ik ben daar heel benieuwd naar.

Ik heb mij wel verbaasd over de draai die de Staatssecretaris nu geeft aan de 160.000. Mij staat het in ieder geval niet bij – zo is het echt niet gecommuniceerd, niet naar ons en ook niet naar mensen in het land – dat het zou gaan om een maximumaantal dat wij hier hervestigen. Overal was te lezen dat de Europese lidstaten zich hebben verplicht om die 160.000 op te nemen. Als daar vanwege omstandigheden geen behoefte meer aan is, dan snap ik heel goed dat je zo'n aantal niet hoeft op te nemen; als het niet nodig is, is het niet nodig. Er is echter wel degelijk nood in Griekenland, waar in dat soort kampen halve oorlogen ontstaan met brandstichtingen en vechtpartijen. Ik vind dat wij echt niet kunnen zeggen: we stellen een maximumaantal; een tiende of een derde is ook wel genoeg.

De heer Sjoerdsma (D66):

Voorzitter. Ik dank de Staatssecretaris voor zijn antwoord. Ik wil toch nog even iets zeggen over de taal. Het niet geven van taallessen, zeker aan grote aantallen vluchtelingen, is een integratieramp in slow motion. Asielzoekers zelf zeggen dat het absoluut noodzakelijk is en willen het dolgraag. Gemeenten zeggen dat het noodzakelijk is en willen het dolgraag. Ik snap dat de VVD dan niet wil luisteren naar Schippers; dat moet de VVD-fractie helemaal zelf weten. Ik zou wel graag zien dat het kabinet nu eindelijk stopt met die sabotagepolitiek. Die motie is aangenomen en moet gewoon worden uitgevoerd. Het wordt tijd dat wij die brief binnenkort krijgen en dat daaruit blijkt dat wij niet langer overleggen, want het overleg duurt nu al enorm lang, maar dat het gewoon tot uitvoering gaat leiden.

Veel positiever ben ik over de manier waarop de Staatssecretaris is omgegaan met de 750 vluchtelingenkinderen en de uitbreiding van de categorie alleenstaande vluchtelingenkinderen naar kinderen met familie. Ik vind dat echt een compliment waard. Dat hij bereid is om te bekijken hoe wij hierin tempo kunnen maken en om met Italië te spreken, vind ik allemaal positief. Dat is iets om aan vast te houden. Maar ik hoop en wens dat de brief over de taalles snel komt.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik ondersteun het pleidooi voor de taallessen. Ik dank de Staatssecretaris voor de voortgang wat betreft de 750 vluchtelingenkinderen. Wij zitten hier weleens te klagen en te mopperen, maar de Staatssecretaris pakt dit toch heel voortvarend op. Ik dank hem ook voor de toezegging over de Eritreeërs. Dat zal hun echt duidelijkheid kunnen bieden.

Ik heb gevraagd hoe de onafhankelijke vertrouwenspersoon zich verhoudt tot de contactpersoon veiligheid. Ik ben blij dat die vertrouwenspersoon er nu is, maar ik was even aan het zoeken hoe dat zit en hoe zij zich tot elkaar verhouden.

Ik heb nog een vraag over het terugdringen van het aantal verhuizingen van kinderen. Ik begrijp dat de Staatssecretaris nog in overleg is met de verschillende kinderorganisaties. Misschien is het een idee dat, op het moment dat kinderen eindelijk instromen in het onderwijs – dat is meestal het lager onderwijs – we er alles aan doen om hen op dezelfde school te houden. Wij hebben kinderen gesproken die soms acht lagere scholen hebben gehad.

Mijn laatste punt is ...

De voorzitter:

U bent al over uw tijd heen, sorry.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Twee minuten toch?

De voorzitter:

Ja, maar daar bent u al ruim overheen.

De heer Fritsma (PVV):

Voorzitter. Ik dank de Staatssecretaris ook voor de gegeven antwoorden. Het is voor de PVV echt onacceptabel dat vrijwel alle criminele asielzoekers gewoon in Nederland kunnen blijven en ook nog een verblijfsvergunning krijgen. Slechts in heel extreme en uitzonderlijke gevallen wordt verblijf geweigerd. Dat moet echt anders. Ik heb behoefte aan een VAO om hierover een motie te kunnen indienen, dus dat wordt vervolgd.

De Staatssecretaris heeft geen antwoord gegeven over het voornemen van de Europese Unie om haast te maken met het visumvrij laten reizen van Turken; dat terwijl niet eens aan de voorwaarden wordt voldaan. De PVV wil natuurlijk helemaal geen visumvrij reizen voor Turken. Als je leest dat de EU nu op zoek is naar praktische oplossingen terwijl er geen enkele vooruitgang is geboekt met het voldoen aan de voorwaarden, dan gaan alle alarmbellen af. De Staatssecretaris moet daar echt een stokje voor steken. Ik heb hem nog niet horen zeggen dat hij dat gaat doen. Ik heb hem nog geen antwoord op die vraag horen geven, dus ik krijg graag helderheid hierover. Daar kan ik het in tweede termijn bij laten.

De voorzitter:

Ik breng even in herinnering dat mevrouw Voortman al een VAO heeft aangevraagd. U meldt zich in ieder geval als spreker.

De heer Fritsma (PVV):

Akkoord.

De heer Azmani (VVD):

Voorzitter. Ik dank de Staatssecretaris voor de beantwoording en ook voor zijn toezegging om al eerder met een tussenevaluatie te komen over kansloze asielaanvragen van Oost-Europeanen en het effect van de afschaffing van de REAN-regeling.

Verder dank ik de Staatssecretaris voor zijn antwoord over de wijze waarop wordt omgegaan met gemeenten die draagvlak hebben gecreëerd voor locaties, maar waar uiteindelijk het besluit wordt genomen om locaties niet te bouwen. Ik heb de Staatssecretaris horen zeggen dat hij geen bakken geld heeft. Terecht, die heeft hij ook niet. Hij geeft ook aan dat hij het netjes wil afwikkelen. Ik weet dat het speelt in gemeenten zoals Enschede, waar iedereen in principe blij is dat die locatie niet doorgaat, maar waar wel de nodige voorbereidingen hebben plaatsgevonden.

Tot slot kom ik bij de bijzondere opvanglocatie met toezicht. Ik begrijp heel goed dat we dit proces zorgvuldig moeten doorlopen, niet in de laatste plaats vanwege de zorgen over omwonenden. Het laatste wat de VVD zou willen, is dat zij overlast krijgen. Voor de mensen die in die opvang terechtkomen, moet het heel duidelijk zijn dat dit eens en nooit weer is en dat het ons ernst is. Ik snap dat heel goed, maar de Staatssecretaris zal ook begrip hebben voor mijn ongeduld, zeker gezien de incidentenmonitor die wij afgelopen maandag hebben gekregen.

Mevrouw Keijzer (CDA):

Voorzitter. Naar aanleiding van de laatste opmerking van de heer Azmani wijs ik erop dat ik hier eerder heb gepleit voor het gebruikmaken van een toen leeg komende en inmiddels misschien al leegstaande gevangenis voor de opvang van dit soort mensen die zich aan gebod noch verbod houden. Misschien is het toch goed om dat idee van het CDA nog eens te bekijken.

Ik heb in eerste termijn gevraagd hoe het mogelijk is dat je van 3.600 meldingen naar 160 zaken bij het Openbaar Ministerie komt. De Staatssecretaris gaf aan dat het een beetje hetzelfde beeld is, namelijk dat een op de vijf zaken leidt tot vervolging. Van 3.600 naar 160 is toch een ander beeld. Het is des te vervelender, omdat het gaat over mensen die hier nieuw komen. Wij vinden het allemaal belangrijk dat zij onze waarden en wetten respecteren. Ik vond het antwoord niet voldoende en zal dan ook via schriftelijke vragen proberen om het naadje van de kous te achterhalen.

Dat geldt ook voor de weigeringen of intrekkingen van verblijfsvergunningen. Wat zijn de rechtsgronden daarvoor? Ik wil het precies weten om te kunnen vaststellen of deze Staatssecretaris het een beetje laat waaien of dat hij daadwerkelijk streng beleid hierop voert.

Dat geldt ook voor de vraag hoe veel veiligelanders nu in de opvang zitten. Hoe snel krijgen zij daarover duidelijkheid in het sporenbeleid waarover de Staatssecretaris de Kamer eerder informeerde? Uitgangspunt daarbij is dat mensen die geen aanspraak maken omdat zij uit een veilig land komen daarover in no time duidelijkheid krijgen. Dat is niet alleen in het belang van het draagvlak, maar het is ook van belang vanwege de plekken die zij bezetten, zeker als wij vanaf dag één taalles zouden moeten geven.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik ga toch nog even door op die politiemeldingen. Ik lees in de brief van 3 oktober jl. van de Staatssecretaris dat er 813 aangiften zijn gedaan naar aanleiding van de meldingen en dat er 166 zaken bij het OM zijn aangebracht. Niemand in de Kamer bagatelliseert dat er 813 aangiften zijn gedaan en dat 166 mensen voor de rechter moeten komen. Ik kan mij echter niet aan de indruk onttrekken – ik verwijs nog even naar het interruptiedebatje met mevrouw Keijzer in eerste termijn – dat het CDA hier bewust een beeld schetst: het loopt bij die asielzoekers, bij die vluchtelingen helemaal de spuigaten uit, ze zijn veel vaker crimineel en hoe durven ze, want ze moeten eigenlijk heel dankbaar zijn. Dit past toch niet? Mevrouw Keijzer heeft het zelf over het creëren van draagvlak, maar zij breekt het zelf af.

Mevrouw Keijzer (CDA):

Dit is een herhaling van wat we in eerste termijn hebben besproken, dus wat kan ik daarop antwoorden, anders dan wat ik in eerste termijn heb gezegd? Ik lees dat er 3.600 politiemeldingen zijn en dat er sprake is van 1.600 strafbare feiten. Ik vind het al gek hoe die conclusie wordt getrokken. Dat leidt uiteindelijk via allerlei vijven en zessen tot 160 vervolgingen, waarvan ook weer een aantal zaken uitvallen. Ik verbaas mij daarover. Ik vind het van belang dat wij veiligheid bieden aan mensen die vluchten voor oorlog en hiernaartoe komen. Maar ik verlang ook van hen dat zij zich hier houden aan de wet. Als we al beginnen met «laat maar waaien», dan zijn we wat mij betreft op de verkeerde weg.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Nogmaals: iedereen onderschrijft hier dat criminelen überhaupt moeten worden gepakt en bestraft. Maar het rechtssysteem in Nederland is best wel ingewikkeld, als je er door een bepaalde bril naar wilt kijken.

Mevrouw Keijzer (CDA):

Mevrouw Gesthuizen begint elke keer dit soort interrupties met «niemand bestrijdt hier». Wat is er dan mis mee, als je probeert te achterhalen hoe het in de praktijk uitwerkt? De Staatssecretaris zegt dat als je je schuldig maakt aan strafbare feiten, dat leidt tot intrekking van je vergunning. Wij hebben ook in het integratiedebat vergelijkbare discussies met de Staatssecretaris. Ik probeer gewoon te achterhalen hoe dat in de praktijk uitwerkt. Ik snap niet waarom de fractie van de SP daar problemen mee heeft.

De voorzitter:

We laten het hierbij.

Voorzitter: Voortman

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Voorzitter. Ik wil graag blijvend geïnformeerd worden over de voortgang, als het gaat over de Ranov-vergunninghouders. Het is goed dat er nu weer een brief uitgaat, zodat wij de vinger aan de pols kunnen houden. Ik dank de Staatssecretaris voor de toezegging dat er ook wordt gekeken naar onder meer de 100 Eritreeërs. Wij zullen ons met dat onderwerp bezig blijven houden.

Ik heb in eerste termijn een vraag gesteld over DNA in relatie tot Ranov-vergunninghouders.

Ik wil graag nog een toezegging van de Staatssecretaris over incidenten. Ik vind dat het goed gaat, maar ik blijf mij zorgen maken over een kleine maar hardnekkige groep, in dit geval mensen uit Noord-Afrikaanse landen die geen recht hebben op een verblijfsvergunning. De Staatssecretaris bekijkt welke maatregelen effectief kunnen worden genomen, waaronder vrijwillige dan wel gedwongen terugkeer. Is de Staatssecretaris bereid om ons over enige tijd weer hierover te informeren, juist omdat het zo belangrijk is om erbovenop te zitten in het kader van draagvlak?

Ik vergeet vast nog een punt, maar gelet op de tijd laat ik het nu hierbij.

Voorzitter: Kuiken

De voorzitter:

De Staatssecretaris geeft aan dat hij meteen kan antwoorden. Ik geef ruimte voor een interruptie.

Staatssecretaris Dijkhoff:

Voorzitter. Mevrouw Voortman maakt zich zorgen over de capaciteit. Wij bouwen nu nog bij, maar niet meer dan die 12.000 plekken. Ik ben nu niet versneld aan het sluiten. De vraag is alleen of je nu al moet besluiten om nog meer bij te bouwen. Als je dan kijkt naar de cijfers en er rekening mee houdt dat niet iedereen die instroomt zal leiden tot een verhoging van de huisvestingstaakstelling of een heel jaar lang een bed bezet houdt, dan zitten wij comfortabel in het jasje met dit aantal, tenzij we weer een stijging of pieken in de instroom zien. Daarop moeten wij snel kunnen sturen. Maar wij zitten wel in een fase waarin wij een veel lagere instroom hebben dan we een halfjaar of een jaar geleden dachten. Wij gaan gewoon door met het creëren van nieuwe plaatsen. We groeien wat minder hard en de instroom neemt wat af, maar er is gedurende het jaar ruimte om eventueel bij te sturen.

Mevrouw Gesthuizen stelde een vraag over het buitenschuldbeleid. Ik heb een cijfer genoemd, maar dat was natuurlijk wat gedateerd. Begin 2017 zijn de cijfers tot en met 2016 bekend. Dan kunnen wij bekijken welke impact de genomen maatregelen hebben gehad op het Ranov-beleid.

De suggestie van de heer Voordewind om de schoolgang bepalend te laten zijn, zal ik meenemen bij de nadere uitwerking waarmee ik nu bezig ben om het aantal verhuisbewegingen te beperken. Ik zal bekijken of dat een werkbaar en reëel criterium is.

De heer Voordewind stelde een vraag over de coördinerend vertrouwenspersoon en de contactpersoon veiligheid. Dat hoeven niet altijd twee verschillende personen te zijn. Het zijn twee functies. In de praktijk zullen die twee functies vaak door één individu vervuld worden. Zo kunnen wij waarborgen dat signalen en incidenten adequaat worden opgepakt en opgevolgd en kunnen wij ook trends signaleren, waarmee wij dan weer ons voordeel kunnen doen in een verdere aanpak om de boel veilig te houden.

De heer Fritsma stelde een vraag over visumliberalisatie. Die was ik inderdaad vergeten, omdat ik de urgentie die hij haalde uit het bericht van de Commissie zelf niet bepaald haalde. De afspraak over visumliberalisatie loopt al heel lang, los van afspraken met Turkije over vluchtelingen. Volgens die afspraak zou de visumliberalisatie op 1 oktober van dit jaar zijn ingegaan. Bij de afspraken over de vluchtelingen vroegen de Turken: als we op 1 juli al voldoen, mogen we dan eerder? Wij hebben gezegd dat dat kon, maar op 1 juli voldeden zij niet en hebben wij niets gedaan. Op 1 oktober voldeden zij ook niet en hebben wij ook niets gedaan. Zolang Turkije niet aan de criteria voldoet, kunnen wij daar niet mee verder. Als Turkije wel aan de criteria voldoet, zie ik geen argument om de visumliberalisatie tegen te houden. Voor de volledigheid: de mensen kunnen dan niet allemaal massaal naar Nederland komen om hier te blijven. Het gaat om toeristen en zakenlui die nu nog een visum van een paar tientjes moeten afvragen. Nederlanders die naar Turkije op vakantie gaan, moeten dat trouwens ook. Dat visum wordt in zeer weinig gevallen geweigerd. Dat hoeft dan niet meer aangevraagd en betaald te worden. Het geldt ook alleen maar voor mensen die het juiste biometrisch paspoort hebben. Lang niet iedereen in Turkije heeft dat op hetzelfde moment. Dat zal geleidelijk gaan. Voordat iedereen zo'n paspoort heeft, zijn wij jaren verder. Er is deze week geen spoedsessie om dat allemaal ineens te doen, want men voldoet nog niet aan de eisen.

Mevrouw Keijzer deed een suggestie om lege gevangenissen te gebruiken voor zo'n opvanglocatie met extra toezicht. Ik sta daarvoor open, maar ook dan moet het lokaal bestuur daarmee instemmen. Als er een lokaal bestuurder is die denkt «waarom heeft hij mij nog niet gebeld; het lijkt mij een tof plan en ik heb er plek voor», dan gaan we het morgen regelen. Het lokaal bestuur geeft daarin de doorslag.

Mevrouw Keijzer heeft vragen gesteld over de cijfers. Ik zie haar schriftelijke vragen tegemoet. Wij hebben ons best gedaan om in de brief al zo veel mogelijk uit te leggen, maar we verduidelijken het graag. Van 3.600 naar 166 is inderdaad niet de vertaalslag van 20% die we in de samenleving ook zien. In de hele samenleving zien we dat grofweg 20% van de aangiften tot vervolging leidt. Het gaat nu om politiemeldingen. De politie is de meeste tijd kwijt met haar hulptaak. Stel je voor: iemand gaat door het lint en moet opgenomen worden in de gezondheidszorg. Dat is een politiemelding, geen aangifte. Iemand heeft een suïcidepoging gedaan of de ambulance moet langskomen omdat iemand onwel is. De politie heeft een hulptaak, is daar vaak bij aanwezig en zal altijd de melding ontvangen, maar die leidt niet tot aangifte. De verhouding van één op vijf geldt voor de aantallen van aangifte en vervolging. Die wijkt in deze categorie niet af van de rest van de samenleving.

Mevrouw Kuiken stelde een vraag over DNA in relatie tot Ranov-vergunninghouders. Wij passen DNA-bewijs soms toe bij gezinshereniging door nareis, omdat dan de cruciale vraag is of er een gezinsband is. Bij naturalisatie gaat de brondocumentatie niet over het vaststellen van een gezinsband, in ieder geval niet uitsluitend. Dan gaat het ook over: wie is deze persoon en waar is hij geboren? Het DNA-onderzoek kan dat niet vervangen.

Mevrouw Kuiken stelde een vraag over de maatregelen voor Noord-Afrikanen uit veilige landen. Wij kijken nu naar Algerije als veilig land van herkomst. Ik zal de Kamer daarover snel informeren. We kijken ook naar andere maatregelen. Ik zal voor de behandeling van de begroting van V en J een update naar de Kamer sturen, waarin dit onderwerp specifiek wordt meegenomen.

Mevrouw Voortman heeft een vraag gesteld over de 60.000 versus 30.000 in Griekenland. In die 30.000 zit volgens de Europese Commissie ook de preregistratie. De bottleneck daar is niet de registratiecapaciteit van de IND. Ik herken dat getal van 60.000 ook niet uit de Europese cijfers als het aantal mensen dat in aanmerking zou komen voor relocatie. Niet elke asielzoeker die nu in Griekenland is, komt in aanmerking voor relocatie. Dan moet je wel voldoen aan de criteria van de landen van herkomst en ook de datum van binnenkomst. Mensen die vorige week Griekenland zijn binnengekomen, voldoen niet aan de criteria voor relocatie. Wellicht lopen daardoor de getallen uiteen.

Er is ook nog een vraag gesteld over de bezettingsgraad van veiligelanders en de snelheid van de procedure. Ik zal daar schriftelijk op terugkomen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

De Griekse asieldienst geeft aan meer te kunnen doen: we kunnen meer mensen registreren als we weten dat lidstaten meer herplaatsingen uitvoeren. Daar zit volgens mij de bottleneck. Als wij aangeven dat we 200 mensen in plaats van 100 mensen opnemen en als andere landen dat vervolgens ook doen, dan creëer je juist de lucht die nodig is. Volgens mij gaat het daarom. De winter komt eraan. Dan willen wij toch ook wat doen om mensen daar te helpen?

Staatssecretaris Dijkhoff:

Even los van het feit dat ik constateer dat wat mijn Griekse collega zegt meteen als absoluut waar wordt aangenomen en dat wat ik zeg kritisch wordt bejegend: ik herken dat probleem alleen maar eventueel in het overgaan van de 30.000 preregistraties naar de echte registratie. Ik herken niet dat meer dan 30.000 mensen aan de criteria voor relocatie voldoen. Er zijn wel meer asielzoekers in Griekenland, maar niet elke asielzoeker, ook niet als je uit Syrië komt, komt in aanmerking voor relocatie volgens die afspraken. De Grieken moeten er wel heel hard aan werken om die in procedure te brengen en in hun eigen asielprocedure op te nemen. Daarvoor krijgen zij ook financiële en materiële steun en hulp. Maar ik herken niet dat er meer dan 30.000 mensen voor relocatie in aanmerking kunnen komen, als de Griekse dienst werk zou mogen doen dat hij niet doet omdat een pledge niet vervuld is. Dat kan ik niet plaatsen. Hooguit gaat het om het actief registreren en overbrengen van die 30.000, maar ook dan vraag ik mij af of dat de bottleneck is.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Dan is er volgens mij toch een verschil tussen kunnen en willen. Ik heb al een VAO aangevraagd, dus dan zal het daar in orde komen.

De voorzitter:

Ik dank de Staatssecretaris en de Kamerleden. Ik loop nog even de toezeggingen langs.

  • De Staatssecretaris zegt toe, de Kamer op de hoogte te houden van de uitvoering van de toezegging om 750 minderjarigen te herplaatsen in Nederland.

  • De Staatssecretaris zegt toe bij zijn Franse collega aandacht te vragen voor de positie van kwetsbare minderjarigen bij Calais – mag ik daar in een halve interruptie van mijzelf nog aan toevoegen: Duinkerken – en zal de Kamer daar medio oktober per brief over informeren.

  • De Staatssecretaris zegt toe, bij de Minister van Buitenlandse Zaken een specifiek ambtsbericht op te vragen met betrekking tot de laatste honderd Eritreeërs in de Ranov.

  • De Staatssecretaris zegt toe, de Kamer te informeren over de uitvoering van de motie inzake taalles, inclusief de inspanningen die de afgelopen zeven maanden zijn verricht.

  • De Staatssecretaris zegt tot slot toe, de Kamer voor de begrotingsbehandeling te informeren over de opvang van asielzoekers uit veilige landen.

Er is een VAO aangevraagd met mevrouw Voortman als eerste spreker. Ik zie dat mevrouw Keijzer nog een opmerking heeft.

Mevrouw Keijzer (CDA):

Miste ik nu in de opsomming de laatste toezegging die de Staatssecretaris deed, namelijk dat hij ons ging vertellen wat de rechtsgrond is van de 16 ingetrokken dan wel geweigerde verblijfsvergunningen?

De voorzitter:

Dat staat niet in mijn toezeggingen, maar hij heeft daarover inderdaad een brief toegezegd, dus die voegen we toe aan het aantal gedane toezeggingen. Correct.

De heer Azmani (VVD):

Voor de volledigheid van het toezeggingslijstje wijs ik op de halfjaarevaluatie rondom de REAN-regeling.

De voorzitter:

De Staatssecretaris heeft daarvan een voorevaluatie toegezegd. Het heet anders, maar we weten wat we bedoelen en voegen het toe aan het lijstje van toezeggingen.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

De Staatssecretaris heeft toegezegd om in gesprek te gaan met de kinderorganisaties over die verhuisbewegingen en daarbij de suggestie mee te nemen dat er, vanaf het moment dat kinderen op school zitten, getracht zou moeten worden om de verhuisbewegingen te beperken of terug te brengen tot nul. Als hij dat overleg heeft gehad, zou ik daarover graag een brief krijgen.

Staatssecretaris Dijkhoff:

De vraag van mevrouw Keijzer: ik ging ervan uit dat zij schriftelijke vragen zou stellen. Anders zou ik eerlijk gezegd niet weten welke zestien ik moet beantwoorden. Ik had wel ten aanzien van mensen uit veilige landen een toezegging gedaan rondom bezettingsgraad en doorlooptijden.

De suggestie van de heer Voordewind: ik wil dat best meenemen in die gesprekken, maar dan duurt het wel wat langer voordat de brief er komt.

Mevrouw Keijzer (CDA):

Dat is goed, voorzitter. Dan doen we het zo. Ik had het idee om het net andersom te doen, maar dit is ook een prima oplossing.

De voorzitter:

U gaat eerst zelf schriftelijke vragen stellen?

Mevrouw Keijzer (CDA):

Ik stel schriftelijke vragen over de politiecijfers en de geweigerde vergunningen, en als ik dan van de Staatssecretaris hoor hoeveel mensen uit zogenaamd veilige landen in de opvang zitten en wat de doorlooptijd is, komen we met elkaar tot de juiste informatie.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Als de Staatssecretaris zegt dat hij die optie zal onderzoeken en dan naar de Kamer terug zal komen, dan wacht ik dat natuurlijk graag af, zeker als het snel kan.

De voorzitter:

Akkoord. Dan zijn wij rond. Ik dank heel hartelijk ook de mensen op de publieke tribune en de mensen die mee zitten te kijken. Ik wens u een fijne middag.

Sluiting 13.16 uur.